De uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage over de grensdetentie van een alleenstaande minderjarige asielzoeker |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2010 over de grensdetentie van een zeventienjarige alleenstaande asielzoeker?1
Ja.
Bent u in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Nee. Bij uitspraak van 13 oktober 2010, AWB 10/29208, heeft de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Gravenhage, zitting houdende te Amsterdam, na daartoe een schouw te hebben gehouden in het AC Schiphol, geoordeeld dat tenuitvoerlegging van de maatregel van artikel 6, lid 1 en 2 Vw ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) in strijd is met artikel 5, lid 1 aanhef onder f van het EVRM.
De rechtbank wijst er onder meer op dat niet een specifiek op de situatie van de vreemdeling toegespitste belangenafweging is gemaakt en niet is bezien of met een alternatief kon worden volstaan. Dit klemde naar het oordeel van de rechtbank temeer nu de vrijheidsontnemende maatregel alsook de toegangsweigering na de afwijzende asielbeschikking is opgeheven.
Ik heb met name in de overwegingen van de rechtbank inzake de belangenafweging en het bezien van alternatieven aanleiding gezien geen hoger beroep in te stellen.
Wat is het gevolg van deze uitspraak voor uw beleid ten aanzien van de grensdetentie van alleenstaande minderjarige asielzoekers (amv’s)?
Ik bezie thans hoe ik de procedure zodanig kan inrichten, dat zowel de belangen die in internationaal verband het grenstoezicht dienen als de belangen die ik in het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen voorsta op de best mogelijke wijze kunnen worden verenigd.
In dit verband wil ik wijzen op de brief van de minister van Justitie van 18 juni 2010 waarin werd aangegeven dat naar alternatieven voor vreemdelingenbewaring wordt gezocht.
Waarom bent u er, sinds de inwerkingtreding van de nieuwe asielprocedure op 1 juli 2010, toe overgegaan om amv’s ouder dan 15 jaar, die via Schiphol Nederland proberen binnen te reizen, in grensdetentie op Aanmeldcentrum (AC) Schiphol te plaatsen? Waarom hebt u niet gekozen voor het alternatief van beschermde opvang, zoals dat voor 1 juli 2010 gebruikelijk was? Is de praktijk van grensdetentie nog houdbaar nu de rechtbank onherroepelijk heeft geoordeeld dat de plaats en verblijfsomstandigheden, onder meer vanwege het penitentiaire karakter, niet voldoen voor het verblijf van een alleenstaande minderjarige asielzoeker?
De werkwijze die sinds 1 juli 2010 wordt gevoerd, is een vrijwel ongewijzigde voortzetting van de werkwijze zoals die vóór 1 juli 2010 werd gevoerd. Zowel in de oude als de nieuwe situatie is het beleidsmatig mogelijk om alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verplichten zich gedurende de procedure in het aanmeldcentrum Schiphol op te houden op grond van een maatregel ex artikel 6, lid 1 en 2, Vw. Wanneer er na afloop van de procedure in het AC geen twijfel meer bestaat over de minderjarigheid, wordt de maatregel opgeheven en de amv in de opvang geplaatst.
Van belang is dat zowel uitspraken van Europese Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) en Europese regels zoals de Terugkeerrichtlijn de verwijderingsdetentie (van minderjarigen) niet uitsluiten, dan wel onder voorwaarden toestaan. Dan moet dus worden geconcludeerd dat ook de mensenrechten detentie niet uitsluiten, mits terughoudendheid en zorgvuldigheid wordt betracht.
Aan de grens op Schiphol is sprake van een bijzondere situatie. De Schengen grenscode geeft mij de mogelijkheid daar asielzoekers vast te houden, terwijl aan de grens hun aanvraag wordt beoordeeld. Die bevoegdheid is niet uitgezonderd voor minderjarigen. Er zijn zowel uitspraken waarin door de rechtbank wordt geoordeeld dat alleenstaande minderjarigen op de locatie op Schiphol niet moeten worden vastgehouden, vanwege de omstandigheden die minder geschikt zijn voor kinderen, als uitspraken die oordelen dat dit wel is toegestaan2.
Mede naar aanleiding hiervan wordt thans bezien hoe ik de procedure aan de grens zodanig kan aanpassen, dat ik zowel de belangen die in internationaal verband het grenstoezicht dienen, als de belangen die ik in het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdeling voorsta, op de best mogelijke wijze kan verenigen.
Daarbij denk ik aan een werkwijze waarbij van amv's aan wie de toegang is geweigerd op AC Schiphol nog voor de start van de algemene asielprocedure wordt beoordeeld of er twijfel bestaat aan de gestelde minderjarigheid en de noodzaak voor eventuele beschermde opvang. In de gevallen dat aan de minderjarigheid niet wordt getwijfeld, zal de asielprocedure op dezelfde wijze starten als voor amv's aan wie de toegang niet is geweigerd: namelijk in AC Den Bosch, na een rust- en voorbereidingstermijn van ten minste 6 dagen.
Wat is uw verklaring en kwalificatie van de uitspraak van de rechter, dat u al ruim vijf maanden een beleid voert dat minderjarigen in grensdetentie plaatst, dat in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens? Deelt u de mening dat onderzocht moet worden in hoeverre de amv’s die sinds 1 juli 2010 in grensdetentie hebben gezeten schadeloos gesteld kunnen worden? Kunt u dit toelichten?
De uitspraak heeft me verbaasd omdat, zoals ik in mijn antwoord op de vorige vraag al aangaf, de asielprocedure van alleenstaande minderjarigen ook vóór 1 juli 2010 al werd behandeld in het AC Schiphol en dit voorheen niet tot een negatief rechterlijk oordeel heeft geleid. Bovendien zijn de verblijfsomstandigheden in het aanmeldcentrum op Schiphol sinds 1 juli 2010 niet in nadelige zin veranderd, maar zijn deze juist in verband met de invoering van de algemene asielprocedure per 1 juli 2010 verbeterd.
Ik meen dan ook niet dat de uitspraak ertoe moet leiden dat er met terugwerkende kracht tot 1 juli 2010 grond voor een schadevergoeding is voor het verblijf in het aanmeldcentrum.
Daar komt bij dat amv's die in grensdetentie hebben gezeten en van wie de asielaanvraag in het AC Schiphol is behandeld, dit aan de orde hebben kunnen stellen in een beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en langs die weg om schadevergoeding konden vragen.
Deelt u de mening dat alleenstaande minderjarige asielzoekers aan wier leeftijd niet getwijfeld wordt, bij binnenkomst in Nederland niet in een gevangenis geplaatst horen te worden? Bent u bereid uw praktijk ten aanzien van deze grensdetentie onmiddellijk te beëindigen en een alternatief te gebruiken? Bent u bereid daarbij een onderscheid te maken tussen «gewone amv’s», die bijvoorbeeld naar de opvang in Den Bosch kunnen, en amv’s die een risico lopen op ontvoering of slachtoffer zijn van mensenhandel, en die in de beschermde opvang moeten worden geplaatst? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Ik ben van mening dat detentie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in beginsel alleen na een gedegen afweging van belangen toegepast moet worden en zoveel mogelijk moet worden uitgevoerd in een daarvoor geschikte inrichting. In het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven in welke gevallen daartoe kan worden overgegaan.
Zullen als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de faciliteiten en het regime van de nieuwbouwlocatie voor grensdetentie op Schiphol Oost worden aangepast?
De verkoop van bedreigde tonijn in Nederlandse supermarkten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Greenpeace dat aantoont dat er in tonijn in blik vaak bedreigde en overbeviste tonijnsoorten zitten?1
Ja.
Is het waar dat zolang op het blik één soort genoemd staat, terwijl er meer soorten in zitten, dit in strijd is met Richtlijn 2000/13/EC artikel 2, aangezien dit de consument misleidt? Welke conclusie trekt u hieruit?
Ja.
De consument dient via het etiket van juiste informatie te worden voorzien.
Is het waar dat vermengen van twee (of meer) soorten tonijn in een blik in strijd is met Verordening 1536/92? Welke conclusie trekt u hieruit?
Nee. Het vermengen van meerdere soorten tonijn is niet in strijd met Verordening 1536/92.
Op welke manier vindt er op dit moment controle plaats op de naleving van genoemde Richtlijn en Verordening met betrekking tot tonijn in blik?
In Nederland wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of de soorten vis die op de verpakking vermeld staan ook daadwerkelijk in de verpakking zit. De nVWA doet dit met een chemische methode, de zogenaamde eiwit electroforese, die echter alleen werkt met rauwe, ongekookte vis. De nVWA beschikt niet over een onderzoekmethode waarmee verschillende soorten tonijn in blik (gekookt) kunnen worden aangetoond.
Bent u bereid een onderzoek door de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) in te stellen naar aanleiding van het onderzoek van Greenpeace? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dergelijk onderzoek zal niet bijdragen aan het oplossen van het probleem en waarschijnlijk ook geen additionele informatie opleveren in vergelijking met het rapport van Greenpeace.
Ik ben van mening dat dit in breder Europees en internationaal verband moet worden geadresseerd. Ook het Greenpeace rapport laat zien dat problemen eerder in de visketen ontstaan. Ik zal in Europees verband aandacht vragen voor dit probleem.
Bent u bereid de betrokken bedrijven erop aan te spreken dat zij zwaar bedreigde vissoorten verhandelen en daarmee Europese regelgeving overschrijden? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Op de handel in bedreigde diersoorten is de CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild fauna and flora) -regelgeving van toepassing. Daartoe worden bedreigde diersoorten aangewezen in het CITES-verdrag. De in blik aangetroffen tonijnsoorten vallen niet onder de werking van de CITES-regelgeving.
Bent u bereid deze bedrijven de toegang tot de Nederlandse markt te ontzeggen als zij zich niet aan de Europese regelgeving houden? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Bedrijven dienen zich te houden aan de Europese regelgeving dienaangaande. Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het probleem van bedreigde en overbeviste tonijnsoorten in ingeblikte tonijn wordt veroorzaakt doordat de bedreigde tonijnsoorten door het gebruik van lokvlotten meegevist worden? Zo ja, bent u bereid in Europa aan te dringen op een verbod op het gebruik van lokvlotten, gezien de bijvangstproblematiek? Zo nee, waarom niet?
De in blik aangetroffen soorten vallen niet onder de werking van de CITES-regelgeving.
Vooral in de Stille en Indische Oceaan wordt op tropische tonijnsoorten gevist. De bijvangstproblematiek van de zogenaamde lokvlotten is mij bekend. Ik zal op dit moment in Europa niet aandringen op een verbod van lokvlotten. Dergelijk optreden zou niet realistisch zijn, aangezien tijdens de onlangs gehouden jaarvergadering van ICCAT (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas) is gebleken dat zelfs voor beperkingen ten aanzien van het gebruik van lokvlotten op dit moment onvoldoende draagvlak bestaat.
De gevolgen van het softdrugsbeleid voor steden |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Amsterdam wil geen pasjessysteem coffeeshops»1, en op het onderzoek van de Universiteit van Tilburg naar het zogenoemde «pasjessysteem»? 2 Deelt u de mening van de burgemeester van Amsterdam dat de omstandigheden in Amsterdam anders zijn dan die in grensplaatsen? Ziet u ook dat ook in andere grote steden en gemeenten de situatie anders is dan in genoemde grensgemeenten? Erkent u dat de overlast van softdrugsgrenstoeristen in gedrag, overlast en problematiek danig verschillen? Zo nee, zijn er gegevens waaruit dat zou blijken? 3 Bent u bereid de voorgenomen maatregelen allereerst te bespreken in de grensregio's en rond de verdere opschaling in overleg te treden met de gemeenten? Bent u bereid maatwerk toe te staan naar gelang de problematiek vraagt en daarbij lokale ervaring en wensen serieus te nemen? 4 Bent u bereid een brief aan de Kamer te doen toekomen met een reactie op de verschillende onderdelen van het onderzoek van de Universiteit van Tilburg naar het pasjessysteem, waaruit zou blijken dat de pas illegale straathandel bevordert en averechts werkt, ten gevolge waarvan gemeente Maastricht minder enthousiast is het systeem in te voeren?
Wij hebben kennisgenomen van zowel het bericht als het rapport. In de drugsbrief waarnaar uw Kamer op 11 november jongstleden om gevraagd heeft, komen we terug op onderdelen van dat onderzoek.
Oplopende spanningen in Guinee naar aanleiding van de presidentsverkiezingen van 15 november 2010 |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de oproep van de International Crisis Group (ICG) aan de internationale gemeenschap actie te ondernemen om een crisissituatie in Guinee te voorkomen?1
Ja
Hoe beoordeelt u de analyse van de ICG over de politieke spanningen in het land?
Ik deel de zorgen van de ICG over de politieke spanningen in Guinee.
Deelt u de mening van de ICG dat er een rol is weggelegd voor de Verenigde Naties (VN) bij het versterken van de stabiliteit in Guinee en het voorkomen van een verdere escalatie van de spanningen?
Ik onderschrijf dat hier een rol voor de VN is weggelegd. De VN heeft deze rol overigens reeds op zich genomen. In reactie op de spanningen hebben de Secretaris-generaal en de VN Veiligheidsraad de politieke leiders in Guinee opgeroepen hun geschillen via de bestaande juridische instrumenten op te lossen en af te zien van geweld. De speciale VN-vertegenwoordiger voor West-Afrika, Said Djinnit, heeft tevens aangegeven dat de VN de transitieregering waar mogelijk graag zal bijstaan.
De VN bood eerder ondersteuning aan de verkiezingen voor een bedrag van $ 9.7 miljoen. Het United Nations Office of the High Commissioner for Human Rightsvolgt de mensenrechtensituatie in Guinee nauwlettend en heeft de regering opgeroepen zich te houden aan de internationale standaarden ten aanzien van gebruik van geweld door veiligheidstroepen.
Op welke wijze kan Nederland zowel rechtstreeks als via de Europese Unie (EU) en andere fora bijdragen aan de-escalatie en conflictpreventie? Bent u bereid daartoe stappen te ondernemen?
Ik ben van mening dat de problematiek in Guinee het meest effectief in EU-verband kan worden aangepakt. De EU, en daarmee Nederland, heeft via de politieke dialoog met Guinee telkens geëist dat de overgangsregering vrije en transparante verkiezingen organiseert. Pas daarna kunnen EU-fondsen voor Guinee beschikbaar worden gesteld.
EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton heeft zorg uitgesproken over de recente gewelddadigheden en alle partijen opgeroepen tot kalmte. Ook heeft de EU het Hooggerechtshof van Guinee opgeroepen alle klachten over de verkiezingen op transparante wijze te beoordelen, teneinde een draagvlak te creëren voor de definitieve verkiezingsuitslag.
Wapenexport |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Rhetoric or restraint: Trade in military equipment under the EU transfer control system»?1
Ja.
Is het waar dat Nederland sinds vorig jaar geen nieuwe vergunningen voor wapenexport naar Venezuela verleent?
Ja. Tijdens het Algemeen Overleg Wapenexportbeleid op 6 oktober 2009 heeft de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer gemeld dat hij van mening was dat nieuwe vergunningaanvragen voor Venezuela niet konden worden goedgekeurd. Daarbij heeft hij benadrukt dat de overheid niettemin als betrouwbare overheid wilde opereren en dat verlengingen van reeds bestaande vergunningen derhalve zouden worden gehonoreerd, mits een zorgvuldige toetsing aan de hand van de acht criteria van de EU dit toeliet. Dit beleid is nog steeds van toepassing.
De basis voor dit besluit ligt inderdaad met name bij criterium 4 (regionale stabiliteit). De regering is bezorgd omtrent een aantal ontwikkelingen (o.a. de uitbreiding van de capaciteit van de Venezolaanse krijgsmachtsonderdelen) die dienen te worden meegewogen in besluitvorming omtrent wapenexportaanvragen voor Venezuela.
Klopt het dat criterium 4 van het Europese Unie Gemeenschappelijk Standpunt inzake de controle op uitvoer van militaire goederen en technologie hiervan de basis is? Is het waar dat van dit risico al in 2008 sprake was?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom zijn bestaande vergunningen voor wapenexport naar Venezuela toch verlengd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de rapportages wapenexport naar Venezuela ten onrechte Spanje als eindbestemming kregen?2
Nee. In de maandrapportages militaire goederen 2007 en 2008 staat Spanje weliswaar als land van bestemming vermeld, maar staat Venezuela uitdrukkelijk als land van eindbestemming vermeld. De in die maandoverzichten opgenomen gegevens, inclusief de waarden, zijn dus correct. Ook de rapportage in het jaarrapport 2006, toen de oorspronkelijke vergunning werd afgegeven, is correct in de zin dat de toenmalige waarde van iets meer dan € 190 miljoen opgenomen is in de waarde die bij Venezuela (het land van eindbestemming) wordt vermeld.
De verwerking van een verhoging van de waarde van de vergunning in het jaarrapport 2007 is echter onjuist vermeld. De toetsing van de uitbreiding van de waarde van vergunning, vanwege de opname van aanvullende navigatie- en communicatie-apparatuur, is gebaseerd op een transactie met eindbestemming Venezuela. Dat is correct. Maar de extra waarde van ongeveer € 65 miljoen is in het jaarrapport abusievelijk achter Spanje geboekt. Deze fout is hersteld. De gegevens, inclusief het gegeven dat het verlengingen van de looptijd van een eerder afgegeven vergunning op Spanje met de eindbestemming Venezuela betrof, zijn correct opgenomen in de maandoverzichten op www.rijksoverheid.nl/exportcontrole.
Is het waar dat de vergunningswaarde van deze export bij de verlenging in 2007 is verhoogd met 65 miljoen euro en vervolgens in 2008 voor hetzelfde nieuwe bedrag van 255 miljoen euro is verlengd?2
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat de toenmalige minister van Defensie in 2006 met betrekking tot Venezuela zijn zorgen had geuit over de regionale stabiliteit terwijl de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken daar anders over dacht?3
Ten tijde van de oorspronkelijke vergunningaanvraag in 2006 deelde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken de zorgen van de toenmalige minister van Defensie. Het wapenexportbeleid inzake Venezuela was dan ook dat uitvoer werd toegestaan met uitzondering van de levering van grote, offensieve en geavanceerde wapensystemen die een verstorende werking zouden kunnen hebben op de regionale stabiliteit en daarmee op de veiligheid van de Nederlandse Antillen en Aruba. Gezien de defensieve aard van de radarsystemen waarvoor de bovengenoemde vergunning werd aangevraagd, is beoordeeld dat deze goederen de regionale stabiliteit niet zouden verstoren. Dit besluit stond los van de militaire oefening die in 2006 in het Caribische gebied plaatsvond en waarbij de Venezolaanse marine overigens betrokken was.
Waarom is toch tot vergunningverlening aan Venezuela overgegaan ondanks dat een paar maanden daarvoor in het Caribische gebied onder Nederlandse leiding een grootschalige militaire oefening plaatsvond?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat Nederland geen ad hoc vergunningsplicht heeft opgelegd aan doorvoer van strategische goederen van Tsjechië via Nederland naar Sri Lanka? Waarom is dit niet gedaan?
Dat klopt. Artikel 6, tweede lid, van het Besluit strategische goederen bepaalt dat de vergunningplicht niet van toepassing is op de doorvoer door Nederland van militaire goederen die afkomstig zijn uit, of als eindbestemming hebben, Australië, Japan, Nieuw-Zeeland, Zwitserland of een van de lidstaten van de Europese Unie of de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Het uitgangspunt hierbij is dat genoemde landen bondgenoten zijn die een volwaardig exportcontrole instrumentarium hebben en aangesloten zijn bij de multilaterale regimes waar «best practices» over exportcontrole worden opgesteld.
Tsjechië is een EU-lidstaat en past, net als Nederland, bij de toetsing van aanvragen voor uitvoervergunningen de in Europees verband overeengekomen criteria toe van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Zendingen die in genoemde landen van herkomst een dergelijke toetsing hebben doorstaan, vallen bij doorvoer dus niet onder de vergunningplicht. Er geldt echter een meldplicht.
Verder bepaalt artikel 6, derde lid, van het Besluit strategische goederen dat de minister kan besluiten dat voor doorvoer door Nederland van militaire goederen in situaties als bedoeld in het tweede lid alsnog een vergunning vereist is. Deze bepaling is niet bedoeld om de toetsing door genoemde bondgenoten over te doen en eventueel te corrigeren, maar bijvoorbeeld om een toetsing te doen indien niet kan worden aangetoond dat in het land van herkomst een uitvoervergunning is afgegeven of indien blijkt dat de goederen bij doorvoer bijvoorbeeld worden ingeladen in een schip met een andere bestemming dan die aangegeven is op de (buitenlandse) uitvoervergunning. Geen van beide omstandigheden deed zich hier voor.
Hoe beoordeelt u criterium 2, 3 en 4 als het gaat om wapenexport naar Sri Lanka? Heeft u op enigerlei wijze uw zorgen geuit aan Tsjechië hierover? Zo ja, op welke wijze?
Nederland voert een zeer terughoudend wapenexportbeleid ten opzichte van Sri Lanka. Hierbij wordt nauwkeurig gekeken naar de mensenrechtensituatie (criterium 2), de interne politieke situatie (criterium 3) en de regionale stabiliteit (criterium 4). Daarbij geldt dat de interne politieke situatie gestabiliseerd is sinds het eind van de burgeroorlog in mei 2009 en de herverkiezing van president Rajapaksa in januari jl.. De mensenrechten in Sri Lanka worden echter regelmatig geschonden. Omdat iedere aanvraag op zichzelf wordt beoordeeld op basis van de aard van de goederen, wie de eindgebruiker en wat het eindgebruik is, wordt bij iedere aanvraag nagegaan of de goederen kunnen worden ingezet voor mensenrechtenschendingen of zullen bijdragen aan de verslechtering van de interne situatie. Indien dit het geval is, dan wordt er geen vergunning afgegeven. In de laatste vijf jaar is één vergunning voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka afgegeven. Zoals in een Lijst van vragen en antwoorden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 22 054, nr. 143) is toegelicht, betrof die vergunning uit 2007 een zending pontons voor een civiel project van een Japanse ontwikkelingsorganisatie.
Het bericht dat het verbod op zittenblijven op de havo voor doorstromers uit het vmbo funest is |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het verbod op zittenblijven doorstromers uit het vmbo nekt?12
Ik zou het een kwalijke zaak vinden dat VO-scholen verschillende standaarden hanteren voor leerlingen die in een en dezelfde klas zitten.
Vindt u het rechtvaardig dat vmbo’ers niet alleen aan extra eisen moeten voldoen om toegelaten te worden tot de havo, maar dat er voor hen ook nog aparte regels gelden als zij eenmaal zijn toegelaten?
Nee. Mijns inziens is het van belang dat al het schoolbeleid transparant is en voor alle leerlingen op een school gelijk. Dit geldt uiteraard ook voor de regels die een individuele school hanteert ten aanzien van doubleren.
Wat gaat u doen om deze ongelijkheid op te heffen?
De Onderwijsinspectie doet op mijn verzoek in de loop van 2011 onderzoek naar de transparantie van het toelatingsbeleid dat havo-scholen hanteren. Ik heb de Inspectie gevraagd in dit onderzoek tevens het doubleerbeleid van deze scholen mee te nemen. Ik verwacht de onderzoeksresultaten eind 2011.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie-Van der Ham c.s. over transparante en eenduidige toelatingseisen voor de havo?3
Scholen zijn momenteel verplicht om over een toelatingsbeleid te beschikken. Helaas zijn deze toelatingseisen lang niet altijd openbaar, wat jaarlijks tot de nodige teleurstellingen leidt. Ik heb de VO-raad gevraagd om in overleg te treden met het onderwijsveld over de doorstroom van vmbo naar havo, en de toelatingseisen voor havo 4 in het bijzonder. Het overleg vindt op dit moment plaats.
Ik vind het van groot belang dat vo-scholen leerlingen en ouders tijdig informeren over de toelatingseisen, en dat deze eisen gelijk zijn voor alle leerlingen die zich bij de school aanmelden. Het kan niet zo zijn dat verschillende leerlingen verschillende eisen gelden, terwijl ze zich bij dezelfde school aanmelden.
Ik verwacht dat de inspanningen van de VO-raad tot het gewenste effect zullen leiden. Om te onderstrepen dat ik deze kwestie bijzonder serieus neem, heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in het tweede kwartaal van 2011 hiernaar onderzoek te doen en mij hierover te rapporteren. Mochten de uitkomsten van het onderzoek daar aanleiding toe geven, dan zal ik de wet- en regelgeving aanscherpen.
Het aanvragen van een verklaring omtrent het gedrag voor invalleerkrachten |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke regels er gelden voor het aanvragen van een verklaring omtrent het gedrag voor invalleerkrachten? Hoe worden deze regels gecommuniceerd naar de scholen?
De wet bepaalt dat, om te kunnen worden benoemd tot leraar, men in het bezit dient te zijn van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Gezien het belang dat is gemoeid met de bescherming van kinderen, geldt voornoemde eis zowel voor leerkrachten in vaste dienst als voor invalleerkrachten. Informatie over de VOG in het onderwijs is te vinden op de website van de Rijksoverheid.
Is het waar dat een invalleerkracht die bijvoorbeeld gedurende tien jaar jaarlijks op wisselende momenten invalt, in totaal twintig keer een verklaring omtrent het gedrag moet aanvragen? Zo ja, bent u ook van mening dat dergelijke bureaucratische verplichtingen vermeden moeten worden?
Als er een invalleerkracht wordt benoemd voor de periode dat wordt ingevallen, zal er voor die (nieuwe) benoeming bij dezelfde of bij een andere werkgever soms opnieuw een VOG moeten worden aangevraagd. Dat is echter alleen het geval als die VOG op het moment van overlegging ouder is dan 6 maanden. Ik ben er me van bewust dat het opnieuw moeten aanvragen van een VOG als hinderlijk kan worden ervaren. Het beschermen van de veiligheid van kinderen op school weegt voor mij echter zwaarder. Het bevoegd gezag kan overigens door een andere benoemingswijze voor het kort en wisselend vervangen voorkomen dat steeds weer opnieuw een VOG moet worden aangevraagd. Zo kan een schoolbestuur er voor kiezen om bijvoorbeeld een 0-urencontract aan te gaan met de invalleerkracht. Ook kan met meerdere schoolbesturen worden aangesloten bij een vervangingspool. Op die manier wordt de invalleerkracht één keer benoemd en kan zolang de invalleerkracht onder dat schoolbestuur, of in het geval van een vervangingspool onder één van die schoolbesturen, invalt worden volstaan met de oorspronkelijk verleende VOG.
Bent u bereid de regels ten aanzien van invalleerkrachten zodanig te versoepelen dat het aanvragen van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag niet verplicht is zolang leraren voor hetzelfde schoolbestuur werken?
De verplichtte aanvraag van een VOG is verbonden aan het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking omdat bij een nieuwe benoeming het risico het grootst is dat het bevoegd gezag onwetend blijft van een eventuele veroordeling wegens een strafbaar feit. Om dit risico te verkleinen is destijds bij wetgeving de geldigheidsduur bij een (nieuwe) benoeming teruggebracht tot 6 maanden. Ik voel er niet voor om door een versoepeling dit risico weer te vergroten. In het voorgaande antwoord heb ik al aangegeven hoe de last voortvloeiend uit de wettelijke verplichtingen kan worden verminderd zonder dat het risico van een onveilige situatie voor de kinderen wordt vergroot.
De Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen |
|
Farshad Bashir |
|
Wat is uw mening over het gegeven dat het CBR straffen op kan leggen ook indien een rechter aangeeft dat er geen gronden voor een straf zijn?1 Acht u het verantwoord dat het CBR zich boven de rechtspraak stelt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is inderdaad zo dat het CBR maatregelen kan opleggen, ook al heeft de rechter betrokkene vrijgesproken. Ik begrijp dat dit vreemd kan overkomen op betrokkene. Maar dit vloeit nu eenmaal voort uit het systeem waarbij de strafrechter over de straffen gaat en het CBR over de maatregelen om de verkeersveiligheid te vergroten. Het systeem werkt als volgt:
Als de politie een verkeersdelict constateert, zoals het rijden onder invloed of risicovol en gevaarzettend gedrag, maakt zij een proces-verbaal op. Dit vormt het uitgangspunt voor het strafrechtelijke traject. Het strafrecht is primair gericht op de bestraffing van een begaan delict, in dit geval een verkeersdelict. Voor het strafrecht is van belang dat onomstotelijk is komen vast te staan dat het desbetreffende verkeersdelict is begaan en door wie.
Het proces-verbaal kan tevens aanleiding zijn voor het vermoeden dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid. In die gevallen brengt de politie een mededeling uit aan het CBR op basis waarvan een bestuursrechtelijk traject kan worden opgestart. In de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid is aangegeven wanneer van zo’n vermoeden sprake is. Deze bestuursrechtelijke vorderingsprocedure is niet gericht op bestraffing van het begane verkeersdelict, maar betreft de beoordeling van de rijvaardigheid of geschiktheid van de betrokken rijbewijshouder. De in dat kader opgelegde maatregelen (zoals een educatieve maatregel of een onderzoek) zijn primair bedoeld om de verkeersveiligheid te verbeteren. In de vorderingsprocedure dient te worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden het vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen. Het CBR doet dit onafhankelijk van de beoordeling van de feiten in een eventuele strafrechtelijke procedure en handelt hierbij conform de hierboven bedoelde Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Verder houdt het CBR rekening met jurisprudentie terzake. Ik begrijp dat dit vervelend is voor betrokkene, maar het kan dus inderdaad zo zijn dat het CBR, conform de daarvoor van toepassing zijnde wet- en regelgeving, een maatregel oplegt terwijl de rechter daarnaast geen straf oplegt.
Uitsluitend in het zeer bijzondere geval dat in de strafrechtelijke procedure is vastgesteld dat er sprake is geweest van een persoonsverwisseling, en er overigens geen andere feiten of omstandigheden zijn, wordt de bestuursrechtelijke procedure beëindigd.
Kunt u aangeven op welke gronden een eenmaal opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol weer ongedaan gemaakt kan worden indien voor de oplegging hiervan geen grond blijkt te bestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat het instellen van beroep tegen beslissingen van het CBR altijd mogelijk is indien een gerechtelijke uitspraak aanleiding geeft om in beroep te gaan? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Tegen besluiten van het CBR staan de rechtsbeschermingsmiddelen uit de Algemene wet bestuursrecht open, zoals bijvoorbeeld bezwaar of beroep. Het CBR meldt in de betreffende besluiten ook dat en op welke wijze bezwaar of beroep kan worden ingediend. Aanvullende maatregelen zijn dan ook niet nodig.
Waarom kan het CBR een aanvullend onderzoek vragen terwijl bij de verklaring van geschiktheid aangegeven wordt dat er geen extra onderzoek nodig is? Op welke gronden kan het CBR alsnog beslissen tot een aanvullend onderzoek en hoe is hier tegen in beroep te gaan?
Voor het aanvragen van een rijbewijs kan de aanvrager in beginsel volstaan met het invullen van een eigen verklaring. In de in artikel 100 van het Reglement Rijbewijzen genoemde gevallen moet de aanvrager ook een geneeskundig verslag overleggen. Dit is het geval als de aanvrager een bepaalde leeftijd heeft of als het gaat om de afgifte van een rijbewijs voor de C- en D-categorieën.
Het CBR is op basis van artikel 101 bevoegd te vorderen dat betrokkene zich laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen. Dit kan alleen indien:
Deze keuring mag dan alleen de punten betreffen waarover in de eigen verklaring of in het geneeskundig verslag vragen zijn gesteld.
Tegen een verwijzing voor dit onderzoek in de Eigen verklaringprocedure staat geen bezwaar en beroep open, aangezien het een voorbereidingshandeling betreft. Indien een persoon weigert mee te werken aan een dergelijk onderzoek, dan weigert het CBR de Verklaring van geschiktheid, waartegen vervolgens bezwaar en beroep open staat.
Op welke manier kunnen mensen die onterecht bejegend worden door het CBR hiertegen onafhankelijk in beroep gaan? Waarom kent het CBR enkel een interne klachtencommissie terwijl de Nationale Ombudsman onvoldoende toegerust is om alle klachten over het CBR goed in behandeling te kunnen nemen? Acht u een onafhankelijke klachtencommissie voor het CBR een goede aanvulling op de dienstverlening van dit bureau? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tegen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende bezwaar aantekenen. Vervolgens bestaat de mogelijkheid om in beroep of in hoger beroep te gaan bij de rechter en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Klachten over een bestuursorgaan dienen altijd eerst bij het bestuursorgaan zelf te worden neergelegd. Dit geldt ook voor het CBR. Op dit moment worden klachten eerst behandeld op medewerkerniveau. Veel klachten kunnen op deze wijze worden opgelost. Het CBR is voornemens de klachtenprocedure per 1 januari 2011 te verbeteren door de inrichting van een centraal meldpunt klachten en een interne klachtencommissie. Indien een klager niet tevreden is met de bejegening door het bestuursorgaan, kan een klacht worden ingediend bij de Nationale ombudsman. Het is mij overigens niet bekend dat de Nationale Ombudsman hiervoor onvoldoende toegerust zou zijn.
De reactie op de motie (29 398 nr. 253) over een onafhankelijke klachtencommissie voor het CBR, wil ik geven nadat het onderzoek over het CBR is gepubliceerd en ik daarover met de Kamer heb kunnen spreken.
Het patiëntenonderzoek van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het patiëntenonderzoek van de NPCF, waarover die organisatie op 23 november jl. op haar website heeft bericht?1
Ja.
Bent u geschrokken van de uitkomst dat tweederde van de patiënten die deelnam aan het onderzoek zegt dat er (bijna) iets mis ging tijdens hun behandeling, en dat dit in de meeste gevallen kwam door gebrekkige communicatie tussen zorgverleners onderling, tussen zorgverleners en patiënten, of door onvoldoende toezicht en controle?
Tijdens de meldactie patiëntveiligheid die de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) in oktober 2010 is gestart, konden patiënten alles melden wat tijdens de zorgverlening in hun ogen niet de bedoeling was. Van de conclusie van de NPCF naar aanleiding van deze meldactie dat veel fouten voorkomen hadden kunnen worden als de signalen van de patiënt of diens naasten serieus waren genomen, ben ik inderdaad geschrokken. Ik vind het belang van dergelijke meldacties – opgezet vanuit het patiëntenperspectief – die ons op de feiten wijzen, groot. De constatering dat blijkt dat tweederde van de deelnemende patiënten heeft aangegeven dat er (bijna) iets mis ging, vind ik, gezien het karakter van zo’n meldactie, overigens begrijpelijk.
Bent u geschrokken van de uitkomst dat tweederde van de patiënten waarbij daadwerkelijk iets mis ging zegt dat ze na de gebeurtenis niet werden opgevangen, dat er geen excuses werden aangeboden of dat het gebeurde niet met hen werd besproken?
Ja, ik vind het van groot belang dat direct na een incident de betrokken patiënt goed wordt opgevangen en dat met hem het gebeurde nauwgezet wordt besproken en als er fouten zijn gemaakt dat daarvoor excuses worden aangeboden.
Bent u van zins de zorgsector aan te spreken op dit geconstateerde gebrek aan goede communicatie tijdens de behandeling en na gemaakte fouten door zorgverleners? Wat gaat u ondernemen om alle zorgverleners te bewegen hun patiënten serieus te nemen?
Ja, ik zal in het kader van het VMS veiligheidsprogramma met de betrokken veldpartijen bespreken hoe zij hun verantwoordelijkheid nemen, zodat tijdens de behandeling en na gemaakte fouten beter wordt gecommuniceerd met de patiënt en hij of zij echt centraal wordt gesteld in de zorg. Het aantal vermijdbare doden zal over een paar jaar met de helft moeten zijn verminderd. Ik wil daarover afspraken met de sector maken.
Er zijn de afgelopen jaren diverse instrumenten ontwikkeld, zoals een zorgvuldige wijze van communicatie met de patiënt tijdens de behandeling, alsmede de eerste opvang van de patiënt en zijn naaste ná een incident. Ik vind dat zorgverleners die snel moeten gaan toepassen in hun instelling.
Ook de sector zelf erkent overigens het belang van goede communicatie tussen patiënt en zorgaanbieder. Zo heeft de Letselschaderaad in juni van dit jaar de Gedragscode Openheid Medische Incidenten (GOMA) uitgebracht. Belangrijk onderdeel van de GOMA is het inzetten op verbetering van de communicatie tussen patiënt en zorgaanbieder.
Herinnert u zich het onderzoek van Nivel en het VUmc van ongeveer een jaar geleden dat aantoonde dat jaarlijks 1 700 mensen sterven door medische fouten, en dat ook in dit onderzoek slechte communicatie als belangrijke oorzaak werd aangewezen?
Ja, het gaat hierbij om het eerste dossieronderzoek uit 2007 (uit de dossiers van 2004). Dit onderzoek is inmiddels herhaald bij wijze van tussenmeting in het rapport «Monitor Zorggerelateerde Schade 2008». Zie hiervoor mijn brief CT/TSZ-3037582 die ik op 7 december 2010 aan uw Kamer heb toegezonden.
Herinnert u zich het boek «Artsen zien de patiënt niet staan» van E. Wielinga waarin ook de conclusie centraal staat dat gebrekkige communicatie aan de basis staat van veel medische missers?
Ja.
Welke acties zijn ondernomen na dat eerdere Nivel/VUmc-rapport of het boek van Wielenga en welke vruchten heeft dit afgeworpen?
De uitkomsten van het eerste EMGO/Nivel rapport waren aanleiding om patiëntveiligheid prominent op de beleidsagenda te plaatsen. Hiervoor is in 2008 het VMS-veiligheidsprogramma gestart, grotendeels gesubsidieerd door het ministerie van VWS. Op basis van het programma werkt de sector hard aan twee pijlers: de aanpak van tien medisch inhoudelijke verbeteringen in de ziekenhuiszorg én de implementatie van een veiligheidsmanagementsysteem in alle ziekenhuizen (VMS). Uit onderzoek van de IGZ blijkt dat de ziekenhuizen voortvarend aan veiligheid werken en dat zij thans (elementen van) het VMS invoeren (IGZ-rapport implementatie VMS ziekenhuizen TK. 31 765 nr. 23). Momenteel zijn nog geen cijfers beschikbaar van de concrete resultaten die deze inspanningen hebben opgeleverd. De meting van EMGO/Nivel, die in 2013 verschijnt zal hier meer inzicht in geven. Naast het veiligheidsprogramma is de sector ook voortvarend aan de slag gegaan met het vaststellen van veiligheidsnormen (zie hiervoor brief TK. 31 765 nr. 22). Er is bovendien, mede met financiering vanuit VWS, een aantal belangrijke instrumenten, specifiek gericht op de patiënt, ontwikkeld. Zo heeft de NPCF patiëntveiligheidskaarten ontwikkeld, die te vinden zijn op www.mijnzorgveilig.nl. Dat is een mooi voorbeeld van hoe de patiënt een grotere rol kan spelen tijdens het zorgproces. Daarnaast heeft de NPCF de folder «Als uw behandeling anders uitpakt» uitgebracht. Met deze folder wordt de patiënt geïnformeerd over wat er verwacht mag worden van een goede, betrokken zorgverlener. Daarnaast staan er in de folder adviezen hoe je als patiënt de eigen belangen in het contact met de zorgverlener zo goed mogelijk kan behartigen. Aangezien deze instrumenten nog maar kortgeleden zijn uitontwikkeld, hebben ze nog niet de gewenste verandering teweeggebracht. Het is daarom nu zaak dat de zorgsector zelf met deze instrumenten aan de slag gaat en op die wijze haar verantwoordelijkheid neemt.
Terugvordering van Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw)-budgetten |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat in 2008 de verantwoording van het Wsw-budget is overgegaan van de Wsw-uitvoerders naar de gemeenten? Zijn gemeenten daardoor verplicht om ook Wsw’ers op te geven die niet bij de eigen uitvoerder werkzaam zijn?
Ja, met de wetswijziging Wsw, in werking getreden op 1-1-2008, is geregeld dat gemeenten budgettair verantwoordelijk zijn voor het Wsw-budget en zich daarover ook naar het Rijk dienen te verantwoorden. Deze verantwoording wordt geleverd via vier indicatoren. De gemeente dient o.a. te verantwoorden hoeveel Wsw-geïndiceerden woonachtig zijn in de gemeente en op de wachtlijst staan dan wel werkzaam zijn, ongeacht waar deze Wsw-werknemers hun arbeid verrichten.
Is het waar dat verschillende gemeenten1 dit laatste nalieten en u daardoor een deel van het toegewezen budget heeft teruggevorderd?
Ja.
Heeft u een aantal gemeenten van tevoren op deze fout gewezen, zodat in die gevallen terugvordering is voorkomen? Klopt het dat een aantal gemeenten geen waarschuwing heeft gekregen? Zo ja, kunt u nader ingaan op dit verschil?
De werkwijze inzake de verantwoording door gemeenten is als volgt.
De gemeenten worden jaarlijks gewezen op het belang van het indienen van een tijdige en juiste verantwoording. De verantwoordingsinformatie wordt door gemeenten aan BZK geleverd, die dit, nadat vastgesteld is dat de informatie aan de formele vereisten voldoet, doorstuurt naar het betreffende vakdepartement. Gemeenten kunnen daarbij, binnen een redelijke termijn, een herziene verantwoording aanleveren aan BZK bij een geconstateerde omissie.
Uitgangspunt bij gebruikmaking en verwerking door het vakdepartement is dat gemeenten tijdig een volledige en juiste verantwoording indienen. Dit vloeit voort uit de SiSa systematiek (Single information, Single audit) en de daaraan gekoppelde regelgeving, onder andere in de Financiële-verhoudingswet.
SZW controleert de ontvangen verantwoordingsinformatie jaarlijks op volledigheid en juistheid van de ontvangen stukken.
Van de juistheid wordt uitgegaan tenzij bij controle en verwerking sprake is van discussie over de rechtmatigheid, blijkend uit de accountantsverklaring, of indien – bij de Wsw – sprake is van inhoudelijk evidente aberraties in de cijfers. Bijvoorbeeld het ontbreken van getallen waar dat redelijkerwijs niet juist kan zijn. In die gevallen wordt de gemeente door SZW nader bevraagd en in de gelegenheid gesteld mogelijke omissies te herstellen of toe te lichten. Dit gebeurt voordat, op grond van de verantwoordingsgegevens, overgegaan wordt tot vaststelling van de eerder verstrekte middelen. In aanvulling op de verantwoording door gemeenten over 2008 is door het ministerie van SZW een éénmalige extra interne controle uitgevoerd omdat gemeenten de verantwoording over de Wsw voor het eerst zelf dienden aan te leveren. Deze onverplicht uitgevoerde interne controle heeft plaatsgevonden op het aantal Wsw-geïndiceerden over 2008, afgezet tegen het aantal in 2007.
Indien de extra interne controle leidde tot de constatering van (mogelijke) onduidelijkheden, fouten of onzekerheden is dit aan de betreffende gemeente voorgelegd en is de mogelijkheid tot bevestiging dan wel herstel geboden.
Is het zo dat het teruggevorderde geld wel voor het daarvoor bestemde doel is gebruikt? Was er ook geld teruggevorderd als er geen administratiefout was gemaakt?
Gemeenten zijn wettelijk verplicht zich jaarlijks te verantwoorden over door het Rijk beschikbaar gestelde specifieke uitkeringen, waaronder de Wsw, via de daartoe aangewezen procedure (zie tevens het antwoord op vraag 3). Tevens geldt dat het niet realiseren van de door SZW aan gemeenten toegekende aantal te realiseren Wsw-plekken en het daarbij behorende budget, leidt tot terugvordering van de gelden die hiermee gemoeid zijn en ook als dit het gevolg is van het feit dat gemeenten zelf onjuiste gegevens verantwoorden. Dit is een imperatief voorschrift in de Wsw; deze regel geldt overigens al sinds jaren en de gemeenten zijn hiermee ook bekend alsook met de wijze waarop ik hiermee omga ten aanzien van het vaststellen van de Wsw-subsidie.
Ik wijs er op dat de verantwoordingsprocedure voor de Wsw met ingang van 2007 aanzienlijk is vereenvoudigd: van 123 indicatoren naar slechts 4 en er dient enkel verantwoord te worden in aantallen. Qua verantwoordingslast/bureaucratie is dus een zeer substantiële reductie bewerkstelligd.
Bijna alle gemeenten hebben zich op juiste wijze verantwoord. Een aantal gemeenten heeft deze verplichting niet goed opgepakt. Terugvordering heeft alleen plaatsgevonden in de gevallen waarbij sprake is van fouten in de verantwoording – als gevolg van een onzorgvuldig uitgevoerde verantwoordingsprocedure – waarbij de gemeenten niet hebben aangetoond dat deze gehanteerde handelwijze niet verwijtbaar zou zijn. Administratieve vergissingen, zoals tikfouten, zijn gemeenten niet aangerekend.
Deelt u de mening dat de overheid bureaucratie moet beperken? Kan volgens u een administratieve vergissing een reden zijn voor terugvordering? Geldt dit ook als is aangetoond dat het budget wel conform de doelstelling en regelgeving is gebruikt?
Zie antwoord vraag 4.
De stelling dat ontwikkelingshulp radicalisering tegen kan gaan |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Kunt u bewijzen aandragen voor uw linkse stelling: «ontwikkelingssamenwerking kan een belangrijke bijdrage leveren aan het wegnemen van onderliggende oorzaken van radicalisering»?1
Radicalisering kan vele oorzaken hebben. Voor bepaalde groepen en individuen spelen radicale ideologische overwegingen een hoofdrol. Dat is moeilijk aan te pakken door middel van ontwikkelingsactiviteiten. Uit tal van internationale studies2 blijkt dat andere groepen en individuen radicaliseren, omdat ze, bijvoorbeeld, sociaaleconomisch worden gemarginaliseerd en/of politiek worden uitgesloten. Met andere woorden, het kan een rol spelen, maar het hoeft niet. Radicalisering is een verschijnsel dat uit uiteenlopende bronnen wordt gevoed.
Leden Osama bin Laden en Mohammed Atta honger voordat ze op jihad gingen?
Het is ons niet bekend of Osama bin Laden en Mohammed Atta honger hadden voordat ze hun terroristische daden pleegden.
Gelooft u in sprookjes omdat u op een steenworp van de Efteling geboren bent?
Ik geloof niet in sprookjes. Ik kan er wel van genieten.
Trucs van gemeenten bij inkoop van hulp in de huishouding ten koste van alfahulpen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat gemeenten trucs bedenken om zoveel mogelijk cliënten die hulp in de huishouding nodig hebben, deze via een alfahulp te laten uitvoeren?1
Ja. Overigens onderschrijf ik de kwalificatie «trucs» niet, zie hiervoor vraag 7.
Acht u het wenselijk dat gemeenten via een besloten vennootschap (bv) als werkgever optreden van deze alfahulpen?
In het bericht wordt de alfacheque besproken, die in de gemeente Tilburg is ingevoerd en in Breda zal worden ingevoerd. De gemeente kan de burger bij het aanbieden van een pgb of een financiële tegemoetkoming administratieve ondersteuning bieden. De SVB vervult zo’n rol reeds bij het PGB. Bij de alfacheque wordt de bij het werkgeverschap behorende administratie uitgevoerd door een uitvoerende organisatie. Het werkgeverschap zelf komt echter niet bij deze uitvoerende organisatie te liggen, maar bij de burger. In de gemeente Breda ligt de kassafunctie en de verantwoordelijkheid om voor vervanging zorg te dragen bij ziekte bijvoorbeeld nadrukkelijk bij de burger. De uitvoeringsorganisatie bemiddelt voornamelijk tussen vraag en aanbod.
Navraag bij de gemeente Breda leert dat de betrokken uitvoeringsorganisatie feitelijk onderdeel uitmaakt van de gemeente.
Deelt u de mening dat de wetswijziging van 2009 juist bedoeld was om te voorkomen dat de hulp in de huishouding via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) door overwegend alfahulpen uitgevoerd zou gaan worden?
De wetswijziging van de Wmo per 1 januari 2010 had tot doel om te voorkomen dat burgers ongewild en onwetend werkgever werden. De gemeente Breda legt bij alle nieuwe verzoeken tot huishoudelijke hulp huisbezoek af door klantmanagers op HBO-niveau, zo geeft de gemeente aan. Daarbij wordt zowel mondeling als schriftelijk informatie gegeven over de mogelijkheden die er zijn om huishoudelijke hulp te krijgen. Als een burger voor een alfahulp kiest, wordt daarna verwezen naar een speciale website (www.alfachequebreda.nl) met nog meer informatie over deze optie. Daarnaast heeft de wetswijziging er ook voor gezorgd dat medewerkers in de thuiszorg niet min of meer gedwongen werden om als alfahulp te gaan werken. Ik vind deze maatregel nog steeds een goede zaak.
Bent u op de hoogte van het gegeven dat alfahulpen overwegend laag opgeleide vrouwen zijn die met dit werk geen bestaansminimum kunnen verwerven?
Huishoudelijke verzorging kan op basis van verschillende rechtsposities worden verricht. Aan elke wijze zitten voor- en nadelen, onder meer op het gebied van salaris, sociale zekerheid en pensioen en in de vrijheid om de eigen werktijden in te delen.
De burger bepaalt op welke wijze deze de huishoudelijke hulp wil ontvangen: in natura, in de vorm van een pgb via een overeenkomst van opdracht of als volledig werkgever, of in de vorm van een financiële tegemoetkoming en gebruikmakend van de regeling dienstverlening aan huis. Deze keuze zal leidend zijn voor de omvang van door alfahulpen geleverde huishoudelijke hulp. Huishoudelijke hulp door alfahulpen vormt momenteel slechts een relatief klein deel van het totale volume aan huishoudelijke hulp.
Vindt u het wenselijk dat de Wmo hulp in de huishouding overwegend wordt uitgevoerd door alfahulpen, die zo weinig verdienen dat ze zich niet kunnen verzekeren tegen risico «s, geen sociale zekerheid hebben en geen pensioen opbouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het een verantwoordelijkheid van gemeenten niet alleen zo goedkoop mogelijk goede zorg in te kopen, maar zich ook verantwoord op te stellen ten aanzien van het verbeteren van het perspectief van de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt?
Gemeenten zijn binnen de kaders van de wet verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van hun burgers. Bij de keuzes die gemeenten daarbij maken kunnen zij ook verwachte effecten op de (lokale) arbeidsmarkt laten meewegen. De gemeente Breda heeft zich bij haar beleid ten aanzien van de alfacheque zo geeft ze aan, ook laten leiden door de wens om een zo groot mogelijk aanbod van huishoudelijke hulp te kunnen blijven genereren.
Wat vindt u in het licht hiervan van deze trucs van gemeenten?
Ik kan de kwalificatie «trucs» niet onderschrijven. Gemeenten moeten zich houden aan de kaders die de Wmo ten aanzien van de maatschappelijke ondersteuning stelt. Met de wetswijziging van de Wmo per 1 januari 2010 is onder andere de «informed consent» in de wet opgenomen. Ik vind het belangrijk dat gemeenten deze «informed consent» zorgvuldig invullen en burgers keuzevrijheid bieden. Ik heb thans geen signalen dat de gemeenten die de alfacheque willen invoeren, zich hier onvoldoende rekenschap van geven.
Conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Commissie Davids |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Doorbreek het stilzwijgen over aanbevelingen Davids»1 en «De Rijksvoorlichtingsdienst en de Commissie Davids: digitaal doolhof of digitale doofpot?»?2
Ja.
Is uitvoering gegeven aan de toezegging van de regering om de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Commissie Davids over de besluitvorming rond de inval in Irak over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
De reactie van het kabinet op het rapport van de Commissie onderzoek besluitvorming Irak en de daarin genoemde conclusies en aanbevelingen is vervat in de brief van de minister-president en de ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9-2-2010. Aan deze brief wordt uitvoering gegeven.
Heeft u een onafhankelijke volkenrechtelijke adviseur aangesteld, zoals aanbevolen en zoals verwoord in conclusie 22 van het rapport? Zo nee, wanneer is deze aanstelling te verwachten?
Het volkenrechtelijk advies speelt een belangrijke rol bij de politieke besluitvorming over internationale vraagstukken. De volkenrechtelijke kennis is binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken belegd bij de directie Juridische Zaken, die organisatorisch rechtstreeks onder de Secretaris-Generaal van het ministerie ressorteert. Doorgaans wordt het volkenrechtelijk advies reeds meegenomen in de beleidsvorming en de ambtelijke advisering. In bijzondere gevallen kan het echter voorkomen dat een onafhankelijk volkenrechtelijk advies buiten de beleidsvorming om noodzakelijk is. Daarom heeft het kabinet Balkenende in zijn reactie op het rapport van de Commissie Davids, meer in het bijzonder aanbeveling 22, aangegeven dat de minister van Buitenlandse Zaken een aparte positie van volkenrechtelijk adviseur op zijn ministerie zal instellen. Ik zal binnen drie maanden de volkenrechtelijk adviseur benoemen. In dat verband zal een duidelijke taakomschrijving worden opgesteld, waaruit blijkt in welke gevallen de adviseur geacht wordt onafhankelijk volkenrechtelijk advies te geven. De Kamer zal per brief van de benoeming en taakomschrijving op de hoogte worden gesteld.
Waarom is de website www.onderzoekscommissie-irak.nl niet meer toegankelijk? Bevat de website www.rijksoverheid.nl precies dezelfde uitvoerige informatie als de website www.onderzoekscommissie-irak.nl? Zo nee, waarom niet?
Drie maanden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie is de zogenaamde «content» van de website overgeplaatst naar http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/irak. Hier is een uitgebreid dossier opgenomen met o.a. de voorgeschiedenis, de samenstelling van de commissie, het rapport van de commissie, de Engelse samenvatting en conclusies, de kabinetsreactie, het instellingsbesluit en antwoorden op Kamervragen.
Bent u bereid deze vragen vóór de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken 2011 (week van 14–15-16 december te beantwoorden?
Ja.
Invasieplannen in Suriname in 1986 |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is de Nederlandse regering in 1986 door de toenmalige Surinaamse regering onder leiding van premier Radakishun, of enige andere partij, verzocht een militaire interventie te ondernemen teneinde toenmalig legerleider Bouterse te arresteren? Indien nee, wat zijn dan de feiten?1 Is het waar dat het daarbij om drie ministers ging? Zo ja, bent u bereid de Kamer, desnoods vertrouwelijk, te informeren wie die ministers waren?
Op basis van gesprekken met onder andere oud-bewindslieden, naar aanleiding van het artikel in de Volkskrant van 20 november 2010, kan bevestigd worden dat in 1986 contacten zijn geweest met (prominente) Surinamers over de zorgwekkende situatie in Suriname, en dat tijdens deze contacten de wenselijkheid om burgers te beschermen en een verzoek om hulp aan de orde zijn gekomen.
Is het waar dat de toenmalige premier Lubbers een invasieplan heeft laten opstellen? Indien nee, hoe zijn dan de feiten? Zo ja, wat waren de doelen van dat plan en bent u bereid de Kamer, desnoods vertrouwelijk, dit plan te sturen? Indien nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vragen van het lid Van Bommel uit 2007 is gemeld heeft Nederland in 1986 met de Verenigde Staten overlegd over de mogelijkheid Nederlandse militairen naar Suriname te vervoeren teneinde hen een evacuatieoperatie ten behoeve van in Suriname aanwezige Nederlanders te laten uitvoeren. Onderzoek in de Rijksarchieven en gesprekken met onder andere de destijds betrokken oud-bewindspersonen (zie het antwoord op vraag 10) heeft het kabinet inmiddels een duidelijker beeld gegeven omtrent de situatie indertijd.
In 1983 was een conceptplan gemaakt voor een eventuele evacuatieoperatie voor circa 5000 Nederlandse en andere buitenlandse staatsburgers. Voor 1986 komt uit dat onderzoek in de eerste plaats naar voren dat het Nederlandse kabinet zich ernstig zorgen maakte over de veiligheid van enige duizenden in Suriname verblijvende Nederlandse staatsburgers. Suriname verkeerde in 1986 in een diepe crisis vanwege de zogenaamde Binnenlandse Oorlog. Daarbij vielen enkele honderden slachtoffers, zowel onder de strijdende partijen als onder de burgerbevolking. In het dorp Moiwana werden eind november 1986 ongeveer veertig inwoners door het nationale leger vermoord. Naar schatting bedroeg het aantal dodelijke burgerslachtoffers van de binnenlandse oorlog in 1986 meer dan 200. De infrastructuur van het binnenland was verwoest en duizenden ontheemde inwoners van het binnenland vluchtten naar Paramaribo of Frans-Guyana. Er was in Suriname sprake van een anti-Nederlandse stemming.
Tevens blijkt uit het even bedoelde onderzoek en de gesprekken met onder andere de oud-bewindslieden ook dat, in het licht van de ernstige ontwikkelingen in Suriname en de risico’s die in Suriname aanwezige Nederlanders er in toenemende mate liepen, Nederland gezamenlijk met de Verenigde Staten heeft gewerkt aan een «contingency plan». Dit planningsdocument behelsde de mogelijke inzet van Nederlandse militairen voor het scheppen van de juiste condities voor het herstel van orde en recht en het beschermen van Nederlandse en Amerikaanse staatsburgers en belangen en – indien nodig – hun evacuatie. Voor een voorspoedige en veilige uitvoering van een dergelijke operatie zou het noodzakelijk zijn geweest tijdelijk het vliegveld en de doorgangswegen onder controle te krijgen, alsmede de Surinaamse strijdkrachten en de legerleiding tijdelijk te neutraliseren. Over de ten uitvoerlegging van de planningsdocumenten heeft nooit politieke besluitvorming plaatsgevonden. Beide plannen zijn ook nooit ten uitvoer gebracht.
Dergelijke planningsdocumenten worden niet ter inzage gegeven, ook niet vertrouwelijk.
Is het waar dat de toenmalige Nederlandse regering de Amerikaanse regering heeft verzocht te overwegen om aan de eventuele militaire interventie deel te nemen? Indien nee, hoe zijn dan de feiten? Zo ja, wat was de exacte inhoud van het verzoek en is daarbij concreet verzocht om bepaalde militaire eenheden? Wat was de reactie op het gedane verzoek?
Zie het antwoord op vraag 2. Vanwege de omvang van een dergelijke operatie en omdat het mede ging om mogelijke evacuatie van staatsburgers van de Verenigde Staten en van andere bevriende landen, is bij het opstellen van het planningsdocument nauw samengewerkt met de Verenigde Staten.
Is het waar dat Amerikaanse inlichtingendiensten op de hoogte waren van de schuilwoning van de toenmalige legerleider Bouterse? Op grond van welke overeenkomst kreeg Nederland deze informatie? Is deze informatie ook gedeeld met de Surinaamse regering? Zo ja, met wie? Indien nee, waarom niet?
Over de inlichtingenpositie van buitenlandse inlichtingendiensten waarmee wordt samengewerkt, kunnen zoals gebruikelijk geen mededelingen worden gedaan.
Is het waar dat vier Nederlandse fractievoorzitters over de voornemens van de regering zijn ingelicht en is het waar dat hun opvatting over deze voornemens is gevraagd? Indien nee, hoe zijn dan de feiten?
Naar aanleiding van het artikel in de Volkskrant van 20 november 2010 gaven de oud-bewindspersonen in de gesprekken te kennen dat het kabinet destijds over deze plannen heeft gesproken met een aantal fractievoorzitters.
Is het waar dat juristen van het ministerie van Buitenlandse Zaken voldoende ruimte in volkenrechtelijke zin zagen om gehoor te geven aan het Surinaamse verzoek? Wat was die volkenrechtelijke ruimte en geldt deze juridische mogelijkheid naar uw opvatting nog steeds in het volkenrecht? Zo ja, waarom? Indien nee, waarom niet?
De fase van besluitvorming is nooit bereikt. Van een advies van de juristen van Buitenlandse Zaken is niets bekend.
Welke feiten in de journalistieke reconstructie van de Volkskrant zijn naar uw opvatting stellig onjuist? Hoe zijn dan de feiten? Welke belangrijke feiten ontbreken naar uw inzicht? Hoe verhouden deze plannen zich uw inziens tegenover grondwetartikel 90, het bevorderen van de internationale rechtsorde? Kunt u dat toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Was u op de hoogte van het feit dat oud-politici meewerkten aan de journalistieke reconstructie? Is u om toestemming gevraagd? Indien nee, wat is uw opvatting over hun medewerking aan het artikel?
Het kabinet was niet op de hoogte gesteld van de inhoud van de gesprekken die de oud-bewindspersonen met de journalist hebben gevoerd. De oud-politici hebben niet om toestemming gevraagd.
Hoe verklaart u de uitwijzing van ambassadeur Van Houten op 25 januari 1987 door de Surinaamse regering, als dezelfde Surinaamse regering Nederland om interventie heeft gevraagd?
De Nederlandse ambassadeur Van Houten werd destijds uitgewezen omdat hij zich zou hebben ingelaten met interne Surinaamse aangelegenheden. Het toenmalige Nederlandse kabinet heeft dat zeer betreurd en op haar beurt Suriname gevraagd de toenmalige Surinaamse zaakgelastigde in Den Haag terug te roepen.
Herinnert u zich mijn vraag uit 2007 of het waar is dat Nederland in 1986 heeft onderzocht of het mogelijk was militair in te grijpen in Suriname? Waarom is, er vanuit gaande dat de journalistieke reconstructie van 20 november 2010 juist is, indertijd niet de volledige waarheid geantwoord? Deelt u de mening dat de Kamer hiermee essentiële informatie is onthouden? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Ja, ik herinner mij uw vraag uit 2007. Naar aanleiding van uw vraag gesteld aan de Minister van Buitenlandse Zaken op 14 juni 2007, heeft het kabinet op 10 juli 2007 de Tweede Kamer geantwoord op basis van de destijds bij Buitenlandse Zaken aangetroffen archiefstukken. Het kabinet stelt vast dat het in 2007 geen aanleiding zag om met de oud-bewindspersonen te spreken en een uitgebreider onderzoek te starten.
Het artikel in de Volkskrant van 20 november 2010 en de daaraan gerelateerde Kamervragen vormden voor het kabinet aanleiding om aanvullende gesprekken te voeren met betrokken oud-bewindspersonen en een uitgebreider onderzoek te doen dat naast de archieven van Buitenlandse Zaken, ook de archieven van Algemene Zaken, Defensie en Binnenlandse Zaken omvatte. De bovenstaande antwoorden berusten op dit onderzoek en op de gesprekken met onder andere de oud-bewindspersonen.
Dit verklaart waarom de beantwoording veel tijd heeft gekost. Het kabinet meent dat het beter zou zijn geweest als deze benadering al in 2007 zou zijn gevolgd. Was het kabinet in 2007 op de hoogte geweest van de feiten zoals ze nu bekend zijn uit de interviews met de Volkskrant van de oud-bewindslieden, dan had zij de Tweede Kamer geïnformeerd dat planningsdocumenten zijn voorbereid. Op basis van de feiten die er toen lagen was er voor het kabinet geen aanleiding om het onderzoek heel breed op te zetten of gesprekken te voeren met oud bewindspersonen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven zijn de plannen nooit uitgevoerd en zijn zij evenmin het onderwerp van politieke besluitvorming geweest.
Welke stappen zult u in het licht van deze feiten ondernemen jegens Suriname?
Het kabinet ziet geen aanleiding stappen te ondernemen jegens Suriname.
Het kantoor van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV) in Washington |
|
Ewout Irrgang |
|
Kunt u aangeven of het SNV-kantoor in Washington is opgericht met schriftelijke toestemming vooraf van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Er is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen schriftelijke toestemming vooraf gegeven. Door SNV hoefde voor de oprichting van het kantoor in Washington ook geen schriftelijke toestemming te worden gevraagd. In het geval er sprake is van het oprichten van een kantoor ter ondersteuning van een nieuw landenprogramma in een OS-land dient SNV wel voorafgaand toestemming aan het ministerie te vragen.
Kunt u aangeven of er in Washington op directe wijze armoede wordt bestreden met geld van het Ministerie?
Het kantoor van SNV in Washington is uiteraard niet opgericht met de bedoeling aan directe armoedebestrijding te gaan werken. Het kantoor werft fondsen op de Noordamerikaanse markt. Deze financiële middelen worden ingezet voor directe armoedebestrijding in de landen waar SNV actief is.
In de beantwoording van uw vraag 4 van 21 mei jl. (kenmerk 2010Z08680) is aangegeven dat het ministerie SNV stimuleert om «los te komen» van Nederlandse overheidssubsidie.
Het ministerie acht het van groot belang dat SNV ook andere bronnen voor financiering van zijn programma vindt. Het openen van een kantoor in Washington dat zich richt op fondswerving op de Noordamerikaanse markt is daar een uitvloeisel van.
Wordt het SNV-kantoor te Washington volledig gefinancierd door Nederlands subsidiegeld?
Ja.
Hoeveel medewerkers staan er op de loonlijst van het SNV-kantoor te Washington sinds de oprichting?
Sinds de oprichting van het kantoor te Washington is er gewerkt met één tot drie full-time medewerkers. Soms wordt daarnaast gebruik gemaakt van tijdelijke externe krachten.
Kunt u aangeven of het salaris van de directeur van het landenkantoor in Washington, de heer Ghosh, voldoet aan de (Directeur-Generaal) DG-norm? Is dit op basis van een 36 uur of 40 uur contract?
Het salaris van de directeur van het SNV kantoor in Washington ligt ruim beneden de DG-norm. Het betreft een 40 uur contract.
Kunt u hierbij tevens ingaan op eventuele toelagen, onkostenvergoedingen en pensioenpremies die aan de directeur van het landenkantoor in Washington betaald worden?
De directeur van het SNV kantoor in Washington krijgt een extra toeslag voor dekking ziektekostenverzekering van 354 euro per maand. Verder ontvangt hij een host country allowance. De directeur ontvangt zelf geen pensioenpremie. Er vindt een reguliere afdracht van pensioenpremie door de werkgever aan de pensioenverzekeraar plaats.
Kunt u aangeven in welk land de directeur van het landenkantoor in Washington belastingplichtig is, gezien de «Limited Liability Company» status van het kantoor te Washington zoals vermeld in SNV's openbare jaarverslag?
De directeur van het Washington kantoor is belastingplichtig in de Verenigde Staten.
Herinnert u zich de eerdere vragen over SNV nog?1
Ja.
Kunt u aangeven of er reeds «conclusies kunnen worden getrokken over de noodzaak en meerwaarde van het kantoor in Washington»?2 Kan het zijn dat het lobbywerk te Washington wellicht beter gedaan kan worden in die regio's waar SNV daadwerkelijk armoede bestrijdt: Afrika, Latijns Amerika, Azië en de Balkan, door lokaal ingehuurde SNV-medewerkers, waardoor er tevens kosten worden bespaard?
Ik vind het voorbarig nu al conclusies te trekken op basis van het jaar 2009 en het jaar 2010, dat bovendien nog niet is afgelopen. In 2009 heeft het kantoor in Washington volgens opgave van SNV voor in totaal euro 890 000 aan nieuwe contracten gerealiseerd.
Tot nu toe zijn in 2010 eveneens op basis van door SNV verstrekte gegevens contracten gerealiseerd met USAID t.b.v. Nicaragua (US$ 1,5 mln.) respectievelijk Ghana (US$ 1,25 mln.) en met de Ford Foundation voor Mozambique en Zimbabwe ten bedrage van US$ 200 000,--.
Het SNV kantoor in Washington richt zich op fondswerving en het coördineren van de relaties met een aantal grote donoren.
Wanneer gaat u evalueren of op basis van concrete resultaten blijkt dat de locatie in Washington al dan niet essentieel is om extra inkomsten te genereren? Wordt in deze evaluatie ook rekening gehouden met het feit dat volgens het jaarverslag van de SNV er op het hoofdkantoor te Den Haag reeds een business developmentafdeling bestaat die zich hiermee bezighoudt?
In 2012 zal een grote evaluatie van het SNV programma plaatsvinden. Voor wat betreft het onderdeel resource mobilisation zal speciale aandacht uitgaan naar de prestaties van het Washington kantoor.
V.w.b. het tweede deel van deze vraag wordt door SNV aangegeven dat het kantoor in Washington integraal onderdeel uitmaakt van het Business Development Team in Den Haag. Dit team richt zich juist op potentiële donoren in Europa; het kantoor in Washington richt zich op de Noordamerikaanse markt.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen Overleg over directiesalarissen op 1 december aanstaande?
Ja.
De zaak van een gedetineerde Nederlander in Mexico |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Kent u de zaak van de heer Bronkhorst, die al sinds 15 oktober 2009 gedetineerd zit in Cancun in Mexico?1 Deelt u de zorgen over zijn kansen op een eerlijk strafproces?2 Bent u eveneens bezorgd over zijn veiligheidssituatie in detentie in Mexico?
Ja, de zaak van de heer Bronkhorst heeft vanaf het begin de aandacht van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de ambassade.
Onze vertegenwoordigingen in Mexico-Stad (ambassade) en Cancún (honorair consulaat) hebben steeds in contact gestaan met de relevante autoriteiten, en aandacht gevraagd voor de juiste rechtsgang. Ook is steeds aandacht gegeven aan de veiligheidssituatie van de heer Bronkhorst die tot dusver gewaarborgd is.
Op welke wijze uw ministerie en de Nederlandse ambassade in Mexico zich ingespannen voor deze Nederlander?
Zowel de ambassade in Mexico-Stad als het honorair consulaat in Cancún volgen de zaak vanaf het begin nauwlettend. De ambassade en het honorair consulaat hebben de heer Bronkhorst het afgelopen jaar veelvuldig bezocht en de zaak aan de orde gesteld bij de desbetreffende autoriteiten.
Zowel schriftelijk als in gesprekken is bij de Mexicaanse autoriteiten aandacht gevraagd voor de zaak van de heer Bronkhorst. Bij die gelegenheden is de zorg uitgesproken over de duur van het proces en over zijn veiligheid. Ook is bij deze contacten aangedrongen op een zorgvuldige behandeling van de zaak.
Bent u bereid uw zorgen over zowel het strafproces als de situatie in detentie van de heer Bronkhorst over te brengen aan de Mexicaanse minister van Justitie? Zo nee, waarom niet?
In diverse gesprekken met de Nederlandse ambassade hebben de Mexicaanse autoriteiten meegedeeld begrip te hebben voor de geuite zorgen over de heer Bronkhorst, waar ook werd gesteld dat zij geen invloed kunnen uitoefenen op de rechtsgang, die een zaak is voor de onafhankelijke rechter.
Bent u eveneens bereid, in overleg met de Mexicaanse minister van Justitie en met respect voor de rechtsgang aldaar, te bezien welke mogelijkheden er zijn dat de heer Bronkhorst zijn strafproces buiten de gevangenis af kan wachten, zowel vanwege de feitelijke bestraffing die hij nu al ondergaat als vanwege zijn veiligheidssituatie in detentie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u voor u of de Nederlandse ambassade hierbij weggelegd?
Een verzoek van de advocaat van de heer Bronkhorst om zijn proces in vrijheid af te wachten is ingediend, maar werd door de rechter afgewezen. Het is in eerste instantie aan de advocaat van de heer Bronkhorst om de opportuniteit van een nieuw verzoek te beoordelen. Indien de advocaat daartoe besluit en daarbij om ondersteuning verzoekt, ben ik daartoe bereid.
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de ondersteuning en begeleiding van een minderjarig kind zonder verblijfsvergunning ten behoeve van het kunnen volgen van speciaal onderwijs?1
Ja.
Kunnen minderjarige kinderen zonder verblijfsvergunning als gevolg van deze uitspraak nu eerder in aanmerking komen voor financiële ondersteuning als zij voor het kunnen volgen van speciaal onderwijs ondersteuning en begeleiding nodig hebben? Kunt u dit toelichten?
De uitspraak van de CRvB betreft een besluit van zorgverzekeraar Agis inzake de weigering om de gevraagde zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) te verlenen aan een minderjarige vreemdeling zonder verblijfsvergunning die vanwege een autistische stoornis en een verstandelijke beperking extra ondersteuning nodig heeft om zijn lessen binnen het speciaal onderwijs te kunnen volgen. Het kind is niet AWBZ-verzekerd. De CRvB stelt dat artikel 5, tweede lid, van de AWBZ (het niet AWBZ-verzekerd zijn van bepaalde vreemdelingen zonder verblijfsvergunning; ook wel het koppelingsbeginsel genoemd) wegens strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in dit specifieke geval buiten toepassing moet worden gelaten, omdat er in casu geen sprake is van een «fair balance» tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die zorg en het particuliere belang van dit kind om de gevraagde AWBZ-zorg te ontvangen. Niet alle minderjarige kinderen zonder verblijfsvergunning verkeren in dezelfde situatie als het kind waar de CRvB deze uitspraak over heeft gedaan. De uitspraak betekent niet dat alle minderjarige vreemdelingen zonder verblijfsvergunning AWBZ-verzekerd zijn.
Heeft deze uitspraak, gelet op de sterke juridische waarde die de CRvB hecht aan het Kinderrechtenverdrag en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), andere gevolgen voor uw beleid ten aanzien van de bescherming en de rechten van minderjarige kinderen zonder verblijfsvergunning? Kunt u dit toelichten?
Nee, het koppelingsbeginsel sluit van rechtswege illegaal verblijvende vreemdelingen uit van voorzieningen, vergunningen en uitkeringen. Een uitzondering hierop geldt voor onderwijs voor leerplichtige kinderen, voor rechtsbijstand en voor medisch noodzakelijke zorg. Het koppelingsbeginsel is neergelegd in de Koppelingswet2, waarbij ieder vakdepartement in zijn eigen regelgeving heeft neergelegd hoe zij dit koppelingsbeginsel hanteert. Wanneer het gaat om toegang tot onderwijs c.q. toegang tot medische zorg, is dit een verantwoordelijkheid voor de desbetreffende Minister van OCW respectievelijk VWS.
Wat betreft onderwijs blijft van kracht wat voormalig minister Rouvoet van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierover in zijn brief3 aan Defence for Children heeft aangegeven, namelijk: «Voor toelating tot het speciaal onderwijs geldt voor alle leerlingen, dus ook de «illegale» leerlingen, dat zij van een commissie voor de indicatiestelling een indicatie voor het speciaal onderwijs moeten hebben. Een school voor speciaal onderwijs mag een leerling met een indicatie voor dat schooltype niet weigeren. Ook mag de toelating niet afhankelijk gesteld worden van het al dan niet beschikbaar zijn van zorg en is de toelating evenmin afhankelijk van de vraag of de vreemdeling een zorgverzekering heeft. Dat betekent dat een illegale vreemdeling wanneer hij een indicatie heeft van de eerder bedoelde commissie, toegelaten zou moeten worden en evenals andere kinderen in Nederland onderwijs krijgt dat bij hem past.»
Wat betreft medisch noodzakelijke zorg geldt in Nederland het algemeen erkende principe dat zorgaanbieders in voorkomend geval medisch noodzakelijke zorg verlenen, ongeacht de vraag of en hoe de kosten van die zorgverlening zullen worden vergoed. Dit geldt voor iedereen, dus ook voor alle minderjarige vreemdelingen zonder verblijfsvergunning. Uitgangspunt is dat de patiënt in eerste instantie zelf of zijn wettelijke vertegenwoordiger voor hem aansprakelijk is voor de kosten van aan hem verleende zorg. In het algemeen zal een ziektekostenverzekering de kosten van de patiënt overnemen. Vreemdelingen zonder verblijfsvergunning zijn uitgesloten van toegang tot de sociale zorgverzekeringen. In veel gevallen zal moeten worden geconstateerd dat deze personen zelf over onvoldoende financiële middelen beschikken om de kosten van verleende zorg te voldoen. Het gevolg daarvan is dat een zorgaanbieder een financieel risico loopt dat de kosten van de door hem aan voormelde vreemdelingen verleende zorg niet aan hem worden vergoed. Om de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg voor vreemdelingen zonder verblijfsvergunning te waarborgen is in een wet geregeld dat zorgaanbieders een bijdrage kunnen vragen als zij inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen die de kosten van de verleende zorg niet zelf kunnen betalen4. Deze wettelijke bijdrageregeling is op 1 januari 2009 in werking getreden.
Wanneer het gaat om het vreemdelingenbeleid heeft deze uitspraak geen gevolgen voor mijn beleid ten aanzien van de bescherming en de rechten van minderjarige kinderen zonder verblijfsvergunning. Ik erken dat kinderen een kwetsbare groep zijn. Mede daarom is in het vreemdelingenbeleid (bijvoorbeeld in het specifieke beleid voor AMV’s) rekening gehouden met de belangen en rechten van kinderen. In de uitvoering van het vreemdelingenbeleid is sprake van individuele beslissingen. De belangen van het kind worden in deze individuele beslissing meegewogen. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de belangenafweging die in het kader van artikel 8 van het EVRM wordt gemaakt. In geval het bijvoorbeeld gaat om gezinshereniging van kinderen met hun ouders wordt in de belangenafweging in ieder geval de duur van het legale verblijf van de ouder(s) in Nederland betrokken, evenals de bijzondere situatie van het gezin in Nederland (zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gehandicapt kind), de banden die de in Nederland wonende kinderen met het land van herkomst hebben en de nationaliteit en leeftijd van het kind.
In deze onderhavige individuele zaak heeft het feit dat het hier om een kind gaat, en kinderen een kwetsbare categorie zijn en als zodanig volgens het Kinderrechtenverdrag bijzondere bescherming genieten, naast diverse andere factoren, bij de Centrale Raad van Beroep zwaar gewogen.
Deelt u de mening van Defence for Children2 dat het gevolg van de uitspraak mede is dat het Kinderrechtenverdrag vanaf nu door de rechter steeds als uitgangspunt moet worden genomen bij alle toetsen over het recht op privé- en familieleven die betrekking hebben op kinderen? Kunt u dit toelichten?
Nee, deze mening deel ik niet. Ook vóór deze uitspraak was het al zo dat de rechter, wanneer daar een beroep op werd gedaan, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (Kinderrechtenverdrag) bij de beoordeling betrok. Het Verdrag, en dan met name artikel 3, waarin is bepaald dat het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn bij beslissingen die rondom kinderen worden genomen, heeft echter geen rechtstreekse werking zoals artikel 8 EVRM. Zoals in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van voornoemd Verdrag is aangegeven, strekken de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag – voor zover deze al direct toepasbare normen inhouden – niet tot meer dan dat bij alle maatregelen die kinderen betreffen, de belangen van die kinderen worden betrokken. Dit is in jurisprudentie bevestigd6. Zoals ik ook heb aangegeven in antwoord op vraag 3 is bij de beoordeling van het recht op privé- en familieleven het uitgangspunt dat een belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM plaatsvindt. Met de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag is niet beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 EVRM voortvloeien.
Deelt u de mening dat deze uitspraak van de CRvB recht doet aan de brief van voormalig minister Rouvoet van Jeugd en Gezin van 13 april jl.3, waarin hij onder meer schrijft dat de toelating van «illegale» leerlingen tot het speciaal onderwijs niet afhankelijk gesteld mag worden van het al dan niet beschikbaar zijn van zorg, en van de vraag of de vreemdeling een zorgverzekering heeft? Bent u bereid deze brief ook tot uitgangspunt van uw beleid ten aanzien van deze groep minderjarige kinderen te maken? Kunt u beide antwoorden toelichten?
De uitspraak van de CRvB in deze zaak betreft een besluit van zorgverzekeraar Agis inzake de weigering om de gevraagde zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) te verlenen aan een minderjarige vreemdeling zonder verblijfsvergunning die vanwege een autistische stoornis en een verstandelijke beperking extra ondersteuning nodig heeft om zijn lessen binnen het speciaal onderwijs te kunnen volgen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is gemeld, stelt de CRvB in de uitspraak dat in dit specifieke geval artikel 5, tweede lid, van de AWBZ wegens strijd met artikel 8 van het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten.
De brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de heer Rouvoet, van 13 april 2010, beperkt zich tot de toelating van illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen tot het speciaal onderwijs. De minister van VWS is van mening dat deze uitspraak van de CRvB in dit specifieke geval niet is af te zetten tegen de in de brief van de minister van OCW genoemde illegaal verblijvende leerlingen met een indicatie voor het speciaal onderwijs. Dat is ook niet nodig. Zoals in het antwoord op vraag 3 betreffende medisch noodzakelijke zorg is aangegeven geldt in Nederland het algemeen erkende principe dat zorgaanbieders in voorkomend geval medisch noodzakelijke zorg moeten verlenen, ongeacht de vraag of en hoe de kosten van die zorgverlening zullen worden vergoed. Dit geldt dus ook voor minderjarige kinderen zonder verblijfsvergunning. Zoals in het antwoord op vraag 3 betreffende medisch noodzakelijke zorg is aangegeven is er om de toegankelijkheid tot medisch noodzakelijke zorg voor deze vreemdelingen daadwerkelijk te waarborgen voor zorgaanbieders de wettelijke bijdrageregeling. Deze wettelijke bijdrageregeling is op 1 januari 2009 in werking getreden. De rechtzaak heeft een begin vóór de datum van inwerkingtreding van deze wettelijke regeling.
Deelt u de mening dat Nederland moet staan voor de mensenrechten en Europese verdragen, en in het bijzonder voor de rechten van minderjarige kinderen, ook als zij geen verblijfsvergunning hebben? Deelt u tevens de mening dat minderjarige kinderen, ook zij die geen verblijfsvergunning hebben, in Nederland te allen tijde recht hebben op medische zorg, onderwijs en onderdak? Kunt u beide antwoorden toelichten?
Wat betreft medische zorg verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 3 en 5 betreffende het verlenen van en de toegankelijkheid tot medisch noodzakelijke zorg. De minister van VWS is van mening dat de mensenrechtenverdragen de Nederlandse overheid nopen tot het aanbieden van een zo goed mogelijke gezondheidszorg, alsmede van voorzieningen ter financiering daarvan, voor zover betrokkenen die zorg niet zelf kunnen betalen. Dit geldt ook voor minderjarige kinderen zonder verblijfsvergunning. De minister van VWS is van mening dat Nederland op het punt van aanbod van gezondheidszorg voldoet aan de in de mensenrechtenverdragen neergelegde inspanningsverplichtingen.
Voor wat betreft het vraagstuk inzake onderdak voor niet-rechtmatig in Nederland verblijvende (gezinnen met) kinderen, verwijs ik u naar mijn brief d.d. 18 januari 2011 (TK 2010–2011, 29 344, nr. 79). In deze brief geef ik aan dat als gevolg van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag d.d. 11 januari 2011, de Nederlandse overheid geen onderdak kan beëindigen van gezinnen met minderjarige kinderen, zolang hun vertrek uit Nederland nog niet heeft plaatsgevonden. Er blijft een vorm van onderdak voor deze gezinnen beschikbaar zolang zij in Nederland verblijven, maar het geboden onderdak zal volledig ten dienste staan van het voorbereiden en uiteindelijk het bewerkstelligen van het vertrek.
De gesponsorde pandemie van de Mexicaanse griepprik |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De gesponsorde pandemie van de Mexicaanse griep»?123
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de definitie pandemie gewijzigd werd door de WHO kort voor het uitbreken van de Mexicaanse griep?
De Internationale Health Regulations (IHR) uit 2005 worden momenteel geëvalueerd. De uitbraak van Mexicaanse griep vormt hiervoor de belangrijkste casus. Over de resultaten van deze evaluatie wordt gerapporteerd aan de World Health Assembly (WHA) van mei 2011. De evaluatie zal ook ingaan op de verwarring die ontstaan is rond de definitie alsook op het effect van het gebruik van het begrip pandemie op de beeldvorming.
Dat de WHO fase 6 uitriep was voor Nederland niet de directe aanleiding voor het nemen van het besluit tot aanschaf van vaccins. Op het moment dat het vaccin aangeschaft moest worden, was er sprake van een onzekere situatie waarin snel gehandeld moest worden. Op 8 mei 2009 had de Gezondheidsraad advies uitgebracht over vaccinatie tegen Mexicaanse griep4. De Gezondheidsraad constateerde dat er nog onvoldoende gegevens waren voor een goede beoordeling van de epidemiologische situatie. Bovendien was er nog altijd een risico dat het virus, hoewel misschien op dat moment nog mild, tijdens zijn rondgang over de wereld zou muteren naar een meer pathogene stam. Wanneer langer gewacht werd zouden de vaccins waarschijnlijk te laat geleverd worden, of zou een bestelling helemaal niet meer mogelijk zijn. Dit vanwege de benodigde productietijd en de verwachtte omvangrijke mondiale vraag naar dit vaccin. Er moest dus, op basis van een risico-inschatting gehandeld worden, wetende dat er een reële kans bestond dat de vaccins, voor andere dan de bekende risicogroepen, niet gebruikt zouden hoeven worden.
Deelt u de constatering dat zonder de wijziging van die definitie er geen pandemie zou zijn geweest, en dat Nederland had kunnen volstaan met het inkopen van veel minder vaccins?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deskundigen wier belangen samenvallen met die van de farmaceutische industrie niet zouden mogen deelnemen aan de ontwikkeling van definities en richtlijnen?
Dit moet per geval beoordeeld worden. Het hebben van belangen betekent niet automatisch een belangenconflict. Volledige onafhankelijkheid van de industrie is niet mogelijk en naar mijn mening ook onwenselijk. Er zijn terreinen waarin publieke onderzoeksfinanciering niet of nauwelijks aan de orde is, maar waar wel topresearch plaatsvindt. Het zou onverstandig zijn om de kennis van desbetreffende topwetenschappers niet te gebruiken. Ik vind het wel belangrijk dat hierbij volledige transparantie betracht wordt. Daarnaast is het belangrijk dat een organisatie, die verantwoordelijk is voor de definities en richtlijnen, procedures hanteert om onafhankelijke advisering te waarborgen. Zo heeft bijvoorbeeld de Gezondheidsraad een uitgebreide set van waarborgen om belangenverstrengeling in haar Commissies te voorkomen (zie ook het antwoord op vraag 5.
Laat u onderzoeken of de leden van de Gezondheidsraad banden hebben (of hadden) met de farmaceutische industrie die op belangenverstrengeling kunnen duiden?
De Gezondheidsraad heeft naar mijn mening goede en betrouwbare procedures om belangenverstrengeling te voorkomen. Ik heb geen aanleiding om aan de beoordeling van de Gezondheidsraad te twijfelen. Ik voel mij hierin gesteund door een internationale review uit 2008 die de werkwijze van de Gezondheidsraad positief beoordeelde, nadrukkelijk ook op dit punt.
De Gezondheidsraad hanteert verschillende procedures die het risico op belangenverstrengeling moeten minimaliseren. Dit vormt een continu aandachtspunt binnen een veranderende omgeving waarin de keuze is gemaakt om beperkt publiek geld te investeren in wetenschappelijk onderzoek en waar kennis in toenemende mate «vermarkt» wordt.
Zo vullen bijvoorbeeld alle kandidaat-leden voor een commissie een belangenverklaring in. Op grond van deze verklaring beoordeelt de voorzitter van de Gezondheidsraad voor ieder afzonderlijk kandidaat-lid van een Commissie of deze benoemd kan worden als lid of als niet stemhebbend adviseur van een Commissie. Deze verklaringen zijn voor een ieder op te vragen.
Bij de eerste vergadering van de Commissie (de installatievergadering) moeten alle leden en adviseurs hun mogelijke belangen ten overstaan van de voorzitter van de Raad en alle commissieleden uitspreken.
Verder worden Commissies altijd multidisciplinair samengesteld. Dit garandeert een brede wetenschappelijke beoordeling en een evenwichtige advisering door de Raad. Als de Commissie een advies heeft gegeven wordt het getoetst door één of meer Beraadsgroepen waar andere deskundigen zitting in hebben. Het advies wordt beoordeeld op inhoud en consistentie met eerder uitgebrachte adviezen.
Bovenstaande procedures zijn zo zorgvuldig mogelijk. Hierin heb ik vertrouwen. De procedure voor de bewaking van de onafhankelijkheid van de Gezondheidsraad is te vinden op de website van de Raad. Toch is nooit volledig uit te sluiten dat een individu ten onrechte informatie niet meldt.
Kunt u de onafhankelijkheid van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van zijn adviezen garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de werkzaamheid van influenzavaccins bij gezonde volwassenen, aangezien de medische wetenschap zelf het nut hiervan in twijfel trekt?
Nee. Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 3 van het lid van Gerven over de griepvaccinatie van 25 november 2010 (2010Z17692).
Het verhuren van celcapaciteit voor jeugdigen aan België |
|
Nine Kooiman |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat vindt u van het voorstel om te onderzoeken of het mogelijk is tijdelijk celcapaciteit van de Nederlandse justitiële jeugdinrichtingen, met behoud van Nederlands personeel, te verhuren aan België?
Ik heb in het kader van mogelijke alternatieve bestemmingen voor capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) reeds op 17 november jongstleden met de Belgische Minister van Justitie De Clerck gesproken. Ik heb hem toen aangeboden dat ik JJI-capaciteit zou kunnen inzetten voor het opvangen van Belgische jeugdigen. Vlak voor het algemeen overleg met uw Kamer over justitiële jeugdinrichtingen (op 9 december 2010) heb ik opnieuw met Minister De Clerck gesproken. Hij heeft toen aangegeven dat er op federaal niveau geen behoefte bestaat aan plaatsing van Belgische jeugdigen in Nederlandse jeugdinrichtingen. Later heeft hij ook bij zijn Vlaamse collega die over het jeugdwerk gaat, nagevraagd of de Vlaamse deelregering wellicht wel JJI-capaciteit zou willen gebruiken. Inmiddels heb ik begrepen dat ook daar geen concrete behoefte bestaat aan plaatsen in Nederlandse JJI’s. Zie overigens het antwoord op vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat er in België nog steeds sprake is van een cellentekort, niet alleen voor volwassenen maar ook voor jeugdigen en dat er nieuwe jeugdgevangenissen worden bijgebouwd die pas in 2013 in gebruik kunnen worden genomen? Heeft u al onderzocht hoe groot het cellentekort in België is? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen?
Ja, ik weet dat er in België sprake is van een (tijdelijk) tekort aan cellen en plaatsen voor volwassenen en jeugdigen. Ik weet niet hoe groot het cellentekort in België precies is. Voor mij is niet de exacte omvang van het cellentekort in België van belang, maar of er bij de Minister van Justitie van België of bij de Vlaamse deelregering concreet behoefte is aan plaatsen in Nederlandse gevangenissen of JJI’s.
Zijn de ervaringen met het verhuren van celcapaciteit van de Penitentiaire Inrichting Tilburg aan België, tegen een bedrag van € 30 miljoen per jaar, nog steeds goed? Of zijn er knelpunten? Zo ja, welke?
De ervaringen met het verhuren van celcapaciteit van de Penitentiaire Inrichting (PI) Tilburg aan België zijn nog steeds goed. De ministerraad in België heeft op vrijdag 3 december 2010 ingestemd met een voorstel van Minister De Clerck om 150 extra plaatsen – bovenop de 500 plaatsen die nu worden gebruikt – in de PI Tilburg te huren.
Deelt u de mening dat de tijdelijke verhuur van jeugdinrichtingen aan België een oplossing kan zijn voor het cellentekort in België en de overcapaciteit in Nederland, waardoor gedwongen ontslagen onder het personeel van jeugdgevangenissen kan worden voorkomen, daar er ook natuurlijk verloop plaatsvindt?
Met antwoord op deze vraag is slechts relevant voor zover er sprake is van een concrete behoefte van Belgische zijde aan capaciteit in Nederlandse JJI’s. Zoals ik bij het antwoord op vraag 1 heb toegelicht, is die concrete behoefte er op dit moment niet.
Bent u bereid op korte termijn in overleg te treden met de Belgische minister van Justitie en de mogelijkheden te verkennen om een van de in de provincies Brabant of Limburg gelegen jeugdinrichtingen te verhuren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg op 9 december 2010 over het capaciteitsplan justitiële jeugdinrichtingen?
Ik heb bij het algemeen overleg van 9 december 2010 reeds toegelicht dat ik deze vragen destijds nog niet kon beantwoorden omdat ik nog in gesprek was met Minister De Clerck.
De verstoorde werksfeer bij strafrechters en de kwaliteit van de strafrechtspraak |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het boek getiteld «De nieuwe kleren van de rechter» en de krantenberichten naar aanleiding daarvan?1
Ja.
Herkent u zich in de alarmerende conclusies die de auteur trekt onder andere over de attitude en omgangsvormen van strafrechters, de onderlinge verhoudingen, de gebrekkige organisatie, de ontstane vertragingen, de financiële tekorten en het niet halen van afspraken over de behandeling en de duur van strafzaken? Zo ja, waarom? Bent u voornemens iets aan deze situatie te gaan doen? Zo nee, waarom niet?
In het boek doet de auteur verslag van zijn belevenissen als gerechtsbestuurder in de strafsector van een gerecht. Het gaat om persoonlijk gekleurde waarnemingen, waarbij het niet voor de hand ligt deze automatisch op de gehele rechterlijke organisatie te betrekken. Dit neemt niet weg dat het beschrevene serieus genomen moet worden. De auteur beschrijft situaties waar verbetering mogelijk is. Ik heb hiervoor aandacht gevraagd bij de Raad voor de rechtspraak. Ik vind het belangrijk dat de Rechtspraak zelf kritisch kijkt naar de eigen organisatie. De ideeën van de auteur van dit boek verdienen daarbij serieuze aandacht.
Deelt u de mening van de auteur dat de kwaliteit van de strafrechtspraak zelf niet onder de door hem gesignaleerde problemen lijdt?
Ja. Overigens heeft de auteur ook in zijn onlangs gehouden oratie herhaald dat de kwaliteit van de strafrechtspraak naar zijn mening niet in het geding is.
Deelt u de bezorgdheid over het aanzien van de rechterlijke macht in de samenleving mede als gevolg van een aantal incidenten in de afgelopen periode? Zo nee, waarom niet?
Voor een goed functioneren van de rechtstaat is vertrouwen in de rechterlijke macht van groot belang. De beeldvorming die naar aanleiding van de incidenten is ontstaan doet hier afbreuk aan, en dat valt te betreuren. Het is echter ook van belang dat de incidenten in hun reële proportie worden gezien. Zij behoeven geen blijvend effect te hebben op het vertrouwen in de rechterlijke macht.
Deelt u de mening dat transparantie over het zelfreinigend vermogen van de rechterlijke macht (interne (kwaliteits)beoordelingen, intervisie en als ultimum remedium de ontslagprocedure bij de Hoge Raad) kan bijdragen aan het herstel van het vertrouwen in de rechterlijke macht? Zo ja, kunt u daaraan wat doen? Wat acht u wenselijk? Zo nee, waarom niet?
De Rechtspraak is doordrongen van het belang van transparantie en heeft daarom maatregelen genomen om de transparantie te vergroten. In het kwaliteitssysteem dat een aantal jaren geleden in de Rechtspraak is ingevoerd (RechtspraaQ) hebben interne kwaliteitsbeoordelingen en intervisie een vaste plaats. Verder worden, naast de meer traditionele gegevens over instroom, productie en financiën, sinds enkele jaren cijfers gepubliceerd over klachten, wrakingen, de uitkomsten van klantwaarderingsonderzoeken, publicatie van uitspraken, permanente educatie, gerealiseerde doorlooptijden, doorverwijzing naar mediation, en arbeidsproductiviteit.
De Rechtspraak is, zo blijkt uit de Agenda van de Rechtspraak 2011–2014, voornemens de zichtbaarheid van de inspanningen op het gebied van kwaliteit, de openheid over prestaties en de openheid over gevallen van (vermeende) inbreuken op de kernwaarden verder te vergroten. Indien zich incidenten voordoen, zal daarover sneller en effectiever worden gecommuniceerd. Ik verwacht dat deze transparantie zal bijdragen aan het vertrouwen in de Rechtspraak op de langere termijn.
Kent u het zogeheten digitaal klaagschrift waarmee burgers een klacht kunnen indienen bij een gerecht over de behandeling die hen ten deel is gevallen?
Alle rechtbanken en gerechtshoven beschikken al over de technische mogelijkheden om digitaal klachten te ontvangen. Over relevante opvattingen van burgers wordt reeds gerapporteerd. De suggestie om hieraan meer aandacht en zichtbaarheid te geven zal ik overbrengen aan de Raad voor de rechtspraak.
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak dit digitaal klaagschrift verder te ontwikkelen en meer actief te promoten (bijvoorbeeld op www.rechtspraak.nl), zodat burgers makkelijker hun klachten, suggesties en wensen bij de rechterlijke macht kunnen neerleggen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om met de Raad voor de rechtspraak te bespreken dat de reacties van burgers niet alleen worden betrokken bij de beoordeling van rechters, maar dat hierover ook actief en transparant (en uiteraard anoniem) wordt gerapporteerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u verder voornemens maatregelen te nemen om het aanzien en de kwaliteit van de rechterlijke macht te herstellen dan wel versterken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Momenteel wordt wetgeving voorbereid die erop is gericht de gerechtelijke kaart te herzien. Dit voorziet in het terugbrengen van het aantal arrondissementen en het aantal ressorten, hetgeen zal bijdragen aan de continuïteit, kwaliteit en flexibiliteit van de Rechtspraak. Tevens worden de externe oriëntatie en de gerichtheid op de samenleving versterkt door mensen van buiten de rechterlijke macht een plaats te geven in de besturen van de gerechten.