Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier kan.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag. Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari jl. is dit nader toegelicht.
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden, zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem € 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw worden genomen.
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt geïnformeerd.
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Het bericht 'Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal' |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal»1 en wat betekent dit voor het aanbod aan middenhuurwoningen in Nederland?
Ik ben bekend met het artikel. Wanneer aandeelhouders kapitaal terugtrekken en de uitstroom niet gecompenseerd wordt door instroom van nieuwe investeerders, moet een fonds zijn beschikbare middelen anders aanwenden. Dit heeft impact op de investeringsruimte van een fonds en kan leiden tot liquiditeitsdruk. Afhankelijk van de omvang van de verzoeken en de wijze van afwikkeling kan dit leiden tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en/of tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt. De omvang van dit effect is niet generiek vast te stellen en hangt af van marktomstandigheden en fondskeuzes.
In welke mate veroorzaakt deze uitstroom liquiditeitsdruk bij Bouwinvest, en hoe verhoudt dit zich tot de situatie bij Vesteda, waar eerder eveneens kapitaaluitstroom heeft plaatsgevonden?
De redemptieverzoeken bij Vesteda zijn zowel relatief als absoluut aanzienlijk groter dan bij Bouwinvest. Bij Bouwinvest bedraagt de aangevraagde uitstroom per Q1 2026 circa 8% van het eigen vermogen van het fonds, terwijl bij Vesteda voor meer dan 50% van het eigen vermogen aan redemptieverzoeken is ingediend. Desondanks veroorzaakt deze redemptie bij Bouwinvest ook liquiditeitsdruk. Dit heeft een negatieve impact op de investeringsruimte van Bouwinvest.
Hoe groot acht u de kans dat Bouwinvest, net als Vesteda, woningen zal moeten verkopen om aan uitstapverzoeken te kunnen voldoen? Zo ja, in welke omvang?
De redemptieverzoeken kunnen worden ingevuld via verkoop van woningen, herfinanciering middels schuld of instroom van nieuw aandeelhouderskapitaal. Bouwinvest geeft aan dat het in de huidige markt lastig is om voldoende nieuwe investeerders aan te trekken. Daarom wordt in de praktijk regelmatig gewerkt met rotatie van kapitaal, waarbij verkoop van bestaande woningen wordt ingezet om nieuwe investeringen te financieren. Uiteindelijk gaat dit ten koste van de voorraad aan middenhuurwoningen. De uiteindelijke omvang waarin aanvullende woningverkoop noodzakelijk is, verschilt per situatie en is afhankelijk van de wijze waarop uittredingsverzoeken worden afgewikkeld.
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn voor de beschikbaarheid van middenhuurwoningen en voor de ontwikkeling van de huurprijzen?
Indien de redemptieverzoeken leiden tot minder nieuwbouw huurwoningen heeft dat negatieve gevolgen van de beschikbaarheid middenhuurwoningen, omdat Bouwinvest voornamelijk in middenhuur investeert. Aangezien de middenhuur gereguleerd is, heeft dit in principe geen invloed op de ontwikkeling van de huurprijzen in dit segment. Wel kan een tekort aan middenhuurwoningen leiden tot meer vraag naar vrije sector huurwoningen. Aangezien in de vrije sector de huren niet gereguleerd zijn kan een groeiende vraag hier wel leiden tot hogere prijzen.
Deelt u de zorg dat gelijktijdige uitstroom bij meerdere woningfondsen kan leiden tot bredere effecten op de woningmarkt, zoals prijsdruk of een toename van uitponden?
Zoals toegelicht bij vraag 4 heeft de uitstroom geen effect op prijzen in het middensegment, maar kan het wel effect hebben op de prijsdruk in het vrije sector segment. Daarnaast kan uitstroom van kapitaal leiden tot uitponding van huurwoningen en afstel van nieuwbouw. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
In welke mate dragen nationale beleidsmaatregelen, zoals huurregulering en fiscale wijzigingen, volgens u bij aan het terugtrekken van investeerders uit Nederlandse woningfondsen?
Het is van belang onderscheid te maken tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Hoewel Nederlandse institutionele beleggers aangeven moeite te hebben met het vinden van voldoende projecten die aan de minimale rendementseisen voldoen, is de belangrijkste reden voor hen om uit te stappen dat zij tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd.
Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.2 Tegen deze achtergrond heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen.
Kunt u per relevante maatregel toelichten wat het effect is op de investeringsbereidheid van institutionele beleggers?
De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een doorrekening van de impact van deze individuele maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers.
In hoeverre verlagen Nederlandse pensioenfondsen momenteel hun allocatie naar vastgoed, en specifiek naar woningbeleggingen? Indien dit het geval is, wat zijn daarvoor de belangrijkste oorzaken?
Nederlandse pensioenfondsen verlagen hun allocatie naar vastgoed en woningbeleggingen niet in algemene zin. Veel fondsen bevinden zich rond hun strategische doelallocatie voor wonen, waardoor de ruimte voor verdere groei beperkt is. Wel geeft een deel van de Nederlandse institutionele investeerders aan moeite te hebben met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling voor fondsen als Bouwinvest, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal?
Fondsen die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal kunnen hierdoor terughoudender worden in nieuwe investeringen. Wanneer pensioenfondsen hun allocatie aanpassen of belangen afbouwen, kan dit de investeringscapaciteit van vastgoedfondsen beïnvloeden. Het probleem ligt mijns inziens echter vooral bij de afwezigheid van buitenlandse investeerders, aangezien binnenlandse pensioenfondsen veelal al investeren in de Nederlandse huurwoningen rond hun strategische doelallocatie voor wonen. Dit is echter niet genoeg om de nieuwbouwdoelstellingen te halen. Hier is zowel binnenlands- als buitenlandskapitaal voor nodig.
Welke impact heeft dit op de financiering en realisatie van nieuwbouwprojecten, in het bijzonder binnen het middenhuursegment?
Indien minder kapitaal beschikbaar is voor nieuwbouw van middenhuurwoningen, heeft dit effect op de realisatie van projecten. Institutionele beleggers vervullen een belangrijke rol in de financiering en ontwikkeling van dit segment. Wanneer investeerders terughoudender worden of minder kapitaal beschikbaar hebben, kan dit de haalbaarheid van projecten beïnvloeden. Dit kan leiden tot uitstel, aanpassing of in sommige gevallen het niet doorgaan van projecten. De mate van impact verschilt per project en is afhankelijk van marktomstandigheden en financieringsstructuren.
Kunt u toelichten of en in welke mate projecten worden uitgesteld of afgeblazen als gevolg van teruglopende investeringen?
Het teruglopen van investeringen in private huurwoningen kan zorgen voor uitstel of uitval van woningbouwprojecten. Met name de projecten waar een groot aandeel private huurwoningen is voorzien kunnen zonder private investeerder (nog) geen doorgang vinden. Ik beschik echter niet over cijfers die aantonen of dit effect zich ook al in toenemende mate voordoet.
Deelt u de analyse dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor institutionele woningbeleggers ten opzichte van andere Europese landen?
In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3
Acht u het risico aanwezig dat kapitaal structureel verschuift naar andere markten, en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwopgave in Nederland?
De verwachting is dat als het Nederlandse investeringsklimaat verbetert, buitenlandse investeerders weer zullen terugkeren. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
In welke mate acht u de huidige structuur van open-end vastgoedfondsen met uitstapmogelijkheden kwetsbaar onder veranderende marktomstandigheden?
Voldoende investeringen in de bouw van (midden) huurwoningen door private partijen zijn essentieel om de investeringsopgave te halen. Tegelijkertijd heb ik geen voorkeur voor de wijze waarop deze investeringen worden gedaan. Het is aan individuele investeerders om te bepalen hoe zij willen investeren en aan fondsen om hun eigen voorwaarden te bepalen.
Acht u aanvullende maatregelen of aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk om deze kwetsbaarheden te mitigeren?
Zie het antwoord op vraag 14.
In uw Kamerbrief van 20 april jl. (Kamerstuk 27 926, nr. 409) neemt u enkele maatregelen om voornamelijk het uitponden van middenhuur woningen tegen te gaan; welke andere maatregelen heeft u overwegen, waarom zijn deze afgevallen?
In het Regeerakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur vóór de evaluatie wordt geoptimaliseerd om het aantal huurwoningen op peil te houden. Bij de keuze voor de optimalisatie is gekeken naar waar verhuurders vooral knelpunten ervaren, en hoe deze kunnen worden opgelost waarbij de betaalbaarheid in acht is genomen. Dit betekent dat de maatregelen snel kunnen worden ingevoerd en gericht verlichting bieden. De al door mijn voorganger in gang gezette maatregelen sluiten hier passend op aan. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om de nieuwbouwopslag te verlengen om ontwikkelaars zo snel mogelijk meerjarige duidelijkheid te geven. In 2027 wordt aan de hand van de evaluatie van de Wet betaalbare huur gekeken in hoeverre verdere aanpassingen noodzakelijk en wenselijk worden geacht.
Uit de enquête van Vastgoed Belang blijkt dat investeerders de aangekondigde maatregelen onvoldoende achten om het uitponden tegen te gaan; herkent de Minister deze signalen, waarom acht de Minister aanvullende maatregelen nu niet nodig?
Het optimaliseren van de Wet betaalbare huur is slechts een deel van de oplossing hiervoor en zal dus niet direct al het uitponden tegengaan. Daarom kijk ik tegelijkertijd breder hoe het investeringsklimaat kan worden verbeterd, onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het investeringsklimaat voor woningbouw op peil te houden, mede gezien de signalen van partijen als Bouwinvest?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren. Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen
Bent u bereid in overleg te treden met institutionele beleggers en pensioenfondsen om te verkennen hoe investeringen in de Nederlandse woningbouw kunnen worden behouden dan wel vergroot?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over het aantrekken van (buitenlandse) investeringen, bijvoorbeeld in het structureel overleg investeringsklimaat (SOI).
Welke maatregelen neemt de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw om te waarborgen dat investeren in middenhuurwoningen aantrekkelijk blijft voor institutionele beleggers, zodat woningzoekenden niet de negatieve gevolgen ondervinden van fiscale beleidsmaatregelen?
Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het Regeerakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bericht 'Gifzones belemmeren bouw van tienduizenden woningen in zeker 40 gemeenten' |
|
Robert van Asten (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen op landbouwgrond en dat het aanhouden van een minimale afstand van 50 meter in de praktijk regelmatig leidt tot vertraging en het stikvallen van woningbouwprojecten?1
Kunt u een beeld geven van de schaal waarop woningbouw wordt geremd door de instelling van deze spuitvrije zones of door de onduidelijkheid die hierover ontstaat voor ontwikkelaars en woningzoekenden?
Klopt het dat gemeenten onder de Omgevingswet zorg dragen voor de gezondheid van hun inwoners en dat deze zorgplicht ook veelal wordt gezien als reden om spuitvrije zones in te stellen, of voor inwoners om gemeenten daartoe op te roepen?
Klopt het dat de stijging van de grondprijs en de diverse uitkoopregelingen ervoor zorgen dat er de laatste jaren meer intensieve teelt (zoals bollenteelt), met relatief veel middelengebruik, is gekomen en dat deze teelten (dus) ook vaker in de buurt van beoogde woningbouwlocaties zijn?
Herkent u het beeld dat ook boeren die geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen de huidige onduidelijkheid inzetten om te zorgen dat woningbouw niet naast hun perceel wordt gevestigd? Op welke schaal gebeurt dit?
Bent u bereid om, op basis van het onderzoek van het RIVM en de WUR naar risico’s en mogelijke richtlijnen, in gesprek te gaan met de VNG over duidelijke richtlijnen of een afwegingskader, zodat duidelijker en consistenter wordt omgegaan met afstanden tussen (bestaande en nieuwe) woningbouw en landbouwgrond, waarbij zowel gezondheid als woningbouwopgave geborgd zijn?
Kunt u zich voorstellen dat de huidige onduidelijkheid vanuit het Rijk op dit vlak en de vele zorgen die er (daardoor) bij omwonenden leven, er ook voor zorgen dat de vraag om spuitvrije zones toeneemt? Zo ja, bent u bereid in samenwerking met de VNG ook expliciet te kijken naar andere manieren waarop zorgen en onduidelijkheden rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan worden verholpen (te denken valt aan verplichtingen rond transparantie en communicatie bij gebruik)?
Bent u het eens dat de huidige urgente woningbouwopgave én maatschappelijke zorgen rond een gezonde leefomgeving vragen om een zorgvuldige afweging in de ruimtelijke ordening en dat ook dit wil zeggen dat niet iedere vorm van agrarisch grondgebruik overal kan? Op welke wijze kan dit worden meegenomen in de definitieve Nota Ruimte?
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over concrete maatregelen om te voorkomen dat deze «spuitvrije zones» de woningbouwopgave verder vertragen?
Het bericht dat het Rijk al maanden wist dat ze het dorp Moerdijk weg wilden hebben |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat nog voordat met de bewoners van Moerdijk gesproken is het ministerie al de conclusie had getrokken dat het dorp Moerdijk weg moest?1
Op welk moment precies zijn welke (concept) besluiten genomen en was informatie hierover beschikbaar en definitief? Kan dit verwerkt worden in een duidelijke tijdlijn met interne publicatie- en beslismomenten?
Waarom is deze informatie niet eerder met het dorp gedeeld?
Ziet u in dat hiermee ten onrechte de indruk is gewekt dat bewoners zeggenschap hebben in dit proces? Wat denkt u dat hiervan het gevolg is voor het vertrouwen van mensen in de overheid?
Waarom is deze informatie niet eerder met de Kamer gedeeld ondanks herhaalde informatieverzoeken en duidelijke aandacht van het parlement?
Gaat u alle beschikbare informatie met het parlement delen vóór het debat over het dorp Moerdijk?
Hoe reageert u op de stelling dat u het parlement en de bewoners van Moerdijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven?
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk voorafgaand aan het debat over het dorp Moerdijk beantwoorden?
Het bericht 'Huurverhoging valt bewoners van grootste flat van Nederland rauw op het dak' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de inwoners van de L-flat, de grootste flat van Nederland, en de Geroflat in Zeist te maken krijgen met een huurverhoging?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de mensen die in deze flats wonen al maanden niet de volledige beschikking hebben tot hun balkons, omdat deze onveilig zijn en daarom ondersteund worden door metalen palen?
Ik ben bekend met de berichtgeving dat de mensen die in deze flats wonen al maanden niet de volledige beschikking hebben over hun balkons, omdat deze onveilig zouden kunnen zijn en daarom ondersteund worden door metalen palen.
Vooropgesteld vind ik het van belang dat huurders volledig en op een veilige manier over hun woning kunnen beschikken; daarvoor betalen zij immers de huur. In de bouwregelgeving en ook de huurregelgeving zijn hiervoor dan ook diverse waarborgen opgenomen. Voor deze waarborgen verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 3, 4 en 5.
Heeft het ministerie meegekeken op de veiligheid van de balkons en de tijdelijke oplossing? Is er bij deze specifieke flat onderzoek gedaan nadat eind 2015 een onderzoeksplicht is ingesteld door toenmalig Minister Blok voor eigenaren van galerijflats met balkons? Wat is er na dit onderzoek gedaan? Ziet de Minister reden om nu weer een soortgelijke actie te ondernemen?
De verantwoordelijk voor de veiligheid van de balkons en tijdelijke oplossing is aan de gebouweigenaar en het toezicht hierop is belegd bij de gemeente. Het ministerie heeft daarbij geen rol. Dit geldt ook voor de uitvoering van de eerdere onderzoeksplicht bij galerijflats2. Of deze onderzoeksplicht is uitgevoerd bij de specifieke flat en wat er na dit onderzoek is gedaan is ter beoordeling van de gemeente. Daarnaast geldt altijd een algemene zorgplicht voor de gebouweigenaar om de balkons blijvend te laten voldoen aan de veiligheidseisen. Ik zie daarom geen reden voor een nieuwe wettelijke onderzoeksplicht.
Begrijpt u dat het voor huurders niet duidelijk is wanneer er sprake zal zijn van een duurzame oplossing en dit mogelijk nog jaren op zich laat wachten? Wat vindt u ervan dat huurders mogelijk jarenlang in onzekerheid zitten? Ziet de Minister mogelijkheden om de werkzaamheden te versnellen?
Ik vind het van belang dat huurders duidelijkheid hebben over de ernst van de huidige situatie en in hoeverre deze een beletsel kan zijn om op veilige of normale wijze gebruik te maken van het gehuurde. In eerste instantie is het aan de verhuurder om deze duidelijkheid te bieden en om indien nodig werkzaamheden te versnellen. Vervolgens voorziet de regelgeving in taken bij de gemeente, de huurcommissie en de rechter. Het ministerie heeft geen wettelijke mogelijkheden om te interveniëren in deze specifieke kwestie.
Daarmee zie ik de volgende drie mogelijkheden voor een huurder om werkzaamheden te laten versnellen. In de eerste plaats kunnen huurders zich tot de gemeente wenden met het verzoek tot handhaving van de bouwregelgeving inzake de balkons. In de tweede plaats hebben de huurders de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wenden inzake de huurprijs. De Huurcommissie of rechter kan vervolgens tot het oordeel komen dat de gebreken zodanig ernstig zijn, dat zij een huurverlaging rechtvaardigen. In het algemeen stimuleert een dergelijk oordeel een verhuurder de nodige werkzaamheden uit te laten voeren; tot die tijd blijft namelijk de huurverlaging van kracht. In de derde plaats kunnen huurders zich tot de rechter wenden zodat de rechter de verhuurder verplicht om de nodige werkzaamheden uit te laten voeren. Bij een spoedeisend belang kan dat leiden tot een procedure bij de rechter in kort geding.
Bent u het eens dat het niet eerlijk is dat mensen die betalen voor een woning mét balkon, maar hier geen volledig gebruik van kunnen maken, ook nog eens een huurverhoging krijgen? Zo nee, snapt u ten minste dat dit gevoelens van oneerlijkheid oproept bij de bewoners? Wat zijn de mogelijkheden voor compensatie in dit soort gevallen?
Ik begrijp dat mensen die een woning huren met gebreken en een huurverhoging krijgen, dat als oneerlijk ervaren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 hebben huurders de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wenden inzake de huurprijs. Indien de Huurcommissie in een uitspraak gebreken heeft geconstateerd, kan een voorstel tot huurverhoging wettelijk niet leiden tot huurverhoging. Met het op 21 april 2026 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie3 wordt deze regel ook van toepassing verklaard op huurverhogingen op grond van een beding in de overeenkomst4. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, kunnen huurders zich ook tot de rechter wenden zodat die de verhuurder verplicht om de nodige werkzaamheden uit te laten voeren. Huurders kunnen bij de rechter ook een schadevergoeding eisen.
Klopt het dat de huurders van woningcorporatie Woongroen die vallen onder een collectief energiecontract binnenkort ook nog eens te maken krijgen met een naheffing in verband met de gestegen energieprijzen?
Het ministerie heeft geen rol inzake individuele situaties waarbij verhuurders van woonruimten collectieve energie leveren aan hun huurders. Hierbij geldt dat de verhuurder de levering van energie in rekening kan brengen via de servicekosten. De wettelijke regeling voorziet erin dat een verhuurder voor de servicekosten een maandelijks voorschotbedrag in rekening kan brengen. Voorts voorziet de wettelijke regeling erin, dat een verhuurder uiterlijk zes maanden na het einde van elk kalenderjaar een afrekening verzorgt op basis van de reëel gemaakte kosten.
Deze afrekening kan leiden tot de conclusie dat de huurder een bedrag terug moet ontvangen of nog een extra bedrag moet betalen. Hieraan kunnen verschillende oorzaken aan ten grondslag liggen, zoals een lager of hoger verbruik, of ook gestegen energieprijzen. De huurder die het niet eens is met een afrekening heeft de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wensen. Het op 21 april 2026 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie5 maakt dat de Huurcommissie een gebruiksvriendelijk formulier kan opstellen waarmee verhuurders de betalingsverplichting inzake de servicekosten van de huurder specificeren. Dit draagt bij aan een voor huurder en verhuurder meer begrijpelijke en voorzienbare procedure bij de Huurcommissie.
Heeft u gesprekken gevoerd met bewoners of de corporatie? Zo nee, bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 is het aan de gemeente om te beoordelen of zij over moeten gaan tot handhaving. Zoals aangegeven in mijn antwoorden op vraag 4 en 5 kunnen huurders zich wenden tot de huurcommissie en rechter. Het ligt dan ook niet in de rede dat ik treed in de verantwoordelijkheid van de gemeente, de huurcommissie of de rechter door op korte termijn in overleg te gaan met de bewoners of de corporatie.
Wat kunt u in overleg of samenwerking met de woningcorporatie Woongroen en de gemeente Zeist doen om deze bewoners tegemoet te komen en duidelijkheid te geven?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de Woningbouwopgave?
Ja.
Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?
Ik ben bekend met de situatie van enkele complexen aan het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee waarbij woningcorporatie Kennemer Wonen overweegt deze te slopen of te renoveren.
Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?
Dit kan ik niet bevestigen. Ik heb na contact met Aedes begrepen dat er nog geen beslissing is genomen over sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie. Kennemer Wonen heeft aangegeven de opties voor sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie nog te zullen onderzoeken. Ik ga ervanuit dat elke woningcorporatie, en in dit geval Kennemer Wonen, alvorens zij tot de beslissing komt tot slopen of renovatie onderbouwd een afweging maakt.
Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?
Het moeten verlaten van je woning voor sloop en nieuwbouw is voor bewoners heel ingrijpend. Een tijdige en duidelijke communicatie over de voornemens is daarom essentieel om ook bewoners zo goed mogelijk mee te nemen in een afweging. Hiervoor is door Aedes en de Woonbond in 2024 het Nationaal sloop- en renovatiestatuut opgesteld. Hiermee wordt het belang van vroegtijdige betrokkenheid van bewoners erkend en gewaarborgd. In dit geval begrijp ik dat er nog geen besluit is genomen.
Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?
Het is in beginsel aan woningcorporaties om, met alle betrokken partners op lokaal niveau, te bepalen wat in een specifieke situatie de beste optie is. Er wordt hierbij van woningcorporaties verwacht dat zij, in overleg met die partners, bij het realiseren van de opgave alle belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen: van bewoners, maar ook van toekomstige huurders, de leefbaarheid in de wijk, het gemeentelijk beleid, de eigen portefeuillestrategie en de financiële consequenties. Ik heb geen signalen dat woningcorporaties structureel voor sloop kiezen als regulier onderhoud een meer wenselijke optie is.
Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?
Over het algemeen is renovatie duurzamer dan sloop met vervangende nieuwbouw, maar is dit niet altijd goedkoper en hangt van verschillende eigenschappen van het gebouw af. Een voordeel van renovatie is dat de levensduur van bestaande gebouwen wordt verlengd. Het is echter niet altijd mogelijk om te bestaande gebouwen te kunnen renoveren. Het bestaande gebouw moet zich hiervoor lenen en dat is niet altijd het geval. Het is aan de woningcorporatie om hierin de eigen afweging te maken, waarbij ook het totale financiële plaatje een rol speelt. Woningcorporaties hebben in totaal bijna 2,2 miljoen sociale huurwoningen, het is niet aan mij om een oordeel te hebben over of in een individueel geval renovatie of sloop/nieuwbouw logischer is. Dat is aan de corporatie, in samenspraak met de lokale partners.
Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?
Ik kan mij heel goed voorstellen dat voor bewoners de sociale cohesie en de hechte gemeenschappen die zijn opgebouwd belangrijk zijn. Bij de afweging tussen sloop en nieuwbouw of renovatie spelen deze factoren en bijvoorbeeld ook het behoud van de identiteit van de wijk een rol. Het is echter ook in dit geval aan de woningcorporatie om te bepalen welk gewicht zij geven aan het mogelijk verbreken van de sociale cohesie en hechte gemeenschappen die zijn ontstaan in de afweging die zij maken voor sloop met vervangende nieuwbouw of renovatie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?
De woningcorporaties zijn verplicht om, op grond van artikel 55b van de Woningwet, een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De wet stelt – met uitzondering van een regeling voor de verhuiskostenvergoeding – echter geen specifieke eisen aan de inhoud van zo’n reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kan verschillen. Mocht de corporatie zich hier niet aan houden dan kunnen bewoners stappen naar de huurcommissie of de civiele rechter. Het is niet aan mij om in een individueel geval te oordelen of er sprake is van schending van de Wet op het overleg huurders en verhuurder.
Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 3. Verder wil ik hier nog aan toevoegen dat ik momenteel een onderzoek uitvoer naar de effecten van sloop en nieuwbouw op onder andere de bewoners, verduurzaming (waaronder het klimaat en de CO2 uitstoot) en de woningvoorraad. In het onderzoek wordt ook een afwegingskader geschetst, waarbij transparanter wordt hoe een afweging tot sloop- nieuwbouw tot stand kan komen. Hierdoor wordt meer inzichtelijk hoe een woningcorporatie tot haar keus kan komen. Ik verwacht de Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?
Het is niet aan mij om dit te beoordelen. De optie voor sloop en vervangende nieuwbouw wordt momenteel nog onderzocht. Hierbij zal ook worden onderzocht of bij dit project stikstof vrijkomt. Als blijkt dat er stikstof vrijkomt, zal moeten worden aangetoond dat het niet leidt tot verslechtering van de staat van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten slotte is het aan de provincie Noord-Holland om als bevoegd gezag te beoordelen of een natuurvergunning kan worden verleend of niet. Het kabinet werkt verder aan een pakket aan maatregelen voor generieke stikstofreductie, zodat de stikstofdruk op Natura 2000-gebieden wordt verlaagd en Nederland van het stikstofslot af kan.
Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?
Hergebruik, renovatie en transformatie van bestaande gebouwen is veelal duurzamer dan nieuwbouw, maar niet elk gebouw leent zich daarvoor, zeker daar waar de energetische schil lastig is te verbeteren. Maar ook een wens om te verdichten of een wijk meer divers te maken kan een reden zijn om over te gaan tot sloop. Ik ben van mening dat per gebouw moet worden gekeken wat de beste circulaire strategie is als het gaat om hergebruik, renovatie en/of transformatie dan wel nieuwbouw. Daarbij zouden inderdaad de CO2-uitstoot en andere milieuaspecten moeten worden meegewogen. Als wel tot sloop wordt besloten dan verdient het de voorkeur om circulair te slopen. Dit houdt in dat wordt gekeken welke bouwelementen, -producten en -materialen uit het pand kunnen worden gedemonteerd om vervolgens in een nieuw gebouw of bij renovatie te worden hergebruikt. Ik ondersteun deze werkwijze met de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik.2
Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.
Nee, ik acht het niet noodzakelijk om een instemmingsrecht van 70% te geven bij sloopbeslissingen. Op grond van huidige wet- en regelgeving is het voor de bewoner die niet instemt met sloop (en daarmee geen instemming geeft over het beëindigen van zijn of haar huurovereenkomst), mogelijk om zonder actie van zijn of haar kant te bewerkstelligen dat de rechter zich zal buigen over de vraag of de huurovereenkomst eenzijdig door de verhuurder kan worden beëindigd. De mogelijkheid dat de rechter zich hierover buigt acht ik voldoende.
Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, worden de opties op sloop en renovatie nog onderzocht en zal woningcorporatie Kennemer Wonen hierover met bewoners in gesprek gaan. Ik kan mij heel goed voorstellen dat, als wordt besloten tot sloop, dit een grote impact heeft op de wijk en de gemeenschap. Het blijft echter een afweging van de corporatie, in overleg met lokale partijen. Bij die afweging en het lokale gesprek kan ook de gemeente en de lokale politiek een rol spelen.
Het artikel ‘Hoe corporaties huurders passeren bij ingrijpende verbouwingen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat woningcorporaties grootschalige verduurzamingsprojecten classificeren als «groot onderhoud» in plaats van «renovatie», waardoor huurders geen instemmingsrecht hebben en de werkzaamheden moeten gedogen?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven situaties. Ik neem de berichten dat bewoners ervaren dat zij onvoldoende zeggenschap hebben, doordat woningcorporaties ingrijpende verduurzamingswerkzaamheden als «groot onderhoud» classificeren in plaats van «renovatie», serieus. De primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldig proces ligt echter bij de corporatie zelf. Of werkzaamheden groot onderhoud of renovatie betreffen hangt af van de aard van de werkzaamheden en maatregelen. De woningcorporatie is aanspreekbaar op de wijze waarop bewoners daarin worden betrokken. De wet maakt onderscheid tussen «dringende werkzaamheden» en «renovatie»: bij «renovatie» worden voorheen niet aanwezige voorzieningen aangebracht waardoor het wooncomfort geacht wordt te zijn gestegen. Wanneer slechts sprake is van vervanging van kapotte of versleten onderdelen of voorzieningen is er sprake van onderhoud. Voor renovatiewerkzaamheden is instemming van de huurder vereist2, voor onderhoudswerkzaamheden niet. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter.
Is dit een fenomeen dat bij u al bekend was? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen of onderneemt u om dit recht te zetten? Zo nee, hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat u sneller op de hoogte kan komen van vergelijkbare problematiek onder kwetsbare huurders?
Dat dit onderwerp van gesprek is, is bij mij bekend. De Woonbond heeft eind januari 2026 een brandbrief gepubliceerd over signalen van huurders die zich onvoldoende betrokken voelen bij verduurzamings- en renovatietrajecten, mede in relatie tot betaalbaarheid, draagvlak en de ervaren gevolgen voor hun woonlasten en woongenot.3
De verantwoordelijkheid voor een juiste classificatie van werkzaamheden ligt in eerste instantie bij de woningcorporaties zelf. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter. Ook kunnen huurders zich onder omstandigheden melden bij de huurcommissie en is het mogelijk om een klacht in te dienen bij de corporatie. Corporaties zijn verplicht een onafhankelijke klachtencommissie in te richten. Corporaties hebben 2,2 miljoen sociale huurwoningen in eigendom en een investeringsopgave van 115 miljard euro. Ik kan niet in individuele gevallen beoordelen of er sprake is van renovatie of onderhoud.
Bent u bereid om te reageren op het Trendbeeld 2025 van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) waarin zij zich kritisch uitten over de handelwijze van corporaties met betrekking tot bewonersparticipatie?2
De signalen in het Trendbeeld over bewonersparticipatie die door SVWN in de in 2025 uitgevoerde visitaties bij 36 corporaties zijn gesignaleerd zijn door mij met belangstelling ontvangen.5 Deze signalen zijn voor mij mede aanleiding geweest om een onderzoek te laten doen naar de stand van zaken ten aanzien van huurdersparticipatie bij corporaties in Nederland. In 2016 vond een eerste onderzoek plaats naar hoe huurdersorganisaties bij corporaties invulling geven aan belangenbehartiging van huurders op basis van de Woningwet 2015. Reden was de invoering van de Woningwet 2015 en de rol die huurders op basis van de wet kregen. Tien jaar na dit onderzoek is het zinvol om dit onderzoek weer te laten plaatsvinden. Ik zal op basis van een tweede onderzoek over meer input beschikken om een onderbouwde reactie te kunnen geven en hierbij naast een vergelijking met het eerste onderzoek ook signalen uit het Trendbeeld 2015 meenemen. In de eerste helft van 2027 verwacht ik de uitkomsten van het onderzoek.
Deelt u de mening dat het financiële belang van corporaties er in de praktijk toe leidt dat corporaties bewust kiezen voor de kwalificatie «groot onderhoud» om kosten te drukken, ten koste van kwetsbare huurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dat deel ik niet. Zoals aangeven in vraag 1 zijn de aard van de maatregelen en werkzaamheden leidend. Woningcorporaties staan voor een zeer omvangrijke verduurzamings- en renovatieopgave: op basis van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) moeten zij honderdduizenden woningen verbeteren, wat leidt tot lagere energierekeningen en meer wooncomfort voor huurders. Corporaties pakken die opgave voortvarend op. Uiteraard betrekken zij daarbij ook de financiële gevolgen, maar de kwalificatie moet wel in alle gevallen in lijn zijn met de juridische definitie en de geest van de wet.
Kunt u aangeven hoeveel sociale huurwoningen de afgelopen drie jaar zijn verduurzaamd onder de noemer «groot onderhoud» of «dringende werkzaamheden», terwijl er naar het oordeel van huurders of hun juridisch vertegenwoordigers sprake was van renovatie? Beschikt u over deze cijfers, en zo nee, bent u bereid deze te laten inventariseren?
Ik beschik niet over deze cijfers. Er bestaat geen centrale registratie die bijhoudt hoe verduurzamingswerkzaamheden zijn geclassificeerd en in hoeveel gevallen huurders of hun vertegenwoordigers daar anders over oordeelden. Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 2 is het niet aan mij om individuele gevallen te beoordelen. Er zijn andere mogelijkheden die huurders hebben als zij de beoordeling van de corporatie in twijfel trekken.
In het aangekondigde Wetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht wordt het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie niet scherper omschreven. Waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het ontwerpwetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht, gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl, richt zich specifiek op verduurzaming in de vorm van energiebesparende of energieleverende voorzieningen, en niet op renovaties in algemene zin. Het ontwerp gaat uit van een scherpere rol voor de huurdersvertegenwoordiging. Dit ontwerp biedt de mogelijkheid om via een algemene maatregel van bestuur nader te definiëren welke maatregelen vallen onder het begrip verduurzaming.
Daarnaast is de voorgenomen aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving van belang met het oog op het uitfaseren van EFG-labels bij huur. Deze aanpassing is erop gericht dat huurwoningen aan energetische minimumeisen moeten voldoen per 1 januari 2029. Een ontwerp hiervoor is eveneens gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl. Om de verhuurder in staat te stellen om tijdig aan de eis voldoen, moet de huurder op enig moment vóór 2029 meewerken wanneer de verhuurder de woning wil aanpassen voor het bouwvoorschrift.
In het licht van de hiervoor genoemde ontwerpen zal ik bezien of het noodzakelijk is om het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie scherper te beschrijven met het oog op de positie van de huurder.
De komende jaren zullen meer huurders te maken krijgen met de komst van warmtenetten, deelt u de mening dat initiatiefrecht van huurders daarin verankerd moet zijn?
Ik deel de mening dat de positie van huurders van belang is bij warmtenetten.
Met het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt deze positie geborgd. Zo borgt de Wgiw goede participatie en een helder democratisch proces bij aansluiting op een warmtenet. Huurders hebben hierdoor, net als andere bewoners, en gebouweigenaren, de mogelijkheid inbreng te leveren bij de totstandkoming van het warmteprogramma en vervolgens de wijziging van het omgevingsplan.
De prioritering van verduurzaming, waaronder de aanleg van warmtenetten, is een gezamenlijke zaak van corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties maken samen lokale prestatieafspraken. Huurdersorganisaties kunnen ook op die manier invloed uitoefenen op lokale afspraken over warmtenetten.
Hoe vaak zijn warmtenetten aangelegd waarbij deze werden gepresenteerd als «dringende werkzaamheden»? Hoe vaak als «groot onderhoud»? Deelt u onze mening dat dit onwenselijk is omdat het rechten van huurders kan schaden?
Exacte aantallen zijn mij niet bekend; zie ook het antwoord op vraag 5. Bekend is dat rechters in een aantal gevallen hebben geoordeeld dat de aansluiting op een warmtenet als dringende werkzaamheden kan worden aangemerkt. Meest recent heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 10 april 2026 geoordeeld dat huurders van corporatie Woonwaard in Alkmaar moesten meewerken aan aansluiting op het warmtenet, omdat het mislopen van subsidie en gemeentelijke afspraken de werkzaamheden dringend maakten.6 Van corporaties verwacht ik dat zij, ook als zij juridisch geen instemming hoeven te vragen, huurders tijdig en transparant informeren en betrekken bij de plannen. Dit vloeit ook voort uit Wet overleg huurders en verhuurder.
Bent u van mening dat huurders die maandenlang worden blootgesteld aan geluidsoverlast van meer dan 100 decibel, lekkages en schade aan hun inboedel, zoals beschreven in de projecten in Monnickendam, De Westereen en Huizen, recht hebben op een wisselwoning en adequate schadevergoeding, ongeacht de juridische kwalificatie van de werkzaamheden? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Niemand zou maandenlang onder dergelijke omstandigheden moeten hoeven wonen. Een woning moet een veilige en leefbare plek zijn. Corporaties hebben in dergelijke situaties een belangrijke verantwoordelijkheid om hun zorgplicht als verhuurder volledig na te komen. Huurders hebben de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of de rechter te wenden inzake de huurprijs. In een dergelijke procedure kan worden beoordeeld of sprake is van (geluids)overlast of gebreken die aanleiding geven tot huurverlaging. Daarnaast kunnen huurders bij de rechter vorderen dat maatregelen worden genomen om de overlast te beperken, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van een wisselwoning, en kunnen zij een schadevergoeding eisen voor geleden schade. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover een oordeel te geven. Los van de juridische kwalificatie van de werkzaamheden verwacht ik van corporaties dat zij oog hebben voor de positie van huurders en actief zoeken naar passende oplossingen wanneer bewoners langdurig met ernstige overlast of schade worden geconfronteerd. Dat kan, afhankelijk van de omstandigheden, betekenen dat een wisselwoning beschikbaar wordt gesteld of dat schade aan de inboedel wordt vergoed.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de sociale huursector eenzijdig op de schouders van de meest kwetsbare huurders terechtkomt, en dat draagvlak voor verduurzaming wordt ondermijnd?
In de NPA en de wet zijn kaders opgenomen: verduurzaming gaat gepaard met betaalbare woonlasten, huurders worden na verduurzaming niet geconfronteerd met onredelijke huurverhogingen en de isolatie van woningen bij zittende huurders mag niet leiden tot huurverhoging. Daarnaast leidt verduurzaming van sociale huurwoningen tot meer wooncomfort en meer grip op de energierekening.
Is er een toezichthouder bevoegd en toegerust om te handhaven op de juiste kwalificatie van verduurzamingswerkzaamheden door corporaties? Zo nee, bent u van plan een toezichter deze taak te geven?
Nee, de beoordeling of sprake is van «dringende werkzaamheden» dan wel «renovatie» is aan de rechter, de Hoge Raad heeft dit ook bevestigd.7
Deelt u de mening dat er sprake is van een fundamentele machtsongelijkheid tussen woningcorporaties en sociale huurders, nu corporaties eenzijdig kunnen bepalen hoe ingrijpende werkzaamheden worden geclassificeerd, huurders juridisch en financieel nauwelijks in staat zijn om hiertegen op te komen, en de toegang tot de rechter in de praktijk onbetaalbaar is voor de betrokken bewoners?
Ik erken dat er een structureel verschil bestaat in de positie van corporaties en individuele huurders. De drempel om naar de rechter te stappen is voor veel huurders hoog. De wet biedt echter ook andere wegen. De Overlegwet regelt het recht op informatie van huurdersorganisaties en bewonerscommissies. Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het delen van informatie met bewoners en het faciliteren van een bewonerscommissie; zij kunnen een bewonerscommissie ook een vergoeding verstrekken om deskundige ondersteuning in te huren. Ook kunnen huurders een klacht indienen bij de onafhankelijke klachtencommissie.
In de NPA 2025–2035 is daarnaast afgesproken dat woningcorporaties en bewoners periodiek evaluaties uitvoeren over de kwaliteit van verrichte renovaties en waar nodig verbeteringen aanbrengen. Dit zijn bestaande instrumenten die de ongelijkheid kunnen verminderen zonder dat de rechter eraan te pas hoeft te komen.
Bewoners in Monnickendam zeggen dat zij de regie over hun eigen leven zijn kwijtgeraakt. Deelt u de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is, en dat de huidige wetgeving dit recht voor sociale huurders in de praktijk onvoldoende waarborgt?
Ja ik deel de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is. Daarom kent de huidige wetgeving ook veel waarborgen voor die zeggenschap. Uiteraard werkt deze waarborg, net als elk systeem, niet feilloos. Om die reden worden huurdersorganisaties betrokken, bestaat de huurcommissie, kunnen huurders een klacht indienen of naar de rechter.
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
In bepaalde situaties kan dit inderdaad het geval zijn. Door de stapeling van, op zichtzelf goed uitlegbare, regels en eisen is beleid en regelgeving door de jaren heen ingewikkeld geworden voor burgers, bedrijven en medeoverheden.
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Voor evenementen gelden, net als voor elke andere bedrijfsmatige activiteit, regels vanuit verschillende belangen en bestuursorganen. In dit geval regels zoals in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), Wet publieke gezondheid en Wet veiligheidsregio’s en de Omgevingswet. Tegelijkertijd ziet dit kabinet dat er soms sprake is van onnodige regeldruk. Daarom heeft dit kabinet stevige ambities ten aanzien van vereenvoudiging van regels en vermindering van regeldruk. Vereenvoudiging betekent het terugdringen van onnodige regels, stapeling van regels, uitzonderingen en complexiteit in wet- en regelgeving, processen en dienstverlening, maar ook bijvoorbeeld het harmoniseren van regelingen en het stoppen met opvragen van informatie die de overheid al heeft. Op dit moment verkent de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, hiervoor de mogelijkheden. Ik verwijs ook naar de beantwoording van de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid van 15 april 2026 op vragen uit de Tweede Kamer over regeldruk bij paasvuuractiviteiten.
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Met name bij de organisatie van kleinere evenementen kunnen dit soort regels sneller als niet proportioneel worden ervaren. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Maar naast regels in het omgevingsplan die gericht zijn op de belangen voor de fysieke leefomgeving gelden ook nog steeds de regels voor de openbare orde en veiligheid en de publieke gezondheid. Een dorpsfeest met 150 bezoekers moet soms aan dezelfde veiligheidsnormen voldoen als een groot festival. Het kabinet is aan de slag om regeldruk te verminderen en heeft als ambitie om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor een opgave, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid. Hiernaast is het de bedoeling dat ook medeoverheden, toezichthouders, uitvoeringsorganisaties, publieke dienstverleners en andere betrokken partijen een rol krijgen in de vereenvoudigingsopgave op hun werkterrein. Het kabinet wil ook afspraken gaan maken met gemeenten om praktische belemmeringen, zoals evenementenregels, te verminderen.
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Zoals hierboven toegelicht zijn de regels voor lokale gemeenschapsactiviteiten onder andere afhankelijk van de omvang van het evenement, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de risico’s voor de openbare orde en veiligheid. Dat betekent ook dat er voor verschillende locaties verschillende regels, zowel nationaal als decentraal en vanuit verschillende belangen kunnen gelden. En afhankelijk van de geldende regels kan er sprake zijn van een vergunning- of meldingsplicht. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan regels die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid waarvoor de burgemeester verantwoordelijk is. Landelijk gelden er regels vanuit de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg, en de Wet veiligheidsregio’s, de Warenwet, de Wegenverkeerswet, de Wet milieubeheer en de Omgevingswet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 zijn de regels hierin voor evenementen, zoals regels over brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur door harmonisatie gewijzigd of staan ze op een andere plek dan voorheen.
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
De Omgevingswet vraagt om een decentrale en integrale afweging van de verschillende belangen in de fysieke leefomgeving, zoals brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er lang niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn over wat er mogelijk is. Zo kan in het omgevingsplan het gebied worden aangewezen waar evenementen kunnen worden gehouden en welke regels daar precies gelden, zoals een geluidsnorm. Gemeenten worden vanuit het ministerie ondersteund bij het anders werken met de mogelijkheden van de Omgevingswet.
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Zoals hierboven toegelicht zijn de administratieve verplichtingen afhankelijk van de geldende regels en die worden bepaald door de omvang en de locatie van het evenement en de risico’s voor openbare orde en veiligheid. Er moet een goede balans moet zijn tussen de bescherming en veiligheid van aanwezigen en de lasten die de lokale regelgeving opwerpt voor deelnemers. Hierbij kan het ook helpen als de regels goed worden uitgelegd aan betrokkenen, zodat er draagvlak voor ontstaat.
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Ja, het is mogelijk voor gemeenten om in het omgevingsplan aan te geven op welke locatie evenementen mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn. Gemeenten worden door mijn ministerie en door de koepels VNG, UvW en IPO ondersteund bij het anders werken onder de Omgevingswet en krijgen informatie hierover ook via het Informatiepunt Leefomgeving.
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
In het kader van onze gezamenlijke ambities ten aanzien van vereenvoudiging en vermindering van regeldruk zijn wij in gesprek met de decentrale overheden en maatschappelijke organisaties hierover en zetten wij dit gesprek de komende tijd voort.
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Ja.
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat veranderingen in de zorg onzekerheid met zich kunnen meebrengen, maar ik verwacht dat er ook in de toekomst een grote vraag zal zijn naar geclusterde woonvoorzieningen voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, waarbij geldt dat de vergoeding voor de zorg redelijkerwijs kostendekkend moet zijn en blijven. Overigens worden ouderenwoningen niet alleen gerealiseerd door zorgorganisaties, maar ook door woningbouwcorporaties en private partijen.
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
De introductie van een nieuwe leveringsvorm in de ouderenzorg – waarover in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) afspraken zijn gemaakt – vergt een wetswijziging. Op dit moment wordt in overleg met alle betrokken HLO-partijen nagedacht over de vormgeving van die nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis. Ik verwacht dat in het voorjaar 2027 een eerste voorstel voor internetconsultatie gereed is.
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we de aankomende jaren doorgaan met het bouwen van voor ouderen geschikte woningen, en meer specifiek met geclusterde- en zorggeschikte woningen waar ouderen met een zorgvraag kunnen wonen. Dat kunnen ook kleinschaligere woonzorgvormen zijn. Ik onderken dat de bouw de afgelopen jaren is achtergebleven bij de opgave en daarom zet het kabinet op allerlei manieren in op het vergroten van de planvorming en realisatie van deze woonvormen. Hierover ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in nauw overleg met alle betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en zorgpartijen. Wij blijven in gesprek met de sector om knelpunten bij de realisatie van nieuwe woonvormen voor ouderen weg te nemen.
Belangrijke elementen van de aanpak van het kabinet om de realisatie van woningtypes geschikt voor ouderen te vergroten zijn het maken van programmatische afspraken in de woondeals over de huisvestingsopgave voor ouderen, het voeren van gesprekken met bestuurders in de woondealregio’s over de planvorming en realisatie van deze opgave én het reserveren van extra middelen voor de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook kan na invoering van de Wet Regie bijvoorbeeld sterker worden gestuurd op het bouwen voor ouderen. Gemeenten moeten in hun volkshuisvestingsprogramma’s aangeven hoe zij invulling gaan geven aan deze bouwopgave.
Voor de zomer zal nader op het voorgaande worden ingegaan in een voortgangsbrief ouderenhuisvesting aan uw Kamer, zoals ook toegezegd tijdens het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting van 11 maart jl.
Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
De bouwsector heeft al langere tijd te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dit kent meerdere oorzaken. Ten eerste is sprake van een structureel tekort aan vakmensen, mede als gevolg van vergrijzing en een beperkte instroom van jongeren in technische en bouwgerelateerde opleidingen. Daarnaast is de vraag naar arbeid in de bouw de afgelopen jaren sterk toegenomen door onder meer de woningbouwopgave, verduurzamingsopgaven en renovatie- en onderhoudswerkzaamheden. De combinatie van een stijgende vraag en een achterblijvend aanbod leidt tot een bovengemiddelde krapte in een toch al gespannen arbeidsmarkt. Verder zien we dat de fysieke belasting van het werk invloed heeft op de aantrekkelijkheid van de sector voor potentiële werknemers.
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Het tekort aan vakmensen heeft invloed op de uitvoeringscapaciteit van bouwbedrijven en daarmee op de snelheid waarmee projecten kunnen worden gerealiseerd. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat de woningbouwproductie door meerdere factoren wordt bepaald. Naast beschikbaarheid van personeel spelen onder meer de beschikbaarheid van bouwlocaties, vergunningprocedures, financieringscondities, stikstofruimte en de capaciteit bij gemeenten en andere betrokken partijen een rol.
De huidige krapte op de arbeidsmarkt betekent dat bouwbedrijven in sommige gevallen langer nodig hebben om personeel te vinden of dat projecten anders moeten worden georganiseerd. We zien dan ook dat de sector inzet op oplossingen zoals het verbeteren van arbeidsproductiviteit en het vergroten van de instroom via opleidingen en zij-instroom. Het is overigens ook een prikkel om productiever te werken, waaronder het toepassen van innovatieve en meer geïndustrialiseerde bouwmethoden.
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Het is lastig om te beoordelen in hoeverre de personeelstekorten specifiek invloed hebben op vertraging. Tekorten in de bouw kunnen ervoor zorgen dat projecten vertraging oplopen of geen doorgang kunnen vinden. Dit is echter, zoals bij de voorgaande vraag benoemd, mede afhankelijk van een aantal andere factoren.
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
In het antwoord op vraag 2 is toegelicht dat er verschillende redenen zijn voor de personeelstekorten in de bouw. Daarnaast speelt in de bouwsector een kwalitatieve mismatch een belangrijke rol. Werkgevers geven aan dat sollicitanten regelmatig niet beschikken over de specifieke vaardigheden, ervaring of certificeringen die voor bepaalde functies vereist zijn. Dit heeft onder meer te maken met de snelle technologische ontwikkelingen in de sector, zoals digitalisering, prefabricage en nieuwe bouwmethoden, waarvoor aanvullende kennis en scholing nodig zijn. Deze innovaties zijn overigens juist ook nodig om met minder mensen meer te kunnen doen. Ook zij-instromers, die vanuit andere sectoren komen, hebben vaak tijd nodig om de benodigde vaardigheden op te bouwen.
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Het kabinet werkt aan een Talentstrategie om bewustere keuzes te maken over de inzet van schaars talent. Op basis daarvan bepaalt het kabinet op welke prioritaire opgaven meer inzet van talent nodig is. Dat kan namelijk niet op alle opgaven en sectoren tegelijkertijd.
Als onderdeel van de Talentstrategie wordt ook ingezet op het verhogen van de productiviteit van de Nederlandse economie. Voor alle sectoren is belangrijk om te zien hoe we meer kunnen doen met minder mensen. We zijn hard op weg om productiviteit in de bouwsector omhoog te krijgen. Dit willen we verwezenlijken door meer gebruik te maken van (technologische) innovaties om zo het aantal benodigde vaklieden omlaag te kunnen brengen.
Daarnaast zet het kabinet in op zij-instroom en het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, zoals de afgelopen jaren ook is gebeurd (zie ook antwoord op vraag 7). Daarin hebben werkgevers overigens ook zelf een grote rol, zoals bij het aantrekkelijk maken van het werk en het bieden van goede instroomtrajecten en opleiding.
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Op dit moment zijn er al diverse acties gericht op het verhogen van instroom in technische opleidingen, een groot deel ervan vindt u ook in het actieplan groene en digitale banen. Deze acties komen veelal ook ten goede aan opleidingen die toeleveren aan bouw. Zoals in het antwoord op vraag 6 vermeld, werkt het kabinet aan een Talentstrategie. Op basis daarvan bepaalt het kabinet of en welke stappen het kabinet gaat zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten.
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Wij beoordelen de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) als een belangrijk en effectief instrument om de instroom in technische en bouwgerichte beroepen te vergroten. De combinatie van werken en leren sluit goed aan bij de praktijk van de sector en vergroot de kans op duurzame arbeidsmarktparticipatie. De afgelopen jaren is het aantal studenten in bouw- en techniekopleidingen licht toegenomen, mede dankzij de inzet op BBL en de beschikbaarheid van leerwerkplekken. Financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen voor BBL-studenten zijn waardevolle aanvullingen op het bestaande instrumentarium. Eerste signalen uit de sector wijzen erop dat deze maatregelen een positief effect hebben op het verminderen van voortijdige uitval en het bevorderen van doorleren. Hoewel de genoemde initiatieven bijdragen aan een grotere instroom en betere retentie, zijn de effecten op dit moment nog beperkt in omvang ten opzichte van de totale personeelsvraag in de bouwsector. Het personeelstekort blijft groot en vraagt om een bredere en langdurige inzet. Naast het versterken van de instroom via het onderwijs en het stimuleren van diplomering, zet het kabinet daarom ook in op onder andere het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en het bevorderen van zij-instroom.
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Zie het antwoord bij vraag 8.
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Als onderdeel van de eerste productiviteitsagenda uit september 2025 presenteerde het kabinet twee initiatieven voor de bouw. Het Ministerie van BZK werkt samen met TKI Bouw, Techniek Nederland en TNO aan een productiviteitsagenda voor de bouw, waarin zij productiviteitskansen en -knelpunten voor interventies nader in kaart brengen. Op regionaal niveau wordt in succesvolle bouwecosystemen innovatieadoptie van AI en robotisering door mkb versneld.
Daarnaast loopt sinds eind 2024, met steun van EZK, het beleidsexperiment Shaping the Future of Work. Dit experiment ondersteunt mkb-bedrijven bij het ontwikkelen en toepassen van arbeidsbesparende, mensgerichte innovaties voor fysiek werk, zodat werk minder belastend, beter vol te houden en productiever wordt. Het experiment wordt onder andere in de bouw uitgevoerd. De Ministeries van EZK en van SZW werken aan een opschaling, mede vanuit het perspectief van productiviteitsgroei en duurzame inzetbaarheid. Over de verdere invulling van deze opschaling wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Studentenhuisvesting |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom bouwen we voor studenten alleen nog maar studio’s, terwijl we dat eigenlijk niet willen?»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de bouw van studentenhuisvesting in toenemende mate bestaat uit zelfstandige studio’s, terwijl de vraag van studenten juist vaak uitgaat naar onzelfstandige woonruimten met gedeelde voorzieningen?
De afgelopen jaren is inderdaad veel studentenhuisvesting gerealiseerd in de vorm van zelfstandige studio’s. Het kabinet vindt het belangrijk dat er naast zelfstandige studio’s ook onzelfstandige woonruimte wordt gebouwd. In het coalitieakkoord is opgenomen dat er gestreefd wordt naar meer gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. Dit zal worden bevorderd met objectsubsidies. Hierdoor wordt het aanbod vergroot en ontstaat er meer keuzevrijheid.
Tegelijkertijd is de vraag van studenten uiteenlopend. Verschillende factoren spelen hier een rol. Uit de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (LMS) van 2025 blijkt dat woonlasten het belangrijkste criterium zijn bij de vraag naar welke type woonruimte de voorkeur uitgaat. Als wordt gekeken naar alle studenten in het hoger onderwijs met een verhuiswens, dan blijkt dat bijna 30% een voorkeur heeft voor onzelfstandige woonruimte, terwijl meer dan 60% van hen op die manier woont. Bij jonge studenten die nog thuis wonen en een verhuiswens hebben, heeft zo’n 50% een voorkeur voor onzelfstandige woonruimte met gedeelde voorzieningen. Hun voorkeur wordt voor een groot deel bepaald door de hoogte van de woonlasten en in mindere mate door het type woonruimte. Wanneer de rol van woonlasten in de voorkeur wordt verminderd of weggenomen, dan lijkt bijna 70% van jonge studenten die nog thuis wonen en een verhuiswens hebben, een voorkeur te hebben voor een kamer met gedeelde voorzieningen.
Kunt u inzicht geven in de verhouding tussen het aantal gerealiseerde zelfstandige studentenwoningen (studio’s) en onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar?
In de LMS wordt het aantal gerealiseerde studentenwoningen bijgehouden. Zo werden in 2024 ruim 5.000 studentenwoningen opgeleverd. Driekwart hiervan betrof zelfstandige wooneenheden, een kwart onzelfstandige eenheden.
Kunt u aangeven naar welke verhouding tussen zelfstandige studio’s en onzelfstandige studentenkamers u streeft, mede in het licht van de woonwensen van studenten en de maatschappelijke effecten van verschillende woonvormen?
Samen met de andere ondertekenaars van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) streef ik naar 60.000 extra studentenwoningen in 2030. Daarbij is benadrukt dat het belangrijk is dat er naast zelfstandige eenheden ook onzelfstandige eenheden worden gerealiseerd. Er is daarbij geen afspraak gemaakt over de verhouding. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, is in het coalitieakkoord opgenomen dat er objectsubsidies komen om gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten te stimuleren.
Kunt u aangeven hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen?
Uit de LMS is niet te halen hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen. Wel is in 2025 in het verlengde van de LMS het effect van uitponding op de studentenhuisvesting onderzocht. Hieruit blijkt dat de verkoop van studentenwoningen op de particuliere markt in 2024 voor een afname van het aanbod aan studentenhuisvesting gezorgd van naar schatting circa 9.000 wooneenheden.2
Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken dat ontwikkelaars en investeerders vaker kiezen voor de bouw van studio’s in plaats van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Ontwikkelaars en investeerders geven aan dat de business case voor studio’s rendabeler is dan die van onzelfstandige studentenhuisvesting. Voorheen was dit zo omdat op basis van het puntenstelsel voor onzelfstandige eenheden structureel een lagere huurprijs gevraagd kon worden voor een studentenkamer dan voor een studio van eenzelfde kwaliteit. Sinds de invoering van de Wet betaalbare huur is dit verschil voor het grootste deel verdwenen en kan in sommige gevallen zelfs meer gevraagd worden voor een kamer dan voor een studio van vergelijkbare kwaliteit. Wel is het vaak zo dat een bewoner van een studio beschikt over eigen voorzieningen (keuken, badkamer) en meestal over meer (privé) woonruimte. Doordat er huurtoeslag voor zelfstandige woonruimte mogelijk is, wordt het verschil in netto huur die de huurder betaalt tussen een kamer of een studio, in de praktijk bovendien klein. Verhuurders geven daarmee aan vaker voor studio’s te kiezen, omdat de verhouding netto huur versus woonkwaliteit voor de huurder gunstiger is. Daarnaast zijn studio’s volgens ontwikkelaars en investeerders beter voor een alternatieve doelgroep aan te wenden dan onzelfstandige eenheden.
Welke financiële en fiscale prikkels dragen bij aan een scheve verhouding tussen het aantal gerealiseerde studio’s en onzelfstandige studentenkamers?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre spelen gemeentelijke regels rond verkamering, splitsing en grondbeleid een rol bij deze ontwikkeling?
De gemeentelijke regels rond verkamering en splitsing hebben vooral betrekking op de bestaande woningvoorraad. De bestaande voorraad is in de regel bouwkundig geschikter voor kamersgewijze verhuur dan voor studio’s. In beide gevallen zal in diverse gemeenten een vergunning moeten worden aangevraagd. Voor de zomer werk ik uit hoe en onder welke voorwaarden er vergunningsvrij gesplitst kan worden, ook voor verkamering/woningdelen verken ik dit. Ontwikkelaars en investeerders zullen, afgezien van grote transformatieprojecten, vaker nieuwe projecten realiseren via nieuwbouw. Het gemeentelijke grondbeleid kan invloed hebben op de nieuwbouw als er specifieke regels worden opgenomen die de nieuwbouw van onzelfstandige woonruimte bemoeilijkt of onmogelijk maakt, zoals bijvoorbeeld de minimum woonoppervlakte per woning.
Deelt u de opvatting dat «op kamers gaan» bijdraagt aan gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid en mentale problematiek onder studenten?
Wonen in een studentenkamer met een gemeenschappelijke ruimte vergroot de kans op sociale interactie en verkleint daarmee de kans op eenzaamheid en mentale problematiek. Daarom zet ik mij samen met de ondertekenaars van het LAS in op de realisatie van meer studentenkamers en komt het kabinet met objectsubsidies om gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten te stimuleren.
Op welke wijze wordt in het huidige beleid rekening gehouden met maatschappelijke baten, zoals het verminderen van eenzaamheid en mentale problemen bij studenten/jongeren bij de afweging tussen verschillende typen studentenhuisvesting?
Zoals bij het antwoord op vraag 9 is aangegeven, zetten de ondertekenaars van het LAS zich in op een groter percentage onzelfstandige woonruimte voor studenten. Uiteindelijk is het aan gemeenten en huisvesters om de afweging te maken welk type studentenhuisvesting wordt gebouwd.
Kunt u aangeven hoeveel vierkante meter woonruimte gemiddeld nodig is voor een zelfstandige studio ten opzichte van een onzelfstandige studentenkamer met gedeelde voorzieningen?
De minimale woonruimte bij nieuwbouw wordt bepaald door het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en gemeentelijke regelgeving. In het Bbl staat dat gebruiksoppervlakte voor een zelfstandige woning (woonfunctie) minimaal 18 m2 moet zijn, voor studentenwoningen is dit 15 m2. Voor een onzelfstandige woonruimte (een kamer in een woning) moet de minimale gebruiksoppervlakte 5 m2 zijn, bij een breedte van 1,8 meter. Doordat gemeenten ook in het kader van woon- en leefklimaat in hun omgevingsplan eisen kunnen stellen, kunnen de minimumeisen per gemeente verschillen.
Welke stappen en met welk tijdpad bent u van plan te zetten om te komen tot een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting gericht op gemeenten buiten de G4, conform de aangenomen motie?2
De motie verzoekt het kabinet een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting in te richten, gericht op gemeenten buiten de G4, met als doel de bouw van onzelfstandige woonruimte voor studenten te versnellen en dit te verankeren in de actualisering van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting. Ik ga de komende maanden het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting actualiseren, samen met de partners in het Landelijk Platform Studentenhuisvesting. Het ondersteuningsprogramma is daar onderdeel van.
Op welke wijze wordt binnen dit programma specifiek ingezet op het stimuleren van de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie die oproept tot het ontwikkelen van een methodiek en instrumentarium om maatschappelijke baten, zoals sociale cohesie en ontmoeting, structureel mee te nemen in woningbouwprojecten.3
Dit zal ik doen door met de aanpak Samen Slim op veertien locaties nieuwe methodieken en instrumentarium te ontwikkelen, en waar nodig voorstellen te doen aan de Taskforce Versnelling Woningbouw om belemmerende wetgeving aan te passen, bestaande mogelijkheden te verkennen en dit bij concrete projecten toe te passen. Vervolgens zullen tijdens de ontwikkeling hiervan de geleerde punten worden geïmplementeerd in andere grootschalige woningbouwprojecten. Verder heeft het ontwikkelen van sterke gemeenschappen mijn aandacht als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking hiervan waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld.
Hoe wordt in deze methodiek concreet geborgd dat investeringen in gemeenschappelijke ruimten zoals gedeelde woonkamers, studieruimten en groenvoorzieningen worden meegewogen in de businesscases van de bouw van studentenhuisvesting?
Als deze ruimtes leiden tot de beoogde extra maatschappelijke impact is het zaak daarvoor ook de bekostiging te organiseren, ook langjarig, en ook in de begeleiding. Dat zal bij de in het antwoord op vraag 14 aangegeven aanpak worden meegenomen.
Zou u inzicht willen geven in wat er nodig is om op een vergelijkbare manier de maatschappelijke baten van onzelfstandige woonruimten ten opzichte van studio’s mee te rekenen in businesscases?
Zonder hierin volledig te zijn, gaat het op het eerste gezicht over (vermeden) zorg- en opvangkosten, bouwkosten, rendement op de verhuur, ruimtegebruik, huurtoeslag en woningbouwsubsidies. Dat zal bij de in het antwoord op vraag 14 aangegeven aanpak worden meegenomen.
Zou u in kaart willen brengen welke maatregelen er mogelijk zijn om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting en te investeren in gemeenschappelijke ruimten, mede met het oog op de maatschappelijke voordelen voor studenten en wijken?
Om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting (kamers met gedeelde voorzieningen) kan enerzijds voor maatregelen worden gekozen die de business case voor projectontwikkelaars aantrekkelijker maakt. Anderzijds kunnen gemeenten worden gestimuleerd meer te sturen op de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting. In het coalitieakkoord wordt hier vorm aan gegeven door de instelling van een objectsubsidie voor gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. Daarnaast wil het kabinet woningdelen en het verhuren van een woning in (studenten)kamers makkelijker maken, waarbij gemeenten allen bij zwaarwegende redenen verkamering mogen beperken.
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Ja, de verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda er huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart mij zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
Uit cijfers van Kadaster blijkt dat er in de afgelopen 5 jaar ca. 114.000 woningen zijn uitgepond, oftewel door private investeerders zijn verkocht aan eigenaar-bewoners. Van deze woningen waren ca. 52.000 woningen in bezit van een particuliere investeerder en ca. 62.000 woningen in voormalig bezit van een bedrijfsmatige/institutionele investeerder. Desalniettemin is de totale huurwoningvoorraad in handen van private investeerders in de periode 2021–2025 toegenomen van ca. 679.000 naar 752.000 woningen omdat investeerders ook woningen toevoegen via nieuwbouw.
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Vesteda bezit circa 28.000 woningen, verspreid over ruim 80 Nederlandse gemeenten. De grootste concentraties bevinden zich in en rond de grote steden, met name: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere en Amstelveen. Daarnaast is Vesteda ook actief in diverse andere steden buiten de Randstad, waaronder onder meer Arnhem, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Maastricht en Deventer, zij het met kleinere portefeuilles per gemeente.
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
De exacte cijfers per categorie zijn mij niet bekend. Vesteda verhuurt voornamelijk in het middensegment. Daarnaast verhuurt Vesteda ook woningen in de vrije sector. Sociale huur maakt slechts een marginaal onderdeel uit van de portefeuille van Vesteda.
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Ja, vanuit het ministerie is verschillende malen contact geweest over de gevolgen van de redemptieverzoeken met Vesteda en met (vertegenwoordigers van) institutionele beleggers, zoals APG.
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Nee, de volkshuisvesting in Nederland is deels belegd bij corporaties en deels bij marktpartijen. Corporaties spelen een belangrijke rol in het sociale segment. Private investeerders zijn essentieel voor voldoende huurwoningen in het midden- en vrije segment. Het midden- en vrije segment zijn naast de sociale huursector belangrijk voor een goed functionerende woningmarkt. De huurmarkt is op diverse wijze gereguleerd om huurders te beschermen, bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur of de begrenzing van de jaarlijkse huurverhoging. Op deze wijze wordt zowel de kracht van publieke als private partijen benut.
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Het is niet zo dat het woonrecht van de huurders van Vesteda volledig afhankelijk is van diens interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen. Eén van de grondbeginselen van het Nederlandse huurrecht is namelijk dat de huurovereenkomst die een huurder heeft, gewoon blijft bestaan wanneer de woning door de verhuurder wordt verkocht aan een andere investeerder. Wanneer de verhuurder de woning wil verkopen aan een eigenaar-bewoner, kan dit pas als de (tijdelijke) huurovereenkomst van de huurder afloopt, of als de huurder zelf wenst te vertrekken. Vanaf 1 juli 2024 mogen – behoudens enkele uitzonderingen – alleen nog vaste huurcontracten worden afgesloten. Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is daarmee weer de norm geworden. Hiermee hebben huurders meer zekerheid gekregen over hun woonsituatie.
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Institutionele beleggers spelen traditioneel een belangrijke rol bij de financiering van vooral huurwoningen, gezien hun lange beleggingshorizon en behoefte aan stabiele, inflatiebestendige rendementen. Gezien de grote woningbouw opgave zijn investeringen van (buitenlandse) institutionele investeerders onmisbaar.
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Nee, zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 6.
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Zoals toegelicht bij vraag 7 borgt het Nederlandse huurrecht dat huurders niet hun woning kunnen worden uitgezet, indien de investeerder de woning wenst te verkopen. Naast het huurrecht heeft het kabinet beperkt instrumenten om uitponding te voorkomen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het kabinet zet wel in op een verbetering van het investeringsklimaat zodanig dat het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Er bestaat geen wet die private verhuurders verplicht om eerst aan woningcorporaties te verkopen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het is niet aan mij als Minister aan wie private investeerders hun woningen doorverkopen en door wie huurwoningen worden verhuurd. Het gaat erom dat de verhuurder voldoende zorg draagt voor de leefbaarheid van diens woningen en zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur. Zowel een corporatie als een private verhuurder kan dit invullen. Uiteindelijk zijn zowel corporaties als private verhuurders noodzakelijk voor een goed functionerende huurwoningmarkt.
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 11.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren.
Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, bijvoorbeeld binnen de fiscaliteit. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen.
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Zowel private partijen als woningcorporaties zijn nodig voor een gezonde en goed functionerende huurmarkt. Voorop staat dat verhuurders voldoende zorg dragen voor de leefbaarheid van hun woningen en zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Woningcorporaties voeren hun eigen aan- en verkoopbeleid en kunnen hier in lokaal verband afspraken over maken met gemeenten en huurdersverenigingen. Het staat woningcorporaties dus altijd vrij om woningen over te nemen van investeerders als zij hiermee een bijdrage denken te kunnen leveren aan de lokale volkshuisvesting en de aankoop ook vanuit financieel oogpunt te verantwoorden is. Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de financiële positie van woningcorporaties te verbeteren. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van deze maatregelen en hoe zij doorwerken in de investeringsruimte van de corporatiesector.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat voorzieningen zoals basisscholen niet alleen een functionele rol vervullen, maar ook van essentieel belang zijn voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en de leefbaarheid van nieuwe wijken?
Ik deel dat voorzieningen een functionele en soms ook een essentiële rol vervullen voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en leefbaarheid van nieuwe wijken.
Hoe borgt u dat bij grootschalige woningbouwontwikkelingen, zoals in de Binckhorst, vanaf het begin wordt ingezet op de opbouw van hechte gemeenschappen, waarbij onderwijsvoorzieningen, verenigingen en zorg een centrale plaats innemen?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit haar regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouwlocaties. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat d.m.v. koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. Het is overigens niet zo dat deze voorzieningen allemaal vanaf dag één in de wijk zelf aanwezig moeten zijn. In de Taskforce Versnellen Woningbouw zie ik toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouw-ontwikkelingen.
Deelt u de zorg dat het ontbreken of verdwijnen van een basisschool in een wijk in ontwikkeling het risico vergroot dat bewoners zich minder verbonden voelen met hun leefomgeving en met elkaar?
Die zorg deel ik. Scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Uw Kamer is geïnformeerd over de stelselwijziging scholenlandschap.2 Mijn ministerie zet verder in op de uitwerking van een totaalaanpak in de Taskforce Versnellen Woningbouw die toeziet op het actief benutten van eerder genoemde koppelkansen zodat we bouwen aan sterke gemeenschappen met voldoende voorzieningen.
Hoe beoordeelt u in dat licht het feit dat de enige basisschool in de Binckhorst moet sluiten, terwijl het aantal inwoners in de komende jaren juist sterk zal toenemen?
Deze basisschool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien. De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel andere grootschalige gebiedsontwikkelingen de voorzieningen op soortgelijke wijze onder druk staan, terwijl wordt voorzien dat er binnen een paar jaar juist méér behoefte is aan dergelijke voorzieningen?
Het is bekend dat voorzieningen in grootschalige gebiedsontwikkelingen soms op soortgelijke wijze onder druk staan. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Kunt u toelichten in hoeverre bij de planning van dergelijke gebiedsontwikkelingen rekening is gehouden met het belang van continuïteit van voorzieningen als dragers van gemeenschap en ontmoeting?
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit haar regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Hoe kijkt u naar het spanningsveld tussen enerzijds de huidige bekostigingssystematiek, die sterk is gebaseerd op leerlingaantallen, en anderzijds de noodzaak om in nieuwe wijken voorzieningen in stand te houden juist in de aanloopfase, ten behoeve van gemeenschapsvorming?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. De Minister van OCW verkend daarom of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel gecreëerd kan worden.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister van OCW verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Doormiddel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Ziet u mogelijkheden om in groeigebieden meer ruimte te bieden voor maatwerk, bijvoorbeeld door het tijdelijk ondersteunen van voorzieningen die nog niet aan de norm voldoen, maar wel cruciaal zijn voor de sociale infrastructuur van een wijk?
Zoals in antwoord op vraag 8 staat beschreven verkent de Minister van OCW de mogelijkheid voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister van OCW de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
In hoeverre wordt vanuit het Rijk in de huidige gebiedsontwikkelingen integraal gestuurd op het gelijktijdig realiseren van woningen én sociale infrastructuur, waaronder onderwijs, sport en ontmoeting?
Zie antwoord op vraag 3.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te waarborgen dat nieuwe woonwijken zich ontwikkelen tot leefbare gemeenschappen met voldoende voorzieningen vanaf de start?
Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit beter te borgen?
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Het bericht 'Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: ‘Het citaat klopt niet’' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: «Het citaat klopt niet»»?1
Ja.
Welke zwaarwegende redenen had u om in een toonaangevende buitenlandse krant nepnieuws te verspreiden?
In de Kamerbrief van 26 maart (2026D13974) heb ik een toelichting gegeven op mijn uitspraken in dit interview. Op 12 maart bracht ik een werkbezoek aan de provincie Utrecht in het kader van woningbouw en beperkende factoren hiervoor, zoals stikstof en netcongestie. Tijdens dit werkbezoek waren journalisten aanwezig, waaronder een verslaggever van The Guardian.
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen. Hoewel ik hiermee bedoelde te onderstrepen dat we samen veel voor elkaar kunnen krijgen, heeft dit voorbeeld voor verwarring gezorgd. Ik had dit voorbeeld niet moeten gebruiken en mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen. Daar trek ik lering uit.
Is deze werkwijze toonaangevend voor uw verdere werkwijze als dienaar van de Kroon? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister en de uitdagingen rond woningbouw en netcongestie, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. In gesprek met The Guardian had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen.
Waarom heeft u de fout pas erkend nadat de Volkskrant hier verder onderzoek naar gedaan heeft?
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen.
De tekst is niet vooraf ingezien. Na publicatie zag ik dat het voorbeeld voor verwarring zorgde. Daarover heb ik in de brief van 26 maart toelichting gegeven.
Vindt u dit passen bij het door het huidige kabinet uitgedragen mantra over de nieuwe bestuurscultuur? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Was het hiervoor benoemde voor u de aanleiding om de Kamer middels uw brief van 25 maart jl. niet tijdig en volledig te kunnen en/of willen beantwoorden?
Nee. Ik heb uw Kamer op 26 maart via eerder genoemde brief geïnformeerd over resterende vragen over mijn interview in The Guardian.
Vindt u uw handelen passen binnen het grondwettelijke recht van het parlement op informatie, zoals beschreven in artikel 68 van de Grondwet? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister in lijn met het coalitieakkoord, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. Ik had mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen om te voorkomen dat er verwarring zou kunnen ontstaan. Hierover heb ik de Kamer op 26 maart geïnformeerd.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, doch uiterlijk voor 31 maart a.s., beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Robert van Asten (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»1?
Ja.
Deelt u de opvatting dat bij grootschalige woningbouwlocaties voorzieningen zoals onderwijs en zorg vanaf de start onderdeel moeten zijn van de gebiedsontwikkeling, juist met het oog op de verwachte groei van het aantal inwoners?
Ja. Het is aan gemeenten en schoolbesturen om te zorgen dat basisvoorzieningen zoals onderwijs vanaf de start onderdeel zijn van gebiedsontwikkelingen.
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van de openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit zijn regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel grootschalige woningbouwgebieden voorzieningen zoals basisscholen onder druk staan of dreigen te verdwijnen, doordat zij in de opstartfase nog niet voldoen aan geldende normen voor leerlingaantallen?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel basisscholen zijn opgeheven omdat ze te klein waren en specifiek in grootschalige woningbouwgebieden stonden. De reden voor een schoolsluiting kan verschillen. Soms heeft dit te maken met het stoppen van bekostiging door de rijksoverheid vanwege een te laag leerlingenaantal, maar een schoolbestuur kan ook zelf besluiten een school te sluiten. Dit kan ook als de school niet onder de opheffingsnorm zit. Schoolsluitingen worden, vanaf 1997, door DUO in een openbaar toegankelijk bestand geregistreerd.2
Hoe beoordeelt u het feit dat gebiedsontwikkeling niet (altijd) een lineair bouwproces kent en dat de verwachte groei van inwoners waaronder kinderen dus ook met sprongen gaat en dat dit dus nadelig kan uitwerken voor de bezettingsgraad van een school?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit de evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. Daarom verkent de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel kan worden gecreëerd.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Door middel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Hoe beoordeelt u het spanningsveld dat ontstaat wanneer enerzijds wordt ingezet op versnelde woningbouw en gebiedsontwikkeling, terwijl anderzijds de bekostigingssystematiek voor voorzieningen zoals scholen onvoldoende ruimte biedt om de aanloopfase van zulke gebieden te overbruggen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten waarom in de Binckhorst de bestaande basisschool moet sluiten vanwege leerlingenaantallen, terwijl op basis van verwachte inwonersgroei binnen enkele jaren juist weer een nieuwe school nodig is?
Deze bassischool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien.4 De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Ziet u mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk in groeigebieden, bijvoorbeeld via tijdelijke ontheffingen, aangepaste leerlingennormen of andere vormen van overbruggingsbekostiging?
Zoals in antwoord op vraag 4 en 5 is beschreven wordt de mogelijkheid verkend voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
Welke instrumenten heeft het Rijk verder om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, te borgen dat voorzieningen zoals onderwijs en zorg gelijktijdig met woningbouw worden gerealiseerd?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit zijn regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouw. Conform coalitieakkoord werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. In de Taskforce Versnellen Woningbouw ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouwontwikkelingen.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te voorkomen dat nieuwe woonwijken in de eerste jaren onvoldoende toegang hebben tot essentiële voorzieningen?
Nee. Het ministerie financiert middels de huidige stimuleringsregelingen geen voorzieningen, m.u.v. de eerder genoemde regeling gebiedsbudget. Middels deze regeling wordt openbare ruimte (parken en pleinen) binnen nationaal grootschalige woningbouwlocaties gesubsidieerd. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit verder mijn aandacht.
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u?
Zie antwoord vraag 9.
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
De verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Het is onbekend hoeveel kapitaal er exact is uitgestroomd bij woningfondsen en welke investeerders redempties hebben aangevraagd. De nationaliteit van deze investeerders betreft geen openbare informatie. Het kabinet is niet bekend met vergelijkbare situaties als bij Vesteda. Aangezien Vesteda de grootste woningbelegger van Nederland is en investeerders hier slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie kunnen aanvragen, valt deze casus het meest op.
Naast dat (buitenlandse) investeerders via een woningfonds investeren, kunnen ze dit ook direct doen. De omvang van de woningfondsen geeft dus een beperkt beeld van het geïnvesteerde volume. Zo is de voorraad huurwoningen in bezit van internationale beleggers – zonder tussenkomst van een woningfonds – in 2025 gedaald tot ruim 72.500, terwijl dit in 2024 ruim 80.000 huurwoningen betrof.2
De afname van buitenlandse investeerders in nieuwbouw huurwoningen is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3 Het vertrek van buitenlandse investeerders uit de Nederlandse woningmarkt is een zorgelijke ontwikkeling, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector, waar veel investeringen voor nodig zijn. Nederlandse investeerders, private partijen en woningcorporaties gezamenlijk, hebben onvoldoende kapitaal om deze opgave in te vullen en dus zijn buitenlandse investeringen essentieel.
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
In zijn algemeenheid leidt uitstroom van investeringen, indien deze niet gecompenseerd wordt door investeringen die instromen, tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Het kabinet blijft de voorraad huurwoningen monitoren, en werkt ondertussen door aan afspraken uit het Coalitieakkoord op dit belangrijke dossier. Namelijk door de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. De eerste resultaten op dit vlak zijn inmiddels geboekt (zie ook het antwoord op vraag 15). Het kabinet gaat hier via de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw verder invulling aan geven. Na de zomer volgt het actieplan met daarin meer maatregelen en verdere uitwerkingen.
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Institutionele beleggers nemen doorgaans een groot deel van een nieuwbouwproject op zich. Als een institutionele belegger instapt, wordt de eis van 70 procent voorverkoop vaak sneller gehaald. Het is niet mogelijk om exact in kaart te brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70 procent voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten. Dit komt omdat er geen openbare data beschikbaar is over de mate waarin institutionele beleggers per project deelnemen en wat de exacte timing van hun betrokkenheid is.
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Zoals in vraag 3 beantwoord is het kabinet niet bekend vergelijkbare situaties zoals die van Vesteda, maar blijft het kabinet de situatie monitoren en werkt het verder aan beleid om het investeringsklimaat te verbeteren. Indien grootschalige redemptie plaatsvindt, zonder dat genoeg investeerders instromen, leidt dit tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en in veel gevallen leidt het tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit zal ertoe leiden dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt.
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
De mate waarin buitenlandse partijen – waaronder ook pensioenfondsen – bereid zijn om in de Nederlandse woningmarkt te investeren is afhankelijk van verschillende factoren. In de praktijk is het de optelsom van factoren die investeerders doet besluiten wel of niet in Nederland te investeren in Nederland. Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.4 Deze verschillende factoren en de verscheidenheid aan investeerders maken het niet mogelijk het precieze effect van de fiscale behandeling op het investeringsgedrag van pensioenfondsen aan te geven. Wel heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen. SEO geeft daarbij aan dat de maatregel met de meeste impact op het investeringsklimaat in brede zin de regulering van de middenhuursector is. SEO heeft niet specifiek de situatie van buitenlandse pensioenfondsen onderzocht. Wel doet SEO de aanbeveling om de toepassing van de pensioenfondsvrijstelling in de vennootschapsbelasting bij buitenlandse pensioenfondsen nader te onderzoeken naar aanleiding van signalen hierover uit de praktijk.
De Nederlandse vennootschapsbelasting maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. Deze vrijstelling werkt ook door naar de dividendbelasting.5 In het buitenland gevestigde pensioenfondsen kunnen zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is ingevuld wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling.6 De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie op het SEO onderzoek bekijkt de Belastingdienst momenteel zorgvuldig of en zo ja welke voorwaarden in het beleidsbesluit modernisering behoeven. Voor zover de knelpunten binnen het huidig rechtskader kunnen worden weggenomen kan dit gebeuren door middel van kennisgroepstandpunten die worden gepubliceerd op de website van de Belastingdienst en/of door aanpassing van het beleidsbesluit. Ter illustratie, onlangs is een tweetal kennisgroepstandpunten gepubliceerd om duidelijkheid te creëren over de toepasselijkheid van de pensioenfondsvrijstelling.7 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.8
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zoals in het vorige antwoord naar voren komt, is de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. In het nieuwsartikel en de bovengenoemde vragen worden enkele punten naar voren gebracht waaraan het kabinet werkt met als doel verbetering van het investeringsklimaat voor woningbouw. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Daarnaast is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling gaat de Belastingdienst kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb9 nog actueel zijn en modernisering behoeven. De voorwaarden in het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Verder is het kabinet bekend met het signaal dat de wijziging van het fbi-regime een pijnpunt kan zijn voor vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou echter betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime is ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.10 Recent is het kabinet uitgebreider ingegaan op dit onderwerp naar aanleiding van vragen van andere leden van uw Kamer.11 Wat betreft de earningsstrippingmaatregel zal het kabinet – in navolging van de aanbeveling uit het SEO-rapport – verder verkennen of, en zo ja in hoeverre, de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven beter in beeld kunnen worden gebracht aan de hand van de bij de Belastingdienst beschikbare gegevens. Voor private verhuurders die investeren in de bouw van nieuwe middenhuurwoningen zoekt het kabinet in de Taskforce Versnelling Woningbouw naar aanvullende oplossingen om het investeringsklimaat te verbeteren. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen. Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt.12
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over de recente ontwikkelingen. In deze gesprekken komen verschillende signalen naar boven die verklaren waarom de investeringen zijn afgenomen. Een aantal Nederlandse pensioenfondsen geeft aan dat zij tegen de grenzen aanloopt van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd. Door het verslechterde investeringsklimaat zijn met name buitenlandse investeerders minder bereid om in Nederlandse woningen te investeren. Nederlandse institutionele investeerders die wel nog investeringsruimte hebben, hebben ook moeite met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Het kabinet krijgt signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huurbeleid en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid en dus een minder aantrekkelijk investeringsklimaat. Ook hoort het kabinet in gesprekken met de sector dat indien de rente en/of bouwkosten stijgen, dat het dan nog lastiger wordt om investeringen in woningen rond te rekenen.
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Op 20 april jl. heeft het kabinet uw Kamer de kabinetsreactie op het onderzoek Investeringsklimaat middenhuur van SEO Economisch Onderzoek gestuurd. Vanwege de demissionaire status van het vorig kabinet tijdens publicatie van het onderzoek was dit nog niet gedaan.
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Vertraging van de kabinetsreactie heeft op zichzelf geen impact op het investeringsklimaat en de woningbouw. Wel is het natuurlijk goed dat een nieuw kabinet is aangetreden en missionair het woningtekort kan aanpakken. Dit kabinet heeft hiervoor onder andere een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet hoe zo snel als mogelijk de jaarlijkse realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar bereikt kan worden. Eén van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Het is goed nieuws dat de Europese Commissie op 16 december 2025 mogelijk heeft gemaakt om staatssteun in te kunnen zetten voor middenhuur. Op dit moment brengt het kabinet de verschillende mogelijkheden voor de implementatie in kaart, ook voor provincies en gemeenten. Er zijn verschillende opties denkbaar binnen de door de Europese Commissie gestelde kaders. Zoals Uw Kamer is toegezegd, wordt u vóór de zomer een plan van aanpak gepresenteerd. De gekozen optie zal worden uitgewerkt in een wijziging van de Woningwet.
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig worden vormgegeven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van (midden)huurwoningen weer kan toenemen. In dat kader heeft het kabinet een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld. Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan ingaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Het bezoek van de ILT-IOD aan Tata Steel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het opsporingsteam van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) deze week op het terrein van Tata Steel is geweest in het kader van een strafrechtelijk onderzoek?1
Ja.
Kunt u toelichten op welke wijze u door de ILT-IOD of andere betrokken instanties op de hoogte bent gesteld en op welk moment? Kunt u vertellen wat de aard en reikwijdte van het onderzoek nu is? Zo nee, waarom niet?
In de loop van de ochtend van 12 maart jl. is de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat geïnformeerd door de Inspecteur-Generaal van de ILT, na het moment van de instap.
De ILT heeft medegedeeld2 dat de ILT-IOD strafrechtelijk onderzoek doet naar het productieproces van staal en de werking van de kooksgasfabrieken van Tata Steel. Het onderzoek richt zich op de vraag of het bedrijf verweten kan worden dat zij opzettelijk en onrechtmatig schadelijke stoffen in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater heeft gebracht of laten brengen, met een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen. De aanleiding voor het onderzoek is de aangifte van mr. Bénédicte Ficq namens ruim 800 omwonenden van het bedrijf. Het onderzoek vindt plaats onder leiding van het Functioneel Parket (FP) en met belangrijke inbreng van de politie en DCMR Milieudienst Rijnmond.
Klopt het dat artikel 15, derde lid, punt b, van de Joint Letter of Intent (JLoI) tussen de Staat en Tata Steel Nederland bepaalt dat een onderzoek, zoals dat van de ILT-IOD, een mogelijke opzeggingsgrond voor de Staat vormt? Zo ja, wordt opzegging overwogen? Zo nee, waarom niet?
In de JLoI tussen de Staat en Tata Steel Nederland is afgesproken dat de Staat de overeenkomst in bepaalde gevallen mag opzeggen. Uitkomsten van een onderzoek zoals dat van de ILT-IOD kunnen een mogelijke grond tot opzegging van de JLoI vormen, als de uitkomsten van het onderzoek daar reden toe zouden geven. Zoals gebruikelijk bij strafrechtelijke onderzoeken is de inhoud van het onderzoeksdossier niet bekend bij het kabinet. Het kabinet wacht de uitkomst van dit onderzoek af.
Kunt u toelichten of een eventuele maatwerksubsidie voor Tata Steel de Europese staatssteuntoets doorstaat nu de ILT-IOD deze stap in het strafrechtelijk onderzoek heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of de steun verenigbaar is met de interne markt. Het kabinet kan daar niet op vooruit lopen. Een lopend onderzoek is op zichzelf geen reden dat staatssteun niet goedgekeurd kan worden.
Kunt u toelichten of Nederland van de Europese Commissie een eventuele maatwerksubsidie terug moet vorderen als het tot een veroordeling komt? Zo nee, waarom niet?
Staatssteun kan niet met de interne markt verenigbaar worden verklaard als de gesteunde activiteit, de steunmaatregel zelf of de daaraan gekoppelde voorwaarden leiden tot een schending van relevante bepalingen van het Unierecht. Als na goedkeuring blijkt dat er sprake was van schending van bepaalde toepasselijke Europese regels bij de activiteit, steunmaatregel of de voorwaarden daarvan, dan kan de Europese Commissie een onderzoek starten om te bezien of zij het noodzakelijk acht om de staatssteun terug te vorderen.
Kunt u toelichten hoe deze situatie zich verhoudt tot eerdere toezeggingen aan de Kamer over de zorgvuldige omgang met publiek geld en de naleving van milieu- en strafrechtelijke normen door Tata Steel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht zeer aan de zorgvuldige omgang met publiek geld en aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven.
Is er op dit moment een interne of interdepartementale risicoanalyse (risk assessment) opgesteld of in voorbereiding waarin dit onderzoek, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de afspraken met Tata Steel, wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet, en bent u dan bereid om een dergelijke risicoanalyse uiterlijk vóór het komende debat over JLoI met Tata Steel aan de Kamer te doen toekomen, zodat de Kamer een actueel beeld heeft van de juridische en financiële risico’s die dit onderzoek voor de Staat met zich meebrengt? Zo nee waarom niet?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 3 en 6 hecht het kabinet zeer aan de zorgvuldige omgang met publiek geld en aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Mede daarom gelden bepaalde onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier net als bij de JLoI rekening mee gehouden. De borging van de risico’s in de bindende maatwerkafspraak wordt momenteel nader uitgewerkt.
Kunt u deze vragen ruim voor het plenaire debat over de Joint Letter of Intent beantwoorden?
Ja.