De inzet van externe verzekeringsartsen door het UWV |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt UWV ervoor dat zij gebruik kan maken van verzekeringsartsen die niet werkzaam zijn bij UWV maar elders werken?
UWV ziet binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheden om verzekeringsartsen in te huren die als zelfstandige werken (ZZP-ers), daarom heeft UWV de inhuur van ZZP verzekeringsartsen per 1 oktober 2025 afgebouwd. UWV kan binnen de huidige wet- en regelgeving nog wel artsen inhuren op detacheringsbasis.
Klopt het dat UWV vanwege de wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) geen zelfstandige verzekeringsartsen meer inhuurt waarbij geldt dat zij door de aard van het werk eigenlijk werknemers zouden moeten zijn?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat UWV deze zelfstandigen een aanbod voor een dienstverband heeft gedaan? Hoeveel van hen hebben dit geaccepteerd en hoeveel fte levert dit op?
Dat klopt, alle verzekeringsartsen die als zelfstandige bij UWV werkzaam waren hebben in de periode voor 1 oktober 2025 meerdere keren het aanbod gehad om bij UWV in dienst te komen. Er hebben 23 mensen van dat aanbod gebruik gemaakt.
Klopt het dat UWV echter ook geen partijen meer inzet waar verzekeringsartsen zijn aangesloten en werken op basis van een dienstverband?
Nee dat klopt niet. De wet DBA verhinderd dit niet, mits de externe artsen in loondienst zijn bij deze externe partijen. Zie vraag 6 voor een toelichting.
Klopt het dat dit binnen de wet DBA wel mogelijk zou zijn?
Het inzetten van externe partijen kan juridisch veilig onder de Wet DBA, mits de artsen die het werk uitvoeren in loondienst zijn bij die externe partij.
Klopt het dat dergelijke externe partijen tot wel duizenden keuringen zouden kunnen uitvoeren? Om hoeveel capaciteit gaat het?
UWV heeft regelmatig contact met de partijen in de markt. Op dit moment is er geen aanbod van te detacheren verzekeringsartsen.
Hoe veel capaciteit zou er nodig zijn om de tekorten bij UWV weg te werken?
UWV kampt al enkele jaren met een tekort aan verzekeringsartsen. Daardoor zijn de achterstanden de afgelopen jaren fors opgelopen. Er is op jaarbasis een tekort van ruim 200 artsen. En om opgelopen achterstanden weg te werken is er voor de duur van 1 jaar een capaciteit van 750 Fte nodig. Deze capaciteit is op dit moment niet in de markt van te detacheren verzekeringsartsen beschikbaar.
Ziet u mogelijkheden om partijen in het veld waar verzekeringsartsen werkzaam zijn binnen de wet DBA in te zetten voor aanvragen, herbeoordelingen of eerstejaars ziektewetbeoordelingen of anderzijds projecten op te pakken die de workload van UWV kunnen verlichten?
Het inhuren van verzekeringsartsen op detacheringsbasis is mogelijk binnen de huidige wet- en regelgeving. Een inventarisatie door UWV heeft uitgewezen dat deze markt geen groot aanbod aan te detacheren verzekeringsartsen kent. Juridisch is dit mogelijk maar de benodigde capaciteit is op dit moment niet beschikbaar.
UWV richt zich op de mogelijkheden die wél kunnen. Voor de werving van verzekeringsartsen hanteert UWV hanteert al jarenlang actieve wervingsstrategieën om artsen aan te trekken voor de verzekeringsgeneeskunde bij UWV. In het strategische personeelsplan van UWV wordt een apart hoofdstuk gewijd aan de werving van artsen inclusief gerichte doelstellingen. Hierover heb ik u geïnformeerd in de Kamerbrief van juni 20251.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Ja
Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
In 2024 heeft het CBS voor de WW-instroom in 2022 en 2023 een analyse gemaakt van de gevolgen van een aanscherping van de referte-eis.1 Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV op basis van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 en 2025 een nieuwe, recentere analyse gemaakt van de effecten van een eventuele aanscherping van de referte-eis van 26 uit 36 weken naar 42 uit 52 weken. UWV heeft gekeken hoeveel mensen in deze jaren geen recht zouden hebben gehad op een WW-uitkering indien de aangescherpte referte-eis toen van kracht zou zijn geweest. Uit de analyse van UWV volgt dat zowel voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 als 2025, circa 12% geen recht zou hebben gehad op een WW-uitkering door de aanscherping van de referte-eis. Dit percentage is in lijn met de analyse van het CBS. Die vond 14% voor 2022 en 11% voor 2023.
De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven. Deze zijn weergegeven voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025. De tweede kolom van onderstaande tabellen geeft steeds de verdeling van de groep die bij een aangescherpte referte-eis het recht op een WW-uitkering zou verliezen. De derde kolom geeft ter vergelijking de verdeling van de groep die ondanks een strengere referte-eis het recht op WW zou behouden. De kolommen tellen verticaal op tot 100%. Bijvoorbeeld voor tabel 1: van alle WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die bij een aangescherpte het recht op WW-uitkering zou verliezen, was 22% tussen de 35 en 44 jaar. Voor de WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die ondanks een aanscherping van de referte-eis het recht op WW zouden behouden, was 23% tussen de 35 en 44 jaar.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Gemiddelde leeftijd
38 jaar
40 jaar
t/m 24 jaar
14%
10%
25 t/m 34 jaar
32%
31%
35 t/m 44 jaar
22%
23%
45 t/m 54 jaar
17%
18%
55 t/m 59 jaar
7%
9%
60 t/m 64 jaar
6%
7%
65 tot AOW-leeftijd
1%
2%
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Gemiddelde maandloon2
€ 2.701
€ 3.954
Minder dan € 2.054 per maand
33%
18%
€ 2.054 tot € 2.697 per maand
29%
19%
€ 2.698 tot € 3.421 per maand
20%
20%
€ 3.422 tot € 4.751 per maand
12%
21%
€ 4.752 of meer per maand
7%
22%
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Vast contract
6%
36%
Tijdelijk contract
50%
44%
Oproepcontract
14%
7%
Uitzendcontract
27%
13%
Overig/onbekend
3%
1%
Bij deze cijfers horen enkele kanttekeningen. Allereerst bevat de loonaangifte van werkgevers uitsluitend informatie over het aantal uren per loonaangiftetijdvak en niet over het aantal uren per week. In de uitvoeringspraktijk (en voor deze exercitie) verdeelt UWV het aantal verloonde uren per loonaangiftetijdvak evenredig over het aantal weken in het loonaangiftetijdvak.
Ten tweede is, om de analyse behapbaar te houden, voor het bepalen of een werknemer zou voldoen aan de aangescherpte referte-eis een vereenvoudigde berekeningswijze gehanteerd die afwijkt van de daadwerkelijke uitvoeringspraktijk. Er is alleen gekeken naar het aantal verloonde uren in de periode van 36 dan wel 52 kalenderweken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Er is geen rekening gehouden met uitzonderingsgevallen, zoals bijvoorbeeld een verlengde referteperiode als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid of uren waarover geen loon is ontvangen maar wel recht bestond op loon. De cijfers moeten dus als een indicatie van de effecten worden gezien.
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 berekend wat het WW-recht zou zijn geweest indien een maximale WW-duur van 12 maanden zou gelden en de opbouw van WW-recht een halve maand per jaar arbeidsverleden zou zijn.2 De uitkomst van deze analyse is dat het gemiddelde toegekende WW-recht zou dalen van 12 maanden naar 7 maanden. De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
t/m 24 jaar
5 maanden
3 maanden
25 t/m 34 jaar
8 maanden
5 maanden
35 t/m 44 jaar
12 maanden
7 maanden
45 t/m 54 jaar
18 maanden
10 maanden
55 t/m 59 jaar
21 maanden
11 maanden
60 t/m 64 jaar
22 maanden
11 maanden
65 tot AOW-leeftijd
22 maanden
11 maanden
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
Minder dan € 2.054 per maand
10 maanden
6 maanden
€ 2.054 tot € 2.697 per maand
10 maanden
6 maanden
€ 2.698 tot € 3.421 per maand
12 maanden
7 maanden
€ 3.422 tot € 4.751 per maand
14 maanden
8 maanden
€ 4.752 of meer per maand
17 maanden
8 maanden
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
Vast contract
17 maanden
9 maanden
Tijdelijk contract
11 maanden
6 maanden
Oproepcontract
8 maanden
5 maanden
Uitzendcontract
10 maanden
6 maanden
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 64% op dat moment niet werkzaam in loondienst.3
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 36% op dat moment naast de WW-uitkering werkzaam in loondienst.4
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de WIA van afgelopen december5 is een schatting gemaakt van het aantal extra WIA-beoordelingen dat kan worden gedaan als de IVA wordt afgeschaft. Het gaat om ca. 7.500–12.000 extra beoordelingen per jaar. Afgezet tegen een beschikbare jaarlijkse capaciteit van ca. 60.000 beoordelingen betekent dat een gemiddelde versnelling van de beoordeling met ca. eenzesde oftewel 16%, of ca. 13% als wordt uitgegaan van de laagste schatting van 7.500 extra beoordelingen per jaar.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Het is niet zo dat mensen binnen de IVA niet herbeoordeeld hoeven te worden. Zowel in de WGA als in de IVA geldt het uitgangspunt dat een herbeoordeling moet plaatsvinden als daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld als iemands gezondheidssituatie is veranderd of als blijkt dat iemands inkomen uit werk is toegenomen. Daarbij komt dat het bestaan van de IVA er juist toe leidt dat meer herbeoordelingen worden aangevraagd in de WGA, omdat de werknemer en de werkgever (of diens verzekeraar) beide een financieel belang hebben bij een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. In de periode 2013–2021 werden per WGA-gerechtigde gemiddeld 0,4 herbeoordelingen gedaan als de werkgever publiek verzekerd was, en 0,8 herbeoordelingen als de werkgever eigenrisicodrager was voor de WGA.6
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het betreft hier huishoudelijk werk gefinancierd door en voor particulieren onder de Regeling dienstverlening aan huis («de regeling»). De regeling is juist bedoeld ter stimulering van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werken. Het is de bedoeling dat deze werknemers krijgen waar zij recht op hebben.
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
De regeling is al in 2007 ingevoerd. Destijds is aan de introductie van de regeling veel aandacht besteed door middel van een grote voorlichtingscampagne van het Ministerie van SZW en de Belastingdienst. De afgelopen tien jaar heeft het kabinet geen specifieke campagnes gevoerd om huishoudens te informeren over rechten en plichten in het kader van de regeling. Op 9 december 2024 is wel een publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) gelanceerd. De campagne «Help de hulp» richtte zich op mensen die een huishoudelijke hulp particulier in dienst hebben en hen te wijzen op de rechten en plichten onder de regeling, waaronder het doorbetalen van het loon tijdens ziekte. Daarnaast is op de website van de Rijksoverheid een aparte pagina ingericht over de regeling.2 Hier wordt informatie gegeven over de rechten en plichten, en worden documenten beschikbaar gesteld, zoals een format voor de arbeidsovereenkomst.
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Met de informatie op de website van de Rijksoverheid en de informatie afkomstig uit de publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) uit 2024, meent het kabinet dat de voorlichting over de regeling voldoende is.
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
De overheid heeft geen specifieke rol als het gaat om het controleren of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting het loon door te betalen bij ziekte. De verplichting het loon door te betalen bij ziekte volgt uit artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en betreft een civielrechtelijke verplichting. Voor huishoudelijke hulpen met een arbeidsovereenkomst onder de regeling bedraagt de lengte van de periode van loondoorbetaling bij ziekte maximaal zes weken.
Mocht een werknemer (dus ook een huishoudelijke hulp die werknemer is in dienst van een particulier) het loon bij ziekte niet doorbetaald krijgen, dan is het van belang dat hij hierover in gesprek gaat met zijn werkgever. De werknemer heeft daarbij de mogelijkheid informatie en advies over zijn rechten in te winnen bij bijvoorbeeld het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Komt men er niet uit, dan heeft de werknemer uiteindelijk de mogelijkheid een procedure bij de civiele rechter te starten. Wanneer sprake is van een werkgever/werknemer-relatie in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag én er is mogelijk sprake van onderbetaling, dan kan de werknemer eveneens een melding doen bij de NLA
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Er is geen totaaloverzicht van dergelijke informatie van de verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbonden en de rechtsbijstandsverzekeraars. De NLA houdt in haar registraties niet specifiek bij of dergelijke informatie betrekking heeft op situaties met werknemers zoals bedoeld in de regeling.
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Huishoudelijke hulpen kunnen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Net als andere werknemers hebben huishoudelijke hulpen de mogelijkheid een civielrechtelijke procedure te starten indien de particuliere werkgever zijn wettelijke plichten niet nakomt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn afgelopen jaren meerdere stappen gezet om de toegang tot het recht te verbeteren.3 Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Deze mogelijkheid staat ook open voor huishoudelijke hulpen die onder de regeling vallen.
Sinds 1 maart 2025 staat onder andere voor een loonvordering een experiment open bij de zogenaamde regelrechter. Dit is experiment met een eenvoudigere, snellere en effectievere rechtsprocedure bij de kantonrechter. Dit is een uitvloeisel van het advies van de Commissie Roemer om een «arbeidscommissie» op te richten. Het experiment is laagdrempelig, omdat mensen de zaak met een eenvoudig formulier kunnen starten in plaats van met een dagvaarding. Ook wordt in alle gevallen een zitting gepland om het geschil te bespreken. Daarnaast wordt tijdens de procedure op verschillende momenten contact gezocht met de partijen om hen te infomeren over de procedure en te benadrukken dat het belangrijk is om op de zitting te verschijnen.
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Ja. Het Juridisch Loket geeft gratis juridisch advies aan mensen met een laag inkomen. Het Juridisch Loket is op meerdere manieren te bereiken. Het is ook mogelijk om zonder afspraak langs te gaan in één van de vestigingen en direct advies te krijgen. Voor vertegenwoordiging of verdere hulpverlening kunnen zij de rechtzoekende ook doorverwijzen naar bijvoorbeeld een advocaat, mediator of gemeente. Via de Raad voor Rechtsbijstand kunnen mensen met een laag inkomen ook eventueel een toevoeging krijgen voor een advocaat of mediator. Tegelijkertijd wordt het experiment voor de «regelrechter» de komende tijd geëvalueerd. Daarbij wordt ook meegenomen of dit inderdaad leidt tot meer zaken en welke mensen dit betreft. Op basis van deze evaluatie kan ook worden beoordeeld wat werkt en wat mogelijk verder nog nodig is.
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Nee, het is niet zo dat huishoudelijke hulpen door de regeling in een kwetsbare positie verkeren. De regeling is juist bedoeld om de positie van huishoudelijke hulpen te verbeteren door hen wettelijke rechten te geven en zwart werk tegen te gaan. Onder meer door informatie over de regeling en een arbeidsovereenkomst beschikbaar te stellen via de website van de Rijksoverheid, wordt getracht een eventuele informatieachterstand bij particuliere werkgevers te voorkomen. Als werkgevers de verplichtingen niet nakomen, kunnen huishoudelijke hulpen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners om zo alsnog hun rechten af te dwingen.
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Zoals in het antwoord bij vraag 7 aangegeven werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan het verbeteren van de toegang tot het recht. Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Dit is gericht op alle kwetsbare werknemers, waaronder huishoudelijke hulpen.
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
In het lopende wetstraject4 rondom aanpassing van de regeling in het pgb is de regeling recent opnieuw tegen het licht gehouden. Daarbij is de afweging gemaakt dat de regeling in stand kan blijven voor de private markt5. Er is geen aanleiding daar nu een andere afweging in te maken.
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 april 20236. In deze uitspraak oordeelde de rechter dat pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst niet uitgesloten mogen worden van de verplichte werknemersverzekeringen. Het uitsluiten van deze zorgverleners levert namelijk ongeoorloofde indirecte discriminatie van vrouwen op. De argumenten voor de regeling, namelijk het stimuleren van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werk, gaan in geval van publiek gefinancierde dienstverlening, in casu pgb, niet op.
De Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Reeds in de eerder met de kamer gedeelde brieven over dit thema2 worden een aantal randvoorwaarden gesteld waaraan additionele koopkrachtvarianten moeten voldoen. Een aantal van deze randvoorwaarden gaan over elementen die te kwantificeren zijn zoals ex-ante herverdeling en de effecten op koopkracht, andere zijn meer kwalitatief van aard zoals uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid. De DNB-analyse gaat over de kwantificeerbare elementen in de randvoorwaarden.
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
In de bijlage bij de brief wordt weergegeven dat eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo kan een pensioenfonds ernaar streven om het koopkrachtniveau te behouden: de uitkeringen volgen dan zoveel mogelijk het patroon van de jaarlijkse gerealiseerde inflatie. Anderzijds kan het doel van een pensioenfonds ook zijn om de mate van koopkrachtverlies of koopkrachtwinst te verlagen respectievelijk verhogen. Dit draait om de kans en omvang van verlaging respectievelijk verhoging in reële uitkeringen in enig jaar te verbeteren.3
Ik ben het dus niet zonder meer eens met de interpretatie dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen. Er moet ook een afweging worden gemaakt tussen het jaar-op-jaar kunnen volgen van de inflatie tegenover op de lange termijn een hogere uitkering te kunnen bieden waarbij het patroon van de feitelijke inflatie minder goed wordt gevolgd dan de jaar-op-jaar-ontwikkeling. Elke doelstelling kent hierbij haar eigen afruilen. Zo zou bijvoorbeeld de doelstelling om het zo goed mogelijk jaar-op-jaar volgen van de inflatie-ontwikkeling in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat de initiële startuitkering voor gepensioneerden lager moet zijn.
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
De doelstelling eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen is een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en heeft betrekking op de stijging van de pensioenuitkering. Eén van de randvoorwaarden om de additionele koopkrachtinstrumenten te beoordelen is: «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkrachtinstrumentarium.» Dit is dus additioneel op het koopkrachtinstrumentarium dat de Wtp al biedt, waarbij geldt dat de Wtp reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Uit de analyse blijkt dat de basisvarianten een geringer koopkrachtverlies kennen dan een zuivere DC-variant met een regeling zonder solidariteitsreserve. Dit resultaat doet daarmee niks af aan eerdere analyses van DNB over de transitie effecten bij de Wtp4 en van Netspar5 tijdens het wetstraject van de Wtp die lieten zien dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
In de Kamerbrief wordt weergegeven dat er geen sprake is van een zogeheten «free lunch». Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met andere deelnemers binnen het collectief). Deze afruil blijft bestaan, ook als bijvoorbeeld meer herverdeling plaatsvindt via de solidariteitsreserve.
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft DNB verzocht de koopkrachtinstrumenten kwantitatief door te rekenen, waarbij is afgesproken zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modellering in eerdere transitieberekeningen.6 De opzet van de analyse, inclusief model en aannames, is vooraf afgestemd met experts. Gedurende het traject zijn aanvullende gesprekken met experts gevoerd, die hebben geleid tot nieuwe inzichten en aanvullende gevoeligheidsanalyses om de robuustheid van de uitkomsten te toetsen. Daarnaast is een klankbordgroep van externe experts betrokken, die ook bij eerdere doorrekeningen heeft geadviseerd. Dit draagt bij aan de vergelijkbaarheid en consistentie met eerdere analyses. Ook het Ministerie van SZW als opdrachtgever is gedurende het traject nauw betrokken geweest bij de verkenning.
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
In de basisvariant wordt gekeken naar het koopkrachtinstrumentarium dat wettelijk mogelijk is. Deze variant betreft daarmee één van de keuzes binnen de solidaire premieregeling die binnen het huidige wettelijk kader mogelijk zijn, maar deze betreft niet per definitie een praktijkvoorbeeld. Door het in kaart brengen van een basisvariant kunnen de uitkomsten vergeleken worden met het wettelijke kader. Sociale partners en pensioenfondsen maken zelf een afweging in hoeverre zij gebruik willen maken van het instrumentarium. Er zijn pensioenfondsen die overwegen de solidariteitsreserve zo vorm te geven dat deze tot uitkeringen leidt wanneer de gerealiseerde inflatie hoger uitvalt dan de verwachte inflatie. Waar het hier om gaat is dat er geen wettelijke beperking is om gebruik te maken van de koopkrachtinstrumenten in de basisvariant.
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Ik herken het beeld niet dat in de kwalitatieve en kwantitatieve analyse één van de koopkrachtvarianten niet gelijkwaardig in de overwegingen mee is genomen. In de analyse wordt elke variant op basis van dezelfde criteria gewogen ten opzichte van dezelfde basisvariant. Dit zorgt voor een gelijkwaardige weging van de verschillende varianten, wat leidt tot een betere vergelijkbaarheid van de verschillende instrumenten. Voor de basisvarianten geldt dat het de wettelijke kaders weergeeft waarbinnen sociale partners en pensioenfondsen reeds de ruimte hebben om beleid te voeren.
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» heeft als input gediend voor de koopkrachtvariant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» en de auteur heeft ook meermaals commentaar gegeven op de uitkomsten van deze variant. Bovendien is de auteur als externe expert in diverse sessies betrokken. Daarmee is voldoende de kennis uit dit rapport meegenomen in de analyses van DNB. Momenteel kijkt de pensioensector naar de verschillende koopkrachtvarianten en zullen deze toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. Zij is ook beter in staat om de praktische uitwerking en de resultaten van deze varianten verder te onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Ik wacht de inzichten vanuit de praktijk af en zal daarna nagaan of verdere berekeningen benodigd zijn.
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Zoals ik heb aangegeven in de kamerbrief geldt bij het bieden van additionele koopkracht aan gepensioneerden dat er nooit sprake is van een free lunch. Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase. Gegeven deze afruil concludeer ik op basis van de analyses in de kamerbrief dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient.
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
In de brief wordt in de variant «Meer beleggingsrisico door meer risicodeling» de feitelijke constatering gedaan dat in de bewuste variant sprake is vaneen afruil tussen koopkrachtbehoud enerzijds en geen koopkrachtwinst en forse ex-ante herverdeling van deelnemers boven de 45 jaar naar jongeren anderzijds. Daarmee is ex-ante herverdeling niet per definitie onwenselijk en hangt de beoordeling af van de onderliggende redenen, de omvang van de herverdeling en de mate waarin deze vooraf uitlegbaar is.
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Uitvoeringspartijen in de pensioensector zullen de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal de pensioensector hier verder vorm aan geven binnen de genoemde randvoorwaarden in de brief. Om dit op een degelijke manier te doen is voldoende tijd nodig. Eén van de randvoorwaarden voor de additionele koopkrachtinstrumenten genoemd in de brief is dat de varianten niet mogen leiden tot vertraging van de pensioentransitie. Om die reden zouden de koopkrachtvarianten pas na de transitie in werking kunnen treden en zullen de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van de initiatieven uit de pensioensector worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Ten eerste ben ik van mening dat uitvoeringspartijen in de pensioensector het best gepositioneerd zijn om de varianten en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk. Daarnaast herken ik het beeld niet dat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie tegenstanders zijn van aanpassingen van de Wtp in zijn algemeenheid. Aanpassingen aan de Wtp gedurende deze transitieperiode die de transitie ondersteunen kunnen juist op steun vanuit de pensioensector rekenen. De pensioensector geeft daarbij evenwel aan dat gegeven de enorme uitvoeringsopgave van de transitie een zo stabiel, voorspelbaar wettelijk kader de beheerste uitvoering van de transitie in de nog restende periode tot 1 januari 2028 ten goede komt. Het kabinet heeft daar oog voor en is daarom terughoudend met voorgenomen aanpassingen van de pensioenwetgeving die niet direct benodigd zijn voor de transitie. De genoemde verkenning ziet op eventuele aanpassingen van het wettelijke kader ná afronding van de pensioentransitie.
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
De Pensioenfederatie zal een coördinerende rol hebben in het vervolgtraject waarbij uitvoeringspartijen in de pensioensector de varianten toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk en de praktische uitwerking van deze varianten verder onderzoeken. Binnen de Pensioenfederatie zal via de Commissie Actuariaat hiervoor een werkgroep worden gevormd. Inmiddels hebben vijf pensioenuitvoerders c.q. uitvoeringsorganisaties kenbaar gemaakt hierin te willen participeren.
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Zoals ook in kwalitatieve analyse is aangegeven dient wet- en regelgeving te worden aangepast om de verschillende koopkrachtvarianten te kunnen uitvoeren. Dat neemt niet weg dat de pensioensector goed in staat is de voor- en nadelen in kaart te brengen van een invulling van de solidariteitsreserve die buiten het huidige wettelijk kader valt.
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Zoals eerder aangegeven schetst de kamerbrief «Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten» alleen de feitelijke afruilen tussen additionele koopkracht enerzijds en ex-ante herverdelingseffecten, een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase anderzijds. In de brief worden door mij geen beleidsmatige afwegingen gemaakt. Dergelijke afwegingen zal ik met uw Kamer maken.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Een verplichte reële doelstelling kan ten onrechte de indruk wekken bij deelnemers dat zij een garantie hebben op een inflatiecorrectie. Dergelijk garanties zijn niet te geven in een kapitaalgedekt pensioenstelsel, mede gezien het ontbreken van voldoende activa (zoals inflatiegerelateerde obligaties) waarvan de rendementen meebewegen met de inflatie. Dergelijke garanties kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in de toekomst. Dergelijke lessen hebben we uit het oude pensioenstelsel geleerd. Daarom gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premieregelingen, waarbij de pensioenpremie de daadwerkelijke toezegging is.
Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voordat ik inga op de gedane uitlatingen, geef ik eerst een duiding van de terminologie. De grote verplichtstelling heeft betrekking op de wettelijke verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De kleine verplichtstelling betreft de contractueel overeengekomen deelneming aan een pensioenregeling op grond van een cao.2 Ik ben op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot (informele pre-infractiefase) is gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben (hierna: stichtingsvereiste). In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat Nederland, door te eisen dat een (verplichtgesteld bedrijfstak-)pensioenfonds een Nederlandse stichting moet zijn, een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Ook een entiteit uit een ander EU land zou deze taak moeten kunnen uitvoeren, mits daartoe uitgenodigd door de sociale partners van een bedrijfstak.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de totstandkoming van de Wtp is ook stilgestaan bij en getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie is dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 van de EU-Pilot.4 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.5
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Vanuit de Europese Commissie of de Europese Ombudsman is er geen informatie gedeeld over de klacht. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bij de totstandkoming van de Wet toekomst pensioenen is de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel uitgebreid aan de orde geweest6.
De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is. Deze conclusie is onderdeel van het uitgebreide wetgevingsproces geweest, waaronder advisering door de Raad van State. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden.
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is hier niet aan de orde, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3.
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Het aantal actieve deelnemers bij alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 6,7 miljoen (2024). Het belegd vermogen van alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 1.624 miljard euro (Q1 2026), waarvan circa 1.285 miljard euro (Q1 2026) bij bedrijfstakpensioenfondsen.7
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is bij de totstandkoming van de Wtp de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel getoetst. De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is.
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 ben ik hierop ingegaan.8 De in 2022 gestarte EU-Pilot had betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste op een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. De vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de Wtp is de houdbaarheid van de verplichtstelling, ook vanuit het Europese recht, onderbouwd. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Voor het punt van het stichtingsvereiste is een wetswijziging in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten ten goede komen aan deelnemers – geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg met de diensten van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van deelnemers en gepensioneerden bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
De EU-Pilot is gestart in 2022. In de afgelopen jaren heeft er een informele dialoog in de vorm van meerdere vertrouwelijke gesprekken plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en Nederland. In deze gesprekken is de vraag behandeld of er sprake kan zijn van een ongeoorloofde belemmering van de Europese vrijheden. Een EU-Pilot is geen openbare procedure. Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 op de hoogte.9 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.10
Het is goed om vast te stellen dat het aan sociale partners is om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds te bepalen. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. Daarom ben ik van mening dat het voldoende tijdig is dit in de implementatiewetgeving van de IORP II-herziening mee te laten lopen.
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zoals onder andere aangegeven bij vraag 8 is de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.
Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Sociale partners besluiten over de inhoud van de pensioenregeling en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. De kans op schadeclaims acht ik gelet hierop te verwaarlozen.
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Het is primair aan sociale partners om verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds aan te vragen. Het is aan sociale partners om desgewenst de interesse bij buitenlandse uitvoerders in kaart te brengen.
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Voor zover noodzakelijk zullen dergelijke situaties daarin worden meegenomen. De instellingen die een verplichtstelling uitvoeren moeten, zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb aangegeven, wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting.
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Invaren is het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en -rechten van de oude naar de nieuwe Wtp pensioenregeling.11 Invaren gebeurt altijd bij hetzelfde pensioenfonds, dit is een interne collectieve waardeoverdracht, en dus niet een uitgaande waardeoverdracht naar een andere uitvoerder.
Waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder is nu al onder voorwaarden op grond van de Pensioenwet mogelijk.12 Dat gaat ook gelden voor de waardeoverdracht van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, gelet op het wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt.
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Het is aan sociale partners om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een pensioenuitvoerder te bepalen. Zij maken daarbij de weging wat in het belang is van alle groepen deelnemers.
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Ik ben bekend met de betreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat (o.a.) het stichtingsvereiste zal adresseren, zal ook worden ingegaan op de relevante jurisprudentie voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in het licht van de uitvoering van de pensioenregeling.
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Deze herziening volgt de gebruikelijke procedure van een wetgevingstraject, met de bijbehorende toetsen.
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Die vraag is nu niet aan de orde, de situatie waar het hier om gaat is het stichtingsvereiste bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in relatie tot het EU-recht.
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Onderdeel van de procedure bij een EU-Pilot is dat de Europese Commissie beziet of de gekozen oplossing voldoet. Als dat zo is dan is de kwestie opgelost, indien de Europese Commissie oordeelt dat het onvoldoende is, dan kan alsnog een infractieprocedure worden gestart. Indien die procedure zou eindigen in een boete, is dat een aangelegenheid van de Europese Commissie en de Nederlandse Staat. Individuele werkgevers staan daarbuiten.
Overigens ga ik ervan uit dat met verwijzing naar de Booking.com zaak wordt gedoeld op de rechtszaken tussen Booking.com en Stichting pensioenfonds PGB over de (premievordering in verband met) de verplichte aansluiting van Booking.com bij Stichting pensioenfonds PGB.13 Het vervallen van het stichtingsvereiste brengt geen wijziging aan in de werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplichtstelling vallen. De voorgenomen wetswijziging houdt in dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Sociale partners kunnen als gevolg daarvan ook de pensioenregeling onderbrengen bij een verplichtgestelde pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Het parlement wordt via de reguliere wijze meegenomen bij het wetstraject van de implementatiewet herziening van de IORP II Richtlijn. Ik wissel hierover uiteraard graag met uw Kamer van gedachten tijdens de reguliere commissiedebatten pensioenonderwerpen, waarvan de eerstvolgende nu gepland staat op 10 september 2026.
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Het standpunt over het openbaar maken van adviezen van de landsadvocaat is meermaals toegelicht.14 Bovendien staat het geheel los van de situatie rondom het stichtingsvereiste waar het hier om gaat.
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Ik kan het belang van de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel onderschrijven. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is hier bij de totstandkoming van de Wtp uitgebreid bij stilgestaan, ook in debatten met uw Kamer, en is getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie was dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Het is belangrijk dat werkenden gezond, vaardig en vitaal hun pensioen kunnen bereiken. Werkgevers en werknemers kunnen hierover arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken in de cao, zoals extra verlof voor oudere werknemers. Het is mij bekend dat het vervallen van de seniorendagen voor werknemers vanaf 66-jarige leeftijd onderwerp van gesprek is geweest binnen de sector Metaal en Techniek. In de huidige cao van deze sector (looptijd 1 februari 2026 tot 1 februari 2028) is het betreffende artikel aangepast. Werknemers vanaf 55 jaar hebben op basis van de huidige cao-afspraak recht op extra vakantie-uren tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook de bijbehorende rekentool is hierop aangepast. Mijn ministerie heeft geen signalen ontvangen dat een vergelijkbare situatie ook speelt in andere sectoren.
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Ik vind het belangrijk dat werkgevers en werknemers met elkaar het gesprek voeren over gezond langer doorwerken. Extra verlof voor oudere werknemers of werknemers met zwaar werk is één van de mogelijkheden om gezond en vitaal langer doorwerken te ondersteunen. Tegelijkertijd is duurzame inzetbaarheid breder dan dat. Duurzame inzetbaarheid vraagt om een inzet gericht op de hele loopbaan, niet alleen in de periode richting pensionering. Het is immers voor werknemers van alle leeftijden relevant om gezond en vaardig te kunnen blijven werken. Werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn het beste in staat om te bepalen welke afspraken passend zijn binnen de sector of het bedrijf.
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ik begrijp dat het tot onduidelijkheid kan leiden bij werknemers wanneer arbeidsvoorwaardelijke afspraken die door werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn beoogd door te lopen tot de AOW-leeftijd, eerder vervallen dan de wettelijke AOW-leeftijd. Ik ben bereid om dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het blijft aan cao-partijen voorbehouden om de arbeidsvoorwaardelijke afspraken in een cao te bepalen. Overigens kunnen werkgevers in de toepassingspraktijk, voor zover de cao dit toelaat, ruimhartiger arbeidsvoorwaarden toekennen aan hun werknemers dan de cao voorschrijft.
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL) biedt ruimte voor leeftijdsgebonden regelingen wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Het vaststellen van een objectieve rechtvaardigingsgrond ligt bij cao-partijen. Dit moet namelijk blijken uit de specifieke omstandigheden van het geval en is niet af te leiden uit de tekst van de cao-bepaling. Hiervoor is het ook belangrijk om een afspraak binnen het bredere pakket van samenhangende maatregelen in de betreffende cao te bezien.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Rekentools die horen bij cao-afspraken worden niet door het Ministerie van SZW bijgehouden. Wel voert het Ministerie van SZW breder cao-onderzoek uit naar maatregelen voor oudere werknemers. De meest recente onderzoeksrapportage met informatie over extra verlof is «Oudere werknemers 2025: Cao-afspraken over extra verlof, arbeidsduurverkorting, verlofsparen en RVU».1
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Het is niet aan mij om daar een termijn aan te koppelen. De arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de cao’s waarin onderhavige afspraken staan, zijn immers de verantwoordelijkheid van sociale partners. Deze cao’s hebben veelal een looptijd van 1 tot 2 jaar. Het is aan sociale partners om af te wegen of aanpassing nodig is en of ze daarvoor de cao tussentijds willen wijzigen of dat ze deze wijzigingen laten meelopen in de reguliere cao-onderhandelingen.
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen gezond, vaardig en vitaal de eindstreep kunnen halen. Afspraken maken over extra verlof voor oudere werknemers met zwaar werk kan een manier zijn om gezond langer doorwerken te stimuleren. Hiermee wordt de werknemer met zwaar werk meer hersteltijd geboden. Maar gezond langer doorwerken vraagt een bredere aanpak. De gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid van het kabinet en sociale partners, die voortkomt uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» (2024), ondersteunt deze inspanningen. Met de agenda wordt ingezet op het zoveel mogelijk voorkomen of verlichten van belastende werkzaamheden bij de bron, en om waar mogelijk een tijdige overstap van zwaar naar lichter werk te stimuleren.
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard ben ik zoals gezegd bereid dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken met sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het is de verantwoordelijkheid van sociale partners om er waar dat nodig is, voor te zorgen dat de arbeidsvoorwaarden goed aansluiten op wettelijke maatregelen of wijzigingen daarin. De vraag of naar aanleiding van dit signaal eventuele vervolgacties nodig zijn, zoals een handreiking vanuit sociale partners, is dan ook aan hen.
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
De brief van de minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Waarom wil u pas in 2028 de Tweede Kamer informeren over de vergroting van koopkracht als gevolg van het nieuwe stelsel terwijl dit voor gepensioneerden juist een van de belangrijkste redenen was om akkoord te gaan met nieuwe pensioenstelsel?
De koopkracht van deelnemers en gepensioneerden is een belangrijk onderwerp waar u terecht aandacht voor vraagt. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer heb aangegeven, biedt het nieuwe pensioenstelsel meer perspectief op een koopkrachtig pensioen in vergelijking met het oude stelsel. Aan het toevoegen van eventuele additionele koopkrachtinstrumenten zijn voor- en nadelen verbonden. Ik wil uitvoeringspartijen in de pensioensector de tijd geven om zorgvuldig de inzet van additionele koopkrachtinstrumenten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De uitvoeringspartijen zijn ook beter in staat om de praktische uitwerking van deze varianten verder te onderzoeken. De pensioensector zal hiertoe het initiatief nemen. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Om dit op een degelijke manier te doen is ruime tijd nodig, mede gezien de lopende transitie. Ik zal de Kamer daarom begin volgend jaar hierover een stand van zaken geven. De uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van deze initiatieven zullen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.1
Welke partijen zijn naar uw mening verantwoordelijk voor de toepassing van de additionele koopkrachtinstrumenten?
Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling en pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling. In de regeling wordt het gebruik van de verschillende instrumenten gedefinieerd. Deze rolverdeling zal ook gelden voor eventuele additionele koopkrachtinstrumenten.
Op welke wijze gaat u de Tweede Kamer op jaarbasis informeren over de resultaten van (additionele) koopkrachtinstrumenten?
Zoals ik heb aangegeven in de brief zal ik de Kamer begin volgend jaar over de verkenning naar additionele koopkrachtinstrumenten door de pensioensector verder informeren. Ik zal de Kamer betrekken bij het vervolg dat daaruit voortvloeit. Naar aanleiding van de geboden inzichten vanuit de pensioensector zal ik nader bezien hoe ik uw Kamer op regelmatige wijze verder kan informeren. Over de wijze waarop ontwikkelingen in de pensioensector rondom koopkracht zullen worden gevolgd zal ik te zijner tijd een voorstel doen. In dit voorstel zullen verschillende elementen worden gewogen. Hierbij zal gekeken moeten worden hoe fijnmazig de informatie kan zijn en welke vorm deze rapportage kan krijgen. Om hier een beter beeld van te krijgen zal eerst bezien worden welke gegevens momenteel beschikbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Hierbij zal natuurlijk rekening moeten worden gehouden met kosten, beschikbare capaciteit en regeldruk voor o.a. de pensioensector. Ik ga graag op basis van dit voorstel met uw Kamer in gesprek.
Is er volgens u wetgeving nodig om de (additionele) koopkrachtinstrumenten te implementeren?
Ik zie de inzichten van de pensioensector op het gebied van uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid met belangstelling tegemoet. Zoals ook uit de kwalitatieve analyse blijkt is in principe voor alle vier onderzochte koopkrachtinstrumenten aanpassingen van wet- en regelgeving nodig.2
Terugvorderingen toeslagenwet door fout bij UWV, naar aanleiding van eerder beantwoorde vragen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de controle van het partnerinkomen of andere relevante inkomsten is uitgebleven?
Helaas is een systeemfout ontstaan bij UWV en die is, zoals in de beantwoording van 10 februari jl. staat, ontdekt in april 2025.1 Als gevolg hiervan is bij de vaststelling van het recht op, en de hoogte van de toeslag op de Ziektewetuitkering (ZW), in een aantal gevallen de controle van het partnerinkomen uitgebleven. De toeslag is in deze gevallen vastgesteld op basis van de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven inkomsten van de partner, conform de inlichtingenplicht. Door deze systeemfout zijn deze gegevens niet automatisch gecontroleerd met de voor UWV beschikbare inkomstengegevens van de partner in de Polisadministratie.
Als iemand naast de ZW ook een aanvulling vanuit de Toeslagenwet (TW) ontvangt, dan hebben inkomsten van zowel uitkeringsgerechtigde als diens partner invloed op de hoogte van de uitkering en de toeslag. Uitkeringsgerechtigden zijn zelf verplicht om partnerinkomsten door te geven wanneer zij een toeslag van UWV ontvangen. Omdat uit de praktijk blijkt dat uitkeringsgerechtigden de partnerinkomsten niet of niet volledig opgeven is het mogelijk dat hierdoor uitkeringsgerechtigden een te hoog of te laag bedrag als aanvulling vanuit de TW hebben ontvangen. Om uitkeringsgerechtigden te ondersteunen en hoge terugvorderingen te voorkomen maakt UWV sinds 2023 gebruik van een geautomatiseerde functionaliteit om nieuwe (partner)inkomsten met de Polisadministratie te onderkennen.
Gaat het hierbij enkel om de toeslag bij Ziektewetuitkering? Hoe zit dit bij andere regelingen van UWV? Zijn bij de Werkloosheidwet (WW), Wajong, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ook fouten gemaakt met het partnerinkomen of andere relevante inkomsten? Kunt u in uw antwoord specifiek stilstaan bij elke afzonderlijke regeling?
Ja, het gaat bij deze herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag Ziektewet» enkel om de Toeslagenwet bij de Ziektewetuitkering. Specifiek voor mensen die in de Werkloosheidswet zaten en ziek werden en zo in de Ziektewet terecht kwamen. De systeemfout had alleen betrekking op de Toeslagenwet bij de Ziektewet en niet op andere regelingen.
Is onderzocht of andere componenten (naast partnerinkomen of andere relevante inkomsten) mogelijk ook onjuist zijn verwerkt in dezelfde periode of daarbuiten?
Ja, UWV laat weten dat er structureel onderzoek plaatsvindt naar mogelijke fouten. De TW wordt in de reguliere kwaliteitsmetingen via de Meting Operationele Kwaliteit (MOK) van de basisregelingen meegenomen. Daar wordt op verschillende aspecten via een steekproef gecontroleerd op de afhandeling van de TW. Daarnaast vinden er jaarlijks rechtmatigheidscontroles plaats in het kader van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Ook zijn er bij verschillende wetten verbeterinitiatieven gericht op de kwaliteit van de uitvoering.
Hoe wordt een BSN van de partner gekoppeld aan de uitkeringsgerechtigde? Is de koppeling met de BSN van de partner correct gemaakt? En hoe worden hier correcties op doorgevoerd als blijkt dat er een fout gemaakt is?
UWV laat weten dat de uitkeringsgerechtigde bij de aanvraag voor de TW het BSN van de partner doorgeeft. Een UWV medewerker registreert het BSN van de partner vervolgens in het systeem. Als tijdens de uitkering een leefvorm wijzigt, bijvoorbeeld bij een scheiding, dient een uitkeringsgerechtigde dit zelf door te geven via het wijzigingsformulier, UWV kan dit namelijk niet zelfstandig achterhalen. Als een uitkeringsgerechtigde doorgeeft dat er iets is gewijzigd of niet klopt, dan wordt hier op reguliere wijze (handmatig) een correctie op doorgevoerd. Dan wordt ook bekeken of de hoogte van de toeslag moet worden aangepast aan de nieuwe situatie.
Zijn de technische problemen met de systemen inmiddels opgelost?
Ja, zoals gedeeld in de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl.2 kan deze fout zich niet meer voordoen. De systeemfout is op 7 april 2025 door UWV opgelost.
Wanneer kunt u de Kamer informeren over de omvang van het probleem? Kunt u toezeggen de Kamer hierover te informeren voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
In de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl.3 heb ik met uw Kamer gedeeld dat het om ongeveer 400 dossiers gaat. Het precieze aantal is 411 dossiers die UWV opnieuw moet beoordelen om te kijken of er een correctie moet plaatsvinden. UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom informeer ik uw Kamer via deze beantwoording over de omvang van het probleem op basis van de informatie die nu beschikbaar is. Deze beantwoording stuur ik u voorafgaande aan het Commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli aanstaande.
UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de eerstvolgende Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
In hoeveel gevallen gaat het om een terugvordering?
Voor de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW», waarbij het zieke WW’ers betreft gaat het in totaal om 411 uitkeringsgerechtigden waarvan UWV het recht en de hoogte van de toeslag opnieuw dient te beoordelen. Dit zijn de uitkeringsgerechtigden met een toeslag die liep op de peildatum 7 april 2025 of in het laatste half jaar daarvoor was beëindigd. UWV is nog niet gestart met de herstelactie. Om meer inzicht in de gevolgen te krijgen heeft UWV wel een steekproef gedaan op 85 dossiers. Op basis van deze steekproef schat UWV de volgende gevolgen in:
Er komen in de genoemde categorieën situaties voor waarbij de ene maand te veel toeslag is betaald en de andere maand te weinig (bij wisselende partnerinkomsten). Dit wordt door UWV per dossier en per maand beoordeeld. Daarbij past UWV de menselijke maat toe en wordt per casus bekeken welke vervolgactie passend is. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
In hoeveel gevallen gaat het om een volledige terugvordering van de Toeslagenwet (vanwege dat er achteraf is vastgesteld dat er geen recht is)? In hoe veel gevallen gaat het om een gedeeltelijke terugvordering?
UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom kan ik nog geen definitieve cijfers delen. UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef.
In hoeveel gevallen gaat het om een nabetaling omdat het partnerinkomen of andere relevante inkomsten juist gedaald waren? Worden de toeslagen voor deze mensen nabetaald en gecorrigeerd voor de toekomst?
UWV is nog niet gestart met de herstelactie, daarom kan ik nog geen definitieve cijfers delen. UWV is aan het inventariseren wanneer zij van start kunnen gaan met de herstelactie. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef. UWV geeft aan dat als een uitkeringsgerechtigde te weinig TW heeft ontvangen, zij zullen nabetalen inclusief wettelijke rente. UWV heeft daarbij oog voor mogelijke gevolgen van een nabetaling voor andere inkomensafhankelijke regelingen en ondersteunt uitkeringsgerechtigden waar nodig. Hierbij wordt de toeslag ook aangepast naar de toekomst. Daarnaast wordt sinds de oplossing van de systeemfout op 7 april 2025, voor nieuwe gevallen de automatische controle weer toegepast.
Kunt u, als u informatie verschaft aan de Kamer over de omvang van het probleem, vragen 5 t/m 7 ook specifiek beantwoorden? Dus om hoeveel mensen gaat het per wet die uitgevoerd wordt door het UWV? Over welke bedragen gaat het?
Ja, het gaat bij de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» enkel om de TW bij de ZW. Specifiek voor mensen die in de WW zaten en ziek werden en zo in de ZW terecht kwamen. Onder antwoord 7 vindt u een inschatting van UWV van de aantallen op basis van de steekproef.
Welke terugvorderingen zijn al in gang gezet? Hoeveel mensen hebben inmiddels een terugvordering ontvangen? Welke besluitvorming ligt hieronder? Kunt u de kamer de stukken die bij die besluitvorming horen, toesturen?
De herstelactie is nog niet gestart. UWV inventariseert nog wanneer de herstelactie
daadwerkelijk kan starten. Voor de 411 uitkeringsgerechtigden in de herstelactie wordt individueel en van maand tot maand bekeken wat de situatie is. In het geval van een terugvordering houdt UWV rekening met de menselijke maat en kan in individuele gevallen, vanwege dringende redenen, een terugvordering matigen of ervan afzien. Het gaat immers om een financieel kwetsbare groep. Na ambtelijk overleg tussen UWV en SZW, heb ik op 7 april jl. via een beslisnota akkoord gegeven voor de voorgestelde herstelaanpak: het opnieuw beoordelen van de betrokken dossiers binnen de zesmaandentermijn en waar nodig over te gaan tot nabetaling of terugvordering. Deze beslisnota is ook gedeeld met uw Kamer als bijlage4 bij de publicatie van de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april jl. 5 Hieraan voorafgaand is de aanpak voor de herstelactie binnen UWV besproken met de Raad van Bestuur op 6 januari6 dit jaar. De voorlegger voor de Raad van Bestuur kunt u vinden op de website van UWV: Geanonimiseerd document. Ik kan de Kamer de stukken die bij de besluitvorming horen toesturen. Zie de bijlage met de verschillende beslisnota’s bij deze beantwoording.
Kunt u uitsluiten dat de systeemfout zich enkel voordeed in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025? Uit signalen die wij ontvingen blijkt dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvonden voor de WIA, de WAO, de Wajong en voor (oude gevallen) WW en ZW, klopt dat?
De systeemfout met betrekking tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» deed zich enkel voor in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025. Het klopt niet dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvond, niet in relatie tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW». UWV laat weten dat in 2024 wel een andere systeemfout ontdekt is bij de ZW met betrekking tot de afhandeling van de TW. Hierover bent u voor het eerst geïnformeerd via de Stand van de uitvoering van december 2024. Deze herstelactie is afgerond zoals gedeeld in de Stand van uitvoering van april jl. Deze ging over de periode 1 september 2019 tot 1 september 2024. Daarbij werden de beoordeling of betaling van de toeslag niet afgerond, waardoor uitkeringsgerechtigden geen toeslag uitgekeerd kregen. Dat betreft een andere fout dan de onderhavige herstelactie, die ziet op het uitblijven van de controle van partnerinkomen bij de vaststelling van de toeslag.
Wij hebben het signaal ontvangen dat er op dit moment een terugvorderingsactie loopt, namelijk een zogenaamde veegactie, klopt dit en zijn de vorderingsbrieven al (deels) verstuurd? Of zijn die nog opgehouden? Hoeveel van deze brieven zijn er en over welke bedragen gaan deze vorderingen en welke uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid gaat het?
Ja, dit klopt. UWV laat weten dat zij begin 2026 zijn gestart met controlewerkzaamheden voor de abonnementenservice voor partnerinkomsten bij de TW op de arbeidsongeschiktheidswetten. Deze service geeft een signaal af bij nieuwe partnerinkomsten. Dit staat los van de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW».
Uitkeringsgerechtigden zijn zelf verantwoordelijk voor het tijdig en correct doorgeven van wijzigingen in hun leefvorm en de inkomsten van hun partner aan UWV. Maar omdat dit niet altijd tijdig en correct gebeurt, heeft UWV medio 2023 partnerinkomsten toegevoegd aan de abonnementenservice. Via deze service ontvangt UWV een signaal wanneer er sprake is van nieuwe inkomsten uit een nieuw dienstverband van partners van uitkeringsgerechtigden met een TW. Dit heeft UWV ingevoerd om mogelijke terugvorderingen te voorkomen of te beperken omdat zij zo beter kunnen controleren of de partnerinkomsten kloppen.
Bij de invoering medio 2023 constateerde UWV al dat er partnerinkomsten zijn die al vóór medio 2023 bestonden en niet door uitkeringsgerechtigden aan UWV zijn gemeld. UWV wilde destijds proactief controleren of uitkeringsgerechtigden al bestaande inkomsten aan UWV hadden doorgegeven, maar door beperkte capaciteit was hier helaas nog geen mogelijkheid toe. Om deze reden is UWV begin 2026 alsnog deze controle gestart (deze specifieke controle op partnerinkomsten werd ook wel veegactie genoemd). Hoewel deze controle dus gaat over de door de uitkeringsgerechtigde opgegeven partnerinkomsten, is het vervelend dat deze controle pas in 2026 is gestart.
Als uit de controle blijkt dat de uitkeringsgerechtigde eerder geen of onjuiste partnerinkomsten heeft doorgegeven en er wel partnerinkomsten bekend zijn in de Polisadministratie, dan wordt beoordeeld of dit met terugwerkende kracht leidt tot een herziening van de verstrekte aanvulling vanuit de TW of mogelijk tot een terugvordering. Er worden geen boetes opgelegd.
Omdat het kan gaan om situaties die al langer lopen, kunnen er terugvorderingen zijn met een grote impact voor de uitkeringsgerechtigde. Dat vereist een zorgvuldige aanpak. In het geval van een terugvordering houdt UWV rekening met de menselijke maat en kan UWV in individuele gevallen, vanwege dringende redenen, een terugvordering matigen of daarvan afzien. Ook beoordeelt UWV of het voor de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de toeslag te hoog was. Er zijn al uitkeringsgerechtigden telefonisch benaderd en sommigen hebben al een vorderingsbrief van UWV ontvangen. Omdat UWV per uitkeringsgerechtigde een beoordeling doet kan ik op dit moment nog geen bedragen delen. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
Hoe komt het dat de fout pas zo laat ontdekt is? En zijn in de jaarlijkse steekproeven in de afgelopen tien jaar niet eerder signalen boven water gekomen dat de koppeling met het partner inkomen ontbraken? Zo ja, zijn er ook al eerder zogenaamde veegacties geweest met vorderingen van te veel uitgekeerde toeslagen? En over hoeveel veegacties met hoeveel vorderingen en welke maximale bedragen zijn die vorderingen gedaan?
De reden dat UWV de fout in de systeemkoppeling ten aanzien van «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» pas in 2025 ontdekte, is dat slechts een klein stukje van de koppeling niet goed werkte terwijl het overgrote deel van de gegevens via de koppeling wel goed liep. Helaas is dit daarom niet eerder in een steekproef naar voren gekomen. In de reguliere uitvoering kan het voorkomen dat in een individueel dossier blijkt dat partnerinkomsten niet of niet juist zijn meegenomen. In dat geval wordt dit individuele dossier gecorrigeerd. Zo’n individuele correctie betekent niet automatisch dat sprake is van een structurele fout. Volgens UWV zijn uit de reguliere uitvoering geen signalen naar voren gekomen dat sprake was van een structureel probleem in de systeemkoppeling. Bij een derde van de dossiers lijkt de controle ook zonder signaal uit het systeem wél te hebben plaatsgevonden. UWV deelt dat er niet eerder dergelijke correctiewerkzaamheden rondom toeslagen zijn geweest die betrekking hadden op het niet juist meenemen van de partnerinkomsten bij het bepalen van de hoogte van de toeslag.
Welke interne waarschuwingen, signalen of audits zijn er sinds 2016 geweest die mogelijk op deze fout hadden kunnen wijzen?
Met betrekking tot de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» is de fout begin april 2025 geconstateerd door UWV. Zie ook antwoord 14. Dat was het eerste signaal dat erop wees dat de geautomatiseerde controle op partnerinkomsten ontbrak. De systeemfout deed zich voor van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025. In de rechtmatigheidscontroles en audits is het ontbreken van de geautomatiseerde controle op partnerinkomsten bij TW niet naar boven gekomen. Overigens is het niet 100% uit te sluiten dat een individuele medewerker een keer tegenkwam dat er een fout was gemaakt in het meenemen van de partnerinkomsten bij het bepalen van de hoogte van de toeslag, maar zich niet realiseerde dat deze fout een technische oorzaak had.
Op welke manier is de fout ontdekt?
Medewerkers van UWV hebben de fout ontdekt bij beheerwerkzaamheden op de systeemkoppelingen.
In uw antwoorden gaf u aan dat het UWV pas in april 2025 bekend was met de fouten, klopt dat wel? En als het wel klopt hoe kan het dan dat pas na langer dan een halfjaar hierover aan de Minister wordt gerapporteerd?
Ja, dit klopt. UWV heeft de fout in april 2025 geconstateerd, waarna nader onderzoek, waaronder de steekproef, heeft plaatsgevonden. UWV kon dan vaststellen of er daadwerkelijk sprake was van mogelijke financiële onjuistheden. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten is mijn voorganger geïnformeerd over de geconstateerde systeemfout op 18 november 2025. Sinds eind vorig jaar hebben SZW en UWV een proces ingericht om eerder een signaal te ontvangen over een mogelijke herstelactie. Niet elk signaal hoeft een herstelactie te worden. Voor een nadere toelichting op het proces rondom signalen en mogelijke herstelacties verwijs ik naar het antwoord op vraag 18.
Hoe kan het dat de Kamer hierover niet geïnformeerd is, maar dit boven water moet halen door schriftelijke vragen?
Op het moment dat UWV bekend is met een mogelijke herstelactie delen zij dit zo spoedig mogelijk met mij. Op dat moment zijn er nog vaak veel zaken niet duidelijk. Daarom hebben SZW en UWV eind vorig jaar een proces ingericht om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over omvang, impact en mogelijke oplossing. Omdat ik mogelijke betrokkenen duidelijkheid over de situatie en herstelaanpak wil geven en niet onnodig stress wil bezorgen, zoeken we dit eerst zorgvuldig uit. Zodra ik deze duidelijkheid heb, deel ik dit zo spoedig mogelijk met uw Kamer. Ik doe dit bij voorkeur via de Stand van de uitvoering sociale zekerheid.
Kunt u de beslisnotities betreffende dit onderwerp bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Ja, de desbetreffende beslisnota stuur ik mee als bijlage bij deze beantwoording. Ook de eerder bij de Stand van de uitvoering sociale zekerheid van 7 april7 gedeelde beslisnota8 over deze herstelactie voeg ik toe.
Kunt u de informatie die u vanuit UWV kreeg bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Ja, de desbetreffende beslisnota die is opgesteld naar aanleiding van deze beantwoording, stuur ik mee als bijlage bij deze beantwoording. Ter voorbereiding van de beantwoording is er overleg geweest tussen UWV en SZW om de huidige stand van zaken rondom de herstelactie «Controle partnerinkomen bij toeslag ZW» te bespreken. De beslisnota vat dit samen en geeft de gemaakte keuzes en afwegingen weer.
Kunt u de vragen telkens separaat beantwoorden voor elke regelingen van UWV?
Ja, waar relevant heb ik dit separaat beantwoord. Het gaat hier om de herstelactie «Controle partnerinkomen toeslag bij de ZW».
Kunt u de vragen specifiek en gesplitst beantwoorden voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
Ja, de vragen heb ik hierbij beantwoord voor het Commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli 2026.
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn, maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.2 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden, zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd. Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer over de uitkomsten hiervan.
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting. Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording, vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen. Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven, in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Zie antwoord vraag 6.
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben3 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd, blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen. Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders. Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming, het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben. Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap (Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag 14.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.4 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten, gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur «naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten. Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister5. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan 30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register. Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd. Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de Ministeries van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners. De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht. Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL (WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.6 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-, vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden, zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Zie antwoord vraag 15.
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per 1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien op de in de vraag genoemde terreinen.
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties. Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs en maaltijdbezorgers.
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag 14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan. Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten, en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag aan.
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Ja, ik ben bekend met het rapport De Staat van Gezinnen 2026.
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
De aanbevelingen uit het rapport zien de drie ministeries als een waardevolle bijdrage aan het gesprek over de positie en ondersteuning van gezinnen. Een aantal van de aanbevelingen sluit aan bij het beleid dat momenteel wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Dit wordt hieronder verder uitgewerkt.
Ouders zijn de basis voor een goede ontwikkeling van kinderen. Daarom is het van groot belang om ouders te ondersteunen en te investeren in hun welzijn en in een sterke, ondersteunende opvoedomgeving. Dat is niet alleen van waarde voor ouders zelf, maar legt ook het fundament voor een gezonde en kansrijke volgende generatie. Daarom is binnen de Hervormingsagenda Jeugd expliciet aandacht voor het versterken van ouders en hun opvoedomgeving. In dat kader zijn verschillende acties in gang gezet, waaronder:
Het platform versterkt de pedagogische basis rondom gezinnen, stimuleert onderlinge steun tussen ouders en draagt bij aan een preventieve aanpak waarin ouders zich gehoord voelen en tijdig ondersteuning kunnen vinden.
Ook vanuit de Versterkingsagenda Mentale gezondheid en GGZ is binnen de leefomgeving «mentaal gezonde gezinnen» aandacht voor het welbevinden van ouders. Recent heeft het Ministerie van VWS – in samenwerking met Kansrijke Start – aan de GGD West Brabant de opdracht gegeven om het thema Welbevinden van Ouders verder op de agenda te zetten binnen het brede veld van ouders, professionals en bestuurders, én toe te werken naar concrete implementatie binnen bestaande programma's en praktijken. De Gesprekstool Welbevinden van Ouders gaat volgens het concept van een ouderwetse kettingbrief op «tour» in de netwerken van ouders, professionals en bestuurders door het delen van ervaringen, inzichten en persoonlijke reflecties. Ook wordt via «thema-dating» verkend hoe het thema welbevinden van ouders binnen bestaande opvoedinterventies, programma’s en werkwijzen (nog beter) geïmplementeerd kan worden. Denk aan: centering pregnancy/parenting, stevig ouderschap, Home-Start en Triple P. De resultaten hiervan worden eind dit jaar met de Kamer gedeeld.
Binnen de structurele aanpak Kansrijke Start staat het versterken van ouders en gezinnen centraal. In de bijbehorende actieagenda heeft het inhoudelijke thema «Sterke Ouders, Kansrijke Kinderen» de komende jaren extra prioriteit. Hierbij is aandacht voor zowel de fysieke als mentale gezondheid van ouders, als ook de sociale omstandigheden waarin gezinnen opgroeien. Binnen dit thema zet ik in op het versterken van de sociale en pedagogische basis in de eerste 1.000 dagen, het voorbereiden op en ondersteunen bij (toekomstig) ouderschap, betrouwbare voorlichting en informatie in de eerste 1.000 dagen. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om structureel te investeren in Kansrijke Start. Het kabinet maakt voor deze aanpak extra geld vrij en werkt momenteel uit hoe de inzet – zoals beschreven in het coalitieakkoord – op Kansrijke start eruit komt te zien.
Ten aanzien van de aanbeveling in het rapport over een gezinsvisie merk ik op dat in het kader van de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie het afgelopen jaar is gewerkt aan een visie op (de ondersteuning van) deze gezinnen die vaak te kampen hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Denk bijvoorbeeld aan armoede of schulden, (jeugd)zorg en huisvestingsproblematiek. Deze gezinnen hebben tijdige hulp en ondersteuning nodig op meerdere aandachtsgebieden, en daarom gaat er extra aandacht van het Kabinet uit naar deze groep gezinnen. De Kamer is hierover inmiddels geïnformeerd2. Deze visie biedt een gezamenlijk kader voor de wijze waarop het kabinet vanuit verschillende beleidsterreinen naar gezinnen in een kwetsbare positie kijkt en hen wil ondersteunen.
Zoals blijkt uit bovenstaande aanpakken, onderschrijft het kabinet het belang van een samenhangende benadering van gezinnen. Daarom zet het kabinet hierop in.
Het kabinet ziet geen noodzaak om naast deze inzet ook nog een afzonderlijke integrale gezinsvisie op te stellen. De opgave ligt vooral in het verder versterken en het dichter bij elkaar brengen van beleid, aanpakken en ondersteuning in de praktijk, zodat gezinnen hiervan daadwerkelijk de meerwaarde ervaren.
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Ja. Wij zullen uw Kamer een inhoudelijke beleidsreactie op het rapport toezenden. Daarin zullen wij ingaan op de aanbevelingen uit het rapport en aangeven hoe deze zich verhouden tot het kabinetsbeleid.
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken het beeld dat ouders het systeem als versnipperd ervaren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Significant dat in maart door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan uw Kamer is aangeboden3. Ouders geven aan dat informatie over ondersteuningsmogelijkheden soms moeilijk te vinden is of ontoegankelijk is. Vaak moeten zij voor verschillende hulpvragen op verschillende plaatsen om hulp vragen. Op die plaatsen worden vervolgens ook weer verschillende procedures gehanteerd. Dit maakt het voor ouders ingewikkeld en dit veroorzaakt stress en angst. Daarnaast hoor ik regelmatig dat ouders door eerdere ervaringen terughoudend zijn om hulp te vragen en soms ook wantrouwen voelen richting instanties. Dit heeft onder andere te maken met de manier waarop zij in het verleden bejegend zijn. Dit leidt er gezamenlijk toe dat zij er soms voor kiezen om geen beroep op professionele ondersteuning te doen.
Met de Hervormingsagenda Jeugd en het wetsvoorstel Reikwijdte zet het kabinet in op de versterking van lokale teams, zodat gemeenten integrale en samenhangende hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarnaast werken de Ministeries van BZK, JenV, OCW, SZW en VWS gezamenlijk aan het versterken van de ondersteuning voor gezinnen in een kwetsbare positie, als onderdeel van de Sociale Agenda Nederland die dit jaar wordt ontwikkeld. Deze agenda moet bijdragen aan structurele verbetering en toekomstbestendigheid van het brede sociaal domein zowel op de korte, middellange als de lange termijn. Voor gezinnen in een kwetsbare positie wordt gewerkt aan het versterken van de lokale samenwerking rond gezinnen door meer preventief en integraal te werken. Hierin wordt ook gekeken op welke manier drempels kunnen worden verlaagd, zodat gezinnen tijdig om hulp vragen.
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Vanuit de verschillende ministeries wordt herkend dat veel ouders uitdagingen ervaren bij het combineren van werk en privé en dat dit kan leiden tot een verhoogd stressniveau. Tegelijkertijd is de ervaren werk-privébalans afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gezinssituatie, de werksituatie en de beschikbaarheid van ondersteuning. Het kabinet zet zich daarom in om gezinnen beter te ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan een toegankelijke en betaalbare kinderopvang door een fundamentele stelselherziening zodat werkende ouders niet meer te maken krijgen met grote terugvorderingen. Passende verlofregelingen ondersteunen ouders en de ondersteuning aan gezinnen met kinderen wordt versterkt. Zoals aangekondigd zullen wij in de beleidsreactie nader ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een samenhangende benadering van gezinsbeleid, waarbij het perspectief van gezinnen centraal staat. Daarom werkt het kabinet onder meer via de interdepartementale aanpak aan meer samenhang in het beleid dat gezinnen in een kwetsbare positie raakt en aan de ontwikkeling van de Sociale Agenda Nederland.
Daarnaast zet het kabinet stappen om regelingen voor gezinnen eenvoudiger te maken en beter op elkaar te laten aansluiten. Zo is in het coalitieakkoord opgenomen dat de kinderbijslag en het kindgebonden budget worden samengevoegd. Hiermee wordt beoogd de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen zekerder en eenvoudiger te maken. De betrokken ministeries zien deze inzet als een passende invulling van de wens om gezinsbeleid meer in samenhang te bezien.
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Gezinsbeleid raakt verschillende beleidsterreinen en is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere bewindspersonen. Juist daarom werken de betrokken ministeries in het kader van de Sociale Agenda Nederland onder andere aan een meer samenhangende benadering van beleid rond gezinnen in een kwetsbare positie. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om hiervoor één coördinerend Minister aan te wijzen.
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
De ministeries zijn reeds in gesprek met de initiatiefnemers van het rapport en waarderen hun betrokkenheid en inzichten. Het gesprek over de bevindingen en aanbevelingen uit De Staat van Gezinnen 2026 wordt gecontinueerd. Zoals benoemd wordt er ook samengewerkt met de partijen in de eerdergenoemde acties van deze brief.
Het artikel ‘Het pensioendrama APG’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het pensioendrama APG» van 7 mei 2026?1
Ja.
In het jaarverslag van het ABP staat dat duurzaam en verantwoord beleggen voor «enige remming» van de rendementen heeft gezorgd. Risicovrij beleggen levert ongeveer 4% per jaar op en daar zit het APG onder. Hoe beoordeelt u de tegenvallende resultaten op de aandelenportefeuille?
Zoals gebruikelijk is, geef ik geen oordeel over de prestaties van individuele pensioenfondsen of pensioenuitvoeringsorganisaties. Het fonds legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over het gevoerde beleggingsbeleid en de daarbij behorende resultaten.
Bent u het eens dat het de taak van de pensioenfondsen moet zijn om in het belang van de deelnemers maximaal rendement te halen?
Een pensioenfonds moet handelen in het belang van de deelnemers, waarmee in ieder geval wordt bedoeld dat het financieel belang van deelnemers moet worden gewaarborgd. Dit is ook wettelijk vastgelegd. In het beleggingsbeleid moeten fondsen rekening houden met de risicohouding van de deelnemers. In de risicohouding worden het minimum-rendement en het maximum-risico bepaald waarbinnen het strategische beleggingsbeleid wordt vormgegeven. Pensioenfondsen dienen daarin een afweging te maken tussen de groei en de zekerheid van de uitkering die zij aan gepensioneerden willen bieden.
Bent u bereid om het ABP een nadere toelichting te vragen op deze tegenvallende resultaten en wilt u de Kamer informeren over deze nadere toelichting?
Het fonds dient richting haar deelnemers en gepensioneerden verantwoording af te leggen over de behaalde resultaten en daarbij toelichting te geven. Voor de verantwoording die fondsen af moeten leggen gelden wettelijke normen en procedures. Er zijn mij geen signalen bekend dat ABP hierin tekort is geschoten en ik behoef daarom ook geen nadere toelichting.
Volledigheidshalve verwijs ik u naar het openbare jaarverslag van ABP. In dit jaarverslag geeft ABP een toelichting op de beleggingsresultaten. De dekkingsgraad ontwikkelde zich positief in 2025 door de stijging van de rente. Per 1 januari 2026 zijn pensioenen verhoogd met 2,84%. Dat is hetzelfde als de prijsstijging in de periode van september 2024 tot en met september 2025. Hiermee is per 2026 de indexatie-ambitie geheel waargemaakt.
De Kamer heeft de motie van het lid Aartsen c.s. aangenomen waarin wordt gesteld dat het rendement centraal moet staan en geen ruimte is voor activistisch of ideëel beleggen2. Hoe wordt deze motie uitgevoerd?
Eerder heeft mijn ambtsvoorganger uitvoering gegeven aan de motie Aartsen, waarin is verkend hoe toetsingskaders kunnen worden aangescherpt om te waarborgen dat wordt belegd in het belang van de deelnemer.3, 4 Zoals genoemd bij antwoord 3, is het wettelijk voorgeschreven dat pensioenfondsen een beleggingsbeleid moet voeren waarbij er wordt belegd in het belang van de deelnemer. Daarmee wordt in ieder geval bedoeld dat het financiële belang van deelnemers gewaarborgd moet worden.
Hoe ziet het door u aangekondigde onderzoek naar achterblijvende rendementen eruit? Wat is de onderzoeksopdracht, wie voert het onderzoek uit en wanneer krijgt de Kamer de resultaten?
Het onderzoek is met de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» aan de Kamer verzonden en is verricht door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij sectorexperts zijn betrokken.
Bent u het eens dat meer transparantie over de resultaten noodzakelijk is? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Duidelijke communicatie richting deelnemers over het beleggingsbeleid vormt een belangrijk onderdeel van de verantwoording door pensioenfondsen aan deelnemers. Pensioenfondsen bieden transparantie over hun beleggingen en beleggingsresultaten in hun jaarverslagen en leggen verantwoording hierover af aan de actieve deelnemers en gepensioneerden, die zijn vertegenwoordigd in het verantwoordingsorgaan. Ook worden alle deelnemers en gepensioneerden jaarlijks individueel geïnformeerd via het Uniform Pensioenoverzicht (UPO).
Op welke wijze kunnen pensioenfondsen worden gestimuleerd om in het belang van hun deelnemers meer transparantie te geven over de behaalde beleggingsresultaten?
Zie antwoord vraag 7.
Bij wie ligt de taak om verantwoording af te leggen over de resultaten van de fondsen, de uitvoerder of het fonds? Bent u het eens dat deze taak explicieter moet worden gemaakt? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Goede verantwoording is belangrijk, omdat dit de deelnemer vertrouwen biedt in het pensioenstelsel en het fonds waarbij ze hun pensioen opbouwen. Pensioenfondsen leggen verantwoording af over de resultaten die ze behalen, alsook over alle onderdelen van de uitvoering. Denk bijvoorbeeld aan vermogensbeheer of administratie als deze zijn uitbesteed. Daarnaast leggen pensioenfondsen verantwoording af over de (verwachte) pensioenuitkering, of deze stabiel is en of deze verhoogd kan worden in het licht van de prijsontwikkeling. Maar ook over de inspanning vooraf wordt verantwoording afgelegd aan de deelnemers. Het gaat dan bijvoorbeeld om het beleggingsbeleid, waarin met diverse biometrische en financiële risico’s en met economische en globale ontwikkelingen rekening gehouden wordt. Verantwoording wordt afgelegd op de website, in het jaarverslag van het fonds en ook aan het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan, waarin deelnemers en gepensioneerden zijn vertegenwoordigd.
In de Pensioenwet zijn de verantwoordingsvereisten die gesteld worden aan individuele pensioenfondsen vastgelegd. Daarmee is expliciet duidelijk dat het individuele fonds en niet de betreffende pensioenuitvoeringsorganisatie verantwoording moet afleggen over de resultaten aan de deelnemers.
Er kunnen voor een pensioenuitvoeringsorganisatie evenwel andere, buiten de Pensioenwet gelegen, wettelijke en statutaire verplichtingen zijn om een jaarverslag te publiceren. Dergelijke jaarverslagen kunnen niet in de plaats treden van de verantwoordingsverplichtingen die een individueel fonds heeft naar zijn deelnemers. Er zijn mij geen signalen bekend dat hiervan sprake zou zijn of dat er voor deelnemers(organen) sprake is van verwarring. Uiteraard staat het iedereen vrij om ook de inzichten uit de openbare jaarverslagen van pensioenuitvoeringsorganisaties tot zich te nemen en hierover bijvoorbeeld in nieuwsmedia te publiceren.
Welke mogelijkheden heeft een verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan af te dwingen dat een pensioenfonds bij het beleggingsbeleid nadrukkelijker rekening houdt met het belang van deelnemers om rendement te maximaliseren? Bent u bereid om deze mogelijkheden te verruimen?
Ik begrijp uw zorg rondom de inspraak van deelnemers en gepensioneerden over het beleggingsbeleid. Deelnemers en gepensioneerden hebben inspraak in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Ze zijn onder meer vertegenwoordigd in de pensioenfondsbesturen. Het bestuur stelt het beleggingsbeleid vast. Verder is het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben, bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur zoals over het gevoerde beleggingsbeleid. Dit oordeel wordt opgenomen in het bestuursverslag. In het algemeen is te zien dat pensioenfondsen in toenemende mate de individuele pensioenfondsdeelnemers actief betrekken bij de vormgeving van hun beleggingsbeleid. In het kader van de motie Palland zal een onderzoek worden verricht naar de governance van pensioenfondsen. De huidige wijze van deelnemersbetrokkenheid zal daarin ook worden beschouwd. Op basis van die inzichten ga ik graag te zijner tijd in gesprek met uw Kamer.
Wie houdt toezicht op de wijze van beleggen door de pensioenfondsen?
Er zijn verschillende stappen in de beleggingscyclus te onderscheiden, zoals ook uitgebreid beschreven in de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen». DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen doorlopen worden om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het pensioenfonds, en dat het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen in voldoende mate worden betrokken.5 AFM ziet toe op de wettelijk verplichte uitvoering van het risicopreferentieonderzoek door pensioenfondsen.
Het bericht dat fondsen geraakt worden door de oorlog in Iran |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte met de inhoud van het artikel?1
Ja.
Was u al eerder bekend met de mogelijkheid dat de oorlog in Iran effect heeft op de pensioenen van Nederlanders? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u die onwetendheid?
Ik ben bekend met het feit dat gebeurtenissen in de wereld, waaronder oorlogen en economische crisissen, een effect kunnen hebben op de financiële markten en daarmee ook op de beleggingsresultaten van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat hardwerkende Nederlanders, die keihard werken voor hun inkomen en pensioen, nu indirect financieel benadeeld worden door conflicten op duizenden kilometers verder weg? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg die Nederlanders hebben over hoe de gebeurtenissen in de wereld een effect kunnen hebben op hun pensioenuitkeringen. Pensioenfondsen houden rekening met economische slechtweer-scenario’s bij de vorming van hun beleggingsbeleid. Onder het oude stelsel hebben pensioenfondsen buffers opgebouwd, waarmee tegenvallende resultaten opgevangen kunnen worden. Ook in het nieuwe stelsel hebben fondsen de mogelijkheid om tegenvallers op te vangen bijvoorbeeld door middel van de inzet van de solidariteitsreserve dan wel de risicodelingsreserve, of door spreiding van financiële mee- of tegenvallers over de tijd.
Hebt u inzichtelijk hoeveel pensioenvermogen van Nederlanders sinds de escalatie rond Iran verloren is gegaan bij pensioenfondsen? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u die informatie niet heeft?
Pensioenfondsen hebben de taak een goed, levenslang pensioen te bieden tegen aanvaardbare kosten en risico’s. Iedereen moet erop kunnen vertrouwen dat ze goed worden voorzien op hun oude dag en dat deze voorziening levenslang wordt gegeven. Om deze levenslange uitkering te kunnen bieden moet niet alleen worden gekeken naar het rendement dat pensioenfondsen maken op hun vermogenszijde van de balans, maar ook worden gekeken naar de verplichtingenzijde van de balans. Aan de verplichtingenzijde van de balans speelt het renterisico een grote rol. Een stijging van de rente bijvoorbeeld, zal vooral een gunstige invloed hebben op de hoogte van de verwachte en ingegane pensioenen, omdat toekomstige uitkeringen dan als het ware goedkoper worden. Tegelijk worden aan de vermogenszijde obligaties minder waard, waardoor minder rendement gehaald wordt. De verhouding tussen die twee effecten bepaalt de uiteindelijke uitkomst voor pensioenuitkeringen.
Beheersing van het renterisico is en blijft daarom belangrijk voor pensioenfondsen. In het nieuwe stelsel kan de bescherming tegen renterisico’s beter worden gericht op de groepen waarvoor dit het meest relevant is, namelijk de oudere deelnemers en pensioengerechtigden. Pensioenfondsen bieden daarom een beschermingsrendement tegen renterisico aan deze groepen. Voor jonge deelnemers ligt er meer nadruk op het behalen van rendement. Aan hen wordt relatief meer beleggingsrisico toegekend. Het is nog te vroeg om het gehele effect van de oorlog in Iran op de financiële markten en daarmee op de resultaten van pensioenfondsen te kunnen meten, waarbij ook geldt dat dit effect ook moeilijk te isoleren is van andere gebeurtenissen in de wereld.
Hoeveel pensioenvermogen kan nog verdampen door de situatie in Iran?
Behalve dat het effect van de oorlog niet precies te isoleren is, is het verder niet vooraf te bepalen hoe de beleggingsresultaten van pensioenfondsen door de oorlog in Iran verder beïnvloed zullen worden.
Zijn er meer conflicten die op dit moment spelen, of dreigen te ontstaan, die effect hebben op het pensioenvermogen van Nederlanders?
Ik verwijs voor mijn reactie naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Deelt u de zorg dat Nederlanders onder het nieuwe pensioenstelsel sneller geconfronteerd kunnen worden met schommelingen in hun pensioenvermogen in tijden van oorlog, crises en wereldwijde onrust? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dit zijn belangrijke vragen waar ik graag duidelijkheid over wil geven. In het nieuwe pensioenstelsel zullen financiële ontwikkelingen sneller, zowel in positieve als negatieve zin tot uitdrukking kunnen komen in het pensioenvermogen en de pensioenuitkering. Daarbij geldt dat pensioenfondsen hierover hun deelnemers goed informeren, zodat zij realistische verwachtingen hebben. Zoals in voorgaande antwoorden is aangegeven, hebben pensioenfondsen voldoende instrumenten om ook in het nieuwe pensioenstelsel goed te kunnen omgaan met economische fluctuaties. Zo hebben pensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel bijvoorbeeld een solidariteits- of risicodelingsreserve waarmee schokken op de financiële markten tot op zekere hoogte opgevangen kunnen worden voor pensioenuitkeringen. Daarnaast hebben fondsen de mogelijkheid om resultaten te spreiden over de tijd, waarmee fluctuaties in uitkeringen tot op zekere hoogte kunnen worden gemitigeerd. Daarbij moeten fondsen een evenwichtige afweging maken tussen de belangen van de verschillende leeftijdsgroepen in het deelnemerscollectief en handelen binnen het prudent person-beginsel. Tenslotte geldt in het nieuwe pensioenstelsel dat pensioenfondsen het beleggingsrisico gerichter kunnen toedelen aan jongeren en ouderen. Zij kunnen daarbij beleggingsrisico’s terugnemen voor oudere deelnemers waardoor de invloed van fluctuaties op financiële markten op (verwachte) pensioenuitkeringen kleiner kan worden naarmate een deelnemer dichter tegen het moment van pensionering zit. Tegelijkertijd geldt voor jonge deelnemers dat zij meer beleggingsrisico toegedeeld kunnen krijgen omdat zij nog een langere periode tot de pensioendatum hebben en tussentijdse, grote fluctuaties beter kunnen opvangen dan ouderen.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om Nederlanders en hun pensioen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, nu bekend is dat dit hen kan raken in de portemonnee?
Zie antwoord vraag 7.
Welk concreet effect heeft de oorlog in Iran op de uitkering die pensioengerechtigden dit jaar ontvangen? En op de komende tien jaar?
De hoogte van pensioenuitkeringen is een belangrijk onderwerp. Pensioenuitkeringen worden voor een kalenderjaar vastgesteld. Daarmee heeft de oorlog in Iran naar verwachting geen invloed op de reeds ingegane uitkeringen van pensioengerechtigden voor dit jaar. Voor pensioenuitkeringen in aankomende jaren kan dit wel effect hebben. Het is echter niet op voorhand te zeggen wat het effect van de oorlog zal zijn op de pensioenuitkeringen in de komende 10 jaar.
Het bericht 'UWV ruilt Mistral Le Chat in voor Microsoft Copilot Chat' |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het UWV vanaf half mei een pilot start met Microsoft Copilot en daarmee stopt met het gebruik van het Europese alternatief Le Chat?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het UWV om een Europees AI-alternatief in te ruilen voor een Amerikaanse toepassing, mede in het licht van de kabinetsambities op het gebied van digitale soevereiniteit en het verminderen van afhankelijkheden van niet-Europese technologiebedrijven?
Deelt u de opvatting dat publieke organisaties, zeker wanneer zij werken met grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens, bij de inzet van generatieve AI, rekening zouden moeten houden met Europese datasoevereiniteit en strategische autonomie? Zo nee, waarom niet?
Welke risico’s ziet u in de keuze die het UWV heeft gemaakt om co-pilot in te gebruiken, in het bijzonder waar het gaat om toegang tot persoonsgegevens, vendor lock-in en geopolitieke afhankelijkheden?
Kunt u aangeven op welke wijze is beoordeeld of Microsoft Copilot voldoet aan de eisen rondom privacy, gegevensbescherming en gegevenssoevereiniteit en kunt u aangeven welke persoonsgegevens of interne gegevens van het UWV binnen deze pilot verwerkt kunnen worden?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot eerdere signalen vanuit Europese landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, waarin juist gezocht wordt naar alternatieven voor afhankelijkheid van Microsoft?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid El Boujdaini c.s. over het principe «Europees tenzij» te hanteren en digitale soevereiniteit en digitale autonomie als expliciet criterium op te nemen in aanbestedingen, wat is de status van de uitvoering van die motie?2
Kunt u aangeven wat er momenteel al gebeurt om Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid te stimuleren? En bent u bereid om samen met uitvoeringsorganisaties en andere overheidsinstanties te werken aan het breder implementeren van Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Eind 2026 worden de uitkomsten van de pilot met Microsoft Copilot geëvalueerd, kunt u toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot?
Het bericht ‘Pensioenfondsen lopen door ‘verkeerde beslissingen’ miljarden aan rendement mis: ‘Op een bepaald moment is het geen toeval meer’' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen lopen door «verkeerde beslissingen» miljarden aan rendement mis: «Op een bepaald moment is het geen toeval meer»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen te weinig terugkijken op hun beleggingsbeslissingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Pensioenfondsen toetsen jaarlijks vooraf of hun strategisch beleggingsbeleid nog in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers en gepensioneerden willen en kunnen nemen. Op deze manier zorgen pensioenfondsen ervoor dat het beleggingsbeleid in het belang van deelnemers en gepensioneerden wordt gevoerd. DNB houdt ook toezicht op deze jaarlijkse toetsing van het beleggingsbeleid. De uitkomst van het nagestreefde beleggingsbeleid kan achteraf mee- of tegenvallen door onverwachte ontwikkelingen op financiële markten. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen in hun jaarverslagen duidelijk zouden moeten opschrijven waarin is geïnvesteerd en wat dat wel of niet heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Pensioenfondsen geven reeds in hun jaarverslagen aan hoe het pensioenvermogen wordt belegd. Daarbij kan er in de jaarverslagen ook worden gevonden wat de beleggingsresultaten van de verschillende beleggingscategorieën zijn geweest.
Wat vindt u van het feit dat pensioen deelnemers zelf heel weinig te zeggen hebben over waar hun pensioengeld in wordt geïnvesteerd, en dus welke risico’s er met hun geld wordt genomen?
Het pensioenfondsbestuur belegt in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden en dient bij het bepalen van het beleid hun belangen zorgvuldig af te wegen. Over het beleid en de wijze waarop het beleid is uitgevoerd legt het pensioenfondsbestuur verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan, waar onder andere deelnemers zitting in hebben, beoordeelt het uitgevoerde beleid, waaronder het beleggingsbeleid, en de gemaakte beleidskeuzes voor de toekomst. Daarbij toetst het verantwoordingsorgaan of het pensioenfondsbestuur een evenwichtige afweging heeft gemaakt tussen de belangen van alle belanghebbenden.
Verder is een duidelijke en evenwichtige communicatie aan deelnemers van belang. Door transparant te zijn over het beleggingsbeleid, de gemaakte keuzes en de bijbehorende risico’s, kunnen deelnemers meer inzicht krijgen hoe hun pensioen wordt beheerd. In combinatie met de rol van het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben en invloed kunnen uitoefenen, draagt het ook bij aan een gecontroleerde uitvoering van het gevoerde beleid.
Bent u het eens dat pensioendeelnemers hier meer over zouden moeten kunnen meebeslissen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de vorige beantwoording is aangegeven nemen deelnemers via verantwoordingsorganen deel aan de besluitvorming binnen het pensioenfonds over het beleggingsbeleid.
Welke stappen neemt het kabinet om deze positie te verbeteren?
In de bestaande besluitvormingsprocessen van pensioenfondsen zijn verschillende checks and balances opgenomen om een evenwichtige belangenafweging te borgen. Om te bezien of de vertegenwoordiging door de belanghebbenden, waaronder deelnemers, in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen, wordt momenteel een onderzoek uitgezet. Over de bevindingen wordt uw Kamer naar verwachting in de eerste helft van 2027 geïnformeerd.2
Wat vindt u van de stelling dat sommige fondsen bij een risicovrije belegging vaak al beter af waren geweest?
Achteraf is het makkelijk te zien dat een bepaalde portefeuille een betere prestatie heeft geleverd dan een andere, maar vooraf is dit niet evident. Het is de vraag of een theoretisch portefeuille, zoals deze in het artikel wordt aangehaald, te vergelijken is met een portefeuille van een pensioenfonds. Pensioenfondsen houden onder andere rekening met de fluctuaties in de rentestand, waarvoor ze instrumenten in zetten ter afdekking van rentedalingen zoals rentederivaten. Fondsen boeken bij een stijgende rentestand een negatief rendement op deze instrumenten. Dit leidt tot een lager rendement op de totale portefeuille. Daarnaast belegt een fonds in verschillende beleggingscategorieën om risico te spreiden in omvang, tijd en geografisch. Dit maakt dat portefeuilles van pensioenfondsen minder goed vergelijkbaar zijn met een portefeuille die is samengesteld uit enkel risicovrije beleggingen, dan wel een mix van risicovrije beleggingen en liquide aandelen.
Wat vindt u van het in het artikel aangehaalde feit dat pensioenfondsen vaak grotere beleggingsrisico’s nemen dan nodig?
Pensioenfondsen dienen conform de wettelijke vereisten, te handelen in belang van deelnemers en gepensioneerden en moeten het beleggingsbeleid afstemmen op de risicohouding van deelnemers. Hierbij wordt rekening gehouden met het beleggingsrisico dat deelnemers willen en kunnen nemen. Om inzicht te hebben in het beleggingsrisico dat deelnemers willen nemen wordt een risicopreferentieonderzoek periodiek verricht door de pensioenfondsen en de AFM houdt hier toezicht op. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet hebben voldaan aan de wettelijke waarborgen.
Ziet u dit ook als het nemen van onnodig risico’s met pensioengeld van deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven houdt het fonds rekening met de risicohouding van deelnemers, waarbij DNB vervolgens toezicht houdt op het naleven van het prudent person-beginsel, wat inhoudt dat het beleggingsbeleid in het belang van de deelnemers wordt gevoerd.
Bij hoeveel pensioenfondsen heeft het nemen van een hoger beleggingsrisico de afgelopen vijf jaar ook echt een hoger pensioen opgeleverd? Bij hoeveel gevallen niet?
Er is geen openbare informatie beschikbaar voor alle pensioenfondsen in hoeverre ze meer beleggingsrisico vooraf hebben genomen de afgelopen vijf jaar en welk rendement deze verandering van beleggingsrisico hen achteraf heeft opgeleverd.
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd met pensioenfondsen over het nemen van onnodige risico’s? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Ik deel uw mening niet dat er door pensioenfondsen onnodig risico’s zijn genomen. Het risico dat fondsen nemen in hun beleggingsbeleid moet overeenkomen met de risicohouding van deelnemers, waarbij wordt gekeken naar welk risico ze willen, maar ook kunnen nemen. DNB houdt hierbij toezicht op dat fondsen het prudent person-beginsel hanteren. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet aan de wettelijke waarborgen hebben voldaan.
Bent u het eens dat pensioenbestuurders door pensioendeelnemers geconfronteerd zouden moeten kunnen worden over waar hun pensioengeld in is geïnvesteerd, welk rendement dat heeft opgeleverd en welke risico’s daarbij zijn genomen?
Pensioenfondsen leggen in de jaarverslagen verantwoording af over de resultaten die het gevoerde beleggingsbeleid heeft opgeleverd. DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het fonds zijn doorlopen en het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen (waarin deelnemers en werkgevers zitting hebben) in voldoende mate betrokken zijn in het beslissingsproces.3 Zo moet worden aangegeven en onderbouwd hoe met de verschillende inzichten van de verantwoordingsorganen is omgegaan.4
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd over het verhogen van de pensioen nu het rentepercentage weer stijgt? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Binnen de kaders van de Pensioenwet besluiten pensioenfondsbestuurders eigenstandig over de indexatie aan deelnemers en gepensioneerden. In dit besluit betrekken ze de evenwichtige belangenafweging voor alle deelnemers, het reglementair vastgelegde indexatiebeleid en de financiële positie van het fonds. DNB houdt toezicht op of het pensioenfonds zich aan de wettelijke kaders houdt. Onder het nieuwe stelsel wordt het voor fondsen makkelijker om de pensioenen te verhogen bij goede financiële resultaten, maar daarbij zal er ook een belangenafweging plaats moeten vinden voordat uitkeringen worden verhoogd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw antwoorden van 16 maart 2026 over de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?1
Ja.
Kunt u het door u aangehaalde rapport van de Nederlands Arbeidsinspectie (NLA) over de laatste inspectie bij Walibi Holland met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van haar laatste bezoek aan het bedrijf geen rapport opgemaakt, omdat toen geen overtredingen zijn vastgesteld. In de beantwoording van de onder vraag 1 genoemde Kamervragen wordt overigens niet verwezen naar een rapport, maar alleen naar de uitkomst van het betreffende bezoek.
Welke onderdelen van de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zijn er toen door de NLA onderzocht?
Walibi Holland B.V. heeft op 17 juni 2025 een arbeidsongeval bij de Arbeidsinspectie gemeld. Hierop is een inspecteur op 19 juni 2025 ter plaatse gegaan. Hij heeft de locatie bekeken en het ongeval besproken met het bedrijf en de betreffende medewerker. Hij heeft geconstateerd dat het ongeval niet te voorzien was en dat de werkgever redelijkerwijze niets had kunnen doen om het ongeval te voorkomen. Dit is door de Arbeidsinspectie op 23 juni 2025 in een brief aan het bedrijf kenbaar gemaakt.
Is er door de NLA ook gekeken naar de contractvormen bij Walibi Holland? Zo ja, waarop baseert de NLA de conclusie dat er geen overtredingen zijn geconstateerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, vond het laatste bezoek van de Arbeidsinspectie plaats naar aanleiding van een arbeidsongeval. Het onderzoek was daarop gericht en zag niet op de contractvormen bij het bedrijf, omdat het gemelde arbeidsongeval hier geen relatie mee had.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.