Non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketen |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 4 februari 2025 over non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketen?1
Hoe beoordeelt u de bevinding dat het thema non-discriminatie en gelijke behandeling nog niet structureel is ingebed in de organisaties binnen de jeugdbeschermingsketen? Welke stappen gaat u ondernemen om dit structureel te verbeteren?
Ik heb de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid over «non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketen» op 18 februari 2025 aan uw Kamer aangeboden.2 Ik heb daarbij aangegeven dat de inhoudelijke reactie op de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid zal worden opgenomen in de eerstvolgende brief over jeugdbescherming. Ik verwacht deze brief in mei aan uw Kamer te zenden. In april is naar verwachting het eerste deelonderzoek naar discriminatie binnen de Raad voor de Kinderbescherming door het Verwey-Jonker Instituut ook gereed. De antwoorden op de vragen van het lid Bruyning over deze onderzoeken zal ik betrekken bij de inhoudelijke reactie.
Hoe kan het dat in een multiculturele samenleving die Nederland inmiddels geworden is dat de inspectie moet vaststellen dat cultuur-sensitieve hulp niet altijd voldoende aansluit op de behoefte van gezinnen met een migratieachtergrond? Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten en jeugdhulpaanbieders in de toekomst beter rekening houden met culturele achtergronden in hun hulpverlening?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat, zoals in de brief wordt beschreven, het risico dat vooroordelen en stigma’s over gezinnen binnen de jeugdbeschermingsketen blijven bestaan en doorwerken in dossiers? Op welke manier gaat u dit risico minimaliseren en zorgen voor objectieve besluitvorming? En daarmee voorkomen dat subjectieve beeldvorming niet leidt tot ongelijke behandeling?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Bent u het ermee eens dat schriftelijke communicatie over het proces en de besluitvorming in de jeugdbeschermingsketen als ontoegankelijk wordt ervaren, vooral door gezinnen met een taalachterstand of een licht verstandelijke beperking? Bent u bereid richtlijnen op te stellen voor begrijpelijke communicatie binnen de keten?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Bent u het met de inspectie eens dat er een risico is dat richtlijnen, protocollen en instrumenten binnen de jeugdbeschermingsketen mogelijk nadelig uitwerken voor bepaalde groepen gezinnen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze richtlijnen en protocollen worden geëvalueerd en bijgesteld om discriminatie te voorkomen?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Herkent u het beeld dat de inspectie constateert dat gezinnen mogelijk een drempel ervaren om discriminatie aan te kaarten? Bent u bereid een laagdrempelig en onafhankelijk meldpunt op te zetten waar ouders signalen van discriminatie binnen de jeugdbeschermingsketen kunnen melden?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
In hoeverre worden de aanbevelingen van de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) meegenomen in het wetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming van kwetsbare gezinnen in de jeugdbeschermingsketen?
De aandachtspunten van de Inspectie Justitie en Veiligheid gaan over gericht beleid en scholing, personeelsbeleid, het aanbieden van cultuur-sensitieve hulp, transparante besluitvorming en het voortbouwen op elkaars informatie waardoor beelden blijven bestaan, toegankelijke communicatie en sensitiviteit voor de effecten van richtlijnen, protocollen en instrumenten die nadelig kunnen uitpakken. Ten slotte gaat het over het laagdrempelig melden van discriminatie. De aandachtspunten worden niet rechtstreeks meegenomen in het wetsvoorstel. Het zijn belangrijke aandachtspunten maar leiden niet automatisch tot een wetswijziging. Ook hebben de aandachtspunten niet een directe link met de maatregelen die worden voorgesteld in het wetsvoorstel.
Kunt u aangeven op welke termijn u met concrete beleidsmaatregelen komt om de knelpunten die de inspectie heeft gesignaleerd aan te pakken?
Ik de brief van 18 februari 2025 heb ik aangegeven dat de inhoudelijke reactie op de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid zal worden opgenomen in de eerstvolgende brief over jeugdbescherming die naar verwachting in mei aan uw Kamer wordt verzonden.
Heeft u nog herinnering aan de eerder gestelde Kamervragen van 6 september 2024 en uw beantwoording van 8 oktober 2024 over het artikel in de Volkskrant «Onderzoek naar discriminatie bij de Raad voor de Kinderbescherming hapert?2
Ja.
Klopt het dat, zoals uit de beantwoording van deze Kamervragen blijkt, het onderzoek naar discriminatie binnen de Raad voor de Kinderbescherming door het Verwey-Jonker Instituut nog altijd vertraagd is? Hoe kijkt u nu aan tegen de vertraging van het onderzoek door het Verwey-Jonker instituut aan en de lage urgentie die de raad kennelijk heeft met dit onderzoek, terwijl de inspectie juist grote zorgen uitspreekt?
Zoals in de beantwoording van 8 oktober 2024 op deze vragen is benoemd, vraagt het onderzoek naar discriminatie bij de Raad voor de Kinderbescherming, uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut, meer tijd dan bij de oorspronkelijke onderzoeksopzet is ingeschat. 4 Zorgvuldigheid en onafhankelijkheid staan hierbij voorop. Er is geen sprake van een «lage urgentie» bij de Raad voor de Kinderbescherming. Het rapport wordt naar verwachting in april door het Verwey-Jonker Instituut gepubliceerd en bevat de resultaten over de werkgeversrol en een data-analyse van de dienstverlening van de RvdK aan cliënten.
Een reactie op de inzichten uit deze publicatie wordt, samen met de inhoudelijke reactie op de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid, opgenomen in de eerdergenoemde brief over jeugdbescherming die ik naar verwachting in mei aan uw Kamer zal toesturen.
Zou u kunnen reflecteren op uw eerdere beantwoording van de vragen van 6 september en indachtig de zorgwekkende constatering van de Inspectie JenV nogmaals willen langslopen en voorzien van de actuele status en uw visie hierop?
In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen over het onderzoek naar de aanwezigheid en impact van discriminatie en vooroordelen binnen de Raad voor de Kinderbescherming heb ik uw Kamer geïnformeerd over de onderzoeksopzet van het Verwey-Jonker Instituut. Verder heb ik aangegeven dat een onderzoek onder cliënten om een gedegen uitwerking vraagt, gelet op rechtsbescherming, zorgvuldigheid en privacy. Hier was meer tijd voor nodig dan ingeschat bij de onderzoeksopzet. Ook is nader toegelicht dat het Verwey-Jonker Instituut door de Raad voor de Kinderbescherming is gekozen vanwege hun specifieke expertise op het thema diversiteit en hun positie als onafhankelijke onderzoeksinstelling.
De steeds langer wordende aanrijtijden van ambulances. |
|
Mariska Rikkers (BBB) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op RTL.nl van 21 februari 2025, waarin duidelijk wordt dat ambulances steeds vaker te laat zijn en dat in sommige dorpen de streeftijd van 15 minuten vrijwel nooit wordt gehaald?1
Ja.
Deelt u de mening dat elke minuut telt in noodsituaties en dat het onacceptabel is dat mensen in bepaalde dorpen stelselmatig langer moeten wachten op een ambulance?
Ik kan me voorstellen dat mensen zich op basis van dit soort nieuwsberichten zorgen maken of de ambulance op tijd komt als zij een noodgeval hebben. Zeker wanneer je op een minder snel te bereiken plek woont.
Regionale Ambulancevoorzieningen (hierna: RAV’s) doen hun uiterste best om zoveel mogelijk mensen binnen 15 minuten te bereiken. Dit doen ze door ambulances zo strategisch mogelijk te positioneren, juist in dunbevolkt gebied. Dit wordt continu geregisseerd door de meldkamers ambulancezorg met behulp van slimme software. Echter, de vraag naar ambulancezorg kan op sommige piekmomenten zo hoog zijn dat het niet altijd mogelijk is om overal binnen 15 minuten responstijd aanwezig te zijn. In sommige gevallen heeft de ambulance meer dan de gewenste 15 minuten responstijd nodig. In het antwoord op vraag 10 licht ik toe dat voor de hoogste spoed een speciale aanpak is.
Op grond van de Regeling ambulancezorgvoorzieningen is de RAV verplicht jaarlijks de prestaties in relatie tot de streefwaarde te analyseren en in overleg met de zorgverzekeraars aantoonbare maatregelen te nemen wanneer bepaalde gebieden tekort schieten.
Ik ga daarom in gesprek met Zorgverzekeraars Nederland en Ambulancezorg Nederland met de vraag welke verbetermaatregelen inmiddels genomen zijn, en nog genomen kunnen worden, om te lange responstijden in dunbevolkte landelijke gebieden, zoals grensregio’s, te voorkomen. Inwoners die buiten de stad wonen moeten zich geen zorgen maken of de ambulance wel op tijd komt. Dit gaat me zeer aan het hart.
Daarnaast wordt dit jaar de Wet ambulancezorgvoorzieningen geëvalueerd, waarbij onderzocht wordt of de wet in de praktijk doeltreffend is in het borgen van kwaliteit en continuïteit van ambulancezorg. Ik wil daarbij de situatie in dunbevolkte gebieden, zoals grensregio’s, expliciet betrekken. Ik verwacht dat deze evaluatie eind dit jaar wordt afgerond.
Kunt u bevestigen dat de 15-minutennorm alleen op regionaal niveau wordt gemeten en niet per gemeente of dorpskern?
Ja. De norm voor aanrijtijden zoals deze in de Regeling ambulancevoorzieningen is opgenomen, is op het niveau van de veiligheidsregio.2 Ook de capaciteit die de ambulancedienst wettelijk krijgt toebedeeld wordt in opdracht van VWS door het RIVM op het niveau van de veiligheidsregio berekend. Overigens beschikken RAV’s wel over de responstijden op postcodeniveau, om daarmee de regionale cijfers te laten berekenen door het RIVM. De ambulancesector publiceert de regionale gemiddelden van de responstijden jaarlijks in het Sectorkompas Ambulancezorg.3 Ook wordt van alle regio’s de tijd gepubliceerd waarbinnen 95% van de spoedinzetten (A1) wordt gehaald. Dat is in veel regio’s tussen 15 en 17 minuten.
Bent u bereid om, in lijn met de door de Kamer unaniem aangenomen motie van onder andere de leden van de BBB-fractie over transparantie rondom aanrijtijden van ambulances, alsnog per gemeente transparantie te bieden over de werkelijke aanrijtijden?2
Ik heb begrip voor deze wens. Ik heb echter geen vrije beschikking over deze informatie. De data zijn van de individuele RAV’s en er is geen regeling die hen verplicht deze beschikbaar te stellen. Met andere woorden: zij dienen akkoord te gaan om hun data te gebruiken.5 In navolging van de motie van het lid Rikkers-Oosterkamp c.s.6 ben ik hierover in gesprek gegaan met Ambulancezorg Nederland. In mijn antwoord op vraag 5 ga ik hier verder op in.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de gesprekken die u, in de beantwoording van eerdere Kamervragen, aangaf te gaan voeren met Ambulancezorg Nederland over meer transparantie over de aanrijtijden per gemeente?3
In de gesprekken die met Ambulancezorg Nederland zijn gevoerd was er begrip voor de wens voor transparantie op gemeenteniveau, maar werd er tegelijkertijd op gewezen dat de wettelijke streefnorm voor responstijden gericht is op verantwoording op het niveau van de veiligheidsregio. Dat is ook het niveau op basis waarvan zij capaciteit toebedeeld krijgen. Het transparant maken van aanrijtijden op gemeenteniveau sluit daar niet op aan.
Ik heb Ambulancezorg Nederland formeel verzocht om vanaf 2026 (d.w.z. rapportagejaar 2025) jaarlijks transparantie te verschaffen over de responstijden van de ambulance op gemeenteniveau en waar mogelijk op gemeentekern(dorps) niveau.8 Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan. Ik benadruk daarbij wel dat ik het belangrijk vind om de prestaties van de RAV’s te (blijven) beoordelen op het niveau van de veiligheidsregio.
Kunt u aangeven of en hoe de urgentie-indeling die in oktober 2024 is ingevoerd, daadwerkelijk heeft bijgedragen aan snellere aanrijtijden voor levensbedreigende situaties?
De evaluatie van de vernieuwde urgentie-indeling is nog gaande en wordt in juli 2025 afgerond. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie zal ik bepalen of we ook in de wet- en regelgeving aanpassingen doen aan de normen die nu gelden. Ik zal uw Kamer daar uiteraard zo snel mogelijk over informeren.
Zijn er naast Tienhoven en Ameide aan de Lek nog andere dorpen of kernen waar de aanrijtijden structureel onder de norm presteren? Zo ja, welke?
Ik beschik niet over deze gegevens. Cijfers op postcodeniveau worden wel geregistreerd door de RAV, maar hierover wordt niet gerapporteerd. De spreiding en beschikbaarheid van de RAV’s is in de Regeling ambulancezorgvoorzieningen vastgesteld op het niveau van de veiligheidsregio.
Hoe kijkt u naar een structurele oplossing, zoals extra ambulanceposten in regio’s waar de norm vaak niet gehaald wordt?
Het aantal (statische) ambulanceposten is niet als enige relevant voor de tijdigheid van ambulances. Ambulances zijn constant onderweg en keren niet steeds terug naar hun standplaats voordat zij opnieuw ingezet worden. Het komt in de praktijk regelmatig voor dat een rijdende ambulance, die bijvoorbeeld net een inzet heeft gehad, alweer wordt opgeroepen voor een volgende inzet. Ook kan een ambulance ten behoeve van de regionale dekking in een bepaald gebied gepositioneerd worden (bijvoorbeeld bij een belangrijk kruispunt), maar niet per se bij een standplaats. De meldkamer ambulancezorg ziet precies waar de ambulances rijden of staan en maakt op basis daarvan een keuze welke ambulance het beste kan worden ingezet. Als alle ambulances binnen een regio bezet zijn, worden beschikbare ambulances uit buur-regio’s zodanig gepositioneerd, dat de bereikbaarheid weer zo optimaal mogelijk is. Dit proces vindt dag en nacht plaats.
Het is in het licht van personeelsschaarste niet realistisch om een overcapaciteit van posten na te streven en ambulances bij te kopen die weinig ritten krijgen en bemand moeten worden met gespecialiseerde verpleegkundigen die we op andere plekken hard nodig hebben, zoals op de SEH of de IC.
Wat ik belangrijk vind, is dat ambulances beschikbaar zijn wanneer elke minuut telt. Ambulancezorg Nederland geeft op basis van hun actuele bevindingen aan dat de ambulance in deze situaties ruim op tijd komt (zie ook het antwoord op vraag 10).
Welke alternatieven, zoals de inzet van traumahelikopters of inzet voor ambulance-taken door brandweereenheden (zoals in Baarle-Nassau nu gebeurt), worden overwogen om de aanrijtijden in deze gebieden te verbeteren?
Ambulancezorg Nederland (AZN) heeft mij laten weten dat er inderdaad alternatieven worden ingezet. Naast de vernieuwde urgentie-indeling wordt ook ingezet op zorgdifferentiatie tussen laag-, midden- en hoogcomplexe zorg. AZN is betrokken bij HartslagNu, waarmee first responders (politie, brandweer en burgerhulpverleners) direct door de meldkamer ambulancezorg worden gealarmeerd om hulp te verlenen bij een reanimatie. En er is een nauwe samenwerking met de acute zorgpartners, zodat patiënten met een acute maar niet levensbedreigende zorgvraag middels zorgcoördinatie de juiste zorg, op de juiste plek en van de juiste zorgverlener krijgen. Op die manier blijven de ambulances beter beschikbaar voor spoedsituaties.
Deelt u de mening dat inwoners recht hebben op een snelle en adequate hulpverlening, ongeacht of ze in een stad of op het platteland wonen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen in kleinere kernen niet langer het kind van de rekening zijn?
Ja. De organisatie van acute zorg moet zo zijn dat er een dusdanige inspanning wordt geleverd dat iedereen ervan op aan kan dat zij op zorg kunnen rekenen wanneer daar met spoed behoefte aan is. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 2, ga ik daarom het gesprek aan met Ambulancezorg Nederland en de zorgverzekeraars.
Graag wil ik wel een nuancering maken op het algemene beeld dat nu kan ontstaan. De cijfers in het RTL-artikel gaan over alle situaties waarbij de ambulance met zwaailicht en sirene uitrukt (de zogenaamde A1-urgentie). Dit is een grote en diverse groep van spoedsituaties. Het kan gaan om mensen, voor wie elke minuut er één teveel is. Denk aan een hartstilstand. Maar in deze groep gaat het ook om gevallen die minder tijdkritisch zijn. De situaties waarover gerapporteerd wordt in het kader van de 15-minuten norm, zijn dus niet overal even spoedeisend.
Om beter te kunnen sturen op spoed, wordt sinds oktober vorig jaar in alle meldkamers ambulancezorg gewerkt met een categorie voor hoogste spoed, waarbij elke minuut telt voor de overlevingskans of kwaliteit van leven van de patiënt. Dit wordt de A0-urgentie genoemd en gaat om ongeveer 3% van alle spoedritten. Denk aan situaties waarin een reanimatie vereist is, waarin sprake is van verstikkingen of mogelijke fatale bloedingen. Wat wel en niet in deze categorie valt, is medisch onderbouwd. De ambulance rukt in deze situaties uit met de hoogst mogelijke spoed vanaf de post. Wanneer er andere ambulances dichterbij zijn, worden zij van hun rit afgehaald en direct naar deze noodsituatie geleid. Oók ambulances van buur-regio’s. Op de meldkamer ambulancezorg werken professionals die instructies en advies geven voordat de ambulance ter plaatse is. Bij een reanimatie (A0-urgentie) geldt daarnaast dat de ambulancezorgprofessional op de meldkamer (naast de ambulance-eenheid) ook de zogeheten «first responders» alarmeert (politie, brandweer en burgerhulpverleners). Burgerhulpverleners in de omgeving krijgen in het geval van een reanimatie-inzet direct alarm via HartslagNu. Zo startte burgerhulpverleners in 2024 ruim 79% van alle reanimaties, zo blijkt uit gegevens van HartslagNu.
De definitieve evaluatie van de hierboven omschreven «vernieuwde urgentie-indeling» verschijnt in juli. Ambulancezorg Nederland geeft op basis van tussentijdse bevindingen aan dat de norm gehaald wordt voor de A0-inzetten, en dat wanneer elke minuut telt, de ambulance ook echt snel ter plaatse is. Momenteel wordt het onderscheid tussen A0 en A1 niet gemaakt in de jaarlijkse verantwoording over de 15-minutennorm. Na het verschijnen van de evaluatie zal ik bepalen of we ook in de wet- en regelgeving aanpassingen doen aan de normen die nu gelden. Ik zal uw Kamer daar uiteraard over op de hoogte houden.
Daarnaast wordt dit jaar de Wet ambulancezorgvoorzieningen geëvalueerd, waarbij onderzocht wordt of de wet in de praktijk doeltreffend is in het borgen van kwaliteit en continuïteit van ambulancezorg. Ik wil daarbij de situatie in dunbevolkte gebieden, zoals grensregio’s, expliciet betrekken. Ik verwacht dat deze evaluatie eind dit jaar wordt afgerond.
Het bericht 'Aantal mbo’ers loopt komende jaren verder terug: ‘Niet meer alles verwachten van de zorg’' |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal mbo’ers loopt komende jaren verder terug: «Niet meer alles verwachten van de zorg»»?1
Ja.
Deelt u de zorgen die in het artikel naar voren komen, namelijk dat het aantal mbo’ers de komende jaren met tienduizenden terug gaat lopen?
Het mbo vervult een essentiële rol in onze samenleving. Het biedt waardevol onderwijs en leidt vakmensen op die onmisbaar zijn voor Nederland. Als gevolg van de demografische verandering van de bevolking – de afname van het geboortecijfer – daalt het aantal mbo-studenten de komende jaren fors. Daarnaast is er sprake van vergrijzing. Hierdoor kan de druk op voldoende en goed opgeleid personeel in sectoren die van groot maatschappelijk belang zijn, zoals de zorg, de bouw en de klimaattransitie, verder toenemen. De krimp van het aantal mbo-studenten heeft gevolgen voor de omvang van de bekostiging die instellingen ontvangen. Daardoor kan het lastiger worden voor instellingen met fors dalende studentenaantallen om een relevant en divers opleidingsaanbod op redelijke reisafstand voor studenten te blijven bieden. Dit is een zorgelijke ontwikkeling. Daarom heb ik in mijn beleidsbrief d.d. 14 maart jl. aangekondigd welke maatregelen ik wil nemen om tot een weerbaar en wendbaar stelsel te komen.2
Hoe beziet u dit bericht tezamen met het feit dat het mbo nog steeds kampt met een groot aantal vroegtijdig schoolverlaters?
Om volwaardig mee te doen in de maatschappij en duurzaam aan het werk te komen, is het belangrijk dat jongeren een startkwalificatie halen. Dit geeft de beste kansen op een mooie toekomst, door uitdagend werk, meer bestaanszekerheid en betere carrièremogelijkheden. Ook helpt het werkgevers die op zoek zijn naar goed opgeleid personeel. Deze opgave wordt in tijden van krimp alleen maar belangrijker.
In het mbo is het aantal nieuwe vsv’ers met bijna 2000 minder uitvallers flink gedaald: van 24.286 vsv’ers in schooljaar 2022–2023 naar 22.308 in schooljaar 2023–2024.3 Daarmee lijkt het tij verder te keren in het mbo: de daling die al was ingezet, zet verder door. Dit staat in de Kamerbrief over de voortgang van het actieplan voortijdig schoolverlaten, die ik op 24 maart aan uw Kamer heb gestuurd.
Ondanks de daling van vsv in het mbo, is de totale opgave nog steeds groot en ligt het totaal aantal nieuwe vsv’ers met 29.163 (uit het voortgezet onderwijs en het mbo) nog ver af van de doelstelling van maximaal 18.000 in 2026. Om het doel van maximaal 18.000 nieuwe vsv’ers te halen, ga ik door met het actieplan vsv, waarmee mijn voorganger is gestart. Dit landelijke actieplan is een belangrijke impuls voor de regionale vsv-aanpak. Met de uitvoering hiervan lig ik op koers. Met dit actieplan en de inzet op vsv van de mbo-instellingen in de kwaliteitsagenda’s4, verwacht ik een verdere daling van de uitval.
Welke maatregelen neemt u op dit moment om meer leerlingen te laten starten aan een mbo-opleiding?
De daling van het aantal mbo-studenten is in belangrijke mate het gevolg van demografische ontwikkelingen. Het aandeel jongeren neemt af.5 Dit is niet alleen zichtbaar in het mbo, maar ook in andere onderwijssectoren zoals het hbo.6 De dalende studentenaantallen zijn daardoor nauwelijks beïnvloedbaar.
Desalniettemin is het belangrijk dat het mbo een positieve keuze is voor potentiële studenten. Daarom wordt er ingezet op het vergroten van de aantrekkelijkheid, kwaliteit en toegankelijkheid van het mbo. Dit gebeurt onder andere via de Werkagenda mbo, waarin wordt ingezet op kansengelijkheid, een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, en onderwijs voor de toekomst.7 Daarnaast heb ik in mijn beleidsbrief maatregelen aangekondigd waarmee ik de toegankelijkheid van het opleidingsaanbod wil bestendigen.8
Ook wordt gewerkt om het mbo aantrekkelijker te maken voor studenten met verschillende leerbehoeften door bijvoorbeeld beter rekening te houden met eerder opgedane kennis. Daarnaast speelt voorlichting een belangrijke rol. Zo ontvangen havo- en vwo-eindexamenleerlingen een brief met informatie over het belang van een weloverwogen studiekeuze. De mogelijkheid van het volgen van een mbo-opleiding wordt daarin meegenomen.9 Ook investeer ik in het toegankelijker maken van studiekeuzeinformatie en het verstevigen van Loopbaanoriëntatie en -begeleiding.10
Welke maatregelen neemt u om meer zij-instromers te laten starten aan een mbo-opleiding?
Met de onderwijsagenda LLO werkt de Staatssecretaris van OCW aan het bevorderen van leven lang ontwikkelen (LLO) en daarmee ook aan het bevorderen van zij-instroom.11 Met het wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs arbeidsmarkt (VABA) wordt het keuzepallet voor zij-instromers verstevigd.12 Zo wordt in de wet expliciet opgenomen onder welke voorwaarden mbo-scholen de mogelijkheid hebben om een verkorte opleiding aan te bieden voor mensen die relevante leer- en werkervaring hebben. Ook worden in het wetsvoorstel de mogelijkheden om, in het niet-bekostigd onderwijs, een deel van een mbo-opleiding te volgen, verduidelijkt. Met de ontwikkeling van Sectorale Ontwikkelpaden bevorderen we zij-instroom in onder andere mbo-opleidingen.13 Sectorale Ontwikkelpaden zijn een initiatief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en vertegenwoordigers van sectoren. Bij een Sectoraal Ontwikkelpad wordt in beeld gebracht welke functies er in een (krapte)sector zijn en met welke opleidingen iemand op deze functies inzetbaar wordt. Een van de doelen van deze Ontwikkelpaden is om opleidingsmogelijkheden, waaronder het beschikbare mbo-aanbod, beter bekend te maken bij werkenden en werkzoekenden, werkgevers en partijen die betrokken zijn bij de re-integratiedienstverlening in de arbeidsmarktregio’s.
Bent u het ermee eens dat zij-instromers geholpen zouden zijn als er meer financiële ondersteuning zou zijn tijdens hun opleiding, zodat men minder last heeft van een terugval in inkomen?
Het mbo biedt met de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) aan zij-instromers goede mogelijkheden om het volgen van een mbo-opleiding te combineren met een betaalde baan. In hoeverre er sprake is van een terugval in inkomen is afhankelijk van de individuele situatie van de zij-instromer. De hoogte van het salaris tijdens de bbl-opleiding wordt bepaald door de werkgever. De werkgever is daarmee in de positie om, desgewenst, een eventuele terugval in inkomen tegen te gaan. Verder kunnen werkgevers ervoor zorgen dat een (nieuwe) werknemer de bij- of omscholing niet zelf hoeft te betalen. In een aantal gevallen kunnen werkgevers subsidie ontvangen voor deze scholingskosten. Zo kunnen werkgevers met de recent gepubliceerde SLIM-scholingssubsidie vergoedingen ontvangen voor de kosten van opleidingen uit de Ontwikkelpaden van maatschappelijk cruciale sectoren.14
Welke maatregelen neemt u op dit moment om mbo’ers hun studie succesvol te laten afronden?
In het Actieplan voortijdig schoolverlaten 2023 zijn verschillende actielijnen met daaronder verschillende maatregelen opgenomen, gericht zijn op de belangrijkste oorzaken van uitval.15 Daarmee wordt gewerkt aan het vroegtijdig signaleren en voorkomen van problemen die kunnen leiden tot uitval, extra begeleiding voor jongeren met een hoge kans op uitval, betere oriëntatie en soepeler doorstroom, aantrekkelijker onderwijs voor jongeren die willen werken betere begeleiding naar werken zorgen voor betere samenwerking in de regio. De uitvoering van dit actieplan ligt op koers. Uw Kamer is 24 maart 2025 geïnformeerd over de voortgang van dit actieplan.
In hoeverre denkt u dat het bieden van een stagevergoeding bijdraagt aan het succesvol afronden van een mbo-opleiding?
Voor alle studenten die stagelopen geldt dat zij een goede praktijkervaring verdienen. Daar hoort een passende stagevergoeding en onkostenvergoeding bij. Een stage mag geen belemmering vormen voor de opleiding, door financiële stress of minder tijd voor een bijbaan. Een stage volgen kan voor sommige studenten betekenen dat zij hun bijbaan tijdelijk moeten stopzetten. Een passende stagevergoeding is de verantwoordelijkheid van de sociale partners, hierover zijn afspraken gemaakt in het Stagepact mbo. Zie ook de Kamerbrief stages in het mbo, hbo en wo van 12 maart.16 Overigens is niet uit onderzoek bekend of een stagevergoeding bijdraagt aan het succesvol afronden van een mbo-opleiding.
In hoeverre denkt u dat het imago van het mbo meespeelt in het al dan niet kiezen voor een mbo-opleiding?
Mbo-studenten verdienen grote waardering. De laatste jaren wordt het belang van het beroepsonderwijs door de maatschappij steeds breder erkend. Het versterken van de waardering vraagt iets van de hele samenleving. Het is belangrijk dat het mbo als een positieve en waardevolle keuze wordt gezien, en hierop wordt onder andere ingezet met de Werkagenda mbo.
Bij het maken van een studiekeuze spelen verschillende factoren een rol. Dat het imago van het mbo invloed heeft is evident, maar de mate waarin is moeilijk precies vast te stellen. De cijfers laten zien dat het doorstroompercentage van vmbo naar havo en het instroompercentage van vo naar mbo de afgelopen jaren stabiel zijn gebleven. Daarnaast stromen meer leerlingen het mbo in die de havo en vwo ongediplomeerd verlaten. Deze ontwikkelingen wijzen erop dat het imago van het mbo geen bepalende rol speelt in de daling van het aantal mbo-studenten maar het gevolg is van demografische ontwikkelingen (zie vraag17.
Heeft u al meer zicht op hoe u gaat opvangen dat de Krimpgelden na 2027 aflopen?
De daling van het aantal studenten zet voor langere tijd door. Ook na 2027 zijn maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat mbo-instellingen, ondanks de krimp, een kwalitatief goed en divers opleidingsaanbod kunnen blijven aanbieden. Daarom wordt er gewerkt aan een wijziging van de bekostigingssystematiek. In mijn beleidsbrief d.d. 14 maart jl. is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop ik tot een nieuwe bekostigingssystematiek wil komen.18 De herziening is onderdeel van de uitvoering van het regeerprogramma.19
Ik streef naar inwerkingtreding van de nieuwe bekostigingssystematiek per 2029. Daarnaast bekijk ik hoe na het aflopen van de krimpgelden en de huidige kwaliteitsafspraken in 2027 een soepele overgang geborgd kan worden.
Draagt berichtgeving zoals deze bij aan de urgentie om Krimpgelden na 2027 door te zetten?
Berichtgeving zoals deze onderstreept het belang van de maatregelen die onder meer worden genomen met de Krimpgelden. Tegelijkertijd maakt het duidelijk dat er een structurele langetermijnoplossing nodig is. Daarom werk ik aan een volledige herziening van de bekostigingssystematiek van het mbo.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat «Stages en aansluiting op de arbeidsmarkt in het mbo» op 2 april 2025?
Ja.
De noodzaak voor het opstellen van een Amerikastrategie |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat destijds (2018) enkele van de redenen voor het opstellen van zowel een specifieke strategie tegenover China als een specifieke strategie tegenover Rusland waren: dat dit beide landen zijn die een grote rol spelen op het wereldtoneel op militair, economisch en politiek terrein, dat de invloed van beide landen op deze terreinen grote gevolgen heeft voor de positie van Nederland en de EU, dat men gebaat is bij goede economische en politieke betrekkingen met deze landen maar dat deze betrekkingen in toenemende mate onder druk staan, dat helderheid over de wijze waarop Nederland en de EU inspelen op de veranderende betrekkingen met deze landen van groot belang is en dat daarom een actuele, geïntegreerde, heldere en toekomstbestendige strategie tegenover beide landen niet kan ontbreken?1, 2
Ja.
Deelt u de mening dat ondanks het feit dat afgelopen weken de verhoudingen tussen Nederland en de Europese Unie (EU) enerzijds en de Verenigde Staten anderzijds onder druk zijn komen te staan, de inzet moet zijn de goede onderlinge economische, politieke en militaire betrekkingen te behouden?
Het kabinet deelt de opvatting dat goede betrekkingen met de Verenigde Staten (VS) voor Nederland en voor de EU van cruciaal belang zijn. Zonder de militaire bijdrage van de VS kan op dit moment geen invulling worden gegeven aan onze collectieve veiligheid zoals die vorm krijgt in de NAVO. Politiek, economisch en militair geldt dat de EU en de VS samen sterker staan in de wereld. Het kabinet zet zich daarom in voor een constructieve samenwerking met de Amerikaanse regering, zowel bilateraal als binnen EU-verband.
Hoe ziet u in dit verband de ogenschijnlijke handreiking van de Amerikaanse president Trump aan de Russische president Poetin van de afgelopen weken?
Sinds het begin van de grootschalige Russische invasie in 2022 is de Verenigde Staten een cruciale partner voor Oekraïne. De nieuwe Amerikaanse regering zet in op een spoedig einde aan de gevechten. President Trump heeft aangegeven te willen sturen op een overeenkomst en voorziet daarbij een rol als bemiddelaar. Naar mening van het kabinet is Amerikaanse betrokkenheid bij een duurzame vredesovereenkomst essentieel, naast betrokkenheid van Europa. Amerikaanse betrokkenheid vereist dat Europa de bereidheid toont veel meer verantwoordelijkheid te nemen en significante investeringen te doen in eigen veiligheid, defensie en weerbaarheid.
Het kabinet zal samen met andere Europese bondgenoten blijven uitdragen dat onze belangen gemeenschappelijk zijn en dat Amerikaanse steun voor Oekraïense en Europese veiligheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Tegelijkertijd draagt het kabinet uit dat Rusland de agressor is in deze oorlog, en Oekraïne het slachtoffer van die agressie. Het kabinet zet in op rechtvaardige en duurzame vrede waarbij Oekraïne onderhandelt op basis van een positie van kracht. Daarbij is de boodschap van Nederland richting de Verenigde Staten en andere internationale partners om koers te houden ten aanzien van Oekraïne, en in te blijven zetten op vrede door kracht in plaats van oorlog door zwakte.
Hoe ziet u in dit verband de ogenschijnlijke bedreigingen van de Verenigde Staten omtrent een mogelijke Amerikaanse terugtrekking uit de NAVO?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe ziet u in dit verband de veranderde houding van de Amerikaanse president Trump jegens de veiligheidsinfrastructuur van Europa?
De nieuwe Amerikaanse regering heeft zijn toewijding aan de NAVO herbevestigd, onder meer tijdens de bijeenkomst van de NAVO-Ministers van Defensie op 13 februari 2025. De VS verwacht wel dat de Europese bondgenoten meer verantwoordelijkheid nemen voor de Europese veiligheid, en wijst in dat kader onder andere op de toezeggingen die zijn gedaan tijdens de NAVO Top van Wales in 2014. Gelet op deze duidelijke oproep en de huidige verslechterde Europese veiligheidssituatie, acht het kabinet het, zoals eerder gesteld, van groot belang dat Europese landen meer verantwoordelijk nemen voor hun veiligheid en defensie. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat de VS een cruciale rol speelt binnen de huidige veiligheidsinfrastructuur van Europa, en acht het daarom belangrijk om de VS betrokken te houden. Amerikaanse steun voor Oekraïense en Europese veiligheid blijven onlosmakelijk met elkaar verbonden. De VS vindt daarbij in Europa 30 bondgenoten die economisch en militair met de VS samenwerken en dat zullen blijven doen.
Artikel 5 van het NAVO-verdrag staat. Het samen realiseren van een collectieve afschrikking en verdediging, zoals verankerd in artikel 5, is een prioriteit van dit kabinet. Het kabinet heeft daarom extra middelen beschikbaar gemaakt voor defensie en roept ook andere bondgenoten op te voldoen aan de NAVO-norm om 2% van het bruto binnenlands product te besteden aan defensie. Tegelijkertijd benadrukt de NAVO dat bondgenoten de komende jaren meer zullen moeten gaan uitgeven aan defensie om de collectieve afschrikking en verdediging op peil te houden. De verwachting is dat een besluit hierover zal voorliggen tijdens de NAVO-top in juni. Het kabinet zal daarover voor de NAVO-top een standpunt innemen en uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat het van groot belang is helderheid te hebben over de wijze waarop Nederland en de EU inspelen op de veranderende betrekkingen met de Verenigde Staten, en dat daarom een actuele, geïntegreerde, heldere en toekomstbestendige strategie met betrekking tot de Verenigde Staten nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om een Amerikastrategie, naar voorbeeld van de al bestaande Chinastrategie en Ruslandstrategie, op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de opvatting dat het belangrijk is om duidelijk te zijn over de Nederlandse inzet, zeker in het licht van de veranderde inzet van de nieuwe Amerikaanse regering. Tegelijkertijd is het kabinet niet voornemens een Amerikastrategie te schrijven. De VS is onze bondgenoot en partner en de inzet van het kabinet t.a.v. de trans-Atlantische relatie zoals eerder met uw Kamer gedeeld3 blijft onverminderd staan.
De Nederlandse inzet is gericht op de voorzetting van de goede betrekkingen tussen Nederland, de EU, en de VS, en waar mogelijk het versterken hiervan. Het is belangrijk om goede relaties aan te gaan met de nieuwe regering en de samenwerking op thema’s van wederzijds belang voort te zetten, zowel in bilateraal als multilateraal verband. Dat is belangrijk voor onze veiligheid en welvaart. Het kabinet blijft zich inspannen voor een constructieve dialoog om onze standpunten over het voetlicht te brengen, ook over de zaken waar we het niet eens zijn. Dit is ook de inzet van het kabinet in Europees verband, waarbij het kabinet onderstreept dat het belangrijk is dat de EU eensgezind optrekt.
Zoals o.a. in antwoord op vraag 4 en 5 aangegeven, is duidelijk dat de veranderende geopolitieke verhoudingen, en daarin de veranderende Amerikaanse koers t.a.v. bijvoorbeeld Europese veiligheid, betekenis hebben voor Europa en Nederland. Het is evident dat deze dynamiek beleidswijzigingen van het kabinet kunnen vragen. Indien dit het geval is, zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.
Het AD Artikel “Starter moet vette spaarpot hebben voor eerste woning: eigen vermogen van 91.000 euro vereist” |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het AD-artikel?1
Ja.
Houden het CBS en/of het Kadaster gegevens bij van het aandeel van eigen geld bij het aangaan van een hypotheek?
Het CBS en het Kadaster houden geen officiële cijfers bij van het aandeel eigen geld bij het aangaan van een hypotheek. Het Hypotheken Data Netwerk (HDN) heeft echter wel cijfers over het aandeel eigen geld/inbreng. HDN is een samenwerking tussen relevante spelers in de hypotheekmarkt. Vrijwel alle grote hypotheekaanbieders, financieel adviseurs en IT leveranciers zijn hierbij aangesloten2.
Om deze vragen te kunnen beantwoorden is een definitie van «eigen geld» van belang. In het AD artikel wordt verwezen naar een analyse van Munt hypotheken op basis van hun eigen hypotheekportefeuille. De dataset van HDN kent een bredere spreiding en geeft daarmee een completer beeld. HDN en de analyse van Munt Hypotheken definiëren beiden «eigen inbreng» als het verschil tussen de hypothecaire lening en de koopsom van de woning. Bij een woning van € 400.000,– en een hypotheek van € 350.000 wordt de overige € 50.000,– dus gezien als «eigen inbreng». Dit kan gaan om spaargeld, maar ook om een erfenis, een schenking of een familiehypotheek. Bij doorstromers wordt inbreng van overwaarde ook gezien als eigen inbreng.
Dit laatste punt is van belang omdat in het analyse van Munt Hypotheken wordt gekeken naar kopers onder de 35 jaar i.p.v. kopers van een eerste woning. De meeste kopers onder de 35 jaar zijn starters, maar er zitten ook doorstromers tussen die overwaarde inbrengen. Bij de cijfers van HDN worden starters wel gedefinieerd als kopers van eerste woning.
Kunt u aangeven, op basis van deze cijfers wat het beeld is als we kijken naar de afgelopen jaren: 2020-2021-2022-2023-2024?
Figuur 1 laat de ontwikkeling zien van de eigen inbreng van starters over de afgelopen jaren. De inbreng is redelijk stabiel. Achter deze gemiddelde cijfers zit natuurlijk een bandbreedte, met starters die meer of minder eigen inbreng meenemen dan het gemiddelde. Dit kan ook regionaal verschillen. Munt hypotheken geeft in hun eigen analyse aan dat starters in het hogere segment, en in de randstad oververtegenwoordigd zijn in hun hypotheekportefeuille3. Dit, in combinatie met de eerder genoemde leeftijdsgrens verklaart het verschil tussen de cijfers van HDN en de cijfers van Munt hypotheken.
Bron: HDN, 2025
Het jaar 2022 kent een opvallende piek ten opzichte van andere jaren. Dit komt omdat 2022 het laatste jaar was waarbij de schenkingsvrijstelling eigen woning van max € 106.671 (in de volksmond jubelton genoemd) volledig benut kon worden. In 2023 is dit bedrag verlaagd tot € 27.231 en in 2024 afgeschaft4. Ouders mogen echter ook na 2024 nog eenmalig een maximaal bedrag van € 32.195 (2025) belastingvrij schenken voor een vrij te besteden doel. De ontvanger dient wel tussen de 18 en 40 jaar te zijn. Dit bedrag mag vrij besteed worden, dus ook aan de aankoop van een woning. Het is echter aannemelijk dat deze schenkingsvrijstelling minder direct effect heeft op woningbiedingen dan de eerdere schenkingsvrijstelling die zich specifiek op woningen richtte.
Als er geen officiële cijfers zijn, kunt u dan aangeven of u dat wenselijk vindt en waarom wel of niet?
De cijfers van HDN geven een goed marktbreed beeld van de ontwikkeling van het aandeel eigen geld bij het aangaan van een hypotheek. Verdere cijfers acht ik niet noodzakelijk.
Wat zijn voordelen en nadelen van het meebrengen van steeds grotere aandelen eigen geld?
Zoals aangegeven in vraag 3 is het geen gegeven dat het aandeel eigen geld substantieel gestegen is. Het staat iedereen vrij om eigen geld mee te brengen bij de aanschaf van een woning. Het inbrengen van eigen geld heeft voordelen, want het maakt individuele huishoudens en uiteindelijk Nederland minder kwetsbaar voor fluctuaties op de huizenmarkt. Tegelijkertijd hanteert Nederland een zogenoemde LTV-ratio (Loan to Value) van 100%, wat betekent dat het ook zonder eigen geld mogelijk is om een huis te kopen. Wel is het zo dat in een gespannen woningmarkt de inbreng van eigen geld kan doorwerken in de huizenprijzen. Daarmee maakt het de woningmarkt voor starters die geen eigen geld kunnen meebrengen relatief minder toegankelijk.
Welke relatie ziet u tussen het meebrengen van steeds grotere sommen eigen geld en overbieden?
Welke verhouding ziet u tussen het meebrengen van steeds grotere sommen eigen geld en de stijgende prijs van een «betaalbare koopwoning»?
Wordt het meebrengen van eigen geld gebruikt om de eigen woningschuld te verkleinen of om te overbieden?
Kunt u deze vragen één voor één, binnen drie weken en in ieder geval voor het commissiedebat Woningbouwopgave en koopsector op maart 5 aanstaande beantwoorden?
De Kamervragen zijn beantwoord voor het commissiedebat Woningbouwopgave en koopsector van 19 maart aanstaande. Alle vragen zijn beantwoord, maar voor de leesbaarheid zijn antwoorden soms samengevoegd.
Het bericht 'Goudkoorts blokkeert de weg naar vrede in Sudan' |
|
Derk Boswijk (CDA), Sarah Dobbe (SP), Don Ceder (CU) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Goudkoorts blokkeert de weg naar vrede in Sudan»?1
Wij hebben kennisgenomen van het artikel en delen de daarin genoemde zorgen omtrent het conflict in Soedan.
Bent u op de hoogte van het verergerde geweld tegen Sudanese burgers en deelt u de zorgen om de Sudanese bevolking? Bent u met de Verenigde Naties (VN)2 en Amnesty International3 eens dat de strijdende partijen moeten worden gewezen op hun plicht om burgers en humanitaire hulpverleners te beschermen? Welke stappen heeft u naar aanleiding hiervan ingezet, in lijn met diverse aangenomen moties, én welke stappen zijn er internationaal gezet? Hoe komt het dat deze acties tot nu toe onsuccesvol zijn gebleken? Welke stappen gaat u (in Europees verband) nog zetten?
De oorlog en humanitaire crisis in Soedan zijn zeer zorgwekkend. Het conflict raakt de Soedanese bevolking en heeft daarnaast gevolgen voor stabiliteit en veiligheid in de regio maar ook daarbuiten. Nederland blijft zich inspannen voor humanitaire en ontwikkelingshulp ten behoeve van de Soedanese bevolking, parallel aan diplomatieke inspanningen om duurzame vrede te bevorderen.
Graag verwijzen wij uw Kamer naar de recente Kamerbrief van 21 februari 2025 waarmee wij uw Kamer informeren over de huidige situatie in Soedan met betrekking tot de oorlog en humanitaire crisis en de Nederlandse inzet.4 Via verschillende bilaterale en multilaterale kanalen spant Nederland zich, op ministerieel en hoog-ambtelijk niveau, er voor in om een staakt-het-vuren te bewerkstelligen en aandacht te vragen voor de oorlog en humanitaire ramp. Zo heeft Nederland individueel en in EU-verband in de VN Mensenrechtenraad steun uitgesproken voor de onafhankelijke internationale fact-finding mission, opgeroepen tot een staakt-het-vuren en de strijdende partijen opgeroepen zich te houden aan geldend oorlogsrecht. De EU Speciaal Gezant voor de Hoorn van Afrika blijft intensief engageren met beide strijdende partijen en wijst hen op hun plicht om burgers en humanitaire hulpverleners te beschermen. Bij de Raad Buitenlandse Zaken van november 2024 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken het belang benadrukt van intensievere betrokkenheid van de EU en voorgesteld een EU-kerngroep te vormen.
Deelt u de conclusie dat de goudhandel de strijd faciliteert en dient als «brandstof voor het conflict»? Kunt u garanderen dat er op de Nederlandse markt geen goud wordt verkocht dat afkomstig is uit de Sudanese mijnen? Zo nee, wat vindt u ervan dat de Nederlandse vraag op deze manier bijdraagt aan facilitering van het conflict en bovendien bijdraagt aan het feit dat mijnwerkers onder gevaarlijke omstandigheden moeten werken in de mijnen?
Het kabinet verwacht dat Nederlandse bedrijven ondernemen in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-RL). Wanneer Nederlandse (en Europese) bedrijven boven bepaalde drempelwaarden de zogeheten conflictmineralen (o.a. tin, wolfraam, tantaal en goud) importeren hebben zij, op basis van de Europese Conflictmineralenverordening (Verordening 2017/821), een gepaste zorgvuldigheidsverplichting. Dat betekent dat zij potentiële negatieve effecten op mens en milieu in hun waardeketens moeten identificeren en waar mogelijk tegen moeten gaan. In Nederland houdt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toezicht op de verordening. De verordening heeft als doel de controle op handel in de genoemde mineralen uit conflict- en hoog risicogebieden en is een van de middelen om een einde te maken aan de financiering van gewapende groepen en gedwongen arbeid in mijnen. Ondersteunend aan de verordening bestaat er een indicatieve, niet-uitputtende lijst van conflict- en hoog risicogebieden5. Dertien regio’s in Soedan staan op deze lijst.
Daarnaast is de Anti-dwangarbeidverordening (Verordening 2024/3015) relevant wanneer de delving van goud gepaard gaat met gedwongen arbeid. Deze verordening verbiedt bedrijven namelijk om producten gemaakt met dwangarbeid op de markt van de Unie te plaatsen. Door de complexe context kunnen misstanden echter niet uitgesloten worden. Het is aan bedrijven om risico’s zo goed mogelijke te identificeren en waar mogelijk tegen te gaan. Het kabinet ondersteunt bedrijven bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid, o.a. met het MVO steunpunt en sectorale samenwerking.
Gaat de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) borgen dat de Europese markt niet meer (indirect) bijdraagt aan het conflict in Sudan? Zo nee, welke stappen gaat u zowel in nationaal als Europees verband zetten om dit wel te borgen?
Zoals aangegeven bij vraag 3 is er reeds specifieke wetgeving van kracht op het terrein van conflictmineralen en dwangarbeid. De Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) bevat een overkoepelende gepaste zorgvuldigheidsverplichting voor grote bedrijven om zo risico’s voor mens en milieu te identificeren, te voorkomen en aan te pakken. Onder de reikwijdte van de richtlijn vallen in de EU gevestigde bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers en een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen wereldwijd, en niet in de EU gevestigde bedrijven met een netto jaaromzet van meer dan EUR 450 miljoen op de Europese markt. Elke lidstaat zal in de omzetting naar nationaal recht een nationale toezichthouder aanwijzen en de richtlijn voorziet in een Europees netwerk waarin deze toezichthouders samenwerken. In het geval dat Europese ondernemingen of niet-EU ondernemingen die onder de richtlijn vallen bijdragen aan het conflict in Soedan kan dat aanleiding zijn voor een toezichthouder om in dialoog te gaan met deze onderneming en in het uiterste geval een boete op te leggen van minimaal 5% van de wereldwijde netto omzet.
Overigens heeft de Europese Commissie op 26 februari jl. het eerste zogenoemde omnibusvoorstel gepresenteerd waarin een aantal duurzaamheidswetten, waaronder de CSDDD, met het oog op regeldrukvermindering worden gestroomlijnd. Het kabinet zal uw Kamer volgens de gebruikelijke BNC-procedure hierover informeren.
Zijn er reeds maatregelen genomen tegen landen (zoals de Verenigde Arabische Emiraten) die wapendeals sluiten met de strijdende partijen? Zo nee, wat is uw inzet om ervoor te zorgen dat deze maatregelen komen?
Het speelveld van actoren betrokken bij één of beide partijen in de oorlog, en de verschillende bewapenings- en financieringsstromen en -routes, is complex en diffuus.
Tijdens de RBZ van oktober 2024 heeft het kabinet opgeroepen tot meer diplomatieke druk door middel van een derde sanctiepakket gericht op RSF- en SAF-leden, en op diegenen die zich in strijd met het geldende wapenembargo schuldig maken aan het bewapenen, financieren of logistieke ondersteuning bieden aan de strijdende partijen, zowel binnen als buiten Soedan. In EU-kader is er al sinds 1994 een EU-wapenembargo van kracht op geheel Soedan dat meermaals is verlengd en uitgebreid. Daarnaast is er een VN-wapenembargo voor Darfoer van kracht, dat in september 2024 in de VN Veiligheidsraad is verlengd. In oktober 2024 heeft Nederland in EU-kader gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan. Tevens bespreekt Nederland de zorgwekkende situatie in Soedan ook met de regionale partners, en benadrukt daarbij de noodzaak tot een einde aan het geweld en het belang van naleving van het VN wapenembargo op Darfoer.
Nederland vraagt via verschillende kanalen aandacht voor financiering door derde partijen, onder meer in EU verband en in bilaterale gesprekken met derde landen betrokken bij het conflict. Tevens is het afsnijden van financieringsstromen een aandachtspunt bij het vaststellen van namen van entiteiten binnen het EU sanctieregime.
Welke stappen zet u om de financiering van de strijdende partijen vanuit derde landen aan verder banden te leggen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke extra stappen bent u bereid te zetten om te voorkomen dat Europese wapens nogmaals in handen van de strijdende partijen vallen, zoals bij de vondst van Franse wapens in Darfur?
In de Kamerbrief van 21 februari jl. inzake de oorlog en humanitaire ramp in Soedan wordt onder andere ingegaan op de inzet van Nederland betreffende de mogelijke indirecte export van wapens naar Soedan. Als deel van de inspanning heeft Nederland de zorgen hierover geuit in de Raad Buitenlandse Zaken van november 2024 en aandacht gevraagd voor het specifieke omleidingsrisico van wapens naar Soedan via derde landen.
Conform de toezegging gedaan tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is de Kamer via de geannoteerde agenda voor de RBZ van december 2024 geïnformeerd over contact met de Franse autoriteiten naar aanleiding van mediaberichtgeving over militaire goederen van Franse makelij die in Soedan terecht zouden zijn gekomen.6 De Franse autoriteiten nemen deze berichtgeving zeer serieus en hebben een onderzoek ingesteld. Het kabinet heeft vertrouwen in het Franse wapenexportcontrolebeleid. Ten aanzien van het risico op omleiding van militaire goederen naar Soedan blijft het kabinet conform staand beleid voor elke vergunningaanvraag zorgvuldig toetsen. In dat proces van toetsing wordt ook secuur gekeken naar het risico dat goederen door omleiding in Soedan terechtkomen. Daar waar een duidelijk risico wordt geconstateerd, wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
Hoe reflecteert u op de rol van Rusland in het conflict en op het feit dat zij profiteren van de goudhandel? Welke mogelijkheden ziet u om in Europees verband deze Russische inmenging tegen te gaan, mede vanwege de agressie-oorlog in Oekraïne en de bedreiging die Rusland vormt voor de gehele Europese veiligheid?
Het is hoogst waarschijnlijk dat Rusland banden heeft met beide strijdende partijen in Soedan. Dit is voornamelijk te zien via militaire steun van zogenaamde Private Military Companies (PMC’s) zoals het Africa Corps, maar ook via strategische bilaterale overeenkomsten tussen Rusland en Soedan zoals het openen van een Russische marinebasis aan de Rode Zee. De rol van Rusland op het Afrikaanse continent is groot en neemt toe. In Soedan, maar ook elders op het continent, is Rusland via PMC’s bezig om toegang te krijgen tot natuurlijke grondstoffen zoals goud om o.a. de oorlog in Oekraïne te financieren. Deze ontwikkelingen zijn voor Nederland uiterst zorgelijk, keuren wij af en worden consequent in EU-verband door Nederland opgebracht.
Welke stappen heeft u in Europees verband tot nu toe gezet om te komen tot een vredesproces en meer humanitaire hulp, ook mede in het licht van het besluit van de Amerikaanse regering om de activiteiten van USAID te staken, waardoor de bestaande crisis nog verder zal verslechteren? Welke stappen gaat u nog zetten, zowel als het gaat om humanitaire hulp als om het vredesproces?
Nederland spant zich via verschillende bilaterale en multilaterale kanalen in voor humanitaire en ontwikkelingshulp ten behoeve van de Soedanese bevolking, parallel aan diplomatieke inspanningen om duurzame vrede te bevorderen. De recente Kamerbrief van 21 februari 2025 gaat in op deze inzet en de gezamenlijke stappen in Europees verband.7 Nederland zet zich in voor een versterkte EU benadering ten aanzien van Soedan, en heeft mede daarvoor het initiatief genomen voor de oprichting van een EU kerngroep. Ook heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Hoge Vertegenwoordiger Kallas verzocht om bespreking tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Zij onderschreef dit belang. Wij verwachten dat tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van april zal worden gesproken over Soedan. Gelet op de grote hoeveelheid buitenland prioriteiten sluiten wij niet uit dat dit ook later zou kunnen worden. De Minister van Buitenlandse Zaken blijft zich hier hoe dan ook voor inspannen.
Daarnaast pleit Nederland in Europees verband actief voor humanitaire uitzonderingen binnen sanctieregimes, wat heeft geleid tot een dergelijke uitzondering in het EU-sanctieregime voor Soedan. Verder leidt Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk de Humanitarian Donor Working Group (HDWG) voor Soedan in Nairobi. Deze groep richt zich op informatie-uitwisseling, coördinatie en belangenbehartiging. Het kantoor van de Resident Coordinator/Humanitairan Coordinator(RC/HC) is bezig met een analyse om de verwachte impact van het stopzetten van USAID-activiteiten in kaart te brengen. Gezien de omvang van de Amerikaanse financiering is duidelijk dat een groot deel van de weggevallen steun niet door andere donoren kan worden opgevangen.
Het beboeten van dakloze mensen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kap nou eens met het beboeten van dakloze mensen»?1
Ja.
Deelt u onze mening en de mening van de schrijvers van het stuk, Merel van Rooy en Fabian Weergang, dat er gestopt moet worden met het beboeten van dakloze mensen? Deelt u voorts onze mening dat een echte gemeenschap dakloze mensen niet beboet maar helpt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het beboeten van dakloze mensen brengt ze verder in de problemen en het is weinig zinvol om mensen die geen huis hebben te beboeten voor buitenslapen, al helemaal omdat zij die boetes niet kunnen betalen. Het beboeten draagt bij aan het stigmatiseren van dakloze personen, iets dat het kabinet met het Nationaal Actieplan Dakloosheid «Eerst een Thuis» (2023–2030) juist wil bestrijden.2 Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid en Wonen Eerst.
Waarom worden er nog steeds boetes uitgedeeld voor het op straat of in de auto slapen (170 euro) en bedelen (110 euro) aan dakloze mensen? Deelt u de mening dat hiermee de problemen van dakloze mensen groter in plaats van kleiner worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het voorgaande antwoord, erkent het kabinet dat het beboeten dakloze mensen verder in de problemen kan brengen. Gemeenteraden hebben echter op grond van artikel 147 Gemeentewet de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen, die zij in het belang van de gemeente nodig achten. Zo kunnen gemeenten met het oog op de leefbaarheid en veiligheid in de gemeente regels stellen en waar nodig handhavend optreden. Regels omtrent het op straat of in de auto slapen en bedelen kunnen opgenomen worden in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Als eenmaal regels zijn gesteld, geldt een beginselplicht tot handhaving. Of en waarom regels opgenomen zijn en/of gehandhaafd worden is een afweging van het lokale bestuur.
Schrikt u net als wij van het feit dat uit het onderzoek van Merel van Rooy blijkt dat er in 2024 ruim 2.000 boetes zijn uitgeschreven aan dakloze mensen, voor een totaalbedrag van ruim 300.000 euro? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen?
Ja, daar schrik ik van. Mede in het kader van deze berichtgeving en de motie Bruyning (NSC), die het kabinet vraagt om gemeenten en de VNG op te roepen om meer in te zetten op alternatieve maatregelen in plaats van het opleggen van boetes, ben ik in gesprek met de VNG.
Klopt het dat het werkelijk aantal uitgeschreven boetes nog hoger ligt, maar deze met succes worden aangevochten en vernietigd? Kunt u inzicht geven in het werkelijke aantal uitgeschreven boetes?
Het krantenartikel is gebaseerd op de door het CJIB gepubliceerde jaarcijfers van de instroom van feitgecodeerde zaken. In het artikel wordt naar drie strafbare feiten verwezen, te weten
In totaal zijn er bij het CJIB in 2024, 2238 strafbeschikkingen ingestroomd op basis van deze drie feitcodes. Het totaal opgelegde boetebedrag van deze zaken bedraagt 315.880 euro.
Het CJIB kan een strafbeschikking alleen ten uitvoer leggen als er een adres bekend is. Hieruit volgt dat bij bovenstaande strafbeschikkingen een adres is meegeleverd door de opsporingsinstantie. Dit kan naast een woonadres ook een postadres of het adres van een dak- of thuislozenopvang zijn. Op basis van enkel het meegeleverd krijgen van een adres in een zaak kan dus niet worden geconcludeerd of iemand dak- of thuisloos is en dus ook niet hoeveel van de 2.238 boetes zijn opgelegd aan mensen die dakloos zijn.
Indien er geen adres door de opsporingsinstantie is meegeleverd in de zaak, wordt deze aan het OM doorgestuurd voor verdere beoordeling.
Kent u de verhalen van dakloze mensen die per maand soms wel 11 boetes krijgen? Deelt u de mening dat hieruit blijkt dat een boete opleggen aan dakloze mensen op geen enkele manier wordt opgelost? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op de hoogte van het feit dat dakloze mensen soms meermaals beboet worden. Het is weinig zinvol om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dat is ook opgenomen in de toelichting van de model-APV van de VNG: «Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. In dat soort gevallen kan de handhaving leiden naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang.»
Gemeenteraden hebben op grond van artikel 147 Gemeentewet echter de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen, die zij in het belang van de gemeente nodig achten. Ik ben in gesprek met de VNG over de behandeling van de motie Bruyning (NSC), die het kabinet vraagt om gemeenten en de VNG op te roepen om meer in te zetten op alternatieve maatregelen in plaats van het opleggen van boetes. Onder meer wil de VNG een rondetafelgesprek houden met onder andere de politie, handhaving, maatschappelijke organisaties en belangenbehartigers om de verschillende zienswijzen te bespreken en zo mogelijk afspraken te maken over welke alternatieven gemeenten hebben. Overigens zijn er gemeenten die al afwijken van de model-APV en dakloze mensen niet beboeten, zoals de gemeenten Almere en Harlingen. Gemeente Amsterdam heeft ervoor gekozen de boetes van mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats niet te innen en het beleid opnieuw te bekijken.
Kent u de verhalen van voormalig dakloze mensen die, nadat ze eindelijk weer een woning hebben gevonden, brieven en bezoek van een deurwaarder krijgen vanwege (verhoogde) boetes uit hun tijd als dakloze? Erkent u dat deze bedragen flink kunnen oplopen waardoor mensen weer in de problemen komen terwijl ze net opkrabbelen? Bent u bereid om mensen die hierdoor in de problemen zijn gekomen te helpen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb gehoord van verhalen waarbij dakloze mensen die na een langere periode weer een woning hebben, worden geconfronteerd met achterstallige betalingen. Dit kan voorkomen doordat een schuldeiser iemand langere tijd niet heeft kunnen benaderen voor de achterstallige betaling omdat er geen woon- of postadres was. Dat dit ontwrichtend kan zijn voor degene die dit overkomt erken ik, daarom is het ook heel belangrijk dat een dergelijke casus direct opgepakt wordt via een multidisciplinaire aanpak, en dat er al voordat iemand de maatschappelijke opvang verlaat contact is met schuldhulpverlening. Wanneer er sprake is van problematische schulden kan direct een verzoek worden ingediend voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) zodat daarmee de schulden gesaneerd kunnen worden.
Daarnaast is het kabinet bekend met de kostenoploop wanneer vorderingen niet worden betaald. Zoals aangekondigd in het Regeerprogramma en meer geconcretiseerd in de IBO Kabinetsreactie3 wordt er gewerkt aan een aantal maatregelen om deze kostenoploop te beperken, zoals het instrument «collectief afbetalingsplan» en uitwerking van hoe een wettelijke zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders richting schuldenaren vorm zou kunnen krijgen. Voor de zomer stuurt de Staatssecretaris Rechtsbescherming een brief aan de Kamer met een juridische uiteenzetting van maatregelen op het gebied van civiele invordering uit de IBO Kabinetsreactie.
Erkent u dat het voor dakloze mensen vaak onontkoombaar is om boetes te krijgen omdat de opvang vaak vol zit en ervoor betaald moet worden? Zo ja, wat is volgens u hiervoor de oplossing?
Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid hebben gemeenten, aanbieders en corporaties zich eraan gecommitteerd dat de oplossing voor dakloosheid niet gevonden wordt door het realiseren van extra maatschappelijke opvang, maar door betaalbaar wonen, het versterken van financiële bestaanszekerheid en goede outreachende voorzorg zodat dakloosheid voorkómen wordt. Alleen door het probleem bij de kern aan te pakken, kunnen meters worden gemaakt. Dat is een fundamenteel andere benaderingswijze die niet alleen effectiever blijkt, maar bovendien goedkoper.
Deelt u de mening dat de kans groot is dat gemeenten door de bezuinigingen vanaf 2026 nog minder middelen hebben voor voldoende opvangplekken voor dakloze personen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten ontvangen in totaal jaarlijks 440 miljoen euro voor de aanpak van dakloosheid, exclusief indexering. Deze middelen worden gestort in het Gemeentefonds en zijn daarmee vrij besteedbaar. De middelen voor armoede en schulden, en ten aanzien van wonen zijn hier niet in meegenomen. Het is aan gemeenten middelen zo effectief mogelijk in te zetten. In algemene zin geldt dat het kabinet zich inzet voor de financiële positie van gemeenten en consequent in gesprek is met gemeenten over de balans in taken, middelen en verantwoordelijkheden.
Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat dakloze mensen geen onnodige boetes meer krijgen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, hebben gemeenteraden op grond van artikel 147 Gemeentewet de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen, die zij in het belang van de gemeente nodig achten. Ik ben in gesprek met de VNG over de behandeling van de motie Bruyning (NSC), die het kabinet vraagt om gemeenten en de VNG op te roepen om meer in te zetten op alternatieve maatregelen in plaats van het opleggen van boetes. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 6, wil de VNG onder meer een rondetafelgesprek houden met onder andere de politie, handhaving, maatschappelijke organisaties en belangenbehartigers om de verschillende zienswijzen te bespreken en zo mogelijk afspraken te maken over welke alternatieven gemeenten hebben.
Het kabinet heeft weliswaar haar handtekening gezet onder de Verklaring van Lissabon om een einde te maken aan dakloosheid in 2030 maar het aantal dakloze mensen neemt alleen maar toe, erkent u dat het kabinet meer moet doen om dakloosheid te voorkomen en aan te pakken? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid is vastgesteld dat de oplossing voor dakloosheid gevonden wordt in betaalbaar wonen en het versterken van financiële bestaanszekerheid zodat dakloosheid voorkómen wordt. Het kabinet zet hier onverminderd op in. Om deze systeemverandering op gang te brengen wil ik hier vanuit mijn rol extra aandacht aan besteden. Ik doel daarbij op het aanjagen van de beweging naar preventie en wonen in de regio’s, de inzet van ervaringskennis en belangenbehartiging, kwetsbare groepen (waaronder jongeren), en het versterken van het inzicht in dakloosheid door verbetering van dataverzameling op basis van de ETHOS-light definitie van dakloosheid. Zoals aangegeven in de voortgangsrapportage van december 2024 over de aanpak dakloosheid aan uw Kamer,4 wordt onderzocht in hoeverre de ambities en doelstellingen van het actieplan dakloosheid gerealiseerd worden, zowel landelijk als lokaal. De resultaten van dit onderzoek zullen niet alleen de benodigde informatie geven om waar nodig aanpassingen te doen, maar geven bovendien invulling aan de motie (36 200 XVI, nr. 73) van het Kamerlid Westerveld. Het onderzoek is gestart in januari 2025. Het is de bedoeling zo concreet mogelijk conclusies te verbinden aan de opgehaalde resultaten en bevindingen, bijvoorbeeld in organisatiestructuur, inzet van middelen, sturingsmechanismen, financieringswijze en over hoe effectieve interventies in regio’s te versnellen. Naar verwachting zal het onderzoek eind 2025 gereed zijn en met uw Kamer worden gedeeld.
In hoeverre is het boetebeleid in strijd met de Verklaring van Lissabon?
In de Verklaring van Lissabon hebben lidstaten, waaronder Nederland, de intentie uitgesproken om dakloosheid aan te pakken en toe te werken naar het beëindigen van dakloosheid in 2030. Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid wordt bijdragen aan de doelstellingen uit de Verklaring van Lissabon. Het beboeten van dakloze mensen draagt niet bij aan deze doelstellingen: zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, brengt het beboeten van dakloze mensen hen verder in de problemen en draagt het bij aan een stigma en discriminatie van dakloze personen. Juridisch gezien is het boetebeleid niet in strijd met de Verklaring van Lissabon, omdat deze verklaring niet juridisch bindend is en niet omgezet in (rechtstreeks) werkende bepalingen.
In 2022 heeft het (voorgaande) kabinet het Nationaal Actieplan Dakloosheid gepresenteerd waarin een paradigmashift is aangekondigd en voortaan «Eerst een Thuis» de focus zou zijn, erkent het kabinet dat hier vooralsnog te weinig van terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet dat veel gemeenten, zorgpartijen, corporaties en belangenbehartigers, ondanks de uitdagingen, keihard aan de slag zijn met het actieplan. Er is brede consensus over het feit dat dakloosheid vooral opgelost wordt met huisvesting en preventie, in plaats van maatschappelijke opvang. Maar dit leidt op dit moment nog niet tot daadwerkelijke afname van aantal dakloze mensen. Zo’n grote systeemverandering bewerkstelligen kost namelijk tijd en vraagt continuïteit en een lange adem. Daarnaast maken externe factoren versnelling lastig. Denk aan de aanhoudende krapte op de woningmarkt en inflatie; die maken dat gemeenten acute problemen van inwoners moeten oplossen. Het kabinet heeft begrip voor de complexe realiteit waar gemeenten zich in bevinden, maar blijft hen oproepen het voorkómen en terugdringen van dakloosheid hoog op de regionale politieke agenda te houden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, wordt een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar de voortgang van het Nationaal Actieplan Dakloosheid. Naar verwachting zal het onderzoek eind 2025 gereed zijn en met de Kamer worden gedeeld.
Staat het verbod op buitenslapen nog steeds in de model-APV van de VNG die op 4 juli 2024 is verspreid? Deelt u de mening dat het opnemen van deze model-bepalingen een verkeerd signaal afgeeft en gewoon niet werkbaar is aangezien de woningnood ook komt door falend beleid van de overheid zelf? Zo nee, waarom niet?
Deze bepaling staat in de VNG Model-APV. Gemeenten geven aan dat een door de gemeenteraad vastgestelde bepaling als deze nodig is als bevoegdheidsgrondslag om waar noodzakelijk in te kunnen grijpen indien dat noodzakelijk is, zoals in het geval van overlast of wanordelijkheden. Het uitdelen van boetes vormt daarbij het sluitstuk en is zeker geen doel op zich. In de toelichting bij de VNG Model-APV is voorts opgenomen: «Bij het toezicht op de naleving van het verbod moet de opsporingsambtenaar of toezichthouder afwegen welk handhavingsmiddel hij in de concrete situatie proportioneel acht. In de meeste gevallen zal kunnen worden volstaan met een waarschuwing, tenzij sprake is van recidive. Het is weinig zinvol om dakloze mensen te beboeten als zij noodgedwongen buiten moeten slapen of om mensen te beboeten die dat niet kunnen betalen. Dan fungeert het verbod meer als stok achter de deur voor toeleiding naar ondersteuning of (maatschappelijke) opvang.» Op grond van een bepaling zoals die van de model-APV geldt overigens geen algeheel «slaapverbod.» Er geldt een slaapverbod voor ’s nachts in aangewezen gebieden. De raad of het college moet motiveren waarom voor die gebieden ’s nachts een slaapverbod geldt. Bijvoorbeeld ter bescherming van het woon- en leefklimaat, het voorkomen van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid of het beschermen van het gevoel van veiligheid. In andere gevallen geldt alleen een slaapverbod als dat leidt tot overlast, hinder of gevaar of aantasting van het woon- en leefklimaat. De bestaande woningnood vormt geen grond om de belangen die met deze bepaling worden beschermd te veronachtzamen.
Zoals eerder is aangegeven in de antwoorden op vragen 2 en 6, acht ik het beboeten van dakloze mensen weinig zinvol. Daarom wordt ingezet op het aanbieden van alternatieven aan handhavers, onder meer door verbeterde samenwerking met sociaal veldwerkers die deze mensen goed kennen.
In hoeveel gemeenten is deze bepaling overgenomen? Zijn gemeenteraden hier actief over geïnformeerd? Zo nee, bent u bereid in samenspraak met de VNG dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn door de VNG per ledenbrief geïnformeerd over deze modelbepaling waarbij in de ledenbrief een bredere toelichting is gegeven over het doel van deze bepaling. Het behoort tot de autonome verordenende bevoegdheid van de lokale gemeenteraad of en in hoeverre overname van de modelbepaling (waarbij de VNG verschillende varianten heeft geformuleerd) in hun gemeente is aangewezen. Over hoeveel gemeenten de modelbepaling hebben overgenomen en welke variant zij daarbij hebben gekozen, worden geen cijfers bijgehouden.
Wat heeft u sinds het plenaire debat over het Nationaal Actieplan Dakloosheid op 19 december 2024 precies gedaan om dit probleem aan te pakken? Is er een overleg geweest met gemeenten? Zijn daar concrete afspraken gemaakt? Zo ja, welke?
De motie Bruyning (NSC) vraagt het kabinet om gemeenten en de VNG te vragen om meer in te zetten op alternatieve maatregelen in plaats van het opleggen van boetes. Dit punt wordt op 22 mei 2025 tijdens het volgende Bestuurlijk Overleg over de aanpak dakloosheid met de VNG besproken. De VNG heeft aangegeven de motie van de Kamer zorgvuldig te willen behandelen. Dat vraagt om interne afstemming, zodat de wens van de Tweede Kamer meegenomen kan worden bij de volgende herziening van de modelverordening van de VNG. Ik kan u naar verwachting voor het eind van het jaar nader informeren over de uitkomst hiervan. Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 6 en 10, wordt op korte termijn door de VNG een rondetafelgesprek georganiseerd met onder andere de politie, handhaving, maatschappelijke organisaties en belangenbehartigers om de verschillende zienswijzen te bespreken en zo mogelijk afspraken te maken over welke alternatieven gemeenten hebben. Ook heeft – met subsidie van VWS – het Platform Sociaal Domein samen met Staatsbosbeheer recent een aantal bijeenkomsten georganiseerd om boswachters en BOA’s van natuurbeheerorganisaties meer handelingsperspectief te bieden bij het omgaan met dakloze personen en onbegrepen gedrag in het buitengebied.
Erkent het kabinet voorts dat het beboeten van dakloze mensen juist laat zien dat er nog helemaal geen paradigmashift heeft plaatsgevonden omdat de schuld voor dakloosheid wordt neergelegd bij de dakloze mens in plaats van bij het ontbreken van adequate huisvesting en zorg voor iedereen?
Zoals aangeven in het antwoord op vraag 13, wordt er hard gewerkt aan de ambities uit het actieplan, maar kost het maken van een paradigmashift tijd. Het signaal laat zien dat de afdelingen van gemeenten die gaan over openbare orde en veiligheid enerzijds, en het sociaal domein anderzijds, nog veel beter samen kunnen werken en beleid en uitvoering coherenter en in lijn met de bedoeling van het Nationaal Actieplan Dakloosheid gemaakt kan worden.
Deelt u tot slot de opvatting van de schrijvers van het stuk, Merel van Rooy en Fabian Weergang, dat «Mensen niet minder dakloos worden door een boete, ze worden minder dakloos door een dak»?2 Kunt u dat als uitgangspunt nemen en de Tweede Kamer beleid presenteren om het aantal boetes voor dakloze mensen ver te verlagen en het aantal daken voor dakloze mensen ver te verhogen?
Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid is vastgesteld dat de oplossing voor dakloosheid moet worden gevonden in betaalbaar wonen en het versterken van financiële bestaanszekerheid zodat dakloosheid voorkómen wordt. Het kabinet werkt hard aan het realiseren van meer betaalbare huisvesting. Met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting krijgen het Rijk, provincies en gemeenten de wettelijke instrumenten om te sturen op hoeveel, waar en voor wie wordt gebouwd. Ook kan er sneller worden gebouwd en krijgen de meest kwetsbare groepen mensen, waaronder mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang, residentiële jeugdzorg en beschermd wonen, met urgentie een woning. De behandeling van het wetsvoorstel is in handen van uw Kamer.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Staatssecretaris Paul stelt ultimatum: 'weigerscholen' moeten voor 7 maart doorstroomtoets maken’’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Staatssecretaris Paul stelt ultimatum: «weigerscholen» moeten voor 7 maart doorstroomtoets maken»1 en het bericht «Basisscholen zwichten voor dreigende sancties van Staatssecretaris en nemen tóch doorstroomtoets af»2?
Ja.
Kunt u schetsen welke groep leerlingen wordt benadeeld door het niet afnemen van de doorstroomtoets? Wat zijn de precieze consequenties voor hen als de doorstroomtoets niet afgenomen wordt?
Uit verschillende onderzoeken weten we dat bepaalde leerlingen vaker te maken hebben met onderschatting van hun vaardigheden, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijker hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Voor deze leerlingen is het risico dus groter dat zij, wanneer zij geen doorstroomtoets maken, op een plek in het vo starten die niet aansluit bij hun capaciteiten, omdat een objectief tweede gegeven ontbreekt.
Deelt u de mening dat het niet afnemen van een schooltoets zorgt voor mindere kansen voor de betreffende leerlingen?
Ja, ik deel deze mening.
Klopt het dat de doorstroomtoets een aanvulling is op het schooladvies van de leraar? Is het daarmee zo dat de leraar nog altijd het laatste woord heeft in de doorstroom van de leerling?
Het oordeel van de school is sinds 2015 leidend voor het definitieve schooladvies. De doorstroomtoets is een aanvulling en laatste check bij het voorlopige schooladvies: het is een tweede objectief gegeven dat een beeld geeft van de cognitieve vaardigheden op het gebied van de basisvaardigheden (taal en rekenen). Het definitieve schooladvies is een combinatie van de resultaten van de doorstroomtoets en het beeld dat de school heeft op basis van jarenlange ervaring met de leerling.
Scholen hebben wel de ruimte om het schooladvies niet bij te stellen wanneer dit niet in het belang van de leerling is. Daarmee hebben scholen inderdaad het laatste woord in de doorstroom van een leerling.
Kunt u nader duiden op welke manier het schooladvies wordt gewogen ten opzichte van het toetsadvies?
Het definitieve schooladvies is een combinatie van de resultaten van de doorstroomtoets en de kennis van de school over de leerling. De doorstroomtoets biedt een belangrijk aanvullend perspectief op het beeld dat de school heeft van de ontwikkeling van de leerling. Als een leerling met de doorstroomtoets laat zien meer uitdaging aan te kunnen, moet de school in principe het schooladvies bijstellen, tenzij dit niet in het belang van de leerling is. Uiteindelijk bepaalt de school het definitieve schooladvies, met het toetsadvies van de doorstroomtoets daarin meegenomen.
Heeft u inzicht in het aantal leerlingen waarvan het schooladvies wordt bijgesteld na het uitkomen van hun toetsadvies? Kunt u dat met de Kamer delen?
Elk jaar doet DUO een monitoringsonderzoek om ontwikkelingen rond schooladvisering en doorstroom naar en in het vo bij te houden. Ik communiceer de definitieve cijfers over schooljaar 2023–2024 in april met uw Kamer, waarbij ook uitsplitsingen worden gemaakt naar diverse groepen leerlingen. In de zomer van 2024 ontving uw Kamer reeds een voorlopig beeld van de bijstellingen in het schooljaar 2023–2024.3 Daaruit bleek dat leerlingen die op de doorstroomtoets lieten zien meer uitdaging aan te kunnen, in 75 procent van de gevallen ook een bijgesteld schooladvies kregen dat bij die toetsuitslag past. In de jaren daaraan vooraf lag dat percentage rond de 30 procent.
Wat is volgens u de meerwaarde van een objectieve toets ten opzichte van het schooladvies?
Het oordeel van de school is sinds 2015 leidend voor het definitieve schooladvies. De leraar gebruikt voor een passend schooladvies gegevens op basis van jarenlange ervaring met de leerling. Hierbij beschouwen zij de ontwikkeling van de leerling in brede zin. De doorstroomtoets is een tweede, objectief gegeven dat een extra beeld geeft van de vaardigheden op de gebieden taal en rekenen van de leerling.
Dit is vooral van belang voor leerlingen die risico lopen op structurele onderadvisering. Uit verschillende onderzoeken weten we dat bepaalde leerlingen vaker te maken hebben met onderschatting van hun vaardigheden, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijk hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
Op welke manier helpt de doorstroomtoets in het verkrijgen van meer inzicht in de onderwijskwaliteit van scholen?
Namens de overheid houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Een van de aspecten om onderwijskwaliteit te monitoren is het onderwijsresultatenmodel, waarin wordt gekeken naar de beheersing van de basisvaardigheden. De resultaten van de doorstroomtoets bieden inzicht in welke mate leerlingen de wettelijk vastgestelde referentieniveaus voor taal en rekenen beheersen. Deze referentieniveaus omschrijven duidelijk welke vaardigheden leerlingen aan het eind van het primair onderwijs moeten hebben.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat het inzicht dat de resultaten van de doorstroomtoetsen biedt in de beheersing van de basisvaardigheden een onderdeel is van een veel bredere blik waarmee de Inspectie van het Onderwijs naar onderwijskwaliteit kijkt. De meerwaarde van de doorstroomtoetsen bij het toezicht is dat het een objectief instrument is dat door alle scholen wordt gebruikt. Zodoende kunnen ook uitspraken gedaan worden op stelselniveau over de beheersing van taal en rekenen.
Het bericht ‘Nieuwe trend bij online pesten: ‘Het is ongelooflijk triest gedrag’’ |
|
Marieke Wijen-Nas (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe trend bij online pesten: «Het is ongelooflijk triest gedrag»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat consistent pestgedrag buitengewoon invasief is voor het slachtoffer en schadelijk voor de geestelijke gezondheid?
Ja. Consistent (online) pestgedrag kan een buitengewoon invasieve en schadelijke impact hebben op de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Het kan leiden tot ernstige emotionele en psychologische problemen, zoals angst, depressie en een verminderd zelfbeeld. Het is belangrijk dat we deze problematiek serieus nemen.
Bent u bereid om pestgedrag op te nemen in de voorgenomen Wet strafbaarstelling psychisch geweld?
Pestgedrag kan een grote impact hebben op degene die gepest wordt en zijn directe omgeving. Zoals in het aangehaalde krantenbericht ook wordt aangegeven, biedt het huidige strafrechtelijk kader mogelijkheden om specifieke gedragingen of uitingsvormen van pesten aan te pakken, bijvoorbeeld door vervolging wegens bedreiging, smaad, laster, mishandeling of belaging (stalking). Momenteel worden onder regie van de Minister en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gesprekken gevoerd met verschillende organisaties en deskundigen over de contouren van een wetsvoorstel dat strekt tot een aparte strafbaarstelling van psychisch geweld. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de reikwijdte en aard van gedragingen die onder een dergelijke strafbepaling zouden kunnen vallen. Uw Kamer wordt voor de zomer 2025 geïnformeerd over de contouren van dit wetsvoorstel.
Bent u bereid om het voor scholen mogelijk te maken, pesters door te verwijzen naar bureau-HALT, wanneer de school kan aantonen dat het pestgedrag dermate ernstig is?
Als sprake is van strafbaar gedrag kan er aangifte worden gedaan en kan de zaak, indien deze bewijsbaar is, naar Halt worden verwezen. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om te beoordelen of een verdachte voor deze interventie in aanmerking komt.
Als er geen aangifte wordt gedaan of geen sprake is van strafbare gedragingen, dan is er een preventieve Halt-interventie mogelijk die gericht is op het grensoverschrijdende gedrag. Hiervoor moet dan wel een gemeentelijke subsidieopdracht aan Halt zijn verleend. Indien er sprake is van een subsidieafspraak kan de betrokken jongere naar het spreekuur worden verwezen waarin een medewerker een gesprek met hem of haar voert en eventueel een opdracht mee kan geven. Ook kan een herstelgesprek met een slachtoffer worden opgezet. Naast individuele interventies biedt Halt ook groepsgerichte interventies, zoals voorlichtingen op verschillende thema’s (https://www.halt.nl/voorlichtingen), kunnen klassendialogen worden ingezet en zijn onlangs zogenoemde herstelcirkels ontwikkeld.
Het bericht ‘ACM wil dat energiebedrijven klanten helpen met nieuw energiecontract’ |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de oproep van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aan energiebedrijven om klanten beter te ondersteunen bij het kiezen van een passend energiecontract?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de ACM dat energiebedrijven consumenten onvoldoende helpen bij het kiezen van een contract dat aansluit bij hun verbruik en situatie? Wat zegt dit volgens u over de transparantie en consumentenbescherming op de Nederlandse energiemarkt?
Het kabinet kan zich vinden in de conclusie van de ACM dat het vanzelfsprekend zou moeten zijn dat energiebedrijven consumenten voldoende handvatten geven om een keuze te kunnen maken voor een energiecontract dat aansluit bij hun verbruik en situatie. Om deze reden is er in de nieuwe Energiewet, die vorig jaar door beide Kamers is aangenomen, ook extra aandacht voor transparantie en consumentenbescherming op de energiemarkt. Binnen de huidige juridische kaders zijn er diverse regels verankerd ten aanzien van transparantie en consumentenbescherming. Zo staat bijvoorbeeld in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet dat de voorwaarden verbonden aan een leveringsovereenkomst met een afnemer transparant, eerlijk en vooraf bekend moeten zijn. De voorwaarden moeten bovendien in duidelijke en begrijpelijke taal gesteld zijn. Ook gelden er voor consumenten in den brede regels over oneerlijke handelspraktijken (zoals misleiding) die in het Burgerlijk Wetboek staan.
In de Energiewet, wordt consumentenbescherming bij de levering van elektriciteit en gas aan huishoudens en micro-ondernemingen vanaf 1 januari 2026 steviger wettelijk verankerd. Specifiek ten aanzien van transparantie geldt dat in de Energiewet is opgenomen dat energieleveranciers elektriciteit en gas aan consumenten moeten leveren tegen transparante en redelijke prijzen en onder transparante en redelijke voorwaarden. Een energieleverancier die elektriciteit of gas levert aan een consument moet bovendien zijn prijzen en voorwaarden op een dusdanige wijze presenteren dat consumenten in staat zijn om voor het sluiten van een overeenkomst prijzen en voorwaarden van verschillende leveranciers onderling te vergelijken.
Ook wordt het belang van transparantie en vergelijkbaarheid van energiecontracten in de Energiewet steviger verankerd in het recht voor micro-ondernemingen en huishoudelijke eindafnemers, waaronder consumenten, op kosteloze toegang tot ten minste één onafhankelijk vergelijkingsinstrument dat de gehele markt bestrijkt, of meerdere vergelijkingsinstrumenten die in voldoende mate de markt bestrijken.
Met de komst van de nieuwe Energiewet wordt dus zowel geëist van leveranciers dat zij een transparant aanbod aan contracten op de markt brengen als verzekerd dat iedere consument de mogelijkheid heeft om dit aanbod onderling te vergelijken om een bewuste keuze kunnen te maken die past bij zijn of haar voorkeuren en situatie. Het kabinet ziet dat als een belangrijke stap vooruit voor consumenten, maar om de voordelen te kunnen benutten is een samenspel nodig tussen de inspanning van de marktpartijen om een goed aanbod in de markt te zetten, de actieve opstelling van de consument die bij het kiezen van contract een weloverwogen keuze maakt tussen de mogelijkheden en tot slot, zo nodig het toezicht op de nieuwe regels vanuit de ACM. Het is aan de ACM om als toezichthouder hierop te handhaven.
Welke mogelijkheden heeft de ACM op dit moment om in te grijpen bij energieleveranciers die onvoldoende transparantie bieden of consumenten niet adequaat ondersteunen? Acht u deze instrumenten voldoende om misstanden effectief te bestrijden?
Om elektriciteit of gas aan consumenten te mogen leveren op de Nederlandse energiemarkt is een vergunning nodig. De ACM kan op grond van de Energiewet net als nu ingrijpen wanneer een leverancier niet aan de eisen voor deze vergunning voldoet. Zo kan zij een boete of een last onder dwangsom opleggen. Dit kan oplopen tot 10% van de omzet van de overtreder. De ACM ziet er als onafhankelijk toezichthouder ook op toe dat consumenten verzekerd zijn van de levering van energie tegen eenvoudig en duidelijk vergelijkbare prijzen.
De ACM krijgt in de Energiewet bovendien de mogelijkheid om in te grijpen bij oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding, of het niet voldoen aan een jaarlijkse financiële stresstest. De ACM kan een wervingsstop opleggen wanneer een leverancier zich niet aan de regels van oneerlijke handelspraktijken houdt. Bij herhaaldelijk schuldig maken aan oneerlijke handelspraktijken kan de ACM de vergunning intrekken. Dit zijn zeer ingrijpende maatregelen voor de leverancier en deze kunnen ook verstrekkende gevolgen hebben voor de klanten van deze leverancier. Daarom zal de ACM haar besluit telkens zorgvuldig wegen.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving nodig is om te waarborgen dat energiebedrijven consumenten beter informeren en begeleiden bij het afsluiten van een energiecontract? Zo ja, welke stappen overweegt u te nemen?
Het kabinet wil eerst bezien wat de effecten zijn van de nieuwe regels (die per 1 januari 2026 van kracht zijn) in de praktijk voor de consument en ziet daarom niet direct aanleiding om, naast hetgeen de Energiewet reeds regelt, extra bescherming voor te schrijven. Het kabinet blijft daarbij doorlopend de effectiviteit van de huidige maatregelen monitoren. Gelet op de complexiteit en de veranderingen van de energiemarkt, blijft het belangrijk dat dit onderwerp continu aandacht behoudt. Eventuele verdere aanpassingen kunnen in een toekomstige versie van de Energiewet worden opgenomen.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van het huidige toezicht op de energiemarkt met betrekking tot consumentenbescherming en eerlijke concurrentie? Bent u bereid te bezien of de ACM extra bevoegdheden nodig heeft om haar toezichtstaken beter te kunnen uitvoeren?
De Energiewet stelt strenge eisen aan leveranciers die met een vergunning elektriciteit en/of gas aan consumenten willen leveren. Zo moeten zij aantonen dat ze over de nodige financiële, organisatorische en technische kwaliteiten alsmede voldoende deskundigheid beschikken. De ACM ziet zowel bij aanvraag van een vergunning als na verlening van een vergunning in het doorlopend toezicht toe op de naleving van deze vereisten. Zij kan hier ook handhavend in optreden, zie ook het antwoord op vraag 3. De ACM krijgt daarnaast in de Energiewet extra bevoegdheden om haar toezicht nog beter uit te kunnen voeren, zoals de mogelijkheid om een betrouwbaarheids- en integriteitsonderzoek (Wet Bibob) te verrichten indien zij daar aanleiding toe ziet.
In hoeverre kunnen energiebedrijven worden verplicht om meer standaardisatie in hun contractvoorwaarden aan te brengen, zodat consumenten gemakkelijker contracten kunnen vergelijken en beter inzicht krijgen in de verschillen tussen aanbieders?
De nieuwe Energiewet schrijft voor dat energieleveranciers te allen tijde, naast het bekende modelcontract voor onbepaalde tijd met variabele tarieven, ook een modelcontract voor bepaalde tijd (ten minste een jaar) met vaste tarieven moeten aanbieden. Het modelcontract is een leveringsovereenkomst met standaardvoorwaarden die vastgesteld wordt door de ACM. Doordat het modelcontract standaardvoorwaarden heeft, is het een gemakkelijk vergelijkbaar contract.
Leveranciers zijn in het kader van contractvrijheid vrij om hiernaast ook andere energiecontracten aan te bieden, maar zullen zich altijd moeten houden aan de uitgebreide regels ten aanzien van de inhoud van de leveringsovereenkomst die opgenomen zijn in de AMvB onder de Energiewet (het Energiebesluit) die momenteel wordt voorgehangen bij de Kamer. Deze regels gaan bijvoorbeeld over de informatie die een leveringsovereenkomst moet bevatten (zoals contactgegevens energieleveranciers, informatie over bonussen en de opzegvergoeding), maar bijvoorbeeld ook over welke afspraken de energieleverancier met de klant maakt over wijzigingen van tarieven en voorwaarden.
In het kader van betere vergelijkbaarheid van energiecontracten is in het Energiebesluit (de AMvB onder de Energiewet) tevens een nieuwe bepaling opgenomen die voorschrijft dat bonussen enkel in geldelijke vorm mogen worden gegeven door energieleveranciers. Dit zorgt ervoor dat energiecontracten beter vergelijkbaar worden en voor consumenten duidelijker is hoeveel zij voor hun energiecontract gaan betalen.
Deelt u de mening dat energiebedrijven een verantwoordelijkheid hebben om klanten actief te helpen bij het vinden van een passend contract? Zo ja, hoe zou de overheid dit kunnen stimuleren zonder onnodige marktverstoring?
De Energiewet vereist van leveranciers dat zij een transparant aanbod aan contracten op de markt brengen en verzekert dat iedere consument de mogelijkheid heeft om dit aanbod onderling te vergelijken om een bewuste keuze kunnen te maken die past bij zijn of haar voorkeuren en situatie. De verplichting voor energieleveranciers om te allen tijde een modelcontract met vaste en variabele tarieven aan te bieden, zorgt ervoor dat er een «bodem» aan energiecontracten in de energiemarkt is die optimaal vergelijkbaar is. Daarmee zet de Energiewet in op maximale ontzorging en bescherming voor alle consumenten, terwijl voor de actieve marktvormen vooral beoogd is de drempels te verlagen voor nieuwe initiatieven door onnodige belemmeringen weg te nemen.
Welke lessen trekt u uit de oproep van de ACM aan energiebedrijven om consumenten beter te ondersteunen bij het kiezen van een passend energiecontract? Acht u verdere interventies noodzakelijk om de transparantie en consumentenbescherming in de energiemarkt te verbeteren?
Het kabinet hecht er veel waarde aan dat consumenten weloverwogen beslissingen kunnen nemen en beschermd worden tegen oneerlijke praktijken. Daarom benadrukt het kabinet het belang van continue aandacht voor transparantie en consumentenbescherming op de energiemarkt. De oproep van de ACM aan energiebedrijven om consumenten beter te ondersteunen bij het kiezen van een passend energiecontract, sluit hier bij aan. In de Energiewet en onderliggende regelgeving wordt hier op verschillende manieren invulling aan gegeven:
Zijn er al concrete stappen gezet door de overheid of toezichthouders om de transparantie en ondersteuning in de energiemarkt te verbeteren? Kunt u een overzicht geven van lopende of geplande initiatieven?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Basisscholen die weigerden om doorstroomtoets af te nemen krijgen ultimatum' |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Basisscholen die weigerden om doorstroomtoets af te nemen krijgen ultimatum» en «Basisscholen die doorstroomtoets niet afnamen «onder protest» overstag»?1
Ja.
Hoe reageert u op de opmerkingen van bestuurders dat zij de doorstroomtoets niet verplicht willen afnemen omdat deze funest is voor het belang van het kind? In hoeverre zijn de mogelijke risico’s voor het belang van het kind door de wetgever gewogen bij de invoering van de doorstroomtoets en welke rol speelt de zeggenschap van ouders en leerlingen hierbij?
De doorstroomtoets is er juist in het belang van de leerlingen. De toets biedt een objectief tweede gegeven bij het schooladvies en daarmee de mogelijkheid op bijstelling van dat schooladvies. Dat voorkomt dat leerlingen onbedoeld worden onderschat. Dit is vooral van belang voor leerlingen van wie verschillende onderzoeken aantonen dat zij vaker te maken hebben met onderschatting van hun vaardigheden, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijker hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Uiteindelijk is de doorstroomtoets een belangrijk objectief middel waarmee de school – in samenspraak met de leerling en ouders – bepaalt welke schooltype voor een leerling het beste past.
Bij de totstandkoming van de Wet doorstroomtoetsen po (2023) en de Wet eindtoetsing po (2014) die daaraan vooraf ging, zijn alle belangen en risico’s zorgvuldig gewogen. Er is recent nog een gedegen wetstraject doorlopen, waarbij ook de wensen vanuit de Kamer en vanuit het onderwijsveld zijn meegenomen.
Wat is uw reactie op de ontwikkeling dat inmiddels tientallen andere scholen overwogen hebben om geen doorstroomtoets af te nemen?2 Heeft u contact gehad met de beweging Leve het onderwijs!?
Leerlingen hebben wettelijk recht op de doorstroomtoets en scholen moeten deze aanbieden. De doorstroomtoets is een belangrijk aanvullend objectief gegeven op het beeld dat de school van de leerling heeft. Zonder dit aanvullende perspectief is het risico op onderadvisering groter. Dit is een extra groot risico voor leerlingen van wie we uit verschillende onderzoeken weten dat zij vaker te maken hebben met onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijker hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes.
De doorstroomtoets is een van de weinige toetsen die wettelijk verplicht zijn. In het geval dat scholen geen doorstroomtoets afnemen ben ik dan ook genoodzaakt om, in het belang van de leerlingen, de wet te handhaven. Het kan namelijk niet zo zijn dat scholen ervoor kunnen kiezen zich niet aan de wet te houden wanneer een bepaald onderdeel hen niet aanstaat. De wettelijke rechten van leerlingen moeten niet afhankelijk zijn van de wensen van individuele schoolleiders of bestuurders.
Het ministerie is meerdere malen uitgebreid in contact geweest met vertegenwoordigers van Leve het Onderwijs. Ook is er meerdere malen gesproken met de schoolbesturen die weigerden de doorstroomtoets af te nemen. In deze gesprekken heb ik het belang van de doorstroomtoets voor leerlingen benadrukt. Ik blijf graag met scholen en besturen in gesprek over de best passende manier van toetsen in het algemeen en de doorstroomtoets in het bijzonder.
Kunt u aangeven op welke wijze het bevoegd gezag van de verschillende scholen tekort geschoten is in de informatievoorziening richting ouders? Heeft het bevoegd gezag ouders in het geheel niet geïnformeerd dat het afnemen van de doorstroomtoets een wettelijke verplichting betreft?
Op basis van de gesprekken met bestuurders en de schoolbezoeken van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) op 5 februari, is mijn beeld dat de besturen ouders hebben geïnformeerd over de wettelijke verplichting van de toets. Zij hebben evenwel, met de stelling dat ouders een keuze hebben om hun kind(eren) al dan niet te laten deelnemen aan de toetsafname, ouders onjuist geïnformeerd.
Kunt u toelichten in hoeverre leerlingen door het niet afnemen van een doorstroomtoets in de problemen kunnen komen bij de aanmelding bij het voortgezet onderwijs? Klopt het dat het niet overdragen van toetsgegevens in deze regio al jaren praktijk is op basis van onderlinge afspraken, dat dit nog niet tot noemenswaardige problemen heeft geleid en waarom de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) nooit reden heeft gezien om scholen hierop aan te spreken?
Behoudens uitzonderingen is er een definitief schooladvies nodig voor de aanmelding voor het voortgezet onderwijs. Het uitgangspunt is dat het resultaat van de doorstroomtoets onderdeel is van het definitieve schooladvies, dat volgt uit artikel 45d van de Wet op het primair onderwijs. Onderdeel van dit definitieve schooladvies is de uitkomst van de doorstroomtoets.
Het signaal dat de vier scholen die in eerste instantie de doorstroomtoets niet hebben afgenomen, de toetsgegevens niet overdragen, is in een recent regulier gesprek door een van de bestuurders van de scholen bij de inspectie aangegeven. Dit is mede aanleiding geweest voor het onderzoek dat recent bij de besturen en de scholen is uitgevoerd naar de naleving van de wet- en regelgeving rondom de doorstroomtoets en de advisering. De inspectie heeft echter geen aanvullende signalen gevonden om aan te nemen dat het niet overdragen van toetsgegevens in deze regio al jaren praktijk is op basis van onderlinge afspraken of dat dit tot noemenswaardige problemen heeft geleid. Deze conclusie wordt verwerkt in het verdere toezicht op deze specifieke casus.
In antwoord op uw vraag waarom scholen hier niet eerder op zijn aangesproken: de inspectie monitort en handelt op voorhand niet actief op de uitvoering van artikel 8 van het Toetsbesluit PO. De inspectie vertrouwt erop dat de scholen deze wet kennen en zich hieraan houden. De inspectie onderzoekt en treedt zo nodig alleen op wanneer er signalen zijn die anders doen vermoeden.
In hoeverre houden u en de inspectie rekening met de vraag of sprake is van openbaar of bijzonder onderwijs? In welke situaties informeert u ook bij verzelfstandigde openbare scholen de gemeente over het welbewust negeren van wettelijke voorschriften, gelet op de grondwettelijke zorgplicht voor het in stand houden van voldoende openbaar onderwijs?
In het toezicht wordt geen rekening gehouden met de denominatie van scholen. Alle scholen en besturen moeten zich immers houden aan wet- en regelgeving. De inspectie informeert gemeentes enkel over de onderwijskwaliteit van scholen indien er sprake is van het eindoordeel «zeer zwak».
Kunt u bevestigen dat het bijstellen van het schooladvies naar boven bij een hoge uitslag op de doorstroomtoets geen automatisme is en dat er alle ruimte is om zodanig af te wijken dat het belang van het kind het beste wordt gediend? Welke acties onderneemt u om dit uitgangspunt veel duidelijker te communiceren richting het onderwijsveld?
Het oordeel van de school is sinds 2015 leidend voor het definitieve schooladvies. De doorstroomtoets geldt als aanvulling en laatste check bij het voorlopige schooladvies: het is een tweede objectief gegeven over de cognitieve vaardigheden op het gebied van de basisvaardigheden (taal en rekenen). Het definitieve schooladvies is een combinatie van de resultaten van de doorstroomtoets en het beeld dat de school heeft op basis van jarenlange ervaring met de leerling.
Leerlingen met gelijke resultaten verdienen gelijke kansen. Daarom moet de school de resultaten van de doorstroomtoets serieus nemen als een leerling laat zien meer uitdaging aan te kunnen. Scholen moeten dan in principe het schooladvies bijstellen, tenzij dit niet in het belang van de leerling is. Dan hoeft de school het schooladvies niet bij te stellen, of maar gedeeltelijk. Dit moet de school dan motiveren in het leerlingadministratiesysteem. Daarmee is er dus inderdaad ruimte om af te wijken van de regel rondom het bijstellen wanneer dit in het belang is van de leerling.
Afgelopen schooljaar hebben scholen bij 1 op de 4 leerlingen die lieten zien meer uitdaging aan te kunnen, besloten het schooladvies niet bij te stellen. Dit laat zien dat scholen de vrijheid ervaren om, wanneer dit in het belang van de leerling is, van de regel rondom het bijstellen af te wijken.
Dit uitgangspunt stond al in de handreiking schooladvisering en is in februari aangescherpt om de regels rondom het bijstellen, inclusief de mogelijkheid om daarvan af te wijken, in meer detail toe te lichten. Daarnaast is dit ook extra gecommuniceerd in een informatiebijlage die scholen ontvangen bij de resultaten van de doorstroomtoets.
Onderkent u dat de groeiende onvrede over de doorstroomtoets de noodzaak onderstreept om met spoed te werken aan een toets die weer recht doet aan het ondersteunen van leerlingen en leraren? Gaat u in april duidelijkheid bieden over het tijdpad waarbinnen dit gaat gebeuren?
Ik ben overtuigd van het belang van de doorstroomtoets en van de wijze waarop we de kwaliteit van de toetsen waarborgen, gegeven het feit dat op basis van een brede wens van het onderwijsveld en de politiek is gekozen om scholen de ruimte te geven te kiezen uit verschillende toetsen. Tegelijkertijd hoor ik de signalen uit het veld, bijvoorbeeld om terug te gaan naar één doorstroomtoets voor alle leerlingen. Ook de meerdere functies van de doorstroomtoetsen zijn onderwerp van nadere verkenning. Mijn ministerie, de inspectie, het CvTE en Stichting Cito werken er hard aan om met alle betrokkenen de scenario’s hiervoor en consequenties daarvan duidelijk in beeld te krijgen. In april ontvangt uw Kamer inderdaad een Kamerbrief waarin ik verder zal ingaan op het tijdpad om tot uitgewerkte scenario’s te komen.
Deelt u de mening dat het wenselijk zou zijn dat er een betrouwbare Nederlandse toets komt die de (ontwikkeling van de) absolute beheersingsniveaus van de leerlingen in kaart kan brengen en die de nadelen kan ondervangen van de huidige psychometrische benadering?
De doorstroomtoets brengt in kaart hoe leerlingen presteren op de referentieniveaus taal en rekenen. Deze niveaus geven een beschrijving van wat een leerling moet kennen en kunnen en vormen daarmee een absolute standaard. Ik ben overtuigd van de wijze waarop we de kwaliteit van de toetsen waarborgen. Op basis van een brede wens van het onderwijsveld en de politiek is gekozen om scholen de ruimte te geven te kiezen uit verschillende toetsen. Het feit dat er nu één normering is voor alle doorstroomtoetsen, maakt ook duidelijk waar verschillen zitten, maar maakt de meting van de referentieniveaus niet minder absoluut. Zoals gezegd hoor ik de signalen uit het veld om weer terug te gaan naar één doorstroomtoets voor alle leerlingen en wordt er hard aan gewerkt om met alle betrokkenen de scenario’s hiervoor en consequenties daarvan duidelijk in beeld te krijgen.
Het bericht ‘Leerlingen mogen niet bidden op school: ‘Als je wordt gepakt krijg je straf’’ |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van NOS, waaruit blijkt dat meer dan 180 middelbare scholen een gebedsverbod hanteren?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het totaal onacceptabel en krankzinnig is dat leerlingen worden gestraft, onderbroken of in sommige gevallen zelfs geadviseerd om zich uit te schrijven als zij kiezen om in hun eigen tijd te bidden en/of te mediteren?
Op openbare scholen mogen leerlingen bidden, mits dit in hun eigen tijd is en op een plek waar anderen er niet door gestoord kunnen worden. Anderen zouden bijvoorbeeld gestoord kunnen worden als het bidden plaatsvindt in een drukke gang, waardoor een onveilige situatie ontstaat. Onder dergelijke omstandigheden mag een school een biddende leerling daarop aanspreken. De school kan het beste beoordelen of van dergelijke omstandigheden sprake is.
Hoe kijkt het kabinet naar de stellingname van het College voor de Rechten van de Mens dat scholen niet zomaar een gebedsverbod mogen invoeren en handhaven?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden. Tegelijkertijd oordeelde het College voor de Rechten van de Mens in 2000 dat het bidden door scholen niet hoeft te worden gefaciliteerd. Ook moeten anderen niet door het bidden worden gestoord.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van gebedsverboden op Nederlandse middelbare scholen?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden. Scholen hoeven het bidden ook niet te faciliteren. Dit onderschrijf ik.
Bent u van mening dat iedere leerling, ongeacht religieuze, culturele of etnische achtergrond, zichzelf moet kunnen zijn?
Zeker. Mede in dat kader hebben scholen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst.
Wat is uw standpunt over het feit dat met name islamitische leerlingen de dupe zijn van het gebedsverbod?
Scholen kunnen ervoor kiezen om het bidden te faciliteren, maar zijn dat niet verplicht.
Wat is uw boodschap aan leerlingen van meer dan 180 verschillende middelbare scholen die de indruk krijgen dat zij binnen de muren van hun school niet zichzelf mogen zijn?
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om zorg te dragen voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) controleert of scholen aan deze plicht voldoen.
Deelt u de mening dat schoolbesturen door een gebedsverbod zich van hun eigen leerlingen vervreemden en zo bijdragen aan een onveilig schoolklimaat en wat is uw boodschap aan deze schoolbesturen?
Scholen zijn niet verplicht om het bidden op school te faciliteren. Scholen bepalen zelf welke afspraken ze hierover maken en of ze bijvoorbeeld een stilteruimte inrichten. Als scholen dat niet willen doen, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat dat niet past bij het openbare karakter van hun school, dan is dat hun goed recht en steun ik ze daarin volledig.
Natuurlijk moeten alle leerlingen zich veilig voelen op school. Dat kan ook wanneer scholen het bidden niet faciliteren. Ik heb geen reden om aan te nemen dat het niet faciliteren van het bidden, leidt tot een onveilig schoolklimaat.
Acht u het wenselijk dat ouders of belangenorganisaties juridische stappen moeten overwegen om deze verboden aan te vechten of ziet u hier een taak voor uzelf om tijdig in te grijpen?
Op openbare scholen mag het bidden niet verboden worden, maar scholen hoeven het bidden ook niet te faciliteren. In de praktijk kan het daardoor voorkomen dat leerlingen maar beperkt de ruimte hebben om te bidden. Dat betekent niet dat deze leerlingen gediscrimineerd worden. Als leerlingen zich toch gediscrimineerd voelen, dan roep ik ze op om daarover met de school in gesprek te gaan vóórdat ze juridische stappen ondernemen.
Houden de leerlingen het gevoel dat zij gediscrimineerd worden en dat er sprake is van een gebedsverbod, dan is de juridische route de aangewezen weg. Instanties zoals het College voor de Rechten van de Mens of de civiele rechter kunnen oordelen of er sprake is van een schending van de relevante wet, de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb). Daarnaast kunnen leerlingen of ouders altijd een signaal afgeven bij de inspectie als zij menen dat een school de wettelijke burgerschapsopdracht niet naleeft. Alleen het besluit van scholen om het bidden niet te faciliteren, is niet in strijd met de burgerschapsopdracht.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle leerlingen zichzelf mogen zijn en dat hun grondrechten in de toekomst gewaarborgd worden?
Via de Awgb en de onderwijswetgeving (onder andere de wettelijke burgerschapsopdracht) worden de grondrechten van leerlingen gewaarborgd. Ik zie op dit moment geen reden om aanvullende maatregelen te treffen.
Overweegt u, gezien de omvang van het probleem, richtlijnen op te stellen voor scholen waarin het recht op godsdienstvrijheid gewaarborgd blijft en misstanden zoals deze worden voorkomen?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om richtlijnen op te stellen voor scholen ten aanzien van het waarborgen van godsdienstvrijheid.
Kunt u de lijst van scholen met een gebedsverbod naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Bij mij zijn geen openbare scholen bekend met een gebedsverbod.
Bent u bereid in gesprek te gaan met schoolbestuurders met als boodschap dat het onacceptabel is dat leerlingen vervreemd raken van de middelbare school en dat de grondrechten van leerlingen worden geschonden?
Leerlingen of ouders kunnen altijd een signaal afgeven bij de inspectie als zij menen dat de school de onderwijswetgeving ter waarborging van de grondrechten van leerlingen niet naleeft. De inspectie zal naar aanleiding van zulke signalen contact opnemen met een school en mogelijk de school aan een onderzoek onderwerpen. Ik heb op dit moment geen reden om aan te nemen dat de grondrechten van leerlingen worden geschonden en dus geen aanleiding om hierover met schoolbestuurders in gesprek te gaan.
Hoe kijkt het kabinet naar een oplossing voor dit zorgwekkende beleid van schoolbesturen, bijvoorbeeld door het adviseren van stilteruimtes waar leerlingen tot rust kunnen komen en/of kunnen bidden?
Scholen zijn niet verplicht om een stilteruimte aan te bieden of om op andere manieren het bidden te faciliteren. Mijn opvatting is dat het openbare karakter van een school leidend moet zijn en gerespecteerd dient te worden.
De zienswijze van scholen die weigeren de doorstroomtoets uit te voeren. |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zienswijze van schoolbestuur Spaarnesant naar aanleiding van het inspectieonderzoek met betrekking tot de doorstroomtoets?1
Ja.
Kunt u een uitgebreide reactie geven op de fundamentele inhoudelijke kritiek ingebracht in de zienswijze?
Eén van de onderwerpen die de besturen inbrengen in hun zienswijze is hun kritiek op het selectiemoment. In mijn reactie op de brief van de Onderwijsraad rond het thema «later selecteren, betere differentiëren»2 heb ik toegelicht waarom het kabinet ervoor kiest geen stelselwijziging met grote consequenties door te voeren. Hierbij zie ik de doorstroomtoets als een instrument dat gelijke kansen bevordert bij een soepele overgang van leerlingen van het po naar het vo. Uit verschillende onderzoeken weten we dat bepaalde leerlingen vaker te maken hebben met een onderschatting van hun vaardigheden, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijker hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Het belang van de doorstroomtoets ligt dan ook in het feit dat de toets leerlingen een objectief, tweede gegeven is bij het voorlopige schooladvies. Dat maakt het risico op onderadvisering voor deze doelgroepen kleiner. Daarnaast roep ik scholen op om zo flexibel mogelijk om te gaan met het moment waarop een leerling in een onderwijsrichting terecht komt. Dat kan bijvoorbeeld door met tweejarige dakpanklassen aan te sluiten op dubbele schooladviezen.
Een ander thema dat terugkomt in de zienswijze van de besturen is het gebruik van de doorstroomtoets in het onderwijsresultatenmodel van de inspectie. De doorstroomtoets in haar huidige vorm en functie is in het onderwijsresultatenmodel gekomen na een zorgvuldig proces, ook met instemming van uw Kamer en het onderwijsveld. De resultaten van de doorstroomtoetsen bieden inzicht in welke mate leerlingen de wettelijk vastgestelde referentieniveaus voor taal en rekenen beheersen. De meerwaarde voor het toezicht is dat het een objectief instrument is dat door alle scholen gebruikt wordt, waardoor er ook uitspraken gedaan kunnen worden op stelselniveau over de beheersing van taal en rekenen.
Ik zie dat er discussie is over de vorm en de invulling van de doorstroomtoets en over het nut en de noodzaak van toetsen in het algemeen. Het is goed dat een dergelijk maatschappelijk debat wordt gevoerd, en het is van belang met elkaar scherp te blijven op de verschillende onderwerpen in die discussie. Ik ben met de besturen, en met vele andere partijen, in gesprek over de doorstroomtoets in het bijzonder en toetsen in het algemeen. In de Kamerbrief die u begin april van mij ontvangt kom ik uitgebreider op diverse vraagstukken terug, en op het proces waarmee die vraagstukken de komende tijd behandeld worden.
Deelt u de mening van de scholen dat het Nederlandse onderwijssysteem doorgeschoten is in differentiatie?
Nee, die deel ik niet. Bij differentiatie gaat het om een balans tussen enerzijds voldoende variatie om leerlingen passend bij diens niveau en talenten (succes)ervaringen te laten opdoen en anderzijds geen onnodige hobbels in de leerloopbaan van leerlingen te creëren. Scholen dienen bij de organisatie van hun onderwijs in de onderbouw bewuste keuzes hierin te maken. Een relatief sterk extern gedifferentieerd systeem (de indeling naar schoolsoorten pro, vbo, mavo, havo en vwo; met daarbinnen nog diverse leerwegen) hoeft geen probleem te zijn als scholen in de praktijk leerlingen ruimte bieden om flexibel te wisselen van onderwijsrichting. Scholen hebben nu al veel ruimte om daar eigen invulling aan te geven, en er zijn nog steeds veel scholen die kiezen voor bijvoorbeeld heterogene brugklassen. Dit kabinet ondersteunt dit door kennisopbouw en kennisdeling tussen scholen te faciliteren. Ik voer bijvoorbeeld twee leertrajecten uit waarbij wetenschappers en scholen in gezamenlijkheid kijken naar de inrichting van heterogene brugklassen: één van deze leertrajecten is gericht op de effecten van verschillende inrichtingsvarianten op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen, en het andere traject is gericht op verbetering van interne differentiatie in dergelijke klassen en determinatie van leerlingen na deze brugperiode. Daarnaast richt ik een pilot in waarin vmbo-scholen aan de slag gaan met twee brede onderbouwprogramma’s3.
Hoe reageert u op het advies van de Onderwijsraad dat differentiatie is doorgeschoten en later selecteren noodzakelijk is voor de kansen van kinderen?
Ik heb reeds op dit advies gereageerd in de brief aan de Tweede Kamer van 25 oktober 20244 en in de brief van 6 maart 20255.
Waarom kiest u ervoor om de kansen van kinderen te beperken door te bezuinigen op brede brugklassen?
Zoals uw Kamer weet heeft het kabinet scherpe keuzes moeten maken om de overheidsfinanciën gezond te houden en kiest het kabinet voor focus binnen het onderwijs. Hoewel er geen budget meer is om de brede brugklassen financieel te stimuleren via een subsidieregeling, verdwijnt het concept niet. Scholen en besturen behouden de mogelijkheid om nieuwe brede brugklassen op te zetten of hun bestaande aanbod voort te zetten binnen hun reguliere bekostiging, zoals zij dat ook deden voorafgaand aan de tijdelijke regeling. Daarbij zorg ik voor de nadere opbouw van wetenschappelijke kennis rond dit thema, waardoor scholen beter in staat worden gesteld om bewuste keuzes te maken. Dit gebeurt onder andere door middel van kennisdeling via de VO-raad en het Landelijk Experticepunt PO-VO, verschillende leertrajecten en de eerdergenoemde vmbo-pilot.
Hoe kijkt u tegen de constatering van de scholen en het PISA-onderzoek aan dat er een grote mate van overlap is tussen de niveaus, waarbij de beste lezers op vmbo-k overlappen met de slechtste lezers op het vwo?
Dat is een constatering die ik al enkele jaren bekend is in meerdere onderzoeken. Het is om twee redenen een logische constatering:
Elke leerling is dus anders. Dat betekent dat je als school goed oog moet hebben op de extra ondersteuning van de leerling (als die het niveau niet dreigt te halen), of juist oog hebben op extra verdieping (als deze op een onderdeel beter presteert dan het niveau). Deze vormen van maatwerk zijn niet eenvoudig, maar ik zie veel goede voorbeelden van scholen die dit structureel in hun onderwijs hebben verwerkt.
Deelt u, als de overlap zo groot is, dat het niet juist is om kinderen op twaalfjarige leeftijd rigide op een niveau vast te zetten?
Ik hecht belang aan (tussentijdse) doorstroom in de onderbouw van het vo. In mijn brief van 6 maart 2025 roep ik scholen op om binnen de kaders die er zijn ruimte te pakken om flexibel om te gaan met het moment waarop een leerling definitief in een onderwijsrichting zit, bijvoorbeeld door het aanbieden van tweejarige dakpanklassen. Ook onderzoekt het Ministerie van OCW samen met de VO-raad hoe de aantrekkelijkheid van brede scholengemeenschappen kan worden bevorderd, omdat leerlingen op deze scholen gemakkelijker tussentijds kunnen wisselen naar een onderwijsrichting die bij hun ontwikkeling past.
Hoe reflecteert u op de validiteit van de doorstroomtoets als er zodanig grote overlap is tussen schoolniveaus?
De doorstroomtoets heeft als primaire functie een advies te geven voor het vervolgonderwijs, als tweede objectieve gegeven bij het schooladvies. De doorstroomtoets geeft een betrouwbaar beeld van het best passende onderwijs voor een leerling, maar het is natuurlijk mogelijk dat voor sommige leerlingen naast liggende schoolniveaus ook passend zijn. Daarom hebben scholen de ruimte om beargumenteerd van het advies van de doorstroomtoets af te wijken, en hechten we waarde aan flexibiliteit van scholen om leerlingen de mogelijkheid te geven om in het vo tussentijds van onderwijstype te wisselen, of bijvoorbeeld het gebruik van dakpanklassen.
Wat is volgens u de impact van het verplicht naar boven bijstellen van het schooladvies naar aanleiding van de doorstroomtoets op het onderbouwrendement in het VO?
Het onderbouwrendement wordt berekend op basis van het oorspronkelijke (dus het nog niet bijgestelde) advies van de basisschool. Het al dan niet verplicht bijstellen van dat advies heeft dus geen directe impact op het onderbouwrendement.
Wel zou er sprake kunnen zijn van positieve indirecte impact van het verplicht naar boven bijstellen op het onderbouwrendement. Leerlingen met een bijgesteld advies kunnen immers op een «hoger» niveau instromen in het voortgezet onderwijs dan het oorspronkelijke advies was. Iedere leerling die in het derde leerjaar op het niveau van het bijgestelde onderwijs zit, telt positief mee voor het bepalen van het onderbouwrendement, terwijl leerlingen die in het derde leerjaar op het niveau zitten van het oorspronkelijke basisschooladvies meetellen als «neutraal».
Wel is het van belang om te benadrukken dat de doorstroomtoets een objectieve check is bij het schooladvies. Als een leerling op de doorstroomtoets laat zien dat die meer uitdaging aan kan dan eerder werd gedacht, dan moet de school dat serieus nemen. Op deze manier komt een leerling terecht op een plek op de middelbare school die het beste bij de leerling past.
De doorstroomtoets wordt dit jaar pas voor de tweede keer afgenomen. Het is dan ook nog te vroeg om conclusies te trekken over de impact van het verplicht naar boven bijstellen van het schooladvies: het is van belang om de resultaten van een aantal jaar te bekijken om de effecten van de nieuwe wet gedegen te kunnen evalueren.
Deelt u de opvatting van de scholen dat de doorstroomtoets beperkte validiteit heeft?
Nee. Ik ben overtuigd van het belang van de doorstroomtoets en van de wijze waarop we de kwaliteit van de toetsen waarborgen. De toetsen zijn gekoppeld aan de referentieniveaus die we in het curriculum gebruiken en een hoge voorspellende waarde hebben over wat de meest passende plek van de leerling is in het vervolgonderwijs. Daarbij geeft het schooladvies een breder beeld van de leerling, op basis van de jarenlange ervaring die de school met een leerling heeft. De doorstroomtoets is hierop een valide aanvulling.
Hoe reageert u op de stellingname dat de huidige toetsaanpak leidt tot «teaching-to-the-test», waarbij het leerproces en de brede ontwikkeling van leerlingen op de achtergrond raken?
Ik ben overtuigd van het vakmanschap van leraren om het gehele curriculum aan bod te laten komen in het onderwijsprogramma, niet alleen de zaken die terug komen in de doorstroomtoets. Leraren bepalen ook het voorlopig schooladvies op basis van een breed beeld over het leerproces en de ontwikkeling van een leerling, waarbij ook aandacht is voor zaken als spreken, schrijven, luisteren én vakken als biologie, geschiedenis en wereldoriëntatie. Leraren beslissen uiteindelijk of de doorstroomtoets tot wijziging van het schooladvies moet leiden. Daarbij ben ik niet doof voor signalen van onbedoelde prikkelwerking rondom de toetsing in het onderwijs. Daarom ben ik met veel partijen in gesprek over hoe toetsing in het primair onderwijs verbeterd kan worden.
Welk doel heeft de doorstroomtoets volgens u?
De doorstroomtoets biedt leerlingen een objectief, tweede gegeven bij het voorlopige schooladvies. De school gebruikt dit aanvullend perspectief om tot een definitief schooladvies te komen. Dit aanvullende perspectief maakt het risico op onderadvisering kleiner. Dit is extra belangrijk voor leerlingen van wie we uit verschillende onderzoeken weten dat zij vaker te maken hebben met onderadvisering, zoals leerlingen uit gezinnen die het financieel moeilijker hebben, leerlingen op het platteland, leerlingen met een migratieachtergrond en meisjes. Door een juist definitief schooladvies komen leerlingen terecht op het schooltype dat het beste bij hen past en waar zij zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen.
Daarnaast helpt de doorstroomtoets in het verkrijgen van meer inzicht in de onderwijskwaliteit van scholen. Namens de overheid houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Een van de aspecten om onderwijskwaliteit te monitoren is het onderwijsresultatenmodel, waarin wordt gekeken naar de beheersing van de basisvaardigheden. De resultaten van de doorstroomtoets bieden inzicht in welke mate leerlingen de wettelijk vastgestelde referentieniveaus voor taal en rekenen beheersen. Deze referentieniveaus omschrijven duidelijk welke vaardigheden leerlingen aan het eind van het primair onderwijs moeten hebben.
Is de doorstroomtoets volgens u een voldoende bruikbaar middel om de onderwijskwaliteit (over tijd) te meten?
De resultaten van de doorstroomtoets bieden inzicht in de beheersing van de basisvaardigheden taal en rekenen. Op basis hiervan kunnen uitspraken gedaan worden op stelselniveau over de beheersing van taal en rekenen.
De doorstroomtoets is dus een betrouwbaar en bruikbaar middel om de onderwijskwaliteit (over tijd) te meten, maar is natuurlijk slechts één van de aspecten van een veel bredere blik die de inspectie heeft.
Denkt u dat de doorstroomtoets zowel het niveau van de leerling kan bepalen als de kwaliteit van de school kan beoordelen?
De resultaten van de doorstroomtoetsen geven een objectief beeld van de prestaties die leerlingen hebben laten zien op taal en rekenen, waarvan we uit onderzoek weten dat deze vaardigheden een grote voorspellende waarde hebben voor hoe een leerling zich verder ontwikkelt.
Het inzicht dat de resultaten biedt in de beheersing van de basisvaardigheden taal en rekenen is daarnaast een belangrijk aspect waarmee de inspectie de onderwijskwaliteit van scholen beoordeelt. Maar dit is slechts een klein onderdeel van een veel bredere blik van de inspectie op de onderwijskwaliteit.
Op verzoek van uw Kamer6 kijk ik ook naar de vraag of de doorstroomtoets zou moeten meetellen in de beoordeling van een school door de Inspectie van het Onderwijs. En verken ik welke alternatieven er mogelijk zijn.
Is de doorstroomtoets volgens u een voldoende valide middel om het kennen en kunnen van leerlingen te beoordelen en als selectiemechanisme te werken?
Zie antwoord vraag 14.
Deelt u de stellingname dat de referentieniveaus nauwelijks in de praktijk van lesgeven en toetsing zijn geland?
Deze stellingname is in 2022 onderzocht in het kader van de evaluatie van het Referentiekader taal en rekenen in opdracht van OCW7. Uit de evaluatie blijkt dat slechts een beperkte groep leraren in het po en vo goed bekend is met de inhoud van het Referentiekader Taal en Rekenen. Een oorzaak hiervan is dat het referentiekader erg uitgebreid beschreven is, wat het lastig maakt de niveaus te overzien. Daarbij beschrijven de referentieniveaus wat leerlingen moeten kennen en kunnen aan het einde van de schoolsoorten po, vmbo, havo en vwo8. Er zijn geen tussenniveaus geformuleerd, waardoor het referentiekader leraren weinig houvast biedt om hun onderwijs mee vorm te geven. Leraren in het po gebruiken hiervoor de tussendoelen en leerlijnen van SLO, leraren in het vo kijken naar de eindtermen. Verder vertrouwen leraren erop dat de referentieniveaus goed vertaald zijn in de lesmethoden en de methodegebonden toetsen. Uit de evaluatie blijkt dat dit inderdaad het geval is. Omdat het merendeel van de po- en vo-scholen met methodes werkt, zouden we kunnen stellen dat de referentieniveaus via de lesmethoden en de methodegebonden toetsen in de praktijk landen.
SLO heeft opdracht gekregen om voor de zomer advies uit te brengen over de actualisatie van het referentiekader, waarin de genoemde knelpunten uit de evaluatie worden meegenomen. Uw Kamer zal in het najaar van 2025 op de hoogte worden gesteld van de stand van zaken9.
Bent u van mening dat de doorstroomtoets voldoende dekkend is voor de referentieniveaus?
De toetsen zijn zo gemaakt dat ze een advies kunnen geven over het best passende vervolgonderwijs. De toetsen meten voldoende domeinen om een objectieve uitspraak te doen. Een bredere invulling met langere teksten bij begrijpend lezen of door toevoeging van actieve schrijfvaardigheid zou extra toetstijd vergen en leidt niet per definitie tot een betere meting van het niveau. Een langere toets, inclusief het bijbehorende tijdsbeslag, is ook niet in het belang van de leerling. Natuurlijk zouden we in de toekomst, bijvoorbeeld met het nieuwe curriculum in de hand, een andere afweging kunnen maken. Het denken staat nooit stil.
Vindt u dat de doorstroomtoets voldoende toetst op kennis van leerlingen in plaats van enkel vaardigheden zoals begrijpend lezen?
Zie antwoord vraag 17.
Het bericht ‘Toezichthouders vragen versoepeling Europese bankenregels’ |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toezichthouders vragen versoepeling Europese bankenregels» in het Financieele Dagblad van 19 februari 2025? Wat vindt u van dit bericht en welke knelpunten ziet u met betrekking tot de bankenregels?1
Ik ben bekend met dit bericht. Ik vind het positief dat er aandacht is voor onnodige regeldruk en complexiteit in de regulering van banken. Ik verwelkom initiatieven om deze regeldruk in kaart te brengen en om te kijken waar we regels eenvoudiger kunnen maken. In de discussies hierover vind ik het belangrijk ook oog te houden voor het belang van een financiële sector die stabiel en robuust is. Samen met proportionele regels zijn dat de randvoorwaarden voor duurzame concurrentie.
Vanuit de sector horen we dat onnodige complexiteit met name zit in de technische standaarden en richtsnoeren. De Nederlandse Vereniging van Banken is de onnodige regeldruk en complexiteit in deze technische standaarden en richtsnoeren nader aan het concretiseren. Ik verwelkom hun input bij deze discussie.
Hoe kijkt u aan tegen deze oproep van de toezichthouders in Spanje, Duitsland, Frankrijk en Italië?
Ik vind het positief dat er aandacht is voor onnodige regeldruk en complexiteit die mogelijk concurrentiebelemmerend kunnen werken. Ik verwelkom objectieve analyses die de knelpunten nader concretiseren.
Bent u bereid om u aan te sluiten bij Spanje, Duitsland, Frankrijk en Italië om te kijken naar waar het Europese raamwerk onnodig complex is en waar het concurrentieverstoringen op internationaal niveau kan veroorzaken, zonder significante voordelen voor de financiële stabiliteit? Zo nee, waarom niet?
De brief aan de Europese Commissie betreft een oproep van onafhankelijke centrale banken en niet van lidstaten en vraagt om een analyse door de Europese Commissie. Het verminderen van onnodige regeldruk en het bevorderen van het concurrentievermogen van de financiële sector is voor mij een belangrijke prioriteit. Mijn ministerie is nauw betrokken bij de verdere totstandkoming van de opdracht voor de expertgroep die een onderzoek naar de complexiteit van regelgeving moet gaan uitvoeren.
In de ambtelijke studie «Beleidsrichtingen voor een weerbare bankensector»2 van een jaar geleden is ook gewezen op complexiteit van regelgeving, inclusief de vele technische standaarden, en is stilgestaan bij mogelijkheden voor versimpeling zonder dat dit ten koste gaat van financiële stabiliteit.
Ziet u mogelijkheden om een vereenvoudiging van de Europese bankenregels te combineren met afspraken over een hogere spaarrente en meer ruimte voor bankfinanciering voor het MKB door afspraken met de Nederlandse banken?
Het primaire doel van het toezichtsraamwerk voor banken is om de stabiliteit en robuustheid van het financiële stelsel te waarborgen en consumenten te beschermen. Eventuele aanpassingen in het raamwerk dienen dus ook vanuit dat perspectief te worden gewogen – versimpeling van bankenregelgeving moet prudentieel verantwoord zijn.
Ik zie echter geen rechtstreekse koppeling tussen het aanpassen van regelgeving en bijvoorbeeld de hoogte van de spaarrentes. Dat laat onverlet dat, mochten bepaalde standaarden of (rapportage)eisen disproportioneel blijken en een belemmering vormen voor de betrokken publieke belangen, zoals het verstrekken van bankfinanciering aan het MKB, dan kan versimpeling op dat gebied deze financiering wel vergemakkelijken. Daarnaast blijf ik mij ook op andere vlakken – samen met de Minister van Economische Zaken en de sector – inzetten voor betere toegang tot bancaire én non-bancaire financiering voor ondernemers. Voor wat betreft de spaarrente heb ik in mijn reactie op het ACM-rapport over concurrentie op de spaarmarkt reeds eens combinatie van maatregelen aangekondigd om de concurrentiedruk te verhogen en daarmee een verhoging van de spaarrentes te stimuleren. Ik ben momenteel aan de slag met deze maatregelen en houd de Kamer – zoals toegezegd – op de hoogte over de voortgang.
Bent u bereid om het gesprek aan te gaan met de Nederlandse toezichthouders over hun visie ten aanzien van vereenvoudiging van de Europese bankenregels en de Tweede Kamer daarover voor het zomerreces te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om hierover met de toezichthouders in gesprek te gaan en mijn opgedane inzichten naar aanleiding van deze gesprekken met uw Kamer te delen. Ook DNB geeft aan open te staan voor initiatieven om versimpeling van regulering te onderzoeken.
Hoe kijkt u naar het concurrentievermogen van de Europese banken ten opzichte van de Amerikaanse banken?
De Europese bankensector kenmerkt zich door het feit dat deze gefragmenteerd is en veelal langs nationale grenzen georganiseerd is. Zo werd in het Draghi-rapport geconcludeerd dat Europese banken ten opzichte van Amerikaanse concurrenten minder winstgevend zijn, hogere kosten hebben en een lagere waardering hebben. Ik onderschrijf deze analyse, net als vaststelling dat de incomplete bankenunie bijdraagt aan deze fragmentatie. Overigens wordt in dit rapport het beeld geschetst dat Europese banken aanzienlijk kleiner zijn dan Amerikaanse banken. Dit klopt als wordt gekeken naar de lage marktwaardering, maar is in mindere mate het geval wanneer wordt gekeken naar de balansomvang.
Desalniettemin moeten Europese banken internationaal concurrerender worden ten opzichte van grote concurrenten in de VS en Azië. Ik ben van mening dat Europese consolidatie hierbij een rol kan spelen, net als verdieping van de Europese kapitaalmarktunie. Daarnaast kan vervolmaking van de bankenunie bijdragen aan consolidatie en meer grensoverschrijdende, schaalvergrotende activiteiten. Ik ben er voorstander van om stappen te zetten op dit gebied, bijvoorbeeld voor een Europees depositogarantiestelsel (EDIS). Dat moet hand in hand gaan met verdere risicoreductie in de bankensector, zoals een goede risicoweging van staatsobligaties op bankbalansen.
Welke plannen heeft Trump voor versoepeling dan wel vereenvoudiging van de Amerikaanse banken? Hoe past dit in de internationale Basel-afspraken?
Nog voor het aantreden van president Trump werd de voorgestelde regelgeving voor de implementatie van de finale Bazel III-standaarden geconsulteerd door de federale toezichthouders.3 Daaruit kwamen kritische geluiden van de bankensector en het Congres. Een nieuw voorstel is nog niet gedaan, maar het ligt in de lijn der verwachting dat dit voorstel een lichter prudentieel regime zal bevatten dan in de vorige consultatie.
In de VS maken de federale agentschappen die verantwoordelijk zijn voor toezicht vaak ook de regels. Het Congres kan deze regels achteraf herzien. Sinds het aantreden van de nieuwe Amerikaanse regering zijn de hoofden van deze agentschappen vervangen. Ook wordt de regelgevende bevoegdheid verder ingeperkt door het Witte Huis en het Congres. Vanuit het Congres is aandacht voor het terugdraaien van sommige regels. Wij volgen deze ontwikkelingen, ook met het oog op stabiliteit en integriteit van het financieel systeem.
Ik zet mij in voor een getrouwe wereldwijde implementatie van de Bazel-standaarden. Dat is belangrijk voor een internationaal gelijk speelveld en de internationale stabiliteit. Hoe een toekomstig voorstel voor bankregelgeving in de VS zich zal verhouden tot de Bazel-standaarden kan ik pas beoordelen wanneer dit voorstel gepubliceerd is.
Hoe verschillen de bankenregels in Europa van die in Amerika? In hoeverre is er sprake van een ongelijk speelveld? En wat zijn daarvan de gevolgen?
De regelgeving van banken in de VS en in Europa is deels vergelijkbaar, maar er zijn ook verschillen. Zo hebben de VS op diverse onderdelen strengere regels dan de Bazel-standaarden voorschrijven, bijvoorbeeld ten aanzien van de hefboomratio (leverage ratio, ongewogen kapitaaleisen). Uit analyses van de ECB – waarin de implementatie van de finale Bazel III-standaarden nog niet is meegenomen – blijkt dat met name Europese grootbanken méér kapitaal zouden moeten aanhouden als zij onder Amerikaanse bankregelgeving zouden vallen.4 Voor kleinere en middelgrote banken zou dit anders zijn, omdat in Europa voor kleine en middelgrote banken strengere eisen van toepassing zijn dan in de VS. De VS past eigen standaarden toe op zulke banken in plaats van de Bazelstandaarden.
In bepaalde gevallen kunnen specifieke verschillen in regelgeving leiden tot een ongelijk speelveld. De invoering van het marktrisicoraamwerk (Fundamental Review of the Trading Book, FRTB) is een voorbeeld van regelgeving waarbij een gelijk speelveld van groot belang is voor een aantal internationale banken die direct met elkaar kunnen concurreren. Dit raamwerk bevat regels om risico’s te adresseren die voortkomen uit handelsactiviteiten van banken, een zeer geglobaliseerd onderdeel van de bancaire sector. Omdat verschillen in regelgeving tussen jurisdicties tot een ongelijk speelveld kunnen leiden, zijn er Bazel-standaarden afgesproken voor de invoering van de FRTB. De implementatie van de FRTB heeft in verschillende jurisdicties al plaatsgevonden, maar in onder meer de VS en het VK nog niet. Dit heeft de Europese Commissie er dan ook toe bewogen de implementatie van FRTB vooralsnog met één jaar uit te stellen, tot 1 januari 2026. Overigens brengt uitstel ook operationele kosten met zich mee voor banken. Momenteel overweegt de Commissie vervolgstappen.
Hoe wijken de Europese bankenregels af van de internationale Basel-afspraken?
Bij de implementatie van de Bazelstandaarden in Europa zijn enkele afzwakkingen of afwijkingen voorgesteld en ingevoerd, die maken dat de Europese bankenregels niet op alle vlakken gelijk zijn aan de internationale Bazelstandaarden. Zo worden in Europese regelgeving lagere risicogewichten toegekend voor blootstellingen aan het midden- en kleinbedrijf (MKB) en aan investeringen in infrastructuur. Als gevolg hiervan hoeven banken voor deze blootstellingen minder kapitaal aan te houden dan passend zou zijn op basis van de Bazelstandaarden, wat banken moet stimuleren om aan het MKB en infrastructurele projecten geld uit te lenen. Ook rond de infasering en berekening van de kapitaalvloer – het belangrijkste onderdeel van de finale Bazel III-standaarden – zijn in Europese regelgeving (tijdelijke) transitiemaatregelen opgenomen die niet in lijn zijn met de standaarden. Daarentegen kent EU-regelgeving voor bepaalde risico’s ook eigenheden of concretiseringen die niet rechtstreeks voortvloeien uit de Bazelstandaarden. Ook heeft de EU soms nationale opties en discreties die het gevolg zijn van onderhandelingen tussen lidstaten en worden bepaalde elementen uit regelgeving nader gespecificeerd in technische standaarden of richtsnoeren van de Europese Bankenautoriteit (EBA).
De Bazelstandaarden worden in de EU – met enige mate van proportionaliteit – toegepast op alle banken, niet alleen op de internationaal actieve banken. Hoewel Europese banken zonder internationale activiteiten niet noodzakelijk onderdeel zijn van de doelgroep van de Bazelstandaarden, moet er ook voor deze kleinere banken adequate en accurate prudentiële regelgeving zijn. De bankenonrust in maart 2023 kwam onder meer voort uit versoepeling van het toezichtsregime voor niet-systemische regionale banken in de VS, wat laat zien dat ook op nationaal en regionaal niveau de bankregulering en het bijbehorende toezicht adequaat moeten functioneren.
In het ambtelijke rapport «beleidsrichtingen voor een weerbare bankensector» wordt de mogelijkheid genoemd om te verkennen om voor kleinere banken «simpele maar robuuste standaarden» te ontwikkelen, in aanvulling op de al geboden proportionaliteit voor kleine en niet-complexe instellingen. Dit in navolging van de «strong and simple»-benadering in het Verenigd Koninkrijk.5 Ik ga bekijken of het de moeite waard is om deze benadering verder te verkennen, waarbij dan moet worden gezocht naar standaarden voor banken die niet voor lagere kapitaaleisen zorgen, maar wel simpeler en voorspelbaarder zijn.
Het rapport-Draghi geeft in het kader van het concurrentievermogen aan dat EU-banken te maken hebben met enkele specifieke regelgevende obstakels die hun vermogen om leningen te verstrekken bepreken, in het bijzonder regelgeving rondom securitisatie (ook het rapport-Letta pleit op dit punt voor versoepeling), en dat de kapitaaleisen voor bepaalde eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde categorieën waarvoor de eisen de werkelijke risico’s niet weerspiegelen moeten worden verlaagd; wat vindt u daarvan? Hoe denkt u een versoepeling van de regelgeving rondom securitisatie zorgvuldig te kunnen vormgeven?
Ik herken dat securitisatie kan bijdragen aan het creëren van meer (bancaire) financieringsruimte en daarmee het vermogen van banken om leningen te verstrekken. De Europese Commissie onderzoekt momenteel hoe het functioneren van de EU-securitisatiemarkt kan worden verbeterd en zal naar verwachting in het tweede kwartaal van 2025 met een voorstel komen voor herziening van het securitisatieraamwerk. Ik steun deze verkenning en vind het daarbij belangrijk dat de risico’s en lessen van de financiële crisis niet uit het oog worden verloren. Ik zet in op herziening van het raamwerk voor securitisaties om de barrières te verlagen, zeker voor een bredere doelgroep van institutionele beleggers, met name door meer proportionele due diligence regelgeving. Na publicatie van het commissievoorstel zal ik een BNC-fiche opstellen en delen met uw Kamer, waarin ik mijn appreciatie uiteenzet.
Hoe kan de vereenvoudiging van de bankenregels worden geagendeerd voor de Bazel-akkoorden waarin internationaal afspraken worden gemaakt over de bankenregels ten behoeve van de financiële stabiliteit?
Het Bazels comité heeft op dit moment met name aandacht voor de implementatie van de finale Bazel-III standaarden. Nieuwe herzieningen van de standaarden voor bankenregulering staan op dit moment niet op de agenda. Het Bazels comité gaat over de eigen agenda, die wordt bepaald op basis van relevante ontwikkelingen in financiële markten, adviezen van nationale toezichthouders en aanbevelingen van internationale financiële instellingen en gremia, zoals de Financial Stability Board.
Het aan de Tweede Kamer doen toekomen van bij de overheid berustende documenten |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid de «map bekende Nederlanders» van 29 november 2022 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met kenmerk 3911183 en 3916812 met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Een goede informatiepositie is voor de Minister van Justitie en Veiligheid noodzakelijk om handen en voeten te kunnen geven aan zijn politieke verantwoordelijkheid voor het Openbaar Ministerie (OM). Artikel 129 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt dan ook dat het College van Procureurs-Generaal van het OM de Minister de inlichtingen verstrekt «die deze nodig heeft». Het komt er in de praktijk op neer dat het OM de Minister van Justitie en Veiligheid gevraagd en ongevraagd op de hoogte houdt van ontwikkelingen in gevoelige strafzaken. De verkregen informatie stelt de Minister van Justitie en Veiligheid in staat om een afweging te maken of hij het handelen van het OM – als politiek verantwoordelijke bewindspersoon – voor zijn rekening kan nemen en om daarover verantwoording af te leggen.
De van het OM aldus verkregen informatie moet vervolgens conform de Archiefwet gearchiveerd worden op een manier waardoor de informatie eenvoudig teruggevonden kan worden. De map «Bekende Nederlanders» is onderdeel van een mappenstructuur om deze informatie van het OM te archiveren. Deze map is beperkt toegankelijk en wordt geactualiseerd. U vraagt de inhoud van deze map met uw Kamer te delen. Dat kan ik niet doen. Uw verzoek ziet op stukken die figureren in strafrechtelijke onderzoeken of dat hebben gedaan en die de persoonlijke levenssfeer raken. Openbaarmaking van gegevens die een rol spelen in de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan die opsporing en vervolging frustreren en acht ik om die reden niet geschikt om met uw Kamer te delen.1
Wordt de «map bekende Nederlanders», waarnaar in de vorige vraag wordt verwezen, nog steeds geactualiseerd? Zo ja, wat is hiervoor de grondslag?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de ongelakte versie van de mail van 18 maart 2022 met onderwerp «Actualiteitenoverzicht JBOZ week 11 (14-18 maart)» alsook de ongelakte versie van de gelijknamige bijlage, van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
De documenten waarnaar u vraagt zijn reeds gedeeltelijk openbaar gemaakt bij besluit van 29 november 2022.2 Enkele passages zijn verwijderd op grond van de persoonlijke levenssfeer of omdat ze buiten het bereik van het Woo verzoek vielen. Dat laatste betreft informatie over individuele strafzaken en ziet niet op de strafrechtelijke aangelegenheid waarop het Woo verzoek dat aan het besluit van mijn voorganger van 29 november 2022 ten grondslag lag. Gelet op het feit dat het informatie betreft over strafrechtelijke onderzoeken, kan ik – onder verwijzing naar mijn vorige antwoord – deze informatie niet verstrekken.
Bent u bereid de ongelakte versie van de mail van 4 april 2022 met onderwerp «FW: 05-04-2022 14:00: Mondelinge vraag van het lid VAN MEIJEREN (FvD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht (zwartgelakt)» alsook de ongelakte versie van de bijlage met titel «DetailRapport.docx», van BD/DJOA/JBOZ met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
De documenten waarnaar u vraagt zijn reeds gedeeltelijk openbaar gemaakt bij besluit van 29 november 2022. Enkele passages zijn verwijderd op grond van de persoonlijke levenssfeer, deze bevatten namelijk gegevens zoals e-mailadressen van ambtenaren of persoonsgegevens van betrokkenen. Eveneens is de naamgeving van een gedeelde e-mailbox verwijderd omdat het openbaar maken van deze naamgeving ertoe zou kunnen leiden dat derden deze e-mailbox voor oneigenlijke doeleinden gaan gebruiken. De verwijderde passages raken daarmee het belang van de Staat en verstrek ik om die reden niet aan uw Kamer.
Het document «achtergrondinformatie digitaal 20220304.docx» betreft krantenartikelen die openbaar toegankelijk zijn waardoor openbaarmaking geen meerwaarde heeft.
De Q&A heeft betrekking op een aangekondigde mondelinge Kamervraag die het wekelijkse Vragenuur niet heeft bereikt. Dat betekent dat de bewindspersoon dit conceptdocument niet heeft ingezien en dat er ook geen besluitvorming over heeft plaatsgevonden om de mogelijke vragen op de voorgestelde wijze te beantwoorden. Het betreft daarom geen voldragen document, maar slechts een concepttekst die op het niveau van ambtelijke voorbereiding is gebleven. Met het oog op het belang van vrije ambtelijke meningsvorming en de bescherming van het interne besluitvormingsproces leent het document zich niet voor openbaarmaking.
Bent u bereid de ongelakte versie van de mail van 4 april 2022 met onderwerp «FW: Achtergrondinformatie bij mondelinge vraag van het lid VAN MEIJEREN (FvD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht (zwartgelakt)» alsook de ongelakte versie van de bijlage met titel «Achtergrondinformatie digitaal 20220304.docx», van DGRR Parlementair – DGRR/BJZ met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de ongelakte versie van de mail van 4 april 2022 met onderwerp «concept Q&A (zwartgelakt) (input DGPenV volgt)», van (zwartgelakt), BD/DJOA/JBOZ met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de ongelakte versie van de mail van 5 april 2022 met onderwerp «FW: stukken zijn aangepast in de werkstroom» alsook de ongelakte versie van de bijlage met titel «concept Q en A (zwartgelakt) nieuw 05042022.docx», van (zwartgelakt), (zwartgelakt), – BD/DJOA/JBOZ met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid toelichting te geven op het besluit om aan Officier van Justitie M.G. Vreugdenhil de zaak tegen de heer W.C. Engel (parketnummer: 22-0002930-23) toe te kennen, alsook het besluit om haar per 16 maart 2022 van deze zaak af te halen? Zo nee, waarom niet?
U vraagt mij in te gaan op een individuele lopende strafzaak en de verdeling van zaken binnen het OM. Als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik niet over de verdeling van zaken binnen het OM. Ik ben dan ook niet betrokken bij afwegingen over de inzet van officieren van justitie. Die afwegingen maakt het OM zelfstandig.
Ik hecht eraan hieraan toe te voegen dat ik het uit eerbied voor de persoonlijke levenssfeer van officieren van justitie niet vind passen dat zij met naam en toenaam in Kamerstukken worden genoemd.
Bent u bereid alle communicatie met en van Officier van Justitie M.G. Vreugdenhil in relatie tot de de heer W.C. Engel, VirusWaarheid, VirusWaanzin alsook de communicatie in relatie tot het onderwerp «desinformatie» met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Los van het feit dat ik niet over dit soort stukken beschik, vind ik het ook onwenselijk dergelijke informatie met de Kamer te delen, gezien het feit dat deze zien op een individuele strafzaak.
Bent u bereid de publicaties «Veiligheidsbeelden CTER» (ContraTerrorisme, Extremisme en Radicalisering) van 2019, 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
De Veiligheidsbeelden CTER worden door de politie opgesteld voor analysedoeleinden. Dit betreft gerubriceerde informatie van de politie. Ik heb op 17 december 2024 het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) naar uw Kamer gestuurd.3 Het DTN heeft als doel om partners en publiek bewust te maken van de actuele dreiging. Graag verwijs ik u naar deze rapportages.
Erkent u dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen bevoegdheid heeft om herleidbare persoonsgegevens te publiceren?
Ten aanzien van het verwerken van persoonsgegevens door de NCTV geldt dat hierover op verschillende momenten met uw Kamer is gecommuniceerd.4 Dit heeft geleid tot de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid, waarin de coördinatietaak van de NCTV is afgebakend en vastgelegd. Onlangs heeft de Raad van State advies uitgebracht over het Besluit coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid. Op dit moment wordt het advies bestudeerd.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat de NCTV in interne publicaties herleidbare persoonsgegevens heeft gebruikt? Indien u deze vraag bevestigend beantwoordt, kunt u toelichten waarom de NCTV hiertoe besloten heeft?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de ongelakte versie van de interne publicatie van de NCTV van 6 april 2022 met onderwerp «Signalement terrorisme en radicalisering 3/2022» met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Bijgaand treft u het Signalement terrorisme en radicalisering 3/2022, behoudens zoals gebruikelijk persoonsgegevens van niet publieke personen, overleden mensen en bronvermelding.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat er in de periode van 2019 tot heden vanuit de Minister, het parket of Hoofdofficier van Justitie, formele of informele, directe of indirecte, aanwijzingen tot vervolging of juist zodanige aanwijzingen tot niet-vervolging ondanks dat (mogelijk) sprake was van strafbare feiten, zijn gegeven? Indien sprake is geweest van zodanige aanwijzingen, bent u bereid deze – desnoods geanonimiseerd – met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan u bevestigen dat ik op geen enkele wijze het verloop van een strafrechtelijk onderzoek heb getracht te beïnvloeden. Of er in een bepaalde zaak vervolging wordt ingesteld is aan het OM; meer in het bijzonder aan de desbetreffende officier van justitie. Ik meng mij niet in de vervolgingsbeslissingen van het OM en er is geen aanleiding om te vermoeden dat dit voor mijn ambtsvoorgangers anders was in de door u genoemde periode.
Bent u bereid om, voor zover het belang van de staat zich verzet tegen het aan de Kamer doen toekomen van de hiervoor bedoelde documenten of delen daarvan, de belangenafweging zo volledig en zorgvuldig mogelijk toe te lichten?
Ik heb bij de beantwoording van de vragen steeds geprobeerd mijn belangenafweging op zorgvuldige wijze weer te geven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Christenvervolging in de Democratische Republiek Congo |
|
Joost Eerdmans (JA21), Isa Kahraman (CDA), Henk Vermeer (BBB), Don Ceder (CU), Derk Boswijk (CDA), Eric van der Burg (VVD), Chris Stoffer (SGP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «70 mensen onthoofd gevonden in kerk Congo»1 en «D.R. Congo: 70 mensen onthoofd gevonden in Kerk in Kasanga»2?
Ja.
Spreekt u met ons uw afschuw uit over deze bloedige aanval?
Ja. Het kabinet veroordeelt geweld tegen religieuze minderheden. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 24 februari jl. heb ik aandacht gevraagd voor deze vreselijke gewelddaad.
De Democratische Republiek Congo staat op nummer 35 van de Open Doors Ranglijst, welke inzet heeft u en heeft de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging om daar christenvervolging tegen te gaan?
In de Democratische Republiek Congo (DRC) worden christenen niet door de overheid gediscrimineerd en spelen de verschillende kerken een grote rol in het openbare leven. Bovengenoemd geweld komt voort uit de activiteiten van gewapende groepen in Oost-Congo. Zodoende ziet het kabinet het bereiken van een duurzame vrede in Oost-Congo als belangrijkste uitdaging om geweld tegen christenen te voorkomen. Inzet van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging in de DRC heeft naar mening van het kabinet vanuit dit perspectief op dit moment niet meteen toegevoegde waarde. Wel wordt er op ambtelijk niveau gesproken over dit thema met belangrijke religieuze en politieke leiders in de DRC. Het kabinet blijft de ontwikkelingen scherp volgen en zal indien nuttig en nodig de inzet van de Speciaal Gezant in de toekomst niet schromen.
Staan de Allied Democratic Forces (ADF) reeds op de Europese terreurlijst? Zo nee, bent u bereid daarvoor te pleiten, zeker gezien hun registratie in de kennisbank terroristische organisaties3?
De Allied Democratic Forces staan niet op de Europese terrorisme-sanctielijst. Ik ben bereid te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om deze groep op de Europese terrorisme-sanctielijst of de Europese ISIS/Al-Qaida sanctielijst te plaatsen. De groep is zeer versplinterd en ADF-leiders zien streng toe op de informatie die over de organisatie naar buiten komt, zoals de Kennisbank Terroristische Organisaties van de NCTV ook aangeeft.
Is bekend of er buitenlandse steun of steun van andere landen is voor de ADF? Zo ja, welke landen en bent u bereid die landen aan te spreken?
Hierover is op dit moment geen informatie bekend. Ook hiervoor geldt dat het ADF leiderschap streng toeziet op de informatie die naar buiten komt.
Welke steun kan Nederland of de Europese Unie (EU) in de Democratische Republiek Congo leveren om straffeloosheid tegen te gaan, zowel bij deze aanval als bij vele andere mensenrechtenschendingen?
De Congolese staat oefent beperkte controle uit over de regio’s waar de ADF actief zijn. Het herstellen van het staatsgezag zal een cruciale voorwaarde zijn om de straffeloosheid te bestrijden die op dit moment in deze regio’s plaatsvindt. Nederland en de EU roepen op tot steun voor de vredesprocessen die erop gericht zijn de gewapende groepen in Oost-Congo de wapens neer te laten leggen.
Sinds 2015 draagt Nederland middels programma’s bij aan het versterken van het staatsgezag door middel van het verbeteren van veiligheidsbeleid op lokaal niveau in Oost-DRC en de bredere regio.
Nederland zetelt in de Verenigde Naties mensenrechtenraad, ziet u de mogelijkheid om christenvervolging in de VN aan te kaarten? Ziet u ook de mogelijkheid om de gewelddadige opmars van M23 en mensenrechtenschendingen daar te adresseren?
Nederland steunde op 7 februari jl. de speciale zitting van de VN Mensenrechtenraad over DRC, waarbij een tweetraps-onderzoeksmechanisme werd opgezet voor onderzoek naar mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal humanitair recht in de periode vanaf januari 2025 in de provincies Noord- en Zuid-Kivu. Het VN Kantoor voor de Mensenrechten zal onmiddellijk van start gaan met dit onderzoek, gevolgd door een aanvullend onderzoek door een onafhankelijke Fact Finding Mission. Tijdens de zitting sprak de EU een verklaring uit waarin het de mensenrechtendingen in de DRC veroordeelde. Deze verklaring werd door Nederland gesteund.
Hoe kijkt u naar een speciale VN-resolutie op het gebied van religie in conflict en vrede, zoals er een landmark VN-resolutie 1325 is rond Women, Peace and Security?
Een nieuwe resolutie via de VN Veiligheidsraad, zoals de VN-resolutie 1325 (Women, Peace and Security), vereist de benodigde steun van de leden van de VN Veiligheidsraad. Mede gezien de geopolitieke ontwikkelingen en de polarisatie binnen de VN Veiligheidsraad, acht ik een dergelijke overeenstemming weinig waarschijnlijk.
Tijdens de 58ste zitting van de Mensenrechtenraad dit jaar heeft de EU opnieuw een resolutie ingediend over vrijheid van religie en levensovertuiging, waarin religieuze haat, discriminatie en geweld worden veroordeeld. Ook de Organisation of Islamic Cooperation (OIC) dient regelmatig een resolutie in op het gebied van religie en levensovertuiging. Terwijl de EU in haar resolutie nadruk legt op het individuele recht op vrijheid van religie, richt de OIC zich op bescherming van religies, soms ten koste van vrijheid van meningsuiting. Hoewel de EU en de OIC elkaars visie niet volledig onderschrijven, bestaat er een evenwicht dat ervoor zorgt dat beide resoluties meestal unaniem worden aangenomen. Een aanvullende resolutie over religie in conflict en vrede zou dit evenwicht kunnen verstoren en mogelijk kunnen leiden tot een minder gewenst eindresultaat voor Nederland en de EU.
Het bericht dat het aantal gemeentelijke meldpunten (kliklijnen) voor uitkeringsfraude blijft stijgen. |
|
Merlien Welzijn (NSC), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal gemeentelijke kliklijnen voor uitkeringsfraude gestegen is en dat inmiddels 208 gemeenten gebruik maken van een kliklijn?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Deelt u de mening dat na de evaluatie van de huidige Participatiewet en de nodige vernietigende rapporten over de uitvoeringspraktijk, de overheid vanuit een ander mensbeeld moet opereren en dat met de invoering van nieuwe wetgeving uitgegaan moet worden van vertrouwen in plaats van wantrouwen en van een reëel mensbeeld?
In de probleemanalyse van de Participatiewet die het kabinet op 16 december jl met uw Kamer heeft gedeeld, wordt inderdaad geconstateerd dat de Participatiewet niet aansluit bij wat mensen nodig hebben en bij wat we van mensen kunnen verwachten. Het kabinet wil mensen niet vanuit wantrouwen, maar vanuit vertrouwen tegemoet treden. Deze insteek heeft het wetsvoorstel Participatiewet in balans, en ook het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid. Er moet ruimte zijn om de mens achter de uitkering te zien en die niet af te rekenen op een enkele fout. Met de genoemde wetsvoorstellen krijgen bestuursorganen de mogelijkheden en ruimte om op deze manier te werken.
Welk mensbeeld schuilt er achter de groei van deze anonieme kliklijnen en hoe verhoudt zich dit met de lessen die geleerd zijn uit de evaluatie van de huidige Participatiewet?
Uit onderzoek blijkt dat verreweg de meeste mensen de regels en verplichtingen van wet- en regelgeving willen naleven. Met Participatiewet in balans en het nieuwe handhavingsstelsel dat in de maak is, wordt meer uitgegaan van vertrouwen. Dat betekent echter niet dat misbruik in het geheel niet voorkomt. Voor het maatschappelijk draagvlak van de sociale zekerheid is het van belang dat mensen die een uitkering nodig hebben deze kunnen ontvangen, maar ook dat misbruik van de sociale zekerheid wordt voorkomen en bestreden. Als iemand misbruik maakt van het socialezekerheidsstelsel, verwacht de maatschappij dat de overheid responsief optreedt. Handhaving is dus noodzakelijk.
Dat wil niet zeggen dat bij handhaving geen oog kan zijn voor de mens achter de uitkering. In het nieuwe handhavingsstelsel is er meer begrip en aandacht voor de realiteit dat mensen (al dan niet tijdelijk) in de problemen kunnen komen. De ingewikkelde wet- en regelgeving, de zelfredzaamheid die van mensen wordt verwacht en de mate waarin zij daaraan kunnen voldoen, worden daarbij steeds meer belicht. Hoewel er nog steeds breed draagvlak is voor handhaving van misbruik van uitkeringen, vinden de meeste mensen ook dat daar waar een foutje gemaakt is, hier in de sanctionering rekening mee moet worden gehouden. Het nieuwe handhavingsstelsel dat in de maak is geeft hier uiting aan.
Wat betreft meldpunten zijn gemeenten (deels) verantwoordelijk voor het invullen van hun eigen handhavingsbeleid. Het gebruik van een meldpunt, waarbij dus gebruik wordt gemaakt van signalen vanuit de eigen inwoners, kan door een gemeente worden gezien als een effectief handhavingsmiddel. Zoals ik aangeef in de beantwoording van de vragen van de Kamerleden Van Kent en Van Nispen is er geen brede ervaring dat het hebben van een meldpunt de werking heeft dat mensen elkaar met meer wantrouwen of minder vertrouwen tegemoet treden en dat mensen actief op zoek gaan naar signalen van misbruik en/of oneigenlijk gebruik van sociale regelingen2. Het bestaan van meldpunten is enkel en alleen een handhavingsmiddel en doet dus niets af aan de lessen die geleerd zijn uit de evaluatie van de huidige Participatiewet, namelijk uitgaan van meer vertrouwen in de burger en een positief mensbeeld.
Wat vindt u van het voorbeeld van een stad als Rotterdam, waar 710 fraudemeldingen binnen zijn gekomen via een anonieme kliklijn, waarvan meer dan driekwart op geen enkele manier fraude blijkt te zijn en ruim 532 mensen valselijk zijn beticht van fraude?
Gemeenten mogen deels hun eigen handhavingsbeleid invullen. Zij bepalen dus zelf of een meldpunt wenselijk is en beoordelen ook zelf of het een doelmatig instrument is. Ik vind het hierbij belangrijk te benadrukken dat gemeenten na een melding bezien of de melding onderzoekswaardig is. Op het moment dat een onrechtmatigheid vermoed of geconstateerd wordt, doet een gemeente aanvullend onderzoek, waarbij zorgvuldigheid en proportionaliteit voorop staan. Indien uit onderzoek blijkt dat er niets aan de hand is geweest heeft de melding uiteraard geen gevolgen voor de betrokkene.
Deelt u de mening dat dit laat zien dat we in de praktijk nog mijlenver af staan van het mensbeeld dat uitgangspunt moet zijn van de nieuwe Participatiewet? Kunt u hierop reflecteren en aangeven hoe u gaat zorgen voor een cultuurverandering bij de uitvoerende organisaties?
De basis van de Participatiewet en ons sociale stelsel is solidariteit met elkaar en het is belangrijk dat het maatschappelijk draagvlak blijft bestaan. Voor het maatschappelijk draagvlak van de sociale zekerheid is het van belang dat mensen die een uitkering nodig hebben deze kunnen ontvangen, maar ook dat misbruik van de sociale zekerheid wordt voorkomen en bestreden. Handhaving gaat over het controleren of aan de verplichtingen binnen een uitkering voldaan wordt, en of mensen op rechtmatige basis een uitkering ontvangen.
In het programma Participatiewet in Balans en het nieuwe handhavingsstelsel dat in de maak is, staan vertrouwen, menselijke maat en eenvoud centraal. Het wetsvoorstel Participatiewet in balans is eind 2024 naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit wetsvoorstel bevat meer dan 20 maatregelen die de uitvoering helpen om de regels en ondersteuning van de Participatiewet beter te laten aansluiten op wat mensen nodig hebben (Spoor3. Het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid ligt momenteel bij de Raad van State. Door deze wettelijke wijzigingen wordt een cultuurverandering bij uitvoerende organisaties mogelijk gemaakt.
Gelijktijdig is in 2024 gestart met het faciliteren van gemeenten bij de beweging richting uitvoering vanuit vertrouwen, menselijke maat en eenvoud zodat inwoners zich gehoord, begrepen en geholpen voelen (Spoor4. Dit doe ik samen met de VNG, Divosa, SAM, EAPN, de LCR en individuele gemeenten. Een belangrijk onderdeel van spoor 3 is het oprichten van leernetwerken voor en door uitvoerend professionals, leidinggevenden en bestuurders. In deze netwerken worden onder andere goede voorbeelden gedeeld.
Hoe ziet u deze inefficiënte inzet van ambtenaren in het licht van gemeenten die aangeven dat zij teveel taken hebben? Is dit niet een taak waar ze per direct mee moeten stoppen?
Handhaving is van belang in de sociale zekerheid. Ik onderschrijf volmondig dat we mensen met vertrouwen tegemoet moeten treden: we gaan ervan uit dat mensen een uitkering aanvragen omdat zij die nodig hebben en niet om misbruik te maken van de sociale zekerheid. Tegelijk blijven we alert op misbruik en treden we op als hier sprake van is met passende handhaving. Hierbij moet er ook oog zijn voor de mens achter de uitkering. Ik zie handhaving daarom niet als een inefficiënte inzet van ambtenaren, maar als een kerntaak die van belang is voor het maatschappelijk draagvlak van de sociale zekerheid. Meldpunten vormen een van vele instrumenten die gemeenten inzetten om die handhavingstaak vorm te geven.
Kunt u de Kamer informeren over het precieze aantal anonieme kliklijnen en hoeveel meldingen van vermoedens van fraude zijn binnengekomen en hoeveel daarvan net als in Rotterdam een wantrouwende, inefficiënte taakverrichting betreft en hoeveel deze activiteit de gemeenten in kwestie heeft gekost?
Ik beschik niet over de gevraagde gegevens. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op vragen 2, 4, 5 en 6 van set 2025Z03090.
Wilt u deze vragen volledig en één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'De impact van vervuilende industrie op burgers en overheden' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Ziet u net zoals het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat klimaatverandering een effect zal hebben op de gezondheid van Nederlanders en wat zijn volgens u de grootste risico's voor de gezondheid van Nederlanders als het gaat om klimaatverandering?1
De effecten van klimaatverandering op onze gezondheid, die het RIVM in beeld heeft gebracht, zijn mij bekend. De grootste risico’s voor de gezondheid in Nederland zitten in een toename in hitte, met onder andere meer risico op hart- en vaataandoeningen als gevolg. Daarnaast zijn er risico’s voor de gezondheid door meer blootstelling aan UV-straling, door een langer seizoen met meer pollen in de lucht, door meer en andere infectieziekten vanuit de leefomgeving en door de effecten van klimaatverandering op mentale gezondheid.
Deelt u de zorgen dat door klimaatveranderingen een gezonde leefomgeving steeds verder wordt aangetast, zoals een gebrek aan schone lucht of schoon drinkwater?
Ik deel de zorgen dat een gezonde leefomgeving steeds meer onder druk komt te staan. De Wereldgezondheidsorganisatie noemde dat eerder de «triple crisis» van klimaatverandering, milieuvervuiling en verlies aan biodiversiteit. Een voor de mens gezonde leefomgeving is afhankelijk van een balans in de uitstoot in onze leefomgeving en wat onze planeet daarvan kan compenseren. Te veel uitstoot kan ons klimaat verstoren, heeft impact op de luchtkwaliteit en impact op de beschikbaarheid van veilig drinkwater.
Wat zijn de effecten van de grootste CO2 uitstoters in de grootste industrieclusters, te weten Rotterdam-Moerdijk, Groningen, Limburg, Noord-Holland en Zeeland/West-Brabant?
De uitstoot van CO2 geldt op zich niet als een gezondheidsrisico. Uitstoot van CO2 wordt als maat gehanteerd voor de bijdrage aan klimaatverandering. Andere uitstoot van de industrie en zaken als geluidsoverlast en trillingen kunnen echter wel gezondheidseffecten hebben. Dat varieert per industrieel complex en is ook afhankelijk van de lokale omstandigheden, zoals wind en de hoeveelheid mensen die dagelijks wordt blootgesteld aan uitstoot. In zijn algemeenheid is er daardoor geen uitspraak te doen over de effecten van deze industrieclusters. De vergunningverlening, handhaving en toezicht op de grote industrieclusters zijn regionaal georganiseerd bij de provincies en omgevingsdiensten en advisering over gezondheidsrisico’s aan de gemeenten wordt regionaal gedaan door de GGD’en. Daarnaast heeft het RIVM recent een rapport gepubliceerd over de gezondheidsgevolgen van Tata Steel Nederland in Noord-Holland2 en in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden laat het kabinet ook onderzoek doen naar de situatie rond Chemelot in Limburg.3
Welke acties onderneemt u richting uw collega-Minister van Klimaat en Groene Groei en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat om ervoor te zorgen dat omwonenden van de grote uitstoters kunnen rekenen op een gezonde leefomgeving?
De Minister van KGG is inderdaad verantwoordelijk voor de verduurzaming van de industrie. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is verantwoordelijk voor het milieubeleid, waaronder de bescherming van de gezondheid van omwonenden. Conform het verzoek van de Tweede Kamer neemt VWS deel aan de besprekingen over de maatwerkafspraken voor verduurzaming van Tata Steel Nederland. Daarnaast werkt VWS mee aan de Actieagenda Industrie en Omwonenden, onder andere door te verkennen of de rol van de GGD’en bij besluitvorming in de leefomgeving versterkt kan worden. Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden brengen we acties in kaart die kunnen zorgen dat omwonenden van industriële gebieden zich beter gehoord voelen, dat gezondheidszorgen beter geadresseerd worden en dat dit eventueel op gepaste wijze verankerd wordt in wet- en regelgeving. Deze agenda, gebaseerd op aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV), richt zich op het laten meewegen van gezondheid in beslissingen rondom industrie en gezonde leefomgeving. Zo werken we aan een gezondere en veiligere leefomgeving voor iedereen, waarin ook economische activiteiten op groene en schone wijze kunnen plaatsvinden.
Wat zijn de gezondheidseffecten van langdurig verblijven of wonen in de buurt van drukke wegen met veel uitstoot? Wat zijn de gezondheidseffecten van zero-emissie zones?
Er zijn verschillende negatieve gezondheidseffecten van langdurig verblijven of wonen in de buurt van drukke wegen. De hogere concentraties van luchtvervuiling (fijnstof, stikstofdioxide) afkomstig van het wegverkeer kunnen leiden tot luchtwegaandoeningen zoals COPD en astma, (long)kanker en hart- en vaatziekten. Daarnaast kan de geluidshinder van het verkeer ook leiden tot verhoogde bloeddruk, stress en slaapverstoring. Daarom adviseert de GGD gemeenten om in hun ruimtelijke ordening extra afstand te houden tussen (drukke) wegen en locaties waar hooggevoelige groepen, zoals kinderen en ouderen, langdurig verblijven.4 Ook moeten gemeenten die verbonden zijn aan het Schone Lucht Akkoord beleid maken ter bescherming van gevoelige groepen.5
In 2019 is onderzocht wat de kosten en baten van nul-emissiezones voor stadslogistiek kunnen zijn. Daaruit is gebleken dat dankzij deze zones de emissies van fijnstof en stikstofdioxide met 44% zouden dalen ten opzichte van de uitstoot in 2030. Uit hetzelfde onderzoek bleek dat de geluidshinder zou afnemen (–0,5 tot –2,0 dB). De maatschappelijke waarde gepaard aan de reducties loopt op in de tientallen miljoen euro’s volgens het onderzoek6. Later dit jaar zal het Ministerie van IenW een actualisatie van dit onderzoek uitbrengen met de recentste cijfers.
Welke acties onderneemt u richting de bewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat om de leefomgeving van mensen te verbeteren?
De bewindslieden van IenW zijn onder andere verantwoordelijk voor het landelijke beleid ten aanzien van weg-, water- en luchtverkeer en het milieu. Als ik gezondheidsvragen heb over die onderwerpen, neem ik contact met hen op.
Wat zijn volgens u de gezondheidseffecten als gevolg van slechte huisvesting, bijvoorbeeld door een slecht geïsoleerd en/of gebouwd huis?
Er is voor zover bij mij bekend geen algemeen cijfer beschikbaar voor gezondheidseffecten als gevolg van slechte huisvesting. In de Volksgezondheid Toekomst Verkenning van 2024 heeft het RIVM berekend dat 0,6 procent van de ziektelast in Nederland veroorzaakt wordt door het binnenmilieu.7 Dat gaat echter ook over factoren die niet gerekend kunnen worden tot slechte huisvesting. Verschillende zaken in huis, op school en op het werk kunnen gezondheidsgevolgen hebben, zoals slechte luchtkwaliteit, straling, loden leidingen, huismijt, hitte en schimmel. Zorgen over de kwaliteit van de huisvesting kunnen ook stress en bijbehorende gezondheidsklachten veroorzaken. In een deel van de gevallen zijn dat soort factoren toe te rekenen aan de kwaliteit van de huisvesting, maar het wordt ook beïnvloed door gedrag van de bewoners, zoals onjuist of onvoldoende gebruik van ventilatie, zonwering en verwarming, roken in huis, schoonmaken, houtstook en het gebruik van vervuilende apparatuur en chemische stoffen in huis.
Welke acties onderneemt u richting uw collega-Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om de leefomgeving van mensen in slechte woningen te verbeteren?
De Minister van VRO is onder andere verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van voldoende woningen en de bouwregelgeving. Als er gezondheidsvragen zijn die gerelateerd zijn aan de bouwregelgeving of de kwaliteit van de bestaande gebouwde omgeving bespreek ik die met mijn collega.
Deelt u de zorgen dat door klimaatveranderingen er steeds grotere kans is op zoönose en andere overdraagbare aandoeningen?
Ja, ik deel deze zorgen. In het rapport Zoönosen in het vizier van de Expertgroep zoönosen maar ook door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) wordt vastgesteld dat door klimaatverandering bestaande infectieziekten kunnen verergeren en nieuwe infectieziekten kunnen opkomen.8 Dit hangt samen met het feit dat veel ziekteverwekkers klimaatgevoelig zijn, maar ook met bepaalde risicofactoren, zoals hittegolven of overstromingen, die door klimaatverandering vaker gaan voorkomen. Daarnaast kan klimaatverandering leiden tot verandering van gedrag van mensen. Als er bijvoorbeeld vaker sprake is van warm weer, kan het zo zijn dat mensen verkoeling zoeken in (met ziekteverwekkers) verontreinigd water. In Nederland is nog weinig onderzoek gedaan naar infectieziekten in de context van klimaatverandering. Voor veel infectieziekten is het dus moeilijk om te zeggen wat hier het effect van klimaatverandering zal zijn. Wel weten we dat klimaatverandering niet op alle infectieziekten of blootstellingsroutes een even groot effect zal hebben. Met de acties uit het Nationaal Actieplan versterken zoönosenbeleid9 en de evaluatie en de aanpassing van de Nationale Adaptatiestrategie10 werken we aan kennis en handvatten om die nieuwe risico’s in kaart te brengen en waar nodig te beperken.
Kunt u aangeven op welke wijze Nederland is voorbereid op een nieuwe pandemie en hoe dit strookt met de voorgenomen bezuinigingen op pandemische paraatheid?
Er is in de afgelopen jaren hard gewerkt aan het verbeteren van onze pandemische paraatheid. Denk aan de oprichting van de Landelijke Functie Opschaling Infectieziektebestrijding (de LFI), de initiatieven om de GGD’en en het RIVM te versterken en het ICT-landschap te verbeteren en de verschillende kennis- en onderzoeksprogramma’s die zijn opgezet. We zijn dus goed op weg, maar we zijn er nog niet. We moeten paraat staan voor allerlei crises die op ons afkomen, zoals hybride conflicten, pandemieën of een natuurramp. Deze dreigingen vragen om versterking van de weerbaarheid van onze zorg. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid wordt in de komende maanden verder uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie. De maatregelen die bijdragen aan pandemische paraatheid, waaronder het versterken van de GGD’en, fungeren als fundament voor basisnoodzorg bij crisis en conflict en zullen hier dan ook bij worden betrokken. Zoals ik eerder heb aangegeven wordt gezocht naar middelen hiervoor. Daar is tijd voor nodig en ik kan u dan ook nu niet meer informatie geven dan dat ik verwacht medio 2025 meer duidelijkheid te hebben over de middelen voor 2026 en verder.
Welke plannen heeft u om op Europees vlak samen te werken om gezondheidsschade door klimaatveranderingen aan te pakken?
Het kabinet werkt op meerdere manieren internationaal samen om gezondheidsschade door klimaatverandering te beperken. Op Europees niveau gebeurt dat met name met de Europese Unie en met WHO Europe, de Europese afdeling van de Wereldgezondheidsorganisatie. Zoals u ongetwijfeld weet, zijn op Europees niveau afspraken gemaakt over de inzet van de lidstaten om verdere klimaatverandering zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over de ondersteuning vanuit de EU en de samenwerking tussen lidstaten bij de omgang met gevolgen van klimaatverandering, waaronder gezondheidsgevolgen.11 Hierbij gaat het mede over het versterken van het «Early Warning and Response System» voor klimaatgerelateerde gezondheidsdreigingen, om adequaat te kunnen reageren op grensoverschrijdende gezondheidsdreigingen.12 Veel kennis over klimaatverandering en gezondheid wordt verzameld bij de European Climate and Health Observatory, waar Nederland ook gebruik van maakt.13 Ook werken we op Europees niveau samen aan de implementatie van de resolutie over klimaatverandering en gezondheid die is aangenomen op de World Health Assembly in 2024 en het bijbehorende wereldwijde actieplan.14 Met WHO Europe heeft Nederland in 2023 de zogenoemde Boedapest-verklaring ondertekend, waarin ook afspraken zijn opgenomen over de inzet van lidstaten voor klimaat en gezondheid.15 Daarbij is ook een partnership gestart met Europese landen voor Health Sector Climate Action, waarin Nederland kennis uitwisselt met andere Europese landen over de aanpak.
Zit u aan tafel bij de totstandkoming van het klimaatpakket van Minister Hermans? Welke acties onderneemt u verder interdepartementaal om ervoor te zorgen dat de luchtkwaliteit zal verbeteren voor de gezondheid van mensen?
Ja. VWS is, net als andere ministeries, betrokken bij totstandkoming van het klimaatbeleid, dat vanuit het kabinet wordt gecoördineerd door de Minister van Klimaat en Groene Groei. Bij de totstandkoming van klimaatbeleid heeft VWS drie aandachtspunten. Ten eerste dat het beleid ondersteunend is aan het verduurzamen van de (publieke) zorg en welzijn. De zorg in Nederland is goed voor 7% van de nationale broeikasgasuitstoot en er liggen veel kansen om efficiënter en spaarzamer met grondstoffen en energie om te gaan. Bijvoorbeeld door verspilling aan te pakken. Dat draagt ook bij aan de betaalbaarheid van de zorg. Ten tweede dat klimaatbeleid de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van (publieke) zorg en welzijn niet onbedoeld onder druk zet. Ten derde dat zowel kansen als risico’s voor volksgezondheid worden meegewogen in het beleid. Zo is in het Regeerprogramma afgesproken dat de maatwerkaanpak voor verduurzamen van de industrie niet alleen moet bijdragen aan verduurzamen en extra CO2-reductie, maar ook aan een gezondere leefomgeving.
De luchtkwaliteit in Nederland wordt steeds beter, wat ervoor zorgt dat mensen in Nederland langer leven én in goede gezondheid. Maar luchtvervuiling blijft een van de grootste negatieve risicofactoren voor de gezondheid van mensen in Nederland. De kwaliteit van de buitenlucht in Nederland is een beleidsverantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voert daar veel activiteiten voor uit, waaronder de vaststelling van Europese normen voor buitenluchtkwaliteit, het Schone Lucht Akkoord en specifieke programma’s om bijvoorbeeld de blootstelling aan chemische stoffen terug te dringen. Het Ministerie van VWS werkt aan veel van die programma’s mee.
Kunt u toelichten hoe alle bovenstaande omschreven acties stroken met de bezuinigingen op de GGD en preventiemaatregelen?
Voor een deel van de onderwerpen die in uw vragen worden genoemd geldt dat beleid niet wordt gefinancierd vanuit het budget van publieke gezondheid, maar vanuit de begrotingen van andere ministeries. In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat SPUK-gelden worden overgeheveld naar het gemeentefonds met een algemene korting en dat er een algemene korting op subsidies plaatsvindt. Dat betekent dat er een herprioritering op preventie heeft plaatsgevonden. Daartegenover staat dat mensen in de komende jaren minder geld kwijt zullen zijn voor hun eigen risico als zij gebruik maken van zorg. Voor pandemische paraatheid verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Één- of tweevakkigheid van de tweedegraads lerarenopleidingen |
|
Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat waren in 1968 bij de invoering van de Mammoetwet de overwegingen op grond waarvan de geprofessionaliseerde nieuwe lerarenopleidingen (nlo’s) voor het voortgezet onderwijs in vierenhalf jaar voor twee vakken voor het tweedegraadsgebied opleidden en wat waren in 1989 de overwegingen op grond waarvan deze zogenoemde tweevakkigheid werd opgeheven en de tweedegraads lerarenopleidingen voortaan nog maar opleidden voor onderwijsbevoegdheid voor één vak?
De Mammoetwet ambieerde betere doorstroommogelijkheden in het onderwijs, talentontwikkeling en gelijke kansen; onderwijs met een emancipatoire functie. Deze onderwijsvernieuwing leidde tot andere lesinhouden en werkwijzen, die de leerling centraler beoogden te zetten. Onderwijsvernieuwers waren er destijds van overtuigd dat dit nieuwe onderwijs niet waargemaakt kon worden door leraren die voornamelijk vakinhoudelijk gericht waren.
Daarom werd in 1970 gestart met de invoering van de Nieuwe Leraren Opleiding (NLO). De NLO had een vernieuwend en experimenteel karakter en moest meer ruimte bieden aan pedagogische en didactische ontwikkeling en minder aan vakinhoud. Doordat de structuur van de opleiding werd aangepast ontstond binnen de NLO ruimte om op te leiden tot een tweedegraads bevoegdheid in één vak (het hoofdvak) en een derdegraads bevoegdheid in een tweede vak (het bijvak). Overigens bleven tegelijkertijd ook de zogenoemde MO-akten1 bestaan en groeiden zelfs. Er bleven dus twee systemen naast elkaar bestaan.2
In 1988 kwam de «Commissie Structuur van de NLO-opleidingen» met het advies terug te keren naar de «eenvakkigheid». De commissie noemde hiervoor meerdere redenen:
Het systeem voldeed daarmee niet aan de eigen vernieuwende doelstelling. In 1989 leidde dit tot het tweebevoegdhedenstelsel.3
Klopt het beeld dat in sommige andere Europese landen, zoals Duitsland, leraren nog altijd worden opgeleid voor het onderwijzen van twee vakken?
Het klopt dat er landen in Europa zijn die studenten opleiden voor een bevoegdheid in twee vakken, bijvoorbeeld in Duitsland, Denemarken en in België. De verschillen tussen de inrichting van de onderwijsstelsels in de landen in Europa zijn echter groot en dit geldt tevens voor de inrichting van de lerarenopleidingen in die landen.
Hoe beoordeelt u in het licht van de aanhoudende kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekorten voor het schoolvak Duits de oplossing die de Hogeschool Utrecht heeft bedacht: een dubbele bevoegdheid voor studenten geschiedenis en Duits?1
Ik sta positief tegenover initiatieven die – binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van het waarborgen van de kwaliteit – bijdragen aan het terugdringen van het lerarentekort. Het huidige tweebevoegdhedenstelsel biedt mogelijkheden voor het opleiden tot een dubbele bevoegdheid. Zoals de «Commissie Structuur van de NLO-opleidingen» al constateerde, past dit alleen niet in een vierjarig programma. Dit betekent in de praktijk dat opleidingen en studenten geconfronteerd worden met extra kosten, omdat opleiden voor een dubbele bevoegdheid voor beide partijen een aanvullende inspanning vereist. Studenten staan langer ingeschreven om een tweede bevoegdheid te kunnen halen en betalen langer collegegeld. Onderwijsinstellingen krijgen in veel gevallen geen extra bekostiging voor de langere inschrijvingsduur, maar vangen de extra kosten op in hun begroting.
Het vormgeven van opleidingstrajecten die voldoen aan de bekwaamheidseisen en de kennisbasis én opleiden tot een dubbele bevoegdheid kan een bijdrage leveren aan terugdringen van tekorten, met name voor de tekortvakken.
Daarom waardeer ik het feit dat de Hogeschool Utrecht anderhalf jaar lang heeft gewerkt aan het vormgeven van deze opleiding, die leidt tot een dubbele bevoegdheid. Er zijn overigens ook andere instellingen die opleidingen verzorgen tot een dubbele bevoegdheid, met name voor de tekortvakken (wiskunde en Nederlands).
Bent u bereid om de mogelijkheid van tweevakkigheid van tweedegraads lerarenopleidingen te betrekken bij de uitvoering van de motie van het lid Pijpelink, waarmee de Kamer de regering verzocht om het voortdurend nijpende lerarentekort het hoofd te bieden met een noodplan voor de duur van minstens vijftien jaren?2 Zo ja, op welke termijn gaat u hieraan gestalte geven? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet alles op alles om de tekorten in het onderwijs aan te pakken. Samen met het onderwijsveld komen de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik daarom tot een «Herstelplan Kwaliteit Onderwijs», waarmee we inzetten op:
Zoals ik bij het antwoord op vraag 3 aangaf is tweevakkig opleiden al mogelijk. Het is aan de instellingen om te beslissen of ze deze opleidingsmogelijkheid willen bieden en er instellingsbudget voor vrijgemaakt wordt. Ik ben mij er daarbij van bewust dat opleidingen en studenten dan geconfronteerd kunnen worden met hogere kosten. In het algemeen is het voor hogescholen en universiteiten financieel ingewikkeld om dit type vaak kleinschalige opleidingsroutes te ontwikkelen en te behouden.
Het bericht 'Nederland geeft roofkunst terug aan Nigeria: Herstel van historisch onrecht' |
|
Joost Eerdmans (JA21), Chris Stoffer (SGP) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland geeft roofkunst terug aan Nigeria: «Herstel van historisch onrecht»»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland 113 beelden teruggeeft aan de Nigeriaanse overheid, maar dat onbekend is waar de kunst naartoe gaat? Kunt u uitleggen waarom er bij zulke kostbare kunstobjecten niet meer door u gestuurd wordt op de bestemming van deze objecten?
Het klopt dat vanuit de Rijkscollectie 113 objecten zijn teruggegeven aan de Federale Republiek van Nigeria. Deze objecten zijn door Britse militairen geroofd tijdens de plundering van Benin City in 1897, vervolgens verkocht en onderdeel van de Rijkscollectie geworden. Conform het eerder met de Kamer gedeelde beleidskader en het advies van de Adviescommissie teruggave cultuurgoederen uit koloniale context (Commissie Koloniale Collecties) worden geroofde objecten onvoorwaardelijk teruggeven. Het is aan de Nigeriaanse overheid om te besluiten waar deze objecten na de fysieke overdracht zullen worden bewaard en tentoongesteld.
De Nigeriaanse overheid heeft aangegeven dat de objecten onder beheer van de National Commission for Museums and Monuments (NCMM) zullen worden bewaard in een nieuw collectiedepot en dat het voornemen bestaat de objecten tentoon te stellen. De NCMM is een federale organisatie onder het Nigeriaanse Ministerie van Kunst, Cultuur, Toerisme en Creatieve Economie en beheert onder meer 52 musea door het hele land.
Klopt het dat Nigeria op plaats 140 van de 180 staat op de Transparency International corruptions perceptions index?2 In hoeverre vindt u het verantwoord om kunst, zonder te weten wat de exacte bestemming is, terug te geven aan een regering met die reputatie?
Het klopt dat Nigeria op plaats 140 van de 180 staat op de Transparency International corruptions perceptions index van 2024. Zoals hierboven aangegeven acht ik het, in lijn met het beleidskader en het specifieke advies van de onafhankelijke Commissie Koloniale Collecties, niet passend om voorwaarden te stellen bij de teruggave van objecten die geroofd zijn. Bij de teruggave van deze objecten is het herstel van historisch onrecht het uitgangspunt.
In hoeverre houdt het beleidskader «Beleidsvisie collecties uit een koloniale context» bij een teruggaveverzoek rekening met de manier waarop de kunst correct wordt geconserveerd of dat er sprake is van een stabiel landsbestuur?
In de «Beleidsvisie collecties uit een koloniale context» wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën.
In het geval van geroofde of anderszins onvrijwillig verloren objecten is onvoorwaardelijke teruggave het uitgangspunt. Door het tegen hun wil in bezit nemen van cultuurgoederen, is de bevolking van koloniale gebieden onrecht aangedaan. Met het oog op het herstel van dit historisch onrecht is bij deze objecten het afwegen van belangen en het stellen van voorwaarden bij teruggave niet passend. Dit is vergelijkbaar met het beoordelingskader van het restitutiebeleid Tweede Wereldoorlog. Ook in dit kader is het uitgangspunt neergelegd dat op de vaststelling van onvrijwillig bezitsverlies onvoorwaardelijke teruggave moet volgen. Wel kan in het beleid rond koloniale collecties in gesprekken met landen van herkomst het belang van brede toegankelijkheid en duurzaam beheer en behoud van de cultuurgoederen worden benadrukt. In dit gesprek kan ook worden bekeken hoe Nederland en het land van herkomst op dit terrein kunnen samenwerken, zoals dat ook nu vaak al gebeurt. Het Wereldmuseum heeft aangegeven de samenwerking met de NCMM rond collectieonderzoek en -beheer ook na teruggave voort te zetten.
In het geval van objecten die niet geroofd zijn maar waarover op basis van een belangenafweging toch is besloten tot teruggave, kunnen eventueel wel voorwaarden aan de teruggave worden verbonden. Gezien de roof van de Benin Bronzen is dat hier niet aan de orde.
Welke garanties tot goede conservering van deze kunstobjecten heeft Nederland gekregen alvorens te besluiten tot restitutie? In hoeverre klopt het dat andere landen restitutie in toenemende mate weigeren op grond van slechte tot geen garanties tot goede conservering?
Garanties over het beheer van de objecten hebben geen rol gespeeld in de besluitvorming over de teruggave.
Er is een internationale beweging richting teruggave van objecten die zijn geroofd in de koloniale periode. Landen maken verschillende afwegingen over de omgang met geroofde objecten in de museale collecties in die landen. Voor de Rijkscollectie draag ik verantwoordelijkheid. Ik sta daarbij voor een rechtvaardige omgang met deze collectie. Daarnaast stimuleer ik de museale samenwerking en kennisuitwisseling tussen instellingen in landen van herkomst en Nederland op het terrein van behoud en beheer.
Klopt het dat Nederland internationaal voorop loopt in het teruggeven van kunstobjecten, terwijl andere landen zoals Engeland daar veel behoudender in optreden? Kunt u uitleggen waarom Nederland daarin volgens u een gidsland zou moeten zijn?
Nederland loopt in de pas met een lange internationale ontwikkeling. In de ministeriële verklaring van Mondiacult 2022, de UNESCO World Conference on Cultural Policies and Sustainable Development, is opgeroepen tot een open en inclusieve internationale dialoog over de teruggave en restitutie van cultureel erfgoed. Musea kijken in toenemende mate kritisch naar de herkomst van de collecties en voeren herkomstonderzoek uit. Veel landen, zoals Duitsland, Frankrijk en België, en instellingen wereldwijd hebben reeds objecten teruggegeven of hebben beleid geformuleerd op dit terrein. Het Verenigd Koninkrijk is hierin tot nu toe inderdaad behoudender.
Ten aanzien van de Benin Bronzen bestaat al bijna twee decennia internationaal overleg en samenwerking tussen vertegenwoordigers uit Nigeria en Europese musea, de zogenaamde Benin Dialogue Group. Nederland is niet het eerste land dat Benin Bronzen teruggeeft aan Nigeria. Zo heeft Duitsland in 2022 reeds besloten tot teruggave van 1130 objecten aan Nigeria en waren er teruggaven door verschillende Britse instellingen, zoals 72 objecten van het Horniman Museum and Gardensin Londen, en 116 objecten van het Cambridge Museum of Archaeology and Anthropology.
In welke mate wijkt uw beleid af of is het een continuering van het restitutiebeleid van uw voorgangers? Klopt het dat de Kamer onder uw voorgangers actief werd geïnformeerd dan wel om instemming werd gevraagd bij restitutie van kunstobjecten? Kunt u aangeven waarom u daar nu van afwijkt?
Het beleid over de omgang met koloniale collecties in Nederland en het restitutiebeleid Tweede Wereldoorlog is ingezet door mijn voorgangers en heb ik ongewijzigd voortgezet.
De Kamer is en wordt geïnformeerd over het beleid en wijzigingen daarvan. Bij besluiten over specifieke casuïstiek in het kader van het restitutiebeleid Tweede Wereldoorlog of het teruggavebeleid koloniale collecties is het niet gangbaar de Kamer hierover te informeren. Deze besluiten betreffen immers specifieke casuïstiek binnen de vastgestelde beleidskaders. Mijn voorganger Staatssecretaris cultuur en media Gunay Uslu heeft de Kamer op 6 juli 2023 daarentegen wel geïnformeerd over het besluit tot teruggave van objecten aan Indonesië en Sri Lanka, om, zoals is aangegeven in deze brief, de eerste teruggave binnen het nieuwe beleid op basis van de eerste adviezen van de nieuwe ingestelde Commissie Koloniale Collecties te markeren (Kamerstukken II 22–23, 32 820, nr. 509). Bij hiernavolgende teruggaven van objecten uit een koloniale context is, net als bij de teruggave van objecten die zijn geroofd in de Tweede Wereldoorlog, de Kamer niet geïnformeerd, omdat dit uitvoering binnen de met de Kamer gedeelde beleidskaders betrof. Wel zijn de besluiten tot vervreemding gepubliceerd in de Staatscourant.
Kunt u aangeven welke restituties op dit moment op de planning staan? Kunt u de Kamer in de toekomst actief informeren over voornemens tot restitutie? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment behandelt de Commissie Koloniale Collecties verzoeken tot teruggave van Indonesië, Sri Lanka en India. Of deze verzoeken leiden tot teruggave van objecten, hangt af van de advisering van de Commissie Koloniale Collecties. Daarnaast loopt de behandeling van meerdere verzoeken tot teruggave van objecten in de context van de het restitutiebeleid Tweede Wereldoorlog door de Restitutiecommissie Tweede Wereldoorlog.
Ik heb niet het voornemen de Kamer te informeren over voornemens tot restitutie bij de behandeling van specifieke casuïstiek. Een besluit tot teruggave is gebaseerd op zorgvuldige en onafhankelijke expertadviezen van de Commissie Koloniale Collecties en de Restitutiecommissie Tweede Wereldoorlog op basis van de met uw Kamer gedeelde beleidskaders. De vervreemding van objecten uit de Rijkscollectie wordt conform de Erfgoedwet gepubliceerd in de Staatscourant. Ik zal uw Kamer uiteraard informeren in het geval van wijzigingen van het beleid omtrent restitutie.