Het bericht dat Eurostar mogelijk in de loop van 2025 de verbindingen tussen Nederland en Brussel/Parijs en Nederland en Londen opschort |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Eurostar mogelijk in de loop van 2025 de verbindingen tussen Nederland en Brussel/Parijs en Nederland en Londen opschort?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u de zorgen over de continuïteit van deze belangrijke internationale treinverbindingen? Zo nee, waarom niet?
De rechtstreekse treinen naar Londen en Parijs zijn voor Nederland belangrijke verbindingen. Het ministerie is daarom ook continu in gesprek om deze verbindingen voor Nederland te behouden en te verbeteren. Het signaal van de CEO van Eurostar over de werkzaamheden op Amsterdam Centraal wordt herkend, maar tegelijkertijd zijn de consequenties op het treinverkeer nog niet helemaal duidelijk. ProRail en de vervoerders werken nog aan de dienstregeling voor de tweede helft van 2025 voor dit station. Dit najaar is meer duidelijk in hoeverre de werkzaamheden impact hebben op de dienstregeling.
Klopt het dat de verbouwing van Amsterdam Centraal dusdanig vertraging oploopt dat de herstart van de Eurostar naar Londen nog allerminst zeker is? Zo ja, hoe komt dit? Zo nee, kunt u verklaren waar de onduidelijkheid vandaan komt?
Nee, dat klopt niet. Op dit moment is de planning nog steeds dat vanaf januari volgend jaar er weer rechtstreeks beveiligd vertrek naar Londen kan plaatsvinden. Zie verder antwoord 5.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat de Eurostar trein naar Londen zo snel als mogelijk weer vanaf Amsterdam Centraal kan vertrekken? Wat is hier concreet voor nodig om dit te bewerkstelligen en wat gaat u hieraan doen?
Voor het ministerie is het van belang dat de rechtstreekse beveiligde verbinding naar Londen weer vanaf januari kan vertrekken. Hierover zijn met Eurostar, NS en ProRail vorig jaar afspraken gemaakt, die nog steeds van kracht zijn. De werkzaamheden lopen vooralsnog op schema waardoor de direct beveiligde verbinding over een aantal maanden weer hervat kan worden.
Klopt het dat er door de verbouwing van Amsterdam Centraal en de hieraan gekoppelde capaciteitsverdeling ook problemen zijn voor de Eurostar naar Parijs? Welke capaciteitsproblemen zijn er concreet?
Een verbouwing van een station vraagt ook heel vaak spoor- of perroncapaciteit. Zeker bij zo’n complexe verbouwing als nu op Amsterdam Centraal, waarbij het door ruimtegebrek niet mogelijk is om tijdelijk extra sporen aan te leggen. Deze zomer zijn de eerste grootschalige werkzaamheden gestart. Tijdens de verbouwing monitoren en evalueren ProRail en de aannemers constant hoe zij de werkzaamheden zo goed en veilig mogelijk kunnen uitvoeren. Daaruit blijkt dat er op de perrons meer ruimte nodig is dan eerder voorzien. ProRail werkt met de vervoerders nog aan de dienstregeling voor de tweede helft van 2025 voor dit station. Dit najaar is meer duidelijk in hoeverre de werkzaamheden impact hebben op de dienstregeling.
Op welke wijze kunnen de capaciteitsproblemen zo spoedig mogelijk opgelost worden? Welke oplossingsrichtingen ziet u concreet en wat is uw inzet hierbij?
Als er minder ruimte beschikbaar is, moet altijd goed gekeken worden hoe deze goed verdeeld kan worden. De gesprekken hierover lopen constructief, waarbij er vertrouwen is dat de vervoerders en ProRail er in gezamenlijkheid uit komen. Dit najaar is meer duidelijk over de impact van de werkzaamheden op de dienstregeling.
Deelt u de zorgen over de snelheidsbeperkingen op de HSL? Zo nee, waarom niet?
Ja, de zorgen over de snelheidsbeperkingen op de HSL worden gedeeld. Infraspeed en ProRail werken hard om de snelheid zo snel mogelijk te verhogen. Daarnaast wordt er gewerkt aan een structurele oplossing, zodat de reizigers hier in de toekomst geen last meer van hebben.
Wat zijn de concrete gevolgen van deze snelheidsbeperkingen voor de dienstregeling van de Eurostar?
Sinds de recente aanscherping van de tijdelijke snelheidsbeperkingen op de HSL is de extra reistijd voor Eurostar per trein nu circa 5 tot 10 minuten. Deze extra reistijd is deels verwerkt in een aangepaste dienstregeling. De extra reistijd leidt ook tot een minder betrouwbare dienstregeling, omdat er minder speling is om andere vertragingen op te vangen.
Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot het herstel van de HSL? Kunt u hierbij ook een geactualiseerde planning geven van het herstel?
Infraspeed en ProRail werken intensief samen om de snelheid op de viaducten op de HSL – waar nu een snelheid van 80 km/u geldt – zo spoedig mogelijk te verhogen naar 120 km/u. In een recent overleg, op voorspraak van ProRail, hebben Infraspeed en de aandeelhouders van Infraspeed, BAM en Siemens, allen uitgesproken zich maximaal in te spannen om de werkzaamheden voor 15 december aanstaande af te ronden. Wel is daarbij aangegeven dat onder andere resultaten van lopende betoninspecties een aanzienlijk risico vormen voor het behalen van deze deadline. Als deze deadline niet gehaald wordt, heeft dat impact op de dienstregeling in 2025.
Kunt u een uitsluiten dat (gedoe over) financiële aspecten van het herstel van de HSL, het herstel van de HSL vertragen?
De herstelkosten van de HSL worden in eerste instantie door de Staat gefinancierd. Hiervoor zijn momenteel nog geen middelen beschikbaar. Als de kosten duidelijk zijn kan, kan de dekking bezien worden.
Is de instandhouding van de spoorinfrastructuur en het verbeteren van het internationaal treinverkeer voor u de komende periode topprioriteit? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit zijn beide prioriteiten van deze regering die ook in het Regeerprogramma opgenomen staan.
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat Nederland haar cruciale internationale treinverbindingen met Parijs en Londen verliest?
IenW, NS, ProRail en Eurostar blijven in gesprek om het gezamenlijke doel en gezamenlijke afspraken te halen en na te komen. Dit heeft de volle aandacht.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar en voorafgaand aan de begrotingsbehandeling IenW beantwoorden?
Ja.
Hoe het groene beleid van de Europese Unie kwalijke emissies buiten de EU veroorzaakt. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het onderzoek «Global spillover effects of the European Green Deal and plausible mitigation options» van de Universiteit van Groningen?1
Ja. Het onderzoek bevat diverse herkenbare conclusies. Bijvoorbeeld dat de spillover-effecten van Europees duurzaamheidsbeleid een aandachtspunt vormen. Vervolgens stelt het rapport drie opties voor, met als doel om zulke spillover-effecten te beperken: (1) het verkleinen van de verschillen in gewasopbrengsten in ontwikkelingsregio’s, (2) het uitfaseren van op voedsel gebaseerde biobrandstoffen in de Europese Unie en (3) het aanpassen van het dieet op basis van de door de EAT-Lancet Commissie aanbevolen diëten.
Het kabinet heeft enkele opmerkingen bij het onderzoek. Zie daarvoor de beantwoording van de onderstaande vragen.
Herkent u de conclusies van het onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat landbouwgrond in de Europese Unie (EU) wordt omgezet tot bebossing om EU-doelstellingen te halen?
Het kabinet is van mening dat er zeer zorgvuldig moeten worden omgegaan met landbouwgrond en de conclusies uit het rapport onderschrijven dat standpunt. Mede in dat licht werkt het kabinet ook aan een nieuw kader voor het beter beschermen van hoogwaardige landbouwgrond. Dat sluit het behalen van doelstellingen op het gebied van natuur, biodiversiteit en klimaat echter niet uit.
Het kabinet is van mening dat een toekomstgericht voedselsysteem met een sterke landbouwsector hand in hand kunnen gaan met het realiseren van doelstellingen op het gebied van natuur, biodiversiteit en klimaat. Onderdeel hiervan is dat er in de EU meer bomen en bossen worden aangeplant en dat de EU de uitstoot van broeikasgassen drastisch vermindert, de effecten van klimaatverandering keert en biodiversiteit herstelt. De Green Deal geeft daar voor een belangrijk deel invulling aan.
Er zijn verschillende typen omgeving die in aanmerking komen voor de aanplant van bos of bomen, waaronder stedelijke parken, openbare en particuliere eigendommen, vergroening van gebouwen en infrastructuur, en landbouwgebied. Naar schatting is er in 2030 4,8 miljoen ha aan verlaten landbouwgrond in de EU. Deze gronden zijn in de EU-bossenstrategie aangemerkt als kans voor bosaanplant. Nederland heeft deze strategie verwelkomd. Hiermee wordt echter geen causaal effect onderbouwd tussen bebossing binnen de EU en de verplaatsing van voedselproductie naar buiten de EU.
Het genoemde onderzoek stelt dat het beleid van de Europese Green Deal voor bioenergiegewassen, de introductie van biologische landbouw, en bebossing in de EU mogelijk zouden kunnen leiden tot een toename aan landbouwgrond buiten de Europese Unie als aan de in het artikel gestelde voorwaarden wordt voldaan.
De impact op verschillende regio’s varieert aanzienlijk. In het genoemde artikel (p. 2) wordt aangegeven dat de uitbreiding van landbouwgebied buiten de EU vooral verwacht wordt in de rest van Europa, Rusland en Canada. Voor de rest van Europa betreft dit met name verwachte omzetting van weide en grasland naar akkerland. Voor Rusland en Canada wordt dit niet gespecificeerd.
Landbouwproductiviteit is op verschillende manieren te meten en verschilt ook binnen de EU per land en binnen landen per regio. Gemiddeld kan de EU als een regio met hoge landbouwproductiviteit worden beschouwd. De vergelijking van productiviteit met de rest van Europa, Rusland en Canada verschilt per EU-lidstaat.
Klopt het dat door de bebossing in de EU de voedselproductie naar buiten de EU verplaatst?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat deze uitbreiding vooral plaatsvindt in veelal natuurlijke ecosystemen buiten de EU?
Zie antwoord vraag 3.
Is de productiviteit per hectare in deze landen vergelijkbaar als in de EU?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat door dit spillover-effect de ambities van de EU teniet gedaan worden, de mondiale impact van de EU aanzienlijk blijft en onze voedselproductie onnodig geschaad wordt?
Verschillende mogelijke spillover-effecten van EU ambities worden door het kabinet meegewogen, daarbij wordt zowel rekening gehouden met voedselproductie als klimaatmitigatie. De studie laat zien dat mogelijke negatieve spillover-effecten effectief kunnen worden gemitigeerd. Dit geldt zowel binnen de EU als erbuiten, daar waar het handelen van de EU effect op heeft.
Wat zijn de gevolgen voor de Europese voedselzekerheid?
Het is van belang om goed oog te hebben en houden voor goed onderbouwde en breed gedeelde signalen over de verschillende mogelijke effecten, inclusief die op voedselzekerheid, van de Green Deal, maar ook van andere (toekomstige) initiatieven. Het behalen van afgesproken doelen, het borgen van voedselzekerheid en het behoud van een sterke landbouwsector is voor dit kabinet namelijk van essentieel belang. Vanwege ons klimaat, onze bodemgesteldheid en de complexiteit van productieketens voor bepaalde voedingsmiddelen is ook op regels gebaseerde handel met betrouwbare handelspartners buiten de EU van belang voor onze voedselzekerheid.
De Green Deal vraagt om een toename van biologische landbouw, heeft dit impact op de natuur buiten Europa? En zo ja welke invloed?
Zoals de auteurs in het rapport aangeven zou met biologische landbouw de biodiversiteit buiten Europa kunnen toenemen, maar om dit in beeld te brengen op een wereldschaal is ingewikkeld. Ten principale mag men verwachten dat een toenemende vraag naar biologische producten en biologisch areaal binnen de EU ook meer aanbod van biologische producten vanuit derde landen zal betekenen. Omdat de import van biologische producten uit derde landen aan de EU-standaarden moet voldoen, zou dit in die landen een positief effect op de biodiversiteit kunnen hebben. Op de kwestie of een groter oppervlak biologische landbouw in derde landen ook betekent dat er minder ruimte is voor de natuur, gaat het rapport niet in.
Klopt het dat de voorschriften van de Green Deal moeilijk te handhaven zijn?
De Green Deal is een breed koepelbegrip. Voorschriften zijn opgenomen in de vele verordeningen en richtlijnen die onder de Green Deal vallen. Het kabinet beoordeelt de handhaafbaarheid bij alle EU-voorstellen conform de daarvoor geldende procedures en informeert de Kamer hierover conform de EU-informatievoorziening.
Zo ja, waardoor komt dat voornamelijk?
Zie antwoord vraag 10.
Welke maatregelen gaat u op EU-niveau op korte, middellange en lange termijn nemen om deze spillover te reduceren en onze voedselproductie hier te houden, en efficiënter te maken?
Commissievoorzitter Von der Leyen heeft in haar Political Guidelines 2024–2029 aangekondigd om binnen honderd dagen van het aantreden van de nieuwe Europese Commissie een Vision for Agriculture and Food te presenteren. Hierin wordt een visie verwacht voor het Europese landbouw- en voedselsysteem op zowel korte als lange termijn. Het kabinet zal deze visie te zijner tijd beoordelen en uw Kamer hierover informeren.
De Kamerbrief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Chris Jansen (PVV), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Klopt het dat de brief van 24 september 2024 over het tv-optreden van de Staatssecretaris in afstemming is geschreven met de Minister-President?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat er staatsrechtelijk geen onderscheid is tussen de functie van Staatssecretaris en privépersoon?
Ja.
Waarom heeft u als Minister-President ingestemd met het feit dat de Staatssecretaris in zijn brief van 24 september 2024 aangeeft dat hij als Staatssecretaris afstand neemt van de «minder, minder»-uitspraak, maar dat hij als privépersoon nog steeds achter deze uitspraak staat?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft gisteren per brief afstand gedaan van zijn uitspraken tijdens het mediaoptreden van maandagochtend jongstleden en zal deze dan ook niet meer herhalen. Persoonlijke opvattingen zijn bij de uitoefening van het ambt van bewindspersoon niet van toepassing.
Deelt u als Minister-President de opvatting dat de eenheid van kabinetsbeleid betekent dat bewindspersonen geen standpunten hebben die zich niet verenigen met het kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u als Minister-President deze eenheid vanaf nu waarborgen?
Ik heb met instemming kennisgenomen van het antwoord van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat waarin hij afstand neemt van gedane uitspraken.
Terecht wordt in de brief gesteld dat deze opvattingen op geen enkele manier het kabinetsbeleid reflecteren. Ik hecht eraan te benadrukken dat persoonlijke opvattingen bij de uitoefening van het ambt van bewindspersoon niet van toepassing zijn.
Voorkomen moet worden dat het uitspreken van persoonlijke opvattingen leidt tot verwarring over het kabinetsbeleid. Leidend voor mij is hierom dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat afstand heeft genomen van deze uitspraken en heeft laten weten deze niet meer te herhalen.
Vindt u het acceptabel dat een lid van uw kabinet achter een uitspraak staat waarvan tot in hoogste gerechtelijke instantie beoordeeld is dat deze uitspraak strafbaar is?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar vóór woensdagavond 25 september om 19.00 uur beantwoorden?
Gezien de samenhang in de vraagstelling heb ik ervoor gekozen de vragen 4 en 5 in gezamenlijkheid te beantwoorden.
Het bericht ‘Paniek over veiligheid pensioenen APG: kritisch rapport legt problemen bloot’ |
|
Agnes Joseph (NSC) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek over veiligheid pensioenen APG: kritisch rapport legt problemen bloot»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u, evenals De Nederlandsche Bank (DNB), op de hoogte van de uitkomsten van het onderzoek van de consultants van het bureau Schuberg Philis naar de kwetsbaarheid van pensioenuitvoerder APG voor cyberaanvallen?
Naar aanleiding van de berichtgeving in De Limburger heb ik hierover contact opgenomen met APG. Uit deze contacten is gebleken dat APG en andere pensioenuitvoerders met regelmaat laten onderzoeken wat de impact is van een significante cyberaanval. Uit het meest recente onderzoek is gebleken dat de beveiliging op hoog niveau is. Op een aantal punten heeft het rapport geleid tot verdere aanscherpingen. Deze werkwijze is in lijn met de wettelijke taak om te zorgen voor een beheerste en integere bedrijfsvoering. Hier wordt ook door DNB en AFM in hun respectievelijke verantwoordelijkheden toezicht op gehouden.
In het bericht staat dat APG voor vier miljoen mensen pensioenen regelt, kunt u aangeven hoeveel mensen momenteel via APG een maandelijkse pensioenuitkering ontvangen?
APG verzorgt op dit moment voor circa 4,6 miljoen mensen hun pensioen (jaarverslag APG 2023). Op het moment van schrijven ontvangen ruim 1,4 miljoen mensen een maandelijkse pensioenuitkering via APG.
Hoe kijkt u naar de uitkomst van het onderzoek van Schuberg Philis dat APG mogelijk zes tot twaalf maanden nodig zou hebben om de digitale infrastructuur weer op de rit te krijgen in een zogenoemde «no-IT-situatie», een situatie waarin hackers alles platleggen?
Hoe kijkt u aan tegen het geschetste scenario dat een groot aantal mensen in Nederland in geval van zo’n «no-IT-situatie» bij APG mogelijk plots – tijdelijk – geen aanvullende pensioenuitkering ontvangen en daardoor bijvoorbeeld de huur niet meer kunnen betalen?
Wat is uw visie op de stelling in het bericht dat de huidige kwetsbare situatie niet alleen een bedreiging is voor APG en APB, maar zelfs voor de «BV Nederland»?
Vindt u het in dat licht ook zorgelijk dat uit het onderzoek naar voren komt dat de grootste kwetsbaarheden in de IT-beveiliging in de programma’s en applicaties zitten waar dagelijks mee wordt gewerkt bij APG?
Is bij u bekend of er andere pensioenuitvoerders zijn waarbij de IT-veiligheid niet op orde is? Zo ja, hoe gaat u pensioenuitvoerders aansporen om die IT-veiligheid te verbeteren?
Pensioenuitvoeringsorganisaties, zoals APG, laten periodiek testen en audits doen om IT-kwetsbaarheden en verbeterpunten aan het licht te brengen. Wanneer daaruit blijkt dat er verbeterpunten zijn, worden maatregelen genomen om de IT-risico’s te mitigeren. Na deze constatering heeft APG maatregelen genomen om de IT-risico’s te mitigeren. Dit gebeurt in goed overleg met de belangrijkste stakeholders en toezichthouders. Pensioenuitvoerders staan via hun fondsen onder toezicht, en doen mee aan zeer ingrijpende cybersecuritytesten van DNB, waaronder de bovengenoemde TIBER-test.
Bent u van mening dat het in het grootste belang is dat een pensioenuitvoerder zoals APG zo snel mogelijk weer operationeel kan zijn in het geval van een cyberaanval?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van het onderzoek dat de back-ups van APG op dit moment niet zodanig zijn ingericht dat APG weer snel operationeel kan zijn in het geval van een cyberaanval?
Wat kunt u vanuit uw rol als bewindspersoon doen om bij te dragen aan een oplossing voor deze kwetsbaarheid in de IT-systemen van APG, nu uit het bericht blijkt dat er veel discussie is over hoe de problemen opgelost moeten worden?
Bent u van mening dat het van groot belang is dat de regie over IT-systemen en digitale infrastructuur zoveel mogelijk intern blijft ten opzichte van uitbesteding aan externe partijen/experts? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de observatie uit het bericht dat het een enorme impact heeft, en zelfs maatschappelijk ontwrichtend werkt, als het misgaat door bijvoorbeeld een cyberaanval bij een instelling als APG? Zo niet, waarom niet?
Hoe gaat u zich vanuit uw rol als bewindspersoon inzetten om dit risico zoveel mogelijk te minimaliseren?
Hoe beoordeelt u tenslotte dit bericht over kwetsbaarheden in de IT-systemen van een grote pensioenuitvoerder in het licht van de druk op de IT-systemen van pensioenuitvoerders in de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel?
De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel vraagt veel van de sector. Om deze reden houdt mijn ministerie een vinger aan de pols tijdens de stelseltransitie. Met behulp van signalering, gesprekken met de sector, de monitoring en de onafhankelijke adviezen van de regeringscommissaris wordt gewogen of de transitie haalbaar blijft binnen de voorgestelde termijnen. De regeringscommissaris heeft in haar eerste advies gesignaleerd dat in het kader van de transitie rekening moet worden gehouden met een realistische planning en commitment van de betrokken partijen aan die planning, waaronder ICT-leveranciers. In de Wtp staat vastgelegd dat tijdens de transitie van pensioenuitvoerders wordt verwacht in het implementatieplan op welke wijze en in welk tijdspad de pensioenuitvoerder voorbereidingen treft voor de uitvoering van de nieuwe pensioenregeling, op welke wijze er invulling zal worden gegeven aan de uitvoering van de nieuwe pensioenregeling en de wijze waarop zal worden omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten.
In het implementatieplan gaat de pensioenuitvoerder onder meer in op de technische uitvoerbaarheid, de kosten en de risico’s van de uitvoering van de pensioenregeling en de risicobeheersingsmaatregelen die getroffen worden.
In het bijzonder wordt door de pensioenuitvoerder aandacht gegeven aan de datakwaliteit voor, na en tijdens de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel, en aan de geschiktheid van het pensioenadministratiesysteem. Voor datakwaliteit en de risico’s daaromtrent zijn extra waarborgen gesteld in de Wtp. Aanvullend is er ook het «Kader Datakwaliteit» van de Pensioenfederatie dat tot doel heeft te faciliteren dat pensioenuitvoerders die wensen in te varen op een consistente en aantoonbare wijze de datakwaliteit onderbouwen en borgen.6 Deze wettelijke kaders dragen bij aan het zo klein mogelijk houden van de risico’s op het gebied van IT-veiligheid en datakwaliteit.
Er zijn naar mijn weten geen signalen bekend dat IT-systemen van pensioenuitvoerders niet tijdig gereed zullen zijn om de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel te maken.
Het bericht ''Afkicken van Russisch gas blijkt lastiger dan gedacht: één lng-tanker per maand werden er plots twee'' |
|
Jesse Klaver (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Afkicken van Russisch gas blijkt lastiger dan gedacht: één lng-tanker per maand werden er plots twee»?1
Ja.
Wat is het effect geweest op de LNG-import vanuit Rusland naar de Europese Unie (EU) en naar Nederland sinds de afkondiging van het 14e sanctiepakket?
De beoordeling van de exacte impact van het 14de sanctiepakket op de LNG-import in de EU is complex en zal de komende tijd in EU verband nader worden geanalyseerd. Hierbij speelt dat formeel het sanctiepakket direct is gaan gelden voor nieuwe contracten. Voor contracten die zijn gesloten vóór 24 juni 2024 geldt het sanctiepakket pas vanaf 26 maart 2025. In de praktijk zien we echter dat er, al dan niet anticiperend, naar het sanctiepakket gehandeld wordt, bijvoorbeeld doordat er door sommige terminaloperators geen overslagdiensten meer worden aangeboden en LNG stromen worden verlegd.
Sinds het 14de sanctiepakket op 24 juni 2024 is ingegaan, zijn er in Nederland vanaf juli per maand niet één maar twee tankers met LNG uit de Russische Federatie bij de GATE-terminal in Rotterdam aangeland en gelost. In ieder geval in één andere EU lidstaat wordt een vergelijkbare ontwikkeling gemeld.
Daarnaast meldt een aantal andere lidstaten een sinds begin 2024 toegenomen aanvoer van LNG uit de Russische Federatie. Omdat dit in deze landen al sinds begin 2024 speelt, is het waarschijnlijk dat de toename in deze landen niet uitsluitend het gevolg is van het 14de sanctiepakket. Ook andere factoren spelen daarbij een rol. Zo is er in de afgelopen maanden op EU niveau minder LNG geïmporteerd uit o.a. de Verenigde Staten en Qatar. Ten opzichte van de Aziatische markten waren de prijzen namelijk relatief laag in Europa waardoor handelaren meer LNG-volumes verscheepten naar Aziatische landen. Ook waren er in de eerste helft van dit jaar problemen bij de Freeport LNG terminal, de op één na grootste LNG-exportterminal van de Verenigde Staten. Wat betreft de aanvoer vanuit Qatar, zorgt de onrust in het Midden-Oosten ervoor dat minder LNG-volumes geleverd worden. De vaarroute door de Rode Zee wordt vermeden door LNG-tankers vanuit Qatar, waardoor leveringen uit dit land aan de EU moeten omvaren via de Kaap de Goede Hoop. Dit leidt tot aanzienlijke extra kosten. Ik verwijs in dit verband ook naar mijn antwoorden op Kamervragen van de leden Bontenbal, Boswijk, Paternotte en Roodekerk over de stijgende invoer van Russisch gas naar de Europese Unie, waarin ik deze ontwikkelingen heb toegelicht.2
Op welke manier wordt er gehandhaafd op bedrijven die Russisch gas en andere fossiele brandstoffen uit Rusland importeren en doorvoeren naar landen buiten de EU? Zijn er in dit kader sancties opgelegd aan bedrijven?
De handhaving op sancties op olie en kolen ligt met name bij de Douane. Voor andere specifieke bepalingen die raken aan importverboden kunnen andere partijen betrokken zijn.
Er rust op de import van Russisch gas geen sanctie, wel op doorvoer naar landen buiten de EU. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, treden voor LNG-contracten die zijn gesloten vóór 25 juni 2024 de bepalingen uit het 14de sanctiepakket in werking per 26 maart 2025. Tot die tijd is er geen grond voor het eventueel opleggen van sancties voor wat betreft de overslag van Russisch LNG met een land buiten de EU als bestemming.
Overigens is het goed te weten dat er bij de Nederlandse LNG-terminals geen overslag van LNG plaatsvindt, niet van Russisch LNG en niet van LNG van een andere oorsprong. Er zijn dan ook geen sancties of boetes opgelegd aan bedrijven.
Wat is de reden dat u het zeer onwaarschijnlijk acht dat deze export van LNG leidt tot meer inkomsten voor Rusland?
De ontwikkeling die we tot nu toe in Nederland hebben gezien, betreft een bestaande LNG-stroom die alleen wat betreft eindbestemming is gewijzigd: het aandeel LNG uit Rusland dat nu in de EU terecht komt in plaats van elders in de wereld neemt toe. Het gaat niet om nieuwe of extra inkoop in Rusland, dus ook niet om extra inkomsten voor Rusland.
Ik kan geen uitspraken doen over de ontwikkelingen elders in de EU en de geldstromen die mogelijk samenhangen met de sinds begin 2024 toegenomen aanvoer van LNG uit de Russische Federatie, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Echter, indien ook in andere lidstaten sprake is van toename van import om dezelfde reden als in Nederland, zou het zo kunnen zijn dat bedrijven die in het verleden LNG bij de Russische Federatie hebben ingekocht met als doel dit in de EU over te slaan naar een bestemming buiten de EU, de gevolgen van het 14de sanctiepakket nu opvangen door aanpassingen binnen hun contractenportfolio. In dat geval blijft het LNG afkomstig uit de Russische Federatie in de EU en wordt elders ingekocht LNG, dat oorspronkelijk was bestemd voor de EU, doorgeleid naar de bestemming buiten de EU waarvoor het LNG uit de Russische Federatie was bestemd. Het verbod op de overslag van Russisch LNG naar een bestemming buiten de EU leidt dan ook niet tot een grotere vraag naar Russisch LNG en dus ook niet tot meer inkomsten voor de Russische Federatie, maar alleen tot een verplaatsing van de eindbestemming.
Worden de LNG-tankers uit Rusland die eerst doorgevoerd werden naar landen buiten de EU nog steeds door Europese en Nederlandse bedrijven ingekocht? Voorziet u een terugloop van deze inkoop op korte termijn gezien het verbod op overslag? Zijn er langlopende contracten die dit verhinderen?
Dit betreft bedrijfsvertrouwelijke informatie waarover ik geen uitspraken kan doen.
Het valt overigens te verwachten dat, gezien de bepalingen in het 14de sanctiepakket, er geen nieuwe contracten zullen worden gesloten voor de inkoop van LNG uit de Russische Federatie met als doel dit in de EU over te slaan naar een bestemming buiten de EU.
Hoeveel meer Russisch LNG blijft er sinds de afkondiging van het 14e sanctiepakket in EU-landen dan daarvoor? Wat gebeurt er met het extra LNG die door het verbod op overslag in de EU en in Nederland terechtkomen?
Voor Nederland weten we dat er sinds de afkondiging van het 14de sanctiepakket per maand niet één maar twee tankers met LNG uit de Russische federatie bij de GATE-terminal in Rotterdam aanlanden en worden gelost. Als deze ontwikkeling doorzet, en er dus in het derde en vierde kwartaal sprake is en blijft van twee Russische LNG-tankers per maand, dan zou de totale import van Russisch LNG in Nederland in 2024 kunnen oplopen tot in totaal bijna 1,7 miljard m3 waar dit vorig jaar nog 1 miljard m3 was. De exacte hoeveelheid zal uiteraard pas na einde 2024 bekend zijn.
Het LNG dat op deze manier binnenkomt wordt, net als al het andere LNG dat binnenkomt, verkocht op de interne markt voor gas. Het is nog niet bekend wat het effect van het 14de sanctiepakket in andere EU-landen is.
Betekent het feit dat er één LNG-tanker uit Rusland per maand meer aanmeert ook dat er meer LNG is ingekocht door Nederlandse bedrijven en bedrijven binnen de EU? Zo ja, is bekend welke bedrijven momenteel de tweede tanker, genoemd in het artikel, importeren? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, wordt er getracht hierachter te komen?
Nee. Het gegeven dat er één LNG-tanker uit Rusland per maand meer aanmeert betekent niet dat er meer LNG is ingekocht door Nederlandse bedrijven en bedrijven binnen de EU. Er is sprake van een verschuiving van LNG-stromen door aanpassingen (uitruil binnen) de contractenportfolio’s van deze bedrijven. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Wat betreft de vraag naar de identiteit van de relevante bedrijven geldt dat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is waarover ik geen uitspraken kan doen.
Waarom is alleen informeel een beroep gedaan op de capaciteitshouders? Deelt u de mening dat er meer druk op deze capaciteitshouders moet worden gezet om deze activiteiten te staken?
De capaciteitshouders handelen binnen hetgeen is toegestaan, er is immers geen verbod op de import van gas, inclusief LNG, uit de Russische Federatie. Bovendien geldt dat de capaciteitshouders, voor zover zij gebonden zijn aan contracten met partijen uit de Russische Federatie, als gevolg daarvan afname- en/of betalingsverplichtingen hebben die zij moeten nakomen. Het gecontracteerde gas uit de Russische Federatie moet immers worden betaald, ook als het niet wordt afgenomen. Indien zij het LNG niet zouden afnemen komt daar bij dat zij additioneel elders gas moeten inkopen om hun leveringsverplichtingen na te komen. Ook dit heeft financiële gevolgen. Voor een beroep op de capaciteitshouders bestaat dus niet alleen geen juridische grond, een dergelijk beroep is voor de capaciteitshouders ook niet uitvoerbaar.
We zullen in Europees verband langs een duidelijk gezamenlijk afbouwpad de import van RF gas en LNG moeten afbouwen. De Europese Commissie is hier aan zet om duidelijkheid te verschaffen zodat we de juiste effectieve maatregelen EU breed kunnen toepassen. Deze boodschap zal ik op de formele Energieraad op 15 oktober onderstrepen.
Verwacht u dat ook de directe import van LNG uit Rusland naar de EU in het volgende sanctiepakket geraakt wordt? Gaat u zich hiervoor inspannen?
Nederland heeft zich de afgelopen jaren hard ingezet voor de afbouw van Russisch gas, inclusief LNG, en heeft alle maatregelen voor de beperking van Russisch gas die zij kon nemen reeds genomen. Om nu verder te komen is het noodzakelijk dat de Europese Commissie komt met de eerder aangekondigde REPowerEU-routekaart voor afbouw in de komende jaren en duidelijkheid geeft over de aanvullende maatregelen die lidstaten kunnen nemen om Russisch gas te weren. Deze EU-brede duidelijkheid is nodig om de afbouw effectief te laten zijn en om te voorkomen dat er maatregelen worden getroffen die onaanvaardbare gevolgen hebben voor de EU gasleveringszekerheid. De routekaart zal bepalend zijn voor welke maatregelen exact genomen kunnen worden en op welk moment, bijvoorbeeld gelet op de resterende afhankelijkheid van sommige lidstaten van Russisch gas en het moment waarop alternatieve volumes beschikbaar komen op de wereldmarkt. Ik kan nu dus nog geen uitspraken doen over een importverbod en het moment waarop dat mogelijk zou zijn. Hierbij speelt ten slotte ook mee dat voor sanctiemaatregelen alle EU-lidstaten daarmee moeten instemmen. In het huidige Europese krachtenveld zal moeten worden bezien of voor concrete sanctievoorstellen voldoende draagvlak bestaat. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten.
Wat zijn de verdere mogelijkheden om nog strengere sancties uit te vaardigen rondom de import van Russische fossiele brandstoffen? Bent u bereid zich hier in Europees verband voor in te zetten?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u de vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over de Energieraad (nu ingepland op 3 oktober) plaatsvindt?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money waaruit duidelijk wordt dat het RIEC jarenlang gegevens over de nationaliteit en het land van herkomst heeft geregistreerd?1
Ja.
Wat vindt u van uitspraken die worden gedaan in de conceptanalyse van de RIEC zoals «Een Turk zal er alles aan doen om geen belasting te betalen» en dat Nederlandse Turken «erg bedreven» zijn als het gaat om belastingfraude en toeslagenfraude?
In het artikel van Follow the Money wordt verwezen naar een conceptanalyse die in 2016 door het RIEC Noord-Holland is opgesteld. Zowel ikzelf als alle betrokken organisaties die verbonden zijn aan het RIEC-samenwerkingsverband nemen nadrukkelijk afstand van de verwerpelijke bewoordingen. In onze organisaties hoort dit taalgebruik niet thuis.
Wat vindt u ervan dat een samenwerkingsverband als het RIEC analyses maakt op basis van aannames dat de Turkse gemeenschap bij voorbaat verdacht is als het gaat om de aanpak van fraude en criminaliteit?
De stelling in de vraag is niet juist. De RIEC-samenwerkingsverbanden werken signaal gestuurd en niet op basis van aannames of vooroordelen. Specifiek ten aanzien van een RIEC-casus is het zo dat deze alleen kan worden opgestart op basis van signalen van georganiseerde ondermijnende criminaliteit van minimaal twee overheidsdiensten. Nationaliteit is niet zo’n signaal. Het is wel mogelijk dat in bepaalde vormen van criminaliteit, zoals bijvoorbeeld mensenhandel, etniciteit of nationaliteit een rol speelt in de criminele keten. Dat kan dan zorgen voor een aantal subjecten met eenzelfde achtergrond in deze casus. In de aangehaalde conceptanalyse is ook op die manier gewerkt.
Wat vindt u ervan dat het RIEC, zoals in Noord-Holland, hele buurten heeft aangemerkt als knelpunt, en zo een grote hoeveelheid gegevens over personen heeft verzameld? Klopt het dat mensen in de buurten als gevolg hiervan onder een vergrootglas liggen en een grotere kans hebben gecontroleerd te worden of te maken krijgen met toezicht en handhaving?
De stuurgroep van een RIEC heeft de mogelijkheid om een handhavingsknelpunt aan te wijzen indien een mogelijk maatschappij ondermijnende situatie ontstaat. Handhavingsknelpunten zijn door de desbetreffende stuurgroep RIEC als zodanig aangewezen personen of groep personen, gebied of branche, waarover verschillende overheden of bestuursorganen signalen bereiken dat de geldende regelgeving structureel niet wordt nageleefd hetgeen mogelijk leidt tot een maatschappij ondermijnende situatie, bestaand uit bestuursrechtelijk of strafrechtelijk te sanctioneren gedragingen (art. 1.7 van het Convenant).
De exacte stappen en voorwaarden van dit proces zijn beschreven in de procesbeschrijving Handhavingsknelpunten. Beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn daarbij leidend en dat is ook belangrijk. Dat betekent dus niet dat er zonder kaders informatie kan worden verwerkt over de burgers en bedrijven die binnen het gebied van een handhavingsknelpunt wonen of werken.
De RIEC-samenwerkingsverbanden werken onder de principes van de AVG. Dat betekent dat er zo min mogelijk verwerking van persoonsgegevens is, dat er een doelbinding moet zijn en dat het proportioneel moet zijn.
Wat vindt u ervan dat een deel van de reden waarom buurten als knelpunt worden bestempeld is omdat volgens het RIEC «een opvallend groot aandeel worden bewoond door Turkse Nederlanders»?
In z’n algemeenheid kan ik melden dat nationaliteit of geboorteland nooit criteria zijn om buurten als handhavingsknelpunt aan te wijzen en dit is in het verleden ook niet het geval geweest. De RIEC-samenwerkingsverbanden hanteren het middel van een handhavingsknelpunt uitsluitend op basis van concrete signalen gerelateerd aan georganiseerde criminaliteit en niet op basis van demografische kenmerken.
Een casus of handhavingsknelpunt binnen het RIEC-samenwerkingsverband start altijd met een RIEC-signaal. Een RIEC-signaal bestaat uit meerdere aanwijzingen (gedragingen of situaties) van meerdere RIEC-partners met betrekking tot een persoon, gebied of bedrijf dat mogelijk sprake is van ondermijnende georganiseerde criminaliteit (zoals vastgelegd in het RIEC-convenant). Nationaliteit is niet zo’n signaal en datzelfde geldt voor geboorteland. Mensen met een bepaald geboorteland of nationaliteit hebben ook niet meer kans om in een RIEC-casus te belanden op basis daarvan. Het is wel mogelijk dat in bepaalde vormen van criminaliteit, zoals bijvoorbeeld mensenhandel, nationaliteit een rol speelt in de criminele keten. Dat kan dan zorgen voor een aantal subjecten met eenzelfde achtergrond in deze casus. Het vertrekpunt van het onderzoek is dan echter niet nationaliteit of geboorteland.
Kunt (data- en netwerk-) analyses en rapportages aanleveren waarin nationaliteit, geboorteland, cultuur, of sociaal-economische klasse een rol heeft gespeeld? Zaten hier ook analyses bij die zich focusten op een specifieke buurt of woonwijk? Kunt u uitsluiten dat groepen mensen bijvoorbeeld op grond van nationaliteit, herkomst of sociaal-economische klasse meer in beeld zijn gekomen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het bezwaarlijk is dat burgers amper inzicht kunnen krijgen in hun gegevens omdat een samenwerkingsverband in dit opzicht een verwarrende status heeft? Bij wie kunnen mensen terecht als ze willen weten welke persoonsgegevens over hen zijn verzameld en gedeeld binnen het samenwerkingsverband? Hoe heeft het RIEC dat ingericht?
Burgers kunnen zicht krijgen op hun gegevens. Op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kunnen individuele burgers verzoeken om inzage in het gebruik van de individuele persoonsgegevens. Dat geldt ook voor inzage in het gebruik van persoonsgegevens door de RIEC-samenwerkingsverbanden. Dergelijke verzoeken kunnen gericht worden aan de convenantpartners en zullen conform de AVG worden afgehandeld. Dat heeft er mee te maken dat een RIEC een samenwerkingsverband is en geen rechtspersoonlijkheid heeft. Informatie die in RIEC-verband wordt verwerkt gebeurt altijd onder verantwoordelijkheid van de convenantpartners. In de beantwoording van een verzoek om een overzicht van persoonsgegevens wordt onder meer informatie verstrekt over het doel van de verwerking van de persoonsgegevens, de ontvangers van de gegevens en de herkomst van de gegevens.
Een individuele burger kan bij de convenantpartners te allen tijde schriftelijk bezwaar aantekenen tegen de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens in het RIEC-samenwerkingsverband. Binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar wordt beoordeeld of dit bezwaar gerechtvaardigd is.
In de Wet Gegevensdeling door Samenwerkingsverbanden (WGS) die in 2025 ingaat, worden AVG-verzoeken makkelijker voor de burger, omdat er voor elk RIEC-samenwerkingsverband een algemeen contactpunt wordt ingericht waar burgers een AVG-verzoek kunnen indienen.
Ziet u, net als onderzoeker Gerwin van Schie van de Universiteit Utrecht, dat het risico van deze werkwijze is dat mensen ten onrechte worden benadeeld maar ook dat anderen juist het voordeel van de twijfel krijgen waar zij dit wellicht juist niet verdienen?
Deelt u de mening dat het bezwaarlijk is dat journalisten via een Wet open overheid (Woo)- verzoek al jaren bezig zijn deze informatie te verzamelen en dat dit ook is bemoeilijkt doordat het een samenwerkingsverband is met een aparte juridische status op dit vlak?
Nee, die mening deel ik niet. Een RIEC-samenwerkingsverband bestaat uit een netwerk van samenwerkende overheidsorganisaties. Woo-verzoeken kunnen worden ingediend bij iedere convenantpartner. Binnen het samenwerkingsverband is vervolgens afstemming tussen de verschillende convenantpartners over de verdere afhandeling van een Woo-verzoek. Dit wordt ook zo door de Woo voorgeschreven (de zogenoemde zienswijze procedure).
Hoe kan het dat de belastingdienst al in september 2021 het bijhouden van nationaliteit had gezien bij het RIEC en een brandbrief had gestuurd maar dat pas acht maanden later het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC) opdracht heeft gegeven hier officieel mee te stoppen?
De brief van de Belastingdienst dateert van januari 2022. Na afstemming met de partners in het RIEC-samenwerkingsverband is de werkwijze sinds juni 2022 aangepast.
Voor die tijd werd op het signaalformulier van de RIEC-samenwerkingsverbanden onder andere gevraagd naar nationaliteit en geboorteland. Dit met het doel om de juiste persoon te kunnen identificeren. Deze gegevens zijn afkomstig uit de Basisregistratie Personen (BRP) en werden destijds als de basisgegevens (NAW gegevens: naam, adres, woonplaats) gezien. Nationaliteit is wettelijk gezien geen bijzonder persoonsgegeven, evenwel is onder andere door de toeslagenaffaire een vergroot bewustzijn gekomen over de risico's op discriminatie die het gebruik van dit soort persoonsgegevens met zich mee kan brengen. Na de constatering over onvoldoende duidelijkheid over de noodzaak (vanuit het oogpunt van proportionaliteit) om gegevens zoals geboorteland en nationaliteit te verwerken, en gelet op het risico dat verwerking van dit soort gegevens met zich meebrengt, is besloten het gegeven uit het signaalformulier te laten verwijderen. De overheden die samenwerken binnen de RIEC-samenwerkingsverbanden hebben hun gegevensverwerkingen daarop aangepast.
Klopt het dat doordat deze opschoning niet direct heeft plaatsgevonden hiermee ook de motie Marijnissen c.s. niet is opgevolgd omdat de motie wel degelijk impliceerde dat het ook betrekking heeft op samenwerkingsverbanden?2 Hoe is het mogelijk dat de motie aldus is uitgelegd alsof deze enkel betrekking heeft op overheidsinstellingen, en het RIEC geen overheidsinstelling is maar een samenwerkingsverband van (voornamelijk) overheidsinstellingen? Wat vindt u hiervan?
De informatie die de RIEC-samenwerkingverbanden verwerken zijn afkomstig van overheidsdiensten. Het RIEC coördineert op instructie en onder verantwoordelijkheid van de gezamenlijke partners de informatie-uitwisseling binnen het RIEC-samenwerkingsverband. Eventuele opschoning valt dus onder de verantwoordelijkheid van de overheidspartners die zijn aangesloten bij het RIEC-samenwerkingsverband. Dat lijkt mij ook het meest zuiver.
Bent u bereid statistisch onderzoek te doen naar aanwijzingen dat personen met een niet-Nederlandse achtergrond of een lagere sociaaleconomische klasse veel vaker zijn onderzocht door het RIEC dan mensen met een Nederlandse achtergrond of een hogere sociaaleconomische klasse? Zo nee, waarom niet?3
Nee. De RIEC-samenwerkingsverbanden hebben tot 2022 gegevens verwerkt over nationaliteit en geboorteland en hebben daarna hun werkwijze aangepast. Zoals ik ook in de beantwoording op vraag 5 heb aangegeven, wordt een casus of handhavingsknelpunt binnen het RIEC-samenwerkingsverband altijd gestart met een RIEC-signaal. Een signaal bestaat uit meerdere aanwijzingen (gedragingen of situaties) van meerdere RIEC-partners met betrekking tot een persoon, locatie of bedrijf dat mogelijk sprake is van ondermijnende georganiseerde criminaliteit (zoals vastgelegd in het RIEC-convenant). Nationaliteit is niet zo’n signaal en is dat ook nooit geweest. Datzelfde geldt voor iemands geboorteland. Het is wel mogelijk dat in bepaalde vormen van criminaliteit, zoals bijvoorbeeld mensenhandel, nationaliteit een rol speelt in de criminele keten. Dat kan dan zorgen voor een aantal subjecten met eenzelfde achtergrond in deze casus. Het vertrekpunt van het onderzoek is dan echter niet nationaliteit of geboorteland.
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om onderzoek te doen naar het handelen van de RIEC?
Zie antwoord vraag 12.
De ondersteuning van gemeenten bij de beleidsvorming van het woonwagenbeleid |
|
Eline Vedder (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u in kaart brengen hoeveel gemeenten tot nieuw woonwagen- en standplaatsenbeleid zijn gekomen sinds het nieuwe beleidskader er in 2018 is gekomen, en hoeveel gemeenten dit nog niet hebben?
Sinds 2018 wordt in opdracht van het Rijk iedere twee jaar een herhaalmeting naar het aantal woonwagenstandplaatsen uitgevoerd. Onderdeel van de herhaalmeting is een enquête onder alle Nederlandse gemeenten. Hierin worden ook vragen gesteld over het gemeentelijk beleid. In de meest recente herhaalmeting, uit 2023, hebben 273 gemeenten de vragen beantwoord.1 Hiervan gaf 38% van de responderende gemeenten, dat zijn 105 gemeenten, aan specifiek beleid te hebben geformuleerd ten aanzien van woonwagenstandplaatsen. Van deze 105 gemeenten gaven 12 aan hun beleid voor 2018 te hebben geformuleerd, de overige 93 gemeenten gaven aan dat in of na 2018 te hebben gedaan.
Kunt u in kaart brengen wat de voornaamste redenen van gemeenten zijn om niet te voldoen aan de taakstelling? Hoe vaak spelen capaciteitstekorten bij gemeenten en een mogelijk gebrek aan kennis van de doelgroep een rol hierin?
Het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid geeft aan op welke wijze gemeenten invulling kunnen geven aan de mensenrechtelijke uitgangspunten.2 Het biedt bouwstenen die gemeenten kunnen gebruiken om invulling te geven aan het gemeentelijke huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners. Het is uiteindelijk aan gemeenten om hier invulling aan te geven en heeft dan ook niet vanuit het Rijk een verplichtend of taakstellend karakter.
Uit de herhaalmeting uit 2023 blijkt dat bijna 100 gemeenten concrete plannen hebben om in de komende jaren nieuwe standplaatsen toe te voegen.3 In totaal hebben deze gemeenten plannen om 1028 nieuwe standplaatsen te realiseren tot het jaar 2030. Dat neemt niet weg dat het aantal standplaatsen sinds 2018 slechts zeer gering is toegenomen. De redenen die gemeenten geven zijn enerzijds de algemene knelpunten die bij de woningbouw spelen, zoals het tekort aan locaties, het capaciteitsgebrek binnen gemeenten en lange bezwaarprocedures. Deze gelden ook voor woonwagens en woonwagenstandplaatsen. Anderzijds vraagt de realisatie van standplaatsen om specifieke kennis, deze is bij lang niet alle gemeenten aanwezig. Ook geven gemeenten en corporaties aan dat de kosten van standplaatsen en woonwagens relatief hoog zijn, onder andere door het relatief hoge grondgebruik en hoge afschrijvingskosten.
Welke rol ziet u weggelegd voor de landelijke overheid bij het komen tot lokaal woonwagen- en standplaatsenbeleid? Zou u inzichtelijk willen maken hoe de regiefunctie van het Rijk wordt ingevuld?
Het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid is het uitgangspunt van het woonwagenstandplaatsenbeleid van de landelijke overheid. Op verschillende manieren heeft het Rijk de afgelopen jaren gemeenten ondersteund in het formuleren van nieuw woonwagenstandplaatsenbeleid en het realiseren van nieuwe standplaatsen. Via het kennis- en ondersteuningsprogramma «Lokaal woonwagenbeleid» van Platform31 is veel kennis ontwikkeld en verspreid onder gemeenten. Met financiële ondersteuning van het Rijk heeft de VNG een Wegwijzer Woonwagenstandplaatsenbeleid ontwikkeld, waarin concrete handvatten voor gemeenten staan. Daarnaast hebben gemeenten voor de realisatie van nieuwe standplaatsen een beroep kunnen doen op de regeling Huisvesting Aandachtsgroepen. Bijna 700 aanvragen voor een bijdrage voor een nieuwe standplaats zijn gehonoreerd. Aan deze toegekende aanvragen is een realisatietermijn gebonden om daarmee een versnelling in de bouw te stimuleren. De herhaalmetingen van 2021 en 2023 zijn vanuit het Rijk naar gemeenten gestuurd waarbij gemeenten gewezen is op het belang van de realisatie van nieuwe standplaatsen om vraag en aanbod beter in evenwicht te brengen.
Woonwagenbewoners maken tevens onderdeel uit van de aandachtsgroepen onder het programma «Een Thuis voor Iedereen». Het ministerie heeft gemeenten gevraagd een woonzorgvisie uit te werken om de behoefte van aandachtsgroepen in kaart te brengen. Met het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting wordt de woonzorgvisie onderdeel van het verplichte volkshuisvestingsprogramma.
Hoe beziet u het feit dat gemeenten zich genoodzaakt voelen dure externe bureau’s in te huren om deze problematiek aan te pakken?
Sommige gemeenten maken gebruik van intermediaire organisaties voor de exploitatie en het beheer van de woonwagenlocatie. Dat kan verschillende redenen hebben, zoals het gebrek aan capaciteit of kennis. Zoals ook in het beleidskader staat, ontslaat dit de gemeente en de beheerder er niet van om de bewoners inspraak te geven en met hen te overleggen over zaken die betrekking hebben op hun woonwagenlocatie en het woonwagenbeleid in het algemeen.
Op welke manier en op welke onderdelen gaat u gemeenten ondersteunen en faciliteren op het gebied van de huisvesting van de woonwagenbewoners en samenhangende actuele problematiek?
Ik zal gemeenten blijven ondersteunen bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder woonwagenbewoners. Ik kijk daarbij ook naar de financiële ondersteuning die het Rijk aan gemeenten geeft voor woningbouw. Het door het Ministerie van VRO gefinancierde kennis- en ondersteuningsprogramma van Platform31 biedt gemeenten veel informatie over de uitvoering van beleid, zoals het opstellen van een behoefteonderzoek en toewijzing.
Het bericht ‘Asielzoekers veroorzaken overlast in Grave: 'Mensen durven straat niet op'’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asielzoekers veroorzaken overlast in Grave: «Mensen durven straat niet op»»?1
Ja.
Herkent u het beeld van toegenomen overlast door asielzoekers in Grave? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hier de oorzaak van?
In deze periode heeft de politie een toename van het aantal meldingen gezien. Deze toename is gerelateerd aan twee gebeurtenissen. De politie ontving rondom 17 en 18 september jl. een twintigtal meldingen/aangiften van (pogingen tot) auto-inbraken en meldingen van verdachte situaties bij woningen. De politie heeft hiervoor twee verdachten aangehouden.
Daarnaast was er op 22 september jl. een ruzie op straat tussen een groep jongeren. Deze jongeren zijn staande gehouden en weggestuurd door de politie.
Deze gebeurtenissen stonden los van elkaar. Er is op dit moment geen sprake meer van een verhoogd aantal meldingen.
Klopt het dat de overlast sinds twee weken is toegenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er de afgelopen twee weken veranderd waardoor dit is gebeurd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de toegenomen overlast inderdaad te maken met de overplaatsing van een groep asielzoekers van het asielzoekerscentrum (azc) in Budel naar Velp? Wat voor asielzoekers betreft dit met name? Gaat het bijvoorbeeld om kansarme asielzoekers en/of mensen die in een tweestatusstelsel als subsidiair zouden worden bestempeld en/of alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's)?
Bij de inbraak en diefstal waren twee bewoners van het azc betrokken die zijn aangehouden. Om privacyredenen kan ik verder niet ingaan op de door u gevraagde informatie over deze personen.
Betreft het incident van afgelopen zondag vanaf de poort van azc Grave ook asielzoekers van andere azc’s? Zo ja, waar komen zij dan vandaan en op welke manier is het incident dan gecoördineerd?
Bij het incident voor de poort op 22 september jl. waren geen bewoners van het azc betrokken. De jongeren op straat kwamen uit diverse plaatsen in Nederland, onder andere uit Zuid-Holland, Noord-Brabant en Gelderland.
Deelt u de mening dat u een rol heeft in ervoor zorgen dat overlast door asielzoekers zoveel mogelijk wordt ingeperkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Ja, daarom voert dit kabinet een lik-op-stukaanpak op overlast, intimidatie en geweld van asielzoekers. Ernstige overlastgevers kunnen uit reguliere opvanglocaties worden overgeplaatst naar de handhavings- en toezichtslocatie waar een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Tegelijkertijd wordt ingezet op een snelle doorstart van de procesbeschikbaarheidsaanpak voor asielzoekers met een kansarme aanvraag (zie nadere toelichting in antwoord op vraag2.
Om criminele vreemdelingen te laten merken dat hun gedrag niet wordt getolereerd en verblijfsrechtelijke consequenties kan hebben, wordt een aanpassing van de glijdende schaal onderzocht, de ongewenstverklaring uitgebreid en gekeken hoe de lat voor verblijfsrechtelijke consequenties kan worden verlaagd. Daardoor kunnen de vergunningen van criminele vreemdelingen worden ingetrokken en kunnen zij worden uitgezet als er geen terugkeerbeletsel bestaat.
Ten slotte wordt ingezet op het intensiveren van het terugkeertraject voor overlastgevende asielzoekers van wie de asielaanvraag is afgewezen. Het speciaal hiervoor ingerichte Team overlastgevende vreemdelingen (TOV) zal deze aanpak coördineren. Doel is om overlastgevers in beeld te krijgen en houden, waarna actief aan hun terugkeerproces wordt gewerkt.
Welke maatregelen zijn getroffen om overlast te voorkomen en veiligheid van de inwoners van Grave en de medewerkers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) te waarborgen? Wordt er door het COA aanvullende beveiliging of toezicht ingezet, bijvoorbeeld in en rondom het azc in Velp?
De politie heeft twee mannen van 27 en 47 jaar aangehouden naar aanleiding van de meldingen/aangiften van diefstallen uit auto’s.
Daarnaast is het toezicht door boa´s, de flying squad (boa´s met specialisatie op azc-bewoners), straatcoaches en de politie geïntensiveerd. Zij zijn meer aanwezig in het straatbeeld.
Het COA voert gesprekken met bewoners van het azc, die erg zijn geschrokken van de negatieve berichten op social media, en heeft het toezicht op de in- en uitgaande bezoekersstroom aangescherpt.
Welke maatregelen bent u verder nog van plan te nemen om de veiligheid van de inwoners van Grave en de medewerkers van het COA te waarborgen?
De lokale driehoek (burgemeester, politie en officier van justitie) is verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid, handhaving van de wet en het vervolgen van wetsovertreders. De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en de inzet hierop door de politie. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
Tegelijkertijd werkt dit kabinet aan een structureel pakket aan asielmaatregelen. Startpunt voor de uitvoering is dat asielverzoeken van asielzoekers met kansarme aanvragen en overlastgevende asielzoekers die al in Nederland zijn, zo snel mogelijk worden afgewezen. Daartoe wordt gewerkt aan de doorstart van de procesbeschikbaarheidsaanpak, waar asielzoekers met een kansarme aanvraag of asielzoekers die overlast veroorzaken worden behandeld door de IND in een versoberd regime. De verwachting is dat die aanpak bijdraagt aan de afname van overlast. Omdat een relatief groot deel van de asielzoekers met een kansarme aanvraag voorkomt in de overlastcijfers, zal met deze inzet de overlast naar verwachting afnemen.
Bestaat de groep overlastgevers vooral uit asielzoekers van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen? Zo ja, waarom zijn deze asielzoekers nog niet uitgezet en wat gaat u doen om deze mensen zo snel mogelijk uit te zetten?
De groep overlastgevers die betrokken waren bij de onrust op 22 september kwamen uit andere delen van Nederland. De groep overlastgevers is staande gehouden en weggestuurd door de politie. Ik kan niet verder ingaan op individuele persoonsinformatie.
Wat zijn de huidige regelingen omtrent de overplaatsing van overlastgevende asielzoekers naar een locatie waar zij onder strenger toezicht staan? Kan deze groep overgeplaatst worden naar een handhaving- en toezichtlocatie (HTL)? Zo nee, waarom niet?
Het COA kan verschillende maatregelen opleggen aan overlastgevers, waaronder het overplaatsen naar een andere locatie voor een time-out. Aan asielzoekers die (ernstige) overlast, bedreiging of geweld veroorzaken, kan de htl-maatregel worden opgelegd. De htl-maatregel is een individuele maatregel die per individu moet worden gemotiveerd.
Deelt u de mening dat overlastgevende kansarme asielzoekers per direct in een vrijheidsbeperkende omgeving geplaatst zouden moeten worden, zoals een procesbeschikbaarheidslocatie (PBL)? Bent u bereid zo snel mogelijk een PBL te openen en daarbij een «one-strike-out» principe te hanteren dat zodra een kansarme asielzoeker overlast veroorzaakt deze per direct naar een PBL overgeplaatst kan worden? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat een heropende PBL aan de juridische juiste waarborgen voldoet? Zo nee, waarom niet? Wat gaat u dan wel doen om overlastgevers aan te pakken en het voor bewoners in Grave weer rustig te krijgen?
Met de doorontwikkeling van de procesbeschikbaarheidslocaties wordt beoogd de pilot te verbreden door te gaan werken met een procesbeschikbaarheidsaanpak. Die is in eerste instantie gericht op versterking van het zicht op de beschikbaarheid voor het asielproces van de vreemdeling door het instellen van een tweemaal daagse inhuisregistratie door het COA. Indien de vreemdeling niet beschikbaar blijkt bij de inhuisregistratie en/of wanneer sprake is van overlastgevend gedrag, zowel op de COA-locatie als daarbuiten, bijvoorbeeld bij (winkel)diefstal, zal worden beoordeeld of een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56 Vreemdelingenwet aan de vreemdeling kan worden opgelegd.
Deze maatregel valt samen met een intensief dagprogramma, gericht op de afwikkeling van het asielproces, waar zelfstandige terugkeer met hulp van IOM wordt aangeboden. De oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel is een escalatiestap die wordt opgelegd indien het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft. Het is een middel dat beschikbaarheid voor de asielprocedure waarborgt, wat moet leiden tot het vlot en efficiënt afhandelen van de aanvragen van deze doelgroep.
Voor vreemdelingen die ernstige overlast veroorzaken (zowel op een reguliere opvanglocatie als op de PBL) blijft plaatsing op de handhaving en toezichtlocatie (htl) in Hoogeveen mogelijk.
Bij brief van 17 mei jl. is de Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingen met betrekking tot de aangescherpte procesbeschikbaarheidsaanpak in Ter Apel.3 De wens van zowel mij als de gemeente Westerwolde is dat de procesbeschikbaarheidsaanpak zo snel mogelijk kan worden hervat in Ter Apel. Hiervoor is onder andere randvoorwaardelijk dat de situatie in Ter Apel normaliseert, zodat er voldoende opvangcapaciteit beschikbaar komt om asielzoekers in de PBL te kunnen plaatsen.
Met de gemeente Cranendonck wordt bezien op welke manier ook daar gestart kan worden met de hernieuwde procesbeschikbaarheidsaanpak. Ik blijf mij onverminderd inzetten voor het realiseren van meer van dit soort locaties.
Verschillende vormen van woonegoïsme |
|
Henri Bontenbal (CDA), Inge van Dijk (CDA), Eline Vedder (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Zou u willen reageren op de bevindingen in het bericht «Hoe een volhardende buurvrouw protesteert tegen een bouwproject op de Müllerpier en zich voor 400.000 euro laat afkopen: «Holy shit 4 ton»» van RTV Rijnmond?1
Ja.
Hoe beziet u het indienen van bezwaarschriften of het aantekenen van beroep tegen bouwprojecten met als doel het opstrijken van een afkoopsom of met een ander individueel belang?
In het geval een bezwaar- of beroepsprocedure wordt gevoerd met als enige doel dat diegene daar zelf financieel beter van wordt, dan keur ik dat af. Dit komt de versnelling van de woningbouw niet ten goede. Of het zo is dat belanghebbenden de mogelijkheid van bezwaar en beroep gebruiken met als enige doel om daar zelf financieel beter van te worden, is echter moeilijk tot niet te beoordelen.
Zou u in kaart willen brengen hoe vaak er de afgelopen jaren sprake was van een afkoopsom of schikking rondom bouwprojecten?
Het is niet mogelijk om te achterhalen hoeveel bezwaar- en beroepschriften de afgelopen jaren vanwege een dergelijk vermoeden zijn ingetrokken. Dit wordt niet geïnventariseerd en is ook niet te achterhalen. Het betreffen privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de betrokken partijen die bovendien vaak vertrouwelijk zijn.
Zou u in kaart willen brengen hoeveel bezwaarschriften en beroepsprocedures de afgelopen jaren zijn ingetrokken, waarbij het vermoeden bestaat dat er sprake is van een afkoopsom of schikking?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre en op welke manier ziet u in de samenleving een ontwikkeling van het (dreigen met het) indienen van een bezwaar ten gunste van eigen gewin, maar ten koste van het belang van een ander, het gemeenschappelijk belang en/of het algemeen belang?
Het indienen van een bezwaar- of beroepschrift enkel en alleen om er financieel beter van te worden vind ik uiteraard niet wenselijk. Hoe vaak dit voorkomt, is niet bekend.
Deelt u de in dit artikel gemaakte analyse dat hier sprake is van «een hoogopgeleide bezwaarmaker die juridische kennis inzet als macht en ten faveure van het individuele belang»? Zo ja, hoe reflecteert u op deze analyse?
Het betreft hier een privékwestie van een ambtenaar. Ook ambtenaren mogen bezwaar maken of beroep instellen tegen plannen in hun omgeving of hierover afspraken maken met betrokken partijen. Zolang de integriteit van de ambtenaar niet in het geding en er is geen relatie met het werk, acht ik dat niet onwenselijk. Ambtenaren hebben dezelfde rechten (en plichten) als iedere andere inwoner van Nederland. De beginselen van de democratische rechtsstaat brengen mee dat het voor belanghebbenden zoals omwonenden altijd mogelijk is om voor hun rechten en belangen op te komen, ongeacht hun functie of beroep.
In hoeverre en op welke manier is er in deze casus sprake van een omkering van het principe achter ethisch hacken – bij ethisch hacken worden opgedane ervaringen ten goede van de publieke zaak ingezet – terwijl in deze casus de ervaringen die tijdens het werken voor de publieke zaak zijn opgedaan juist worden aangewend voor een individueel belang dat de publieke zaak schaadt?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beziet u de voorgaande vraag vanuit het perspectief dat de Rijksoverheid juist investeert in menselijk kapitaal?
Zie antwoord vraag 6.
Zou u willen reflecteren op de vraag hoe de verschillende gedragingen in deze casus zich verhouden tot de eed die ambtenaren afleggen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het handelen in deze casus op gespannen voet staat met het idee achter de beweging «van woningmarkt naar volkshuisvesting»?
Nee. Ik zet in op het versnellen van bouwprocedures en als onderdeel daarvan ook op het verkorten van beroepsprocedures. Daarbij moet het voor belanghebbenden zoals omwonenden wel altijd mogelijk blijven om voor hun rechten en belangen op te komen. Het is een verantwoordelijkheid van initiatiefnemers zoals ontwikkelaar en gemeente om de omgeving goed mee te nemen in de planvorming.
Welke ambities heeft u om deze beweging verder vorm te geven op het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening? Hoe gaat u dezelfde mate van volharding, en het liefst nog meer, aan de dag leggen voor de beweging «van woningmarkt naar volkshuisvesting» als de genoemde ambtenaar van uw ministerie heeft laten zien voor haar eigen belang?
Eind 2024 organiseer ik een Woontop waar ik met onder andere medeoverheden, investeerders, marktpartijen en woningcorporaties concrete, landelijke afspraken maak over de woningbouw. Daartoe behoren afspraken over gezamenlijke inzet en bijbehorende investeringen vanuit de verschillende partijen, zo wordt volkshuisvesting een verantwoordelijkheid van ons allemaal.
Waarom hebben in het regeerprogramma en in het voorstel voor de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (halverwege september 2024) nog geen uitwerking plaatsgevonden van een van de belangrijkste volkshuisvestelijke ambities uit het hoofdlijnenakkoord (halverwege mei 2024), namelijk het verkorten en versoberen van woningbouwprocedures, anders dan het beleidsvoornemen dat het kabinet parallel plannen als «nieuwe norm» wil gaan hanteren, iets dat al was opgenomen in het al in de vorige kabinetsperiode gepresenteerde Plan van aanpak versnellen processen en procedures woningbouw? Voor wanneer bent u van plan dit verder uit te werken?
In mijn brief aan uw Kamer van 18 oktober informeer ik u over het opstarten van het programma STOER («Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Regelgeving») waarbij, in overleg met de sector en medeoverheden, onderzocht wordt waar mogelijkheden zijn om de regeldruk te verminderen. Nu, en ook voor de middellange termijn, geldt dat de inzet moet blijven om bij belemmeringen eerst na te gaan hoe het wel kan.
Daarnaast voorziet het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting in het versnellen van de beroepsprocedure bij de rechter. Dit zet ik nader uiteen bij vraag 14.
Deelt u de urgentie tot versnelde invoering van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting? Zo nee, waarom niet, gezien dit voorbeeld?
Zeker deel ik die urgentie. Ik hoop op een spoedige behandeling van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting2 door het parlement.
Zou u in inzichtelijk willen maken welke mogelijkheden er zijn tot verdere aanscherping van, aanvullend beleid bij of versnelde invoering van het voorstel in het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting tot beperking van het aantal lange beroepsprocedures door de mogelijkheid om naar de rechter te stappen te beperken naar maximaal één keer?
In het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting, dat sinds dit voorjaar bij uw Kamer ter behandeling ligt3, is een grondslag opgenomen op basis waarvan een aantal versnellingen in de beroepsprocedure van toepassing kan worden verklaard op besluiten voor categorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Zo geldt voor die aangewezen besluiten beroep in één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een termijn voor het doen van uitspraak van zes maanden, versnelde behandeling van beroep, indiening van beroepsgronden binnen de beroepstermijn en het uitsluiten van de mogelijkheid om pro forma beroep in te stellen (de redenen van het beroep moeten binnen de beroepstermijn zijn ingediend). In het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting, dat bij uw Kamer zal worden voorgehangen, wordt een aantal besluiten voor woningbouwprojecten van 12 of meer woningen aangewezen. Zo is veel sneller duidelijk of een plan kan doorgaan. De tijdwinst kan oplopen tot een jaar.
Zou u willen nagaan of het in deze casus genoemde woningbouwproject aan de voorwaarden voldoet waarmee het na invoering van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting tot de categorie «zwaarwegend maatschappelijk belang» zou behoren, waardoor versnelde uitvoering mogelijk wordt en de bestuursrechter binnen zes maanden een uitspraak doet? Zo nee, zou u hiervan een beredeneerde inschatting willen maken?
In het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting4 is een grondslag opgenomen voor het bij AMvB tijdelijk kunnen aanwijzen van besluiten voor categorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen, waarop verschillende procedurele versnellingen van toepassing zijn. Zie ook het antwoord op vraag 14. In het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting, dat bij uw Kamer zal worden voorgehangen, zullen woningbouwprojecten van 12 of meer woningen worden aangewezen waarop deze versnellingen van toepassing zijn. Het genoemde woningbouwproject op de Müllerpier betreft een woningbouwproject van meer dan 12 woningen. Voor dat project zou na invoering van de Wet versterking regie volkshuisvesting en het Besluit versterking regie volkshuisvesting zoals nu voorgesteld, versnelde uitvoering mogelijk zijn geweest.
Zou u inzichtelijk willen maken of een beredeneerde inschatting willen maken van hoeveel woningbouwprojecten straks, na invoering van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, tot de categorie «zwaarwegend maatschappelijk belang» zouden behoren?
Zoals ook is vermeld in vraag 15 is in het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting5 een grondslag opgenomen voor het bij AMvB tijdelijk kunnen aanwijzen van besluiten voor categorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen waarop verschillende procedurele versnellingen van toepassing zijn. In het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting worden woningbouwprojecten van 12 of meer woningen aangewezen waarop deze versnellingen van toepassing zijn. Uit onderzoek dat is verricht door prof. mr. dr. A.T. Marseille van de Rijksuniversiteit Groningen naar de procedures die in de afgelopen jaren bij rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over woningbouwprojecten zijn gevoerd6 komt naar voren dat de aanwijzing van 12 of meer woningen voor de Afdeling bestuursrechtspraak leidt tot een toename van 27 zaken per jaar.
Zou u de mogelijkheden willen verkennen tot het oprekken en verbreden van deze categorie en zou u van de verschillende opties hiertoe ook de voor- en nadelen in kaart willen brengen?
In het bestuursprocesrecht is beroep in twee instanties het uitgangspunt in verband met het waarborgen van de rechtsbescherming van rechtzoekenden. Dit is uitgewerkt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het afwijken van dit uitgangspunt moet vooraf dragend worden gemotiveerd waarom die afwijking gerechtvaardigd is en moet het gaan om een grote maatschappelijke urgentie en betekenis voor de samenleving.
Om de omvang van de aanwijzing te bepalen heb ik destijds onderzoek laten verrichten door prof. mr. dr. A.T. Marseille van de Rijksuniversiteit Groningen naar de procedures die in de afgelopen jaren bij rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over woningbouwprojecten zijn gevoerd.7 Op basis van dat onderzoek is een inschatting gemaakt van de te verwachten gevolgen van de aanwijzing voor de werklast bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Uit dat onderzoek komt naar voren dat de aanwijzing van 12 of meer woningen voor de Afdeling bestuursrechtspraak leidt tot een toename van 27 zaken per jaar; wanneer bijvoorbeeld één of meer woningen worden aangewezen leidt dit voor de Afdeling bestuursrechtspraak tot een toename van 119 zaken per jaar. Met het verlagen van het aantal woningen naar één of meer wordt de toename van de werklast voor de Afdeling bestuursrechtspraak ruim viermaal verhoogd. Dit zal gevolgen hebben voor de doorlooptijden van alle zaken die worden behandeld door de Omgevingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak. Voor de omvang van 12 of meer woningen is gekozen om de toename van de werklast bij de Afdeling bestuursrechtspraak te beperken en omdat de Afdeling hier ervaring mee heeft in het kader van de Crisis- en herstelwet, en om het criterium dat sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang te kunnen onderbouwen.
Hoewel bij het oplossen van het woningtekort elke woning er één is, kan tegelijkertijd het aantal woningen in dit verband ook niet te laag liggen. Dat zou leiden tot een te grote toename van het aantal zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak waarmee de beoogde versnelling onder druk komt te staan. Op dit moment is als gevolg van een tekort aan personele capaciteit bij de Afdeling bestuursrechtspraak al sprake van een (te) lange doorlooptijd van zaken. Bovendien zou het verlagen van het aantal woningen en daarmee het verhogen van de werkdruk de positieve aanpak teniet kunnen doen die Afdeling bestuursrechtspraak heeft ingezet door vooruitlopend op de Wet versterking regie volkshuisvesting meer prioriteit te geven aan zaken over woningbouwprojecten.
Daarbij is ook van belang dat in het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting een algemene grondslag is neergelegd: niet alleen categorieën woningbouwprojecten maar ook andere categorieën projecten kunnen bij AMvB worden aangewezen. Zo bereidt de Minister van Klimaat en Groene Groei voor energieprojecten eveneens een AMvB voor. Die AMvB zal ook gevolgen hebben voor het aantal beroepszaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Verder is vanuit verschillende hoeken ook wel een verlofstelsel aangedragen als mogelijke optie voor het versnellen van beroepsprocedures. Zo pleit de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) er in zijn advies8 voor om te onderzoeken of zaken kunnen worden afgedaan door rechtbanken zonder de mogelijkheid van hoger beroep, eventueel gecombineerd met een verlofstelsel ten behoeve van de rechtseenheid.9 Een dergelijk stelsel, waarbij voor het instellen van hoger beroep eerst toestemming van een rechter nodig is, zou een fundamentele aanpassing betekenen van het bestuursprocesrecht in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het einde van het jaar zal een kabinetsreactie op het advies van de RLI aan uw Kamer worden gezonden. In die kabinetsreactie zal ook worden ingegaan op de vraag of een onderzoek naar de invoering van een verlofstelsel zal worden ingesteld. Ik kan op dit moment niet op die kabinetsreactie vooruitlopen.
Wel attendeer ik erop dat de lagere rechter nu al bij een ingesteld beroep altijd de ontvankelijkheid toetst, en bij de beoordeling van de beroepsgronden inhoudelijk toetst of het beroep gegrond is. Bij de ontvankelijkheidstoets beoordeelt de rechter ook, als een soort voortoets, of er procedurefouten zijn gemaakt. Zaken die evident duidelijk zijn (kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond) kan de bestuursrechter vereenvoudigd zonder zitting afdoen, zonder daarvoor toestemming van partijen te vragen.
Zou u willen reageren op de verschillende bevindingen in het NRC-artikel «Voor 100.000 euro willen de omwonenden hun bezwaar wel intrekken»?2
Ja.
Hoe beziet u het feit dat de financiële risico’s voor bouwprojecten vaak zeer vergroot worden doordat zelfs als een bezwaar door zowel gemeente als rechtbank is afgewezen, de weg naar beroep bij de Raad van State nog openstaat, waardoor bouwprojecten vaak stilvallen? Hoe weegt u het belang van deze mogelijkheid ten opzichte van de woningnood en de daarmee samenhangende urgente problematiek?
Gelet op de urgentie van de woningnood is het belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt dat een bouwproject doorgang kan vinden. Snelheid vermindert ook de kans dat een project uiteindelijk niet meer doorgaat. Daarom voorzie ik met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting in versnelling van de afhandeling van beroepszaken tegen woningbouwprojecten door één gang naar de rechter, met versnelde behandeling.
Hoe gaat u om met het feit dat het aantal zaken zal groeien en daarmee de druk op de afdeling bestuursrechtspraak zal nemen, waardoor nog meer vertraging, financiële risico’s en stilvallende bouwprojecten zullen ontstaan?
Ik ben het eens dat het ook belangrijk is dat er voldoende capaciteit is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om zaken snel te behandelen. Ik zal met de Raad van State in gesprek gaan over de mogelijkheden.
Zou u de mogelijkheid willen bezien van de mogelijkheden tot invoering van een systeem waarbij een lagere rechter eerst toetst of een bezwaar gegrond is en er geen procedurefouten zijn gemaakt, waardoor wellicht minder zaken naar een hogere rechter hoeven te gaan en vertraging kan worden voorkomen?
De lagere rechter toetst nu al bij een ingesteld beroep altijd de ontvankelijkheid en toetst bij de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden of het beroep gegrond is. Bij de ontvankelijkheidstoets beoordeelt de rechter ook, als een soort voortoets, of er procedurefouten zijn gemaakt. Zaken die evident duidelijk zijn (kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond) kan de bestuursrechter vereenvoudigd zonder zitting afdoen, zonder daarvoor toestemming van partijen te vragen.
Voor zover met de vraag wordt gedoeld op het zogenoemde verlofstelsel, waarover uw Kamer op 5 november jl. ook een motie aannam11, merk ik het volgende op. Een dergelijk stelsel, waarbij voor het instellen van hoger beroep eerst toestemming van een rechter nodig is, zou een fundamentele aanpassing betekenen van het bestuursprocesrecht in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vanuit verschillende hoeken is een verlofstelsel wel aangedragen als mogelijke optie voor het versnellen van beroepsprocedures. Zo pleit de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) er in zijn advies12 voor om te onderzoeken of zaken kunnen worden afgedaan door rechtbanken zonder de mogelijkheid van hoger beroep, eventueel gecombineerd met een verlofstelsel ten behoeve van de rechtseenheid. Voor het einde van het jaar zal een kabinetsreactie op dit advies aan uw Kamer worden gezonden. In die kabinetsreactie zal ook worden ingegaan op de vraag of een onderzoek naar de invoering van een verlofstelsel zal worden ingesteld. Ik kan op dit moment niet op die kabinetsreactie vooruitlopen.
Zou u de voor- en nadelen van een afkoopverbod in kaart willen brengen en daarbij in willen gaan op de handhaafbaarheid ervan?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Als partijen overeenkomen te schikken, hebben zij daar kennelijk beide belang bij. Dit valt onder een van de beginselen van contractvrijheid. Hoewel ik het uitermate belangrijk vind om procedures rondom woningbouw waar mogelijk te versnellen, acht ik het niet gewenst om in te grijpen in de contractvrijheid die partijen genieten.
Als een belanghebbende stelt (plan)schade te lijden door een woningbouwproject, kan hij dat in bezwaar of beroep aanvoeren. Als partijen tevreden zijn met compensatie van die schade in plaats van het niet doorgaan van het project, is dat een gerechtvaardigde uitkomst van een procedure of van een overeenkomst ter minnelijke schikking. Een projectontwikkelaar is niet verplicht om een dergelijke overeenkomst te sluiten.
Het is onmogelijk om op voorhand onderscheid te maken tussen goedwillende belanghebbenden en belanghebbende die misbruik maken van hun recht. Er kan niet worden achterhaald of de belanghebbende puur uit financieel gewin handelt of dat daadwerkelijke sprake is van schade. Het betreffen privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de betrokken partijen die bovendien vaak vertrouwelijk zijn.
Hoe gaat u zich inzetten om het aantal haakjes voor bezwaarprocedures te verminderen?
Rechtsbescherming is een wezenlijk onderdeel van de democratische rechtsstaat, waarbij een belanghebbende de door de overheid gemaakte belangenafweging desgewenst door een onafhankelijke rechter kan laten toetsen. Dit volgt onder andere uit het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op vrije toegang tot de rechter.
Het recht om bezwaar te maken en beroep in te stellen is echter niet onbeperkt. Het huidige recht kent mogelijkheden om misbruik van procesrecht tegen te gaan. Een partij dient het recht om bezwaar te maken en eventueel beroep in te stellen te gebruiken voor het doel waarvoor dat recht in het leven is geroepen, te weten de gerechtvaardigde behartiging van zijn belangen. Een bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de bevoegdheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend op een zodanige wijze dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Dit blijkt uit jurisprudentie, zoals de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 oktober 2018 (ECLI:NL: RVS:2018:3151). In de Algemene wet bestuursrecht (artikel 8:75, eerste lid, derde volzin) is verder een voorziening opgenomen om een natuurlijk persoon in de proceskosten te veroordelen in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Omdat het onmogelijk is om op voorhand onderscheid te maken tussen goedwillende belanghebbenden en belanghebbenden die misbruik maken van hun recht, acht ik bij een verdere begrenzing van het recht om bezwaar te maken of beroep in te stellen, het risico te groot dat de rechtsbescherming wordt aangetast van partijen die voor hun gerechtvaardigde belangen opkomen.
Deelt u bij de voorgaande vragen de ambitie om de problematiek samenhangend met de woningnood mee te kunnen laten wegen, ook vanuit artikel 22 van de Grondwet, dat gaat over het feit dat de «bevordering van voldoende woongelegenheid» een «voorwerp van zorg der overheid» is? Zo ja, hoe gaat u deze ambitie vormgeven?
Ik onderstreep de versnelling van de realisatie van woningen. In het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting worden een aantal belangrijke stappen gezet om de woningbouw te versnellen. Verder zet ik samen met betrokken partners in op het komen tot vermindering van belemmeringen voor de woningbouw, door waar mogelijk de regels te vereenvoudigen, of zelfs te schrappen. In de Kamerbrief «Sneller bouwen, bestaande gebouwen beter benutten en voortgang bestuurlijke overleggen Woondeals» informeer ik u verder over de stappen die ik zet om de woningbouw te versnellen, de bestaande gebouwen en bijbehorende omgeving beter te benutten en actief regie te voeren op de voortgang van de woningbouw met de bestuurlijke overleggen Woondeals.
Zou u willen reageren op de bevindingen in de berichten «Villabewoners dwarsbomen komst hospice in droompand in Bloemendaal. Landhuis is schenking uit nalatenschap van vastgoedondernemer Theo Eichholtz»3 in het Haarlems Dagblad en «Villabewoners dwarsbomen komst hospice in droompand Bloemendaal: «Bang dat kinderen terminaal zieke mensen onder ogen krijgen»»4 in De Telegraaf?
Ja.
Hoe beziet u het feit dat omwonenden plannen voor de huisvesting van hulpbehoevende mensen proberen tegen te houden middels het indienen van bezwaren en/of het (dreigen met) procederen tot aan de Hoge Raad?
Rechtsbescherming is een wezenlijk onderdeel van de democratische rechtsstaat. Daarbij is van groot belang dat belanghebbenden overheidsbesluiten en de door de overheid gemaakte belangenafweging desgewenst door een onafhankelijke (bestuurs)rechter kunnen laten toetsen. De inhoud van een plan of project is daarbij niet van belang.
Wat vindt u ervan als daarbij ogenschijnlijk alle argumenten die van pas kunnen komen – van het schijnsel van bedlampjes tot aan bepalingen uit de 19e eeuw – worden aangegrepen zonder dat deze veel onderlinge samenhang vertonen, anders dan dat plannen daarmee gedwarsboomd kunnen worden?
In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een voorziening opgenomen die ervoor zorgt dat niet alle beroepsgronden die een belanghebbende aanvoert kunnen leiden tot vernietiging van een door een overheidsorgaan genomen besluit. Op grond van het relativiteitsvereiste, dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Dit houdt in dat een belanghebbende een besluit slechts met succes in rechte kan aanvechten als het concrete voorschrift dat volgens hem is geschonden, mede strekt tot bescherming van zijn belangen.
Zou u de voorgaande vragen ook willen beantwoorden in het licht van het feit dat de grote hoeveelheid procedures misschien wel het belangrijkste obstakel is bij de aanpak van de woningnood, en in het licht van de in het hoofdlijnenakkoord en in het regeerakkoord opgenomen ambities om het aantal procedures in te perken, deze procedures in te korten en het aantal beroepsmogelijkheden te beperken?
In het programma STOER («Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Regelgeving») ga ik, in overleg met de sector en medeoverheden, onderzoeken waar mogelijkheden zijn om de regeldruk te verminderen. Daarnaast wordt in het wetsvoorstel versterking regie op de volkshuisvesting beroep in één instantie voorgesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met een termijn voor het doen van uitspraak van zes maanden en uitsluiten van de mogelijkheid tot het instellen van pro forma beroep (de redenen van het beroep moeten binnen de beroepstermijn zijn ingediend). Zo wordt sneller duidelijk of een woningbouwplan door kan gaan.
Herkent u het beeld dat alleen al de dreiging of suggestie van het indienen van een bezwaar of de mogelijkheid van klagende omwonenden of potentieel toekomstig «Not In My Backyard»-gedrag zorgt voor het niet door kunnen gaan van plannen? Zo nee, waarom niet gezien onder andere deze casus? Zo ja, zou u, in afstemming met gemeenten, in kaart willen (laten) brengen hoeveel projecten jaarlijks om deze redenen niet doorgaan?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van initiatiefnemers, zoals projectontwikkelaars en gemeenten, om de omgeving goed mee te nemen in de planvorming. Participatie van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties in een vroegtijdig stadium van de voorbereidingsfase van een project of activiteit draagt bij aan de kwaliteit van besluitvorming en vergroting van het draagvlak en daarmee ook tot minder bezwaar- en beroepsschriften.
Verder is het zo dat bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving veel factoren en belangen een rol spelen. Mocht een project niet doorgaan dan zullen daaraan veelal meerdere oorzaken ten grondslag liggen. Of, en zo ja, hoe vaak een project geen doorgang vindt uitsluitend vanwege de dreiging van bezwaar of beroep, is mij niet bekend. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Deze cijfers zijn ook niet te achterhalen.
Zou u willen reflecteren op de realiteit dat dit voor heel veel projecten vermoedelijk niet in kaart te brengen is, gezien het feit dat om genoemde redenen (de dreiging of suggestie van het indienen van een bezwaar, de mogelijkheid van klagende omwonenden, of potentieel toekomstig «Not In My Backyard»-gedrag) veel projecten al in de beginfase sneuvelen?
Zie antwoord vraag 29.
Deelt u de opvatting dat een deel van de oplossing voor het beperken van het aantal procedures, en dus het wegnemen van wellicht wel het belangrijkste obstakel voor aanpak van de woningnood, daarmee ligt in de beweging naar oog hebben voor de ander en rekening houden met het gemeenschappelijk belang?
Het is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van initiatiefnemers, zoals projectontwikkelaars en gemeenten, om de omgeving goed mee te nemen in de planvorming. Het desbetreffende overheidsorgaan moet bij het nemen van een besluit alle aan de orde zijnde belangen wegen. Vervolgens is het aan de bestuursrechter om als beroep is ingesteld tegen een besluit van de overheid, aan de hand van hetgeen in beroep naar voren is gebracht (de beroepsgronden) de uitkomst van de door het overheidsorgaan gemaakte belangenafweging (het besluit) te beoordelen.
Deelt u de opvatting dat het recht op een thuis, en in dit geval ook op liefdevolle zorg in de laatste levensfase, boven het recht op uitzicht zou moeten gaan? Zo ja, wat gaat u eraan doen dat deze opvatting concreet gestalte krijgt in hoe met bezwaren en procedures wordt omgegaan?
Zie ook het antwoord op vraag 31. Het is in eerste instantie aan het desbetreffende overheidsorgaan om bij het nemen van een besluit alle aan de orde zijnde belangen te wegen. Vervolgens is het aan de bestuursrechter om als beroep is ingesteld tegen een besluit van de overheid, aan de hand van hetgeen in beroep naar voren is gebracht (de beroepsgronden) de uitkomst van de door het overheidsorgaan gemaakte belangenafweging (het besluit) te beoordelen.
Het is onmogelijk is om op voorhand te bepalen welk belang in een concrete zaak voorrang zou moeten krijgen boven een ander belang. Daartoe moeten de omstandigheden van het geval worden gewogen.
Zou u willen reflecteren op de vraag of dit project vermoedelijk wel doorgang zou hebben kunnen vinden als de naar Kamer gestuurde Wet Versterking regie volkshuisvesting al was ingevoerd? Zo nee, deelt u dan de opvatting dat we dit wetsvoorstel zo snel mogelijk op een zodanige wijze zouden moeten versterken dat dit wel het geval zou zijn geweest? Indien u die opvatting deelt, welke acties verbindt u aan die opvatting?
Zie ook vraag 14 en 15.
In het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting15 is een grondslag opgenomen voor het bij AMvB tijdelijk kunnen aanwijzen van besluiten voor categorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen, waarop verschillende procedurele versnellingen van toepassing zijn. In het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting zullen woningbouwprojecten van 12 of meer woningen worden aangewezen waarop deze versnellingen van toepassing zijn. Bij een hospice gaat het niet om woningbouw. Daarom vallen hospices niet onder deze regels en ben ik ook geen voorstander om deze er alsnog onder te brengen.
Zou u als laatste willen reflecteren op de vraag hoe we, gezien de genoemde casussen, woonegoïsme het beste kunnen bestrijden? Welke plannen heeft u hiertoe?
De stem van woningzoekenden wordt nu nog onvoldoende gehoord. We ondersteunen daarom lokale initiatieven waar de stem van woningzoekenden structureel wordt verankerd bij woningbouw en bij het woonbeleid. Op landelijk niveau starten we een nieuwe Raad van woningzoekenden.
Het media-optreden van de staatssecretaris |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Chris Jansen (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de beantwoording door de Minister-President van de Kamervragen over uw media-optreden van maandagochtend jl.?
De Kamerbrief van de Minister-President van 25 september jl.1 is mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat verzonden.
Bent u het met de Minister-President eens dat er geen onderscheid zit tussen het ambt van Staatssecretaris en uw privépersoon?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 in de Kamerbrief van 25 september jl. die mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is verstuurd, waarin staat dat er staatsrechtelijk geen onderscheid is tussen de functie van Staatssecretaris en de privépersoon van de bewindspersoon.2
Kunt u ter aanvulling op uw brief van dinsdag 24 september jl. onomwonden afstand nemen van de «minder, minder»-uitspraak, zonder onderscheid te maken tussen uw ambt van Staatssecretaris en uw privéopvatting? Zo nee, waarom niet?
In de brief van de Minister-President, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,2 wordt gesteld dat deze opvattingen op geen enkele manier het kabinetsbeleid reflecteren. Persoonlijke opvattingen bij de uitoefening van het ambt van bewindspersoon zijn niet van toepassing.
Voorkomen moet worden dat het uitspreken van persoonlijke opvattingen leidt tot verwarring over het kabinetsbeleid. Leidend hierin is dat ik als Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat afstand heb genomen van mijn uitspraken maandagochtend jl. bij WNL en heb laten weten deze niet meer te herhalen.
Kunt u deze vragen vóór woensdagavond 25 september 2024 18.00 uur beantwoorden?
Hierbij ontvangt u de antwoorden op de gestelde vragen.
Het bericht dat er voor het eerst iemand stierf in een zelfdodingsmachine |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste persoon ter wereld sterft in «zelfdodingscapsule» in Zwitserland»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u bevestigen dat de zelfdodingscapsule werd ontwikkeld en gebouwd in Nederland?
Uit mediaberichten maak ik op dat de zelfdodingscapsule in Nederland is ontwikkeld en gebouwd. Of dit daadwerkelijk het geval is kan ik niet bevestigen.
Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk en zorgwekkend is?
Het ontwikkelen, demonstreren en zelfs gebruiken van een dergelijke zelfdodingscapsule vind ik onwenselijk. De inzet van dit kabinet is juist om het aantal suïcides terug te dringen, onder andere door de toegang tot dodelijke middelen te beperken. Waar het gaat om euthanasie of hulp bij zelfdoding kent Nederland een wettelijk kader waarmee uitsluitend artsen bevoegd zijn om dit, met inachtneming van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, uit te voeren.
Waarom is het bouwen en bezitten van zo’n zelfdodingsmachine in Nederland niet verboden? Hoe verhoudt dit zich tot het wettelijk kader als het gaat om euthanasie en hulp bij zelfdoding?
Op dit moment loopt er een strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland. Zoals wellicht bekend hebben de Zwitserse autoriteiten een rechtshulpverzoek ingediend bij het Openbaar Ministerie (OM) in Nederland dat inmiddels is uitgevoerd. In het belang van dit onderzoek zal ik mij hierover niet verder uitlaten.
In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat euthanasie en hulp bij zelfdoding niet strafbaar zijn, mits verricht door een arts die voldoet aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig de Wet op de lijkbezorging. Dit volgt uit artikel 293, tweede lid en artikel 294, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.
Indien niet aan deze eisen is voldaan en een persoon een ander behulpzaam is bij zelfdoding of hem daartoe de middelen verstrekt, is deze persoon strafbaar als de dood ook daadwerkelijk intreedt. Het is aan het OM om te beoordelen of iemand wordt aangemerkt als verdachte van hulp bij zelfdoding en uiteindelijk aan de rechter om de strafbaarheid te bepalen, dat is niet aan mij.
Kunt u bevestigen dat het eventueel gebruiken van deze zelfdodingsmachine in Nederland verboden is?
Zelfdoding is niet strafbaar. Indien een persoon deze capsule voor zichzelf gebruikt is deze dus niet strafbaar. Het is daarbij aan het OM om te beoordelen of eventuele derden die hierbij betrokken zijn, moeten worden vervolgd vanwege hulp bij zelfdoding.
Bent u bereid om in overleg te treden met het Openbaar Ministerie om te bezien welke stappen er gezet zouden kunnen worden in de richting van de bedenker van deze zelfdodingsmachine?
De beoordeling of strafrechtelijk optreden opportuun is, is aan het OM. Het is aan het OM om deze beoordeling eigenstandig en zonder politieke inmenging te maken. Ik zal hierover dan ook niet in overleg treden met het OM.
Heeft de bedenker van deze zelfdodingsmachine in Nederland een vergunning en/of patent aangevraagd voor zijn «uitvinding»? Is het bedenken van een apparaten waarmee mensen kunnen worden gedood, gereguleerd?
In de octrooidatabank Espacenet heb ik geen octrooi kunnen vinden. Het is mij niet bekend of er een octrooiaanvraag loopt. Voor het aanvragen van een octrooi moet een uitvinding voldoen aan de eisen van nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid. Het Europees Octrooiverdrag stelt daarnaast in artikel 53, eerste lid dat Europese octrooien niet worden verleend voor uitvindingen waarvan de commerciële toepassing strijdig zou zijn met de openbare orde of met de goede zeden. Wel is het zo dat een dergelijke strijdigheid niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat de toepassing van de uitvindingen in bepaalde of alle Verdragsluitende Staten door een wettelijke of reglementaire bepaling verboden is.
De uitvinder van de zelfdodingscapsule heeft zelf overigens eerder aangegeven dat er geen patent rust op het ontwerp en dat hij geen enkel commercieel motief heeft.2
Is het naar het buitenland exporteren van deze zelfdodingsmachine legaal?
Onder de geldende handelsregels (onder andere ten aanzien de export van strategische goederen) zijn er geen belemmeringen voor de in- of uitvoer van de betreffende zelfdodingscapsule.
Hoe verhoudt het bouwen van een zelfdodingsmachine zich tot de inzet van het kabinet om het aantal suïcides terug te dringen?
Het kabinet blijft onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides. Het is en blijft nodig om mensen met suïcidale gedachten te bereiken en met hen in gesprek te gaan om daarmee een suïcide te voorkomen. Onderdeel van het beleid is ook het beperken van toegang tot dodelijke middelen om het aantal suïcides terug te dringen. Dit is één van de pijlers van de derde landelijke agenda suïcidepreventie. Er is daarbinnen aandacht voor de middelen en omstandigheden die het mogelijk maken om suïcide te plegen. Binnen deze pijler staan gebouwveiligheid, verkrijgbaarheid en veilig omgaan met dodelijke middelen en de risico’s van sociale media centraal.
De financiering van kernenergieprojecten |
|
Aukje de Vries (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de belofte van internationale banken om kernenergie te ondersteunen in de context van de Nederlandse plannen voor de bouw van nieuwe kerncentrales?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de aankondiging van meerdere internationale financiële instellingen om hun steun voor kernenergie de komende jaren te vergroten. Op dit moment is nog onduidelijk wat de uitwerking zal zijn van deze aankondiging. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen en hun relatie tot de Nederlandse context met grote interesse.
Voor de Nederlandse context voert het kabinet een marktconsultatie uit. De marktconsultatie is recent afgerond en momenteel bestudeert het kabinet de uitkomsten. Binnen een aantal weken zal het kabinet de Kamer informeren over de resultaten van de marktconsultatie, een kabinetsappreciatie daarvan en het vervolgproces.
Deze marktconsultatie behelst twee verschillende trajecten – een consultatie met de markt van drie technologieleveranciers en een studie naar de mogelijkheden van, en voorwaarden voor, private financiering. Beide trajecten peilen onder meer de interesse van de markt voor eventuele deelname bij de nieuwbouw van kerncentrales in Nederland. Daarin zijn ook voor- en nadelen van verschillende publieke en private financieringsmodellen onderzocht en is gekeken hoe andere landen financiële steun hebben ingezet om een kernenergieproject te financieren.
De consultatie gaat ook in op mogelijke steuninstrumenten die de overheid kan bieden voor de financiering van nieuwe kerncentrales. Er is nog geen definitieve keuze over de rol van de overheid in de financieringsstructuur. Het is belangrijk op te merken dat aan deze definitieve keuze, naast financiële overwegingen, ook andere (publieke) overwegingen ten grondslag liggen. Het kabinet werkt gedurende 2025 de opties uit voor de rol van de overheid en de markt in de financieringsstructuur.
Het kabinet vindt het belangrijk om voortdurend rekening te houden met nieuwe inzichten en maatschappelijke vraagstukken rondom kernenergie, en ook om de technologieleveranciers en private financiers hierbij te betrekken. Daarmee zal het kabinet voortbouwen op de lijn die is ingezet door de marktconsultatie en bijhorende verkennende gesprekken met de technologieleveranciers en private financiers. Vervolgens zal het kabinet nadere besluitvorming over de financiering van de kerncentrales vormgeven.
Welke stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat deze internationale banken mogelijk Nederlandse kernenergieprojecten financieel gaan ondersteunen?
Zie antwoord vraag 1.
Gaat u zelf ook proactief op de COP dit najaar aan de slag met het betrekken van financiële sector bij de kerncentralebouw in Nederland? Zo ja, hoe?
Tijdens vorige COP is afgesproken om de ontwikkeling van bepaalde technologieën, waaronder ook kernenergie, te versnellen. Ik zal me inzetten dat die afspraken in het algemeen, maar daarmee ook die van de versnelling van kernenergie, opnieuw bevestigd worden en daarmee ook een duidelijk signaal afgeven aan de markt en de financiële sector. Het kabinet kan hiermee invulling geven aan de motie Erkens1, die onder andere het kabinet oproept actief tijdens de COP29 aandacht te vragen voor het betrekken van de financiële sector bij kerncentralebouw in Nederland.
In de voorbereidingen voor COP29 heeft het kabinet aandacht voor kernenergie en volgt het in ieder geval mogelijke evenementen en initiatieven rondom het betrekken van de financiële sector bij kernenergieprojecten met interesse. Voorafgaand aan de start van COP29 ontvangt de Kamer een brief met daarin een overzicht van de brede inzet en verwachtingen voor COP29, inclusief de initiatieven die door het voorzitterschap van COP29 worden gelanceerd.
Welke stappen zult u nemen om Nederlandse banken aan te sporen zich aan te sluiten bij de internationale trend van financiering van kernenergie? Gaat u de banken oproepen deze pledge te omarmen dit jaar?
Het is primair aan de Nederlandse financiële sector om over deze aankondiging zelf een standpunt in te nemen. Uiteraard vindt het kabinet het positief dat meerdere internationale financiële instellingen hun steun voor kernenergie uitspreken.
Tijdens de marktconsultatie heeft het kabinet reeds verkennende gesprekken met financiële instellingen gevoerd over hun positie ten aanzien van kernenergie en de mogelijke kapitaalmarktrisico’s van de financiering hiervan. De komende tijd zal het kabinet deze gesprekken met Nederlandse financiële instellingen voortzetten, onder meer via het Klimaatcommitment financiële sector.
In die gesprekken met de Nederlandse sector zal ook deze aankondiging besproken worden. Hiermee kan het kabinet ook invulling geven aan de motie van het lid Erkens2 hierover.
Hoe zult u samenwerken met banken om ervoor te zorgen dat kernenergieprojecten op verantwoorde wijze worden gefinancierd?
Zie de antwoorden op vraag 1 en 4.
Hoe zult u samenwerken om ervoor te zorgen dat Nederland kan profiteren van deze internationale ontwikkeling in de nucleaire sector?
Zie de antwoorden op vraag 1 en 4.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de financiële sector gaswinning op de Noordzee blijft faciliteren gezien het belang van meer eigen energieproductie?
Het is ook hierin aan de financiële instellingen zelf om eigenstandig afwegingen te maken in hun financieringsbeslissingen. Tegelijkertijd vindt het kabinet het wel belangrijk dat financiële instellingen de transitie naar een klimaatneutrale economie meewegen in hun financieringsbeslissingen, zowel vanuit risicomanagementoogpunt als vanuit hun inspanning om een actieve bijdrage te leveren aan het Akkoord van Parijs. Wat betreft het belang van de gaswinning op de Noordzee heb ik reeds in mijn beantwoording op de Kamervragen van het lid Erkens (VVD) van 3 oktober jl. aangegeven, dat het kabinet gezamenlijk met de sector naar een sectorakkoord toewerkt. Dit akkoord heeft als doel de investeringen op de Noordzee te optimaliseren en zo de gaswinning zo op peil te houden de komende jaren. Op dit moment blijven deze investeringen om verschillende redenen achter. Om er voor te zorgen dat de exploratie & productie (E&P) sector blijft investeren op de Noordzee is er een stabiel investeringsklimaat nodig. Investeerders willen immers zekerheid hebben dat zij de gemaakte investeringen kunnen terugverdienen. In het sectorakkoord zal het kabinet met de sector afspraken maken en maatregelen aankondigen om de risico’s van projecten te verkleinen.
Het artikel ‘Duizenden jongeren zijn geldezel’ |
|
Rosemarijn Dral (VVD) |
|
Struycken , David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Duizenden jongeren zijn geldezel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat duizenden jongeren via sociale media worden gelokt om als geldezel voor criminelen te fungeren?
Het is verwerpelijk dat criminelen jongeren op wat voor een wijze dan ook proberen te verleiden en te misbruiken voor hun criminele activiteiten. Daarom zet het kabinet in op voorlichting en het vergroten van de weerbaarheid van jongeren. Dit om te voorkomen dat zij bij criminele activiteiten worden betrokken.
Hoe is het benaderen van jongeren om hun rekening beschikbaar te stellen voor criminelen momenteel strafbaar gesteld, hoeveel mensen zijn hiervoor vervolgd en hoeveel mensen zijn hiervoor veroordeeld in de afgelopen vijf jaren?
Bij het gebruik maken van jongeren die worden geworven om hun bankrekening ter beschikking te stellen voor criminele doeleinden kunnen verschillende delicten aan de orde zijn, zoals oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)), witwassen (artikel 420bis e.v. Sr) of – bij betrokkenheid van een criminele organisatie – het deelnemen aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr). Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting (zie hierna het antwoord op vraag2. Daarnaast is ook de enkele poging om een jongere tegen betaling ertoe te brengen behulpzaam te zijn bij de uitvoering van een misdrijf, bijvoorbeeld door zijn of haar bankrekening ter beschikking te stellen, strafbaar (artikel 46a Sr). Daarvoor is niet vereist dat het nagestreefde misdrijf – bijvoorbeeld oplichting of witwassen – vervolgens heeft plaatsgevonden. Het is aan de officier van justitie om op basis van de individuele omstandigheden van het geval te bepalen voor welke feiten vervolging ingesteld wordt tegen een verdachte.
Er zijn geen cijfers bekend met betrekking tot het aantal verdachten dat jongeren heeft benaderd om hun bankrekening ter beschikking te stellen, omdat hiervan geen aparte registratie wordt bijgehouden. In het antwoord op vraag 4 geef ik voorbeelden van vonnissen waarbij het inschakelen van «geldezels» onderdeel is van een samenstel van delicten waarvoor de verdachte is vervolgd en bestraft.
Mochten cijfers over vervolgingen en veroordelingen niet beschikbaar zijn, kunt u dan wel enkele voorbeelden noemen waarin succesvol mensen zijn veroordeeld voor het benaderen en inzetten van jongeren als geldezels?
Er zijn diverse strafzaken succesvol afgerond. Hieronder vindt u enkele gerechtelijke uitspraken waarin verdachten zijn veroordeeld voor feiten waarbij gebruik is gemaakt van zogenaamde «geldezels». Deze zaken kunnen zowel minderjarigen als meerderjarigen betreffen. Dit wordt namelijk niet afzonderlijk geregistreerd.
Rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 september 2024 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBNNE:2024:3630) in een zaak waarin de verdachte is veroordeeld voor een gevangenisstraf van 40 maanden voor het plegen van bankhelpdeskfraude van circa € 200.000, waarbij een aantal geldezels is ingezet.
Rechtbank Oost-Brabant heeft op 10 juli 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:6390) uitspraak gedaan waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden voor oplichting, misbruik van overheidsgelden, gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie, waarbij diverse geldezels zijn ingezet.
Rechtbank Den Haag heeft op 3 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:4676) uitspraak gedaan, waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen waarvan 313 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 360 uren voor oplichting, computervredebreuk, gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie, waarbij een aantal geldezels is ingezet.
Valt het benaderen van jongeren om hun rekening beschikbaar te stellen voor criminele doeleinden straks onder het gemoderniseerde artikel 273f? Zo nee, waarom niet?
Het werven van jongeren tot het verrichten van strafbare activiteiten – zoals het ter beschikking stellen van hun bankrekening voor criminele doeleinden – kan strafbaar zijn als mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting (artikel 273f Sr), mits aan alle delictsbestanddelen is voldaan. Dat geldt zowel op basis van de huidige wetgeving als op grond van de gemoderniseerde bepaling zoals opgenomen in het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (36 547) dat bij de Tweede Kamer aanhangig is. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de dader het oogmerk heeft gehad om de desbetreffende jongere(n) bij het verrichten van de genoemde strafbare dienstverlening uit te buiten. Of zich een situatie van criminele uitbuiting voordoet hangt sterk af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard en duur van de te verrichten strafbare activiteit, welke beperkingen deze voor de betrokkene meebrengt en het daarmee behaalde economisch voordeel door degene die de betrokkene tot die strafbare activiteit heeft aangezet. Bij minderjarige betrokkenen geldt als uitgangspunt dat bij de toepassing van dergelijke afwegingsfactoren rekening moet worden gehouden met hun jeugdige leeftijd.3 Is een betrokkene meerderjarig dan moet daarnaast worden aangetoond dat een in artikel 273f Sr omschreven beïnvloedingsmiddel tegen die persoon is aangewend (zoals dwang, misleiding of misbruik maken van een kwetsbare positie). Het is aan de rechter om, op grond van het geschetste beoordelingskader, per geval te beoordelen of sprake is van mensenhandel in de vorm van criminele uitbuiting.
Kan nader worden toegelicht in hoeverre via het programma «Preventie met Gezag» jongeren worden ondersteund om hun weerbaarheid tegen verzoeken van criminelen te vergroten? In welke en in hoeveel gemeenten worden middelen van Preventie met Gezag ingezet voor dit doel?
Het programma Preventie met Gezag (hierna: PmG) biedt jongeren en jongvolwassenen van 8 tot en met 27 jaar in een kwetsbare positie kansen en stelt grenzen om te voorkomen dat ze in de criminaliteit terechtkomen, daar verder in afglijden of doorgroeien. Hierbij wordt onder meer ingezet op het weerbaar maken van deze jongeren. Dit gebeurt onder andere door de inzet van jongerenwerk in de gemeenten, aanpak schoolverzuim, maar ook door programma’s zoals «Alleen jij bepaalt wie je bent», «Veiligheid In en Om de School (VIOS)», Integrale Toeleiding Naar Arbeid (IPTA)» en Kansrijk (jeugdreclassering).
Hiernaast zet het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in op de lokale aanpak van geldezels. Dit vindt plaats op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit de City Deal Lokale Weerbaarheid Cybercrime. Dit gebeurt in vier pilots die worden uitgevoerd binnen Preventie met Gezag-gemeenten. In deze aanpak wordt zoveel mogelijk kennis gebundeld vanuit wetenschap en praktijk en wordt samenwerking gestimuleerd tussen partijen zoals politie, Openbaar Ministerie, onderwijs, jongerenwerk en andere lokale partners.
Van belang is de weerbaarheid van jongeren te vergroten, offline (bijvoorbeeld op scholen) en online (via een social media campagne). Geldezels zonder criminele antecedenten worden ervan doordrongen dat ze na een misstap de kans hebben op het goede pad te blijven en ze zich niet moeten laten verleiden tot verder crimineel gedrag. Hierbij wordt nagegaan wat ertoe heeft geleid dat de betrokkene zijn of haar bankrekening beschikbaar heeft gesteld aan criminelen en wordt geprobeerd die oorzaak weg te nemen. Tevens wordt een werkwijze ontwikkeld met interventies voor de aanpak van geldezels met meerdere antecedenten, zoals stopgesprekken door de politie en de inzet van een persoonsgerichte aanpak. De resultaten van de pilots worden het tweede kwartaal van 2025 verwacht, zodat er inzicht ontstaat op de werkzame bestanddelen van de aanpak en of deze effectief is gebleken. Aan de hand daarvan wordt een gevalideerde aanpak landelijk verspreid.
De vier huidige pilotgemeenten zijn Almere, Leeuwarden, Vlaardingen en Enschede. Bij de totstandkoming van de aanpak zijn als klankbordgemeenten betrokken: Tilburg, Utrecht, Breda, Eindhoven en regionale samenwerkingsverbanden van Noord-Nederland en Rotterdam. Daarnaast hebben de gemeenten Roosendaal, Maastricht, Nijmegen, Sittard-Geleen, Venlo en Dordrecht een (preventieve) aanpak van geldezels in hun PmG-plannen opgenomen.
Op welke wijze werkt het kabinet aan het versterken van ouderbetrokkenheid bij het voorkomen dat jongeren hun rekening ter beschikking stellen van criminelen, bijvoorbeeld door voorlichting?
Vanuit de eerder genoemde City Deal Lokale Weerbaarheid Cybercrime wordt ook een pilot gefinancierd die als doel heeft om de rol en betrokkenheid van ouders bij de online leefwereld van hun kinderen te vergroten. Dit project richt zich op het trainen en informeren van ouders en het begeleiden van ouders bij het omgaan met online activiteiten van hun kinderen. Het project omvat daarnaast bijeenkomsten waarbij kennis en ervaringen tussen deelnemende gemeenten en partners zoals scholen, jeugdzorg en de politie kan worden gedeeld. Het doel is om een bruikbaar model te ontwikkelen dat door andere gemeenten en organisaties kan worden overgenomen om soortgelijke netwerken van ouders op te bouwen. Daarnaast organiseert HALT ouderbijeenkomsten over onder andere geldezels, online fraude en cybercriminaliteit.
Op welke wijze worden scholen betrokken bij het voorkomen dat jongeren zich laten inzetten als geldezel?
Er zijn verschillende publieke en private organisaties die voorlichtingsmaterialen beschikbaar stellen waar scholen gebruik van kunnen maken. Zo geeft HALT bijvoorbeeld voorlichting in het voortgezet onderwijs over de risico’s en gevolgen van online fraude en cybercrime.4 Daarnaast krijgen leerlingen handelingsperspectieven aangereikt die moeten helpen bij het herkennen en voorkomen van online fraude en cybercrime, waarbij nadrukkelijk aandacht is voor geldezels. Ook het lespakket HackShield bevat voorlichting over de gevaren van het optreden als geldezel.5
Ook banken geven veelvuldig voorlichting aan jongeren via «Bank voor de Klas». Medewerkers uit het bankwezen verzorgen gastlessen voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs over financiële educatie. Het onderwerp «geldezels» krijgt daarbij ook uitgebreid de aandacht. De gastdocenten wijzen de leerlingen bijvoorbeeld op het feit dat ze nooit hun bankpas uit mogen lenen.
De niet ingevulde bezuiniging op het basis en voortgezet onderwijs en het mbo |
|
Jan Paternotte (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is het niet gelukt om deze bezuinigingen te verwerken in de OCW-begroting?
De Tweede Kamer is op 24 oktober 2024 geïnformeerd over de concrete verwerking van de subsidietaakstelling op de OCW-begroting, met een Kamerbrief en een nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2025.
De voorlopige verwerking, zoals opgenomen in de ontwerpbegroting die op Prinsjesdag is gepresenteerd, komt daarmee te vervallen.
Wij hebben een welbewuste keuze gemaakt bij het voorlopig verwerken van de subsidietaakstelling (maatregel 40) uit het Hoofdlijnenakkoord. Die keuze is ook nader toegelicht in de Kamerbrief van 18 september 2024 in reactie op verzoek van het lid Jetten voorafgaand aan de Algemene Politieke Beschouwingen1.
De subsidietaakstelling is € 75 miljoen in 2025 en loopt op tot structureel € 361 miljoen. De taakstelling is voor 2025 ingevuld met concrete maatregelen. Deze maatregelen zijn verwerkt in de ontwerpbegroting van OCW die op Prinsjesdag naar de Tweede Kamer is gestuurd. De ontwerpbegroting heeft betrekking op het jaar 2025 en voor OCW was het van groot belang dat de Tweede Kamer op Prinsjesdag een ontwerpbegroting zou ontvangen waarin de taakstelling voor 2025 concreet was verwerkt. Dit om het parlement in staat te stellen haar budgetrecht zo goed mogelijk uit te oefenen. Daarnaast zijn de betrokken instellingen en organisaties onlangs geïnformeerd over het voornemen tot beëindiging of vermindering van subsidie of bekostiging.
Kunt u de verdeling van de bezuiniging binnen twee weken naar de Kamer sturen? Zo nee, wanneer dan wel?
Sinds de start van dit kabinet hebben wij een zorgvuldig en verantwoord besluitvormingsproces gevolgd om de subsidietaakstelling structureel uit te werken. Tegelijk erkennen wij het belang van een goede parlementaire behandeling en respecteren wij het budgetrecht van uw Kamer. OCW informeert de Tweede Kamer ruim vóór de begrotingsbehandeling hoe de subsidietaakstelling vanaf 2026 structureel wordt ingevuld middels de voornoemde Kamerbrief en een nota van wijziging op de ontwerpbegroting.
Waarom is ervoor gekozen om de bezuiniging in te boeken op allerlei initiatieven voor het basis- en middelbaar onderwijs en stageplekken voor (voornamelijk) mbo-studenten, ondanks uw claim dat er geen inhoudelijke keuzes zijn gemaakt?
Het feit dat subsidiebudgetten in de Ontwerpbegroting met dergelijke grote bedragen zijn verlaagd, vooruitlopend op een nota van wijziging met structurele invulling van de taakstelling, roept veel vragen op. Dat is begrijpelijk.
In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de ombuigingen volgend uit het akkoord worden verwerkt op de departementale begrotingen bij ontwerpbegroting 2025. Dit geldt dus ook voor de subsidietaakstelling.
Omdat meer tijd nodig was om de subsidietaakstelling in te vullen is er gekozen om de subsidietaakstelling voorlopig te verwerken op drie grote subsidiebudgetten. De budgetten in de begroting zijn verlaagd, maar er werden vooralsnog géén concrete maatregelen genomen en er waren geen consequenties in de buitenwereld. Dit staat ook toegelicht in de begroting en in de voornoemde Kamerbrief van 18 september 2024.
Er is specifiek gekozen voor deze drie subsidiebudgetten omdat dit grote subsidiebudgetten zijn. Er is geen individueel subsidiebudget op de OCW-begroting dat groot genoeg is om de volledige subsidietaakstelling op te verwerken. Daarom heeft OCW het aantal subsidiebudgetten waarop de taakstelling wordt ingeboekt zo klein mogelijk gehouden.
Deelt u dat deze initiatieven van onmisbare waarde zijn voor kinderen en jongeren?
In de voornoemde Kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling toegelicht.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op onderwijs aan zieke leerlingen en Ziezon?
Ja, dat kunnen wij bevestigen. De budgetten die zijn bedoeld voor de huidige activiteiten van «onderwijs aan zieke leerlingen» en Ziezon zijn geen onderdeel van de invulling van de subsidietaakstelling. Ook na invulling van de subsidietaakstelling blijft hier budget voor beschikbaar.
Dit geldt ook voor de activiteiten en organisaties die worden genoemd in vragen 6 t/m 11; te weten het omzetten van lesmateriaal naar braille door Dedicon, onderwijs aan nieuwkomers door lowan, Ouders & Onderwijs, het Nederlands Gebarencentrum, het LAKS en de techniekhavo.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het omzetten van lesmateriaal naar braille door Dedicon?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op onderwijs aan nieuwkomers door lowan?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op Ouders & Onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het Nederlands Gebarencentrum?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het LAKS?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op de techniekhavo?
Zie het antwoord op vraag 5.
Als u niet van plan bent om deze initiatieven weg te bezuinigen, heeft u contact gehad met de betrokken organisaties om deze boodschap te delen? Vindt u het een voorbeeld van goed bestuur om een bezuiniging ergens in te boeken zonder daarover met de betrokken organisaties te spreken?
Hier is helder over gecommuniceerd. Het oogmerk van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid ziet ook op de relatie tussen OCW en subsidieontvangers. OCW heeft in deze relatie vanzelfsprekend goed bestuur te betrachten. De wijze van verwerking in de begroting heeft hier in grote mate mee te maken.
De ontwerpbegroting van OCW wordt namelijk samen met de nota van wijziging door het parlement geautoriseerd, nadat het parlement ook over de subsidietaakstelling haar oordeel heeft uitgesproken. Omdat de nota van wijziging gaat over de subsidietaakstelling vanaf 2026 kunnen organisaties ruim van tevoren worden geïnformeerd zodat zij rekening kunnen houden met de consequenties van de subsidietaakstelling.
Daarnaast heeft OCW met betrokken organisaties gesprekken gevoerd die consequenties ondervinden van de subsidietaakstelling.
Deelt u dat het waardevol is voor mbo-studenten om in de praktijk te leren? Zo ja, waarom boekt u dan een bezuiniging hierop in?
De korting op de Regeling Praktijkleren staat toegelicht in de voornoemde Kamerbrief.
Hoeveel stageplekken worden nu gefinancierd vanuit de subsidieregeling praktijkleren?
In 2024 worden ongeveer 170.000 leerwerkplaatsen (in de sectoren vo, mbo en hbo en wo) gefinancierd via de Regeling praktijkleren.
Hoeveel stageplekken gaan er naar inschatting verloren door een mogelijke bezuiniging van 152 miljoen euro op een totaal van 250 miljoen euro voor deze plaatsen?
Wij vinden het niet opportuun om te reflecteren op een voorlopige verwerking van een mogelijke bezuiniging. In de voornoemde Kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling nader toegelicht. De Regeling praktijkleren wordt vanaf 2030 structureel met circa € 11,9 miljoen verlaagd. Dit heeft naar verwachting weinig significante impact gezien het feit dat in de toekomst in het mbo de studentenaantallen nog zullen dalen.
Heeft u gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het mbo over deze bezuiniging?
Er is gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het mbo om toe te lichten dat de voorlopige verwerking van de subsidietaakstelling, op het subsidiebudget «Regeling praktijkleren», in de begroting geen inhoudelijke consequenties heeft.
Kunt u alle onderliggende stukken bij de totstandkoming van de OCW-begroting én de onderwijsparagraaf van het regeerprogramma met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Wanneer de Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de invulling van de subsidietaakstelling, dan worden alle beslisnota’s die ten grondslag hebben gelegen aan die Kamerbrief en de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2025 actief openbaar gemaakt.
Verdere onderliggende stukken bij de onderwijsparagraaf van het Regeerprogramma worden op grond van eenheid van kabinetsbeleid niet openbaar gemaakt.
Wanneer bent u op de hoogte gebracht van de totaalsom die uw ministerie moet bijdragen aan de rijksbrede subsidietaakstelling?
In het Hoofdlijnenakkoord is bepaald dat de subsidietaakstelling wordt verdeeld naar rato van de subsidiegrondslag op de begrotingen waarbij de grondslag eerst wordt verlaagd met de specifieke budgetkortingen uit het hoofdlijnenakkoord. De uitwerking van deze verdeling is door het Ministerie van Financiën gedeeld met de overige departementen op 3 juli 2024 ten behoeve van de ministerraad van 5 juli 2024 waar het kabinet heeft ingestemd met de Startbrief. De Startbrief is een kabinetsinterne brief en bevat de technische vertaling van de budgettaire afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord naar de Rijksbegroting. Het besluit over de Startbrief is gepubliceerd in de besluitenlijst van de ministerraad van 5 juli 2024.
Welke subsidieregelingen zijn nog meer overwogen bij het inboeken van deze additionele bezuiniging van bijna 400 miljoen euro per jaar structureel?
De invulling van de subsidietaakstelling is bezien over de volle breedte van de OCW-begroting. In de voornoemde kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling toegelicht.
Waarom is er, vergeleken met voorgaande jaren, in het subsidieoverzicht voor artikelen 1 en 3 van de OCW-begroting voor 2025 een nieuwe post «overige subsidies» gecreëerd op de OCW-begroting om op te bezuinigen?
De post «Overige subsidie» is niet nieuw en staat al lange tijd in de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» van de begrotingsartikelen 1 (Primair onderwijs) en 3 (Voortgezet onderwijs). De begroting van OCW bevat ook een bijlage met een subsidieoverzicht per begrotingsartikel. Dit subsidieoverzicht sluit aan op de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» bij de begrotingsartikelen. De post «Overige subsidies» is in de ontwerpbegroting 2025 toegevoegd aan het subsidieoverzicht in de bijlage om het overzicht beter aan te laten sluiten op de voornoemde tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid».
Welk selectiecriterium ligt eraan ten grondslag om gerekend te worden tot «overige subsidies»?
In de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» bij de begrotingsartikelen wordt een uitsplitsing gemaakt van het instrument subsidies. De prioriteiten van dit kabinet en de grote budgetten worden op een aparte regel genoemd. Dit geldt bijvoorbeeld voor subsidieregelingen als Basisvaardigheden en School en Omgeving. Ook grote instellingssubsidies zoals Kennisnet worden apart vermeld. De overige, kleinere instellingssubsidies, projectsubsidies en kleinere subsidieregelingen worden niet apart genoemd, maar zijn onderdeel van de regel «Overige subsidies». Een nadere uitsplitsing van alle subsidies per artikel is opgenomen in het Subsidieoverzicht in Bijlage 4 van de begroting.
Kunt u deze vragen binnen twee weken elk afzonderlijk beantwoorden?
Op 15 oktober 2024 heeft de Tweede Kamer een uitstelbrief ontvangen voor de beantwoording van deze vragen, omdat voor de beantwoording meer tijd nodig was. In de antwoorden op de vragen 6 t/m 11 wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5.
De leveringszekerheid van elektriciteit |
|
Silvio Erkens (VVD), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Monitor Leveringszekerheid 2024 tot en met 2030 nog geen risico’s voor de leveringszekerheid van elektriciteit ziet, maar dat er volgens ditzelfde rapport in 2033 wel sprake zal zijn van een duidelijke overschrijding van de leveringszekerheidsnorm tot een niveau van Loss-of-Load Expectation (LOLE) van ruim 14 uur (10 uur meer dan de betrouwbaarheidsnorm van 4 uur)?
Ja.
Is het tevens juist dat de daling van het beschikbare regelbare productievermogen van 9,4 gigawatt (GW) tussen 2022 en 2033 een belangrijke oorzaak is van deze ruime overschrijding van de betrouwbaarheidsnorm in 2033?
Ja, in de Monitor Leveringszekerheid 2024 wordt een combinatie van een aantal ontwikkelingen op termijn verondersteld en vervolgens de leveringszekerheid beoordeeld. Naast een stijging van de elektriciteitsvraag en toename van het aandeel duurzame opwek met variabele productie (en daarmee meer afhankelijkheid van weersomstandigheden) is ook de veronderstelde daling van het regelbare vermogen een belangrijke oorzaak van de genoemde afname van de leveringszekerheid. Ik teken daarbij aan dat de verwachte daling van het vermogen het grootst is in de periode tot 2030, namelijk 7,8 GW. In de periode tussen 2030 en 2033 is de verwachte daling 1,6 GW. De veronderstelde elektriciteitsvraag in deze periode stijgt van 151 TWh in 2030 naar 172 TWh (+ 21 TWh) in 2033.
Deelt u de mening dat de Monitor Leveringszekerheid 2024 dus wel degelijk laat zien dat er zich in de toekomst, al in 2033, problemen zullen voordoen met de leveringszekerheid van elektriciteit? Zo nee, waarom niet?
De Monitor Leveringszekerheid 2024 geeft aan de hand van de verwachte ontwikkeling inzicht in de toekomstige leveringszekerheid en brengt mogelijke risico’s in kaart. In aanvulling op de nationale Monitor Leveringszekerheid, is mijn inzet eveneens gebaseerd op resultaten van de jaarlijkse European Resource Adequacy Assessment. Ik beschouw de Monitor Leveringszekerheid 2024 als een eerste waarschuwing dat er gedurende een aantal uren per jaar mogelijk een situatie kan ontstaan dat er onvoldoende aanbod is om aan alle vraag naar elektriciteit te voldoen. Dat betekent niet dat er zich in 2033 gegarandeerd leveringszekerheidsproblemen zullen voordoen. De verwachte ontwikkelingen in zowel Nederland als de landen om ons heen kunnen zeker voor het jaar 2033 nog anders blijken. Daarom is het goed dat dit jaarlijks op Europees en nationaal niveau gemonitord wordt.
Deelt u tevens de mening dat de oplossing van dit probleem in de toekomst er eigenlijk vandaag al zou moeten liggen, omdat we weten dat het bouwen (inclusief vergunningen) van elektriciteitscentrales die het wegvallende regelbare productievermogen kunnen vervangen een langdurig proces is? Zo nee, waarom niet?
De waarschuwing die TenneT heeft afgegeven in haar leveringszekerheidsanalyse neem ik serieus. Daarom onderzoek ik op dit moment de concrete betekenis daarvan, en de effectiviteit en mogelijke implicaties van potentiële oplossingen. De in mei van dit jaar gepubliceerde Monitor Leveringszekerheid 2024 laat een mogelijk probleem zien vanaf 2033. Dit is de eerste keer dat de Monitor Leveringszekerheid een mogelijk probleem voorziet. De in december 2023 gepubliceerde European Resource Adequacy Assessment voorziet dergelijke problemen (nog) niet. De Monitor Leveringszekerheid 2024 is het eerste concrete en onderbouwde signaal van een mogelijk leveringszekerheidsprobleem. Oplossingen om dit risico te mitigeren zijn kostbaar en/of mogelijk marktverstorend. Mede daarom hecht ik er belang aan om beslissingen hierover, die tijdig genomen moeten worden, goed doordacht en onderbouwd te nemen. Hierover zal ik de Kamer eind dit jaar informeren. Dit is ook in lijn met de op 5 maart 2024 aangenomen motie van de leden Erkens en Grinwis (Kamerstuk 36 197, nr. 15).
Op welke wijze wordt er bij het opstellen van plannen om het regelbare productievermogen op peil te houden rekening gehouden met de fase waarin er tegelijkertijd bestaand regelbaar vermogen wordt uitgefaseerd en er nieuwe kerncentrales worden gebouwd? Wordt er bijvoorbeeld rekening gehouden met een scenario waarin bestaand regelbaar vermogen langer daar eerder voorzien wordt behouden, in afwachting van de afronding van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Het maken van plannen om het regelbare productievermogen op peil te houden is in eerste instantie aan de eigenaren van de centrales. Zij kunnen rekening houden met de fase tot er nieuwe kerncentrales zijn gebouwd. Daarnaast biedt het voorstel voor de Energiewet (Kamerstuk 36 378), zoals momenteel in behandeling bij de Eerste Kamer, met artikel 5.12 de mogelijkheid dat ik TenneT opdracht kan geven een strategische reserve in te richten. Daarmee kan TenneT een centrale die om commerciële redenen uitgefaseerd wordt, tegen betaling van de kosten daarvan, buiten de markt achter de hand houden voor het geval zich een leveringszekerheidsprobleem voordoet. Daarmee zou een strategische reserve zich kunnen lenen om regelbaar vermogen – buiten de markt – langer te behouden. De Kamer wordt mede over deze optie eind dit jaar nader geïnformeerd, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4.
Realiseert u zich dat als er te lang wordt gewacht met het maken van plannen om het regelbare productievermogen op peil te houden, problemen met de leveringszekerheid mogelijk niet meer te voorkomen zijn en bovendien de kosten van het nemen van maatregelen vele malen hoger zullen zijn?
De Monitor Leveringszekerheid 2024 laat zien dat er mogelijk een probleem is in 2033. Dit is het eerste onderbouwde signaal van een dergelijk risico. Zoals ik ook aangaf in mijn antwoord op vraag 4, wil ik zorgvuldig wegen welke potentiële oplossingen er zijn en wat daarvan de implicaties zijn. De leveringszekerheid is bovendien niet alleen afhankelijk van de hoeveelheid regelbaar vermogen. Het regelbaar vermogen bepaalt gezamenlijk met andere vormen van flexibiliteit (interconnectie, (batterij)opslag en vraagrespons) de leveringszekerheid. Daarom is het van belang de gevolgen van een leveringszekerheidsprobleem en oplossingsrichtingen eerst nader te verkennen. Uiteraard zet ik me in om mogelijke leveringszekerheidsproblemen te voorkomen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, en op vraag 5 van vragen van de leden Bontenbal en Erkens (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, Aanhangsel 2535) op 11 september jl., ben ik mogelijke nadere maatregelen aan het inventariseren en zal ik de Kamer hierover eind dit jaar informeren.
Deelt u daarom de constatering van TenneT dat, hoewel er nu nog voldoende tijd is om ervoor te zorgen dat de leveringszekerheid ook na 2030 te waarborgen, het wel van belang is dat er tijdig actie wordt ondernomen om te verzekeren dat er tijdig voldoende flexibiliteit gerealiseerd wordt? Zo nee, waarom niet?
Ja, mijn eerder genoemde inventarisatie van mogelijke maatregelen richt zich daarom op alle vormen van flexibiliteit (interconnectie, (batterij)opslag, regelbaar vermogen en vraagrespons). Naast het realiseren van extra flexibiliteit zou het behouden van bestaande flexibiliteit ook een optie kunnen zijn de leveringszekerheid te borgen. Daar zou het (tijdelijk) achter de hand houden van bestaand regelbaar vermogen als strategische reserve een voorbeeld van zijn, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5.
Hoe geeft u invulling aan het advies van TenneT om tijdig een uitvoeringsplan te ontwikkelen en te implementeren op basis waarvan maatregelen worden genomen om de leveringszekerheid van elektriciteit te waarborgen?
TenneT adviseert mogelijke beleidsmaatregelen in kaart te brengen die zich richten op het stimuleren van het behoud van het bestaande, en de totstandkoming van nieuw, regelbaar productievermogen, vraagsturing en opslag binnen de kaders van de Nederlandse energy-only markt. In lijn met het advies van TenneT ben ik hiermee bezig, zoals ook aangegeven in mijn antwoorden op de vragen 4, 5 en 6. Over de resultaten daarvan zal ik u eind dit jaar middels mijn eerder toegezegde brief informeren. Ik zal daarbij tevens aandacht besteden aan overige opties.
Op welke termijn denkt u een dergelijk uitvoeringsplan te kunnen ontwikkelen en implementeren en wat zijn uw uitgangspunten bij het opstellen van een dergelijk plan?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Het bericht ‘Lange wachttijden voorkomen? Privé-kliniek aast op ’makkelijke’ patiënt’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u het bericht «Lange wachttijden voorkomen? Privékliniek aast op «makkelijke» patiënt» gelezen en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het artikel richt zich op zelfstandig behandelcentra (zbc’s). Zbc’s zijn aanbieders van medisch-specialistische zorg die zich richten op planbare zorg. Zij leveren verzekerde zorg, die voldoet aan kwaliteitseisen en andere geldende regelgeving. Dat is wat anders dan privéklinieken die onverzekerde zorg leveren, zoals sommige cosmetische ingrepen.
Zbc’s leveren een belangrijke bijdrage aan het verminderen van wachtlijsten voor eenvoudigere, zogeheten laagcomplexe ingrepen en worden door hun efficiënte en patiëntgerichte werkwijze gewaardeerd door patiënten. Zbc’s kunnen daarmee een goede aanvulling zijn op de zorg die in ziekenhuizen wordt geleverd. Maar het is niet de bedoeling dat de ene partij voor het leveren van zorg een gunstiger uitgangspositie heeft dan de andere. Dat vraagt een goede balans tussen grote ziekenhuizen, kleine ziekenhuizen en zbc’s. Eén van de uitgangspunten van mijn beleid wordt om streekziekenhuizen en kleine ziekenhuizen te behouden, zodat patiënten gelijkwaardigere toegang tot ziekenhuiszorg dichtbij huis hebben. Dit betekent dat ik afspraken wil maken zodat grote ziekenhuizen kleine ziekenhuizen ondersteunen, zodat zij goede zorg kunnen leveren en operaties van eenvoudiger aard worden niet langer gecentreerd. Ook wil ik goede en eerlijke afspraken maken met zorgverzekeraars, ziekenhuizen en zbc’s over bijvoorbeeld het opleiden van professionals, tarieven die passen bij de zorgzwaarte en bij de noodzakelijk beschikbaarheidsfuncties in een regio en het op de juiste plekken inzetten van het beschikbare personeel. Dit vraagt van zorgverzekeraars dat zij via hun inkoopbeleid sturen op een evenwichtig zorglandschap en meerjarige financiële afspraken maken. Daarnaast zal ik bekijken of er, bijvoorbeeld als het gaat om een eerlijke verdeling van de baten en lasten van het opleiden van specialisten, aanleiding is om in de voorwaarden tot toelating voor het verlenen van medisch specialistische zorg aanvullende eisen te stellen die een gelijk speelveld en samenwerking bevorderen.
Vindt u het wenselijk dat bijna een kwart van alle patiënten die planbare ziekenhuiszorg nodig heeft wordt geholpen in een zelfstandige kliniek? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat dit percentage minder wordt?
Patiënten mogen zelf hun zorgverlener kiezen. Patiënten kunnen vaak eerder geholpen worden in een zbc waardoor zij minder lang hoeven te wachten; dat is een belangrijke reden waarom zij voor een zbc kiezen. Zbc’s dragen daarmee bij aan de toegankelijkheid van planbare ziekenhuiszorg. Maar, zoals ik in mijn vorige antwoord al aangaf, is het wel van belang dat de ene partij voor het leveren van zorg niet een gunstiger uitgangspositie heeft dan de andere en dat gestuurd wordt op een evenwichtig zorglandschap.
Erkent u dat er door de toename van het aantal behandelingen in deze klinieken steeds meer publiek geld voor zorg weglekt naar private winsten? Vindt u dit een goede of een foute ontwikkeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het Nederlandse zorgstelsel zijn zorgaanbieders private organisaties. Dat betekent dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het aantrekken van vermogen om te investeren. Dat is ook nodig om een zbc op te richten of uit te breiden. Ik vind het niet gek dat partijen die hiervoor kapitaal verstrekken daar ook iets voor terugvragen. Dat doen banken immers ook. Voor aanbieders van medisch-specialistische zorg geldt een winstuitkeringsverbod. Zbc’s mogen dus geen winst uitkeren. Dit winstuitkeringsverbod geldt niet voor onderaannemers, zoals leveranciers of zorgverleners die in opdracht werken van de zorgaanbieder die contracten afsluit met zorgkantoren of zorgverzekeraars over verlening van zorg uit hoofde van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. In sommige gevallen maken zbc’s gebruik van onderaannemers. In het merendeel van de gevallen leveren zbc’s kwalitatief goede en doelmatige zorg en worden zij ook gecontracteerd door zorgverzekeraars. We moeten voorkomen dat winstuitkeringen waar dat in de zorg is toegestaan, excessief zijn en er onevenredig veel geld uit de zorg wordt weggetrokken. Dat doen we bij alle aanbieders. In het eerste kwartaal van 2025 stuur ik het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) naar uw Kamer met voorstellen om excessen te voorkomen.
Ziet u voor het wegwerken van wachtlijsten in ziekenhuizen een rol weggelegd voor deze privéklinieken, of bent u bereid om meer te investeren in ziekenhuizen waardoor deze privéklinieken overbodig worden? Welke rol speelt de huidige bekostigingssystematiek van ziekenhuiszorg hierin?
Zorg moet toegankelijk, van goede kwaliteit en betaalbaar zijn. Zoals toegelicht onder vraag 2 hebben zbc’s daarin een rol. Ziekenhuizen geven aan dat het belangrijk is dat er ook planbare zorg wordt uitgevoerd in het ziekenhuis onder andere omdat daardoor planbare zorg toegankelijk blijft voor alle patiënten, bijvoorbeeld voor de complexere patiënten die niet in een zbc behandeld kunnen worden.
Ik vind dat we tot een evenwichtig zorglandschap moeten komen, met gelijkwaardigere toegang voor patiënten. Daarvoor is van belang dat er goede en eerlijke afspraken moeten worden gemaakt tussen zorgverzekeraars, ziekenhuizen en zbc’s over bijvoorbeeld het opleiden van professionals, tarieven die passen bij de zorgzwaarte en de noodzakelijk beschikbaarheidsfuncties in een regio en het op de juiste plekken inzetten van het beschikbare personeel. Ik zal bekijken of er aanleiding is om in de voorwaarden tot toelating voor het verlenen van medisch specialistische zorg aanvullende eisen te stellen die een gelijk speelveld en samenwerking bevorderen. Daarnaast wordt één van de uitgangspunten van mijn beleid om streekziekenhuizen en kleine ziekenhuizen te behouden. In het regeerprogramma heb ik hiervoor verschillende lijnen uitgezet. Een belangrijk onderdeel hiervan is de acute zorg uit de marktwerking te halen. Dit wil ik doen door de Intensive Care, Spoedeisende Hulp en Acute Verloskunde op basis van
een vast budget te bekostigen. Daarnaast vraagt dit van zorgverzekeraars dat zij via hun inkoopbeleid sturen op een evenwichtig zorglandschap en meerjarige financiële afspraken maken.
Bent u het eens met de oproep van de directeur van DC Klinieken om voortaan alle planbare zorg door zelfstandige klinieken uit te laten voeren om op deze manier als «BV Nederland een stap te zetten»? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voor een evenwichtig zorglandschap, waarin grote ziekenhuizen, kleine ziekenhuizen en zbc’s elkaar versterken en samenwerken, in plaats van elkaar tegenwerken. Ik wil met zorgverzekeraars en zorgaanbieders afspraken maken om te komen tot een evenwichtig zorglandschap, waarbij gelijkwaardigere toegang tot zorg dichtbij huis voor patiënten een uitgangspunt is.
Wat vindt u van de uitspraak van dezelfde bestuurder dat het «niet erg is als een aandeelhouder rendement krijgt»? Vind u het weglekken van zorggeld naar aandeelhouders ook niet erg?
In het Nederlandse zorgstelsel zijn zorgaanbieders private organisaties. Dat betekent dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het aantrekken van vermogen om te investeren. Dat is ook nodig om een zbc op te richten of uit te breiden. Ik vind het niet gek dat partijen die hiervoor kapitaal verstrekken daar ook iets voor terugvragen. Dat doen banken immers ook. Voor aanbieders van medisch-specialistische zorg geldt een winstuitkeringsverbod. Zbc’s mogen dus geen winst uitkeren. Dit winstuitkeringsverbod geldt niet voor onderaannemers, zoals leveranciers of zorgverleners die in opdracht werken van de zorgaanbieder die contracten afsluit met zorgkantoren of zorgverzekeraars over verlening van zorg uit hoofde van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. In sommige gevallen maken zbc’s gebruik van onderaannemers. In het merendeel van de gevallen leveren zbc’s kwalitatief goede en doelmatige zorg en worden zij ook gecontracteerd door zorgverzekeraars. We moeten voorkomen dat winstuitkeringen waar dat in de zorg is toegestaan, excessief zijn en er onevenredig veel geld uit de zorg wordt weggetrokken. Dat doen we bij alle aanbieders. In het eerste kwartaal van 2025 stuur ik het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) naar uw Kamer met voorstellen om excessen te voorkomen.
Deelt u de mening dat de privéklinieken op dit moment parasiteren op ons zorgsysteem door de meest eenvoudige ingrepen te doen waardoor hun kosten laag zijn en geld weglekt naar aandeelhouders? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik vind dat zbc’s een belangrijke bijdrage leveren aan ons zorgsysteem. Ik vind het echter wel van belang dat de partijen in ons stelsel die zorg leveren een gelijkwaardige uitgangspositie hebben, en dat er gestuurd wordt op een evenwichtig zorglandschap.
Vindt u het wenselijk dat er concurrentie bestaat in de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals toegezegd door de Minister-President in het debat over de regeringsverklaring, stuur ik uw Kamer dit najaar een brief over mijn visie op marktwerking in de zorg.
Welke plannen heeft u om ervoor te zorgen dat personeel niet wordt weggekaapt door privéklinieken maar in reguliere ziekenhuizen blijft werken? Bent u van plan om de zorgsalarissen te verhogen voor het ziekenhuispersoneel? Zo nee, waarom niet?
Sociale partners in de zorg maken via cao’s afspraken over de hoogte van de zorgsalarissen. Ik ben geen partij aan de cao-tafel en mag mij conform internationale verdragen ook niet bemoeien met deze onderhandelingen. Dat neemt niet weg dat het door de schaarste aan personeel extra van belang is dat we zorgverleners op de beste plek inzetten. Daarvoor is van belang dat er goede en eerlijke afspraken moeten worden gemaakt tussen zorgverzekeraars, ziekenhuizen en zbc’s over bijvoorbeeld het opleiden van professionals, tarieven die passen bij de zorgzwaarte en de noodzakelijk beschikbaarheidsfuncties in een regio en het op de juiste plekken inzetten van het beschikbare personeel.
Ziet u ook een risico in de toename van privéklinieken dan wel ziekenhuizen met «focusklinieken» waardoor de mogelijkheid tot het verdwijnen van de IC, SEH en geboortezorg uit ziekenhuizen steeds groter wordt? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat deze ontwikkeling doorzet?
Ik vind het belangrijk dat iedereen in Nederland gelijkwaardige toegang heeft tot zorg dichtbij huis. Het is aan zorgaanbieders om keuze te maken over het zorgaanbod en aan zorgverzekeraars om voldoende goede zorg in te kopen en goede afspraken met zorgaanbieders te maken. Ik ga de Intensive Care (IC), Spoedeisende Hulp (SEH) en Acute Verloskunde uit de marktwerking halen en financieren op basis van een vast budget.
Wanneer ontvangt de Kamer de wetgeving die de acute zorg in ziekenhuizen uit de marktwerking haalt?
Zoals toegezegd door de Minister-President in het debat over de regeringsverklaring, stuur ik uw Kamer dit najaar een brief over marktwerking in de zorg. In die brief zal ik nader ingaan op het uit de marktwerking halen van de acute zorg.
Wanneer heeft u voor het laatst gesproken met één of meerdere vertegenwoordigers van privéklinieken in Nederland? Kunt u de Kamer alle onderliggende stukken van voor, tijdens en na dit overleg toesturen?
De ambtenaren van mijn ministerie hebben regelmatig contact met vertegenwoordigers van zbc’s. Voor het laatst op 2 oktober met Zelfstandige Klinieken Nederland (ZKN). Deze overleggen worden niet voorbereid. Daarom zijn er geen onderliggende stukken.
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van de winstcijfers van de privéklinieken van afgelopen 10 jaar?
Het Ministerie van VWS beschikt niet over zo’n overzicht.
Het artikel 'Brede welvaart nu gaat steeds meer ten koste van latere generaties' |
|
Joost Sneller (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Hoe vaak en op welke terreinen is de generatietoets toegepast bij beleidsvorming sinds het aannemen van de motie Segers/Jetten?1 2
In 2020 zegde het kabinet aan de Kamer toe een generatietoets te zullen invoeren. Dit was een verzoek van de Tweede Kamer (motie Segers-Jetten, 2019) naar aanleiding van een oproep van het SER Jongerenplatform. In de jaren daarna is een ontwerp voor een generatietoets ontwikkeld met behulp van een aantal pilots en in nauwe consultatie tussen jongeren, experts en beleidsmakers.
Is het gebruik van de generatietoets al eens geëvalueerd? Zo ja, wat zijn de conclusies? Zo nee, bent u daartoe bereid?
Het ontwerp voor een generatietoets is door een interdepartementale werkgroep voorbereid. Het ontwerp nadert de fase van afronding. Hierbij wordt de inpassing in de structuur van het Beleidskompas – hét instrument voor het maken van rijksbeleid – als uitgangspunt genomen. De generatietoets is een nieuwe manier om het denken op de middellange en lange termijn te stimuleren en raakt in wezen alle departementen en beleidsterreinen. Omdat het een nieuw instrument is, zal het, net als het beleidskompas als geheel, geëvalueerd en verbeterd moeten worden.
Bent u van mening dat het van belang is om bij lange termijn beleidskeuzes ook de belangen van toekomstige generaties mee te wegen? Zo nee, waarom niet, zo ja, hoe wilt u dit dan concreet doen?
Ik ben het hier volmondig mee eens. Veel beleid wordt gemaakt vanuit het hier en nu en is nog te weinig gericht op het middellange en lange termijn perspectief. De omslag in het denken die we nastreven, is niet eenvoudig. En ook de manier waarop dat effectief is, zal zich nog moeten bewijzen.
In hoeverre zou generatiedenken, door middel van future design of een generatietoets, het lange termijn perspectief beter in beeld kunnen brengen?
Het belangrijkste nu, is het besef te doen postvatten bij politiek, bestuurders en beleidsmakers dat we ons bewust dienen te zijn van het effect van wat we nu doen, impact heeft op volgende generaties. Op sommige terreinen is dat besef ook wel in zekere mate aanwezig – denk aan pensioenen, klimaat, onderwijs en infrastructuur – maar het beleidsinstrumentarium en de focus van politiek en media zijn nog wel vaak op het «hier en nu» gericht. Een generatietoets is bedoeld als middel om het lange termijn perspectief beter in beeld kunnen brengen. Maar ook andere wegen worden bewandeld, zoals de oproep om de lange lijnen te bewaken in de rijksbrede visie op publiek leiderschap.
Hoe kijkt u naar manieren waarop dit in het buitenland wordt vormgegeven, zoals de vaste kamercommissie die Finland heeft, de «future generations commissioner» in Ierland en de ombudsman voor toekomstige generaties in Hongarije en Israel? Welke van deze methoden ziet u als meest toepasbaar in Nederland?
Bekend is dat in andere landen modellen zijn ontwikkeld om de effecten van beleid op lange termijn en toekomstige generaties te doordenken. Bij de ontwikkeling van de Nederlandse generatietoets door de genoemde interdepartementale werkgroep is gebruik gemaakt van elementen uit de modellen uit andere landen. De zoektocht naar inspiratie zal echter niet stilstaan. En daarbij is het interessant om te blijven volgen welke methodiek effectief is. Daarbij is een aanpassing van de werkwijze van het parlement niet uitgesloten, maar vanzelfsprekend een zaak van de kamers zelf.
Welke effecten zijn er uit de wetenschappelijke literatuur bekend over het effect van generatiedenken of toekomstgerichte politiek zoals future design op het vertrouwen van burgers in de politiek?
Via benchmark studies en surveys wordt onderzoek gedaan naar o.a. de relatie tussen prestaties van de overheid en vertrouwen. Het lange termijn perspectief is daar tot dusverre nog niet prominent aanwezig. Ik zal nader onderzoek moeten doen wat het effect zou kunnen zijn van toekomstgericht bestuur en politiek op het vertrouwen.
Op welke manieren, anders dan de generatietoets, worden de belangen van toekomstige generaties momenteel meegewogen bij beleidsvorming?
Beleidsmakers kunnen ook langs andere manieren belangen van toekomstige generaties meewegen, bijvoorbeeld door het meewegen van duurzaamheidscriteria, door jongerenparticipatie, door het benutten van strategische adviescolleges en impactstudies. Deze werkwijzen kunnen bijdragen aan het denken over lange termijnen en toekomstige generaties bij de beslissingen van vandaag. De hiervoor bedoelde generatietoets beoogt dat denken te ondersteunen.
Heeft het kabinet bij het opstellen en uitwerken van het Regeerprogramma een instrument toegepast om de belangen van toekomstige generaties in kaart te brengen en mee te wegen?
Het regeerprogramma heeft vanzelfsprekend betrekking op toekomstig beleid maar is op zich niet aan een soort generatietoets onderworpen, als dat überhaupt al mogelijk zou zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om de belangen van toekomstige generaties structureel mee te wegen in beleidsvorming en het maken van investeringskeuzes?
Mijn voorkeur heeft het om dit in het beleidskompas nadrukkelijk een plaats te geven. Het denken hierover is recentelijk aangezet en vergt nog meer structurele overdenking. Dit vindt de komende tijd plaats. Wij zullen uw Kamer binnenkort hierover informeren, namelijk in het eerste kwartaal van 2025.
Bent u bekend met de notities «Mogelijke toepassing van de Generatietoets bij NGF-voorstellen» en «Generatietoets toegepast bij het klimaatfonds» en bent u ook bekend met andere vormen van «future design» of generatiedenken binnen besluitvormingsprocessen?3 4
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om vormen van «future design» in te bouwen in burgerberaden en andere participatieve trajecten?
Het antwoord op deze vraag moet ik nog goed laten doordenken. Ik kom er graag op terug.
Welke inbreng heeft Nederland geleverd voor de UN Summit of the Future en onderschrijft het kabinet de «Declaration on Future Generations»?5
Bij het inpassen van de generatietoets in het Beleidskompas wordt rekening gehouden met deze verklaring.
Zo ja, welke gevolgen geeft het kabinet aan deze Declaration on Future Generations in haar beleid en de wijze waarop dit tot stond komt, in het bijzonder punten 37 en 39?
Zie mijn antwoord op vraag 12
Bent u bereid om deze vragen voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te beantwoorden?
Voor zover mogelijk heb ik bij deze de vragen beantwoord.
De onveilige situatie voor meldingen van fraude en de barrière om meldingen te doen van misstanden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat tot nu toe het resultaat is van de motie van het lid Van Nispen over betere waarborgen voor de veiligheid van de melder van een ongebruikelijke transactie, waarin wordt verzocht in overleg met verschillende beroepsgroepen te bezien hoe de veiligheid van een melder van een ongebruikelijke transactie beter gewaarborgd kan worden, bijvoorbeeld door de melder in het strafdossier te anonimiseren?1
De motie van de heer van Nispen2 van 30 juni 2020 is ten uitvoering gebracht door samen met de partners te bezien op welke manier de veiligheid en het gevoel van veiligheid van melders kan worden versterkt. Er is toen een extra maatregel getroffen: indien er informatie over een verdacht verklaarde transactie van een kleine onderneming als bewijs wordt toegevoegd aan het strafdossier, nemen de opsporingsdiensten altijd contact op met de meldende instantie. Er wordt dan een afweging gemaakt of er concrete dreigingsrisico’s zijn. Tijdens deze afweging wordt ook informatie die bekend is bij de opsporingsdiensten meegenomen. Vervolgens wordt deze informatie aangeleverd bij het Openbaar Ministerie. Deze instantie kan zo gedegen beoordelen of er aanleiding is om informatie over de verdacht verklaarde transactie te anonimiseren in het strafdossier en of er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de veiligheid van melders te waarborgen.
Verder heeft mijn voorganger in 2023 in reactie op Kamervragen3 aangegeven dat er standaard in het meldproces al waarborgen zijn ingebouwd zodat er veilig kan worden gemeld. Om te beginnen is enkel de Financial Intelligence Unit bevoegd om meldingen van ongebruikelijke transacties te ontvangen en analyseren. Deze meldingen worden behandeld als staatsgeheim en zijn hierdoor onderworpen aan strenge veiligheidsvoorschriften. Indien een ongebruikelijke transactie door de Financial Intelligence Unit wordt verklaard tot een verdachte transactie, wordt alleen de bedrijfs- of kantoornaam van de melder opgenomen in de rapportage aan de opsporingsdiensten. De naam van de meldende persoon wordt dus nooit aan de opsporingsdiensten verstrekt.
Bovendien is het Openbaar Ministerie bevoegd om – op individuele basis – gegevens in het strafdossier te anonimiseren, wat is neergelegd in het Wetboek van Strafvordering.
Ondanks deze waarborgen kan een gevoel van onveiligheid blijven bestaan. Bijvoorbeeld omdat een melder niet bekend is met deze waarborgen of omdat de waarborgen in praktijk onvoldoende zekerheid geven.
Kunt u in het kader hiervan reflecteren op het feit dat dit een terugkerend onderwerp is en nog veel melders aangeven zich nog steeds onveilig te voelen?
Dit is inderdaad een terugkerend onderwerp en ik heb begrip voor de gevoelens van onveiligheid onder poortwachters. Ik zet mij daarom in om de veiligheid en gevoelens van veiligheid onder poortwachters verder te versterken. Er zijn zoals gezegd al bestaande waarborgen waardoor poortwachters veilig kunnen melden, zie graag de beantwoording van vraag 1.
Daarnaast werk ik, zoals toegezegd aan uw Kamer4, aan een verkenning naar aanvullende maatregelen die de veiligheid en de gevoelens van veiligheid onder poortwachters verder zouden kunnen versterken. Over de uitkomsten wordt u in het najaar 2024 met de Halfjaarsbrief Aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit geïnformeerd.
Kunt u aangeven hoe het staat met het bewerkstelligen van betere waarborgen voor de veiligheid van de melder van een ongebruikelijke transactie zoals aangegeven in de voortgangsbrief aanpak ondermijnende criminaliteit van 13 november 2020?2
Zie graag de beantwoording van vraag 1 en 2.
Ziet u ook het grote belang van het kunnen doen van anonieme meldingen om zo het aantal mogelijke vormen van fraude effectiever te kunnen opsporen?
Het is niet mogelijk om anoniem meldingen van ongebruikelijke transacties te doen aan de Financial Intelligence Unit Nederland. Het doel van de wettelijke meldplicht is namelijk om via de meldingen van ongebruikelijke transacties criminelen op te kunnen sporen en vervolgen. De herkomst van de informatie dient daarom transparant en herleidbaar te zijn.
Transparantie, herleidbaarheid en controle van informatie voor opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie en ook voor de verdediging van de verdachte en gerechtelijke instanties zijn essentiële uitgangspunten voor ons rechtsstelsel. Het invoeren van een systeem om standaard anonieme meldingen te doen draagt hier niet aan bij6.
Ziet u ook dat het onrechtvaardig is dat iemand die dapper genoeg is om een melding te doen van misstanden, vervolgens zou moeten vrezen voor zijn of haar veiligheid?
Het is inderdaad ongewenst dat mensen zich niet voldoende veilig voelen om vermoedens van criminaliteit te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland.
Deze gevoelens van onveiligheid erken ik, net als mijn voorganger. Ik zet mij er dan ook voor in om de veiligheid van alle melders zo goed mogelijk te waarborgen. Poortwachters hebben een cruciale rol in het voorkomen- en bestrijden van witwassen en het financieren van terrorisme en andere criminele activiteiten. Het is juist deze kracht van het gezamenlijk publiek-privaat optreden dat de strijd tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit kan helpen winnen. Deze kracht heeft in de praktijk dan ook de grootste impact wanneer de private partijen aan hun wettelijke meldplicht voldoen en de publieke partijen deze meldingen gebruiken om criminelen op te sporen en vervolgen. Zo houden we gezamenlijk ons financiële stelsel integer en onze samenleving veilig.
Bent u bekend met het feit dat notarissen de afgelopen periode minder meldingen hebben gedaan van verdachte transacties?3
Ja, hier ben ik mee bekend.
Is het volgens u voldoende bekend dat deze mogelijkheid van het anoniem melden er is? Wat zijn de mogelijkheden om hier meer bekendheid aan te geven?
Het is niet mogelijk voor poortwachters om anoniem meldingen van ongebruikelijke transacties te doen aan de Financial Intelligence Unit Nederland. Transparantie, herleidbaarheid en controle van informatie voor opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie en ook voor de verdediging van de verdachte en gerechtelijke instanties zijn essentiële uitgangspunten voor ons rechtsstelsel8.
Niet-poortwachters kunnen signalen van fraude, ondermijning en andere criminaliteit wél anoniem melden via Meld Misdaad Anoniem9.
Bent u bereid om met de beroepsgroepen van onder andere notarissen en belastingadviseurs in gesprek te gaan en in kaart te brengen waar de knelpunten momenteel liggen als het gaat om meldingen?
Momenteel wordt er gewerkt aan een verkenning naar aanvullende maatregelen om de veiligheid en gevoelens van veiligheid onder poortwachters verder te versterken. Hier kom ik op terug in de Halfjaarsbrief Aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit in het najaar van 2024.
Ik voer daarnaast doorlopend gesprekken met poortwachters, waaronder notarissen en makelaars, om deze knelpunten in kaart te brengen en oplossingen te vinden. Dat blijf ik doen om waar nodig te kunnen anticiperen op nieuwe knelpunten en ontwikkelingen.
De echte gevolgen van de btw-verhoging op logies |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Folkert Idsinga (VVD), Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV) |
|
|
|
|
Klopt het dat u er in de berekening over de verwachte inkomsten uit de btw-verhoging op logies van uitgaat dat de btw-verhoging neerslaat op het hele omzetbedrag bij hotels à 6,8 miljard euro?1
Nee, voor de raming wordt uitsluitend gekeken naar het gedeelte van de omzet dat ziet op de overnachtingen. Ook is er bij de raming rekening gehouden met zakelijke reizigers die hun btw in vooraftrek kunnen nemen en met het feit dat voor aanvullende diensten het btw-tarief ongewijzigd blijft. Het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op logiesverstrekking ziet op bredere dienstverlening dan uitsluitend hotels en pensions. Zo vallen naast hotels en pensions ook overnachtingen in vakantieparken en het ter beschikking stellen van kortdurend verblijf (short-stay) onder de tariefsverhoging. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld wordt verwacht dat het aandeel van hotels en pensions in de gehele opbrengst circa 33% bedraagt. De overige 67% wordt opgehaald bij andere vormen van logies.
Deelt u de analyse dat de btw-verhoging in de praktijk slechts bij 34,8% van de totale hotelomzet zal neerslaan, omdat zakenreizigers – 40% van de gasten – de btw kunnen terugvorderen en 36% van de hotelomzet bestaat uit andere diensten dan logies? Zo nee, waarom niet? Op welke exacte statistieken is de berekening van u gebaseerd?
Er is bij de raming rekening gehouden met zakelijke reizigers die hun btw in vooraftrek kunnen nemen en met het feit dat voor aanvullende diensten het btw-tarief ongewijzigd blijft. De basis voor deze ramingen zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar het bestedingsaandeel van logies in het totaal. Vervolgens is er aan de hand van aangiftegegevens gekeken welk deel van de bestedingen bij specifieke sectoren neerslaat.
Onderschrijft u de conclusie dat deze kleinere reikwijdte van de btw-verhoging resulteert in slechts 285 miljoen euro extra btw-inkomsten van hotels, in plaats van de geraamde 910 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat kan ik niet onderschrijven. Het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op logiesverstrekking ziet op een bredere productengroep dan uitsluitend hotels en pensions. Zo vallen naast hotels en pensions ook overnachtingen in vakantieparken en het ter beschikking stellen van kortdurend verblijf (short-stay) onder de tariefsverhoging. Het budgettaire belang van hotels en pensions bedraagt € 364 mln. van de totale opbrengst van de maatregel van € 1.110 mln. per jaar.
Onderschrijft u de aanname van ABN Amro dat door dalende omzet en de verhoogde btw hotels verlieslatend dreigen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk dat een btw-verhoging leidt tot een afname van de omzet waardoor de winstgevendheid van deze sector afneemt. Tegelijkertijd hangt de winst van meer factoren af dan uitsluitend de omzet en de belastingdruk en zal er binnen een sector sprake zijn van de nodige heterogeniteit. Sommige hotels zullen mogelijk hun bedrijfsvoering aanpassen, voor andere is sprake van een afname van de winst. Het is daarom niet vast te stellen wat het effect zal zijn van een btw-verhoging op de winstgevendheid op sectorniveau.
Deelt u de conclusie dat de winstbelasting die hotels betalen hierdoor af dreigt te nemen tot vrijwel nul? Zo nee, welke winstbelasting vanuit hotels verwacht het kabinet de komende jaren te ontvangen?
Zie antwoord op vraag 4.
Verwacht u per saldo een effect van nul op de vennootschapsbelastinginkomsten als gevolg van de btw-verhoging op logies?
Per saldo kan niet worden vastgesteld wat het effect van de btw-maatregel zal zijn op de vennootschapsbelasting (vpb). Zoals aangeven hangt het bedrijfsresultaat van ondernemingen in de hotelsector af van meerdere factoren waardoor er niet met zekerheid een inschatting gemaakt kan worden van de resultaten in deze sector en dus ook niet van de invloed op de vpb. Daarnaast zal een prijsverhoging waarschijnlijk leiden tot toegenomen consumptie van substituten voor hotels en van andere consumptie, wat ook een effect heeft op de vpb-inkomsten.
Welke gevolgen verwacht u van het verhogen van de btw op logies, terwijl ons omringende landen zoals België, Duitsland en Frankrijk een tarief tussen de 6% en 10% hanteren? Wat verwacht u dat de verhoogde btw doet voor de concurrentiepositie van logiesverstrekkers (anders dan hotels) in de grensprovincies?
Een hogere consumentenprijs voor overnachtingen in Nederland kan leiden tot een afname van de vraag en een toename in de vraag naar buitenlandse overnachtingen. De mate waarin de btw-verhoging leidt tot een hogere prijs is afhankelijk van de mate van doorberekening. Naast de prijs is een eventuele uitwijk naar het buitenland ook afhankelijk van een groot aantal factoren zoals eventuele verschillen in de taal, cultuur en natuur. Zo kunnen consumenten er alsnog voor kiezen om in Nederland te overnachten wegens de natuur of de cultuur van een bepaalde regio. Daarbij moet ook bedacht worden dat de Nederlandse toeristische markt nog steeds aantrekkelijk is voor toeristen waarbij die aantrekkelijkheid niet alleen aan het prijsniveau is toe te schrijven.
Bent u bereid alsnog een grenstoets uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals aangegeven is het erg complex om te bepalen welke factoren doorslaggevend zijn bij de verblijfskeuze van consumenten. De prijs speelt hierin een rol, maar of dit doorslaggevend is voor een consument die bijvoorbeeld geïnteresseerd is in het ontdekken van een bepaalde plaats in een grensregio, is niet in cijfers te vatten.
Bent u bereid met horeca-ondernemers in de grensregio’s in gesprek te gaan en te bezien op welke wijze u aan hun zorgen tegemoet kan komen?
In de aanloop naar de btw-verhoging is gesproken met vertegenwoordigers van de horecasector. In die gesprekken heeft de sector duidelijk gemaakt welke problemen zij op zich af zien komen als gevolg van de btw-verhoging.
Wat is uw reactie op onderzoek waaruit blijkt dat meer mensen naar het buitenland op vakantie overwegen te gaan als gevolg van deze btw-verhoging? Hoe verhouden deze uitkomsten zich tot de aannames waar de budgettaire en beleidsmatige inschattingen van het kabinet eerder op gebaseerd waren?2
Uit het onderzoek van Ipsos in opdracht van HISWA-RECRON blijkt dat de helft van de bevraagden aangeeft minder vaak in Nederland op vakantie te zullen gaan door een prijsstijging van 12%-punt door de btw-verhoging. Het is mogelijk dat mensen ervoor zullen kiezen om vaker in het buitenland op vakantie te gaan omdat de prijs een factor is bij de keuzes die consumenten maken en hier is ook in de raming en in de beleidsoverweging rekening mee gehouden. Overigens leidt de btw-verhoging tot een prijsstijging van 11% (121/109) als de btw-verhoging volledig wordt doorberekend in de prijzen. Daarnaast is denkbaar dat de btw-verhoging niet volledig wordt doorberekend in de consumentenprijs.
Hoe verhoudt de btw-verhoging op logies zich tot het feit dat verhuur via Airbnb (zowel particulier als commercieel) niet wordt belast? Welke effecten verwacht u van de toename van dit verschil in lastendruk? En hoe beoordeelt u die effecten vanuit maatschappelijk en economisch perspectief?
Ook logiesverstrekking via Airbnb is in beginsel btw-belast. Iedereen die op regelmatige basis een verblijfsruimte kortdurend verhuurt, kwalificeert hiervoor als ondernemer voor de btw-heffing. Als de omzet van de verhuurder op jaarbasis minder bedraagt dan € 20.000 kan de verhuurder een beroep doen op de vrijstelling van de kleineondernemersregeling. In alle andere gevallen zal ook deze vorm van verhuur onder het algemene tarief gaan vallen. De kleineondernemersregeling geldt overigens voor alle btw-ondernemers dus ook voor ondernemers die een (klein) hotel of pension exploiteren. Gebruikmakend van de kleineondernemersregeling is het niet mogelijk om btw-vooraftrek te claimen.
Deelt u de verwachting dat ook overige logiesverstrekkers (anders dan hotels) hun winst zullen zien teruglopen en dat daardoor ook inkomsten vanuit de vennootschapsbelasting zullen teruglopen? Zo ja, deelt u het beeld dat dit gaat om een afname van 111 miljoen euro? Zo nee, waarom niet?
Deze verwachting wordt niet gedeeld. Het is mogelijk dat een btw-verhoging leidt tot een afname van de omzet waardoor de winstgevendheid van een specifieke sector afneemt. Tegelijkertijd hangt winst van een groot aantal factoren af. Zo kan een onderneming meerdere activiteiten uitoefenen en zou een minder winstgevende activiteit gedempt kunnen worden door een hogere winstgevendheid van een andere activiteit als gevolg van een stijging van de koopkracht. Het is daarom niet vast te stellen wat het effect zal zijn van een btw-verhoging op de winstgevendheid.
Deelt u de inschatting dat het zeer waarschijnlijk is dat de verwachte inkomsten uit de btw-verhoging op logies fors zal tegenvallen en dat dit zal leiden tot een financiële tegenvaller voor het kabinet? Zo nee, waarom niet? Welke per saldo opbrengst voor de schatkist verwacht het kabinet van deze btw-verhoging?
Deze inschatting wordt niet gedeeld. De opbrengsten van de btw-verhoging op logies worden geraamd op € 1.110 mln. per jaar. In deze raming is rekening gehouden met zakelijke reizigers en aanverwante diensten. Deze raming is reeds gecertificeerd door het Centraal Planbureau dat de raming heeft beoordeeld als redelijk en neutraal.
Hoe apprecieert u de kritiek van de Raad van State en fiscalisten op de btw-verhoging op logies, waarbij wordt gesteld dat waarschijnlijk de fiscale neutraliteit wordt geschonden vanwege de ongelijke behandeling van vergelijkbare diensten, zoals kamperen en het huren van een vooraf opgezette tent?
Er zijn duidelijke verschillen tussen het verstrekken van logies en het gelegenheid geven tot kamperen die voorkomen dat deze vormen van dienstverlening in de ogen van de modale consument met elkaar in concurrentie treden. Zo is er bij verstrekking van logies sprake van verblijfsruimten die zijn toegerust om daarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris (zie bijv. Hoge Raad 26 januari 2007 nr. 41.917), terwijl bij het geven van gelegenheid tot kamperen een plek ter beschikking wordt gesteld om op te kamperen. Mede gelet op de zogenoemde fiscale neutraliteit is de verhuur van compleet ingerichte tenten en (sta)caravans te kwalificeren als het verstrekken van logies waarvoor eveneens het algemene btw-tarief gaat gelden. Ook is er bijvoorbeeld onderscheid in serviceniveau bij de twee typen diensten. De maatregelen vallen binnen de beleidsruimte en bevoegdheden die Nederland op grond van de Btw-richtlijn heeft.
Deelt u het beeld dat vooral mensen met een kleinere portemonnee worden geraakt door de btw-verhoging en de daaruit volgende prijsstijgingen, omdat juist zij vaker in eigen land op vakantie gaan?3
Uit cijfers van het CBS blijkt dat lagere inkomenskwartielen niet vaker op vakantie gaan in Nederland dan hogere inkomenskwartielen, zie ook de tabel hieronder. Over het algemeen geldt dat hogere inkomens vaker op vakantie gaan, zowel in Nederland als in het buitenland. Hierdoor slaat de btw-verhoging met name neer bij hogere inkomens.
Aantal vakanties in Nederland
Aantal vakanties in buitenland
Aantal vakanties in Totaal
Aandeel vakanties in Nederland
Kwartiel 1
2 320 000
1 308 000
3 628 000
64%
Kwartiel 2
3 940 000
1 551 000
5 491 000
72%
Kwartiel 3
5 862 000
2 396 000
8 258 000
71%
Kwartiel 4
9 318 000
4 991 000
14 309 000
65%
Welke impact voorziet u voor scholen, sportvereniging, scouting en dergelijke, die gebruik maken van groepsaccommodaties? Bent u voornemens om richting deze doelgroepen iets te ondernemen om hen te helpen deze gevolgen op te vangen? Zo nee, waarom niet?
Als gevolg van de voorgenomen btw-verhoging kan de prijs voor overnachtingen stijgen. Het kabinet voorziet niet in een tegemoetkoming voor de genoemde partijen. Het is gebruikelijk dat scholen, sportverenigingen, scouting en dergelijke zelf, binnen de voor hen beschikbare middelen, afwegingen maken over de besteding daarvan.
Erkent u dat veel ondernemers de btw-verhoging niet volledig zullen kunnen doorberekenen en daardoor nog verder op hun eigen marges zullen inleveren? Erkent u dat dit – samen met de naweeën van corona – ondernemers over het randje kan duwen? Hoeveel faillissementen verwacht u als gevolg van deze keuzes en hoeveel acht u acceptabel?
Het is niet mogelijk om het effect van de btw maatregel op faillissementen te kwantificeren. Het is mogelijk dat de btw-verhoging maar gedeeltelijk wordt doorberekend aan consumenten wat betekent dat ondernemers in dat geval een deel van de verhoging voor hun rekening nemen. Dit kan leiden tot kleinere marges. Tegelijkertijd zijn ook veel andere factoren van invloed op de winsten van de ondernemers in de logiessector, zoals de aantrekkelijkheid van Nederland als vakantieland en het weer. In welke mate dit uiteindelijk doorwerkt in faillissementen is onzeker omdat faillissementen kunnen ontstaan door veel verschillende redenen. Cijfers van het CBS laten zien dat het resultaat voor belasting van bedrijven in logiesverstrekkingen in 2022 op het niveau was van 2019.
Wat betekent het verhogen van de btw voor de financiële ruimte bij ondernemers om bij te dragen aan andere maatschappelijke belangen, zoals verduurzaming, innovatie en het bieden van een goed loon?
Iedere ondernemer maakt binnen de voor hem beschikbare middelen afwegingen over zijn bestedingen. De btw-verhoging zou de marges van ondernemers kunnen verkleinen. De financiële gevolgen en keuzes die een ondernemer daaraan verbindt, vallen binnen zijn eigen bewegingsruimte. Het is denkbaar dat een lagere marge leidt tot een verminderde bijdrage aan maatschappelijke belangen. Het is evenzeer denkbaar dat een besparing of opbrengst op een ander front de bijdrage in stand houdt.
Wat betekent de btw-verhoging op logies voor aanpalende sectoren, zoals schoonmaakbedrijven, cateringbedrijven, wasfaciliteiten en andere toeleveranciers van ondernemingen die zullen worden geraakt? Op welke wijze zijn deze effecten in het totale budgettaire effect opgenomen?
Bij de raming van de opbrengst van de maatregel wordt alleen gekeken naar eerste orde effecten. Dit betekent dat tweede en derde orde effecten zoals het effect op andere sectoren niet worden meegenomen in de berekening van het budgettaire effect dat optreedt als direct gevolg van de maatregel. In de macro economische ramingen van het CPB wordt wel rekening gehouden met het inflatoire effect van deze maatregel op de bredere economie.
Kunt u inhoudelijk toelichten waarom de btw-verhoging op logies niet is opgenomen in een afzonderlijk wetsvoorstel, zoals de Raad van State adviseert?4 Waarom is het negatieve koopkrachteffect van deze btw-verhoging dat het kabinet klaarblijkelijk wenst te realiseren precies doorslaggevend om niet een los wetsvoorstel aan de Kamer te zenden (Kamerstuk 36 602, nr. 4)?
Deze vraag heeft mij via verschillende wegen bereikt. Zo wordt in de aangenomen motie van het Lid Van Meenen (D66)5 verzocht om de voorgenomen maatregel «opheffen meerdere posten verlaagd btw-tarief» in een separaat wetsvoorstel op te nemen en aan de Kamers aan te bieden. Voor de beantwoording van deze vraag wil ik verwijzen naar de kabinetsreactie op de motie van het Lid Van Meenen6 en de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan.
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten geen mkb-toets uit te voeren voor de btw-verhoging Kamerstuk 36 202, nr. 149?5
Het kabinet heeft ervoor gekozen om geen impact-analyse uit te voeren. Het effect van de btw-maatregelen wordt wel gemonitord. Direct na invoering zal het kabinet een eerste analyse doen van de korte-termijnimpact van deze maatregelen. Vervolgens zal er in 2028 ex post evaluatie plaatsvinden.
Kan een opzet – methodiek, criteria waar op gelet zal worden, etc. – met de Kamer worden gedeeld van de onderzoeken die het kabinet voornemens is te doen, aldus de premier (Kamerstuk 2024D34222)?
Gezien de verwachte impact van de maatregel zullen vanaf 2026 de effecten worden gemonitord en zullen deze door een ex-post evaluatie in 2028 worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer. In deze evaluatie zal gekeken worden naar in hoeverre de btw-verhoging wordt doorberekend in consumentenprijzen (op moment van en kort na invoering) en wat de vraageffecten zijn over een langere periode. Daarbij zou voor het vaststellen van de effecten een vergelijking gemaakt kunnen worden tussen de getroffen en uitgezonderde sectoren (attractieparken, kampeerterreinen, bioscopen, etc.). Hiervoor zal ruim vóór invoering van de maatregel een nulmeting worden gemaakt met behulp van sectorale gegevens (van het CBS). Daarnaast zal er na invoering een eerste analyse gedaan worden van de kortetermijnimpact van deze maatregelen.
Wat is uw reactie op het nieuws dat volgens de betrokkenen zelf tijdens de formatie «op een middag» is besloten om de btw op logies te verhogen? Snapt u dat dit voor veel ondernemers nogal ontluisterend nieuws was?6
Het is aan het kabinet om voorstellen voor te bereiden en voor te leggen voor politieke besluitvorming. Het nemen van een politiek besluit is doorgaans onderdeel van een langdurig proces waarin zorgvuldige afwegingen worden gemaakt. Wetswijzigingen worden in zowel de Tweede als de Eerste Kamer besproken. Het kabinet zet met deze politieke beslissing een duidelijke lijn in van vereenvoudiging van het belastingstelsel en kiest er daarnaast voor een btw-verhoging in te zetten om zijn overige plannen te financieren.
Bent u bereid om alsnog een impactanalyse voor de btw-verhoging op logies uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, in aanloop naar het afschaffen van het verlaagde btw-tarief zal er geen additionele impact-analyse worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de evaluatie van het verlaagde btw-tarief is er een ambtelijke fichebundel opgesteld waar de eerste gevolgen van een btw-verhoging op logies is verkend.9
Onderzoeken waaruit blijkt dat de slachtoffers van zorgboerderij Aurora Borealis opnieuw in verkeerde handen terecht zijn gekomen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in Dagblad van het Noorden1 2 3 waaruit blijkt dat de meervoudig gehandicapte slachtoffers van zorgboerderij Aurora Borealis opnieuw in verkeerde handen zijn terechtgekomen en de podcast4 «Radio Ramkraak» waar de onderzoeksjournalisten vertellen over hun onderzoek? Wat denkt u als u dit allemaal leest?
Ja, ik ken de publicaties.
Ik vind het vreselijk dat de voormalig bewoners van zorgboerderij Aurora Borealis opnieuw te maken kregen met een onveilige woonsituatie waar de kwaliteit van zorg niet voldeed. Dat is absoluut niet wat we met elkaar voor ogen hebben.
Mijn eerste zorg gaat uit naar de mensen om wie het gaat: de cliënten. Ik ben blij dat voor hen een vervangende plek is gevonden.
Deelt u de mening dat het ontluisterend is dat nadat de eerste misstanden nota bene door een tv-programma zijn ontdekt, waarna uw ambtsvoorganger na Kamervragen heeft laten weten mee te leven en ervan te leren en heeft aangegeven de afhandeling te volgen, het nu opnieuw journalisten zijn die misstanden ontdekken? Wat vindt u daarvan? Wat zegt het over het systeem van toezicht voor de meest kwetsbare mensen die vaak niet zelf aan de bel kunnen trekken?
Volgens mijn informatie waren het ditmaal niet de journalisten die de misstanden als eerste ontdekten. Voordat de publicaties in Dagblad van het Noorden verschenen, was Zorgpro al op de radar bij zowel het zorgkantoor als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Op 11 september 2023 legde de IGJ een onaangekondigd inspectiebezoek af bij Zorgpro Wonen. De inspectie concludeerde dat de geboden zorg voor vijf van de elf getoetste normen grotendeels voldeed en voor zes van de elf getoetste normen grotendeels niet voldeed. Zij bleef Zorgpro daarom volgen. Begin 2024 sprak de IGJ met Zorgpro over de ingezette verbeteringen en ontwikkelingen. Zorgpro moest voor 1 mei 2024 een resultaatverslag met verbeteracties opleveren bij de inspectie. Voor die datum ging de organisatie failliet.
Ondertussen sloot zorgkantoor Zilveren Kruis per 1 januari 2024 een contract onder voorwaarden af met Zorgpro. De eerste voorwaarde die het zorgkantoor stelde, was het verhogen van de kwaliteit van zorg. Zorgpro moest een verbeterplan opstellen en het zorgkantoor periodiek informeren over haar vorderingen. Een tweede voorwaarde was: Zorgpro deelt proactief het inspectierapport naar aanleiding van het inspectiebezoek in september. Bij het niet voldoen aan deze voorwaarden, zou het zorgkantoor het contract kunnen herzien of ontbinden. Ook hier geldt: vanwege het faillissement is het niet zover gekomen.
Het baart me grote zorgen dat ondanks deze stappen dit dan tóch kan gebeuren. Juist bij deze cliënten. Ik vind dat we alles op alles moeten zetten om te garanderen dat zij goede zorg krijgen. Ik heb zorgkantoren daarom verzocht hun screening van zorgaanbieders aan te scherpen. Dit soort aanbieders wil ik buiten de zorg houden. Ook heb ik het zorgkantoor gevraagd de voormalige Aurora Borealis-cliënten intensief te blijven volgen.
Was u eigenlijk op de hoogte van de gang van zaken? Zo ja, sinds wanneer bent u bekend met de bevindingen in de artikelen?
De zaak kwam op mijn netvlies door het eerste bericht erover in Dagblad van het Noorden (18 juli 2024), kort na mijn aantreden in het kabinet. Naar aanleiding van de berichtgeving is er contact gezocht met de cliëntondersteuning, betrokken zorgkantoren (Menzis en Zilveren Kruis) en de IGJ.
Hoe vindt u met de kennis van nu dat de nazorg is georganiseerd? Zag u reden om in te grijpen of om contact op te nemen met betrokken instanties, slachtoffers en familie? Zo nee, waarom niet? Welke instantie was primair verantwoordelijk voor de nazorg aan de slachtoffers?
De gang van zaken bij Zorgpro vind ik stuitend. Voor alle cliënten, maar in het bijzonder voor de voormalige Aurora Borealis-cliënten. De situatie bij Aurora Borealis was voor cliënten en hun familie een zeer aangrijpende zaak.
Betrokken instanties waren ook geraakt door de gebeurtenissen bij zorgboerderij Aurora Borealis. De zaak liet ook hen niet los. Zij spanden zich in voor goede nazorg. Zo is aan de cliënten van Aurora Borealis en hun verwanten direct Slachtofferhulp aangeboden. De pgb-afdeling van zorgkantoor Menzis gaf verwanten ook een direct telefoonnummer, waarop zij het zorgkantoor konden bereiken. Toen cliënten overgingen naar Zorgpro, bleef dit telefoonnummer bereikbaar. Verwanten konden altijd spreken met een medewerker van het zorgkantoor of met een onafhankelijk cliëntondersteuner.
Toen drie Aurora Borealis-cliënten in het voorjaar van 2023 verhuisden naar Zorgpro Wonen in Drenthe, gingen zorgkantoor Menzis en zorgkantoor Zilveren Kruis (waar Zorgpro onder viel) samen bij hen langs. De bekostiging van Zorgpro Wonen liep tot 1 januari 2024 namelijk via het persoonsgebonden budget (pgb). De zorgkantoren kregen in deze gesprekken geen signalen of klachten over de zorg.
Ook de IGJ hield vinger aan de pols. Een bij Aurora Borealis betrokken inspecteur onderhield contact met verwanten van cliënten.
Ten slotte ging mijn voorganger – Minister Conny Helder – met verwanten in gesprek. Zij bood een vervolggesprek aan als daar behoefte aan was. Ook was de casus voor haar aanleiding voor leersessies met betrokken partijen, waarna zij maatregelen presenteerde.
En toch: ondanks deze inspanningen ging het gruwelijk mis. Dat trek ik mij aan. Ik wil dat de nazorg in dit soort situaties staat als een huis. Het zorgkantoor heeft een zorgplicht richting cliënten. Die willen ze graag goed invullen. Vooral voor de meest kwetsbare cliënten. Ik heb de betrokken zorgkantoren verzocht om afspraken te maken over hoe we de nazorg aan alle voormalige Aurora Borealis cliënten garanderen, ook nu nog. Ik ga ook afspraken maken met ZN/zorgkantoren over nazorg in het algemeen, los van deze specifieke casus. Dat betekent bijvoorbeeld dat een zorgkantoor bij getraumatiseerde cliënten alles in het werk stelt om procedures soepel te laten verlopen. En dat het zorgkantoor blijvend contact houdt met cliënten, via zorgkantoormedewerkers en/of een door het zorgkantoor ingezette onafhankelijk cliëntondersteuner.
Ik ga graag met verwanten van cliënten en andere betrokkenen bij Aurora Borealis of Zorgpro in gesprek, indien zij daar behoefte aan hebben. Ik luister heel graag naar hun ervaringen. Om van te leren en om te horen wat ik, als Staatssecretaris, verder nog kan betekenen.
In antwoord op mijn Kamervragen in april 20245 stelde u leersessies te hebben georganiseerd met partijen die direct bij Aurora Borealis betrokken waren of een rol hebben bij het voorkomen van misstanden, waaronder de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Nederlandse Zorgautoriteit en cliëntondersteuners. Zijn deze nieuwe misstanden in de leersessies aan bod gekomen? Wat is er besproken bij deze leersessies en wat is er concreet mee gedaan?
Na de verschrikkelijke gebeurtenissen bij Aurora Borealis hebben inderdaad twee leersessies plaatsgevonden De leersessies leidden (mede) tot vier maatregelen. Met betrokken partijen (IGJ, zorgkantoren, NZa) monitor ik de voortgang van deze maatregelen.
Ten eerste onderzoekt VWS met ketenpartijen hoe we de toegang tot het pgb kunnen verstevigen. Aurora Borealis was immers een pgb-gefinancierde zorgboerderij. Zorgpro Wonen was dat bij aanvang ook. Ik streef ernaar om per juli 2025 «toekennen onder voorwaarden» beter mogelijk te maken met een wijziging van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Dat betekent dat zorgkantoren beter voorwaarden kunnen stellen aan het toekennen van het pgb, ook als budgethouders het pgb in een wooninitiatief besteden.
Ten tweede ontwikkelt VWS een transparantieregister, voor beter zicht op pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Ik wil dit register in de tweede helft van 2025 lanceren.
Ten derde optimaliseert VWS de informatie-uitwisseling over wooninitiatieven tussen betrokken partijen. Ik onderzoek nu of ik dit onderwerp kan opnemen in de Verzamelwet gegevensverwerking VWS IV. Deze wet treedt per 1 januari 2027 in werking.
Tot slot werken we aan de verbeterde mogelijkheden van contractering voor kleinschalige wooninitiatieven, om de gedwongen inzet van pgb terug te dringen. ZN en zorgkantoren zijn hier aan zet. Zij onderzoeken hoe zij contracteringsmogelijkheden voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven kunnen verbeteren per contractjaar 2026.
In de Kamerbrief over wooninitiatieven en pgb van 12 juni 2024 zijn deze maatregelen verder toegelicht.6
Waarom is, gezien alle aandacht die er ook in de Kamer was voor de slachtoffers van Aurora Borealis, de Kamer niet op enig moment actief geïnformeerd?
Met de Kamerbrief wooninitiatieven en pgb van 12 juni 2024 heeft mijn voorganger de Kamer geïnformeerd over vervolgstappen.7
Ik vernam vervolgens in juli van dit jaar – via de berichtgeving door Dagblad van het Noorden – over de ontwikkelingen bij Zorgpro Wonen. Ik kreeg daarover geen signalen van het zorgkantoor of de IGJ. Ik zal daar in het vervolg extra scherp op zijn.
Wat vindt u ervan dat getraumatiseerde cliënten werden opgevangen door het zorgbedrijf Zorgpro, dat amper anderhalf jaar bestond en volgens de onderzoeksjournalisten van Dagblad van het Noorden (DVHN) zeer discutabel is, vanwege onder meer een aangifte van vermeende kindermishandeling, zorgen over de kwaliteit, conflicten met (oud-) werknemers en de discutabele bestuurders waarvan een persoon de ex-partner was van een veroordeelde crimineel en een tweede persoon geen bedrijf op zijn naam kan zetten vanwege een persoonlijk faillissement van een scooterhandel?
Dat vind ik afschuwelijk. Genoemde feiten waren niet bekend bij het zorgkantoor of de IGJ. Zij kwamen ook niet naar boven bij de verstrekking van de toelatingsvergunning aan Zorgpro Wonen op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Bij aanvang was Zorgpro Wonen een pgb‐gefinancierde zorgaanbieder. In 2024 werd de zorgaanbieder door Zilveren Kruis onder voorwaarden gecontracteerd.
Bij het contracteren van een nieuwe zorgaanbieder voert het zorgkantoor een toets uit. Dat gaat dan o.a. om een toets op de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het UBO8-register en een controle van Verklaringen Omtrent Gedrag (VOGs). Uit deze formele documenten en ook het toetsende gesprek wat daarop volgde, kwamen genoemde punten niet naar voren. Het zorgkantoor informeert daarnaast bij andere zorgkantoren of gemeenten of ze bekend zijn met de zorgaanbieder: wat zijn hun ervaringen? Voor Zorgpro Wonen kwamen hier geen negatieve signalen of waarschuwingen uit voort. Gegevens over ex‐partners maken geen onderdeel uit van een dergelijke screening, maar informatie over de financiële situatie (schuldsanering) zijn uiteraard wel relevant. Omdat de persoon die betrokken was bij een persoonlijk faillissement niet de formele bestuurder was, is deze omstandigheid onopgemerkt gebleven.
Deze informatie had kunnen leiden tot een integriteitstoets op bestuurders door de afdeling Speciale Zaken van het zorgkantoor. Ik ga met zorgkantoren in gesprek over hun werkwijze bij voor hen nieuwe zorgorganisaties en over die gevallen waarbij zij twijfels hebben: wat kunnen zijzelf extra doen en wat hebben zij daarvoor eventueel nog voor nodig?
Hoe en door wie is de keuze gemaakt om de slachtoffers van Aurora Borealis bij dit zorgbedrijf onder te brengen? Was het ministerie daar destijds van op de hoogte? Wat vindt u met de kennis van nu van deze keuze?
Toen de misstanden bij zorgboerderij Aurora Borealis aan het licht kwamen, schakelde zorgkantoor Menzis Zorgpro flex in. Dit was een onderdeel van Zorgpro. Zorgpro flex organiseerde een interim zorgteam op het moment dat de zorg bij Aurora Borealis stopte – op bevel van de IGJ. Het zorgkantoor had goede ervaringen met deze aanbieder van zorg in crisissituaties.
Bewoners van Aurora Borealis raakten vertrouwd met zorgverleners van Zorgpro flex. Drie van hen kozen er vervolgens voor om met hun pgb over te stappen naar Zorgpro Wonen in Emmen. Bij het pgb staat eigen regie voorop. Verwanten maakten de keuze voor Zorgpro Wonen voor of samen met cliënten.
In contacten met het zorgkantoor en cliëntondersteuners stelde VWS steeds de vraag: is voor cliënten een nieuwe, veilige plek gevonden? Dat leek het geval. VWS kende niet de details van de locaties waar Aurora Borealis‐cliënten gingen wonen.
Hoe en door wie is gecontroleerd of er binnen deze zorgorganisatie geschikte expertise aanwezig was om de getraumatiseerde cliënten van Aurora Borealis op te vangen?
Zorgpro Wonen startte als een pgb-gefinancierd wooninitiatief. Zorgkantoor Menzis en zorgkantoor Zilveren Kruis bezochten gezamenlijk de cliënten (budgethouders) die naar Zorgpro Wonen verhuisden. Zij geven aan dat zij van cliënten geen signalen ontvingen over zorg die niet op orde zou zijn. Dit, gecombineerd met de eerdere positieve ervaringen met Zorgpro flex, maakte dat het zorgkantoor vertrouwen had in de zorgverlening door Zorgpro Wonen.
Bij het pgb heeft de budgethouder (of diens vertegenwoordiger) zelf ook een belangrijke verantwoordelijkheid in het beoordelen van de kwaliteit van zorg. Het zorgkantoor beoordeelt de zorgovereenkomsten met de zorgaanbieders die de budgethouder afsluit. Ik kan me voorstellen dat verwanten van voormalige Aurora Borealis-cliënten, ten tijde van de verhuizing, enorm veel aan hun hoofd hadden. Zij moesten omgaan met de wetenschap dat er vreselijke gebeurtenissen hadden plaatsgevonden in de zorgboerderij waar hun familielid woonde. Ook praktisch moesten zij veel regelen. Op zo’n moment is alles erop gericht weer een goede plek te vinden. Ik realiseer me dat dat ingewikkeld was en dat de rol de verantwoordelijkheid van een pgb dat extra zwaar maakt.
Bij de contractering, per 2024, heeft Zilveren Kruis ook onderzocht of de zorgaanbieder verantwoorde zorg levert. Daarbij zijn de bevindingen van de IGJ betrokken. Zorgkantoor Zilveren Kruis geeft aan dat de zorgaanbieder onjuiste informatie heeft verstrekt over het personeel. De aanbieder gaf aan dat zij volwaardig opgeleid personeel in dienst had; zij zou niet werken met zzp-ers. Dit blijkt achteraf onjuist. Zorgkantoor Zilveren Kruis heeft haar screening van zorgaanbieders aangescherpt, om te voorkomen dat dit nog eens kan gebeuren. Ik ben ook met de andere zorgkantoren in overleg over hun screening.
Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ook na het Inspectiebezoek aan het Boshuis van Zorgpro in Emmen (waar toen drie slachtoffers van Aurora Borealis woonden) de organisatie niet onder verscherpt toezicht heeft gesteld, terwijl er al klachten waren over slechte zorg en behandeling?
De IGJ concludeerde na een onaangekondigd inspectiebezoek op 11 september 2023 dat de geboden zorg bij Zorgpro Wonen voor vijf van de elf getoetste normen grotendeels voldeed en voor zes van de elf getoetste normen grotendeels niet voldeed.9 De eindconclusie van het inspectiebezoek luidde als volgt:
De interventie van de inspectie is gericht op het door de zorgaanbieder herstellen van geconstateerde tekortkomingen in de zorg. Afhankelijk van de ernst van de tekortkomingen en de mate van vertrouwen dat de zorgaanbieder in staat is om weer goede zorg te verlenen (verbeterkracht) kiest de inspectie voor vervolgtoezicht, zoals een verbeterplan met termijnen, of een verscherpt toezicht. Bij aanbieders waar de inspectie de verbeterkracht nog niet goed kan vaststellen, bijvoorbeeld omdat het de eerste keer is dat de inspectie om verbeteringen vraagt, kiest de inspectie in principe voor de interventie van een verbeterplan met termijnen. De inspectie volgt tijdens dit traject of de aanbieder dit inderdaad kan. De inspectie is Zorgpro blijven volgen. Begin 2024 sprak de IGJ met Zorgpro over de ingezette verbeteringen en ontwikkelingen. Zorgpro moest vóór 1 mei 2024 een resultaatverslag opleveren met verbeteracties, maar ging voor die datum failliet.
Wat vindt u van de uitspraak van een woonbegeleider van het Boshuis die gedetailleerde meldingen deed bij de IGJ van overbelast, ongediplomeerd personeel, kwalitatief slechte zorg, verwaarlozing van cliënten en zelfs ongeoorloofde dwang tegen cliënten, en in de krant liet optekenen: «Dwangmiddelen waarvan je denkt: hoe haal je het in je kop om dat soort dingen toe te passen op een cliënt uit Wedde, van wie je weet dat die al gigantisch is beschadigd»? Deelt u de mening dat het beschamend is dat getraumatiseerde cliënten nog beschadigder zijn geraakt? Voelt u zich hiervoor verantwoordelijk? Zo nee, wie zou zich dit dan moeten aantrekken?
Ik vind het allereerst ontzettend goed dat een medewerker melding maakte bij de IGJ. Dit draagt bij aan het beëindigen van slechte zorg en misstanden.
Ik vind het vreselijk wat hier is gebeurd met kwetsbare mensen. Dat juist deze voormalige Aurora Borealis cliënten hiervan slachtoffer werden, maakt het extra schrijnend. Ik deel absoluut de mening dat het beschamend is als getraumatiseerde cliënten nog beschadigder raken.
De eerst verantwoordelijke voor het traumatiseren van mensen die afhankelijk zijn van zorg is de zorgaanbieder. Die is primair verantwoordelijk voor het leveren van goede, veilige zorg. Maar ik reflecteer ook op hoe dit kan gebeuren binnen het zorgsysteem. Daar ligt ook een verantwoordelijkheid voor mij, bijvoorbeeld als het gaat om de toegang van zorgaanbieders tot de zorgsector. De komende Kabinetsperiode doe ik mijn uiterste best om zoveel mogelijk niet-integere zorgaanbieders te weren uit de zorg. In mijn antwoord op vraag 14 ga ik hier verder op in.
Hoe kan het dat de IGJ sprak met een bestuurder die op papier helemaal geen bestuurder was en kon zijn, vanwege een persoonlijk faillissement? Hoe controleert de Inspectie dit soort zaken? Is hier voldoende informatie ingewonnen?
De IGJ geeft aan dat het inspectiebezoek van 11 september 2023 gericht was op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Daarbij meldt de IGJ dat zij sprak met op oprichter van Zorgpro Wonen, die ook belast was met de zorginhoud bij Zorgpro Wonen. Volgens de IGJ nam deze persoon op dat moment de taken over van de vorige bestuurder, de algemeen directeur en manager zorg. Later bleek deze persoon niet de bestuurder te zijn. De inspectie meldt dat zij gegevens over de bestuurder controleert als daar een aanleiding toe bestaat. Begin 2024 sprak de IGJ met Zorgpro wonen over de ingezette verbeteringen; toen sprak de inspectie wel met de daadwerkelijke bestuurder. Ik ga met de IGJ in gesprek over deze werkwijze.
Wat vindt u van de structuur die Dagblad van het Noorden beschrijft: «de kerstboom aan BV’s» waar Zorgpro Wonen onder viel? Zou deze structuur de alarmbellen niet moeten laten rinkelen? Of is dit onopgemerkt gebleven?
Het is niet ongebruikelijk dat zorgaanbieders werken met een complexe juridische structuur. De structuur bij Zorgpro Wonen is daarin zeker niet uniek. Zorgorganisaties kunnen verschillende motieven hebben om de zorgverlening met meerdere rechtspersonen te organiseren. De NZa noemt bijvoorbeeld de volgende redenen: «om economisch en juridisch zeggenschap te splitsen, flexibiliteit in geldstromen te bewerkstelligen, goed te kunnen sturen op het aannemen van kwalitatief hoogwaardig personeel, dividend te kunnen uitkeren of om financiële risico's te spreiden en daarmee een duurzame bedrijfsvoering na te streven.»10
Bij complexe bedrijfsstructuren hoeft niet direct sprake te zijn van achterliggende motieven die schade toebrengen aan de betaalbaarheid, toegankelijkheid en de kwaliteit van zorg. In dit geval was de structuur niet op voorhand een aandachtspunt bij het toezicht. Ook het zorgkantoor geeft aan dat de structuur van Zorgpro geen reden was om een contract te weigeren.
Welke informatie wordt ingewonnen voordat mensen een nieuw zorgbedrijf willen opstarten? Hoe wordt gecheckt of mensen affiniteit hebben met en verstand hebben van zorg, en of ze in staat zijn om goede zorg te leveren aan mensen die hiervan afhankelijk zijn?
Koophandel (KvK) en aan de KvK informatie verstrekken over de onderneming. De KvK kan weigeren tot inschrijving over te gaan, bijvoorbeeld als de KvK gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave door de ondernemer.
Specifiek voor startende zorgaanbieders geldt een meldplicht, op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Zorgaanbieders moeten zich melden voordat ze starten. Daarbij geven ze via een meldformulier informatie over o.a. de soort zorg die ze gaan leveren, in welke vorm, of de bestuurder ervaring hee in de zorg en over de randvoorwaarden voor de kwaliteit van de zorg. Deze informatie gebruikt de IGJ om te beoordelen of toezicht noodzakelijk is en zo ja; wanneer en hoe.
Als zorginstellingen met meer dan tien zorgverleners zorg verlenen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz), dan moeten zij op grond van de Wtza beschikken over een toelatingsvergunning. Die vergunning wordt geweigerd als de zorgaanbieder niet aannemelijk maakt dat hij goede of rechtmatige zorg gaat verlenen. Bij de vergunningverlening worden ook vragen gesteld over de leden van dagelijkse of algemene leiding van de zorgaanbieder en over de leden van het onafhankelijk intern toezicht.
Ik ben blij dat de Wtza met ingang van 1 januari 2025 wijzigt: de vergunningsplicht wordt uitgebreid. Vanaf dat moment moeten alle zorginstellingen die zorg verlenen vanuit de Zvw of de Wlz beschikken over een toelatingsvergunning. Ook de kleinere zorginstellingen met tien of minder zorgverleners. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag is het mogelijk om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) op te vragen of een integriteitsonderzoek op grond van de Wet Bibob te initiëren. Een VOG opvragen of een integriteitsonderzoek op grond van de Wet Bibob starten is ook mogelijk als een zorginstelling al over een vergunning beschikt.
De Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verplicht de zorgaanbieder bij de start van een bedrijf om zorgverleners te screenen: vormt de manier waarop de zorgverlener in het verleden functioneerde geen bezwaar voor het verlenen van zorg aan de cliënten? Dit geldt ook voor zzp’ers, uitzendkrachten of gedetacheerden die met patiënten en cliënten in contact komen. Zo wordt voorkomen dat iemand wordt ingezet die niet bevoegd of bekwaam is.
Ook is het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders en Jeugdhulpverleners (Wibz) in voorbereiding. In deze wet wordt het aantal weigerings- en intrekkingsgronden van een vergunning uitgebreid. Een ander onderdeel in de wet gaat over het verstrekken van KvK-nummers van startende aanbieders aan de IGJ, NZa en zorgverzekeraars. Zij kunnen dan intern nagaan of er iets bij hen bekend is wat van belang is voor de beoordeling van de vergunningaanvraag door het CIBG. De Wibz helpt bij het beter weren van zorgaanbieders waarvan niet aannemelijk is dat zij aan de voorwaarden voor het verlenen van goede en rechtmatige zorg gaan voldoen. Het streven is dit wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2025 naar Uw Kamer te sturen.
Voor een effectieve aanpak van zorgfraude is gegevensuitwisseling tussen betrokken partijen essentieel. Met wetgeving worden ook hier stappen gezet. Zo treedt de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) op 1 januari 2025 in werking. Door betere gegevensuitwisseling komen frauderende zorgaanbieders eerder in beeld bij opsporingsinstanties, inkopers en toezichthouders. Die wet maakt het mogelijk dat ziektekostenverzekeraars en gemeenten elkaar voor frauderende zorgaanbieders kunnen waarschuwen. Daarmee ga ik tegen dat deze aanbieders hun activiteiten elders voortzetten of opnieuw beginnen.
Daarnaast heeft de Eerste Kamer op 1 oktober de Verzamelwet gegevensverwerking VWS I aangenomen. Deze wet maakt onder andere onderlinge gegevensuitwisseling tussen gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars bij fraudeonderzoek mogelijk. Daarnaast werk ik ook aan betere mogelijkheden voor informatie-uitwisseling – specifiek over wooninitiatieven – tussen de IGJ en zorgkantoren.11
Tot slot: in september 2023 is een pilot afgerond met DSW, de IGJ, de NZa en het CIBG. Het doel van de pilot was om de screening aan de voorkant te verbeteren. We onderzoeken nu welke interventies nodig zijn, in aanvulling op de uitbreiding van de vergunningplicht naar alle instellingen en de extra intrekkings- en weigeringsgronden op grond van de Wibz. De uitkomsten van de pilot neem ik mee in mijn overleg met zorgkantoren over de aanscherping van hun screening. Specifiek voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven bekijk ik bovendien hoe we de toegang tot het pgb kunnen verstevigen, door zorgkantoren meer mogelijkheden te geven om voorwaarden te stellen bij de toekenning van het pgb.12
Hoe verklaart u het dat sommige zzp’ers 7 dagen per week, 24 uur per dag hun uurtarief declareerden? Zijn dit soort zaken opgemerkt bij het Inspectiebezoek?
Dit is zeer opmerkelijk en uiterst onwenselijk. Ik kan het niet verklaren.
De inspectie heeft geen zicht op dergelijke declaraties.
Zorgkantoor Zilveren Kruis meldt dat Zorgpro bij een toetsend gesprek (onderdeel van de contractering) aangaf niet te werken met zzp’ers. Zorgpro Wonen stelde dat zij alleen werkte met mensen in loondienst. Deze informatie bleek onjuist. Het zorgkantoor heeft haar screening aangepast, zodat dergelijke gegevens in de toekomst beter naar boven komen. Ik wil dit gesprek verbreden van zorgkantoor Zilveren Kruis naar alle zorgkantoren en ga daarover in gesprek met ZN.
Deelt u de mening dat het tijd wordt dat de regels voor het starten van een zorgorganisatie worden aangescherpt? Gaat u zich inspannen om wettelijke mogelijkheden te creëren om zorgaanbieders beter te screenen aan de voorkant? Deelt u ook de mening dat gegevensuitwisseling tussen externe instanties en het zorgkantoor verder vergroot moeten worden als het gaat over onder meer de bedrijfsstructuur, facturen en kwaliteit?
Ik vind ook dat aanscherping van regels nodig is. We willen zorgaanbieders met verkeerde intenties nog beter weren. Daar werk ik hard aan, in aanvulling op de regels die er al zijn. In mijn antwoord op vraag 14 licht ik toe hoe.
Hoe gaat het nu met de getraumatiseerde cliënten? Kunt u garanderen dat ze allemaal afzonderlijk op een veilige en passende plek zitten?
Zorgkantoor Zilveren Kruis deed eerder navraag bij familie en een onafhankelijke cliëntondersteuner. Zij vroeg naar de geboden zorg bij de aanbieders waar de drie voormalig Aurora Borealis cliënten nu wonen. De vertegenwoordigers geven aan heel tevreden te zijn over de huidige zorg. Ik ga het zorgkantoor verzoeken om vanuit haar zorgplicht (opnieuw) contact op te nemen met deze cliënten, hun verwanten en de betrokken zorgaanbieders. Ik wil dat zij mij ervan vergewissen dat de situatie in orde is én blijft, door hen intensief te monitoren.