Verhoging van de EMU (Europese Monetaire Unie)-schuld door garantiestelling aan het Europees noodfonds |
|
Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Bureau Eurostat heeft besloten garanties aan het Europees noodfonds mee te tellen als EMU-schuld?1
Ja.
Wie is politiek verantwoordelijk voor het wel of niet meetellen van garanties e.d. als EMU-schuld?
Eurostat is een onafhankelijke organisatie die volgens de internationaal afgesproken regels en procedures een afweging heeft gemaakt over de gevolgen van de EFSF-lening voor de bruto schuld van de in het EFSF participerende landen.
Met welk bedrag zou de Nederlandse EMU-schuld stijgen als de reeds verstrekte garantie uit het noodfonds inderdaad zou meetellen als EMU-schuld? Tot welke percentage van het BBP zou die schuld kunnen oplopen binnen de huidige afspraken en omvang van het noodfonds?
Voor de antwoorden op deze vragen wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen van de Kamerleden Harbers en Ten Broeke (kenmerk 2011Z01752), welke ik tegelijkertijd heb beantwoord.
Wat betekent het meetellen van garanties als EMU-schuld voor het bereiken van de signaalwaarden van het Stabiliteits- en Groeipact? Vindt u dat wenselijk? Zo ja, waarom? Zo neen, welke actie gaat u ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Gebrek aan toezicht op onderbetaling van werknemers |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Arbeidsinspectie mist zicht op onderbetaling»?1
Ik heb kennisgenomen van het vermelde krantenartikel. De opvattingen die worden beschreven waarbij de suggestie wordt gewekt dat de Arbeidsinspectie te weinig handhavend optreedt, deel ik niet.
Wat is uw opvatting over het in dit bericht geconstateerde gebrek aan toezicht?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het niet meer dan redelijk is dat werknemers het loon krijgen dat zij volgens hun cao verdienen, ook als zij niet oorspronkelijk uit Nederland komen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit is ook vastgelegd in de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga).
Heeft u zicht op het aantal werknemers dat in Nederland onder het wettelijk minimumloon wordt uitbetaald? Zo nee, worden er schattingen gedaan?
Het percentage van alle werknemers (15 tot en met 64 jaar) werkzaam in het Nederlandse bedrijfsleven dat onder minimumloonniveau werd betaald bedroeg bij de laatst uitgevoerde monitor 0,3% (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 XV, nr. 84. Uit de handhavingsinformatie van de Arbeidsinspectie blijkt dat er bij de uitgevoerde inspecties waarbij zo’n 12 000 werkgevers per jaar zijn gecontroleerd, in 2009 in 84 zaken 540 onderbetaalden en in 2010 bij 127 zaken een kleine 600 onderbetaalden zijn aangetroffen waarvoor een boete is opgelegd.
Deelt u de mening dat dit bericht wederom aantoont dat de capaciteit van de Arbeidsinspectie ernstig tekort schiet? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet en dat blijkt ook niet uit de cijfers inzake de handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Het aantal opgemaakte boeterapporten WML is in 2010 ten opzichte van 2009 gestegen, van 84 in 2009 naar 127 in 2010. Het totaal aan opgelegde boetebedragen is in 2010 verdubbeld. Daaruit blijkt dat de bestuurlijke handhaving van de WML steeds beter ingebed raakt in de werkwijze van de Arbeidsinspectie en dat de risicoanalyse steeds beter gerichte controles mogelijk maakt. Van het aantal aangetroffen werknemers dat onder het minimumloon betaald werd was bijna 40% afkomstig uit een van de nieuwe lidstaten van de Europese Unie (inclusief Bulgarije en Roemenië).
Voert de Arbeidsinspectie herhalingsinspecties uit bij beboete bedrijven? In hoeverre hebben de sancties tot gevolg dat bedrijven zicht beter aan de wet houden en werknemers niet meer onder het wettelijk minimumloon worden uitbetaald? Welke conclusies trekt u hieruit?
De Arbeidsinspectie bezoekt een onderneming waartegen een boeterapport is opgemaakt, in principe opnieuw binnen 3 maanden voor een hercontrole. Indien sprake is van recidive worden de boetes voor geconstateerde overtredingen met 50% verhoogd, maar voor de Wml speelt dit nauwelijks, omdat de werkgever bij een eerste boete al via een last onder dwangsom tot nabetaling van het te weinig betaalde loon verplicht kan worden.
Ik ben van oordeel dat bedrijven die de wet overtreden hard moeten worden aangepakt. Oneerlijke concurrentie door onderbetaling en illegale tewerkstelling, welke vaak gepaard gaan met slechte werkomstandigheden en uitbuiting is ontoelaatbaar en dient krachtig bestreden te worden. Zeker als blijkt dat zij zich na een overtreding kennelijk niets lijken aan te trekken van opgelegde boetes. Ik bereid een fors strengere aanpak van fraude voor, inclusief hogere boetes voor overtredingen van de arbeidswetgeving.
Zijn er bepaalde sectoren waarin onderbetaling relatief vaker voorkomt dan andere? Wordt in deze sectoren extra geïnspecteerd op naleving van de wet naleving minimum loon? Zo nee, bent u bereid in deze sectoren extra inspectie in te zetten?
Onderbetaling komt in alle sectoren voor waar de Arbeidsinspectie inspecteert.
De meeste overtredingen van onderbetaling worden aangetroffen in de uitzendsector. Ook in de sectoren land- en tuinbouw, detailhandel en horeca komt onderbetaling verhoudingsgewijs vaak voor. In deze sectoren wordt dan ook gericht geïnspecteerd.
Kunt u aangeven om welke reden de Arbeidsinspectie wel kan handhaven op betaling van minimumloon, maar niet op cao-loon? Bent u van mening dat er ook op naleving van cao-afspraken meer zou moeten worden gehandhaafd?
Het is geen taak van de Arbeidinspectie om handhavend op te treden bij civielrechtelijke loonafspraken die cao-partijen overeenkomen.
Voor het toezicht op de juiste naleving van cao-afspraken dienen cao partijen elkaar aan te spreken. Voor meer informatie over de handhaving van cao’s verwijs ik naar de eerdere Kamerbrief over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544 en 32 123 XV, nr. 219).
Voor de uitzendsector ziet overigens de Stichting Naleving cao voor Uitzendkrachten (SNCU) toe op de juiste naleving van de cao’s in de uitzendbranche. Blijkens de resultaten die de SNCU over 2010 meldt, zijn in 2010 ca. 800 klachten over niet naleving van cao-bepalingen ontvangen, voornamelijk afkomstig van Poolse werknemers (80%).
Op welke manier worden (niet Nederlandse) werknemers ingelicht over hun rechten als het gaat om cao-afspraken? Bent u van mening dat deze informatie alleen voldoende is om onderbetaling tegen te gaan? Zo nee, welke stappen bent u bereid te nemen om op te treden tegen betaling onder het wettelijk minimumloon, dan wel cao-loon?
Er wordt op verschillende wijze, via voorlichtingsites van SZW en de Arbeidinspectie, via ambassades in Nederland en in de MOE-landen en via de netwerken van organisaties als SNCU, BlinN en UWV Werkbedrijf, informatiemateriaal verstrekt om werknemers én werkgevers te informeren over hun rechten en plichten bij het verrichten van arbeid in Nederland. Heel praktisch worden ook folders met verwijzing naar de informatie op de website verspreid op plekken waar de doelgroepen te vinden kunnen zijn, zoals op bouwplaatsen en in bepaalde wijken in de grote steden. Daarbij gaat het om informatie over zaken als wanneer en onder welke voorwaarden mag een vreemdeling hier arbeid verrichten en wat zijn de regels voor betaling van het minimumloon en andere arbeidsvoorwaarden, en welke regels gelden er voor arbeidstijden en voor arbeidsomstandigheden. Hoewel ook werkgevers via voorlichtingsmateriaal en -campagnes worden geïnformeerd, zal het naar mijn oordeel nodig blijven dat er vanuit de overheid tegen onderbetaling onder minimumloonniveau opgetreden wordt om oneerlijke concurrentie en onderbetaling van werknemers tegen te gaan.
Zie ook het antwoord bij 10 en 11.
Bent u bereid de capaciteit van de Arbeidsinspectie uit te breiden naar een adequaat niveau, zoals eerder voorgesteld in het amendement-Spekman (32 123 XV, nr. 42)? Zo nee, waarom niet?
Mijn analyse is vooral dat de problematiek hardnekkig is. Meer inspectiecapaciteit is daarop niet het antwoord. Zoals aangegeven in het Regeerakkoord wil dit kabinet zich sterk maken om fraude op een harde wijze te bestrijden. Binnenkort zal ik daarvoor nadere voorstellen doen.
Deelt u de mening dat een vorm van «naming and shaming», waarbij de namen van herhaaldelijke overtreders van arbeidswetgeving dan wel cao-verplichtingen gepubliceerd worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen kan de Kamer op korte termijn van de regering verwachten om uitvoering te geven aan dit voorstel?
Zie antwoord vraag 10.
Herkent u het beeld dat de Arbeidsinspectie buitenlandse werknemers gemakkelijk als zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) erkent waardoor ze vaak onderbetaald worden? Zo nee, hoeveel zzp’ers afkomstig uit de Midden en Oost Europese (MOE-)landen zijn in Nederland actief?
Voor zelfstandig werkende onderdanen uit de EU-landen is de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag niet van toepassing. Ook gelden er voor zzp- ers geen cao’s.
Dit stelt de zelfstandig werkende in staat om zelf zijn uurloon en de gemiddelde arbeidsduur vast te stellen.
De Belastingdienst bepaalt of een zzp-er aan de voorwaarden voor zelfstandig ondernemerschap voldoet.
De Arbeidsinspectie controleert of vreemdelingen die geen vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben, zich niet door middel van (schijn)constructies op oneigenlijke wijze alsnog op de Nederlandse arbeidsmarkt begeven en treedt zo nodig op als daartoe aanleiding is. Tot aan november 2010 heeft de Arbeidsinspectie in 2010 637 zzp’ers aangetroffen waarvan er 198 als schijn-zzp’er zijn aangemerkt. Tegen de werkgevers van deze schijn-zzp’ers heeft de Arbeidsinspectie een boeterapport opgemaakt voor het ontbreken van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Van deze schijn-zelfstandigen was 86% afkomstig uit Bulgarije.
Uit het in september 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden Risbo-onderzoek naar de aard en omvang van arbeidsmigratie uit de MOE-landen blijkt dat er per 1-1-2009 15 600 zzp’ers uit de MOE-landen, waaronder 5700 Bulgaren en Roemenen, stonden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast schatten de onderzoekers het aantal zzp’ers uit de MOE-landen in Nederland, dat niet staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel op 7700. Daarmee schatten de onderzoekers het totaal op 23 300.
Er is geen nieuw onderzoek gedaan naar het totaal aantal zzp’ers uit de MOE-landen. Wel zijn nieuwe cijfers bekend voor het aantal inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel.
Op 1-1-2011 stonden er 18 227 zzp’ers uit de MOE-landen, waaronder 7831 Bulgaren en Roemenen, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
De Stichting Naleving cao voor Uitzendkrachten (SNCU) geeft aan dat zij uitzendbureaus die niet in Nederland zijn gevestigd niet kunnen controleren; controleert de Arbeidsinspectie deze bureaus wel? Zo ja, hoe vaak is dat in de afgelopen jaren gebeurd?
Indien bij controles van de Arbeidinspectie buitenlandse bedrijven betrokken zijn bestaat de mogelijkheid om over deze bedrijven gegevens op te vragen via buitenlandse liaisonbureaus. In de afgelopen jaren (2008–2010) zijn 149 verzoeken gedaan in het kader van controle van buitenlandse bedrijven.
Het aantal lang verblijvende, verwesterde Afghaanse meisjes in Nederland, vergelijkbaar met Sahar |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van uw brief aan de Tweede Kamer van donderdag 27 januari 2011 over het Afghaanse meisje Sahar Hbrahimgel, aangeven hoeveel Afghaanse vrouwen en meisjes er de afgelopen tien jaar zijn uitgezet naar Afghanistan?1
Sinds 2000 tot en met 2010 zijn er circa 200 Afghaanse vrouwen en meisjes onder toezicht vertrokken naar Afghanistan, van wie het overgrote deel in de periode voor 2007. Voor zover valt na te gaan, zijn zij allen via IOM vertrokken.
Hoeveel Afghaanse vrouwen en meisjes verblijven er zonder verblijfstitel in Nederland?
Deze vraag ziet (deels) op verblijf van personen in de illegaliteit. Zoals uw Kamer bekend is, kunnen geen betrouwbare kwantitatieve gegevens worden gegeven over personen die in de illegaliteit buiten het zicht van de overheid verblijven. De IND is verantwoordelijk voor de behandeling van toelatingsvragen en beschikt over informatie betreffende de aantallen vreemdelingen die zijn toegelaten of afgewezen en de aantallen van vreemdelingen die een verblijfsprocedure hebben lopen die al dan niet in Nederland mag worden afgewacht. In het landgebonden asielbeleid Afghanistan is de (zorgwekkende) situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan verwerkt. Hierdoor wordt aan een belangrijk deel van de vrouwelijke Afghaanse asielzoekers een asielvergunning verleend.
In het systeem van de IND (INDIS) staan op dit moment circa 830 Afghaanse meisjes en 2600 meerderjarige vrouwen geregistreerd omdat ze een toelatingsprocedure voeren of ooit hebben gevoerd in Nederland die niet tot vergunningverlening heeft geleid. Van hen mogen 110 meisjes en 360 vrouwen een lopende procedure afwachten. De overige 720 meisjes en 2240 vrouwen hebben de vermelding in INDIS dat zij geen rechtmatig verblijf (meer) hebben in Nederland, in de zin van artikel 8 Vreemdelingenwet. Dit betekent dat zij niet meer in Nederland mogen verblijven.
Ik acht het niet onaannemelijk dat meisjes en vrouwen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en samen met gezinsleden een verblijfsvergunning hebben aangevraagd, de verblijfsprocedure van hun overige gezinsleden (illegaal) in Nederland afwachten. Op basis van een dergelijke aanname heb ik eerder de inschatting gemaakt dat er ongeveer 400 meisjes zijn die in vergelijkbare omstandigheden als Sahar Hbrahimgel in Nederland verblijven.
Er moet voorts nog rekening mee worden gehouden dat de cijfers hoger kunnen liggen. Gezinnen kunnen zich hebben uitgebreid, nadat een asielaanvraag was afgewezen, met in Nederland geboren of met later nagereisde meisjes. Als voor hen niet alsnog een aanvraag is ingediend, zijn zij niet in de registratie van de IND opgenomen.
Hoeveel van hen verblijven reeds meer dan tien jaar in Nederland?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, kunnen geen betrouwbare kwantitatieve gegevens worden gegeven over personen die in de illegaliteit buiten het zicht van de overheid verblijven. Het genoemde aantal van ongeveer 400 meisjes is niet afkomstig uit de registratiesystemen, maar is een inschatting gebaseerd op aannames. Het nader specificeren van deze groep zou een aanname op een aanname vragen en daarmee geen voldoende betrouwbare uitkomst meer (kunnen) opleveren.
Voor de volledigheid merk ik op dat uit het beleid noch uit de jurisprudentie voortvloeit dat een verblijfstermijn van 10 jaar, zoals in de vraagstelling is genoemd, een relevant onderscheidend criterium is.
Hoe beoordeelt u de zaak van het meisje Sahar in het licht van de Eligibility Guidelines van UNHCR van 17 december 2010?
De asielaanvragen van de de familie Hbrahimgel, waar het meisje Sahar deel van uit maakt, zijn getoetst aan het geldende beleid voor Afghaanse asielzoekers. Dit beleid is gestoeld op de algemene ambtsberichten over Afghanistan, opgesteld door de minister van Buitenlandse Zaken. Zoals ik in mijn brief van 27 januari jl.2 heb meegedeeld heb ik inmiddels, vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid, de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd om, in aanvulling op alle vragen die ik al had gesteld over de situatie in Afghanistan, ook specifiek te rapporteren over de situatie van schoolgaande meisjes in Afghanistan. Dit omdat de informatie die hierover nu beschikbaar is, niet eenduidig is en de minister van Buitenlandse Zaken al bezig was met een update van het ambtsbericht inzake Afghanistan. Ik verbind hieraan overigens, evenals aan de Guidelines van de UNHCR van december 2010, nadrukkelijk op dit moment geen (beleids)consequenties voor lopende zaken.
Wat zijn naar uw oordeel de gevolgen van het feit dat dit meisje herhaaldelijk in het nieuws is geweest voor haar kansen op verblijf? Wilt u daarbij betrekken dat u de zaak van Sahar zelf in de media hebt opgevoerd?
Allereerst wil ik benadrukken dat ik alleen in reactie op vragen van diverse media mij genoodzaakt zag te reageren over het verloop van de procedure in deze individuele zaak. Ik heb derhalve niet het initiatief genomen om deze zaak in de media te brengen.
Zoals aan u meegedeeld in mijn brief 27 januari jl., zie ik momenteel geen feiten en omstandigheden die maken dat deze zaak nu zo uitzonderlijk is dat ik gebruik moet maken van mijn discretionaire bevoegdheid. Dat de zaak veel aandacht in de media heeft gekregen, maakt de weging van deze feiten en omstandigheden niet anders.
Het verbod om 's nachts snel te varen met motorboten in de hoofdvaarwaters tussen het vaste land en de Waddeneilanden en of tussen de Waddeneilanden onderling |
|
Matthijs Huizing (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de Leeuwarder Courant van 27 januari 2011 getiteld «Snelvaren taxi ook ’s nachts toestaan»?
Ja.
Bent u bekend met de situatie dat varen met een snelheid hoger dan 20 km/uur door snelle motorboten overdag wordt toegestaan in vaargeulen, maar ’s nachts beperkt is? Is het waar dat er tegen de nachtelijke beperking bezwaar is aangetekend?
Deze situatie is formeel geregeld in de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995. In deze regeling zijn de gebieden opgenomen, waar overdag of ’s nachts sneller mag worden gevaren dan 20 km per uur. Hierin is ten aanzien van de vaart op de Waddenzee opgenomen, dat in de vaargeulen alleen overdag sneller mag worden gevaren dan 20 km per uur. Het is mij bekend, dat eind november 2010 een aanvraag is ingediend om op de trajecten Holwerd/Ameland en Lauwersoog/Schiermonnikoog sneller dan 20 kilometer per uur te mogen varen met watertaxi's in de nachtelijke uren.
Is het waar dat de regeling snelle motorboten eigenlijk is ingevoerd om meer grip te krijgen op de snelle (motor) plezierjachten op de Nederlandse binnenwateren?
De regeling geldt voor alle snelle motorboten, maar was oorspronkelijk ingevoerd om grip te krijgen op het recreatieve gebruik van speedboten, waterscooters etc. In loop der tijd zijn nieuwe vormen van vervoer gegroeid, (waaronder watertaxi’s), waardoor meer beroeps- en bedrijfsvaartuigen onder de definitie van een snelle motorboot zijn gaan vallen en daarmee ook onder dezelfde eisen en beperkingen.
Deelt u de mening dat watertaxi’s bedrijfsvaartuigen zijn, die adequaat zijn toegerust en daarom gelijk geschakeld kunnen en moeten worden met andere bedrijfs- en beroepsvaartuigen? Zo nee, hoe verklaart u dat de watertaxi’s in de regio Rotterdam wel zijn vrijgesteld van deze regeling en dat deze ook ’s nachts met hogere snelheid mogen varen?
In de verkeersregelgeving – waarin het al dan niet nachtelijk snelvaren is geregeld – wordt geen onderscheid gemaakt tussen recreatief gebruikte snelle motorboten en bedrijfs- en beroepsvaartuigen. Ongeacht de vraag, of watertaxi’s bedrijfsvaartuigen zijn, vallen ze onder de definitie van snelle motorboten.
Om snel vervoer ’s nachts per watertaxi in Rotterdam mogelijk te maken, is aldaar via een aanpassing van de verkeersregelgeving de mogelijkheid geboden voor álle snelle motorboten om 's nachts te varen.
Deelt u de mening dat watertaxi’s ieder moment van de dag, ook ‘s nachts en zeker in urgente situaties, snel moeten kunnen varen?
Of een watertaxi ook ’s nachts snel kan varen, hangt af van de specifieke omstandigheden van de vaarweg, de kwalificatie van de bemanning en de uitrusting van de motorboot. Overigens zijn specifiek voor calamiteiten ook vaartuigen van hulpdiensten beschikbaar.
Bent u bereid tot een herziening van de regelgeving ten aanzien van de vaarsnelheid van snelle bedrijfsvaartuigen in de vaargeulen op de Waddenzee, in die zin dat het begrip bedrijfsvaartuig zodanig wordt aangepast dat watertaxi’s hier ook onder worden verstaan?
Ik ben bereid om op korte termijn te onderzoeken, hoe en onder welke voorwaarden het snel varen met watertaxi's en andere snelle bedrijfsvaartuigen in de nachtelijke uren mogelijk gemaakt kan worden in de gebieden/vaargeulen waar nu reeds overdag snel gevaren mag worden. Concreet zal ik onderzoeken, of uitbreiding van het snelvaren naar de nacht mogelijk is binnen de regelgeving omtrent natuurbescherming. De Waddenzee is een beschermd natuurgebied. Of het snel varen in de nacht verstorend is voor de aanwezige habitats en diersoorten, en welke maatregelen daarbij passen, moet mede worden bepaald door het bevoegd gezag van de Natuurbeschermingswet 1998. Voor de Waddenzee zijn dat de provincies Fryslân en Groningen en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De natuurbeschermingsregelgeving zou er toe kunnen leiden, dat op sommige delen van het traject toch ’s nachts niet sneller gevaren kan worden. In het onderzoek zal ik tevens de consequenties voor de nautische veiligheid betrekken.
Het onderzoek zal zich concentreren op de relatief kleine groep bedrijfs- en beroepsvaartuigen, inclusief watertaxi’s. Het uitbreiden van het nachtelijk snel varen voor álle snelle motorboten, dus ook de recreatieve, acht ik onwenselijk gezien het kwetsbare karakter van het Waddengebied.
Indien op basis van het onderzoek zal worden besloten tot het toestaan van het snel varen voor watertaxi's en andere snelle bedrijfsvaartuigen in de nachtelijke uren, dan zal een aanpassing van het Binnenvaartpolitiereglement (een AMvB) nodig zijn. Dit om binnen de categorie snelle motorboten onderscheid aan te brengen tussen bedrijfs- en beroepsvaartuigen en recreatief gebruikte snelle motorboten. Zo'n aanpassing van een AmvB, maar ook de toetsing aan de natuurwetgeving duurt enige tijd.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een mogelijke wijziging van de regelgeving, de watertaxi’s van en naar de Friese eilanden een ontheffing te verlenen van de snelheidsbeperking in de nacht conform de ontheffing die is verleend aan de watertaxi’s in de regio Rotterdam?
Het instrument ontheffing is in de huidige regelgeving niet beschikbaar voor het toestaan van snel varen. Het mogelijk maken van snel varen in de nacht vergt een wijziging van de regelgeving, zoals aangegeven bij vraag 6. Het is niet wenselijk, hierbij op het bij vraag 6 genoemde onderzoek vooruit te lopen.
Bent u tevens bereid de handhaving ten aanzien van de vaarsnelheid ’s nachts door de watertaxi’s van en naar de eilanden op te schorten totdat helderheid is ontstaan over de mogelijkheden om de regelgeving aan te passen en hierover een besluit is genomen?
Nee, ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van het bij vraag 6 aangekondigde onderzoek.
De islamisering van de omgangsvormen op de Hogeschool van Amsterdam |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Handenschudden hoeft niet»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de mening dat de acceptatie van vrouwendiscriminatie door het College van Bestuur van de Hogeschool van Amsterdam alle perken te buiten gaat?
Zowel de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen als de vrijheid van godsdienst zijn in onze maatschappij fundamentele waarden, die in de Grondwet en in de wetgeving zijn vastgelegd. Het College van Bestuur van de Hogeschool Amsterdam heeft in eerste instantie besloten de beslissing van een leraar om uit geloofsovertuiging vrouwen niet de hand te schudden, te eerbiedigen. Het College van Bestuur is verantwoordelijk voor de gang van zaken op de Hogeschool en is mitsdien bevoegd in deze een beslissing te nemen. De hogeschool mag daarbij noch als werkgever verboden onderscheid maken op grond van godsdienst, noch als aanbieder van onderwijs (tegenover haar studenten) verboden man/vrouw onderscheid maken. Verder is het schudden van handen een algemene omgangsvorm waarvan de naleving door de school wenselijk kan worden geacht in verband met een goede voorbereiding op de maatschappij.
Het College van Bestuur heeft gezocht naar een oplossing voor de ontstane situatie en recent geconstateerd dat een terugkeer van de docent geen reele optie is. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden. Binnenkort zal binnen de instelling de discussie gevoerd worden om te komen tot een handelwijze in aangelegenheden als deze,die recht doet aan de HvA als gemeenschap van medewerkers en studenten met een diversiteit aan opvattingen en professionele standaarden. Daarbij zullen de hierboven genoemde uitgangspunten ongetwijfeld leidend zijn.
Deelt u de mening dat de islamisering van de omgangsvormen in het onderwijs, op alle niveaus, zo snel mogelijk een halt moet worden toegeroepen? Zo nee, waarom niet?
De eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en het respecteren van ieders geloofsovertuiging zijn fundamentele waarden van de westerse samenleving. Toepassing van die waarden kan moeilijk als islamisering worden beschouwd. Dat laat onverlet dat begroeting door onderwijsgevend personeel waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen vrouwen en mannen, in onderwijsinstellingen een verkeerd voorbeeld kan bieden met betrekking tot de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen. Of dit het geval is, dient in eerste instantie beoordeeld te worden door het College van Bestuur. Verder vind ik het van groot belang dat het onderwijsgevend personeel, dat een voorbeeldfunctie vervult voor de studenten, respectievelijk leerlingen, in spreken en handelen uitdraagt dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn en in beginsel op eenzelfde respectvolle wijze behandeld moeten worden. Een docent vertegenwoordigt immers de school en de school mag als aanbieder van onderwijs geen verboden man/vrouw-onderscheid maken ten opzichte van de onderwijsdeelnemers.
Op welke termijn denkt u dit dhimmibestuur ter verantwoording te roepen en te bewerkstelligen dat deze vorm van vrouwendiscriminatie niet langer geaccepteerd wordt?
De vraag is onduidelijk gegeven de onbepaalde aanduiding van het directe object.
Het splitsen van woningen |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeenten pakken woningsplitsers aan»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat gemeenten, zoals Enschede en Arnhem het splitsen van woonhuizen of appartementen een halt toeroepen?
De Huisvestingswet geeft gemeenten de mogelijkheid een vergunningplicht in te stellen voor het juridisch en kadestraal splitsen van woningen. Niet elke gemeente maakt hier gebruik van. Wanneer gemeenten wel een vergunningplicht instellen voor het splitsen zijn zij daarbij vrij om binnen de kaders van de wet hierop een beleid te formuleren. Dit kan lokaal betekenen dat voor sommige gebieden geen splitsingsvergunning (meer) afgegeven wordt. Wanneer er wel een vergunningplicht is en de splitsingsvergunning wordt niet verkregen kan de woning niet juridisch worden gesplitst.
Kunnen gemeenten het splitsen van woningen en appartementen door onder andere particuliere eigenaren (juridisch) tegenhouden? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat woningcorporaties een monopoliepositie krijgen bij de ontwikkeling van kleine en betaalbare wooneenheden? Zo nee, waarom niet?
De markt vraagt om een gevarieerd aanbod in woningtypen en prijsklassen voor de verschillende doelgroepen. Het splitsen van woningen kan daarbij bijdragen aan het vergroten van het woningaanbod voor minder draagkrachtige doelgroepen. Naast een gevarieerd aanbod in woningtype en prijsklasse is het ook wenselijk dat zich op de woningmarkt meerdere aanbieders bevinden.
Zijn bij u ook landelijke cijfers bekend op het gebied van splitsing van woningen en appartementen? Om hoeveel woningen gaat het hier?
In 2009 waren er 1996 woningsplitsingen, in 2008 waren dit er 2670 en in 2007 2459, de cijfers over 2010 zijn nog niet bekend. Over het aantal splitsingsvergunningen zijn geen landelijke cijfers bekend. De afweging voor het wel of niet invullen van een vergunningplicht voor het splitsen vindt op lokaal niveau plaats.
Zou het splitsen van woningen en appartementen op een behoefte in de markt kunnen wijzen voor bijvoorbeeld minder daadkrachtige alleenstaanden en studenten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De schade die is veroorzaakt door vuurwerkvandalisme |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gemeenten lijden meer schade door vuurwerk»?1
Ja.
Deelt u de conclusies van het in het bericht genoemde onderzoek waaruit blijkt dat gemeenten gemiddeld ruim een derde meer schade door vuurwerkvandalisme hebben opgelopen dan in het voorgaande jaar? Zo ja, hoe verklaart u deze toename? Zo nee, waarom niet en wat zijn dan wel de juiste gegevens?
Cijfers over schade geleden door gemeenten door vuurwerkvandalisme zijn mij niet bekend. Ik kan daarom geen oordeel geven over het in het bericht in het Reformatorisch Dagblad (28 januari 2011) genoemde onderzoek. Uit een schatting van het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars blijkt dat er tijdens de afgelopen jaarwisseling voor een bedrag van circa 10 miljoen Euro schade is geleden door particulieren. Het gaat daarbij om schade aan woningen en auto’s door brand. Het jaar ervoor werd de door particulieren geleden schade tijdens de jaarwisseling vastgesteld op 12 miljoen Euro. Het Verbond van Verzekeraars ziet deze daling als een resultaat van het zero-tolerance beleid van de overheid tegen vandalen en andere raddraaiers.
Hoe verklaart u het gegeven dat in de Biblebelt relatief meer schade, zowel ten opzichte van het vorig jaar als ten opzichte van andere gemeenten, door vuurwerk wordt veroorzaakt?
In het Politieacademie-onderzoek naar het verloop van de jaarwisselingen in Nederland, uitgebracht in 2007 na de jaarwisseling 2006–2007, werd geconstateerd dat er tijdens de jaarwisseling opvallend veel problemen in kleine gemeenten en dorpskernen in de zogeheten «biblebelt» waren. Volgens de onderzoekers wortelen de ongeregeldheden bij de jaarwisseling in dat gebied meer in structurele problemen – zoals overlast, criminaliteit, regelontduiking en alcoholgebruik – dan dat het incidentele uitingen zijn (Adang & Van der Torre, 2007).
Deelt u de mening dat het onbevredigend is dat er al jarenlang geen sprake is van een substantiële vermindering van schade in de openbare ruimte rond Oud en Nieuw? Zo ja, wat gaat u doen om dit tij te keren? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de omvang van de schade in de openbare ruimte.
Ofschoon tijdens de laatste jaarwisseling sprake was van een afname van het totale aantal incidenten (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 500 VI, nr. 76 en de geschatte schade geleden door particulieren met bijna 20 procent gedaald is, kan het nog beter. Daarom ga ik onverminderd door met het aandacht vragen bij gemeenten voor dit onderwerp. Ieder jaar in september wordt een brief met aandachtspunten met betrekking tot de jaarwisseling verstuurd aan alle korpsbeheerders, korpschefs, burgemeesters, hulpdiensten en andere betrokken partijen. Daarin wordt ook aandacht geschonken aan het verhalen van schade op vandalen. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid heeft in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en gemeenten een toolkit ontwikkeld. Daarin zijn onder andere de juridische mogelijkheden voor het verhalen van schade en de bijbehorende richtlijnen en procedures te vinden. Het initiatief om dit instrument toe te passen ligt bij de gemeenten.
Kunt u aan de hand van evaluaties van eerdere ongeregeldheden rondom Oud en Nieuw een beeld schetsen van de groep vandalen die dan actief zijn? Zo ja, waarom slaagt u er niet in deze groep beter in de greep te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Uit het Rapport Commissie overlast jaarwisseling (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700 VII, nr. 47) blijkt dat het voornamelijk om mannen gaat van 18–30 jaar. Op gemeentelijk niveau bestaat een meer gedetailleerd beeld van de vandalen en dienen maatregelen te worden genomen. Zo heeft een aantal gemeenten de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast toegepast op personen die in beeld waren. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 4.
Wat is uw mening over het pleidooi van zes burgemeesters van gemeenten in de Betuwe en de Liemers om een schadetaks op vuurwerk in te stellen waardoor de koper van vuurwerk standaard een heffing moet betalen die kan dienen voor het betalen van het herstel van vuurwerkschade?2
Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft mij bericht dat de consequenties van het invoeren van een heffing op vuurwerk al in 2002 in kaart zijn gebracht door het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM; het onderzoeksrapport is op 12 november 2002 aan uw Kamer aangeboden). Een heffing op vuurwerk om schade als gevolg van vuurwerkvandalisme te bekostigen kan leiden tot een toename van de hoeveelheid illegaal vuurwerk, waarvoor geldt dat zowel geen heffing wordt betaald als de kwaliteit niet wordt gecontroleerd. Een toename van het aantal letselgevallen is te verwachten. Een dergelijke heffing kan gelijkertijd leiden tot een toename van de aanschaf van het goedkopere knalvuurwerk waarmee het merendeel van het vandalisme wordt gepleegd. Volgens het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is de situatie sinds die tijd niet zodanig gewijzigd dat het rapport zijn geldigheid heeft verloren.
Doorverwijzing naar het buitenland voor geslachtsselectie |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de uitzending Uitgesproken EO over de betrokkenheid van een Nederlander bij geslachtsselectie door gebruik te maken van een kliniek in België?1
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen 1 en 2 van Van Gerven (SP) over genderselectie (2011Z01883).
Is het waar dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) bezig is met een onderzoek naar de mogelijkheden om hiertegen op te treden? Kan de Kamer op de hoogte worden gesteld van de resultaten van het onderzoek?
De Belgische inspectie is bezig met een onderzoek. De Nederlandse IGZ heeft contact met hen opgenomen en haar medewerking – indien nodig – toegezegd.
Is het in België toegestaan om op enigerlei wijze betrokken te zijn bij geslachtsselectie, anders dan om medische redenen? Hoe is dit geregeld in andere Europese landen?
In veel landen, waaronder België, geldt een verbod op geslachtsselectie om niet-medische redenen.
In België is in de Wet betreffende het onderzoek op embryo's in vitro van 11 mei 2003 en de Wet betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en gameten van 6 juli 2007 bepaald dat het verboden is onderzoek of behandelingen uit te voeren die gericht zijn op geslachtsselectie, met uitzondering van de selectie ter voorkoming van geslachtsgebonden ziekten (artikel 5) respectievelijk dat het verboden is embryo’s of gameten te doneren dan wel pre-implantatie genetische diagnostiek te verrichten met het oog op geslachtsselectie (artikelen 23, 52 en 67).
Is het op basis van de huidige Nederlandse wetgeving toegestaan om in Nederland voorlichting te verschaffen over geslachtsselectie anders dan om medische redenen, ertoe uit te nodigen, ertoe aan te zetten of eraan mee te werken?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vraag 3 van Van Gerven (SP) over genderselectie (2011Z01883).
Is het mogelijk om strafrechtelijk of tuchtrechtelijk op te treden tegen een persoon of organisatie die over de mogelijkheden voor geslachtsselectie in het buitenland anders dan om medische redenen voorlichting verschaft, dan wel ertoe uitnodigt, ertoe aanzet, doorverwijst of op een andere manier eraan meewerkt? Maakt het hierbij uit of deze betrokkenheid bij geslachtsselectie plaats vindt in een land waar dit ook verboden is?
Voor de mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging verwijs ik naar de beantwoording van vraag 3, 5 en 6 van het Kamerlid Van Gerven (SP) over genderselectie (2011Z01883).
Bent u bereid om, voor zover er geen wettelijk verbod is om via voorlichting of op andere wijze betrokken te zijn bij geslachtsselectie in Nederland of in het buitenland, hiervoor de noodzakelijke maatregelen te treffen om dit alsnog te bewerkstelligen?
De reikwijdte van het verbod in de Embryowet vind ik passend, verbreding van het verbod naar het geven van informatie of voorlichting over mogelijkheden van geslachtskeuze elders in de wereld acht ik niet nodig. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 van Van Gerven (SP) over genderselectie (2011Z01883) zijn er mogelijkheden om zonodig in te grijpen op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of het Wetboek van Strafrecht.
Genderselectie |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over de activiteiten van zakenman Van D. die kennelijk mensen, die genderselectie willen bij het krijgen van een kind, verwijst naar een kliniek in Antwerpen en daar zelf betrokken is bij de behandeling van mensen?1
Ik vind de berichten in de media over de activiteiten van de heer Van D. zorgelijk. Embryologen en gynaecologen geven immers aan dat er vanuit de wetenschappelijke literatuur geen aanwijzigen zijn dat de methode van geslachtsselectie waaraan de heer Van D. refereert een betrouwbare methode is om het geslacht van het kind te kunnen bepalen.
Wat vindt u ervan dat mensen enkele duizenden euro’s kwijt zijn aan een wetenschappelijk niet bewezen methode voor genderselectie?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn de activiteiten in Nederland strafbaar? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo neen, kunt u dit toelichten?
In zijn algemeenheid geldt dat het op grond van artikel 26 van de Embryowet verboden is om op niet-medische gronden handelingen met geslachtscellen of embryo’s te verrichten met het oogmerk het geslacht van een toekomstig kind te kunnen bepalen. Het enkel adviseren hierover en verwijzen is niet strafbaar.
Artikel 26 verbiedt tevens het aanbieden van diensten, die bestaan uit dergelijke handelingen. Indien iemand in strijd handelt met deze verboden, is hij strafbaar op grond van artikel 28, eerste lid, van de Embryowet.
Van strafbaarheid kan ook sprake zijn als een persoon de organisatie van de op grond van de Embryowet strafbare handelingen voor zijn rekening neemt en dit deels in Nederland doet. Ten aanzien van die persoon kan gesproken worden van medeplegen van overtreding van artikel 26 Embryowet.
Verder geldt dat op grond van artikel 96, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) andere personen dan artsen die handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg uitvoeren of artsen die niet staan ingeschreven in het BIG-register of wel staan ingeschreven, maar buiten hun deskundigheid treden, strafbaar kunnen zijn. Voorwaarde daarvoor is dat door deze handelingen, waaronder begrepen het geven van raad, schade of de aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander is veroorzaakt.
Tenslotte kan iemand die, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, een ander beweegt een geldbedrag te betalen of een schuld aan te gaan voor een behandeling die tot doel heeft het geslacht van een toekomstig kind te bepalen, en die behandeling als wettelijk toegestaan aanprijst, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die behandeling buitenwettelijk is, indien de feiten daar aanleiding toe geven vervolgd kunnen worden wegens oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht.
Overigens merken wij op dat om strafrechtelijk te kunnen optreden tegen feiten gepleegd in het buitenland gelet op artikel 5, eerste lid, onder 2, WvSr sprake moet zijn van dubbele strafbaarheid. Dat betekent dat de gewraakte handeling ook in dat land strafbaar moet zijn gesteld, wil het Openbaar Ministerie in Nederland iemand kunnen vervolgen.
Zie verder het antwoord op vraag 6.
Zijn de activiteiten in België strafbaar? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Ook in België is geslachtsselectie om niet-medische redenen strafbaar. In de Wet betreffende het onderzoek op embryo's in vitro van 11 mei 2003 en de Wet betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en gameten van 6 juli 2007 is bepaald dat het verboden is onderzoek of behandelingen uit te voeren die gericht zijn op geslachtsselectie, met uitzondering van de selectie ter voorkoming van geslachtsgebonden ziekten (artikel 5) respectievelijk dat het verboden is embryo’s of gameten te doneren dan wel pre-implantatie genetische diagnostiek te verrichten met het oog op geslachtsselectie (artikelen 23, 52 en 67).
Wat gaat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) voor activiteiten ondernemen om te voorkomen dat de heer Van D. nog dergelijke activiteiten in Nederland dan wel België ontplooit? Wordt actief contact opgenomen met de Belgische toezichtsautoriteit?
De Belgische inspectie is bezig met een onderzoek. De Nederlandse Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft contact met de Belgische toezichtsautoriteit opgenomen en haar medewerking – indien nodig – toegezegd.
Is het Openbaar Ministerie bereid om opnieuw strafrechtelijk onderzoek te doen naar de activiteiten van de directeur van de genderkliniek dan wel te bevorderen dat het OM in België de zaak onderzoekt en zo mogelijk tot vervolging overgaat?2
Van het Openbaar Ministerie heb ik vernomen dat er thans geen aanwijzingen zijn dat betrokkene zelf handelingen verricht met geslachtscellen of embryo’s conform artikel 26 Embryowet.
Met betrekking tot het aanbieden van diensten die bestaan uit dergelijke handelingen (art. 26 lid 3 Embryowet, medeplegen) heeft het Openbaar Ministerie het niet opportuun geacht in Nederland vervolging in te stellen. De reden hiervoor is dat het mogelijke strafbare feit niet in Nederland lijkt te zijn gepleegd en het zwaartepunt van de mogelijke strafbare handelingen met de geslachtscellen en embryo’s in het buitenland ligt.
Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie beoordeeld of sprake kan zijn van strafbaarheid op basis van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en op basis van artikel 326 Wetboek van Strafrecht (WvSr; oplichting). Verdenking van artikel 326 WvSr is niet aan de orde gelet op het feit dat er geen aangiften bekend zijn van mensen die menen dat zij gedupeerd of opgelicht zijn door betrokkene. Voorts zijn er geen aanknopingspunten voor verdenking van overtreding van de Wet BIG.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft van de Belgische Zorginspectie vernomen dat de zaak in België in handen van de politie is gegeven, zodat er geen noodzaak is te bevorderen dat het Openbaar Ministerie in België de zaak onderzoekt.
Kunt u specifiek aangeven hoeveel de Koninklijke Marine in totaal heeft uitgegeven aan deze nieuwe dienstauto, die alleen «kaal» al een consumentenprijs van bijna 90 000 euro heeft? Zo nee, waarom niet?1
Bij de verwerving van dienstauto’s wordt zo nodig rekening gehouden met specifieke arbeidsomstandigheden en de fysieke kenmerken van de desbetreffende functionaris. In het geval van de dienstauto van de commandant zeestrijdkrachten heeft de arbodienst geadviseerd rekening te houden met de lengte van de vice-admiraal om gezondheidsklachten te voorkomen. Er is gekozen voor de Mercedes R350 CDI omdat deze auto voldoet aan de arbo-eisen. Defensie hanteert bij de verwerving van dienstauto’s de regeling «Normering Rijkspersonenauto’s» van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De aanschafkosten van de dienstauto – € 62 581,40 inclusief btw – zijn verenigbaar met deze regeling. Ik zie daarom geen aanleiding de aankoop ongedaan te maken.
Deelt u de mening dat er veel goedkopere alternatieven zijn die ook geschikt zijn voor deze lange vice-admiraal? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe het bovenstaande bericht zich verhoudt tot de bezuinigingen op Defensie? Kunt u in uw antwoord daarbij specifiek aandacht geven aan de motie-Hernandez over de reductie van o.a. een groot deel van de 37 luxe personenauto’s met chauffeur, die door de Tweede Kamer op 14 december 2010 met algemene stemmen is aangenomen?2 Zo nee, waarom niet?
Tijdens het wetgevingoverleg Personeel van 22 november 2010 (Kamerstuk 32 500 X, nr. 3 heb ik uiteengezet dat de dienstauto’s deel uitmaken van de ombuigingsoperatie bij Defensie. Ik wil niet vooruitlopen op de beleidsbrief die ik naar de Kamer zal sturen.
Kunt u deze aankoop nog terugdraaien? Zo nee, kunt u ervoor zorgen dat deze dure aankopen in de toekomst niet meer zullen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 1.
Kent u de beslissing van Eurostat om geld dat via het Europese steunfonds EFSF wordt uitgeleend bij de staatsschuld van lidstaten op te tellen, proportioneel naar het bedrag dat een land heeft uitgeleend?12
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat wat betreft de vereisten van het Stabiliteits- en Groeipact deze boekhoudmethode dus directe gevolgen heeft voor de grootte van de Nederlandse staatsschuld? Kunt u bevestigen dat wanneer de Nederlandse garantstelling maximaal wordt gebruikt wordt dit zelfs een stijging betekent van € 26 miljard ofwel 4% van de staatsschuld, terwijl tegenover het uitgeleende bedrag een vordering staat en het saldo van de staatsschuld netto gelijk blijft.
Als de Nederlandse garantstelling van circa 4 procent BBP maximaal afgegeven wordt, dan zal de EMU-schuld van Nederland met circa de helft toenemen, dus met circa 2 procent BBP. Een aantal componenten van de garantie leiden namelijk niet tot een verhoging van de schuld van de Nederlandse overheid. Deze componenten tellen op tot circa de helft van de Nederlandse garantie. Zo heeft Eurostat bepaald dat de volgende componenten niet meetellen voor de staatsschuld (1) de garantie voor de rente op obligaties van EFSF, (2) de overgaranties voor de verplichtingen van EFSF en (3) de loan specific cash buffer en cash reserve. Tegenover deze toename in schuld staat inderdaad een vordering. De netto staatsschuld stijgt dus niet, maar net als bij de nationale interventies gaat Eurostat uit van de bruto staatsschuld.
Betekent de beslissing van Eurostat dat, indien Nederland of een ander land door de beslissing boven de gestelde normen in het Stabiliteits- en Groeipact (en buitensporig-tekortprocedure) uit zal komen, het derhalve gedwongen zal worden maatregelen te nemen om de staatsschuld terug te brengen? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, betekent dit in dat geval wederom een verslapping van de naleving van de regels, zoals die zijn vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact?
De 60%-grens voor schuld in het Stabiliteits- en Groeipact heeft betrekking op de bruto schuld. Bij het verstrekken van de lening aan Griekenland is er afgesproken om in de buitensporigtekortprocedure en bij de beoordeling van de stabiliteitsprogramma’s rekening te houden met het feit dat een deel van de schuld is ontstaan door de lening aan een andere lidstaat. Lidstaten zullen dan ook niet op basis van het SGP gedwongen worden om extra maatregelen te nemen om hun schuld terug te brengen. Dit betekent niet een verslapping van de naleving van de regels van het SGP, aangezien de regels nog gewoon op basis van de bruto schuld worden toegepast, en alleen met deze vorderingen rekening wordt gehouden. Dat is natuurlijk redelijk, omdat het niet gewenst is dat landen in het strafbankje komen omdat ze maatregelen nemen die in het belang zijn voor de stabiliteit voor het eurogebied als geheel. Overigens zouden veel eurolanden ook een schuld boven de 60%-grens hebben als de lening aan Griekenland en Ierland niet zou hebben meegeteld. Zij moeten dus sowieso al maatregelen nemen.
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat landen die vrijwillig bijdragen aan het steunfonds om de stabiliteit van de euro te waarborgen en de Europese economie sterker te maken, zoals Nederland, benadeeld worden door deze nieuwe boekhoudmethode van Eurostat?
Ik ben het eens dat landen die deelnemen aan het EFSF niet om die reden benadeeld moeten worden binnen het SGP. Dat gaat ook niet gebeuren (zie vraag 3). Wel vind ik het belangrijk dat Eurostat de boekhoudmethode volgens de afgesproken en regels toepast, ook als dat betekent dat dit leidt tot een hogere bruto staatsschuld voor de landen die deelnemen aan het EFSF. Ik vind dan ook niet dat Nederland benadeeld wordt door de beslissing van Eurostat.
Zult u deze zorg met de Europese ministers van Financiën delen en er bij hen op aandringen hiervoor een oplossing te vinden?
Hierover zijn inmiddels afspraken gemaakt (zie vraag 3). Er is dan ook al een oplossing voor gevonden.
De moord op een Oegandese homoactivist |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een Oegandese homoactivist recent is vermoord?1
Ja.
Kunt u aangeven of de negen personen die op de lijst van de lokale krant Rolling Stone staan moeten vrezen voor hun leven? Als ze voor hun leven moeten vrezen, kunt u aangeven welke rol u voor de Nederlandse ambassade ziet weggelegd om deze mensen te beschermen?
In de publicaties van de Ugandese krant Rolling Stone Magazine zijn enkele tientallen namen van (vermeende) homoseksuelen genoemd. Nederland heeft naar aanleiding van de moord op mensenrechtenactivist David Kato reeds bij de Ugandese autoriteiten aangedrongen op adequate beveiliging van activisten op het gebied van de rechten van seksuele minderheden.
Nederland financiert daarnaast de organisatie East and Horn of Africa Human Rights Defenders Project (EHAHRDP). Deze organisatie gaat momenteel na wat de acute behoeften zijn van een veertigtal bedreigde homoseksuelen in Uganda, op basis waarvan maatregelen zullen worden genomen om hen te beschermen.
Deelt u de mening dat de zogenaamde Anti-homoseksualiteitswet in strijd is met de fundamentele rechten van de mens? Heeft u uw zorgen geuit richting de Oegandese autoriteiten dat de uitwerking van deze wet haatzaaiend is? Zo ja, kunt u de Kamer van die inspanningen op de hoogte stellen? Zo nee, waarom niet?
Sinds het betreffende wetsvoorstel, de zogenaamde Bahati-Bill, voor het eerst werd bekendgemaakt in oktober 2009 heeft Nederland bilateraal en in EU-verband bij herhaling en op politiek niveau ernstige zorgen geuit over de voorgestelde wetgeving. Daarbij is Uganda eveneens op zijn verplichtingen gewezen onder de door dat land geratificeerde verdragen op mensenrechtengebied.
De Bahati-Bill was een initiatief van een individueel parlementslid en is tot op heden niet in behandeling genomen door het Oegandese parlement. De Oegandese regering heeft afstand genomen van het wetsvoorstel.
Deelt u de mening dat er druk moet worden uitgeoefend op de Oegandese regering om duidelijk te maken dat het aannemen van deze wet bijdraagt aan een klimaat van onderdrukking tegen homo's? Zo ja, ziet u hier een rol weggelegd om dit zelf aan te kaarten of anders in EU verband aan te kaarten bij de Oegandese regering?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoe Nederland staat tegenover mogelijke asielaanvragen van Oegandese homoseksuelen?
Nederland behandelt asielaanvragen op individuele basis en zal eventuele aanvragen van Oegandese homoseksuelen op hun specifieke merites beoordelen.
Een moeder die met het persoonsgebonden budget (PGB) geen kant op kan zonder begeleiding voor haar zoon |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in het Algemeen Dagblad waarin een moeder stelt dat zij ondanks het PGB dat ze ontvangt voor de begeleiding van haar autistische zoon geen geschikte begeleiders kan vinden?1
Ja.
Is het waar dat de observatiekliniek deze cliënt naar huis heeft laten gaan zonder dat er een goede invulling voor de zorg voor hem thuis was gevonden? In hoeverre was de terugkeer naar huis ingegeven door bezuinigingen en een gebrek aan personeel bij de kliniek?
Uit de berichtgeving in het AD kan ik niet opmaken welke observatiekliniek hierbij betrokken is, noch de identiteit van de desbetreffende cliënt vaststellen.
Kunt u toelichten hoe vaak het voorkomt dat cliënten met een PGB naar huis worden gestuurd zonder dat er inhoud is gegeven aan de opvolgende zorg? In hoeverre hebben mensen in een dergelijke situatie werkelijk een keuze voor een PGB of zorg in natura?
Ik weet niet hoe vaak dit voorkomt. Wel bereiken mij signalen dat het groeiend beroep op de pgb-regeling door jeugdigen met psychiatrische problematiek (zoals ADHD, PDD/NOS en autisme) mogelijk samenhangt met een gebrek aan passende zorg binnen de ZVW en de AWBZ. Dit laat ik momenteel onderzoeken. Dit heb ik gemeld in mijn pgb-brief van 30 november (kenmerk: DLZ/SFI-U-3031834). Dit voorjaar zal ik u in mijn aangekondigde pgb-brief over de uitkomsten van dit onderzoek en mijn reactie hierop berichten. Mocht het inderdaad zo zijn dat passende zorg in natura voor deze cliënten ontbreekt, dan vind ik dat er geen sprake is van een volwaardige keuze tussen beide alternatieven.
Wie is in zulke gevallen verantwoordelijk voor de begeleiding bij het vinden van passende zorg? Op wie kunnen deze mensen een beroep doen?
Als een cliënt geïndiceerd is voor AWBZ-zorg, dan zijn er twee mogelijkheden: de cliënt kan aangeven of hij/zij de zorg in natura wil ontvangen of via een pgb de zorg wil realiseren. Bij keuze voor zorg in natura heeft het zorgkantoor een zorgplicht, dat wil zeggen dat het zorgkantoor actief op zoek dient te gaan naar een zorgaanbieder. Bij keuze voor een pgb is de cliënt zelf verantwoordelijk voor de inkoop van de zorg.
Deelt u de mening dat indien mensen voor passende zorg niet terecht kunnen bij zorg in natura, zij goed begeleid dienen te worden bij het vinden van een goede invulling van zorg via een PGB?
Als een cliënt kiest voor een pgb, dan is hij zelf verantwoordelijk voor het inkopen van zijn zorg. Dat is inherent aan het pgb. Ik ben er geen voorstander van om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor budgethouders te ontwikkelen. Mocht de gewenste zorg in natura aanwijsbaar in de regio niet voorhanden zijn, dan heeft het zorgkantoor de verantwoordelijkheid om afspraken in de regio te maken zodat de benodigde zorg op korte termijn beschikbaar komt. Bij cliënten die kiezen voor een pgb heeft het zorgkantoor geen zorgplicht.
Deelt u de mening dat, indien deze begeleiding ontbreekt, dit kan leiden tot ongewenste en op den duur onverantwoorde situaties voor mensen met een zorgvraag en hun omgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat mensen niet langer worden «afgescheept» met een PGB, maar op een goede manier worden begeleid, zodat zij het PGB kunnen inzetten zoals dat is bedoeld: voor goede, passende, persoonlijke zorg?
Mocht uit het onderzoek onder jeugdigen met psychiatrische problematiek blijken dat het zorg-in-natura aanbod ontoereikend is dan ga ik met de zorgkantoren en zorgverzekeraars in gesprek en zal ze daarbij wijzen op hun verantwoordelijkheden. Dit heb ik aangekondigd in mijn pgb-brief van
30 november 2010. In mijn pgb-(visie)brief van dit voorjaar ga ik in op de uitkomsten van dit onderzoek.
De zorg bij de Osira-groep |
|
Renske Leijten |
|
Wat is uw inhoudelijke reactie op het rapport over Osira?1
Ik heb het rapport gelezen. Zoals ik in het Algemeen Overleg over Monteverdi en Houtwijk op woensdag 26 januari jl. heb gezegd, vind ik een aantal punten heel belangrijk en wil ik mij inzetten om deze punten goed voor het voetlicht te krijgen. Ik vind de mening van de cliënten en het personeel van groot belang, zij moeten gehoord worden in een organisatie. De afstand tussen management/ bestuur en de werkvloer moet kleiner worden. De cliëntenraad en ondernemingsraad moet voldoende geïnformeerd en gehoord worden, helemaal als er sprake is van veranderingen in een organisatie. Ik wil graag dat er meer gebruik wordt gemaakt om kennis van buiten, naar binnen te halen. Zoals het gebruik maken van best practices. Met deze punten geef ik aan, waar ik me de komende tijd voor wil inzetten. Dit geldt niet alleen voor Monteverdi, Houtwijk en de OsiraGroep, maar voor alle zorgorganisaties.
Er lopen er een aantal programma’s waar zorgorganisaties aan mee kunnen doen, waarmee de organisatie zich kan verbeteren zoals In voor Zorg en Zorg voor Beter. Het deelnemen aan deze verbeterprogramma’s wil ik stimuleren. Het kabinet heeft € 860 miljoen beschikbaar gesteld om de kwaliteit in de langdurige zorg te verbeteren. Een deel van dit geld zal zeker besteed gaan worden aan opleiding en bijscholing van verzorgenden en verpleegkundigen.
Wanneer zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) reageren op het rapport?2
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is 4 februari gestart met hun onderzoek bij de OsiraGroep. Zij zullen een aantal zorginstellingen van de OsiraGroep gaan bezoeken. Ik wacht hun rapporten af. De IGZ zal in deze rapporten hun bevindingen aangeven.
Bent u van mening dat de IGZ voorlopig zou moeten overgaan tot verscherpt toezicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om de overheadkosten van Osira te maximeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om het personeel van Osira de zeggenschap en middelen te geven om per locatie een oplossing voor de problemen te bedenken en deze door te voeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de conclusie dat Osira te groot is geworden om nog verantwoorde zorg te kunnen bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat Osira voorlopig niet zou moeten fuseren met andere zorginstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de constatering dat de afstand tussen het bestuur van Osira en de werkvloer te groot is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat verdienen de bestuurders van Osira? Wat is uw mening over deze beloning?
De inkomens van de bestuurders zijn openbaar en opgenomen in het jaarverslag van de OsiraGroep. Als staatssecretaris heb ik geen formele bevoegdheid om me met de bestuursinkomens te bemoeien.
Wat is uw kwalificatie over de «stopwatchzorg» en het beleid van «zorgroutes» bij Osira? Bent u van mening dat bijvoorbeeld een toiletbezoek maximaal twee minuten en 15 seconden aan tijd mag kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik denk dat een zorgroute goed in kaart kan brengen waar knelpunten in de zorg liggen of kunnen optreden. Het moet een hulpmiddel zijn en geen manier van werken. De zorgmanager kan het gebruiken bij de inzet van het personeel en de verdeling van het werk. Echter de verzorgende moet niet met een minutenbriefje in de hand de zorg verlenen. De zorg moet verleend worden conform de zorgafspraken die in overleg met de cliënt, in het zorgplan zijn opgenomen.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat werken in de zorg aantrekkelijker kan worden gemaakt door te vermijden dat het werk het karakter van productiewerk krijgt? Zo ja, zou een verbod op minutenregistratie niet een van de voor de hand liggende eerste maatregelen moeten zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u het vervangen van vaste krachten door flexwerkers een uit zorgoogpunt verantwoorde ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u aan deze ontwikkeling doen?
Ik ben me ervan bewust dat er gebruik wordt gemaakt van flexwerkers. Helaas is de arbeidsmarkt niet zo gunstig dat er genoeg en veel zorgverlenend personeel voor handen is. Ik wil daarbij sterk benadrukken dat het steeds terugkerend negatieve beeld dat wordt geschetst over de ouderenzorg, niet bijdraagt aan het vinden van goed personeel of het opleiden van nieuw personeel.
Deelt u de mening dat de zorg meer behelst dan een optelsom van omschreven «prestaties» met daarop toegespitste financiering? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de brief van de OsiraGroep naar aanleiding van het rapport?3
Ik denk dat dit iets is tussen de OsiraGroep en uw partij.
Welk bedrag geeft Osira jaarlijks uit aan persvoorlichters en reclame-uitingen? Vindt u dit een verstandige besteding van zorggeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik weet niet hoeveel geld Osira jaarlijks uitgeeft aan persvoorlichters. Dit is een interne beleidsaangelegenheid, nogmaals als staatssecretaris ben ik hier niet verantwoordelijk voor en is het ook niet aan mij om me hier mee te bemoeien.
Is uw oordeel dat de interne klachtenregeling van Osira naar behoren functioneert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het feit dat verpleeghuisarts R.L., die zich geroepen voelde te spreken over misstanden binnen Osira, wordt gedreigd met een dwangsom? Vindt u dit terecht en vindt u dit een vertrouwenwekkende handelwijze van Osira-bestuurders?4
Ik heb geen bemoeienis met de bedrijfsinhoudelijke aspecten van welke zorgorganisatie dan ook, dus ook niet van de OsiraGroep. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over deze situatie.
Zijn zorgbestuurders die advocaten op critici afsturen bevorderlijk voor uw «pluisgevoel»? Wilt u uw antwoord toelichten?5
Deze vraag heeft volgens mij betrekking op een andere zorgorganisatie. Over de gang van zaken binnen deze organisatie heb ik mijn mening duidelijk weergegeven in het AO van woensdag 26 januari jl.
Hoe gaat u de onverantwoorde werkdruk bij Osira en elders in de zorg aanpakken, om te voorkomen dat, in uw woorden, «het kaarsje uitgaat» bij het personeel?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid werk te maken van een klokkenluidersregeling voor zorgpersoneel, zodat personeel veilig misstanden kan melden zonder angst voor intimidatie of sancties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat medewerkers die klachten hebben dit altijd eerst moeten melden binnen de eigen organisatie, volgens de procedure zoals dat gebruikelijk is binnen de zorginstelling. Medewerkers kunnen ook gebruik maken van een vertrouwenspersoon. De zorgorganisatie heeft zelf een verantwoordelijkheid om goed om te gaan met het personeel en een klachtencommissie beschikbaar te stellen.
Wat is uw reactie op het verweer van het Osira-bestuur dat de problemen voor een belangrijk deel veroorzaakt worden door de zorgzwaartepakketten (zzp’s)? Zo nee, welke bewijzen kunt u aanvoeren voor het tegendeel? Zo ja, bent u voornemens een einde te maken aan de zzp-financiering en het productdenken uit te bannen uit de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het hier niet mee eens. Als blijkt dat de indicatie van de cliënt niet meer voldoende ruimte biedt om goede zorg te verlenen, dan zal de zorginstelling een herindicatie moeten aanvragen bij het CIZ. Bij een verhoging van het ZZP, kunnen er nieuwe zorgafspraken worden gemaakt.
De ZZP’s zijn dusdanig ontwikkeld dat iedere cliënt hiermee voldoende zorg kan ontvangen. De ZZP’s schrijft geen minuten voor en geeft niet aan hoe de bedrijfsvoering wordt ingericht. Dit is de eigen verantwoordelijkheid van de zorginstelling.
Bent u van mening dat er in toenemende mate een managerscultuur heerst in de zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u voorkomen dat de menselijkheid en arbeidsvreugde in de zorg worden opgeofferd aan bedrijfseconomisch denken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al eerder heb geantwoord, wil ik zorgen dat de afstand tussen de werkvloer en het management verminderd wordt. In sommige organisaties is deze afstand te groot, waardoor het moeilijk is een organisatie aan te sturen en te weten welke knelpunten en wensen er in de zorg liggen. Door het verkleinen van deze afstand verwacht ik dat er een betere afstemming ontstaat, met als uiteindelijk resultaat kwalitatief goede zorg en tevreden medewerkers en cliënten.
Kunt u garanderen dat de bewoners van Osira en andere zorginstellingen goede, menswaardige zorg krijgen vóór het einde van uw regeertermijn? Indien u dit niet kunt garanderen, hoe verhoudt dit zich tot uw grondwettelijke zorgplicht? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik weet dat de meeste bewoners en cliënten al goede en menswaardige zorg ontvangen. Dit blijkt wel uit de jaarlijkse kwaliteitsmeting die zorgorganisaties verplicht zijn uit te voeren. Maar het blijkt ook andere onderzoeken, die onder andere ActiZ en het SCP hebben uitgevoerd, waarbij de cliënttevredenheid is onderzocht.
Welk collegiaal advies wilt u, vanuit uw kennis en ervaring van de zorg, meegeven aan de vertrekkende bestuurder van Haagse Wijk- en WoonZorg (HWW Zorg) die in het kader van een nieuwe carrièremove bij Osira aan de slag gaat?6
Ik reageer nu vanuit mijn functie als staatssecretaris en wil geen verwarring schetsen hieromtrent.
Pleegkinderen zonder nationaliteit |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van twee pleegouders die langdurige voogdij hebben over een in Nederland geboren jongen die tot zijn 18e geen vooruitzicht heeft op of een Nederlands paspoort of een Marokkaans paspoort, omdat zijn Marokkaanse moeder is overleden en zijn vader onbekend is?
Ja.
Bent u bekend met vergelijkbare situaties? Zo nee, kunt u onderzoeken of meer kinderen tot hun achttiende geen vooruitzicht hebben op een Nederlands of een ander paspoort?
Er is een zeer klein aantal gevallen bekend van minderjarige vreemdelingen die pleegkind zijn, waarbij de Nederlandse pleegouders de Nederlandse nationaliteit verlangen voor het pleegkind voor het bereiken van de meerderjarigheid, al dan niet omdat een andere nationaliteit voor het pleegkind moeilijk te verkrijgen is. Soms gaat het daarbij om pleegouders die zelf ook vreemdeling zijn en voor zichzelf en hun eventuele kinderen naturalisatie vragen.
Deelt u de mening dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, waar Nederland zich aan committeert en waarin is opgenomen dat een kind recht heeft op een naam en nationaliteit (artikel 7), moet worden nageleefd? Zo ja, wat betekent dat voor deze jongen en voor kinderen in mogelijk vergelijkbare situaties?
Nederland is partij bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en leeft dat na. Artikel 7 van het IVKR bepaalt dat kinderen het recht hebben om een nationaliteit te verwerven. Ingevolge het tweede lid van artikel 7 IVRK dient de verwezenlijking van dit recht gewaarborgd te worden in overeenstemming met het nationale recht en internationale verplichtingen, waarbij een bijzondere positie is weggelegd voor het kind dat anders staatloos zou zijn. In de in de brief geschetste casus is overigens geen sprake van de iure staatloosheid, omdat kan worden aangenomen dat het kind naar geldend Marokkaans recht de Marokkaanse nationaliteit heeft.
De verwerving van het Nederlanderschap is zowel voor kinderen als voor volwassenen uitgewerkt in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het recht om een nationaliteit te verwerven voor kinderen is hiermee voldoende gewaarborgd.
Bent u bereid in overweging te nemen of het mogelijk is dat deze jongen en kinderen in vergelijkbare situaties de Nederlandse nationaliteit kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voogdij is de uitoefening van gezag over een minderjarig kind door een ander dan de ouders (artikel 1:245 BW). Dit kan zowel door een rechtspersoon geschieden als door een natuurlijk persoon. Voogdij kan worden uitgeoefend als de ouders van het kind zijn overleden, of als de ouders (tijdelijk) niet in staat zijn om het gezag uit te oefenen. Er ontstaat geen afstammingsrelatie tussen de voogd en het kind. Het Nederlanderschap kan bij voogdij dan ook niet door afstamming worden verkregen. Als in casu door adoptie van het pleegkind een afstammingsrelatie kan worden gevestigd, dan kan het Nederlanderschap mogelijk door afstamming verkregen worden.
De rechtspositie van minderjarige vreemdelingen die door pleegouders worden verzorgd ten aanzien van de nationaliteitsverkrijging verschilt in beginsel niet van minderjarige vreemdelingen die door hun eigen ouders worden verzorgd. Hoofdregel van de Rijkswet op het Nederlanderschap is dat voor een zelfstandig verzoek tot naturalisatie of optieverlening meerderjarigheid in beginsel is vereist. Voor enkele categorieën minderjarigen is het mogelijk om, onder voorwaarden, gedurende de minderjarigheid te opteren voor het Nederlanderschap. Voor pleegkinderen kan dit relevant zijn als sprake is van staatloosheid (artikel 6, eerste lid onder b).
In uitzonderlijke situaties kan een beroep worden gedaan op artikel 10 RWN. Voor inwilliging van een verzoek op grond van artikel 10 RWN dient de Raad van State van het Koninkrijk om advies gevraagd te worden. Op grond van het staande beleid kan met toepassing van dit artikel een pleegkind onder de volgende omstandigheden de Nederlandse nationaliteit verkrijgen:
Ook als niet is voldaan aan bovenstaande voorwaarden maar wel sprake is van zwaarwegende humanitaire omstandigheden, kunnen pleegkinderen het Nederlanderschap verkrijgen.
Naturalisatie van pleegkinderen op grond van artikel 10 RWN heeft zich in de loop der jaren enkele keren voorgedaan. Er is, behoudens de bovengenoemde uitzonderlijke gevallen, geen rechtvaardiging om onderscheid te maken in de verkrijging van de nationaliteit tussen verschillende minderjarige vreemdelingen op grond van hun verzorgingssituatie.
Verlening van een vreemde nationaliteit is afhankelijk van de wetgeving van het betreffende land, in dit geval Marokko. Het is aan degene die de voogdij over de minderjarige heeft om er zorg voor te dragen dat ook daadwerkelijk een geldig nationaal paspoort wordt verkregen. Over de casus zoals deze in de brief is geschetst kan zonder een aanvraag en onderzoek van de relevante omstandigheden geen uitsluitsel worden gegeven.
De doorgifte van de programmering van BVN (Beste Vlaanderen en Nederland) in Zuid-Afrika |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat BVN1 de uitzendingen via MultiChoice wilde beëindigen omdat MultiChoice niet had deelgenomen aan de aanbesteding?2
BVN heeft een aanbesteding gedaan voor free-to-air (gratis) ontvangst voor Midden- en West- Afrika. De winnaar van die aanbesteding bedient dat gebied, waarbij gelijktijdig dekking van het signaal voor zuidelijk Afrika ontstaat. MultiChoice heeft bereik in beide gebieden, was op de hoogte, maar heeft niet ingeschreven op de aanbesteding. Bij voortzetting van het contract met MultiChoice ontstaat dubbele dekking en dubbele kosten. Daarom heeft BVN er voor gekozen het bestaande contract met MultiChoice niet te verlengen.
Betreft de distributie van het signaal van BVN in zuidelijk Afrika werkelijk een opdracht die onder de aanbestedingsplicht valt? Zo ja, waarom?
Ja. BVN is een aanbestedende dienst in de zin van de Richtlijn 2004/18/EG en het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) waarmee deze Richtlijn in Nederland is geïmplementeerd. De onderhavige opdracht tot satelliet-distributie is aan te merken als een overheidsopdracht voor diensten op grond van het Bao. Aanbestedende diensten dienen overheidsopdrachten voor diensten aan te besteden wanneer bij de raming van de contractwaarde van de opdracht de vigerende aanbestedingsdrempel wordt overschreden, wat hier het geval is.
Kan de distributie van dit signaal niet gewoon gegund worden aan partijen met een aantoonbaar groot bereik onder Nederlanders in de betreffende landen? Klopt het dat andere EU-landen de distributie van hun omroepsignaal in het buitenland wel gewoon gunnen en niet aanbesteden?
De keuze voor doorgifte van signaal in een gebied vindt plaats op basis van het bereik onder Nederlandssprekenden. Zoals aangegeven bij vraag 2 is BVN gehouden dergelijke opdrachten aan te besteden. Deze verplichting geldt ook voor andere EU-lidstaten en die passen de Europese aanbestedingsregels ook toe.
Kunt u uitleggen waarom het mogelijk is dat de doorgifte wel verlengd kon worden tot mei, maar dat er geen garantie gegeven kan worden voor doorgifte daarna? Waarom werd de verlenging van de doorgifte pas zo laat (21 januari) bekend gemaakt, waardoor wellicht mensen nu al een nieuwe satelliet hebben aangeschaft omdat ze dachten het signaal anders per 1 februari niet meer te kunnen ontvangen?
Het late tijdstip van de verlenging hangt samen met een onverwacht aantal negatieve reacties van kijkers. Zij bleken niet snel te kunnen of willen wijzigen van het huidige betaalpakket naar een nieuwe situatie met free-to-air ontvangst, lage eenmalige kosten ten spijt. BVN heeft binnen het bestaande contract gekozen voor een verlenging van doorgifte van het signaal tot 1 mei 2011. Met deze verlenging wordt de kijkers tijd gegund om hun ontvangstapparatuur aan te passen en wordt beoogd de introductie soepeler te laten verlopen.
Bent u het met mij eens dat het zeer onwenselijk is dat Nederlanders in zuidelijk Afrika gedwongen worden een nieuwe satellietschotel aan te schaffen waarmee ze de Astra 4A-satelliet kunnen ontvangen, terwijl ze via het bestaande Multichoice-abonnement waarmee nu BVN kan worden ontvangen, ook alle andere relevante zenders kunnen ontvangen?
De kosten voor de eenmalige aanschaf of aanpassing van de schotel en toebehoren, van ca. € 150 wegen op tegen de jaarlijks terugkerende abonnementskosten van het pluspakket van MultiChoice. Na enige tijd is deze investering terugverdiend en is dit een goedkoper alternatief voor de doelgroep.
Kunt u toezeggen zich tot het uiterste te zullen inspannen om te zorgen dat Nederlanders in zuidelijk Afrika gewoon via MultiChoice BVN kunnen blijven kijken?
Gezien bovenstaande informatie kan ik dit niet toezeggen.
Het bericht dat geprivatiseerde gevangenissen niet goedkoper zijn |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het krantenartikel «Geprivatiseerde gevangenis is niet goedkoper»?1
Ja.
Deelt u de stelling van de auteurs dat de besparingen door privatisering zullen tegenvallen? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
De auteurs van het krantenartikel zijn van mening dat een geprivatiseerde gevangenis niet goedkoper is dan een publieke gevangenis. Zij baseren zich daarbij onder meer op de analyse van Hart, Shleifer en Vishny, waarin erop wordt gewezen dat het juist in een sector als het gevangeniswezen erg lastig is om in contracten vast te leggen aan welke kwaliteitseisen moet worden voldaan. Ook de monitorkosten om de naleving van de contracteisen te controleren zouden hoog zijn. De auteurs raken met hun opmerkingen over het opstellen van contractuele eisen en het monitoren van de naleving van deze eisen aan een belangrijk punt. Aan het WODC is gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de voor- en nadelen van privatisering van voor het gevangeniswezen relevante taken. Het WODC zal de wijze waarop in andere landen wordt omgegaan met het opstellen van contracteisen en het monitoren van de naleving meenemen in zijn onderzoek. Het WODC zal op basis van dit onderzoek ook inzicht verschaffen in de financiële kosten en baten van privatisering van het gevangeniswezen in andere landen, voor zover de bestaande evaluatieonderzoeken daarover gegevens bevatten.
Bent u van plan om de lonen van het gevangenispersoneel te verlagen, omdat uit ervaringen in het buitenland is gebleken dat het een manier is om besparingen te realiseren?
Medewerkers van DJI vallen net als alle ambtenaren onder de CAO-Rijk en het ARAR. Daarmee worden medewerkers Beveiliging beloond conform de CAO-Rijk en zijn de functies gewaardeerd conform de rijksbrede functiewaarderingssystematiek. Onderhandelingen over de CAO worden gevoerd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Is het waar dat de kosten van privatisering hoog zijn, omdat ambtenaren zullen moeten vastleggen, controleren en rapporteren of de beveiligingsbedrijven hun verplichtingen nakomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u de analyse van de Amerikaanse (en bepaald niet linkse) academici Hart, Shleifer en Vishny dat juist het gevangeniswezen een sector is waarbij de contractuele problemen van privatisering het grootst zijn en de winst het kleinst? Zo ja, waarom houdt u dan nog steeds de mogelijkheid open om het Nederlandse gevangeniswezen te privatiseren? Zo nee, waarom niet en kunt u dan een cijfermatig overzicht verschaffen van de financiële voordelen van privatisering van het gevangeniswezen in andere landen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat het privatiseren van gevangenissen leidt tot lagere lonen en slechtere arbeidsomstandigheden voor gevangenispersoneel en tot onveiliger gevangenissen? Zo ja, vindt u dit ook onwenselijk? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 2, 4 en 5 heb aangegeven, zal het WODC in zijn literatuuronderzoek inzicht verschaffen in de financiële kosten en baten van privatisering van het gevangeniswezen in andere landen, voor zover de bestaande evaluatieonderzoeken daarover gegevens bevatten. De loonkosten vormen een belangrijk onderdeel van de kosten en zullen dan ook door het WODC in beeld worden gebracht. Op de uitkomsten van dit onderzoek wil ik niet vooruitlopen.
Is het waar dat besparing door gevangenissen goedkoper in te richten in Nederland niet te realiseren is omdat er gezien de overcapaciteit in cellen geen nieuwe gevangenissen gebouwd zullen gaan worden? Zo nee, hoe denkt u dan concreet dat er wel bezuinigd kan gaan worden op de inrichtingskosten van gevangenissen?
Op dit moment is er geen sprake van overcapaciteit bij het gevangeniswezen. In het Verenigd Koninkrijk, waarnaar in het Regeerakkoord met name wordt verwezen, is alleen ervaring opgedaan met de privatisering van nieuw te bouwen gevangenissen. Het is juist dat bij nieuw te bouwen gevangenissen de mogelijkheden om te privatiseren gunstiger zijn, omdat dan al bij het ontwerp van het gebouw optimaal rekening kan worden gehouden met de uit te voeren detentietaak. Op voorhand sluit ik overigens niet uit dat er ook mogelijkheden zijn om (deel)taken te privatiseren dan wel uit te besteden bij bestaande gevangenissen. Het WODC zal onderzoeken welke vormen van privatisering in de praktijk nog meer worden toegepast.
Het feit dat SP'ers niet mogen inspreken in de raad van de gemeente Oude IJsselstreek |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft de gemeente Oude IJsselstreek naar uw opvatting juist gehandeld toen zij het reglement van orde van de gemeente op zodanige wijze aanpaste, dat mensen die verbonden zijn aan een politieke partij geen gebruik meer kunnen maken van het inspreekrecht in de gemeenteraad?1
De mogelijkheid om in te spreken tijdens raads- en commissievergaderingen is een vorm van inspraak als bedoeld in artikel 150 Gemeentewet, waarover de raad bij verordening regels heeft te stellen. Over de wijze waarop dit verder vorm wordt gegeven, stelt de wet geen nadere regels. Het staat de raad dus vrij hier zelf in te voorzien. Het is in het eigen belang van de raad om hier een evenwichtige afweging te maken. Overigens hebben betrokkenen als burger wel de mogelijkheid om in te spreken; de uitzondering die de raad in het reglement van orde heeft gemaakt, geldt alleen indien men wil inspreken als vertegenwoordiger van een politieke partij.
Is deze uitsluiting van deze groep burgers van het inspreekrecht juridisch juist?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het politiek ongewenst is dat bepaalde mensen op deze gronden worden uitgesloten van het inspreekrecht?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er andere gemeenten die soortgelijke maatregelen hebben genomen om bepaalde mensen uit te sluiten van het inspreekrecht?
Op dit moment zijn bij mijn departement soortgelijke regelingen niet bekend.
Bent u bereid dit besluit van de gemeente Oude IJsselstreek ter vernietiging voor te dragen aan de Kroon?
Van strijd met het recht of het algemeen belang is mij niets gebleken, zodat een voordracht tot vernietiging niet aan de orde is.
Concurrentie op de parkeermarkt |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Conflict over parkeermarkt»?1
Ja.
Voldoet het in het artikel omschreven model, waarbij gemeenten een coöperatie oprichten om parkeerbeheer uit te voeren, aan de mededingingseisen? Bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) hierover om advies te vragen?
Het is niet aan mij om in individuele gevallen over de toepasselijkheid van en de verenigbaarheid met het mededingingsrecht een uitspraak te doen. Die beoordeling is in eerste instantie aan de partijen zelf aan de hand van de geldende wetgeving, de beleidsregels die op de NMa van toepassing zijn en de uitvoeringsregels van de NMa en de Europese Commissie. De NMa, die op de hoogte is van de berichtgeving, is de bevoegde instantie om tegen overtredingen van de mededingingsregels op te treden. Hiertoe heeft zij een zelfstandige onderzoeks- en handhavingsbevoegdheid. Bij de keuze ten aanzien van mededingingsonderzoeken baseert zij zich op verschillende signalen, waaronder formele klachten van gedupeerde marktpartijen. Vooralsnog zijn er geen formele klachten over deze kwestie bij de NMa binnengekomen. De NMa is op de hoogte van de berichtgeving en blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen. Als zij daartoe aanleiding ziet, kan zij een mededingingsrechtelijk onderzoek starten.
In hoeverre is het gunnen door gemeenten van het parkeerbeheer aan een coöperatie waarvan zij zelf lid zijn strijdig met marktwerking? Krijgen andere marktspelers volgens u een eerlijke kans?
Er kan niet in algemene zin worden gesteld dat dit in strijd is met wet- en regelgeving die een goede marktwerking beoogt, te weten de mededingingsregels, de aanbestedingsregels en de staatssteunregels. Voor de verenigbaarheid met de mededingingsregels verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Uit het krantenartikel blijkt dat de parkeerbedrijven zich verzetten tegen het feit dat bij het op afstand plaatsen van het parkeerbeheer door de betrokken gemeenten geen aanbestedingsprocedure is georganiseerd. Volgens de aanbestedingsregels is het onder voorwaarden mogelijk dat gemeenten ervoor kiezen bepaalde taken van algemeen belang uit te voeren met eigen middelen zonder dat zij via een aanbestedingsprocedure een beroep doen op marktpartijen («inbesteden»). In dat verband kan het voor gemeenten mogelijk zijn het parkeerbeheer over te dragen aan een gezamenlijke coöperatie. De vraag of sprake is van overtreding van de aanbestedingsregels kan alleen door de burgerlijke rechter worden bepaald. Het krantenartikel meldt ook dat de parkeerbedrijven een kort geding tegen de betreffende gemeente overwegen.
Voorts mag een gemeente de concurrentie niet verstoren door haar eigen coöperatie in een gunstigere positie te brengen dan marktondernemingen, door middel van een steunmaatregel die in strijd komt met de staatssteunregels. Bij een vermoeden van overtreding van de staatssteunregels kan een klacht worden ingediend bij de Europese Commissie.
In hoeverre hebben gemeenten die parkeerbeheer laten uitvoeren door henzelf opgerichte coöperaties invloed op het door de coöperatie gevoerde beleid, in het bijzonder het prijsbeleid? Beschikt u over gegevens waaruit blijkt dat parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren?
De zeggenschap van de gemeenten in coöperaties hangt af van de wijze waarop dit in de statuten van de coöperatie is geregeld. Dit kan van geval tot geval verschillen. Over gegevens waaruit blijkt de parkeertarieven toe- dan wel afgenomen zijn ten opzichte van gemeenten die parkeerbeheer niet door een coöperatie laten uitvoeren, beschik ik niet.
Wat is uw opvatting over de in het artikel gesignaleerde tendens dat gemeenten steeds meer diensten uitbesteden? Bent u het met ons eens dat bepaalde kerntaken, zoals het innen van belastingen, niet op afstand zou moeten worden geplaatst omdat gemeenten hier direct op aanspreekbaar moeten zijn en blijven? Zo ja, kunt u deze taken omschrijven?
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om taken op afstand te plaatsen. Veel gemeenten besteden bijvoorbeeld om efficiencyredenen het heffen en invorderen van belastingen uit aan een samenwerkingsverband. Daar is niets op tegen, zolang de wijze waarop dat gebeurt in lijn is met de daarvoor geldende regelgeving, zoals de hierboven bedoelde regelgeving op het gebied van aanbesteding, mededinging en staatssteun. Het al dan niet op afstand plaatsen van taken valt onder de autonome bevoegdheid van de gemeenten. Ook als een gemeente taken op afstand plaatst, blijft deze direct aanspreekbaar. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de taakuitvoering. Daarom acht ik beleid vanuit de Rijksoverheid op dit punt dan ook niet nodig en niet wenselijk.
De loonsverlaging van 650 thuiszorgmedewerkers van Viva zorggroep |
|
Renske Leijten |
|
Wat vindt u ervan 650 thuiszorgmedewerkers van Viva zorggroep loonsverlaging krijgen, omdat het anders «over en uit» is?1
Het gaat hier om ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Gemeenten zijn daarbij de primair verantwoordelijke overheid.
Het is primair aan ViVa! zorggroep, vakbonden en gemeenten om ieder hun verantwoordelijkheid te nemen en om hier goede afspraken over te maken.
Vindt u het terecht dat de medewerkers de rekening gepresenteerd krijgen omdat de gemeenten in Kennemerland te lage prijzen betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien een instelling, om wat voor redenen dan ook, continuïteitsproblemen kent, kan dit consequenties hebben voor het betrokken personeel. In dit geval heeft ViVa! Zorggroep zelf een tarief geoffreerd en is er geen tarief door de gemeenten «neergezet». De gecontracteerde tarieven lijken daarbij niet uit de pas te lopen bij de gemiddelde tarieven elders in het land.
Wat betalen de gemeenten (Velsen, IJmond, Haarlem en anderen) voor de thuiszorg? Wat is uw oordeel over hun prijs?
Zie antwoord vraag 2.
Is het juridisch juist dat alle medewerkers, ongeacht hun werkgebied en ongeacht de prijzen die gemeenten betalen, loon inleveren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat gemeenten in hun bestek een juiste Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG)-inschaling moeten opnemen wanneer zij besluiten openbaar aan te besteden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, werkgevers en werknemers hebben gezamenlijk afspraken gemaakt over de wijze waarop werkzaamheden en beloning gekoppeld zijn. De medewerkers van ViVa! Zorggroep vallen onder de CAO voor Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Deze medewerkers dienen dus, zelfs zonder dat gemeenten dit in hun bestek opnemen, conform deze CAO beloond te worden.
Bent u het eens met de interpretatie van de gemeente Haarlem dat de aanbestedingsregels verhinderen dat een te lage prijs in een contract wordt omgezet in een redelijke (kostendekkende) prijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een gemeente moet vooraf sturen op de beleidsdoelen die ze wil bereiken. Aanbesteden is een instrument om deze doelen te realiseren. De aanbestedingsregels zorgen er voor dat aanbestedende diensten op transparante wijze inkopen en bepaalde marktpartijen niet worden bevoordeeld. Dit betekent ook dat gemaakte afspraken tijdens de contractperiode niet zomaar kunnen worden gewijzigd. Een wezenlijke wijziging van de afspraken, bijvoorbeeld een forse verhoging van het tarief, zou kunnen leiden tot een dergelijke bevoordeling en voor andere marktpartijen (zoals andere geïnteresseerde marktpartijen) een reden kunnen zijn een juridisch procedure te starten wegens inbreuk op het aanbestedingsrecht.
Bent u zich er van bewust dat de boete van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) zorggeld onttrekt aan de zorg? Bent u bereid de NMa te verzoeken de boetes niet te innen?
Over de boetes en het boetebeleid van de NZa heeft de minister van VWS begin november schriftelijke vragen van u beantwoord (TK 2010–2011, Aanhangsel 599). Ik verwijs u daar naar, in het bijzonder naar het antwoord op uw vraag 11.
Bent u van mening dat het werken in de zorg op deze manier aantrekkelijk wordt gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, arbeidsonrust is nooit bevorderlijk voor een goed klimaat op de arbeidsmarkt van een sector. Ik heb er echter vertrouwen in – gezien hetgeen dat in gang gezet is – dat betrokken partijen deze kwestie zo spoedig mogelijk op een voor iedereen zo acceptabel mogelijke wijze zullen oplossen.