Schimmelwoningen |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmel, scheuren en schaamte: huurders jarenlang in ongezonde woningen»?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht.
Zou u de omvang van het aantal meldingen van vocht- en schimmelproblematiek in huurwoningen in kaart willen brengen, in samenwerking met corporaties en gemeenten?
Ik onderschrijf het belang van een landelijk beeld van de omvang van vocht- en schimmelproblematiek in woningen. In dat kader wordt bij het driejaarlijkse WoON-onderzoek uitvraag gedaan naar vocht- en schimmelproblematiek. Huishoudens worden voor dit onderzoek gevraagd naar onderhoudskwaliteit van de woning en naar vocht- en schimmelproblematiek in de woning. Er worden geen vragen gesteld over de mate van de problematiek.
In 2024 gaf 20 procent van de huishoudens aan last te hebben van vocht en schimmel in de woning, vergeleken met 15 procent in 2021. Voor corporatiehuurders nam de vocht- en schimmelproblematiek volgens WoON2024 toe van 24% in 2021 naar 29% in 2024. In de private huur was er in deze periode een toename van 23% naar 31%.
Tegelijkertijd worden het aantal meldingen bij corporaties en gemeenten niet centraal geregistreerd. Ik heb met de VNG, Aedes en de Woonbond afgesproken dat zij bij hun achterban aandacht blijven vragen voor meldingsbereidheid van huurders, hierbij hoort ook het in kaart brengen van de meldingen op lokaal niveau. De oorzaken en de aard van de meldingen lopen zeer uiteen, landelijke conclusies trekken uit deze cijfers is moeilijk. In de lokale prestatieafspraken kunnen afspraken gemaakt worden over het in kaart brengen van de meldingen, lokale partijen (gemeente, huurdersorganisaties en verhuurders) hebben de problematiek, de oorzaken en een passende lokale aanpak het beste in beeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Beckerman (Kamerstuk 28 847, nr. 1325), waarin de regering wordt verzocht met spoed met een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen en dit uiterlijk in het najaar van 2025 aan de Kamer te presenteren?
Welke concrete stappen zijn sinds de aanneming van deze motie gezet om tot een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen?
Welke organisaties – zoals woningcorporaties, gemeenten, huurdersorganisaties en gezondheidsinstanties – zijn tot nu toe betrokken bij de uitwerking van dit actieplan?
Wanneer verwacht u het actieplan tegen schimmelwoningen daadwerkelijk aan de Kamer te kunnen presenteren?
Zou u inzicht willen geven in de manier waarop het Rijk momenteel regie neemt op de aanpak van schimmelproblematiek in woningen?
Welke concrete doelstellingen en resultaten wilt u met dit actieplan bereiken, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal woningen waarin schimmelproblematiek structureel wordt aangepakt?
Hoe reflecteert u op signalen dat huurders zich in dergelijke situaties soms niet serieus genomen voelen door verhuurders en instanties?
Ik herken het signaal dat huurders zich niet altijd serieus voelen genomen door verhuurders als het gaat om vocht- en schimmelmeldingen. Door middel van de aanpak zoals genoemd in de beantwoording van vraag 3 t/m 8 is de verwachting dat het vertrouwen van huurders zal toenemen. De afspraak met woningcorporaties is dat zij zich proactief zullen opstellen bij de aanpak vocht- en schimmel, ik roep Aedes, VNG en de Woonbond op om meer aandacht te besteden aan meldingsbereidheid en bij ernstige problematiek kan een onafhankelijk vocht- en schimmelexpert worden ingezet.
Hoe verhoudt de aanpak van schimmelproblematiek zich tot het Nationaal Isolatieprogramma, en op welke wijze wordt geborgd dat isolatiemaatregelen altijd gepaard gaan met adequate ventilatievoorzieningen?
Verduurzaming leidt vaak tot een beter te verwarmen woning en meer wooncomfort. Tegelijk moet ervoor worden gewaakt dat er geen vocht- en schimmelproblemen ontstaan, zoals wanneer er in een verduurzamingsplan onvoldoende aandacht is voor ventilatievoorzieningen of wanneer er nieuwe koudebruggen ontstaan. Daarom besteedt VRO in campagnes speciale aandacht aan ventileren in combinatie met isoleren en wordt in voorlichting bijvoorbeeld via verbeterjehuis.nl aandacht besteed aan een juiste manier van isoleren waarbij bouwfysische problemen worden voorkomen.
Hoe gaat u borgen dat de aanpak van schimmelwoningen daadwerkelijk prioriteit krijgt bij woningcorporaties en gemeenten?
Hoe wordt er op toegezien of corporaties en gemeenten lokaal afspraken maken over de aanpak van vocht- en schimmelproblematiek, zoals afgesproken in de Nationale Prestatieafspraken?
Hoe wordt geborgd dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zorgen voor voldoende voortgang op het gebied van schimmelaanpak?
Hoe gaat u bevorderen dat woningcorporaties beschikken over voldoende expertise om schimmelproblematiek snel en effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door inzet van specialistische kennis of onafhankelijke experts?
De inzet van vocht- en schimmelexperts vloeit voort uit de Nationale Prestatieafspraken tussen het Rijk, Aedes en de VNG. Voor de periode 2027 tot en met 2029 stelt het Rijk hiervoor jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar. Deze experts worden ingezet wanneer huurder en verhuurder (woningcorporatie) er samen niet uitkomen, nadat de corporatie al onderzoek heeft gedaan. De expert brengt vervolgens een onafhankelijk rapport uit met conclusies en aanbevelingen. Deze aanpak is gebaseerd op de succesvolle werkwijze van de gemeente Den Haag.
Het uitgangspunt blijft dat verhuurders verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van hun woningen, inclusief het oplossen van vocht- en schimmelproblemen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om de inzet van onafhankelijke experts te stimuleren en de urgentie van deze problematiek te benadrukken. Daarom kies ik voor een gerichte en uitvoerbare aanpak die aansluit bij bestaande lokale initiatieven en verantwoordelijkheden.
In deze aanpak dragen verhuurders 75% van de kosten voor een vocht- en schimmelonderzoek, terwijl het Rijk via een subsidie aan gemeenten de overige 25% voor zijn rekening neemt. De uitvoering vindt plaats op het niveau van woningmarktregio’s, waarbij centrumgemeenten een coördinerende rol hebben. Dit sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren en maakt regionaal maatwerk mogelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders goed geïnformeerd worden over hun rechten en mogelijkheden om schimmelproblematiek aan te kaarten, bijvoorbeeld via de Huurcommissie?
Wanneer bewoners van mening zijn dat de verhuurder te lang wacht met het aanpakken van vocht- en schimmelproblemen, beschikken zij over verschillende mogelijkheden om onderhoud af te dwingen. Huurders kunnen terecht bij de Huurcommissie, die in zulke gevallen een tijdelijke huurverlaging kan opleggen zolang gebreken niet zijn verholpen. Daarnaast kunnen alle huurders een procedure starten bij de kantonrechter om herstel af te dwingen. Bij ernstige klachten over de bouwtechnische staat van de woning kunnen huurders zich bovendien wenden tot het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Ik ga met de Woonbond en de Huurcommissie in gesprek of er meer duidelijkheid moet komen over de mogelijkheden die huurders hebben om vocht- en schimmelproblematiek aan te kaarten.
Hoe gaat u bevorderen dat huurders snel geholpen worden wanneer zij schimmelproblematiek melden bij hun verhuurder?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 3 t/m 8. Door middel van de afspraken uit de NPA verwacht ik een grote verbetering te zien bij woningcorporaties wat betreft en proactief oppakken van vocht- en schimmelproblematiek.
Het artikel ‘Vesteda moet woningen verkopen omdat investeerders uitstappen’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat woningbelegger Vesteda mogelijk woningen moet verkopen, omdat een groot deel van de investeerders uit het fonds wil stappen?1
Ja.
Klopt het dat institutionele beleggers voor een aanzienlijk deel van het fondsvermogen uitstapverzoeken hebben ingediend en dat dit kan leiden tot de verkoop van duizenden huurwoningen?
Bij Vesteda is voor € 4,1 miljard aan indicatieve redemptieverzoeken ingediend van vrijwel alle investeerders. Een redemptieverzoek is een formeel verzoek van een investeerder om zijn of haar deelname in een fonds te beëindigen of de inleg voor een deel terug te laten betalen. Dit komt overeen met ongeveer 52% van het eigen vermogen van het Vesteda Residential Fund. Investeerders kunnen tot 20 april hun indicatieve redemptieverzoeken naar beneden bijstellen. Op grond van de fondsvoorwaarden heeft Vesteda vervolgens meerdere jaren de tijd om deze verzoeken zorgvuldig af te wikkelen. Om aan de redemptieverzoeken te voldoen kan Vesteda huurwoningen verkopen, nieuwe investeerders aantrekken of meer vreemd vermogen aantrekken. Op basis van de huidige informatie zal de verkoop van woningen in ieder geval onderdeel zijn van de strategie om aan de redemptieverzoeken te voldoen maar in welke mate is nog niet duidelijk.
Deelt u de zorg dat dergelijke uitstroom van institutioneel kapitaal kan leiden tot:
Een van de manieren voor Vesteda om aan de redemptieverzoeken te voldoen is het verkopen van huurwoningen aan andere investeerders of aan particuliere kopers. Door dit laatste krimpt de private huursector, waaronder het middensegment. Daarnaast is het waarschijnlijk dat door de recente ontwikkelingen Vesteda minder nieuwbouw kan plegen. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat buitenlandse institutionele beleggers in Nederland nog slechts circa twee procent van de woninginvesteringen vertegenwoordigen, terwijl dit aandeel in andere Europese landen vaak tussen de 20 en 50 procent ligt?
Het is goed om te noemen dat de cijfers van Capital Value waar u in de vraag naar refereert betrekking heeft op de woninginvesteringen door private investeerders, en dus niet de woninginvesteringen in totaal. De woningopgave wordt naast deze partijen namelijk ook gevuld door woningbouwcorporaties. Dat laat echter onverlet dat het vertrek van buitenlandse investeerders in de Nederlandse woningmarkt een zorgelijke ontwikkeling is, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector waar grote investeringen voor nodig zijn.
Het beschikbare kapitaal van binnenlandse investeerders is op dit moment niet toereikend om deze opgave in te vullen en dus is kapitaal afkomstig van buitenlandse investeerders essentieel. Het vertrek van buitenlandse investeerders is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%2.
Deelt u de analyse dat Nederland zich daarmee internationaal uit de markt prijst voor institutioneel woningkapitaal?
De afname van buitenlandse investeringen in de nieuwbouw van huurwoningen laat zien dat het onaantrekkelijker is geworden om in Nederlandse nieuwbouw te investeren. Dit wordt veroorzaakt door verschillende factoren, zoals wijzigingen in het huur- en fiscaal beleid en veranderde macro-economische omstandigheden.
In hoeverre spelen volgens u fiscale factoren een rol bij deze ontwikkeling?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 5 wordt de afname van binnenlandse en buitenlandse investeerders in de Nederlandse woningmarkt veroorzaakt door een combinatie van verschillende oorzaken. Deze oorzaken zijn onder andere de verschillende maatregelen in het huur- en fiscaal beleid en de macro-economische omstandigheden. Het precieze effect van fiscale ontwikkelingen op investeringen hangt sterk af van het type investeerders. In de specifieke casus van Vesteda speelt ook mee dat dankzij waardegroei en goede resultaten het belang van Vesteda in de portefeuilles van een aantal investeerders zodanig is toegenomen dat zij hun belang willen afbouwen. Daarnaast kunnen investeerders slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie aanvragen.
Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze effect heeft op investeringen in woningbouw door institutionele beleggers:
Alle genoemde maatregelen bij vraag 7 hebben effect op investeringen in woningbouw. De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is echter een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een (cumulatieve) doorrekening van deze maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers. Specifiek ten aanzien van het de FBI-vastgoedmaatregel en de earningsstrippingmaatregel verwijs ik u naar de beantwoording van vragen van de Tweede Kamerleden de Groot en van Eijk3. Op een aantal van de in vraag 7 genoemde maatregelen en tarieven werkt het kabinet werkt aan een verbetering van het investeringsklimaat. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling geldt dat de Belastingdienst gaat kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven. Ook is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw. Dit zet de koers uit voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Het investeringsklimaat is hier een belangrijk onderdeel van.
Heeft het kabinet een integrale analyse gemaakt van het cumulatieve effect van deze maatregelen op het investeringsklimaat voor woningbouw?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de Wet op de vennootschapsbelasting geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen, maar dat het verschil in behandeling voornamelijk voortkomt uit de uitvoeringspraktijk van het besluit uit 2017?
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) voorziet onder voorwaarden in een vrijstelling voor pensioenfondsen4. Deze vrijstelling is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, die ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.5 De beoordeling of een pensioenfonds is vrijgesteld voor de vennootschapsbelasting werkt ook door naar de dividendbelasting. Wanneer een in Nederland gevestigde rechtspersoon niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen, mag inhouding van dividendbelasting achterwege blijven6 of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting.7
Het klopt dat de Wet Vpb 1969 geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het verlengde hiervan kunnen buitenlandse pensioenfondsen ook aanspraak maken op de hiervoor genoemde tegemoetkomingen in de dividendbelasting.8
In het verleden waren de voorwaarden niet geëxpliciteerd, waardoor enige onduidelijkheid bestond over de toepassing van de vrijstelling door buitenlandse pensioenfondsen. In 2018 is die verduidelijking verschaft door de uitwerking van de voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb.9 In dit beleidsbesluit zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan overigens bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Klopt het dat buitenlandse pensioenfondsen in de praktijk moeten aantonen dat zij aan circa twaalf criteria voldoen voordat zij als vergelijkbaar met Nederlandse pensioenfondsen worden aangemerkt?
Het klopt dat in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb10 in onderdeel 3.1.1. twaalf cumulatieve criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Er wordt hiermee derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen.
Hoeveel verzoeken tot toepassing van deze vrijstelling zijn de afgelopen tien jaar ingediend en hoeveel daarvan zijn toegewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.11 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Hoe verhoudt deze uitvoeringspraktijk zich tot het Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal?
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat het kapitaal- en betalingsverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen niet beperkt mag worden zonder rechtvaardigingsgrond. Bij het toetsen of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling en dat het betreffende buitenlandse pensioenfonds aan de verdere vereisten voldoet om een beroep te kunnen doen op de subjectieve vrijstelling voor pensioenfondsen, dient, voor zover relevant, dit Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal in acht te worden genomen. Zoals in de antwoorden op vraag 9 en vraag 10 aangegeven zijn de voorwaarden aan de hand waarvan buitenlandse pensioenregelingen worden getoetst gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en wordt hiermee geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Desalniettemin komt het voor dat belastingplichtigen een beroep doen op het EU-recht vanwege een veronderstelde ongelijke behandeling, waarbij derhalve beoordeeld moet worden of er sprake is van een ongerechtvaardigde schending van het Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal.
Tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van het FBI-regime zijn alternatieven besproken, zoals een semi-transparant vastgoedbeleggingsregime: waarom is destijds niet gekozen voor een dergelijk alternatief?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.12 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit. Daarnaast zouden bij deze alternatieven heffingslekken (gedeeltelijk) voortbestaan, dan wel niet snel genoeg gedicht worden, waardoor deze alternatieven tot een lagere budgettaire opbrengst leidden. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.13
Wordt momenteel onderzocht of een REIT-achtig regime voor Nederlandse woningen kan bijdragen aan het aantrekken van internationaal institutioneel kapitaal?
Nee. Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.14 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.15
Klopt het dat aanpassing van het besluit uit 2017 mogelijk zou zijn zonder wetswijziging
In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat buitenlandse pensioenfondsen subjectief zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting welke vrijstelling ook doorwerkt naar de dividendbelasting. Een buitenlandse pensioenregeling dient – kort gezegd – naar aard en strekking overeen te komen met een Nederlandse pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet respectievelijk de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is invulling gegeven wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. Een aanpassing van het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is mogelijk zolang deze aanpassing binnen het wettelijke kader blijft.
Ziet het kabinet ruimte om de vergelijkbaarheidstoets voor buitenlandse pensioenfondsen meer functioneel toe te passen, bijvoorbeeld op basis van:
De Belastingdienst gaat kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb nog actueel zijn en modernisering behoeven. Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft het (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Hierbij is het belangrijk dat duidelijk is wat de voorwaarden zijn, zodat rechtszekerheid wordt gewaarborgd. Daarnaast wordt benadrukt dat elk land zijn eigen juridische inrichting en kaders kent en dat pensioenregelingen per land aanzienlijk kunnen verschillen. Ook dient in aanmerking te worden genomen dat de Nederlandse en buitenlandse wetgeving ten aanzien van pensioenfondsen onderhevig is aan ontwikkelingen en dat de voorwaarden en kenmerken hiervan in de loop der tijd kunnen wijzigen. Als buitenlandse pensioenfondsen slechts eenmalig zouden worden gekwalificeerd, zou niet telkens hoeven te worden beoordeeld of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling en zou met de voornoemde ontwikkelingen en wijzigingen in de loop der tijd dus geen rekening worden gehouden hetgeen niet gewenst lijkt. Om recht te doen aan de specifieke omstandigheden die per situatie kunnen verschillen is maatwerk van belang. Daarnaast dient voorkomen te worden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.
Bent u bereid te onderzoeken of een eenmalige kwalificatie voor buitenlandse pensioenfondsen mogelijk is om meer rechtszekerheid te creëren?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u, gezien de jaarlijkse investeringsbehoefte van circa 40 miljard euro voor woningbouw, de analyse dat het aantrekken van internationaal langetermijnkapitaal noodzakelijk is om deze opgave te realiseren?
Ja, Nederlandse pensioenfondsen lopen in veel gevallen tegen de grenzen aan van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders essentieel zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om Nederland weer aantrekkelijker te maken voor institutionele beleggers in woningbouw?
In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt ook met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer middels een brief begin mei over de voortgang van deze taskforce informeren.
Natuurvriendelijk isoleren |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Erkent u dat er in de sector veel onduidelijkheid heerst over de geldende regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Toezicht en handhaving rondom natuurwetgeving en soortenbescherming zijn grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat provincies ruimte hebben om zelf uitvoeringsbeleid te maken binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. Vanuit het bedrijfsleven en gemeenten krijg ik signalen dat de diversiteit van provinciaal beleid lastig wordt gevonden. Daarom ben ik met provincies, gemeenten, soortenorganisaties en de sector in gesprek over oplossingen.
Klopt het dat de Ministeries van LVVN en VRO, het IPO, de provincies, de VNG en de soortenorganisaties aan een gedragscode werken, zodat er voor bepaalde activiteiten geen vergunningplicht meer geldt?
Het klopt dat momenteel aan een gedragscode wordt gewerkt. Dat doe ik samen met de Minister van LVVN, provincies, het IPO, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche. Op basis van een gedragscode is vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten in verband met isolatiewerkzaamheden mogelijk, mits aan de eisen van de gedragscode wordt voldaan.
Wanneer is deze gedragscode afgerond en kan ermee worden gewerkt?
Het streven is om de gedragscode uiterlijk 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er zo snel mogelijk meer ruimte komt voor innovatieve onderzoeksmethoden, zoals eDNA?
Innovatie wordt door verschillende trajecten vanuit de overheid gestimuleerd, bijvoorbeeld via de Challenge Startup in Residence Intergov. Daarnaast komt de markt zelf ook met innovatieve oplossingen. Ten aanzien van de eDNA-methode heeft het Rijk verschillende onderzoeken laten doen om de betrouwbaarheid van de methode te borgen. Inmiddels is een nieuw onderzoek gepubliceerd naar de betrouwbaarheid van de eDNA methode: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/11/24/edna-als-methode-voor-detectie-van-vleermuisverblijven-in-woningen
Op welke manier wordt bewerkstelligd dat er meer uniformiteit komt in de regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Het beleid rondom soortenbescherming is zoals gezegd grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat de provincies het bevoegd gezag voor onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving in relatie tot soortenbescherming, voor zover deze taken niet expliciet aan het Rijk zijn voorbehouden. Als bevoegd gezag bepalen zij zelf hun beleid in deze binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie.
Om landelijke tot meer uniformiteit en duidelijkheid te komen wordt gewerkt aan een gedragscode. Dit doen we samen met de belangrijkste stakeholders op dit onderwerp. De gedragscode zal via een ministeriële regeling worden aangewezen. De gedragscode zal dan dus, net als de eDNA-regeling, landelijk gelden.
Erkent u dat de onduidelijkheden rond het natuurvriendelijk isoleren negatieve effecten hebben op de bereidheid van particuliere huiseigenaren om hun woningen te isoleren?
Dat erken ik en daarom werken we met grote urgentie aan oplossingen zoals de gedragscode. Ondertussen kunnen isolatiewerkzaamheden gewoon doorgaan, op basis van de huidige eDNA regeling en provinciaal beleid. Dat betekent dat als uit onderzoek (bijvoorbeeld een negatieve test afkomstig uit eDNA-onderzoek) blijkt er geen sprake is van het verstoren of doden van beschermde soorten en het vernielen van nesten of verblijfplaatsen, er direct geïsoleerd mag worden, omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Als er sprake is van een positieve test, dan moet op dit moment een initiatiefnemer contact opnemen met de provincie en checken of een vergunning nodig is.
In de gedragscode willen we het handelingsperspectief na een positieve test verbeteren.
Hoe kunnen particuliere woningeigenaren meer gestimuleerd worden om hun woningen natuurvriendelijk te isoleren?
Hiervoor is vooral eenduidige en heldere communicatie nodig. Zowel vanuit het Rijk, vanuit de medeoverheden, als vanuit de isolatiebedrijven. Ook dit neem ik mee in de lopende gesprekken.
Vrouwen die dakloos raken door huiselijk geweld |
|
Songül Mutluer (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met aflevering 4 van de NTR-podcast «Waar slaap je» waarin verhalen gedeeld worden van vrouwen die door huiselijk geweld dakloos raken?1
Herkent u de signalen dat er in Nederland vrouwen dakloos raken als gevolg van partnergeweld? Deelt u de mening dat deze groep vrouwen momenteel tussen wal en schip valt, omdat zij enerzijds niet in aanmerking komt voor opvang of urgentie en anderzijds niet financieel in staat is om duurzame huisvesting te bekostigen? Zo ja, welke maatregelen bestaan er momenteel voor deze groep en acht u die toereikend?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat vrouwen die trauma hebben opgelopen door geweld, vervolgens ook hun thuis moeten verlaten? Zo ja, kunt u toelichten of er specifiek beleid is voor deze groep en welke concrete maatregelen u neemt om deze vrouwen te helpen?
Kunt u aangeven hoeveel personen er (gemiddeld) per jaar ten gevolge van partnergeweld noodgedwongen hun huis moeten verlaten? Indien exacte gegevens ontbreken, kunt u een schatting geven? Bent u bereid om de aantallen in beeld te brengen?
Welke concrete aanvullende acties zijn er geweest of maatregelen genomen sinds de presentatie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid, waarin vrouwen alsmede mensen met complexe problematiek en kinderen en slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke aandachtsgroepen worden genoemd?
Hoe wordt in beleid rekening gehouden met de gevolgen van (dreigende) dakloosheid voor kinderen die met hun moeder moeten meeverhuizen of in instabiele woonsituaties terechtkomen?
Deelt u de mening dat het gewenst is dat slachtoffers van partnergeweld zo snel mogelijk een veilig dak boven het hoofd moeten krijgen in de vorm van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of urgentie op een (sociale) huurwoning, ongeacht de gemeente waar zij wonen? Zo ja, op welke wijze wilt u dit bewerkstelligen? Welke (financiële) knelpunten ziet u hierbij en welke rol is hierin weggelegd voor de rijksoverheid in de ondersteuning van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de (financiële) knelpunten bij blijf-van-mijn-lijf locaties, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en privacy van dergelijke locaties? Bent u ook bekend met voorbeelden van locaties waar dit juist heel goed is ingericht, zoals in de gemeente Den Bosch? Hoe kijkt u naar dergelijke voorbeelden en hoe kijkt u naar de mogelijkheid voor minimumrichtlijnen voor kwaliteit en privacy? Welke financiering zou nodig zijn voor de invoering van dergelijke richtlijnen?
Herkent u het beeld dat slachtoffers van partnergeweld die niet in aanmerking komen voor sociale huur, noodgedwongen zijn aangewezen op dure particuliere of middenhuurwoningen, waardoor zij juist na een gewelddadige relatie in ernstige financiële problemen of schulden terechtkomen?
Herkent u dat deze financiële problematiek vaak wordt verergerd doordat dwingende controle, financieel geweld en lopende juridische procedures (zoals alimentatiegeschillen, omgangsregelingen of verdeling van bezittingen) nog lange tijd voortduren na de scheiding? Welke gevolgen heeft dat volgens u voor de bestaanszekerheid en veiligheid van deze vrouwen?
In hoeverre houden de huidige urgentiecriteria voor huisvesting naar uw mening rekening met de cumulatie van partnergeweld, financieel geweld en schuldenproblematiek, ook wanneer iemand formeel boven inkomensgrenzen uitkomt? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de signalen dat er in de huidige praktijk een gat lijkt te bestaan, waarbij enerzijds wordt gezegd dat het geen veiligheidsprobleem is en anderzijds wordt gezegd dat het geen woonprobleem is, met als gevolg dat er onvoldoende regie en verantwoordelijkheid wordt genomen door betrokken organisaties en overheidslagen? Zo ja, deelt u de mening dat dit tot gevaarlijke en onwenselijke situaties kan leiden? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gat te dichten?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een gebrek is aan regie in gevallen waar sprake is van (dreigende) dakloosheid als gevolg van partnergeweld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit op te lossen, zowel op de korte als op de lange termijn? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat slachtoffers van partnergeweld hiermee uit het zicht dreigen te verdwijnen? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Het artikel ‘GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim» over de oproep van de GGD tot een verbod op ziekmakend isolatieschuim?1
Ja.
Wat is uw reactie op de oproep van de GGD om het gebruik van UF-isolatieschuim per direct te verbieden?
Naar aanleiding van het rapport van de desktopstudie door de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving «Gezondheidsrisico’s van na-isolatie met UR-schuim» raden GGD’en gebruik af totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. De GGD’en adviseren huiseigenaren en woningcorporaties om voorlopig te kiezen voor een alternatief materiaal om de spouwmuur te isoleren. Ik volg de GGD’en in dit advies.
Welke concrete gezondheidsrisico’s zijn volgens het RIVM vastgesteld bij blootstelling aan formaldehyde uit UF-schuim?
Blootstelling aan formaldehyde kan irritatie van ogen, neus en luchtwegen veroorzaken, maar ook klachten als hoofdpijn en misselijkheid. Langdurige blootstelling aan formaldehyde verhoogt het risico op neuskanker en kanker aan de nasofarynx. Daarnaast kan formaldehyde mogelijk myeoloïde leukemie veroorzaken.
Klopt het dat formaldehyde is aangemerkt als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS)? Hoe verhoudt het gebruik van een bouwmateriaal dat formaldehyde kan uitstoten zich tot het nationale ZZS-beleid en het uitgangspunt van minimalisatie van blootstelling?
Formaldehyde is aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS). ZZS’en zijn de meest risicovolle stoffen voor mens en milieu. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Deze inzet is in lijn met het EU-doel voor 2050 in de zero pollution strategy en de verplichtingen in de Richtlijn Industriële Emissies.
Een minimalisatieplicht voor ZZS volgt uit de specifieke zorgplicht in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en geldt voor activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal. Het isoleren van een pand is geen milieubelastende activiteit die wordt aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal en de minimalisatieplicht van het Bal is daarom in deze situatie niet van toepassing.
Wel geldt vanuit de Arboregelgeving een minimalisatieplicht (voor zover technisch mogelijk) voor de blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende stoffen als formaldehyde.
Hoe kan het dat een stof die is aangemerkt als ZZS op zo’n grote schaal wordt toegepast in woningen? Welke wettelijke kaders maken dit mogelijk, en acht u dat wenselijk?
UF-schuim is (nog) niet verboden. Niet in alle gevallen heeft de toepassing van UF-schuim tot klachten geleid. Artikel 6.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt een eis aan de maximale concentratie van formaldehyde in voor personen toegankelijke binnenruimtes. Deze norm moet uiteraard in alle gevallen, dus ook bij bouw- of isolatieactiviteiten, in acht worden genomen.
In Europees verband kunnen via de REACH-verordening beperkingen worden gesteld aan het op de markt brengen van chemische stoffen. Op dit moment zijn er beperkingen vanuit REACH met betrekking tot voorwerpen met formaldehyde, maar (nog) niet voor het gebruik van UF-schuim. Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden die er zijn voor adequate regelgeving voor deze situaties.
Hoeveel woningen in Nederland bevatten UF-isolatieschuim in de spouwmuren of elders en hoeveel meldingen van gezondheidsklachten zijn hierover bekend?
In de jaren ’70 en ’80 is UF-schuim veel gebruikt voor isolatie van spouwmuren en daarna weer vanaf ongeveer 2014, vooral door woningcorporaties. Het is de laatste jaren bij tienduizenden woningen toegepast. De GGD’en hebben mede naar aanleiding van de recente berichtgeving inmiddels honderden meldingen over UF-schuim in relatie tot gezondheid binnengekregen. Deze meldingen variëren sterk: van algemene vragen zonder dat er gezondheidsklachten zijn tot meldingen van gezondheidsklachten na isolatie met UF-schuim.
Moeten deze woningen worden gesaneerd?
Wanneer bewoners gezondheidsklachten hebben gerelateerd aan de aanwezigheid van UF-isolatieschuim of het formaldehydegehalte van de binnenlucht te hoog is, dan moeten maatregelen genomen worden. Het is echter nog onvoldoende bekend welke kenmerken van een gebouw en welke omgevingsfactoren cruciaal zijn in het veroorzaken van de verhoogde formaldehydeconcentraties binnenshuis bij na-isolatie met UF-schuim en vervolgens ook welke interventies, anders dan tijdverloop en ventileren, effectief zijn om concentraties weer onder gezondheidskundige grenswaarden te krijgen.
Sanering, dat wil zeggen het verwijderen van het schuim uit de spouw, is technisch mogelijk maar lijkt niet altijd noodzakelijk of nuttig. Bijvoorbeeld wanneer er geen gezondheidsklachten zijn en/of wanneer het schuim langer dan 1 jaar geleden is aangebracht. In een enkel geval namen concentraties formaldehyde in een woning zelfs toe na het verwijderen van UF-schuim.
Klopt het dat bewoners in sommige gevallen het advies hebben gekregen hun woning per direct te verlaten? Zo ja, in hoeveel gevallen is dat gebeurd?
Ja, dat klopt. De GGD’en hebben geen totaaloverzicht van het aantal keren dat het advies is gegeven om de woning te verlaten, maar naar schatting gaat het om enkele tientallen woningen.
Acht u het verantwoord dat dit isolatiemateriaal nog steeds wordt toegepast terwijl er zorgen zijn over ernstige gezondheidsrisico’s?
Ik steun het advies van de GGD’en om UF-schuim niet toe te passen totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. Ook branche- vereniging VENIN-Isolerend Nederland heeft haar leden opgeroepen om de toepassing van UF-schuim tijdelijk te pauzeren, totdat aanvullend onafhankelijk onderzoek is afgerond, helderheid bestaat over gezondheidskundige risico’s en – indien nodig – aangepaste certificeringseisen en verwerkingsrichtlijnen zijn vastgesteld.
Bent u bereid het gebruik van UF-schuim tijdelijk te verbieden totdat onafhankelijk onderzoek duidelijkheid geeft over de veiligheid?
Gezien het advies van de GGD’en en de oproep van branchevereniging VENIN aan isoleerders zie ik geen noodzaak tot een (tijdelijk) verbod op UF-schuim op korte termijn. Ik ga ervan uit dat het hierdoor vooralsnog niet meer wordt toegepast. Ik breng het advies van de GGD’en zoveel mogelijk onder de aandacht van de partijen die betrokken zijn bij het isoleren van gebouwen. Het is aan certificerende instanties om de beoordelings- en uitvoeringsrichtlijnen aan te passen en de veiligheid te garanderen als isoleerders dit product weer willen gaan gebruiken. Het toepassen van UF-schuim waardoor de grenswaarde van 120 microgram formaldehyde per m3 binnenlucht wordt overschreden is al verboden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. RIVM herziet momenteel de grenswaarden voor formaldehyde. Daarnaast ben ik voornemens om op korte termijn tijdelijk te stoppen met het subsidiëren van isolatiemaatregelen waarbij UF-schuim wordt gebruikt, totdat duidelijk is dat het veilig is te gebruiken.
Waar kunnen mensen terecht die vragen hebben of een onderzoek aan hun woning of de lucht in hun huis willen?
Wanneer mensen gezondheidsklachten ervaren die passen bij formaldehyde en hun huis is (kortgeleden) geïsoleerd met UF-schuim, dan kunnen zij zich voor advies wenden tot hun verhuurder, huisarts of de GGD, of informatie vinden op ggdleefomgeving.nl of rijksoverheid.nl. Ook Vereniging Eigen Huis, VNG en Aedes informeren hun leden. Ureumformaldehydeschuim is onder diverse merknamen op de markt gebracht, zoals onder meer Aminotherm, Hurefoam, FoamConnect+, Enverifoam en Aminofoam, maar ook vele andere, vandaar dat partijen niet altijd beseffen dat dit schuim is gebruikt.
Een luchtmeting van formaldehyde is mogelijk maar momenteel nogal kostbaar. Het Rijk werkt met RIVM, GGD en meetbedrijven aan een eenvoudigere maar betrouwbare manier van meten.
Welke mogelijkheden hebben bewoners om schade te verhalen wanneer hun woning onbewoonbaar wordt verklaard door dit isolatiemateriaal?
Aansprakelijkheid voor schade is een civielrechtelijke kwestie, waarbij diverse aspecten een rol kunnen spelen om te bepalen of een partij aansprakelijk kan worden gehouden. Mogelijk komen verschillende juridische grondslagen voor aansprakelijkheid in beeld, zoals aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (artikel 6:175 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) of productaansprakelijkheid (artikel 6:185 BW). Iedere grondslag kent zijn eigen specifieke criteria waaraan getoetst moet worden voordat aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Verder kunnen ook verjaringsregels een rol spelen. Ik kan om die reden geen uitspraken doen over de vraag welke concrete mogelijkheden bewoners hebben om schade te verhalen.
Op welke wijze worden bewoners ondersteund bij tijdelijke huisvesting en compensatie van kosten?
Wanneer bewoners een woning huren en zij moeten vanwege formaldehyde de woning (tijdelijk) verlaten, dan kunnen zij zich wenden tot hun verhuurder. Eigenaar-bewoners zullen hun eigen voorzieningen moeten treffen. Voor het verhaal van de kosten daarvan verwijs ik naar het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn te informeren over de omvang van het probleem en de maatregelen die u gaat nemen?
Dit heb ik hierbij gedaan.
Het bericht 'Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Explosief gestegen onderhoudskosten zijn raadsel voor corporaties» van 30 januari jongstleden?1
Ja.
Hoe kijkt u naar het feit dat woningcorporaties te kampen hebben met een snel oplopend financieel tekort dat de nieuwbouw- en verduurzamingsplannen bedreigt, opgelopen van 5 miljard tot ruim 19 miljard euro?
De daling van de investeringscapaciteit van woningcorporaties en het opgelopen financiële tekort zijn een punt van zorg met het oog op de investeringsafspraken die zijn gemaakt in de Nationale Prestatieafspraken (NPA). Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord een pakket aan maatregelen voorgesteld om de investeringscapaciteit van woningcorporaties te vergroten. Zo komt er een faciliteit in de vennootschapsbelasting (vpb) die de fiscale lastendruk met uiteindelijk structureel € 325 miljoen zal verlagen. Daarnaast is het kabinet voornemens om woningcorporaties meer ruimte te geven om te investeren in zogenaamde niet-DAEB activiteiten (middenhuur). Ook wil het kabinet toe naar jaarlijkse inkomenstoetsing en passende huurgelden. Hoe deze maatregelen precies doorwerken op de investeringscapaciteit van corporaties en het financiële tekort van de NPA is op dit moment niet precies duidelijk omdat dit afhangt van de gekozen invulling van de maatregelen. Ik heb recent toegezegd uw Kamer dit voorjaar te informeren over de uitwerking van de maatregelen in het coalitieakkoord en de verwachte effecten ervan op de financiële haalbaarheid van de NPA.
Bent u bekend met de waarschuwing van de Autoriteit Woningcorporaties dat «de opgaven en middelen van corporaties niet meer in evenwicht» zijn? En dat deze toezichthouder aanbeveelt om «robuuste, structurele maatregelen» te nemen? Welke maatregelen bent u van plan om te nemen om te zorgen dat corporaties genoeg middelen hebben voor hun opgave om voor betaalbare huisvesting te zorgen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de coalitie een pakket maatregelen voorgesteld die de financiële haalbaarheid van de NPA zullen verbeteren. Er ligt echter ook een meer structureel vraagstuk over het lange termijn verdienvermogen van woningcorporaties. Het verdienmodel van corporaties is namelijk, zeker met het huidige gewenste investeringstempo, niet houdbaar op de lange termijn. Dit komt omdat corporaties zowel op hun bestaande woningen als op iedere nieuwe woning geld toeleggen. De verliezen die corporaties maken worden op dit moment afgedekt door leningen aan te trekken. Dit kunnen corporaties op lange termijn niet volhouden omdat zij de komende jaren gestaag naar de grenzen bewegen van wat zij aan leningen mogen en kunnen dragen.
Ik ben het eens met de Aw dat er uiteindelijk «robuuste, structurele maatregelen» nodig zijn om de balans tussen opgaven en middelen ook op de lange termijn te bewaren. Daarom ben ik voornemens om een gezaghebbend en onafhankelijk advies in te winnen over het lange termijn verdienvermogen van woningcorporaties. Dit advies zal in moeten gaan op de vraag welke opgaven en taken er op de lange termijn liggen voor woningcorporaties en op welke wijze deze het best bestendig gefinancierd kunnen worden. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover nader te informeren.
Klopt het dat de Autoriteit Woningcorporaties ook heeft geconstateerd dat corporaties in zeven jaar tijd zo’n 60 procent meer kwijt zijn aan onderhoud, en dit een belangrijke oorzaak is voor het financiële tekort? Hoe verklaart u de stijgende onderhoudskosten?
De Aw heeft inderdaad geconstateerd dat de onderhoudsuitgaven van corporaties tussen 2018 en 2024 met 60 procent zijn toegenomen. Dit is substantieel meer dan kan worden verklaard door de algemene prijsstijging van onderhoud die over dezelfde periode op circa 30 procent is uitgekomen. Een stijging van de onderhoudslasten werkt sterk door op de investeringscapaciteit van woningcorporaties omdat zij hierdoor netto minder inkomsten overhouden om de rente op nieuwe leningen te kunnen betalen. Uit de meest recente financiële doorrekening blijkt dat de stijging van onderhoudslasten circa 1/3 van de afname van het investeringsruimte verklaart.
Waarom de onderhoudskosten van corporaties zo sterk zijn gestegen is op dit moment nog niet volledig duidelijk. De meest voor de hand liggende verklaring hiervoor lijkt dat corporaties, in lijn met de afspraken uit de NPA, meer onderhoud zijn gaan plegen. Het valt op basis van de huidige inzichten echter niet te zeggen of dit de volledige verklaring is. Dit komt met name omdat er meer diepgravende analyses nodig zijn in beeld te brengen in hoeverre de kostenstijging wordt gedreven door een toename van onderhoudsingrepen dan wel doordat corporaties hogere prijzen betalen. Ook is er weinig zicht in hoeverre er ruimte is het onderhoud op een meer doelmatige wijze in te vullen. Op dit moment vindt er overleg plaats met de Aw en Aedes om te komen tot een gezamenlijke onderzoeksagenda om meer inzicht te krijgen in de oorzaken en mogelijke oplossingen ten aanzien van de oplopende onderhoudslasten.
Bent u bereid de aanbeveling van de Autoriteit Woningcorporaties over te nemen en een breed onderzoek te starten naar wat achter de sterk stijgende onderhoudskosten zit?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven vindt er op dit moment overleg plaats met de Aw en Aedes om te kijken welke onderzoeken er nodig zijn om een beter beeld te krijgen van de sterk stijgende onderhoudslasten en op welke wijze corporaties hier meer grip op zouden kunnen krijgen. Ik zal uw Kamer later dit jaar informeren over de uitkomsten van de verschillende onderzoeken.
Deelt u de analyse van de Autoriteit Woningcorporaties dat private-equityfirma’s hier een rol spelen, omdat deze in toenemende mate de onderhoudsbedrijven overnemen die werken in de corporatiesector? Bent u bereid om prijsvorming, winstuitkeringen en contractafspraken bij onderhoudsbedrijven, en specifiek de invloed van private equity op tarieven en contracten, mee te nemen in het onderzoek?
De Aw is in zijn analyse terughoudend om een direct verband te leggen tussen de prijsstijgingen van onderhoud en de opkomst van private-equityfirma’s. De Aw schetst vooral dat er een trend zichtbaar is waarbij private equityfirma’s instappen in onderhoudsbedrijven. Vervolgens stelt de Aw dat dit mogelijk een prijsopdrijvend effect kan hebben, maar dat niet is vast te stellen of dit een rol heeft gespeeld bij de prijsstijging van afgelopen jaren. De Aw zegt nadrukkelijk dat aanvullend onderzoek nodig zou zijn om dit te kunnen vaststellen. Zoals bij vraag 4 en 5 al is aangegeven bekijken we op dit moment samen met Aw en Aedes welke onderzoeken er nodig zijn ten aanzien van de gestegen onderhoudslasten. Bij het opstellen van deze onderzoeksagenda zal ook worden bezien of het zinvol is om ook nader naar de rol van private equity te kijken.
Wat zijn volgens u alternatieven of oplossingen voor corporaties om meer grip op onderhoudskosten te krijgen, of de kosten te verlagen?
Ik vind het op dit moment voorbarig om vooruit te lopen op mogelijke oplossingen omdat er op dit moment nog onvoldoende zicht is op het onderliggende probleem. Het hangt uiteindelijk sterk af van de resultaten van het onderzoek in welke mate er ruimte is om onderhoudskosten te verlagen zonder dat dit op lange termijn ten kosten gaat van de onderhoudsstaat van corporatiewoningen. Mijn insteek is om bij de uit te voeren onderzoeken ook nadrukkelijk de onderzoeksvraag te stellen welk handelingsperspectief er is om het onderhoud door corporaties meer kostenefficiënt uit te laten voeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting beantwoorden?
Zoals ik uw Kamer op 3 maart jl. heb laten weten was er meer tijd nodig voor het beantwoorden van deze vragen.
De ruimte voor efficiënte biomassaketels in warmtetransitiegebieden |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze u tot uw stelling bent gekomen dat een goede, efficiënte bioketel met eenvoudige aanvullingen, zoals isolatie en inregelen, aan de voorgestelde grenswaarde van 0,7 voor de energieprestatie van technische bouwsystemen voor ruimteverwarming in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie kan voldoen (Kamerstuk 36 387, nr. 50)?
Tijdens het tweeminutendebat op 13 januari 2026 over het Besluit gemeentelijk instrumenten warmtetransitie (verder: Bgiw) heeft mijn ambtsvoorganger in reactie op de motie van het lid Flach aangegeven dat biomassaketels onder voorwaarden kunnen voldoen aan de in het Bgiw opgenomen grenswaarde voor de energieprestatie van 0,7.1 Het antwoord is gebaseerd op informatie van Stichting W/E adviseurs, die in 2023 ook het onderzoek naar de betreffende grenswaarde hebben uitgevoerd, enkele andere energieadviseurs en medewerkers van mijn ministerie.2 De genoemde energieprestatie is haalbaar bij toepassing van een biomassaketel met een hoge efficiëntie, leidingisolatie en goed ingeregeld systeem.
Wat zijn de aanvullingen die nodig zijn voor een bioketel om aan de grenswaarde van 0,7 te voldoen en in hoeverre acht u deze aanvullingen eenvoudig te zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de bijbehorende berekeningen met de Kamer delen?
Ik heb de Stichting W/E adviseurs gevraagd na te gaan in welke gevallen biomassaketels voldoen aan een energieprestatie van 0,7. De resultaten van de berekeningen heb ik als bijlage bijgevoegd. De berekeningen zijn gemaakt met de digitale rekentool die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft ontwikkeld.3 Uit de berekeningen van Stichting W/E adviseurs blijkt dat biomassaketels vanaf een rendement van 90% voldoen aan de vereiste energieprestatie. In het memo is een aantal voorbeelden gegeven van biomassaketels die in de markt verkrijgbaar zijn met een dergelijk rendement.
Op welke wijze gaat u, zoals aangegeven tijdens het genoemde tweeminutendebat, de vinger aan de pols houden om na te gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat het genoemde besluit in werking is getreden?
Ik verwacht geen problemen met het voldoen aan de nieuwe grenswaarde aangezien een groot aantal biomassaketels nu al aan de eisen kan voldoen. Het is de verwachting dat, zoals ook de Stichting W/E adviseurs aangeeft, de efficiëntie van biomassaketels zal toenemen waardoor steeds meer ketels uiteindelijk aan de grenswaarde voldoen. In zowel bilaterale gesprekken met de branche als ook via de formele overlegstructuur van het Overlegplatform Bouwregelgeving zullen mijn medewerkers hierover de vinger aan de pols houden.