Het bericht “Dutch tulps blocked at border” |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat vermeldt dat de invoer van bloemen uit Nederland geblokkeerd is, een dag nadat de Nederlandse regering aankondigde dat zij haar veto uit zou gaan spreken tegen toetreding van Roemenië tot de Schengenzone?1
Ja.
Klopt het dat zes vrachtwagens met Nederlandse bloemen, zaden en bollen aan de grens van Roemenie vaststaan? Zo ja, heeft de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) de zes vrachtwagens met Nederlandse bloemen, zaden en bollen geïnspecteerd voorafgaand aan de export? Wat was de conclusie bij vertrek van de vrachtwagens richting Roemenië?
Tussen 17 en 23 september hebben in totaal 25 vrachtwagens met Nederlandse producten 4–6 dagen vastgestaan aan de grens met Roemenië. Op 23 september zijn alle zendingen weer vrijgegeven.
Op grond van de Europese Fytorichtlijn (richtlijn 2000/29/EG) mogen planten en plantaardig materiaal binnen de Europese Unie (verder: EU) vrij verhandeld worden. Er worden bij handel binnen de EU dan ook geen fytosanitaire certificaten afgegeven, zoals dat bij export naar derde landen wel het geval is.
Wel geldt bij handel van plantaardige producten binnen de EU de eis dat de zendingen vrij moeten zijn van quarantaine organismen. Voor bepaalde producten geldt daarnaast de eis dat zendingen bij verhandeling binnen de EU vergezeld moeten gaan van een plantenpaspoort. Conform de EU-regelgeving vindt de plantenpaspoortafgifte plaats op grond van bedrijfscontroles, individuele zendingen worden voor verhandeling niet geïnspecteerd. De geblokkeerde zendingen bevatten overigens geen producten waarvoor een plantenpaspoort vereist is.
Desondanks ontving de nVWA een notificatie van de Roemeense fytosanitaire autoriteiten met de melding dat in één van de geblokkeerde zendingen een partij bloembollen aanwezig zou zijn die niet voorzien was van het vereiste plantenpaspoort. Bij navraag bleek het echter te gaan om bloembollen in kleinverpakking die bestemd zijn voor directe verkoop aan de consument, waarvoor geen plantenpaspoort vereist is. Na een verzoek van de
Europese Commissie en Nederland om opheldering, hebben de Roemeense fytosanitaire autoriteiten erkend dat het gaat om een niet-plantenpaspoortplichtig product en is de notificatie ingetrokken.
Voor zover mij bekend hebben zich niet eerder vergelijkbare problemen voorgedaan aan de Roemeense grens.
Welke gezondheidsrisico's gaven de Roemeense autoriteiten aanleiding om Nederlandse vrachtwagens met Nederlandse bloemen, zaden en bollen tegen te houden aan de Roemeense grens?
Ik verwijs u hiervoor naar de beantwoording van vraag 4 in mijn antwoordbrief op de vragen van het lid Van Bommel. (Aanhangsel Handelingen, nr. 425, vergaderjaar 2011–2012)
Is de lading van de zes vrachtwagens voorzien van de voor Roemenië benodigde (fytosanitaire) certificaten? Spelen intepretatieverschillen tussen de nVWA en de Roemeense nVWA een rol? Is sprake van herhaaldelijke problemen aan de Roemeense grens? Of staat dit geval apart?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er de afgelopen maand uitbraken van aangifteplichtige plantenziekten in Nederland vastgesteld? Zo ja, welke?
In de sierteelt hebben zich in Nederland de afgelopen maand geen uitbraken van quarantaineorganismen voorgedaan. Voor wat betreft bloembollen zijn de afgelopen maand vondsten gedaan van stengelaaltjes. In deze gevallen zijn de noodzakelijke bestrijdingsmaatregelen getroffen.
Kunt u aangeven welke schade Nederlandse bedrijven lijden door het niet doorlaten van bloembollen aan de Roemeense grens? Kan deze schade verhaald worden op Roemenië indien de blokkade tegen EU-afspraken blijkt te zijn?
Er is geen exact beeld van de omvang van de (in)directe schade bij Nederlandse bedrijven. De betrokken verenigingen en belangenbehartigers inventariseren de schade onder hun leden.
Het is aan de getroffen bedrijven om te beslissen of ze de Roemeense autoriteiten aansprakelijk stellen voor de geleden schade.
Kunt u bewerkstelligen dat de invoerproblemen zo snel als mogelijk worden opgeheven zodat export weer kan plaatsvinden?
De Europese Commissie en Nederland hebben onmiddellijk opheldering gevraagd bij de Roemeense autoriteiten over de reden van de blokkade en de gevolgde procedures en is verzocht de blokkades op de te heffen.
Op 23 september jl. zijn alle zendingen de Roemeense grens overgegaan; het merendeel daarvan was op dat moment nog verzegeld. De zendingen zijn op de plaats van bestemming door de fiscale politie vrijgegeven en de export kon worden hervat. Na die datum zijn geen nieuwe gevallen gemeld.
Het afwijken van landelijke stanknormen door een gemeente zodat melkveehouderijen kunnen uitbreiden |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Soepele geurregels voor melkveehouderijen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de gemeente Kaag en Braassem wil afwijken van landelijke stankcirkels zodat melkveehouderijen meer ruimte krijgen om uit te breiden?
De Wet geurhinder en veehouderij opent uitdrukkelijk de mogelijkheid voor gemeenten om een eigen, op het gebied toegesneden geurbeleid te ontwikkelen. Daartoe is in de wet geregeld dat gemeenten – binnen bepaalde bandbreedtes en onder bepaalde voorwaarden – mogen afwijken van de landelijke normen. Of de verordening aan de wettelijke vereisten voldoet, kan door de bestuursrechter worden getoetst in het kader van een beroepsprocedure tegen de verlening van een vergunning voor de uitbreiding van een veehouderij.
Deelt u de mening dat met het generiek verkleinen van de stankcirkels in een gemeente een goed woon- en verblijfklimaat niet kan worden gegarandeerd?
Nee, die mening deel ik niet. Bij het bepalen van een afwijkende afstand dient de gemeente op grond van de wet ook de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied te betrekken. Ik ga er vanuit dat de gemeente daarbij een zorgvuldige belangenafweging maakt en in aanmerking neemt of sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Of in een concreet geval sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat of van een evenredige belangenafweging kan overigens eveneens door de bestuursrechter worden getoetst, bijvoorbeeld in het kader van een beroep tegen de wijziging van een bestemmingsplan.
Deelt u de mening dat omwonenden met het verkleinen van de stankcirkels onevenredig in hun belangen worden geschaad?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de omwonenden van melkveehouderijen recht hebben op een schone en gezonde leefomgeving, en dat dit recht aangetast wordt door het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) van Kaag en Braassem? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard hebben ook omwonenden van melkveehouders recht op een schone en gezonde leefomgeving. Dat laat onverlet dat de gemeente in het kader van haar geurbeleid – binnen de bandbreedtes en de voorwaarden die de wet stelt – een eigen afweging mag maken tussen de verschillende betrokken belangen. Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vragen 3 en 4, is het uiteindelijk aan de bestuursrechter om in een concrete situatie te beoordelen of een belanghebbende al dan niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.
Bent u bereid de gemeente aan te schrijven over deze zaak en de gemeente op te roepen zich aan de landelijk bepaalde afstanden met betrekking tot stankhinder te houden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe zie ik geen aanleiding. De gemeente is bevoegd een eigen geurbeleid te voeren binnen het kader dat de Wet geurhinder en veehouderij stelt. Of de verordening aan dit wettelijke kader voldoet, kan in concrete gevallen ter beoordeling aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Voorts wil ik er op wijzen dat de verordening nog slechts in ontwerp is vastgesteld en dat er momenteel gelegenheid is tot inspraak, zodat belanghebbenden hun eventuele bezwaren aan het gemeentebestuur kenbaar kunnen maken.
Het bericht dat de cacaosector faalt in het terugdringen van kinderarbeid en gedwongen (volwassen)arbeid |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Pauline Smeets (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de internationale campagne van 10 Campaign, waarin vooraanstaande internationale maatschappelijke organisaties de cacaosector monitoren en pleiten voor wetgeving om de ergste vormen van kinderarbeid en gedwongen (volwassenen) arbeid uit de cacaosector te bannen?1
Ja.
Erkent u het feit dat in de afgelopen tien jaar de wereldwijde cacao en chocolade-industrie er niet in is geslaagd een einde te maken aan de ergste vormen van kinderarbeid en gedwongen volwassen arbeid?
Diverse rapporten laten zien dat lokale overheden en bedrijfsleven wel voortgang boeken, maar er nog niet geslaagd zijn dit probleem op te lossen.
Zo ja, wat is volgens u de verklaring voor het gegeven dat de zes doelen die in het Harkin- Engel protocol genoemd worden, tot op heden niet zijn bereikt?
De productie van cacao is zeer gefragmenteerd. Meer dan drie miljoen, vaak kleine, boeren zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de productie van cacao in West-Afrika. Lokale overheden, zeker in Ivoorkust, zijn mede als gevolg van de recente onrusten nauwelijks in staat het noodzakelijke toezicht en de handhaving uit te voeren. Dit maakt het controleren op het niveau van individuele plantages en familiebedrijven zeer gecompliceerd. Hierdoor zijn bedrijven onvoldoende in staat geweest om invulling te geven aan ketenmanagement en de verantwoordelijkheid om kinderarbeid en gedwongen arbeid te bestrijden in de keten.
Certificering (via bv. UTZ, Rainforest Ailience of FairTrade) is op dit moment de meest gangbare methode om invulling te geven aan ketenverantwoordelijkheid. Op dit moment is de vraag naar gecertificeerde cacao echter groter dan het aanbod. Het kost tijd om het certificeren van plantages op een zorgvuldige manier te doen, hetgeen samen met effectief toezicht er voor kan zorgen dat gedwongen arbeid en kinderarbeid ook daadwerkelijk wordt uitgebannen.
De grote certificerende instellingen zijn in tegenstelling tot het Harkin- Engel protocol niet «single issues driven» maar kijken naar een hele reeks van factoren op het gebied van zowel people (o.a. naleving van de normen van de International Labour Organisation, ILO), planet (o.a. biodiversiteit en pesticide gebruik) en profit (o.a. leefbaar loon). Deze integrale aanpak is tijdrovend maar noodzakelijk. Schendingen van arbeidsnormen kunnen uiteindelijk alleen worden uitgebannen als de inkomens van cacao boeren structureel toenemen. Dat kan alleen als we erin slagen de productieomstandigheden en kennis van boeren op een hoger niveau te krijgen, zodat ze in staat zijn zelf hun productie en inkomen te verhogen.
Ik constateer ook dat de bedrijven de laatste jaren wel degelijk investeringen doen om hiervoor oplossingen te vinden.
Tot slot wil ik nog opmerken dat de recente onrusten in Ivoorkust, op dit moment verantwoordelijk voor 80% van de gecertificeerde cacao, het certificeren ernstig bemoeilijkt heeft. Veel NGO's hebben hun mensen in veiligheid moeten brengen waardoor programma's stil zijn komen te liggen.
Deelt u de mening dat een voortrekkersrol voor overheden niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk en noodzakelijk is, gezien het gegeven dat tien jaar na dato zelfregulering blijkbaar niet werkt? Zo ja, op welke wijze gaat u deze voortrekkersrol uitdragen? Zo nee, waarom niet?
Het is duidelijk dat de doelstellingen om de vormen van kinderarbeid en gedwongen arbeid uit te bannen, mondiaal nog niet zijn gehaald. Echter, ik ben het niet met uw constatering eens dat zelfregulering niet werkt. Er worden wel degelijk duidelijke stappen gezet en bedrijven tonen zich gecommitteerd om de ingeslagen weg door te zetten, zie ook antwoorden op vragen 6 en 8.
De Nederlandse overheid heeft steeds een voortrekkende rol gespeeld. Onder andere door onze nauwe betrokkenheid bij het opstellen van de «Intentieverklaring Duurzame cacaoconsumptie -en productie» die op 4 maart 2010 is ondertekend door alle relevante Nederlandse betrokkenen (bedrijfsleven, overheden, non -gouvernementele organisaties en vertegenwoordigers van keurmerken). De belangrijkste buitenlandse bedrijven die in Nederland werkzaam zijn hebben een schriftelijke adhesiebetuiging gestuurd. Momenteel loopt een traject met alle betrokkenen om onder andere via het Initiatief Duurzame Handel (IDH) de gestelde doelen in de intentieverklaring t.a.v. verduurzaming te verwezenlijken.
Voor deze rol krijgen we ook erkenning in het evaluatie rapport van het Harkin- Engel protocol. Via internationale fora en het IDH zal Nederland ook invulling blijven geven aan deze rol.
Bent u zich bewust dat de intentieverklaring duurzame cacao waarin Nederland wereldwijd als voorloper wordt beschouwd slechts geldt voor de cacao die in Nederland aan de consument wordt verkocht?
De intentieverklaring heeft een dubbele doelstelling. Ten eerste is afgesproken in te zetten op de internationale aanpak van de verduurzaming van de cacaoketen. Daarnaast richt de intentieverklaring zich op het in Nederland verduurzamen van de cacaoconsumptie. Dit is een bewuste keuze. Nederland zet aldus niet alleen internationaal in op verdere stappen, maar wil dat ook waarmaken op het terrein waar het zelf een directe eigen verantwoordelijkheid heeft, namelijk de consumptie van cacao in eigen land.
Wat is uw opvatting over het gegeven dat het leeuwendeel van de cacao die binnen de Nederlandse grenzen wordt verwerkt uiteindelijk in het buitenland verkocht wordt, en daardoor buiten de intentieverklaring duurzame cacao valt?
Zoals aangegeven bij antwoord 5 richt de Intentieverklaring zich op de brede internationale cacaoketen. Het verduurzamen van onze eigen consumptie vanuit een mondiaal perspectief is een eerste stap. Ik constateer dat er initiatieven op gang zijn gekomen in België en Duitsland om onze aanpak te volgen. Ook zie ik dat internationale marktpartijen die actief zijn op de Nederlandse markt zich zeker niet to de Nederlandse markt beperken wanneer zij duurzaamheidsdoelstellingen formuleren. Zo heeft Mars zich als doel gesteld in 2020 100% van hun cacao duurzaam (Rainforest Alliance or UTZ certified) te zullen inkopen. Soortgelijke statements zijn afgegeven door bedrijven als Kraft, Armajaro, Nestlé, Barry Callebaut en Cargill. Ook het Nederlandse Verkade werkt al voor 100% met duurzame cacao en beperkt zich ook niet tot de Nederlandse consument.
Daarbij zijn de investeringen van de programma’s van IDH waarin wordt samengewerkt met NGOs en ambassades gericht op de herkomst, onafhankelijk van waar de consumptie plaatsvindt. Dit betekent dat veel IDH partners internationale bedrijven zijn die zich wereldwijd committeren en niet alleen aan verduurzaming van de cacao productie in Nederland.
Deelt u de mening dat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse cacao industrie én de Nederlandse overheid niet beperkt kan blijven tot die cacao die in Nederland voor de consumentenmarkt verkocht wordt? Zo ja, op welke wijze gaat u deze beperking wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 5 en 6.
Bent u op de hoogte van de ketenontwikkeling in de cacaosector? Zo ja, in hoeverre en op welke wijze ondersteunt u dit initiatief? In hoeverre slaagt het Initiatief Duurzame Handel (IDH) in het bereiken van deze doelen, aangezien het kabinet heeft gekozen om 100 miljoen euro in het IDH te investeren? Welke transparante doelen en resultaten biedt het IDH op het gebied van cacao?
Bedrijven, NGO’s, boerenorganisaties en (nationale) overheden zijn actief in de cacaosector en werken aan ketenontwikkeling. Internationaal erkende certificering is momenteel een gangbare methode om kinderarbeid tegen te gaan in de keten. Dit betekent niet dat dit in de praktijk eenvoudig is. De situatie is per land verschillend. In Ghana bijvoorbeeld, wordt de cacaoproductie gedomineerd door kleine boeren (smallholders). De cacaosector is hier stevig gereguleerd, en de CoCoBod voert ook regelmatig voorlichtingscampagnes uit. In Ivoorkust is veel meer plantagecultuur en onduidelijkheid over de omstandigheden van (vaak burkinabé) werknemers, waaronder kinderen. Daar is de sector nog ondergereguleerd en door het conflict is dat mogelijk niet beter geworden.
De Nederlandse overheid ondersteunt de inspanningen om kinderarbeid in de cacaosector tegen te gaan via het Initiatief Duurzame Handel (IDH), dat verschillende actoren uit de keten bijeen brengt. De investering van € 100 miljoen is verdeeld over 5 jaar waarin het IDH per jaar € 20 miljoen over verschillende sectoren verdeelt. Een belangrijk programma daarin is het cacaoprogramma, waarvoor tot 2015 ca. € 15 mln door IDH begroot is.
De eerste resultaten van de investeringen in IDH zijn inmiddels bekend. Een eerdere quickscan uitgevoerd in 2009 door Triple Value naar de resultaten van het eerste operationele jaar van IDH toonde bemoedigende resultaten . De laatste voortgangsrapportage van Solidaridad toont aan dat het programma voortgang boekt op het bereiken van de voor 2015 gestelde doelen:
Momenteel zijn circa 31 000 cacaoboeren succesvol getraind en gecertificeerd in 6 landen en zij brengen ca. 74 600 ton gecertificeerd cacao op de markt.
IDH is daarnaast succesvol geweest in het bijeenbrengen van verschillende actoren uit de keten waaronder verschillende certificeringsprogramma’s. Ook heeft IDH een belangrijke rol gespeeld in het CertificationCapacity Enhancement (CCE) project waarbij gemeenschappelijke training tools worden ontwikkeld voor Fairtrade, Rainforest Alliance en UTZ CERTIFIED cacao boeren. Hierdoor kunnen nog meer boeren duurzaam gaan produceren.
Bent u bereid om met de relevante maatschappelijk partners en bedrijven in dialoog te treden over de mogelijke rol van de Nederlandse overheid om als voortrekker op te treden, met als doel het beëindigen van kinderarbeid en gedwongen (volwassen)arbeid in de cacaosector? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte houden van dit initiatief? Zo nee, waarom niet?
De overheid is betrokken bij het Child Labor Platform. In dit platform zijn maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zoals Global Compact NL en FNV en zijn er banden met NGO’s, kennis instituten en organisaties die zich specifiek op vraagstukken van kinderarbeid richten zoals Stop Kinderarbeid nu. Het CLP richt zich op uitwisselen van ervaringen en praktijkvoorbeelden tussen internationaal actieve bedrijven, experts en andere belanghebbenden. In het CLP nemen circa 20 multinationals deel en er is continue inspanning om meer bedrijven aan boord te krijgen.
De multilaterale dialoog over kinderarbeid in de cacaosector wordt gevoerd in het kader van de internationale cacao-overeenkomst uit 2010 die momenteel door de diverse deelnemende landen wordt geratificeerd. De consumentenlanden dringen er via diplomatieke wegen bij de producentenlanden op aan de door hun getekende ILO en VN conventies inzake kinderarbeid na te leven.
De betrokkenheid van het regime van de Islamitische Republiek Pakistan bij de recente terreuraanval op de Amerikaanse ambassade in Kabul |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Marcial Hernandez (PVV) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «U.S. links Pakistan to group it blames for Kabul attack»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Amerikaanse beschuldigingen?
Ik beschik niet over de precieze informatie waarop de uitspraken van Admiraal Mullen, toenmalig voorzitter van de Joint Chiefs of Staff, zijn gebaseerd. President Obama heeft in aanvulling op de uitspraken van Mullen aangegeven dat harde bewijzen voor een connectie tussen Pakistaanse veiligheidsdiensten en terroristische groeperingen ontbreken.
Hoe ziet u de Pakistaanse regering, nu deze ernstige beschuldigingen officieel door de Verenigde Staten zijn gedaan? Hebben de beschuldigingen ook invloed op de Nederlands-Pakistaanse relaties?
Berichten over mogelijke steun van Pakistaanse overheidsdiensten aan terroristische groepen neem ik uiterst serieus. Nederland beschouwt Pakistan evenwel nog steeds als een belangrijke partner in de strijd tegen het terrorisme.
De Pakistaanse regering heeft in 2009 en 2010 in de grensgebieden met Afghanistan grootschalige militaire acties uitgevoerd tegen terroristische organisaties die in Pakistan aanslagen plegen. Nederland blijft er net als andere bondgenoten bij de Pakistaanse regering op aandringen dat effectief wordt opgetreden tegen alle terroristische groeperingen die zich op Pakistaans grondgebied bevinden.
Hoe typeert u de veiligheidssituatie in Kabul met het oog op Nederlandse belangen aldaar?
De hoofdstad Kabul is voor de opstandelingen van specifiek belang, vooral vanwege zijn symbolische waarde als zetel van de centrale overheid en internationale vertegenwoordigingen. De recente aanslagen in Kabul, waaronder die op het Amerikaanse ambassadegebouw, onderstrepen dit. De Afghaanse autoriteiten in Kabul zijn primair verantwoordelijk voor het waarborgen van de veiligheid in de stad. Zij hebben tijdens dit incident aangetoond met beperkte internationale steun effectief te kunnen optreden tegen complexe aanvallen.
Is het veiligheidsbeleid van de Nederlandse ambassade in Kabul na de terreuraanval op de Amerikaanse ambassade aangescherpt? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland volgt en analyseert de ontwikkelingen van de veiligheidssituatie nauwgezet. Op basis van die informatie wordt voortdurend de afweging gemaakt om het veiligheidsbeleid van de ambassade al dan niet aan te scherpen en worden adequate beveiligingsmaatregelen genomen. Om veiligheidsredenen worden geen uitspraken gedaan over specifieke maatregelen.
Bent u eventueel bereid de Nederlandse ambassade in Kabul door bewapende Nederlandse militairen te laten beveiligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft een Pakistaanse betrokkenheid bij terroristische groepen in Afghanistan gevolgen voor de militaire operaties van de NAVO in Afghanistan en voor de logistieke operaties van de NAVO in Pakistan? Zo ja, welke?
Om veiligheidsredenen en uit operationeel oogpunt worden geen uitspraken gedaan over operaties van de NAVO.
Rellen veroorzaakt door voetbalsupporters in Rotterdam |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de schrikbarende situatie in Rotterdam dit weekeinde, waarbij rellende voetbalsupporters zo ver over de schreef zijn gegaan dat de politie het vuurwapen moest trekken?1
Ik betreur deze rellen ten zeerste.
Bent u van mening dat in het algemeen het lokale gezag voldoende middelen in handen heeft om dit soort ongeregeldheden adequaat te bestrijden? Zo ja, welke middelen beschouwt u hiervoor als voldoende adequaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kan de burgemeester diverse middelen in handen geven om overlast en ordeverstoringen tegen te gaan. Daarnaast beschikt de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, over een bevoegdheid om een gebieds- en/ of samenscholingsverbod te geven. Tot slot beschikt de burgemeester over noodrechtbevoegdheden. In geval van (acute) ernstige openbare ordeverstoringen kan de burgemeester alle bevelen geven dan wel verordeningen vaststellen die hij nodig acht om de openbare orde te handhaven.
Is in dit geval de Voetbalwet ingezet om de genoemde rellen in Rotterdam te bestrijden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast is in dit geval niet ingezet. De Wet is bedoeld voor de aanpak van personen, die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoringen een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere ordeverstoring bestaat. Uit een dossier moet het plegen van herhaaldelijke overlast blijken. Het ging in de onderhavige casus echter om «first offenders», niet om notoire overlastplegers.
Biedt de Voetbalwet volgens u voldoende handvatten om ongeregeldheden zoals deze adequaat te bestrijden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De arrestatie van dertig dissidenten in Cuba |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft het Cubaanse regime dertig dissidenten gearresteerd omdat deze van plan waren een demonstratie te organiseren?1
De afgelopen periode hebben verschillende kortstondige arrestaties van vreedzame activisten plaatsgevonden. Gevangenen worden vaak na enkele uren of dagen weer vrijgelaten.
Zo ja, bent u bereid hiertegen bilateraal en in EU verband onverwijld en duidelijk protest aan te tekenen bij de Cubaanse autoriteiten en de vrijlating van de dissidenten te bepleiten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de EU verzocht om in Havana te demarcheren, om de zorg van de EU over te brengen en op te roepen tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle politieke gevangenen.
Bent u bereid de aanscherping van EU-sancties te bepleiten indien Cuba geen gehoor wil geven aan dit pleidooi en de dissidenten niet vrijlaat? Zo nee, waarom niet?
De EU zal binnen afzienbare tijd haar gemeenschappelijke positie ten aanzien van Cuba evalueren. Daarbij zullen alle relevante ontwikkelingen, ook deze, worden meegenomen. Dan zal ook worden bezien of er reden is de betrekkingen met Cuba verder te beperken.
Fraude met DigiD |
|
Hero Brinkman (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Honderden burgers zijn slachtoffer van DigiD-fraude»1 en «Minister Donner: weinig fraude met DigiD»2 ?
Ja.
Was de eerdere uitspraak dat er slechts sprake was van «enkele gevallen» een onzorgvuldige uitspraak? Zo nee, vindt u dat uitspraken van ministers over de omvang van veiligheidsproblemen gebaseerd moeten zijn op het aantal klagende burgers of de resultaten van een onderzoeksrapport?
Nee, er is nooit ontkend dat er sprake was van fraude met toeslagen. Er is in deze casus echter geen sprake van DigiD-fraude in de zin van het ontvreemden van DigiD’s van de rechthebbende (zie de antwoorden op vragen van uw Kamer van 4 augustus 2011). De hier bedoelde fraude, die ook in het AD artikel van begin augustus aan de orde kwam, heeft plaats kunnen vinden doordat de Belastingdienst – uit dienstverleningsoogpunt – niet controleerde of de DigiD bij de rechthebbende hoorde.
De Belastingdienst heeft dit inmiddels aangepast, de rechthebbende kan voortaan alleen voor zichzelf – met zijn eigen DigiD – een aanvraag doen. Verder verwijs ik u naar de antwoorden van de staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 15 september 2011.
Wat is het precieze aantal fraudezaken dat is geconstateerd? Welke misdrijven zijn er naast fraude nog meer gepleegd met de verkregen gegevens? Wat is het totale schadebedrag? Verwacht u dat dit verder toe zal nemen? Indien u geen exacte cijfers kunt noemen, waarom kan dit niet en wanneer verwacht u wel exacte cijfers te kunnen noemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Het betrof in casu toeslagfraude.
Dit laat onverlet dat het niet onmogelijk is een DigiD te ontvreemden (zie het antwoord op vragen van uw Kamer van 4 augustus en 9 mei 2011). Sinds de invoering van DigiD in 2005 zijn door de beheerder van DigiD enkele honderden DigiD’s onderzocht vanwege een vermoeden van DigiD-fraude. Daarnaast zijn bij het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en -fouten enkele tientallen gevallen van vermoeden van misbruik gemeld. Niet in alle gevallen is er ook daadwerkelijk sprake van misbruik. Wanneer er wèl meer aan de hand blijkt te zijn wordt een DigiD opgeheven. Dat is dit jaar acht maal gebeurd, zoals aan uw Kamer gemeld.
Worden er aanvullende maatregelen genomen om fraude met DigiD in de toekomst te voorkomen?
Er worden doorlopend maatregelen genomen om fraude met DigiD te voorkomen. Het tegengaan van fraude is een continue wedloop tussen het nemen van beveiligingsmaatregelen en fraudeurs. In dat kader onderzoek ik momenteel de wenselijkheid en haalbaarheid van de invoering van een geheel nieuw (hoger) zekerheidsniveau binnen DigiD, de zogeheten eID/eNIK. Op 17 februari 2011 heb ik de Tweede Kamer tijdens het Algemeen overleg Grote ICT projecten toegezegd rond de zomer een besluit te willen nemen over de invoering daarvan. Er is echter meer tijd nodig om tot een afgewogen oordeel te komen. Eén van de nog openstaande punten betreft de financiering. Graag informeer ik u daarover voor het einde van dit jaar verder.
Beschouwt u DigiD als een veilig systeem? Zo nee, waarom niet?
Ja. DigiD biedt proportionele beveiliging, door meerdere betrouwbaarheidsniveaus te bieden. Of het betrouwbaarheidsniveau van DigiD voldoende veilig is, hangt af van het doel en de elektronische dienst waarbij het wordt ingezet.
Overigens is dat steeds een afweging van de overheidsinstantie die de elektronische dienst aanbiedt. Binnen deze overheidsinstanties worden in de eigen processen, al naar gelang de belangen van de transacties of geconstateerde fraudemogelijkheden, ook eigen maatregelen genomen (bijvoorbeeld de notificatie op het GBA-adres bij donorregistratie; en de maatregelen van de staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 15 september 2011).
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Nationale ombudsman dat «de overheid het probleem bij burgers neerlegt terwijl slachtoffers van DigiD-fraude niet goed worden geholpen» en dat «slachtoffers van het kastje naar de muur worden gestuurd en dat dienstverlening te traag zou verlopen»?
Om dat te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Over de opvang van de slachtoffers van de toeslagfraude verwijs ik u naar de brief van de Staatssecretaris van Financiën over dat onderwerp van 15 september 2011.
Om te voorkomen dat verontruste burgers die misbruik van hun DigiD vermoeden van het kastje naar de muur gestuurd worden, krijgen zij één aanspreekpunt als zij contact opnemen met de DigiD-helpdesk. Met de Belastingdienst is ook afgesproken dat meldingen niet worden afgesloten, totdat vanuit beide kanten zeker is gesteld, dat deze daadwerkelijk zijn opgepakt.
In het algemeen kunnen mensen die slachtoffer zijn van identiteitsfraude – en er met de betrokken partijen niet uitkomen – terecht bij het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude en -fouten (CMI), voor ondersteuning en advies.
Wat gaat u doen om slachtoffers van DigiD-fraude tegemoet te komen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Massale fraude |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Makkelijker konden ze het niet maken»?1
Ja.
Hoeveel dossiers hadden op 19 september 2011 dossiercode 508888, ofwel het vermoeden van identiteitsfraude? Kunt u ook aangeven hoe dit aantal zich per maand ontwikkeld heeft van 1 januari 2011 tot 1 september 2011?
Tot nu toe zijn er ongeveer 2 000 dossiers met de code 508888. Deze code heeft ook betrekking op fraudegevallen waarbij een burger, wiens identiteitsgegevens ten onrechte worden gebruikt, zelf betrokken is. Hij heeft in dat geval zelf gegevens aan derden verstrekt, zoals zijn DigiD. Het gaat hierbij dus om een andere vorm van fraude dan waarover het NRC berichtte.
Welke alarmsignalen zijn binnen de Belastingdienst/Toeslagen afgegaan bij deze massale fraude en waar hebben deze signalen toe geleid?
Eind 2010 werd duidelijk dat criminelen aanvragen deden met de identiteitsgegevens van derden die daar geen weet van hadden.
Om het hoofd te bieden aan deze ontwikkelingen is het toezicht verscherpt en is begin 2011 de antifraudebox in het leven geroepen die alle acties ter voorkoming en bestrijding van systeemfraude binnen de gehele Belastingdienst coördineert. Daarbij is o.a. te denken aan het in beeld brengen van verdachte burgerservicenummers en bankrekeningnummers. Ook is het toezicht bij de eerste aanvraag verscherpt. Aanvragen kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht bijv. worden vooraf getoetst.
Ook zijn er beheersmaatregelen getroffen die identiteitsfraude tegengaan, met name het proces rond het wijzigen van rekeningnummers is verscherpt en ook is het bij geen enkele toeslag meer mogelijk om met een andere DigiD, dan die van de rechthebbende te ondertekenen. Voor een uitgebreider overzicht verwijs ik naar de Fiscale Agenda2 en mijn brief van 15 september 2011 over toeslagfraude.
Voor hoeveel geld is er, naar uw schatting, in 2008, 2009, 2010 en 2011 gefraudeerd doordat toeslagen, voorlopige teruggaven en andere stortingen van de Belastingdienst op een rekeningnummer zijn gestort, dat niet toebehoorde aan degene die recht had op het geld?
In het huidige stelsel kan de rechthebbende elk rekeningnummer opgeven waarop uitbetaling moet plaatsvinden voor elke belastingteruggaaf en toeslag. In de praktijk leidt dat tot vergissingen en fraude. In het laatste geval gaat het om situaties waarin een fraudeur ervoor zorgt dat hij de rekening die de rechthebbende gebruikt wijzigt in een rekening waar de fraudeur de beschikking over heeft.
In antwoorden op Kamervragen3 is aangegeven dat de schatting van de schade als gevolg van de ontdekte systeemfraude inkomstenbelasting ca. € 45 miljoen was. Het overgrote deel van deze schade heeft betrekking op burgers die frauderen met hun eigen aangifte. De Belastingdienst schat het aandeel van de identiteitsfraude, waarbij burgers slachtoffer zijn van manipulatie van rekeningnummers door criminelen, op ongeveer 10%, € 4,5 miljoen. Dit bedrag wordt verhaald op de criminelen. De ervaringen in 2011 maken duidelijk dat het aandeel van de identiteitsfraude in de systeemfraude niet is gestegen. Het schadebedrag gaat omlaag omdat de Belastingdienst er steeds meer in slaagt om pogingen van fraude te onderkennen en uitbetalingen tegen te houden.
Ten aanzien van de identiteitsfraude bij toeslagen was eind 2010 sprake van een eerste fraudezaak die zodanig van omvang was dat ze voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking kwam. Hierbij waren ongeveer 200 slachtoffers betrokken en een fraudebedrag van ca. € 1 miljoen. Hiervan kon € 0,7 miljoen worden tegengehouden. In 2011 gaat het tot nu toe om enkele grote strafzaken waarbij 2 500 slachtoffers betrokken zijn. Het fraudebedrag dat op deze zaken betrekking heeft bedraagt ca. € 3 miljoen, waarvan € 2,2 miljoen kon worden tegengehouden. Het gaat hier, anders dan bij de zogenoemde 508 888 dossiers (zie het antwoord op vraag 2), om zaken waarbij de slachtoffers niet wisten dat er met hun gegevens gefraudeerd werd en daar ook geen aanleiding toe hadden gegeven.
Daarnaast zijn er ook kleinere gevallen van identiteitsfraude. Concrete cijfermatige informatie daarover is niet beschikbaar, aangezien fraudegevallen die bestuurlijk worden afgehandeld niet worden onderverdeeld naar fraudesoort.
In 2011 zijn maatregelen genomen die het manipuleren met rekeningnummers tegengaan: elke wijziging van een rekeningnummer moet schriftelijk worden bevestigd. Het te wijzigen rekeningnummer wordt direct buiten werking gesteld en de betaling op de nieuwe rekening wordt pas gestart nadat de bevestigingsbrief ontvangen en verwerkt is. Hierdoor is de meest gangbare vorm van identiteitsfraude bij toeslagen en belastingaangiften niet meer mogelijk. Alleen het «hengelen» naar poststukken wordt hiermee nog niet ondervangen. Als het voorstel om te komen tot één rekeningnummer dat op naam van belanghebbende moet staan zal zijn gerealiseerd, zal ook deze vorm van identiteitsfraude onmogelijk zijn.
Herinnert u zicht uw antwoorden op Kamervragen2 dat «op grond van de wet is het mogelijk uitbetaling van een belastingteruggaaf of tegemoetkoming te doen plaats vinden op een bankrekening die op naam gesteld is van een derde. Daarvan wordt op grote schaal gebruik gemaakt. ......Wanneer per belastingplichtige in beginsel nog slechts één rekeningnummer in gebruik is, wordt het laten uitbetalen van een teruggaaf of toeslag op rekeningnummer van een derde onmogelijk.»? Wanneer gaat u het wettelijk onmogelijk maken om een toeslag op een andere dan een eigen rekening (of gecontroleerde derdenrekening) uit te betalen?
In het wetsontwerp Overige Fiscale Maatregelen 2012 is het voorstel opgenomen om voor het uitbetalen van belastingteruggaven en toeslagen nog slechts één rekening per belastingplichtige toe te staan die ook op naam van die belastingplichtige staat. Naar aanleiding van mijn voornemen heeft uw Kamer hier vragen over gesteld. Ik zal deze vragen spoedig beantwoorden, omdat pas met de implementatie van dit voorstel kan worden begonnen als er politiek draagvlak voor is. Om die reden is gekozen voor een datum die bij koninklijk besluit zal worden bepaald. Mijn streven is wel om deze maatregel in 2012 te realiseren.
Heeft u al overleg gehad met de banken, zodat zij een naam/nummer-controle kunnen uitvoeren? Zo nee, wanneer zult u dit overleg plannen?
In het Algemeen overleg van 15 juni 2011 heb ik aangegeven dat ik op dit vraagstuk terug zou komen wanneer het ene bankrekeningnummer in de wet regel. Ik heb toen ook aangegeven dat de naam-nummercontrole vervolgens niet een-op-een in 2012 geregeld kan worden. Daar moet eerst de technische mogelijkheden en de uitvoerbaarheid bij betrokken worden.
Hoe vaak is het rekeningnummer veranderd door een derde, zonder dat de betrokkene dat kon beïnvloeden en heeft de Belastingdienst/Toeslagen of de belastingtelefoon het advies gegeven: «wij doen één poging om deze persoon het geld vrijwillig te laten terugstorten. Wil hij of zij dat niet, dan krijgt u zijn of haar gegevens en dan kunt u via een civiele procedure het geld terug proberen te krijgen.»?
In bijna alle gevallen gaat het om situaties waarin het aan de rechthebbende te wijten is dat er op een verkeerde rekening is uitbetaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij de rechthebbende zelf een verkeerd rekeningnummer heeft doorgegeven. In dergelijke gevallen probeert de Belastingdienst, als service naar de rechthebbende, degene die de betaling ten onrechte heeft ontvangen te bewegen tot terugbetaling. Als dit niet lukt voorziet de Belastingdienst de rechthebbende van de nodige informatie, zodat die zelf actie kan ondernemen.
In die gevallen waarin het bankrekeningnummer is gewijzigd terwijl de rechthebbende daarvan niet op de hoogte was krijgt deze rechthebbende alsnog zijn teruggaaf of toeslag uitbetaald. Het gaat dan om situaties waarin gefraudeerd is, of waarbij het de Belastingdienst te wijten is dat er uitbetaald is op een verkeerd rekeningnummer. Uiteraard betreur ik het als een slachtoffer van fraude niet de goede boodschap krijgt.
De Belastingdienst heeft geen informatie over het aantal gevallen van het wijzigen van rekeningnummers zonder dat de rechthebbende daarvan afwist.
Klopt het dat de politie weigert om de aangifte op te nemen in deze gevallen?
Als er oplichting of verduistering is gepleegd, is er sprake van een vermoeden van een misdrijf waarvan aangifte kan worden gedaan bij de politie. De politie behoort een dergelijke aangifte op te nemen. Het is mogelijk dat niet duidelijk is of er sprake is van een vermoeden van een misdrijf en dat de politie zich daarom terughoudend opstelt. Om die reden heeft de Belastingdienst ook de mogelijkheid gecreëerd om aangifte te doen bij de balie van de Belastingdienst. De buitengewoon opsporingsambtenaren van de Belastingdienst zijn nl. ook bevoegd tot het opnemen van dergelijke aangiften van strafbare feiten.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dan betrokkenen een oprecht excuus krijgen voor de gang van zaken bij de Belastingdienst en dat dit nooit, maar dan ook helemaal nooit, meer kan voorkomen?
Naar aanleiding van de fraudegevallen die in het nieuws zijn gekomen heeft de Belastingdienst de betreffende burgers, zijn excuses aangeboden.
Zoals ik in mijn brief van 15 september 2011 heb aangegeven is het – naast het voorkómen van fraude – zeer belangrijk om ook goede aandacht te hebben voor de slachtoffers van (pogingen tot) fraude. De betrokkenen weten niet altijd dat zij slachtoffer zijn van een poging tot fraude en ontvangen van de Belastingdienst voor hen onbegrijpelijke mededelingen. Het is dan een zeer verontrustende periode.
Bij de afhandeling van de fraudezaken is aan het licht gekomen dat het proces om slachtoffers te helpen verbeterd kan en moet worden. Daarom heeft Belastingdienst per direct een aantal maatregelen getroffen.
Burgers ten aanzien van wie duidelijk is dat zij slachtoffer zijn, worden door de Belastingdienst per brief geïnformeerd. In deze brief wordt aangegeven wat er is gebeurd en wat de Belastingdienst gaat doen om het te herstellen. Ook krijgen deze burgers een apart telefoonnummer waar zij naar toe kunnen bellen voor meer informatie.
Burgers die vermoeden dat er fraude met hun toeslagen wordt gepleegd kunnen daarvoor een apart fraudemeldpunt bellen. Op de internetpagina www.toeslagen.nl is dat meldpunt te vinden.
Verder kunnen burgers – zoals bij vraag 8 is aangegeven – zowel aangifte doen bij de politie als bij de Belastingdienst.
Tenslotte herstelt de Belastingdienst de ontstane schade. In het geval dat er invordering van de onterecht aangevraagde toeslagen wordt ingesteld bij het slachtoffer, wordt deze ongedaan gemaakt. In gevallen dat er een toeslag liep die is ontvreemd, krijgt het slachtoffer de misgelopen toeslag alsnog uitgekeerd. Het totaal van de ontstane schade wordt verhaald op de dader.
Levenslang entreeverbod Holland Casino |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Ik heb alles verloren», waarin een gokverslaafde mevrouw vertelt dat ze geen levenslang bezoekverbod kan krijgen bij Holland Casino, een Staatsdeelneming?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Holland Casino geen levenslang bezoekverbod oplegt indien een gokverslaafde daar zelf om vraagt, omdat het huishoudelijk reglement dat niet toelaat? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Op grond van de Beschikking casinospelen 1996 dient Holland Casino een evenwichtig beleid ten aanzien van kansspelverslaving te voeren. Holland Casino is in beginsel verplicht personen die in een casino aan een kansspel willen deelnemen, toe te laten. Daarbij is van belang dat Holland Casino binnen Nederland de enige organisatie is die een vergunning heeft om speelcasino’s te exploiteren en dat het derhalve een monopoliepositie bekleedt. Het maken van een inbreuk op de eigen keuzevrijheid van de casinobezoekers door het opleggen van een beperking of verbod zal daarom niet te snel mogen plaatsvinden. Er zal een duidelijke reden voor ingrijpen moeten zijn, waarvoor de Beschikking casinospelen 1996 en het Huisreglement het toetsingskader bieden.
Op basis van haar Huisreglement kan Holland Casino de toegang tot speelcasino’s ontzeggen aan personen die een entreeverbod of een bezoekbeperking hebben verzocht. Deze maatregelen gelden voor de gevraagde periode, welke ten minste zes maanden en ten hoogste één jaar duurt, en is niet tussentijds opzegbaar. Een gast kan ook vragen om een beperkende maatregel voor onbepaalde tijd. In de praktijk betekent dit dat de maatregel geldt voor minimaal een jaar. Daarna wordt in overleg tussen betrokkene(n) en Holland Casino een passend vervolgtraject bepaald. Holland Casino kan volgens zijn Huisreglement geen permanent beperkende maatregel opleggen.
De genoemde termijnen zijn in nauw overleg met verslavingszorginstellingen bepaald. Bij een langere minimumduur van een bezoekbeperking of entreeverbod bestaat het risico dat bezoekers van Holland Casino geen beperking of verbod als time out meer vragen. De mogelijke terugkeer naar gereguleerd legaal aanbod beoogt te voorkomen dat tijdens een getroffen maatregel gebruik wordt gemaakt van ongecontroleerde illegale (online) gelegenheden.
Het huidige stelsel van bezoekbeperkingen en entreeverboden behoeft in mijn ogen geen aanpassing. Het opleggen van een beperking of een verbod van ten hoogste één jaar creëert automatisch een toetsingsmoment na afloop van de getroffen maatregel. Na afloop van de getroffen maatregel kan opnieuw bepaald worden of de persoon in staat is zijn speelgedrag op een niet schadelijke wijze vorm te geven. Er bestaat geen beletsel een dergelijke getroffen maatregel meermaals voor een jaar op te leggen, mocht het speelgedrag in relevante mate schadelijk zijn voor de persoon of zijn omgeving. Overigens vindt na afloop van een tijdelijke beperking of verbod de terugkeer naar speldeelname op gecontroleerde wijze plaats. Er is bij de uitvoering van het preventiebeleid bijzonder oog voor hen die in het verleden schadelijk gedrag hebben vertoond. Deze personen dienen in het bijzonder begeleid te worden en niet geheel vrij gelaten te worden in hun speldeelname. Het huidige stelsel van bezoekbeperkingen biedt hiertoe de mogelijkheid.
Kan Holland Casino een levenslang bezoekverbod opleggen indien iemand er zelf om vraagt? Zo ja, wilt u dit dan meteen laten opnemen in de huisregels? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er andere beperkingen om mensen die dat zelf willen een levenslang bezoekverbod op te leggen? Zo ja, wilt u deze aan de Kamer sturen met de actie die u dan gaat ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat de Kamer wel lobbybrieven van Holland Casino ontvangt om aanbod uit te breiden, maar niet over aanscherpen preventie maatregelen tegen gokverslaving? Vindt u dat Holland Casino hiermee aantoont als Staatsdeelneming de juiste prioriteiten te stellen?
Gezien het debat dat momenteel plaatsvindt over de modernisering van het kansspelbeleid acht ik het begrijpelijk indien Holland Casino zich tot u wendt om zijn visie op het stelsel kenbaar te maken. Daarnaast constateer ik dat de Algemene Rekenkamer zich recent nog in haar rapport «Holland Casino: naleving overheidsbeleid»2 positief heeft uitgelaten over het door Holland Casino gevoerde Preventiebeleid Kansspelen. Dit versterkt bij mij het vertrouwen dat Holland Casino in de uitvoering van zijn taken de juiste prioriteiten stelt.
Grootschalige fraude door middel van DigiD met kinderopvang-, huur- of zorgtoeslagen |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Makkelijker konden ze het niet maken»?1
Ja.
Is het waar dat er sprake is van «massafraude» met toeslagen die de Belastingdienst uitkeert? Zo ja, hoe groot is de fraude, uitgedrukt in euro’s en aantal slachtoffers, naar schatting? Zo nee, wat is dan niet waar?
Ten aanzien van de fraude bij toeslagen was eind 2010 sprake van een eerste fraudezaak die zodanig van omvang was dat ze voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking kwam. Hierbij waren ongeveer 200 slachtoffers betrokken met een fraudebedrag van ca. € 1 miljoen. Hiervan kon € 0,7 miljoen worden tegengehouden. In 2011 gaat het tot nu toe om enkele grote strafzaken waarbij ongeveer 2 500 slachtoffers betrokken zijn. Van een potentieel fraudebedrag van ca. € 3 miljoen kon de uitbetaling van € 2,2 miljoen worden tegengehouden. Het gaat hier om zaken waarbij de slachtoffers niet wisten dat er met hun gegevens gefraudeerd werd.
Daarnaast zijn er ook kleinere gevallen van fraude waarbij de schade beneden de aanmeldgrens voor strafrechtelijke vervolging (€ 10 000) blijft. Concrete cijfermatige informatie daarover is niet beschikbaar, aangezien fraudegevallen die bestuurlijk worden afgehandeld niet worden onderverdeeld naar fraudesoort.
Kende u al eerder berichten over dergelijke fraude? Zo ja, waarom hebt u er dan niet eerder iets aan gedaan? Zo nee, hoe kan dat?
In de Fiscale Agenda2 en in de 8e halfjaarsrapportage Belastingdienst3 heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven welke maatregelen de Belastingdienst heeft genomen en welke maatregelen de Belastingdienst voor de nabije toekomst voorbereidt om de fraude te voorkomen en te bestrijden. De aanleiding voor deze maatregelen was het feit dat de Belastingdienst in 2010 signalen kreeg van fraude.
Zoals de staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 15 september 2011 heeft aangegeven, zijn er gedurende 2011 twee specifieke maatregelen gerealiseerd die de fraude, zoals gemeld in het NRC-artikel, tegen moeten gaan. Het gaat om het onmogelijk maken van het doen van aanvragen bij de Belastingdienst voor een ander en om het schriftelijk bevestigen van een wijziging van een rekeningnummer.
In eerste instantie zijn deze maatregelen getroffen bij de kinderopvangtoeslag en bij de verzoeken tot wijziging van rekeningnummers die op papier worden ingediend. Vanaf 15 augustus 2011 zijn de maatregelen van toepassing op alle toeslagen en geldt dat alle verzoeken (op papier of digitaal) van het wijzigen van een rekeningnummer door de burger schriftelijk bevestigd moet worden.
Is het waar dat de Belastingdienst de DigiD bewust niet controleerde? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit in het licht van deze fraude zeer ongewenst is en wat gaat u hier aan doen? Zo nee, wat is dan niet waar aan dat bericht?
Vanuit dienstverleningsoptiek is het inderdaad mogelijk geweest om voor een ander een aanvraag of wijziging van een toeslag van een ander door te geven aan de Belastingdienst. De Belastingdienst had het proces zo ingericht, dat er niet werd gevraagd werd naar de DigiD van de rechthebbende. Zonder deze mogelijkheid was het, vanaf het begin van toeslagen, niet mogelijk geweest om hulpbehoevenden door derden te laten helpen bij het aanvragen of wijzigen van toeslagen. Tot het einde van 2010 waren er geen signalen dat er hier veel fraude mee werd gepleegd. Vanaf het eind van 2010 is dat beeld veranderd.
Daarom is het nu niet meer mogelijk om namens een ander aanvragen of wijzigingen van toeslagen door te geven.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid om met een vreemde DigiD te ondertekenen, moet verdwijnen? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst heeft het proces inmiddels zo ingericht dat de indiener van de aanvraag voortaan alleen voor zichzelf – met zijn eigen DigiD – een aanvraag kan doen.
Wat gaat u doen om de gedupeerden te compenseren?
Gedupeerden krijgen van de Belastingdienst een brief waarin wordt aangegeven dat zij slachtoffers zijn van een fraude. In de brief wordt verder aangegeven wat dit voor hen betekent. Voor gedupeerden die geen recht op toeslag hebben, worden de onterecht uitgekeerde toeslagen kwijtgescholden. Deze bedragen worden verhaald op de fraudeur.
Gedupeerden die wel recht op een toeslag hadden, maar die de toeslag als gevolg van de fraude niet hebben gekregen, krijgen dit alsnog.
Wat gaat u doen om de fraudeurs aan te pakken? Heeft dit al resultaat gehad en zo ja, welk resultaat?
Ten aanzien van de thans lopende zaken geldt dat er een strafrechtelijk onderzoek loopt, daarom kan ik niet concreet op deze zaken ingaan.
Daarnaast geldt dat – zoals ik hiervoor heb aangegeven – de Belastingdienst ten aanzien van fraude met toeslagen de nodige maatregelen heeft getroffen. Dit wil evenwel niet zeggen dat er geen fraudegevallen meer aan het licht zullen komen. Fraudeurs zullen immers blijven zoeken naar fraudemogelijkheden.
Daarom heeft de Belastingdienst de antifraude box opgericht, die Belastingdienstbreed analyses maakt en daarop gerichte acties initieert en bewaakt. Daarnaast besteedt ook de FIOD meer capaciteit aan het actief opsporen en bestrijden van fraude. Tenslotte zal eind dit jaar een interdepartementale werkgroep rapporteren over hoe de fraudeaanpak verder geïntensiveerd kan worden. Op basis daarvan zal het kabinet dan met voorstellen komen.
Het Nederlandse veto tegen de toetreding van Roemenie en Bulgarije tot Schengen |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Nu tijdens het algemene overleg JBZ in de Tweede Kamer op 15 september 2011 de minister voor Immigratie en Asiel heeft aangegeven dat Nederland een veto zal uitspreken tegen de toetreding van Roemenie en Bulgarije tot het Schengengebied, is dit het definitieve standpunt van de Nederlandse regering of staat Nederland nog open voor alternatieve voorstellen die tijdens de aanstaande JBZ-Raad op tafel worden gelegd?
Tijdens de JBZ-raad van 22 september jl. heeft de regering het standpunt uitgedragen dat zij op dit moment onvoldoende vertrouwen heeft om in te kunnen stemmen met toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de Schengenzone. Zij is van mening dat enkel het voldoen aan de technische criteria niet voldoende is voor de toetreding van Roemenië en Bulgarije. Nederland wil dat beide landen de noodzakelijke hervormingen doorvoeren op het terrein van een effectief en efficiënt functionerend justitieel stelsel en de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit en dat ze deze hervormingen ook implementeren. De Commissie heeft in de CVM-rapporten van juli 2011 nog serieuze tekortkomingen geconstateerd op het gebied van de hervorming van de rechtsstaat.
Tijdens het AO JBZ-Raad van 15 september jl. heb ik dit standpunt toegelicht en middels het verslag van de JBZ-Raad bent u ingelicht over het verloop van de discussie in de Raad waarbij de Nederlandse inbreng ook is weergegeven.
Wat is uw reactie op het feit dat een grote meerderheid in het Europees Parlement voor de volgende stap in het toetredingsproces heeft gestemd?
Het EP is van mening dat enkel de technische criteria van het Schengenacquis moeten worden gewogen. Het kabinet is het daar niet mee eens. Afgaande op de inbreng van verschillende fracties in de Tweede Kamer tijdens het AO JBZ-Raad van 15 september is de conclusie gerechtvaardigd dat het standpunt van het kabinet wordt gesteund door een brede meerderheid in de Tweede Kamer.
Hoe verklaart Nederland, dat als enige land waarschijnlijk tegen zal stemmen, dat de meeste andere lidstaten wel voor toetreding van Bulgarije en Roemenië zijn? Op welke punten verschilt Nederland feitelijk met hen van mening?
Nederland en Finland zijn momenteel dezelfde mening toegedaan.
Ook Frankrijk en Duitsland zijn van mening dat Bulgarije en Roemenië meer moeten doen op het terrein van de hervorming van de rechtsstaat. Zij vinden daarom ook dat van volledige toetreding nog geen sprake kan zijn, maar zien mogelijkheden voor een gedeeltelijke toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Schengenzone.
Herinnert u zich uw antwoord op de vragen over de link tussen toetreding tot Schengen en de afspraken in het Coöperatie en Verificatie Mechanisme (CVM), waarin u aangeeft dat een structureel verband tussen beiden de goedkeuring van de toetredende landen behoeft en niet haalbaar lijkt?1
Ja, dat antwoord geldt nog steeds.
Op basis van welke rechtsgrondslag meent u nu dat het mogelijk is om de afspraken van het CVM wel in verband te brengen met toetreding en zelfs doorslaggevend te laten zijn voor de besluitvorming over de toetreding van beide landen?
In juridisch opzicht wordt er geen directe koppeling gelegd tussen artikel 4 van de Toetredingsakte van Roemenië en Bulgarije en het CVM. Het juridisch kader (artikel 4) bestaat uit twee hoofdelementen: het voldoen aan de technische voorwaarden, overeenkomstig de Schengenevaluatieprocedures, en een appreciatie door de Raad. In de Toetredingsakte is daartoe in de voorwaarde van een unaniem Raadsbesluit voorzien. Inherent daaraan is de mogelijkheid dat, op basis van appreciatie, de unanimiteit niet wordt bereikt. Nederland heeft juridisch gezien dus de ruimte om een eigen afweging te maken op basis van de vraag of er voldoende vertrouwen is om de binnengrenscontroles met Roemenië en Bulgarije op te heffen.
Kunt u uiteenzetten wat feitelijk uw bezwaren zijn tegen een alternatieve gedeeltelijke toetreding van beide landen?
Nederland moet kunnen vertrouwen op een goede implementatie en naleving van reeds aangenomen wetgeving en op het goed functioneren van de instituties die het Schengenaquis toepassen. Vooral corruptie moet consequent worden aangepakt om de integriteit van de grenscontroles te kunnen waarborgen. Hoewel Roemenië en Bulgarije vooruitgang hebben geboekt bij de aanpak van de corruptie, de werking van de rechtelijke macht en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, maken de meest recente rapporten ook duidelijk dat er meer vooruitgang nodig is.
Het kabinet meent dan ook dat het nog te vroeg is onomkeerbare stappen te zetten in dit proces. Daarmee is partiële toetreding van Roemenië en Bulgarije op dit moment geen goede optie.
Zijn er alternatieve waarborgen / mechanismen voor u denkbaar die gedeeltelijke toetreding wel mogelijk zouden maken? Indien ja, welke? Indien nee, heeft u de mogelijkheden hiertoe verkend?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om, als partiële toetreding in de JBZ-Raad wordt voorgesteld, in ieder geval de mogelijkheden ervan te bezien alvorens u definitief uw standpunt verwoordt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat Nederland al jaren een goede handelsrelatie met Roemenië en Bulgarije onderhoudt?
De Nederlandse relaties met Bulgarije en Roemenië zijn zeer breed, goed en intensief. Dat geldt in het bijzonder voor de economische relaties. Roemeense en Bulgaarse politici erkennen dat handhaving van deze goede relaties in Nederlands maar ook in Bulgaars en Roemeens belang zijn. Hoewel het principiële Nederlandse standpunt over Schengen voor hen een teleurstelling is, verwachten wij geen verschuiving in de Roemeense en Bulgaarse positie tegenover Nederland.
Welke gevolgen verwacht u van een Nederlands nee-stem, voor de diplomatieke verhoudingen tussen Nederland en Roemenië en tussen Nederland en Bulgarije?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u uiteenzetten wat de feitelijke gevolgen (weergegeven in cijfers) voor de Nederlandse export zullen zijn als deze landen nu niet kunnen toetreden tot Schengen?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om de bovenstaande vragen binnen drie dagen en nog voor de aanstaande JBZ-Raad van 22 september 2011 te beantwoorden?
Tijdens het AO JBZ-Raad van 15 september jl. heeft een uitgebreide gedachtewisseling plaatsgevonden over dit onderwerp. De inbreng van de verschillende fracties is meegenomen bij het definitief vaststellen van het standpunt tijdens de JBZ-Raad. Deze vragen zijn derhalve niet beantwoord voor 22 september 2011.
Het bericht dat een hoogbejaarde mevrouw uit een verpleeghuis wordt gezet omdat haar zoon klaagde over de kwaliteit van zorg |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het bericht1 dat een hoogbejaarde mevrouw gedwongen moet verhuizen uit verpleeghuis Vivaldi te Zoetermeer omdat haar zoon geklaagd heeft over de kwaliteit van zorg?
Het bericht dat betreffende mevrouw uit het verpleeghuis moet verhuizen klopt. Over de oorzaak daarvan kan het volgende worden gesteld. In verpleeghuis Vivaldi is een situatie ontstaan, waarbij er sprake is van een verstoorde relatie tussen de zoon van een bewoonster en de medewerkers van het verpleeghuis. Door deze verstoorde relatie is het voor beide partijen onmogelijk geworden om tot een goede samenwerking te komen. Het wederzijds respect is verdwenen. De rechter heeft in deze zaak, aangespannen door de zoon, geoordeeld dat Vivaldi gewichtige redenen heeft om de zorgovereenkomst op te zeggen.
Deelt u de mening dat, wanneer er sprake is van klachten over de kwaliteit van zorg, het verpleeghuis deze klachten moet oplossen in plaats van de klager op straat te zetten?
Ja, ik ben van mening dat iedere zorginstelling alle klachten die zij ontvangt, serieus moet nemen en oplossen. Ik vind het zeer belangrijk dat er wordt geluisterd naar de wensen, maar ook naar de klachten van de cliënt. In de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) staat dat elke zorgaanbieder een regeling moet treffen voor de behandeling van klachten over een gedraging van hem of van voor hem werkzame personen jegens een cliënt. In de voorliggende zaak is klager niet zomaar op staat gezet. Ik verwijs u daarvoor graag naar mijn antwoord op uw eerste vraag en naar het antwoord op vraag 3.
Welke maatregelen heeft dit verpleeghuis genomen om de kwaliteit van zorg voor deze mevrouw te verbeteren?
Ik heb me laten informeren door mijn Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), die bij Vivaldi is geweest. De IGZ heeft een onaangekondigd bezoek afgelegd, waarin specifiek naar de situatie van de bewoonster is gekeken. De IGZ constateert dat Vivaldi verschillende acties heeft ondernomen om tot een betere samenwerking te komen met de zoon. Er zijn regelmatig gesprekken geweest met de zoon en de medewerkers, er is psychologische begeleiding voor het team ingeschakeld en Vivaldi heeft advies gevraagd bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE).
Bent u bekend met de eerdere vragen over dit verpleeghuis?2 Waarom blijft dit verpleeghuis het nieuws halen met misstanden?
Ja daar ben ik bekend mee. Zowel de IGZ als de Rechtbank heeft geoordeeld dat hier geen sprake is van misstanden.
Vindt u het recente opheffen van het verscherpt toezicht op Vivaldi ook raar?
Verpleeghuis Vivaldi is nooit onder verscherpt toezicht gesteld.
Wordt het niet eens hoog tijd dat de gehele directie van Vivaldi zelf eens aan verhuizen denkt? Hoe kunt u dat bewerkstellingen?
Ik begrijp uit uw vraag dat u geen vertrouwen meer hebt in de directie. Het is – mits opportuun – primair aan anderen om in te grijpen in de bestuursstructuur van zorginstellingen. De Raad van Toezicht kan alsdan extra toezicht op het bestuur houden en als uiterste middel het bestuur ontslaan of schorsen. Cliëntenraden, ondernemingsraden en zorgkantoren kunnen kritische vragen stellen en naar de Ondernemingskamer stappen.
Hoe kunnen mensen in verpleeghuizen beter worden beschermd tegen represailles wanneer zij klagen over de kwaliteit van zorg?
Onder verwijzing naar het antwoord op uw vragen 1 en 3 lijkt het woord «represailles» in dezen niet aan de orde.
In algemene zin is het zo dat met de komst van de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) er een onafhankelijke geschilleninstantie wordt ingesteld, die de cliënt een extra bescherming biedt. Als een cliënt of familielid een klacht indient bij de zorginstelling en deze handelt de klacht niet naar tevredenheid af, dan kan de klager bij de geschilleninstantie terecht voor een onafhankelijke bindende uitspraak.
In de Beginselenwet zorginstellingen wil ik, zoals ook afgesproken in het Regeer- en het Gedoogakkoord, gaan regelen dat de IGZ bij zeer ernstige individuele klachten op het gebied van verzorging en bejegening onmiddellijk kan optreden. In casu heeft dit IGZ dit ook gedaan.
Het bericht 'Onrust bij organisatie asielopvang' |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van de berichtgeving in de media1, de Kamer binnen een week informeren over de interne situatie bij het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA)?
Direct na de berichtgeving in de media over het COA ben ik in overleg getreden met de Raad van Toezicht van het COA en heb ik om opheldering gevraagd. De Raad heeft mij daarop op 19 september jl. laten weten te hebben besloten tot een gericht onderzoek naar de aanwezigheid van een angstcultuur, door onafhankelijk te laten onderzoeken waarom geen gebruik is gemaakt van de aanwezige mogelijkheden om klachten binnen de organisatie aan de orde te stellen. Ik hecht zeer aan een grondig en onafhankelijk onderzoek in het belang van alle betrokkenen. Dat de Raad van Toezicht dit direct heeft geïnitieerd na de NOS uitzending over de gestelde problemen vind ik een verstandig besluit. Het onderzoek zal worden verricht door de heer mr. R.J. Hoekstra. Ik zal uw kamer nader informeren over de uitkomsten van het onderzoek.
Defensie in Griekenland |
|
Ewout Irrgang , Harry van Bommel (SP) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat Griekenland veel geld blijft uitgeven aan defensie ondanks de financiële problemen? Deelt u de mening dat dergelijke uitgaven absurd zijn, in het licht van de grote offers die van de Griekse bevolking gevraagd worden?
Het budget van het Griekse ministerie van Defensie is de laatste jaren aanzienlijk gekort. Deze korting op het defensiebudget maakt onderdeel uit van de afspraken met de EU en het IMF. De budgettaire keuzes zijn op nationaal niveau geïnitieerd. De belangrijkste bezuinigingsmaatregel is de sterke temporisering en annulering van diverse investeringsplannen (schepen, jachtvliegtuigen). Slechts tweedehands defensiematerieel kan nog worden aangeschaft. Daarnaast zijn strenge salarismaatregelen genomen. Het volume van de wapenaankopen is onder de huidige financiële omstandigheden sterk gedaald en betreft vervanging of aankopen voor inzet van beschikbare wapensystemen, zoals munitie. Volgens het Griekse Institute of Defence Analysis zijn de totale defensie-uitgaven zijn in 2011 met 18% gedaald t.o.v. 2010 en op wapenaankopen is met 20% bezuinigd.
Wat is uw reactie op het bericht dat er 400 tanks uit de VS naar Griekenland gaan?1
Ik heb van dit bericht kennisgenomen. Naar verluidt hebben de VS een aanbod gedaan om 400 gevechtstanks van het type A1A Abrams gratis te leveren. Omdat de kosten die met transport en logistiek daarvan zijn gemoeid zeer aanzienlijk zouden zijn en voor rekening van Griekenland komen, heeft deze transactie niet plaatsgevonden. Dit wordt bevestigd door het Griekse ministerie van Defensie.
Kunt u bevestigen dat de Grieken de afgelopen 5 jaar 170 nieuwe F16’s hebben gekocht en in totaal 300 F16’s willen hebben? Klopt het bericht uit de vakpers dat er door de Griekse regering een contract van 3,1 miljard dollar is afgesloten voor de levering van reserveonderdelen voor deze F16-vloot?2
Volgens het Griekse Institute of Defence Analysis heeft Griekenland over een periode van 21 jaar (1989–2010) in totaal 170 F-16’s aangeschaft, waarvan er thans (2011) nog 157 in dienst zijn. De levering van reservedelen in dezelfde periode heeft naar schatting een financieel volume gehad van EUR 1,7 miljard. Er is geen aankoop van verdere F16’s voorzien. Het totaal aantal jachtvliegtuigen waarover de Griekse luchtmacht beschikt is ca. 300, oudere types inbegrepen. Het Institute For Defence Analysis meldt tevens dat alle vervangingsplannen thans zijn bevroren.
Op welke manier voert Griekenland de met het IMF afgesproken bezuinigingen op defensie uit? Waarop wordt er bezuinigd?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de berichten bevestigen dat de regeringen van Frankrijk en Duitsland de economische crisis gebruiken om wapens aan Griekenland te verkopen?4 Op welke wijze vergewist u zich ervan dat overheden de situatie in Griekenland niet misbruiken om wapenverkopen er door te drukken?
Neen, ik kan de berichtgeving waar u naar verwijst niet bevestigen. De Trojka houdt nauw toezicht op alle uitgaven door Griekenland, inclusief de uitgaven op het terrein van defensie.
Misstanden rond het functioneren van de bestuursvoorzitter van het COA |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Is het waar dat de bestuursvoorzitter van het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) een inkomen heeft (van 273 000 euro per jaar) dat de afgesproken Balkenende-norm ver overstijgt en ook nog een dienstauto heeft besteld die duurder is dan de richtlijnen toestaan? Zo ja, deelt u de mening dat iemand die zichzelf bewust teveel belastinggeld toe-eigent, de burger minacht en daarom zo snel mogelijk uit zijn/haar functie ontheven moeten worden? Zo ja, welke stappen gaat u hiertoe ondernemen?1
Het is juist dat het inkomen van de bestuursvoorzitter van het COA boven het voor de publieke sector geldende maximum inkomen lag. Ik acht dit niet wenselijk, en heb daarom begin dit jaar richting de bestuursvoorzitter en de Raad van Toezicht aangegeven dat de bezoldiging van de bestuursvoorzitter dient te worden bijgesteld tot onder de voor de publieke sector geldende maximum inkomensnorm. Met de Raad van Toezicht heb ik afgesproken dat de bezoldiging structureel aan deze norm zal voldoen.
De afgelopen maanden heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden over de bezoldiging van de bestuursvoorzitter in het kader van de benoeming bij de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet centrale opvang asielzoekers. Met de Raad van Toezicht van het COA heb ik moeten constateren dat er sprake is van inconsistentie in de informatie die ons is geleverd over de bezoldiging van de Bestuursvoorzitter van het COA. De vragen die dit bij de Raad van Toezicht en mij heeft opgeroepen hebben er toe geleid dat de Raad van Toezicht de bestuurvoorzitter op non-actief heeft gesteld. Ik heb de Raad van Toezicht verzocht mij op de kortst mogelijke termijn volledig en correct over alle openstaande vragen te informeren. De door uw Kamer gevraagde brief van de Raad van Toezicht ontvangt u op dat moment.
Wat is uw reactie op de gepresenteerde stelling dat door toedoen van genoemde bestuursvoorzitter teveel belastinggeld is verspild, bijvoorbeeld door het open houden van teveel opvangcapaciteit? Hoe kunnen, naast het vertrek van de bestuursvoorzitter, problemen rond de bedrijfsvoering van het COA worden verbeterd?
In beginsel past bij een krimpende organisatie dat er tijdelijk sprake is van overcapaciteit, die vervolgens wordt afgestoten. Het feit dat er opvangplekken leeg staan vormt dan ook geen aanleiding om op voorhand te concluderen dat er belastinggeld verspild wordt. Wel is de vraag reëel of de systematiek waarop het COA wordt bekostigd nog actueel is. Nu de instroom van asielzoekers al langere tijd dalende is, worden de marges in de opvangcapaciteit steeds kleiner. Tegen die achtergrond verbreed ik mijn lopende onderzoek naar verbeteringen in de financieringssystematiek van het COA, naar een extern onderzoek naar de actualiteit, houdbaarheid en doelmatigheid van de huidige financieringssystematiek, die gebaseerd is op Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) uit 2004.
Kunt u aangeven hoe de genoemde misstanden hebben kunnen ontstaan, en onder wiens verantwoordelijk ze zijn ontstaan?
Zie antwoord vraag 2.
Ophoging van de Palestijnse VN-status |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Netanyahu: Israel will agree to upgrade of Palestinian status, not statehood», waaruit blijkt dat de Israelische premier Netanyahu bereid is te praten over een hogere VN-status voor de Palestijnen? Klopt de naar voren gebrachte informatie over deze vermeende Israelische bereidheid?1
Het kabinet zal voorstellen steunen die de hervatting van de onderhandelingen dichterbij brengen en dus op medewerking van alle betrokken partijen kunnen rekenen.
Bent u bereid dit plan in EU-verband te steunen en voor te stemmen of u van stemming te onthouden wanneer het in stemming komt bij de Verenigde Naties? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van plan, wanneer er consensus is over steun voor een bepaalde variant van Palestijnse VN-status onder de overige 26 EU-lidstaten zonder Israelische steun voor die variant, consensus van de hele EU te blokkeren door tegen te zijn?
Het kabinet zal handelen in het belang van het vredesproces. Ook de HV Ashton zet in op spoedige hervatting van directe vredesbesprekingen. Om dit mogelijk te maken moedigt zij alle partijen aan alleen stappen te zetten die voor de andere betrokkenen acceptabel zijn.
Deelt u de mening dat Nederland een constructievere rol had kunnen spelen door zich in eerdere stadia niet direct en louter uit te spreken tegen eenzijdig uitroepen van een Palestijnse staat, maar in plaats daarvan te pleitten voor oplossingen die mogelijk door alle partijen in het Midden-Oosten Vredesproces gedragen konden worden, zoals het ophogen van de Palestijnse status?
Nederland speelt een constructieve rol, heeft beide partijen ook afgelopen dagen opnieuw opgeroepen hervatting van de onderhandelingen mogelijk te maken. Nederland heeft in bilaterale contacten met partijen suggesties gedaan hoe deze onderhandelingen dichterbij te brengen. Het kabinet blijft deze rol spelen.
Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden, gezien de aankondiging van president Abbas om 23 september aanstaande een resolutie in stemming te brengen?
Deze vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De inwerkingtreding Scheepsafvalstoffenverdrag |
|
Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het Scheepsafvalstoffenverdrag (CDNI-verdrag) per 1 januari 2012 in werking treedt, waardoor passagiersschepen met een capaciteit van meer dan 50 passagiers/bedden geen huishoudelijk afvalwater meer mogen lozen?
Ik ben ermee bekend, dat per 1 januari 2012 een onderdeel van afdeling C van het Scheepsafvalstoffenverdrag Rijn- en binnenvaart (CDNI) in werking treedt, waarmee een lozingsverbod wordt ingevoerd voor het afvalwater van passagiersschepen met een capaciteit van meer dan 50 personen/bedden.
Afdelingen A en B van dit verdrag zijn reeds in werking getreden in 2009 en 2010.
Bent u op de hoogte van het feit dat het Scheepsafvalstoffenverdrag verdragsluitende staten verplicht een adequaat netwerk van ontvangstinrichtingen voor het afvalwater te (laten) realiseren?
De verdragsluitende staten hebben op grond van de Uitvoeringsregeling bij dit verdrag de keuze tussen:
De verdragsluitende partijen hebben naar aanleiding van onderzoek (nationaal en internationaal) gezamenlijk afgesproken, dat optie b het best aansluit bij de huidige praktijk.
Nederland beschikt over een uitgebreid netwerk van commerciële afvalinzamelaars, die reeds hebben aangegeven, dat deze afvalstroom zonder problemen via dit netwerk kan worden verwijderd.
Met de binnenvaartbranche is sinds 2008 overlegd over de invoering van deze optie. Het is de sector bekend dat zij zelf afspraken met inzamelaars moet maken.
Om die afspraken verder te vergemakkelijken heeft mijn ministerie samen met het Centraal Bureau voor de Rijn en Binnenvaart (CBRB) een onderzoek laten uitvoeren naar behoefte aan inzamelvoorzieningen qua plaats, tijdstip en volume. De resultaten hiervan zijn in het voorjaar aangeboden aan de branchepartijen, zowel van de zijde van de scheepvaart als de afvalinzamelaars. Zo zijn op kaarten de precieze plaatsen aangegeven waar de scheepvaart behoefte heeft aan afgiftepunten.
Bent u ervan op de hoogte dat er door gemeenten nog nauwelijks afvalwater-inzamelingspunten aan wal gerealiseerd zijn en passagiersschepen vooralsnog hun afvalwater slechts op een beperkt aantal punten kunnen afleveren?
Inzameling van afvalwater door gemeenten is één van de mogelijkheden binnen een netwerk dat door de markt wordt aangeboden.
Is het waar dat u de zorgplicht die de Nederlandse staat volgens het CDNI-verdrag heeft, neerlegt bij commerciële inzamelaars (bilgeboten, vacuümwagens of – waar mogelijk – via pontons), in plaats van deze zorgplicht te delegeren aan gemeenten, zodat in overleg met de sector adequate afgiftepunten kunnen worden gerealiseerd?
Alle lidstaten kiezen voor inzameling van het afvalwater van de passagiersschepen met meer dan 50 plaatsen/bedden via commerciële inzamelaars. De binnenvaartsector moet zelf afspraken maken met de inzamelbranche over vaste dan wel mobiele afgiftepunten.
Bent u bekend met de volgende informatie en kunt u die bevestigen:
Op basis van het eerder genoemde onderzoek dat de wensen van de sector heeft geïnventariseerd, kwam het volgende naar voren:
Het gemiddeld opslagvermogen van de onderzochte schepen bedraagt ca. 14 m3, zodat een inzamelfrequentie van maximaal twee keer per week voldoende is.
Commerciële inzameling is niet beperkt tot mobiele inzameling per vaartuig of vrachtwagen. De branchepartij van afvalinzamelaars heeft in het overleg met de binnenvaartsector aangegeven, dat een maatwerkpakket kan worden aangeboden van vaste inzamelpunten op drukke afmeerlocaties en bijvoorbeeld mobiele inzameling op de minder drukke trajecten. Het is aan de binnenvaartsector, om de specifieke wensen en keuzes hierin kenbaar te maken.
Op basis van welke gegevens gaat u er vanuit, dat commerciële inzamelaars de benodigde capaciteit wél kunnen leveren?
De branchepartij van afvalinzamelaars heeft in het overleg met de binnenvaartsector herhaaldelijk aangegeven, dat zij maatwerk kunnen bieden aan de passagiersvloot, die met een omvang van ca. 250 schepen een overzichtelijke doelgroep vormt. De huidige spreiding in het inzamelnetwerk, komt goed overeen met de wensen van de passagiersvloot.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgdragen dat Nederland aan de verplichting van het verdrag gaat voldoen?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 4.
Indien per 1 januari 2012 onvoldoende afgiftepunten beschikbaar zijn. Bent u dan bereid te voorkomen dat passagiersschepen worden beboet, vanwege het lozen van afvalwater, bij gebrek aan afgiftepunten?
Ik heb geen reden om eraan te twijfelen, dat het grote netwerk aan commerciële inzamelbedrijven een passende oplossing kan bieden aan de passagiersvloot. Daarvoor moet de binnenvaartsector zelf afspraken met de inzamelaars maken. Ik heb de SAB bereid gevonden om hierbij te helpen. Ik zal monitoren of dit proces zich goed ontwikkelt en daarover contact houden met de binnenvaartsector, de afvalinzamelaars en de SAB.
De bestuurscollegewisseling op Bonaire |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de verwikkelingen rondom het bestuurscollege op Bonaire?1
Ik betreur het relatief hoge aantal bestuurswisselingen op Bonaire. Dat komt in het algemeen de bestuurlijke stabiliteit niet ten goede. Ik hoop op meer bestendigheid voor de toekomst.
Bent u van mening dat de bestuurscollegewisseling volgens de juiste procedures is verlopen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke gevolgen heeft dit voor het bestuur op Bonaire?
Mij is gebleken dat ter vergadering van de eilandsraad van Bonaire op 12 september jl. afscheid is genomen van een lid van de eilandsraad; tevens werd een nieuw lid van de eilandsraad toegelaten en beëdigd. Daaropvolgend hebben twee van de drie leden van het bestuurscollege in diezelfde vergadering hun ontslagbrief ingediend. Een derde lid van het bestuurscollege had dat reeds eerder gedaan. Na beraadslaging in twee ronden nog steeds in diezelfde vergadering werden de nieuwe gedeputeerden benoemd en beëdigd.
Mij is bekend dat een lid van de eilandsraad bezwaar had gemaakt omdat de omstandigheid dat een ander lid van de eilandsraad per brief het vertrouwen in het zittende bestuurscollege had opgezegd als zodanig niet op de agenda stond. Met de agendapunten «Afscheid en toetreden van een raadslid» en «Afscheid en verkiezing van leden van het bestuurscollege» zou op zaken vooruit worden gelopen. Na beraadslaging hierover heeft de eilandsraad echter met de voorliggende agenda ingestemd.
Tevens is mij bekend dat er bezwaren zijn geuit tegen de omstandigheid dat een benoemd lid van het bestuurscollege eerst op 27 september 2011 de benoeming heeft aanvaard, dus na afloop van de termijn genoemd in artikel 45 van de Wolbes. Daarover merk ik het volgende op.
Artikel 45 van de Wolbes schrijft voor dat een benoemde eilandgedeputeerde uiterlijk op de tiende dag na de kennisgeving van zijn benoeming meedeelt of hij de benoeming aanneemt. Indien deze termijn verstrijkt zonder mededeling, wordt de benoemde eilandgedeputeerde geacht de benoeming niet aan te nemen. Kennisgeving van benoeming en aanvaarding zijn dus elementen die aan de beëdiging vooraf moeten gaan. Niet is voorgeschreven op welke wijze kennisgeving en aanvaarding dienen te geschieden maar in het algemeen verdient het uit een oogpunt van kenbaarheid de voorkeur dat dat schriftelijk en uiteraard tijdig geschied. Uit de omstandigheid dat benoeming en beëdiging in een en dezelfde vergadering hebben plaatsgevonden blijkt materieel genoegzaam dat betrokkenen van de benoeming kennis hebben genomen en die benoeming ook hebben aanvaard. De eilandsraad is de instantie die over deze benoemingen gaat en ik zie in dit geval geen aanleiding om nader in deze aangelegenheid te treden.
Bent u van mening dat de gezaghebber volgens de juiste procedures heeft gehandeld na de val van het bestuurscollege op Bonaire? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat is uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de wens van de oppositie op Bonaire geen verdachte in een corruptiezaak als bewindspersoon te accepteren?
Uiteraard verdient het aanbeveling dat personen in openbare functies van onbesproken gedrag zijn. Dit dient een aandachtspunt te zijn bij de benoeming van leden van het bestuurscollege door de eilandsraad. De eilandsraad kan hier zeker een beleidslijn in vaststellen. Zolang kandidaten voldoen aan de formele vereisten van de Wolbes zoals onder meer neergelegd in artikel 39 j°. 11 van de Wolbes is er geen formeel beletsel voor benoeming.
De verheerlijking van geweld en terreur door de Palestijnse Autoriteit |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het in september 2011 uitgebrachte Palestinian Media Watch (PMW) Rapport: «Palestinian Authority glorification of terrorists and paying salaries to terrorists and Dutch funding»?1
Ja.
Herinnert u zich de motie Van der Staaij/Voordewind2 omtrent het stopzetten van subsidie aan de Palestijnse Autoriteit (PA) indien er geen concrete en effectieve maatregelen worden genomen om verheerlijken en vergoelijken van terrorisme tegen te gaan? Herinnert u zich bovendien uw antwoorden op eerder gestelde schriftelijke vragen omtrent het verheerlijken van geweld en terrorisme door de Palestijnse Autoriteit?3
Ja.
Heeft u tevens kennisgenomen van het artikel: «Ramadan in the PA – A time for glorifying terror»4 waarin duidelijk wordt dat de Palestijnse Autoriteit expliciet terreur verheerlijkte tijdens de Ramadan?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen verschenen in het staatsblad van de PA5 van respectievelijk 4 januari, 15 april & 19 juni jl?
Ja.
Bent u bekend met de volgende (media)observaties uit het bovengenoemde rapport van het Palestinian Media Watch instituut omtrent het verheerlijken van terreur door de Palestijnse Autoriteit: 2 januari 2011 (eveneens 24 augustus 2011): PA TV eert in haar uitzending de terroristen die in 1978 37 Israëli’s om het leven brachten. Tijdens de uitzending verheerlijkt PA TV de dood van terrorist Mughrabi; 25 januari 2011: President Abbas verleent de nabestaanden van een martelaar € 2 000,–. De terrorist trachtte met twee pijpbommen Israëlische militairen om het leven te brengen. De aanslag werd verkomen; 21–24 februari 2011: PA TV betoont eer aan diverse terroristen die drie Israëli’s om het leven brachten. De uitzending betreft een fotocollage met als titel: «Helden van de speciale operaties in noordelijk Palestina»; 4 maart 2011: PA TV eert autobestuurder Mashara. Mashara reed in 2001 een zelfmoordterrorist naar het centrum van Jeruzalem. Bij deze daad kwamen 19 mensen om. PA TV stelt naar de dochter van de gevangen bestuurder: «Eergroeten en (onze) bewondering voor jouw heldhaftige vader in de gevangenis»; 4 maart 2011: Fatah herdenkt de verjaardagen van diverse «Shahid» martelaren en prees de «Shahid» martelaren die zelfmoordaanslagen pleegden in Jeruzalem. Bij die aanslagen kwamen negen mensen om; 10 maart 2011: de adviseur van President Abbas stelt het volgende: «De wapens moeten worden gericht tegen onze primaire vijand (Israël). Terrorist Mughrabi moet worden geëerd middels het vernoemen van een plein naar Mughrabi»; 10 maart 2011: PA TV eert een vrouw die een zelfmoordterrorist vervoerde. Bij deze aanslag op een pizza restaurant kwamen 15 mensen om. PA TV bezoekt de familie van de vrouwelijke bestuurder en deelde een onderscheiding uit. PA TV stelt bij het uitreiken: «Aan de heldhaftige gevangene, hierbij uw onderscheiding als een waardering voor uw offers en voor uw heldendaden»; 24 maart 2011: de minister-president van de Palestijnse Autoriteit Salam Fayyad eert vrouwelijke gevangen in Israëlische cellen, in bijzonder die gevangenen die moeder zijn. De bewindsman noemt expliciet de namen van vrouwelijke terroristen; 29 maart 2011: de Palestijnse minister van Gevangenen Zaken, Karake, bezoekt de familie van terrorist Al-Sayid die een zelfmoordaanslag plande in 2002. Bij die aanslag kwam 30 Israëli’s om. De minister overhandigt de familie een bewijs van eer; 13 april 2011: het officiële dagblad van de Palestijnse Autoriteit refereert aan vier terroristen die gezamenlijk 117 Israëli’s om het leven brachten. Het dagblad noemt ze helden; 18 april 2011: ambtenaren van de Palestijnse Autoriteit bezoeken de woningen van terroristen die levenslang vastzitten. Eén ambtenaar overhandigt cadeaus en geeft enkele foto’s van de gevangen; 20 april 2011: de Palestijnse minister van Gevangenen Zaken, Karake, plant een boom (genaamd: Vrijheidsboom voor Gevangenen) die gevangenen herdenkt in Israëlische gevangenissen; Mei–juli 2011: PA TV zendt herhaaldelijk video’s uit over terrorist Mughrabi. In deze video’s wordt de terrorist geëerd als een symbool van het martelaarschap; 20 juli 2011: een opgezet zomerkamp voor kinderen, georganiseerd door de Palestijnse Autoriteit en tevens gesponsord bij de Palestijnse minister-president, deelt de campers (waarin de kinderen slapen) in drie verschillende groepen. Deze groepen krijgen elk de naam van verschillende terroristen die aanslagen pleegden; 2 augustus 2011: PA TV eert de bommenmaker van Fatah’s militaire vleugel. PA TV overhandigt een poster die de bommenmaker eert en prijst zijn martelaarschap; 2 augustus 2011: PA TV bezoekt het huis van terrorist Sarhan. Sarhan is gevangen en wordt verdacht van het doodsteken van drie Israëli’s in 1990. De gouverneur van Bethlehem eert Sarhan en brengt een groet aan Sarhan; 3 augustus 2011: PA TV eert een zelfmoordterrorist en bezoekt het huis van de moeder van de terrorist. In het PA TV programma wordt de moeder van de terrorist als heldhaftig omschreven; 3 augustus 2011: PA TV eert de terrorist Jaradat en bezoekt het huis van de terrorist. Jaradat was verantwoordelijk voor het organiseren van drie aanslagen waarbij bijna 30 Israëli’s de dood vonden; 8 augustus 2011: de Palestijnse minister van Gevangenen Zaken, Karake, en de gouverneur van Hebron, eren terrorist Al-Sharbati. De twee bewindslieden overhandigen een cadeau van president Abbas; 10 augustus 2011: PA TV zendt speciale groeten (en bewijst haar eer) naar terrorist Tamini. Tamini plande een bomaanslag en begeleidde de uitvoerder van de aanslag naar de Sbarro pizza hut. Bij de aanslag in augustus 2001 kwamen vijftien mensen om; 11 augustus 2011: PA TV eert de gevangen terrorist Hajja. Verder bezoekt het programma de familie van Hajja. Hajja zit een levenslange gevangenisstraf uit voor betrokkenheid bij drie zelfmoordaanslagen waarbij 51 mensen de dood vonden; 15 augustus 2011: de Palestijnse minister van Gevangenen Zaken, Karake, en de gouverneur van Hebron eren nogmaals de gevangen terrorist Al-Sharbati. De twee bewindslieden bezoeken daarbij het huis van de familie van Al-Sharbati; 16 augustus 2011: PA TV eert de gevangen terrorist Daragmeh. Het programma bezoekt tevens zijn familie in aanwezigheid van de Palestijnse minister van Gevangenen Zaken; Karake; 18 augustus 2011: de speciale vertegenwoordiger van de Palestijnse president Abbas, Al-Ifranji, eert het brein van de aanslagen in München (1972). De vertegenwoordiger legt een krans bij het graf van het brein; 18 augustus 2011: PA TV eert twee gevangenen die verantwoordelijk waren voor diverse aanslagen.
Ik ben bekend met deze passage uit het rapport.
Hoe verhouden bovenstaande voorbeelden zich tot uw beantwoording van genoemde eerdere vragen waarin u het volgende stelt: «Wanneer blijkt dat de PA geweld structureel goedkeurt, verheerlijkt en/of aanzet tot geweld zal dat consequenties moeten hebben voor de internationale steun voor de PA. Hiervoor heb ik echter geen indicatie» en «De PA voert beleid om verheerlijking van geweld en haatzaaien te ontmoedigen»? Bent u van mening dat de bovengenoemde, niet uitputtende, lijst van voorbeelden aangeeft dat de PA een actieve bijdrage levert aan het verheerlijken en vergoelijken van geweld en terrorisme? Bent u tevens van mening dat de PA heeft verzaakt effectieve maatregelen te treffen om het verheerlijken en vergoelijken van geweld en terrorisme tegen te gaan? Zo nee, kunt u aangeven, met inbegrip van bovengenoemde voorbeelden, hoe u tot deze conclusie komt?
Een deel van de Palestijnse bevolking sympathiseert met terroristische acties tegen Israël en uit dat ook in woord en geschrift. Dit keur ik ten zeerste af. Dit neemt niet weg dat de belangrijkste vertegenwoordigers van de PA ondubbelzinnig afstand nemen van terrorisme en terrorismeverheerlijking. Het anti-terrorismebeleid van president Abbas kan rekenen op steun van zowel Israël als de VS. Waar dit beleid zwaktes vertoont, worden die in de dialoog tussen partijen aan de orde gesteld. Desgevraagd geeft de PA aan bereid te zijn de beschuldigingen van Palestinian Media Watch aan haar adres inzake terrorismeverheerlijking te bespreken in de trilaterale commissie (PA, Israël en de VS).
Kunt u bevestigen dat 2,5% van het PA budget wordt uitgegeven aan veroordeelde Palestijnse terroristen in Israëlische gevangenissen en 3,5% van het budget opgaat aan het uitbetalen aan de nabestaanden van zelfmoordterroristen? Hoe verhoudt zich dit tot de Nederlandse bijdrage aan de betaling van de salarissen van PA ambtenaren van ca. € 25 miljoen per jaar? Kan men stellen dat dit geld ook gebruikt is voor het uitbetalen van veroordeelde Palestijnse terroristen en nabestaanden van zelfmoordterroristen? Hoe verhoudt dit zich tot het eerder genoemde standpunt van de minister dat het verheerlijken en vergoelijken van geweld en terrorisme door de PA geen structurele zaak is? Hoe verhoudt dit zich tevens tot het eerder genoemde standpunt van de minister dat de PA beleid voert om dit actief tegen te gaan? Welke consequenties trekt u uit de bevindingen van PMW ten aanzien van de financiële middelen (ca. € 50 miljoen) welke Nederland jaarlijks overmaakt aan de PA? Bent u bereid, indien de PA niet bereid is om te stoppen met dergelijke uitbetalingen, deze bijdragen in mindering te brengen van de middelen die de PA jaarlijks ontvangt van Nederland? Bent u bereid van de PA te eisen dat ze met onmiddellijke ingang stopt met deze uitbetalingen en resoluties 21 & 23, die deze regeling hebben ingesteld, intrekken?
De PA verstrekt vergoedingen aan Palestijnen in Israëlische gevangenissen. De gemiddelde maandelijkse bijdrage ligt op 3,5 miljoen NIS. Daarmee ligt het percentage van het PA-budget dat hieraan besteed wordt significant lager dan geschat door PMW. De Nederlandse bijdrage aan de betaling van PA-ambtenaren is niet gebruikt voor dit doel. De Nederlandse financiële bijdrage via Pegase was specifiek geoormerkt voor de salarissen van civil defense en politie in de maand januari van het jaar 2010. Het doel van de financiële regeling is tegemoetkoming in de kosten van basislevensbehoeften. Ik zie geen aanleiding om de PA op te roepen deze regeling te herzien. Evenmin zie ik reden de Nederlandse OS-bijdrage aan de PA te heroverwegen.
Ecologische braaklegging |
|
Richard de Mos (PVV), Karen Gerbrands (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Landbouw: Grond braakleggen is nu niet gewenst»?1
Ja.
Deelt u de mening dat 5% braaklegging irreëel en onnodig is? Zo nee, waarom niet?
In het artikel dat u aanhaalt, wordt gerefereerd aan de vergroening van het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Op 12 oktober heeft de Europese Commissie concrete wetgevingsvoorstellen gepresenteerd voor het nieuwe GLB in de periode 2014–2020. Daaronder vallen ook voorstellen voor de vergroening van directe betalingen. Ik ben voornemens om uw Kamer voor het einde van de maand de kabinetsreactie op de Commissievoorstellen aan te bieden.
Bent u bereid om juist méér in te zetten op particulier beheer, zodat hier zo snel mogelijk winst geboekt kan worden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Speerpunt van mijn beleid is particulieren en boeren zo veel mogelijk te betrekken bij de realisatie van het natuurbeheer. In september jl. heeft de Europese Commissie nog een door het ministerie, samen met de provincies opgestelde modelsubsidieregeling voor de aankoop van grond voor de (herijkte) EHS, goedgekeurd.
In die regeling hebben particulieren, in tegenstelling tot de vigerende regeling, gelijke kansen om gronden te verwerven. Na de decentralisatie is het aan de provincies om meer particulieren te betrekken bij het natuurbeheer.