De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
Ja.
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Er is geen landelijk beeld van het aantal gemeenten waarin er actieve burgerwachten of buurtpreventieteams zijn opgericht, aangezien er niet één centrale registratie van dergelijke lokale initiatieven bestaat.
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Een maatschappij waarin intimidatie wordt gebruikt als middel om je zin te krijgen is onaanvaardbaar. In algemene zin is het lastig aan te geven wanneer intimidatie overgaat in een strafbaar feit. Hierbij spelen de feiten en omstandigheden, de context en de vereisten van strafbare feiten als bedreiging, stalking, laster en doxing een rol. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen wanneer het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot vervolging voor een strafbaar feit en vervolgens aan de rechter om te bepalen of al dan niet sprake is van een strafbaar feit.
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
In het registratiesysteem van de politie wordt niet systematisch vastgelegd of er een strafbaar feit is gepleegd door burgerwachten. Omdat een brede zoekslag naar mogelijke aangiften door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners van dergelijke feiten zodoende niet kan worden uitgevoerd, kan deze vraag niet worden beantwoord.
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Om ervoor te zorgen dat personen die via de asielstroom nieuw in Nederland zijn op de hoogte zijn van de Nederlandse wetten en normen, wordt hier bij aankomst bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) basisinformatie over verstrekt. Daarnaast wordt door bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland informatie verstrekt over de asielprocedure en daarmee samenhangende rechten en plichten. Indien sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Het COA voert met asielzoekers in de eerste twee weken van het verblijf op een opvanglocatie een rechten- en plichtengesprek. In dit gesprek worden de basisvoorwaarden, leefregels en gedragsnormen voor asielzoekers besproken. Daarnaast informeert het COA de asielzoeker over de Nederlandse rechtsstaat en de Grondwet. Indien een asielzoeker aangifte wil doen van een strafbaar feit, wordt deze doorverwezen naar de politie. Als er sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Wij zijn bekend met de berichtgeving waarin melding wordt gemaakt van verschillende sociale mediaberichten, waaronder het bericht waar in deze vraag op wordt gedoeld. De beoordeling of in een individuele casus sprake is geweest van een strafbaar feit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de politie en het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter. Zonder op specifieke situaties in te kunnen gaan, geldt in zijn algemeenheid dat het van belang is dat men in geval van een verdachte situatie, of bij het vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, de politie inschakelt. Het is nooit de bedoeling dat men voor eigen rechter gaat spelen.
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Als kabinet vinden we het belangrijk dat gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren hierbij voldoende worden ondersteund. Als Minister van Asiel en Migratie ben ik daarbij altijd bereid om mee te denken met gemeenten en zal ik hierover het gesprek blijven voeren met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast heeft de VNG een ondersteuningsteam ingericht, dat gemeenten op verzoek kan ondersteunen bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie.
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Vrijwilligerswerk is belangrijk en waardevol werk. Het is belangrijk dat vrijwilligers hun werk onder goede omstandigheden kunnen uitvoeren en het kan absoluut niet de bedoeling zijn dat vrijwilligers zich daarbij geïntimideerd of onveilig voelen. Het bewaken van de openbare orde is belegd bij het lokaal gezag en in gevallen waarin er sprake is van verstoring van de openbare orde is de burgemeester belast met de handhaving hiervan. Bij recente demonstraties hebben we gezien dat er veel op gemeenten af komt bij het openen en exploiteren van een asielzoekerscentrum. Als kabinet vinden we het belangrijk om kleine gemeenten hierbij te ondersteunen. De VNG heeft hierom een ondersteuningsteam opgericht, waarin kennis en expertise wordt gebundeld en dat gemeenten op verzoek ondersteunt bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie. Veiligheid van vrijwilligers maakt hier onderdeel van uit.
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Online platforms zijn gebonden aan de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Op grond van artikel 6 van de DSA, zijn hosting diensten – waaronder online platforms – niet aansprakelijk voor de informatie die afnemers van de dienst verstrekken, op voorwaarde dat zij geen kennis hebben van illegale activiteiten of van illegale inhoud die afnemers opslaan. Zodra zij die kennis wel krijgen, bijvoorbeeld door een melding, dan moeten zij prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Op grond van de DSA moeten online platforms een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud. Het begrip illegale inhoud omvat alle informatie die indruist tegen het Unierecht of het recht van een lidstaat. Of daarvan sprake is, moet per geval beoordeeld worden. Opgemerkt zij echter dat niet alle «foutieve» berichten per definitie illegaal zijn. Een bericht waarin bijvoorbeeld ten onrechte wordt gesteld dat een bewoner van een opvanglocatie betrokken is geweest bij een incident kwalificeert vanwege die feitelijke onjuistheid niet meteen als illegale inhoud. Dat kan anders zijn wanneer het bericht bijvoorbeeld iemand opzettelijk en ten onrechte beschuldigt van een strafbaar feit, of wanneer het bericht aanzet tot haat, discriminatie of geweld.
Op grond van de DSA moeten online platforms verder een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14 van de DSA). Op hen rust bovendien de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud verspreiden, te schorsen. De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie, moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Deze verplichting geldt voor grote sociale mediadiensten zoals Facebook, Instagram en TikTok. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten.
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Laster is een vorm van illegale inhoud. Zoals hiervoor beschreven moeten online platforms prompt handelen om dergelijke inhoud te verwijderen zodra ze er kennis van krijgen. Artikel 8 van de DSA beperkt tegelijkertijd de ruimte om maatregelen op te leggen aan online platforms om onwettige inhoud of activiteiten op te sporen en daar preventief actie tegen te ondernemen door berichten te filteren. Artikel 8 van de DSA bepaalt dat aan dienstverleners geen verplichting wordt opgelegd tot monitoring van de door hen opgegeven of opgeslagen informatie of tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. Dit verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Indien sociale media en andere tussenhandeldiensten verplicht worden om illegale inhoud preventief te filteren dan is er een gerede kans dat zij uit voorzorg meer informatie gaan blokkeren of anderszins tegenhouden dan noodzakelijk.
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Op de DSA wordt in Nederland toezicht gehouden door de Autoriteit Consument & Markt als DSA-coördinator en de Autoriteit Persoonsgegevens als andere bevoegde autoriteit. Op de zeer grote online platforms en zoekmachines houdt de Europese Commissie primair toezicht. Er lopen inmiddels diverse onderzoeken tegen verschillende sociale media, en in een aantal zaken zijn al zogenaamde preliminary findings van niet-naleving gepubliceerd. Zo worden sociale media waar nodig gedwongen om verantwoordelijkheid te nemen.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Herbert , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen door het bericht van Hackedemia.nl.
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat persoonsgegevens op een veilige en rechtmatige manier worden verwerkt. Mensen die contact zoeken met 113 zitten in een bijzonder kwetsbare positie en moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Om dergelijke medische gegevens te beschermen is de NEN 7510 norm (informatiebeveiliging in de zorg) verplicht gesteld voor alle zorgaanbieders. Stichting 113 Zelfmoordpreventie werkt in overeenstemming met deze norm.
Het onderzoek uit het artikel van Hackemedia heeft uitgewezen dat Stichting 113 niet op de voorgeschreven manier gegevens verwerkte. Uit de update van hetzelfde artikel blijkt dat Stichting 113 Zelfmoordpreventie op een manier heeft gereageerd die door de onderzoekers als adequaat wordt aangeduid, en de onderzoekers bedanken Stichting 113 Zelfmoordpreventie voor de voortvarendheid in oppakken van de bevindingen van de onderzoekers.
Daarnaast heeft Stichting 113 laten weten dat de bevindingen van Hackedemia uitsluitend toezagen op de wijze waarop technische gegevens, waaronder cookiegegevens, werden verwerkt bij het bezoek aan de website van Stichting 113. Deze gegevens kunnen inderdaad worden aangemerkt als persoonsgegevens. De bevindingen hadden echter geen betrekking op de inhoudelijke behandeling van hulpvragen of op de vertrouwelijkheid van contacten tussen hulpzoekers en Stichting 113. Er zijn geen aanwijzingen dat chatgesprekken, telefonische contacten of andere vormen van hulpverlening zijn gecompromitteerd of voor onbevoegden toegankelijk zijn geweest. Dergelijke inhoudelijke hulpverleningsgegevens worden niet gedeeld met derden.
Voor zover Hackedemia de verwerking van persoonsgegevens door Stichting 113 heeft onderzocht, beperkte dat onderzoek zich tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van het gebruik van de website en niet tot de kern van de hulpverlening door Stichting 113. De bevindingen van Hackedemia zijn volgens Stichting 113 desondanks uiterst serieus genomen.
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Het gebruik van dergelijke techniek is onderworpen aan regels die hoofdzakelijk in de telecommunicatiewet zijn opgenomen. Het toezicht op de naleving van deze regels is belegd bij onafhankelijke toezichthouders. Een overzicht waar en in welke mate dit probleem verder voorkomt is niet bekend bij het kabinet. Het kabinet onderschrijft echter het belang ervan om deze problematiek onder de aandacht te brengen bij de relevante toezichthouders en zal dan ook de bevindingen van de onderzoeker bij hen onder de aandacht brengen.
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Met haar reactie op het trackingonderzoek van Hackedemia heeft Stichting 113 Zelfmoordpreventie op dat punt onmiskenbaar een stap gezet om het vertrouwen te bevorderen.
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Met de stelling is het kabinet het eens. Wat betreft de controlelijst stelt het kabinet vast dat deze is toegesneden op een concreet onderzoek. Het kabinet onderschrijft uiteraard het belang dat wettelijke kaders worden nageleefd. Op welke manier dat wordt geborgd, is in de eerste plaats aan verwerkingsverantwoordelijken zelf. De beoordeling daarvan is aan de onafhankelijke toezichthouders.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het is aan de zorgorganisaties zelf om te voldoen aan de geldende wet -en regelgeving. Toezicht op de naleving en de handhaving van deze geldende normen liggen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en Autoriteit Consument en Markt.
Om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen is de NEN 7510 norm verplicht gesteld in de wet. Daarmee zijn er – bovenop de regels die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Telecommunicatiewet stellen – al regels om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Ja.
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt, is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval, maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI Office.
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen, waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten. Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9 opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun digitale afhankelijkheden.
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen (geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid, betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van AI.
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht, kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken, dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief, dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen. Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit initiatief bij te dragen.
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni 2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen. Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI, zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend Europees AI-ecosysteem te versterken.
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland, onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet, in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt om de randvoorwaarden te versterken.
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI en cybersecurity.
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te versterken met Europese financiering.
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet af alvorens hierover beslissingen te nemen.
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Ik erken dat de combinatie van sociale media, gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve aankopen kan vergroten.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Ik deel de zorgen over manipulatieve ontwerpkeuzes bij sommige webshops. In dat kader zet het kabinet via de aangekondigde Digital Fairness Act (DFA) in op een verdere aanpak van dark patterns door het reeds bestaande verbod uit de Digital Services Act (DSA)2 over te nemen in het algemene consumentenrecht en het expliciet verbieden van specifieke dark patterns, zoals het emotioneel manipuleren van consumenten om bepaalde acties te verrichten3. Daarnaast is misleiding van consumenten reeds verboden onder het bestaande consumentenrecht. Of er sprake is van een overtreding is aan het oordeel van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Ik erken dat deze verkooptechnieken consumenten – en met name jongeren – kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten. Dat is zorgelijk. TikTok geeft aan een leeftijdsgrens van 18 jaar te hanteren voor de Tiktokshop. Op grond van het consumentenrecht zijn misleidende praktijken – zoals misleidende aftelklokken en het onterecht claimen van schaarste- reeds verboden4. Monitoring en handhaving hiervan valt in Nederland onder de verantwoordelijkheid van ACM.
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
De ACM en de Europese Commissie houden toezicht op de naleving van de DSA. In het geval van «zeer grote online platforms» zoals Tiktok is dit primair de taak van de Europese Commissie. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op naleving van de AVG.
Voor een «zeer groot online platform» als Tiktok gelden op basis van de DSA de meest strenge eisen. Zo is TikTok verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeem risico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van Tiktokshop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeem risicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd. Ook heeft TikTok desgevraagd aangegeven doorlopend contact te houden met nationale toezichthouders.
TikTok is niet gevestigd in Nederland, maar in Ierland. Hierdoor is het handhavingsperspectief van de ACM wanneer het gaat om optreden op basis van de DSA in deze casus beperkt. Dit is aan de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder. Wel werkt de ACM nauw samen met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder, bijvoorbeeld door het verzamelen en doorsturen van ontvangen meldingen over Tiktok(shop). De ACM heeft naar aanleiding van de inwerkingtreding van de DSA extra capaciteit gekregen om haar taken uit te voeren.
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
De ACM heeft richting mij aangegeven actief te zullen toezien op de naleving van de relevante wet- en regelgeving, waaronder het monitoren van consumentenklachten en andere parameters die zij relevant acht. Ook de Europese Commissie houdt actief toezicht op de naleving van de DSA. Zo heeft de Europese Commissie in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA.5 De ACM staat in dit verband ook in nauw contact met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder op de DSA. Mochten hieruit bevindingen komen die van belang zijn voor het bredere beleid, dan zal ik de Kamer hierover informeren.
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van Tiktokshop in andere landen. Waar nodig werkt de ACM echter (in het kader van de DSA en consumentenwetgeving) samen met toezichthouders uit andere lidstaten.
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Momenteel biedt bestaande regelgeving – onder meer de DSA, de AVG en de consumentenwetgeving – al een stevig kader voor social-commerce platforms. Zo is TikTok in het kader van de DSA verplicht om jaarlijks systeemrisicobeoordelingen uit te voeren en moet het bedrijf voldoen aan regels met betrekking tot transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns). Van een dark pattern onder de DSA is sprake in het geval dat online platforms hun interface zodanig ontwerpen, organiseren of beheren dat zij de afnemers van hun dienst misleiden of manipuleren of hun vermogen om vrije en geïnformeerde beslissingen te nemen, anderszins wezenlijk verstoren of ondermijnen.
Daarbovenop biedt de DFA, die momenteel in Europees verband wordt ontwikkeld, een goede mogelijkheid om de bestaande consumentenregelgeving verder aan te scherpen. Hiermee zal aanvullende bescherming worden geboden aan consumenten online, met name voor kwetsbare groepen zoals jongeren. In dat kader zet ik mij actief in voor de opname van een verbod op verslavende ontwerptechnieken, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en een verbod op dark patterns in het consumentenrecht. Met deze aanvullende regelgeving zal een nog stevigere basis worden gelegd voor de regulering van social-commerceplatforms.
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Ja, die opvatting deel ik. Het is zorgelijk dat minderjarigen hiermee in aanraking komen en zij moeten hiertegen worden beschermd. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 3, zijn online platforms, zoals Snapchat, ook verplicht om minderjarigen op hun dienst doeltreffend te beschermen.
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Snapchat is aangewezen als «zeer groot online platform» onder de digitaledienstenverordening (de Digital Services Act, hierna de DSA). Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Artikel 28 van de DSA schrijft voor dat online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen passende en evenredige maatregelen dienen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Welke maatregelen vereist zijn verschilt per dienst, afhankelijk van de specifieke risico’s die er spelen. Deze risicobeoordeling is nader toegelicht in de Richtsnoeren inzake maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen online te waarborgen, gepubliceerd door de Europese Commissie.2
Als zeer groot online platform moet Snapchat daarnaast ten minste jaarlijks de zogenaamde systeemrisico’s beoordelen die voortvloeien uit de werking van haar dienst en de daaraan verbonden systemen – met inbegrip van algoritmische systemen – en uit het gebruik van haar dienst (artikel 34 DSA) en vervolgens passende maatregelen treffen om die risico’s te beperken (artikel 35 DSA). Deze systeemrisico’s omvatten onder meer eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten met betrekking tot de bescherming van minderjarigen. De getroffen maatregelen dienen redelijk, evenredig en doeltreffend te zijn.
In maart 2026 is de Europese Commissie, als primaire toezichthouder op de zeer grote online platformen onder de DSA, een onderzoek gestart naar kinderbescherming bij Snapchat.3 De Commissie werkt voor dat onderzoek samen met de ACM als digitaledienstencoördinator van het land waar Snapchat haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen.4 Dit onderzoek richt zich onder meer op de blootstelling van minderjarigen aan schadelijke inhoud en verkoop van illegale producten op Snapchat. Dit onderzoek loopt nog.
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Voor wat betreft de DSA, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3. In aanvulling daarop, bevat artikel 16 van de DSA de verplichting voor hostingdiensten, waaronder online platforms, om te voorzien in kennisgevings- en actiemechanismen via welke personen of entiteiten illegale inhoud bij hen kunnen melden. Binnengekomen meldingen moeten op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze worden verwerkt. Ook de Politie en het OM maken gebruik van deze mechanismen om verwijderverzoeken in te dienen.
Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een verwijderbevel uitvaardigen om content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. Het OM kent verregaande zelfstandigheid en maakt per concreet geval een afweging over het instellen van strafrechtelijk onderzoek en de eventuele inzet van bevoegdheden.
Complicerende factor bij het aanpakken van deze problematiek, is dat de drugs- en wapenhandel op haar platform volgens Snapchat grotendeels plaatsvindt in privécommunicatie tussen gebruikers en niet op de publiek zichtbare onderdelen van het platform. Dit is relevant, omdat EU-(privacy)wetgeving en het communicatiegeheim zich verzetten tegen het proactief scannen van privécommunicatie van gebruikers.
Het optreden tegen schadelijke, wapen-, drugs- of vapegerelateerde inhoud in privécommunicatie wordt daardoor deels afhankelijk van meldingen. Immers, communicatie over strafbare feiten komt meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon door handhavingsinstanties in beslag kan worden genomen tijdens een onderzoek én kan worden gekraakt. Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan, indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat, communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft hierover gecommuniceerd aan uw Kamer op 29 augustus 2025.5
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in illegale middelen zoals drugs en wapens, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken.
Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Wel ziet de Minister van Justitie en Veiligheid ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten (zie ook het antwoord op vraag 4), de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders.
Daarom zijn wetgeving en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden alleen niet voldoende effectief. Om de aanpak te versterken, zet het kabinet dus in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De berichtgeving over de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten via Snapchat vind ik zeer zorgelijk. Ik beschik echter over onvoldoende informatie om te beoordelen of Snapchat voldoet aan haar verplichting om minderjarigen doeltreffend te beschermen. Het vergaren van die informatie en het oordelen daarover is aan de Europese Commissie en de ACM, als toezichthouders op de DSA. Het onderzoek naar Snapchat loopt nog. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen.
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) maakt deel uit van het onderzoeksteam dat door de Europese Commissie wordt geleid.6 De ACM is de digitaledienstencoördinator en voornaamste toezichthouder op de DSA in Nederland. De betrokkenheid van de ACM vloeit voort uit het feit dat Snapchat in Nederland haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen voor de DSA.
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Op grond van artikel 15 van de DSA zijn tussenhandeldiensten verplicht om ten minste jaarlijks transparantierapportages te publiceren over inhoudsmoderatie die zij toepassen, waaronder informatie over verwijderde inhoud en accounts.7 Ook moeten zij desgevraagd informatie verstrekken aan de bevoegde toezichthouders. Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van de DSA handelen de toezichthouders volledig onafhankelijk. Ik heb dus geen zicht op eventuele eisen die zij stellen aan de controleerbaarheid van de door Snapchat verstrekte cijfers. Het spreekt echter voor zich dat de door Snapchat verstrekte informatie wel juist en controleerbaar moet zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Het is aan de Europese Commissie en de ACM, als bevoegde toezichthouders op grond van de DSA, om te beoordelen of Snapchat haar verplichtingen naleeft en zo nodig handhavend op te treden. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8, zijn de toezichthouders hierin volledig onafhankelijk. Op grond van de DSA blijven zij vrij van enige directe dan wel indirecte invloed en vragen of aanvaarden zij geen instructies van enige overheidsinstantie of particulier. Wel heb ik recent gesproken met Snapchat, waarbij ook deze casus ter sprake is gekomen. In dat gesprek heb ik het belang van de bescherming van minderjarigen benadrukt.
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Online platforms zijn verplicht om meldingen van illegale inhoud of accounts op tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken op grond van de in de beantwoording van vraag 4 genoemde kennisgevings- en actiemechanismen. Dit kan betekenen dat zij gerapporteerde accounts schorsen of beëindigen. Een dergelijke schorsing is op grond van artikel 23 van de DSA ook verplicht in het geval van gebruikers die frequent illegale inhoud verstrekken. Meldingen van zogenaamde betrouwbare flaggers moeten met prioriteit worden afgehandeld.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
De Minister van Justitie en Veiligheid houdt de Kamer periodiek op de hoogte over de aanpak van illegale content zoals drugshandel. Verdere operationele informatie over de specifieke aanpak kan niet gedeeld worden.
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Ja.
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Ja, ik deel die mening.
Er is geen keuze gemaakt tot de verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van de NL Wallet en dit is ook niet ons streven.
De publieke wallet wordt stapsgewijs ontwikkeld en dat gebeurt transparant. Dagelijks worden nieuwe wijzigingen aan de broncode aangebracht en gepubliceerd zodat iedereen die dat wil de ontwikkeling kan volgen. In de huidige versie zijn beveiligingsmaatregelen opgenomen om gebruikers te beschermen tegen malafide apps, waarmee hun persoonsgegevens worden beschermd en identiteitsfraude wordt bestreden. Voor de grootste gebruikersgroepen (mensen met een Google-account of Apple-ID) zijn deze maatregelen nu gerealiseerd. Voor andere gebruikersgroepen zijn andere maatregelen nodig. Die maatregelen zullen worden onderzocht en, indien dat veilig kan, worden geïmplementeerd voordat de publieke wallet beschikbaar komt voor gebruikers.
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel die mening.
De beveiligingsmaatregelen die gebruikers zonder Google-account of Apple-ID in staat stellen om ook gebruik te maken van de publieke wallet worden nog verkend. Hiervoor wordt ook van gedachten gewisseld met experts van andere lidstaten. Als deze opties veilig zijn, zullen die worden geïmplementeerd voordat de wallet live gaat.
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Mensen die geen gebruik willen maken van de NL wallet, hoeven dat ook niet. De vrijwilligheid is wettelijk geborgd in de verordening. Met het oog op de toegankelijkheid van de NL Wallet betrekken wij gebruikers bij de ontwikkeling, bijvoorbeeld mensen met een beperking. Verder zullen we verkennen hoe we de toegankelijkheid van de NL wallet kunnen vergroten, ook voor mensen die geen smartphone willen of kunnen gebruiken.
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
De werking van inlogmiddelen als DigiD verschilt van die van EDI wallets als de NL Wallet, wat andere beveiligingsrisico’s met zich meebrengt en zodoende om andere maatregelen vraagt. Zoals aangegeven bij antwoord 2 is de NL Wallet nog in ontwikkeling en streven we ernaar om deze ook beschikbaar te maken voor mensen zonder Apple-ID of Google-account. Met DigiD kun je bij bepaalde overheidsdiensten inloggen zonder smartphone, met de SMS-check. Bij diensten die een hoger betrouwbaarheidsniveau vereisen heb je een smartphone met DigiD app nodig. BZK onderzoekt de mogelijkheid om een DigiD ook op hogere betrouwbaarheidsniveaus zonder smartphone beschikbaar te stellen. EDI-wallets, zoals de NL Wallet, moeten worden uitgegeven op het hoogste betrouwbaarheidsniveau. We bekijken of we de ontwikkelingen bij DigiD kunnen benutten voor EDI-wallets, inclusief de NL Wallet.
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Zoals gezegd moeten deze maatregelen nog worden onderzocht. Daaruit zal ook blijken hoe complex dit is.
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
DigiD blijft bestaan zoals reeds eerder aan de Kamer is toegezegd2. Het gebruik van de NL-wallet is vrijwillig, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Ja, de acceptatieverplichtingen voor DigiD blijven bestaan naast de acceptatieverplichtingen voor EDI-wallets.
Zoals gezegd is er nog geen keuze gemaakt om een Google-account of Apple-ID te verplichten voor de NL Wallet en is dit ook niet ons streven.
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
De NL Wallet kan niet voorkomen dat gebruikers worden geblokkeerd door de aanbieder van hun smartphone, besturingssysteem of andere de software die daarop draait. Om die reden hecht ik er waarde aan om te zorgen dat de NL Wallet niet van een kleine groep aanbieders afhankelijk is en onderzoek ik mogelijkheden om ook een veilige oplossing te bieden aan burgers zonder Google-account of Apple-ID.
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Zoals gezegd is er geen keuze gemaakt om het Apple-ID of Google-account voorwaardelijk te maken en is dit ook niet ons streven.
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Bij de ontwikkeling van apps worden meerdere factoren meegewogen. De borging van publieke waarden waaronder veiligheid, privacy, inclusie en soevereiniteit staat centraal. Gemak van de ontwikkeling speelt hierin geen rol.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja, de vragen worden afzonderlijk van elkaar beantwoord. Ik heb uw Kamer met een uitstelbrief laten weten dat beantwoording langer ging duren.
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Ja.
Hoe reageert u op dit bericht?
Wij vinden het zeer zorgwekkend dat dergelijke beelden van met name jonge vrouwen worden gemaakt en verspreid. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van meerderjarige personen zonder hun toestemming is strafbaar. Het mag duidelijk zijn dat dit soort strafbare feiten onacceptabel is en niet mag plaatsvinden. De impact en de gevolgen van dergelijke deepnudes kunnen voor slachtoffers en hun omgeving enorm zijn, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast betreft het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes (zoals bijvoorbeeld afbeeldingen die zijn bewerkt met een zogenaamde downsyndroomfilter) waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Het betreft non-consensueel gemanipuleerde of gegenereerde seksuele beelden van echte jonge vrouwen die via zowel open platforms als gesloten kanalen worden verspreid. Via een brede uitvraag bij de politie, Centrum Seksueel Geweld (CSG), Offlimits, de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), Slachtofferhulp Nederland, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NRM) en het Openbaar Ministerie (OM) is naar voren gekomen dat representatieve cijfers ontbreken in het geval van beelden waarbij sprake is van een combinatie van AI-gegenereerde naaktbeelden en digitale verminking, dan wel met de toevoeging van een beperking en/of het toepassen van een downsyndroomfilter.
Omdat in de registratiesystemen van de politie geen onderscheid wordt gemaakt tussen misbruik van seksueel beeldmateriaal en misbruik van beeldmateriaal dat met AI is gegenereerd, beschikt de politie niet over cijfers van het aantal seksuele deepfakes. De afgelopen maanden signaleert de politie wel een toename van platformmeldingen via NCMEC (het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children) van online materiaal van seksueel kindermisbruik dat met AI is aangemaakt of bewerkt. Hierbij benadrukt de politie dat deze meldingen laten zien dat illegale content wordt gegenereerd, maar niet op basis van welke prompts dit is gebeurd. Dit maakt het voor de politie complex, in sommige gevallen zelfs onmogelijk, om vast te stellen wat een gebruiker precies heeft gedaan, of de prompt op basis van materiaal van echte personen is geweest en of de gebruiker bijvoorbeeld de intentie had om strafbaar materiaal te vervaardigen. Hierdoor is het lastig om de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid aan te tonen. Daarnaast ontbreekt in zijn algemeenheid vaak veel noodzakelijke informatie bij de meldingen. De politie analyseert doorlopend de binnengekomen NCMEC-meldingen.
Het CSG geeft aan dat meldingen over dit soort beelden niet expliciet worden geregistreerd omdat mensen hen bellen in nood en hun beleid is om niet actief uit te vragen wat daarvan de achtergrond is, want dat is niet nodig voor het bieden van eerste psychische hulp. Het CSG krijgt in algemene zin een heel breed scala aan seksuele geweldsvormen binnen.
Offlimits ziet bij hun hulplijn dat AI gerelateerd online misbruik mensen van alle leeftijden en genders kan treffen. AI-gegenereerde naaktafbeeldingen worden niet alleen gebruikt voor seksuele doeleinden, maar worden ook ingezet om mensen te vernederen of in diskrediet te brengen. Offlimits ziet bij hun hulplijn dat naast seksuele deepfakes, AI ook wordt gebruikt om mensen te vervormen of esthetisch onaantrekkelijk te maken. Dit kan voor slachtoffers ingrijpende gevolgen hebben. Offlimits zag in 2025 een toename in het aantal meldingen van afbeeldingen gemaakt met AI. Zij hebben in dat jaar 291 keer gesprekken gevoerd over AI gegenereerd beeldmateriaal.2 Het gaat dan met name om cyberpesten en sextortion. Het werkelijke aantal zal hoger liggen omdat niet in alle gevallen duidelijk is dat het om dit soort afbeeldingen gaat. Offlimits geeft aan dat sprake is van een omvangrijk en groeiend probleem.
De ATKM heeft ten aanzien van het soort afbeeldingen waaraan wordt gerefereerd in het artikel van De Telegraaf geen concrete meldingen ontvangen. Slachtofferhulp Nederland kan geen uitspraak doen over de omvang van dit soort beelden omdat zij in hun registratiesysteem bij seksuele misdrijven geen onderscheid maken tussen AI gegenereerd en niet-AI-gegenereerd materiaal. Het OM en de NRM kunnen geen uitspraken doen omtrent de aard en omvang van dit soort AI-gegenereerde beelden.
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties zoals Offlimits, Slachtofferhulp Nederland en het CSG. De routes daartoe verschillen, maar deze organisaties werken veel samen om zo de behoefte van slachtoffers het beste te dienen. Slachtoffers hebben grofweg drie hoofdbehoeftes. Bij het uitkomen van (of dreigen met) beelden hebben slachtoffers een hoge urgentie voor het verwijderen van het online materiaal.3 Als het materiaal wordt ingezet voor chantage, afpersing of dwang, is er behoefte aan veiligheid en juridische ondersteuning. Na de eerste angst en stress hebben slachtoffers behoefte aan psychische ondersteuning. Slachtoffers van dit soort feiten hebben vaak ook behoefte aan herstel van het veiligheidsgevoel in de digitale omgeving en van het geschaad zelfbeeld. Bovendien gaat online seksueel geweld vaak gepaard met fysiek seksueel geweld, wat medische en forensische inzet vraagt.
Slachtofferhulp Nederland, het CSG en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken zij gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door. In het geval van aangifte worden gegevens na toestemming van de aangever automatisch gedeeld met Slachtofferhulp Nederland, waarna medewerkers van Slachtofferhulp Nederland contact opnemen met het slachtoffer. Deze medewerkers kunnen professionele juridische begeleiding bieden, helpen bij het aanvragen van schadevergoeding maar ook laagdrempelige emotionele en praktische steun en lotgenotencontact organiseren. Het CSG krijgt veel verwijzingen van professionals uit zowel politie-, (huisartsen)zorg- en GGZ-ketens. Het CSG biedt bewezen effectieve psychologische hulp en kunnen GGZ-wachtlijsten overbruggen en medische en forensische zorg coördineren. Offlimits helpt als trusted flagger bij het verwijderen van beeldmateriaal en werkt veel samen met bijvoorbeeld scholen om kinderen en jongeren te bereiken.
Offlimits, het CSG, Fier en Fonds Slachtofferhulp vormen tot slot een consortium tegen online seksueel geweld. Fonds Slachtofferhulp faciliteert een chat waarin Offlimits, Fier en het CSG samenwerken waardoor laagdrempeliger en zo beter onderling wordt doorverwezen afhankelijk van wat nodig is.
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Slachtoffers kunnen daarnaast terecht bij verschillende organisaties, zie hiervoor de beantwoording van vraag 4.
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Met het Europees verbod als opgenomen in de AI-verordening wordt het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt verboden. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.5 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de nieuwe AI-verordening.
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
De genoemde partijen zijn onder de DSA aangewezen als zogeheten «zeer groot online platform» wat betekent dat zij moeten voldoen aan bijzondere verplichtingen onder de digitale dienstenverordening (Digital Services Act, DSA). In die hoedanigheid zijn Meta en X verplicht om systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit het verspreiden van seksuele deepfakes (deepnudes), te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het voor gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden. Die meldingen moeten zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze beoordelen. Daarnaast kan de hulp van Offlimits, als trusted flagger onder de DSA, worden ingeschakeld bij het indienen van een verwijderverzoek. Het primaat van het DSA-toezicht op Meta en X als zeer grote online platformen ligt bij de Europese Commissie (EC). Als de EC concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de EC bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X.6 Wij blijven als vanzelfsprekend onze steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de EC.
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Voor zover bekend circuleren op zowel het open internet als het dark web verzamelingen en op verzoek vervaardigde AI-beelden die zich richten op specifieke doelgroepen, waaronder beelden van jonge vrouwen met amputaties, letsel of een zichtbare beperking. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen voor een gecoördineerd netwerk of een achterliggende organisatievorm die deze content stelselmatig produceert of verspreidt.
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Platforms beschikken doorgaans over gegevens en technische mogelijkheden die hen in staat stellen onderzoek te doen naar de wijze waarop content op hun diensten wordt geüpload en verspreid. Daardoor kunnen zij in bepaalde gevallen achterhalen welke accounts betrokken zijn bij het uploaden of verspreiden van dergelijke beelden. Platforms kunnen vervolgens maatregelen treffen, zoals het verwijderen van content, het beperken van de verspreiding daarvan of het uitschakelen van accounts. De Europese Commissie kan bovendien, als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms, op eigen initiatief een onderzoek starten naar vermeende inbreuken op de DSA.
Tegelijkertijd geldt dat intern onderzoek door de platforms niet altijd leidt tot identificatie van de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken of verspreiden van de beelden. Er kan daarom niet in algemene zin worden gesteld dat uitsluitend intern onderzoek door platforms voldoende is om in beeld te brengen wie dergelijke beelden maken of verspreiden. Wij beschikken niet over nadere informatie over de omvang of de aard van de onderzoeken die Meta en X zelf uitvoeren naar de makers en verspreiders van dergelijke AI-beelden.
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, vindt het kabinet het belangrijk dat er ook onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar contentmoderatie en de naleving van platformbeleid.7 Artikel 40 van de DSA voorziet in mogelijkheden voor zogenoemde erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms en zoekmachines. Dit maakt onderzoek mogelijk dat kan bijdragen aan het opsporen, vaststellen en begrijpen van systeemrisico’s en het beoordelen van de adequaatheid van risicobeperkende maatregelen. Om de status van «erkende onderzoeker» te krijgen moet een onderzoeker eerst een aanvraag indienen bij de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging, in Nederland is dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
Daarbij moeten onderzoekers aan een aantal criteria voldoen. Daarnaast verplicht artikel 40, twaalfde lid van de DSA zeer grote online platforms om onderzoekers onverwijld toegang te geven tot openbaar toegankelijke gegevens. Daar wordt op toegezien door de EC. In december 2025 heeft de EC bijvoorbeeld een boete opgelegd aan X, onder meer omdat X niet voldoet aan de verplichting om onderzoekers toegang te bieden tot de openbare gegevens van het platform.8
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Er zijn diverse instanties die werken aan de aanpak van seksuele deepfakes, waaronder de politie, het OM, de ATKM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de EC, en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
De EC houdt op grond van de DSA toezicht op zeer grote online platformen zoals Meta en X. Zij kan als bevoegd toezichthouder onderzoeken instellen en, indien nodig, handhavend optreden. Daarbij kan zij boetes opleggen van maximaal 6% van de omzet van een platform. De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA echter geen bevoegdheid om verwijderbevelen voor specifieke inhoud op te leggen. Wel kan de ACM op grond van de DSA handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende maatregelen treffen tegen illegale inhoud of wanneer hun procedures voor het afhandelen van meldingen niet op orde zijn. Daarvan kan sprake zijn wanneer een platform niet, onvoldoende gemotiveerd of niet tijdig reageert op meldingen van illegale inhoud door gebruikers of trusted flaggers, zoals Offlimits. De ACM roept daarnaast gebruikers op om zelf melding te doen bij het betreffende platform of de hostingdienst, bij de politie of een trusted flagger, zoals Offlimits. Deze meldingen zijn van belang om aan te tonen dat beelden zonder toestemming zijn vervaardigd of verspreid. Ook kunnen dergelijke meldingen aantonen dat een platform tekortschiet in de aanpak van illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Het zonder toestemming van de afgebeelde vervaardigen of verspreiden van AI gegenereerde nepnaaktbeelden is strafbaar. De strafbaarstelling in artikel 254ba Wetboek van Strafrecht (Sr) omvat onder meer het zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het kinderpornografisch materiaal en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes die vallen onder de strafbaarstelling van de artikelen 252, 254ba en artikel 285d Sr is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het OM ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de meldmogelijkheden onder de DSA. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a Sr).
Ten aanzien van kinderpornografisch materiaal is in Nederland de ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor AI gegenereerd materiaal. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Tenslotte biedt de AVG mogelijkheden om illegale deepfakes tegen te gaan. Dit geldt bijvoorbeeld als een deepfake inbreuk maakt op de privacy van een er in afgebeelde persoon. Zo verbiedt de AVG het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag. In de praktijk is daardoor een deepfake die zonder toestemming is gemaakt, zeker als daarin gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) content is te zien, strijdig met de AVG. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder op de AVG, de AP, om te beoordelen of zij in individuele gevallen een (rechtmatigheids)onderzoek doet en handhavend optreedt. Dan staan de toezichthouder maatregelen en sancties ter beschikking zoals een boete, een last onder dwangsom, een verwerkingsverbod of een berisping. Een complicerende factor kan daarbij zijn dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker niet altijd te achterhalen is (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform). Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit in de EU de verwerkingsverantwoordelijke aanbieders van onlinediensten in bepaalde gevallen bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal.
Toezichthouders, politie en OM werken samen aan het identificeren van mogelijkheden om niet alleen de individuele gevallen waarin nudify apps zijn gebruikt voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal of nepnaaktbeelden zonder toestemming, maar juist ook de nudify apps zelf aan te pakken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor het commissiedebat over digitale inclusie op 24 juni.
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Op dit moment is er geen indicatie dat het besluit inzake Solvinity leidt tot een gevaar voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van DigiD en andere Logius voorzieningen. Logius heeft strenge contractuele afspraken met Solvinity dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen.
Een besluit in het kader van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet ziet op de risico’s van een voorgenomen investering of overname voor het publiek belang. Een dergelijk besluit vormt geen oordeel over de operationele continuïteit, stabiliteit of financiële positie van een onderneming, dus ook in dit geval niet over Solvinity. Het kabinet blijft in contact met Solvinity over de verdere ontwikkelingen. Over de bedrijfseconomische situatie van individuele ondernemingen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Logius actualiseert het risicoprofiel naar aanleiding van het verbod van de overname. Indien nodig zal het kabinet stappen nemen om de continuïteit van DigiD, en alle overige overheidsdienstverlening in afstemming met andere overheden te kunnen blijven garanderen.
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
De huidige overeenkomst met Solvinity is op 6 mei 2026 verlengd en loopt uiterlijk af in augustus 2028. Op dit moment worden voor de aanbesteding vanaf 2028 voorbereidingen getroffen via de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV). De reden hiervoor is dat de ADV meer mogelijkheden biedt dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Na het selecteren van een contractant geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden. Voor augustus 2026 had Logius niet de mogelijkheid om zowel het aanbestedingstraject als de overdrachtsperiode te voltooien.
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
De eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen zijn inmiddels beantwoord.
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Het BTI heeft de voorgenomen overname van Solvinity door Kyndryl getoetst op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Tw) en het Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
De Tw biedt de bevoegdheid tot het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verbieden indien het verkrijgen of houden van deze zeggenschap leidt tot een risico op een bedreiging van het publiek belang. Daarbij worden de omstandigheden van het specifieke geval beoordeeld aan de hand van de criteria die in de WOZT (artikel 14a.4) zijn vastgelegd. Hierbij wordt gekeken naar de combinatie van de kenmerken van de voorgenomen koper, de vormgeving van de transactie en de kenmerken van de activiteiten van de doelonderneming, in dit geval Solvinity.
Over de inhoud van de beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende analyses in individuele gevallen worden geen nadere mededelingen gedaan.
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5. Het kabinet doet geen uitspraken over de specifieke risico’s, analyses of afwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van individuele zaken op grond van de Telecommunicatiewet.
Digitale autonomie is geen afzonderlijk wettelijk criterium binnen de WOZT. Voor zover aspecten die onder de noemer digitale autonomie worden geschaard relevant zijn voor de beoordeling van risico’s voor het publiek belang, kunnen deze worden betrokken in de integrale afweging. Over de toepassing daarvan in individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Nee. Het kabinet maakt de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan beoordelingen op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie, toezichtvertrouwelijke informatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in vertrouwelijke technische briefing te worden geïnformeerd over de BTI-procedure.
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Besluit investeringstoetsing Solvinity» van 26 mei is de voorgenomen overname beoordeeld op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie, WOZT).
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
In 2020 is door Logius een Europese aanbesteding uitgezet in de markt voor het leveren van IT-diensten. Deze aanbesteding is uitgezet onder strenge voorwaarden zodat de continuïteit en veiligheid van voorzieningen gewaarborgd blijft. Solvinity is destijds geselecteerd als contractant en met Solvinity zijn contractuele afspraken gemaakt. De diensten die Solvinity levert aan Logius zijn niet uniek en kunnen bij meerdere leveranciers worden afgenomen. Het voorbereiden van een aanbesteding en de overdracht kost echter tijd. Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven bereidt Logius nu de aanbesteding voor 2028 voor. Dit betekent niet dat we inleveren op kwaliteit van de dienstverlening en veiligheid van burgers.
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Nederland heeft een open economie en een aantrekkelijk investerings- en vestigingsklimaat voor nationale en internationale ondernemingen. Het kabinet hecht grote waarde aan buitenlandse investeringen, die bijdragen aan innovatie, werkgelegenheid en economische groei.
Tegelijkertijd is het van belang dat de nationale veiligheid en andere zwaarwegende publieke belangen adequaat worden beschermd. Instrumenten zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie zijn bedoeld voor situaties waarin dergelijke belangen in het geding kunnen zijn. Deze instrumenten worden indien nodig toegepast en de beoordeling vindt zorgvuldig plaats op basis van de wettelijke criteria en de specifieke omstandigheden van het geval.
Uit een evaluatie van de investeringstoetsen (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie en Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) van najaar 2025 komt naar voren dat de impact op het investeringsklimaat door deze toetsen te overzien lijkt, mede door de gerichte aanpak. Het kabinet is van oordeel dat een helder, voorspelbaar en wettelijk verankerd toetsingskader bijdraagt aan een stabiel investeringsklimaat. Het is niet mogelijk om vast te stellen welke concrete gevolgen een individueel besluit heeft voor toekomstige investerings- of vestigingsbeslissingen van ondernemingen.
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Met het besluit op grond van de WOZT vindt er thans geen wijziging van de zeggenschap van Solvinity plaats. Het is aan de betrokken marktpartijen te beoordelen welke vervolgstappen zij willen zetten. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren zodat de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening van Solvinity geborgd blijft.
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Deze situaties zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Een contractuele samenwerking verschilt wezenlijk van een wijziging van zeggenschap over een onderneming. Iedere casus onder investeringstoetsing wordt beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden en het toepasselijke wettelijke kader. Over de onderliggende risicoanalyses in individuele dossiers doet het kabinet geen uitspraken. Voor de precieze inrichting en afweging ten aanzien van het GRIT project bij Defensie, verwijs ik u door naar de Minister en/of Staatssecretaris van Defensie.
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat betreft toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur bouwt het kabinet voort op het ABDTOPConsult rapport «Van kwetsbaar naar weerbaar. Geleerde lessen uit dreigende acute en langdurige uitval van uitbestede ICT-dienstverlening bij overheidsorganisaties» dat vorig jaar met de Kamer is gedeeld [29 362 nr.388]. Dit rapport verwoordt lessen en geeft concrete en bruikbare aanbevelingen om risico’s stapsgewijs te mitigeren, de eerste stappen daartoe zijn inmiddels gezet.
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Gebruikers kunnen hun DigiD blijven gebruiken zoals altijd. Zoals in de beantwoording van vraag 1 beschreven zijn er strenge contractuele afspraken met Solvinity waarin staat vastgelegd dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen. Logius communiceert actief op de DigiD website wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn rondom Solvinity.
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Op 9 juni 2026 is er een brief gestuurd over de inrichting van een nieuwe civiel militaire waarschuwingsketen.2 In deze brief heb ik uw Kamer, mede namens de Minister van Defensie, geïnformeerd dat wij een nieuwe civiel-militaire waarschuwingsketen gaan realiseren. Onderdeel hiervan is een nieuw innovatief sirenenetwerk, in aanvulling op NL-Alert. Een nadere toelichting staat in deze brief.
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Zie antwoord vraag 1.
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
NL-Alert is afhankelijk van de openbare mobiele netwerken. Uit onderzoek is gebleken dat NL-Alert volstaat als alerteringsmiddel in vredestijd. NL-Alert is robuust en er wordt gewerkt om aan het hoogste niveau van informatiebeveiliging te voldoen, maar geen systeem is onfeilbaar. Bij een scenario van ernstige hybride en militaire dreigingen, waarbij een statelijke actor zeer zware en geavanceerde middelen kan inzetten om infrastructuur (waaronder de mobiele netwerken) te ontwrichten, is het kwetsbaar om enkel over NL-Alert te beschikken. Vanwege het ontbreken van een civiel-militaire waarschuwingsketen (van detectie tot en met alertering van de bevolking) bij luchtdreigingen, is in 2025 een verkenning gestart naar wat er nodig is voor de inrichting van een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen. Hierbij is in beeld gebracht welke aanvullende mogelijkheden en middelen, naast NL-Alert, geschikt zijn om burgers te kunnen alerteren in dit specifieke scenario. Hieruit is een advies naar voren gekomen om deze civiel-militaire waarschuwingsketen robuust en redundant in te richten. Voor het inrichten van een robuust en redundante waarschuwingsketen is het nodig een tweede alerteringsmiddel naast NL-Alert te hebben. Dit tweede middel dient complementair te zijn aan NL-Alert, en op een andere infrastructuur te draaien. Een nieuw innovatief sirenenetwerk geeft het beste antwoord op de vraag.
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Het primaire alerteringsmiddel bij rampen en crises in Nederland is al enige jaren NL-Alert. NL-Alert kent via de verschillende distributiekanalen al jaren een stabiel bereik van circa 92% van de bevolking. Naast alarmering biedt NL-Alert ook informatie over een crisis, handelingsperspectief en doorverwijzingen naar aanvullende informatiebronnen. Naast verspreiding van NL-Alerts via de mobiele telefoons worden NL-Alerts ook via andere kanalen verspreid om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Zo is NL-Alert te zien op digitale reclameschermen en digitale reisinformatieschermen van trein, bus, tram en metro en via schermen in publieke ruimten zoals huisartsenpraktijken en ziekenhuizen.
Er wordt continu gewerkt om het bereik van NL-Alert verder te vergroten. Onder andere via publiekscampagnes van NL-Alert, maar ook via eventuele technische en functionele aanpassingen van NL-Alert en de distributiekanalen zoals de NL-Alert app. Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert. De NL-Alert app is mede ontwikkeld voor mensen die aan de grens wonen en soms verbonden zijn met buitenlandse zendmasten en hierdoor niet altijd NL-Alerts ontvangen en voor mensen voor wie een NL-Alert niet altijd duidelijk is. Voor mensen met een auditieve of visuele beperking kent de NL-Alert app toegankelijkheidsfuncties om het bericht te ontvangen en beter te kunnen begrijpen. De NL-Alert app wordt verder ontwikkeld en verbeterd waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking. Zo wordt momenteel samen met de belangengroepen gewerkt aan het verbeteren van toegankelijkheid van NL-Alert voor de dovengemeenschap door NL-Alert in de Nederlandse Gebarentaal toe te voegen aan de app.
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
NL-Alert maakt gebruik van cell broadcast techniek waardoor tekstberichten direct naar mobiele telefoons worden doorgestuurd, ook bij overbelasting van het openbare telecommunicatienetwerk. Mensen hoeven zelf niets te doen om een bericht te kunnen ontvangen. Een NL-Alert bericht wordt in zo makkelijk mogelijke taal geschreven (B1-niveau). Daarnaast zijn er andere distributiekanalen waarlangs een bericht ontvangen kan worden (zie de beantwoording bij vraag 7). Ook is de publiekscampagne van NL-Alert erop gericht dat bij ontvangst van een NL-Alert, men ook anderen hierover informeert.
Daarnaast wordt NL-Alert continu doorontwikkeld en verbeterd. Zo wordt er gewerkt aan de informatiebeveiliging, maar ook aan de toegankelijkheid, waarbij specifiek rekening wordt gehouden met mensen met een auditieve of visuele beperking.
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Ja, ik ben op hoofdlijnen bekend met dit project.
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Op dit moment wordt daar in relatie tot het WAS niet naar gekeken omdat er vanuit mijn ministerie al een verkenning is gedaan wat er nodig is om een robuuste en redundante civiel-militaire waarschuwingsketen in te richten. Hieruit is het
advies voortgekomen om een nieuw sirenenetwerk in te richten naast NL-Alert.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om deze beantwoording voor het commissiedebat nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing te beantwoorden.
De veiligheid van WhatsApp en andere versleutelde communicatiediensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit de twee Bloomberg-onderzoeken van 29 januari 20261 en 28 april 20262?
Ja.
Beschouwt u het als zorgwekkend dat de onderzoeker stelt dat Meta alle tekstberichten, foto's, audio- en video-opnames in onversleutelde vorm kan opslaan en bekijken en dat Meta sinds ten minste 2019 een «gelaagd machtigingssysteem» hanteert dat toegang verleent aan opdrachtnemers en een significant aantal buitenlandse medewerkers in India?
Ja, doorbreking van verwachte beveiliging is in algemene zin zorgwekkend. Het is wel goed om te vermelden dat berichten in WhatsApp tussen verzender en ontvanger in principe versleuteld zijn. Alleen berichten die worden verzonden naar de Meta AI middels het commando «@Meta AI» gevolgd door een vraag, zijn in te zien door Meta. De rest van de berichtenconversatie blijft volgens Meta versleuteld. WhatsApp heeft wel toegang tot zogenoemde verkeersgegevens (metagegevens).
Andere, niet zakelijk gebruikte diensten van Meta, waaronder Messenger binnen Facebook en Direct Messenger op Instagram, hebben een ander beschermingsniveau.
Beschouwt u de verklaringen van voormalige opdrachtnemers van Accenture dat zij en Meta-medewerkers «onbeperkte toegang» hadden tot versleutelde WhatsApp-berichten als zorgwekkend?
Zie antwoord op vraag 2.
Indien het antwoord op ten minste een van bovenstaande twee vragen bevestigend luidt, welke consequenties verbindt u hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Het beleid en de bestaande gedragsregeling voor de digitale werkomgeving voor bewindspersonen en ambtenaren blijft op dit moment ongewijzigd. Zoals toegelicht in de beantwoording van het informatieverzoek van het lid Kathmann (GL-PvdA)3 heeft de Rijksoverheid voor medewerkers de gedragsregeling voor de digitale werkomgeving opgesteld en geactualiseerd in oktober 2025. De gedragsregeling geeft medewerkers een kader voor het gebruik van digitale middelen zoals berichtenapps, en geeft aan dat het gebruik van berichtenapps enkel voor informeel gebruik is. Het advies luidt: app met beleid maar niet over beleid. Dit advies is ook overgenomen en herhaald in het cyberadvies Phishing via chatapps Signal en WhatsApp.4 Deze lijn is ook onderdeel van de basisopleiding digitale weerbaarheid die verplicht is voor alle rijksmedewerkers. De gedragsregeling, in combinatie met de basisopleiding, draagt bij aan zorgvuldige omgang met communicatiemiddelen en heeft een risicoreducerend effect op het gebruik daarvan. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om de gedragsregeling te herzien en roept het alle medewerkers op deze na te leven, zodat een veilige digitale werkomgeving wordt gewaarborgd.5 Advies aan Nederlanders die gebruik maken van chatapps, is zich bewust te zijn van mogelijke veiligheidsrisico’s. Over de privacyrisico’s van WhatsApp is informatie beschikbaar op veiliginternetten.nl. Sinds kort is er ook de mogelijkheid een check te doen op de veiligheid van apps via www.appinspector.nl.
Voor bewindspersonen is er het handboek voor bewindspersonen (het «Blauwe boek»).6 Hierin staan aanwijzingen voor de omgang met digitale middelen.
Bent u bekend met de Amerikaanse CLOUD Act, op grond waarvan de Amerikaanse overheid van in de VS gevestigde bedrijven zoals Meta kan eisen dat zij toegang verlenen tot opgeslagen gebruikersdata, ook wanneer deze betrekking heeft op buitenlandse gebruikers? Zo ja, welke consequenties verbindt de regering hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Ja, ik ben bekend met de CLOUD Act. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 blijft het beleid en bestaande gedragsregeling voor ambtenaren voor de digitale werkomgeving ongewijzigd.
Acht u het mogelijk dat vertrouwelijke communicatie – ondanks de maatregelen die voortvloeien uit de Archiefwet – via Whatsapp wordt verstuurd door ambtenaren en bewindspersonen?
De gedragsregeling voor de digitale werkomgeving resp. het handboek voor bewindspersonen geldt voor iedereen die voor de Rijksoverheid werkzaamheden uitvoert en daarbij gebruikt maakt van de digitale werkomgeving van de Rijksoverheid. Deze regeling sluit aan op de Gedragscode Integriteit Rijk en alle ambtenaren dienen zich hieraan te houden.
Welke concrete maatregelen treft u op korte termijn om te voorkomen dat vertrouwelijke bestuurlijke communicatie via WhatsApp plaatsvindt, mede gelet op de ernstige twijfels over de daadwerkelijke end-to-endversleuteling?
De diensten hebben recent een cyberadvies gepubliceerd. Daarnaast is er binnen de Rijksoverheid veel aandacht geweest om niet over beleid te communiceren per chatapplicaties en vooral geen gerubriceerde en gevoelige gegevens te versturen via chatapplicaties.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vraag of WhatsApp-berichten daadwerkelijk end-to-end versleuteld zijn en niet toegankelijk zijn voor Meta, haar medewerkers, opdrachtnemers of andere derden? Zo nee, waarom niet?
We richten onze capaciteit en inspanningen op het realiseren van eigen, veilige digitale voorzieningen. De Rijksoverheid is bezig met een plan voor de ontwikkeling van een eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling. Hierbij maken we, onder andere via het Europees Consortium voor Digitale Infrastructuur (EDIC), gebruik van kennis en ervaring opgedaan door andere Europese lidstaten.
Zijn er op dit moment voor bewindspersonen en ambtenaren alternatieve communicatiediensten met end-to-end-versleuteling beschikbaar? Zo ja, welke, en worden deze in de praktijk gebruikt?
We draaien een pilot met een Europese, zakelijke berichtenapp, die voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid, privacy, datacontrole en opslag van berichten. Deze app wordt momenteel getest binnen een beperkte groep gebruikers. Op basis van die ervaringen bekijken we hoe we de kennis en ervaring kunnen onderbrengen in de eigen, soevereine chatapplicatie voor communicatie tussen ambtenaren onderling.
Hanteert u bij de selectie van communicatiediensten voor overheidsgebruik als criterium dat de implementatie van end-to-end-versleuteling onafhankelijk verifieerbaar moet zijn via openbare broncode, en zo nee, is de regering bereid dit criterium alsnog in te voeren?
De in te richten soevereine chatoplossing zal open source zijn.
Bent u bereid het NCSC te verzoeken een vergelijkende veiligheidsanalyse op te stellen van beschikbare open source communicatiediensten – waaronder Signal, Element/Matrix en Wire – met als specifiek doel te beoordelen welke dienst geschikt is voor vertrouwelijke bestuurlijke communicatie?
In 2025 heeft het CIO-beraad van de Rijksoverheid besloten tot het vergroten van soevereiniteit en autonomie via implementatie van een zelf ontwikkelde Rijkschatapplicatie op basis van Matrix/Elements. Matrix/Elements wordt tevens in andere Europese lidstaten gebruikt. In augustus wordt in het CIO-beraad het projectvoorstel voor de autonome chatvoorziening voor communicatie tussen ambtenaren onderling behandeld. Bij de implementatie hiervan wordt rekening gehouden met de noodzakelijke veiligheids- en privacy aspecten.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten gericht op burgers, ambtenaren en bewindspersonen, waarin wordt gewezen op de ernstige twijfels die bestaan over de vertrouwelijkheid van WhatsApp-berichten? Zo nee, waarom niet?
Ambtenaren en bewindspersonen worden regelmatig geïnformeerd over het gebruik van digitale diensten, zoals door het recent gepubliceerde cyberadvies van de AIVD en MIVD7.
Inwoners worden doorlopend geïnformeerd via campagnes die erop gericht zijn om de eigen digitale weerbaarheid te vergroten. Bijvoorbeeld via campagnes als «Dubbel beveiligd is dubbel zo veilig» en «Laat je niet interneppen». De beweringen van de onderzoeker vormen op dit moment onvoldoende aanleiding om een dergelijke campagne te kunnen verantwoorden.
Het bericht 'Studenten gewaarschuwd voor phishing na hack softwarebedrijf' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat hackersgroep ShinyHunters, die eerder verantwoordelijk was voor de hack bij Odido, nu ook gegevens van miljoenen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers via onderwijsplatform Canvas heeft buitgemaakt?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de ernst van dit datalek, mede gelet op de gevoeligheid van de buitgemaakte persoonsgegevens en mogelijk ook privécommunicatie van studenten, docenten en onderwijsmedewerkers?
De hack en de tijdelijke ontkoppeling van het systeem Canvas zorgde voor een enorm vervelende situatie voor diegenen van wie mogelijk data is buitgemaakt en voor studenten en medewerkers die hiervan hinder hebben ondervonden in het onderwijs en hun werk. De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat het op dit moment niet volledig is vastgesteld welke gegevens de hackersgroep precies heeft buitgemaakt. Hierover is contact tussen de instellingen en het bedrijf Instructure als leverancier van Canvas. Dit betekent dat er op dit moment nog geen goede schatting kan worden gemaakt door de instellingen van hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers naar schatting zijn getroffen. De AVG is van toepassing op inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken). Er is door instellingen een voorlopige melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers van Nederlandse onderwijsinstellingen zijn naar schatting getroffen en welke typen persoonsgegevens zijn daarbij buitgemaakt?
De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat op dit moment alleen bekend is welke instellingen getroffen zijn. Zij geven aan dat Instructure, de leverancier van Canvas, nog niet heeft aangegeven welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Vermoedelijk gaat het om gegevens zoals namen en e-mailadressen van studenten en medewerkers en berichtenverkeer. De instellingen staan in contact met Instructure om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Dat doen zij afzonderlijk van elkaar in verband met de individuele contracten van instellingen met deze leverancier. Instructure heeft de instellingen toegezegd dit overzicht op korte termijn te zullen verschaffen. Op dit moment kan er daarom nog geen goede schatting worden gemaakt van het aantal personen dat is getroffen door de hack.
Welke gevolgen kan dit datalek hebben voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers, bijvoorbeeld in de vorm van phishing, identiteitsfraude of andere vormen van digitale criminaliteit en hoe kan worden voorkomen dat zij hiervan slachtoffer worden?
Als er sprake is van een datalek is het belangrijk om nu en in de komende tijd extra waakzaam te zijn voor mogelijke phishingmails en andere verzoeken waarbij persoonsgegevens of inloggegevens worden gevraagd. De instellingen wijzen hun studenten en medewerkers hier ook op. Op dit moment is nog niet volledig vastgesteld welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen betrokkenen volgens de geldende procedures door de instellingen hierover worden geïnformeerd. De instellingen hebben hun studenten en medewerkers ook opgeroepen om zich te melden als zij getroffen worden naar aanleiding van de hack en zullen waar nodig passende ondersteuning bieden.
Heeft u contact met de onderwijskoepels over wat nodig is om de gevolgen van dit datalek te beperken? Zo nee, bent u bereid hierover alsnog contact met hen op te nemen?
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de onderwijskoepels en SURF over de situatie en gevolgen van de hack. De instellingen houden zelf, als contracthouders met Instructure voor deze onderwijssoftware, contact met de leverancier. Daarin is het ministerie geen partij. Voorts nemen de instellingen hun verantwoordelijkheid in het informeren van hun studenten en medewerkers over de situatie en de gevolgen van de hack.
Welke ondersteuning en informatie worden momenteel geboden aan getroffen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers om misbruik van hun persoonsgegevens te voorkomen? Acht u deze ondersteuning voldoende en welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Is voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers voldoende duidelijk welke persoonsgegevens via onderwijsplatformen zoals Canvas worden verwerkt, met welke externe partijen deze gegevens worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd?
Het is de bevoegdheid van instellingen zelf om te bepalen of, en zo ja hoe, zij onderwijsplatformen zoals Canvas inzetten. Het is daarbij hun verantwoordelijkheid zich bewust te zijn van de gegevens die daarmee worden verwerkt. Daarbij zijn ze gehouden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving (AVG). Het verschilt per instelling welke keuzes zij daarbij hebben gemaakt en welke gegevens worden verwerkt, met welke externe partijen deze worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd. Conform de geldende wet- en regelgeving is de instelling vervolgens ook zelf verantwoordelijk om in een (privacy) statement aan de betrokkenen gebruikers aan te geven welke gegevens er worden verwerkt en hoe deze worden beschermd.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse onderwijsinstellingen onderhandelen met hackersgroep ShinyHunters naar aanleiding van het ultimatum rondom de hack op Canvas, waarbij wordt gedreigd buitgemaakte gegevens van studenten, docenten en medewerkers openbaar te maken, of bent u van mening dat overheids- en onderwijsinstellingen nooit zouden moeten ingaan op dergelijke eisen van cybercriminelen?
Instellingen geven aan niet benaderd te zijn door de hackgroep om losgeld te betalen. Instructure heeft gemeld een akkoord te hebben gesloten met de hackers en dat de buitgemaakte gegevens zouden zijn vernietigd. Instructure zegt hiervan bewijs te hebben ontvangen. Of er losgeld is betaald door Instructure is mij en de instellingen niet bekend. Het is aan ieder bedrijf om een eigen afweging te maken. Het dringende advies vanuit de overheid is om geen losgeld te betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand en lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op organisaties uit.
Welke lessen trekt u uit dit incident en op welke wijze wordt deze kwestie betrokken bij de ontwikkeling van een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken?2
De instellingen hebben aangegeven dit incident zowel afzonderlijk als in de sector te evalueren en de lessen die hieruit getrokken worden mee te nemen in de verdere ontwikkeling van hun beleid. Ik blijf hierover met hen in contact.
Het kabinet geeft in overleg met betrokken toezichthouders en andere experts uitvoering aan de motie-Rajkowksi c.a. (36 800 VII, nr.78), opdat een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken beschikbaar is. Ook de relevante lessen uit dit incident worden daarbij betrokken. Het streven is om uw Kamer spoedig nader te informeren over de uitvoering van deze motie.
Het bericht 'UWV ruilt Mistral Le Chat in voor Microsoft Copilot Chat' |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het UWV vanaf half mei een pilot start met Microsoft Copilot en daarmee stopt met het gebruik van het Europese alternatief Le Chat?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het UWV om een Europees AI-alternatief in te ruilen voor een Amerikaanse toepassing, mede in het licht van de kabinetsambities op het gebied van digitale soevereiniteit en het verminderen van afhankelijkheden van niet-Europese technologiebedrijven?
Deelt u de opvatting dat publieke organisaties, zeker wanneer zij werken met grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens, bij de inzet van generatieve AI, rekening zouden moeten houden met Europese datasoevereiniteit en strategische autonomie? Zo nee, waarom niet?
Welke risico’s ziet u in de keuze die het UWV heeft gemaakt om co-pilot in te gebruiken, in het bijzonder waar het gaat om toegang tot persoonsgegevens, vendor lock-in en geopolitieke afhankelijkheden?
Kunt u aangeven op welke wijze is beoordeeld of Microsoft Copilot voldoet aan de eisen rondom privacy, gegevensbescherming en gegevenssoevereiniteit en kunt u aangeven welke persoonsgegevens of interne gegevens van het UWV binnen deze pilot verwerkt kunnen worden?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot eerdere signalen vanuit Europese landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, waarin juist gezocht wordt naar alternatieven voor afhankelijkheid van Microsoft?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid El Boujdaini c.s. over het principe «Europees tenzij» te hanteren en digitale soevereiniteit en digitale autonomie als expliciet criterium op te nemen in aanbestedingen, wat is de status van de uitvoering van die motie?2
Kunt u aangeven wat er momenteel al gebeurt om Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid te stimuleren? En bent u bereid om samen met uitvoeringsorganisaties en andere overheidsinstanties te werken aan het breder implementeren van Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Eind 2026 worden de uitkomsten van de pilot met Microsoft Copilot geëvalueerd, kunt u toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot?
VPN |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Is de Staatssecretaris bekend met deze uitspraken van mevrouw Virkkunen1, Vice-President van de Europese Commissie, waarin ze stelt dat het niet zo kan zijn dat straks in de Europese Unie VPN’s gebruikt kunnen gaan worden voor het omzeilen van leeftijdsverificatie op het internet?
Ja.
Overigens noemt mevrouw Virkunnen in deze persconferentie VPN’s niet, noch stelt zij dat VPN’s verboden zouden moeten worden. Zij stelt alleen dat er gekeken wordt hoe omzeiling van online leeftijdsverificatie mechanismen zo veel mogelijk kan worden voorkomen, en benadrukt dat ook een niet waterdicht systeem beter is dan geen systeem.
Wat is het standpunt hieromtrent van de Nederlandse regering? Is het beperken of zelfs verbieden van VPN’s in de Europese Unie voor de Nederlandse regering bespreekbaar?
Het kabinet is geen voorstander van het beperken dan wel verbieden van VPN’s, om daarmee eventuele omzeiling van een leeftijdsgrens te voorkomen. VPN’s zijn een belangrijke technologie voor het beveiligen van communicatie via het internet. Er zijn tal van legitieme toepassingen voor die communicatie via het internet veiliger maken, zoals beveiliging van bedrijfsnetwerken of bij het gebruik van openbare WiFi-netwerken.