Uitgestelde behandelingen door hoge tandartskosten |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht «Tandartsen te duur» over hoge tandartskosten en magere verzekeringen waardoor mensen steeds vaker de behandelingen voor kronen, bruggen en implantaten laten schieten?1
Ik vind dat de burger zelf primair verantwoordelijk is om zorg te dragen voor een gezond gebit en zelf afwegingen dient te maken over de bekostiging van tandheelkundige zorg. Hiervoor kan hij of zij zich ook aanvullend verzekeren. Uit gegevens van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) blijkt dat ruim 80% van de Nederlandse burgers gebruik maakt van een aanvullende verzekering.
Herkent u de signalen van zorgverzekeraars en de Vereniging van laboratoriumhoudende Tandtechnici (VLHT) dat behandelingen al gauw duizenden euro’s kosten en dat mensen daarom noodzakelijke behandelingen uitstellen? Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is?
Bij de behandelkosten voor kronen, bruggen en implantaten dient onderscheid te worden gemaakt in de behandelkosten als zodanig en de techniek- en materiaalkosten voor het maken van kronen, bruggen en implantaten. De eerste kosten vallen onder het regime van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de laatste vallen daar niet onder en zijn dus vrij onderhandelbaar. Behoudens het uitzonderlijke geval dat de tandarts zelf de kronen, bruggen en implantaten maakt. In de regel valt de hoogte van de tarieven voor techniek- en materiaalkosten dus niet onder mijn ministeriële bevoegdheid.
Is het waar dat mensen tandheelkundige behandelingen uitstellen vanwege hoge tarieven? Zo ja, voor welke groepen geldt dit?
Het is mij niet bekend in hoeverre mensen tandheelkundige behandelingen vanwege hoge tarieven uitstellen.
Wat zijn de gevolgen van het uitstellen van tandheelkundige behandelingen?
Het uitstellen van noodzakelijke tandheelkundige behandeling kan uiteindelijk in principe leiden tot pijnklachten of functieverlies van het mond-kauwstelsel.
Welke wetenschappelijke onderzoeken zijn bekend over de gevolgen van uitstel van deze behandelingen?
Het uitstellen van een noodzakelijke behandeling draagt niet bij tot een gezond gebit. Dit blijkt uit een veelheid aan literatuur die op het gebied van het ontstaan en behandelen van cariës wereldwijd beschikbaar is.
Wat is het belang van tijdige tandheelkundige behandeling en preventie van gebitsklachten en welke rol heeft de overheid hierin?
Voor de overheid zie ik in deze een taak weggelegd waar het gaat om pakketbeslissingen. Zo heb ik, ondanks de bezuinigingsdruk, ervoor gekozen om het uitgebreide jeugdpakket voor de mondzorg te behouden. Daarmee heeft elk kind en jeugdige tot achttien jaar kosteloos toegang tot een integraal pakket van preventieve en curatieve mondzorg en wordt een goede start voor een levenslang gezond gebit gewaarborgd.
Hebt u inzicht in de prijsverschillen tussen tandartspraktijken, die ontstaan door de kosten van de gebruikte implantaatmaterialen?
Nee, dat inzicht heb ik niet.
Wie bepaalt de tarieven voor bruggen, kronen, implantaten als deze niet door de zorgaanbieder zelf zijn vervaardigd? Gelden hiervoor dezelfde maximumtarieven als voor tandtechniek in eigen beheer? Zo nee, waarom niet? Hoe worden deze tarieven vastgesteld en hoe is de prijsontwikkeling de afgelopen tien jaar geweest?
De tarieven voor bruggen, kronen en implantaten die niet door de zorgaanbieder zelf zijn vervaardigd, worden door de tandtechnische industrie zelf bepaald en vallen niet onder wettelijke maximumtarieven van de Wmg. Ik beschik niet over prijslijsten en kan ook geen uitspraken doen over trends hierin.
Indien genoemde verrichtingen door de tandarts in eigen beheer worden uitgevoerd is de Wmg wel van toepassing en gelden dus ook maximumtarieven. Deze tarieven zijn niet noodzakelijkerwijze dezelfde als de tarieven op de vrije markt. Het gaat hier overigens om sporadische gevallen omdat nog niet een procent van de tandartsen zelf de techniek ter hand neemt.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Domper uit het buitenland op de mat» over de problemen die grensarbeiders ondervinden bij de Nederlandse en Duitse belastingdienst en overige overheidsinstanties aan beide kanten van de grens?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Hoge Raad heeft bepaald dat een inwoner van Duitsland, die een ABP-overheidspensioen ontvangt, belastingplichtig is in Nederland, omdat Nederland het heffingsrecht heeft?2
Het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008, nr. 43 722, BNB 2009/199, is mij bekend. De Nederlandse hoogste rechter concludeert daar dat een «ABP»-pensioen genoten door een inwoner van Duitsland, opgebouwd in Nederlandse overheidsdienst, in Nederland mag worden belast. De Hoge Raad verwijst in zijn oordeel naar artikel 12, tweede lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting van het inkomen en van het vermogen, gesloten te ‘s-Gravenhage op 16 juni 1956 (hierna: het Verdrag). Op grond van een letterlijke interpretatie van het genoemde verdragsartikel zou echter kunnen worden verdedigd dat sinds de privatisering van het ABP het heffingsrecht over dergelijke pensioenen aan Duitsland toekomt. Het artikel spreekt immers over pensioenen die worden betaald rechtstreeks door de overheid of door een publiekrechtelijk lichaam en dat was na de privatisering niet meer het geval. De Nederlandse Hoge Raad heeft een dergelijke interpretatie mijns inziens terecht in voornoemd arrest niet gevolgd.
Het is mij voorts bekend dat enkele Duitse belastinginspecteurs wel het standpunt in hebben genomen dat dergelijke pensioenen volgens het belastingverdrag in Duitsland mogen worden belast. De Duitse belastingdienst is immers niet aan oordelen van de Nederlandse Hoge Raad gebonden. Ik heb begrepen dat dit standpunt slechts is doorgezet door inspecteurs uit een enkele deelstaat en dat in de desbetreffende individuele gevallen wel uitstel van betaling is verleend in afwachting van een oplossing voor de dubbele heffing die als gevolg van de Duitse heffing zou ontstaan.
Vanzelfsprekend heb ik richting Duitsland gewezen op de duidelijke strijd met doel en strekking van de bepaling in het Verdrag indien dergelijke overheidspensioenen in Duitsland zouden worden belast. De intentie van de Verdragsluitende partijen is destijds immers geweest dat overheidspensioenen in de bronstaat mogen worden belast. Op basis van artikel 25 van het Verdrag wordt momenteel tussen de bevoegde autoriteiten van beide landen overleg gevoerd met het doel deze kwestie structureel op te lossen. Ik verwacht dat dit overleg op zeer afzienbare termijn tot een bevredigende oplossing zal leiden.
Klopt het dat de Duitse autoriteiten van mening zijn dat het ABP een private instelling is sinds de wet privatisering ABP en dat het heffingsrecht daarom aan Duitsland toekomt op basis van artikel 12 van het verdrag tussen Nederland en Duitsland en artikel 19 van het OESO-modelverdrag? Bent u bekend met signalen dat in een aantal gevallen de Duitse autoriteiten ook werkelijk belastingaanslagen opleggen?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze komt u met de Duitse regering tot een oplossing voor dit conflict?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het verder de Duitse belastingdienst recentelijk besloten heeft met terugwerkende kracht vanaf 2005 belasting te heffen over de Duitse rente die in Nederland wordt betaald? Betekent dit dat mensen die een Duits pensioen ontvangen met terugwerkende kracht zes belastingaangiftes moeten indienen en zes verklaringen door de Nederlandse belastingdienst moeten laten afstempelen, terwijl het zeer waarschijnlijk is dat vooral mensen met relatief bescheiden pensioenen – de grootste groep – geen belasting hoeven te betalen?
Bij de beantwoording zal ik voor een duidelijk begrip van de problematiek eerst een beschrijving geven van de Duitse wetgeving en vervolgens ingaan op de uitvoeringsaspecten en de rol van de Nederlandse overheidsinstanties.
Bij wet van 5 juli 2004 («Alterseinkünftegesetz») is de Duitse inkomstenbelasting gewijzigd waardoor «Renten» uit de wettelijke «Rentenversicherung» (socialezekerheidspensioenen) met ingang van 1 januari 2005 in Duitsland feitelijk als belastbaar inkomen moeten worden aangemerkt. De Duitse wetgever was gehouden om de Duitse belastingwetgeving op dit punt aan te passen als gevolg van een uitspraak van de Duitse rechter (het «Bundesverfassungsgericht») van 6 maart 2002. De aanpassing ziet op zowel de belastingheffing van in Duitsland als in andere landen wonende Rente-genieters en heeft dus ook gevolgen voor in Nederland wonende Rente-genieters. Op grond van het Verdrag heeft Duitsland de bevoegdheid om belasting te heffen over de Duitse Rente die is uitbetaald aan inwoners van Nederland. Daartegenover heeft de belastingplichtige in Nederland recht op een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting. De Duitse wetgeving voorziet er in om de gerechtigden niet in een keer volledig over hun Duitse Rente te belasten, maar kent een oplopende mate van heffing. Van diegenen die in 2005 al een Rente ontvangen, wordt slechts over 50% van het ontvangen bedrag belasting geheven. Voor diegenen die in latere jaren voor het eerst een Duitse Rente ontvangen, neemt het percentage toe met 2% per jaar tot 2020 en daarna met 1% per jaar.
De Duitse wetgeving is ook van toepassing op degenen die een Rente ontvangen omdat zij in Duitsland in de oorlogsjaren als dwangarbeider werkzaam zijn geweest. Het Duitse ministerie van Financiën heeft mij geïnformeerd dat zij aanleiding heeft gezien om een voorstel te doen tot wijziging van de Duitse wetgeving waardoor Renten die worden betaald aan buitenlandse dwangarbeiders alsnog vrijgesteld zullen worden. Het was op grond van de informatie die ik uit Duitsland heb ontvangen nog niet volledig duidelijk of deze vrijstelling van toepassing is op alle dwangarbeiders of voor een bepaalde categorie dwangarbeiders. De beslissing of iemand onder de nieuwe wet valt, ligt in handen van de Duitse «Renteversicherungsanstalt» die beoordeelt of het inkomen valt onder paragraaf 1 van het «Bundesentschädigungsgesetz». Vooruitlopend op de aanpassing van de wijziging zal de Duitse belastingdienst de vrijstelling al toepassen.
Voor wat betreft de uitvoering van de Duitse wetgeving heeft volgens informatie van de Duitse belastingdienst vanaf 2005 eerst de toekenning van identificatienummers plaatsgevonden aan alle inwoners van Duitsland en daarna aan alle in het buitenland wonende Rente-genieters. Pas daarna kon men overgaan tot belastingheffing van de Duitse Rente. Het Duitse «Finanzamt Neubrandenburg» is vervolgens met ingang van 1 januari 2009 verantwoordelijk gemaakt voor de belastingheffing over de Duitse Rente van niet-ingezetenen. Hierdoor is men pas laat kunnen toekomen aan het heffen van belasting van niet-ingezetenen met een Duitse Rente. Dit heeft als ongelukkig gevolg dat inwoners van Nederland vanaf 2010 geconfronteerd zijn met de verplichting om over de jaren 2005 tot en met 2009 alsnog een Duitse aangifte in te vullen. Omdat het om de toepassing van het Duitse recht gaat, zullen de in Nederland wonende Rente-genieters eventuele klachten en bezwaren over deze wijze van belastingheffing aan de Duitse bevoegde instanties moeten richten. Het invullen van de Duitse aangiften is volgens de Duitse belastingdienst nodig om te kunnen vaststellen in welke mate er in Duitsland inkomstenbelasting is verschuldigd. De Duitse wetgeving voorziet er helaas niet in om de belasting als voorheffing in te houden op de Duitse Rente. Voor niet-ingezetenen, zoals inwoners van Nederland, bestaat de keuzemogelijkheid om voor de Duitse belastingheffing behandeld te worden als zogenoemde «unbeschränkte Steuerpflichtige». Dit kan er toe leiden dat in Duitsland door toepassing van de Duitse nationale vrijstellingen geen of maar beperkt inkomstenbelasting is verschuldigd over de Duitse Rente. Om dat te kunnen vaststellen dient de belastingplichtige in de Duitse aangifte alle inkomsten op te geven en moet de Nederlandse Belastingdienst de juistheid van de gegevens bevestigen aan de hand van het in Nederland aangegeven wereldinkomen (de zogenoemde «EU/EWR-bescheinigung»). Dit is overigens een praktijk die ook geldt voor de Duitse belastingheffing van Nederlandse grensarbeiders.
De rol van de Nederlandse uitvoeringsinstanties bestond er tot voor kort uit dat de uitbetaling van de Duitse Rente aan inwoners van Nederland werd gedaan door Bureau Duitse Zaken (BDZ) van de Sociale Verzekeringsbank. Tegelijkertijd met de uitbetaling verstrekte BDZ uit oogpunt van dienstverlening informatie over de gevolgen in Nederland van het ontvangen van de Duitse Rente. Deze informatie was in eerste instantie bedoeld om de belastingplichtige er op te wijzen hoe in Nederland de Duitse Rente in de Nederlandse belastingaangifte moet worden opgegeven en hoe om vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting moet worden verzocht. Verder werd informatie verschaft over de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de verzekeringsplicht en de premiebetaling voor de volksverzekeringen. Vanaf 2005 is bij de informatieverstrekking ook aandacht besteed aan de inkomstenbelastingheffing over de Duitse Rente in Duitsland. Deze informatie werd altijd gelijktijdig met de eerste beslissing op de aanvraag van de Duitse Rente gestuurd. Daarnaast werd de informatie gestuurd aan iedere Rente-genieter die zich bij BDZ meldde met vragen over de belastingheffing (telefoon, loket, spreekuren etc.). Hiermee staat niet vast dat de informatie over de Duitse belastingheffing elke Rente-genieter die in Nederland woont heeft bereikt. Ik kan me daarom goed voorstellen dat sommige Rente-genieters verrast zullen zijn geweest door de aangiftebiljetten die van de Duitse fiscus recentelijk zijn ontvangen.
De informatieverstrekking over de Duitse Rente door BDZ is inmiddels beëindigd, omdat de betaling van de Duitse Rente en de beslissingen en mededelingen daarover tegenwoordig zonder tussenkomst van BDZ rechtstreeks door een Duitse instantie, namelijk de «Renteversicherung», aan de in Nederland wonende Rente-genieters plaatsvindt. Wel wordt van de zijde van de Nederlandse Belastingdienst in algemene zin informatie aan grensarbeiders verstrekt en worden vragen beantwoord over grensoverschrijdende aangelegenheden door het team Grensoverschrijdend werken en ondernemen (GWO) in Maastricht. Het GWO heeft de afgelopen tijd een belangrijke taak gehad in de voorlichting over de Duitse belastingheffing met betrekking tot de Duitse Rente. Bij het GWO zijn twee ambtenaren van de Duitse belastingdienst werkzaam. Zij zijn bij uitstek in staat om uitleg over de Duitse belastingwetgeving te verschaffen en spreken Nederlands waardoor er geen taalprobleem is.
De verantwoordelijke instantie voor de wijze waarop in Duitsland belasting wordt geheven over de Duitse Rente en om toelichting te geven over de wijze waarop Duitse aangifteformulieren moeten worden ingevuld, is het eerder genoemde Finanzamt Neubrandenburg. Op de website van het Finanzamt is uitgebreide informatie beschikbaar over de belastingheffing over de Duitse Rente. Deze informatie is tevens beschikbaar in andere talen, maar helaas niet in de Nederlandse taal. Voor het invullen van de Duitse belastingaangifte heeft het GWO de afgelopen tijd om die reden duizenden vragen beantwoord ter toelichting.
De capaciteit en de kennis van de Nederlandse Belastingdienst om gericht te helpen bij het invullen van een Duitse aangifte heeft zijn grenzen. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat de primaire verantwoordelijkheid van de Belastingdienst ligt bij het verstrekken van informatie over het Nederlandse belastingstelsel. In enkele bijzondere gevallen heeft het GWO belastingplichtigen expliciet geholpen bij het invullen van de Duitse aangifte. Het ging dan om belastingplichtigen die al op hoge leeftijd waren. Verder is verwezen naar spreekuren van «EUREGIO» (zie bijvoorbeeld www.rheinwaddenzee.info), waar medewerkers van de Duitse belastingdienst aanwezig zijn om hulp te bieden.
Klopt het dat deze wet iedereen treft die in Nederland woont en ooit in Duitsland heeft gewerkt en inmiddels met pensioen is en hun nabestaanden, onder wie mensen die tussen 1940–1945 in Duitsland (onder dwang) gewerkt hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Is over deze maatregel van de Duitse fiscus en de verstrekkende gevolgen voor deze Nederlandse ouderen vooraf met Nederland overleg geweest? Zo ja, wat waren daarvan de gezamenlijke conclusies en aanbevelingen? Is het niet zinvol om met Duitsland overeen te komen om op de Duitse Rente vooraf Lohnsteuer te laten inhouden?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn de instanties in de informatieketen voor grensgangers in een vroegtijdig stadium bij de uitvoering van deze maatregel betrokken zodat zij hierop adequaat konden inspelen?
Zie antwoord vraag 5.
Tot wie kunnen grensarbeiders zich richten voor hulp? Klopt het dat zij zich in Duitsland moeten wenden tot het Finanzamt Neubrandenburg, dat nu niet bepaald dichtbij Nederland ligt?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer tekent de Nederlandse regering eindelijk een nieuw belastingverdrag met Duitsland, nu het oude uit 1959 totaal verouderd is en er al meer dan 20 jaar onderhandeld is?
Gedurende de afgelopen jaren heb ik de Tweede Kamer regelmatig op de hoogte gehouden van de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over een nieuw belastingverdrag met Duitsland. Ik wijs in het bijzonder op de beantwoording van Kamervragen van de leden Omtzigt en Aasted Madsen-van Stiphout van 3 juli 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 3 653, Aanhangsel) en op de brief aan uw Kamer van 11 november 2010 in het kader van de behandeling van het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk (Kamerstukken I 2010–11, 32 145, A). In die brieven heb ik enerzijds benadrukt dat een nieuw verdrag met Duitsland mijn bijzondere aandacht heeft en heb ik de wens uitgesproken dat met voortvarendheid een dergelijk verdrag tot stand zou kunnen worden gebracht. Anderzijds is benadrukt dat gewaakt moet worden voor te hoog gespannen verwachtingen en is uitgelegd dat onderhandelingen over een belastingverdrag – zeker tussen buurlanden – complex zijn.
In de brief uit 2010 heb ik wel de hoop en verwachting uitgesproken dat voortgang zou kunnen worden geboekt. Ik kan u bevestigen dat van dat laatste sprake is. De onderhandelingen bevinden zich in de afrondende fase. Met Duitsland is in vergaande mate overeenstemming bereikt over de kern van een nieuw verdrag. In dit stadium kan ik op de inhoud van het (hopelijk binnen afzienbare tijd te ondertekenen) nieuwe verdrag vanzelfsprekend niet ingaan. Daarmee zou het onderhandelingsproces worden verstoord. Het is eigen aan een onderhandelingsproces dat niet op ieder punt de Nederlandse wensen volledig zullen kunnen worden gehonoreerd in een toekomstig verdrag.
Ik bevestig graag nogmaals dat de heffingsverdeling over pensioenen in den brede en de wens voor een compensatieregeling voor grensarbeiders voor mij een wezenlijk punt in het tot stand brengen van een evenwichtig verdrag vormen. Zoals ik ook in mijn hiervoor genoemde reacties heb bevestigd, is onderdeel van de inzet van Nederland te komen tot een compensatieregeling voor grensarbeiders die vergelijkbaar is met de regeling in Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten te Luxemburg op 5 juni 2001.
Voor wat betreft de vraag over een zogenoemd hooglerarenartikel bereik(t)en mij signalen dat die bepaling ook juist in de relatie met België enige onbedoelde effecten zou kunnen hebben. In het rapport van de Commissie grensarbeiders van 29 april 2008 (Kamerstukken II, 2007–08, 26 834, nr. 20) is er op gewezen dat de beloningen voor onderwijzend personeel dat grensoverschrijdend werkzaam is tijdens de eerste twee jaren in de woonstaat belast zijn en vanaf het derde jaar in de werkstaat. Hierdoor ontstaat in veel gevallen gedurende de eerste twee jaar discoördinatie tussen de belasting- en premieheffing. In dat kader is gesteld dat het niet mogelijk is om in onderling overleg tot een oplossing te komen die afwijkt van datgene wat in het verdrag is overeengekomen. Wel is de toezegging gedaan om deze problematiek bij de eerstvolgende onderhandelingen tot wijziging van het Nederlands-Belgische belastingverdrag aan de orde te stellen. Diezelfde problematiek doet zich voor zover mij bekend in de relatie met Duitsland niet voor.
Wat is de Nederlandse beleidsinzet m.b.t. het heffingsrecht over wettelijke, niet-wettelijke en overheidspensioenen? Is de beleidsinzet erop gericht om het onderscheid tussen «gewone» werknemers «en onderwijspersoneel resp. ambtenaren op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
In de nota verdragsbeleid kondigt u aan het (hoog)leraarartikel niet meer op te nemen in nieuwe verdragen; kunt u vooruitlopend hierop al een protocol of beleidsbesluit nemen die hetzelfde effect heeft, aangezien dit artikel tot veel problemen leidt bij Nederlandse onderwijsinstellingen die Duitse of Belgische docenten aanstellen?
Zie antwoord vraag 10.
Wordt er ook onderhandeld over een compensatieregeling voor inwoners van Nederland, die in Duitsland werken en niet de mogelijkheid hebben om hun hypotheekrente af te trekken? Zo ja, welke vorm gaat die krijgen?
Zie antwoord vraag 10.
De spaarrekening van de MBO Raad |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Hoe kan het dat de MBO Raad het departement van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap foutief informeert over feiten die hem bekend zijn?1
Zoals in de rectificatie is aangegeven, heeft de MBO Raad de vraag abusievelijkonjuist beantwoord. Bij navraag bleek, dat de MBO Raad de vraag niet goed had begrepen. Van opzet is derhalve geen sprake. In de jaarrekening was de juiste informatie opgenomen.
Deelt u de mening dat correcte informatieverschaffing aan de Kamer te allen tijde gewaarborgd dient te zijn en hoe beoordeelt u in dat licht de op 15 augustus 2011 ontvangen antwoorden op schriftelijke vragen?
Correcte informatieverschaffing aan de Kamer is uiteraard het uitgangspunt. Ik ga er van uit dat het hier een incident betreft.
Het bericht dat het budget voor de uitvoering van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) wordt gehalveerd |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat het kabinet fors gaat snijden in het budget voor de Wtcg, en zelfs de helft van het budget wil schrappen? Zo ja, waarom? Zo nee, worden wijzigingen in de Wtcg overwogen?
Het Kabinet wil zich houden aan de afspraak om met Prinsjesdag de begrotingsmaatregelen bekend te maken. Ik kan deze vragen dus nu niet beantwoorden.
Bent u op de hoogte van het feit dat recent de fiscale aftrekmogelijkheden voor zorgkosten sterk zijn beperkt, en er Kamerbreed op is aangedrongen dat chronisch zieken en gehandicapten hier niet de dupe van mogen worden, en daarom ter compensatie de huidige Wtcg is ingevoerd?
Ik ben op de hoogte van de veranderingen ten aanzien van de fiscale aftrekmogelijkheden en de overwegingen die daarbij spelen en de instelling van de Wtcg die daaruit is voortgekomen.
Met welke koopkrachtgevolgen in het kader van eventuele wijzigingen in de Wtcg moeten chronisch zieken en gehandicapten rekening houden in de komende tijd?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk dinsdag 6 september 2011, 11.00 uur te beantwoorden?
Ja.
Een blunder bij DigiNotar |
|
André Elissen (PVV), Marcial Hernandez (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Browsermakers geven nieuwe versie uit na DigiNotar blunder»?1
Ja.
Heeft deze blunder gevolgen voor het gebruik van DigiD omdat DigiNotar het bedrijf is dat de beveiligingscertificaten levert waardoor burgers veilig gebruik kunnen maken van DigiD?
Het heeft gevolgen gehad voor het gebruik van DigiD. In de loop van dinsdag 6 september is DigiD overgeschakeld naar een andere certificaatleverancier. Voor die tijd kunnen burgers geconfronteerd zijn met waarschuwingen of meldingen dat de site niet langer vertrouwd kan worden.
Is er aanleiding om DigiNotar en andere «certificate authorities» aan nadere inspectie te onderwerpen om de privacy van Nederlandse burgers te waarborgen?
Het Kabinet heeft in de nacht van vrijdag op zaterdag het operationele beheer van systemen voor certificaten van DigiNotar overgenomen, teneinde de schade van de gebleken inbreuk op de integriteit van het internetverkeer te beperken en de beheersmaatregelen ter beperking van de gevolgen te kunnen treffen. Daardoor wordt een beheersbare migratie naar andere certificaten mogelijk zonder dat dit voor zover bekend additionele risico’s schept.
Op dit moment wordt prioriteit gegeven aan het beheersen van het huidige incident en de gevolgen daarvan. Tegelijkertijd constateert het Kabinet dat de structurele betekenis van de gebeurtenissen in ogenschouw moeten worden genomen. Als onderdeel daarvan voert het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek uit naar het gehele stelsel en proces rondom PKI-Overheid, inclusief het toezicht daarop. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd zodra hierover meer duidelijkheid is.
Gaat de blunder bij DigiNotar naar uw verwachting gevolgen hebben voor de electronische dienstverlening van de overheid? Gaan burgers en/of overheidsonderdelen hier hinder van ondervinden? Zo nee, waarom niet?
De inbraak bij DigiNotar en de door de hacker daarbij aangemaakte en gebruikte certificaten vormen een ernstige aantasting van het vertrouwen in en de integriteit van het digitale communicatieverkeer. De aantasting van het vertrouwen in de certificaten van DigiNotar kan potentieel grote implicaties hebben voor zowel het verkeer tussen mens en machine als voor het verkeer tussen machines onderling.
Voor het digitale communicatieverkeer ontstaat door het aanmaken en gebruik van boven genoemde certificaten het risico dat het voor de internetgebruiker niet meer zichtbaar is of hij te maken heeft met een betrouwbare website of computer, blijkend uit het certificaat («slotje») op het scherm. De mogelijke introductie van deze certificaten maakt, dat gebruikers er niet meer in alle gevallen zonder meer van uit kunnen gaan, dat het een veilige internetcommunicatie betreft. In dergelijke gevallen kan de burger worden doorgeleid naar een niet bedoelde site, waarbij de gegevens die de burger verstrekt, in verkeerde handen terechtkomen. Hierdoor wordt het vertrouwen in het digitale communicatieverkeer ernstig aangetast.
Het Kabinet heeft het operationele beheer van de systemen voor certificering bij DigiNotar gecontroleerd overgenomen, zodat de certificaten gefaseerd kunnen worden ingetrokken en het gebruik van de door hacker aangemaakt en gebruikte certificaten kan worden gemonitord en kan worden bestreden waar dit wordt waargenomen.
Er zijn tot dusver echter geen aanwijzingen dat dit in Nederland ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Heeft het feit dat bedrijven als Mozilla, Microsoft2 en Google het vertrouwen in DigiNotar hebben opgezegd gevolgen voor de samenwerking tussen de Nederlandse overheid en DigiNotar?
Het Kabinet heeft het vertrouwen in het bedrijf DigiNotar en alle door hen geleverde diensten en certificaten opgezegd en het operationele beheer van het systeem voor het verstrekken van certificering overgenomen. Alle door het bedrijf afgegeven certificaten voor publieke en semi-publieke organisaties worden vervangen door certificaten van andere certificatenleveranciers nadat is gebleken dat de certificaten en diensten van de andere certificatenleveranciers betrouwbaar zijn.
Klopt de uitspraak van woordvoerder Jochem Binst dat de blunder van Diginotar geen gevolgen heeft voor het werk dat DigiNotar voor de overheid doet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat DigiNotar gehackt is, zoals op F-secure wordt gemeld?3
Er heeft een hack (digitale inbraak) bij DigiNotar plaatsgevonden. Zie feitenrelaas in brief d.d. 5 september.
Gaat u onderzoeken of Iran achter de (geslaagde) hackpoging van DigiNotar zit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is hier sprake van cybercrime of cyberwarfare?
Het Kabinet onderzoekt momenteel wie betrokken zijn bij het hacken van DigiNotar. Mede in het licht van de uitkomst daarvan zal het Kabinet beslissen over passende vervolgstappen.
Gaat u onderzoeken of er mensenrechten in Iran zijn geschonden doordat Iran een Nederlands certificaat heeft weten te bemachtigen?
Zie het antwoord op vraag 8.
De Bredase aanbesteding van hulp in de huishouding in het kader van de De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het college van B&W Breda in de aanbesteding van hulp in de huishouding heeft laten concurreren op prijs en slechts in mindere mate op kwaliteit?1
Ik volg de ontwikkelingen in Breda nauwgezet.
Een gemeente dient helder te beschrijven welke kwaliteit ze wenst. Een gemeente kan, zoals de gemeente Breda heeft gedaan, vervolgens aan de «markt» vragen om aan te geven wat – gegeven de kwaliteitseisen – een reële prijs voor de dienst is. Op deze manier kan een dienst met een goede prijs/kwaliteitsverhouding worden afgesproken. Belangrijk is dat een gemeente er op toe ziet dat de gevraagde kwaliteit ook daadwerkelijk geleverd wordt. In de door VWS uitgebrachte handreiking «sociaal overwogen aanbesteden» worden verschillende varianten om in te kopen beschreven.
Vindt u het een acceptabel gevolg van deze wijze van aanbesteden (de goedkoopste «wint») voor 1000 medewerkers in de thuiszorg hun baan op de tocht staat?
Ik vind het van groot belang dat deze medewerkers voor de zorg behouden blijven. Dat is ook de reden dat in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) de zogenoemde «overlegbepaling» is opgenomen. Deze overlegbepaling houdt in dat aanbieders die een opdracht van de gemeente voor het leveren van hulp bij het huishouden verwerven, overleg dienen te voeren over de overname van het betrokken personeel met de partijen die tevoren in opdracht van de gemeente die ondersteuning leverden. Uit onderzoek2 blijkt dat deze overlegbepaling in de praktijk werkt. Ook sociale partners in de sector Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) vinden het behouden van medewerkers voor de zorg van belang getuige de afspraken die zij voor wat betreft de overname van personeel in hun laatste cao-onderhandelingen zijn overeengekomen.
Wat vindt u ervan dat 4000 cliënten in Breda nu worden geconfronteerd met een zorgaanbieder die niet uit de regio komt? Denkt u dat de vertrouwdheid, de samenhang en de onderlinge afstemming tussen verschillende zorgaanbieders in de zorgketen hiermee een dienst wordt bewezen? Zullen cliënten geen hinder ondervinden als dit los zand gaat worden?
Laat ik duidelijk zijn: de cliënt moet centraal staan. Dit betekent dat afstemming in de regionale zorgketen goed geregeld dient te zijn. Deze afstemming is een kwestie van goed organiseren. Ook zorgaanbieders die oorspronkelijk niet uit de regio komen, zijn in staat om dit goed te organiseren.
Wat vindt u van de mogelijke consequentie dat de nieuwe aanbieders in Breda de ontslagen medewerkers van de «oude» thuiszorgorganisaties in dienst zullen gaan nemen tegen een lagere salarisschaal dan die bij hun oude werkgever?
Werknemers en werkgevers hebben gezamenlijk afspraken gemaakt over arbeidsvoorwaarden. Ook voor de situatie waarin een gemeente met nieuwe aanbieders een contract sluit. Deze afspraken zijn vastgelegd in de cao VVT. Ik ga er vanuit dat medewerkers die bij een nieuwe aanbieder aan de slag gaan, conform deze cao beloond zullen worden.
Welke voordelen ziet u in deze manier van toepassen van «markt» door gemeenten?
Zie antwoord vraag 1.
Denkt u dat deze manier van werken helpt om het nijpende probleem van een personeelstekort in de zorg op te lossen? Met andere woorden, is deze manier van werken een visitekaartje voor de thuiszorg?
Onrust is nooit goed voor het imago van een sector. Ik betreur dan ook dat deze onrust is ontstaan. Gezien de werking van de overlegbepaling in de praktijk en de cao-afspraken hierover, ga ik er echter vanuit dat deze onrust spoedig voorbij zal zijn.
Wat vindt u van andere manieren van inkoop van thuiszorg, bijvoorbeeld door de inzet van zogenoemde «alfacheques»? Vindt u het wenselijk dat daarmee het aantal vrouwen dat als alfahulp werkt hierdoor stijgt? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Bij gebruik van een alfacheque wordt de ondersteuning geleverd door een alfahulp. De keuze om al dan niet als alfahulp werkzaam te zijn, is afhankelijk van de persoonlijke voorkeuren van de hulp. Omdat een alfahulp onder de regeling «dienstverlening aan huis» valt, is de cliënt werkgever van zijn hulp. Het is dan ook van groot belang dat de cliënt op de hoogte is van de consequenties van dit werkgeverschap. Daartoe is in de Wmo de geïnformeerde toestemming opgenomen. Dit houdt in dat gemeenten een burger begrijpelijk dienen in te lichten over de consequenties die verbonden zijn aan de keuze voor een individuele voorziening in natura of een pgb (waaronder de alfacheque). Indien een cliënt bewust kiest voor een alfacheque, vind ik dat geen probleem.
Het bericht dat Algerije familieleden van Moammar Gaddafi heeft opgenomen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Algerije familieleden van Moammar Gaddafi heeft opgenomen?1
Ja.
Deelt u de mening dat Algerije gehoor moet geven aan de oproep van de Nationale Transitieraad om deze familieleden in Libië te berechten?
De Nationale Overgangsraad (NTC) zal Algerije formeel om uitlevering moeten verzoeken indien hij de familieleden wenst te berechten. Indien de NTC hierbij bijstand vraagt van de EU zal ik mij hierop beraden. Bespreking van de kwestie binnen de EU-Algerije Associatieraad behoort dan tot de mogelijkheden.
Zo ja, bent u bereid deze oproep in EU-verband te ondersteunen en bij de Algerijnse overheid erop aan te dringen om gehoor te geven aan deze oproep? Bent u daarnaast bereid aan te dringen op een spoedige bespreking van deze kwestie binnen de EU-Algerije Associatieraad?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat een leerling mogelijk is dood gepest op het Hondsrug College te Emmen |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Knevel & Van de Brink1 waarin een moeder vertelde dat de dood van haar zoon werd veroorzaakt door het voortdurend pesten, slaan en bedreigen door zijn medeleerlingen?
Ja.
Bent u van oordeel dat de school adequaat heeft gehandeld in deze situatie?
De Inspectie van het Onderwijs beschikte niet over signalen rond deze situatie noch was zij daarmee bekend. De Inspectie van het Onderwijs heeft dan ook geen onderzoek verricht. Alvorens te beoordelen of onderzoek van belang is, wacht de Inspectie van het Onderwijs de uitkomsten van het onderzoek van het Openbaar Ministerie af.
Onderkent u dat in veel scholen de protocollen en scenario’s zoals die in beleidsplannen zijn geformuleerd prima in orde zijn, maar dat die in de dagelijkse praktijk niet worden gehanteerd? Is dat in deze school het geval?
Scholen zijn wettelijk verplicht hun beleid met betrekking tot veiligheid op te nemen in de schoolgids. Uit het Onderwijsverslag 2008–2009 blijkt dat 98% van de scholen in het voortgezet onderwijs beschikt over een veiligheidsbeleid.
In de veiligheidsmonitor «ontwikkelingen van sociale veiligheid 2006–2010» blijkt dat 62% van alle leidinggevenden in het voortgezet (speciaal) onderwijs aangeeft dat hun school een expliciet veiligheidsbeleid en incidentenregistratie heeft. Ook dit jaar blijf ik scholen ondersteunen hun veiligheidsbeleid in de dagelijkse praktijk tot uitvoering te brengen.
Het Centrum School en Veiligheid en de Kwaliteitsteams Veiligheid kunnen scholen ondersteunen bij hun verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige school. Bij de Tweede Kamer ligt nu een wetsvoorstel om een verplichte incidentenregistratie in te voeren zodat scholen zelf (tijdig) een beter inzicht krijgen in hun eigen veiligheidssituatie en hier adequaat naar kunnen handelen.
Voor wat betreft de situatie op deze school: voor één van de afdelingen (Havo) is sprake van een aangepast toezichtarrangement van de Inspectie van het Onderwijs, vanwege onvoldoende onderwijskwaliteit in de vorm van onvoldoende leeropbrengsten. Ten aanzien van de sociale veiligheid, de leerlingenzorg en het pedagogisch handelen bleek in dat verband eerder geen sprake van tekorten.
Bent u bereid om uw inspectie op te dragen deze zaak te onderzoeken, onafhankelijk van de beslissing van het Openbaar Ministerie om al of niet tot vervolging van de pesters over te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u van plan om naar aanleiding van deze trieste zaak extra aandacht te geven aan pesten in school? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat vormgeven?
Bij het door OCW gesubsidieerde Centrum School en Veiligheid (www.schoolenveiligheid.nl en www.pestweb.nl) kunnen scholen, leerlingen en ouders terecht voor informatie en concrete handreikingen op het terrein van sociale veiligheid in het onderwijs, waaronder de aanpak van pesten. Ook vanuit de landelijke ouderorganisaties worden scholen ondersteund bij het tegengaan van pesten. Daarnaast kunnen scholen in het basis-, voortgezet-, speciaal onderwijs en het MBO tot eind 2011 een beroep doen op de Kwaliteitsteams Veiligheid. De Kwaliteitsteams Veiligheid bestaan uit veiligheidsdeskundigen uit diverse sectoren, zoals het onderwijs, bureau HALT, jeugdzorg en politie. Doel is om scholen die daar behoefte aan hebben te helpen bij het verbeteren van de sociale veiligheid. Zo kan het veiligheidsteam ter plekke een quick scan uitvoeren om te bepalen of een school voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen. Ook ondersteunen en adviseren de teams bij de totstandkoming van afspraken tussen scholen, Zorg- en Advies Teams, politie en gemeenten.
In het Wetsvoorstel registratie van incidenten (32 857, nr. 2) dat op 8 augustus 2011 aan uw Kamer is aangeboden, is één van de te registreren incidenten «grove pesterijen». Met deze registratieverplichting krijgt de school beter inzicht in wat er speelt en kan er vervolgens een adequate maatregel worden ingezet. Het streven is invoering van dit wetsvoorstel per augustus 2012.
Daarnaast ben ik met de PO-raad en VO-raad in overleg om een impuls te geven aan het thema sociale veiligheid op scholen waarvan ook pesten onderdeel zal uitmaken.
Verdrijving van de bewoners van Kamp Ashraf |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de uitlatingen van VN-gezant Melkert ten aanzien van het voornemen van Irak om over te gaan tot de verdrijving van de bewoners van Kamp Ashraf buiten de grenzen van Irak? Zo ja, zijn de berichten over een verschil van mening tussen de Irakese overheden en de VN waar?1
Ik ken het bericht. De uitlatingen van (voormalig) VN-gezant Melkert zijn onjuist weergegeven door de Iraakse overheid. De VN heeft dit vervolgens met een persbericht gecorrigeerd.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie in het licht van het Irakese voornemen om de bewoners van het kamp voor het einde van het jaar buiten de landsgrenzen te verdrijven?
UNHCR heeft zich op 23 augustus jl. bereid getoond de inwoners van Kamp Ashraf individueel als vluchteling te registreren. Indien die status wordt verleend, heeft Irak de verantwoordelijkheid bescherming te verlenen. Ook geldt dan het principe van non-refoulement, d.w.z. geen gedwongen terugkeer naar Iran door Irak.
Deelt u de mening dat van verdrijving geen sprake kan en mag zijn, maar dat moet worden gezocht naar een oplossing waarbij de mensenrechten van de inwoners van het kamp worden gerespecteerd?
Nederland wijst de Iraakse autoriteiten zowel bilateraal als in EU-verband op hun verantwoordelijkheid voor de bewoners van Kamp Ashraf.
Welke oplossing ziet u op lange termijn voor de inwoners van het kamp? Op welke manier dragen Nederland, de Europese Unie en de Verenigde Naties aan een structurele oplossing?
In het licht van de laatste ontwikkelingen, zoals de mogelijke registratie als vluchteling door UNHCR, zult u op korte termijn met een kamerbrief (waartoe u mij op 30 september jl. verzocht) over Kamp Ashraf worden geïnformeerd.
Barrières bij het inhuren van kennismigranten |
|
Gerard Schouw (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Bedrijven: import vaklui te lastig»?1
Werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland doelen in dit artikel op een maatregel die is aangekondigd in de notitie Herziening Wav en die op 19 juni jl. in werking is getreden bij wijziging van de Vreemdelingencirculaire. De maatregel houdt in dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf of een verblijfsvergunning als kennismigrant kan toetsen of er sprake is van marktconform loon. De IND doet dit als er indicaties zijn dat er sprake is van misbruik.
Deze maatregel is onder meer tot stand gekomen omdat uw Kamer, onder andere bij motie van het lid Ulenbelt c.s. zijn zorgen heeft geuit over mogelijk misbruik van de kennismigrantenregeling, en heeft aangedrongen op een scherpere controle op de naleving van deze regeling.
Door middel van welke berekening wordt het marktconforme salaris vastgesteld? Hoe wordt daarin meegenomen dat een marktconform salaris – bijvoorbeeld bij krapte op de arbeidsmarkt – hoger kan zijn dan het cao-loon?
Met gegevens zoals de opleiding en kwalificaties van de kennismigrant, de functie van de kennismigrant en de geldende cao, kan het UWV beoordelen of het loon gebruikelijk is in de desbetreffende sector. De arbeidsvoorwaarden dienen marktconform te zijn. Dat wil zeggen dat beoordeeld wordt of het geboden loon voor de beoogde kennismigrant in verhouding staat tot het niveau dat wettelijk is vereist of in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is voor de betreffende functie. De werkgever wordt indien daar aanleiding toe bestaat, altijd in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de beloning marktconform is. Indien ingevolge de krapte op de arbeidsmarkt de lonen in een bedrijfstak hoger liggen dan de geldende cao, kan het voorkomen dat het marktconform salaris hoger is dan het cao-loon.
Hoe frequent is er in het verleden misbruik geconstateerd via onrealistisch hoge salarissen? Hoeveel aanvragen bij de kennismigrantenregeling zijn er tot op heden afgewezen op basis van de toets op de marktconforme betaling?
De Arbeidsinspectie is in het verleden situaties tegengekomen waarbij kennismigranten laag- of ongeschoold werk doen, waarvoor het (althans op papier) toegekende salaris buitenproportioneel is. Ook had de IND soms het vermoeden dat door het betalen van niet-marktconforme salarissen misbruik werd gemaakt van de kennismigrantenregeling. In dit verband verwijs ik naar de evaluatie van de kennismigrantenregeling die als bijlage is opgenomen bij de brief aan uw Kamer van 11 april 2011 over arbeidsmigratie van buiten de EU.
Sinds 19 juni jl. (het moment van invoering van de voorwaarde dat het salaris marktconform moet zijn) heeft de IND nog geen aanvragen om een verblijfsvergunning op deze grond afgewezen.
Is het doel van toetsing op een marktconform salaris het tegengaan van misbruik van de kennismigrantenregeling? Is dit hiervoor een proportioneel instrument? Deelt u de mening dat beleid tegen misbruik niet mag omslaan in protectionisme?
Kennismigranten hoeven maar aan één criterium te voldoen om in Nederland te mogen werken: als aan het looncriterium wordt voldaan worden verder geen voorwaarden gesteld, met uitzondering van de vreemdelingrechtelijke toets op openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Deze eenvoudige procedure mag echter niet uitnodigen tot oneigenlijk gebruik. Daarom is er behoefte aan een «veiligheidsklep» voor het geval er indicaties zijn dat het salariscriterium wordt misbruikt. Omdat de toets aan het marktconforme loon slechts in uitzonderingssituaties plaatsvindt, namelijk alleen bij vermoeden van misbruik, is dit middel niet disproportioneel of protectionistisch.
Op basis waarvan zijn de toelatingsgrenzen van 50 183 euro en 37 121 euro voor werknemers jonger dan 30 jaar vastgesteld? Kunt u een overzicht geven van de verhouding van deze grenzen in Nederland tot die in andere OESO-landen gecompenseerd voor Purchasing power parity (PPP)?
Het inkomenscriterium bedraagt circa anderhalf maal het modale inkomen. Voor kennismigranten jonger dan 30 jaar is een lager inkomenscriterium genomen omdat nieuwkomers op de arbeidsmarkt meestal nog weinig werkervaring hebben en daardoor een lager salaris verdienen.
Landen hebben verschillende toelatingsprocedures voor kennismigranten. De OESO-landen Canada, Nieuw-Zeeland, Australië en Amerika bijvoorbeeld werken niet met salariscriteria maar met een puntensysteem. De bij de OESO aangesloten Europese landen met een nationale kennismigrantenregeling kennen veelal een opleidingscriterium naast een salariscriterium.
Hoe verhoudt dit alles zich tot het rapport «Hoofdkantoren naar de top» over het vestigingsklimaat in Nederland waarin wordt gepleit voor een soepele toelating van kennismigranten?
De Nederlandse economie is gebaat bij de komst van kennismigranten. In de bedrijfslevenbrief «Krachtig naar de top» zijn twee maatregelen aangekondigd om kennismigratie naar Nederland te bevorderen. Er zal ten eerste een pilot worden ingesteld om de toelating van kortverblijvende kennismigranten, een toenemende doelgroep onder de kennismigranten, te vereenvoudigen (topgebied hoofdkantoren). Ten tweede zal worden nagegaan of de toelating van arbeidsmigranten voor functies in de creatieve industrie beter gefaciliteerd kan worden (Topsector creatieve industrie).
Wilt u met VNO-NCW en MKB-Nederland in gesprek gaan over de geconstateerde knelpunten bij de kennismigrantenregeling? Kunt u de Kamer hierover op de hoogte stellen?
Ja.
Verbeterde aandacht voor kinderrechten via het onderwijs |
|
Khadija Arib (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de mededeling van Europese Commissie inzake de EU-agenda voor de rechten van het kind1 en het jaarverslag 2011 van Unicef en Defence for Children?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusies uit beide documenten dat er binnen de EU (en in Nederland) nog de nodige winst behaald kan worden in het bevorderen en verbeteren van kennis bij kinderen over kinderrechten via het onderwijs?
De conclusies van de Europese Commissie in de Mededeling «Een EU-agenda voor de rechten van het kind» (COM(2011) 60 definitief) zijn zeer breed geformuleerd en hebben slechts in beperkte mate betrekking op het onderwijs.
Het Jaarbericht Kinderrechten 2011 van UNICEF en Defence for Children gaat in op vijf thema’s, maar geen daarvan heeft betrekking op onderwijs als zodanig. De algemeen gestelde opmerking op blz. 7 van het Jaarbericht dat Nederland geen structurele aandacht zou besteden aan onderwijs in kinderrechten deel ik niet.
In het Nederlandse onderwijs wordt wel degelijk aandacht besteed aan fundamentele rechten van de mens, waaronder de rechten van het kind. Er is een wettelijke verplichting voor scholen om te werken aan actief burgerschap en sociale integratie; mensenrechten (waar kinderrechten deel van uitmaken) zijn direct en indirect een in de kerndoelen benoemd onderwerp. Scholen zijn vrij in het formuleren van (les)doelen en het kiezen van eigen lesmateriaal ten behoeve van deze opdracht. De inspectie ziet toe op de naleving van deze wettelijke taak. In vakken als wereldoriëntatie, geschiedenis en maatschappijleer wordt ook vorm en inhoud gegeven aan de bovengenoemde thema’s.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat kinderen voldoende kennis hebben van hun rechten en positie in de maatschappij en dat zij weten bij welke instanties zij kunnen aankloppen als hun rechten en positie in het geding zijn?
Ja.
Op welke wijze is de kennis en bewustwording rondom kinderrechten op dit moment ingebed in het burgerschapsonderwijs?
Aan mensenrechten (waaronder de rechten van het kind), zoals grondrechten, vrijheidsrechten, politieke rechten en sociale rechten, hecht Nederland veel waarde. Vandaar dat mensenrechten genoemd worden in de kerndoelen en deel uitmaken van het onderwijs op het gebied van burgerschap en sociale integratie.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel burgerschap wordt aangegeven dat burgerschapsvorming onder meer betrekking heeft op de kennis van en het respect voor de kernwaarden van onze samenleving. De onderwijsinspectie houdt toezicht op de naleving van de wettelijke opdracht tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie. Dat doet zij door middel van het hiervoor ontwikkelde toezichtkader. Hierin is onder andere als aandachtspunt ten aanzien van het onderwijsaanbod de volgende passage opgenomen: «De school bevordert basiswaarden en de kennis, houdingen en vaardigheden voor participatie in de democratische rechtstaat.» Hiermee is impliciet het verband gelegd met mensenrechteneducatie, omdat de UVRM kaderstellend is voor de democratische rechtsstaat. In het toezichtkader van de inspectie geldt verder als uitgangspunt dat er geen algemeen geldende methode is om de bevordering van actief burgerschap en sociale integratie te stimuleren. De school moet in haar onderwijsaanbod rekening houden met de samenstelling van de populatie, de wensen van ouders en de grenzen die de geldende wet- en regelgeving stelt. Scholen hebben dus ruimte nodig voor een eigen invulling hierin. Het kabinet wil hen deze ruimte ook nadrukkelijk bieden. De overheid stelt zich dus als taak om door wetgeving en toezicht te waarborgen dat actief burgerschap en sociale integratie aandacht krijgen op scholen, maar de scholen geven hier verder eigenhandig invulling aan.
Kunt u aangeven welke inzet er reeds door u is gepleegd om de kennis van scholieren omtrent kinderrechten en mensenrechten te verbeteren via het onderwijs?
Doordat «mensenrechten» expliciet worden genoemd in de kerndoelen, moeten scholen hier in het curriculum aandacht aan besteden. Daarmee wordt bevorderd dat de kennis van scholieren omtrent kinder- en mensenrechten wordt verbeterd. De manier waarop scholen dit doen, is bij uitstek onderwerp van de eigen professionele keuzes van leraren. Er kan op velerlei manieren in het onderwijs aandacht besteed worden en aan mensen- en kinderrechten, bijvoorbeeld door leerlingen met verschillende niveaus en achtergronden in kleine teams te laten samenwerken en leren. Hierdoor leren leerlingen en docenten om te gaan met verschillen en deze ook te respecteren. Of door een maatschappelijke stage bij een sportvereniging, culturele instelling of welzijnsinstelling in de wijk. Leerlingen komen hierdoor in contact met groepen mensen die ze anders niet snel zouden ontmoeten.
Naast het onderwijs zijn ook breder in de samenleving voorzieningen die bijdragen aan het verwerven van kennis over kinderrechten. Zo is er bijvoorbeeld het Kinderrechtenhuis in Leiden. Dit huis brengt kinderrechten regionaal, landelijk en internationaal onder de aandacht. Het Kinderrechtenhuis biedt onderdak aan organisaties die zich inzetten voor de rechten van het kind. Groepen kinderen en jongeren (maar ook volwassenen) kunnen er terecht om meer te weten te komen over kinderrechten. Daarnaast biedt het Kinderrechtenhuis jongeren de mogelijkheid ideeën uit te wisselen, van elkaar te leren en samen projecten op te zetten.
Bent u voornemens om u in te zetten voor meer aandacht voor kennisoverdracht op scholen over de rechten van kinderen? Zo ja, welke inzet mag hier dan van u verwacht worden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat er voldoende waarborgen zijn dat op scholen kennisoverdracht plaats vindt over de rechten van kinderen. Scholen staat het vrij om daarbij ook gebruik te maken van hulp van externen (gastsprekers, NGO’s, lesbrieven ed.).
Ik sluit niet uit dat het nog beter kan. De inspectie van het onderwijs heeft in haar jaarrapportages geconstateerd dat scholen invulling geven aan de burgerschapsopdracht, maar dat er winst te behalen valt door meer samenhang aan te brengen in het burgerschapsaanbod. Vandaar dat in 2011 aan de Onderwijsraad is gevraagd te adviseren over de vraag hoe scholen verder ondersteund kunnen worden bij het uitvoeren van hun burgerschapsopdracht. Daarbij zal de Onderwijsraad ook ingaan op mensenrechteneducatie.
Deelt u de mening dat de onlangs benoemde kinderombudsman hier een belangrijke rol in kan hebben? Zo ja, op welke wijze kan hier in samenwerking met onderwijsinstellingen invulling aan worden gegeven?
Ja. Dit geldt niet alleen voor de kinderombudsman, maar ook voor het in oprichting zijnde College voor de rechten van de mens.
Gelet op de grondwettelijke vrijheid van onderwijs en de eigen verantwoordelijkheid van scholen (autonomie en professionaliteit) is het aan de onderwijsinstellingen zelf om te bepalen hoe en op welke wijze de kinderombudsman en het College hieraan invulling kunnen geven.
De opkomsttijd van de brandweer in de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom wil de veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost op termijn de opkomsttijd voor de brandweer verhogen van acht naar tien minuten?1
Het bestuur van elke veiligheidsregio dient zich te houden aan de wettelijke regels voor het bepalen van dekkingsplannen en de daarin vastgestelde normtijden voor de brandweer. Artikel 3.2.1 van het Besluit veiligheidsregio’s stelt het bestuur van de veiligheidsregio in staat om voor een bepaalde locatie een opkomsttijd vast te stellen die afwijkt van de tijdsnorm uit het Besluit veiligheidsregio’s. Deze afwijkingsmogelijk is ingesteld om het bestuur van de veiligheidsregio een brandveiligheidsafweging te kunnen laten maken. Het bestuur van de veiligheidsregio mag ervoor kiezen om af te wijken van de opkomsttijden en een bestuurlijke afweging te maken in de kosten en baten. Indien het bestuur van de VR voor bepaalde locaties opkomsttijden vaststelt die afwijken van de Wet, dan dient het zowel de keuze van de locatie en de mate van afwijking te motiveren en moet het de compenserende maatregelen inzichtelijk maken.
De veiligheidsregio Brabant-Zuidoost constateert knelpunten bij het halen van de opkomsttijden zoals die zijn vastgelegd in het Besluit veiligheidsregio’s. In dit kader is de veiligheidsregio genoodzaakt om hun brandweerbeleid onder de loep te nemen. De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft daarom aangegeven in de komende jaren te willen investeren in het bevorderen van brandveiligheidbewustzijn bij burgers en activiteiten te ontplooien, gericht op het voorkomen van brand en ongevallen bij brand. Daarnaast wordt de kwaliteit van het repressief optreden verbeterd door te investeren in innovatie en vakmanschap. Dit alles is in lijn met de landelijke visie zoals die is verwoord in»De Brandweer Over Morgen»3. De overtuiging in Brabant- Zuidoost leeft dat met risicoreductie en kwaliteitsverbetering meer effect wordt bereikt dan door te sturen op opkomsttijden alleen.
Indien de bovengenoemde inspanningen in het licht van «De Brandweer Over Morgen» het gewenste effect opleveren, dan zal het bestuur van de veiligheidsregio de discussie opnieuw voeren over het mogelijk afwijken van de opkomstnormen uit de Wet. Het voor objecten (gemotiveerd) verhogen van de opkomsttijd is een optie, zoals hierover geschetst, maar dat dat niet generiek mag gebeuren is de veiligheidsregio duidelijk.
Waarom is dit verenigbaar met het Besluit veiligheidsregio’s2 en de afspraken die daarin over de opkomsttijden zijn gemaakt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost opnieuw te wijzen op dit besluit, zodat van verdere uitwerking van het plan om de opkomsttijden op te rekken, geen sprake hoeft te zijn?
Indien de veiligheidsregio wil afwijken van de door de Minister van Veiligheid en Justitie gestelde opkomstnormen, dan dient het bestuur te voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de afwijkingsmogelijkheid. Dat betekent dat in een bestuurlijk geaccordeerd dekkingsplan de locatie en mate van afwijking dienen te zijn gemotiveerd en dat compenserende maatregelen inzichtelijk zijn gemaakt. In de Wet veiligheidsregio’s en het Besluit veiligheidsregio’s staan deze bepalingen opgenomen. Uit gesprekken met de veiligheidsregio is gebleken dat men van deze bepalingen op de hoogte is.
Overigens wijs ik u op de brief4 aan Uw Kamer over het onderzoek dat de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) op aangeven van de Minister van Veiligheid en Justitie is gestart naar de daadwerkelijke opkomsttijden en dekkingsplannen van alle veiligheidsregio’s. Dat onderzoek moet in februari 2012 gereed zijn en u wordt te zijner tijd over de uitkomsten ervan geïnformeerd.
Deelt u de mening dat afwijking van de opkomsttijden alleen in specifiek omschreven en gemotiveerde gevallen mogelijk is en van een algemene verhoging van de opkomsttijden met twee minuten geen sprake kan zijn?
Zie ook mijn antwoord op vraag 1 en 2: De afwijkingsmogelijkheid voor het bestuur van elke veiligheidsregio is gebonden aan een aantal voorwaarden en dient gemotiveerd te zijn: Zowel de locatie alsook de mate van afwijking moeten inzichtelijk gemaakt zijn. Bovendien moet sprake zijn van compenserende maatregelen om het veiligheidsniveau gelijkwaardig te houden. Per 1 juli 2011 moeten alle veiligheidsregio’s beschikken over een risicoprofiel, een beleidsplan en afgeleide daarvan een regionaal dekkingsplan. Daarin staan voor de brandweer geldende opkomsttijden en een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen, noodzakelijk om daaraan te kunnen voldoen (artikel 14 van de Wet veiligheidsregio’s). Met de afwijkingsbevoegdheid uit het Besluit veiligheidsregio’s is het niet mogelijk dat de opkomsttijden generiek en voor de hele veiligheidsregio naar boven worden bijgesteld. Het bestuur kan er wel toe besluiten om af te wijken in het geval van specifieke locaties, indien voldoende gemotiveerd.
Kinderen van ouders met psychische en verslavingsproblemen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de TV-uitzending1 gezien waarin de vrees wordt uitgesproken dat de zorg voor kinderen van ouders met verslaving en/of psychische problemen niet overal beschikbaar is en zelfs wordt wegbezuinigd?
Ja.
Deelt u nog steeds de mening dat preventieve hulp aan deze kinderen belangrijk is, zodat deze kinderen worden ondersteund in deze moeilijke omstandigheden en ontstaan van problemen voor de kinderen te voorkomen?
Ja. We weten dat kinderen van ouders met psychische en verslavingsproblemen een groter risico op geestelijke gezondheidsproblemen lopen. Zij hebben baat bij vroegtijdige hulp. Daarom is een voldoende gevarieerd aanbod voor deze doelgroep ontwikkeld. Ik vind het belangrijk dat de preventieve hulp voor deze groep kinderen goed geregeld is.
Erkent u nog steeds het positieve effect van preventieve hulp aan kinderen van ouders met psychische en/of verslavingsproblemen?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich uw toezegging tijdens het vragenuur van 22 maart 2011 namelijk dat u garandeert dat alle kinderen waarvan de ouders ernstige psychische en/of verslavings problemen hebben preventief hulp krijgen?
Tijdens het mondelinge vragenuur van 22 maart 2011 heb ik toegezegd na te zullen gaan waar problemen met de financiering van het KOPP-/KVO-aanbod zich voordoen. Ook heb ik toegezegd te kijken of het mogelijk is om goede voorbeelden te koppelen aan plaatsen waar het minder goed gaat. Daarom heb ik het Trimbos Instituut gevraagd een inventarisatie te doen. In mijn brief van 5 september jl. heb ik u over de resultaten hiervan geïnformeerd. Uit de inventarisatie van het Trimbos Instituut blijkt uit de beschikbare gegevens dat in de afgelopen jaren geen sprake is geweest van een structurele toe- of afname van het bereik van de doelgroep. Zoals toegezegd in mijn brief van 5 september jl. ben ik inmiddels in gesprek met de VNG om de communicatie richting gemeenten over het KOPP-/KVO-aanbod vorm te geven. Of alle kinderen in elke gemeente KOPP/KVO-hulp krijgen, weet ik niet. Wel bekijk ik hoe we goede voorbeelden kunnen koppelen aan plaatsen waar dat aanbod (zo goed als) ontbreekt.
Waaruit blijkt dat alle kinderen in elke gemeente deze hulp krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om het wegbezuinigen van deze preventieve vorm van zorg voor kinderen tegen te gaan en hulp te blijven garanderen, ondanks de bezuinigingen in de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ)?
Uit de inventarisatie van het Trimbos Instituut blijkt dat er momenteel bij de zorgaanbieders enige onzekerheid over de financiering in de nabije toekomst bestaat, maar of dit daadwerkelijk tot minder preventieve hulp voor deze doelgroep gaat leiden, is niet te zeggen. We monitoren dat al wel. Naar verwachting komt in oktober 2011 de monitor «Aard en omvang GGZ- en verslavingspreventie 2010» uit. Deze wordt door ons gefinancierd. De monitor bevat onder meer gegevens over de financiering. In het regeerakkoord is afgesproken dat de jeugdzorg naar gemeenten wordt gedecentraliseerd. Dat biedt gemeenten bij uitstek de mogelijkheid om samenhangend beleid te voeren. En preventief ingrijpen ligt dan ook meer voor de hand.
Is u bekend dat de ondersteuning van kinderen, waarvan de ouder(s) in de gevangenis zit(ten), niet overal wordt verleend en dat hierdoor kinderen de dupe worden van hun ouders? Wat is uw oordeel? Wat gaat u hieraan doen?
Tijdens het vragenuur van 22 maart 2011 is ook de hulp aan kinderen van ouders in detentie aan de orde gekomen. Betrokken partijen pakken dit goed op. Wanneer een verzorgende ouder in detentie genomen wordt, wordt in alle gemeenten sinds vorig jaar door de politie gecontroleerd of er minderjarige kinderen in het gezin wonen. Wanneer bij de check door de politie blijkt dat er sprake is van de aanwezigheid van kinderen waarvoor vermoedelijk geen adequate zorg geregeld is, meldt de politie dat bij bureau jeugdzorg. Bureau jeugdzorg neemt dat signaal op als een crisismelding en gaat daar mee aan de slag. Het toetst of er opvang is voor de kinderen en beoordeelt of deze opvang adequaat is. Zo nodig regelt het direct opvang voor deze kinderen. Dat kan zijn in het netwerk van de moeder, of als daar geen mogelijkheden zijn in een vervangende situatie, bijvoorbeeld een crisispleeggezin.
Naast deze werkwijze door politie en de bureaus jeugdzorg zijn er goede afspraken gemaakt voor zorgvuldig overleg tussen de Medewerker Maatschappelijke Dienstverlening van de penitentiaire inrichting en de contactpersonen van de gemeenten, zowel voorafgaand aan detentie (met name voor zelfmelders) als ter voorbereiding op de nazorg. Dankzij de kindcheck komen zowel de gedetineerde moeders als hun kinderen in beeld bij de gemeente. De gemeente beschikt zowel vóór, tijdens als na detentie van moeders over de mogelijkheden om voor het gezin hulp te organiseren. Dat kan verlopen via het casusoverleg van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), het Veiligheidshuis, de school, leerplichtzaken en het Algemeen Maatschappelijk Werk. Indien zwaardere zorg nodig is, wordt bureau jeugdzorg ingeschakeld.
Het bericht “Politie heeft geen zicht op wapenvergunningen” |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «politie heeft geen zicht op wapenvergunningen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het voor de politietop van cruciaal belang is om over een accuraat en volledig overzicht van de verleende wapenvergunningen te beschikken en te weten wat de resultaten zijn van de controles die worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u ook de mening dat de huidige situatie onacceptabel is?
Het is inderdaad belangrijk dat de politie over een volledig overzicht van alle verleende wapenvergunningen kan beschikken. Uw vraag raakt aan één van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV). Ik vind dat de verantwoordelijken over goede sturingsinformatie dienen te beschikken. In mijn beleidsreactie op dit rapport ben ik uitgebreider in gegaan op dit onderdeel. Deze beleidsreactie is op 27 oktober naar u toegezonden.
Is er naar aanleiding van het rapport van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) uit 2009 een hoofdverantwoordelijke benoemd om de geconstateerde gebreken zo spoedig mogelijk tot het verleden te laten behoren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer precies en wie?
Het rapport «Vuurwapens weg?» van de IOOV betreft een onderzoek naar de afhandeling van vuurwapens en munitie door politie en OM. Centraal stond dat het proces van afhandeling van vuurwapens, vanaf het moment van aantreffen van het vuurwapen tot opslag en vernietiging van ingenomen en in beslag genomen vuurwapens buitengewoon zorgvuldig dient te gebeuren vanwege de opsporings- en veiligheidsbelangen die er mee gemoeid zijn. De IOOV heeft in het onderzoek inderdaad geconstateerd dat de registraties bij de verschillende ketenpartners tezamen geen volledige verantwoordingsinformatie voor het hele proces opleveren. Dit betreft echter een andere taak van de politie dan het verlenen van wapenverloven, de registratie hiervan en het toezicht hierop.
Onder verantwoordelijkheid van de Korpsbeheerders zijn de aanbevelingen uit het rapport «Vuurwapens weg?» opgepakt. Op 1 april jl. is het Beslag-Interventieteam (BIT) ingericht om de in beslagname van verdovende middelen en die van vuurwapens & munitie bij de politie op orde te krijgen. Inmiddels is er een protocol vastgesteld voor de inbeslagname van vuurwapens & munitie. Onderdeel hiervan vormt ook de registratie van in beslag genomen vuurwapens & munitie. Het BIT begeleidt de implementatie van de protocollen in de korpsen. De implementatie van het protocol vuurwapens & munitie was op 1 oktober jl. bij acht van de zesentwintig korpsen volledig afgerond. De korpsbeheerders en korpschefs van de overige korpsen zijn opgeroepen ervoor te zorgen dat het protocol alsnog zo spoedig mogelijk wordt geïmplementeerd.
Wanneer precies is de werkgroep die bezig is met het inventariseren van de behoefte aan managementinformatie in het leven geroepen? Wat heeft de werkgroep tot nu toe geconcludeerd? Zijn er bijvoorbeeld reeds concrete aanbevelingen gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen bent u voornemens te nemen om ervoor te zorgen dat het systeem «Verona» naar behoren functioneert en de informatiehuishouding niet langer versnipperd en onvolledig is, maar voor eens en altijd op orde zal zijn? Op welke termijn?
De geconstateerde zwakheden in het Veronasysteem als het gaat om het generen van managementinformatie hebben aanleiding gegeven tot concrete verbetervoorstellen die deel zullen uitmaken van de besluitvorming over het ICT jaarplan 2012.
Het bericht dat niet alle slachterijen de verplichte BSE-test uitvoeren |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Slachterijen negeren verplichte BSE-test»?1
Ja, ik heb u, mede namens de Staatssecretaris van EL&I, over dit onderwerp al geïnformeerd via de brief van 30 augustus 2011 inzake «Interne audit nVWA naar 17 kleine en middelgrote slachterijen» (TK 26 991, nr. 320).
Hoe groot is het risico op besmet vlees door deze grove nalatigheid?
De directeur van het Bureau Risicobeoordeling (BuRO) van de nVWA heeft in zijn advies hierover aangegeven dat het risico dat er besmet vlees in de voedselketen is terechtgekomen verwaarloosbaar klein is. Alle niet geteste runderen zijn namelijk na 2001 geboren. In Nederland is nog nooit BSE vastgesteld bij runderen die na 2001 zijn geboren. De risicoanalyse van Bureau Risicobeoordeling is te vinden op de website van de nVWA (onder BuRO).
De nVWA heeft direct maatregelen genomen tegen de betrokken bedrijven. Vanwege de niet uitgevoerde BSE-testen zijn 4 bedrijven geschorst. Bij 3 van deze bedrijven mochten de slachtwerkzaamheden na herstelacties weer worden hervat. In één geval loopt een strafrechtelijk onderzoek. Voor meer informatie verwijs ik u naar de hierboven genoemde brief aan uw Kamer.
Waarom is niet al het ongeteste vlees achterhaald en vernietigd?
Na constatering van de onterecht niet uitgevoerde BSE testen heeft de nVWA de bedrijven gesommeerd een zogenaamde recall uit te voeren. Omdat de volksgezondheidsrisico’s verwaarloosbaar klein waren is de recall proportioneel uitgevoerd. Dit wil zeggen dat geen producten bij de retail of consument zijn teruggehaald. Het resultaat van de recall was beperkt omdat het meeste vlees niet meer op de markt aanwezig was en naar alle waarschijnlijkheid al was geconsumeerd.
Welke sancties krijgen de betrokken slachterijen opgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitleggen in welk opzicht het toezicht op de slachterijen in de afgelopen jaren verbeterd is?
Hierbij wil ik u verwijzen naar de brief van de Staatssecretaris van EL&I van 30 augustus 2011 inzake «Vanthemsche II», waarin het rapport «Vervolgaudit aangaande het functioneren van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) inzake de controle op slachtplaatsen en exportverzamelplaatsen » van de auditcommissie onder leiding van de heer dr. P. Vanthemsche is aangeboden aan de Tweede Kamer (TK 26 991, nr. 321).
Hierin is ook aangegeven hoe het toezicht en de handhaving op kleine en middelgrote slachterijen verder zal worden aangescherpt.
De chaos bij het UWV |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «totale chaos bij het UWV»?1
Ik heb kennisgenomen van het genoemde artikel. Het artikel is opgesteld op grond van een rapport over het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat de Nationale ombudsman (No) op 19 augustus 2011 heeft gepubliceerd. In dit rapport stelt de No vast dat UWV in het geval van één individuele uitkeringsgerechtigde, er niet in is geslaagd betrokkene voldoende duidelijkheid te verschaffen over de zeer complexe uitkeringspositie. De No stelt dat de oorzaak hiervan ligt in het feit dat de ICT-systemen van de verschillende UWV-kantoren niet matchen. De No concludeert dat de informatievoorziening vanuit UWV ontoereikend is.
UWV heeft in deze zaak niet goed gecommuniceerd. De complexiteit van de zaak ten spijt mag het niet gebeuren dat er wijzigingen worden doorgevoerd in de hoogte of uitbetaling van een uitkering zonder dat UWV daar de klanten over informeert. Ook had UWV de gevraagde uitleg aan betrokkene moeten geven. In zoverre worden de conclusies van de No door UWV en mij onderschreven.
Ik hecht er aan te melden dat de door de No beoordeelde casus geen representatief beeld geeft van de gang van zaken bij UWV. Per jaar behandelt UWV vele honderdduizenden uitkeringen in verband met de werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Daarin neemt UWV jaarlijks ruim één miljoen beslissingen. In een klein deel hiervan gaat het om beslissingen over samenloop van meerdere uitkeringsrechten. Het handelt hier vaak om complexe beoordelingen. Het voert te ver op basis van één concrete zaak te spreken van «totale chaos». Ik constateer dat deze kwalificering niet wordt gebruikt door de No. De No nuanceert het in de media geschetste beeld ook getuige een interview op 29 augustus 2011 in het radio 1 programma «Goedemorgen Nederland».2
Is het waar dat cliënten soms met verschillende kantoren te maken hebben waarvan de administratiesystemen niet met elkaar kunnen communiceren? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Klanten van UWV hebben soms te maken met verschillende UWV-kantoren, die voor verschillende uitkeringen aparte uitkeringssystemen hanteren. Alle kantoren maken gebruik van hetzelfde ZW-systeem en hetzelfde systeem voor de WW. Met betrekking tot arbeidsongeschiktheid gebruiken UWV- kantoren nu nog één van twee beschikbare uitkeringssystemen. Deze systemen zijn niet met elkaar verbonden. Als gevolg hiervan gebeurt het onderkennen van samenloop van verschillende uitkeringsrechten handmatig door UWV-medewerkers. Hiervoor maken zij gebruik van de polisadministratie, waarin alle uitkeringsrechten, ongeacht het systeem waarin ze worden beheerd, kunnen worden geraadpleegd.
Vanaf 1 januari 2012 worden de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen beheerd in één uitkeringssysteem dat op alle kantoren zal worden gehanteerd. Het onderkennen van situaties waarin meerdere van deze uitkeringsrechten naast elkaar bestaan, wordt hiermee eenvoudiger. Tevens wordt het hiermee eenvoudiger te onderkennen of er op meerdere kantoren uitkeringen worden uitbetaald.
Met ingang van 1 januari 2012 komt er ook een eind aan de werkwijze waarbij betalingen van verschillende soorten uitkeringen (bijvoorbeeld WW en WAO) bij elkaar worden gevoegd. Wanneer één klant verschillende uitkeringen van UWV ontvangt, worden deze bijeengevoegd en tegelijk uitbetaald. Doordat uitkeringen een eigen betalingsfrequentie hebben, vindt een deel van de betalingen op voorschotbasis plaats.3 Deze systematiek maakt latere afrekening noodzakelijk. Vanaf 1 januari 2012 worden bij de samenloop de uitkeringen apart uitbetaald conform de betalingsfrequentie van de betreffende uitkering, elk vanuit het eigen uitkeringssysteem. Dit komt de overzichtelijkheid voor de klant ten goede.
Wat is uw reactie op het oordeel van de Nationale Ombudsman2 dat, als het UWV-kantoor in Heerlen betrokken is bij het verstrekken van een uitkering, de problemen bijna niet meer te overzien zijn?
De No stelt dat de oorzaak van de ontoereikende informatievoorziening ligt in het feit dat de ICT-systemen van de verschillende UWV-kantoren niet matchen. Dit geldt in het bijzonder voor kantoor Heerlen. Dit kantoor, dat de uitkeringen van overheids- en onderwijspersoneel verzorgt, werkt met andere systemen en aanvullende regelingen die niet matchen met de systemen van de overige UWV kantoren, aldus de No. Kantoor Heerlen maakt nu nog gebruik van een door het voormalig USZO ontwikkeld systeem voor de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Doordat UWV, zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb verwoord, met ingang van 1 januari 2012 overgaat op één landelijk uitkeringsysteem voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen doet het probleem dat het uitkeringssysteem van kantoor Heerlen niet communiceert met andere UWV kantoren zich niet meer voor.
Kunt u uitgebreid reageren op de het rapport van de Nationale Ombudsman van 19 augustus 2011 en hierbij uw oordeel geven over de wijze van actieve informatieverstrekking door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)?2
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze bent u voornemens om de problemen, die in het rapport naar voren komen, in de toekomst uit te sluiten?
In mijn antwoord op vraag 2 ben ik al ingegaan op verbeteringen met betrekking tot de ICT-systemen. Een belangrijk deel van de problemen in de casus van de ombudsman is evenwel ontstaan door een menselijke fout. Ten onrechte is samenloop van verschillende uitkeringen niet onderkend, waardoor het helaas voor betrokkene is misgelopen en de situatie is ontstaan zoals in het rapport van de No is beschreven.
De No adviseert om bij complexe samenloopgevallen klanten snel in contact te brengen met ter zake kundige medewerkers. Op dit moment zijn er al speciale teams ingericht op elk kantoor waar mensen terechtkunnen als er sprake is van meerdere gelijktijdige uitkeringen. In deze zogenaamde «samenloopteams» worden de uitkeringen beheerd. Er is kennis aanwezig van alle uitkeringen van de betrokkene. In 2011 heeft UWV daarnaast, naar voorbeeld van de Stella-teams bij de Belastingdienst, een werkwijze geïmplementeerd waarbij complexe en schrijnende situaties vroegtijdig gesignaleerd worden. Voor de oplossing van dergelijke cases worden speciale opgeleide multidisciplinaire teams ingezet die, in samenwerking met Belastingdienst en gemeenten, snel een passende interventie uit kunnen voeren.
UWV werkt actief aan de verbetering van de dienstverlening en communicatie. Aan de hand van de acht meest voorkomende interventies van de No bij UWV onderzoekt UWV samen met de No de verbetermogelijkheden. UWV en No onderschrijven dat de hierbij sprake is van een constructieve samenwerking.5
Landelijke regels voor de aanpak van uitbraken van antibioticaresistente bacteriën |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Coutinho: Ziekenhuis moet bacterie-uitbraak melden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er landelijk regels gesteld moeten worden voor ziekenhuizen waar een besmetting met een antibioticaresistente bacterie wordt vastgesteld? Zo nee, waarom niet, nu herhaaldelijk is gebleken dat ziekenhuizen niet altijd adequaat op zo’n besmetting reageren, waardoor er onnodig veel mensen besmet worden? Zo ja, welke regels wilt u stellen, en bent u bereid deze regels zo snel mogelijk op te leggen?
De toenemende antibioticaresistentie is een punt van zorg. Daarom wil ik een extra waarborg inbouwen zodat we in Nederland zeker weten dat er in geval van uitbraken met dit soort gevaarlijke resistente bacteriën door de betrokkenen juist wordt gehandeld. Daarbij moet snel het probleem worden onderkend, snel worden gehandeld en indien nodig snel expertise van buiten worden betrokken. Ik overweeg hiervoor een extra ondersteuningsstructuur op te laten zetten, die snel kan helpen met de aanpak. Over de vorm van deze ondersteuning wordt op dit moment gesproken met de IGZ en de betrokken beroepsgroepen. Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM heeft hierbij het voortouw. Ik zal u hier zo spoedig mogelijk over informeren.
Het inbouwen van deze waarborg is het doel. Het instellen van een wettelijke meldplicht is voor mij geen doel op zich. Het gaat om de acties en de bevoegdheden die nodig zijn om te kunnen handelen.
Samen met de beroepsgroepen en de IGZ zal er bovendien worden gekeken of de huidige richtlijnen en protocollen aangescherpt moeten worden en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Deelt u de mening dat er een meldplicht voor ziekenhuizen ingesteld moet worden zodat er direct meegekeken kan worden of de aanpak van de besmetting succesvol is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u dit regelen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er op dit moment overlegd wordt over het instellen van een meldplicht voor ziekenhuizen? Zo ja, wanneer zal dit overleg naar verwachting afgerond worden, en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dit overleg?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of en zo ja welke landelijke richtlijnen er bestaan over hoe te handelen bij besmetting met MRSA/ESBL van patiënten in ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
De Werkgroep Infectiepreventie (WIP), een samenwerkingsverband van medische professionals op het gebied van infectiepreventie en ziekenhuishygiëne, maakt richtlijnen om verspreiding van infecties tegen te gaan. Voorbeelden hiervan zijn de MRSA-richtlijn en de richtlijn bijzonder resistente micro-organismen (BRMO). De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) beschouwt deze richtlijnen als professionele standaarden en ziet toe op de naleving. Eén van deze richtlijnen is de MRSA-richtlijn, waarvan het search en destroy beleid onderdeel is. Door het naleven wordt de verspreiding van (multi)resistente bacteriën naar andere patiënten voorkomen.
Deelt u de mening dat besmetting van ziekenhuispatiënten met multiresistente bacteriën een zodanige bedreiging voor de volksgezondheid vormt, dat dit op korte termijn te ontwikkelen meer adequaat preventie-, opsporings- en handhavingsbeleid vergt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dergelijk beleid ontwikkelen?
Zie antwoord vraag 2.
Het schrappen van duizenden ID en WIW-banen bij gemeenten |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt uw uitspraak dat «150 000 tot 200 000 van de ongeveer 355 000 mensen in de bijstand kunnen werken» zich tot het ontslag van duizenden werknemers met een in- en doorstroombaan (ID) Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) baan in o.a. Amsterdam, Den Haag, Nijmegen, Haarlem, Groningen, Roosendaal en Arnhem?1 2
De regering vindt dat iedereen die kan werken, moet werken. Iedereen moet er dan ook alles aan doen om dat werk te verwerven en is hier in de eerste plaats zelf voor verantwoordelijk. Waar nodig kunnen gemeenten ondersteuning bieden. Gemeenten zijn in hoge mate vrij om die instrumenten in te zetten die nodig zijn. Dat loopt van opleidingen en leerwerkplekken tot begeleiding op de werkvloer.
In 2004 is – voortvloeiend uit de in het Convenant Gesubsidieerde Arbeid 2003 vastgelegde afspraken – de regeling voor gesubsidieerde arbeid afgeschaft en zijn de hiermee gemoeide middelen in het werkdeel WWB opgenomen. Om de overgang van ID-banen naar reguliere arbeid te stimuleren is toentertijd rijksbreed € 170 mln. beschikbaar gesteld. Gesubsidieerde arbeid is kostbaar en legt een relatief groot beslag op het re-integratiebudget. Mede om die redenen heeft een groot aantal gemeenten sindsdien het volume gesubsidieerde arbeid (bijna) volledig afgebouwd. Deze afbouw is weergegeven in onderstaande grafiek.
Bron: CBS, Statistiek Re-integratie Gemeenten
Wegens de decentralisatie is het aan de gemeenten in hoeverre en in welk tempo zij de gesubsidieerde arbeid afbouwen. Zij leggen over hun beleid verantwoording af aan de gemeenteraad, niet aan het Rijk. Er zijn daarom geen gedetailleerde gegevens beschikbaar over functies, instellingen of aantallen. Op macroniveau was eind 2010 sprake van 7 700 gesubsidieerde arbeidsplaatsen.
Kunt u een overzicht geven van het totaal aantal gemeenten, aantallen ID-/Wiw-ers, functies, instellingen en ontslagen? Zo nee, waarom niet en kunt u dat in ieder geval doen voor onder vraag 1 genoemde gemeenten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de consequenties van het schrappen van ID-banen voor de instroom in andere uitkeringen zoals de WW, bijstand en de wajong (voor genoemde gemeenten)? Wat zijn de consequenties voor de aanspraak op toeslagen en armoederegelingen zoals huurtoeslag en bijzondere bijstand? Wat zijn de consequenties voor maatschappelijke instellingen zoals buurthuizen, scholen, sportverenigingen, culturele instellingen en hun activiteiten in buurten? Bent u bereid een maatschappelijke kosten- en batenanalyse te maken van de kosten die gemoeid zijn met een gesubsidieerde baan of een bijstandsuitkering? Zo nee, waarom niet?
De afbouw van gesubsidieerde arbeid vindt plaats sinds 2004. De wijze van afbouw van WIW en ID-banen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Het is aan de betrokkenen zelf en instellingen waar zij werkzaam zijn, om tijdig te anticiperen op maatregelen die gemeenten hebben getroffen of zullen treffen. Mensen kunnen zich uiteraard wenden tot gemeenten/werkpleinen voor ondersteuning bij het vinden van werk.
Deelt u de mening dat het ontslag van deze ID’ers zal leiden tot een hogere werkeloosheid omdat velen momenteel geen enkele kans maken vanwege leeftijd en/of beperkingen op de zogenoemde reguliere arbeidsmarkt? Zo ja, wilt u zich inspannen om samen met gemeenten, vakbonden en werkgevers deze banen te behouden en om te zetten in duurzame, reguliere banen? Zo nee, waar baseert u dat op? Mogen mensen die toch werkeloos raken dan bij u aankloppen voor een baan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze werknemers, met vaak jarenlange werkervaring, niet een plek achter de geraniums of in de armoede, maar een eerlijke baan voor een eerlijk loon verdienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties gaat u ondernemen om dat te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat geen enkele werknemer – vanwege het schrappen van de ID-banen of WIW-banen – in een uitkeringssituatie terecht komt of onder het minimumloon komt te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om in overleg met gemeenten, werkgevers en vakbonden ons te informeren over de resultaten?
Werknemers zijn primair zelf verantwoordelijk voor het vinden van een geschikte baan. Gemeenten en werkpleinen kunnen hierbij ondersteunen. Het gaat hierbij dus niet om het geven van garanties, maar om het – waar nodig met hulp vanuit de gemeente – recht doen aan de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene.
Hoe groot is de bezuiniging op het re-integratiebudget van gemeenten in 2012, 2013, 2014 en 2015? Kunnen gemeenten het re-integratiebudget inzetten om de ID-banen te behouden totdat deze werknemers een reguliere baan met een eerlijk loon hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk deel zou vanaf invoering van de Wet werken naar vermogen (Wwnv), besteed moeten worden om het loon van werknemers met een SW-contract conform CAO-SW te financieren
Het kabinet is van mening dat de re-integratiemiddelen efficiënter en effectiever kunnen worden ingezet. Vanaf 2013 zal de regering de huidige re-integratiebudgetten voor Wajong, Wsw en WWB samenvoegen in een gebundeld re-integratiebudget. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vormgeven van het re-integratie- en uitstroombeleid en de inzet van participatiemiddelen. De gemeenten behouden derhalve ook de mogelijkheid om gesubsidieerde arbeid in te zetten als één van de instrumenten voor de toeleiding naar werk. In onderstaande tabel is – zoals uw Kamer eerder is gemeld – de besparing weergegeven.
2012
2013
2014
2015
structureel
Gerichte re-integratie en begeleiding ontschotte WWB, Wsw en Wajong
– 400
– 490
– 620
– 690
– 500
Hoeveel ID-ers en Wiw-ers zijn in de periode 2000 tot en met 2011 uitgestroomd naar een reguliere baan op het totaal aantal ID-ers en Wiw-ers (in absolute aantallen en percentages)?
Zie antwoord op vragen 1 en 2
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg over arbeidsmarktbeleid van 7 september a.s. te beantwoorden?
Ja.
Het intact blijven van het salaris van de korpschefs |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht over het intact blijven van het salaris van de korpschefs? Klopt dit bericht feitelijk? Zo nee, wat klopt er niet?1
Ja.
Het bericht klopt feitelijk niet wanneer gesteld wordt dat hoge politieambtenaren hun baan verliezen, maar wel hun inkomen behouden en minder verantwoordelijkheden hebben. Voor alle topfunctionarissen waarvan de huidige functie binnen het huidige bestel komt te vervallen, zal een passende functie gezocht worden binnen het nieuwe nationale bestel. De politierechtspositie biedt vervolgens weliswaar een generiek vangnet voor iedere politieambtenaar wanneer iemands functie door een reorganisatie zou komen te vervallen, bijvoorbeeld met betrekking tot de salarisschaal en de rang. Dit vangnet geldt niet per definitie voor alle verworven toelagen. Het is daarom feitelijk onjuist om te stellen dat de inkomens van de politietop in tact blijven.
Deelt u de mening dat er in het nieuwe bestel sprake moet zijn van «beloning naar werk» en dat dit dus ook geldt voor hoge politieambtenaren die, als gevolg van de reorganisatie, iets anders bij de politie gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Het is mijn voornemen om de gehele politietop binnen afzienbare tijd onder de werking van het nieuwe arbeidsvoorwaardenbeleid te brengen. Dat betekent dat, in relatie tot het onder de beantwoording van vraag 1 genoemde vangnet, er een andersluidende afspraak met de politiebonden gemaakt moet worden over het overgangsrecht. Ik zal dit punt inbrengen in het overleg met de bonden.
Kunt u precies aangeven van welke toelagen, beloningen, uitkeringen, vergoedingen en/of andere regelingen de huidige korpschefs en andere hoge politieambtenaren genieten, dus in aanvulling op de voor hun huidige functie geldende waardering? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend variëren de toegekende arbeidsvoorwaarden per functionaris. De toelagen waarop men aanspraak kan maken zijn vastgelegd in de voor iedere politieambtenaar geldende politierechtspositie, zoals het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Voor het verkrijgen van nader inzicht in de beloningen van de korpschefs en hun plaatsvervangers verwijs ik u naar het onderzoek van de Rijksauditdienst inzake de rechtmatigheid van de beloningen voor de politietop (zie Kamerstuk 29 628, nr. 209, vergaderjaar 2009–2010, inclusief 2 bijlagen).
In mijn werkgeversinzet voor een nieuw arbeidsvoorwaardenbeleid voor de politietop ben ik voornemens om het aantal toelagen en de omvang daarvan aanzienlijk in te perken.
Kunnen wij ervan uitgaan dat u, met de inrichting van het nieuwe functiegebouw, niet zal toestaan dat politiefunctionarissen opnieuw de kans krijgen hun, overeenkomstig de nieuwe functiewaardering, vastgestelde salaris weer op te krikken met allerlei (oneigenlijke) beloningen, toelagen, uitkeringen, vergoedingen etc.? Zo nee, waarom niet?
Het nieuwe functiegebouw voorziet niet in het veranderen van aanspraken op vergoedingen en toelagen. In mijn werkgeversinzet voor een nieuw arbeidsvoorwaardenbeleid voor de politietop ben ik voornemens om het aantal toelagen en de omvang daarvan aanzienlijk in te perken.
Deelt u de mening dat niets zich ertegen verzet om functiegebonden toelagen (en/of anderszins) in te trekken als men in het nieuwe politiebestel niet meer de functie vervult waaraan die toelage is gerelateerd? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik aangezien dit ook conform de politierechtspositie is. Toelagen, zoals werving en behoud, zijn immers functie- en situatiegebonden en worden alleen toegekend zolang men de betreffende functie vervult of de specifieke situatie – die aanleiding was voor toekenning – nog bestaat.
Bent u, met het oog op eventuele problemen ten aanzien van bestaande rechtsposities, bereid te onderzoeken of de extra inkomensbestanddelen in alle opzichten rechtmatig zijn, en zo niet, deze te ontnemen?
De rechtmatigheid van de huidige toegekende beloningen voor de politietop is onderzocht door de Rijksauditdienst. Met uw Kamer is in april uitvoerig gesproken over de gevolgen van de uitkomsten van het RAD-onderzoek. Duidelijk was dat de overgrote meerderheid van de toekenningen in overeenstemming was met de geldende rechtspositie. Voor wat betreft de toekenningen waarvoor geen rechtvaardiging te geven was, heb ik maatregelen getroffen, zie daarvoor mijn brief aan de Tweede Kamer van 27 april 2011 (vergaderjaar 2010–2011, 29 628, nr. 247). Op basis daarvan zie ik geen aanleiding een en ander opnieuw te (laten) onderzoeken.
Bent u, met het oog op eventuele problemen ten aanzien van bestaande rechtsposities, bereid alle aan de oude functie verbonden toelagen, uitkeringen, vergoedingen in te trekken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u, met het oog op eventuele problemen ten aanzien van bestaande rechtsposities, bereid het salarisniveau te bevriezen totdat het niveau is bereikt waarop men op basis van de nieuwe verworven functie aanspraak kan maken en zodoende geen automatische salarisverhogingen meer toe te kennen?
Het is mijn streven om, indien de nationale politie daadwerkelijk een feit is, iedere ambtenaar behorend tot de politietop onder de werking van het nieuwe arbeidsvoorwaardenbeleid voor de politietop te brengen. Ik zal hiervoor een separate afspraak met de bonden moeten maken, zie daarvoor mijn antwoord op vraag 3 en 7.
Bent u, met het oog op eventuele problemen ten aanzien van bestaande rechtsposities, bereid om van de diegenen die in het nieuwe bestel niet langer een toppositie bekleden, een reële arbeidsprestatie te vragen voor het daar tegenoverstaande salaris en zodoende de betreffende politieambtenaren niet met behoud van salaris op een zijspoor te zetten (zoals het geval was bij de politiereorganisatie in 1994)?
Voor iedere ambtenaar behorend tot de politietop, waarvan de huidige functie komt te vervallen, zal een passende functie worden gezocht binnen het nieuwe bestel of zonodig daarbuiten. Op basis van het overgangsrecht wat ik met de politiebonden wil gaan afspreken, wordt iedere topambtenaar onder de werking van het nieuwe beleid gebracht. Vanzelfsprekend is het volledige inkomen dat aan de betreffende ambtenaar wordt toegekend, binnen de normen van dat beleid en gekoppeld aan de te bekleden functie alsmede aan de waardering van die functie.
De procedures rondom erkenning en gezag over kinderen geboren buiten het huwelijk |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom krijgt de moeder van het kind dat buiten het huwelijk, wordt geboren automatisch het gezag over het kind, maar de man die het kind erkend heeft niet?
De vrouw uit wie een kind is geboren, is door geboorte de juridische ouder van en verkrijgt van rechtswege het gezag over haar kind, tenzij zij ten tijde van de bevalling onbevoegd was tot gezag omdat zij bijvoorbeeld minderjarig was (artt. 198 en 253b Boek 1, Burgerlijk Wetboek (BW)). De zwangerschap en de bevalling rechtvaardigen dit uitgangspunt. De burgerlijke staat van de moeder is voor de vraag of zij het gezag uitoefent derhalve niet bepalend.
Erkenning leidt niet automatisch tot gezag. De situaties waarin een man een kind erkent, kunnen heel divers zijn. De moeder en de erkenner, de juridische vader, kunnen een duurzame relatie met elkaar hebben, maar dit hoeft geenszins het geval te zijn. Zou een erkenning van rechtswege, automatisch, het gezag met zich brengen, dan kan dat voor de moeder een drempel zijn voor het geven van toestemming voor de erkenning. Ook bestaat de kans dat een verzoek om erkenning enkel wordt afgewezen met het oog op de onmogelijkheid van de gezamenlijke uitoefening van het gezag. Een kind heeft in dat geval maar één juridische ouder. Het waar mogelijk hebben van twee juridische ouders, acht ik in het belang van het kind.
Ouders kunnen samen op eenvoudige wijze het gezag verkrijgen door een gezamenlijk verzoek tot plaatsen van een aantekening in het gezagsregister (artikel 252 lid 1 Boek 1 BW). Dit kan op eenvoudige wijze door het versturen van een formulier aan de rechtbank. Als zij het niet eens zijn over een gezamenlijke uitoefening van het gezag, dan kan de vader de rechter verzoeken hem samen met de moeder of in plaats van de moeder met het gezag te belasten (artikel 253c lid 1 Boek 1 BW). Een verzoek om gezamenlijk gezag door de juridische ouder – vader – wordt in beginsel toegewezen. Een verzoek wordt alleen afgewezen als dit in het belang is van het kind. In de wet is bepaald dat afwijzing alleen geschiedt als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is, dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is (artikel 253c lid 2 BW). Het onderscheid tussen kinderen geboren binnen en buiten huwelijk is dus zo beperkt mogelijk en wordt door het belang van het kind gerechtvaardigd.
Waarom moet de vader van het kind, geboren buiten het huwelijk, het kind eerst erkennen bij de gemeente, waarbij één van de vereisten is dat de moeder instemt met de erkenning, daarna nog het gezag over het kind aanvragen bij de rechtbank? Waarom is deze extra stap in de procedure ingebouwd ?
Zie antwoord vraag 1.
Zou het niet eenvoudiger en rechtvaardiger zijn om de moeder van het kind en de vader die het kind heeft erkend automatisch samen het gezag toe te kennen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit onderscheid tussen kinderen geboren binnen het huwelijk en kinderen geboren buiten het huwelijk ongedaan te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een korte beschrijving geven van de procedure van erkenning van en gezag over kinderen geboren buiten het huwelijk in andere Europese landen? Is de procedure in Nederland niet omslachtiger dan in de ons omringende landen?
Nee, de procedure is in Nederland niet omslachtiger dan in de ons omringende landen. De procedure voor het verkrijgen van gezag verschilt per land en hangt onder meer samen met het afstammingsrecht van het land dat het betreft.
Duitsland en Zweden kennen een systeem vergelijkbaar met het Nederlandse, zowel wat betreft het afstammingsrecht als het recht inzake het ouderlijke gezag. In België zijn de erkenning en het ouderlijke gezag wel aan elkaar gekoppeld. In Frankrijk moet een kind buiten huwelijk zowel door zijn moeder als vader worden erkend. Als zij het kind vrijwillig hebben erkend voordat het kind 1 jaar is geworden en zij ten tijde van de erkenning samenleefden, oefenen zij als regel gezamenlijk het gezag uit. Erkent één van de ouders het kind niet in zijn eerste levensjaar, dan oefent de andere ouder het gezag alleen uit.
Bent u bereid deze vragen in ieder geval te beantwoorden voor het algemeen overleg over huwelijks- en echtscheidingsrecht, op 29 september 2011?
Ja.