Het bericht ‘Nieuwe Eurocity direct naar Brussel voor veel mensen te duur’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe Eurocity direct naar Brussel voor veel mensen te duur»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Klopt het dat de kosten van een enkeltje basistarief Amsterdam-Zuid naar Brussel-Zuid meer dan € 64 bedragen? Hoe verklaart u het verschil met een enkeltje Amsterdam-Zuid naar Groningen, voor een vergelijkbare afstand, een vergelijkbare reistijd, maar dan voor de helft van de kosten?
Volgens NS zal het standaardtarief voor een enkele reis (tweede klas) met de Eurocity Direct, de snellere variant van de huidige intercity Brussel, van Amsterdam-Zuid naar Brussel-Zuid per dienstregeling 2025 € 64,10 bedragen. Voor de vervanger van de huidige intercity Brussel, de Eurocity, zal dit € 45,30 bedragen. NS geeft aan dat het tarief van de Eurocity Direct verschilt van bijvoorbeeld een enkele reis van Amsterdam-Zuid naar Groningen, omdat dat een binnenlandse reis betreft. De verbinding naar Brussel-Zuid betreft een internationale reis. Voor NS zijn de kosten van exploitatie van internationale treinen hoger dan die van binnenlandse treinen. Er gelden bijvoorbeeld hogere kosten voor gebruik van de infrastructuur, materieel en personeel. Dit leidt tot een andere prijsstelling voor een internationale reis dan voor een binnenlandse reis.
Hoe verhoudt zich dit met aangenomen motie Van der Graaf van 3 oktober 2023 waarin de Kamer uitspreekt dat de verbinding naar Brussel zoveel mogelijk moet lijken op een binnenlandse trein? Kunt u onderbouwen hoe het tarief dat NS per 15 december 2024 invoert voldoet aan deze motie?
In de Kamerbrief van 21 december 20232 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de invulling van de motie van het lid Van der Graaf van 3 oktober 20233. Voor het binnenlandse gedeelte van de verbinding naar Brussel gelden dezelfde eisen op het gebied van tarieven, geld terug bij vertraging en prestaties als bij de overige binnenlandse verbindingen. De tarifering van internationale treinreizen valt echter buiten de reikwijdte van de nieuwe concessie (2025–2033). Het is aan NS en haar partnervervoerders over de grens om hier afspraken over te maken. Daarbij moet NS zich houden aan de tariefstructuur zoals vastgesteld in de Internationale Spoorwegunie.
Vindt u het passen bij een Europese Unie zonder grenzen dat er een toeslag wordt berekend voor het passeren van een grens? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
NS geeft aan dat zij en haar Belgische partnervervoerder niet met een toeslag voor het passeren van een grens werken. Een grenstoeslag is hier dus niet aan de orde. Zoals uitgelegd bij het antwoord op vraag 2 wordt voor NS het prijsverschil met binnenlandse treinen veroorzaakt door hogere exploitatiekosten voor internationale treinen.
Waarom is het tussen Heerlen en Aachen wel mogelijk te reizen met de OV-chipkaart en tussen Breda en Noorderkempen niet? Wanneer worden er in- en uitcheckpaaltjes geplaatst in België, zoals in Duitsland al het geval is?
Op enkele trajecten tussen Nederland en Duitsland, zoals tussen Heerlen en Aachen, staan inderdaad OV-chippalen op de Duitse stations. Deze zijn gerealiseerd op basis van bilaterale afspraken die van toepassing zijn op deze specifieke verbindingen.
Bij de Drielandentrein (verbinding Aachen – Maastricht – Luik) wordt door de samenwerkende partijen nagestreefd dat op het hele traject kan worden gereisd met de OV-chipkaart. Voordat deze trein doorreed naar Luik was het voor het Nederlandse en Duitse gedeelte van deze verbinding al mogelijk om met de OV-chipkaart te reizen. Momenteel wordt er door de betrokken partners gewerkt aan de voorbereiding van de realisatie van OV-chipkaartpalen op de stations op Belgisch grondgebied (tot aan Luik). Om dit mogelijk te maken, moeten grensoverschrijdend meerdere tariefsystemen aan elkaar worden gekoppeld. Door beperkte technische mogelijkheden van het huidige systeem van de OV-chipkaart is dit complex.
Dit wil echter nog niet zeggen dat er op andere Belgische stations OV-chipkaartpalen komen. Dit is afhankelijk van de bilaterale afspraken tussen NS en buitenlandse partnervervoerders.
In artikel 5.4 van de concessie staat «NS treft zover redelijkerwijs mogelijk maatregelen om reizigers uit het buitenland te faciliteren bij het gebruik van het OV-betaalsysteem.» Deelt u de mening dat het plaatsen van incheckpaaltjes in Belgie redelijk is? Bent u er mee bekend dat op diverse Duitse stations ook incheckpalen staat, ook als het een Duitse vervoerder en concessie betreft?
Het plaatsen van incheckpaaltjes in België kan er inderdaad voor zorgen dat internationaal reizen met de trein eenvoudiger wordt. Echter kan niet zomaar worden bepaald welke betaalmiddelen in België kunnen worden gebruikt. Hiervoor is er een afhankelijkheid van de bilaterale afspraken tussen NS en buitenlandse partnervervoerders.
Ik ben er daarnaast mee bekend dat er in Duitsland op enkele stations langs grensbaanvakken OV-chippalen staan.
Hoe kijkt u in het licht van de antwoorden op bovengenoemde vragen aan tegen de reactie van NS op het advies van de consumentenorganisatie dat zij slechts de «mogelijkheden volgen». Gaat u er bij NS op aandringen deze concessie-eis uit te voeren? Wanneer mogen reizigers in/uitcheckpalen in België verwachten?
Bij de Drielandentrein wordt er al door NS gewerkt aan paaltjes op de Belgische stations tot en met Luik. Zoals gezegd blijkt het echter technisch ingewikkeld om de bestaande tariefsystemen aan elkaar te koppelen. Het blijft onder voorbehoud van afspraken die NS maakt met de buitenlandse partnervervoerders.
Kunt u verklaren waarom in Eurocity direct de Nederlandse kortingsabonnementen niet geldig zijn tot de grens, maar slechts tot Rotterdam Centraal? Klopt het dat bij de huidige intercity Brussel de abonnementen wel tot de grens geldig zijn en dit dus een verslechtering is voor de situatie van de reizigers? Wat gaat u hier aan doen?
Het klopt dat voor de Eurocity Direct, de nieuwe snellere variant van de huidige intercity Brussel, de binnenlandse kortingsabonnementen van NS van toepassing zijn op het binnenlandse deel van de trein, dit is tussen Amsterdam-Zuid en Rotterdam Centraal. Ten zuiden van Rotterdam Centraal classificeert NS de reis als een internationale reis, omdat Rotterdam Centraal de laatste Nederlandse stop is van de Eurocity Direct. Voor de Eurocity, de vervanger van de huidige intercity Brussel, blijven kortingsabonnementen tot aan de grens geldig.
Kunt u de vragen beantwoorden voor de Mid Term Review (MTR) van de concessie?
Ja.
Het brief advies van de Adviesraad internationale vraagstukken over het Israëlisch-Palestijns conflict |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u al kennis kunnen nemen van het advies «naar een nieuwe koers voor Nederland in het Israëlisch-Palestijns conflict» van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)?1
Hoe serieus neemt u adviezen van de AIV?
Gaat u de aanbevelingen van de AIV integraal overnemen? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u een van de conclusies van de AIV dat het Nederlandse beleid t.a.v. het Israëlisch-Palestijns conflict onvoldoende effectief is en herijking behoeft? Zo nee, waarom niet?
Bent u, in lijn met het AIV advies en uitspraken van voormalig Minister Bruins-Slot, nu bereid om over te gaan op (gedeeltelijke) opschorting van het associatieverdrag van de Europese Unie (EU) met Israël? Zo nee, waarom niet en kunt u daar uitgebreid op reageren?
Bent u bereid, in lijn van het AIV advies, tot het stoppen van bilaterale samenwerking met Israël zodra deze bijdraagt aan het schenden van het internationale humanitaire recht? Zo nee, waarom niet en kunt u daar uitgebreid op reageren?
Onderschrijft u dat Nederland, als gastland van het Internationaal Gerechtshof en -Strafhof, wat betreft het naleven van internationaal recht een speciale positie heeft? Zo ja, wanneer gaat u daar eindelijk gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u het gevaar van een dubbele standaard als het gaat om de veroordeling van schendingen van internationaal recht, zoals in het AIV advies wordt beschreven? Zo ja, waarom heeft u tot nu toe een dubbele standaard toegepast? Waarom bent u snel met veroordelingen uitspreken bij schendingen van internationaal recht door geopolitieke tegenstanders en terughoudend bij bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan uw inspanningen te intensiveren om een staakt het vuren in Gaza en Libanon te bereiken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Hoe bent u van plan om, in lijn met het AIV advies, bij te dragen aan het monitoren van een staakt het vuren en de hereniging van Gaza en de Westoever?
Gaat u het advies om de Palestijnse staat zo spoedig mogelijk te erkennen opvolgen? Zo nee, waarom niet?
Gaat u het advies opvolgen om middels een uitgebreid landelijk actieplan antisemitisme, islamofobie en polarisatie rondom dit conflict tegen te gaan?
Bent u het eens dat publiekelijk uitspreken of demonstreren tegen de genocide op de Palestijnen niet antisemitisch is en dat politici die het woord antisemitisme misbruiken om politieke tegenstanders verdacht te maken bijdragen aan polarisatie?
Bent u bereid om de vragen afzonderlijk en, gezien de urgentie van het onderwerp waarbij elke dag telt, binnen twee weken te beantwoorden?
Het bericht ‘Grote gevolgen gezonken vrachtschip: fabrieken op Chemelot dreigen stil te vallen en directeur Sappi in Maastricht vreest productiestop’ |
|
Natascha Wingelaar (NSC), Aant Jelle Soepboer (FNP) |
|
Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de vragen van het lid Soepboer over de startdatum van werkzaamheden aan het Julianakanaal?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het staat met de commissie die wordt ingericht om de aanvragen voor nadeelcompensatie rondom de stremming van het Julianakanaal te beoordelen?
De adviescommissie voor de nadeelcompensatie voor de stremming van het Julianakanaal is ingesteld en is beschikbaar om aanvragen te behandelen. De heer Raymond Knops – voormalig Tweede Kamerlid en oud-minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – is bereid gevonden het voorzitterschap voor deze commissie op zich te nemen.
Kunt u een stand van zaken geven van de werkzaamheden aan het Julianakanaal en daarbij aangeven of de werkzaamheden op schema liggen?
De werkzaamheden liggen op schema. Het kanaal is volgens planning afgesloten met een stenen dam en begin september gedeeltelijk drooggezet. Het drooggezette gedeelte van het kanaal is verdeeld in drie werkvakken. In de werkvakken wordt op dit moment met man en macht gewerkt aan de daadwerkelijke verruiming van het kanaal. Er is recent begonnen met het aanbrengen van bentonietmatten voor de waterremmende laag op de bodem van het kanaal. Doelstelling blijft om voor eind april 2025, of zoveel eerder als mogelijk, het kanaal weer open te stellen, met inachtneming van veiligheid, arbeidstijdenwet en kwaliteit van het werk.
Hoe beoordeelt u de betrouwbaarheid van de beschikbare omvaarroutes van het Julianakanaal?
De omvaarroutes zijn onder reguliere omstandigheden afdoende beschikbaar geweest en de verwachting is dat dit zo blijft. Geplande nacht- en weekendstremmingen van maximaal 48 uur blijven mogelijk. In de beantwoording van de Kamervragen van 9 augustus2 is al aangegeven dat er altijd calamiteiten kunnen optreden en dan alles op alles gezet zal worden om de omvaarroute zo snel mogelijk weer beschikbaar te maken. De aanvaring van de stuw van Borgharen was een dergelijke calamiteit. Door grote gezamenlijke inspanningen is het gelukt om de omvaarroute na vierenhalve dag weer in gebruik te kunnen nemen.
Heeft het incident van het gezonken vrachtschip tot nieuwe inzichten ten aanzien van de bereikbaarheid van Limburg via waterwegen geleid?
Nee. Het incident onderstreept wel het belang van betrouwbare vaarwegen in Nederland en Limburg in het bijzonder. Met grote projecten zoals de verruiming van het Julianakanaal wordt gewerkt aan een steeds betere bereikbaarheid over water.
Welke garanties ten aanzien van de bereikbaarheid van Chemelot over het water kunt u op dit moment geven?
Rijkswaterstaat staat voortdurend in nauw contact met Chemelot en andere bedrijven die voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van de aan- en afvoer via het water. Er is blijvende aandacht voor het zo goed als mogelijk beschikbaar houden van de omvaarroutes. Bij onverhoopte niet-beschikbaarheid als gevolg van calamiteiten wordt dit zo snel mogelijk verholpen.
Deelt u de opvatting dat wanneer het incident langer had geduurd, dit catastrofale gevolgen had gehad?
Een langdurige stremming van de omvaarroutes zou grote economische consequenties hebben. De economische effecten zijn vooraf onderzocht en het rapport hierover is op 25 maart 20243 met de Kamer gedeeld.
Hoeveel schade heeft het incident veroorzaakt bij ondernemers?
Dat is op dit moment niet inzichtelijk. Hiervan ontstaat mogelijk een beeld als ondernemers verzoeken tot schadevergoeding indienen.
Kunnen ondernemers, gezien het feit dat de omvaarroute van het Julianakanaal niet beschikbaar was, voor deze schade ook terecht bij de bovengenoemde commissie voor nadeelcompensatie?
Gedupeerden die schade lijden als gevolg van de stremming van het Julianakanaal, kunnen een verzoek om nadeelcompensatie indienen bij Rijkswaterstaat. De ingestelde adviescommissie beoordeelt dan of er sprake is van schade die moet worden vergoed door Rijkswaterstaat.
De calamiteit bij de stuw Borgharen is echter het gevolg van een aanvaring. Hierbij is sprake van een onrechtmatige daad, waarvoor de eigenaar van het schip als veroorzaker aansprakelijk kan worden gesteld. De ontstane calamiteit is dus niet het gevolg van een besluit of handeling van Rijkswaterstaat. In de basis is er dan ook geen grond voor schadevergoeding of nadeelcompensatie door Rijkswaterstaat enkel als gevolg van deze calamiteit.
Kunt u deze vragen voor het Wetgevingsoverleg Water van 18 november as. beantwoorden?
Ja.
Het nieuws dat veel kinderen in erbarmelijke omstandigheden wonen in de asielnoodopvang in Nederland |
|
Michiel van Nispen (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van het Kinderrechtencollectief waaruit blijkt dat steeds meer kinderen moeten wonen in de asielnoodopvang onder zeer erbarmelijke en kindonvriendelijke woonomstandigheden?1
Ja.
Hoe kunt u de toename van het aantal kinderen in de noodopvang van 65 procent sinds de zomer van 2023 verklaren?
De toename van het aantal kinderen in de noodopvang is te verklaren door de aanhoudende druk op de opvangcapaciteit van het COA. De bezetting op opvanglocaties blijft toenemen en ligt op veel plekken rond of zelfs boven de 100%, waardoor er bijna geen bewegingsruimte meer zit in (ver)plaatsingen. Daarbij bevindt 40% van de asielzoekers die bij het COA verblijven zich inmiddels op noodopvanglocaties. Dit onderschrijft de wens van mijzelf en het COA om te komen tot meer duurzame, stabiele opvangvoorzieningen zonder doelgroepbeperkingen.
Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er kwaliteitsverschillen zijn tussen noodopvanglocaties. Sommige van dergelijke locaties doen qua voorzieningenniveau niet onder voor reguliere locaties. Al zijn deze locaties nog steeds wel kortdurend, hetgeen bijvoorbeeld meer verhuisbewegingen tot gevolg heeft.
Hoe kan het dat het niet de bedoeling is dat kinderen langer dan enkele dagen op noodlocaties verblijven, maar zij in werkelijkheid daar soms maanden leven? Waarom gaan niet alle alarmbellen rinkelen bij uw ministerie als deze situatie zich voordoet?
Zoals uw Kamer bekend is staat de asielopvang al geruime tijd onder grote druk. Hierdoor is het noodzakelijk om gebruik te maken van noodopvanglocaties. Deze locaties zijn minder goed geschikt voor langdurig verblijf van kwetsbare doelgroepen, waaronder kinderen. Zo beschikken de bewoners van deze locaties over minder privacy en gaat verblijf in noodopvanglocaties gepaard met meer verhuisbewegingen. Noodopvanglocaties zijn immers kortdurend en moeten noodgedwongen weer sluiten, hetgeen verhuisbewegingen tot gevolg heeft. Mij is bekend dat verhuisbewegingen een negatieve impact op het welbevinden van kinderen hebben, omdat zij een stabiele en vertrouwde omgeving nodig hebben waar zij zich in veiligheid kunnen ontwikkelen. Daarnaast zorgen de verhuisbeweging ervoor dat het onderwijs en de eventuele zorg waar een kind gebruik van maakt moeilijker voortgezet kunnen worden.
Alle inzet van het COA is erop gericht om kinderen zo weinig mogelijk verhuisbewegingen te laten maken en hen zo min mogelijk in de noodopvanglocaties te plaatsen. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit lukt dit momenteel helaas onvoldoende. Dit is een onwenselijke situatie.
Omdat kinderen een kwetsbare doelgroep betreffen is binnen de asielopvang extra aandacht voor hen. Het COA doet er alles aan om de veiligheid en het welbevinden van kinderen op alle opvanglocaties te waarborgen. Zo is het streven dat op iedere locatie een contactpersoon kind aanwezig is. De contactpersoon kind is coördinerend in het organiseren van activiteiten en voorlichting voor kinderen. Het COA stelt daarnaast voor alle locaties financiering beschikbaar om activiteiten voor kinderen te organiseren, al is dat voor zeer kortdurende noodlocaties niet altijd mogelijk. Specifiek voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) geldt dat amv-medewerkers opgeleid zijn om te werken met deze doelgroep. Deze medewerkers staan zoveel mogelijk in contact met de amv, zodat eventuele zorgelijke signalen snel opgepakt kunnen worden. Tevens is mijn ministerie met de Ministeries van OCW en VWS en de VNG in gesprek om de toegang tot onderwijs en zorg voor deze kinderen te verbeteren.
Trekt u zich als Minister iets aan van de conclusie dat kinderrechten elke dag worden geschonden? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op het feit dat bij de noodopvang veel verhuismomenten plaatsvinden en er over het algemeen minder privacy en veiligheid voor kinderen is dan bij een regulier asielzoekerscentrum (azc)? Erkent u dat dit erg schadelijk is voor kinderen? Zo ja, wat gaat u doen om deze schade te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onderwijs in de asielnoodopvang, in vergelijking met een regulier azc, laat, slecht of niet geregeld is? Zo ja, deelt u de mening dat we daarom moeten voorkomen dat kinderen terechtkomen in de asielnoodopvang? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat het onderwijs op noodopvanglocaties lastig te organiseren is. Plotselinge verhuisbewegingen en incidentele toestroom van leerlingen zijn voor scholen minder voorspelbaar en planbaar, waardoor het onderwijs moeilijker te organiseren is rond noodopvanglocaties dan rond reguliere azc’s. Ik heb daarom grote waardering voor de inzet die scholen in zowel primair als voortgezet onderwijs plegen om leerlingen die in noodopvanglocaties verblijven zo snel mogelijk een onderwijsaanbod te bieden.
Het Ministerie van OCW heeft tijdelijke wetgeving mogelijk gemaakt om scholen extra ruimte te bieden om de onderwijscapaciteit op te schalen. Een regulier onderwijsaanbod is echter altijd te verkiezen boven een tijdelijke plek in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening. Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 3, 4 en 5 aangeef is alle inzet van het COA er op gericht om kinderen zo weinig mogelijk verhuisbewegingen te laten maken en zo min mogelijk in noodopvanglocaties te plaatsen. Dit lukt met de huidige druk op de opvangcapaciteit onvoldoende, wat ik een onwenselijke situatie vind.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook GGD-artsen aan de alarmbel hebben getrokken als het gaat om de toegang tot de gezondheidszorg en ook de slechte mentale gezondheidszorg voor kinderen? Zo ja, wat is uw reactie op deze oproep van de GGD-artsen en gaat u hierop actie ondernemen?
Ja. Ik heb mijn reactie op deze oproep bij brief van 4 november aan uw Kamer verzonden.
Ziet u in het kader van deze problematiek ook het grote belang van de spreidingswet zodat er voldoende ruimte beschikbaar is voor kinderen in een regulier azc? Zo ja, welk gevolg geeft u hieraan?
Uw Kamer is door de Minister-President bij brief van 25 oktober 2024 geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om de spreidingswet in te trekken, zo mogelijk nog dit jaar. Dit laat onverlet dat het COA zich onverminderd blijft inzetten om voldoende opvangplekken te creëren voor kinderen in bestaande en nieuwe azc’s.
Bent u van plan om in het asielbeleid prioriteit te geven aan goede en gezonde opvang voor kinderen? Zo ja, kunt u de concrete stappen die u gaat nemen hiervoor toelichten?
Een goede en gezonde opvang voor kinderen blijft uiteraard uitgangspunt van het asielbeleid. Stabiliteit in het leven van een kind is cruciaal voor een goede ontwikkeling. Daarnaast is het van groot belang om te voorkomen dat we kinderen en hun zorgbehoeften uit het oog verliezen. Mijn ministerie en het COA vinden het daarom belangrijk dat de situatie van kinderen in de asielopvang zo snel mogelijk verbetert.
De oplossing voor het verbeteren van de situatie in de opvang, ook voor kinderen, ligt in het creëren van voldoende duurzame opvangplekken voor asielzoekers. Momenteel loopt de realisatie van voldoende duurzame opvangplekken achter op het geprognosticeerde benodigde aantal. Een andere oorzaak van de grote druk op de asielopvang is het achterblijven van de uitstroom van statushouders naar huisvesting in gemeenten. Specifiek voor amv geldt dat er onvoldoende kleinschalige opvangplekken voor amv met een verblijfsstatus beschikbaar zijn bij Nidos, waardoor deze jongeren noodgedwongen langer in de opvang van het COA verblijven. Met de Minister van VRO ben ik hierover in gesprek. Voor de andere stappen die ik onderneem om de opvang van kinderen te verbeteren verwijs ik naar het antwoord op vragen 3, 4 en 5
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Nispen over zorgen dat kinderen opgevangen worden op plekken waar voorzieningen voor kinderen zijn?2
Het COA is voortdurend op zoek naar nieuwe structurele locaties. Het uitgangspunt is dat kinderen en andere kwetsbare personen met voorrang worden opgevangen op locaties die van structurele aard zijn en zo min mogelijk op noodopvanglocaties verblijven. Ik zet mij hier samen met het COA blijvend voor in. Met de huidige druk op de opvangcapaciteit is echter niet te zeggen op welke termijn het niet meer voor zal komen dat kinderen op noodopvanglocaties verblijven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat op korte termijn kinderen alleen nog maar op reguliere locaties worden opgevangen, zodat het aantal kinderen in de noodopvang snel afneemt?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven vanaf welke datum het niet meer voor zal komen dat kinderen worden opgevangen in de noodopvang of op andere plaatsen die niet geschikt zijn voor kinderen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Asiel en Migratie?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Kinderen in bedwang gehouden met pijnprikkels, commissie tegen martelen kijkt mee in Nederland’. |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen in bedwang gehouden met pijnprikkels, commissie tegen martelen kijkt mee in Nederland»?1
Ja.
Welke vormen van pijnprikkels zijn bekend die worden toegepast binnen de jeugdzorg?
Het inzetten van pijnprikkels is niet toegestaan. Ik verwijs daarvoor ook naar het antwoord op één van de vorig jaar gestelde Kamervragen van het lid Westerveld.2 Op grond van de huidige Jeugdwet is het toepassen van pijnprikkels niet toegestaan, ook niet als vrijheidsbeperkende maatregel in de gesloten jeugdhulp.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft incidenteel in het toezicht vernomen dat een pijnprikkel is toegepast bij het vastpakken of dat fixeren op een manier gebeurt die letsel kan veroorzaken. De IGJ heeft de instellingen waar dit gesignaleerd werd verzocht om verbetermaatregelen om herhaling te voorkomen. Bijvoorbeeld dat vastpakken en vasthouden uitsluitend gebeurt door (vaste en tijdelijke) medewerkers die hier toereikend in zijn getraind. Als dat nodig is intensiveert de inspectie haar toezicht en volgt de voortgang van de nodige verbeteringen nauwgezet in het risico gestuurde toezicht.
Kunt u uitleggen waarom kinderen nog steeds worden geconfronteerd met pijnlijke en traumatiserende ingrepen, zoals het «vlindertje» en het «bokkenpootje», ondanks het verbod op deze praktijken?
De IGJ heeft geconstateerd dat het kan voorkomen dat (tijdelijk) personeel op een «oude» manier is opgeleid. Dat is een mogelijke verklaring. Het is belangrijk dat instellingen hier scherp op zijn, ook bij de inhuur van tijdelijk personeel.
Zijn er cijfers bekend over het aantal jeugdzorginstellingen waar pijnprikkels zijn ingezet? Zo niet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Hierover zijn geen landelijke cijfers bekend. Zoals ik hierboven ook schreef is het inzetten van pijnprikkels niet toegestaan. Het komt incidenteel voor dat de IGJ dit signaleert. Ik zie geen aanleiding voor een onderzoek.
Is bekend welke vaststellingen de speciale commissie tegen marteling van de Raad van Europa heeft gedaan tijdens hun bezoek?
De bevindingen van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) over hun bezoek aan Nederlandse gesloten jeugdhulpinstellingen zijn nog onbekend. Eind november spreek ik met het Comité. In juni 2025 publiceren zij hun bevindingen in een rapport. Dan ontvangt de Kamer een beleidsreactie.
Zijn er alternatieven voor het gebruik van pijnprikkels beschikbaar binnen de jeugdzorg, en zo ja, waarom worden deze niet standaard toegepast?
Alleen op basis van een machtiging gesloten jeugdhulp is het binnen de jeugdhulp toegestaan vrijheidsbeperkende maatregelen toe te passen. De Jeugdwet kent onder andere als vrijheidsbeperkende maatregel «vastpakken» en «vastpakken en vasthouden».3 Bij de toepassing van deze maatregel komt het soms voor dat dit vastpakken de jeugdige pijn doet. Het gaat dan niet om het toedienen van een pijnprikkel, maar om pijn als gevolg van een escalatie waarbij medewerkers een jongere vastpakken. Een handeling die intentioneel pijn veroorzaakt past niet in het zorgvuldig toepassen van deze vrijheidsbeperkende maatregel.
Hoe wordt het personeel in jeugdzorginstellingen opgeleid in het omgaan met crisissituaties en welke nadruk wordt gelegd op methoden die geen gebruik maken van fysieke dwang? Zijn opleidingen voor medewerkers voldoende toegerust om om te gaan met zulke situaties?
Bij de initiële opleiding, bijvoorbeeld Social Work uitstroomprofiel jeugd, maken effectieve interventies en agressieregulatie onderdeel uit van de opleiding. Daarnaast krijgen medewerkers extra training en scholing binnen de jeugdzorgorganisaties. Medewerkers in de gesloten jeugdhulp krijgen structureel training in de-escalerend werken en voorkomen van vrijheidsbeperkend handelen. Er wordt gebruik gemaakt van methodieken waarbij ontwikkelingsgericht gewerkt wordt en die de-escalatie bevorderen. Voorbeelden van methodieken zijn de presentiebenadering, geweldloos verzet of non violent resistance en positive behaviour support.
Alle medewerkers volgen training voor het inzetten van specifieke vrijheidsbeperkende maatregelen. Toetsen van vaardigheden is onderdeel van de training. Medewerkers die toetsing niet halen of nog niet gehaald hebben mogen geen vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen.
Hoe komt het volgens u dat medewerkers van jeugdzorginstellingen er zich van bewust zijn dat zij over de schreef gaan door pijnprikkels in te zetten, maar dit toch doen?
Dat medewerkers bewust de schreef over gaan door pijnprikkels in te zetten heeft de IGJ in haar (thematisch) onderzoek niet opgehaald. Wel is gebleken dat als gevolg van een escalatie jeugdigen soms pijn ondervinden. Dat kan gebeuren in situaties waarbij medewerkers jeugdigen naar hun kamer begeleiden als deze instructies niet hebben opgevolgd. Jeugdigen zelf vertonen dan soms ook hevig verzet. Medewerkers hebben de IGJ verteld over voorvallen waarin jeugdigen slaan, schoppen en bijten of zichzelf dreigen wat aan te doen.
Wat gaat u doen om te garanderen dat er geen vormen van fysieke dwang worden gebruikt die kunnen leiden tot schade of trauma bij kinderen in jeugdzorginstellingen?
Het is helaas niet mogelijk om altijd elk incident te voorkomen. Maar de Jeugdwet stelt nadrukkelijk voorwaarden aan het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals het vastpakken en vastpakken en vasthouden.
Uitgangspunt is altijd het nee, tenzij beginsel: alleen vrijheidsbeperking als er geen minder zwaar alternatief is, het proportioneel is en naar verwachting effectief. En vrijheidsbeperking moet gericht zijn op:
Aanbieders van gesloten jeugdhulp moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers volgens de geldende richtlijnen opleiden zodat vastpakken en vasthouden alleen gebeurt op basis van dit nee, tenzij beginsel en zonder toediening van pijnprikkels.
Hoe vaak wordt het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) benaderd voor complexe zorgvragen binnen de jeugdzorg? Hoe verhoudt dit zich tot de inzet in andere sectoren binnen de zorg?
Bent u bereid deze vragen voor de behandeling van het Wetgevingsoverleg begrotingsonderdeel Jeugd op 11 november aanstaande te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Omstreden Samidoun-kopstuk Mohammed Khatib komt naar Radboud Universiteit Nijmegen: ’Extremistische haatprediker’' |
|
Ingrid Michon (VVD), Claire Martens-America (VVD), Bente Becker (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bereid om Mohammed Khatib een visum te weigeren of te signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS II) of ongewenst te verklaren, omdat hij een evident gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid? Welke andere mogelijkheden ziet u om hem te weren en kunt u het antwoord op deze vraag -desnoods separaat van de overige antwoorden- geven voor de geplande bijeenkomst op 28 oktober 2024?
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht en een belangrijk goed in onze democratische rechtsstaat. Het kabinet staat voor een samenleving waarin er ruimte is voor verschillende levensovertuigingen, meningen, culturen en wereldbeelden wanneer deze plaatsvinden binnen de grenzen van de rechtsstaat. Hierin is het juist van belang dat het kan schuren, maar wel binnen de democratische waarden die we met elkaar hebben afgesproken. Waar de grenzen van de wet worden overtreden, kan strafrechtelijk worden opgetreden. De beoordeling, of daar sprake van is en of strafrechtelijk wordt opgetreden, is aan het Openbaar Ministerie.
De organisatie Samidoun, waar betrokkene toe behoort, spreekt steun uit voor verschillende terroristische organisaties en noemt het plegen van terroristische aanslagen «verzet». Betrokkene heeft zich hier op verschillende momenten ook over uitgelaten. Dit vinden wij absoluut verwerpelijk. Betrokkene, en de organisatie Samidoun waar hij lid van is, legitimeert, vergoelijkt en verheerlijkt geweld tegen de staat Israël, waaronder geweld door organisaties die op de terrorismelijst van de Europese Unie staan. Hij spreekt ook actief zijn steun uit voor terroristische organisaties. Deze uitspraken kunnen een radicaliserend effect hebben. Deze conclusies hebben ertoe geleid dat de Minister van Asiel en Migratie, in samenspraak met de Minister van Justitie en Veiligheid, betrokkene heeft gesignaleerd in E&S (Executie en Signalering). Dit is een informatiesysteem van de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee. Dit betekent dat betrokkene zal worden geweerd indien hij in Nederland wordt aangetroffen.
Universiteiten zijn geen plek voor discriminatie, intimidatie en antisemitisme. Er is ruimte om schurende gesprekken te voeren, maar deze dienen zich te bewegen binnen de grenzen van de wet, de academische standaarden en de huisregels en gedragscodes van de instelling. Zolang er geen wettelijke beperkingen gelden voor een organisatie of beoogd spreker, is de instelling zelf verantwoordelijk voor bijeenkomsten die gehouden worden op het terrein van de instelling en voor afstemming met de lokale driehoek. Het is aan de instelling om vooraf duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden bijeenkomsten moeten voldoen en om toe te zien op de naleving. De Radboud Universiteit heeft na het besluit van de Minister van Asiel en Migratie besloten de lezing te annuleren.
Bent u bekend met het bericht «Omstreden Samidoun-kopstuk Mohammed Khatib komt naar Radboud Universiteit Nijmegen: «Extremistische haatprediker»»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de uitspraken van Mohammed Khatib een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat het totaal onacceptabel is als haatpredikers als Mohammed Khatib de mogelijkheid krijgen om naar Nederland te komen om te kunnen spreken op één van onze universiteiten en kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe voorkomt u dat universiteiten en andere onderwijsinstellingen een podium bieden aan boodschappen van Jodenhaat en/of het verheerlijken van terrorisme, zoals Mohammed Khatib deze verkondigt?
Op dit moment is de spreker de toegang tot Nederland ontzegd. De Radboud Universiteit heeft na het besluit van de Minister van Asiel en Migratie besloten de lezing te annuleren. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is niet voornemens om op dit moment het gesprek aan te gaan met de Radboud Universiteit over deze specifieke lezing.
Op universiteiten is er ruimte om scherpe gesprekken te voeren, maar alleen binnen de grenzen van de wet. Iedere student en medewerker heeft het recht om bijeenkomsten met een academisch karakter te organiseren. In algemene zin geldt dat het aan de instelling is om voorafgaand aan bijeenkomsten duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Inclusiviteit en veiligheid voor iedere deelnemer aan de bijeenkomst zijn daarbij belangrijke voorwaarden, ongeacht de aard van de bijeenkomst. De academische vrijheid is een belangrijke waarde van onze rechtsstaat die we moeten verdedigen.
Welke afspraken heeft u met hogescholen en universiteiten gemaakt over het tegengaan van antisemitische en extremistische boodschappen? Als u deze niet heeft gemaakt, bent u bereid deze alsnog te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hogescholen en universiteiten zijn verantwoordelijk voor het bieden van een veilige leer- en werkomgeving. Uitgaande hiervan zijn er geen specifieke afspraken met hogescholen en universiteiten gemaakt over het tegengaan van antisemitische en extremistische boodschappen.
Via de integrale aanpak sociale veiligheid werkt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met de sector aan het vergroten van sociale veiligheid voor studenten en medewerkers van de onderwijsinstellingen. Aanvullend op deze integrale aanpak zijn in april jongstleden extra maatregelen aangekondigd in het kader van antisemitismebestrijding binnen het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. Zo wordt in het onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen gekeken naar het handelingsperspectief bij meldingen van antisemitisme. De resultaten van dit onderzoek worden in het voorjaar van 2025 verwacht. Ook wordt met functionarissen rondom sociale veiligheid gesproken over wat zij verder nodig hebben in het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Verder wordt momenteel kabinetsbreed gewerkt aan een nationale strategie antisemitismebestrijding. Deze wordt dit najaar naar de Kamer gestuurd. Bezien zal worden hoe bovengenoemde maatregelen uitpakken voordat aanvullende maatregelen in overweging worden genomen
Bent u ook verbouwereerd dat deze haatprediker nota bene uitgenodigd is door docenten en werknemers van de universiteit zelf? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u contact opgenomen met de Radboud Universiteit gezien deze situatie? Zo ja, wat heeft u daar besproken? Zo nee, bent u van plan dit nog te gaan doen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ervan op de hoogte dat de Radboud Universiteit in een verklaring aangeeft dat inclusiviteit en veiligheid voorop moeten staan wanneer Mohammed Khatib komt spreken? Hoe kijkt u naar deze verklaring?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat de verklaring van de Radboud Universiteit te staan voor inclusiviteit en veiligheid niet overeenkomt met de uitspraken die Samidoun doet op hun pagina’s? Kunt u zich voorstellen dat dit geen veilige omgeving is voor alle studenten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeveel Europese lidstaten, zoals in Duitsland, is inmiddels Samidoun verboden verklaard?
Binnen de Europese Unie heeft tot op heden alleen Duitsland Samidoun verboden.
Ten aanzien van de organisatie Samidoun geldt dat andere landen banden met terroristische organisaties hebben vastgesteld. De Minister van Justitie en Veiligheid vindt deze signalen zeer zorgelijk. Daarom steunt Nederland het Duitse voorstel om Samidoun op de Europese Hamas- Palestijnse Islamitische Jihadsanctielijst te plaatsen. De Minister van Justitie en Veiligheid gaat, zoals eerder toegezegd, in gesprek met Duitsland om te leren hoe zij omgaan met deze en soortgelijke organisaties en hoe mogelijk in internationaal verband verder kan worden samengewerkt.
Bent u bereid om -met gelijkgestemde landen zoals Duitsland- u ervoor in te zetten dat Samidoun alsnog op de Europese lijst van terroristische organisaties wordt geplaatst?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de recente uitspraken van een Hezbollah-official op Russische tv, die aangeeft dat bepaalde studentenprotesten in het Westen voortkomen uit gerichte investeringen vanuit organisaties als Hezbollah in westerse studenten, zodat het Hezbollah gedachtegoed in het hart geraakt van de westerse samenlevingen? Is dit een beeld dat u herkent en zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
De Minister van Justitie en Veiligheid is bekend met deze uitspraak. Dergelijke uitspraken van een vertegenwoordiger van Hezbollah vindt hij onacceptabel. In brede zin vindt het kabinet het onacceptabel dat statelijke actoren of buitenlandse groeperingen zich op een onwenselijke wijze inmengen in westerse samenlevingen.
Bent u het ermee eens dat extra waakzaamheid nodig is ten aanzien van dergelijke buitenlandse beïnvloeding? Zo ja, op welke wijze voert u een strategie tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding van studenten en dan met name tegen antisemitische en antiwesterse narratieven die onderdeel uitmaken van die beïnvloeding?
Het kabinet vindt elke vorm van ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onacceptabel. Iedereen in Nederland moet vrij en ongehinderd diens leven kunnen leiden, zonder ongewenste bemoeienis door autoriteiten van andere landen. Het kabinet voert daarom een geïntensiveerde aanpak om dit fenomeen tegen te gaan, binnen de bredere aanpak van statelijke dreigingen. Over de voortgang van deze aanpak is uw Kamer onlangs geïnformeerd. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderzoekt momenteel hoe ongewenste buitenlandse inmenging gericht op kennisinstellingen en buitenlandse studenten kan worden opgepakt binnen deze bredere aanpak. Over de uitkomsten hiervan gaat de Minister van Onderwijs, cultuur en Wetenschap in gesprek met de kennisinstellingen.
Wanneer kan de Kamer de uitvoering van de motie-Becker tegemoetzien, waarin wordt verzocht alle juridische mogelijkheden op een rij te zetten en verder te verkennen om in te kunnen grijpen bij onwenselijke organisaties als Samidoun, Hizb-ut Tharir en PFLP?2
Met de motie Becker3 wordt de regering verzocht in kaart te brengen welke juridische mogelijkheden bestaan en verder kunnen worden ontwikkeld om in te grijpen bij organisaties die onvrij en antisemitisch gedachtegoed verspreiden. De mogelijkheden zoals door het lid Becker verzocht, namelijk de rechtssystemen in andere landen, de grondslagen van de NCTV, artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek en een juridische definitie van problematisch gedrag, zijn reeds in de appreciatie4 uiteengezet, dan wel toegelicht. Aanvullend zal, zoals hierboven aangegeven, de Minister van Justitie en Veiligheid in gesprek gaan met Duitsland over hoe zij omgaan met deze en soortgelijke organisaties en hoe Nederland en Duitsland eventueel in internationaal verband samen kunnen optrekken. Ook gaat de Minister van Justitie en Veiligheid, conform de motie Diederik van Dijk (SGP) en Eerdmans (JA21)1, in gesprek met het Openbaar Ministerie om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om Samidoun te verbieden.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja, hiertoe hebben wij ons ingezet.
De wrede jacht op kangoeroes en de Nederlandse betrokkenheid daarbij |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Marieke Koekkoek (D66), Jan Paternotte (D66), Sarah Dobbe (SP), Dennis Ram (PVV), Dion Graus (PVV), Ines Kostić (PvdD), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente bezoek van een Australische delegatie aan de Tweede Kamer, waarbij aandacht is gevraagd voor de wrede jacht op kangoeroes en de rol die Nederland hierbij speelt als één van de grootste importeurs van kangoeroevlees en -leer?
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bezoek.
Heeft u kennisgenomen van het bezoek en de brief van Australisch parlementariër Georgie Purcell aan het Nederlands parlement, waarmee zij oproept om actie te ondernemen tegen de jacht op kangoeroes (Kamerstuknummer 2024Z15518/2024D37625)?
Ja, ik heb kennisgenomen van het bezoek en de brief van Australisch parlementariër Georgie Purcell aan het Nederlandse parlement. Conform het verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 9 oktober jl. ontvangt u separaat mijn reactie op de brief van Purcell (kenmerk 2024Z14473/2024D37625).
Heeft u de Australische documentaire «Kangaroo – A love-hate story» bekeken, waarin de gruwelijkheden in beeld zijn gebracht die verscholen gaan achter de jacht op kangoeroes, zoals het doodslaan of hulpeloos achterlaten van jonge kangoeroes na het doodschieten van hun moeder en het gewond achterlaten van kangoeroes die niet in het hoofd maar elders in het lichaam geraakt zijn, omdat hun vlees niet geschikt wordt geacht voor humane consumptie?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Omdat ik hecht aan dierenwelzijn heb ik zorgen over de schrijnende onderdelen uit de documentaire. Daarbij wil ik opmerken dat door de Australische autoriteiten in 2018 al is aangegeven dat de beelden uit de genoemde film waarschijnlijk afkomstig zijn van de niet-commerciële, recreatieve jacht en niet representatief zijn voor de commerciële jacht.2
Kunt u bevestigen dat de EU wereldwijd de grootste importeur is van kangoeroeproducten, verantwoordelijk voor ongeveer 65% van de handel?
Het is mij niet bekend hoeveel kangoeroeproducten uit Australië er in andere Europese landen wordt geïmporteerd, en of de EU daarmee wereldwijd de grootste importeur van kangoeroeproducten is.
Kunt u bevestigen dat Nederland jaarlijks zo’n honderdduizenden kilo’s aan kangoeroevlees importeert en daarmee binnen de EU de op twee na grootste importeur van kangoeroevlees is?
In 2022 en 2023 is er 246 ton (15 zendingen) respectievelijk 203 ton (15 zendingen) kangoeroevlees geïmporteerd in Nederland, binnengekomen via Nederlandse grenscontroleposten. In 2024 ging het – tot 22 oktober – om 145 ton (9 zendingen).
Heeft u er kennis van genomen dat ruim vijftig Nederlandse bedrijven al zijn gestopt met de verkoop en de promotie van kangoeroeproducten, nadat zij zijn geïnformeerd over de wreedheid van de jacht?
Een aantal Nederlandse bedrijven is inderdaad op vrijwillige basis gestopt met de verkoop van kangoeroeproducten. Hierbij wil ik aangeven dat het aan bedrijven zelf is om – binnen de wettelijke kaders – keuzes te maken met betrekking tot hun bedrijfsvoering. Het staat bedrijven vrij daarbij de keuze te maken om bepaalde producten niet (meer) aan te bieden. Dat dierenwelzijn – in algemene zin – een rol speelt bij de keuze van een aantal bedrijven om bepaalde producten niet aan te bieden steun ik.
Heeft u gezien dat de Tweede Kamer in 2022 de regering heeft verzocht om bij de Europese Commissie de problematiek rond de toegang van omstreden producten als kangoeroevlees en kangoeroeproducten tot de Europese markt aan te kaarten (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1376)?
Ja, ik ben bekend met deze motie van het lid Wassenberg (PvdD). Naar aanleiding van deze motie is er met de Europese Commissie gesproken over kangoeroeproducten die op de EU-markt geplaatst worden vanuit Australië. De Commissie heeft toen aangegeven reeds in gesprek te zijn over de import van kangoeroeproducten uit Australië met organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Van Nederlandse zijde is daarbij gewezen op het belang van hoge dierenwelzijnsnormen. Over deze uitvoering van de motie Wassenberg is de Kamer in juni 2022 geïnformeerd.3 Daarbij is ook aangegeven dat het uiteindelijk aan de Australische overheid is op welke manier kangoeroejacht gereguleerd wordt, net zoals EU lidstaten zelfstandig de jacht op wild reguleren met inachtneming van de staat van instandhouding van de soort en dierenwelzijn.
Heeft u gezien dat de Tweede Kamer in 2023 de regering heeft verzocht om met een plan te komen om producten waarin onder andere kangoeroeleer is verwerkt, uit de Nederlandse winkels te weren (Kamerstuk 36 254, nr. 16)?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat meer dan 70% van Nederlanders wil dat de jacht op kangoeroes stop en dat ze een importverbod willen op kangoeroeproducten?2
Ik ben bekend met resultaten van een onderzoek van Pureprofile uit 2024, waar ook onderzoek onder Nederlandse respondenten is verricht.5
Heeft u gezien dat er vervolgens door de Europese Commissie is ingezet op dierenwelzijnsstandaarden? Zo ja, heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de Australische delegatie in het bezoek aan de Tweede Kamer (21 oktober 2024) – tevens verwoord in een wereldwijde verklaring van meer dan 80 dierenwelzijnsorganisaties3 – dat deze industrie niet gereguleerd kan worden, o.a. omdat Australië groot is en omdat de jacht ’s nachts en zonder toezicht plaatsvindt en dat een importverbod de enige optie is om dit dierenleed te stoppen?
Met betrekking tot de jacht, is het uiteindelijk aan de Australische overheid op welke manier kangoeroejacht gereguleerd wordt, net zoals EU lidstaten zelfstandig de jacht op wild reguleren met inachtneming van de staat van instandhouding van de soort en dierenwelzijn.7
Heeft u de wereldwijde verklaring van meer dan 80 dierenwelzijnsorganisaties (ondersteund door wetenschappers), waaronder de Nederlandse Dierenbescherming, over de kangoeroejacht als een dierenwelzijnscrisis gelezen, waarin ook een oproep wordt gedaan aan overheden?4 5 Wat is uw reactie daarop?
Ik ben bekend met de verklaring. Allereerst, ik vind dierenwelzijn belangrijk. Met betrekking tot de jacht, is het uiteindelijk aan de Australische overheid op welke manier kangoeroejacht gereguleerd wordt, net zoals EU lidstaten zelfstandig de jacht op wild reguleren met inachtneming van de staat van instandhouding van de soort en dierenwelzijn.10 Met betrekking tot de oproep aan nationale overheden het volgende. Nederland is onderdeel van de Europese interne markt. Import van een product verbieden dat uit een land komt van buiten de Europese Unie, in dit geval Australië, kan alleen op Europees niveau geregeld worden.
Bent u bereid om u volgens de wens van de Tweede Kamer op Europees niveau actief in te zetten voor verbod op de import van kangoeroevlees en -producten, naar voorbeeld van o.a. zeehondenproducten? Zo ja, wanneer en op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk importverbod kan alleen worden ingesteld als het verbod in overeenstemming met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is. Omdat de Commissie eerder heeft aangegeven geen juridische basis te zien om deze producten op basis van dierenwelzijn te weren, zie ik geen aanleiding om voor een importverbod te pleiten. Het kabinet zal er zorg voor dragen dat de door uw Kamer aangedragen zorgpunten worden overgebracht aan de Europese Commissie.
Bent u bereid om met een plan te komen om kangoeroevlees en -producten van de Nederlandse markt te weren? Zo nee, waarom niet?
Nederland is onderdeel van de Europese interne markt. Een eventueel importverbod van kangoeroeproducten kan alleen op Europees niveau geregeld worden.
Momenteel werkt het kabinet aan de invulling van de motie van voormalig lid Van Esch (PvdD).11 De motie vraagt om met een plan te komen om producten waarin bont, dons van levend geplukte dieren, angorawol of kangoeroeleer is verwerkt uit Nederlandse winkels te weren.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, voor de aankomende Raad Buitenlandse Zaken Handel en de Landbouw- en Visserijraad?
Helaas heeft de beantwoording van de vragen vertraging opgelopen vanwege interdepartementale afstemming.
Het bericht ‘Omstreden Samidoun-kopstuk Mohammed Khatib komt naar Radboud Universiteit Nijmegen: ’Extremistische haatprediker’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Mohammed Khatib van Samidoun op 28 oktober 2024 komt spreken op de Radboud Universiteit?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze gedragswijze van de Radboud Universiteit in het licht van de aangenomen motie-Diederik van Dijk/Eerdmans over het plaatsen van Samidoun op de nationale terreurlijst (Kamerstuk 29 279, nr. 882) en de oproep van het kabinet aan het Openbaar Ministerie om hier snel mee aan de slag te gaan?2
Op dit moment is de spreker de toegang tot Nederland ontzegd. De Radboud Universiteit heeft na het besluit van de Minister van Asiel en Migratie besloten de lezing te annuleren. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is niet voornemens om op dit moment het gesprek aan te gaan met de Radboud Universiteit over deze specifieke lezing.
Op universiteiten is er ruimte om scherpe gesprekken te voeren, maar alleen binnen de grenzen van de wet. Iedere student en medewerker heeft het recht om bijeenkomsten met een academisch karakter te organiseren. In algemene zin geldt dat het aan de instelling is om voorafgaand aan bijeenkomsten duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden moet worden voldaan. Inclusiviteit en veiligheid voor iedere deelnemer aan de bijeenkomst zijn daarbij belangrijke voorwaarden, ongeacht de aard van de bijeenkomst. De academische vrijheid is een belangrijke waarde van onze rechtsstaat die we moeten verdedigen.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat docenten van Nederlandse universiteiten actief uitnodigingen verspreiden en stellen «verheugd» te zijn dat een lid van het in Duitsland verboden Samidoun openlijk (joden)haat komt verspreiden op een Nederlandse universiteit?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om Mohammed Khatib de toegang tot Nederland te ontzeggen op grond van de mogelijkheden die de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding biedt teneinde de nationale veiligheid te waarborgen? Kunt u hierbij de aangenomen motie-Diederik van Dijk/Eermans (Kamerstuk 29 279, nr. 882) meewegen die verzoekt om Khatib op de nationale terreurlijst en in het CTER-register (Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering) te plaatsen en het besluit van Canada en de Verenigde Staten om Samidoun op de terreurlijst te plaatsen?
De organisatie Samidoun, waar betrokkene toe behoort, spreekt steun uit voor verschillende terroristische organisaties en noemt het plegen van terroristische aanslagen «verzet». Betrokkene heeft zich hier op verschillende momenten ook over uitgelaten. Dit vinden wij absoluut verwerpelijk. Betrokkene, en de organisatie Samidoun waar hij lid van is, legitimeert, vergoelijkt en verheerlijkt geweld tegen de staat Israël, waaronder geweld door organisaties die op de terrorismelijst van de Europese Unie staan. Hij spreekt ook actief zijn steun uit voor terroristische organisaties. Deze uitspraken kunnen een radicaliserend effect hebben. Deze conclusies hebben ertoe geleid dat de Minister van Asiel en Migratie, in samenspraak met de Minister van Justitie en Veiligheid, betrokkene heeft gesignaleerd in E&S (Executie en Signalering). Dit is een informatiesysteem van de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee. Dit betekent dat betrokkene zal worden geweerd indien hij in Nederland wordt aangetroffen.
Op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) is het niet mogelijk om een persoon te weren uit Nederland door hem de toegang tot Nederlands grondgebied te ontzeggen. De Twbmt biedt wel de mogelijkheid om aan een persoon, die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in het belang van de nationale veiligheid. Een mogelijke maatregel is een gebiedsverbod voor een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, mits kan worden onderbouwd dat de aanwezigheid van de persoon in dit specifieke gebied een dreiging tegen de nationale veiligheid vormt en de gedragingen van de persoon voldoen aan bovenstaande norm. Een gebiedsverbod voor heel Nederland is met het oog op de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregel niet mogelijk.
De precieze overwegingen die ten grondslag liggen aan het Belgische besluit om de heer Khatib te bestempelen als «extremistische haatprediker» zijn niet bekend. Het hangt van de wetgeving van het betreffende land af of een dergelijke kwalificatie (juridische) gevolgen heeft of niet. In Nederland wordt gekeken naar alle uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
Bent u bereid de overwegingen en het besluit van de Belgische Staatssecretaris over te nemen teneinde Khatib te bestempelen als «een extremistische haatprediker»?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in overleg met de Radboud Universiteit de bijeenkomst van Samidoun te beletten en in overleg met het Openbaar Ministerie te verkennen wat er nodig is om Samidoun in Nederland te verbieden? Wilt u hierbij ook ingaan op de aangenomen motie-Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 476, nr. 6) over zich er in Europees verband voor inspannen dat organisaties zoals Samidoun op de Europese lijst van terroristische organisaties worden geplaatst?
Het is niet aan het kabinet om over de keuze van de Radboud Universiteit te oordelen. Bijeenkomsten op instellingen moeten plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische standaarden en de huisregels en gedragscodes van de instelling. Dit betekent onder andere dat er geen ruimte is voor discriminatie, intimidatie en antisemitisme. Het is aan de instelling om vooraf duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden bijeenkomsten moeten voldoen en om de naleving hiervan te borgen. Ingrijpen op een bijeenkomst die in het kader van het academisch debat wordt georganiseerd zou een vergaande inbreuk zijn op de academische vrijheid. Het uitoefenen van invloed op het debat aan onderwijsinstellingen, is een brug die we niet over moeten gaan.
Ten aanzien van de organisatie Samidoun geldt dat andere landen banden met terroristische organisaties hebben vastgesteld. De Minister van Justitie en Veiligheid vindt deze signalen zeer zorgelijk. Daarom steunt Nederland het Duitse voorstel om Samidoun op de Europese Hamas- Palestijnse Islamitische Jihadsanctielijst te plaatsen. De Minister van Justitie en Veiligheid gaat, zoals eerder toegezegd, in gesprek met Duitsland om te leren hoe zij omgaan met deze en soortgelijke organisaties en hoe mogelijk in internationaal verband verder kan worden samengewerkt.
Ook gaat de Minister van Justitie en Veiligheid, conform de motie Diederik van Dijk (SGP) en Eerdmans (JA21)3, in gesprek met het Openbaar Ministerie om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om Samidoun te verbieden.
Bent u bereid met uw Duitse collega’s in gesprek te gaan om te bezien wat er mogelijk is om Samidoun een halt toe te roepen vanwege het steun verlenen aan Hamas, het verspreiden van anti-Joodse propaganda, het bepleiten en uitlokken van geweld als middel om politieke belangen af te dwingen, het oproepen tot een wereldwijde studentenintifada en het verheerlijken van de terreur op 7 oktober 2023 jegens de staat Israël?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen vóór 27 oktober 2024 beantwoorden?
Ja.
De jaarcijfers Mensenhandel 2023 |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent met de onlangs gepubliceerde jaarcijfers over mensenhandel in 2023 van de Nationaal Rapporteur Mensenhanden en Seksueel Geweld tegen Kinderen?1
Ja.
Deelt u de mening van de Nationaal Rapporteur dat de toename van het aantal slachtoffers in de thuisprostitutie zorgelijk is, omdat deze sector minder zichtbaar is voor de handhavende instanties? Zo ja, deel u dan ook de mening dat dit om aanpassing van opsporingsmiddelen en mogelijkheden voor digitale opsporing vraagt en hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De toename van het aantal meldingen van slachtoffers van seksuele uitbuiting in de thuisprostitutie is zorgelijk. Tegelijkertijd kan de toename (deels) het effect zijn van de inzet om de meldingsbereidheid onder slachtoffers te verhogen. Het is voor slachtoffers in de sekswerkbranche niet makkelijk om een melding te doen. Zij zijn vaak bang voor repercussies waardoor er geen melding of aangifte wordt gedaan en zorgelijke situaties blijven voortbestaan. Het landelijk beleid is er dan ook op gericht om de meldingsbereidheid onder slachtoffers te verhogen.
Los daarvan moet seksuele uitbuiting, juist ook in de thuisprostitutie, kunnen worden aangepakt. Binnen dat kader zijn signalen die voortkomen vanuit het toezicht op de sekswerkbranche van groot belang voor het opstarten en uitvoeren van opsporingsonderzoeken naar mensenhandel. In beginsel is het de taak van de gemeente om toezicht te houden op de sekswerkbranche. Om het zicht op slachtoffers van mensenhandel binnen deze sector te verbeteren, wordt er gezamenlijk tussen de VNG, de politie, maatschappelijk werk organisaties, ervaringsdeskundigen en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) aan een handelingskader gewerkt ten aanzien van het uitvoeren van de controles op de sekswerkbranche. De acties onder actielijn 5 uit het Actieplan programma Samen tegen Mensenhandel voor het verbeteren van de gegevensverwerking en informatiedeling dragen ook bij aan een verbeterd zicht op slachtoffers van mensenhandel, doordat signalen van misstanden eenvoudiger tussen de bij de aanpak van mensenhandel betrokken partijen kunnen worden gedeeld.
Daarnaast is het uiteraard van belang dat de opsporingsdiensten zich door blijven ontwikkelen als het gaat om (online) opsporing om mensenhandel op een passende wijze aan te kunnen (blijven) pakken. Door de politie wordt onder andere met de kwalitatieve afspraken in de Veiligheidsagenda op deze doorontwikkeling ingezet. Zo werkt de politie aan de versterking van samenwerking met partners bij het signaleren van uitbuiting die online plaatsvindt en heeft de politie een online opsporingsstrategie opgezet die gericht is op mensenhandel. Uw Kamer is in de Kamerbrief over toezeggingen op het dossier mensenhandel nader geïnformeerd over de online opsporingsstrategie.2
Wanneer wordt het wetsvoorstel regulering sekswerk in consultatie naar de Kamer gestuurd?
Ter uitvoering van het vorige coalitieakkoord is een nota van wijziging bij het wetsvoorstel regulering sekswerk opgesteld. De nota van wijziging is in consultatie gegaan, maar door de val van het vorige kabinet niet verder gebracht. De Kamer wordt begin 2025 geïnformeerd over de visie op sekswerk. Daarin wordt ingegaan op de invoering van de minimumleeftijd voor prostitutie van 21 jaar zoals afgesproken in het regeerprogramma en de relatie die deze invoering heeft met het wetsvoorstel voor de wet regulering sekswerk. De wijze waarop de minimumleeftijd van 21 jaar voor prostitutie in wetgeving wordt geregeld is namelijk ook afhankelijk van de bredere visie op sekswerk en de regels opgenomen in het nu in de Kamer aanhangige wetsvoorstel regulering sekswerk.
Hoe komt het dat het aantal verdachten dat in 2023 in beeld kwam bij de politie gedaald is terwijl het aantal meldingen van mensenhandel bij diverse instanties licht is gestegen? Hoe verhoudt zich dat tot een van de doelen van uw programma Samen tegen mensenhandel om «daders te frustreren en zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk aan te pakken»?2
Het melden van slachtoffers van mensenhandel bij het Coördinatiecentrum tegen Mensenhandel (CoMensha) is niet voorbehouden aan de politie. Iedereen die zicht heeft op een mogelijk slachtoffer kan hierover melding doen bij CoMensha. Hoewel het voor het opstarten van een onderzoek zeer wenselijk is dat deze signalen ook worden doorgezet aan de politie, komt het voor dat slachtoffers (nog) niet willen dat hun gegevens worden gedeeld met de politie en/of dat zij (nog) geen verklaring willen afleggen, waardoor dit slachtoffer en mogelijk ook de verdachte niet bij politie in beeld komen. Daarnaast biedt niet iedere verklaring of aangifte van een slachtoffer voldoende aanknopingspunten om tot een succesvolle aanhouding en vervolging van een dader te komen. Deze aspecten gezamenlijk zorgen ervoor dat een stijging van het aantal meldingen niet automatisch een stijging van het aantal verdachten dat in beeld is bij de politie betekent. Daarbij komt dat de politie niet de enige opsporingsinstantie is die betrokken is bij de aanpak van mensenhandel en aldus niet als enige partij zicht heeft op verdachten.
Het versterkt Actieplan programma Samen tegen mensenhandel is op 17 juni jl. naar uw Kamer gestuurd.4 Momenteel wordt gewerkt aan de uitvoering van het Actieplan. De jaarcijfers mensenhandel gaan over 2023, maar blijven relevant voor de uitvoering van de acties over daders. De acties uit het Actieplan dienen ook ter verbetering van de aanpak van daders. Zo zijn er acties die zich richten op het voorkomen van herhaald daderschap. Daarnaast wordt ingezet op het vergroten van de aangiftebereidheid en meldingsbereidheid van slachtoffers en op het verbeteren van de (boven) regionale samenwerking om zo ook meer zicht op daders van mensenhandel te krijgen en hen aan te kunnen pakken.
Hoe komt het dat het percentage zaken dat door het Openbaar Ministerie geseponeerd al jaren stijgt en dat daardoor het jaarlijkse aantal zaken waarin de rechter uitspraak doet daalt?
De officier van justitie kan onder meer op gronden aan het algemeen belang ontleend beslissen om niet of niet verder te vervolgen. De zaak wordt dan geseponeerd. Indien op grond van het onderzoek geconcludeerd moet worden dat niet vervolgd kan worden of een veroordeling niet haalbaar is wegens onvoldoende bewijs, dan wordt geseponeerd met een «technisch sepot». In het geval van mensenhandel is onvoldoende bewijs de meest voorkomende reden voor een sepot.
Specifieke redenen voor de lichte stijging van het aantal sepots in de afgelopen jaren zijn niet bekend. In algemene zin zijn er verschillende factoren die bij strafrechtelijke onderzoeken naar mensenhandel kunnen bijdragen aan een sepot.
Zo schrijft de Aanwijzing Mensenhandel voor dat opsporingsdiensten worden geacht in alle gevallen signalen van mensenhandel op te pakken. Als er voldoende relevante aanknopingspunten voor opsporing zijn, dienen deze in overleg met de officier van justitie te worden onderzocht. Bij mensenhandel wordt de benodigde bewijsdrempel relatief vaak niet gehaald. Dit hangt samen met de aard van het delict. De uitbuiting is vaak het gevolg van geweld, dwang of een afhankelijkheidsrelatie, en hierdoor is de aangiftebereidheid laag. Als er geen of onvoldoende ondersteunend bewijs voor handen is, kan niet worden overgegaan tot vervolging. In gevallen waarbij wordt besloten niet te vervolgen voor mensenhandel, zal in sommige gevallen worden gedagvaard voor andere strafbare feiten die bij mensenhandel kunnen spelen, zoals mensensmokkel of voor het verschaffen van wederrechtelijk verblijf als de slachtoffers van buiten de EU zijn.
Is het waar dat in een aanzienlijk deel van bovengenoemde zaken ondanks indicaties van arbeidsuitbuiting, waaronder de kwetsbare situatie waarin slachtoffers verkeren en het misbruik daarvan, er toch geen vervolging voor mensenhandel plaatsvond? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat is er dan niet waar aan dit door de Nationaal Rapporteur gestelde?
De Nationaal Rapporteur stelt dat de opsporing en strafrechtelijke vervolging van arbeidsuitbuiting in Nederland al beperkt was en in 2023 nog verder in omvang is afgenomen. Zij stelt dat het aantal gestarte opsporingsonderzoeken naar arbeidsuitbuiting afnam van 15 in 2022 naar 8 in 2023. In dezelfde periode zou het aantal zaken van arbeidsuitbuiting dat is ingeschreven bij het Openbaar Ministerie afgenomen zijn van 31 tot 18, en het aantal door de rechter afgedane zaken van arbeidsuitbuiting nam af van 8 in 2022 tot 2 in 2023.
Niet alle zaken met een indicatie van arbeidsuitbuiting leiden tot vervolging. De Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie beoordeelt alle meldingen van mogelijke arbeidsuitbuiting en pakt deze zo nodig op, zoals bepaald in de Aanwijzing mensenhandel. De Opsporingsdienst beziet of er voldoende aanknopingspunten zijn om op te treden, zoals de benadering van een mogelijk slachtoffer of de inzet van opsporingsmiddelen tegen een specifieke verdachte. Dit blijkt bij veel meldingen niet het geval.
Daarnaast leidt niet elk strafrechtelijk onderzoek tot vervolging door het Openbaar Ministerie, omdat vaak onvoldoende bewijs kan worden gevonden. Overigens wordt in deze zaken ook bekeken of vervolging voor andere strafbare feiten mogelijk is, bijvoorbeeld voor mensensmokkel of valsheid in geschrifte. Bovendien kunnen misstanden in de arbeidssfeer bestuursrechtelijk worden aangepakt.
Met het wetsvoorstel Modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel kan arbeidsuitbuiting (art. 273f Wetboek van Strafrecht) naar verwachting effectiever worden aangepakt. Dit wetsvoorstel is 25 april jl. bij de Tweede Kamer ingediend. Het doel van dit wetsvoorstel is om de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel – inclusief arbeidsuitbuiting – effectiever te maken en de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers te verbeteren. Daarnaast wordt ernstige benadeling als zelfstandig delict strafbaar gesteld, waarmee wordt beoogd dat substantiële onderbetaling en slechte huisvestingsomstandigheden, zoals geschetst in het wetsartikel, effectiever aangepakt kunnen worden.
Overigens is na de publicatie van deze jaarcijfers over het aantal gestarte opsporingsonderzoeken onder meer gebleken dat de Arbeidsinspectie sommige onderzoeken naar arbeidsuitbuiting abusievelijk op een andere wijze had geregistreerd. De Arbeidsinspectie komt tot de conclusie dat zij in 2022 28 en in 2023 21 opsporingsonderzoeken naar arbeidsuitbuiting is gestart.
Geven de cijfers naar uw mening aanleiding om het toezicht op arbeidsuitbuiting in sectoren die daarvoor gevoelig zijn te verscherpen? Zo ja, hoe gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
De Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie is verantwoordelijk voor de opsporing van arbeidsuitbuiting. Zoals hiervoor is aangegeven wordt elke melding over mogelijke arbeidsuitbuiting door de Opsporingsdienst opgepakt, ongeacht de sector waar de melding betrekking op heeft.
Deel u de mening van de Nationaal Rapporteur dat «de cijfers laten zien dat blijvende aandacht voor de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel noodzakelijk is»? Zo ja, hoe gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening van de Nationaal Rapporteur dat er blijvende aandacht nodig is voor de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel. Daarom is de aanpak van mensenhandel een van de centrale thema’s in de Veiligheidsagenda 2023–2026 en zijn er in het kader hiervan kwalitatieve en kwantitatieve afspraken gemaakt. Via de Jaarverantwoording Politie, die jaarlijks middels het Jaarverslag JenV met uw Kamer wordt gedeeld, wordt uw Kamer op de hoogte gehouden over de uitvoering van de veiligheidsagenda.5 Ook wordt er op dit moment gewerkt aan het moderniseren en uitbreiden van het artikel waarin mensenhandel strafbaar wordt gesteld (art. 273f Sr). Het aangepaste artikel moet de aanpak van mensenhandel, en dan met name misstanden in de arbeidssfeer door hoofdzakelijk de Nederlandse Arbeidsinspectie, verbeteren. Zoals gezegd bij het antwoord onder vraag 4, zijn er daarnaast ook in het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel acties die moeten bijdragen aan de aanpak van daders.
Wanneer wordt het wetsvoorstel dat voorziet in de modernisering en uitbreiding van de strafbaarstelling van mensenhandel (artikel 273f Sr) naar de Kamer gestuurd?
Het wetsvoorstel is reeds op 29 april bij uw Kamer ingediend en uw Kamer heeft daarover op 13 juni verslag uitgebracht. De nota naar aanleiding van dit verslag is 23 oktober jl. aan uw Kamer aangeboden.6
Gaat u naar aanleiding van de door de Nationaal Rapporteur gemelde cijfers en de observaties die zij daaraan verbindt het Actieplan van het programma Samen tegen mensenhandel aanpassen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De cijfers die zijn gepubliceerd passen in een trend van de afgelopen jaren waarin het zicht op slachtoffers slecht is. Dit is onderkend in de probleemanalyse van het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel. De komende jaren worden verschillende acties binnen het Actieplan uitgevoerd die het zicht op het aantal slachtoffers vergroten, zodat slachtoffers eerder en beter kunnen worden geholpen.
Oekraïne als atoommacht |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft Zelensky recent tijdens een Europese Raad in Brussel inderdaad gedreigd atoomwapens te zullen gaan ontwikkelen als Oekraïne geen lid kan worden van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)?1
President Zelensky sprak op 17 oktober jl. in Brussel over het Boedapest Memorandum, dat 30 jaar geleden werd gesloten, en over de Oekraïense wens om lid te worden van de NAVO. In die context sprak hij ook over kernwapens. Later die dag stelde President Zelensky in een persconferentie met SG NAVO Mark Rutte expliciet dat Oekraïne geen kernwapens nastreeft. Het Oekraïense Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft dit eveneens op 17 oktober in een verklaring2 herhaald en daarnaast bevestigd dat Oekraïne gecommitteerd is en blijft aan het Non-Proliferatie Verdrag.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat Oekraïne op dit moment poogt om atoomwapens te ontwikkelen of in handen te krijgen? Indien dit het geval is, op welke termijn beschikt Oekraïne naar verwachting over atoomwapens?
Het kabinet heeft geen enkele aanwijzing dat Oekraïne poogt om kernwapens te ontwikkelen of in handen te krijgen.
Is het voor het Nederlandse kabinet acceptabel als Oekraïne probeert om atoomwapens te ontwikkelen of in handen te krijgen?
Voor Nederland is het Non-Proliferatie Verdrag de hoeksteen op het gebied van non-proliferatie en ontwapening. Uit de al aangehaalde verklaring van het Oekraïense Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat Oekraïne gecommitteerd is en blijft aan het Non-Proliferatie Verdrag als niet-kernwapenland.
Wat zijn naar verwachting de gevolgen voor Nederland als Oekraïne atoomwapens inzet tegen Rusland?
Oekraïne heeft geen kernwapens. Het kabinet speculeert niet over hypothetische situaties.
Hoe groot schat u de kans in dat Rusland, zodra het door Oekraïne met nucleaire wapens wordt aangevallen, Nederland, – een land dat immers niet alleen voorop loopt in het militair steunen van Oekraïne maar onder andere F16s die met nucleaire wapens beladen kunnen worden heeft geleverd aan Oekraïne – in een vergeldingsactie zal aanvallen met nucleaire wapens?
Oekraïne heeft geen kernwapens. Het kabinet speculeert niet over hypothetische situaties.
Kunt u de bovenstaande vijf vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u, gezien de urgentie, er gaan immers geruchten dat Oekraïne binnen een paar weken al over atoomwapens zou kunnen beschikken, deze vragen binnen de vastgestelde termijn van drie weken beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Wereldstotterdag |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met Wereldstotterdag? Wordt deze dag erkend door dit kabinet?
Wij zijn inderdaad bekend met de Wereldstotterdag. Wij vinden het terecht dat er aandacht is voor personen die vanwege een communicatieve beperking belemmeringen ondervinden. Een voorbeeld is dat zij moeilijkheden kunnen ondervinden bij het vinden van een baan komen die past bij hun capaciteiten. Als kabinet staan we voor gelijke kansen voor alle (potentiële) werkenden en voor selectie op voor de functie relevante functie-eisen.
Bent u ervan op de hoogte dat er op dit moment ongeveer 175.000 mensen in Nederland stotteren? Waarvan zeker 20.000 hevig?
Ja, hiervan zijn wij op de hoogte.
Bent u bekend met het boek genaamd «Gelieve niet te stotteren op onze inclusieve werkvloer?» Zo ja, wat vindt u van de problematiek die in dit boek geschetst wordt?
Wij hebben de hoofdlijnen van de inhoud tot ons genomen. Het boek geeft inzicht in de moeilijkheden die mensen die stotteren trotseren op de arbeidsmarkt en in hoe ze worden beoordeeld. Ook blijkt uit het boek dat het een misverstand is dat iedereen van stotteren af kan komen. De persoonlijke verhalen geven aan wat het met mensen die stotteren doet als zij in hun mogelijkheden beperkt worden, omdat zij stotteren. Dit past niet bij een samenleving waarin iedereen mee moet kunnen doen.
Kent u de internationale verklaring voor het recht om te stotteren (The Declaration of the Right to Stutter, een afgeleide van het VN Verdrag Handicap)?
Ja.
Is het kabinet het ermee eens dat het voor hevige stotteraars veel lastiger is om een goede indruk achter te laten bij een eerste sollicitatiegesprek? En dat zij het risico lopen om tegen hun zin, in spraakarme functies geïsoleerd te worden? En is het kabinet bereid om mensen die hevig stotteren toe te laten tot het doelgroepenregister?
Het kabinet onderschrijft dat het voor hevige stotteraars veel lastiger is om een goede indruk achter te laten bij een eerste sollicitatiegesprek. Het is onwenselijk dat zij daarom het risico lopen om, tegen hun zin, in spraakarme functies geïsoleerd te worden. Dat blijkt ook uit de publicatie van onderzoeksjournalist Steven de Jong. Het kabinet probeert op tal van manieren mensen te ondersteunen die belemmeringen ervaren bij het vinden of behouden van werk. De banenafspraak is één van die manieren. De huidige banenafspraak is ingericht op mensen met een beperking die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Daar zijn de instrumenten van de banenafspraak ook op gericht. Mensen die hevig stotteren kunnen in bepaalde gevallen opgenomen worden in het doelgroepregister van de banenafspraak, als zij niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Echter, mensen die hevig stotteren lopen niet altijd noodzakelijkerwijs tegen dezelfde belemmeringen aan, en hebben ook niet altijd behoefte aan de instrumenten van de banenafspraak.
Daarom werkt het kabinet momenteel ook samen met sociale partners, vertegenwoordigers van de doelgroep en uitvoerders aan een toekomstvisie op de banenafspraak. De gedeelde ambitie daarin is dat er meer gewerkt wordt vanuit de ondersteuningsbehoefte van mensen.
In dit traject is ook aandacht voor de behoeften van mensen die hevig stotteren, en de ondersteuning waarmee zij het beste geholpen zouden zijn.
Onderzoeksjournalist Steven de Jong heeft beschreven hoe van het UWV Werkbedrijf een keukenmonteur niet mag stotteren, er zijn tal van voorbeelden te geven, maar hoe gaat het kabinet deze vorm van uitsluiting op de arbeidsmarkt tegen?
Vanuit de brede inzet op het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie, worden werkgevers gestimuleerd om meer aandacht te hebben voor objectief werven en selecteren, door o.a. kritisch te kijken naar de gevraagde functie-eisen en of deze daadwerkelijk voor de functie relevant zijn. Op deze manier wordt gewerkt aan meer gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Zo hebben wij met werkgeversorganisaties afgesproken om te komen tot een ontwikkelagenda gelijke kansen. Dit is o.a. bedoeld om ondersteuning te bieden aan werkgevers die aan de slag willen met kansengelijkheid.
Daarnaast zet UWV in op het adviseren van werkgevers op het gebied van inclusief werkgeverschap, Werkgevers worden ondersteund om oog te hebben voor diversiteit op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld door gesprekken met arbeidsdeskundigen en de inzet van voorzieningen en jobcoaches bij mensen met een arbeidsbeperking.
Zijn er plannen voor bijvoorbeeld publieke campagnes om werkgevers meer bewust te maken dat een praatfunctie ook stotterend uitgeoefend kan worden (zoals het Britse Stamma in het Verenigd Koninkrijk organiseerde)?
Op dit moment zijn er geen voorgenomen publiekscampagnes.
Welke initiatieven zijn er al die de rechten en mogelijkheden van mensen die stotteren waarborgen / verbeteren?
UWV en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben in de afgelopen jaren geïnvesteerd in (door)ontwikkeling en inzet van technologieën die – onder meer – op het werk gebruikt kunnen worden om ervaren belemmeringen weg te nemen. Dit is samen met de Coalitie voor Technologie (CTI) gedaan. O.a. werkgevers, technologieontwikkelaars, wetenschap en werknemers participeren in deze CTI. Door de CTI zijn pilots mogelijk gemaakt waarin verschillende inclusieve technologieën zijn getest in de praktijk. Een van de technologieën die in een pilot is doorontwikkeld en getest in de praktijk in 2023 is Whispp. Whispp is een AI spraaktechnologie (software) die fluisterspraak en pathologische spraak omzet in een natuurlijke stem. De technologie helpt individuele medewerkers die stotteren (of een stemaandoening hebben) bij het voeren van gesprekken. UWV en gemeenten kunnen werkvoorzieningen verstrekken aan mensen met een structurele functionele beperking. Zo kan UWV bijvoorbeeld, nu Whispp als product staat, het hulpmiddel sinds juli van dit jaar als voorziening verstrekken.
Geeft de overheid, vanuit haar rol als werkgever, het goede voorbeeld op het gebied van inclusie van mensen die stotteren? Wat doet de overheid bijvoorbeeld om mensen die stotteren te ondersteunen?
Binnen het Rijk werken we via verschillende maatregelen aan het bevorderen van gelijke kansen en het voorkomen van arbeidsmarktdiscriminatie. Hiervoor zijn onder andere maatregelen voor breed werven en objectief selecteren afgesproken en worden rijksbreed trainingen gegeven ter bewustwording van vooroordelen en ter verbetering van het werving- en selectieproces.
Ook wordt binnen het Rijk gewerkt aan de implementatie van de afspraken uit het VN-verdrag Handicap. Hiervoor wordt een generieke aanpak ontwikkeld voor alle medewerkers met een beperking, aangevuld met een werkbaar proces van redelijke aanpassingen voor medewerkers met een specifieke ondersteuningsbehoefte. Er zijn geen specifieke maatregelen voor mensen die stotteren. Het doel is dat alle medewerkers, ongeacht hun beperkingen, volwaarding en gelijkwaardig kunnen meedoen aan het arbeidsproces.
De brief inzake het contact tussen de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en de Oegandese minister van Buitenlandse Zaken. |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de brief inzake het contact tussen u en de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken?1
Ja.
Heeft u tijdens uw gesprek met uw Oegandese collega wel of niet expliciet gesproken over de mogelijkheid om uitgeprocedeerde asielzoekers vanuit Nederland naar Oeganda te sturen?
Gedurende het gesprek is zowel opvang van vluchtelingen uit de regio als opvang van asielzoekers in Oeganda aan de orde gekomen. Ook is al eerder op ambtelijk niveau gesproken over de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers uit Nederland naar Oeganda.
Is er een gespreksverslag gemaakt van uw gesprek met de Oegandese Minister? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de betreffende passages met de Kamer delen?
Van het gehele bezoek aan Oeganda is een verslag gemaakt. Het gesprek met de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken is in dit verslag opgenomen. Er is geen separaat verslag gemaakt van dit gesprek.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en kunt u dat doen voor vrijdag 1 november 17.00 uur?
Het is helaas niet gelukt deze vragen voor 1 november te beantwoorden.
Het bericht 'Oplichting door nepagenten stijgt explosief, dit jaar al 3500 incidenten' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplichting door nepagenten stijgt explosief, dit jaar al 3500 incidenten»?1
Ja.
Wat is volgens u de reden dat er dit jaar al in september meer mensen zijn aangehouden die ervan worden verdacht zich voor te doen als nepagenten ten opzichte van vorig jaar?
Oplichting door middel van nepagenten is inderdaad dit jaar gestegen. De politie geeft hier ook expliciet aandacht aan door te waarschuwen voor deze vorm van criminaliteit en hierbij de wijze van opereren van deze criminelen te communiceren, bijvoorbeeld in de media. Daarbij geeft de politie nadrukkelijk aan dat de slachtoffers vooral melding en aangifte moeten doen.
De slachtoffers zijn grotendeels ouder dan 70 jaar. De daders van deze vorm van babbeltrucs doen dit zogenaamd uit naam van de politie. Hierbij staat voor de politie ook de eigen reputatie en het vertrouwen op het spel. De politie heeft mede daarom veel zaken van deze vorm van criminaliteit in onderzoek. Er is een landelijk gecoördineerde informatievoorziening en dit levert aanhoudingen op. De eerste verdachten zijn al voor de rechter gebracht.
Bent u het met de stelling eens dat het ongelofelijk laf is dat criminelen zich voordoen als nepagenten en doelbewust kwetsbare mensen proberen om te praten?
Ja. Dat is mede de reden dat babbeltrucs onder de zogenaamde high impact crimes worden geschaard.
Zo ja, welke preventieve maatregelen kunt u nemen om deze kwetsbare personen weerbaarder te maken tegen babbeltrucs van nepagenten?
Er is een brochure met handelingsperspectief voor het voorkomen van deze delicten. In samenwerking met zowel publieke en private partners organiseert het Ministerie van Justitie en Veiligheid jaarlijks in april een aantal informatieve bijeenkomsten voor senioren waarbij de werkwijze van criminelen en het handelingsperspectief uitgebreid aan de orde komen. Ook worden de campagnemiddelen weer onder de aandacht gebracht en beschikbaar gesteld aan gemeenten en ouderenorganisaties. De maand april staat jaarlijks speciaal in het teken van senioren en veiligheid waarbij wordt ingezet op het vergroten van het versterken van de weerbaarheid, alertheid en veiligheid van senioren. Voor deze doelgroep zijn diverse communicatiemiddelen beschikbaar. Zo zijn er informatiefilmpjes over de veelvoorkomende delicten waar senioren vaak slachtoffer van worden, waaronder babbeltrucs.
Daarnaast werkt de politie samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een podcast over dit onderwerp. Deze podcast, waarin een dochter van een slachtoffer aan het woord komt die haar verhaal vertelt, biedt handelingsperspectief voor de (klein)kinderen van (kwetsbare) senioren. Zo richt de politie zich, samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, ook op de persoonlijke omgeving van senioren. Deze podcast is beschikbaar op verschillende platforms.
Tenslotte wordt gewerkt met boegbeelden uit de politie voor de woordvoering. Specifiek voor babbeltrucs, en in dit geval die met nepagenten, wordt het boegbeeld van het landelijke coördinatieteam High Impact Crimes van de politie ingezet in de landelijke, regionale en plaatselijke media om de preventieboodschap naar voren te brengen.
Klopt het dat slachtoffers zich soms schamen om aangifte te doen tegen nepagenten, en zo ja, hoe kan de aangiftebereidheid worden vergroot?
Ja, het is bekend dat de schaamte onder de slachtoffers vaak groot is. Met de slogan «Je bent een held als je het vertelt» besteden de politie en het ministerie tijdens de bijeenkomsten én in de podcast uitgebreid aandacht aan het schaamtegevoel en het belang van het doen van aangifte. Ook in de media wordt deze slogan door de politie gebruikt en het belang van aangifte benadrukt.
Deelt u de constatering van de politie dat hoe meer mensen op de hoogte zijn van de werkwijze van deze criminelen, hoe weerbaarder we mensen kunnen maken en zo ja, hoe gaat u dit doen?
Ja, ik deel deze mening. Daarom zal de politie zich blijven inzetten om op verschillende manieren voorlichting te geven en handelingsperspectief te bieden. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wanneer een nepagent is aangehouden en in bezit is van een uniform, wordt dan automatisch onderzocht hoe deze persoon aan een politie-uniform is gekomen?
In het Wetboek van Strafrecht is onder artikel 196 opgenomen dat «Hij die opzettelijk onderscheidingstekens draagt of een daad verricht behorende tot een ambt dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.» Het dragen van een namaak-uniform bij bijvoorbeeld carnaval is op zichzelf niet strafbaar, maar bovenstaande betekent wel dat wie zich in een sterk gelijkend uniform als politieagent gedraagt wél kan worden bestraft omdat dit tot verwarring leidt bij burgers bij noodhulp en handhaving. Daarbij is het politielogo geregistreerd en mag dit ook niet worden gebruikt op nagemaakte kleding.
De aanschaf van een politie-uniform kan strafbaar zijn als voorbereidingshandeling van een strafbaar feit, mits op dit strafbare feit een minimale maximum gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld (artikel 46 Sr). De maximale gevangenisstraf voor oplichting is vier jaar. De aanschaf van een politie-uniform ter voorbereiding van oplichting is op grond van het Wetboek van Strafrecht dus niet strafbaar.
De politie zal bij het aantreffen van een uniform van politie bij een niet-bevoegd persoon en gebruik van het politielogo onder gezag van het Openbaar Ministerie onderzoek verrichten. De politie handhaaft zoveel mogelijk op schendingen van het modelrecht op het politie-uniform en van het merkrecht op het politielogo, onder meer door aanbiedingen van namaakuniformen en namaakpolitielogo’s van internet te laten verwijderen.
De strijd tegen namaak-uniformen vindt ook buiten Europa plaats. Chinese bedrijven zijn vaak bereid om inbreukmakende advertenties snel te verwijderen, omdat ze geen problemen willen met de politie. Helaas komt er dan soms vrij snel weer een nieuwe aanbieder. De politie blijft dit aankaarten om ervoor te zorgen dat een dergelijke advertentie snel weer verwijderd wordt. Ten slotte zijn op 7 november jl. aanvragen voor optreden door de douane (grensbewaking) ingediend bij de General Administration of Customs (GACC) in China. Normaliter doet het GACC er zo'n 30 dagen over om aanvragen goed te keuren. Daarna kan ook langs die weg eventuele illegale handel in nepuniformen worden bestreden.
Bent u ervan op de hoogte dat online gemakkelijk politie-uniformen gekocht kunnen worden die sterk lijken op echte politie-uniformen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het op dit moment toegestaan om een politie-uniform, dat erg veel lijkt op het officiële uniform, online aan te schaffen en in bezit te hebben?
Zie antwoord vraag 7.
Wat kan de politie op dit moment doen wanneer een melding wordt gedaan van online illegaal aanbiedingen van politie-uniformen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u maatregelen nemen tegen websites die sterk lijkende politie-uniformen aanbieden?
Zie antwoord vraag 7.
De massadeportatie van Krim-Tataren door de Sovjet-Unie in 1944 als genocide erkennen |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944, waarbij rond de 200.000 Krim-Tataren naar Centraal-Azië werden gedeporteerd en waarbij tienduizenden omkwamen?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het parlement van Estland onlangs de massadeportatie van Krim-Tataren naar Centraal-Azië in 1944 door de Sovjet-Unie erkend heeft als genocide?1
Ja.2
Wat is uw reactie op de stelling van het parlement van Estland dat Rusland sinds de illegale bezetting van de Krim in 2014 het beleid van genocide tegen de Krim-Tataren een vervolg heeft gegeven, met als doel de identiteit en het historische en culturele erfgoed van de Krim-Tataren definitief te vernietigen?
Elk parlement heeft het recht om zijn eigen verklaringen op te stellen. Sinds de illegale bezetting door Rusland van de Krim heeft de bevolking van het schiereiland het erg zwaar. Dit geldt ook voor de Krim-Tataren.3 Velen zijn zonder aanleiding gevangen gezet, gemarteld of verdwenen. Velen zijn ook gevlucht naar andere delen van Oekraïne.
Wat is uw reactie op de oproep van het parlement van Estland aan de internationale gemeenschap om solidariteit met de Krim-Tataren te tonen en de bezetting en annexatie van de Krim te blijven veroordelen?
Die oproep is begrijpelijk. De bevolking van de Krim leeft al ruim tien jaar onder wrede Russische bezetting die tot veel menselijk leed leidt, waaronder onder de Krim-Tataren die tussen de 10 en 15% van de bevolking op de Krim uitmaken. Het is daarom belangrijk om dit onderwerp hoog op de internationale agenda te houden. Net als de meeste landen in de wereld erkent ook Nederland de illegale annexatie van de Krim door Rusland niet.
Klopt het dat de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944 eerder ook al door Oekraïne, Canada, Polen, Letland en Litouwen als genocide is bestempeld? Kunt u aangeven welke overige landen deze massadeportatie officieel als genocide hebben bestempeld?
Ja, dat klopt. Naast de genoemde landen hebben geen andere landen de massadeportatie officieel als genocide bestempeld.
Bent u ermee bekend dat de toenmalige Sovjetrepubliek Rusland in april 1991 een wet aan heeft genomen genaamd «Over Rehabilitatie van de Onderdrukte Volkeren» waarin is vastgelegd dat de deportaties tijdens het regime van Josef Stalin (1922–1953) onder de noemer genocide vallen?2
Ik ben bekend met de wet van de toenmalige Sovjetrepubliek Rusland uit april 1991 waarin die volkeren (naties, volkeren of etnische groepen of andere historisch gevormde cultureel-etnische gemeenschappen, bijvoorbeeld de Kozakken) als onderdrukt erkend worden, ten aanzien van wie op basis van hun kenmerken van nationale of andere afkomst op staatsniveau een beleid van laster en genocide gevoerd werd, dat gepaard ging met gedwongen verhuizing, de afschaffing van bestuursentiteiten van deze volkeren, het hertekenen van grenzen en het voeren van een regime van terreur en geweld op plaatsen van hervestiging.5
Wat is de reden dat Nederland de massadeportatie van Krim-Tataren (nog) niet als genocide heeft bestempeld?
Genocide is een zeer ernstig internationaal misdrijf, dat wel «the crime of crimes» wordt genoemd. Uit de definitie van genocide, zoals opgenomen in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van Genocide (Genocideverdrag), vloeien specifieke bewijselementen voort. Alleen als aan alle elementen van de definitie onder het Genocideverdrag is voldaan, kan een gebeurtenis worden aangemerkt als genocide.
Een belangrijk element van de definitie van genocide is de zogenaamde genocidale opzet. Dit wil zeggen dat, om te kunnen spreken van genocide, de misdrijven gepleegd moeten zijn met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorend tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen. Dit is een hoge bewijsdrempel.
Bij de vaststelling of een bepaalde gebeurtenis als genocide kan worden gekwalificeerd, is grondig feitenonderzoek daarnaast van groot belang.
In het licht van het bovenstaande stelt de Nederlandse regering zich terughoudend op bij het kwalificeren van bepaalde gebeurtenissen als genocide. Voor de Nederlandse regering zijn uitspraken van (internationale) gerechts- en strafhoven en eventuele vaststellingen door de Verenigde Naties hierbij in beginsel leidend.
Verder acht de regering terughoudendheid geboden bij het erkennen van gebeurtenissen als genocide, wanneer deze gebeurtenissen zich hebben afgespeeld voor de aanneming van het Genocideverdrag in 1948.
Overigens hecht ik eraan te benadrukken dat de terughoudendheid die de regering dus in het algemeen betracht ten aanzien van het kwalificeren van gebeurtenissen als genocide, niet moet worden begrepen als een gebrek aan erkenning van de ernst van deze historische gebeurtenissen of als een gebrek aan medeleven met de slachtoffers ervan.
Deelt u de stellingen van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV):
In advies nr. 28, inzake mogelijkheden, betekenis en wenselijkheid van het gebruik door politici van de term genocide, heeft de CAVV de stelling dat alleen de rechter kan vaststellen dat sprake is (geweest) van genocide, genuanceerd door te concluderen dat er geen regel van internationaal recht bestaat die in de weg zou staan aan de vaststelling door de regering of het parlement dat in een bepaalde staat genocide wordt of is gepleegd. Volgens de CAVV verzet het internationaal recht zich dus niet tegen het doen van een dergelijke vaststelling. Tegelijkertijd is de CAVV van oordeel dat hier, mede in het licht van de noodzaak tot degelijk feitenonderzoek, terughoudend mee moet worden omgegaan. Ik onderschrijf de geadviseerde terughoudendheid. Ook heeft de CAVV in Advies nr. 28, volgens mij terecht, gewezen op het verschil in juridische betekenis tussen dergelijke vaststellingen door de regering en het parlement. De regering is de belangrijkste vertegenwoordiger van de staat in de internationale betrekkingen. Hoewel ook het parlement een zelfstandig standpunt kan innemen over de vraag of in een andere staat genocide wordt of is gepleegd, of de regering kan oproepen daarover een standpunt in te nemen, komt aan een dergelijk standpunt van het parlement volkenrechtelijk minder gewicht toe.
Onder welke voorwaarden is de regering bereid om vast te stellen dat de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944 door de Sovjet-Unie onder de noemer genocide valt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) om advies te vragen over het vraagstuk of de massadeportatie van Krim-Tataren in 1944 door de Sovjet-Unie ook door Nederland officieel bestempeld zou moeten worden als genocide? Zo nee, waarom niet?
In het licht van eerdere adviezen van de CAVV over deze thematiek, met name het hiervoor genoemde Advies nr. 28 (inzake mogelijkheden, betekenis en wenselijkheid van het gebruik door politici van de term genocide) en Advies nr. 42 (over internationaalrechtelijke vraagstukken rond de erkenning van de Holodomor als genocide)7, acht ik mij voldoende voorgelicht over de volkenrechtelijke vraagstukken rondom de erkenning van gebeurtenissen, zowel historische als hedendaagse, als genocide. Verdere advisering door de CAVV over de deze thematiek in relatie tot specifieke situaties – hoe ernstig ook – acht ik dan ook niet noodzakelijk voor het vaststellen van het standpunt van het kabinet.
De status van zelfmelder en het risico op willekeur |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Dagblad van het Noorden waarin wordt gesproken over de toename van het aantal zelfmelders en de willekeur in wie er zelfmelder wordt?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Vindt u het ook niet gek dat mensen met aanzienlijk minder impactvolle straffen niet het stempel zelfmelder krijgen en andere gevallen met heftigere misdaden wél?
Wanneer de rechter iemand veroordeelt tot een gevangenisstraf en er geen sprake is van een voorlopige hechtenis, bevel tot gevangenneming of detentie op een andere titel, bepaalt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens mij of de veroordeelde de zelfmeldstatus kan verkrijgen.2 Naast enkele harde uitsluitingsgronden wordt op basis van een aantal contra-indicaties besloten om wel of geen zelfmeldstatus toe te kennen. Onder andere kijkt het CJIB dan naar de aard en de ernst van de vrijheidsbenemende sanctie en de mate waarin de rechtsorde door het strafbare feit is geschokt. Op basis van artikel 6:1:3 Sv worden de belangen van slachtoffers en nabestaanden nadrukkelijk betrokken in de afweging. De beoordeling van wel of geen zelfmeldstatus toekennen is persoonsgericht. Daardoor kunnen beoordelingen niet enkel op basis van strafduur met elkaar vergeleken worden.
Het CJIB werkt nu bijna viereneenhalf jaar volgens de voorschriften van de Regeling USB. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld is dit een periode die zich goed leent om de regels en het beleid ten aanzien van zelfmelden te analyseren.3 Het streven is deze analyse in het eerste kwartaal 2025 af te ronden. Via de voortgangsbrief capaciteit wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Vindt u dat, zeker in het licht van de toename van het aantal zelfmelders dat thuis een vonnis afwacht, deze ongelijke behandeling steeds onrechtvaardiger wordt?
Zoals ik eerder met uw Kamer heb gedeeld krijg ik buikpijn van het feit dat steeds meer veroordeelden hun straf in vrijheid afwachten. Samen met Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) werk ik hard door om meer capaciteit te genereren voor zelfmelders. Daarnaast heb ik via de tweede voortgangsrapportage capaciteit DJI laten weten dat er een tijdelijk oproepkader voor zelfmelders is gemaakt, waarmee door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en DJI wordt bepaald welke zelfmelders met voorrang door DJI worden opgeroepen op het moment dat daarvoor capaciteit in de (reguliere) gevangenis beschikbaar is.4
Ik deel niet de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling bij de zelfmeldbeoordeling. Alle zelfmeldbeoordelingen worden gedaan op basis van eerder genoemde wet- en regelgeving. Omdat binnen dat kader sprake is van een persoonsgerichte beoordeling op basis van relevante omstandigheden, kunnen beoordelingen niet één op één met elkaar vergeleken worden.
Snapt u dat dit voor naasten van soms ook dodelijke slachtoffers, ook steeds onrechtvaardiger voelt dat de dader lang thuis mag blijven zitten in afwachting op het daadwerkelijk uitzitten van de straf?
Ja, dat snap ik en ook ik vind dit onverteerbaar. Vanwege capaciteitsgebrek moeten zelfmelders langer wachten voordat zij worden opgeroepen om hun straf uit te zitten. Dat is een zeer onwenselijke situatie, vooral als er slachtoffers en nabestaanden zijn. Ik vind het dan ook van groot belang dat daders hun straf niet ontlopen. Het eerlijke verhaal is echter ook dat de capaciteitsproblematiek een hardnekkig en ingewikkeld vraagstuk is. Vanuit mijn ministerie, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en andere betrokken ketenpartners wordt alles op alles gezet om de capaciteitsproblematiek – zowel voor wat betreft het personeel als cellen – aan te pakken, zodat veroordeelden die hun straf nog niet hebben uitgezeten zo snel mogelijk kunnen worden geplaatst.
Zoals gemeld in de tweede voortgangsrapportage capaciteit DJI komen er 40 extra plaatsen beschikbaar voor kortgestrafte zelfmelders met straffen tot twee weken in de penitentiaire inrichting (PI) Veenhuizen. Met deze plaatsen kunnen enkele honderden en in het meest gunstige geval meer dan 1000 kortgestrafte zelfmelders per jaar worden opgeroepen. Het is een eerste stap in de goede richting waarmee ik de groei van de voorraad zelfmelders wil afremmen.
Verder geef ik via het tijdelijk oproepkader voor zelfmelders prioriteit aan zaken die dreigen te verjaren. Van de straffen die dit kalenderjaar dreigen te verjaren is de tenuitvoerlegging in gang gezet, straffen die in 2025 dreigen te verjaren zullen op volgorde van verjaringstermijnen worden opgeroepen. Mocht er vervolgens nog capaciteit beschikbaar komen dan volgen de straffen van een jaar of meer met slachtoffers.
Kunt u zich ook voorstellen dat als iemand met een zwaardere straf in een lichter gevangenisregime komt dan iemand met een lichtere straf, dit overkomt als willekeur richting de samenleving alsook de veroordeelden zelf en de slachtoffers?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat sprake zou zijn van willekeur. Alle zelfmeldbeoordelingen worden gedaan op basis van eerder genoemde wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 2).
Standaard geldt in een gevangenis het basisprogramma. Dit programma is beperkter aan activiteiten dan het plusprogramma. Het gedrag van een gedetineerde bepaalt voor welk programma hij in aanmerking komt. Een gedetineerde die zes weken lang op alle onderdelen van de gedragsregels positief scoort wordt gepromoveerd naar een plusprogramma. Een zelfmelder die zich meldt bij de gevangenis op de melddatum die in de oproepbrief staat, komt direct in aanmerking voor een plusprogramma en hoeft deze zes weken niet te doorlopen.
Voor de nieuwe plekken die worden gecreëerd om de voorraad kortgestrafte zelfmelders weg te werken, geldt een versoberd regime en niet het hierboven genoemde plusprogramma. Hier worden zelfmelders met straffen tot twee weken geplaatst. Voor deze tijdelijke plekken is beperkt personeel beschikbaar en daarom kan geen volledig dagprogramma worden aangeboden.
Klopt het volgens u dat de vraag of een veroordeelde wel of niet in aanmerking komt als zelfmelder zou moeten afhangen van objectief te toetsen criteria? En klopt het dat bij de vraag of een veroordeelde die een zelfmelderstatus krijgt gelijke gevallen gelijk moeten worden beoordeeld?
Het zelfmeldbeleid biedt aan de ene kant een aantal harde, objectief te toetsen uitsluitingsgronden, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Dit brengt tot uitdrukking dat het in die gevallen maatschappelijk gezien onacceptabel wordt geacht dat bepaalde veroordeelden zichzelf mogen melden. Hieraan wordt onverkort invulling gegeven. Aan de andere kant geeft het beleid ruimte voor een nadere belangenafweging voor de overige gevallen. Deze ruimte is wenselijk, zodat relevante feiten en omstandigheden kunnen worden meegewogen. Het CJIB benut deze ruimte zorgvuldig en streeft- bij gelijke omstandigheden – naar uniformiteit in de beoordelingen.
Wat zijn momenteel de kaders waarbinnen het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) kan afwegen of iemand een zelfmelder wordt of niet? Wordt er daarbinnen nooit een vergelijking tussen zaken gemaakt?
Zoals aangegeven doet het CJIB de zelfmeldbeoordeling op basis van wet- en regelgeving (Wet USB en Regeling USB). Elke zaak kent zijn eigen samenstel van feiten en omstandigheden. Dat leidt tot een individuele beoordeling, waarbij de uniformiteit in het toepassen van de regelgeving wordt bevorderd door een interne monitoring op de beoordelingen. Zo wordt door het CJIB onder meer casuïstiek doorgesproken in intern casusoverleg en wordt het vier-ogen principe toegepast op de beoordelingen.
Bent u bereid om aan het CJIB aanwijzingen of instructies te geven om in een protocol kaders vast te leggen voor de beoordeling van de zelfmelderstatus van veroordeelden zodat het objectief duidelijk is wanneer een veroordeelde zelfmelder is? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is het kader waarbinnen het CJIB de zelfmeldbeoordelingen doet vastgelegd in de Regeling USB en wordt het beleid ten aanzien van zelfmelden geanalyseerd. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd via de voortgangsbrief capaciteit.
Het bericht ‘Ingrijpen bij Co-Med bleef uit na waarschuwingen over wanbestuur’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ingrijpen bij Co-Med bleef uit na waarschuwingen over wanbestuur»?1
Ja.
Hoe kan het dat er jarenlang niet is ingegrepen door toezichthouders, inspecties, opsporingsinstanties en zorgverzekeraars terwijl er serieus onderbouwde meldingen door huisartsen, medisch specialisten en werknemers zijn gedaan over misleiding, declaratiefraude, zelfverrijking, wanbestuur, misbruik van gemeenschapsgeld en slechte zorg bij Co-Med?
Ik vind het voor alle patiënten en medewerkers van Co-Med erg vervelend wat er is gebeurd. Iedereen in Nederland moet kunnen rekenen op goede huisartsen zorg. Diverse partijen, waaronder de toezichthouders en zorgverzekeraars, hebben ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid allerlei acties ondernomen in deze casus. Hoe dat is verlopen en welke lessen daaruit geleerd kunnen worden, maakt onderdeel uit van de evaluatie die ik momenteel aan het vormgeven ben met de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Een belangrijk onderdeel van deze evaluatie is de vraag of het toezichtinstrumentarium van de toezichthouders voldoende toereikend is, als de patiëntveiligheid in het geding is, of dat aanpassingen nodig zijn om de slagvaardigheid te vergroten. Een situatie als met Co-Med mag niet meer voorkomen. Daarom laat ik evalueren wat hier gebeurd is. Tegelijkertijd moesten partijen het in de tijd ook doen met de informatie waar zij toen beschikking over hadden. Daarnaast geef ik samen met het veld ook uitvoering aan de aanbevelingen van de toezichthouders om de risico’s van bedrijfsketens in de huisartsenzorg tegen te gaan2.
Wat vindt u ervan dat de verzekeraars CZ en VGZ het omvallen van de keten als een groter probleem zagen dan het aanpakken van de misstanden? Wat vindt u ervan dat CZ er bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) actief op aandrong om Co-Med, ondanks alle misstanden, niet te hard aan te pakken?
Iedereen in Nederland moet kunnen rekenen op goede huisartsenzorg. Tegelijkertijd zie ik ook het spanningsveld dat is ontstaan tussen enerzijds de zorgplicht van zorgverzekeraars en anderzijds de schaarste van huisartsen.
Ik heb van zorgverzekeraars begrepen dat er de afgelopen jaren regelmatig contact geweest is tussen toezichthouders en zorgverzekeraars over Co-Med. Zorgverzekeraar CZ heeft in de zomer 2023 contact opgenomen met de IGJ, nadat CZ een kopie van het voornemen tot aanwijzing van Co-Med ontvangen had. Het zou op dat moment volgens de zorgverzekeraars tot ernstige problemen kunnen leiden als de zorg voor grote groepen verzekerden zou wegvallen, en er geen vangnet beschikbaar was. De zorgverzekeraars wilden dit risico actief onder de aandacht brengen van de IGJ en verzochten om tijdige informatie van de IGJ om ongelukken te voorkomen. De IGJ heeft mij laten weten dat bij haar handelen er altijd een afweging van belangen plaatsvindt. In dit geval heeft dat echter niet geleid tot een ander besluit en heeft de IGJ de voorgenomen aanwijzing doorgezet.
Deelt u de analyse uit het NRC-artikel dat Co-Med «too big to fail» was en dat juist daarom zorgverzekeraars aandrongen op het niet te hard aanpakken van Co-Med, ondanks de grove mistanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals nader uiteengezet in mijn antwoord op vraag 2, ben ik momenteel samen met de IGJ en de NZa bezig met het vormgeven van een evaluatie. Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten daarvan.
Deelt u de mening dat, ondanks dat Co-Med niet geconcentreerd was in één regio, deze huisartsenketen «too big to fail» was doordat zorgverzekeraars niet aan hun zorgplicht kunnen voldoen bij een faillissement en daardoor wanpraktijken te lang gedoogden?
Dit moet blijken uit de evaluatie die momenteel wordt vormgegeven. Het waren regionale praktijken met ieder een eigenstandige overeenkomst. Wel waren het 50.000 verzekerden die van de een op de andere dag het risico liepen om zonder huisarts komen te zitten. Vanuit zorgplicht zagen zorgverzekeraars een faillissement als een «last resort» scenario. De voorkeur was voor de zorgverzekeraars steeds een verbetering van de toegang van de zorg, zonder dat er een (onvoorspelbaar) faillissements-scenario ging starten.
Deelt u de mening dat dit een problematische perverse prikkel is voor zorgverzekeraars waardoor slechte zorg en zelfs wanpraktijken te lang kunnen voortbestaan?
Wanpraktijken moeten nooit kunnen blijven bestaan. Uit de evaluatie moet onder andere blijken of eerder ingegrepen had kunnen worden, en welke lessen te trekken zijn voor de toekomst.
Hoeveel patiënten kan een huisartsenketen volgens u maximaal hebben voordat het «too big to fail» is en zorgverzekeraars dus niet meer aan hun zorgplicht kunnen voldoen bij een faillissement of verplichte sluiting door wanpraktijken?
Het rapport van de IGJ en NZa spreekt van «too big to fail» wanneer snelgroeiende bedrijfsketens in korte tijd een aanzienlijk marktaandeel verwerven en daarmee uitgroeien tot een huisartsenzorgorganisatie van aanzienlijke omvang3. Dit kan volgens de toezichthouders risico’s voor de toegankelijkheid en kwaliteit van huisartsenzorg met zich meebrengen, wanneer een bedrijfsketen onvoldoende borging heeft voor goed bestuur en professionele bedrijfsvoering of in (financiële) problemen komt. Ik ben het eens met de toezichthouders dat grote huisartsenorganisatie risico’s met zich mee kunnen brengen, zoals in geval van Co-Med. Om deze risico’s te beperken ben ik op dit moment bezig met de voorbereiding voor een wetswijzing van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), waarbij ik de NZa meer bevoegdheden wil geven voor de Zorg specifieke concentratietoets. Een onderdeel daarvan is dat de continuïteit van zorg wordt meegenomen voor alle zorgvormen in deze toetsing.
Tegelijkertijd vind ik de exacte omvang van een keten minder van belang. In alle sectoren kennen we grote marktpartijen, waarbij een ongecontroleerd faillissement zou leiden tot knelpunten voor de zorgplicht van zorgverzekeraars.
Wel is het belangrijk dat zorgverzekeraars in nauwe samenwerking met regionale huisartsenorganisaties tijdig zicht hebben op mogelijke knelpunten in hun regio, om problemen met de toegankelijkheid van zorg te voorkomen. Ik vind het belangrijk dat zorgverzekeraars in de contractering heldere afspraken maken om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg te borgen. Deze afspraken zijn voor alle zorgsoorten en zorgaanbieders relevant.
Daarnaast is er met zorgverzekeraars afgesproken dat ze een concreet plan opstellen voor het geval een keten (plotseling) geen kwalitatieve huisartsenzorg meer kan leveren. Als deze situatie zich voordoet zonder dat de zorgverzekeraar hierop goed is voorbereid, zal de NZa indien nodig handhavend optreden.
Welke stappen gaat u ondernemen om te zorgen dat wanpraktijken zoals structurele misleiding, declaratiefraude, zelfverrijking, wanbestuur, misbruik van gemeenschapsgeld en slechte zorg in de toekomst nooit meer zullen plaatsvinden in de eerstelijnszorg?
Allereerst wil ik benadrukken dat binnen de zorg geen plek zou moeten zijn voor personen die hun eigen financiële belangen vooropstellen, in plaats van het belang van de patiënt. Commerciële partijen kunnen een bijdrage leveren aan de toegankelijkheid van zorg en innovatie. Deze partijen weren komt de patiënt niet ten goede, maar ik ken ook de risico’s. Wat ik wenselijk vind, is dat daar waar de winsten excessief zijn, of daar waar geld wordt weggesluisd, dat we daar gericht gaan ingrijpen. Dit wil ik doen door middel van het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering Zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). Dit wetsvoorstel zal ik begin 2025 naar uw kamer sturen.
Naar aanleiding van eerdere aanbevelingen van de toezichthouders over bedrijfsketens in de huisartsenzorg, werk ik al samen met de veldpartijen aan manieren om in de toekomst eerder of beter in te kunnen grijpen in dergelijke situaties.
Daarnaast ben ik, zoals hiervoor aangegeven, momenteel bezig met het vormgeven van de evaluatie van het verloop bij Co-Med om daarmee lessen te kunnen trekken voor de toekomst.
Het kidnappen van Turkse burgers in Kenia |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ontvoering van zeven Turkse vluchtelingen vanaf de straat op verschillende plekken in Nairobi, Kenia vorige week vrijdag 18 oktober?1
Ja.
Weet u of onder de ontvoerde vluchtelingen ook familieleden zijn van mensen met een Nederlandse verblijfsstatus?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele zaken.
Deelt u de zorg van o.a. het Stockholm Center for Freedom en Amnesty International dat deze ontvoerde vluchtelingen, waaronder vluchtelingen met een door de Verenigde Naties (VN) afgegeven status, slachtoffer kunnen worden van illegale refoulement en in Turkije politiek gestraft kunnen worden?2
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Kenia heeft in een verklaring aangegeven dat Kenia op 18 oktober 2024, op verzoek van Turkije, de vier Turkse burgers heeft uitgezet naar Turkije. Ik onderschrijf de verklaring van VN-vluchtelingenorganisatie UNCHR waarin ernstige zorgen werden uitgesproken over deze kwestie en erop aan wordt gedrongen dat ook Kenia zich houdt aan internationale verplichtingen, inclusief het principe van non-refoulement waaraan landen gebonden zijn.
De Nederlandse ambassadeur in Nairobi heeft deze kwestie bij de Keniaanse Principal SecretaryImmigratie aangekaart, en daarbij aangegeven dat Nederland de refoulement een zorgelijke ontwikkeling vindt. Hij heeft daarbij onderstreept dat het in strijd is met de internationale afspraken rondom bescherming van vluchtelingen.
Kunt u bevestigen dat in 2023 meerdere leden van de Gülenbeweging in Tajikistan3, Algerije4, Irak5 gekidnapt zijn en later in Turkije in de gevangenis kwamen?
Ik ben bekend met berichtgeving over het overbrengen naar Turkije van vermeende leden van de Gülenbeweging. De Algemene Ambtsberichten Turkije van het Ministerie van Buitenlandse Zaken uit 2021, 2022 en 2023 maken melding van dergelijke casussen. Nederland ziet deze casussen als zeer zorgelijk, aangezien deze, zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3, in strijd zijn met internationale afspraken rond de bescherming van vluchtelingen.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van Freedom House uit 2023, waarin gesteld wordt dat sinds 2014 een totaal van 123 gevallen van fysieke transnationale repressie door Turkije zijn vastgesteld, waaronder de ontvoering van meerdere vluchtelingen die sympathisant zijn van de Gülenbeweging?6
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre zijn leden of sympathisanten van de Gülenbeweging in uw ogen vrij en veilig in Turkije?
In het Algemeen Ambtsbericht Turkije van augustus 2023 is beschreven dat bronnen aangaven dat de vervolging van vermeende Gülenisten in de verslagperiode in intensiteit was afgenomen in vergelijking met de periode vlak na de mislukte staatsgreep in Turkije in juli 2016. Het Algemeen Ambtsbericht meldt dat arrestaties van vermeende Gülen-aanhangers nog altijd plaatsvinden en dat de Turkse autoriteiten vermeende leden van de Gülenbeweging blijven vervolgen. In het huidige landgebonden asielbeleid voor Turkije zijn toegedichte Gülen-aanhangers daarom aangemerkt als risicoprofiel. Of er daadwerkelijk een mogelijkheid tot vervolging bestaat in een specifiek geval wordt individueel beoordeeld.
In het licht van deze incidenten, denkt u dat er sprake is van een versoepeling vanuit de Turkse regering ten opzichte van de Gülenbeweging, zoals vermeld in het ambtsbericht?7
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om, met het oog op deze schokkende incidenten, een nieuw ambtsbericht te vragen ten aanzien van Turkse vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
Een nieuw Algemeen Ambtsbericht Turkije is voorzien voor eind februari 2025.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over buitenlandse beïnvloeding van donderdag 24 oktober aanstaande?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Einde Buy Now Pay Later stap dichterbij' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU inzake Buy Now Pay Later (BNPL), dat er wél sprake is van een kredietvergoeding wanneer de kredietgever, om economisch voordeel te krijgen, bij het sluiten van de overeenkomst er op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet na zal komen?1
Ja.
Bent u bekend met het onderzoek van de AFM dat BNPL-aanbieders tot 40% van hun inkomsten halen uit te laat betalen, en dat dit zo’n groot deel van de inkomsten is, dat dit een onderdeel is van het verdienmodel?
Wij zijn bekend met het rapport van de AFM. De AFM stelt dat in 2021 de aanmaningskosten een substantieel deel (tot 40%) vormden van de inkomsten van sommige BNPL-aanbieders en deze inkomsten kunnen winstgevend zijn.2
Klopt het daarom dat BNPL niet buiten de Richtlijn consumentenkrediet kan vallen, en daarom net zo goed aan de regels moet voldoen?
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) heeft op 17 oktober jl. uitspraak3 gedaan over de betreffende zaak waar onder meer het verdienmodel van een BNPL-aanbieder ter discussie stond. De Nederlandse staat heeft tijdens dit proces zijn zienswijze gedeeld met het Hof. Samenvattend oordeelt het Hof dat de rente en de kosten van niet-nakoming in beginsel geen deel uitmaken van de «rente» en de «andere kosten» in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48, ongeacht of de toepassing en de hoogte van die rente en die kosten bij wet zijn voorzien dan wel in de kredietovereenkomst zijn vastgelegd. BNPL is in beginsel uitgezonderd van de Richtlijn consumentenkrediet, tenzij de BNPL-aanbieder al bij het sluiten van de overeenkomst anticipeert op wanbetaling om economisch voordeel te behalen, oftewel de niet-nakomingskosten deel uitmaken van het verdienmodel van de aanbieder. Het Hof verwijst in de uitspraak tevens naar de zienswijze van Nederland. Of er sprake is van een economisch voordeel hangt af van de omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst en andere relevante omstandigheden, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten. Om te kunnen bepalen of de betreffende BNPL-aanbieder in deze specifieke zaak binnen het toepassingsbereik van de huidige Richtlijn consumentenkrediet valt en welke implicaties dit heeft, moet de uitspraak van de rechter worden afgewacht. Voor deze casus zal de Hoge Raad de vragen van de kantonrechter te Arnhem beantwoorden, waarna de kantonrechter, die over de feitelijke beoordeling gaat, uitspraak zal doen. Een nadere uitleg hierover treft u aan in de heden verzonden Kamerbrief over BNPL.
Bent u het met ons eens dat voor BNPL dus moet worden gewaarschuwd voor de risico’s van kredieten, dat duidelijk moet zijn wat de kosten zijn en waarbij de kredietwaardigheid van de consument moet worden beoordeeld?
Nederland heeft zich er tijdens de onderhandelingen over de herziening van de richtlijn consumentenkrediet sterk voor ingezet om BNPL onder de reikwijdte van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet te plaatsen, zodat onder meer de in de vraag genoemde maatregelen, verplicht worden voor BNPL-aanbieders. Deze inzet is succesvol geweest; de aanbieders van BNPL-betaaldiensten komen dan ook te vallen onder de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet. Vanaf dan moeten ook de aanbieders van BNPL-betaaldiensten aan dezelfde, strenge regels voldoen als de aanbieders van consumptief krediet. In de praktijk betekent dit dat de aanbieders onder andere een krediettoets moeten gaan uitvoeren (waaronder een BKR-toets) en moeten voldoen aan regels ten aanzien van informatieverstrekking en reclame-uitingen.
Kunt u nagaan bij de Hoge Raad wat hun tijdsplanning is om deze uitspraak verder te beoordelen?
Na ontvangst van de uitspraak van het Hof worden de partijen in de procedure en de belanghebbende die zich in de procedure heeft gemeld, door de Hoge Raad uitgenodigd om schriftelijke opmerkingen te maken naar aanleiding van de uitspraak van het Hof (het partijdebat). Vervolgens wordt aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad gelegenheid gegeven voor het nemen van een nadere conclusie in de zaak. Daarna bepaalt de Hoge Raad de dag waarop hij uitspraak zal doen. De Hoge Raad heeft aangegeven dat de tijd waarop hij zal beslissen naar huidige verwachting zal worden bepaald op een dag in de tweede helft van 2025.
De beantwoording van eerdere vragen over ongerechtvaardigde ontslagen op staande voet van arbeidsmigranten in de vleessector |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u verdere toelichting geven op uw antwoord op vraag 6 en tabel 3?1 Om hoeveel uitzendbureaus gaat dit? Hoeveel personen zijn daar op staande voet ontslagen?
U verwijst naar de onderstaande tabel die in de beantwoording op de door u gestelde Kamervragen is opgenomen.2 Het aantal uitzendbureaus waar het percentage ontslag op staande voet «tussen de 20% en 50%» of «50% of hoger» is van alle einde arbeidsverhoudingen is af te lezen in tabel 1. Zo werden er in 2020 bij drie uitzendbureaus 20% tot 50% van alle arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet en werden er bij twee uitzendbureaus 50% of meer van alle arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet. In 2021 waren er drie uitzendbureaus waar 20% tot 50% van alle beëindigde arbeidsverhoudingen de reden ontslagen op staande voet hadden en was er één uitzendbureau waar van alle einde arbeidsverhoudingen 50% of meer van de werknemers op staande voet waren ontslagen. Het aantal bedrijven uit tabel 1 dat hoge percentages (≥20%) ontslag op staande voet heeft is berekend per jaar. Het kan zo zijn dat een uitzendbedrijf meerdere jaren hoge percentages ontslag op staande voet heeft. Het gaat dus niet om unieke werkgevers. Eén werkgever kan verdeeld over de jaren meerdere keren voorkomen.
Jaar
Aantal bedrijven met % ontslag op staande voet tussen de 20%-50%
Aantal bedrijven met % ontslag op staande voet >50%
Aantal arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet bij de uitzendbedrijven waar ≥ 20% ontslag op staande voet van alle
2020
3
2
1.506
2021
3
1
1.349
2022
2
2
4.078
2023
3
0
3.563
In kolom vier van tabel 1 staan de aantallen einde arbeidsverhoudingen met als reden ontslag op staande voet bij de uitzendbureaus waar het percentage ontslag op staande voet van alle einde arbeidsverhoudingen ≥20% was. Bij deze aantallen geldt ook dat een persoon meerdere keren kan voorkomen, namelijk wanneer een persoon vaker op staande voet is ontslagen, daarom spreken we van aantallen einde arbeidsverhoudingen in plaats van aantal ontslagen personen.
Kunt u de namen van deze uitzendbureaus geven?
De vragen 2 tot en met 6 kunnen helaas niet worden beantwoord. Het UWV mag deze gegevens op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en meerdere geheimhoudingsbepalingen niet delen. De geheimhouding van de identiteit van de bestuurders van de uitzendbureaus kan niet worden gewaarborgd wanneer deze gegevens worden gedeeld.
Uit de Polisadministratie is te herleiden hoeveel mensen op staande voet zijn ontslagen per bedrijf. Echter worden deze gegevens normaliter niet uit de Polisadministratie gehaald en openbaar gemaakt vanwege de AVG. Op basis van de aantallen ontslagen op staande voet in relatie tot de bedrijfsomvang zou namelijk kunnen worden herleid om welke uitzendbedrijven het gaat.
Overigens kan ook niet met zekerheid worden gesteld dat deze aantallen ontslag op staande voet de reële werkelijkheid weergeven. Wanneer de arbeidsverhouding is beëindigd wordt dit, naast de reden van deze beëindiging, door de werkgever/salarisadministrateur bij de loonaangifte doorgegeven. Dit is vervolgens in de Polisadministratie terug te zien als ingevulde waarde «reden einde arbeidsverhouding». Het UWV en de Belastingdienst voeren geen controle uit of de ingevulde waarde ook daadwerkelijk overeenkomst met de feitelijke situatie. Het betreft dus een administratieve werkelijkheid. Ook geven de aantallen geen verklaring voor de achterliggende motivering van de werkgever bij het gebruik van een bepaalde reden voor einde arbeidsverhouding en de daarbij ingevulde waarde. Het onevenredig veel invullen van ontslag op staande voet als reden einde dienstverband kan een aanwijzing zijn van misbruik, echter zijn er ook andere redenen voor het invullen hiervan mogelijk, zoals repetitieve administratieve fouten. Ongeacht de achterliggende reden voor het hoge aantal ontslagen op staande voet, is het gevolg hiervan dat werknemers geen aanspraak kunnen maken op opgebouwde rechten. Dit vind ik zeer kwalijk. Er kan op zijn minst gesteld worden dat hier geen sprake is van goed werkgeverschap.
Kunt u per uitzendbureau toelichten hoeveel uitzendkrachten en werknemers zij in dienst hebben?
Zie antwoord vraag 2.
In welke provincies en gemeenten zijn deze uitzendbureaus gevestigd?
Zie antwoord vraag 2.
Wie zijn de eigenaren van deze uitzendbureaus?
Zie antwoord vraag 2.
Welke andere informatie kunt u met de Kamer delen over het misbruik van ontslag op staande voet door deze uitzendbureaus?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen worden genomen om het misbruik van ontslag op staande voet bij deze bedrijven aan te pakken?
Misbruik van ontslag op staande voet keur ik ten zeerste af. Daarom ben ik na het signaal van de Arbeidsinspectie meteen in gesprek gegaan met het UWV, de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst om te bezien welke stappen er kunnen worden gezet. Helaas blijkt dat op dit moment geen van de betrokken organisaties bevoegd is om misbruik van ontslag op staande voet aan te pakken. Want zowel het aanpakken van dergelijk misbruik van ontslag op staande voet als ook het controleren van de reden van het einde van de arbeidsverhouding op juistheid vallen niet onder de wettelijke taakopdracht van de Arbeidsinspectie, het UWV of de Belastingdienst.
Wanneer het UWV gegevens kan delen met Arbeidsinspectie en Belastingdienst, zoals bedrijfsnamen met hoge percentages ontslag op staande voet, dan kunnen deze organisaties die gegevens gebruiken als risico-indicator bij de invulling van het risicogerichte toezicht binnen hun eigen arbeidsrechtelijke respectievelijke fiscale werkdomein. Aangezien er nu geen gepaste instrumenten zijn om eventueel misbruik van ontslag op staande voet aan te pakken, beraad ik mij op te nemen vervolgstappen en wie hierbij te betrekken.
Hoeveel mensen worden jaarlijks op staande voet ontslagen? Hoe verhoudt dit zich met ontslagen op staande voet bij uitzendbureaus?
In tabel 2 staan de aantallen einde arbeidsverhoudingen voor de afgelopen vier jaar in Nederland. In tabel 3 staan de aantallen einde arbeidsverhoudingen voor de afgelopen vier jaar in de uitzendsector. Gegevens uit het huidige jaar 2024 zijn niet meegenomen, aangezien dit jaar nog niet is afgerond. In beide tabellen is een opsplitsing gemaakt naar het al dan niet hebben van de Nederlandse nationaliteit en naar ontslag op staande voet. In tabel 2 zijn in de totale einde arbeidsverhouding cijfers ook de aantallen van de uitzendbranche meegenomen.
2020
2.687.499
Ja
11.482
0,43%
2020
492.723
Nee
4.455
0,90%
2021
2.995.495
Ja
11.360
0,38%
2021
631.052
Nee
6.581
1,04%
2022
3.227.128
Ja
15.864
0,49%
2022
761.288
Nee
9.444
1,24%
2023
3.147.469
Ja
15.707
0,50%
2023
846.015
Nee
10.088
1,19%
2020
343.970
Ja
1.300
0,38%
2020
238.588
Nee
2.906
1,22%
2021
498.549
Ja
1.106
0,22%
2021
359.686
Nee
5.004
1,39%
2022
512.524
Ja
1.286
0,25%
2022
408.542
Nee
6.165
1,51%
2023
438.049
Ja
1.157
0,26%
2023
447.088
Nee
6.290
1,41%
In 2023 zijn 25.795 arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet. We kunnen niet met zekerheid zeggen of daadwerkelijk 25.795 mensen op staande voet zijn ontslagen. Het kan zijn dat één persoon twee of meerdere keren op staande voet is ontslagen. In de uitzendsector zijn in 2023 7.447 arbeidsverhoudingen beëindigd met als reden ontslag op staande voet. Het gemiddeld percentage ontslag op staande voet als reden einde arbeidsverhouding lag in Nederland in 2023 op 0,65%. Het gemiddeld percentage ontslag op staande voet als reden einde arbeidsverhouding lag in uitzendsector in 2023 op 0,84%.
Hoeveel mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit worden jaarlijks op staande voet ontslagen? Hoe verhoudt dit zich met ontslagen op staande voet van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit bij uitzendbureaus?
In 2023 zijn er in totaal 10.088 arbeidsverhoudingen van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit beëindigd met als reden ontslag op staande voet. In 2023 zijn er in de uitzendsector 6.290 arbeidsverhoudingen van mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit beëindigd met als reden ontslag op staande voet. Hieruit blijkt dat circa 62% van de mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit met als reden ontslag op staande voet in de uitzendsector voorkomt. Het percentage ontslag op staande voet als reden einde arbeidsverhouding voor mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit lag in zijn totaal in 2023 op 1,19% en in de uitzendsector op 1,41%.
Het percentage ontslagen op staande voet ten opzichte van het totaal aantal einde arbeidsverhoudingen voor mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit is hoger dan voor mensen met een Nederlandse nationaliteit. Dat is opvallend en vind ik zorgelijk. Wanneer iemand ten onrechte op staande voet wordt ontslagen, is het belangrijk dat diegene weet dat zij dit kunnen aanvechten via de rechter. Via het UWV kunnen zij alsnog een werkloosheidsuitkering aanvragen. Als iemand niet weet wat de grond van zijn ontslag is dan kan het UWV diegene hierbij helpen. Dan moet diegene wel zelf naar het UWV gaan. De kans is groter dat mensen met een niet-Nederlandse nationaliteit de Nederlandse taal minder machtig zijn en minder snel bij het UWV terechtkomen. Hierdoor zijn zij kwetsbaarder voor misbruik van ontslag op staande voet.
Daarom blijf ik het signaal ontslag op staande voet onder de aandacht brengen, waaronder bij de betrokken brancheorganisaties. Verder is de informatie gedeeld met de «Work in NL» informatiepunten zodat arbeidsmigranten beter over hun rechten kunnen worden geïnformeerd.3 Voor rechtshulp kunnen mensen ook aankloppen bij het Juridisch Loket met hun juridische vragen of problemen. Bijvoorbeeld over huur, contracten, loon en verzekeringen. Het verbeteren van de toegang tot het recht voor kwetsbare werknemers is een van de maatregelen vanuit het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.4
De voorbereiding op het vaker opduiken van fentanyl in Nederland |
|
Wieke Paulusma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat fentanyl, een synthetische opioïde, in de Verenigde Staten de voornaamste doodsoorzaak is voor jongvolwassenen? En dat in de leeftijdscategorie 18–45 jaar ongeveer evenveel mensen aan fentanyl overlijden als aan wapens en auto-ongelukken bij elkaar opgeteld?1
Ja.
Deelt u de zorgen van Nationale Drugscommissariaat in België over de opkomst van fentanyl?2 Zo nee, wat is uw inschatting ten aanzien van de kans dat deze drug ook in Nederland grootschaliger, buiten het medische circuit, zal worden gesignaleerd en gebruikt?
Fentanyl is al geruime tijd beschikbaar en zien we zelden voorbijkomen op de Nederlandse drugsmarkt. Er zijn vooral zorgen om de nieuwe synthetische opioïden. Dit zijn stoffen afgeleid van fentanyl of de zogeheten nitazenen. Er zijn op dit moment geen signalen dat deze nieuwe synthetische opioïden voet aan de grond krijgen in Nederland. Desalniettemin is het belangrijk waakzaam te zijn en houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Herkent u de signalen uit België dat fentanyl nog niet in pure vorm maar al wel vermengd met andere drugs opduiken, «omdat criminele organisaties deze drug met andere drugs vermengen zodat gebruikers sneller verslaafd geraken»?3 Zo nee, waarom niet? Kunt u hier ook recent cijfermatig inzicht in verschaffen?4
Ik weet dat dit gebeurt in het buitenland, met name in de VS, maar ook in bijvoorbeeld Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Er zijn geen signalen dat deze praktijk zich in Nederland voordoet. Via de testservices van het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS) houden we dit in Nederland in de gaten.
Herkent u de signalen dat met name gemarginaliseerde groepen, waaronder dak- en thuisloze verslaafden die crack gebruiken, kwetsbaar zouden kunnen zijn?5 Zo ja, op welke wijze borgt u dat ontwikkelingen in deze moeilijk te bereiken groep goed gemonitord worden? Zo nee, waarom niet?
Deze gebruikersgroep is inderdaad kwetsbaar en is niet de groep die vaak drugs laat testen. Om die reden gaan getrainde outreach werkers van het DIMS-netwerk het veld in om monsters te zoeken van drugs die door gemarginaliseerde groepen worden gebruikt. Ook verzamelt Mainline een keer per jaar in Amsterdam gebruikte spuiten die worden geanalyseerd op de aanwezigheid van drugsresten. Als er monsters opduiken waar synthetische opioïden in versneden zijn, zal snel kunnen worden gewaarschuwd.
Kunt u een update geven van de inzichten die via het Europese projectStrengthening health systems» preparedness to timely and effectively respond to increases in prevalence, use and harms of Synthetic Opioids (SO-PREP) zijn opgedaan?6
Het EU-project SO-PREP liep van 2020 tot 2022 in vijf EU-lidstaten (Nederland, België, Duitsland, Finland en Estland) onder leiding van het Trimbos-instituut. De belangrijkste bevindingen uit het onderzoek waren dat er op dat moment geen grootschalige verspreiding van synthetische opioïden in de EU was, maar dat er wel een toename was in de Baltische regio en Scandinavië. Er werd ook een trend geconstateerd van een grotere aanwezigheid van synthetische middelen op de gebruikersmarkt in Europa. Waakzaamheid en voorbereidingen op deze toename zijn geboden. Er is een toolkit ontwikkeld voor de EU-lidstaten met adviezen gericht op paraatheid en voorbereiding (preparedness). Landen kunnen deze toolkit gebruiken om een nationaal preparedness plan op te stellen. Een belangrijk inzicht uit het project is dat landen niet moeten wachten totdat er incidenten plaatsvinden, maar proactief moeten zijn.
Ik deel dit inzicht, het is belangrijk is om goed voorbereid te zijn op de mogelijke opkomst van nieuwe synthetische opioïden in ons land. Samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV), het Trimbos-instituut en andere deskundigen beraad ik ons op wat daarvoor nodig is. Het Trimbos-instituut heeft in dat kader opdracht gekregen om te komen tot een preparedness-scan gericht op voorkoming van schadelijke effecten van synthetische opioïden, zoals fentanyl (-achtigen) en de nitazenen die nog vele malen potenter zijn. In deze scan worden de inzichten uit het SO-PREP-project meegenomen. De voorlopige resultaten van dit onderzoek verwacht ik nog dit jaar. Ook is recentelijk besloten dat de risicobeoordelingscommissie van het CAM (Coördinatiepunt Assessment Monitoring nieuwe drugs) regulier expliciete aandacht besteedt aan het risico van synthetische opioïden, waarbij (internationale) ontwikkelingen worden gevolgd en signalen worden gedeeld over zowel de gebruikersmarkt als de illegale productie en handel. Daarnaast is mij bekend dat de gemeente Amsterdam werkt aan een crisisplan ter voorbereiding op een mogelijke opkomst van sterke synthetische opioïden. Ik volg dergelijke lokale initiatieven met interesse.
Kunt u uiteenzetten welke (concrete) voorbereidingen in Nederland reeds zijn getroffen ter voorbereiding? Kunt u voor zover bij u bekend hierin ook lokale initiatieven benoemen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het verstandig is om ons goed voor te bereiden op de mogelijkheid dat fentanyl veelvuldiger in Nederland gaat opduiken?
Ja, zoals reeds toegelicht vind ik dit verstandig en ben ik hiermee bezig, ook door wetgeving. Het is van belang om het aanbod van fentanyl-achtigen (designer fentanyl) tegen te gaan. Het wetsvoorstel dat ziet op een verbod op specifieke groepen risicovolle nieuwe psychoactieve stoffen – waaronder de fentanyl-achtigen – maakt dit mogelijk. Dit wetsvoorstel wordt binnenkort behandeld in de Eerste Kamer.
Kunt u toelichten welke (infra)structuur, inclusief de organisaties die hierin een sleutelrol vervullen, in Nederland verantwoordelijk is voor de preventie, voorlichting en «harm reduction» als dit scenario zich voordoet?
Partijen die een belangrijke rol spelen op het gebied van preventie, voorlichting en harm reduction zijn onder andere het Trimbos-instituut, de instellingen voor verslavingszorg, gemeenten, GGD-en, Mainline en zorgprofessionals. Door middel van de 32 drugstestlocaties in Nederland en door de monitoring van incidenten (Monitor Drugs Incidenten), kunnen we goed volgen welke nieuwe drugs op de gebruikersmarkt verschijnen. Ook voert het Trimbos-instituut een pilot uit voor het beter bereiken van meer kwetsbare groepen en het testen van drugs zoals basecoke, heroïne en bepaalde nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) waar mogelijk nieuwe synthetische opioïden in kunnen opduiken. Als er zorgwekkende ontwikkelingen zijn, wordt ingegrepen. Bijvoorbeeld door het afgeven van een waarschuwing, een zogenoemde «Red Alert», en door het uitbrengen van nieuwsberichten.
Hoe beoordeelt u de verhouding tussen het jaarlijks beschikbare publieke budget voor preventie, verslavingszorg en harm reduction enerzijds en de repressieve aanpak anderzijds in het licht van de primaire doelstelling van het drugsbeleid? Herkent u dat het om ongeveer een factor 100 verschil gaat?
Het Nederlandse drugsbeleid richt zich zowel op de bescherming van de volksgezondheid als de aanpak van drugscriminaliteit. Het reduceren van drugsgebruik is een doelstelling die door het gehele kabinet wordt gedragen. Het doel is het zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperken van schade voor de gezondheid en voor de omgeving. Het kabinet investeert in voorlichting, preventie, verslavingszorg en harm reduction, wat maakt dat de gezondheidsproblematiek als gevolg van drugsgebruik in Nederland – zeker in vergelijking met vele andere landen -als overwegend beheersbaar of stabiel kan worden beschouwd. Tegelijkertijd blijft de ambitie hoog om de schadelijke gezondheidsgevolgen door drugsgebruik zoveel mogelijk te voorkomen en te verminderen.
De drugscriminaliteit ontwricht onze samenleving door liquidaties, explosies in woonwijken, het ronselen van jongeren, het dumpen van drugsafval en de noodzaak tot beveiliging van hoeders van de rechtsstaat. Het kabinet werkt hard aan het tegengaan van de georganiseerde drugscriminaliteit wat vraagt om aanzienlijke investeringen en een lange adem. Het klopt dus dat het budget voor de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit veel hoger is dan het budget voor de bescherming van de volksgezondheid.
Waarom kiest u ervoor om deze verhouding nog verder scheef te laten groeien met de door u aangekondigde bezuinigingen op preventie en harm reduction, en de gelijktijdig intensivering op de repressieve aanpak?7
Het mag duidelijk zijn dat ik deze bezuinigingen allesbehalve toejuich. Het Ministerie van VWS heeft echter de opdracht om een aanzienlijke bezuiniging te realiseren waardoor keuzes moeten worden gemaakt. Bij de invulling van de taakstelling heb ik er wel voor gekozen om subsidies gericht op de gezondheid van bijvoorbeeld jongeren en kinderen zoveel mogelijk behouden. Wel vraag ik organisaties die vanuit verschillende invalshoeken vergelijkbaar werk doen, zoals de ondersteuning van gemeenten, meer samen te werken om dit efficiëntievoordeel te realiseren. Ik ben van mening dat ook met deze bezuiniging er voldoende budget beschikbaar blijft voor effectieve preventie en harm reduction.
Kunt u toelichten hoe deze beleidskeuzes zich verhouden tot het streven om evidence based beleid te maken, oftewel: uit welk onderzoek volgt dat deze verdere scheefgroei effectief bijdraagt aan de door u beoogde doelstellingen van het drugsbeleid?
Zoals aangegeven is mijn standpunt dat er voldoende budget beschikbaar blijft om de beoogde doelstellingen van het drugsbeleid te behalen.
Wat is uw reactie in dit kader op de dringende oproep van meer dan 100 organisaties en experts om «niet af te breken wat er de afgelopen jaren is opgebouwd, om de aangekondigde bezuinigingen terug te draaien en echt in te zetten op de gezondheid van Nederland»?8
Met deze organisaties en experts erken ik het belang van preventie. Ik moet echter ook een bijdrage leveren aan de kabinetsopgave om de overheidsfinanciën op orde te houden. Daartoe heb ik pijnlijke keuzes moeten maken door te korten op subsidies. Bij de invulling van de taakstelling heb ik er voor gekozen om subsidies gericht op de gezondheid van bijvoorbeeld jongeren en kinderen zoveel mogelijk te behouden. Wel vraag ik organisaties die vanuit verschillende invalshoeken vergelijkbaar werk doen, zoals de ondersteuning van gemeenten, meer samen te werken om dit efficiëntievoordeel te realiseren. In de samenhangende effectieve preventiestrategie zal ik nader ingaan op mijn ambities die ik met de beschikbare middelen ga vormgeven. Deze strategie zal ik in het eerste kwartaal van 2025 aan uw Kamer sturen.
Welke gevolgen heeft het afbouwen van het budget voor Trimbos voor de kennispositie van het rijk en gemeenten?
Het Trimbos-instituut is zowel voor het Rijk als gemeenten een belangrijk wetenschappelijk kennisinstituut. Voor het Trimbos-instituut is er een beperkte korting die ik in samenspraak met het instituut ga invullen. De korting is deels te realiseren door betere samenwerking met andere instellingen die o.a. gemeenten ondersteunen. Voor mij is het bij de verdere uitwerking van de korting belangrijk dat de kennisfunctie van het Trimbos fier overeind blijft. De besparing die nu is ingeboekt brengt dit niet in gevaar.
Deelt u de mening dat het in het licht van de mogelijke opkomst van synthetische opioïden in Nederland, de überhaupt snel veranderende drugsmarkt en de overlast van personen met onbegrepen of verward gedrag zeer onverstandig is om de subsidie van Stichting Mainline, die al sinds 1990 gespecialiseerd zijn in het bevorderen van de gezondheid van gemarginaliseerde groepen (zoals dak- en thuislozen) die drugs gebruiken en uitstekend gepositioneerd zijn om ontwikkelingen in deze groepen te signaleren, volledig af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 8 heb ik reeds aangegeven welke partijen een belangrijke rol spelen mocht er sprake zijn van opkomst van synthetische opioïden. De geleidelijke bezuiniging van Mainline vanaf 2026 vind ik te verantwoorden. Zo bezie ik de stapsgewijze afbouw van subsidie aan Mainline in het licht van de verantwoordelijkheid die gemeenten hebben voor de ondersteuning van de groep verslaafden in hun eigen gemeente en die, zoals bijvoorbeeld Amsterdam al doet, de expertise van Mainline benutten. Met de creativiteit en kennis en kunde van Mainline spreek ik de verwachting uit dat Mainline erin slaagt die verantwoordelijkheid van gemeenten aan te spreken.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en uiterlijk voor de behandeling van de ontwerpbegroting Justitie en Veiligheid te beantwoorden?
Helaas is het niet mogelijk gebleken de antwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te verzenden.