Geweld tegen winkelpersoneel |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Caissières bespuugd en geschopt»?1
Ja.
Is het waar dat een derde van de kwart miljoen caissières en vakkenvullers afgelopen jaar werd bedreigd of gemolesteerd door klanten? Herkent u dit beeld? Zo nee, welk beeld hebt u dan wel van de omvang van deze problematiek?
In de aankondiging van een uitzending op 24 november 2010 van Eén Vandaag, waarop De Telegraaf zich baseert, wordt gemeld dat een derde van het personeel in supermarkten te kampen heeft met agressie en geweld van klanten. Voor deze reportage is Eén Vandaag in drie gemeenten bij een aantal supermarkten langs geweest. In de uitzending wordt niet duidelijk op welk onderzoek het percentage bedreigde personeelsleden is gebaseerd. In het algemeen kan wel gesteld worden dat agressie en geweld op de werkvloer voorkomen. Uit de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 blijkt dat in de sector detailhandel supermarkten relatief vaak te maken hebben met geweld tegen het personeel: op jaarbasis 17% van het personeel tegen 5% gemiddeld voor de hele sector. Meestal gaat het om bedreiging, die door 75% van de slachtoffers genoemd wordt, gevolgd door mishandeling (29%). In recent onderzoek naar agressie op de totale werkvloer, in opdracht van de FNV onder de eigen leden, komt naar voren dat bijna vier op de tien het afgelopen jaar geconfronteerd is met agressie en geweld op het werk.
Wat is de oorzaak van geweld en agressie tegen winkelpersoneel? Draagt de verkoop van alcohol en tabak in supermarkten en het verbod van deze verkoop aan jongeren bij aan bedreigingen en geweld door jongeren omdat die deze producten toch willen kopen? Zo ja, welke conclusies trekt u hier uit?
Agressie en geweld zijn geen fenomen die exclusief voorkomen in winkels. Ook elders – in het verkeer, het openbaar vervoer, de sport, op scholen, tijdens het uitgaan en bij evenementen – komen geweldsincidenten voor. Ze weerspiegelen de verruwing van de omgangsvormen in de samenleving. Geweld is een complex verschijnsel dat niet uit één enkele oorzaak verklaard kan worden. Deels is de oorzaak gelegen in individuele kenmerken, zoals ADHD, psychische stoornissen en de mate van frustratie. Deels hangt ze samen met de invloed van de sociale (opvoeding) en fysieke (verstedelijking) omgeving. En deels vindt het geweld een voedingsbodem in maatschappelijke factoren, zoals de opvattingen in bepaalde (sub)culturen over hetgeen onder normoverschrijdend gedrag wordt verstaan. Het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) onderschrijft de zienswijze dat agressie in supermarkten in een bredere context geplaatst moet worden. De weigering om alcohol en tabak te verkopen kan soms leiden tot een agressieve reactie, maar is zeker niet de enige aanleiding. Dit laat onverlet dat jongeren – ook tegen hun wil – beschermd dienen te worden tegen voor hen schadelijke stoffen.
Is het waar dat terwijl bedreigde ambtenaren en ambulancemedewerkers op extra juridische bescherming kunnen rekenen, waardoor de daders altijd vervolgd worden, er voor winkelpersoneel helemaal niets (is) geregeld? Zo ja, deelt u de mening dat ook voor winkelpersoneel, dat uit de aard van de functie een kwetsbare positie inneemt, extra bescherming nodig is? Zo ja, hoe gaat u hier vorm aan geven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel het beeld niet dat er helemaal niets geregeld zou zijn voor winkelpersoneel dat slachtoffer is van geweld. Geweld is een ernstig delict, dat kan rekenen op prioriteit bij de behandeling in het juridische traject.
Bij wet wordt het als strafverzwarende omstandigheid aangemerkt, indien het slachtoffer een ambtenaar is die in de uitoefening van zijn openbare orde dienst geconfronteerd wordt met een aantal specifieke basisdelicten, waaronder geweld. Een ambtenaar kan zich immers minder makkelijk onttrekken aan een situatie waarin hij het slachtoffer van een misdrijf dreigt te worden, dan een doorsnee burger. In de vervolgingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie is bepaald dat deze redenering ook opgaat voor niet-ambtenaren, wanneer zij in het kader van de uitoefening van hun beroep met een van deze delicten worden geconfronteerd. Dit geldt onder meer voor winkelpersoneel. Daarmee is dus al voorzien in een hogere strafeis voor geweld tegen winkelpersoneel.
Herkent u het geschetste beeld dat de politie nauwelijks optreedt en het doen van aangifte geen zin lijkt te hebben? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Van de bedrijven in de detailhandel die geweldsdelicten bij de politie melden, geeft 78% in de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 aan dat de politie de melding registreert en 56% dat de politie proces-verbaal opmaakt. 40% meldt dat de politie het geweldsmisdrijf is gaan onderzoeken. Als het gaat om supermarkten liggen deze percentages hoger. De meest genoemde redenen om géén aangifte te doen zijn dat het probleem zelf aangepakt is (29%), de schade te gering was (26%) en op de derde plaats dat de politie er toch niets aan doet (24%).
Mits er voldoende aanknopingspunten zijn voor de opsporing dient de politie geweldszaken met voorrang te onderzoeken. Mogelijk wordt het beeld van een politie die onvoldoende in actie komt tegen geweld mede veroorzaakt door een onvoldoende terugkoppeling van de opsporingsresultaten. Ik tref thans, conform het voornemen in het Regeerakkoord, voorbereidingen om het aangifteproces te vereenvoudigen en versnellen en daarbij ook tijdig informatie te doen verstrekken over wat er met de aangifte gebeurd is.
Deelt u de mening dat voor alle werknemers die in uitoefening van hun beroep in voor publiek toegankelijke bedreigd of slachtoffer van geweld worden, extra bescherming nodig is? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat dit tot uitdrukking dient te komen in een hogere strafeis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat werkgevers van winkelpersoneel voor hun werknemers aangifte zouden moeten doen? Zo ja, gebeurt dat naar uw mening voldoende? Zo nee, waarom niet?
In het Regeerakkoord is aangegeven dat werkgevers in de publieke sector de aangifte van werknemers kunnen overnemen die slachtoffer van geweld zijn geworden. Ik acht het van belang dat deze mogelijkheid in ieder geval altijd geboden wordt aan werknemers die zelf geen aangifte durven te doen.
Het in antwoord 2 aangehaalde onderzoek van de FNV naar agressie op het werk geeft een indicatie van de ondersteuning die werkgevers daarbij bieden: onder de werknemers die van hun laatste geweldsincident aangifte deden, vroeg een derde om ondersteuning van de werkgever en heeft 66% van hen de ondersteuning ook daadwerkelijk gekregen. Uit de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 blijkt dat 58% van de bedrijven in de detailhandel die met geweld geconfronteerd worden, hiervan melding maakt bij de politie. Supermarkten lopen hierbij voorop met een meldingsbereidheid van 83%. Afgezet tegen de gemiddelde aangiftebereidheid die – zoals blijkt uit de Integrale Veiligheidsmonitor – op een derde van de ondervonden geweldsdelicten ligt, onderscheidt de detailhandel zich daarmee in positieve zin. Zowel voor een goed zicht op de criminaliteitsontwikkelingen als voor het niet onbestraft laten van strafbaar gedrag is aangifte natuurlijk van groot belang.
Worden er in het kader van het verstrekken van het certificaat Keurmerk Veilig Ondernemen voor winkelgebieden eisen gesteld over maatregelen tegen agressie tegen winkelpersoneel? Zo ja, welke eisen? Zo nee, deelt u de mening dat deze eisen in dit kader wel moeten worden opgenomen?
Het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) voor winkelgebieden stelt geen specifieke eisen aan het invoeren van maatregelen tegen agressie tegen winkelpersoneel. Wel is aan het keurmerk de module «Agressie en geweld» toegevoegd, die als hulpmiddel kan dienen voor een veiliger werkomgeving. Deze module is primair ontwikkeld voor KVO-samenwerkingsverbanden, maar kan ook elders worden toegepast. Het stellen van eisen op het gebied van agressie en geweld in het KVO acht ik niet nodig, omdat deze verplichting al in de Arbowet is opgenomen. In deze wet is bepaald dat werkgevers verplicht zijn hun medewerkers te beschermen tegen agressie en geweld op het werk. Specifiek voor supermarkten geldt bovendien dat in de cao die in 2009 is afgesloten, bepaald is dat iedere nieuwe werknemer binnen zes maanden een cursus «omgaan met agressie» moet krijgen.
Worden middelen, zoals winkelverboden en het verspreiden van foto’s (onder winkelpersoneel) van bekende overlastgevers, voldoende gebruikt om agressie tegen winkelpersoneel te bestrijden? Welke beperkingen in wet- en regelgeving staan het gebruik van deze middelen in de weg?
Volgens het CBL worden (collectieve) winkelverboden en het onderling delen van informatie over overlastgevers regelmatig toegepast, maar is niet bekend in welke omvang dit gebeurt. Deze maatregelen worden niet alleen tegen overlast- en geweldplegers ingezet, maar ook tegen anderen die de «huisregels» overtreden, zoals winkeldieven. Conform artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk) kan iemand de toegang van een winkel ontzegd worden. Op preventieve middelen als cameratoezicht en het hanteren van een «zwarte lijst» als collectieve ontzegging is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing.
Het bericht dat het Rijnland Ziekenhuis de operatiekamers uit Alphen aan den Rijn wil wegbezuinigen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de directie van het Rijnland Ziekenhuis haar personeel heeft laten weten dat de operatiekamers in de vestiging in Alphen aan den Rijn per 1 april 2011 worden gesloten? Zo ja, wat is hierover uw oordeel?
Op mijn verzoek heeft het Rijnland Ziekenhuis de volgende reactie gegeven. In het kader van de opgelegde bezuinigingen ad € 150 miljoen en € 314 miljoen moet het Rijnland Ziekenhuis, bij een marge van 0,5%, 5% bezuinigen. Dat vereist volgens het ziekenhuis ingrijpende maatregelen. De Raad van Bestuur van de Rijnland Zorggroep is voornemens een aantal maatregelen te nemen, waaronder het voorlopig verplaatsen van de operatiecapaciteit van de locatie Alphen aan den Rijn naar Leiderdorp. De belangrijkste reden hiervoor is het verminderen van dure ZZP’ers (Zelfstandige Zonder Personeel) onder het OK- en anesthesie personeel. Het Rijnland Ziekenhuis is sinds twee jaar bezig extra OK- en anesthesiepersoneel op te leiden, met de bedoeling geen dure ZZP’ers meer te hoeven inzetten. De Raad van Bestuur hoopt op termijn de OK-capaciteit in Alphen aan den Rijn weer te gaan gebruiken. De Raad van Bestuur heeft aangegeven het personeel nog formeel te informeren over de maatregelen in het kader van de begroting 2011. Het OK- en anesthesiepersoneel is al op de hoogte van het voornemen.
Ik heb geen oordeel over de interne bedrijfsvoering van een ziekenhuis. Wel wijs ik er op dat de bereikbaarheid van zorg niet in gevaar is. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Vindt u dat Alphen aan den Rijn, een stad met circa 72 000 inwoners, een volwaardig ziekenhuis verdient? Zo ja, hoe gaat u bewerkstelligen dat de operatiemogelijkheden in Alphen aan den Rijn blijven? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat er voldoende keuzemogelijkheden zijn voor de burger. In die regio’s waar het zorgaanbod onder druk staat, vaak is dit het geval in de rurale gebieden, hecht ik aan het behoud van zorgvoorzieningen in de buurt. Dit geldt in het bijzonder voor de basiszorg waarover de patiënt binnen niet al te lange afstand kan beschikken. Dit kabinet streeft naar betere zorg dichter bij huis. Dat hoeft niet altijd ziekenhuiszorg te zijn maar kan ook een samenwerkingsverband zijn tussen de eerste en de tweede lijn.
Ik ga niet bewerkstelligen dat er operatiemogelijkheden in Alphen aan den Rijn beschikbaar blijven. De beschikbaarheid van operatiemogelijkheden binnen de bereikbaarheidsnorm van 45 minuten is in de regio niet in gevaar. Zo is het mogelijk om uit te wijken naar het Rijnland Ziekenhuis, locatie Leiderdorp of naar het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda.
Klopt het bericht, verspreid in de interne nieuwsbrief Rijnland Actueel, dat de Rijnland Zorggroep in 2011 naast de voorgenomen bezuiniging van € 1,5 miljoen nog een € 5,5 miljoen moet bezuinigen? In hoeverre is die bezuiniging een gevolg van de budgetkorting die u heeft opgelegd aan de ziekenhuizen?
Het ziekenhuis heeft mij laten weten dat de te nemen maatregelen het directe gevolg zijn van de opgelegde bezuinigingen ad € 1,5 miljoen en vooral de extra € 3,14 miljoen. De gecommuniceerde bezuiniging ad € 5,5 miljoen is bijgesteld als gevolg van de verlaging van de extra bezuiniging (van € 549 miljoen naar € 314 miljoen).
In welke 70 000-plus steden staat een volwaardig basisziekenhuis ter discussie?
Voor zover ik weet, is dit het geval in Zeeland. Het gaat hier om het behoud van een volwaardig basisziekenhuis op Walcheren, te weten Vlissingen.
Hoeveel steden in Nederland met meer dan 70 000 inwoners hebben geen volwaardig basisziekenhuis met Spoedeisende Eerste Hulp, klinische verloskunde en volledige operatiekamerfaciliteiten meer? Welke steden zijn dat? Wat vindt u van dat gegeven? Vindt u niet dat in al die steden een volwaardig ziekenhuis zou moeten blijven? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk gegeven wordt niet als zodanig geregistreerd, ik kan het antwoord dus niet geven. Ik vind het van belang dat er voldoende keuzemogelijkheden zijn voor de burgers als het gaat om het aanbod van basiszorg. Tevens streeft dit kabinet naar basiszorg dichter bij. Dit hoeft niet te betekenen dat deze noodzakelijkerwijs geleverd dient te worden door een ziekenhuis. Ik zie hierin ook veel mogelijkheden in de samenwerking tussen de eerste en tweede lijn.
Van belang is dat de mogelijkheden van een basisziekenhuis in voldoende mate in de regio beschikbaar is, in het bijzonder de beschikbaarheid van de acute zorg binnen de bereikbaarheidsnorm van 45 minuten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de taakstelling van € 549 miljoen voor 2011 en volgende jaren niet gaat leiden tot ongewenste concentraties van ziekenhuisvoorzieningen, afnemende bereikbaarheid van ziekenhuizen en een toename van de wachtlijsten?
Inmiddels is het bedrag van de taakstelling naar beneden bijgesteld naar € 314 miljoen voor 2011.
Voor financieel gezonde instellingen hoeft de korting niet te leiden tot concentraties, afnemende bereikbaarheid en toename van de wachtlijsten. Wel kan het zo zijn dat voor ziekenhuizen die al langere tijd verkeren in een financieel kwetsbare positie de korting de toch al zorgelijke situatie kunnen verergeren. Dit laatste is dan niet alleen te wijten aan de kortingsmaatregel. Overigens wijs ik erop dat er ook de komende jaren sprake zal zijn van een groei in het macrobudget.
Het terugvorderen van miljoenen in verband met misbruik van pgb's |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Menzis Zorgkantoor meer dan honderd persoongebonden budgetten (pgb’s) terugvordert in de regio Twente in verband met fraude, niet complete besteding en onvoldoende verantwoording van de pgb’s?1
Ja.
Klopt het bericht dat het gaat om een totaal bedrag aan terugvorderingen van miljoenen euro’s? Zou een vergelijkbare actie in andere regio’s tot een soortgelijk hoog bedrag leiden?
Menzis heeft inderdaad een vordering van enkele miljoenen op budgethouders. Het terugvorderen van niet bestede middelen is echter bestaande praktijk. Jaarlijks worden door de zorgkantoren, naar aanleiding van de verantwoording door budgethouders, niet of onjuist besteedde middelen teruggevorderd of verrekend met toekomstige budgetten. Het gaat om gemiddeld 10% van het pgb. Landelijk gaat het om ruim 200 miljoen. Bij het vaststellen van de beschikbare middelen voor het pgb (het pgb-subsidieplafond) is met dit ervaringsgegeven rekening gehouden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van de motie De Vries/Wolbert2, waarin de regering wordt verzocht alles in het werk te stellen om de taken van bemiddelingsbureaus te scheiden zodat beheer, bemiddeling en het aanbieden van zorg niet meer door één bureau ka worden gedaan?
Hiermee is het vorige kabinet voortvarend aan de slag gegaan. Zoals mijn voorganger in haar brief van 12 juni 2009 (kenmerk: DLZ/CB-U-2912189) heeft aangegeven, hebben Per Saldo en stichting de Ombudsman een gedragscode voor pgb-bemiddelingsbureaus ontwikkeld waarin deze scheiding van taken is vastgelegd. Op basis van deze gedragscode is vervolgens door Per Saldo en het Keurmerkinstituut met subsidie van VWS een kwaliteitskeurmerk voor pgb-bemiddelingsbureaus ontwikkeld. Dit keurmerk is bijna klaar. Het streven is dat bemiddelingsbureaus vanaf 1 januari 2011 een aanvraag voor het keurmerk kunnen indienen. In de werkgroep fraude die mij begin volgend jaar zal adviseren, wordt bekeken of het wenselijk is dit keurmerk een wettelijke status te geven.
Wat is de stand van zaken in de ontwikkeling van het keurmerk voor bemiddelingsbureaus? Wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van de motie Wolbert3, waarin de regering wordt verzocht te stimuleren dat er een keurmerk komt voor commerciële zorgaanbieders die zorg leveren die wordt betaald uit een pgb?
De stand van zaken ten aanzien van het keurmerk voor bemiddelingsbureaus heb ik uiteengezet in het antwoord op vraag 3.
Ik geef op de volgende wijze uitvoering aan de motie Wolbert.
Na overleg met Per Saldo zijn we gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat budgethouders meer baat hebben bij goede vergelijkende informatie over zorgaanbieders dan bij een keurmerk. Ik heb vervolgens aan Per Saldo subsidie verstrekt om een deel van deze keuze-informatie te ontwikkelen. De volgende drie aspecten worden uitgewerkt:
Wat is uw mening over het advies dat Menzis pgb-houders geeft om aangifte te doen wanneer zij niet de zorg ontvangen die zij nodig hebben? Herkent u zich in de uitspraak dat wettelijke uitspaken in dergelijke zaken te lang op zich laten wachten? Op welke manier kan dit effectiever worden aangepakt?
De pgb-regeling gaat ervan uit dat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor het inkopen van de benodigde zorg. Deze zorg dient zowel qua omvang als kwaliteit voldoende te zijn. Afspraken over de te leveren zorg worden, al dan niet met tussenkomst van een bemiddelingsbureau, vastgelegd in een overeenkomst tussen budgethouder en zorgaanbieder. Wanneer de budgethouder merkt dat de zorgaanbieder de gemaakte afspraken niet nakomt en (kwalitatief) onvoldoende zorg levert, dient deze de zorgverlener hierop aan te spreken. Ook kan de budgethouder, als deze ontevreden is over de geleverde zorg, overstappen naar een andere zorgaanbieder. Aangifte door de budgethouder is alleen dan aan de orde wanneer blijkt dat er sprake is van onrechtmatig handelen door de zorgaanbieder of bemiddelaar. Veel fraudesignalen hebben betrekking op budgethouders die zelf niet goed in staat zijn de regie over hun zorgvraag en budget te voeren.
Deze budgethouders geven de regie en het budgetbeheer uit handen en worden vervolgens het slachtoffer van praktijken van malafide pgb-bureautjes. Deze bureaus leveren nauwelijks of geen zorg en besteden het pgb aan andere zaken dan waar het voor bedoeld is. In dergelijke zaken is het doen van aangifte zeker van belang.
In zijn algemeenheid kan niet worden gesteld dat een uitspraak naar aanleiding van een aangifte te lang op zich laat wachten. De tijd die hiervoor nodig is verschilt van geval tot geval en is mede afhankelijk van de complexiteit van een zaak. In het overleg «Fraudebestrijding in de zorg», dat op initiatief van VWS periodiek bijeenkomt, is gemeld dat het Openbaar Ministerie, politie en verzekeraars werken aan een convenant om te komen tot betere stroomlijning van meldingen en aangiften van verzekeringsfraude.
Kunt u toezeggen dat u de zorgkantoren van de andere verzekeraars gaat vragen dat ook zij zich zullen toeleggen op het beter signaleren van mogelijke fraude en aangifte te doen in geval van vermoedens van fraude en het terugvorderen van teveel betaalde of niet verantwoorde zorg?
Dit is bij zorgkantoren bestaande praktijk. Het College voor Zorgverzekeringen heeft in samenspraak met de zorgkantoren een controleprotocol ontwikkeld dat met ingang van dit jaar in gebruik is genomen. Alle zorgkantoren controleren op basis van dit controleprotocol. Zij zijn daarbij alert op het zich voordoen van fraude. Wanneer fraude wordt gesignaleerd wordt het pgb stopgezet en worden de onjuist besteedde middelen teruggevorderd.
De zorgkantoren delen hun fraudesignalen onderling.
Het bericht dat het budget voor de regeling maatwerkadviezen voor woningen is uitgeput |
|
René Leegte (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht op de website van Agentschap.NL dat per 19 november het budget voor de regeling maatwerkadviezen voor woningen is uitgeput?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom het budget in een paar weken uitgeput is, terwijl er tot voor kort het beeld was en naar buiten werd gebracht door het Agentschap dat er voldoende middelen beschikbaar zijn tot het einde van 2010?
In oktober 2010 zijn diverse communicatieactiviteiten rond de regeling uitgevoerd. Hierdoor is in korte tijd het aantal ingediende subsidieaanvragen sterk toegenomen. Daarnaast is op verzoek van diverse partijen (verenigingen van eigenaren, gemeenten en anderen), die voor hun achterban maatwerkadviezen verzorgen, de mogelijkheid gecreëerd om de subsidieaanvraag voor meerdere maatwerkadviezen in één keer in te dienen. Het ministerie van BZK heeft hiervoor een aanwijzing gegeven aan Agentschap NL.
Het bovenstaande heeft geleid tot een snellere uitputting van het subsidiebudget.
Kunt u inzichtelijk maken welke negatieve gevolgen dit zal hebben voor lopende energiecampagnes in het land, bijvoorbeeld de stad Amersfoort waar naar verwachting nog zo’n 700 burgers zullen worden teleurgesteld?
Voor aanvang van de regeling zijn de looptijd en het maximale subsidiebudget in de Staatscourant gepubliceerd. In oktober en november 2010 was sprake van een sterke toename van subsidieaanvragen. Dit is een gebruikelijk beeld bij regelingen die binnen afzienbare tijd aflopen en/of bijna uitgeput zijn.
Op de website van Agentschap NL konden aanvragers het verloop van de uitputting van het budget volgen. Het uitputtingspercentage is in de laatste weken van oktober en begin november 2010 met grote sprongen toegenomen, van 71% naar 94% en vervolgens naar 100%. De oorzaak van deze toename is hierboven omschreven.
Een regeling met een vast subsidieplafond brengt altijd met zich mee dat aanvragers teleurgesteld zullen zijn indien voor hen geen subsidie meer beschikbaar is.
Klopt het beeld dat door deze plotsklapse uitputting van de regeling verwachtingen die door het Agentschap zijn gewekt over de beschikbare middelen bij gemeenten, installateurs, bedrijven en burgers niet worden waargemaakt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om te inventariseren hoeveel burgers door deze uitputting worden benadeeld en met het betrokken bedrijfsleven, gemeenten en provincies in overleg te treden hoe kan worden voorkomen dat burgers worden teleurgesteld? Ziet u kansen om in 2010 en anders in 2011 alsnog de middelen vrij te maken om de maatwerkadviezen die nu tussen wal en schip belanden te laten uitvoeren?
Om burgers tegemoet te komen is eind 2010 besloten om het maximale subsidiebudget in 2010 eenmalig op te hogen met bijna € 1,2 miljoen. Hiermee is de wachtlijst van aanvragen weggewerkt. De regeling is daarna gesloten.
Een voortzetting van de regeling wordt niet overwogen. Momenteel wordt een door uw Kamer verzocht Plan van aanpak energiebesparing in de gebouwde omgeving opgesteld. Hierin worden de samenhangende maatregelen op dit terrein in kaart gebracht.
Hoe wordt de effectiviteit van dit soort regelingen beoordeeld?
Agentschap NL heeft in opdracht van het ministerie in augustus 2010 de regeling tussentijds geëvalueerd. Meer dan de helft van de respondenten neemt binnen een half jaar energiebesparende maatregelen naar aanleiding van het maatwerkadvies. Daarnaast heeft meer dan 90% van de respondenten een energielabel ontvangen bij het maatwerkadvies.
Scholen die op havo doorstromers van vmbo verbieden om in de vierde klas te doubleren |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de conclusie van het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO) dat het vooral aan de scholen ligt dat vmbo’ers die doorleren op de havo geen havo-diploma halen en niet aan deze scholieren zelf?
Slagingskansen op het havo worden door meerdere factoren beïnvloed. Ik vind het echter wel een kwalijke zaak als scholen verschillende criteria hanteren voor leerlingen die van het vmbo komen en voor leerlingen die van het havo komen.
Hoe beoordeelt u het feit dat minstens de helft van de havo-scholen als regel hanteert dat vmbo’ers niet mogen blijven zitten in 4 havo?
Mijns inziens is het van belang dat al het schoolbeleid transparant is en voor alle leerlingen op een school gelijk. Dit geldt uiteraard ook voor de regels die een individuele school hanteert ten aanzien van doubleren.
De Onderwijsinspectie zal overigens het doublurebeleid meenemen in het onderzoek naar het toelatingsbeleid van havo-scholen. Dit onderzoek wordt in de loop van 2011 uitgevoerd.
Acht u het acceptabel dat vele scholieren op deze wijze de pas wordt afgesneden, omdat zij worden gedwongen direct van school te gaan als zij vier havo niet in één jaar redden en deelt u de mening dat hun talenten dus worden gefrustreerd?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 3 van het lid Van der Ham (D66) (vraagnummer 2010Z17720, ingezonden op 25 november 2010). Zie tevens mijn antwoord op vraag 2 van de leden Ferrier en Biskop (beide CDA) (vraagnummer 2010Z17812, ingezonden op 26 november 2010).
Deelt u de mening dat hier sprake is van een perverse regel die niet in verhouding staat tot de kansen die betrokken scholieren maken om het havo succesvol af te ronden?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 3 van het lid Van der Ham (D66) (vraagnummer 2010Z17720, ingezonden op 25 november 2010).
Hoe gaat u bij de uitvoering van de motie Çelik/Voordewind1 inzake de toelatingseisen die scholen stellen aan vmbo-t’ers voor doorstroming naar havo, dit verschijnsel aanpakken?
Ik heb de VO-raad gevraagd om in overleg te treden met het onderwijsveld over de doorstroom van vmbo naar havo, en de toelatingseisen voor havo 4 in het bijzonder. Het overleg vindt op dit moment plaats. Vo-scholen moeten de ruimte hebben om zelf hun toelatingsbeleid vast te stellen. Dat laat echter onverlet dat leerlingen en ouders moeten weten waar ze aan toe zijn. Scholen moeten heldere en eenduidige toelatingseisen hanteren en deze tijdig bekend maken in bijvoorbeeld in de schoolgids of op de website. Om te onderstrepen dat ik deze kwestie bijzonder serieus neem, heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in het tweede kwartaal van 2011 hiernaar onderzoek te doen en mij hierover te rapporteren. Mochten de uitkomsten van het onderzoek daar aanleiding toe geven, dan zal ik de wet- en regelgeving aanscherpen.
Het rapport 'Definitieve berging van hoogradioactief en/of langlevend kernafval in een kleiformatie in de Belgisch-Nederlandse grensstreek' |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het rapport «Definitieve berging van hoogradioactief en/of langlevend kernafval in een kleiformatie in de Belgisch-Nederlandse grensstreek» van de Belgische hydrogeoloog Willy Weyns?1
Ja.
Deelt u de analyse van Weyns dat de Boomse kleilaag in de Kempen-regio logischerwijs de enige Belgische kleilaag is die in aanmerking komt voor ondergrondse berging van kernafval, omdat de andere kleilagen niet voldoende homogeen en vrij van breuken zijn? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Nee. In het Belgische ontwerp Afvalplan worden diverse beheersopties beschreven, waaronder die voor eindberging in weinig verharde klei, zonder dat deze aan een specifieke plaats of concreet project zijn gekoppeld. Wel worden Boomse en Ieperiaanse klei als eventuele geschikte kleilaag genoemd.
Deelt u de analyse dat de principebeslissing van de nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijt stoffen (NIRAS) voor «geologische berging in weinig verharde klei op Belgisch grondgebied»2 daarom een principebeslissing inhoudt voor ondergrondse berging op een specifieke locatie, namelijk de Kempenregio?
Nee, zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u op de hoogte van de argumenten die Weyns gebruikt om te komen tot de conclusie dat de Belgische Boomse kleilaag niet geschikt is voor de ondergrondse berging van kernafval? Deelt u de mening dat de ondergrondse kernafvalberging onwenselijk is, omdat er veel wetenschappelijke onzekerheden zijn omtrent ondergrondse kernafvalberging in klei? Bent u bereid NIRAS te verzoeken een reactie te geven op de bezwaren van Weyns?
Ik ben op de hoogte van de argumenten van Weyns. Ik zal NIRAS niet verzoeken om een reactie te geven omdat NIRAS al heeft aangegeven dat de belangrijkste elementen van de argumenten van de heer Weyns meegenomen zijn in het huidige onderzoek en blijvend meegenomen worden in verder onderzoek. Ik deel verder uw mening niet dat ondergrondse afvalberging wetenschappelijk onzeker zou zijn. Naar de huidige stand van wetenschap en techniek is alleen geologische eindberging van hoogradioactief afval een oplossing die verzekert dat het afval buiten de levensruimte van de mens blijft. Hierover is wereldwijd brede overeenstemming. Dit is ook het beleidsstandpunt dat door achtereenvolgende kabinetten is ingenomen vanaf het aanbieden van het eindrapport van de Commissie Opslag Radioactief Afval (CORA) in 2001 aan uw Kamer (EZ01–107).
Bent u bereid NIRAS te verzoeken de verdere besluitvorming over ondergrondse kernafvalopslag uit te stellen totdat er wetenschappelijke consensus is over de veiligheid op de korte én lange termijn van ondergrondse kernafvalopslag in kleilagen?
Om te beginnen is een definitieve beslissing over radioactief afval in België op dit moment nog niet aan de orde. Het huidige ontwerp afvalplan moet de federale regering in België in staat stellen een principebeslissing te nemen over het beheer van radioactief afval. Deze beslissing vormt een eerste stap in een lang proces dat verscheidene decennia gaat duren en flexibel en stapsgewijs is ingericht. Voor wat betreft de wetenschappelijke en technische kant verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u op de hoogte van de bezwaren van Brabant Water, de Provincie Brabant en de Kempener-gemeenten Bladel, Eersel, Oirschot, Bergeijk en Reusel-De Mierden tegen dit Afvalplan? Deelt u de zorgen van deze partijen dat er risico bestaat op besmetting van het Nederlandse drinkwater met radioactief materiaal omdat er getwijfeld wordt aan de inherente veiligheid van de kernafvalopslag?
Ja, ik ben op de hoogte maar deel uw zorgen niet. Gelet op het internationale verdrag over de veiligheid van beheer van radioactief afval moet worden aangetoond dat in alle stadia van het afvalbeheer ieder lid van de bevolking, maar ook de bevolking als geheel alsmede toekomstige generaties in voldoende mate zijn beschermd tegen de effecten van blootstelling aan straling. Dit geldt ook voor drinkwater. Zie hiervoor de brief van 14 september jl. (TK 2009–2010, Aanhangsel van de Handelingen, 3132).
Bent u vooraf door NIRAS op de hoogte gesteld van de inspraakprocedure van het Afvalplan en de mogelijkheden voor Nederlandse belanghebbenden om in te spreken?
NIRAS heeft het plan in het kader van een strategische milieubeoordeling naar Nederland gestuurd. De minister van VROM is in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken tot 6 september. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Zie de beantwoording van vragen van uw Kamer van 16 september jl. (TK 2009–2010, 25 422, nr. 83).
Indien u op de hoogte was, klopt het dat u Nederlandse belanghebbenden niet bericht heeft van het feit dat zij tot 6 september 2010 een zienswijze konden indienen op het Afvalplan?
Ja. Dit is ook niet gebruikelijk. Hiernaast gaf NIRAS aan dat er nog geen grensoverschrijdende effecten waren bepaald. Overigens vindt er momenteel wel overleg plaats met de Belgische autoriteiten om te komen tot werkafspraken in gevallen als deze. Zie hiervoor ook de beantwoording van vragen van uw Kamer van 16 september jl. (TK 2009–2010, 25 422, nr. 83).
Bent u het met mij eens dat ook Nederlandse gemeenten en andere belanghebbenden de mogelijkheid zouden moeten hebben tot inspraak, omdat NIRAS van plan is radioactief afval in het grensgebied op te slaan en de risico’s daardoor grensoverschrijdend zijn?
Het Afvalplan en de bijbehorende strategische milieueffectenbeoordeling (SEA) zijn bedoeld om een strategische principebeslissing door de Belgische overheid te ondersteunen. Er is nog geen sprake van een concreet plan of project en daarom ook geen inschatting van eventueel grensoverschrijdende risico’s. Pas in een later fase zal er sprake zijn van een concreet project waaraan diverse milieueffectbeoordelingen zijn gekoppeld. Inspraak door burgers, bedrijven en overheden in Nederland is dan mogelijk.
Bent u bereid NIRAS te verzoeken een nieuwe inspraakperiode in te stellen voor Nederlandse belanghebbenden, nog voordat de Belgische overheid een besluit neemt over het Afvalplan?
De Belgische wettelijke procedures voorzien niet in een verlenging van de inspraakperiode en/of een nieuwe inspraakperiode. Dus ook niet voor Nederlandse belanghebbenden. In diverse volgende fases van het project is echter opnieuw inspraak mogelijk.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Wetgevingsoverleg Energie op 6 december?
Ja.
Het effect van elektromagnetische straling van zendinstallaties |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van TU Delft en Wageningen Universiteit naar de effecten van draadloos internet op planten en bomen?1
Het onderzoek is nog niet beschikbaar en ik heb er geen kennis van kunnen nemen. De Universiteit Wageningen heeft een persbericht uitgebracht over een onderzoek dat niet openbaar is gemaakt. Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van de gemeente Alphen aan de Rijn. Het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid houdt op mijn verzoek de wetenschappelijk ontwikkelingen bij op het gebied van elektromagnetische velden. In dit Kennisplatform zijn deskundige instanties vertegenwoordigd die gezamenlijk informatie verstrekken over elektromagnetische velden. De rol van het Kennisplatform is om het publiek onafhankelijk en toegankelijk te informeren over de stand van de wetenschap inzake elektromagnetische velden. Het Kennisplatform heeft informatie opgevraagd bij de onderzoeker en deze informatie is te vinden op de website www.kennisplatform.nl.
Wat is uw reactie op de conclusies van het onderzoek? Bent u bereid de instituten te verzoeken het onderzoek en de conclusies daarvan openbaar maken?
Het is aan de onderzoeker of aan de opdrachtgever om het onderzoek openbaar te maken. Ik beschik niet over het onderzoek. Volgens informatie van het Kennisplatform geeft de onderzoeker van de Universiteit Wageningen zelf aan dat het gaat om eerste resultaten en dat die nog niet bevestigd zijn in een herhalingsonderzoek. De onderzoeker waarschuwt dat er nu nog geen vergaande conclusies te trekken zijn uit zijn resultaten. Ik heb daar niets aan toe te voegen.
Het rapport 'Van vmbo naar havo: tweestrijd over tweesprong' |
|
Jack Biskop (CDA), Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van ECBO «Van vmbo naar havo: tweestrijd over tweesprong?» dat op 24 november jl. is verschenen?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie dat vmbo-ers die doorleren op de havo meer succes zouden kunnen hebben als de havoscholen hun beleid ten aanzien van de ingestroomde vmbo-ers zou veranderen met name ten aanzien van het niet mogen doubleren in de klas vier?
Veel factoren spelen een rol bij een al dan niet succesvolle overstap van vmbo naar havo. Wel ben ik van mening dat het een kwalijke zaak is als VO-scholen met twee maten meten. Dit heb ik u tijdens het Algemeen Overleg op 12 oktober 2009 overigens ook gemeld.
Kunt u aangeven bij hoeveel scholen de regel is ingesteld dat doubleren voor voormalig vmbo-ers niet mag en waarop deze regel is gebaseerd?
Nee. Dit valt onder de ruimte die scholen hebben voor het formuleren van hun beleid. Scholen bepalen zelf de overgang- en doubleerbepalingen.
Kunt u aangeven wat de belemmerende factoren zijn die het doubleren veroorzaken in havo 4?
Hierbij kunnen meerdere factoren een rol spelen. Het vakkenpakket van vmbo-leerlingen is doorgaans minder breed en sluit minder goed op de profielen in havo 4. Ook kunnen algemene competenties een rol spelen zoals zelfstandigheid, studiehouding en – vaardigheden. In het ECBO-onderzoek is tevens gekeken naar persoonlijke achtergrondkenmerken als leeftijd, geslacht en afkomst. Deze drie factoren leveren echter geen substantiële bijdrage in de verklaring voor de gevonden verschillen in studiesucces tussen oud vmbo-ers en leerlingen uit havo-3.
Kunt u aangeven, of het mede gelet op de conclusies van het ECBO-rapport over onwennig zijn met havoleerstof etc, een beter resultaat zou opleveren indien de overgang van vmbo-3 naar havo 3 wordt bevorderd in plaats van pas na vmbo 4. Zo ja, bent u bereid deze overgang te bevorderen?
Het overgangsbeleid is volledig aan de school en dat laat ik zo.
De bibliotheca philosofica hermetica |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het relaas inzake de Amsterdamse Bibliotheca Philosofica Hermetica opgetekend in Trouw?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel. De recente ontwikkelingen binnen de BPH baren mij zorgen, in de eerste plaats vanwege het feit dat het rijksdeel van de collectie vanwege de beslaglegging op dit moment niet voor publiek en wetenschap toegankelijk is, in de tweede plaats omdat de collectie in de huidige instabiele situatie niet adequaat beheerd wordt.
Wat zijn de gevolgen van het conflict met de Frieslandbank voor de bestendiging van de collectie? Wat zijn de gevolgen voor de leerstoel en het betrokken onderwijs en onderzoek als de collectie uiteen zou vallen?
Het conflict met de Friesland Bank is er een tussen de heer Ritman en de bank. Ik ben daarin geen partij, maar constateer dat als gevolg hiervan de collectie als geheel (het private deel van de heer Ritman en het rijksdeel) niet langer in de huidige constellatie kan worden behouden. Voor mij is het primair van belang dat het rijksdeel van de collectie voor publiek en wetenschap beschikbaar en toegankelijk blijft. Mijn inspanningen in dit verband zijn erop gericht de gevolgen voor de leerstoel, het betrokken onderwijs en onderzoek zo klein mogelijk te houden.
Ziet u mogelijkheden de collectie te behouden? Wilt u zich hiertoe inspannen?
Ik zie mogelijkheden het rijksdeel van de collectie te behouden. Mijn inspanning nu is erop gericht het rijksdeel zichtbaar en toegankelijk te houden voor publiek en wetenschap.
Kunt u aangeven hoe de belofte van voormalig minister Van der Hoeven gestand wordt gedaan inzake het overnemen van de boekenverzameling?
Voormalig minister Van der Hoeven heeft geen belofte gedaan inzake het overnemen van de boekenverzameling.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende wetgevingsoverleg Cultuur?
Ja.
Het rapport van Human Rights Watch over de situatie in Burundi |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Sjoera Dikkers (PvdA), Klaas Dijkhoff (VVD), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Crackdown on Rights following Elections» van Human Rights Watch? Zo ja, wat is uw oordeel over dit rapport?
Ja, wij hebben kennis genomen van dit artikel en het onderliggende rapport «Closing doors? The narrowing of democratic space in Burundi». Wij delen de in het rapport geuite zorgen over arrestaties van journalisten, de geconstateerde gevallen van marteling en de beperking van de vrijheid voor oppositiepartijen en het maatschappelijk middenveld.
Bent u van mening dat zulke ernstige mensenrechtenschendingen zoals hier gemeld volstrekt ontoelaatbaar zijn?
Inderdaad zijn in het rapport vermelde mensenrechtenschendingen ernstig. Nederland heeft hiervoor in het verleden zowel in bilateraal als multilateraal verband nadrukkelijk en veelvuldig aandacht gevraagd bij de Burundese autoriteiten en zal dat ook in de toekomst blijven doen. Dit heeft onder andere geleid tot het stoppen van de martelingen en het weer mogelijk maken voor NGO-koepelorganisatie FORSC om haar werk te doen. Ook blijven wij zoeken naar manieren om de dialoog tussen de partijen te helpen stimuleren en de samenkomst te stimuleren van het Forum voor Politieke Partijen. Burundi heeft na vele jaren van burgeroorlog de afgelopen periode ook vooruitgang geboekt waar het gaat om de veiligheid van burgers, de vrijheid van meningsuiting, en het houden van verkiezingen waarbij de grondwettelijke voorzieningen werden nageleefd. Er is nog veel ruimte voor verbetering.
Krijgen de conclusies uit dit rapport een vertaling naar de ontwikkelingsrelatie die Nederland met Burundi heeft (ruim 2 miljoen euro in 2011 volgens de HGIS nota)? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Een fragiele staat als Burundi heeft te kampen met problemen waaronder de stabiliteit, de sociaaleconomische ontwikkeling en ook inzake mensenrechten en goed bestuur. Het Nederlandse samenwerkingsprogramma is erop toegesneden dit te verbeteren. Dit is zowel gericht op gedragsverandering bij en democratische controle op de veiligheidssector als op het creëren van een zichtbaar vredesdividend voor de bevolking. Deze inspanningen gaan gepaard met een voortdurende en kritische dialoog met de Burundese overheid over politieke en burgerlijke vrijheden in het land. De Nederlandse activiteiten in de veiligheidssector zijn gaande sinds 2005 en het huidige programma loopt met sterk afnemende intensiteit tot 2017. Wat betreft de positie van begrotingssteun in onze ontwikkelingsrelatie met Burundi verwijzen wij naar onze brief dd 14 december (DAF-855/10).
Deelt u de mening dat het Burundese maatschappelijk middenveld, dat met groot gevaar voor gewelddadigheden zijn werk doet, extra ondersteund moet worden? Zo ja, op welke wijze geeft u hier uiting aan? Zo nee, waarom niet?
Het werk dat het Burundese maatschappelijke middenveld verricht, verdient bewondering. De activiteiten van mensenrechtenorganisaties zijn van essentieel belang voor de versterking van de democratische rechtsstaat. Zij kunnen dan ook direct en indirect op onze steun rekenen. Zo wordt binnen het Burundees-Nederlandse veiligheidssectorprogramma aandacht besteed aan het tot stand brengen van een dialoog tussen non-gouvernementele organisaties enerzijds en leger en politie anderzijds. Daarnaast worden Burundese ngo’s door Nederlandse MFS-organisaties ondersteund.
Het geweld in Burundi is exemplarisch voor het Grote Merengebied? Kunt u aangeven wat de rol van Nederland zal zijn in dat kwetsbare gebied?
Het Grote Merengebied is een door geweld en instabiliteit geplaagde regio, en Burundi vormt daarop helaas geen uitzondering. In de Basisbrief Ontwikkelingssamenwerking wordt aangegeven dat veiligheid en rechtsorde in fragiele staten een prioriteit is in het beleid en dat Nederland zal blijven inzetten op het bevorderen van vrede, stabiliteit en ontwikkeling. Wij zullen u voorjaar 2011 informeren op welke partnerlanden en gebieden wij ons daarbij zullen concentreren.
De bedreiging van ex-moslims in asielzoekerscentra |
|
Gerard Schouw (D66), Kees van der Staaij (SGP), Joram van Klaveren (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Bent u werkelijk van mening dat de analyse van gegevens uit het bewonersinformatiesysteem representatief is voor de schaal waarop de vermeende bedreigingen en geweldplegingen plaatsvinden? Betekent dit dat er in de afgelopen twee jaar, verdeeld over ongeveer 60 Asielzoekerscentra (AZC) slechts 24 incidenten zijn geweest waarbij asielzoekers vanwege hun religie, etniciteit, sekse, seksuele gerichtheid of ander kenmerk, slachtoffer werden van bedreigingen en geweld?
Alleen in gevallen waarin een bewoner een incident meldt, wordt dit geregistreerd. De 24 incidenten zijn situaties waarin dit is gebeurd. Omdat incidenten alleen worden geregistreerd wanneer deze worden gemeld, kan niet worden uitgesloten dat zich de afgelopen twee jaar situaties hebben voorgedaan die, wanneer deze waren gemeld, tot registratie hadden geleid.
Hoe kan het dat er in twee jaar slechts 24 incidenten zijn geregistreerd, terwijl het meldpunt van Secret Garden de afgelopen anderhalf jaar 158 klachten ontving van asielzoekers die vanwege hun seksuele gerichtheid slachtoffer werden van bedreiging en geweld, en ook uit de ervaring en peiling van de stichting Gave blijkt dat het aantal incidenten hoger moet liggen dan de genoemde drie incidenten, als het gaat om ex-moslims die slachtoffer zijn van bedreiging en geweld?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak de politie per jaar moet uitrukken om in te grijpen bij conflicten op een AZC?
In de eerdere beantwoording van de kamervragen1 heb ik al aangegeven de signalen serieus te nemen en ook dat het COA reeds laagdrempelige voorzieningen om incidenten te kunnen melden heeft getroffen. Voor het instellen van een vertrouwenspersoon zie ik daarom geen reden. Zoals aangegeven in het begrotingsdebat d.d. 1 december jl. ben ik bereid in overleg te treden met belangenorganisaties en zal ik uw Kamer informeren over de resultaten van dit gesprek. Daarbij zal ik tevens ingaan op de vraag hoe vaak de politie moet uitrukken bij conflicten op een azc.
Deelt u de mening dat het vertrouwen van de asielzoekers in de overheid en in het rechtssysteem niet als vanzelfsprekend mag worden aangenomen?
Ja.
Deelt u de mening dat juist vanwege het recht dat asielzoekers hebben op een veilige opvangsituatie, ongeacht hun nationaliteit, etniciteit, religie, seksuele geaardheid of politieke overtuiging, een laagdrempelig meldingssysteem van belang is wanneer deze veiligheid in het geding is?
Ja. Het COA heeft de opdracht om asielzoekers in een veilige en leefbare omgeving op te vangen. Het COA beschikt daartoe over een laagdrempelig meldsysteem. Voor bewoners bestaat de mogelijkheid om via een medewerker van het COA incidenten al dan niet anoniem te melden. Indien een bewoner aangifte wil doen kan in overleg met de politie gekeken worden naar noodzakelijkheid van openbaarheid van de aangifte.
Deelt u de mening dat bij een eerste laagdrempelige mogelijkheid tot melding vertrouwelijkheid en geheimhouding het uitgangspunt moeten zijn, waarna in overleg met de asielzoeker kan worden gekeken of openbaarheid en aangifte noodzakelijk zijn?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de signalen van stichting Gave en Secret Garden serieus te nemen en een vertrouwenspersoon in het leven te roepen bij wie asielzoekers te rade kunnen gaan als ze worden bedreigd?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom zegt u niet toe dat in het geval van (doods)bedreigingen en mishandeling, niet het slachtoffer overgeplaatst hoeft te worden naar een andere (veilige) locatie, maar dat de dader zal worden overgeplaatst naar de vreemdelingendetentie?
Zoals ik in de eerdere beantwoording van de kamervragen1 heb aangegeven, moet de vraag of de dader in vreemdelingendetentie kan worden geplaatst per geval worden bekeken. Ik heb het COA verzocht om in geval van een incident, in overleg met de betrokken ketenpartners, te bezien in hoeverre de stand van zaken in de procedure mogelijkheden biedt voor een plaatsing in vreemdelingendetentie.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de behandeling van de begroting van Immigratie en Asiel?
Ja. Dit is echter helaas niet mogelijk gebleken.
Het mogelijk afschaffen van de Wtcg |
|
Renske Leijten (SP), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat u overweegt de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) af te schaffen?1
De Wtcg is ingesteld om chronisch zieken en gehandicapten een tegemoetkoming te verschaffen voor de meerkosten die zij maken als gevolg van hun aandoening of beperking. Deze groepen maakten nauwelijks gebruik van de fiscale aftrekmogelijkheden voor buitengewone uitgaven, terwijl die fiscale regeling juist voor hen was bedoeld. In de berichtgeving over de Wtcg is veelvuldig benadrukt dat de tegemoetkoming nog niet in alle gevallen goed terecht komt. Hierbij is onderbelicht geraakt dat het geld in veel gevallen ook wél terecht komt bij de mensen die we met de Wtcg willen ondersteunen.
Dit laat onverlet dat ik in het interview met EenVandaag heb aangegeven dat de tegemoetkoming daadwerkelijk terecht moet komen bij de mensen waarvoor de regeling is bedoeld. Ik heb geconstateerd dat de doelgroepbepaling nu nog niet optimaal is. De regeling moet dus beter. Het vorige kabinet heeft op advies van de Taskforce Verbetering Afbakening Wtcg al verbeteringen aangebracht in de afbakeningscriteria van de Wtcg. Die verbeteringen worden in 2011 merkbaar. Ik ben voornemens om de regeling na de uitkeringsronde van 2011 te evalueren. Als dan blijkt dat de regeling dan nog niet werkt zoals we beogen, wil ik zelf nog een poging doen om de criteria te verbeteren. Zoals ik echter heb aangegeven, kun je niet oneindig doorgaan met verbeteren. Als uiteindelijk blijkt dat we de regeling niet goed krijgen, dan moeten we op zoek gaan naar iets anders.
Bent u zich ervan bewust dat deze uitspraak leidt tot veel ongerustheid bij mensen die een tegemoetkoming hard nodig hebben om zorgkosten (deels) gecompenseerd te krijgen?
Zie antwoord vraag 1.
Staat u garant voor een vervangende regeling als u het niet lukt om de Wtcg beter terecht te laten komen?2
Verwijzend naar bovenstaand antwoord ben ik thans niet voornemens om de Wtcg tegemoetkoming af te schaffen zonder dat hier iets voor in plaats komt.
Erkent u dat de belofte dat de Wtcg het instrument was om geld beter terecht te laten komen dan de Buitengewone aftrek bijzondere ziektekosten is geschaad?3
De Wtcg is begin 2009 ingesteld ter vervanging van de buitengewone uitgavenregeling (BU). Ik wil daarbij benadrukken dat de Wtcg een samenstel van maatregelen omvat en dus méér is dan alleen de algemene tegemoetkoming. Naast deze tegemoetkoming regelt de Wtcg ook een korting op de eigen bijdrage voor de AWBZ en de Wmo, maandelijkse inkomenscompensatie voor ouderen en een jaarlijkse tegemoetkoming van € 350,– voor mensen die meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Tenslotte is er ook een nieuwe fiscale regeling voor specifieke zorgkosten. De doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten wordt door dit samenstel van maatregelen veel beter bereikt dan bij de BU het geval was. Zoals ik in mijn antwoord op vragen 1 en 2 heb aangegeven, laat dit onverlet dat de afbakening van de doelgroep voor de algemene tegemoetkoming nog niet optimaal is en verder wordt verbeterd.
Acht u het mogelijk dat er een nieuwe fiscale mogelijkheid wordt gecreëerd voor teruggave van concrete kosten die samenhangen met chronische ziekte? Zo ja, bent u bereid dit te bespreken met uw collega van Financiën? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven reeds gesteld, bestaat de Wtcg uit vijf verschillende maatregelen en één daarvan is een fiscale regeling voor specifieke zorgkosten. Op grond van deze regeling is het nu al mogelijk om zorgkosten die niet langs een andere weg worden vergoed op te voeren bij de aangifte inkomstenbelasting. Zo kunnen uitgaven voor onder andere genees- en heelkundige hulp, voorgeschreven medicijnen, hulpmiddelen zoals steunzolen of een kunstgebit, een dieet op medisch voorschrift of extra gezinshulp via de belasting worden afgetrokken. Het creëren van een nieuwe fiscale regeling voor kosten die samenhangen met een chronisch ziekte acht ik dan ook niet aan de orde.
Het bericht dat in 2011 ruim vier miljoen huizenbezitters 200 miljoen euro te veel aan onroerendezaakbelasting (OZB) betalen |
|
Brigitte van der Burg (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeente nept huiseigenaren»?1
Ja.
Deelt u de mening van Vereniging Eigen Huis (VEH) dat eigenwoningbezitters, eigenaren van bedrijfspanden en woningcorporaties in 2011 een geschatte 200 miljoen euro teveel aan OZB betalen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die mening niet. Deze € 200 miljoen is een cumulatie van effecten op basis van de macronorm over de jaren 2008 tot en met 2011. Er is geen sprake van het «teveel betalen aan OZB» zoals u stelt, maar van normale stijgingen van de lokale lasten. In dit kader is interessant dat het Centrum voor onderzoek lokale overheden (Coelo) van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van RTL-nieuws heeft becijferd dat de gemeenten in 2011 fors bezuinigen op de uitgaven. Het gaat omgerekend om gemiddeld € 258 per inwoner. De invulling van hun ombuigingstaakstelling leidt maar in beperkte mate tot een stijging van de OZB-inkomsten, namelijk € 2,70 per inwoner op basis van begrotingscijfers.2
Is het waar dat de cijfers die de VEH gepubliceerd heeft niet gecorrigeerd zijn voor inflatie? Zo ja, is het mogelijk dat hierdoor een vertekend beeld ontstaat van lastenverhoging, terwijl in werkelijkheid de lokale lasten dalen?
De cijfers van de VEH zijn niet gecorrigeerd voor inflatie. Als in het voorjaar van alle gemeenten gegevens beschikbaar zijn, de gegevens meer definitief zijn en meer inzicht bestaat in de inflatie zal een beter beeld ontstaan van de lastenstijging in reële termen.
Hoe wordt de inflatie berekend door gemeenten? Welke definitie en welke verdeelsleutel worden hiervoor gehanteerd en zijn deze vastgelegd in de macronormering van de OZB?
In de circulaires gemeentefonds informeert het Rijk de gemeenten over inflatie. Zij zijn echter vrij eigen veronderstellingen over de verwachte inflatie te hanteren. In de macronorm OZB wordt voor wat betreft het inflatiecijfer ieder jaar uitgegaan van het inflatiepercentage (prijsontwikkeling Nationale Bestedingen) zoals geraamd in het Centraal Economisch Plan (jaar t-1).
Klopt het dat bijvoorbeeld een gemeente als Groningen de jaarlijkse inflatie van bijvoorbeeld 2% slechts voor 20% laat meewegen in de verdeelsleutel en de stijging van de kosten van de gemeente (personeelskosten e.d.) van bijvoorbeeld 5% voor 80%, waardoor een tariefstijging van 4,4% mogelijk is in plaats van 2%? Bij hoeveel andere gemeenten wordt zo gerekend?
Het vaststellen van het OZB-tarief is een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. Dat geldt ook in het specifieke geval van de gemeente Groningen. Op welke wijze het OZB-tarief wordt berekend is aan de gemeenten zelf.
Kunt u uiteenzetten of en zo ja, welke maatregelen worden genomen om de samenhang van de OZB met het lokale voorzieningsniveau transparant te maken?
Bij het opstellen van de begroting geeft de gemeente aan welke uitgaven zij het komende jaar verwacht en welke inkomsten daar bij passen. De hoogte van de tarieven en de opbrengst van de OZB is in de gemeenteraad onderwerp van debat. Omdat dit een zeer zichtbare belasting is wordt over het algemeen goed gediscussieerd over deze belasting in de gemeenteraad en een afgewogen beslissing genomen over het tarief.
Klopt het dat in de macronormering van de OZB standaard uitgegaan wordt van 2% economische groei? Is uitgaan van een standaard groeipercentage van 2% niet te hoog? Zo ja, waarom wordt hier dan aan vastgehouden? Zo nee, waarom niet?
Bij invoering van de macronorm hebben het Rijk en de gemeenten de bestuurlijke afspraak gemaakt dat het cijfer voor economische groei in de macronorm OZB (de reële trendmatige groei van het BBP) wordt vastgesteld voor de duur van de kabinetsperiode. In de macronorm voor de jaren 2008 tot en met 2010 is zodoende uitgegaan van een economische groei van 2%. Onder het huidige kabinet gaat de macronorm 2011 conform de meest recente raming van het CPB uit van een economische groei van 1,75%.
Is in tijden dat de economische groei boven de 2% lag ook vastgehouden aan de norm van 2%? Zo nee, waarom niet? Zo ja, voor welke jaren gold dit dan?
Zie het antwoord bij vraag 7.
Bent u het eens met de VEH dat de macronormering van de OZB zichzelf heeft gediskwalificeerd, omdat er standaard uitgegaan wordt van 2% economische groei per jaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Nee, zoals ik hiervoor heb aangegeven deel ik deze opvatting niet. Wel beraad ik mij voor de komende kabinetsperiode op het al dan niet continueren van de bestaande macronorm of het overgaan op een alternatief. In de afwegingen bij de besluitvorming van het kabinet daarover zullen de systematiek en indexering nog aan de orde komen.
Kunt u zich voorstellen dat de burgers het als onrechtvaardig ervaren dat de OZB hoger wordt, terwijl de waarde van hun onderpand daalt?
Zoals ik eerder aangaf bij het antwoord op vraag 6, is de tariefstelling van de OZB onderwerp van debat in de gemeenteraad. Indien een gemeente bij een dalende waarde van de onroerende zaak een gelijkblijvende opbrengst nodig acht voor het te voeren beleid, dan kan men er toe besluiten het tarief van de OZB te verhogen. Per saldo levert dit de burger dan geen lastenverzwaring op. Het is uiteindelijk aan de gemeente om te besluiten welke inkomsten nodig zijn om de verwachte uitgaven te kunnen dekken.
Bent u bereid om de macronorm OZB aan te passen om dit gevoel van onrechtvaardigheid weg te nemen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals is toegezegd tijdens het debat over de regeringsverklaring, zal dit kabinet een besluit nemen over de toekomst van de macronormering van de OZB. Ik zal de besluitvorming daartoe voorbereiden. In de afweging kunnen ook alternatieven aan bod komen. In een komend Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen zal ik het onderwerp agenderen. Deze overleggen van BZK en FIN met VNG en IPO vinden halfjaarlijks plaats, namelijk in het voor- en najaar. Over de uitkomst van de besluitvorming informeer ik de Tweede Kamer per brief.
De groeiende afstand tussen schoolbesturen en de werkvloer in het onderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat de verplichte bovenschoolse afdracht, per bestuur sterk verschilt en in sommige gevallen oploopt tot wel 30% van de bekostiging die zij ontvangen van het ministerie?
Schoolbesturen in het primair- en voortgezet onderwijs ontvangen voor hun scholen van het ministerie van OCW jaarlijks één bedrag voor materiële en personele kosten. De hoogte van het budget dat schoolbesturen ontvangen hangt onder andere af van het aantal scholen en het aantal leerlingen. Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur om deze middelen aan te wenden ten dienste van het onderwijs. De invoering van lumpsumbekostiging biedt schoolbesturen de mogelijkheid op basis van eigen keuzes de middelen in te zetten voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. Men kan daarmee de financiële en onderwijsinhoudelijke prioriteiten zelf bepalen.
Het is aan het bestuur om te bepalen in welke mate taken centraal of decentraal worden uitgevoerd. Een meer centrale aanpak kan bijdragen aan ontlasting van schoolleiders en leraren op schoolniveau. De kosten die gepaard gaan met een dergelijke bovenschoolse organisatie zullen veelal samenhangen met de keuzes van het schoolbestuur. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om middelen voor de bovenschoolse bestuurlijke organisatie, na(scholing), gemeenschappelijk inkoopbeleid, personeelsbeleid e.d.
Schoolbesturen verantwoorden zich jaarlijks in het jaarverslag over het door hen gevoerde financieel beleid. Er zijn het ministerie geen signalen bekend van afdrachtpercentages van 30% van de bekostiging. Ik beoordeel dan ook niet het percentage bovenschoolse afdracht maar, via het reguliere toezicht van de Inspectie van het Onderwijs, de kwaliteit van het onderwijs en de rechtmatigheid van de besteding van de bekostiging. Verder ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de medezeggenschap en de interne toezichthouder. In geval van hoge bovenschoolse kosten zijn zij in positie om kritische vragen te stellen. In de beantwoording van de volgende vragen ga ik daar verder op in.
Ik verwacht van scholenbesturen dat zij zeer kritisch omgaan met dit vraagstuk en dat bestuurders zich in hun afwegingen laten leiden door bescheidenheid en aanspreekbaarheid.
Deelt u de mening dat zulke hoge afdrachtpercentages buitenproportioneel zijn en dat deze de kwaliteit van het primaire proces in het onderwijs ondermijnen?
Zie mijn antwoord op vraag 1. Overigens ben ik van mening dat hierin een grote rol is weggelegd voor de medezeggenschapsraad die de kosten van bovenschools management ter sprake kan brengen en transparantie kan eisen. Gezien het belang van goede verantwoording over het gevoerde financiële beleid door schoolbesturen zal ik in de evaluatie van de Wet medezeggenschap op scholen aandacht besteden aan de wijze waarop de medezeggenschap haar verantwoordelijkheid oppakt. De evaluatie is voorzien in 2012. Verder ligt er ook een taak voor de Raad van Toezicht of overige toezichthouders om hier kritisch op toe te zien. Beide organen zijn instrumenten voor checks en balances in het belang van het primaire onderwijsproces.
Bestaat er een overzicht waaruit blijkt welke schoolbesturen, welke percentages hanteren voor de verplichte bovenschoolse afdracht? Zo ja, kunnen wij dat overzicht toegestuurd krijgen? Als er geen overzicht bestaat, bent u dan bereid om de Kamer op redelijke termijn dit overzicht te verschaffen?
Het primair en voortgezet onderwijs kennen geen voorschriften voor besturen om te (laten) registreren welk deel van de bekostiging wordt aangewend voor bovenschoolse activiteiten. Zonder het opleggen van extra administratieve lasten kan ik niet over het gevraagde overzicht beschikken. Daarnaast lopen er twee zaken door elkaar: verplichte afdracht wil niet zeggen dat er veel overhead is. Alleen dat een deel van de bekostiging via het bestuur loopt.
Uit het onderzoek «Overhead of onderwijs», uitgevoerd door Ecorys en IPSE studies te Delft in opdracht van de VO-raad (oktober 2007) is namelijk gebleken dat in het voortgezet onderwijs van elke 100 euro, 7 euro wordt besteed aan management en 10 euro aan ondersteuning. De rest gaat direct naar het primaire onderwijsproces. Uit recent onderzoek door Bureau Berenschot blijkt dat in het primair onderwijs voor de totale formatie die bovenschools wordt ingezet het gemiddeld percentage maar 2,7 procent is.
Tegen deze achtergrond zie ik geen noodzaak om schoolbesturen extra te belasten met een dergelijke bevraging. Neemt niet weg dat wat betreft de omvang van het bovenschoolse management en de daaraan gekoppelde middelen er altijd verschillen tussen diverse schoolbesturen zullen bestaan. Dit vanwege de samenhang met de specifieke inrichting van de organisatie.
Hoe beoordeelt u het als schoolbesturen fulltime juristen in dienst hebben?
Schoolbesturen maken zelf de afweging op welke wijze de formatie van het onderwijs ondersteunend personeel wordt ingevuld.
Hoe beoordeelt u de juridisering van de verhouding tussen scholen en ouders? Zullen aanstellingen van fulltime juristen slechts zijn bedoeld om zich in te dekken tegen (lastige) ouders? Deelt u de mening dat rechtstreeks contact tussen ouders en het schoolbestuur de voorkeur verdient boven afhandeling van klachten door juristen?
Ik deel uw mening dat het zeker de voorkeur verdient dat schoolbesturen en bijvoorbeeld ouders het gesprek met elkaar aangaan en er gezamenlijk in goede harmonie uit komen. Of en in welke mate de verhouding tussen scholen en ouders juridiseert is mij niet bekend.
Scholen kunnen juridisch gekwalificeerde mensen inzetten. De juristen worden niet alleen ingezet bij zaken met betrekking tot ouders, maar ook personeelszaken en andere maatschappelijke domeinen doen meer en meer een beroep op de juridische expertise binnen scholen. Maar ook de ouders gaan hierin mee en roepen steeds vaker juridische ondersteuning in gezien het belang dat zij in de materie stellen.
Deelt u de mening dat er andere en betere manieren zijn om rechtsbijstand te borgen, bijvoorbeeld door een rechtsbijstandsverzekering te nemen of lid te worden van de vakbond of een werkgeversvereniging? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de signalen dat grote schoolbesturen zich lijken af te schermen van de schoolleiders doordat zij signalen, vragen en wensen vanuit de werkvloer, laten uitfilteren door clustermanagers? Bent u niet bang dat op deze manier de kloof tussen het schoolbestuur en de werkvloer groter wordt?
Het is aan besturen om te zorgen dat zij voldoende weten wat er op de werkvloer speelt. Een Code Goed Bestuur is voor scholen verplicht, waarin horizontale verantwoording en communicatie met interne en externe partijen belangrijke onderdelen zijn. In het voortgezet onderwijs heeft een grote meerderheid van de besturen de code van de VO-raad reeds op alle onderdelen ingevoerd. Voor het primair onderwijs heeft de PO-Raad een Code Goed Bestuur ontwikkeld die momenteel door haar leden wordt geïmplementeerd.
Daarnaast speelt ook de medezeggenschap een belangrijke rol. Er ligt voor een deel een taak bij de (G)MR om de kloof tussen schoolbesturen en de werkvloer op de scholen te beslechten. Daar hebben zij voldoende ruimte en bevoegdheden voor.
Deelt u de mening dat Kamerleden individuele casuïstiek, inclusief hoor- en wederhoor, soms nodig hebben om een meer algemeen punt politiek te agenderen en bent u voorts van mening dat scholen en schoolbesturen daaraan medewerking zouden moeten verlenen, ook als het om privacygevoelige onderwerpen gaat?
Dat Kamerleden hun oor te luister leggen in de sector om te weten wat er speelt lijkt me prima. In de onderwijswetten is bepaald dat besturen van scholen aan de minister van OCW informatie verstrekken ten behoeve van het vaststellen van de bekostiging dan wel het te voeren beleid. Daarnaast legt elk bestuur verantwoording af door middel van het jaarverslag. Behoudens wettelijke verantwoordingsverplichtingen is het aan schoolbesturen om eigenstandig een afweging te maken of medewerking wordt verleend aan nadere (privacygevoelige) informatieverstrekking. Tenzij medewerking wordt gevraagd in het kader van de Wet op de parlementaire enquête 2008, dan vervalt het recht voor besturen om zich te onthouden van dergelijke informatieverstrekking. Nadere aanpassing van regelgeving op dit punt is wat mij betreft niet noodzakelijk.
Hoe beoordeelt u de ongeschreven regels en/of de gedragscode die sommige besturen hanteren dat directies/ leerkrachten niet mogen overleggen met volksvertegenwoordigers?
Dergelijke signalen zijn mij niet bekend.
Deelt u de ongerustheid over de manier waarop schoolbesturen bijna drie jaar na het verschijnen van het rapport van de commissie-Dijsselbloem, dat een wantrouwen tussen de managers en leraren signaleerde, nog altijd niet een gepaste bescheidenheid weten op te brengen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Het is de taak van de interne toezichthouder, in het schoolbestuur of in de Raad van Toezicht, erop toe te zien dat de WMS op school- en bestuursniveau naar behoren wordt uitgevoerd. Voor 1 augustus 2011 hebben alle besturen een functiescheiding in het kader van het interne toezicht tot stand gebracht. Ook de verplichting van het hebben van Code Goed Bestuur voor het primair en voortgezet onderwijs biedt hiervoor aanknopingspunten, bijvoorbeeld als het gaat om de bestuurscultuur en integer handelen.
Als sprake is van onbehoorlijk handelen van de leden van medezeggenschapsraden, schooldirecteuren of -bestuurders kunnen betrokkenen een klacht indienen bij de klachtencommissie van de school. Tevens kan de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van signalen nader onderzoek starten.
Het plan voor provinciale parallelwegen A12 bij Gouda, Zuidplas, Waddinxveen en Lansingerland |
|
|
|
|
Bent u bekend met de plannen voor provinciale parallelwegen langs de A12 bij Gouda, Zuidplas, Waddinxveen en Lansingerland?
Ja. Het project maakt onderdeel uit van het MIRT Projectenboek 2011, pagina 183.
Zoals ik u tijdens het Notaoverleg heb toegezegd informeer ik u hierbij over de afwegingen die zijn gemaakt.
Er is sprake van een fors verkeersknelpunt ter hoogte van het Gouweaquaduct, waar de A12 en de A20 samenkomen. Dit wordt met name veroorzaakt door de vele weefbewegingen die er worden gemaakt. Het betreft het kruisen van de verkeersstromen Rotterdam–Utrecht (A20 richting A12 in oostelijke richting) en Den Haag–Gouda (A12 afslag Gouda). Daarnaast dient de Zuidplaspolder beter te worden ontsloten, met het oog op de ruimtelijke ontwikkelingen rond de Zuidplas.
Uit onderzoek (het eindrapport van de MIRT-Verkenning) blijkt, dat een oplossing op het hoofdwegennet te weinig soelaas biedt. Het scheiden van de verkeersstromen, afhankelijk van hun herkomst en bestemming, door het realiseren van een parallelstructuur brengt de oplossing wel en heeft daarbij een MKBA-score van 5,2.
Wordt de afrit Gouda vanuit Den Haag richting Utrecht, zoals tekeningen aangeven, afgesloten en wat zijn daarvan dan de gevolgen in termen van de noodzaak van omrijden en extra vertraging en files?
De eerste afrit A12 vanuit Den Haag richting Utrecht ná het Gouweaquaduct wordt gedeeltelijk opengelaten. Voor het verkeer vanuit Rotterdam (A20) richting Gouda blijft deze afrit open.
Het verkeer vanuit Den Haag richting Gouda zal gebruik maken van de te realiseren parallelbaan ten noorden van de A12 ter hoogte van het Gouweaquaduct.
Met deze ingreep worden vertragingen en files op het hoofd- en op het onderliggend wegennet gereduceerd. De verkeersstromen Den Haag–Gouda en Rotterdam–Gouda zitten elkaar op het HWN niet langer in de weg. Dit principe, ontvlechting van verkeersstromen, is één van de principes uit de MobiliteitsAanpak.
De reistijd Den Haag–Gouda en Gouda–Den Haag wordt hierdoor tijdens spitstijden aanmerkelijk korter. Buiten de spitstijden kan de reistijd naar Den Haag–Gouda door de iets langere aanrijdroute (circa 1,2 kilometer) toenemen. Naar verwachting is dit ongeveer 2 minuten, waarin het openingsregime van de brug en verkeerslichten (groene golf) onderweg niet zijn meegenomen.
Waarom eindigt de parallelweg aan Noordzijde richting Zoetermeer/Den Haag in een buurtschap in Lansingerland? Welke overlast en files zal dat veroorzaken?
De Rottelaan eindigt niet in het buurtschap Kruisweg, maar sluit in Lansingerland aan op de N209.
De Rottelaan is niet verbonden met de lokale Kruisweg van het buurschap en veroorzaakt hier geen files. Integendeel, het ontlast de onderliggende wegenstructuur en vermindert congestie op de A12 als gevolg van in- en uitvoegend bestemmingsvrachtverkeer met een lokale bestemming (voornamelijk de veiling van Bleiswijk).
Hoe beoordeelt u de gevolgen van het plan voor de doorstroming op de A12 en de ontsluiting van de bouwlocatie Zuidplas?
Ik beoordeel de gevolgen van het project als positief, zowel voor de doorstroming op het hoofdwegennet als voor de bereikbaarheid van de regio.
Het project A12/A20 Parallelstructuur Gouweknoop is ook bedoeld om de doorstroming op de A12 te verbeteren en tevens de Zuidplas beter bereikbaar te maken.
Kunt u de vermoedens bevestigen dat door deze plannen forse nieuwe verkeersproblemen ontstaan of kunt u beargumenteerd aantonen dat er sprake is van een verbetering en versnelling van de verkeersafwikkeling?
Er ontstaan geen nieuwe verkeersproblemen. Ik verwijs u verder graag naar mijn antwoorden op uw vragen 2, 3 en 4.
Is het niet verstandiger om een alternatief uit te werken met een vergroting van het Gouweknooppunt en aanleg van de Moordrechtboog, zo mogelijk in combinatie met een parallelstructuur over langere afstand, zoals die bij Den Bosch en Eindhoven is gerealiseerd?
Nee. In de Verkenningenfase is een dergelijke oplossing onderzocht. Uit het eindrapport van de MIRT-Verkenning blijkt, dat een oplossing op het hoofdwegennet minder oplossend vermogen heeft. Een parallelstructuur zoals bij Den Bosch en Eindhoven zal bovendien veel duurder zijn.
Bent u van mening dat wanneer de gevolgen van de provinciale plannen zo negatief zijn, deze plannen direct in de prullenbak moeten verdwijnen? Bent u tevens van mening dat er een plan moet komen dat daadwerkelijk de doorstroming op de A12 en de toegankelijkheid van genoemde gemeenten bevordert?
Nee. Zie mijn antwoorden op uw vragen hierboven.
Het DNA-verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten (VS) |
|
Ard van der Steur (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opstelten sluit dna-verdrag met VS»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland en de Verenigde Staten toegang krijgen tot elkaars databanken met gegevens over dna-profielen en vingerafdrukken? Zo ja, is er sprake van volledige wederkerigheid?
Ja, in individuele gevallen wordt via daartoe geautoriseerde medewerkers van nationale contactpunten toegang mogelijk gemaakt tot elkaars databanken met referentiegegevens over vingerafdrukken en DNA-profielen. Ik verwijs naar de brieven van 14 juni en 13 augustus 2010 die mijn ambtvoorganger, mede in zijn hoedanigheid van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, aan uw Kamer heeft gestuurd (TK, 2009–2010, 32 123 VI, nrs. 109 en 124). Wat betreft de wederkerigheid verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3 van het lid Schouw van uw Kamer (2010Z17699, ingezonden 25 november 2010).
Klopt het dat u van mening bent dat ernstige misdrijven hierdoor sneller kunnen worden opgelost? Zo ja, waar baseert u dit op? Zijn er concrete zaken in het verleden die hier aanleiding toe geven? En wat verstaat u precies onder een ernstig misdrijf?
Ja. De Verenigde Staten van Amerika (VS) en Nederland sturen elkaar op dit moment al verzoeken om matching van DNA-profielen en vingerafdrukken bij misdrijven. Het matchen gebeurt nu handmatig en de afhandeling duurt vaak lang. Door de afspraken uit het verdrag zal het matchen en het afhandelen sneller verlopen en kunnen verdachten van ernstige misdrijven sneller opgespoord worden. Er zijn geen specifieke zaken die aanleiding hebben gegeven tot het sluiten van dit verdrag. Ik verwijs naar bovengenoemde brief aan uw Kamer van 13 augustus 2010 voor een omschrijving van de strafbare feiten waarop het verdrag van toepassing is.
Kunt u precies aangeven welke waarborgen en protocollen in het verdrag zijn opgenomen als het gaat om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Zo nee, waarom niet?
De referentiegegevens over vingerafdrukken en DNA-profielen in de databanken zijn niet herleidbaar tot de identiteit van de betrokken personen. Als het uitwisselen van referentiegegevens een match oplevert, is het verstrekken van de gerelateerde persoonsgegevens pas aan de orde als daartoe een rechtshulpverzoek is ontvangen. Ik verwijs verder naar de in het antwoord op vraag 2 genoemde brieven, mijn antwoord op vraag 8 van het lid Schouw van uw Kamer (2010Z17699, ingezonden 25 november 2010) en de tekst van het verdrag (Tractatenblad 2010, 321).
Weet u dat de Amerikaanse wetgeving voorschrijft dat de Amerikaanse regering met landen die deelnemen aan het Visa Waiver Program of daarvoor in aanmerking willen komen, maatregelen overeenkomt om de uitwisseling van informatie met betrekking tot de veiligheid en de rechtshandhaving te versterken? Gaat het hier om een dergelijke maatregel? Zo nee, waarom is er dan tot dit verdrag besloten?
Ja, ik verwijs naar de eerdergenoemde twee brieven aan uw Kamer.
Sluiten andere lidstaten van de Europese Unie vergelijkbare verdragen met de Verenigde Staten? Zo ja, welke lidstaten?
Volgens de Amerikaanse overheid zijn er op dit moment 15 andere EU-lidstaten die met het Prevention and Combatting of Serious Crime (PCSC) verdrag vergelijkbare overeenkomsten met de VS hebben ondertekend. Het gaat om Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije, Estland, Finland, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Litouwen, Malta, Portugal, en Spanje.
Is er sprake van afstemming tussen de lidstaten van de Europese Unie in dezen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik verwijs naar het antwoord op vragen 3 en 4 van het lid Hennis-Plasschaert en het toenmalige lid Teeven van uw Kamer (2010Z14346, ingezonden 7 oktober 2010). Bij de totstandkoming van het verdrag tussen Nederland en de VS is uiteraard wel sprake geweest van informele contacten met andere EU-lidstaten.
De integrale bekostiging van zorg aan chronisch zieken |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht in de zaak die zorggroep Meditta had aangespannen tegen zorgverzekeraar Achmea?1
Ja.
Welk effect verwacht u dat dit vonnis heeft op de voortgang van ketenzorg?
Ketenzorg, oftewel integrale zorg voor chronisch zieken vind ik – net als mijn voorganger – van groot belang. Naar mijn mening doet dit vonnis niets af aan het huidige beleid en ik verwacht ook niet dat het een structureel negatief effect op de ontwikkeling van ketenzorg zal hebben. Ik hoop dat het vonnis de nodige duidelijkheid geeft op basis waarvan zorgaanbieders en verzekeraars in de nabije toekomst tot overeenstemming kunnen komen over de bekostiging van integrale zorg.
Handelt Achmea volgens u in lijn met de bedoeling van de overgangsregeling?
De overgangs-regeling is opgesteld met als doel partijen ervaring op te laten doen met de nieuwe wijze van bekostigen. Het vonnis is er duidelijk over dat Achmea niet in strijd handelt met de overgangsregeling. Het verwijst onder meer naar de bepaling in de beleidsregel «Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronisch zieken». Deze bepaling sluit de bekostiging van afzonderlijke prestaties in plaats van integrale bekostiging niet uit. Als partijen in de onderhandelingen niet tot afspraken over integrale bekostiging kunnen komen blijft het alternatief van bekostiging via de afzonderlijke deelprestaties beschikbaar, al dan niet gecombineerd met een zogenaamd koptarief.
Wat is uw visie op ketenzorg en integrale bekostiging? Wat zijn volgens u de effecten van het invoeren van integrale zorgprogramma’s op de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken? Wanneer kan de Kamer informatie over de vervolgstappen die u ziet voor het verbeteren van de ketenzorg tegemoet zien?
Ik ben van mening dat de programmatische aanpak van chronische ziekten van grote waarde is, omdat het de patiënt centraal stelt en gebaseerd is op zorgstandaarden die de norm voor goede zorg beschrijven. Integrale zorgprogramma’s zullen naar verwachting resulteren in een betere zorg en daarnaast in een verschuiving van zorg vanuit de tweedelijn naar de eerstelijn.
Om de totstandkoming van dergelijke zorgprogramma’s te bevorderen is per 2010 integrale bekostiging mogelijk voor drie chronische aandoeningen: diabetes, vasculair risicomanagement en COPD.
Ketenzorg en de integrale bekostiging ervan moeten gezien worden als een groeimodel, waarmee verdere ervaring moet worden opgedaan. Integrale bekostiging is hierbij geen doel op zich, maar een middel om te komen tot meer en betere integrale zorg voor chronisch zieken. De evaluatiecommissie Integrale bekostiging doet nu onderzoek naar de effecten van integrale bekostiging voor chronisch zieken. Een eerste tussenrapportage hiervan verwacht ik begin volgend jaar.
Bent u op de hoogte van berichten dat zorggroepen overwegen te stoppen met nieuwe zorgprogramma’s vanwege de onzekerheid over de financiering van ketenprogramma’s? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Ik zou het betreuren als zorggroepen op basis van het vonnis in de zaak Meditta/Achmea zouden besluiten te stoppen met nieuwe zorgprogramma’s. Ik vind het namelijk te vroeg om over onzekerheid van de financiering te spreken. Mij hebben namelijk ook signalen bereikt over zorggroepen en verzekeraars die wél tot een overeenkomst over integrale bekostiging dan wel bekostiging via afzonderlijke deelprestaties komen.
Wat vindt u van de uitspraak dat de zorggroep patiënten niet mag informeren over het feit dat Achmea geen integraal tarief voor integrale zorg vergoedt, maar alleen losse verrichtingen?
De uitspraak van de rechter is voor mij een gegeven, daar wil en kan ik geen oordeel over geven. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat patiënten recht hebben op goede zorg én de beschikking moeten hebben over de juiste informatie zodat zij desgewenst keuzes kunnen maken.
Welke mogelijkheden ziet u voor de zorgaanbieder of de zorggroep als per 2011 de betaaltitel is verdwenen, maar de zorg niet gestopt mag worden omdat een financiële administratieve reden niet als gewichtige reden wordt gezien, en de patiënt ook niet geïnformeerd mag worden?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is opgemerkt is de bekostiging van afzonderlijke prestaties, al dan niet gecombineerd met een koptarief, een alternatief in gevallen waarin partijen niet tot overeenstemming komen over het integrale tarief. Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars om hier op een goede manier mee om te gaan.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de ontwikkeling van zorgstandaarden?
Zorgstandaarden zijn de norm van en voor veldpartijen. Het initiatief voor de ontwikkeling ervan ligt bij veldpartijen: patiëntenvertegenwoordigers en zorgaanbieders ontwikkelen de zorgstandaard en stellen deze gezamenlijk vast.
VWS is niet direct betrokken bij de ontwikkeling van zorgstandaarden, maar ondersteunt wel de totstandkoming ervan.
Momenteel stagneert de ontwikkeling van enkele nieuwe zorgstandaarden doordat niet alle beroepsgroepen volledig meewerken. Per zorgstandaard gaan de betrokken partijen hier verschillend mee om, in sommige gevallen wordt ervoor gekozen toch verder te gaan met de ontwikkeling maar dan zonder de inbreng van de betreffende beroepsgroepen.
Op dit moment worden daarom op ambtelijk niveau gesprekken gevoerd om bezwaren die bij sommige beroepsgroepen leven te achterhalen. Hierbij is onder andere van belang te benadrukken dat de ontwikkeling en autorisatie van een zorgstandaard en het vervolgens overgaan op integrale bekostiging van de betreffende zorg, twee aparte besluiten zijn.
Wanneer kan de Kamer de eerste rapportage van de evaluatiecommissie tegemoet zien?
Een eerste tussenrapportage van de evaluatie commissie verwacht ik begin volgend jaar.
In welke mate wordt op dit moment aan de volgende voorwaarden voldaan:
U vraagt mij naar voorwaarden voor integrale bekostiging. Aan de punten die u noemt wordt momenteel gewerkt. Ik wijs u graag op de evaluatiecommissie integrale bekostiging die onderzoekt in hoeverre aan de beoogde randvoorwaarden wordt voldaan om de invoering van integrale bekostiging succesvol te laten zijn. Zodra de evaluatiecommissie de eindrapportage heeft gedaan van dit onderzoek in 2012 zal ik hier uitvoeriger hierop ingaan.
Het bericht dat het verbod op zittenblijven op de havo voor doorstromers uit het vmbo funest is |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het verbod op zittenblijven doorstromers uit het vmbo nekt?12
Ik zou het een kwalijke zaak vinden dat VO-scholen verschillende standaarden hanteren voor leerlingen die in een en dezelfde klas zitten.
Vindt u het rechtvaardig dat vmbo’ers niet alleen aan extra eisen moeten voldoen om toegelaten te worden tot de havo, maar dat er voor hen ook nog aparte regels gelden als zij eenmaal zijn toegelaten?
Nee. Mijns inziens is het van belang dat al het schoolbeleid transparant is en voor alle leerlingen op een school gelijk. Dit geldt uiteraard ook voor de regels die een individuele school hanteert ten aanzien van doubleren.
Wat gaat u doen om deze ongelijkheid op te heffen?
De Onderwijsinspectie doet op mijn verzoek in de loop van 2011 onderzoek naar de transparantie van het toelatingsbeleid dat havo-scholen hanteren. Ik heb de Inspectie gevraagd in dit onderzoek tevens het doubleerbeleid van deze scholen mee te nemen. Ik verwacht de onderzoeksresultaten eind 2011.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie-Van der Ham c.s. over transparante en eenduidige toelatingseisen voor de havo?3
Scholen zijn momenteel verplicht om over een toelatingsbeleid te beschikken. Helaas zijn deze toelatingseisen lang niet altijd openbaar, wat jaarlijks tot de nodige teleurstellingen leidt. Ik heb de VO-raad gevraagd om in overleg te treden met het onderwijsveld over de doorstroom van vmbo naar havo, en de toelatingseisen voor havo 4 in het bijzonder. Het overleg vindt op dit moment plaats.
Ik vind het van groot belang dat vo-scholen leerlingen en ouders tijdig informeren over de toelatingseisen, en dat deze eisen gelijk zijn voor alle leerlingen die zich bij de school aanmelden. Het kan niet zo zijn dat verschillende leerlingen verschillende eisen gelden, terwijl ze zich bij dezelfde school aanmelden.
Ik verwacht dat de inspanningen van de VO-raad tot het gewenste effect zullen leiden. Om te onderstrepen dat ik deze kwestie bijzonder serieus neem, heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in het tweede kwartaal van 2011 hiernaar onderzoek te doen en mij hierover te rapporteren. Mochten de uitkomsten van het onderzoek daar aanleiding toe geven, dan zal ik de wet- en regelgeving aanscherpen.
De nieuwe huisvesting van de provincie Utrecht |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie Utrecht huist riant, terwijl ambtenaren moeten vertrekken»?1
Ja.
Kloppen de feiten over het aantal provinciehuizen en de verbouwingskosten, zoals gepresenteerd in het artikel? Zo nee, wat klopt er niet?
Kosten van de bouw, verbouwing en beheer van de provinciehuizen zijn als gevolg van de provinciale autonomie de verantwoordelijkheid van de provincie Utrecht. Deze provincie verwijst hiervoor naar een overzicht in de begroting. Deze begroting is 25 oktober 2011 vastgesteld door de Provinciale Staten van Utrecht.
Welke financiële risico’s loopt de provincie Utrecht met het hebben van momenteel maar liefst drie provinciehuizen? Vindt u deze risico’s verantwoord? Zo niet, wat doet u er aan in het licht van uw toezicht op de provincies?
De provincie Utrecht is als autonome bestuurslaag zélf verantwoordelijk voor de financiële risico’s die de provincie wil lopen bij de huisvestingskosten. Deze risico’s en de wijze waarop deze worden opgevangen dienen inzichtelijk te worden gemaakt in de begroting en te worden vermeld in de paragraaf weerstandsvermogen. Het toezicht op de provincies is gericht op de financiële positie van de provincies, zoals tot uitdrukking komt in structureel evenwicht op de begroting en/of meerjarenraming. Het toezicht is niet gericht op het te voeren beleid van de provincie betreffende huisvesting of andere beleidsmatige beslissingen met financiële consequentie. Er zijn vooralsnog geen redenen om aan te nemen dat het evenwicht op de begroting van de provincie Utrecht verstoord dreigt te worden.
Deelt u de mening dat provinciale besturen, in het licht van de voorgenomen bezuinigingen op onder andere de provinciale overheid, uiterst terughoudend moeten zijn met investeringen in de huisvesting van provinciale ambtenaren? Zo ja, bent u bereid dit bij de provinciale besturen onder de aandacht brengen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het besluit tot investeringen in de huisvesting is een autonome aangelegenheid van de provincie Utrecht.
Bent u, analoog aan de wet Algemene regels herindeling (Arhi), voornemens de randstadprovincies onder verscherpt financieel toezicht te plaatsen gelet op het kabinetsvoornemen om deze provincies op te schalen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op het moment dat het kabinetsvoornemen ten aanzien van de provinciale opschaling in de Randstad concreet gestalte krijgt, zal worden bezien of het nodig is om, analoog aan de Wet algemene regels herindeling, bepaalde voorzieningen te treffen.
De rechtsopvolger van Meavita en verpleeghuis Houtwijk te Den Haag |
|
|
|
|
Bent u van mening dat met de financiële injectie in de Haagse rechtsopvolger van Meavita beoogd is de kwaliteit van de zorg te continueren? Zo ja, kunt u een oordeel uitspreken over het behaalde resultaat tot nu toe? Zo nee, waarom niet?
HWW Zorg (waar de locatie Houtwijk onderdeel van uitmaakt) is opgericht voor het geval dat door de moeilijkheden waarin Meavita-west verkeerde, de continuïteit van zorg in gevaar zou komen. Toen bleek dat er, na het faillissement van Meavita-west, geen andere partij was die de zorgverlening kon of wilde overnemen is HWW Zorg geactiveerd. Vanuit het perspectief van continuïteit van zorg heeft mijn voorganger er bij de nieuwe stichting op aangedrongen geen selectie aan de poort toe te passen en alle medewerkers van Meavita-west over te nemen. Wetend dat er een aantal zou moeten afvloeien. In de debatten die daarover in de maanden maart en april van 2009 met uw kamer gevoerd zijn is duidelijk aangegeven dat steunverlening nodig zou zijn voor het financieren van het sociaal plan en andere daarmee samenhangende kosten. Steunverlening is bedoeld om financiële problemen op te lossen, de financiering van kwaliteitsverbetering dient te komen uit de reguliere exploitatie. De NZa controleert bij de toekenning van steun nadrukkelijk of er geen posten worden opgevoerd die uit de reguliere exploitatie betaald dienen te worden. De steun is dan ook verleend voor bepaalde posten. Na afloopt van ieder kwartaal wordt een financiële rapportage verstrekt ten aanzien van de besteding van de steunverlening. De jaarrekening over 2010 zal een beeld geven van het exploitatieresultaat en de vermogenspositie van HWW Zorg.
Hoe ziet u deze steun in relatie tot de slechte resultaten van verpleeghuis Houtwijk? Deelt u de mening dat de financiële bijdrage had moeten leiden tot het weer op orde komen van de zorgverlening aangezien het geld daarvoor bedoeld was? Zo ja, wat gaat u voor actie ondernemen richting de zorginstelling en zo nee, waarom vindt u dat niet?
De steun is bedoeld om de Meavita-erfenis als gevolg van overgang van personeel naar HWW Zorg, zonder selectie aan de poort, op te vangen. De Meavita-schulden zijn achtergebleven in de failliete boedel. Het is dus onmogelijk dat verleende steun gebruikt wordt om schuldeisers van Meavita-west te betalen.
Deelt u de zorgen dat er nu met belastinggeld ondermaatse zorg wordt bestendigd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties worden er ondernomen?
De IGZ heeft een van de locaties van HWW Zorg, namelijk verpleeghuis Houtwijk, onder verscherpt toezicht geplaatst omdat de doelen uit het opgestelde verbeterplan niet blijken te worden gehaald. Het is goed dat de IGZ nu naar een zwaar middel grijpt om verbetering van kwaliteit van zorg af te dwingen. De IGZ constateert dat de verbeterplannen bij de andere locaties gelukkig wél werken.
Hierboven heb ik al aangegeven dat de verleende steun niet besteed mag worden aan kwaliteitsverbetering.
Deelt u de mening dat het geld bedoeld was voor de zorgverlening? Hoe is de verhouding tussen de effecten van de financiële injectie als het gaat om organisatorische maatregelen, zoals het sociaal plan, en maatregelen die direct effect hadden voor de zorgverlening? Zo ja, welke actie gaat u nu ondernemen? Zo nee, hoe gaat dit dan nu alsnog gebeuren?
De zorgverlening, inclusief de kwaliteit daarvan, dient te worden gefinancierd vanuit de productieafspraken met het zorgkantoor. De kosten van het sociaal plan zijn bestreden met de steunverlening. Dat betekent dat ik geen actie onderneem anders dan dat het toezicht van de IGZ geldt en de maatregelen die daaruit voortvloeien.
Waren er andere mogelijkheden om de continuïteit van zorg in Den Haag te garanderen? Zo ja, welke? Waarom is toch voor de financiële injectie gekozen?
Ten tijde van het faillissement waren er geen andere aanbieders die de door Meavita-west geleverde zorg konden of wilden overnemen.
Heeft de financiële injectie aanleiding gegeven de bestaande regels voor staatssteun te wijzigen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Mij is bekend dat de NZa bezig is met een aanpassing van de Beleidsregel steunverlening. Binnenkort valt daarover besluitvorming van de NZa te verwachten. Nog meer dan in het verleden wordt steunverlening een ultimum remedium.
Kunt u aangeven hoe het met de zorg gesteld is in de andere organisaties van de rechtsopvolgers van Meavita in Groningen en in Den Haag? Kunt u een specificatie op hoofdlijnen geven?
In Den Haag voert de IGZ ook onderzoek uit in de overige locaties van HWW Zorg. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuurtje dd. 23 november 2010 ook al heb aangegeven, is de inspectie over de andere locaties tevreden. Hier is voldoende aangetoond dat er gewerkt wordt aan veranderingen en dat er duidelijk verbeteringen zijn ontstaan.
In Groningen heeft Thuiszorg Groningen (TZG) de zorgverlening van de Meavita-dochter overgenomen. TZG staat los van HWW Zorg. Over TZG heb ik geen negatieve berichten ontvangen.
Kunt u een planning geven waarin u verwacht dat de zorg weer op niveau is voor de medewerkers en de mensen die de zorg ontvangen?
De IGZ zal mij op de hoogte stellen zodra het verscherpt toezicht bij HWW Zorg kan worden opgeheven. De verwachting van de IGZ is dat het verscherpt toezicht drie tot vier maanden duurt.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Dat gaat helaas niet lukken, aangezien ik op uw verzoek de vragen wil bundelen met de kamervragen van mw. Dijkstra (D66) en vanwege het besluit uit de procedurevergadering van 24 november 2010, waarin verzocht is om een reactie op de noodzakelijkheid van een Plan-B.