De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Ja dat ben ik. Dit aantal betreft het aantal hoge terugvorderingen in 2023. Voor het jaar 2024 is dat gedaald naar 576.000.
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Het CBS brengt in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.2 Daarbij wordt ook naar problematische schulden gekeken. Eén van de definities hierbij is: «Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan». Begin 2025 ging dat om 177.000 huishoudens.
Dienst Toeslagen rapporteert daarnaast periodiek over het niet-gebruik van toeslagen via de Monitor niet-gebruik toeslagen.3 Deze monitor geeft inzicht in de omvang van het geschatte niet-gebruik per toeslag en de kenmerken van huishoudens die mogelijk recht hebben op een toeslag, maar deze niet aanvragen. Het geschat niet-gebruik in huishoudens bedraagt volgens de monitor 12% voor de zorgtoeslag, 11% voor de huurtoeslag, 8% voor het kindgebonden budget en 3% voor de kinderopvangtoeslag.4 Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar factoren die kunnen bijdragen aan niet-gebruik van toeslagen. Uit onderzoek blijkt dat verschillende factoren een rol kunnen spelen bij het niet aanvragen van toeslagen, waaronder onzekerheid over het recht op een toeslag, de complexiteit van het toeslagenstelsel en zorgen over mogelijke terugbetalingen. De bestaande monitor en onderzoeken brengen echter niet specifiek in beeld in hoeverre angst voor terugvorderingen een doorslaggevende reden is om af te zien van een aanvraag. Het is niet bekend hoeveel mensen toeslagen waarop zij recht hebben bewust niet aanvragen vanwege het risico op terugbetalingen.
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Ik ben het met lid Moinat eens dat het toeslagenstelsel complex is. Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen. Door de vermogensgrens kan iemand door een paar euro teveel spaargeld het recht op toeslagen zelfs helemaal verliezen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er onwenselijke situaties kunnen ontstaan en mensen er ook voor kiezen om geen toeslag meer aan te vragen. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat hun marginale druk is en daardoor wat het oplevert om meer te gaan werken. Het is mijn ambitie om het systeem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Hierbij streef ik ernaar het niet gebruik van toeslagen terug te dringen en het terugvorderen van toeslagen zoveel mogelijk te voorkomen
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Op de begroting van het Ministerie van Financiën staat aan uitvoeringskosten voor Dienst Toeslagen een bedrag van € 178 mln. begroot voor 2026. De uitvoeringskosten die betrekking hebben op de hersteloperatie zijn hierin niet meegenomen. Er is geen aparte onderverdeling naar controle, handhaving en administratieve verwerking. De kosten die de Belastingdienst maakt voor de uitvoering van toeslagen zijn geraamd op € 211 mln. voor 2026. Totaal gaat het derhalve om € 389 mln. in 2026. Omdat fraude verborgen blijft zijn er geen cijfers beschikbaar over de vraag hoeveel geld verloren gaat door fraude en fouten. Zoals ook gemeld in de stand van zakenbrief van 18 december 2025 is het intensief toezicht bij Dienst Toeslagen in 2020 stilgelegd naar aanleiding van de toeslagenaffaire.5 Zoals daar ook beschreven is het intensief toezicht in fasen vanaf 2025 weer opgestart. Dat deze opstart recent heeft plaatsgevonden is een aanvullende reden dat geen actueel beeld te vormen is over de omvang van fraude bij toeslagen.
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
In 2024 is circa 20,7 miljard euro aan toeslagen verstrekt. Vergeleken met de 11,6 miljard euro in 2014 is dit inderdaad bijna een verdubbeling. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag. Daarnaast zijn de toeslagen verhoogd om de koopkrachtontwikkeling van groepen bij te sturen of om (kinder)armoede te verminderen. Voor de begroting van 2023, 2024 en 2025 is bijvoorbeeld besloten tot een verhoging van zowel het kindgebonden budget als de huurtoeslag. Dit heeft bijgedragen aan een stevige reductie van armoede onder personen (van 7,1% in 2018 naar 2,5% in 2026) en kinderarmoede (van 8,6% in 2018 naar 2,3% in 2026).
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Verschillende maatregelen worden uitgevoerd gedurende het toeslagjaar om hoge terugvorderingen achteraf vanwege inkomenswijzigingen te voorkomen voor mensen. Zo vinden attenderings- en muteeracties plaatst waarbij mensen wordt gevraagd om zelf hun inkomen te checken of waarbij mensen worden geïnformeerd dat Dienst Toeslagen de toeslag aan gaat passen tenzij burgers aangegeven dat de aanpassing niet klopt. Deze acties vinden plaats op basis beschikbare maandelijkse inkomensgegevens die aanleiding geven om te veronderstellen dat een toeslag op een te hoog inkomen wordt gebaseerd, en dus dat een mogelijke terugvordering aan het ontstaan is. Daarnaast wordt via publiekscampagnes zoals «check, pas aan en door» ook onder de aandacht gebracht dat mensen veranderingen in hun situatie doorgeven aan Dienst Toeslagen om terugvorderingen te voorkomen. Verder werken alle toeslagen met een afbouwpad waardoor kleine veranderingen in inkomen ook leiden tot een geleidelijke afbouw van de hoogte van de toeslag, en dus niet zouden moeten leiden tot een plotselinge hoge terugvordering.
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Bij Dienst Toeslagen werken stand 1 januari 2026 1.981 medewerkers (1.840 fte) aan de uitvoering van het toeslagenstelsel. Dit is exclusief de collega’s die binnen UHT werkzaam zijn voor de hersteloperatie. Het exacte aantal medewerkers bij de Belastingdienst dat zich met toeslagen bezighouden, zoals bijvoorbeeld in de IV-voorziening en de verwerking van de massale beschikkingen wordt niet apart bijgehouden. Het aantal medewerkers dat werkzaam is bij externe organisatie mede ten behoeve van toeslagen is ook niet aan te geven. Wel kan genoemd worden dat bij de uitvoering van toeslagen een veelheid aan organisaties betrokken zijn. Niet uitputtend kunnen daarbij, naast de Belastingdienst, genoemd worden: de SVB, UWV, COA, IND, CAK, CJIB, BIDN, DUO en uiteraard de vele woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvangorganisaties. Deze organisaties zijn veelal betrokken omdat Dienst Toeslagen afhankelijk is van de bij hen aanwezige gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van toeslagen.6 Daarnaast zijn er de toeslagservicepunten die door vele organisaties met veelal vrijwilligers de inwoners helpen met vragen over de toeslagen.7
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Voorop staat dat de gedupeerde ouders en kinderen ongekend onrecht is aangedaan. De gevolgen daarvan zijn voor velen ingrijpend geweest en kunnen nooit volledig worden hersteld. Daarom zet het kabinet zich in om recht te doen aan de getroffen gezinnen.
In de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht» van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft het kabinet zich voorgenomen om te stoppen met toeslagen zoals ze ten tijde van de kinderopvangtoeslagaffaire waren.8 Het kabinet constateerde dat de toeslagen minder ingewikkeld moeten, de toeslag makkelijk moet kunnen worden aangevraagd, zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat toeslagen moeten worden terugbetaald, minder risico bij de burger moet liggen en dat de overheid de fraudebestrijding anders aan moet pakken. Daar is de afgelopen jaren al hard aan gewerkt, onder meer via verschillende verbeteringen in de uitvoering en de dienstverlening en met nieuwe wet- en regelgeving.
Dit kabinet zet in op een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel door middel van een stapsgewijze aanpak. Concrete voorbeelden hiervan zijn het afschaffen van de kinderopvangtoeslag door deze te vervangen door directe financiering van kinderopvangorganisaties en het onderzoeken van de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst direct definitief toe te kennen.
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
De wens om het belasting- en toeslagenstelselstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving. Inmiddels zijn er verschillende rapporten en analyses opgeleverd, door de betrokken ministeries9 en door externe partijen.10 Ik gebruik al het werk dat al is gedaan voor de hervormingsagenda die u voor het eind van 2026 ontvangt.
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Er wordt al geruime tijd gesproken over het hervormen van het toeslagenstelsel. In dat kader zijn in het verleden inderdaad verschillende scenario’s incl. doorrekeningen gemaakt voor alternatieven.11 Uw Kamer heeft deze scenario’s uiteraard ontvangen. In het bijzonder verwijs ik u naar het meest recente rapport «Eindrapport toekomst toeslagenstelsel», waar in bijlage 2 18 beleidsopties zijn uitgewerkt en doorgerekend.12 Op basis van dergelijke rapporten kan de politiek onderbouwde en zorgvuldige keuzes maken.
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik geen uitspraken doen over de onderbouwing van het AIVD-jaarverslag. In het algemeen geldt wel dat de AIVD waarschuwt voor dit soort fenomenen wanneer er een dreiging is voor de nationale veiligheid. Dit signaal neem ik dus uiterst serieus.
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Lucht-, gas- en veerdrukwapens zijn voorwerpen die in de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) zijn aangewezen als categorie IV wapens. Meerderjarige personen mogen deze wapens zonder vergunning voorhanden hebben. Luchtdrukwapens zijn de afgelopen jaren sterk in kracht toegenomen en in handzame uitvoeringen te koop bij fysieke of online wapenwinkels. Zware luchtdrukwapens, waaronder PCP-buksen, kunnen tegenwoordig vele malen krachtiger zijn dan een regulier handvuurwapen. Mijns inziens horen deze luchtdrukwapens – gezien de gevaarzetting en letselpotentie – dan ook niet thuis in categorie IV, waarbij zij zonder vergunning voorhanden gehouden mogen worden.
De toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in 2016 aan uw Kamer in een brief een wetswijziging aangekondigd om het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden en alleen via een vergunning een uitzondering op dit verbod toe te staan.2 Dit voornemen heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2020 nogmaals herhaald in een brief waarin een breder traject voor de aanpassing van de wet werd aangekondigd dat als doel had om een aantal knelpunten op te lossen. In reactie op de aankondiging van de voorbereiding van deze wetswijziging3 heeft uw Kamer in 2021 een motie aangenomen met het verzoek aan de regering om een commissie in te stellen voor het opstellen van een basisplan voor een nieuwe en gemoderniseerde Wwm.4 In haar beleidsreactie op het daaropvolgende rapport van de Commissie Wwm heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2023 aangekondigd om een wettelijk verbod voor het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens mee te nemen in de ontwikkeling van een nieuwe Wwm.5 Voor de stand van zaken van dit wetsvoorstel verwijs ik naar het antwoord bij vraag 10.
Het in wetgeving verbieden van zware luchtdrukwapens ondersteun ik. Het voorbereiden en behandelen van een wetsvoorstel heeft veelal een lange doorlooptijd. Gezien de urgentie vanwege de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren met zeer krachtige luchtdrukwapens en de recente berichtgeving van de AIVD, verken ik – zoals aangekondigd in mijn brief van 17 juni jl. over de Hoofdlijnenvisie en de uitgangspunten voor de nieuwe wet wapens en munitie – of het mogelijk is om in een versneld traject het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden door middel van een aanpassing van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm), vooruitlopend op het wetsvoorstel voor de nieuwe Wwm.
Mijn voornemen is om alleen voor bepaalde toepassingen zware luchtdrukwapens met een vergunning toe te staan. In de verkenning zal ik binnen de regelgeving rekening houden met het huidige gebruik van lichte luchtdrukwapens voor paintball en schietsport alsook de maatschappelijke nuttige toepassingen met luchtdrukwapens die onder meer zijn opgenomen in de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving, zoals voor de bestrijding van ratten. Daarnaast treed ik in overleg met de belangenorganisaties voor wapenverkoop over de aanpassing van de Rwm.
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Op grond van artikel 12 van de Regeling wapens en munitie zijn erkende wapenverkopers verplicht een register bij te houden van de verkoop van wapens en munitie, waaronder zware luchtdrukwapens. In dit register worden onder meer de naam en het adres van de koper, de datum van de verkoop alsook het type wapen en serienummer geregistreerd. Er zijn geen regels gesteld over registratie bij verkoop door de eigenaar aan een ander persoon.
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2 tot en met 5, vind ik de huidige regels voor zware luchtdrukwapens, waaronder ook de voorschriften bij de verkoop, ontoereikend voor deze wapens en ben ik voornemens dat te veranderen.
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen, worden niet afzonderlijk geregistreerd. De systemen bij de politie en het Openbaar Ministerie zijn hiertoe niet ingericht.
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 2 tot en met 5.
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
In mijn brief van 17 juni heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voorbereiding van de nieuwe Wwm en de planning daarvan.
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
De oproep tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen door Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Gidi Markuszower, fractievoorzitter van de Groep Markuszower, die in een interview met Left Laser onder meer heeft gezegd: «De Nederlandse overheid moet ze [Palestijnse vluchtelingen] met geweld – misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan zijn gekomen – met geweld tegenhouden», «Die mensen moet je met geweld – echt met geweld, desnoods maximaal geweld – die moet je tegenhouden», «Israël heeft nog nooit wat ergs gedaan» en «Het Israëlische leger is het meest morele leger ter wereld»?
Ja.
Heeft u gezien dat dhr. Markuszower een paar dagen later hierover bij een interview op Radio 1 heeft bevestigd dat «de inhoud staat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze uitspraken?
De Minister-President gaat in de Kamer in debat met Kamerleden en reageert niet op individuele uitspraken van Kamerleden, gedaan in de pers. Maar laat helder zijn dat Nederland nooit geweld zal gebruiken tegen mensen die op de vlucht zijn en een veilige haven zoeken. Elke oproep daartoe is verwerpelijk en gaat alle perken te buiten.
Waarom heeft u geweigerd deze uitspraken ondubbelzinnig te veroordelen in uw reactie op 15 mei jl.?2 Vindt u dit verstandig in tijden waarin gewelddadig extreemrechts duidelijk groeit en Palestijnen structureel worden gedehumaniseerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u alsnog bereid te normeren en te begrenzen en deze uitspraken van dhr. Markuszower ondubbelzinnig te veroordelen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat uw kabinet kan samenwerken met een fractie waarvan de leider dit gedachtegoed aanhangt en dit soort uitspraken doet? Bent u nog steeds van mening dat een samenwerking met de Groep Markuszower kansen biedt, zoals u in januari 2026 hebt aangegeven?
Het kabinet is aan de slag op basis van het coalitieakkoord, en zal daarbij altijd streven naar zo breed mogelijke steun binnen de Tweede Kamer. Laat echter helder zijn dat het kabinet nooit zal meegaan in oproepen tot geweld tegen mensen die op de vlucht zijn. Het kabinet zal altijd in de meest stellige bewoordingen afstand nemen van opvattingen die strijdig zijn met de democratisch-rechtsstatelijke waarden.
Dergelijke uitingen – zeker wanneer daar niet eenduidig van teruggekomen wordt of wanneer herhaaldelijk gedaan – maken het moeilijker om tot een constructieve samenwerking te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk voor dinsdag 19 mei om 10.00 uur in de ochtend beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Binnen de bacheloropleiding Hebreeuwse taal en cultuur bood de Universiteit van Amsterdam (UvA) de afgelopen vier jaar twee bachelorkeuzevakken en een tutorial (onderwijs op individuele basis) aan op het gebied van de Jiddische taalverwerving. Deze keuzevakken werden mogelijk gemaakt vanuit een externe vierjarige financiering. Met het aflopen daarvan oriënteert de UvA zich momenteel zorgvuldig op de mogelijkheden van een alternatieve en duurzame opvolging van dit onderwijs. Hierbij is het van belang om te noemen dat de inhoudelijke expertise op het gebied van het Jiddisch binnen de UvA blijft bestaan. De begeleiding van onderzoekers en geïnteresseerde studenten bij de bestudering van bronnen in het Jiddisch is hiermee geborgd.
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
De Jiddische taal is door de rijksoverheid erkend onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Met de erkenning van een taal onder deel II verplicht de rijksoverheid zich ertoe om geen belemmerende wet- of regelgeving aan te nemen. Met erkenning onder deel III, waar bijvoorbeeld de Friese taal onder valt, verplicht de overheid zich ertoe meerdere artikelen te ratificeren om zo de taal te beschermen en bevorderen. Voor het Fries geldt daarom dat de overheid de verplichting heeft voorzieningen te verschaffen voor de bestudering van deze taal in het universitair onderwijs. Dit geldt niet voor het Jiddisch.
Daarnaast geldt dat volgens de wet universiteiten en hogescholen autonomie hebben ten aanzien van het starten, stoppen en vormgeven van hun onderwijs en opleidingen.
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Hierbij verwijs ik ook naar het antwoord op vraag nummer 3. Zoals daarin aangegeven, ligt de autonomie ten aanzien van het onderwijsaanbod bij de universiteiten en hogescholen. Middels de Rijksbijdrage ontvangen de instellingen hiervoor financiering vanuit de overheid. De UvA heeft mij laten weten zich te oriënteren op het wederom aanbieden van onderwijs naar het Jiddisch.
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Ja.
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Gezinshuizen bieden de mogelijkheid om jeugdigen in een kleinschalige huiselijke setting hulp te bieden. Wanneer een jeugdige uit huis is geplaatst, brengt dit voor de jeugdige al een grote verandering met zich mee. Een gezinsgerichte plaatsing kan helpen om deze verandering minder groot te maken. Het feit dat bovendien gezinshuizen bestaan die zich specialiseren in een bepaalde problematiek, zoals bijvoorbeeld een lichte verstandelijke beperking, is van meerwaarde. Tegelijkertijd erken ik dat ook binnen gezinshuizen misstanden kunnen plaatsvinden. Daarom werk ik met de gezinshuissector en gemeenten aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg.
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
In de Jeugdwet worden kwaliteitseisen gesteld aan aanbieders van jeugdhulp. Elke jeugdhulpaanbieder moet hieraan voldoen, dus ook gezinshuizen. Ook is in de wet aangegeven dat gewerkt moet worden vanuit professionele standaarden. Richtlijnen vanuit het veld zijn hier onderdeel van, en daarmee een verdere invulling van de kwaliteitswaarborgen voor jeugdhulp. Wanneer er richtlijnen zijn voor bepaalde onderdelen van de jeugdhulp, worden deze meegenomen in het toetsingskader van de IGJ. Bijvoorbeeld, in het rapport van de IGJ in het kader van thematisch toezicht «Pleegkinderen uit beeld», is expliciet getoetst op de richtlijnen4. Tevens zijn de professionele standaarden (beroepscodes) de basis voor het professioneel toezicht dat is ingericht voor professionals met een SKJ registratie (tuchtrecht). Er zijn dus meerdere manieren waarop het gebruik van de professionele richtlijnen geborgd zijn in het jeugdstelsel. De huidige kwaliteitscriteria zijn daarmee indirect geborgd maar zijn niet direct afdwingbaar.
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
De waarborgen voor kwaliteit zoals bij vraag 3 beschreven, kwaliteitseisen in de Jeugdwet en professioneel toezicht gebaseerd op beroepscodes, dragen bij aan veilige en kwalitatief goede gezinshuiszorg. Ik ben daarnaast met de sector in gesprek over de wijze waarop we de veiligheid van gezinshuizen verder kunnen verbeteren. De sector is aan de slag met het aanscherpen van de screening van gezinshuisouders en het steviger verankeren van de kwaliteitscriteria bij de gezinshuizen. Deze laatste worden op dit moment herzien.
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Zoals ik bij vraag 3 beschreef, zijn er reeds diverse manieren waarop professionele standaarden worden geborgd. Ik heb geen voornemen om daarnaast specifiek deze kwaliteitscriteria voor gezinshuizen wettelijk te verankeren. Momenteel worden de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen herzien vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Met de gezinshuissector onderzoek ik hoe de implementatie ervan kan worden versterkt.
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
Gezinshuisouders gaan niet zelf over of een kind bij hen geplaatst wordt, daarover beslist een gecertificeerde instelling of een andere verwijzer zoals de gemeente/lokale team. De verwijzer dient te zorgen voor een verantwoorde plaatsing en kan daarbij alert zijn op eventuele financiële motieven van gezinshuisouders. Daarnaast moeten de gezinshuizen zich houden aan de norm verantwoorde werktoedeling zoals uitgewerkt in het Kwaliteitskader Jeugd en de waarborgen voor kwaliteit zoals beschreven bij vraag 3. Tevens kan de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stellen bij de contractering van deze zorg.
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Het begrip gezinshuis is niet verankerd in de Jeugdwet.
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat er landelijke standaarden komen voor de (hoog) specialistische jeugdzorg. In dat kader wordt gewerkt aan een gelimiteerde set van productomschrijvingen die momenteel worden uitgewerkt voor de gezinshuiszorg. Op dit moment is nog niet bekend of en hoe deze landelijk geldende productomschrijvingen worden verwerkt in wet- en regelgeving.
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Daar ben ik mee bekend.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie. Hiermee worden onder andere jeugdhulpaanbieders verplicht het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan. En ontslag vanwege ernstig disfunctioneren te melden.
Verder werk ik aan de invoering van een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders. Deze moet ook gaan gelden voor gezinshuisouders die werken als zelfstandig ondernemer.
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) gebruikt signalen om een inschatting te maken van de mogelijke risico’s binnen de hulp. Op basis van signalen maakt de IGJ een inschatting of een onderzoek moet starten en vervolgens of maatregelen moeten worden genomen. Het doen van meldingen of het doorgeven van signalen aan de IGJ zijn dan ook belangrijk voor de mogelijkheden die de IGJ heeft om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid van kinderen. Het wetsvoorstel over een meld- en vergewisplicht, dat ik binnenkort in consultatie breng, moet hieraan bijdragen.
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Ja. Op korte termijn gaat het wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen alle jeugdhulpaanbieders verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan en melding te doen wanneer sprake is van ernstig disfunctioneren.
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Het achteraf toetsen van gezinshuisouders op geschiktheid is niet gewenst. Ik werk daarom aan een meld- en vergewisplicht.
Gezinshuisouders worden nu meestal vooraf gescreend door de aanbieders van gezinshuiszorg waarmee een contract wordt gesloten. Dit kan een zorgaanbieder zijn, maar kan ook een franchiseorganisatie of een hoofdaannemer. Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht een verklaring omtrent gedrag op te vragen van personen die beroepsmatig of (niet incidenteel) als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. Indien een gezinshuis een zogeheten vrijgevestigd gezinshuis is en rechtstreeks door gemeenten of regio’s wordt ingekocht, dan is de gemeente of regio verantwoordelijk om de gezinshuisouder te toetsen op geschiktheid als gezinshuisouder. Ook deze vrijgevestigde gezinshuizen dienen te beschikken over een verklaring omtrent gedrag van de gezinshuisouder zelf. De wijze van toetsen door de gemeente of regio is vormvrij en kan bijvoorbeeld ook op basis van steekproeven.
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Ja, het klopt dat sinds de invoering van de Wtza (Wet toetreding zorgaanbieders) alle nieuwe zorg- en jeugdhulpaanbieders, dus ook zelfstandige gezinshuizen, zich moeten melden bij de IGJ.
Er bestaat geen landelijke registratie van het aantal gezinshuizen in Nederland. Wel heeft onderzoeksbureau Significant in 2025, in opdracht van VWS, onderzoek gedaan naar het aantal gezinshuizen in Nederland. Hierdoor kan voor 2025 een indicatie worden gegeven van het aantal gezinshuizen, uitgesplitst naar een aantal kenmerken van de gezinshuizen.
Zoals ook benoemd onder vraag 9 werk ik hiernaast aan een vergunningplicht voor jeugdhulporganisaties. Deze gaat ook gelden voor gezinshuizen.
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Jeugdhulpaanbieders moeten verantwoorde hulp verlenen. Dat houdt in dat de hulp van goed niveau en veilig is, en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige. In het Kwaliteitskader Jeugd is door het veld vastgesteld wanneer een SKJ-registratie vereist is. Dit is afhankelijk van cliënt- en professional-gerelateerde indicatoren. Jeugdigen die in gezinshuizen worden geplaatst hebben veelal complexe problematiek. Voor tenminste één van de betrokken professionals is een SKJ-registratie daarom verplicht. Dat kan de gezinshuisouder zelf zijn of een andere betrokken professional. Gezinshuisouders moeten in ieder geval over pedagogische competenties en vaardigheden beschikken. In de praktijk is er vaak een SKJ-geregistreerde gedragswetenschapper betrokken bij een gezinshuis.
Om te voorkomen dat professionals die niet functioneren hun werkzaamheden elders in de jeugdhulp kunnen voortzetten ben ik voornemens om een meld- en vergewisplicht in te voeren (zie ook mijn antwoord op vraag5. Daarnaast wordt er een wetsvoorstel voorbereid om een vergunningplicht voor jeugdhulpinstellingen in te voeren.
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Ja. Met de invoering van een vergunningplicht in combinatie met de aanvullende weigering- en intrekkingsgronden vanuit het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), kan deze situatie worden voorkomen.
Hiernaast kunnen gemeenten nu ook veel doen door bij hun inkooptrajecten gebruik te maken van de wet Bibob.
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Momenteel ben ik in gesprek met de gemeenten, VNG en de aanbieders van gezinshuiszorg over de (kwaliteits-)eisen die gesteld worden aan gezinshuiszorg. Doel van deze gesprekken is om te bepalen welke eisen landelijk kunnen worden vastgelegd.
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Zie mijn toelichting hierop in reactie op de vragen 5, 8, 11 en 14.
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Ja, het is in het belang van alle betrokkenen in de gezinshuiszorg, en in het bijzonder voor die van de kinderen die hier verblijven, om kwalitatief goede gezinshuiszorg te leveren. Ik werk dan ook samen met de sector aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg. Zo wordt er onder meer gewerkt aan de herziening van de kwaliteitscriteria en de standaardisatie van de producten en tarieven voor de gezinshuiszorg. Ook wordt een meld- en vergewisplicht en een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders voorbereid.
Het artikel ‘De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival’ |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival»?1
Ja.
Klopt het dat de auteur van dit artikel in de aanloop naar het Eurovisie Songfestival meerdere schriftelijke vragen en verzoeken om opheldering heeft gericht aan AVROTROS, de Ombudsman van de NPO en het Commissariaat voor de Media, en dat deze niet, dan wel slechts summier of niet-inhoudelijk, zijn beantwoord?
De AVROTROS heeft desgevraagd laten weten dat zij bekend zijn met de auteur van het artikel en haar brieven zorgvuldig hebben beantwoord.
Desgevraagd laat ook de ombudsman weten dat er veelvuldig contact is geweest met de auteur van het artikel waar u naar verwijst. Waar dat contact de bevoegdheden van de ombudsman raakte is door de ombudsman ook inhoudelijk gereageerd.
Ten slotte laat het Commissariaat voor de Media weten dat de auteur van het stuk, namens de «Verzetsgroep Opstaan tegen Antisemitisme» bij het Commissariaat op 17 februari 2026 ook een verzoek om handhaving heeft ingediend. Dit was het eerste contactmoment met het Commissariaat. Op vrijdag 8 mei 2026 heeft het Commissariaat een besluit op het handhavingsverzoek genomen. Het besluit is conform vast beleid twee weken later – op 22 mei – gepubliceerd op de website van het Commissariaat. In het procesverloop van het besluit is het verloop van de procedure opgenomen, waarbij ook de verschillende contacten met de verzoeker zijn opgenomen.
Deelt u de opvatting dat het structureel uitstellen van inhoudelijke beantwoording tot nádat een boycotbeslissing feitelijk onomkeerbaar is geworden op gespannen voet staat met de beginselen van transparantie, publieke verantwoording en democratische controle van met belastinggeld gefinancierde instellingen? Zo nee, waarom niet?
De AVROTROS, het Commissariaat voor de Media en de ombudsman laten weten dat zij veelvuldig contact hebben gehad met de auteur van het artikel en haar te woord hebben gestaan. Ik reken erop dat zij allen hun beslissing rondom de bekendmaking van informatie en het beantwoorden van de vragen goed hebben overwogen.
Daarnaast heeft het Commissariaat voor de Media laten weten dat het handhavingsverzoek waarnaar verwezen wordt in de beantwoording van vraag 2 binnen de gestelde wettelijke termijn en conform de vaste werkwijze is afgehandeld. In correspondentie gaf de verzoeker verder aan spoedeisend belang te hebben bij een besluit vóór 16 mei (de finale van het Songfestival). Het Commissariaat heeft het besluit daarom op 8 mei jl. genomen. Het besluit is te vinden op de website van het Commissariaat.2
Bent u van mening dat van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij politieke neutraliteit en pluriformiteit waarborgt, zoals bedoeld in de Mediawet, en hoe verhoudt een besluit om af te zien van deelname aan een cultureel evenement vanwege de deelname van een specifiek land zich volgens u tot die publieke taak?
De landelijke publieke omroep is als stelsel samen verantwoordelijk om, naast andere publieke waarden, de pluriformiteit te waarborgen. In tegenstelling tot de NOS is het niet de taak van de andere omroepen om (politiek) neutraal te zijn: (politieke) neutraliteit is niet opgenomen als eis in de Mediawet. De verschillende omroepen binnen het publieke bestel vertegenwoordigen hun eigen stromingen om zo vanuit verschillende perspectieven aanbod te maken. De beslissing over de deelname van Nederland aan het Eurovisie Songfestival ligt op basis van de redactionele autonomie bij de betrokken omroeporganisatie.
Kunt u aangeven of er voorafgaand aan of tijdens de besluitvorming contacten zijn geweest tussen AVROTROS en/of de NPO enerzijds en activistische organisaties, NGO’s of lobbygroepen anderzijds over de deelname van Israël aan het Eurovisie Songfestival en zo ja, bent u bereid hierover volledige transparantie richting de Kamer te betrachten?
De omroepen gaan zelf over hun programmering. Hoe zij tot besluitvorming komen en met wie zij daarover spreken is dan ook aan hen.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de publieke omroep enerzijds stelt principiële bezwaren te hebben tegen deelname aan het Eurovisie Songfestival, maar anderzijds het evenement wel blijft uitzenden en daarmee profiteert van kijkcijfers en advertentie-inkomsten? Acht u deze combinatie verenigbaar met de publieke voorbeeldfunctie van de omroep?
Het is aan de omroepen zelf om besluiten te nemen over hun programmering. Het is niet aan mij om te oordelen over het besluit van deelname aan en de uitzending van het Eurovisie Songfestival van de publieke omroep.
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te verzoeken te onderzoeken of de handelwijze van AVROTROS en de NPO in deze kwestie verenigbaar is met de Mediawet, in het bijzonder waar het gaat om onafhankelijkheid, politieke neutraliteit, gelijke behandeling en de publieke taakopvatting en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren?
Het Commissariaat voor de Media is een onafhankelijke toezichthouder en gaat over haar eigen werkzaamheden. Derhalve ga ik geen verzoek doen voor een specifiek onderzoek op dit punt.
De rol van de Adviesraad Migratie bij de cancelling van hoogleraar Ruud Koopmans. |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Subsidiehuis Pakhuis de Zwijger cancelt migratiekritische hoogleraar Ruud Koopmans»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat dit debat wordt georganiseerd in samenwerking met de Adviesraad Migratie, een officieel adviesorgaan van uw ministerie?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gerenommeerde hoogleraar wordt gecanceld door een gesubsidieerde organisatie dat samenwerkt met de Adviesraad Migratie?
Net als de Adviesraad Migratie sta ik voor een open en veelzijdig migratiedebat waarin uiteenlopende perspectieven naast elkaar kunnen bestaan. De in het bericht genoemde bijeenkomst werd georganiseerd naar aanleiding van de publicatie van een essaybundel met vergezichten op asiel, waarin de Adviesraad Migratie verschillende stemmen en denkrichtingen samenbrengt, ook de meer kritische stemmen in het asieldebat.
De Adviesraad Migratie heeft aangegeven Ruud Koopmans zelf te hebben voorgesteld als mogelijke spreker voor deze bijeenkomst. De beslissing om de uitnodiging in te trekken is door Pakhuis de Zwijger genomen, op basis van hun eigen afwegingen en gedragscode. Inmiddels heeft de Adviesraad Migratie laten weten dat ze de samenwerking met Pakhuis de Zwijger voor deze bijeenkomst stop hebben gezet en een nieuwe locatie hebben gevonden, De Nieuwe Liefde in Amsterdam. Deze beslissing is genomen om de vertegenwoordiging van verschillende perspectieven te waarborgen. De heer Koopmans is door de Adviesraad uitgenodigd en heeft deelgenomen aan de bijeenkomst op 1 juni jl.
Hoe beoordeelt u het dat de Adviesraad Migratie samenwerkt met een links bolwerk die kritische, wetenschappelijke stemmen over migratie censureert? Is dit volgens u nog wel een onafhankelijke en evenwichtige adviesraad?
De Adviesraad Migratie is een onafhankelijk adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, ingesteld bij de Vreemdelingenwet 2000. Het is passend bij de onafhankelijke rol van de Adviesraad dat de raad zelf bepaalt met wie hij samenwerkt.
De raad bestaat uit tien leden, die op voordracht van de ministerraad op persoonlijke titel bij koninklijk besluit worden benoemd. Uit de Kaderwet bestaat de verplichting om leden te benoemen op grond van de benodigde deskundigheid voor het beleidsterrein waarvoor het college is ingesteld. Bij de selectie en benoeming van de raadsleden is er oog voor de waarborging van onafhankelijkheid en diversiteit in de samenstelling van de raad.
Erkent u dat dit incident een schoolvoorbeeld is van de linkse cancelcultuur in Nederland, waarbij kritiek op het falende asiel- en migratiebeleid systematisch de kop wordt ingedrukt?
Zoals eerder aangegeven onder vraag 3 sta ik, net als de Adviesraad Migratie, voor een open en veelzijdig debat over migratie.
Hoe denkt u als Minister van Asiel en Migratie dat een open en eerlijk debat over asielmigratie nog mogelijk is, wanneer zelfs een hoogleraar als Ruud Koopmans wordt gecanceld door een gesubsidieerd links centrum dat samenwerkt met uw eigen Adviesraad Migratie?
Ik verwijs u naar vraag 3 voor meer informatie over de besluitvorming rondom de uitnodiging.
Bent u bereid de Adviesraad Migratie per direct ter verantwoording te roepen voor deze laffe cancelactie en te eisen dat zij de annulering onmiddellijk intrekt? En bent u tevens bereid de Adviesraad Migratie op te heffen als zij weigert dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een annulering door de Adviesraad Migratie. Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 3.
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
André Poortman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Ja.
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Wanneer de bekende donor erkenning wenst, dan is indien het kind nog geen zestien jaar is, de schriftelijke toestemming van de moeder of de vader vereist.2 In het geval er geen toestemming wordt gegeven, dan kan deze toestemming door de toestemming van de rechtbank worden vervangen.
Als een bekende donor het kind wil erkennen, moet deze allereerst de biologische ouder zijn, zonder dat hij de verwekker is (niet de daad heeft verricht). Ook moet de bekende donor een nauwe persoonlijke betrekking hebben met het kind. De rechtbank verleent in ieder geval geen toestemming voor erkenning als dit de belangen van de moeder schaadt, als daar een ongestoorde verhouding bestaat of als de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in gevaar komt.3
Een donor heeft niet automatisch recht op omgang met het kind enkel omdat hij de biologische vader is. Onder (uitzonderlijke) omstandigheden kan wel een beroep gedaan worden op het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking, op grond waarvan familieleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen.4 Het enkele feit dat er een biologische band tussen de donor en het kind bestaat, is onvoldoende om te spreken over nauwe persoonlijke betrekking.5 Volgens vaste rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad zijn bijkomende omstandigheden vereist. Relevante factoren voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking zijn onder meer de aard van de relatie tussen de biologische ouders (tussen de moeder en de donor) en de aantoonbare belangstelling en betrokkenheid van donor bij het kind, zowel vóór als na de geboorte.6 In uitzonderlijke situaties kunnen deze omstandigheden ertoe leiden dat sprake is van nauwe persoonlijke betrekkingen waardoor familieleven wordt vastgesteld. De afweging of de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat is dus zeer context-gebonden. Gemaakte afspraken in bijvoorbeeld een donorovereenkomst tussen de wensouder(s) en donor kunnen doorslaggevend zijn voor het bepalen of de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Een donorovereenkomst dient immers ter vastlegging van de intenties en afspraken van wensouder(s) en de bekende donor. Door middel van die overeenkomst proberen partijen duidelijkheid te scheppen en onduidelijkheid in de toekomst te voorkomen over de rol van de donor.
Nadat is vastgesteld dat de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, wordt voor het bepalen van een omgangsregeling in de eerste plaats bezien of een omgangsregeling in het belang van het kind is. Het belang van het kind staat voorop. Dit betekent dat gemaakte afspraken in bijvoorbeeld een donorovereenkomst in een procedure terzijde kunnen worden geschoven wanneer die afspraken niet in het belang van het kind zijn.
In procedures kan daarnaast onduidelijkheid bestaan over hetgeen in de donorovereenkomst is beoogd, zodat deze overeenkomst aan de kant wordt gezet. Ook kunnen er bepaalde afspraken zijn gemaakt in de donorovereenkomst op het gebied van afstammings-, gezags- of omgangsrecht die nietig of vernietigbaar zijn, waardoor de donorovereenkomst (gedeeltelijk) wordt gepasseerd.
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Graag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (www.donorconceptie.nl), dat wordt gefinancierd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, informeert wensouders en aspirant-donoren over de juridische aspecten van donorconceptie. Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie adviseert wensouders en donoren bovendien om zich bij het opstellen van de donorovereenkomst te laten begeleiden door een gespecialiseerde advocaat of notaris, zodat de juridische consequenties van de te maken afspraken uitgelegd kunnen worden.
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Bij de afweging of bijvoorbeeld omgang in het belang van het kind is, worden door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) en door rechters alle omstandigheden omtrent het kind betrokken.
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Uit onderzoek volgt dat het in de huidige praktijk niet vanzelfsprekend is dat de impact van huiselijk geweld en onveiligheid wordt meegewogen in rechterlijke beslissingen over zorgregelingen, omgang en gezag.7 De noodzaak om tot verbeteringen te komen is bevestigd door gesprekken met diverse betrokken organisaties, experts en ervaringsdeskundigen. Immers, het meemaken van huiselijk geweld en kindermishandeling als slachtoffer of getuige is al ingrijpend. Wanneer daar vervolgens onvoldoende of geen aandacht voor is in de juridische procedure is dat onwenselijk en kan zelfs schadelijk zijn. Overigens is gebleken dat dit knelpunt niet alleen de familierechtelijke procedures betreft, maar ook de jeugd- of strafrechtelijke procedures. Het is evident dat dit anders moet. Daarom zijn wij samen met de organisaties aan de slag met het verbetertraject met als doel huiselijk geweld en kindermishandeling in het familie-, jeugd- en strafrecht beter te onderzoeken, naar voren te brengen en mee te nemen. Waar voorheen het uitgangspunt vooral was dat contact of omgang met beide ouders het meest in het belang van het kind was, willen we met de betrokken partners er naartoe werken dat in die belangenafweging (het risico op) getuige zijn van huiselijk geweld ook prominent wordt meegewogen. Uw Kamer wordt voor de zomer in de voortgangsbrief Geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Ja.
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Ik deel de zorg dat juridische procedures gebruikt kunnen worden als middel van druk, controle en intimidatie. In algemene zin geldt dat, om misbruik van procesrecht te voorkomen, het noodzakelijk is dat wordt gewaarborgd dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, waaronder dwingende controle, dit altijd wordt meegewogen in de familierechtelijke procedure. Daartoe dient voornoemd verbetertraject. Dit verbetertraject ziet onder meer op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter, kennisbevordering van de betrokken professionals en het ontwikkelen van een toetsingskader. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Daarnaast geldt dat de toegang tot de rechter een grondrecht is, dat vraagt om verantwoord gebruik. Mogelijk misbruik van sommigen kan moeilijk een rechtvaardiging vormen voor het beperken van de toegang tot de rechter van allen. Het is aan de wetgever in het algemeen en de rechter in individuele gevallen om een passend evenwicht te vinden tussen de verwezenlijking van de procedurele rechten van partijen en de bescherming tegen misbruik van procedures.
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Graag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
In het onderzoek van de RvdK wordt gekeken naar het belang van het kind enerzijds om te weten van wie het afstamt en om daarmee contact te mogen hebben, en anderzijds om veilig op te mogen groeien. Wanneer er sprake lijkt te zijn van signalen van onveiligheid, is de RvdK terughoudend met hun advies over het laten vastleggen van directe afspraken ten aanzien van omgang, alvorens hier meer duidelijkheid over ontstaat en er een juiste afweging gemaakt kan worden tussen het belang van omgang en het belang van veiligheid.
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Nee, ik beschik niet over dergelijke cijfers. Zoals ik bij het antwoord van vraag 2 en 3 heb aangegeven is een rechterlijke beslissing omkleedt met verschillende voorwaarden, waarin de donorovereenkomst doorgaans ook wordt meegenomen in de afweging. Op dit moment zie ik geen aanleiding voor een breder onderzoek.
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Ja, ik acht de huidige informatievoorziening over de juridische risico’s van donorconceptie aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk. Zoals in de beantwoording van vraag 4 aangegeven, informeert het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (www.donorconceptie.nl) wensouders en aspirant-donoren over de juridische aspecten van donorconceptie. Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie adviseert wensouders en donoren bovendien om zich bij het opstellen van de donorovereenkomst te laten begeleiden door een gespecialiseerde advocaat of notaris, zodat de juridische consequenties van de te maken afspraken uitgelegd kunnen worden. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft geen rol bij de inhoud van individuele donorovereenkomsten of andere afspraken die tussen betrokkenen worden gemaakt of notarieel worden vastgelegd.
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak om aanvullend beleid of wetgeving te ontwikkelen voor alleenstaande wensmoeders die gebruikmaken van een bekende donor. Op donorconceptie.nl is reeds toegankelijke en betrouwbare informatie beschikbaar over verschillende vormen van donorconceptie, waaronder het gebruik van bekende donoren door alleenstaande wensmoeders.
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Zie antwoord vraag 12.
Toegang tot abortusmedicatie in de VS |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Met pillen kunnen vrouwen in de VS nu nog zelf kiezen voor abortus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat personen toegang hebben tot veilige abortuszorg? Deelt u de afschuw over het feit dat vrouwen in de Verenigde Staten (VS) in toenemende mate de toegang tot veilige abortuszorg wordt ontnomen?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd. Het is zorgwekkend dat deze rechten en toegang tot veilige abortus soms onder druk staan. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, internationale afspraken op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te beschermen.
Deelt u de zorgen dat anti-abortusbewegingen, ook in de EU en Nederland, vaak gesteund en soms zelfs gefinancierd worden door organisaties uit de VS? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat wij als Nederland, ook binnen de context van de EU, pal voor het recht op abortuszorg moeten staan?
Het kabinet deelt de zorgen over buitenlandse financiering van bewegingen die erop gericht zijn toegang tot abortuszorg te beperken of te ondermijnen. Ook deelt het kabinet de mening dat dit onwenselijk is. Nederland zet zich binnen de EU actief in voor SRGR, inclusief toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Deelt u de analyse dat met een eventueel verbod op het middel mifepriston een chilling effect kan optreden en angst bij hulpverleners, met uiteindelijk ook als gevolg dat vrouwen, met name vrouwen in een kwetsbare positie, belemmerd worden in de toegang tot abortuszorg?
Een verbod op het versturen van mifepriston zal de toegang tot abortuszorg beperken. Niet alleen voor vrouwen in een kwetsbare situatie, maar voor alle vrouwen in staten waar geen toegankelijke abortuszorg is. Echter, onlangs heeft het Hooggerechtshof bepaald dat het per post versturen van mifepriston vooralsnog is toegestaan. Hierdoor blijft het voor vrouwen in staten waar abortus verboden is mogelijk om – tot een bepaald aantal weken – een zwangerschapsafbreking te ondergaan.
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten over het eventuele verbod? Zo ja, op welk niveau en wat wordt er in deze contacten gewisseld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassadeur over (toegang tot) abortuszorg en het mogelijke verbod op mifepriston?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington. De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van SRGR en vrouwenrechten. Nederland zet zich namelijk actief in voor SRGR, inclusief toegang tot veilige abortus, onder meer binnen multilaterale fora, in EU-verband en via SRGR-programmering.
Deelt u de mening dat Nederland een voortrekkersrol moet vervullen bij de bescherming en bevordering van de rechten, gezondheid en positie van vrouwen en meisjes wereldwijd? Kunt u toelichten welke concrete stappen u momenteel zet om deze rol invulling te geven, en welke aanvullende maatregelen of ambities u voor de komende periode voor ogen heeft?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR en vrouwenrechten. Deze thema’s, inclusief toegang tot veilige abortus, staan wereldwijd onder druk door de groeiende antirechtenbewegingen. Dit kabinet zal zich inzetten voor SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid, zowel diplomatiek als via programma’s op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.
Op welke concrete wijze wenst u uitvoering te geven aan de motie Kröger c.s. over zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve rechten en gezondheidszorg?
Het kabinet blijft zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve gezondheid en rechten samen met gelijkgezinde partners. Mijn collega Minister Sjoerdsma heeft besloten om SheDecides Champion te worden. Hiermee geeft hij een duidelijk signaal over het belang dat NL hecht aan toegang tot veilige abortus. Binnen de Equal Rights Coalition zal NL een proactieve rol vervullen door regionale en landspecifieke ontwikkelingen te agenderen en gezamenlijke inzet te bevorderen. Ook de Mensenrechtenambassadeur en de ambassadeur vrouwenrechten en gendergelijkheid zullen tijdens hun reizen de toenemende druk op de rechten van vrouwen en lhbtiq+- personen aan de orde stellen.
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden voor het besluit van het Hooggerechtshof met betrekking tot de verstrekking van mifepriston?
Uw vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord. Uw vragen zijn gesteld op de dag dat het Hooggerechtshof een tijdelijke uitspraak deelde. Het is daarmee niet gelukt de vragen voor de uitspraak te beantwoorden.
Het verheerlijken en normaliseren van drugsgebruik door minderjarigen in de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinderen, waarin minderjarige jongeren herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij harddrugs gebruiken?1
Ja
Hoe kan het dat een streamingdienst kennelijk zonder noemenswaardige beperkingen minderjarigen drugs laat gebruiken voor de camera en dit vervolgens als entertainment uitzendt?
Streamingsdiensten (en omroepen) zijn, binnen de grenzen van de Mediawet, zelf verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van de programma’s. Het is de vrije redactionele keuze van Videoland om de betreffende documentaire uit te zenden. De overheid oordeelt niet over de inhoud van programma’s. Dat vloeit voort uit de (grond)wettelijke vrijheid van meningsuiting en onafhankelijkheid van de media. Het Commissariaat voor de Media is als onafhankelijk toezichthouder de aangewezen partij om te onderzoeken of de totstandkoming van de documentaire in strijd is met de Mediawet. Het waarborgen van onafhankelijke media tegenover beïnvloeding van de inhoud van programma’s vereist een bij uitstek onafhankelijke toezichthouder. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Tevens geldt dat audiovisuele content in Nederland wordt voorzien van een leeftijdsclassificatie op basis van de mogelijke schadelijkheid voor minderjarigen (conform hoofdstuk 4 van de Mediawet). Dit systeem, uitgevoerd door het onafhankelijke instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) via Kijkwijzer, heeft als doel de bescherming van minderjarigen en het informeren van ouders en opvoeders. In dit kader is de documentaire Nachtkinderen geclassificeerd met «Let op met kinderen tot 16 jaar», onder meer op basis van de weergave van drugsgebruik en grof taalgebruik. Deze classificatie maakt inzichtelijk dat bij de beoordeling van de inhoud expliciet rekening wordt gehouden met dergelijke elementen en de mogelijke impact daarvan op minderjarigen, zodat kijkers een geïnformeerde keuze kunnen maken.
Voor lineaire televisie-uitzendingen geldt dat content met een classificatie van 16 jaar alleen na 20.00 uur mag worden uitgezonden. Voor streamingsdiensten geldt dat content met deze classificatie niet toegankelijk mag zijn binnen kinderprofielen en dat content afgesloten kan worden met pin. Op deze wijze wordt rekening gehouden met de bescherming van minderjarigen bij de beschikbaarheid van dergelijke content.
Deelt u de opvatting dat het tonen van minderjarige drugsgebruikers zonder duidelijke afkeurende context bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om vast te stellen of deze specifieke documentaire direct bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren. Normalisering is een complex en breed begrip dat bestaat uit verschillende onderdelen.2
Wel is het van belang dat jongeren zich bewust zijn van de schadelijke gevolgen van drugsgebruik. Het kabinet vindt het belangrijk dat duidelijk blijft dat drugsgebruik risico’s met zich meebrengt en niet als vanzelfsprekend of wenselijk wordt beschouwd. Om deze reden worden er verschillende middelen ingezet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan.
Zo worden de ontwikkelingen van het drugsgebruik onder jongeren jaarlijks gemonitord. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het drugsgebruik onder minderjarigen de afgelopen jaren niet is toegenomen. Het kabinet blijft deze ontwikkelingen volgen en ondersteunt onderzoek hiernaar. Ook draagt het kabinet bij aan bewustwording van de maatschappelijke gevolgen van drugs onder jongeren met de campagne «Drugs raakt ons allemaal» waar de Minister van Justitie en Veiligheid de Kamer over heeft geïnformeerd in de brief «Bestrijding georganiseerde criminaliteit».3
Verder werkt het kabinet aan drugspreventie op het voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs. Via het programma Helder op School krijgen onderwijsinstellingen handvatten aangereikt voor een praktische aanpak gericht op preventie van alcohol, tabak en drugs. Ook voor studentenverenigingen en introductiecommissies is informatie beschikbaar om (risicovol) gebruik van drugs terug te dringen. Voor gemeentes is een handreiking ontwikkeld om hogescholen, universiteiten en andere lokale partners te ondersteunen. Daarnaast ziet het kabinet ook vanuit studenten veelbelovende initiatieven. De ministeries van OCW, JenV en VWS hebben regelmatig contact met enkele initiatiefnemers. Zo wordt er, conform de motie Van Dijk en Bikker van 21 april jl., samengewerkt aan een training voor huisoudsten om bewustwording rondom middelengebruik en normen te creëren.4
Professionals uit de gezondheidszorg en het sociaal domein kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van (problematisch) drugsgebruik. Zij kunnen informatie en opvoedondersteuning geven en indien nodig toeleiden naar de preventie-afdeling van een instelling voor verslavingszorg of andere gespecialiseerde hulp. Het programma Open en Alert van het Trimbos-instituut helpt organisaties bij het opstellen van helder middelenbeleid en bevordert deskundigheid van professionals die daar werken.5 Het kabinet gaat nader in op de campagne en overige middelen in een voortgangsbrief over het drugsbeleid die u voor de zomer ontvangt.
Acht u het acceptabel dat minderjarigen herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij strafbare en potentieel schadelijke gedragingen verrichten, ondanks de mogelijke gevolgen voor hun toekomst?
Het uitgangspunt van dit kabinet is dat minderjarigen zorgvuldig moeten worden beschermd, zeker wanneer zij herkenbaar in beeld worden gebracht in situaties die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor hun ontwikkeling of toekomst.
Daarbij is het belangrijk om te benadrukken dat er ook sprake is van artistieke en journalistieke vrijheid van documentairemakers die beschermd moet worden. Documentairemakers moeten de creatieve ruimte hebben om maatschappelijke vraagstukken ongecensureerd te verkennen en te verwerken in hun productie; het tonen van een bepaalde realiteit kan ook een maatschappelijk probleem zichtbaar maken. Deze overweging is aan de maker. Daarbij hebben zij wel een journalistieke verantwoordelijkheid, waarbij ze rekening dienen te houden met wettelijke kaders en journalistieke codes. Makers moeten zich in dat kader bewust zijn van de bescherming van (de rechten van) personen die in de documentaire zitten, zeker als het gaat om minderjarigen. Zo stelt de leidraad van de Raad voor de Journalistiek dit ook als expliciet uitgangspunt.
De afweging om minderjarigen herkenbaar in beeld te brengen in deze documentaire vraagt om een zorgvuldige beoordeling van de mogelijke consequenties voor hun privacy, welzijn en toekomstperspectief. Ook hierbij ligt de eindverantwoordelijkheid bij de documentairemaker en, waar van toepassing, bij de ouders of wettelijke vertegenwoordigers. Het is aan alle betrokkenen om hierover vooraf het gesprek te voeren en de belangen van de jongeren centraal te stellen.
In hoeverre wordt onderzocht of dit soort content een aanzuigende werking heeft op jongeren en daarmee indirect bijdraagt aan drugsgebruik en drugsnormalisering?
Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak, zoals een documentaire, aan te wijzen.
Hoewel er geen afzonderlijk onderzoek uitgevoerd wordt naar de mogelijke aanzuigende werking van individuele documentaires, worden ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs nauwlettend gevolgd via monitoring. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Deelt u de mening dat streamingdiensten en producenten een grens overschrijden wanneer harddrugsgebruik door minderjarigen op deze manier wordt gefilmd en verspreid? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan het kabinet om te oordelen over de inhoud van programma’s en derhalve ook niet om te zeggen of hier grenzen worden overschreden. Het Commissariaat voor de Media kan op basis van signalen, zoals vragen of klachten van kijkers en luisteraars, besluiten onderzoek te doen naar de naleving van normen waarop hij toeziet. Het Commissariaat geeft risicogestuurd invulling aan zijn toezicht. Dit betekent dat hij signalen beoordeelt op de mate waarin het Commissariaat daarin risico’s ziet. Prioriteiten worden aan de hand van die risico-inschatting bepaald. Het Commissariaat beschikt vervolgens over een breed pallet aan mogelijke toezichtinterventies. Mocht een streamingsdienst een grens overschrijven, dan zullen zij hier de juiste interventie op toepassen. Zie in dit kader de toezichtaanpak van het Commissariaat en het handhavingsbeleid.
Wordt onderzocht of het herkenbaar in beeld brengen van minderjarige drugsgebruikers gevolgen moet hebben voor zowel de betrokken producenten als de minderjarigen die zichtbaar strafbare feiten plegen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om al dan niet tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Het gebruik van drugs is in Nederland op zichzelf niet strafbaar. Los daarvan ziet het kabinet ook geen aanleiding om een afzonderlijk onderzoek te starten naar andere mogelijke gevolgen voor de producenten en minderjarigen die in deze documentaire herkenbaar in beeld worden gebracht.
Dit neemt niet weg dat het van belang is om zorgvuldig om te gaan met de privacy en belangen van minderjarigen. Drugsgebruik brengt risico’s met zich mee en het kabinet vindt het belangrijk dat het gebruik van drugs door jongeren niet als vanzelfsprekend of wenselijk wordt beschouwd. Bij producties waarin kwetsbare jongeren herkenbaar in beeld komen, is een verantwoordelijkheid weggelegd voor de betrokken partijen om de mogelijke gevolgen voor het welzijn en toekomstperspectief van deze jongeren zorgvuldig af te wegen.
Het bericht dat Algerije alle protestantste kerken gesloten heeft |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (9 mei 2026) waarin gesteld wordt dat de autoriteiten van Algerije sinds 2017 alle protestantse kerken in het land gesloten hebben?1
Ja.
Deelt u de belangrijkste conclusies uit het onderliggende rapport van het European Centre for Law and Justice (ECLJ)?2 Wat is uw bredere reflectie op de in het rapport beschreven positie van christenen in Algerije?
De bevindingen in het rapport van de ECLJ komen overeen met bevindingen van de VN en INGO’s; namelijk dat religieuze minderheden, waaronder christenen, beperkingen ervaren in het praktiseren van hun geloof in Algerije.
Bent u bereid om de categorische sluiting van protestantse kerken en andere schendingen van godsdienstvrijheid officieel te veroordelen?
In Algerije spreekt Nederland met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar opportuun deelt Nederland zijn visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin. Ook wordt gesproken over de positie van christenen. Nederland blijft voor zover mogelijk geëngageerd op dit thema, in gesprek met relevante actoren.
In algemene zin brengt Nederland waar mogelijk in contacten met relevante autoriteiten en partners het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin consequent onder de aandacht. Daarbij vraagt Nederland ook aandacht voor de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, evenals zorgen over de sluiting van kerken en andere religieuze instellingen. Nederland zet zich actief en zichtbaar in door deze onderwerpen structureel te agenderen in bilaterale contacten en multilaterale fora, te investeren in religieuze geletterdheid binnen de diplomatieke dienst en intensief samen te werken met religieuze en maatschappelijke actoren wereldwijd.
Bent u bereid om de Algerijnse ambassadeur te ontbieden? Zo nee, welke diplomatieke druk acht u gepast?
De Nederlandse overheid staat voor het recht op vrijheid van religie. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Wanneer het kabinet constateert dat mensen mogelijk in die vrijheid worden beperkt, wordt dit meegenomen in gesprekken met landen waar dit speelt. Nederland onderhoudt een open en gelijkwaardige dialoog met Algerije, waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen.
Kunt u aangeven op welk niveau er in de Europese Unie (EU) afstemming is over christenvervolging in Algerije?
Binnen de Europese Unie wordt in verschillende gremia gesproken over de mensenrechtensituatie in Noord-Afrikaanse landen, waaronder de positie van christenen en andere (religieuze) minderheden. Waar mogelijk wordt dit thema ook besproken met de relevante autoriteiten.
Kunt u verzekeren dat deze kwestie hoge prioriteit heeft voor Mairead McGuinness, de recent aangestelde Europese gezant voor godsdienstvrijheid? Bent u bereid de strafrechtelijke vervolging van christenen, de opsluiting van religieuze leiders en de sluiting van kerken actief onder haar aandacht te brengen en in EU-verband te bezien welke effectieve drukmiddelen kunnen worden ingezet?
Het kabinet verwelkomt de benoeming van Mairead McGuinness tot EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. De prioriteiten van de gezant worden vastgesteld door de Europese Commissie en de gezant zelf. Nederland acht deze functie van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland zal daarbij aandacht blijven vragen voor de positie van religieuze minderheden en zorgen over onder andere de sluiting van kerken in Algerije waar mogelijk onder de aandacht brengen in contacten met de gezant. Momenteel verkent het kabinet tevens hoe de nieuwe EU-gezant praktisch kan worden ondersteund, bijvoorbeeld via een mogelijke detachering. Daarnaast zet Nederland zich in voor een complementaire nationale inzet, bijvoorbeeld door verdere opvolging van EU-bezoeken via de Nederlandse Speciaal Gezant in landen waar christenen, en andere religieuze minderheden, onder druk staan.
Op welke wijze heeft Nederland zich eerder richting de Algerijnse autoriteiten ingezet ten aanzien van de positie van christenen en godsdienstvrijheid? Welke rol speelt de Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging hierin?
De Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging (SGRL) zet zich wereldwijd in voor de positie van religieuze minderheden. De gezant draagt bij aan de agendering van dit thema, waaronder de situatie in Algerije, in bilaterale en multilaterale contacten en aan de opbouw en versterking van internationale coalities. Daarnaast onderhoudt de SGRL actief contact met religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en diasporagroepen, zowel in Nederland als internationaal.
Daarnaast spreekt de Nederlandse ambassade in Algiers met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar mogelijk deelt de ambassade de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin. Ook wordt dan gesproken over de positie van christenen. Hierbij is het van belang de religieuze minderheden niet in een kwetsbare positie te brengen. Om te voorkomen dat de Nederlandse inspanningen een tegengesteld effect hebben, is juist het opzoeken van de dialoog van belang.
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Ja, wanneer personen met een studieschuld (hierna: debiteur) bewust geen contactgegevens doorgeven bij vertrek naar het buitenland, en daarmee het terugbetalen van hun studieschuld proberen te vermijden, vind ik dat onacceptabel. Tegelijkertijd komt het in de praktijk niet vaak voor dat studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland onbereikbaar zijn. Dit licht ik nader toe bij het antwoord op vraag 3. DUO slaagt er bovendien al in om met de meeste debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken weer in contact te komen. Ik erken wel dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom neem ik in het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering een aantal maatregelen hiertoe.
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Indien een debiteur het maandelijkse aflosbedrag aan studieschuld niet terugbetaalt, is er sprake van een achterstallige schuld voor dat gedeelte van de studieschuld. Een achterstallige schuld is direct opeisbaar, waardoor DUO op elk gewenst moment het recht heeft om die te innen bij de debiteur. Een vordering op een achterstallige schuld kan alleen verjaren na vijf jaar als DUO geen actie onderneemt. DUO verricht handelingen om de verjaring van de achterstallige schuld te voorkomen, door de vordering van de debiteur te stuiten. Dit doet DUO door zowel tijdige berichten als betaalverzoeken richting de debiteur in de MijnDUO-omgeving aan te maken en door adresonderzoek uit te voeren. Hierdoor gaat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen en blijft het niet-betaalde gedeelte van de studieschuld opeisbaar.
De inschatting is dat het niet vaak voorkomt dat achterstallige gedeelten van studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland niet-traceerbaar zijn. Het gaat naar verwachting om incidentele gevallen.2 Het exacte aantal gevallen is niet bekend, omdat DUO geen overzicht bijhoudt van het totaal aan verjaarde studieschulden in de afgelopen vijf jaar.
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Een aantal buitenlandse overheidsorganisaties verleent medewerking wanneer DUO vraagt om gegevens van debiteuren, zodat contact met hen kan worden gelegd. Daarnaast heeft DUO in het afgelopen jaar contact gelegd en gesprekken gevoerd met een aantal nieuwe buitenlandse overheidsinstanties ten behoeve van het uitbreiden van gegevensuitwisseling. Om berekenend gedrag van debiteuren zoveel mogelijk te voorkomen, kies ik ervoor om geen opsommende lijst van individuele buitenlandse overheidsinstanties in deze beantwoording op te nemen. Overigens geven de meeste debiteuren met wie DUO het toch gelukt is om contact te leggen aan dat het niet actueel houden van een adres een kwestie van slordigheid en onoplettendheid was. Zij treffen dan ook in veel gevallen regelingen met DUO om de achterstanden in te lopen.
Naast gegevens opvragen bij buitenlandse overheidsinstanties is gegevensopvraging ook in enkele landen een mogelijkheid via een contractpartner3. De gecontracteerde partij kan via lokale advocaten of deurwaarders toegang krijgen tot adresregisters die DUO niet zelfstandig kan raadplegen.
DUO zet ook in op samenwerking met andere rijksdiensten voor het innen van studieschulden. Zo heeft een pilot plaatsgevonden met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in Turkije die DUO hielp om studieschulden te innen.
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Het gaat bij onbereikbare debiteuren voornamelijk om Nederlandse debiteuren die nu in het buitenland wonen. Van de onbereikbare debiteuren heeft namelijk 78,7% de Nederlandse nationaliteit. Veel van hen woonden op het moment dat zij studiefinanciering ontvingen in de grensregio’s met Duitsland en België.
Het vermoeden van OCW en DUO is verder dat het voor een deel gaat om personen met de Nederlandse nationaliteit die na hun studietijd in Nederland naar het buitenland zijn verhuisd. Daarnaast bestaat waarschijnlijk een deel van de onvindbare debiteuren uit personen die in het buitenland hebben gestudeerd met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 en die nu nog steeds in het buitenland wonen.
Het aantal (on)vindbare debiteuren in het buitenland is daardoor dus niet direct te relateren aan het aantal internationale studenten in het hbo en wo. Wel is het aannemelijk dat de toename van het aantal internationale studenten ertoe leidt dat in de toekomst een groter aandeel van de debiteuren vanuit het buitenland hun studieschuld zal aflossen. Met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering, dat nu in internetconsultatie is, wil ik DUO extra instrumenten geven om studieschulden in het buitenland effectiever te kunnen innen. Hier ga ik bij het antwoord op vraag 9 nader op in.
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
In onderstaande tabel is het aantal onbereikbare debiteuren opgenomen uitgesplitst naar nationaliteit.
Nationaliteit
Aantal
Aandeel
Nederlands
18.076
78,7%
EER
1.444
6,3%
Overig*
3.460
15,0%
totaal
22.980
100%
Studenten die studiefinanciering ontvangen op grond van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V maken onderdeel uit van de categorie overig. Het is niet mogelijk om deze apart inzichtelijk te maken.4
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
In 2025 ontvingen circa 76.000 niet-Nederlandse studenten5 een vorm van studiefinanciering. Van hen maakten circa 19.500 gebruik van een rentedragende leningen en/of collegegeldkrediet. Het gaat hierbij om mbo-, hbo- en wo-studenten die in 2025 minimaal één maand studiefinanciering van DUO ontvingen.
Het overgrote deel van de niet-Nederlandse studenten dat studiefinanciering ontvangt, komt uit landen binnen de EER. Uit onderzoek van Nuffic naar de stayrates van internationale afgestudeerden studenten6 blijkt dat van de groep die in studiejaar 2018–2019 is afgestudeerd, na vijf jaar 24,3% nog in Nederland woont en werkt.
Naast niet-Nederlandse studenten met Nederlandse studiefinanciering is het ook belangrijk te benadrukken dat Nederlandse studenten óók internationale studenten kunnen zijn die in het buitenland studeren met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 (meeneembare studiefinanciering). In 2025 ging het om totaal 14.692 studenten waarvan ruim 91% de Nederlandse nationaliteit had.
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Het in contact komen met debiteuren in het buitenland is arbeidsintensiever voor DUO in het buitenland dan in Nederland, omdat DUO niet geautomatiseerd beschikt over actuele adresgegevens van debiteuren die buiten Nederland wonen. DUO is hiervoor grotendeels afhankelijk van informatie die door de debiteur zelf wordt verstrekt. Naast het versturen van berichten via de Mijn DUO-omgeving zijn er verschillende andere mogelijkheden om (te proberen) in contact te komen met de debiteur.
Wanneer een studieschuld niet wordt terugbetaald en het adres van de debiteur niet bekend is bij DUO, worden deze intern DUO overgedragen voor adresonderzoek (traceren) en proactieve benadering. Het doel hiervan is om betalingsachterstanden zo veel als mogelijk te voorkomen en op te lossen, met oog voor de situatie van de debiteur. Zo kan DUO via een eigen account op sociale media de debiteuren benaderen of op basis van sociale media proberen om meer informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van de debiteur. Indien sprake is van een land waar succesvol gegevens aan de buitenlandse overheidsinstantie kunnen worden gevraagd, kan vervolgens een adresbevraging worden gedaan bij een buitenlandse overheidsinstantie.
In het buitenland kan DUO niet zelfstandig een dwangbevel uitvaardigen om zonder tussenkomst van de rechter executiemaatregelen op te kunnen leggen, zoals beslaglegging. DUO moet daar gebruik maken van buitenlandse incassobureaus voor de inning van studieschulden, voor zover bekend is waar de oud-student verblijft.
Indien een oud-student niet vrijwillig betaalt of meewerkt via het incassobureau, kan DUO ook rechtszaken tegen debiteuren voeren in het buitenland. Deze gerechtelijke procedures vinden plaats volgens de toepasselijke internationale privaatrechtelijke regels. Deze procedures verschillen per land en zijn doorgaans tijdrovender, duurder en complexer dan in Nederland. Bovendien is gerechtelijke inning niet in alle landen mogelijk, bijvoorbeeld doordat er geen toepasselijk verdrag bestaat of de lokale regelgeving onvoldoende mogelijkheden biedt voor het effectief uitvoeren van een rechterlijke uitspraak of beslissing.
Wanneer een studieschuld niet wordt betaald, de betalingsachterstand hoger is dan € 5.000,– en er geen bekend buitenlands adres is kan DUO gebruik maken van paspoortsignalering bij Nederlandse debiteuren. De student krijgt dan pas een nieuw paspoort als de achterstand is betaald of een betalingsregeling is overeengekomen met DUO. Bij een zeer hoge achterstand (vanaf € 45.000) kan DUO gegevens van een debiteur laten opnemen in het systeem Executie en Signalering, waarbij het paspoort wordt ingenomen wanneer de debiteur Nederland binnenkomt.
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
DUO slaagt erin het merendeel van alle maandelijkse aflosbedragen van studieschulden binnen twaalf maanden na opeisbaarheid te innen. Dit laat zien dat het inningsbeleid over het algemeen effectief is. Tegelijkertijd blijkt dat de inning van studieschulden bij debiteuren in het buitenland uitdagender is dan bij debiteuren in Nederland. Hoewel DUO met veel debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken uiteindelijk in contact komt, erken ik dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom stel ik, met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering dat nu in internetconsultatie is, een aantal maatregelen voor om het innen van studieschulden in het buitenland te verbeteren:
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
De financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven door de weigerachtige houding van meerdere zorgverzekeraars om het ziekenhuis voldoende te financieren |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het ziekenhuis Bernhoven in de financiële problemen dreigt te geraken doordat zij minder zorg gericht op productie levert, maar passende zorg gericht op de patiënt als uitgangspunt?1, 2, 3
Ja. Het kabinet is op de hoogte van de uitdagingen waarvoor ziekenhuis Bernhoven staat. Hierover is de afgelopen jaren regelmatig contact geweest tussen ziekenhuis Bernhoven, het Ministerie van VWS, het Zorginstituut Nederland, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Nederlandse Zorgautoriteit. Ziekenhuis Bernhoven heeft daarbij ook aandacht gevraagd voor de knelpunten die zij ervaart bij de financiering van passende zorg.
Bent u op de hoogte van het feit dat vijf zorgverzekeraars, te weten: Zilveren Kruis/Achmea, Menzis, ONVZ, ASR en Salland die samen een marktaandeel van twintig procent hebben in het werkgebied van Bernhoven, weigeren om – net als de andere zorgverzekeraars Bernhoven aanvullend te financieren zodat de financiële toekomst van Bernhoven kan worden gegarandeerd?
Ja, het kabinet is op de hoogte van het feit dat een aantal zorgverzekeraars recentelijk nog in gesprek was met ziekenhuis Bernhoven over het contract voor 2026 en daarover nog geen finale overeenstemming hadden. Volgens informatie op de website van ziekenhuis Bernhoven (stand per 25 juni 2026) heeft het ziekenhuis inmiddels een contract gesloten met alle zorgverzekeraars, behalve met zorgverzekeraars Achmea, A.S.R. en Menzis. Met de zorgverzekeraars Achmea en A.S.R. is de status «in onderhandeling», terwijl de status van zorgverzekeraars Menzis wordt omschreven als «in onderhandeling maar nog geen zicht op contract».
Bent u het ermee eens dat alle zorgverzekeraars gezamenlijk de plicht hebben het ziekenhuis Bernhoven langjarig voldoende te financieren om te voorkomen dat het ziekenhuis failliet gaat en/of gedwongen zou worden te fuseren met een ander ziekenhuis in de omgeving waardoor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg voor 280.000 patiënten in de regio Oss, Bernheze, Maashorst, Meijerijstad onder druk komt te staan?
Elke zorgverzekeraar heeft individueel een wettelijke zorgplicht voor zijn verzekerden. De zorgverzekeraar moet voor zijn verzekerden ervoor zorgen dat deze binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang hebben tot alle zorg uit het basispakket. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt toezicht op nakoming van de zorgplicht door zorgverzekeraars en borgt daarmee de bereikbaarheid en toegankelijkheid van zorg in een regio.
Dit kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland, ongeacht woon- of verblijfplaats, toegang heeft tot goede zorg. Toegankelijke medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Regionale ziekenhuizen zoals Bernhoven, vervullen een essentiële rol in het zorglandschap. Om lange termijn afspraken te bevorderen zet het kabinet in op een passend regionaal zorglandschap, waarbij het actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio èn op de rol van de zorgverzekeraars. Het kabinet verwacht van zorgverzekeraars dat zij meer gaan inzetten op de beschikbaarheid van passende zorg.
Wanneer er een gezamenlijke visie is over de toekomstige inrichting van het regionale zorglandschap en welke aanpak nodig is om dit toekomstbeeld te realiseren, dan is het uitgangspunt dat hier regionale afspraken over worden gemaakt vanuit een meerjarig perspectief. De doorvertaling van deze regionale afspraken naar de zorginkoop is hierbij van groot belang en is een van de afspraken waar zorgverzekeraars en gemeenten zich reeds in het IZA aan hebben gecommitteerd. Of een ziekenhuis moet afslanken of fuseren is onderdeel van deze gezamenlijke regionale afspraken.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is wanneer een ziekenhuis financieel gestraft wordt voor het inzetten op passende zorg, terwijl uw kabinet juist expliciet wil inzetten op passende zorg?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn en dus niet moet worden bestraft. De keuze van ziekenhuis Bernhoven om de organisatie volledig te richten op het implementeren van passende zorg past bij de richting die het kabinet voor ogen heeft.
Tegelijkertijd laat de bredere beweging naar passende zorg zien dat het soms nodig is om in een overgangssituatie extra ondersteuning te bieden. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar het nodig is, wordt dit aangepast. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren de transformatie ondersteund door aanvullende transformatiemiddelen (nagenoeg 2 miljard) in te zetten. Voor partijen moet het inzetten op passende zorg lonend zijn maar dit betekent ook dat de bedrijfsvoering hierop aangepast moet worden.
Deelt u de mening van uw voorganger dat de werkwijze van het ziekenhuis Bernhoven een voorbeeld is dat navolging verdient? Kunt u dit toelichten?4
Ja. De werkwijze van ziekenhuis Bernhoven lijkt goed aan te sluiten bij de uitgangspunten van passende zorg. De ervaringen die daar zijn opgedaan kunnen waardevolle lessen bieden voor zorgverzekeraars en voor andere zorgaanbieders.
Klopt het dat een aantal verzekeraars de gemaakte afspraken uit het continuïteitsplan uit 2024 niet nakomt? Kunt u dit toelichten?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit is gebleken dat de vijf genoemde zorgverzekeraars menen dat het continuïteitsplan zich uitstrekte over de periode 2024 en 2025. Zij zijn daarom daarna met ziekenhuis Bernhoven weer de normale
onderhandelingscyclus gestart om tot nieuwe contractsafspraken te komen voor 2026. Uit informatie op de website van ziekenhuis Bernhoven (stand per 25 juni 2026) blijkt dat het ziekenhuis inmiddels een contract gesloten heeft met alle zorgverzekeraars, behalve met zorgverzekeraars Achmea, A.S.R. en Menzis. Met de zorgverzekeraars Achmea en A.S.R. is de status «in onderhandeling», terwijl de status van zorgverzekeraars Menzis wordt omschreven als «in onderhandeling maar nog geen zicht op contract».
Overigens is er volgens de Nederlandse Zorgautoriteit op dit moment geen sprake van (acute) financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven, maar is het voor de toekomstbestendigheid van het ziekenhuis wel belangrijk dat er goede contractafspraken komen met alle zorgverzekeraars. Daarbij geven de zorgverzekeraars nadrukkelijk aan dat zij zich richten op de continuïteit van ziekenhuis Bernhoven, omdat zij vinden dat het ziekenhuis een belangrijke regionale rol in het zorglandschap vervult.
Hoe groot is het risico dat een deel van de zorg uit het ziekenhuis Bernhoven zal verdwijnen?
Het kabinet heeft op dit moment geen signalen ontvangen dat ziekenhuis Bernhoven voornemens is delen van de zorg af te stoten of dat de continuïteit van zorg voor patiënten in de regio in het geding is. Bernhoven heeft aangegeven geen plannen te hebben om zorg af te stoten of te fuseren. Daarnaast heeft ziekenhuis Bernhoven eerder aangegeven afspraken te hebben met de twee grootste zorgverzekeraars – CZ en VGZ – tot en met 2028. Ook zijn inmiddels met meerdere andere zorgverzekeraars contracten gesloten.
Bent u bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen te bemiddelen dan wel in te grijpen bij het conflict tussen een aantal zorgverzekeraars en ziekenhuis Bernhoven om te komen tot een eerlijke en reële financiering door alle zorgverzekeraars waarbij enerzijds verkeerd uitpakkende productieprikkels worden vermeden en anderzijds het ziekenhuis langjarig financiële zekerheid kan worden geboden?
De Nederlandse Zorgautoriteit is op de hoogte van de situatie in ziekenhuis Bernhoven en houdt vanuit haar rol als onafhankelijke toezichthouder een vinger aan de pols. Het kabinet ziet vanuit haar rol en verantwoordelijkheid op dit moment geen aanleiding om de Nederlandse Zorgautoriteit te verzoeken aanvullende stappen te zetten. De Nederlandse Zorgautoriteit geeft aan dat het op dit moment gaat om een contracteringsvraagstuk en niet om een continuïteitsprobleem. Het is in eerste instantie aan ziekenhuis Bernhoven om samen met de zorgverzekeraars tot passende afspraken te komen.
Bent u het ermee eens dat ten alle tijde moet worden voorkomen dat het ziekenhuis Bernhoven failliet gaat? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel als de toegankelijkheid van de zorg nog verder achteruitgaat?
Ja. In algemene zin moet een ongecontroleerd faillissement van een ziekenhuis worden voorkomen. Tegelijkertijd zijn er op dit moment geen aanwijzingen dat een faillissement van ziekenhuis Bernhoven aan de orde is. Bernhoven geeft aan dat er geen reden is voor angst op een faillissement en dat de toegankelijkheid van zorg op dit moment is gewaarborgd. De Nederlandse Zorgautoriteit volgt de situatie en ziet toe op de zorgplicht van zorgverzekeraars. Mochten er risico’s ontstaan voor de continuïteit van zorg, dan bestaan daarvoor procedures en instrumenten om tijdig passende maatregelen te treffen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
Ja, die zorgen deel ik. Ik sta pal voor de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in onze samenleving en maak mij samen met anderen hard voor de veiligheid en vrijheid van vrouwen.
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Ja, professionals zien dat de manosfeer hierbij een rol kan spelen.
Uit een uitvraag onder betrokken organisaties blijkt dat professionals van Politie, Openbaar Ministerie, reclassering en forensische zorg die werken met personen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, bekend zijn met online beïnvloeding vanuit onder meer de manosfeer. Zij geven aan dat dit in sommige gevallen een van de risicofactoren kan zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld, en ander geweld tegen vrouwen en meisjes. Tegelijkertijd benadrukken zij dat een direct causaal verband moeilijk is vast te stellen en dat online beïnvloeding moet worden bezien in samenhang met andere persoonlijke, sociale en contextuele factoren.
Bij Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zijn op dit moment geen structurele signalen bekend. Dat betekent echter niet dat dergelijke online invloeden geen rol kunnen spelen in individuele zaken. Zo betrekt de RvdK het online gedrag van jongeren bij jeugdcriminaliteitszaken in de risicotaxatie, waardoor ook mogelijke invloeden vanuit online omgevingen, waaronder de manosfeer, kunnen worden meegewogen. Ook onderwijsprofessionals geven volgens het onderzoek van Stichting School & Veiligheid aan dat ze de invloed van de manosfeer op school merken. Bijvoorbeeld als het gaat om ideeën over genderverhoudingen, zoals kwaliteiten of rolverdeling van mannen en vrouwen of negatieve uitspraken over en gedragingen richting mensen die transgender, non-binair of homo zijn.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met betrokken organisaties en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. De aanpak van (seksueel) geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld bevat onder andere specifieke inzet op het bevorderen van gendergelijkheid, het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel in de fysieke als in de online leefomgeving. Hierbij is ook specifieke aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator4, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van») en de ontwikkeling van de Mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide. Deze inzet draagt bij aan het tegengaan van de invloed van, en weerbaarheid tegen, de manosfeer. Tegelijkertijd zijn er meer en specifiekere maatregelen mogelijk, zowel offline als online.
Bij de ontwikkeling van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het versterkingsplan lhbtiq+ wordt de invloed van de manosfeer meegenomen. We ontwikkelen dit in coördinatie met andere betrokken departementen. In de Emancipatienota die de Tweede Kamer in september 2026 ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer start de Nationaal Coördinator met de ontwikkeling van een nieuw nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hierin wordt meegenomen welke behoeften er zijn aan onderzoek bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en op welke wijze dit geprioriteerd kan worden binnen de beschikbare middelen. Dit geldt ook voor het versterkingsplan lhbtiq+. Een onderzoek naar de rol van de manosfeer in het ontstaan en voortduren van grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen behoort hierbij tot de mogelijkheden.
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Op dit moment loopt, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een traject waarin door Regioplan samen met de VNG en verschillende zorg- en strafpartners wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor het verbeteren van deskundigheid ten aanzien van gendergerelateerd geweld. Hierbij is aandacht voor (onbewuste) gendernormen en stereotypen. Het plan van aanpak wordt voor de zomer met uw Kamer gedeeld via de voortgangsbrief aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Binnen verschillende sectoren die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag is aandacht voor het herkennen en bespreekbaar maken van risicofactoren, waaronder online beïnvloeding. Professionals van onder andere Halt en de Raad voor de Kinderbescherming worden bijvoorbeeld ondersteund met signalerings- en risicotaxatie instrumenten5, handreikingen, factsheets en andere hulpmiddelen. De kennis over de specifieke invloed van de manosfeer is echter nog in ontwikkeling en verdere deskundigheidsbevordering blijft van belang.
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Het is al langer bekend dat negatieve opvattingen over vrouwen of vrouwelijke autoriteitsfiguren, die ook al vóór de opkomst van de manosfeer voorkwamen, in sommige gevallen een rol kunnen spelen in de hulpverleningsrelatie. Online beïnvloeding, waaronder vanuit de manosfeer, kan dergelijke opvattingen versterken. Tegelijkertijd geven de betrokken organisaties aan geen aanwijzingen te hebben voor een toename van wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners als gevolg van deze beïnvloeding. Dat neemt niet weg dat dergelijke situaties kunnen voorkomen en dat alertheid op signalen hiervan van belang blijft.
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Uit het onderzoek blijkt dat bijna 80% van de professionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door online content over mannelijkheid, genderidentiteit en omgang met vrouwen. Dit benadrukt de mogelijke impact van de manosfeer op het gedrag en de dynamiek in de klas. Dat onderstreept dat de samenleving, de sector en de overheid de taak hebben om te werken aan gelijkwaardigheid en veiligheid voor iedereen.
Ik ben in gesprek met onderwijsprofessionals over dit onderwerp, hun behoefte aan ondersteuning en handvatten om hiermee om te gaan, en manieren om het gesprek in de klas hierover te stimuleren.
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Ik vind het zorgwekkend dat bijna driekwart van de professionals een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosfeer. Het is complex om op basis van dit onderzoek één specifieke oorzaak aan te wijzen, maar de toenemende online blootstelling aan polariserende en antifeministische denkbeelden, zoals uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid blijkt, draagt mogelijk bij aan de toename van dit gedrag.
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Ja. Uit het onderzoek blijkt dat 52% van de meiden en 58% van de lhbtiq+ leerlingen zich minder veilig voelen door uitlatingen en gedragingen die voortkomen uit de manosfeer. Dat geldt in mindere mate, maar nog steeds ook, voor jongens (39%). Ook ervaart 29% van de ondervraagde vrouwelijke onderwijsprofessionals dat hun autoriteit wordt ondermijnd vanwege hun vrouw-zijn. Uit gesprekken met leerkrachten worden deze signalen bevestigd.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Scholen, overheden en ouders hebben een verantwoordelijkheid en rol in het creëren van gelijkwaardigheid en ondersteunen van veiligheid voor meisjes en vrouwen, jongens en mannen. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school, en de opdracht om leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Gelijkwaardigheid is daar onderdeel van. Ook mediawijsheid en digitale geletterdheid dragen bij aan het herkennen van online beïnvloeding.
Het is nodig om te begrenzen én aandacht te hebben voor gedrag en uitlatingen van jongeren, om hen zo beter te begrijpen, gerichter te kunnen ondersteunen en waar nodig tijdig te kunnen bijsturen. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunen we scholen hierbij. Dat gebeurt via Stichting School & Veiligheid, het Expertisepunt Burgerschap en het Netwerk Mediawijsheid.
Ook ouders hebben een belangrijke rol. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om thuis het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de online invloeden waaraan hun kinderen blootgesteld worden. Het is van belang dat zowel vaders als moeders hier verantwoordelijkheid in nemen. Daarnaast is een goede samenwerking tussen ouders en de school nodig waarbinnen heldere en duidelijke afspraken gelden die ook consequent worden gehandhaafd. Daarmee wordt een positief pedagogisch klimaat gecreëerd waarin iedere leerling en onderwijsprofessional zich veilig kan voelen.
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Het betekent dat de manosfeer bij kan dragen aan een onveilig schoolklimaat, waarbij vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker te maken krijgen met onacceptabel gedrag. Dit ondermijnt hun autoriteit en de kwaliteit van het onderwijs. Het benadrukt de noodzaak om grenzen te stellen en normen te handhaven, zowel op school als in de samenleving.
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Op dit moment kunnen scholen en leraren gebruikmaken van ondersteuning via het Expertisepunt Burgerschap, waar subsidie aangevraagd kan worden voor trainingen om schurende gesprekken te voeren. Daarnaast biedt Stichting School & Veiligheid (SSV) ondersteuning bij het bevorderen van een veilig schoolklimaat. Daarnaast vraagt dit van schoolleiders en bestuurders dat zij voor hun medewerkers gaan staan en hen adequate ondersteuning bieden. Ik ben in gesprek met leerkrachten of dit voldoende handvatten biedt.
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Uit het onderzoek en de gesprekken die ik met leerkrachten voer blijkt dat er behoefte is aan ondersteuning. Die is onder andere beschikbaar via het Expertisepunt Burgerschap en Stichting School & Veiligheid. Samen met Stichting School & Veiligheid zijn we voortdurend in contact met leraren om te vernemen wat werkt en of meer nodig is. Dit contact hebben we ook met scholieren.