Onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nieuw onderzoek van Michigan State University dat wijst op 1 miljoen kinderen die mogelijk onterecht zijn gediagnosticeerd met aandachtsstoornis ADHD?1
Ja.
Bent u van mening dat het stellen van de diagnose ADHD gecompliceerd is, dat het mogelijk is dat daardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met leeftijd en achtergrond, en dat er sprake kan zijn van een onjuiste diagnose ADHD? In hoeverre is hiervan sprake in Nederland?
In Nederland is een diagnostiekprotocol met gestandaardiseerde instrumenten beschikbaar voor diagnostiek rondom ADHD, waarin rekening wordt gehouden met leeftijd en achtergrond van de patiënt. Diagnostiek wordt uitgevoerd door BIG geregistreerde professionals. Ik ga er vanuit dat deze professionals bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor worden de kansen op een onjuiste diagnose geminimaliseerd.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gezondheidsraad2 al in 2000 aangaf dat de afbakening van het begrip ADHD tot op zekere hoogte arbitrair is, dat richtlijnen en protocollering een sterk positieve invloed op de kwaliteit van diagnostiek en behandeling hebben en dat de overheid een kenniscentrum op dit gebied zou moeten ontwikkelen? Zo ja, wat is er sindsdien door de overheid in gang gezet? Zo nee, bent u bereid een regierol te vervullen in het opzetten van een kenniscentrum en onderzoek naar de kwalitatieve en kwantitatieve praktijk van diagnostiek en behandeling te stimuleren?
Ik ben op de hoogte van de aanbevelingen die de Gezondheidsraad destijds heeft gedaan.
In opdracht van het ministerie van VWS en met betrokkenheid van het ministerie van OCW is destijds door het Trimbosinstituut het project Actieplan ADHD opgezet om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Gezondheidsraad voor verbeterde zorg bij ADHD. Concrete producten daarvan op het gebied van diagnostiek en behandeling zijn onder andere:
Om niet alleen de bundeling en verspreiding van kennis over ADHD te stimuleren, maar dit ook voor andere stoornissen mogelijk te maken, is destijds bewust gekozen om de oprichting van een algemeen kenniscentrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie te stimuleren. Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, waarbij alle academische centra voor kinder- en jeugdpsychiatrie en alle regionale partnerinstituten voor kinder- en jeugdpsychiatrische zorg en de relevante ouder/patiëntenverenigingen zijn aangesloten, heeft tot taak het bundelen en verspreiden van actuele wetenschappelijke kennis over kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen en de beschikbare protocollaire behandelvormen. Tegen deze achtergrond is er voor mij geen aanleiding om het oprichten van een specifiek kenniscentrum ADHD te stimuleren.
Over ADHD is op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie informatie over het ziektebeeld, diagnostiek, medicatie en protocollaire behandelvormen te vinden, die gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze website is voor iedereen toegankelijk.
ADHD is in deze periode ook het onderwerp geweest van vele wetenschappelijke onderzoeken. Gelet op al deze ontwikkelingen vind ik het niet opportuun om onderzoek naar de praktijk van diagnostiek en behandeling verder te stimuleren.
Maakt u zich zorgen over de enorme stijging van het aantal jonge kinderen met de diagnose ADHD en ook over de grote toename van het medicijngebruik door hen? Welke alternatieve behandelingen zijn er voor ADHD? Welke van deze behandelingen worden in Nederland toegepast en in welke mate?3
Mede dankzij de acties genoemd in het antwoord op vraag 3 is de kennis over ADHD de laatste jaren toegenomen. Het wordt steeds beter en eerder herkend, waardoor kinderen sneller in zorg komen. Tevens spelen ontwikkelingen als het verminderen van het taboe op psychiatrische stoornissen en het steeds ingewikkelder worden van de maatschappij waardoor kinderen eerder tegen problemen aanlopen een rol bij het toegenomen aantal jeugdigen dat in behandeling komt bij de jeugd-ggz.
De multidisciplinaire richtlijn ADHD (2005) stelt dat de behandeling van ADHD in het algemeen op twee pijlers berust: medicatie en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling. Er is tevens een medicatieprotocol ADHD beschikbaar op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Methylfenidaat, het middel dat als eerste wordt ingezet bij de behandeling van ADHD, is uitgebreid wetenschappelijk onderzocht bij kinderen. Het medicatieprotocol ADHD is in maart 2010 geactualiseerd en gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten.
Tot gedragstherapeutische / psychosociale behandeling behoren psycho-educatie, gedragstherapie en begeleiding gericht op de ouders, de leerkracht en de school en niet-medicamenteuze behandeling van het kind, bijvoorbeeld via zelfregulatietraining. Waarbij de gedragstherapeutische / psychosociale behandeling van kortere duur kan zijn dan het medicatiegebruik. Mij zijn geen signalen bekend dat deze richtlijn niet goed nageleefd wordt.
Bent u op de hoogte van het onderzoek van Trimbos-onderzoeker Van de Glind, in samenwerking met onderzoekers uit elf landen, die stelt dat ADHD’ers extra gevoelig zijn voor verslaving?
Ik ben bekend met het onderzoek.
Het is bekend dat er een relatie bestaat tussen enerzijds ADHD en verslaving en anderzijds tussen depressie en verslaving. De relatie tussen ADHD en depressie wordt verondersteld. Het beantwoorden van de vraag naar de aard, de relevantie en de consequenties van deze relatie, moet worden overgelaten aan de professionals en wetenschappers.
Dit is door het veld ook opgepakt. Ik licht enkele punten uit. Zo heeft ZonMW in het kader van het Richtlijnenprogramma Jeugdgezondheid opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een Richtlijn Jeugdgezondheidszorg ADHD. Deze richtlijn geeft aan hoe artsen op het consultatiebureau of schoolartsen ADHD in een vroeg stadium kunnen signaleren en wanneer zij voor verdere diagnostiek door moeten verwijzen. Daarbij geeft de richtlijn aandacht aan de samenwerking met huisartsen, kinderartsen en Jeugd-GGZ. Ook is een Richtlijn ADHD voor de behandeling van ADHD in ontwikkeling. Via het programma Zorg voor jeugd heeft ZonMw opdracht gegeven om een proefimplementatie van de Richtlijn ADHD voor behandelaars uit te voeren. Deze is gericht op medewerkers in de Jeugd-GGZ en Jeugdzorg.
Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie ontwikkelt in 2011 samen met het Trimbos instituut en het Nederlands Jeugdinstituut een evidence-based protocol voor diagnostiek, behandeling met psychofarmaca en effectieve interventies voor jeugdigen waarbij comorbiditeit van psychiatrische stoornissen en middelengebruik speelt. Dit protocol wordt ontwikkeld met behulp van een gerichte subsidie van VWS in het programma «effectieve interventies» van ZonMw Jeugd.
Door het Trimbos wordt naar aanleiding van Nemesis II, een grootschalige studie naar de psychische gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking van 18 tot en met 64 jaar,gewerkt aan een onderzoek met als doel het nagaan van in welke mate ADHD en gedragsstoornissen een effect hebben op het ontstaan en beloop van alcoholstoornissen.
Wat is uw reactie op zijn opvatting dat mensen in de verslavingszorg, maar ook cliënten in de geestelijke gezondheidszorg en patiënten van huisartsen met depressieve klachten als onderliggende oorzaak ADHD hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het goed mogelijk is dat enerzijds veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen, terwijl anderzijds de diagnose ADHD bij volwassenen met depressieve klachten wordt gemist?
Ik ben niet van mening dat veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen. Ik ga er vanuit dat de professionals die deze diagnose kunnen stellen bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor wordt de kans op een onjuiste diagnose geminimaliseerd. Overigens zijn minder jeugdigen in behandeling zijn voor ADHD dan op grond van prevalentiecijfers verwacht mag worden. Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie wijst er op dat er in het veld eerder zorgen zijn over dat bepaalde groepen jeugdigen die nog onvoldoende bereikt worden, bijvoorbeeld allochtone jeugdigen en jeugdigen in de jeugdzorg. In de visie van het demissonaire kabinet «Perspectief voor jeugd en gezin» wijzen wij er wel op dat door dicht bij het kind en het gezin tijdig passende ondersteuning te bieden in aansluiting op de eigen kracht en het sociale netwerk, ernstiger problemen later zo veel mogelijk voorkomen kunnen worden. Naar onze mening is hier nog veel winst te boeken.
De relatie tussen ADHD en depressie is nog onderwerp van professioneel / wetenschappelijk debat. Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Derhalve kan over de in de vraag gesuggereerde relatie tussen beide mijnerzijds geen uitspraak worden gedaan.
Vormt dit gegeven voor u extra aanleiding om nu het opzetten van een kenniscentrum ADHD te stimuleren? Zo ja, hoe en wanneer?
Het Landelijk Kenniscentrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie heeft tot taak het bundelen en verspreiden van actuele wetenschappelijke kennis over kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen en de beschikbare protocollaire behandelvormen.
Over ADHD is op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie informatie over het ziektebeeld, diagnostiek, medicatie en protocollaire behandelvormen te vinden, die gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze website is voor iedereen toegankelijk.
Voor volwassenen is door het veld in 2002 het Kenniscentrum ADHD bij volwassenen opgericht bij Psyq. Dit kenniscentrum heeft tot doel het ontwikkelen, verspreiden en implementeren van kennis over ADHD bij volwassenen. Hiernaast coördineert het Kenniscentrum de Stichting Netwerk ADHD bij volwassenen, dat professionals verenigt met interesse in deze stoornis in Nederland, en het European Network Adult ADHD, voor Europese onderzoekers en behandelaars. Ook werkt het Kenniscentrum samen met patiëntenorganisaties en vele anderen in het veld.
Gezien bovenstaande zie ik geen aanleiding om een kenniscentrum ADHD te stimuleren.
Het massaal kopen van stemmen bij de verkiezingen op Sint Maarten |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Duncan: Heyliger koopt stemmen»1 en «National Alliance wint verkiezingen Sint Maarten»?2
Ja, ik heb daar kennis van genomen.
Is het waar dat bij de verkiezingen op Sint Maarten van 17 september 2010 massaal stemmen zijn gekocht, onder andere door middel van «laptops, betaling van het schoolgeld, van de huur, de stroomrekening, een ijskast [en] bouwblokken»? Is het waar dat per persoon meer stemkaarten zijn uitgereikt?
Ik kan dergelijke berichten niet bevestigen of ontkennen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is niet betrokken bij of verantwoordelijk voor de wijze waarop in andere landen binnen het Koninkrijk verkiezingen worden georganiseerd en uitslagen daarvan worden vastgesteld.
Dat geldt derhalve ook voor de verkiezingen op Curaçao van 27 augustus 2010.
Is het waar dat zich bij de verkiezingen op Curaçao van 27 augustus 2010 soortgelijke praktijken hebben voorgedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zou u – in licht van deze ontwikkelingen – het verloop van de verkiezingen op Sint Maarten willen karakteriseren? In hoeverre kan gesteld worden dat er zich in grote mate onrechtmatigheden hebben voorgedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kopen van stemmen op de Nederlandse Antillen en Aruba strafbaar? In hoeverre is het verstrekken van goederen door politieke partijen in strijd met de eed die de gekozen volksvertegenwoordigers hebben afgelegd of zullen afleggen? In welke mate wordt er in de huidige situatie door lokale autoriteiten opgetreden tegen dit soort activiteiten?
Naar het destijds geldende recht is zowel het kopen van stemmen als het verkopen van het eigen stemrecht strafbaar, zo is onder meer bepaald in het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen in artikel 132. Die bepaling geldt nu ook voor de beide nieuwe landen. Nog afgezien van het feit dat dergelijk handelen strafbaar is, is het duidelijk dat het op een dergelijke wijze beïnvloeden van het stemgedrag van kiezers, de legitimiteit van aldus verkozen Statenleden ondermijnt en de deugdelijkheid van bestuur op voorhand negatief wordt beïnvloed. Daarmee is geen uitspraak gedaan over de vraag of en in welke mate dergelijk handelen ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Mij is bekend dat er binnen het politiekorps van Sint Maarten een intern onderzoek plaats vindt naar aanleiding van aanwijzingen dat er sprake zou kunnen zijn van overtreding van eerder genoemde bepaling van het Wetboek van strafrecht. Indien daartoe aanleiding is zal het Openbaar Ministerie moeten bezien of strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is daarbij op geen enkele wijze betrokken.
Deelt u de mening dat het kopen van stemmen in strijd is tot de uitgangspunten van deugdelijk bestuur die centraal staan in het thans lopende traject van staatkundige hervorming? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om op te treden tegen dergelijke praktijken in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt het verloop van de verkiezingen op Sint Maarten zich tot de conclusie van de Commissie van Deskundigen in het Rapport Toetsing Overheidsapparaten Curaçao en Sint Maarten dat verkiezingen en referenda op het eiland «naar behoren [worden] uitgevoerd?» Strookt deze conclusie met de praktijk op Sint Maarten?
Het oordeel van genoemde commissie heeft uitsluitend betrekking op de wijze waarop door de betrokken autoriteiten verkiezingen uitgeschreven en georganiseerd worden en waarop de uitslag wordt vastgesteld. De wijze waarop individuele kandidaten en partijen dan wel kiesgerechtigden zich gedragen voorafgaand en tijdens verkiezingen is onvoorspelbaar. Het oordeel van de commissie heeft daar derhalve geen betrekking op.
Overweegt u om de Electorale Raad alsnog onder het regime van de Algemene Maatregel van Rijksbestuur Waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten te brengen? Zo niet, waarom niet?
Nee. Uit artikel 2 van de samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak volgt dat de verplichting voor het opstellen en uitvoeren van een plan van aanpak alleen geldt voor taken (of diensten) die als zodanig benoemd en bekrachtigd zijn door de Slot Ronde Tafel Conferentie.
Welke vooruitgang is geboekt bij het nemen van maatregelen om de onafhankelijkheid van het hoofdstembureau blijvend te verzekeren?
Zie antwoord vraag 8.
Een werkbezoek van Israëlische burgemeesters |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Holland calls off settlement heads’ visit»?1
Ja
Is het waar dat u en/of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bezwaren heeft/hebben gemaakt tegen de deelname van Israëlische lokale bestuurders uit Judea en Samaria aan een werkbezoek aan Nederland? Zo ja, waaruit bestaan die bezwaren?
Gaarne verwijs ik naar mijn antwoorden op de soortgelijke vragen die gesteld zijn door het lid Voordewind, luidende:
De ambassade in Tel Aviv is begin september 2010 benaderd door de Israëlische vestiging van de Amerikaans-Joodse organisatie Joint Distribution Committee (JDC) met het verzoek om een briefing ter voorbereiding van een reis van 23 Israëlische burgemeesters naar Nederland. Volgens JDC zou de VNG betrokken zijn bij de organisatorische ondersteuning van dit bezoek. In dat verband heeft de JDC de ambassade een lijst overhandigd van de voorgenomen delegatie. Op deze lijst waren zes burgemeesters van nederzettingen vermeld. Hierop heeft de ambassade contact opgenomen met het departement met het verzoek om instructie.
Het ministerie heeft vervolgens navraag gedaan bij de VNG naar de achtergronden van de reis. Desgevraagd heeft het ministerie de VNG geïnformeerd dat vertegenwoordigers van de Rijksoverheid in het algemeen geen contacten onderhouden met de lokale overheden in de nederzettingen. Andere organisaties in Nederland – waaronder de VNG – staat het evenwel vrij zelfstandig te beslissen of het contacten wil aangaan.
Over de status van de nederzettingen bestaat volkenrechtelijk geen verschil van mening. Deze zijn in strijd met het internationaal recht, zoals onder meer is vastgesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en herbevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof d.d. 9 juli 2004 over de bouw van de veiligheidsbarrière op de Westelijke Jordaanoever. De Europese Raad van 16 september 2010 heeft de strijdigheid van de nederzettingen met het internationaal recht nogmaals bevestigd in zijn verklaring over het Midden-Oosten Vredesproces.
De regering onthoudt zich actief van handelingen die kunnen bijdragen aan de legitimering van deze nederzettingen. Daaronder is ook te verstaan het onderhouden van contacten met autoriteiten in de nederzettingen, zoals burgemeesters. Dit betekent echter niet dat de regering anderen verhindert om contacten met hen te onderhouden.
Betwist u de legitimiteit van de bestuurlijke functie van die lokale bestuurders? Zo ja, waarom?
Waar het hier om gaat is de vraag of de nederzettingen als zodanig legitiem zijn en het antwoord daarop luidt ontkennend.
Deelt u de mening dat een werkbezoek van lokale bestuurders uit een democratische rechtsstaat als Israël, dat er op is gericht om kennis te krijgen van organisatie en werkwijze van Nederlands lokaal bestuur, niet moet worden verhinderd om overwegingen van internationale politiek? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin ondersteun ik de stelling dat bedoelde uitwisselingen tussen lokale overheden zeer nuttig zijn en ik juich toe dat VNG ook een actieve bijdrage levert aan dergelijke uitwisselingen met en tussen gemeentelijke overheden, onder meer in haar hoedanigheid van voorzitter van de «Municipal Alliance for Peace».
De VNG is een autonome ledenorganisatie die eigenstandig een positie in deze zaak inneemt.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om dit werkbezoek op korte termijn door te laten gaan en de VNG op te roepen om daar alle medewerking aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Een onderzoek naar de relatie tussen abortussen en prenatale screening bij Downsyndroom |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het onderzoek van de Stichting Downsyndroom naar het afbreken van een zwangerschap, als na prenatale screening blijkt dat er sprake is van een kind met het syndroom van Down?1
Ja, ik heb het onderzoek naar «ervaringen van ouders met prenatale screening» gelezen. Dit is een enquête uitgevoerd door de Stichting Downsyndroom (SDS) onder ouders van kinderen met Downsyndroom in de leeftijd van 0 tot 21 jaar. Dat betekent dat de uitkomst slechts in beperkte mate iets kan zeggen over het beleid van de overheid dat sinds 2007 van kracht is. Belangrijke conclusie is wel dat de ouders van kinderen in de jongste categorie significant vaker aangeven een bewuste keuze te hebben gemaakt om wel of niet deel te nemen aan prenatale screening.
Hoe beoordeelt u een percentage zwangerschapsafbrekingen van negentig procent in het licht van het beleid dat uitgaat van een gelijkwaardige behandeling van gehandicapten en niet-gehandicapten?
Die negentig procent beoordeel ik in het kader van het aantal zwangeren dat kiest voor prenatale screening op Downsyndroom. In de eerste jaren na het verlenen van een vergunning op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) is gebleken dat dit nog geen kwart is. Uit het onderzoek van de SDS naar de motieven om af te zien van prenatale screening blijkt dat er de laatste jaren een verschuiving plaatsvindt. Bij ouders van kinderen jonger dan vijf jaar geeft de meerderheid aan niet te hebben gekozen voor prenatale screening, omdat «een kind met een handicap als Downsyndroom sowieso welkom was in het gezin».
Welke concrete stappen zijn gezet sinds de uitspraken van de voormalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in april 2008 dat «de informatie over deze echo volledig moet zijn. Ook tijdens de opleiding moet specifieke aandacht worden besteed aan de wijze waarop men deze echo presenteert. Dat krijgt al alle aandacht door middel van aparte cursussen voor degenen die met deze echo’s werken. Het is nog wel voor verbetering vatbaar, maar wij zijn daar constructief mee bezig.»?2
Prenatale screening op Downsyndroom en het structureel echografisch onderzoek (20-wekenecho) hebben als doel om aanstaande ouders de mogelijkheid te bieden om zelf een goed geïnformeerde keuze te maken. Aanstaande ouders krijgen, indien zij dit wensen, uitgebreide informatie over de screening en de keuzes die zij misschien moeten maken. Dit stelt zware eisen aan de voorlichting. Prenatale screening is vergunningplichtig op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO). De regionale centra voor prenatale screening zijn WBO-vergunninghouder. Verloskundigen die onder contract met een WBO-vergunninghouder werken, zijn opgeleid om de voorlichting en counseling te doen bij die zwangeren die dit wensen. In de opleiding wordt het recht op niet weten ook expliciet aan de orde gesteld.
Het centraal orgaan prenatale screening, bestaande uit betrokken beroepsgroepen en de regionale centra, stelt landelijk voorlichtingsmateriaal en opleidingseisen vast. De SDS is betrokken bij het opstellen van de teksten voor de folders.
De folders, die zwangeren bij hun bezoek aan de verloskundige krijgen, zijn ook beschikbaar op www.rivm.nl/zwangerschapsscreening/ .
In het bijzonder wil ik hier wijzen op de keuzehulp die beschikbaar is via http://www.kiesbeter.nl/medische-informatie/keuzehulpen/prenatalescreening/ .
Deelt u de conclusies van deze onderzoekers dat er «duidelijk gebrek is aan objectieve informatie over het syndroom van Down»? Zo ja, welke concrete wegen wilt u dan bewandelen om deze objectieve informatie te bevorderen in opleiding en informatievoorziening?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 3. Wel ben ik van mening dat de voorlichting over prenatale screening zo belangrijk is in het faciliteren van een goed geïnformeerde keuze, dat dit continue aandacht verdient. Het centraal orgaan voor prenatale screening laat onderzoeken of zwangeren inderdaad een goed geïnformeerde keuze maken. Welke keuze dit is, is aan de zwangere zelf. Goed geïnformeerd betekent gebaseerd op voldoende kennis en in lijn met eigen normen en waarden.
Vraag 5 is weggevallen.
Bent u bereid de inspanningsverplichting op u te nemen, om te waarborgen dat ook beslissingen rond het leven van ongeboren kinderen met het syndroom van Down genomen kunnen worden op grond van objectieve en verantwoorde informatie over hun levenskansen en -perspectieven?
De betrokkenheid van o.a. de Nederlandse bedrijven Advanta en Bejo Zaden bij kinderarbeid in India |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Kunnen wij uit uw antwoord op vraag vijf, waarin u aangeeft dat de bedrijven Bejo Zaden en Limagrain Nederland (Advanta) geen subsidie hebben ontvangen voor projecten in India, afleiden dat ze ook niet gebruik hebben gemaakt van andere vormen van ondersteuning van de overheid voor projecten in India, bijvoorbeeld in het kader van de Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP), Funtamenteel Onderzoek der Materie (FOM), Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM), Programma ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET), Exportkredietverzekering (EKV), of Stichting Economische Samenwerking Nederland Oost-Europa en Garantiefaciliteit voor Opkomende Markten (SENO/GOM)?1 Zo nee, welke gevolgen zal dat voor die vormen van ondersteuning hebben, hierbij in gedachten houdend de strekking van de motie Gesthuizen2 en de motie Voordewind3 alsmede het kabinetstandpunt dat in zulke gevallen een boete kan worden opgelegd?
Ja. U kunt uit het antwoord op vraag 5 afleiden dat de bedrijven Bejo Zaden en Limagrain Nederland (Advanta) ook geen gebruik hebben gemaakt van andere vormen van ondersteuning door de overheid voor projecten in India.
Hebben de genoemde bedrijven ondersteuning van de overheid ontvangen voor projecten in andere landen dan India? Zo ja, welke gevolgen zal dat voor die subsidies of vormen van ondersteuning hebben, hierbij in gedachten houdend de strekking van de motie Gesthuizen en de motie Voordewind alsmede het kabinetstandpunt dat in zulke gevallen een boete kan worden opgelegd?
Ja. Bejo Zaden heeft ondersteuning ontvangen voor projecten in andere landen dan India. Dit betreft drie projecten vanuit het Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP) voor de landen Georgië, Roemenië en Rusland. Twee van de drie projecten zijn inmiddels afgerond. Het PESP-project in Rusland loopt nog. Bejo Zaden nam eerder ook deel in enkele projecten in het kader van het niet langer bestaande Programma Samenwerking Oost Europa (PSO). Het betrof projecten voor de landen Litouwen (goedgekeurd in 1995 en 1996), Kazachstan (2001 en 2004), Bosnia Herzegowina (2002), Macedonië (2003) en Rusland (2004). Al deze projecten zijn inmiddels afgerond. Limagrain (Advanta) heeft vanuit het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) ondersteuning ontvangen bij een project in China dat in 2002 is afgerond.
Deze informatie heeft geen gevolgen voor de ondersteuning. Buiten de subsidierelatie kan niet worden teruggevorderd en ook kan geen boete worden opgelegd.
Het onderzoek over lerarentekort en schoolprestaties |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van hoogleraar Jaap Dronkers, verschenen in het Onderwijsblad van De Algemene Onderwijsbond (Aob)1, inzake het lerarentekort en de grote waarde die investeringen hierin zou hebben voor de prestaties van leerlingen?2
Evenals hoogleraar Jaap Dronkers onderschrijf ik het belang van voldoende en goed gekwalificeerde leraren voor de kwaliteit van ons onderwijs. Met het actieplan Leerkracht van Nederland wordt daarom door dit kabinet fors geïnvesteerd in de aanpak van het kwantitatieve en kwalitatieve tekort op de onderwijsarbeidsmarkt. De investeringen op basis van het actieplan Leerkrachtnemen ieder jaar toe tot € 1 miljard structureel in 2020. Naast de investeringen in extra beloningsmaatregelen gaat het om investeringen in bijscholing (lerarenbeurs) en de kwaliteit van de lerarenopleidingen.
In het actieplan staat vastgelegd dat schoolbesturen extra geld krijgen om meer leraren in een hogere schaal te kunnen belonen. Dit vergroot de loopbaanmogelijkheden en de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep. Bovendien drukken betere salarissen de maatschappelijke waardering uit voor docenten. En het werkt. In het voortgezet onderwijs in de Randstad is het afgelopen jaar het aandeel leraren dat betaald wordt in een hogere schaal met 9 procentpunt gestegen.
De meest recente arbeidsmarktramingen laten zien dat vooral in het voortgezet onderwijs de komende jaren veel nieuwe leraren nodig zijn. In deze sector ontstaat door de uitstroom van oudere leraren de komende acht jaar een tekort van circa 3 000 voltijdbanen. Zonder de beloningsmaatregelen uit het actieplan Leerkracht zou het verwachte tekort in het voortgezet onderwijs echter twee keer zo hoog zijn.
Hoe beoordeelt u zijn bevinding dat Nederlandse leerlingen veel beter zouden scoren op de exacte vakken – zeer belangrijk voor de kenniseconomie – als er voldoende leraren zouden zijn? Onderschrijft u het belang van meer exact opgeleide leerlingen?
De heer Dronkers concludeert terecht dat leerlingen waarschijnlijk beter scoren op exacte vakken zonder lerarentekort. Hoeveel de gemiddelde PISA-score van Nederland dan omhoog zou gaan valt niet precies te bepalen. Volgens het PISA-rapport heeft maar 3 procent van de leerlingen in Nederland te maken met vacatures in de science vakken.
Ik onderschrijf het belang van meer exact opgeleide leerlingen en constateer met voldoening dat het beleid via het deltaplan bèta en techniek zijn vruchten heeft afgeworpen.
Onderschrijft u de analyse van Dronkers dat bij het welslagen van leerlingen met een allochtone achtergrond het element van een goede leraar van groot belang blijkt? Welke bijdrage kan volgens u een fikse investering in meer en betere leraren leveren in het bevorderen van integratie en participatie van dit soort leerlingen?
De vooropleiding van ouders is een van de meest bepalende factoren voor de schoolprestaties van hun kinderen, zo blijkt uit het artikel in het Onderwijsblad. Veel leerlingen met een allochtone achtergrond hebben laagopgeleide ouders. Zij groeien veelal op in een milieu waarin minder stimulansen zijn tot leren. Dat bepaalt voor een belangrijk deel hun achterstand.
De kwaliteit van de leraar is een andere zeer bepalende factor voor de kwaliteit van het onderwijs. Lesgeven aan kinderen met een allochtone achtergrond vraagt om specifieke kennis. Om leraren hier op voor te bereiden is scholing van groot belang. Dat kan zowel via de initiële lerarenopleiding als via nascholing. Lerarenopleidingen kunnen hier bijvoorbeeld via het curriculum toekomstige leraren op voorbereiden. Daarnaast heeft een schoolbestuur nascholingsbudgetten die, indien nodig, ook voor dit doel ingezet kunnen worden.
In de generieke kennisbasis voor de lerarenopleidingen zoals die de komende jaren ingevoerd zal gaan worden, wordt ook aandacht besteed aan het werken met verschillen in de klas. Dat moet dus ook een kwalitatieve versterking op dit punt gaan opleveren.
Verdubbeling in het aantal legionellagevallen |
|
Karen Gerbrands (PVV), Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Meer meldingen legionella dan normaal»?1
Ja.
Bent u bereid om uit te laten zoeken in hoeverre de weersomstandigheden van invloed zijn op de toename van het aantal gevallen van legionella? Zo nee, waarom niet?
Zoals blijkt uit het in de vorige vraag genoemde bericht, was er ook in de nazomer van 2006 sprake van een piek in het aantal legionellosegevallen. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke bronnen en de mogelijke relatie met de weersomstandigheden2.
In een vervolg op het onderzoek uit 2006 is over een aantal jaar gekeken wat het verband was tussen het weer en het aantal legionellosepatiënten3. Hieruit bleek dat bij warm, vochtig en regenachtig zomerweer er meer legionellosebesmettingen werden vastgesteld. Deze weersomstandigheden lijken gunstig voor de groei en verspreiding van de bacterie. Het onderzoek geeft echter geen inzicht in de onderliggende oorzaak en bronnen. In welke mate natte koeltorens, opgewarmde leidingwaterinstallaties, bepaalde activiteiten zoals bijvoorbeeld het gebruik van hogedrukspuit of tuinslang en andere mogelijk nog onbekende bronnen bijdragen aan het aantal besmettingen is nog niet duidelijk. Aanvullende informatie over activiteiten wordt inmiddels verzameld om meer duidelijkheid te krijgen over de mogelijke bronnen.
Om meer zicht te krijgen op de bijdrage door koeltorens is een vollediger overzicht van de locaties van koeltorens nodig dan nu beschikbaar is. Over deze problematiek en de te treffen maatregelen wordt u separaat bij brief geïnformeerd.
Bent u bereid de kwaliteit van het water te onderzoeken, nu blijkt dat de meeste mensen de legionella naar alle waarschijnlijkheid in Nederland hebben opgelopen? Wat doet u eraan om mensen te waarschuwen voor de legionella?
In prioritaire instellingen, zoals ziekenhuizen en hotels, wordt het leidingwater regelmatig onderzocht op de aanwezigheid van legionellabacteriën. In het Waterleidingbesluit zijn hierover voorschriften opgenomen, in het kader van de legionellapreventie in leidingwater. De drinkwaterbedrijven voeren daarnaast regelmatig legionellametingen uit in het drinkwater op het punt waar het ter beschikking van de klant komt (voor de watermeter). Bij normoverschrijdingen geldt een meldplicht aan de VROM-Inspectie.
Voor de houder van een zwembad geldt op grond van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden eveneens een periodieke meetverplichting op de aanwezigheid van legionellabacteriën in het zwemwatersysteem en een plicht om normoverschrijdingen aan de toezichthouder (de provincie) te melden.
Voor natte koeltorens geldt wel de plicht om de legionellarisico’s te inventariseren en beheersmaatregelen uit te voeren, maar geldt er geen expliciet in de wet vastgelegde meetverplichting. Het wordt aan de verantwoordelijkheid van de houder van de installatie overgelaten om in het kader van het beheer metingen uit te voeren en de toezichthouder op de hoogte te stellen van de meetresultaten.
Ik zal u binnenkort bij afzonderlijke brief informeren over resultaten van legionella-analyses van het water in natte koeltorens, naar aanleiding van een onderzoek dat daarnaar is uitgevoerd in opdracht van de VROM-Inspectie.
Om mensen te informeren over de risico’s van stilstaand water in de huisinstallatie bij afwezigheid (bijvoorbeeld door vakantie) hebben de gezamenlijke drinkwaterbedrijven een speciale website ontworpen (www.kraandoorspoelen.nu).
Ook is door de rijksoverheid onder meer een folder uitgebracht met antwoorden op de 25 meestgestelde vragen over legionella (zie www.rijksoverheid.nl). De folder heeft tot doel om het publiek te informeren over de risico’s van legionella en de maatregelen die men kan nemen om het risico te beheersen.
Wat doet u om legionellabesmetting bij warm stilstaand water te voorkomen?
Voor mogelijke besmettingsbronnen, zoals natte koeltorens, leidingwaterinstallaties en whirlpools, bestaat regelgeving gericht op het beheersen van de legionellarisico’s. Basis voor die regelgeving is onder meer de Arbeidsomstandighedenwet, de Wet milieubeheer, de Waterleidingwet en de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
Deze regelgeving verplicht de betreffende werkgevers, drijvers van inrichtingen, eigenaars van leidingwaterinstallaties en houders van badinrichtingen tot beheersing van de risico’s. De op basis van deze wetgeving aangewezen toezichthouders zijn verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van deze regels.
Daarnaast wordt communicatie als instrument ingezet om de eigenaars en het publiek bewust te maken van de risico’s en de te nemen maatregelen, zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb beschreven.
Een vermeende inspectie van Nederlandse militairen aan een ziekenhuis in Tarin Kowt |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Faux pas in Uruzgan» en «We zijn hier niet trots op» uit de Groene Amsterdammer?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Is het waar dat op 12 april 2009 gewapende Nederlandse militairen het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt hebben betreden? Zo ja, wat is de reden geweest?
Begin april 2009 was informatie ontvangen dat gewonde vijandelijke strijders in het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt en het nabijgelegen Health Training Center van de Afghan Health and Development Services aanwezig zouden zijn. Bovendien was bekend dat vijandelijke strijders in Afghanistan in voorkomend geval onder dreiging van geweld medische behandeling afdwingen of zich medicijnen toe-eigenen. Op grond van deze informatie hebben Nederlandse militairen op 12 april 2009 een bezoek gebracht aan het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center, waarbij onder meer het ziekenhuis is betreden. Alvorens het ziekenhuis binnen te gaan, hebben de militairen daartoe toestemming gekregen van de aanwezige staf van het ziekenhuis. Bij het bezoek waren vrouwelijke militairen en militaire artsen aanwezig. Tijdens het bezoek hebben de desbetreffende militairen de normale gang van zaken in het ziekenhuis zo min mogelijk verstoord.
Nederland hecht sterk aan een goede samenwerking met het ziekenhuis en het Health Training Center. De regering betreurt dat het bezoek bij de betrokken instanties een negatieve indruk heeft gemaakt. Na het bezoek zijn er klachten ontvangen over de handelwijze van de Nederlandse militairen. De klachten zijn onderzocht en er zijn enkele deels gegrond verklaard. Het betrof het niet vooraf aankondigen van het bezoek, het zeer kort betreden van de vrouwenvleugel van het ziekenhuis en het forceren van het hangslot van een kast. Naar aanleiding van deze conclusies zijn enkele relevante procedures aangescherpt. Bovendien is de Task Force Uruzgan met de betrokken instanties in overleg getreden om de constructieve relaties en het vertrouwen te bestendigen. Er was geen sprake van schending van het internationaal recht.
Is het waar dat zij hierbij ziekenhuispersoneel en/of andere mensen in het ziekenhuis onder schot hebben gehouden?
Nee.
Wat is uw reactie op de stelling van dhr. Khan Agha Miakhil, dat er geen sprake was van een «rondleiding» onder zijn begeleiding, maar van dwingend binnentreden van Nederlandse militairen?
Zie antwoord vraag 2.
Zou u de gebeurtenis kenmerken als een inval, een inspectie, een bezoek of een rondleiding?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u deze gebeurtenis niet aangemerkt als een incident? Hebben Nederlandse militairen in Afghanistan vaker gewapenderhand ziekenhuizen betreden, en zo ja, zijn deze handelingen gerapporteerd?
De gebeurtenissen zijn intern gemeld conform de daarvoor geldende procedures. Nederlandse militairen hebben in Afghanistan nooit gewapenderhand een civiel ziekenhuis betreden. Wel zijn bij het betreden van het ziekenhuis van Tarin Kowt wapens mee naar binnen genomen. Dit is overigens niet in strijd met het internationaal recht.
Is het waar dat tegelijk met de gebeurtenis bij het ziekenhuis het kantoor van de Afghaanse NGO AHDS werd omsingeld en doorzocht? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat er gebeurde? Hoe zou u deze gebeurtenis kenmerken? Wat is de relatie tussen de genoemde gebeurtenissen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden uws inziens deze handelingen zich tot de Vierde Conventie van Genève?
De handelingen van Nederlandse militairen in Uruzgan op 12 april 2009 waren niet in strijd met de Vierde Conventie van Genève of enig ander onderdeel van het internationaal recht.
De Nederlandse regering hecht groot belang aan het internationaal recht. De Nederlandse krijgsmacht handelt ook in Afghanistan binnen de kaders die het internationaal recht stelt. Noch de Vierde Conventie van Genève noch enig ander onderdeel van het internationaal recht verbiedt het inspecteren of bezoeken van ziekenhuizen. Het is tevens toegestaan in voorkomend geval gewonde vijandelijke strijders te arresteren, onder de voorwaarde dat hun de noodzakelijke medische hulp niet wordt ontzegd. Bij het bezoek van het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center op 12 april 2009 zijn overigens geen personen gevangen genomen.
De intimidatie van gevangenispersoneel door een gevangenisdirecteur |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van «Altijd Wat» over de intimidatie van gevangenispersoneel door een gevangenisdirecteur?1
In de eerste uitzending van het nieuwe NCRV-programma «Altijd Wat» op vrijdag 10 september worden verschillende uitlatingen gedaan over de penitentiaire inrichting Hoogvliet. De vermeende misstanden die in de uitzending worden genoemd, zijn in 2009 en 2010 onderzocht. Daarbij zijn geen onregelmatigheden aan het licht gekomen.
Herkent u deze signalen? Hoe beoordeelt u de situatie en de werksfeer in Penitentiaire Inrichting (PI) Rotterdam, locatie Hoogvliet (voorheen Stadsgevangenis Rotterdam)? Kunt u in uw antwoord ingaan op het ziekteverzuim, het aantal en de ernst van de incidenten en de fricties die tussen een aantal personeelsleden en de directeur bestaan in deze penitentiaire inrichting? Kunt u eveneens ingaan op het verwijt dat er structureel sprake is van onderbezetting, en dat er met grote regelmaat onveilige situaties zijn omdat het personeel er alleen voor staat? Welke genoemde problemen hangen samen met of zijn veroorzaakt door het landelijke beleid, zoals de voortdurende bezuinigingen?
De signalen zoals geschetst in de uitzending, herken ik niet. Drie maanden geleden is een nieuw dagprogramma ingevoerd samen met een nieuw dienstrooster. Dit ging gepaard met enige onrust onder het personeel. Inmiddels heeft een tweetal bijeenkomsten plaatsgevonden tussen personeel en de directie, waarbij goede afspraken rond de knelpunten zijn gemaakt. Een aantal knelpunten is intussen opgelost.
Het ziekteverzuim binnen penitentiaire inrichting Hoogvliet is met 5–6% verhoudingsgewijs aan de lage kant. Wat betreft de personele bezetting, deze is volgens de geldende normen op peil, er is geen sprake van onderbezetting. Een verband met landelijk beleid of bezuinigingen is niet aan de orde.
Sinds wanneer bent u bekend met alarmerende signalen over deze inrichting? Welke maatregelen heeft u genomen om de problemen in deze gevangenis op te lossen? Wat is er concreet gedaan met de conclusie uit het onderzoek uit 2007 dat 22 procent van het personeel aangeeft last te hebben van intimidatie door leidinggevenden?1
Er worden regelmatig gesprekken gevoerd tussen de sector gevangeniswezen van het hoofdkantoor DJI en de directie van de inrichting over de dagelijkse gang van zaken. Daarbij is de hele bedrijfsvoering onderwerp van gesprek, dus ook de knelpunten die zich voordoen. Het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing uit mei 2007 (inzake de doorlichting van PI Rijnmond locatie Stadsgevangenis) heeft geleid tot een plan van aanpak, dat is tot stand gekomen in samenspraak met de medezeggenschap. Ter uitvoering is aan het opleidingsprogramma «Leidinggeven als professie» deelgenomen door de leidinggevenden, met inbegrip van het middenkader en de directie, om nog beter toegerust te worden voor hun taken.
Vindt u de locatie en dan vooral de inrichting van het gebouw eigenlijk wel geschikt voor de doelgroep die daar thans gedetineerd zit? Zo nee, wat gaat u daar aan doen? Is het waar dat verschillende gevangenisregimes door elkaar lopen, waardoor kruimeldieven en grote criminelen elkaar tegenkomen? Wat vindt u daarvan?
Sinds enkele maanden heeft een afgesloten deel van het gebouw een gevangenisregime gekregen. Dit deel van het gebouw is volledig afgescheiden van het huis van bewaring gedeelte. De gedetineerden in het gevangenisgedeelte komen dus niet in contact met gedetineerden in het huis van bewaring. Overigens is het voeren van meerdere regimes binnen één locatie niet ongewoon en is de bedrijfsvoering hier op aangepast.
Wat is uw reactie op het feit dat het gevangenispersoneel spreekt van «sleutelen», omdat zij hun werk steeds meer ervaren als het open en dicht doen van celdeuren, waarbij zij steeds minder contact met de gedetineerden hebben? Is het verminderen van het aantal contactmomenten bewust beleid? Zo nee, vindt u het dan een gewenst of een ongewenst neveneffect van de veranderingen in het gevangeniswezen? Welk effect denkt u dat dit heeft op het personeel? Denkt u dat het verminderen van het contact een positief of een negatief effect heeft op het resocialiseren van gedetineerden?
In het kader van het programma modernisering gevangeniswezen (MGW) staat de persoonlijke aanpak van gedetineerden centraal in het gevangeniswezen. Contact met de gedetineerde is een essentieel onderdeel van dit programma. Daarom volgt het hele personeel op dit moment een training motiverende bejegening om juist meer en intensiever contact te onderhouden met de gedetineerden. Daarnaast wordt er landelijk een vorm van mentorschap ingevoerd. In de naaste toekomst zal een uitbreiding van het aantal programma-uren plaats vinden door de invoering van het avond- en weekendprogramma. Het verminderen van contact of het terugbrengen van contactmomenten is beleid noch neveneffect van in het verleden getroffen maatregelen.
Uit welk recent rapport of onderzoek van maart 20101 zou blijken dat de situatie inmiddels is verbeterd en dat er geen sprake zou zijn van veiligheidsrisico’s? Bent u bereid dit rapport of onderzoek naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Uit de externe security audit blijkt dat de veiligheid binnen de penitentiaire inrichting goed op orde is. Informatie die betrekking heeft op de beveiliging van een inrichting wordt niet naar buiten gebracht.
Bent u bereid op korte termijn een onderzoek in te stellen naar de situatie in PI Rotterdam, locatie Hoogvliet? Zo nee, waarom niet?
Er is momenteel geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De dagelijkse gang van zaken wordt nauwlettend gevolgd door de directie van de inrichting, waarbij voortdurend overleg met de medezeggenschap wordt gevoerd.
Voorkruipzorg in het Groene Hart ziekenhuis in Gouda |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda reeds is gestart met businessclub-arrangementen? Zo ja, is dit ondergebracht bij de gezondheidsonderneming «Groene Hart Extra Zorg»?
Nee, het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda is niet gestart met businessclub-arrangementen en dit is dus ook niet ondergebracht bij «Groene Hart Extra Zorg» (GHEZ).
Zijn de plannen vooraf ter toetsing voorgelegd aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zoals door u is toegezegd in antwoord op eerdere vragen van de leden Kant en Van Gerven over deze arrangementen?1 Zo ja, wat was het oordeel van de NZa? Zo nee, waarom niet en gaat u dat alsnog doen?
Nee. De plannen zijn niet voorgelegd aan de NZa omdat de businessarrangementen nog niet concreet zijn.
Klopt de bewering van het ziekenhuis in Gouda dat vanuit Groene Hart Extra Zorg aanvullende zorgactiviteiten worden aangeboden die buiten de reguliere ziekenhuiszorg vallen? Zo nee, welke activiteiten vallen wel binnen de reguliere ziekenhuiszorg?
Ja. Het gaat bijvoorbeeld om diensten op het gebied van preventie (zoals keuringen en gezondheidsonderzoeken) en arbeidsdiagnostiek (een dienst specifiek gericht op diagnostiek van medewerkers van bedrijven.)
Is hier net zoals bij de afspraken tussen Quality Medical Services (QMS) en het Kennemer Gasthuis te Haarlem sprake van overtreding van artikel 35 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) omdat niet is toegestaan dat zorgaanbieders buiten de diagnose behandeling combinaties (DBC’s) om een extra betaling doen?2
Nee, Extra Zorg is niet een bemiddelaar tussen werkgever en ziekenhuis volgens de definitie in het NZa-document «Zorgbemiddeling» van 11 februari 2009): GHEZ betaalt geen extra fee aan de zorgaanbieder voor het leveren van diensten, maar betaalt een regulier tarief aan deze zorgaanbieder. De zorgaanbieder krijgt dit tarief buiten de reguliere DBC-systematiek om. De vergoeding wordt rechtstreeks betaald door de werkgever aan Groene Hart Extra Zorg, waarbij de werkgever vooraf kan beoordelen of hij deze kosten aanvaardbaar acht. Er wordt geen DBC geopend en er wordt niet gedeclareerd aan de patiënt/zorgverzekeraar middels een DBC. Er wordt voor de dienst gebruik gemaakt van dagen en tijden waarop niet standaard reguliere zorg wordt geleverd.
Gaat het hier – ook als er geen extra betalingen zijn en al zou het gaan om zorg buiten kantoortijden en om extra capaciteit waar iedereen beter van wordt – toch ook niet om ongelijke toegang op basis van niet-medische criteria?
Nee, het gaat hier niet om ongelijke toegang op basis van niet medische criteria. De preventieve diensten van Groene Hart Extra Zorg vallen buiten het basispakket. GHEZ brengt bij de werknemer de mogelijke risicofactoren op aandoeningen in kaart en geeft vervolgens adviezen over het voorkomen/behandelen van deze aandoeningen. Het is de werkgever die de kosten voor zijn rekening neemt.
Deelt u de mening van de NZa dat het een taak is voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg om er op toe te zien dat verdringing of selectie van verzekerden op niet-medische gronden niet plaatsvindt, bijvoorbeeld bij alle zorgbemiddeling?3
Allereerst dient te worden vermeld dat de NZa een voorstander is van zorgbemiddelingsinitiatieven. De NZa wijst wel op het mogelijke risico dat zorgaanbieders op niet medische gronden voorrang geven aan patiënten die zijn bemiddeld. Het is de taak van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) om erop toe te zien dat dergelijke initiatieven niet leiden tot situaties waarin niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor verantwoorde zorg. Op dat punt deel ik de mening van de NZa.
Kunt u uiteenzetten wat het morele verschil is tussen de initiatieven van QMS en het wel toegestane initiatief waarbij zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid extra capaciteit inkocht voor staaroperaties uitsluitend voor zijn polishouders bij het Diaconessenhuis in Leiden, anders dan de technisch-juridische verschillen zoals dat QMS geen zorgverzekeraar is in de zin van de Zorgverzekeringswet die tijdigheid in zijn onderhandelingen kan meenemen en in een tarief kan verdisconteren?4
Als minister beoordeel ik of initiatieven passen in de wet- en regelgeving en of deze niet leiden tot situaties waarin niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden voor verantwoorde zorg. Op deze terreinen zie ik geen belemmering. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat nationale wetten in overeenstemming moeten zijn met internationale verdragen zoals in dit geval het recht op gelijke toegang dat geregeld is in het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde (VRMB) waarbij elke staat dient te garanderen dat «een ieder gelijke toegang tot de gezondheidszorg heeft in overeenstemming met zijn of haar medische behoefte» en dat «gelijkheid eerst en vooral de afwezigheid van discriminatie inhoudt»?4
Ja. In Nederland is deze toegang ook volgens deze principes geregeld.
Acht u zich, nu het VRMB nog niet is geratificeerd, desondanks gehouden aan een verdragsconforme uitleg met betrekking tot gelijke toegang tot de gezondheidszorg?5
Ja, ik houd me aan de verdragsconforme uitleg met betrekking tot gelijke toegang tot de zorg. Ratificatie van het VRMB staat hier overigens los van omdat het uitgangspunt van gelijke toegang tot de zorg in veel internationale verdragen een algemeen uitgangspunt is.
Hoe verhouden de genoemde initatieven (QMS, Zorg en Zekerheid, Groene Hart) en andere zorgbemiddelings- of voorrangsinitiatieven zich met Het VRMB en met de algemene non-discriminatiebepaling in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
De initiatieven van Zorg en Zekerheid en het Groene Hart ziekenhuis (Extra Zorg) passen binnen internationale wetgeving voor zover er sprake is van verantwoorde zorg. Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Het initiatief van QMS levert strijdigheid op met de Wmg.
Deelt u de mening dat het bezit van een polis bij een exclusief inkopende zorgverzekeraar een niet-medisch criterium is en dat afgemeten aan de meest basale normen – de rechten van de mens – arrangementen op basis hiervan niet dienen te worden toegestaan? Zo ja, gaat u maatregelen treffen en indien nodig de Zorgverzekeringswet aanpassen?
Nee, die mening deel ik niet. Ik zie geen aanleiding om de Zorgverzekeringswet aan te passen.
Onderschrijft u de stelling dat «verschillen in behandelingen in de gezondheidszorg geoorloofd zijn, doch slechts indien en voorzover daaraan objectief vaststelbare verschillen in behoefte aan noodzakelijke medische zorg ten grondslag liggen»?
Ik ben van mening dat patiënten binnen medisch aanvaardbare wachttijden behandeld moeten worden. Arrangementen die dit uitgangspunt respecteren zijn dus mogelijk.
Herinnert u zich dat u hebt toegezegd een wetsvoorstel ter goedkeuring van het VRMB op te stellen omdat u het VRMB een belangrijk verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens vindt en graag zou zien dat Nederland behoort tot de landen die dit verdrag hebben geratificeerd?67 Zo ja, hoever staat het hiermee? Indien het wetsvoorstel nog niet is voorgelegd aan de Raad van State, op welke termijn gaat dit wel gebeuren en zo niet, waarom niet?
In de beleidsbrief ethiek heeft de vorige staatssecretaris aangegeven dat stappen zullen worden gezet ter bevordering van de ratificatie van het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde (VRMB) (Kamerstukken II, 2006/07, 30 800 XVI, nr. 183). Het wetsvoorstel ter goedkeuring van het VRMB is inmiddels voor het overgrote deel gereed. Het VRMB gaat echter over zeer veel terreinen van de medische ethiek. Voor een enkel onderwerp, te weten medisch-wetenschappelijk onderzoek met minderjarigen, is het nationale beleid in ontwikkeling. Dit geldt met name voor het medisch wetenschappelijk onderzoek met minderjarigen. Het goedkeuringswetsvoorstel zal dan ook pas aan de Raad van State gezonden kunnen worden, nadat het standpunt op het advies van de Commissie Doek gereed is.
Steeds vaken opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers |
|
Nine Kooiman (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Hoeveel alleenstaande minderjarige asielzoekers zitten er momenteel opgesloten en waarom gebeurt dit?1 Deelt u de mening dat dit in strijd is met het Kinderrechtenverdrag en opvattingen van de Raad van Europa en de Verenigde Naties? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Op 1 september 2010 zaten er ongeveer 20 amv’s in vreemdelingenbewaring.
Artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat geen enkel kind onwettig of op grond van willekeur van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. Verder vereist het Verdrag dat het inbewaringstellen van kinderen alleen als een ultimum remedium wordt toegepast voor een zo kort mogelijke duur. Bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid worden deze bepalingen van het IVRK in acht genomen. Waar mogelijk wordt in Nederland vrijheidsontneming van kinderen voorkomen en wordt gebruik gemaakt van alternatieve vormen van opvang of vrijheidsbeperking. Ten aanzien van amv’s wordt het instrument van vreemdelingenbewaring alléén toegepast indien een lichter middel niet toereikend is.
Ik verwijs u naar de brief van de minister voor Jeugd en Gezin van 19 februari 2009 naar aanleiding van de behandeling door het VN-Kinderrechtencomité van Nederlandse rapportages (Tweede Kamer 2008–2009, 31 000, nr. 66).
Voorzover u wat betreft de opvattingen van de Raad van Europa doelt op het rapport van de Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, naar aanleiding van diens bezoek aan Nederland van 21–25 september 2008, verwijs ik u naar de Kabinetsreactie terzake van 27 april 2009, alsmede het daarop volgende verslag van een schriftelijk overleg van 31 mei 2010 (Tweede Kamer 2008–2009, 31 700 V, nr. 95 en Tweede Kamer 2008–2009, 32 123 V, nr. 90).
Worden de lichamelijke en psychische gezondheidsklachten van deze jongeren niet juist versterkt door het opsluiten in een gevangenis? Zo ja, waarom gebeurt dit dan toch? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Nee. De amv’s die in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, verblijven in de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) De Maasberg, die onderdeel uitmaakt van de Hunnerberg. JJI De Maasberg is speciaal voor deze doelgroep ingericht. Het personeel in De Maasberg is opgeleid om vanuit een pedagogische invalshoek met amv’s te werken. Er wordt onderwijs verzorgd en er is aandacht voor vrijetijdsbesteding. Ook is er aandacht voor psychische en lichamelijke gezondheidsklachten bij amv’s. Hiervoor is speciaal opgeleid personeel aanwezig.
Sluit u de jongeren op in de verwachting dat hier een afschrikwekkende werking van uit zal gaan? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Hoeveel opgesloten minderjarige asielzoekers zijn (verdeeld naar vrijwillig, gedwongen, Dublin-claim) vanuit bewaring in 2009 en 2010 aantoonbaar teruggekeerd naar hun land van herkomst?
Nee. Vreemdelingenbewaring wordt niet toegepast als middel om af te schrikken. Vrijheidsontneming wordt toegepast om te voorkomen dat vreemdelingen zich onttrekken aan het toezicht tijdens de voorbereiding van hun verwijdering uit Nederland. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium en wordt alleen toegepast wanneer er geen lichtere middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken.
Hoeveel opgesloten minderjarige asielzoekers zijn na te zijn opgesloten weer in vrijheid gesteld en hoe is de nazorg geregeld voor deze alleenstaande minderjarige asielzoekers?
Op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet kunnen vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf hebben met het oog op uitzetting uit Nederland in vreemdelingenbewaring worden gesteld. De geldigheid van de vrijheidsontnemende maatregel wordt periodiek door een onafhankelijke rechter getoetst. De maatregel wordt opgeheven in geval van aantoonbaar vertrek, indien er niet langer zicht is op uitzetting, of omdat er op basis van nieuwe feiten en omstandigheden in relatie tot de toelating rechtmatig verblijf onstaat.
In 2009 en 2010 zijn ongeveer 70 vreemdelingen vanuit vreemdelingenbewaring aantoonbaar uit Nederland vertrokken, waarvan ongeveer 10 vreemdelingen zelfstandig en ongeveer 60 vreemdelingen gedwongen.
Ongeveer 50 van de gedwongen vertrekken zijn op grond van een effectuering van een Dublin-claim, de overige 10 amv’s zijn gedwongen naar het land van herkomst teruggekeerd.
In ongeveer 80 gevallen is de vreemdelingbewaring op last van de rechter opgeheven omdat er niet langer zicht was op uitzetting. Het gaat hier in ongeveer 15 gevallen om vreemdelingen die 18 jaar of ouder waren ten tijde van de opheffing van de vreemdelingenbewaring.
In het geval dat de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven op het moment dat een vreemdeling nog geen 18 jaar is, wordt de voogd hiervan in kennis gesteld.
Van hoeveel van deze jongeren is u niet bekend wat er na vrijlating met hen is gebeurd? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw oordeel over de effectiviteit en de risico’s van het opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te stoppen met het opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers die niets hebben misdaan? Zo nee, waarom niet?
Met name bij een kwetsbare groep als amv’s acht ik het van belang om zo veel als mogelijk te volstaan met lichtere toezichtsinstrumenten dan bewaring. In verband met de herijking van het amv-beleid is toegezegd dat in combinatie met de implementatie van de beschermende maatregelen voor zogenaamde risico-amv's wordt onderzocht of het karakter van JJI De Maasberg kan worden aangepast en de voorzieningen een meer open karakter kunnen krijgen, zodat slechts sprake is van vrijheidsbeperking in plaats van vrijheidsontneming (Kamerstukken II, 2009/10, 27 062, nr. 64 en 65). Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst zodra het onderzoek is afgerond.
Het laten inslapen van jonge kalveren omdat zij niet geschikt zouden zijn om af te mesten |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kalveren laten inslapen?»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het de huidige praktijk is, of dat het voorkomt, dat wanneer een kalf niet binnen 30 dagen na zijn geboorte het gewicht van minimaal 36 kilo heeft bereikt, deze dieren niet meer gewild zijn voor het afmesten, en dat hierdoor dieren gedood worden door de veehouder zelf, of zelfs op de verzamelplaats van de tussenhandelaar? Hoe beoordeelt u dit?
Het komt inderdaad voor dat kalveren onder de 36 kg niet worden afgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van de veehouder aan elk dier de nodige zorg te besteden en te voldoen aan de hierop van toepassing zijnde regelgeving.
Zo zal op het moment dat een dier geëuthanaseerd dient te worden, voldaan moeten worden aan de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), het Besluit doden van dieren en indien van toepassing, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde (WUD). Dieren mogen in overeenstemming met deze regelgeving op het bedrijf gedood worden. De overheid houdt toezicht op de naleving van de regelgeving.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel voor een Wet dieren heb ik aangegeven dat in de uitvoeringsregels bij die wet zal worden bepaald in welke gevallen een dier mag worden gedood. In eerste instantie ben ik voornemens die gevallen vast te stellen voor een beperkt aantal diersoorten, zoals honden en katten. Op basis van ervaringen worden die regels uitgebreid naar andere diersoorten, zoals kalveren. Op dat moment zal ook de vraag moeten worden beantwoord in hoeverre het doden van commercieel gehouden dieren, waarvan het houden niet economisch rendabel is, ethisch aanvaardbaar is.
Kunt u inzicht geven in wie deze regel bedacht heeft, hoelang deze regel al geldt, en of u en de inspecteurs van de Voedsel- en Warenautoreiteit (VWA) daarvan op de hoogte waren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzicht geven in het aantal kalfjes dat gedood is omdat ze het vereiste gewicht niet hadden bereikt binnen dertig dagen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deze praktijk strijdig is met artikel 12 van het Besluit doden van dieren, waarin zelfs expliciet wordt gesteld dat het «buiten het slachthuis doden van rundvee […] categorisch verboden [is], omdat dit vanuit welzijnsoogpunt onaanvaardbare risico’s meebrengt»?2 Kunt u toelichten hoe het kan dat het in de praktijk kennelijk voorkomt, en waarom het Besluit niet gehandhaafd wordt?
Deelt u de mening dat deze praktijk uit ethisch oogpunt gestopt moet worden? Zo nee, waarom niet?
Artikel 12 van het Besluit doden van dieren is van toepassing op het slachten en doden van productiedieren buiten het slachthuis. Indien het dier niet gedood wordt als productiedier, is dit artikel niet van toepassing. Naast de GWWD en de WUD zijn alleen de artikelen 1 t/m 6 van het Besluit doden van dieren dan van toepassing. Op de naleving hiervan wordt door de overheid toezicht gehouden.
Bent u bereid maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze praktijk zo snel mogelijk wordt gestopt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn?
Zie antwoord vraag 2.
De invloed van CO2 in de atmosfeer op temperatuurstijging |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lezing van oud- AKZO directeur dhr. Van Andel, gehouden in de Buys Ballotzaal van het KNMI op 9 september 2010?1
Volgens de informatie van het KNMI heeft de heer van Andel zogenoemde re-analysis data gebruikt. De trends in het klimaat die hij uit deze data heeft berekend zijn niet zo zeer het gevolg van werkelijke veranderingen in de atmosfeer als wel van veranderingen door de jaren heen van de gebruikte meetsystemen.
Deelt u de mening dat dhr. Van Andel met zijn klimaatconclusies de discussie over de menselijke broeikashypothese weer heeft opengebroken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken of dhr. Van Andel, die concludeert dat een verdubbeling van CO2 slechts zal leiden tot een temperatuurstijging van 0,27 graden, gelijk heeft? Zo ja, zal dat u dan nopen tot een kritische blik naar de onbewezen rampstijgingen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de VN, dat uitgaat van stijgingen die liggen tussen de twee en zes graden?
Nee, dat is niet nodig. Zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid het geldverslindende klimaatbeleid stop te zetten, tenminste totdat er meer aanwijsbare bewijzen zijn die de hoofdconclusies van het IPCC onderschrijven? Zo nee, waarom niet?
De lezing van de heer Van Andel geeft geen aanleiding te twijfelen aan de hoofdconclusies van het IPCC. Zie de beantwoording van vraag 2.
De onafhankelijkheid van de advocaat in loondienst |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Loorbach: Akzo-uitspraak dwingt tot discussie onafhankelijkheid Cohen-advocaat»?1
Ja.
Welke praktische gevolgen heeft de genoemde uitspraak van het Hof van Justitie2voor de advocaat in dienstbetrekking (bij niet-advocaten)?
De uitspraak van het Hof van Justitie heeft als praktisch gevolg dat een advocaat die in dienstbetrekking is bij zijn cliënt geen beroep op de bescherming van vertrouwelijkheid kan doen bij verificatieprocedures verricht door de Europese Commissie op grond van het Europese mededingingsrecht.
Wat is uw mening over het in het arrest gestelde dat het begrip onafhankelijkheid van de advocaat niet enkel positief – door een verwijzing naar de gedragsrechtelijke voorwaarden – maar ook negatief – door de nadruk op het ontbreken van een dienstbetrekking – omschreven wordt?
De reikwijdte van deze uitspraak is thans nog niet goed te overzien. Deze uitspraak dwingt tot een bezinning over de onafhankelijkheid en het verschoningsrecht van advocaten in dienstbetrekking. Daartoe zal ik overleg voeren met betrokken partijen als de NOvA, het Verbond van Verzekeraars en het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen. Over de uitkomsten hiervan zal ik u nader informeren.
Kan als gevolg van deze uitspraak een advocaat in dienstbetrekking bij een niet-advocaat nog langer onafhankelijk worden genoemd? Zo ja, waarom? Zo nee, kan een dergelijke advocaat dan nog wel voldoen aan de kernwaarden, zoals die met voorliggend wetsvoorstel over de positie van de advocaat in de rechtsorde (Kamerstuk 32 382) moeten worden verankerd?
Zie antwoord vraag 3.
De scheefgroei in de premies Werkhervatting gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA) van de Uitvoeringsorganisatie Wekvoorziening (UWV) |
|
|
|
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
Kent u het artikel «Kosten zieke werknemers scheef verdeeld»1 waarin wordt gesteld dat bedrijven met veel arbeidsongeschikten zich relatief goedkoop verzekeren bij het UWV?
Ja.
Kloppen de in het artikel genoemde cijfers van Dillen Consultancy? Betalen bedrijven met een individueel risico van € 1 000 per € 1 miljoen aan loonsom circa 2,6 maal hun risico aan WGA-premies bij het UWV? En ligt de premie voor bedrijven met een risico van € 30 000 inderdaad op 0,7 maal het risico?
De genoemde cijfers kloppen bij de gegeven verhoudingen tussen de uitkeringslasten en de loonsom en vloeien voort uit de regels met betrekking tot de premievaststelling.
Deelt u de analyse van het UWV dat dit komt door een vaste premievoet en de aftopping van de premie boven een bepaald maximum? Kunt u nader ingaan op de oorzaken van de scheve verhouding tussen risico en premie?
Ja. Om deze cijfers in het juiste perspectief te plaatsen vermeld ik dat bedrijven met een loonsom van € 1 miljoen zonder arbeidsongeschiktheidslasten de minimumpremie betalen van 0,07% en dat deze bedrijven met een last van € 15 000 of meer de maximumpremie betalen van 2,20%. Tussen de minimumpremie en de maximumpremie stijgt de premie in verhouding tot de lasten. De premie wordt vastgesteld op basis van het risico van de werkgever. Dit risico is de verhouding tussen het uitkeringsbedrag dat is betaald aan werknemers van de werkgever en de loonsom van de werkgever. Het risico wordt vervolgens omgerekend naar een premie. De premie is hoger naarmate het uitkeringsbedrag hoger is ten opzichte van de loonsom. Er geldt echter een ondergrens, de minimumpremie, en een bovengrens, de maximumpremie. Een publiek verzekerde werkgever betaalt altijd ten minste de minimumpremie en niet meer dan de maximumpremie. Door de systematiek van een minimumpremie en maximumpremie, zullen werkgevers die vrijwel geen schade veroorzaakt hebben, een premie betalen, die relatief hoog is ten opzichte van de schadelast. Anderzijds zullen werkgevers met een schade boven een bepaald maximum, het meerdere van deze schade niet meer terug zien in hun premie. De premie zal door dit maximum niet verder toenemen ongeacht de omvang van de schade. Deze verhouding is een rechtstreeks gevolg van de keuze om de premiedifferentiatie voor werkgevers te laten bewegen binnen een zekere bandbreedte met een minimumpremie en een maximumpremie. Met dit systeem worden risico’s van werkgevers in bepaalde mate verevend en wordt voorkomen dat de premie zo hoog kan worden dat deze voor de werkgever niet meer draaglijk is.
Hoe kan het dat de premies en het risico sinds 2010 scheef zijn gaan lopen, terwijl dit stelsel al langer bestaat?
Het stelsel van premiedifferentiatie in de publieke verzekering van de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) bestaat sinds 2007. De premies zijn sindsdien volgens dezelfde systematiek vastgesteld op basis van het risico van de werkgever. Het feit dat de premies niet volledig evenredig stijgen met het risico is toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Is het waar dat onder de genoemde omstandigheden bedrijven met veel arbeidsongeschikten relatief goedkoop uit zijn bij het UWV? Is hierbij sprake van een bewuste keuze of van een weeffout? Is het geen (financieel) gevaar dat het UWV overblijft met de «slechte risico’s», terwijl de «goede risico’s» zich op de private markt verzekeren?
Door het maximum in de premiestelling betalen bedrijven met een groot aantal arbeidsongeschikten een lagere premie dan het geval zou zijn zonder een maximumpremie. Dit is een bewuste keuze die voor een bepaalde mate van verevening en solidariteit in het stelsel zorgt. Het zijn in de praktijk vooral de kleinere bedrijven waarvoor de maximumpremie een bescherming biedt. De vraag of werkgevers relatief goedkoper uit zijn bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is niet eenduidig te beantwoorden. De vergelijking tussen de publieke premie en de premie van een private verzekeraar hangt af van de mate waarin de verzekeraar risico’s verevent. Ook bij een private verzekeraar zal de premie aan een maximum gebonden zijn. Vooralsnog is niet gebleken dat private verzekeraars voornamelijk de «goede risico’s» verzekeren en dat de «slechte risico’s» bij het UWV verzekerd zijn.
Hoe verhoudt deze problematiek zich tot de evaluatie Effecten hybride financiering uit 2009?2 Is het waar dat de in het artikel beschreven scheefgroei niet is meegenomen in deze evaluatie omdat dit probleem speelt sinds 2010? Beïnvloedt de scheefgroei de conclusies van deze evaluatie en uw visie op het hybride stelsel?
De centrale vraag in het evaluatie-onderzoek WGA was of er verschillen zijn tussen private en publieke uitvoering wat betreft re-integratie-activiteiten en de resultaten daarvan. Conclusie op basis van het onderzoek is dat niet is aangetoond dat het publieke dan wel het private domein beter presteert wat betreft beperking van langdurig verzuim en WGA-risico en bevordering van werkhervatting. Voorts is geconcludeerd dat voor het huidige stelsel met keuzevrijheid voor werkgevers geldt dat publieke en private spelers elkaar aanvullen en scherp houden en dat werkgevers zich kunnen laten leiden door de aanpak die in hun specifieke geval het meest wenselijk is. Bij het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat er geen sprake is van een nieuw feit. De ontwikkeling van de premie beïnvloedt deze conclusies naar aanleiding van de evaluatie en mijn visie op het bestaande keuzestelsel dus niet.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de hoorzitting van de Vaste Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid over financiering WGA op 29 september 2010?
Ja.
Problemen op het volwassenenonderwijs (VAVO) veroorzaakt door bezuinigingen |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de artikelen «Korten op scholen treft drop-outs» en «De omweg naar een diploma wordt steeds lastiger»?1
Het artikel in Trouw gaat over veranderingen in het gemeentelijke budget voor volwasseneneducatie, waartoe het kabinet reeds in 2008 (herbestemming van 50 miljoen euro per 2010 ten gunste van het budget voor extra taal- en rekenonderwijs in het mbo) en in 2009 (een korting van 35 miljoen euro op het budget als bijdrage aan de rijksbrede problematiek als gevolg van economische recessie) heeft besloten. De bekostiging van vavo als tweede weg voor leerlingen die ongediplomeerd uit het reguliere voortgezet onderwijs dreigen te vallen, is ongewijzigd gebleven. In mijn antwoorden op de vragen van het lid Van der Ham (D66), (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 211), heb ik bovenstaande nader toegelicht.
Welke gemeenten werken met een maximum aantal leerlingen dat bekostigd naar het volwassenenonderwijs kan gaan?
Dat is mij niet bekend.
Scholen voor voortgezet onderwijs besluiten onafhankelijk van gemeenten over uitbesteding aan roc’s van het onderwijs aan leerlingen die het voortgezet onderwijs anders ongediplomeerd (dreigen te) verlaten. Scholen voor voortgezet onderwijs en roc’s (afdeling VAVO) maken onderling afspraken over een eventuele uitbesteding. De bekostiging loopt in deze gevallen via de school voor voortgezet onderwijs.
Over de bekostiging van vavo voor volwassenen uit publieke middelen besluiten gemeenten zelf. Afhankelijk van de lokale prioriteiten bepaalt de gemeente de inzet van het participatiebudget. In mijn antwoorden op de vragen 5 en 6 van het lid Van der Ham (D66) heb ik bovenstaande nader toegelicht.
Welke gemeenten betalen uitsluitend nog voor leerlingen die een havodiploma willen halen via het volwassenenonderwijs?
Dat is mij niet bekend.
Hoeveel gedwongen ontslagen zijn er al gevallen dankzij de bezuiniging van bijna het halve budget voor educatie? Hoeveel verwacht u er het komende jaar?
Over gedwongen ontslagen is mij niets bekend. In 2010 is overigens nog geen sprake van een bezuiniging maar een herbestemming van 50 miljoen euro. Deze middelen gaan nu nog steeds naar dezelfde sector en hoeft om die reden niet direct tot ontslagen te leiden. Personeelsleden van roc’s die werkzaam waren in de volwasseneducatie zouden immers ook kunnen worden ingezet binnen het mbo.
Elk roc bepaalt zelf het eigen educatiebeleid en het personeelsbeleid. Dat is mede afhankelijk van de aard en omvang van de participatievoorzieningen die bij het roc door gemeenten in de regio worden ingekocht. Het gaat daarbij om educatie-, inburgerings-, re-integratie- of gecombineerde trajecten. Ook is het afhankelijk van de vraag vanuit omliggende scholen voor voortgezet onderwijs naar vavo voor hun leerlingen. Zowel gemeenten als scholen voor voortgezet onderwijs bepalen zelf met welk roc zij in zee gaan. Dat was vóór de invoering van het participatiebudget al het geval en dat is nog steeds zo.
Indien u deze informatie niet paraat heeft, bent u bereid hier onderzoek naar te doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, hierbij ligt in eerste instantie een verantwoordelijkheid voor de werkgevers (college van bestuur van roc’s), van het betrokken personeel zelf, voor de MBO Raad (waarin de bestuurders zich hebben verenigd) en voor de toezichthouders van de roc’s. Of daarnaast aanvullende acties gewenst zijn, laat ik aan het nieuwe kabinet.
Wat gaat u doen voor leerlingen die dankzij maatregelen zoals hierboven genoemd niet kunnen deelnemen aan het volwassenenonderwijs?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7 van het lid Van Der Ham (D66).
Hoe verhoudt het weigeren van leerlingen door scholen zich tot uw verantwoordelijkheid voor toegankelijk onderwijs? Deelt u de mening dat u de term «leven lang leren» eigenlijk niet meer mag gebruiken wanneer u het volwassenenonderwijs op deze manier ontoegankelijk maakt?
Ik verwijs u naar mijn antwoorden op vraag 6 en 7 van het lid Van Der Ham (D66).
Onderschrijft u de stelling dat er momenteel grote verschillen zijn tussen gemeenten en dat dit een onwenselijke situatie is die in het nadeel is van leerlingen? Bent u bereid om uw verantwoordelijkheid wat betreft volwassenenonderwijs te nemen en de financiering van het volwassenenonderwijs te centraliseren?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7 van het lid Van Der Ham (D66).
Een doodsbedreiging op de website Marokko.nl |
|
Sietse Fritsma (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een voormalig PVV-kandidaat voor de gemeenteraad van Den Haag op de website Marokko.nl herhaaldelijk met de dood bedreigd wordt?1
Ik heb naar aanleiding van de door de leden Fritsma en Bosma gestelde Kamervragen kennisgenomen van de genoemde uitingen. Het past mij echter als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet om in dit concrete geval de uitingen als bedreiging te kwalificeren; dat is ter beoordeling aan politie en justitie en in laatste instantie aan de onafhankelijke rechter.
Hoe is het mogelijk dat deze onacceptabele bedreigingen niet binnen een uur van de voornoemde website zijn verwijderd, terwijl dit in een brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie expliciet is toegezegd?2
De toenmalige minister voor Wonen,Wijken en Integratie heeft met Marokko.nl afspraken gemaakt over diverse verbeteringen in het beheer van de site. De exploitant van Marokko.nl heeft toegezegd ernaar te streven discriminerende en/of haatzaaiende uitlatingen binnen het uur te verwijderen. Desgevraagd heeft de exploitant van Marokko.nl aangegeven de ernst van de door vragenstellers aangehaalde uitingen te hebben ingezien en heeft zij de uitingen verwijderd. Ik betreur het ten zeerste dat deze uitingen niet volgens de afspraak tijdig zijn verwijderd, ondanks het geïntensiveerde moderatiebeleid van Marokko.nl.
Deelt u de mening dat de genoemde bedreigingen, alsmede het feit dat deze bedreigingen, ondanks de beloften van de exploitant van de site, gewoon op de site zijn blijven staan en aantonen dat het hier gaat om een onvervalste haatsite, waartegen krachtig moet worden opgetreden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te treffen tegen de exploitant van Marokko.nl nu hij zijn toezeggingen niet nakomt?
Het uiten van bedreigingen jegens groepen en of individuen vind ik niet acceptabel. Ik raad een ieder aan om in dit soort gevallen aangifte te doen bij de politie. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of het om bedreigingen gaat en welke strafmaatregelen daarbij passend zijn. De kwalificaties van de vragenstellers aan het adres van de genoemde site laat ik voor hun eigen rekening.
De subsidie voor het project aan de exploitant van Marokko.nl is in 2009 conform planning afgebouwd. Dit betekent dat Marokko.nl in 2010 geen subsidie meer ontvangt van BZK en OCW.
Kunt u bevestigen dat Marokko.nl in 2010 geen cent subsidie meer heeft ontvangen, conform het gestelde in de genoemde brief 29 oktober 2009?
Zie antwoord vraag 3.
De werkzaamheden van Midden-Oosten Kwartetvertegenwoordiger Tony Blair |
|
Arjan El Fassed (GL), Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «How Blair rescued Palestine deal worth $200m to his £2m-a-year paymasters»1 en «Blair used influence to save Palestinian firm»?2
Ja.
Is het waar dat er een Nederlandse diplomaat is toegevoegd aan het team van Tony Blair en Nederland op deze manier een bijdrage levert aan de werkzaamheden van het Midden-Oosten Kwartet? Levert Nederland daarnaast nog andere (financiële) bijdragen aan het Midden-Oosten kwartet? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de activiteiten van Tony Blair en zijn kantoor die met die bijdrage mogelijk worden gemaakt? Is het mogelijk dat deze (financiële) ondersteuning ook voor andere doeleinden door het kantoor van Tony Blair kan worden gebruikt? Welke garanties heeft u dat dit niet gebeurd?
Er zijn twee Nederlandse diplomaten toegevoegd geweest aan het team van de Kwartetvertegenwoordiger, beiden voor een periode van een jaar in 2007/8, resp. 2008/9. Nederland heeft geen andere (financiële) bijdragen geleverd aan de werkzaamheden van de Kwartetvertegenwoordiger.
Past het werk dat Tony Blair heeft gedaan in het belang van het bedrijf Wataniya bij zijn rol als Kwartetgezant? In wiens opdracht bemiddelde Tony Blair inzake Wataniya? Klopt het dat hij handelde in opdracht van de Palestijnse Autoriteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
De heer Blair handelt niet in opdracht van de Palestijnse Autoriteit. Zijn werkzaamheden moeten worden gezien in het licht van zijn mandaat als Kwartetvertegenwoordiger – zoals beschreven in de verklaring van het Kwartet van 27 juni 2007. Dit bevat de volgende elementen:
Zijn inspanningen in het Wataniya-dossier liggen in het verlengde hiervan.
Is het waar dat Tony Blair ook door de Amerikaanse investeringsbank JP Morgan wordt betaald als consultant? Is het waar dat JP Morgan een financieel belang heeft in het telecombedrijf Wataniya via het bedrijf Qtel uit Qatar? Is JP Morgan op enige wijze betrokken bij de verkoop van Wantaniya door Qtel?
Mij is bekend dat JPMorgan Chase, het moederbedrijf van J.P. Morgan, op 10 januari 2008 in een persverklaring heeft bericht dat de heer Blair is benoemd als part-time senior adviseur van de Raad van Bestuur van de bank. Qtel is in het verleden geadviseerd door J.P. Morgan. Mij is onbekend welke rol het bedrijf speelde bij de overname van Wataniya Quwait door Qtel. Wataniya Quwait is op haar beurt weer deelnemer in Wataniya Palestine.
Deelt u de mening dat alleen al het vermoeden van belangenverstrengeling schade berokkent aan de werkzaamheden van het Midden-Oosten Kwartet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hier met Tony Blair over te spreken?
De relatie tussen de rol van de heer Blair als part-time adviseur van het senior management van J.P. Morgan en de mogelijke betrokkenheid van J.P. Morgan bij de advisering bij dan wel financiering van de overname door een cliënt van J.P. Morgan van een bedrijf dat een belang heeft in een Palestijnse telecom-provider, is zodanig indirect dat in redelijkheid niet gesproken kan worden van vermoedens van belangenverstrengeling. Ik zie dan ook geen aanleiding om mij in deze aangelegenheid met de heer Blair te verstaan.
Deelt u de mening dat Tony Blair de inkomsten en bijdragen (financieel, in natura en overig) die hij genereert als Kwartetvertegenwoordiger en uit zijn andere werkzaamheden openbaar moet maken om het vermoeden van belangenverstrengeling weg te nemen?
Neen. De heer Blair is op persoonlijke titel aangesteld en krijgt geen salaris voor zijn werkzaamheden als vertegenwoordiger van het Kwartet. Zijn kantoor in Jeruzalem wordt betaald door een consortium van internationale donoren, via bijdragen aan een separaat trustfund onder beheer van UNDP. De verslagen en rekeningen van het kantoor worden gecontroleerd door onafhankelijke accountants, in overeenstemming met internationale regelgeving. Nederland is geen donor en ziet ook geen noodzaak zich te verdiepen in de financiële positie van de Kwartetvertegenwoordiger zelf.
Is het waar dat het Palestine Investment Fund een belangrijk aandeel heeft in Wataniya? Hoe groot is dat aandeel? Is het waar dat de bestuurder van dit fonds tevens voorzitter is van de raad van bestuur van Wataniya? Is er enige relatie tussen de voorzitter van de raad van bestuur en de president van de Palestijnse Autoriteit? En welke relatie bestaat er tussen de bedrijven Sky en Falcon Trading Group met Wataniya? Is het waar dat deze bedrijven worden geleid door familieleden van de Palestijnse president? Deelt u de mening dat er een zweem van corruptie hangt rondom deze gang van zaken? Zo ja, bent u bereid dit aan de orde te stellen tijdens uw volgende ontmoeting met de Palestijnse Autoriteit? Bent u het ermee eens dat dit onderzocht moet worden door de Palestijnse justitiële autoriteiten?
De Palestijnse tak van Wataniya Mobile werd in november 2009 gelanceerd en is de uitkomst van een gezamenlijke investering van Wataniya-Quwait, dat met 57% het meerderheidsaandeel heeft, en het Palestine Investment Fund (PIF) dat de overige 43% van de aandelen heeft. Het is juist dat de Voorzitter van de Raad van Bestuur van Wataniya, Dr. Mohammed Mustafa, tevens President is van het Palestine Investment Fund. Dr. Mustafa is tevens economisch adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Mahmoud Abbas. Ik heb geen inzicht in de aard van de relaties die bestaan tussen een Palestijnse particuliere onderneming als Wataniya en andere Palestijnse ondernemingen. Ik zie geen aanleiding voor het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken om hier onderzoek naar te verrichten of om de Palestijnse Autoriteit hierop aan te spreken.
Is het waar dat het kantoor van Tony Blair permanent tien hotelkamers heeft in the American Colony Hotel in Jeruzalem? Is het waar dat deze huisvesting 1,3 miljoen euro (1,1 miljoen Engelse pond) op jaarbasis kost?3 Deelt u de mening dat deze uitgave voor huisvesting buitensporig is? Bent u bereid Tony Blair hierop aan te spreken?
Het kantoor van het Kwartet bevindt zich inderdaad in het American Colony hotel, waar ook de heer Blair’s voorganger als kwartetvertegenwoordiger, de heer James Wolfensohn, kantoor hield. Nederland verkeert niet in een positie om de heer Blair aan te spreken op de manier waarop zijn werkzaamheden georganiseerd zijn, aangezien het geen donor is van zijn kantoor. De huisvesting is niet in de laatste plaats ingegeven door de beveiligingsbehoeften van de heer Blair als voormalig premier van het Verenigd Koninkrijk en staan ook in dat licht gezien niet ter beoordeling aan een derde land als Nederland. Zie voorts het antwoord op vraag 6.
Op welke manier worden de inspanningen en effectiviteit van het kantoor van Tony Blair en de ondersteuning die hij daarvoor van Nederland krijgt, gecontroleerd en beoordeeld? Kunt u een financieel overzicht geven van de inkomsten en uitgaven van het kantoor van Tony Blair? Zo ja, kunt u die als bijlage toevoegen bij de antwoorden op deze vragen?
Zie antwoord vraag 8.
Subsidies van het Europees Sociaal Fonds (ESF) aan TNT ter waarde van meer dan vier miljoen euro |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is precies de inhoud van een aantal projecten waarvoor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds aan TNT is verstrekt, met een totale waarde van boven de vier miljoen euro?1
De desbetreffende projecten maken onderdeel uit van het ESF-programma 2007–2013. Daarbinnen bestaat een specifiek programma-onderdeel ten behoeve van additionele toerusting en bemiddeling van werklozen met een achterstand op of
tot de arbeidsmarkt (ESF-Actie A). Dit betreft in casu de re-integratie van werkzoekende niet-uitkeringsontvangers (nuggers), mensen met een arbeidsbelemmering respectievelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten of wajongeren en werkloze 55-plussers.
Het doel van de projecten van TNT is het aantrekken en begeleiden van met name niet-uitkeringsontvangers (nuggers) naar een betaalde baan als postbezorger. De doelgroep 55+ en gedeeltelijk arbeidsgeschikten betreft personen met een WWB en/of uitkering van het UWV die ofwel rechtstreeks door TNT geworven worden ofwel door de gemeenten of het UWV worden aangedragen. In die zin past dit project binnen het doel van actie A van het ESF programma 2007–2013 te weten het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van personen die tot de bovengenoemde doelgroep horen.
De deelnemers worden door TNT geworven en binnen een periode van 4 weken opgeleid om de functie van postbezorger te kunnen uitoefenen.
Het grootste deel van de subsidie wordt aangewend om deze interne training te bekostigen. De opleiding duurt drie dagen in de eerste week waarin de nieuwe postbezorger werkt. In de drie weken daarna wordt een aantal coachingsgesprekken gevoerd.
Bestaat de kans dat de overheid een project subsidieert waarbij vaste krachten worden vervangen door flexwerkers? Kunt u uw antwoord toelichten?
De betreffende projecten hebben tot doel om moeilijk plaatsbare werklozen aan het werk te helpen. Het creëren van mogelijkheden voor deze specifieke groep is van groot belang, zeker in economisch mindere tijden.
Ik heb navraag gedaan bij TNT. Uit die informatie is mij gebleken dat het niet zo is dat vaste krachten worden vervangen door flexwerkers. Specifiek voor TNT geldt dat de ESF-projecten los staan van de reorganisatie. Dat is een bedrijfsinterne aangelegenheid waarbij – door marktontwikkelingen als volumedaling – banen verdwijnen. De nieuwe medewerkers wordt een parttime, maar vaste baan aangeboden op basis van een cao en arbeidsovereenkomst.
Wat is het totaalbedrag aan dergelijke subsidies verstrekt in de afgelopen tien jaar, zowel door de Europese Unie als door Nederland? Kunt u een overzicht geven van alle projecten die subsidie hebben gekregen, met het bedrag en een beschrijving van de inhoud?
De desbetreffende subsidies worden verstrekt in het kader van het ESF-programma 2007–2013, onderdeel Actie A (zie vraag 1). Dit betreffen Europese middelen, die via een nationale subsidieregeling (Subsidieregeling ESF 2007–2013, herzien) worden verstrekt. De ESF-subsidie bedraagt 40% van de projectkosten, de aanvrager moet 60% uit eigen middelen bijdragen.
Dit programma is gestart in 2007. In de jaren 2007 en 2008 konden alleen gemeenten deze subsidie aanvragen. Vanaf het jaar 2009 kunnen ook UWV en sectorale Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fonds) als aanvragers optreden, als zij door de minister van SZW als ESF-aanvrager zijn erkend. Eén van de erkenningsvoorwaarden is dat het een samenwerkingsverband per bedrijfstak of bedrijf moet zijn dat wordt beheerd door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. De Stichting TNT Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voldoet daaraan.
In 2007 is € 8 369 092 toegekend aan alleen gemeenten. In 2008 is in totaal € 27 220 618 toegekend, eveneens alleen aan gemeenten. In 2009 is € 48 990 793 (aanvraagtijdvak maart) plus € 73 854 751 (aanvraagtijdvak november 2009), in totaal € 122 845 544 toegekend, waarvan € 90 743 047 aan gemeenten, € 18 000 940 aan UWV en € 14 101 557 aan O&O-fondsen. Jaarlijks is een overzicht aan de Tweede Kamer gezonden, met daarin een beschrijving van de programmaonderdelen op hoofdlijnen, met als bijlage een overzicht van alle verleende subsidie per project, inclusief bedragen. Zie hiervoor TK 2007–2008, 26 642, nr. 108 (2007) TK 2008–2009, 26 642, nr. 112 (2008) en TK 2009–2010, 26 642, nr. 113.
Zijn er nog meer subsidies uit het Europees Sociaal Fonds verstrekt aan TNT in de afgelopen tien jaar? Om wat voor bedragen en projecten ging het? Kunt u daar een overzicht van verstrekken?
Onderstaand treft u een overzicht van 5 subsidies die in de afgelopen 10 jaar zijn verstrekt aan TNT in het kader van ESF-programma’s gericht op scholing voor werkenden.
1.
2003
SAP trainingen TNT
€ 273 224
Het ESF3-project «SAP Trainingen TNT bestaat uit verschillende in gebruikerstrainingen (Back Office medewerkers) in het geautomatiseerde ERP-systeem SAP.
2.
2004
TNT Management Traject
€ 1 264 336
Het ESF-3 project «TNT Management Traject» bestaat uit trainingen die zich richten op het scholen en ontwikkelen van het middle management.
3.
2007
TNT Challenge 2007
€ 1 892 105
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
4.
2008
TNT Challenge 2009
€ 2 999 605
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel is het mobility project van TNT dat erop gericht is medewerkers te laten uitstromen naar andere sectoren en hen hiervoor een passende opleiding aan te bieden om hun kansen op een functie binnen een andere sector te vergroten.
5.
2010
TNT Challenge 2010
€ 2 544 504
Binnen dit programma Challenge 2010 bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– veiligheid
– management
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel van het project betreft het mobility project van TNT. Dit project is erop gericht medewerkers additionele competenties te laten ontwikkelen, eventueel ook buiten het eigen werkveld.
De proef arbeidstoeleiding vanuit detentie |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de berichten «UWV helpt gedetineerden aan baan» van augustus 20091, alsmede de toezegging van de staatssecretaris van Justitie dat de proef in Lelystad zo succesvol was verlopen dat de arbeidsbemiddeling van gedetineerden en de samenwerkende instanties, zoals het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), de penitentiaire inrichting en de gemeente, naar zes andere plaatsen in het land zou worden uitgebreid?2 Wat is op deze zes locaties de stand van zaken?
Ja. Er heeft in 2010 uitbreiding plaatsgevonden naar zes nieuwe locaties. Daar wordt de werkwijze tussen het Gevangeniswezen, gemeenten, en het UWV WERKbedrijf op dit moment verder beproefd.
Is het waar dat de zes genoemde locaties en gemeenten (Alkmaar, Almere, Arnhem, Grave, Ter Apel en Krimpen aan de IJssel) nauwelijks tot geen aantoonbare resultaten hebben geboekt met deze proef, en dat men op enkele plaatsen zelfs in het geheel niet bekend is met het bestaan van deze proef? Wat is uw reactie hierop?
De locaties zijn op verschillende momenten in 2010 gestart met de werkwijze. Ik kan u verzekeren dat de proef bij alle betrokken medewerkers van de locaties bekend is. De medewerkers hebben met actieve begeleiding vanuit de pilot met elkaar kennisgemaakt en voorlichting en trainingen gekregen. Verder zijn er ICT maatregelen (werkplekken, internet) getroffen die nodig zijn om aan de pilot deel te kunnen nemen.
Hoeveel gedetineerden zijn in het kader van deze proef en de samenwerking tussen UWV, de penitentiaire inrichting en gemeente aan het eind van hun detentie succesvol naar werk toe geleid? Kunt u deze aantallen uitsplitsen per locatie?
Er zijn in het kader van deze proef in de eerste fase (Lelystad) van de 60 aanmeldingen, 10 deelnemers naar werk toegeleid. In de tweede (uitbreidings)fase zijn nog geen gedetineerden naar werk toegeleid. Er zijn 95 gedetineerden aangemeld voor toeleiding naar arbeid bij het UWV WERKbedrijf.
Is het waar dat de intentie was dat in 2010 in alle gevangenissen deze nieuwe samenwerking tussen het UWV, de penitentiaire inrichting en de gemeente zou worden gehanteerd? (1) Wat is hierin de stand van zaken?
De intentie was om de pilot in 2010 uit te breiden met zes locaties om de ontwikkelde werkwijze van Lelystad te beproeven. In Alkmaar is per februari gestart, in Arnhem en Grave per maart, in Krimpen a/d IJssel in mei en in Almere en Ter Apel in juli 2010.
Hoe beoordeelt u nu, meer dan twee jaar na het starten van de proef in Lelystad en een jaar na de uitbreiding van de arbeidstoeleiding van gedetineerden naar zes locaties, de concrete resultaten die hiermee zijn geboekt?
Binnen de uitbreidingsfase wordt een werkwijze arbeidstoeleiding ontwikkeld die landelijk bruikbaar is. De pilot loopt tot 31 december 2010 en levert als eindresultaat de beschrijving van de beproefde werkwijze inclusief toolkit op. Dit loopt op schema. Deze wordt in januari 2011 beschikbaar gesteld aan alle penitentiaire inrichtingen, het UWV WERKbedrijf en gemeenten waarmee zij desgewenst gezamenlijk de samenwerking in de regio kunnen aangaan. Door de werkwijze arbeidstoeleiding gezamenlijk in te voeren kunnen penitentiaire inrichtingen, Werkpleinen en gemeenten tijdens detentie een arbeidstoeleidingstraject (zo nodig inclusief opleiding) voor gedetineerden starten zodat hun kansen op de arbeidsmarkt toenemen én de detentietijd optimaal benut wordt.
Deelt u de mening dat hier veel meer uit te halen is, en dat het van groot belang is dat gedetineerden worden gestimuleerd en begeleid om direct na het uitzitten van detentie aan het werk te gaan omdat dit in belangrijke mate bij kan dragen aan het verminderen van recidive? Welke verbeteringen gaat u aanbrengen om van de arbeidstoeleiding vanuit detentie wel een succes te maken? Op welke termijn kunnen er concrete resultaten worden verwacht?
Ik heb vertrouwen in de werkwijze en zal mij inzetten om deze verder gestalte te geven. Het totaal aantal deelnemers van 95 aan de pilot tot nu toe is laag gelet op de potentiële doelgroep. Uit de monitor nazorg van het WODC blijkt 58,6% van de gedetineerden direct na detentie over een inkomen te beschikken. Hiervan is niet bekend of dit inkomen uit werk of uitkering is, waardoor het aantal gedetineerden dat in aanmerking zou komen voor toeleiding naar werk ver boven de 40% ligt.
Tijdens de detentie is het gevangeniswezen eerstverantwoordelijk voor de zorg van gedetineerde burgers. Het gevangeniswezen biedt gemeenten en maatschappelijke partners actief de mogelijkheid om al tijdens detentie met gedetineerde burgers aan hun re-integratie te werken (het zogenaamde importmodel). Door de veelheid aan prioriteiten zijn de pilots binnen het gevangeniswezen op de achtergrond geraakt. Vanuit het management wordt nu actief gestuurd op het aanmelden van gedetineerden voor toeleiding naar arbeid bij het UWV WERKbedrijf. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie van de pilots zal ik begin 2011 met het gevangeniswezen afspraken maken over de invoering van de werkwijze arbeidstoeleiding als onderdeel van het regulier aanbod aan terugkeer activiteiten voor gedetineerden.