Olieboring in het Noordpoolgebied |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen over de ijskappen in het Noordpoolgebied, die door het jarenlang opstoken van fossiele brandstoffen inmiddels zo ver zijn gesmolten dat voorheen onbereikbare Arctische oliegebieden nu binnen bereik zijn komen te liggen? Wat vindt u ervan dat uitgerekend oliemaatschappij Shell als eerste vanaf 13 juli 2012 proefboringen mag gaan uitvoeren in het unieke Noordpoolgebied?
Het is niet aan mij maar aan de vergunningverlener – in dit geval de Amerikaanse overheid – om de afweging te maken of activiteiten toegelaten kunnen worden. De Amerikaanse overheid heeft met de vergunningaanvraag ingestemd en is nagegaan of de mogelijke impact op onder andere de omgeving voor de bevolking, die afhankelijk is van de Arctische natuur in het voorzien van hun levensbehoeften, flora en fauna en het milieu acceptabel zijn. Ook is beoordeeld of Shell’s plannen voldoen aan de vereiste standaarden om olielekkages te voorkomen en dat in geval er iets gebeurt, hier snel en adequaat op gereageerd kan worden.
In algemene zin heb ik overigens geen bezwaar tegen het feit dat Shell het eerste bedrijf is dat proefboringen gaat uitvoeren in het Noordpoolgebied. Shell voldoet aan de eisen en voorwaarden die de Amerikaanse overheid gesteld heeft. Daarnaast heeft Shell ook reeds ervaring met werkzaamheden onder Arctische en subarctische omstandigheden (waaronder in Alaska, Sakhalin II, Groenland en Rusland).
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om proefboringen toe te staan in het toch al in belabberde staat verkerende Noordpoolgebied, omdat een mondiale wedloop om Arctische olie dan niet meer te stoppen lijkt met alle potentiële desastreuze gevolgen van dien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat een eventueel olielek niet uitgesloten kan worden? Zo ja, hoe beoordeelt u het gegeven dat een eventueel olielek vrijwel onmogelijk kan worden gestopt en opgeruimd vanwege de geïsoleerde ligging van het gebied, het uitzonderlijke en ijzige klimaat en de vaak zware weersomstandigheden?
Deelt u de mening dat dit kwetsbare natuurgebied geen enkel risico mag lopen op zo’n desastreus olielek? Zo ja, deelt u de mening dat het paraat hebben van 22 schepen en een afsluiter geen garantie bieden op het kunnen voorkomen van desastreuze milieugevolgen, zeker gezien in het verleden is gebleken dat het olielek onder de Deepwater Horizon in de Golf van Mexico ook, nadat het kwaad was geschied, onstelpbaar bleek? Welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom acht u boringen in het poolgebied verantwoord?
Deze risico’s overziend, deelt u de mening dat de bescherming van dit unieke en zeer kwetsbare natuurgebied ernstig tekortschiet als deze olieproefboringen gaan plaatsvinden, zeker gezien het feit dat het Noordpoolgebied al enorm onder druk staat, de natuur achteruit holt en er enorme kennisleemtes bestaan over de uitwerkingen van klimaatverandering en de mate waarin de cumulatieve effecten van menselijke activiteiten het ecosysteem bedreigen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om de bescherming van de Noordpool te verbeteren en deze proefboringen tegen te gaan? Op welke wijze gaat u hier werk van maken? Zo nee, waarom niet?
De bevoegde overheid bepaalt of genoeg maatregelen zijn genomen om de effecten van activiteiten op onder andere de biodiversiteit te minimaliseren. De Amerikaanse wet- en regelgeving schrijft voor, dat bij aanvragen voor mijnbouwactiviteiten in gevoelige gebieden onderzoeken zijn opgenomen, die ingaan op de mogelijk effecten op de omgeving.
Ik heb er alle vertrouwen in dat de Amerikaanse overheid een zorgvuldige afweging heeft gemaakt.
Deelt u de mening dat het veel wenselijker en efficiënter zou zijn als Shell de financiële middelen die nu worden ingezet voor onderzoek naar en voorbereidingen van deze proefboringen – met als gevolg dat bij oliewinning het broeikaseffect enkel vergroot zal worden – zou inzetten voor innovatie op het gebied van hernieuwbare en duurzame energiebronnen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
In deze wil ik opmerken, dat ik niet ga over de commerciële keuzes van een bedrijf zoals Shell.
Bent u bereid de lidstaten van de Europese Unie en andere landen op te roepen zich te verzetten tegen proefboringen door oliemaatschappijen in het Noordpoolgebied en dit actief uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het voorgaande is beschreven, heeft de Amerikaanse overheid voorwaarden en eisen gesteld en heeft Shell verscheidene onderzoeken moeten doen. Onder andere deze informatie heeft ten grondslag gelegen aan de beslissing, die de Amerikaanse overheid weloverwogen heeft genomen. Ik zie geen reden om dit in twijfel te trekken. Ik zal andere lidstaten en andere landen dan ook niet oproepen om zich te verzetten tegen de proefboringen; Shell zal ik ook niet oproepen om af te zien van de voorgenomen boringen.
Wat ik u echter wel toezeg, is dat ik Shell blijf stimuleren om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Voor dit project heeft Shell ook de lokale bevolking betrokken bij de ontwikkeling van de plannen; dergelijke contacten moeten goed onderhouden worden.
Bent u bereid een dringende oproep te doen aan Shell om af te zien van de voorgenomen boringen in het Noordpoolgebied? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
De angst bij zorgmedewerkers om aangifte te doen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Mishandelde zorgverleners te bang voor aangifte»1 en het bijbehorende nieuwsbericht in het RTL nieuws?
Ja.
Begrijpt u dat medewerkers in de zorg geen aangifte van geweld durven te doen, omdat zij bang zijn voor de gevolgen als bij de dader bekend wordt wie er aangifte gedaan heeft?
Ja. Daarom bestaan er binnen de kaders van het recht op een eerlijk proces mogelijkheden om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden de identiteit van de melder, aangever of getuige af te schermen. Dit is geregeld in de «Handleiding opnemen (deels) anonieme aangifte/verklaring» van het Openbaar Ministerie (OM).
Is het waar dat het Openbaar Ministerie (OM) in principe aangiftes van werkgevers op kan nemen, waarbij van het betrokken personeel alleen personeelsnummers opgenomen worden? Voeren de arrondissementsparketten gelijk beleid bij het behandelen van aangiftes op personeelsnummer?
Het doen van aangifte op (personeels)nummer is mogelijk. Dit heeft recent in een concreet geval bij het Slingelandziekenhuis geleid tot een succesvolle strafzaak.
Gegeven het belang dat wij hechten aan het bevorderen van het doen van aangifte in de zorg, is dit een belangrijk aandachtspunt in het Actieplan Veilig Werken in de zorg dat wij hebben opgesteld met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en sociale partners in de zorg. Daarbij zetten wij zowel in op beschermd aangifte doen als het doen van aangifte door de werkgever.
Tijdens de algemeen overleggen veilig werken in de zorg van 23 mei 2012 en veilige publieke taak van 5 juni 2012 heb ik toegezegd dat er een regeling komt die het mogelijk maakt aangifte op nummer te doen. Deze regeling geldt uiteraard voor alle sectoren van de publieke taak en niet alleen voor de zorg. In september van dit jaar stuur ik u een brief waarin staat hoe ik dit ga doen.
Is het waar dat aangiftes op personeelsnummer vaak niet in behandeling worden genomen? Welke afweging wordt hierbij gemaakt door het OM? Speelt extra werkdruk voor het OM hierbij een rol?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich uw toezegging in het debat naar aanleiding van het verslag van het algemeen overleg op 21 december 2011 met betrekking tot de aangehouden motie-Kuiken/Marcouch2 over aangifte op personeelsnummer? Heeft naar aanleiding hiervan het overleg inmiddels plaatsgevonden? Wat is hiervan de uitkomst?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom wordt de mogelijkheid om anoniem, op personeelsnummer, aangifte te doen niet genoemd in het actieplan «Veilig werken in de zorg», dat u op 22 maart 2012 naar de Kamer heeft gestuurd?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u ervoor zorgen dat medewerkers in de zorg, die een reële angst ervaren als hun naam opgenomen wordt in een aangifte van geweld, voor 1 september 2012 overal door hun werkgevers in staat gesteld worden om met personeelsnummer aangifte te doen? Hoe gaat u dit nieuwe beleid richting de zorgsector bekend maken, zodat de angst voor het doen van aangifte vermindert?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat het gehele Noorden van Mali in handen is van extremisten. |
|
Frans Timmermans (PvdA), Jeroen de Lange (PvdA) |
|
Knapen (CDA) , Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht getiteld «Extremisten vestigen macht in N-Mali»?1
Ja
Deelt u de zorg dat de toenemende macht van gewapende groeperingen als de Mouvement National pour la Liberation de l'Azawad (MNLA) en extremisten zoals Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb (AQIM) en Ansar ud-Din in Mali en West-Afrika een bedreiging vormen voor zowel de veiligheid in Mali als voor veiligheid in Nederland en Europa als geheel? Zo nee, waarom niet? Indien ja, op welke wijze wapent Nederland zich tegen deze toenemende dreiging?
De toenemende macht van rebellengroeperingen als de MNLA en extremistische groepen als AQIM en Ansar ud-Din is zorgwekkend. Zij bedreigen de stabiliteit in West- en Noord-Afrika (Maghreb) met ook effecten buiten deze regio.
Nederland steunt programma’s ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit in de regio, bijvoorbeeld projecten via de United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC) voor de capaciteitsopbouw van de politiemacht. Nederland neemt ook deel aan het Europese Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N) in Lissabon, dat drugsstromen uit Latijns-Amerika via Afrika naar Europa in kaart brengt en bestrijdt. Daarnaast zoekt Nederland aansluiting bij de EU-Sahelstrategie. Deze richt zich op een parallelle aanpak van veiligheid en ontwikkeling om armoede te bestrijden en bedreigingen van terrorisme, ontvoeringen, grensoverschrijdende criminaliteit, drugs- en mensenhandel tegen te gaan.
Wat doet Nederland zelfstandig en in Europees verband om het toenemende extremisme en geweld in Noord-Mali op te lossen en de legitieme regering van het land te ondersteunen bij het bestrijden van extremisme en geweld?
De Economische Gemeenschap van West Afrikaanse Staten (ECOWAS) heeft het voortouw genomen in de onderhandelingen met de verschillende rebellengroeperingen in het noorden van Mali. De EU steunt deze aanpak van ECOWAS. Nederland is voorstander van een aanpak in multilateraal verband.
Overweegt u vanwege de toenemende macht van extremisten en gewapende groeperingen nu wel, zoals eerder aan u gevraagd middels mondelinge vragen2, te pleiten voor een contactgroep Mali en daar als Nederland actief aan bij te dragen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Afrikaanse Unie heeft aangekondigd een internationale ondersteunings- en follow-up groep voor Mali in te stellen. Nederland volgt, samen met EU-partners, de ontwikkeling en samenstelling van een dergelijke groep nauwlettend. Indien Nederland wordt gevraagd toe te treden tot een dergelijke internationale groep, zullen wij op basis van dan beschikbare gegevens een zorgvuldige afweging maken.
Is er vooruitgang geboekt via de Economische Organisatie van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) om dit probleem aan te pakken? Zo nee, waarom niet? Indien ja, op welke punten wel en nog niet?
Ja. Dankzij de inspanningen van ECOWAS hebben de coupplegers de macht relatief snel overgedragen aan een interim-president, een benoemde premier en een regering van nationale eenheid. Inmiddels is een transitieperiode van 12 maanden overeengekomen waarbinnen presidents- en parlementsverkiezingen moeten plaatsvinden. Daarmee is een vorm van civiel bestuur hersteld.
Daarentegen is de bezetting van het noorden van Mali niet opgelost.
ECOWAS is betrokken bij de onderhandelingen met groeperingen in het noorden van Mali. ECOWAS zou bereid zijn een troepenmacht in te zetten als de Malinese autoriteiten hier om vragen.
Op welke wijze zet Nederland zich in om ontheemden, zoals de honderden vluchtelingen in Mopti, als gevolg van het geweld in Noord-Mali bij te staan?
Nederland draagt indirect bij aan de bestrijding van de humanitaire crisis in Mali en omringende landen via de algemene jaarlijkse bijdragen aan de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR (Eur 38 mln), aan het CERF (Centrale Noodhulpfonds van de VN – bijdrage Eur 40 mln) en aan de Internationale Confederatie van het Rode Kruis ICRC (Eur 25 mln). Hiermee worden o.a. activiteiten in Mali en ten behoeve van Malinese vluchtelingen gefinancierd.
De Europese Commissie heeft voor de Sahel een bedrag van Eur 123 mln ter beschikking gesteld. Voor Mali, inclusief de vluchtelingenproblematiek heeft de Commissie Eur 9 mln extra gealloceerd. Nederland heeft hier aan bijgedragen.
Op welke wijze wordt de voedselzekerheid in Mali aangetast als gevolg van het conflict en de toenemende macht van extremisten?
Het conflict in Mali heeft de voedselzekerheid in Mali verslechterd. De vluchtelingenstromen naar de omliggende landen en naar het zuiden van Mali leiden tot extra druk op beschikbare voedselvoorraden. Daarnaast belemmert het conflict projecten en programma’s van de Malinese overheid en nationale en internationale NGOs ter verbetering van de voedselzekerheidssituatie. Bovendien worden door het conflict noordelijke markten moeilijker bevoorraad, waardoor de prijzen stijgen. Ten slotte accepteren verschillende rebellenorganisaties nauwelijks hulp; hierdoor komt het nieuwe agrarische seizoen in gevaar. Ook op langere termijn wordt ook de voedselzekerheid hiermee in gevaar gebracht.
Wordt de humanitaire hulp aan het land en het Noorden nog steeds onverkort voortgezet? Zo ja, welke rol speelt Nederland daarbij? Zo nee, waarom niet?
Enkele noodhulpkonvooien hebben Timboektoe, Gao en Kidal kunnen bereiken. Daarnaast zijn enkele organisaties erin geslaagd enige ondersteuning te geven aan de ziekenhuizen in deze steden.
De Nederlandse ambassade bevordert de dialoog en afstemming tussen de humanitaire coördinator van de VN en OCHA enerzijds en de associatie van Malinese gemeenten en de federatie van gezondheidscomités anderzijds over de hulpverlening. De ambassade adviseert voorts over Nederlandse financiering van het aankomende «consolidated appeal» voor Mali.
Het bericht ‘Bijstandsfraudeurs hebben vrij spel’ |
|
Léon de Jong (PVV) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijstandsfraudeurs hebben vrij spel»?1
Ja.
Klopt de schatting van Het Landelijk Contact Sociaal Rechercheurs dat 10 á 20 procent van de mensen in de bijstand fraudeert, wat neerkomt op bijna 1 miljard euro fraude per jaar? Zo neen, waarom niet?
Wat we weten is dat in 2010 in de sociale zekerheid voor € 119 miljoen aan fraude met uitkeringen is aangetoond, waarvan € 53 miljoen in de bijstand. Het werkelijke fraudebedrag zal ongetwijfeld hoger zijn. Van de niet geconstateerde fraude kan echter geen betrouwbare schatting gemaakt worden. Het is dus niet mogelijk om te zeggen of de schatting van het LCSR klopt.
Is het waar dat gemeenten te weinig investeren in het aanpakken van bijstandsfraude waardoor fraudeurs ongestraft wegkomen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid met als doel fraude keihard aan te pakken?
Gemeenten investeren anders in het aanpakken van fraude dan het LCSR voor ogen staat. Waar het LCSR een grotere inzet van sociaal rechercheurs en sanctioneren van fraude via het strafrecht bepleit, streven gemeenten ernaar de problemen meer bij de bron en integraal aan te pakken. De handhaving maakt integraal onderdeel uit van het «gewone» controlewerk bij gemeenten. Hierbij ligt de nadruk sterk op preventie van fraude (voorbeeld: huisbezoek na uitkeringsaanvraag) en een hogere pakkans (risicoselectie, koppeling van gegevens). Dit leidt tot het eerder constateren van fraude, gevolgd door snelle bestuursrechtelijke afdoening (lik-op-stuk). Sociale recherche en inzet van het strafrecht is dan minder vaak nodig. Er valt winst te boeken met deze integrale aanpak van fraude. Ik vind het een goede ontwikkeling dat gemeenten zich hier meer op richten.
Deelt u de mening dat bijstandsfraude, juist ter bescherming van de bijstand, het sociaal vangnet, keihard moet worden aangepakt en nooit mag lonen?
Fraudebestrijding is cruciaal om het draagvlak voor de sociale voorzieningen te behouden. Fraude mag nooit lonen en moet altijd streng bestraft worden. Het kabinet geeft hoge prioriteit aan fraudebestrijding in de sociale zekerheid. Het wetsvoorstel «Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving» (Kamerstukken II, 2011/12, 33 207, nr. 2), dat op 20 maart jl. aan uw Kamer is aangeboden, voorziet daarin. Het wetsvoorstel bevat een breed pakket aan maatregelen. Zo vervalt voor gemeenten de huidige beleidsvrijheid om zelf te mogen beoordelen of de bijstandsuitkering na fraude wordt teruggevorderd. Frauderende uitkeringsontvangers moeten het ten onrechte verkregen bedrag helemaal terugbetalen, inclusief wettelijke rente en alle kosten van invordering. Daarnaast krijgen ze datzelfde bedrag aan boete. Bij recidive volgt een verdere ophoging van de boete.
Voorts is het voor gemeenten belangrijk dat zij, om fraude te voorkomen en te bestrijden, bestanden kunnen koppelen. Samen met de gemeenten, UWV en SVB heb ik een inventarisatie gedaan naar de ervaren knelpunten en mogelijkheden van een bredere inzet van bestandskoppeling. Deze inventarisatie heeft een lijst van maatregelen opgeleverd. De meeste daarvan zijn mogelijk binnen de huidige wet- en regelgeving. In mijn brief van 13 maart 2012 heb ik u hierover geïnformeerd (Kamerstukken II, 2011/12, 17 050, nr. 416). Voor de overige maatregelen is wetswijziging nodig. Ik streef ernaar een wetsvoorstel hiertoe na de zomer aan uw Kamer voor te leggen.
Welke maatregelen neemt dit kabinet om fraude aan te pakken? Deelt u de mening dat bij bijstandsfraude altijd het totale fraudebedrag plus boete tot aan de laatste cent moet worden teruggevorderd, inclusief wettelijke rente? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De regioindeling in het Pachtprijzenbesluit |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid, in aansluiting op de antwoorden op eerdere vragen over de regio-indeling1, een nadere analyse te geven van de 65 verzoeken tot herziening van de grondprijs die in het kader van artikel 7:333 van het Burgerlijk Wetboek in 2011 bij de Grondkamers zijn ingediend en de betreffende beschikkingen?
Ja, ik heb een analyse gemaakt van de 101 beschikkingen die de grondkamers in 2011 hebben afgegeven. Naast de circa 65 verzoeken uit 2011 heeft een gedeelte hiervan betrekking op verzoeken die reeds in 2010 zijn ingediend.
Tien herzieningsverzoeken zijn afgewezen van de overige 91 beschikkingen waren 68 herzieningsverzoeken ingediend door verpachters en 23 door pachters. Van de 68 door verpachters ingediende verzoeken heeft dit in 67 gevallen tot een verhoging van de pachtprijs geleid en in een geval tot een daling van de pachtprijs. Bij de meeste verzoeken lag daar de doorberekening van de onderscheiden regionormen of veranderpercentages aan ten grondslag, omdat de verpachter deze in voorgaande jaren niet had doorberekend.
Van de 23 door pachters ingediende verzoeken heeft dit in 8 gevallen tot een verlaging geleid en in 15 gevallen tot een verhoging.
Bij 35 van de 91 beschikkingen was de bepaling van 2% van de vrije verkeerswaarde van het object de bepalende route voor de vaststelling van de nieuwe pachtprijs.
Hoeveel verzoeken zijn bij de Grondkamers ingediend met betrekking tot knelpunten in de gebiedsindeling en welke beschikkingen volgden daarop?
Ik kan hier geen uitspraak over doen, want in het verzoek tot herziening van de pachtprijs wordt door de indiener veelal niet vermeld wat de motivatie is voor het verzoek.
Hoeveel verzoeken zijn bij de Grondkamers ingediend vanwege door omstandigheden meer of minder incourante gronden en hoeveel daarvan hebben door een bijstelling van de verkeerswaarde tot een verlaging van de pachtprijs geleid?
Zoals aangegeven in vraag 2 bevatten de meeste verzoeken tot herziening niet de achterliggende motivatie van het verzoek. Wel zijn er 7 dossiers waar in het herzieningsverzoek is aangegeven dat verlaging van de pachtprijs werd verzocht vanwege gebruiksbeperkingen van de grond, zoals beperkingen die zijn opgelegd door het waterschap bij dijken, matige kwaliteit van de grond, zeer natte grond en droogtegevoelige grond. In al deze gevallen heeft dit geleid tot een pachtprijsverlaging.
Op welke wijze heeft u, in lijn met uw toezegging2, ervoor zorg gedragen dat meer en systematisch bekendheid gegeven gaat worden aan de jurisprudentie van de grondkamers inzake de waardering van minder geschikte gronden?
In de brochure van DR »Pacht, nieuwe regels en prijzen 2012» wordt een paragraaf opgenomen die hier aandacht aan besteedt. Verder worden consequent de samenvattingen van de beschikkingen van de Centrale Grondkamer opgenomen op de website www.grondkamers.nl. De beschikkingen van de Centrale Grondkamer geven een beeld van de meer principiële kwesties die spelen binnen het pachtrecht.
Hoeveel ruimte hebben de Grondkamers om in het geval van gronden met een relatief laag opbrengend vermogen in een pachtregio met merendeels gronden met relatief hoog opbrengend vermogen (zoals zandgronden op de Utrechtse Heuvelrug die bij het Rivierengebied ingedeeld zijn) een verlaging van de pachtprijs voor te stellen? Hoeveel ruimte hebben zij om de pachtprijsontwikkeling in pachtregio’s met merendeels gronden met relatief laag opbrengend vermogen mee te wegen?
Bij een herzieningsverzoek op grond van artikel 333, tweede of derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is de vrijheid van de Grondkamer beperkt, omdat zij de bestaande pachtprijs moet verhogen tot de hoogst toelaatbare pachtprijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, 2a, 2b en 3 van het Pachtprijzenbesluit 20073, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.
In de praktijk betekent dit dat de Grondkamer een taxatie uitvoert voor de bepaling van 2% van de vrije verkeerswaarde. Hierbij wordt gekeken naar de waarde van land in onverpachte staat die overeenstemt met de prijs bij voortgezet agrarisch gebruik. Er is derhalve geen ruimte om de pachtprijsontwikkeling in de taxatie te betrekken, het gaat immers om grondwaarde. Er wordt bij de taxatie gekeken naar de waarde van vergelijkbare objecten. Deze vergelijkbare objecten kunnen zich in dezelfde pachtprijsregio bevinden, maar ook in andere pachtprijsregio’s, zoals pachtregio’s met merendeels gronden met relatief laag opbrengend vermogen. Bij de taxatie van de vrije verkeerswaarde kan een aftrek worden gedaan wanneer er beperkingen voor het agrarisch gebruik zijn, zoals bijvoorbeeld bij de handhaving door het waterschap van de keur bij dijken en bij de blijvende aanwezigheid van poelen, sloten, bosschages, bomen en openbare onderhoudspaden vanwege rangschikking onder de Natuurschoonwet4.
Bent u bereid in overleg met organisaties van pachters en verpachters de zogenaamde Grondkamerroute te verduidelijken en te versterken, indien nodig door het aanpassen van Artikel 7:333 van het Burgerlijk Wetboek of Artikel 21 van het Pachtprijzenbesluit, zodat het gewenste maatwerk geleverd kan worden?
Ja, in het geval dat belangenorganisaties hier om vragen ben ik bereid om in aanvulling op de brochure (zie vraag 4) de Grondkamerroute verder te verduidelijken.
Ik ben echter van mening dat aanpassing van artikel 333 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 21 van het Pachtprijzenbesluit 2007 niet in de rede ligt, omdat deze artikelen goede handvatten bieden voor een objectieve waardebepaling van de betreffende grond.
Welke stappen gaat u, in aansluiting op de antwoorden op de eerdere vragen over de regio-indeling, concreet zetten om knelpunten als gevolg van de robuuste regio-indeling in het Pachtprijzenbesluit aan te pakken? Gaat u in overleg met organisaties van pachters en verpachters over mogelijke knelpunten en de aanpak daarvan? Gaat u het Landbouw Economisch Instituut (LEI) opdracht geven om effecten en technische haalbaarheid van mogelijke voorstellen voor wijziging te onderzoeken? Bent u bereid hierbij in ieder geval een oplossing te zoeken voor de Wieringermeerpolder (indeling bij IJsselmeerpolders) en voor de zandgronden op de Utrechtse Heuvelrug die bij het Rivierengebied ingedeeld zijn?
In mijn antwoord op uw eerdere vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1740) heb ik gesteld dat een andere regio-indeling alleen aan de orde is als alle belanghebbende partijen mij hier unaniem om vragen. Daarnaast ben ik van mening dat de Grondkamerroute een geschikt alternatief biedt voor mogelijke knelpunten van de regio-indeling, temeer daar niet alleen gekeken wordt naar vergelijkbare gronden binnen de eigen regio, maar ook naar vergelijkbare gronden in andere regio’s.
Cosmetische chirurgie als genitale verminking |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jacht op de G-spot»?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel.
Deelt u de mening van de geïnterviewde vrouwenartsen dat hier sprake is van «geldklopperij» en een nieuwe vorm van «vrouwenverminking»? Kunt u uw antwoord toelichten en daarin uitspreken of u vindt dat sprake is van misleiding? Welke rol speelt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in deze?
De verwondering over dit onderwerp kan ik me goed voorstellen. In dit stadium is oordeelsvorming nog niet goed mogelijk omdat we hier te maken hebben met een experimentele ingreep waarvan ook niet duidelijk is of deze ook daadwerkelijk plaatsvindt. Bezien vanuit mijn eigen verantwoordelijkheid en de rol van IGZ, moet er in elk geval sprake zijn van de levering van kwalitatief goede en veilige zorg, waaronder uiteraard ook is begrepen juiste en volledige voorlichting over alle medische aspecten ervan, inclusief de te verwachten effecten van deze experimentele ingreep.
Op welke wijze zou voorkomen kunnen worden dat specifieke cosmetische operaties door artsen zonder een bepaalde opleiding verricht worden met als doel het wilde westen van de cosmetische chirurgie een halt toe te roepen? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer in dat verband een voorstel verwachten? Zo nee, welke maatregelen acht u dan wel passend?
Om een dergelijke ingreep te kunnen uitvoeren dient de betrokkene bevoegd en bekwaam te zijn. Zowel basisartsen, huisartsen, dermatologen, oogartsen, gynaecologen en plastisch chirurgen (niet limitatief bedoeld) kunnen ten aanzien van bepaalde (cosmetische) ingrepen zowel bevoegd als bekwaam zijn. Met deze open en proportionele benadering kan vanuit het zorgaanbod flexibel worden ingespeeld op de zorgvraag terwijl anderzijds geborgd is dat er sprake is van verantwoorde zorgverlening en IGZ kan daarop toezicht houden. Er zijn geen voorstellen in voorbereiding welke in deze benadering verandering aanbrengen. Wel is er op dit moment een Europese norm over Esthetic Services in ontwikkeling waar ook alle betrokken veldpartijen in Nederland in participeren
Is het waar dat het overgrote deel van de privéklinieken geen zorgvuldige registratie bijhoudt van het aantal en soort operaties dat ze uitvoeren? Zo ja, acht u een zorgvuldige registratie noodzakelijk voor het benodigde versterkte toezicht door de IGZ op de privéklinieken. Zo nee, waarom niet?
Dat is onjuist. Jaarlijks leveren de privéklinieken gegevens over een aantal specifieke verrichtingen aan de IGZ, waaronder cosmetische ingrepen. Desgevraagd zijn privéklinieken in staat specifiekere informatie te geven.
Herinnert u zich uw eerdere toezegging over de wenselijkheid van een minimumleeftijd voor niet medisch noodzakelijke cosmetische ingrepen? Zo ja, bent u bereid vanwege de toename van het aantal mediaprikkels dat het zelfbeeld van meisjes negatief beïnvloedt, aan niet medisch noodzakelijk cosmetische ingrepen een minimumleeftijdgrens te verbinden opdat minderjarigen niet langer zonder toestemming van hun ouders kunnen overgaan tot een liposuctie, G-spotvergroting, schaamlipcorrectie of borstvergroting? Kan de Kamer op korte termijn voorstellen dienaangaande verwachten?
De conferentie ‘The Sudanese Dutch Private Investment Forum’ |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de door het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering georganiseerde conferentie «The Sudanese Dutch Private Investment Forum»?1
Ja.
Zullen er naast vertegenwoordigers van de Soedanese agrarische sector, ook leden van het Soedanese regime alsmede ambtenaren van de Nederlandse ministeries deelnemen aan de conferentie?
Aan het «Sudanese Dutch Private Investment Forum» is niet deelgenomen door leden van de Sudanese regering. Van Nederlandse zijde namen twee ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een ambtenaar van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan een gedeelte van het programma deel.
Hoe beoordeelt u deze conferentie in het licht van de motie Ferrier?2 Op welke wijze geeft u uitvoering aan deze motie?
De conferentie richtte zich nadrukkelijk op de private sector en niet op de Sudanese overheid.
De desbetreffende motie (33 000-V-40) ondersteunt de inzet van de regering om internationaal harde voorwaarden te stellen aan steun aan Sudan. Hieronder vallen met name: straffeloosheid bestrijden, de mensenrechtensituatie en humanitaire toegang verbeteren en een politieke oplossing vinden voor de interne conflicten in Sudan. Nederland heeft de voorwaarden voor steun aan Sudan ook aan de orde gesteld in een EU seminar in Brussel op 15 mei, dat Nederland organiseerde met de EU Speciale Vertegenwoordiger voor Sudan en Zuid-Sudan. Ik wil in dit kader niet nalaten te vermelden dat ik bij eerdere passende gelegenheid wijs op het belang van berechting van President Al-Bashir en andere Soedanese verdachten door het Internationaal Strafhof.
Deelt u de mening dat de uitvoering van deze motie urgenter is geworden door de recent opgelopen spanningen tussen Soedan en Zuid-Soedan, die hebben geleid tot het aannemen door de VN-Veiligheidsraad van resolutie 2 046, waarin onder andere de Soedanese bombardementen worden veroordeeld?
De opgelopen spanningen tussen beide landen en de aanname van resolutie 2046 van de VN-Veiligheidsraad onderstrepen het belang van voorwaarden zoals in motie 33000-V-40 genoemd.
Hoe beoordeelt u de opstelling van Soedan ten aanzien van resolutie 2046?3 Welke stappen kunnen en zullen worden gezet als Sudan blijft weigeren deze resolutie volledig uit te voeren?
Het blijft van belang dat Sudan onvoorwaardelijk uitvoering geeft aan resolutie 2046. Deze resolutie stelt sancties in het vooruitzicht bij niet-naleving. De Afrikaanse Unie (AU) en de VN Veiligheidsraad zijn leidend in het advies wanneer Sudan of Zuid-Sudan de resolutie onvoldoende naleeft. Ik verwijs hierbij ook naar de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en mij van 10 mei 2012 (ref. DAF-186/12).
Kunt u aangeven op welke wijze Nederland zich inzet voor het verhogen van de internationale druk op Soedan, specifiek ook om toegang voor humanitaire hulp in het Nuba-gebergte af te dwingen?
Nederland bepleit humanitaire toegang zowel internationaal via de EU, de VN en de AU, als bilateraal via sleutelactoren als Egypte en Qatar. In samenwerking met andere landen in de internationale contactgroep voor Sudan en Zuid-Sudan maakt Nederland gebruik van alle mogelijkheden om de diplomatieke druk op Sudan over deze kwestie uit te oefenen.
In september en november 2011 organiseerde Nederland met de VN twee bijeenkomsten over humanitaire toegang tot South Kordofan en Blue Nile. In februari bepleitte de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in New York tegenover de Sudanese minister Fadil het VN tripartiete voorstel voor cross line-hulpverlening, d.w.z. humanitaire hulpverlening over de frontlinies in Sudan heen (zie ook de Kamerbrief d.d. 26 maart 2012, ref. DAF-126/2012). Ten slotte heeft Nederland in het kader van de internationale contactgroep direct contact hierover met het Bureau voor de coördinatie van humanitaire zaken van de Verenigde Naties (OCHA).
Legbatterijeieren die ondanks verbod nog steeds in Nederland verkocht worden |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat in Europa nog 47 miljoen kippen (zo’n 14%) in legbatterijen zitten? Is dit een reële schatting of zijn er aanwijzingen dat dit getal nog wel eens hoger kan zijn1?
Krachtens artikel 5, lid 2 van Richtlijn 1999/74/EG van de Raad moeten lidstaten er zorg voor dragen dat het houden van kippen in legbatterijen vanaf 1 januari 2012 verboden is. Zoals al gemeld aan uw Kamer (TK 31 923 nr. 28) is het verscheidene bedrijven in 13 EU-lidstaten niet gelukt om tijdig om te schakelen naar verrijkte kooien of andere toegestane huisvestingssystemen.
Volgens gegevens door de lidstaten aangeleverd zitten er momenteel nog ca. 45 miljoen legkippen in legbatterijen. Dit is inderdaad een kleine 14% van het totale aantal legkippen in de EU.
Is het waar dat 70 á 80% van de Italiaanse eieren nog afkomstig is uit legbatterijen? Zo nee, welk percentage dan? Waar baseert u uw cijfers op en hoe verklaart u dit cijfer uit Italië?1
Op basis van cijfers van februari jl., door Italië aangeleverd, is naar schatting ca. 45% van de Italiaanse eieren nog afkomstig uit legbatterijen.
Welke concrete acties heeft u ondernomen om de motie van het lid Van Gerven c.s. over een importverbod van legbatterijeieren uit te voeren?2
In reactie op de motie Van Gerven c.s. (TK 31 923, nr. 24) heb ik in mijn brief van 10 november 2011 (TK 31 923, nr. 25) mijn inzet geschetst en reeds aangegeven dat het niet toegestaan is om producten uit derde landen die niet volgens onze eisen van diervriendelijkheid en dierenwelzijn zijn geproduceerd aan de EU-grens tegen te houden. Dit vloeit voort uit het basisbeginsel van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), dat er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen «soortgelijke» producten op basis van de productiemethode.
Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de EU-strategie dierenwelzijn (TK 22 112, nr. 1370) zal ik de Commissie vragen in haar verslag t.z.t. over de effecten van de internationale dierenwelzijnsactiviteiten op de concurrentiepositie van Europese veehouders ook in te gaan op de relatie met derde landen en aan te geven of en welke vervolgstappen dit tot gevolg zou moeten of kunnen hebben in relatie tot de handelspartners.
Kunt u bevestigen dan wel ontkennen of het waar is wat een expert eierhandel1 zegt, namelijk dat alle producenten met legbatterijeieren werken, ook in Nederland, en dat er 90% kans is dat men een verwerkt product zoals cake of pasta met legbatterijeieren in een Nederlandse winkel koopt? Waarop baseert u dit precies?
Nee. De Nederlandse eiproductenfabrikanten (producenten van eiproduct: (gedroogd) heelei, eigeel, eiwit) verwerken nog slechts in zeer beperkte mate eieren uit legbatterijen. Het betreft namelijk alleen legbatterijeieren die afkomstig zijn van het kleine aantal Nederlandse legbatterijbedrijven (»knelgevallen») dat nog tot uiterlijk 1 juli a.s. legbatterijeieren mag produceren en deze eieren alleen gekanaliseerd aan de Nederlandse eiproductenfabrikanten af mag zetten. Na 1 juli zullen de Nederlandse eiproductenfabrikanten dus géén legbatterijeieren afkomstig uit de EU meer verwerken. Nederlandse eiproductenfabrikanten voeren nauwelijks grondstof in uit derde landen.
Welk aandeel van de eiproductenfabrikanten in andere EU-lidstaten nog legbatterijeieren verwerkt is mij niet bekend. Er zijn hier geen Europese cijfers over beschikbaar.
Vanuit derde landen worden er eieren en eiproducten in de EU ingevoerd. Deze zullen overwegend afkomstig uit legbatterijen zijn. Deze eieren en eiproducten komen voornamelijk uit de VS en Argentinië. In 2011 werd er 26 456 ton (GATT equivalent ei in de schaal) aan eieren en eiproducten in de EU ingevoerd. Nederland heeft van dit totaal slechts 0,4% ingevoerd. Wat de uiteindelijke bestemming is van deze eieren en eiproducten en in welke eindproducten ze in de winkelschappen terecht komen, is mij niet bekend.
Hoe groot de kans is dat in een eindproduct (zoals cake of pasta) in een Nederlandse winkel legbatterijeieren verwerkt zijn, kan ik niet nauwkeurig bepalen. De internationaal opererende voedingsmiddelenindustrie kan immers ingrediënten uit de EU maar ook van buiten de EU betrekken. En de in Nederland of in de EU geproduceerde eindproducten (zoals cake of pasta) kunnen op hun beurt zowel binnen Nederland, binnen de EU of daarbuiten in de winkelschappen terecht komen.
Al sinds 2003 verkopen Nederlandse grootwinkelbedrijven geen tafeleieren meer die geproduceerd zijn in legbatterijen. Daarnaast hebben de bij het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) aangesloten supermarktorganisaties in de
inkoopvoorwaarden voor huismerkartikelen voor hun leveranciers opgenomen dat indien ei verwerkt is in bereide producten dit scharreleieren moeten zijn. Bij producten waarin het ingrediënt meer dan 5% ei of eiproduct bedraagt of als ei of eiproduct een «kenmerkend ingrediënt» is van het product (bijvoorbeeld pasta met ei), dan stellen supermarktorganisaties voor hun huismerkartikelen de inkoopvoorwaarde dat het product 100% scharreleiproduct moet bevatten. Dit wordt gecontroleerd door private kwaliteitssystemen waar toezicht op wordt gehouden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
In welke mate zijn met legbatterijeieren bereide producten in de Nederlandse winkels te koop? In welke mate verwerken Nederlandse producenten legbatterijeieren in hun producten? Welke controle en welke informatieverzameling is hier op? Welke contacten heeft u met Nederlandse producenten en grootwinkelbedrijven om gebruik van batterijeieren te ontmoedigen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe liggen in uw onderbouwde opinie de juridische mogelijkheden tot het instellen van een verkoopverbod in Nederland voor legbatterijeieren, ook die in verwerkte producten?
Ik verwijs u naar de reactie die ik eerder gaf op de motie Van Gerven/Ouwehand in mijn brief van 19 december 2011 (TK 21 501 32, nr. 26).
Zoals eerder aangegeven (TK 31 923 nr. 28) neemt dit niet weg dat batterijeieren voor industrieel gebruik in beginsel alleen worden verwerkt in de lidstaat waar de eieren worden geproduceerd (tenzij op basis van een bilaterale afspraak vanwege gebrek aan verwerkingscapaciteit, verwerking in een andere lidstaat plaatsvindt.) Dit vloeit voort uit de eisen die de Commissie heeft gesteld in het kader van de verlate omschakeling van legbatterijbedrijven. Daarom zijn in de actie- en handhavingsplannen die de lidstaten bij de Europese Commissie hebben ingediend traceringsregimes opgenomen.
Voorts zijn er geen mogelijkheden voor een verkoopverbod in Nederland op legbatterijeieren en verwerkte producten, waarin legbatterijeieren of producten van legbatterijeieren zijn verwerkt, die zijn geïmporteerd uit derde landen. Zoals eerder aangegeven is het volgens de regels van de WTO niet toegestaan onderscheid te maken tussen «soortgelijke» producten op basis van de productiemethode.
De consument kan uiteraard op basis van keur- of kenmerken zelf een keuze maken voor producten waarin eieren uit een bepaald soort huisvestigingssysteem verwerkt zijn.
Bent u bereid om over te gaan tot verplichte ontmoedigende labeling van producten waarin legbatterijeieren verwerkt zijn? Zo nee, waarom niet? Welke hobbels ziet u hierbij?
Zoals ik u tijdens het Algemeen Overleg van 14 december jl. op een vraag van gelijke strekking heb aangegeven vind ik dergelijke regels voor (ontmoedigende) etikettering niet passend. De producten die in de winkelschappen liggen, behoren te voldoen aan de geldende wettelijke vereisten. Voor producten die aan deze vereisten voldoen, past geen ontmoedigende etikettering.
Zoals al aangegeven kan de consument uiteraard op basis van keur- of kenmerken zelf een keuze maken voor producten waarin eieren uit een bepaald soort huisvestigingssysteem verwerkt zijn.
Het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot het uitmaken van een agent voor ‘mierenneuker’ |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot het uitmaken van een agent voor mierenneuker?1
Ja.
Wat betekent dit arrest voor de succesvolle voortzetting van het «zero-tolerance»-beleid ten aanzien van belediging, intimidatie en mishandeling van politiemensen?
De Hoge Raad heeft in dit arrest onder verwijzing naar vaste rechtspraak aangegeven dat een uitlating als beledigend moet worden beschouwd als die de strekking heeft de ander aan te randen in zijn eer of goede naam. Bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, kan de context het gebruik toch beledigend maken. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het woord «mierenneuker» in het algemeen niet beledigend is. Dat de context in de betreffende zaak zodanig was dat er toch sprake was van een belediging, is volgens de Hoge Raad door het gerechtshof onvoldoende gemotiveerd. Daarom heeft de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof om opnieuw te berechten. Er is in deze zaak dus nog geen definitief oordeel geveld over de strafbaarheid van het gebruik van het woord «mierenneuker».
Het «zero-tolerance»-beleid ten aanzien van belediging, intimidatie en mishandeling van politiemedewerkers wordt onverkort voortgezet. Ook relatief lichtere zaken, zoals belediging, vallen onder de aanpak van agressie en geweld tegen politiemedewerkers. Daarbij hoort onder andere het eisen van drie keer zo zware straffen.
Het plukken van criminele winsten |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de redenen om het project Financieel-economische criminaliteit (FinEC) niet voort te zetten maar te veranderen in het programma Afpakken? Wat zijn de belangrijkste verschillen?
Het programma financieel-economische criminaliteit (FinEc) omvatte een breed pakket aan maatregelen op het gebied van het bestrijden van fraude, witwassen en corruptie. In mijn brief van 12 april 2012 (Kamerstukken II, 2011–2012, 29 911, nr. 68) heb ik beschreven dat de maatregelen uit het FinEc-programma structureel zijn gemaakt.
De nieuwe maatregelen van dit kabinet bouwen daarop voort. Daarbij wordt het ketenprogramma afpakken uitgevoerd. Dat is gericht op het uitbreiden van de capaciteit van de strafrechtketen en op het bevorderen van innovatief werken en van samenwerking tussen partners binnen en buiten de strafrechtketen met als doel nog meer vermogen van criminelen af te pakken. Zoals toegezegd tijdens het algemeen overleg van 14 juni jongstleden over georganiseerde criminaliteit stuur ik uw Kamer nog voor het zomerreces een brief over het overheidsbreed afpakken.
In welke regio’s zijn nu afpakteams aan de slag om wederrechtelijk verkregen voordeel te plukken van criminelen? Wat zijn tot nu toe de resultaten daarvan? Aan welke resultaatsverplichtingen zijn zij gebonden?
In alle regio’s zijn afpakteams van openbaar ministerie (OM) politie en/of bijzondere opsporingsdiensten aan de slag. Verder zijn sinds 2011 twee teams van de Nationale Recherche en de FIOD operationeel onder aansturing van het Landelijk Parket en het Functioneel Parket van het OM.
In 2011 is door de hele strafrechtketen, waaronder de afpakteams, voor meer dan 44,6 miljoen euro aan ontnemingen en verbeurdverklaringen geïncasseerd.
Daarnaast zijn er dankzij de inzet van het strafrecht opbrengsten gerealiseerd ten behoeve van slachtoffers, de Belastingdienst en andere bestuursorganen zoals de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Zo is in de Klimop-zaak 130 miljoen euro teruggevloeid naar de benadeelden. Een ander voorbeeld is de opbrengst van ongeveer 150 miljoen euro in 2011 voor de Belastingdienst, voortkomend uit strafrechtelijke onderzoeken.
De resultaatsverplichting voor de afpakopbrengsten uit ontnemingen en verbeurdverklaringen geldt voor de hele strafrechtketen inclusief de afpakteams. Deze verplichting loopt op van 43 miljoen euro in 2011 naar ruim 100 miljoen euro in 2018.
Welke onderbouwing is er voor de veronderstelling, vastgelegd in de prestatieafspraken, dat investeringen in het afpakteam zich drie tot vier keer gaan terug verdienen? Is hier onafhankelijk (wetenschappelijk) onderzoek naar gedaan?
De verhouding tussen de taakstelling van ruim 60 miljoen euro aan afpakopbrengst en de investering van 20 miljoen euro in het ketenprogramma afpakken is gebaseerd op de resultaten van het FinEc-programma. Die resultaten lieten zien dat een investering in de strafrechtketen om het afpakken te versterken zich in drievoud terugverdient. Deze investering leidt ook tot resultaten buiten de strafrechtketen, zoals het afpakken door bestuurlijke handhavers en de compensatie van slachtoffers.
Bent u bekend met de klachten over de gebrekkige mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen bijvoorbeeld de politie en de Belastingdienst? Kunt u toelichten waarom het niet is toegestaan om de inkomensgegevens op te vragen van een persoon die luxe goederen bezit en ten aanzien van wie de ernstige verdenking bestaat dat deze verdacht wordt van witwassen en/of andere criminele activiteiten?
Ik ben bekend met de wens vanuit de praktijk om de mogelijkheden tot informatie-uitwisseling beter te benutten dan wel uit te breiden. In samenspraak met betrokken partijen beziet mijn departement de noodzaak en haalbaarheid daarvan.
De veronderstelling dat het niet is toegestaan om de inkomensgegevens op te vragen van een persoon die luxe goederen bezit en waartegen ernstige verdenkingen bestaan, is overigens niet juist. Als sprake is van een ernstige verdenking kunnen opsporingsmiddelen worden ingezet en kunnen inkomensgegevens door tussenkomst van de officier van justitie worden opgevraagd.
Bent u bekend met de klachten van financieel rechercheurs dat de Financial Intelligence Unit (FIU) niet langer rechtstreeks voor hen toegankelijk is? Waarom is er een nieuw systeem ingericht waarbij de financieel rechercheur een informatieverzoek moet indienen bij een informatiemedewerker? Waarom is hier voor gekozen? Is dit niet omslachtig en tijdrovender dan de rechtstreekse toegang tot deze gegevens voor de rechercheurs?
Ik ben bekend met een dergelijke klacht.
FIU-Nederland is medio 2011 overgegaan op een nieuw ICT-systeem omdat het vorige systeem was verouderd. Met de nieuwe applicatie worden Verdachte Transacties (VT’s) direct beschikbaar gesteld aan het gehele opsporingsgebied binnen Nederland. Met de vorige applicatie waren de VT’s in eerste instantie enkel beschikbaar voor de regio waarin de transactie had plaatsgevonden. Aangezien FIU-Nederland onderdeel is van het KLPD, is er aangesloten bij de standaard politie applicatieportfolio van Politie Nederland. De VT’s worden nu via Blueview landelijk beschikbaar gesteld. Blueview werkt met categorieën waaraan autorisatieniveaus zijn verbonden. Het is daarom noodzakelijk dat (financieel) rechercheurs het juiste autorisatieniveau hebben om inzicht te krijgen in de VT’s.
Binnen elke politieregio wordt op dit moment gewerkt aan een regionale informatie organisatie (RIO). FIU-Nederland sluit aan bij de landelijke werkwijze om de RIO’s van informatie te voorzien. De politieregio’s bepalen zelf hoe de informatievoorziening bij een Blueviewbevraging dient te verlopen. Ik overleg met de Raad van Korpschefs over de vraag hoe de informatievoorziening via Blueview op dit specifieke punt meer uniform kan worden gemaakt.
Bent u bekend met de klacht van financieel rechercheurs dat het Openbaar Ministerie (OM) en rechters onvoldoende financieel besef hebben? Zijn er ook initiatieven om kennis en expertise bij OM en de rechterlijke macht te bevorderen door scholing en dergelijke?
Ik ben bekend met een dergelijke klacht.
Er wordt binnen het OM en de rechterlijke macht veel gedaan om financiële kennis over te dragen en te borgen.
In de raio-opleiding voor rechters en officieren van justitie is de cursus financieel rechercheren een verplicht onderdeel van de verdiepingsperiode straf en parket.
Verder biedt het studiecentrum rechtspleging, het gezamenlijk opleidingsinstituut van het OM en de rechtspraak, 27 opleidingen aan die een bijdrage kunnen leveren aan het financieel besef van officieren van justitie en rechters. Vier van deze opleidingen zijn toegespitst op kennisbevordering van voordeelsontneming.
Elk parket beschikt over speciaal opgeleide ontnemingsofficieren. Het Bureau Ontnemingswetgeving OM verleent bovendien specialistische bijstand in complexe ontnemingszaken. Tevens worden vanuit het ketenprogramma afpakken regelmatig in de regio workshops voor professionals gehouden.
Het landelijk kenniscentrum fraude van de rechtspraak organiseert door middel van themadagen praktijkgerichte cursussen en stelt kennis op dit gebied aan rechters ter beschikking.
Tenslotte wordt in bepaalde zaken door gerechten een belastingrechter opgenomen in de kamer om te voldoen aan de behoefte aan expertise.
Bent u bereid in alle districten minstens één financieel rechercheur extra aan te stellen, mede gelet op de conclusies uit het recent gepubliceerde rapport «Follow the money» van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid dat met name op wijk- en districtsniveau onvoldoende financieel wordt opgespoord? Zo nee, waarom niet? Deelt u de verwachting dat extra financieel rechercheurs op wijk- en districtsniveau de investering die dit vereist ruimschoots zullen terug verdienen? Welke inschatting maakt u hiervan?
Bij het opstellen van de inrichtingsplannen voor de nationale politie wordt aandacht besteed aan de kwalitatieve invulling van de specialismen – zoals financieel rechercheren – op de verschillende niveaus. Hierbij wordt specifiek gehoor gegeven aan de aanbeveling uit het rapport Follow the Money om financieel rechercheren «van wijk tot wereld» binnen de organisatie te borgen.
Nieuwe anti-christelijke maatregelen in Indonesië |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u – ieder afzonderlijk en in samenhang – de nieuwsberichten: «Indonesië sluit 16 kerken in Atjeh»1, «Church Row a «Dark Time» for Aceh»2, «Moderate Indonesia: 17 churches closed in Sharia province of Aceh»3, «Local Protestant church torched in North Sulawesi Indonesia»4, «Indonesian mayor : Church can only be reopened if mosque is built next door»5 en «Indonesian Police do little to stop harassment of Christians by Muslim radicals»?6
Ik heb met bezorgdheid kennis genomen van deze nieuwsberichten.
Deelt u de opvatting dat in Indonesië een jihad wordt gevoerd tegen de christelijke minderheid? Zo nee, waarom niet?
Nee. De regering van Indonesië zet zich in voor de bevordering van religieuze tolerantie. Wel is er in sommige delen van Indonesië toenemende intolerantie tegen religieuze minderheden, waaronder een aantal christelijke kerkgemeenschappen en Ahmadiyah.
Herinnert u zich uw antwoorden van resp. 1 november 2010, 20 september 2011 en 3 oktober 2011 op eerdere vragen over islamitische christenvervolgingen in Indonesië7? Hebben de in die antwoorden gerapporteerde en aangekondigde acties uwerzijds de positie van christenen in Indonesië verbeterd of moet thans worden vastgesteld dat uw acties geen enkel tastbaar resultaat hebben opgeleverd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het resultaat van de Nederlandse inspanningen moet worden bezien in de bredere context van de Indonesische en internationale inspanningen die gericht zijn op meer religieuze tolerantie. Zie ook mijn antwoord op vraag 5.
Deelt u de opvatting dat, waar de sharia is ingevoerd, zoals in Atjeh, geen ruimte is voor wat u in uw antwoorden van 1 november 2010 omschreef als «religieuze pluriformiteit en godsdienstvrijheid»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat hebt u richting de Indonesische autoriteiten in concrete zin ondernomen om hen te bewegen de sharia in Atjeh buiten werking te stellen?
Nee, ik deel deze opvatting niet. Ook in Aceh is ruimte voor het belijden van andere religies. Aceh is onderworpen aan de nationale wetgeving zoals deze in heel Indonesië geldt.
Wat hebt u sinds november 2011 in concrete zin ondernomen en wat gaat u ondernemen om de door islamitische krachten bedreigde Indonesische christenen te beschermen?
Nederland vraagt regelmatig aandacht voor de positie van religieuze minderheden in Indonesië. In mei jl. werd hierover gesproken tijdens de derde EU-Indonesië mensenrechtendialoog en ook tijdens de vierjaarlijkse bespreking in VN-verband (Universal Periodic Review) van de mensenrechtensituatie in Indonesië werd er veel aandacht geschonken aan dit onderwerp. De Nederlandse mensenrechtenambassadeur heeft begin juni Jakarta bezocht en daar de positie van christenen en Ahmadiyah aan de orde gesteld in gesprekken met de Indonesische autoriteiten, christelijke en moslim organisaties en maatschappelijk middenveld.
Gematigde moslimorganisaties, christelijke koepelorganisaties, het maatschappelijk middenveld en door de overheid geïnitieerde fora voor religieuze harmonie (FKUB) zetten zich in voor religieuze verdraagzaamheid. Nederland steunt dit waar mogelijk. Zo voert Nederland sinds 2004 een programma uit dat onder andere gericht is op het bevorderen van religieuze verdraagzaamheid en Nederland ondersteunt op dit moment ook een pilotproject samen met het ministerie van Religieuze Zaken op gebied van conflictbemiddeling tussen religieuze groepen.
Wilt u deze vragen voor de gewenste duidelijkheid ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het verdwijnen van de studie Fries |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het verdwijnen van de enige Nederlandse universitaire opleiding Friese taal en cultuur van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG)?1
Ik heb begrepen dat de bacheloropleiding Friese taal en cultuur – in afwijking van eerdere berichtgeving daarover – als afzonderlijke opleiding wordt gehandhaafd en geregistreerd blijft in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs. Zie ook mijn antwoord van 26 april jl. op vragen van de leden Jadnanansing en Jacobi (beiden PvdA) van uw Kamer over hetzelfde onderwerp.
Deelt u de mening dat het beschermen en onderzoeken van de Friese taal en cultuur niet afhankelijk moet zijn van het toevallige aantal studenten dat in een jaar voor de opleiding wordt aangetrokken? Deelt u de mening dat als de kennis en kunde eenmaal is verdwenen, de bestaande expertise lastig opnieuw op te bouwen is?
De eerste mening deel ik niet helemaal. In het algemeen geldt immers voor elke studie dat het behoud van kennis en kunde ten langen leste ook mede afhankelijk is van de belangstelling voor het betreffende vakgebied; die belangstelling komt onder andere tot uitdrukking in het aantal inschrijvingen voor de opleiding. Dit gegeven staat overigens los van de bescherming van de Friese taal en cultuur.
De mening dat het moeilijk is expertise, wanneer zij eenmaal is verdwenen, opnieuw op te bouwen, deel ik.
Bent u van plan om te bevorderen dat de studie en de kennis van het Fries wordt geborgd?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1. heb aangegeven blijft het Fries aan de RUG niet alleen zelfstandig bestaan, de bachelor zal tevens programmatisch en inhoudelijk worden ingekaderd in de nieuwe brede bachelor Europese talen en culturen. Het laatste is naar mijn mening een verstandige aanpak van de RUG en de beste manier om kennis en kunde op het gebied van het Fries in stand te houden. Zie ook mijn antwoord van 2 mei jl. op vragen van de leden De Rouwe en Ferrier (beiden CDA) van uw Kamer over het voornemen van verschillende universiteiten om talenstudies te laten opgaan in brede studies.
Een EU-aanval op land in verband met de piraterijbestrijding (Atalanta) |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «EU-aanval piraterij op vasteland»?1
Om proactiever te kunnen optreden tegen piraterij besloot de EU op 23 maart jl. het operatiegebied van EU-operatie Atalanta uit te breiden tot en met de kuststrook van Somalië. Op 3 april jl. is het operatieplan aangepast waardoor ook logistieke kampen van de piraten op de Somalische kust kunnen worden aangepakt. De aanpassing van het operatieplan is een logisch vervolg op eerdere stappen van de EU. Het doel is de activiteiten van de piraten zo vroeg mogelijk te verstoren voordat zij een bedreiging kunnen zijn voor de koopvaardij. De operatie waaraan u refereert, past binnen het aangepaste operatieplan. De uitvoering had plaats met inachtneming van de daarvoor opgestelde, strikte uitvoeringscriteria.
Welke EU-lidstaten waren betrokken bij deze operatie? Welke activiteiten voerden ze precies uit en wat waren de gevolgen? Is het waar dat er geen gewonden zijn gevallen?
Tijdens de operatie werden logistieke middelen van de piraten vanuit de lucht aangevallen. Uit operationele veiligheidsoverwegingen kan ik de precieze inzet van militaire middelen hier niet nader beschrijven. Bij de operatie vielen geen doden of gewonden.
Waren Nederlandse eenheden direct of indirect betrokken bij de operatie? Waren er Nederlanders bij de operatie betrokken?
Nee.
Maakte de Nederlandse Lynx helikopter, die op 10 mei werd beschoten voor de kust van Somalië, onderdeel uit van dezelfde operatie? Heeft de Lynx deelgenomen aan operaties te land? Zo nee, wat was de toedracht van de beschieting op 10 mei?2
Nee. De Lynx helikopter maakte geen deel uit van de operatie waaraan u refereert in vraag 1. De helikopter werd op 10 mei jl. tijdens een reguliere verkenningsvlucht door piraten beschoten vanaf een gekaapt koopvaardijschip.
Deelt u de mening dat directe of indirecte betrokkenheid van Nederlandse eenheden bij dergelijke operaties neerkomt op uitbreiding van de piraterijbestrijdingsmissie? Hoe rijmt u dat met het feit dat de Artikel 100-discussie hierover nog gevoerd moet worden?
Zoals gesteld waren er geen Nederlandse eenheden betrokken bij de operatie. Nederland zal geen directe bijdrage met militaire eenheden aan dergelijke EU-operaties leveren voordat de regering daarover met de Kamer van gedachten heeft gewisseld.
Het bericht dat het Waarborgfonds Sociale Woningbouw heeft meegewerkt aan het gebruik van risicovolle financiële producten door woningcorporaties |
|
Eric Lucassen (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het bericht «Waarborgfonds stimuleerde risico’s»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) onvoldoende heeft opgetreden tegen het gebruik van risicovolle financiële producten door woningcorporaties, zelfs toen woningcorporatie Vestia in 2008 al een kwart miljard euro moest bijstorten vanwege het gebruik van derivaten?
Een situatie zoals bij Vestia levert niet alleen lessen op voor het WSW maar voor alle partijen die daarbij betrokken zijn geweest. Allereerst natuurlijk voor het bestuur en de interne toezichthouders van Vestia zelf. Maar ook de betrokken banken, de controlerende accountants, de rijksoverheid, het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) als financieel toezichthouder en het WSW als borgings-instelling dienen bij zichzelf en elkaar te rade te gaan hoe een dergelijke situatie als bij Vestia in de toekomst moet en kan worden voorkomen. Bij de herziening van de Woningwet en de daaraan verbonden algemene maatregel van bestuur zal nadrukkelijk aandacht worden besteed aan het financiële beheer van corporaties en het toezicht daarop in het algemeen en aan het gebruik van derivaten in het bijzonder. Daarnaast zal, zoals aangekondigd in mijn brief van 5 april jl.2, een externe commissie mij gaan adviseren over het financiële kader en toezicht rond corporaties. Tevens zal ik op korte termijn de regels inzake het gebruik van derivaten door woningcorporaties aanscherpen.
Is het waar dat het WSW zijn goedkeuring gaf aan banken voor de verkoop van ingewikkelde financiële producten aan woningcorporaties? Was en is het WSW voldoende in staat om de risico’s van dit soort producten te beoordelen?
In reactie op het artikel heeft het WSW mij laten weten dat het naast de monitoring van de risico’s een actieve rol heeft in het toegankelijk houden van financieringskanalen en dat dit vanuit het WSW overleg met banken en (eind)beleggers zoals verzekeraars en pensioenfondsen vereist. Het WSW heeft overlegd met enkele financiële instellingen om tot standaardbepalingen inzake derivaten te komen. Daarbij is alleen gekeken naar strijdigheid met het Reglement van deelneming en of er geen zekerheden van corporaties worden gevraagd die botsen met de zekerheden die het WSW heeft verkregen. Het WSW is echter geen partij geweest bij de derivatentransacties. Deze werden immers niet door het WSW geborgd. Corporaties dienden primair zelf de voorwaarden van te sluiten derivatencontracten te beoordelen. Bij twijfel konden deze aan het WSW worden voorgelegd ter toetsing op strijdigheid met de WSW-voorwaarden.
Is het waar dat het WSW jarenlang geen informatie kreeg van woningcorporatie Vestia over de derivatenportefeuille? Hoe kan het dat het WSW desondanks toch leningen van Vestia bleef borgen, ondanks dat er geen inzicht was in de financiële risico’s die deze woningcorporatie liep?
Nee, het is niet juist dat het WSW jarenlang geen informatie kreeg van Vestia over haar derivatenportefeuille. Dat blijkt alleen al hieruit dat in elk jaarverslag van Vestia in de afgelopen jaren informatie was opgenomen over de derivatenportefeuille. Wel zijn er gerede twijfels over de vraag of de door Vestia aan het WSW verstrekte informatie steeds, en met name in 2011, tijdig, volledig en transparant is geweest. Zolang het WSW op basis van de haar bekende informatie niet kon constateren dat de derivatenportefeuille van Vestia in strijd was met de WSW-voorwaarden had zij geen grond om haar borgingsvolume te beperken.
Deelt u de mening dat het WSW heeft gefaald in zijn toezichthoudende taak? Welke conclusies trekt u uit dit falen?
Het WSW is een privaatrechtelijke instelling die leningen borgt die corporaties aantrekken ter financiering van hun investeringen in de sociale woningbouw. De borging van het WSW maakt het mogelijk dat corporaties voldoende toegang hebben tot de kapitaalmarkt en over financiering kunnen beschikken tegen een relatief lage prijs. Het WSW heeft echter geen op publiekrecht gebaseerde toezichthoudende taak. Het toezicht dat zij uitoefent hangt uitsluitend samen met de risico´s die zij loopt vanwege haar borgingsfunctie. Dat laat onverlet dat, zoals aangegeven bij vraag 2, het WSW net als alle andere bij Vestia en haar derivatengebruik betrokken partijen lessen dient te leren uit de bij Vestia ontstane situatie. Daar zal ik het WSW ook op aanspreken.
De vergoeding van IVF |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Het u kennisgenomen van voorstellen om de vergoeding van IVF-behandelingen te beperken tot vrouwen jonger dan 41 jaar?1 Wat is uw mening hierover?
Ja. Naar aanleiding van het Regeerakkoord, mijn toezegging alternatieven te onderzoeken en de motie (32500 XVI, nr. 46) zijn met betrokken partijen alternatieve maatregelen ontwikkeld. Zo, ook de optie om een leeftijdsgrens te gaan hanteren voor de vergoeding van IVF-behandelingen. Dit is ingebracht door de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), waarvan de voorzitter op 13 mei in Brandpunt het door u aangehaalde voorstel toelichtte. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft deze en de andere alternatieven getoetst en hierover advies uitgebracht. In mijn brief van 22 juni 2012 heb ik de Kamer hierover geïnformeerd en de adviezen van het CVZ meegezonden. In deze brief geef ik aan dat ik heb besloten om de aanbevelingen van het CVZ om een leeftijdsgrens van drieënveertig jaar voor ivf en alle andere vruchtbaarheidsbehandelingen in te voeren. Ik verwijs voor verdere details naar deze brief.
Herinnert u zich uw toezegging om bruikbare voorstellen nader te onderzoeken en in mei 2012 een besluit te nemen over het continueren van de vergoeding van drie IVF-behandelingen? Bent u voornemens drie IVF-behandelingen te blijven vergoeden?
Ja. Zie ook antwoord bij 1. De maatregelen die ik voorstel bieden gezamenlijk voldoende besparingspotentieel om te dienen als alternatieve dekking van de besparingsopgave van 30 miljoen en leveren daarbij substantiële doelmatigheid- en kwaliteitswinst op. Hierdoor blijft de collectieve vergoeding van drie IVF-behandelingen in stand. De voorstellen zijn tevens verwerkt in het ontwerpbesluit zorgverzekeringen 2013.
Wat is de opbrengst van het doelmatiger voorschrijven van geneesmiddelen voor vruchtbaarheidsbehandelingen?
Het CVZ geeft aan dat maatregel «doelmatig gebruik medicatie» door middel van het voorschrijven van een kleinere dosis maximaal 10 miljoen kan opbrengen. Daarnaast zijn er besparingen te realiseren door middel van het vaker voorschrijven van urinaire middelen in plaats van recombinantpreparaten. Volgens het CVZ-advies is het maximale besparingspotentieel daarvan circa 8 mln. Het doelmatig voorschrijven zou kunnen worden versterkt door overheveling van gonadotrofines naar het ziekenhuiskader, waardoor ziekenhuizen verantwoordelijk worden voor de inkoop van deze middelen. Dat is evenwel niet voor 1 januari 2014 te realiseren. Dit hoeft echter het behalen van de beoogde besparingen niet in de weg te staan. Als daadwerkelijk overgegaan wordt tot het voorschrijven van een kleinere dosis, conform de afspraak, en vervanging van recombinantvarianten door urinaire preparaten wordt de beoogde besparing bereikt. Dit zal uit de monitor blijken.
Op welke wijze zouden IVF-behandelingen doelmatiger plaats kunnen vinden? Welke wijzigingen ten opzichte van de huidige gang van zaken zijn daarvoor aangewezen? Welke kostenbesparing zou hiermee kunnen worden behaald?
Hiervoor verwijs ik u naar mijn brief van 22 juni 2012 en de bijgevoegde rapporten van het CVZ.
Deelt u de mening dat het niet verstandig is om de vergoeding van IVF stop te zetten, omdat dit zou betekenen dat mensen die het kunnen betalen dan uitwijken naar het buitenland en het waarschijnlijk is dat het grotere aantal meerlingzwangerschappen dat hierdoor zou ontstaan ook tot hogere zorgkosten zal leiden?
Ik heb niet besloten tot het stopzetten van de vergoeding van IVF.
Deelt u de mening dat het niet eerlijk en niet fatsoenlijk is om de vergoeding voor IVF te beperken, omdat vrouwen die een kinderwens hebben niet voor hun plezier IVF ondergaan en IVF gezien dient te worden als een medisch noodzakelijke behandeling?
De vergoeding van IVF wordt niet beperkt. Er worden ook per 1 januari 2013 nog steeds drie pogingen vergoed. Wel worden er maatregelen getroffen zodat ivf doelmatiger en kwalitatief beter wordt uitgevoerd. Dat geldt ook voor de daarbij behorende medicatie. Met de introductie van een leeftijdsgrens van 43 jaar wordt rekening gehouden met het einde van de vruchtbare levensfase. Het CVZ heeft dit in het recente rapport dat ik aan de Kamer gestuurd heb nader onderbouwt.
Contact met de alcohol en tabakslobby |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen van 12 april 20121 en tijdens het vragenuur van 15 mei 2012?
Ja.
Herinnert u zich de toezegging tijdens het vragenuur van 25 oktober 20112 dat u alle contacten met de alcohol- en tabakslobby openbaar zou maken? Zo ja, waarom hebt u dit niet met betekenisvolle gegevens voor beide sectoren gedaan?
Begrijpt u dat niet alle details noodzakelijk zijn, maar betekenisvolle informatie en dat het geheel uitblijven hiervan de controle onmogelijk maakt?
Waarom geeft u de Kamer geen betekenisvolle informatie over contacten met de alcohol- en tabakslobby, maar stuurt u vage en nietszeggende lijstjes over gesprekken, maar niets over inhoud?3
Waarom verwijst u in bovengenoemde antwoorden op vragen om informatie te ontvangen over contact met de lobby naar een WOB-verzoek (Wet Openbaarheid van Bestuur)? Deelt u de mening dat Kamerleden recht hebben op informatie en niet afhankelijk mogen zijn van een WOB-procedure van een journalist?1
Waarom is gestopt met het maken van verslagen van directeurenoverleggen alcohol? Vindt u dit transparant?
Waarom worden geen verslagen gemaakt met betekenisvolle informatie van gesprekken met de tabakslobby? Acht u dit transparant?
Waarom worden er geen gespreksverslagen gemaakt van bijeenkomsten en gesprekken tussen uw ministerie en de alcohol- en tabakslobby, zoals dat in Europa wel gebeurt?
Is het waar dat onder uw verantwoordelijkheid door ambtenaren bezoeken zijn gebracht aan een sigaretten- en bierfabriek? Zo ja, waarom vermeldt u dit niet?
Waarom bent u van mening dat u transparant bent over de contacten met de alcohol- en tabakslobby, terwijl er geen betekenisvolle gespreksverslagen met conclusies zijn?
Herinnert u zich uw antwoorden op vragen waarin u erkent dat u als verantwoordelijk minister volgens het FCTC-verdrag (Framework Convention on Tobacco Control) transparant moet zijn over contacten met de industrie? Vindt u dat u hieraan met de gebruikte vage bewoordingen voldoet?4
Bent u bereid vanaf nu lobbygesprekken tussen uw ministerie en de alcohol- en tabakslobby vast te leggen in een gespreksverslag, met daarbij de getrokken conclusies en betekenisvolle uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Praat u als minister van volksgezondheid met de alcoholindustrie over preventie en alcohol en tegelijk als minister van sport met dezelfde alcoholindustrie over sponsoring van sportevenementen?
Vertegenwoordigers van de alcoholindustrie, maar ook van de retail, de horeca, de GGD, de gemeenten en het Trimbos-instituut maken allen deel uit van het DOA-overleg op ambtelijk niveau. Momenteel wordt er in een reeks strategische sessies gewerkt aan een gezamenlijke ambitie om verantwoord alcoholgebruik te stimuleren en daarop toe te zien. Daaronder valt ook de dimensie van alcoholgebruik bij sportevenementen. Zodra de conclusies van deze strategische werkgroep beschikbaar zijn zullen deze aan de Kamer worden toegezonden.
Daarnaast vond er op 11 april jl. een Ronde Tafel «Alcoholgerelateerde Overlast» plaats, waarvan ik in het AO Alcoholbeleid van 9 februari 2012 had toegezegd deze te zullen organiseren. Daaraan heeft STIVA als vertegenwoordiger namens de alcoholindustrie deelgenomen. Het verslag van deze bijeenkomst zal nog deze maand aan de Kamer worden toegezonden.
Het opschorten van de huishoudinkomenstoets |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe er zal worden omgegaan met mensen die zich op of na 1 januari 2012 bij het «werkplein» van het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) hebben gemeld met een aanvraag voor bijstand omdat ander inkomen wegviel?
Op 29 mei heb ik een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend dat voorziet in het afschaffen van de huishoudinkomenstoets met terugwerkende kracht per 1 januari 2012. De gevolgen van dit wetsvoorstel voor de verschillende groepen mensen die zich vanaf 1 januari 2012 hebben gemeld met een aanvraag om bijstand is als volgt.
Er is een groep mensen die zich vanaf 1 januari 2012 heeft gemeld met een aanvraag om bijstand en door toepassing van de huishoudinkomenstoets wel bijstand toegekend heeft gekregen, maar waarbij toepassing van de huishoudinkomenstoets heeft geleid tot een lagere uitkering. Voor deze personen wordt het recht en de hoogte op bijstand met terugwerkende kracht herbeoordeeld.
Er is een beperkte groep mensen voor wie toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering leidt dan zonder toepassing van de huishoudinkomenstoets. Voor deze groep is overgangsrecht opgenomen.
Voor personen van wie de aanvraag om bijstand in de periode van 1 januari 2012 tot de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is afgewezen, dienen gemeenten het recht op bijstand met terugwerkende kracht te herbeoordelen.
Klopt de aanname dat dergelijke aanmelders- ware de huishoudinkomenstoets er niet geweest – een aanvraagformulier zouden hebben ontvangen en aan hen al dan niet bijstand zou zijn toegekend? Is het waar dat deze personen echter te horen hebben gekregen dat zij geen recht op bijstand hadden en geen aanvraagformulier uitgereikt hebben gekregen? Klopt het dat derhalve hun aanmelding door het UWV werkplein niet geregistreerd zal zijn?
Het is mogelijk dat aanmelders geen aanvraagformulier hebben ingevuld en niet geregistreerd zijn. Daarnaast zijn er personen die geen aanvraag voor bijstand hebben ingediend omdat ze er van uit zijn gegaan dat ze door toepassing van de huishoudinkomenstoets geen recht hadden op bijstand. Beide groepen kunnen tot twee maanden na de publicatie van het wetsvoorstel met terugwerkende kracht bijstand aanvragen. Hierbij is wel de voorwaarde dat het recht op bijstand ontstaat als gevolg van het afschaffen van de huishoudinkomenstoets.
Deelt u de zorg dat deze groep spoorloos is, omdat hun aanmelding bij het UWV werkplein niet is geregistreerd? Zo nee, waarom niet?
Personen die geen aanvraag hebben ingediend, zijn mogelijk niet bekend bij het UWV of gemeenten. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de gemeenten ondersteunen bij de voorlichting van de burgers die door de huishoudinkomenstoets eerder niet in aanmerking zijn gekomen voor bijstand en nu met terugwerkende kracht wel. Het benodigde voorlichtingsmateriaal zal direct na parlementaire goedkeuring van de wet beschikbaar zijn.
Hoe gaat u er voor zorgen dat ook deze groep met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op bijstand vanaf 1 januari 2012?
Zie antwoord vraag 3.
Houtkap en landroof in Tanzania voor biobrandstoffen |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tanzania: EU to Review Renewable Energy Policy»1 en het rapport «Fuel for Thought» van ActionAid International?2
Ja.
Is het waar dat Europese bedrijven, waaronder een Nederlands bedrijf, bijdragen aan landonteigening en schending van mensenrechten in een aantal Afrikaanse landen?
Ik beschik niet over concrete aanwijzingen dat dit zou gebeuren. De Nederlandse regering zet zich ervoor in dat investeringen in landen niet ten koste gaan van de lokale bevolking. Verder worden bedrijven en investeerders geacht de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen te implementeren.
Nationale overheden dragen de eerste verantwoordelijkheid voor transparante en inclusieve landovereenkomsten, aangezien ruimtelijke ordening en landrechten tot de soevereiniteit van landen zelf behoren. De recentelijk door de Committee on World Food Security van de FAO aangenomen Voluntary Guidelines on the Responsible Governance of Tenure of Land, Fisheries and Forests in the Context of National Food Security bieden een goede houvast voor overheden om deze verantwoordelijkheid op een goede manier in te vullen. Nederland spant zich ervoor in om deze vrijwillige richtlijnen tot een succes te maken.
Deelt u de mening dat veel eerste generatie biobrandstoffen milieu- en klimaatschade tot gevolg hebben en een directe bedreiging vormen voor voedselzekerheid in Afrika? Zo neen, waarom niet?
Voor alle geïmporteerde biobrandstoffen geldt dat zij aan de EU Richtlijn voor Hernieuwbare Energie moeten voldoen en daarmee geen aantasting van biodiversiteit, bossen- en veengebieden mogen vormen en een bijdrage moeten leveren aan broeikasgasreductie.
Als land wordt vrijgemaakt voor biobrandstoffen, bestaat een risico op milieu- en klimaatschade. Vooral de omzetting van oerbos of veengebieden tot landbouwgrond kan leiden tot toename van de uitstoot van CO2 en schade aan ecosystemen. Vandaar dat bovengenoemde criteria in deze Richtlijn staan.
Is het waar dat in Tanzania lokale gemeenschappen zeer nadelige gevolgen, zoals de onteigening van land van kleine boeren, ondervinden door de praktijken van dit soort bedrijven? Is het waar dat passende compensatie in veel gevallen uitblijft?
Zoals vermeld in mijn antwoorden op schriftelijke vragen van de leden Ferrier en Dikkers over het rapport «Land Rights and the Rush for Land» van de International Land Coalition (ingezonden op 16 en 21 december 2011 met kenmerk 2011Z26511 & 2011Z27059) onderken ik dat de mondiale strijd om vruchtbare landbouwgrond en de groeiende wereldwijde handel daarin ten koste kunnen gaan van de arme lokale bevolking.
Landconflicten zijn niet nieuw in Tanzania. De economische liberalisering, de landhervormingen en het formaliseren van landeigendommen kunnen bestaande conflicten intensiveren en leiden tot nieuwe landconflicten tussen investeerders en landgebruikers en -eigenaren, ook al waren de landhervormingen juist bedoeld om landconflicten te beperken en de bevolking in de dorpen meer zekerheid te geven over hun land.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het rapport «Food for Thought» dat de norm voor hernieuwbare energie in de vervoersector, bijna volledig behaald met biobrandstoffen die geproduceerd zijn uit voedselgewassen, wordt behaald?
Zoals vermeld in de jaarlijkse rapportage van de Nederlandse Emissieautoriteit was in 2010 een aanzienlijk deel van de in Nederland gebruikte biobrandstoffen, vooral wat betreft biodiesel, afkomstig uit afval- en reststromen, zoals gebruikt frituurvet. Productie van biobrandstof uit deze grondstoffen vormt dus geen bedreiging voor de voedselzekerheid. De EU richtlijn voor Hernieuwbare energie stelt naast milieueisen ook sociale rapportages verplicht, waaronder die voor voedselzekerheid.
Wanneer verwacht u het onderzoek van de Europese Commissie over de sociale gevolgen van het energiebeleid? Welke maatregelen treft u jegens Nederlandse bedrijven die zich schuldig maken aan grootschalige landroof en mensenrechtenschendingen in het kader van biobrandstoffen?
Ik wil niet vooruitlopen op het verslag van de Europese Commissie over de sociale gevolgen van het biobrandstoffenbeleid van de Europese Unie eind 2012.
Op welke wijze onderzoekt Nederland zelf de sociale effecten van het Europees beleid met betrekking tot biobrandstoffen? Bent u bereid het voortouw te nemen in bindende nationale en Europese sociale duurzaamheidscriteria voor de productie en import van biobrandstoffen om zo zorg te dragen voor coherentie van beleid? Kunt u dit toelichten?
Het Kabinet heeft de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa (Commissie Corbey) ingesteld met een mandaat om te kijken naar de sociale effecten van het beleid op het terrein van biobrandstoffen. Binnenkort brengt deze commissie advies uit op basis waarvan Nederland aan zal geven hoe de sociale criteria het beste in de Europese regelgeving ingepast kunnen worden.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Van den Berge c.s.3 over duurzaamheidscriteria voor biomassa voor energietoepassingen? Kunt u dit toelichten?
Op dit moment bestaan er al wettelijke duurzaamheidseisen voor biobrandstoffen op basis van de Richtlijn Hernieuwbare Energie, die in nationale wetgeving zijn geïmplementeerd. Nederland streeft naar soortgelijke duurzaamheidseisen voor vaste en gasvormige biomassa.
Ook pleit Nederland in Brussel er voor om de indirecte effecten van landgebruik (ILUC) in de duurzaamheidseisen van biobrandstoffen op te nemen, naast de aandacht voor sociale aspecten, zoals aangegeven in vraag 7.
Bovendien stimuleert Nederland het invoeren van duurzaamheidscriteria via normeringsinstanties en stimuleert het de toepassing hiervan via het Global Bio Energy Partnership.
Op welke wijze zorgt de regering ervoor dat de voedselzekerheid van Afrika niet verder lijdt onder de te lage voorwaarden die worden gesteld aan biobrandstoffen door de EU? Kunt u dit toelichten?
Uw aanname dat de voorwaarden voor biobrandstoffen te laag zijn, kan pas worden getoetst op het moment dat de rapportage van de EU beschikbaar is. Binnen Nederland stimuleert het kabinet het gebruik van afval en reststromen als basis voor biobrandstoffen via de dubbeltellingsregeling.
Het voedselzekerheidsbeleid van de regering is erop gericht om de zelfredzaamheid van onze partnerlanden te vergroten. Door alle betrokken partijen bij landverwervingen bewust te maken van hun rechten en verantwoordelijkheden kunnen negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen worden.
Mogelijke discriminatie van een school en de regels van het ministerie omtrent examens |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw beleidsmatige reactie op het bericht «Beschuldiging discriminatie school onterecht»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht op nu.nl 11 mei 2012 («Beschuldiging discriminatie school onterecht?») en ik heb om diverse redenen na overleg met het College voor Examens en de Inspectie van het Onderwijs besloten de school geen ruimte te geven om van de regels af te wijken. In mijn antwoord op vraag 2 en 3 ga ik in op deze redenen. Ook verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen gesteld door de leden Ortega-Martijn (ChristenUnie) en Biskop (CDA) over deze casus.
Herkent u het dilemma van scholen bij leerlingen die vanwege een rekenstoornis, dyscalculie, niet in staat zijn om formules te onthouden, maar wel toe te passen, en de wens om betreffende leerlingen een zogenaamde formulekaart te geven? Hoe groot is de groep leerlingen in Nederland die een dergelijke handicap heeft?
Ik herken de wens van scholen om leerlingen met een (ernstige) rekenstoornis, dyscalculie een zogenaamde formulekaart te geven. De reden dat het gebruik van een formulekaart niet is toegestaan voor het centraal examen is dat de kaart informatie bevat of kan bevatten die de leerling op grond van de exameneisen zou moeten beheersen. Beheersing van formules en rekenregels is naast en in samenhang met de toepassing van de formules één van de exameneisen bij verschillende vakken in het voortgezet onderwijs.
Er zijn op dit moment geen exacte gegevens bekend hoe groot de groep leerlingen in Nederland is met ernstige reken- wiskundeproblemen en dyscalculie. Uit de Quickscans dyslexie en dyscalculie die ik over de schooljaren 2009–2010 (PON-onderzoek 2010) en 2010–2011(KPC-onderzoek, herhaalde meting) heb laten uitvoeren naar aanleiding van het voornemen de exameneisen aan te scherpen blijkt dat er in beide examenjaren slechts een zeer gering aantal leerlingen met een dyscalculieverklaring eindexamen heeft gedaan. De groep leerlingen met dyscalculie die uitsluitend formules niet kan onthouden maar wel kan toepassen is daarvan weer een deel.
Wat is de reden dat het ministerie al meteen heeft laten weten dat er geen uitzonderingen zullen komen voor dergelijke leerlingen? Deelt u de mening dat het wenselijk is dat er maatwerk voor dit soort leerlingen geleverd moet worden?
Ik heb al meteen laten weten dat er geen uitzonderingen zullen komen omdat het centraal examen op het punt stond te beginnen. Daarnaast zijn er voor mij gerede inhoudelijke, juridische en organisatorische redenen om het advies van de CGB niet over te nemen. In mijn antwoord op vraag 2 van de leden Ortega-Martijn (ChristenUnie) en Biskop (CDA) over deze casus ga ik op de redenen hiervan in.
Ik deel de mening dat maatwerk soms nodig is. Mijn beleid is er op gericht ervoor te zorgen dat scholen leerlingen met ernstige rekenproblemen en/of dyscalculie optimaal kunnen ondersteunen in het onderwijs (aanpassing lesmateriaal, protocollen om scholen handvatten te bieden om deze leerlingen gericht te ondersteunen).
Ik acht het van groot belang dat er voor leerlingen met dyscalculie geen onnodige drempels worden opgeworpen. Echter, zoals ik heb aangegeven in het VSO van 7 september 2011, in mijn brief van 12 december 2011 en in mijn beantwoording van 23 april 2012 op de vragen gesteld in het verslag van het schriftelijk overleg over de brief van 12 december 2011, staat de waarde van het diploma voor mij buiten discussie. Hieraan wil ik niet tornen en evenmin aan de ( huidige zowel als nieuwe) exameneisen die hieraan gesteld worden, ook niet voor leerlingen met dyscalculie. In verband met de invoering van de verplichte rekentoets heb ik verschillende trajecten in gang gezet. Er wordt een protocol Ernstige RekenWiskunde problemen en Dyscalculie (ERWD) voor het voortgezet onderwijs ontwikkeld. Dit protocol komt medio 2012 beschikbaar. Daarnaast wordt in opdracht van het College voor Examens op dit moment onderzoek gedaan door de Hogeschool Utrecht. In dit onderzoek wordt nagegaan hoe leerlingen met een reken/wiskunde stoornis recht kan worden gedaan bij de nog in te voeren rekentoets.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling die stelt dat hier sprake is van een botsing van de Wet gelijke behandeling en de examenregels van het ministerie? Bent u in dat licht van plan alsnog met een mogelijke praktische oplossing te komen?
Zoals ik mijn antwoord op vraag 3 van de leden Ortega-Martijn en Biskop heb aangegeven is er mijns inziens geen sprake van een botsing van de Wet gelijke behandeling en de examenregels.
Zoals ik in mijn antwoord op bovenstaande vraag heb aangegeven zijn er verschillende trajecten in gang gezet.
Het bericht dat gebruik van de rekenkaart voor leerlingen met een rekenstoornis niet is toegestaan bij de eindexamens |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU), Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «School discrimineert meisje met rekenstoornis»1 en «Beschuldiging discriminatie school onterecht»?2
Ik heb kennisgenomen van deze beide berichten.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), die vindt dat de school «verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte» maakt, omdat de leerling met dyscalculie geen rekenkaart mag gebruiken tijdens het examen?
Ik heb het oordeel van de CGB van 7 mei 2012 bestudeerd. Anders dan de CGB ben ik van oordeel dat het niet in strijd is met de wet om de betreffende leerling geen rekenkaart te laten gebruiken tijdens het examen. Ik heb besloten de school geen ruimte te geven om van de geldende regels voor het centraal examen af te wijken. Het uitgangspunt bij mijn beleid voor dyscalculie is kort samengevat dat ik er alles aan doe om zoveel mogelijk drempels voor deze leerlingen weg te nemen, maar dat hierbij geen tweedeling in exameneisen mag ontstaan. Wanneer dit uitgangspunt naast de uitspraak van de CGB wordt gelegd zie ik met name spanning op dit tweede uitgangspunt. De formulekaart (het hulpmiddel waar het in dit geval om gaat) bevat informatie of kan informatie bevatten die de leerling op grond van de exameneisen moet beheersen. Beheersing van formules en rekenregels is naast en in samenhang met de toepassing van de formules één van de exameneisen bij verschillende vakken in het voortgezet onderwijs. De exameneisen zijn bekend. Blijkens het oordeel van de CGB waren zowel de leerlinge als de school hiervan op de hoogte.
Daarnaast heb ik nog andere argumenten om af te wijken van het advies van de CGB. Als leerlingen met dyscalculie niet aan deze exameneis hoeven te voldoen, zou dit niet alleen de genoemde tweedeling betekenen, maar zou dit tevens leiden tot rechtsongelijkheid. Om dit probleem mogelijk te ondervangen zal in afstemming met het CvE worden nagegaan of een aangepaste vorm van de formulekaart soulaas kan bieden. Gelet op het tijdstip van het advies van de CGB is het daarnaast niet verstandig om enkele dagen voor de start van de centrale examens de regels voor alle leerlingen aan te passen. De exameneisen zijn ruim twee jaar van te voren bekend gemaakt. Overname van het advies zou betekenen dat het samenhangende pakket aan exameneisen vlak voor de laatste fase wordt aangepast.
Bovenstaande samengevat zijn er voor mij gerede inhoudelijke, juridische en organisatorische redenen om af te wijken van het advies van de CGB.
Graag verwijs ik u voor verdere informatie ook naar mijn antwoorden op de vragen gesteld door het lid Van der Ham (D66) over deze zaak.
Waarom is gebruik van de formulekaarten voor leerlingen met aantoonbare dyscalculie bij de eindexamens niet toegestaan? Kunt u nader ingaan op de constatering van de CGB dat er een botsing is tussen de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en de examenregels en de constatering van de CGB dat de Wet gelijke behandeling in formele zin boven de examenregels staat?
Zie voor het antwoord op het eerste deel van deze vraag het antwoord op vraag 2.
Wat het tweede deel van de vraag betreft, het is juist dat een wet, en daarmee de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBh/cz) boven een AMvB staat.
Echter, een botsing tussen wet en AMvB is naar mijn mening niet aan de orde omdat de beheersing van formules en rekenregels de eindexameneisen zelf betreft, terwijl de WGBh/cz daar geen betrekking op heeft. Op grond van de WGBh/cz kan een school verplicht zijn doeltreffende aanpassingen te verrichten om de toegang tot het onderwijs te vergemakkelijken, maar dat betekent niet dat op grond daarvan de eisen van wat de leerling moet kennen en kunnen, zouden moeten worden aangepast.
Deelt u de mening dat het verbod op het gebruik van hulpmiddelen als de rekenkaart heroverweging verdient, gezien de uitspraak van de CGB over de gevolgen voor leerlingen met dyscalculie en gezien de verzwaring van de exameneisen? Bent u bereid om in lijn met de uitspraak van de CGB de examenregelgeving aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2, waarin ik inga op de huidige situatie. Ten aanzien van de aanscherping van de exameneisen acht ik het met u van groot belang dat er voor leerlingen met dyscalculie geen onnodige drempels worden opgeworpen door de verzwaring van de exameneisen. Echter, zoals ik heb aangegeven in het VSO van 7 september 2011, in mijn brief van 12 december 2011 en in mijn beantwoording van 23 april 2012 op de vragen gesteld in het verslag van het schriftelijk overleg over de brief van 12 december 2011, staat de waarde van het diploma voor mij buiten discussie. Ik wil niet tornen aan de civiele waarden van onze diploma’s en aan de eisen die daaraan gesteld worden, ook niet voor leerlingen met dyscalculie. Ik doe er alles aan om leerlingen met dyscalculie in staat te stellen het diploma te halen en scholen daartoe te faciliteren. In verband met de invoering van de verplichte rekentoets heb ik verschillende trajecten in gang gezet. Er wordt een protocol Ernstige RekenWiskunde problemen en Dyscalculie (ERWD) voor het voortgezet onderwijs ontwikkeld. Dit protocol komt medio 2012 beschikbaar. Daarnaast wordt in opdracht van het College voor Examens op dit moment onderzoek gedaan door de Hogeschool Utrecht. In dit onderzoek wordt nagegaan hoe leerlingen met een reken/wiskunde stoornis recht kan worden gedaan bij de nog in te voeren rekentoets.
Bent u bereid om scholen zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over gebruik van de formulekaarten, maar ook over andere ondersteuning voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie, zodat voor de huidige examens duidelijkheid komt?
Die duidelijkheid wordt geboden. Zie mijn antwoord op bovenstaande vraag.