De resultaten van de topambtenaar van PvdA-huize |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt zich herinneren dat uw ambtsvoorganger Minister Koenders een tegendenkstrateeg heeft aangesteld voor een periode van 1 jaar?
Ja. Betrokkene is sinds 1 oktober 2017 voor een periode van 12 maanden voor 24 uur per week aangesteld als scholar in residence bij de Eenheid Strategische Advisering binnen mijn ministerie.
Hoeveel adviezen heeft deze tegendenkstrateeg tot nu toe opgeleverd?
De ESA scholar in residence is betrokken geweest bij tal van interne beleidsvormingsprocessen. Hij heeft strategische adviezen over uiteenlopende thema’s gegeven, bijvoorbeeld over globalisering, populisme, Europese samenwerking, draagvlak voor buitenlands beleid en interne organisatie. Daarnaast heeft hij commentaar geleverd op concept-beleidsnota’s, lezingen gegeven, deelgenomen aan paneldiscussies, relevante netwerken en kennis ingebracht en zowel binnen het departement als binnen verschillende posten beleidsinhoudelijke gesprekken gevoerd.
Over welke thema’s gingen deze adviezen?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u de functie van tegendenkstrateeg een best practice die door andere ministeries gevolgd zou moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ja. De functie van scholar in residence, die al enige tijd bestaat en in lijn is met de doelstelling van mijn ministerie om meer kennis en inzichten van buiten naar binnen te halen en te betrekken in het beleidsvormingsproces, acht ik nuttig en voor herhaling vatbaar. De Eenheid Strategische Advisering heeft in het rijksbrede strategieberaad de functie van scholar in residence toegelicht en belangstelling voor een dergelijke positie geconstateerd.
De persconferentie van het JIT over de ramp met MH17 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Chris van Dam (CDA), Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de constatering van onderzoeksleider Westerbeke dat cruciale informatie over de toedracht van de crash met MH17 waarover Rusland beschikte, te weten het feit dat de Buk-raket afkomstig was van de 53e brigade van de Russische krijgsmacht uit Kursk, niet door de Russische autoriteiten is overgedragen aan het onderzoeksteam van het JIT?
Ja. Het JIT heeft op overtuigende wijze aangetoond dat de BUK-raket die MH17 heeft neergehaald is afgeschoten door een BUK-installatie die toebehoort aan de Russische krijgsmacht. Ik vertrouw hier op het oordeel van het JIT.
Bent u het eens met de constatering van onderzoeksleider Westerbeke dat het niet delen van deze cruciale informatie door Rusland «niet juist» is geweest?
Ja. Rusland is op basis van VNVR-resolutie 2166 verplicht volledig mee te werken aan het strafrechtelijke onderzoek van het JIT.
Bent u het eens met de uitspraak van onderzoeksleider Westerbeke dat wat betreft medewerking aan het strafrechtelijk onderzoek Rusland nu stappen moet gaan zetten?
Ja. Rusland dient volledig mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek van het JIT.
Bent u het eens dat het niet delen van de cruciale informatie door Rusland inzake de afkomst van de Buk-raket in strijd is met VNVR-resolutie 2166?
Ja. VNVR-resolutie 2166 roept alle staten op om volledig mee te werken aan het bewerkstelligen van rekenschap voor het neerhalen van MH17. Het niet delen van cruciale informatie voor het strafrechtelijk onderzoek is daarmee in strijd.
Zo ja, bent u bereid binnen de VN Veiligheidsraad Resolutie 2166 te herbevestigen en namens de «grieving nations» alle VN-lidstaten opnieuw op te roepen tot volledige medewerking aan het onderzoek naar de daders van MH17?
De vaststelling dat MH17 is neergehaald met een BUK-lanceerinstallatie die toebehoort aan een Russische legereenheid, betreft informatie die door Rusland gedeeld had moeten worden. In die zin is er cruciale informatie door Rusland aan het onderzoek onthouden. Resolutie 2166 bepaalt dat de VN-Veiligheidsraad op de hoogte moet worden gehouden van de voortgang van de implementatie van de resolutie. Op 24 en 25 mei heeft Nederland daarom de Veiligheidsraad, mede namens partnerlanden, geïnformeerd over de conclusies van het JIT respectievelijk het besluit van Australië en Nederland om Rusland aansprakelijk te stellen voor het neerhalen van MH17. Daarnaast heb ik dit ook persoonlijk uiteengezet in de Veiligheidsraad, tijdens een briefing over Oekraïne op 29 mei jl. In de Veiligheidsraad heb ik Rusland opgeroepen zijn verantwoordelijkheid te nemen, met Australië en Nederland daarover in gesprek te gaan en volledig mee te werken zoals wordt geëist door VNVR-resolutie 2166. Uit de briefing kwam naar voren dat resolutie 2166 onverminderd breed wordt gedragen door de leden van de VN-Veiligheidsraad, inclusief Rusland.
Het bericht 'Prominente Saudische vrouwenrechtenactivisten opgepakt' |
|
Joël Voordewind (CU), Martijn van Helvert (CDA), Agnes Mulder (CDA), Lilianne Ploumen (PvdA), Bente Becker (VVD), Bram van Ojik (GL), Isabelle Diks (GL), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Prominente Saudische vrouwenrechtenactivisten opgepakt»?1
Ja.
Klopt het dat deze zeven activisten enkel zijn opgepakt omdat ze campagne voerden om het autorijden voor vrouwen mogelijk te maken in Saudi Arabië?
Dat kan ik niet bevestigen. Uit verklaringen van vertegenwoordigers van de Saoedische overheid kan worden opgemaakt dat de activisten gearresteerd zijn op verdenking van het samenzweren met buitenlandse mogendheden, het rekruteren van overheidsmedewerkers en het financieren van buitenlandse actoren die uit zijn op het ondermijnen van de Saoedische nationale veiligheid, stabiliteit, sociale vrede en sociale cohesie. Een aantal van de aangehouden activisten heeft zich inderdaad eerder ingezet voor het recht van Saoedische vrouwen om auto te mogen rijden. Op dit moment is er nog geen formele aanklacht tegen de beschuldigden ingediend en het onderzoek van de Saoedische autoriteiten is voor zover bekend nog niet afgerond.
Bent u bekend met het feit dat deze activisten als verraders worden weggezet?
Ja.
Bent u bereid in bilateraal en Europees verband aandacht te vragen voor deze kwestie bij de Saudische Minister van Buitenlands Zaken en het hoofd van de Saudische mensenrechtencommissie, die recentelijk een Nederlandse parlementaire delegatie hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met grote zorg kennisgenomen van de recente berichtgeving over de aanhouding van deze activisten in Saoedi-Arabië. Ik heb daarom op 20 mei jl. tijdens een gesprek met de Saoedische Minister van Buitenlandse Zaken tijdens de G20 aandacht gevraagd voor de situatie van de activisten en de grote zorgen van Nederland overgebracht. Op dit moment overlegt Nederland actief met partners over verdere stappen, onder andere in EU-verband. Nederland zal aandacht blijven vragen voor de aanhoudingen van de activisten en aandringen op goede behandeling. Indien noodzakelijk zal Nederland de Saoedische autoriteiten oproepen een eerlijk proces te garanderen.
Ziet u aanleiding om, in navolging van diverse mensenrechtenorganisaties, in bilateraal en Europees verband te pleiten voor vrijlating van betreffende activisten. Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhouden deze arrestaties zich tot het koninklijk besluit van 26 september 2017 die vrouwen het recht gaf auto te rijden?3
Saoedi-Arabië voert op dit moment meerdere sociaaleconomische hervormingen door, waaronder het koninklijk besluit van 26 september 2017 die vrouwen vanaf eind juni het recht geeft om zelf auto te rijden. Hoewel deze sociaaleconomische hervormingen een stap in de goede richting zijn, blijft Nederland zeer bezorgd over de mensenrechtensituatie in Saoedi-Arabië. Vooral de repressie van andersdenkenden en het harde optreden richting personen die voor zover bekend slechts gebruik maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting zijn wat Nederland betreft slechte ontwikkelingen.
De strijd tegen corruptie in Oekraïne |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «NABU’s future uncertain amid Kholodnytsky scandal»?1
Ja
Hoe kijkt u aan tegen het gegeven dat het Oekraïense anti-corruptie bureau NABU, in opdracht van de Procureur-Generaal, de heer Lutsenko, afluisterapparatuur heeft geplaatst in het kantoor van het hoofd van de Oekraïense anti-corruptie aanklager (SAPO)?
Het nationale Oekraïense anti-corruptie bureau (NABU) beschikte over aanwijzingen dat de speciale anti-corruptie aanklager (SAPO) mogelijk betrokken zou zijn bij het illegaal delen van vertrouwelijke informatie. In overleg met de Procureur Generaal is om die reden afluisterapparatuur geïnstalleerd in het kantoor van SAPO. Ik beschik niet over voldoende informatie om een oordeel te vellen over deze maatregel.
Hoe beoordeelt u deze ontwikkelingen in het licht van de voortdurende druk op de Oekraïense anti-corruptie instellingen? Welke risico’s ziet u? Deelt u de mening dat deze situatie de samenwerking tussen NABU en SAPO kan schaden?
De Oekraïense anti-corruptie instellingen zijn onvoldoende onafhankelijk en functioneren mede daarom beneden verwachting. Het nationale anti-corruptie bureau NABU is hierop een positieve uitzondering. De uitdaging is vooral dat de door NABU voorgelegde corruptiezaken ook door rechtbanken in behandeling worden genomen. Juist daarom benadrukt de internationale gemeenschap, waaronder Nederland, het belang van het zo spoedig mogelijk instellen van een speciaal hooggerechtshof voor anti-corruptie.
Herinnert u zich uw antwoorden van 30 januari 2018 op Kamervragen van de leden Groothuizen en Sjoerdsma?2
Ja
Op welke manier heeft u bovengenoemde ontwikkelingen aan de orde gesteld in uw bilaterale contacten met Oekraïne?
Nederland benadrukt via bilaterale, Europese en multilaterale kanalen het belang van versterking van corruptiebestrijding in Oekraïne en blijft dit doen. Zo heb ik tijdens de RBZ op 19 maart jl. en in een gesprek met de Oekraïense Minister van Buitenlandse Zaken Klimkin, voorafgaand aan de RBZ, het belang benadrukt van voortgang met (anti-corruptie) hervormingen in Oekraïne (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1851).
Op welke manier heeft u bovengenoemde ontwikkelingen in multilateraal verband aan de orde gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om schade aan Oekraïense anticorruptie-instellingen te voorkomen? In hoeverre betrekt u deze ontwikkelingen bij de gesprekken over het voorstel van de Europese Commissie voor het toekennen van Macro Financiële Assistentie aan Oekraïne?
Het is in eerste instantie aan de Oekraïense regering zelf om schade aan de anti-corruptie instellingen te voorkomen.
In gesprekken over het vierde EU-Macro Financiële Assistentieprogramma zet Nederland in op scherpe voorwaarden op het gebied van rechtsstatelijkheid en anti-corruptie. Dit wordt breed gesteund door andere lidstaten.
Verder blijft mijn inzet zoals in de beantwoording van uw eerdere vragen uiteen is gezet (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 2048)
Herinnert u zich uw steun voor een onafhankelijk anticorruptie rechtbank in Oekraïne? Kunt u aangeven wat de actuele stand van zaken is met betrekking tot de oprichting van een dergelijke rechtbank? In hoeverre betrekt u deze ontwikkelingen bij de gesprekken over het voorstel van de Europese Commissie voor het toekennen van Macro Financiële Assistentie aan Oekraïne?
Ja, zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2481.
1 maart jl. is het wetsvoorstel voor een speciaal hooggerechtshof voor anti-corruptie door het Oekraïense parlement in eerste lezing aangenomen. Dat voorstel is volgens de internationale gemeenschap niet conform de aanbevelingen van de Venetië Commissie. Dat betekent dat het voorstel voor stemming in tweede lezing door het parlement moet worden geamendeerd. Die stemming is voorzien voor de tweede helft van juni.
Het uitkeren van macro financiële steun vanuit de EU is onder andere gekoppeld aan voldoende voortgang ten aanzien van het steunprogramma van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Versterking van anti-corruptie maatregelen is een belangrijke conditionaliteit onder het lopende programma vanuit het IMF.
Momenteel vinden er gesprekken plaats over de afronding van de vierde voortgangsrapportage onder het IMF-programma. De belangrijkste voorwaarde voor het afronden daarvan is het wetsvoorstel rondom het speciaal hooggerechtshof voor anti-corruptie.
Het bericht dat Israël Nederlandse projecten op de Westelijke Jordaanoever sloopt |
|
Martijn van Helvert (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israël sloopt «Nederlandse» watertanks»?1
Ja.
Klopt het dat Israël drie door Nederland gefinancierde watersystemen op de Westelijke Jordaanoever heeft gesloopt? Zo ja, waarom is dit gebeurd?
Ja. De Israëlische autoriteiten hebben de watervoorziening gesloopt omdat hiervoor geen vergunning was afgegeven en omdat de huizen waarvoor zij zijn aangelegd zich bevinden in een gebied dat Israël heeft aangemerkt als militair oefenterrein. De Israëlische rechter heeft verboden de mensen uit hun huis te zetten en de huizen te slopen. De bewoners zijn voor drinkwater afhankelijk van opgevangen regenwater. Teneinde de bewoners van schoon drinkwater te voorzien, heeft Nederland besloten een project te financieren waarbij de huizen een systeem krijgen voor opvang en zuivering van regenwater en een installatie om het schone water naar hun huizen te pompen.
Is Nederland vooraf geconsulteerd door de Israëlische autoriteiten dat zij voornemens waren deze watersystemen te slopen?
Nee. Nederland, de uitvoerende organisatie noch de bewoners van de huizen waren vooraf geïnformeerd.
Bent u bereid uw Israëlische ambtsgenoot op deze activiteiten aan te spreken? Zo ja, op welke termijn en welke vervolgstappen bent u bereid te nemen? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de EU maken consequent en op verschillende niveaus de bezwaren duidelijk bij de Israëlische autoriteiten tegen sloop van Palestijnse bezittingen, inclusief de door Nederland of de EU gefinancierde projecten. Per geval wordt bekeken op welke wijze contact op ambtelijk of politiek niveau kan bijdragen aan een oplossing. In onderhavige geval is ervoor gekozen snel op ambtelijk niveau te protesteren tegen de sloop van de watersystemen. Hierbij heeft Nederland tevens om schadevergoeding gevraagd. Israël heeft het verzoek afgewezen, omdat het de sloop van de watervoorziening gerechtvaardigd acht vanwege het ontbreken van vergunningen en omdat de systemen in een gebied waren aangelegd dat Israël heeft bestemd als militair oefenterrein. Nederland blijft zowel bilateraal als via de EU druk op Israël uitoefenen om sloop en confiscatie van Palestijnse eigendommen stop te zetten.
Op welke wijze bent u voornemens naar aanleiding van deze sloopwerkzaamheden van Israël uitvoering te geven aan de motie-Knops c.s.2? Bent u bereid schadevergoeding van Israël te eisen voor de gesloopte watersystemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke vervolgstappen zijn door de Nederlandse regering jegens de Israëlische autoriteiten genomen nadat bleek dat Israël in juli 2017 door Nederland gefinancierde zonnesystemen geconfisqueerd had? Is Israël op deze activiteiten aangesproken en zo ja, op welke wijze? Ziet u enige aanpassing van Israël wat betreft dergelijke activiteiten?
Zoals beschreven in de antwoorden op schriftelijke vragen over de inbeslaggenomen zonnepanelen (antwoorden op de vragen gesteld door de leden Van Ojik en Diks (GroenLinks) d.d. 19 oktober 2017, vergaderjaar 2017–2018, Aanhangsel van de Handelingen, nr 237 en de antwoorden op de vragen gesteld door de leden Knops en Amhaouch (CDA) d.d. 9 augustus 2017, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2426), heeft Nederland meermaals en op diverse niveaus geprotesteerd tegen de inbeslagname en aangedrongen op teruggave aan de uitvoerende organisatie.
Dit heeft niet geleid tot een Israëlische beleidswijziging ten aanzien van de sloop van Palestijnse bezittingen in Area C, inclusief door donoren gefinancierde projecten of tot meer vergunningen voor Palestijnse huizen en gebouwen.
Het kabinet is bezorgd over een aangekondigde beleidswijziging die in juni zal ingaan. Met deze beleidswijziging kan de Civil Administration (het onderdeel van het Israëlische leger dat verantwoordelijk is voor het bestuur van de bezette gebieden) sneller overgaan tot sloop van Palestijnse bezittingen en wordt de mogelijkheid verkleind voor de eigenaren om een sloop uit te stellen via een gang naar de rechter of aanvraag van een vergunning.
Hoeveel zowel door Nederland als door de Europese Unie gefinancierde projecten zijn ten tijde van de regeerperiode van Netanyahu in de Palestijnse gebieden door Israël gesloopt? Is in deze gevallen, ter uitvoering van de motie-Knops c.s.3 schadevergoeding van Israël geëist? Zo nee, op welke wijze wordt Israël dan op dergelijke activiteiten aangesproken? Sorteert dit enig effect?
De EU schat dat er sinds 14 mei 2015, het aantreden van het huidige Israëlische kabinet, 326 bouwwerken gesloopt zijn die met hulp van de EU zijn neergezet. Volgens de EU is de totale schade ongeveer € 1.035.000. Het is aan betrokken lidstaten om te bepalen of zij gevallen van schade delen of openbaar maken hoe zij op sloop reageren. Sommige lidstaten kiezen hierbij voor stille diplomatie en maken niet bekend welke schade zij geleden hebben door sloop. Het is bekend dat een aantal lidstaten en de EU om schadevergoeding hebben gevraagd. Voor zover bekend heeft Israël in geen van de gevallen schadevergoeding uitgekeerd. De Nederlandse schade aan lopende projecten door sloop in deze periode bedraagt ongeveer € 38.600. Daarnaast zijn door Israël projecten tijdelijk stilgelegd met stop-work orders en zijn soms materialen en machines tijdelijk in beslag genomen.
Hoe duidt u de sloopwerkzaamheden van Palestijnse bouwwerkzaamheden door Israël in bredere zin? In hoeverre acht u deze activiteiten gerechtvaardigd dan wel in lijn met het internationaal recht?
Het kabinet veroordeelt de sloop en confiscatie van Palestijnse bezittingen, ongeacht of deze door de EU zijn gefinancierd of niet. De sloop en confiscatie benadeelt Palestijnen en creëert ongelijkheid. Israël heeft als bezettende mogendheid op basis van het bezettingsrecht een specifieke zorgplicht jegens de Palestijnse bevolking. Als bezettende mogendheid is het Israël op basis van het bezettingsrecht onder meer verboden roerende of onroerende goederen te vernielen, behoudens in de gevallen waarin militaire operaties een zodanige vernieling volstrekt noodzakelijk maken. Het is aan Israël om aan te tonen dat sprake is van een dergelijke uitzondering in elk concreet geval. Zie gaarne ook de beantwoording op Kamervragen gesteld door de leden Karabulut (SP) over de sloop door Israël van door Nederland gefinancierde watersystemen in bezet Palestijns gebied. Deze vragen werden ingezonden op 7 mei 2018 met kenmerk 2018Z08380.
Financiering van Nederlands islamitische instellingen vanuit Golfstaten |
|
Gert-Jan Segers (CU), Sadet Karabulut (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente uitzendingen van Nieuwsuur en de artikelen in NRC Handelsblad over financiering van Nederlands islamitische instellingen vanuit Golfstaten?1
Ja.
Bent u bekend met de stellingname van de onderzoeker van RAND ten aanzien van het al dan niet inzage geven in de lijsten met financieringsaanvragen?2
Ja.
Herinnert u zich dat u in uw brief3 aan de Kamer van 26 april 2018 over het in 2015 door RAND uitgevoerde onderzoek naar genoemde buitenlandse financiering schrijft: «de indruk is ontstaan dat WODC en RAND (die in opdracht van WODC werkte) geen kans is geboden tot vertrouwelijke inzage in de lijsten met financieringsaanvragen»? Herinnert u zich dat u vervolgens in uw brief erop wijst dat RAND wel degelijk toegang heeft gekregen tot vertrouwelijke informatie? Hoe rijmt u dit met het feit dat de onderzoeker van RAND heeft gesteld dat hij deze lijsten nooit van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft gekregen, maar dat hij deze lijst(en) van een andere bron kreeg?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft naar eer en geweten tijdens de uitvoering van het onderzoek eind 2014 volledige medewerking verleend aan RAND om in alle vrijheid onderzoek te doen. Er is geen sprake geweest van het bewust achterhouden van stukken. Zoals ik in mijn brief 26 april jl. aan uw Kamer aangaf, beschikte het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het moment dat het onderzoek plaatsvond over één overzicht met (18) namen van organisaties, op basis van informatie ontvangen van de ambassade van Saoedi-Arabië in de periode 2010 t/m 2013. Het kabinet (in dit geval het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft dit overzicht al op 12 december 2013 gedeeld met het WODC ten behoeve van het onderzoek dat door RAND zou worden uitgevoerd. Met andere woorden: Sinds 12 december 2013 beschikte WODC als opdrachtgever van RAND over de lijst die de op dat moment beschikbare informatie bevatte. De email terzake hebben we kunnen achterhalen.
Als de onderzoeker van RAND inderdaad deze lijsten niet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken kreeg, waarom hebben uw ambtsvoorgangers de keus gemaakt om deze informatie niet te verstrekken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat Koeweitse overheid sinds 2013 informatie over financiering van islamitische instellingen deelt met onze regering? Is deze informatie door uw ambtsvoorgangers beschikbaar gesteld aan de onderzoeker van RAND? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat ook Koeweit informatie met Nederland is gaan delen. Voor zover ik dat heb kunnen achterhalen heeft Koeweit in de periode 3 maart 2015 en 20 juni 2016 driemaal informatie over een financieringsaanvraag uit Nederland gedeeld. Deze informatie is in november 2016 vertrouwelijk met uw Kamer gedeeld.
Klopt het dat uw ministerie destijds de onderzoekers heeft ontraden dan wel verboden contact te zoeken met instanties in en/of overheidsvertegenwoordigers van Golfstaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heefteind 2014, in goed overleg met RAND, de vragen van RAND actief onder de aandacht gebracht van de Nederlandse ambassades in de Golfregio. Op het moment dat het onderzoek werd uitgevoerd speelden de ambassades in de Golfstaten een zeer beperkte rol op het gebied van het tegengaan van ongewenste buitenlandse financiering, vanuit de gedachte dat buitenlandse financiering is toegestaan en Nederland vrijheid van godsdienst kent. Ambassades konden met de vragen van de onderzoekers niet goed uit de voeten omdat zij op dat moment niet over relevante informatie en kennis terzake beschikten.
Klopt het dat uw ministerie het verzoek om contact met Nederlandse ambassadeurs in Golfstaten niet heeft ingewilligd dan wel dat pogingen tot dergelijk contact vanuit de onderzoekers onbeantwoord zijn gebleven? Hoe rijmt u dat met het belang dat de Kamer hechtte aan dit onderzoek en het belang dat het vorig kabinet zei te hechten aan dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid bij een nieuw onderzoek alle op de ministeries beschikbare informatie wel te delen met de onderzoekers die zo’n nieuw onderzoek ter hand nemen?
Omdat de onderzoekers inzage hebben gehad in alle relevante gegevens verwacht het kabinet niet dat een nieuw onderzoek, dat ook gebaseerd is op later ontvangen informatie (zoals reeds ter vertrouwelijke inzage met de Kamer is gedeeld) tot nieuwe inzichten zal leiden. Het kabinet richt zich nu op de uitwerking van de verkenningen naar mogelijke wettelijke maatregelen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 29 maart jl.
Waarom is informatie van de overheden van Koeweit en Saudi-Arabië aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken over financiering van moskeeorganisaties vertrouwelijk en niet openbaar? Is daartoe door die landen verzocht? Hoe verhoudt het geheim houden van informatie over financiering van Nederlandse islamitische instellingen vanuit Golfstaten zich tot uw inzet om buitenlandse financiering aan te pakken door transparantie? Graag een toelichting.
Saoedi-Arabië en Koeweit zijn uit eigen beweging en op vertrouwelijke basis via diplomatiek verkeer begonnen met het informeren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over aanvragen om financiering van Nederlandse organisaties. De informatie was beperkt en ging in de meeste gevallen niet over het daadwerkelijk toekennen van financiering. De informatie is vertrouwelijk gehouden om deze informatiestroom niet in gevaar te brengen. De informatie werd niet geheimgehouden, maar gedeeld met andere overheidsinstanties. In eerste instantie vooral met de AIVD, vanaf 2016 ook structureel met andere overheidsinstanties zoals het Ministerie van SZW en de NCTV. Hierdoor ontstond binnen de overheid meer transparantie omtrent aanvragen voor financiering van Nederlandse organisaties.
Nederland heeft ook aan de VAE en Qatar voorstellen gedaan om transparantie rondom geldstromen te vergroten. Vertegenwoordigers van deze landen hebben begrip voor de Nederlandse wens daartoe. De VAE en Qatar delen weliswaar niet op dezelfde manier als Saoedi-Arabië en Koeweit informatie met Nederland, maar hebben tijdens diplomatieke contacten ook duidelijk gemaakt dat zij geen organisaties zullen financieren als Nederland dat niet wil.
Waarom berichten Koeweit en Saudi-Arabië het Ministerie van Buitenlandse Zaken vertrouwelijk over financiering van moskeeorganisaties en andere Golfstaten niet? Weigeren die landen informatie te verstrekken of is dat niet verzocht?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om de bij u bekende informatie over financiering van islamitische instellingen door Golfstaten vrij te geven? Zo nee, bent u bereid hierover in contact te treden met desbetreffende landen teneinde deze informatie openbaar te maken? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot uw uitlatingen dat deze landen de financieringsinformatie verstrekken teneinde radicalisering te bestrijden? Is bij het recente bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Saudi-Arabië de ongewenste financiering van gebedshuizen vanuit Golfstaten door de Minister aan de orde gesteld? Zo ja, wat is de uitkomst van deze gesprekken geweest? Zo nee, waarom niet? Welke afspraken zijn gemaakt tijdens het laatste bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Saudi-Arabië? Bent u inmiddels bereid het Memorandum of Understanding openbaar te maken?
Alle informatie die is ontvangen is al eerder vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld. Zoals toegezegd tijdens het vragenuurtje op 24 april jl. ben ik bereid om de informatie ook openbaar met de Kamer te delen. Gevolg kan wel zijn dat deze landen in de toekomst minder bereid zullen zijn informatie met ons te delen. Ik heb mijn voornemen om de informatie publiekelijk te delen op 20 mei meegedeeld aan mijn Saoedische collega en zal dat z.s.m. doen aan mijn Koeweiti collega.
Zoals gesteld in de Kamerbrief met het verslag van het bezoek van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken mw. Kaag aan Saoedi-Arabië, Oman en Iran (34 775-V-78 van 30 april jl.) heeft de Minister in Saoedi-Arabië inderdaad gesproken over ongewenste financiering van organisaties in Nederland en heeft ze het belang van transparantie omtrent geldstromen benadrukt. Saoedi-Arabië heeft duidelijk gesteld dat het staand beleid is dat geen organisaties in het buitenland gefinancierd worden zonder dat overheden in die landen vooraf geïnformeerd worden. Sinds 2015 heeft Nederland geen informatie ontvangen over voorgenomen financiering vanuit Saoedi-Arabië.
Het Memorandum of Understanding (MoU) dat tijdens het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken aan Saoedi-Arabië is getekend behelst een afspraak om periodiek consultaties te houden over alle onderwerpen die beide landen aangaan. Hierin zijn geen specifieke afspraken gemaakt over financiering van organisaties in Nederland. Dat onderwerp zal uiteraard in dergelijke consultaties wel aan de orde komen. U bent inmiddels separaat geïnformeerd over mijn besluit om de tekst van het MoU, die eerder wel vertrouwelijk met de Kamer is gedeeld, niet openbaar te maken, omdat de Saoedische autoriteiten niet instemmen met het openbaar maken van dit MoU.
Wat is uw reactie op het bericht dat de As Soennah-moskee spreekt met gespleten tong en geld zou krijgen van een Koeweitse instelling die ook jihadisten in Syrië steunt? Wat is uw reactie op de hatelijke (online) preken, het preken van lijfstraffen, jihad en de doodstraf op afvalligheid, jihad tegen andersgelovigen en geweld en onderdrukking van vrouwen? Welke stappen gaat u ondernemen om deze financiering en hatelijke preken te stoppen? Is er (strafrechtelijk) onderzoek verricht naar deze praktijken en betrokken personen? Zo nee, waarom niet en bent u hiertoe alsnog bereid? Zo ja, wanneer kunnen we de resultaten verwachten? Heeft de Koeweitse instelling, die salafisme en jihadisme in Syrië zou ondersteunen, alle vrijheid in Nederland of is die hier verboden? Kunt u dit toelichten?4
De maatschappelijke en politieke discussie over buitenlandse beïnvloeding via financieringsstromen en religieuze sprekers die met hun preken anti-integratieve en antidemocratische en onderdrukkende denkbeelden verspreiden loopt al geruime tijd. Er zijn zorgen over gedragingen die op gespannen voet staan met de vrijheden van groepen, de democratische rechtsorde, of die als antidemocratisch en anti-integratief beschouwd kunnen worden. Het kabinet deelt de zorgen en is er alles aan gelegen om de vrijheden van personen of groepen te beschermen en, daar waar dat nodig is, sprekers die anti-integratieve, antidemocratische en onderdrukkende boodschappen verkondigen te beletten deze ideeën te verspreiden.
Om onwenselijke invloed tegen te gaan zet het kabinet in op het transparant maken van financieringsstromen. Het kabinet heeft bij brief van 29 maart 2018 uw Kamer geïnformeerd over de verkenning van een wettelijke regeling ter bevordering van transparantie over geldstromen naar maatschappelijke organisaties.5 Een voorstel wordt rond de zomer in consultatie gebracht. In aanvulling hierop wordt verkend of financieringsstromen uit zogenaamde onvrije landen, waarbij misbruik wordt gemaakt van de vrijheden die we kennen in Nederland, beperkt kunnen worden. Ook zal het kabinet, zoals verzocht door uw Kamer in het vragenuur van 27 maart en het Dertigledendebat op 3 april 2018, een overzicht van de maatregelen geven die beschikbaar zijn voor de aanpak van extremistische sprekers en de verspreiding van radicaal gedachtegoed en de rol die het strafrecht in deze aanpak speelt. Zoals u weet is de afweging over het al dan niet instellen van strafrechtelijk onderzoek of vervolging een die is weggelegd aan het Openbaar Ministerie. Het past mij derhalve als Minister niet daar uitspraken over te doen.
Hoe kan het dat gemeenten zoals Geleen en Dordrecht niet door uw ministerie zijn geïnformeerd over salafistische moskeeën en financiering van deze religieuze instellingen vanuit Golfstaten, waardoor lokale gemeenschappen zich in de steek gelaten voelen? Hoe vaak en welke gemeenten zijn de afgelopen jaren wel door u geïnformeerd over financiering van religieuze instellingen door Golfstaten, met welk resultaat?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de verkregen informatie over moskeefinanciering zoveel mogelijk in de periode van september tot en met november 2017 vertrouwelijk met betreffende gemeenten gedeeld. In een enkel geval is door toedoen van het Ministerie van SZW de informatiedeling niet optimaal verlopen. Naast deze officiële informatieronde was er in meerdere gevallen al langer contact tussen het ministerie en gemeenten over specifieke casussen.
Op basis waarvan kunnen op dit moment buitenlandse geldstromen richting moskeeorganisaties worden beperkt? Biedt dat aanknopingspunten om financiering vanuit Golfstaten aan banden te leggen of is daarvoor nieuwe wetgeving nodig? Heeft u nieuwe wetten en regels in voorbereiding? Kunt u uw antwoord toelichten?
Buitenlandse financiering van Nederlandse organisaties is toegestaan. Er kan op dit moment alleen worden opgetreden indien er strafbare feiten geconstateerd worden. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Rechtsbescherming op 29 maart jl. hebben verstuurd (Kamerstuk 29 614, nr. 71) verkent het kabinet op dit moment een aantal wettelijke maatregelen. U zult na de zomer over de uitkomsten van deze verkenningen geïnformeerd worden.
Het bericht dat de VN coördinaten van Syrische ziekenhuizen doorgeeft aan Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich hoe het Bureau van de VN voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (UN OCHA) het Humanitarian Response Plan voor Syrië in 2016 zodanig afstemde met het Syrische regime, dat het aantal belegerde burgers niet gerapporteerd werd en de Syrische regering niet werd genoemd als hoofdoorzaak van de belegeringen?
Het 2016 Humanitarian Response Plan voor Syrië is op meerdere punten aangepast door de VN na afstemming met het regime in 2015.
Herinnert u zich hoe UN OCHA destijds de verhaallijn, begroting en hulpprogramma’s van dit Response Plan heeft aangepast op verzoek van de Syrische overheid?
Gebruikmaking van het woord «conflict», de omschrijving van activiteiten gericht op bescherming van burgers en inzet op humanitaire ontmijning (met uitzondering van onderwijsactiviteiten rondom de risico’s van niet-ontplofte explosieven) stuitten op bezwaren van de Syrische regering. De omschrijving (narrative) van het Humanitarian Response Plan (HRP) is op deze en andere punten aangepast. De uiteindelijke hulpprogramma’s en de uitvoering daarvan zijn – met uitzondering van mine action – niet gewijzigd. Het belang van mine actionis echter door de VN uiteengezet in een apart communiqué, welke door Nederland en andere donoren is gesteund.
Kent u het bericht «UN under fire for giving Russia coordinates of Syrian hospitals in «high risk» strategy to stop attacks»?1
Ja.
Klopt het dat de Verenigde Naties (VN) coördinaten van ziekenhuizen op Syrische grondgebied hebben gedeeld met Rusland, om te voorkomen dat deze doelen gebombardeerd zouden worden?
Op vrijwillige basis delen hulporganisaties coördinaten van humanitaire locaties (waaronder ziekenhuizen en ontheemdenkampen) met de VN voor de coördinatie van humanitaire hulp (UN OCHA). Deze informatie wordt vervolgens gedeeld met de VS en Rusland, en waar het Noord-Syrië betreft ook met Turkije. Dit mechanisme dient ter voorkoming van aanvallen op o.a. medische faciliteiten, en zou daarmee de veiligheid van dokters en patiënten moeten vergroten. Dit mechanisme bestaat sinds 2014 maar betreft geen juridisch bindende overeenkomst en biedt geen garantie op veiligheid.
Klopt het dat de door de VN verstrekte coördinaten vervolgens door Rusland zijn gedeeld met de Syrische autoriteiten?
Nederland heeft geen zicht op de mate waarin en of de Russische overheid informatie deelt met derden.
Hoe duidt u het gegeven dat enkele dagen later deze ziekenhuizen gebombardeerd zijn?
Uit de maandelijkse rapportages van de Secretaris-Generaal van de VN aan de VN-veiligheidsraad blijkt dat medische faciliteiten in Syrië veelvuldig het doelwit zijn van militaire aanvallen. Strijdende partijen bij een gewapend conflict dienen zich te houden aan het humanitair oorlogsrecht, waaronder de verplichting tot het respecteren en beschermen van ziekenhuizen en andere faciliteiten die voor medische doeleinden worden gebruikt. Deconfliction mechanismen zijn bedoeld om strijdende partijen te informeren over de locaties die bescherming genieten. Dit betreft niet alleen ziekenhuizen, maar ook locaties van ontheemdenkampen, hulpkonvooien, scholen en registratiecentra.
Nederland veroordeelt aanvallen die in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht ten zeerste. Bewijsmateriaal van de meest ernstige internationale misdrijven gepleegd in Syrië door alle partijen in het conflict, waaronder grove schendingen van het humanitair oorlogsrecht, dient veilig te worden gesteld en te worden onderzocht. Hiertoe steunt Nederland Syrische ngo’s die schendingen vastleggen, alsook de Commission of Inquiry en de bewijzenbank voor misdrijven gepleegd in Syrië (International, Impartial and Independent Mechanism,IIIM).
Bent u het eens dat het delen van dergelijke coördinaten van ziekenhuizen door de VN grote risico’s met zich meedraagt? Waarom wel of waarom niet?
Het delen van dergelijke informatie zou het in principe mogelijk moeten maken dat basisvoorzieningen waar iedereen recht op heeft, zoals ziekenhuizen en veilige toevluchtsoorden, beter beschermd worden en kunnen blijven bestaan – zelfs in een nietsontziend conflict zoals in Syrië. Alle hulpoperaties in Syrië brengen grote risico’s met zich mee, dit was al het geval voordat coördinaten werden gedeeld. Wanneer gevoelige informatie wordt gebruikt voor acties die in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, dient de internationale gemeenschap dit sterk te veroordelen. Dit, in combinatie met het verzamelen van bewijsmateriaal over de schendingen, kan ertoe bijdragen dat eerder genoemde risico’s verminderd worden. Deelname aan het deconfliction mechanisme is overigens uitsluitend op vrijwillige basis. Op voorhand weten deelnemende organisaties dat de informatie gedeeld zal worden en dat er geen garantie is op veiligheid. Aangezien die garantie op veiligheid er sowieso niet is, kiezen steeds meer organisaties ervoor coördinaten toch te delen.
Klopt het dat het delen van dergelijke coördinaten onderdeel van een nieuw notificatiesysteem zijn dat door de VN gehanteerd wordt, waarvan het doel is dat dergelijke doelwitten juist niet gebombardeerd worden? Zo ja, hoe duidt u de werkwijze van dit notificatiesysteem? Op welke wijze werkt dit nieuwe systeem in het voordeel van dergelijke doelwitten?
Het deconflictionmechanisme bestaat reeds sinds 2014. Via het deconfliction mechanisme kunnen organisaties op vrijwillige basis coördinaten van ziekenhuizen of andere locaties doorgeven aan de VN. Nederland heeft, samen met andere gelijkgezinde landen, het deconfliction mechanisme gesteund omdat het mogelijkheden biedt voor meer veiligheid voor ziekenhuizen en andere kwetsbare civiele locaties. Het biedt, zoals gezegd, geen garanties voor veiligheid, en de berichtgeving over bombardering van vier van de ziekenhuizen die waren aangemeld is natuurlijk zeer zorgwekkend. Nederland heeft de VN opgeroepen om hun onderzoek hierover zo snel mogelijk te delen.
Acht u de bovenstaande werkwijze van de VN wenselijk? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat bovenstaande duidt op een trend van negatieve gevolgen na het delen van informatie door de VN met het Syrische regime? Zo ja, op welke wijze bent u bereid dit binnen de VN aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft, zoals aangegeven, geen directe informatie over het delen van deze gegevens met het Syrische regime. Alle hulpoperaties in Syrië brengen grote risico’s met zich mee, niet in de laatste plaats het risico vanuit de lucht aangevallen te worden, dit was al het geval voordat coördinaten werden gedeeld. Het is daarom nu te vroeg om een trend te kunnen constateren, daarvoor is meer onderzoek nodig. Nederland heeft de VN meermaals opgeroepen om de resultaten van hun onderzoek naar deze aanvallen van ziekenhuizen die aangemeld waren bij het mechanisme zo snel mogelijk te delen en zal zich hiervoor blijven inzetten in o.a. de wekelijkse bijeenkomsten van de International Syria Support Group. Gerichte aanvallen op ziekenhuizen en medische faciliteiten die worden gebruikt voor medische doeleinden vormen een grove schending van het humanitair oorlogsrecht. De Syrische regering en andere strijdende partijen worden daar herhaaldelijk op aangesproken door de internationale gemeenschap, waaronder Nederland.
De sluiting van kerken door de Algerijnse overheid |
|
Bente Becker (VVD), Bram van Ojik (GL), Sadet Karabulut (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Thierry Baudet (FVD), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in het Reformatorisch Dagblad van 10 april 2018 dat meldt dat er sinds november vier kerken van de Protestantse Kerk in Algerije gesloten zijn op last van de Algerijnse overheid?1
Ja.
Deelt u de analyse dat de Algerijnse overheid de wet ter regulering van niet islamitische godsdiensten inzet om kerken te sluiten?
Geconstateerd kan worden dat bij verschillende protestante kerken recent is aangegeven dat zij geen bijeenkomsten mogen organiseren omdat zij hiervoor geen vergunning hebben, zoals vereist in de wet ter regulering van niet islamitische godsdiensten.
Klopt het dat dit kerkgenootschap geen vergunningen krijgt om kerken te bouwen die wel aan alle eisen voldoen?
Meerdere kerken, ook katholieke kerken, hebben momenteel te maken met het uitblijven van het verplichte goedkeuringsbesluit.
Bent u het ermee eens dat het recht op vrijheid van godsdienst dat Algerije officieel kent hiermee belemmerd en geschonden wordt?
Het is niet mogelijk om in het algemeen te stellen dat het recht op vrijheid van godsdienst in Algerije belemmerd of geschonden wordt. In veel gevallen kan de protestante kerk in Algerije zijn recht op de beoefening van zijn godsdienstvrijheid zonder problemen uitoefenen. Wel kan geconstateerd worden dat in bepaalde gevallen problemen zijn gerezen bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen om in bepaalde plaatsen diensten te houden. Afgelopen zes maanden is bovendien in een aantal gevallen een kerkgenootschap in de uitoefening van zijn recht op vrijheid van godsdienst belemmerd op grond van het feit dat deze zonder de vereiste vergunning opereerde.
Bent u bereid om de Algerijnse overheid, in het kader van de prioritaire thema’s in het beleid ter versterking van de internationale rechtsorde en eerbiediging van de mensenrechten, hier hetzij in bilateraal, hetzij in Europees verband op aan te spreken? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
In EU-verband is aandacht gevraagd voor deze kwestie. Ik heb dit ook persoonlijk gedaan ter gelegenheid van mijn bezoek aan Algerije in het kader van de Gemengde Commissie op 9 mei jl, tijdens een overleg met de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop gaf de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken aan dat kerken in Algerije niets te vrezen hebben van de nieuwe wet op gebedshuizen. Deze zou vooral gericht zijn op clandestiene moskeeën. Het spreekt voor zich dat ik de ontwikkelingen hieromtrent nauwgezet blijf volgen en indien nodig hierover, bilateraal en in EU-verband, mijn zorgen zal uiten.
De consulaire problemen die Venezolanen in Nederland ondervinden |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Venezolaanse ambassade in Den Haag geen paspoorten meer verstrekt en verlengt?
Ja.
De Venezolaanse president heeft in oktober 2017 per decreet een nieuwe maatregel voor (bijna) verlopen paspoorten afgekondigd. De Venezolaanse ambassade heeft per Note Verbale de procedure voor verlenging van (bijna) verlopen paspoorten toegelicht. Hierin is aangegeven dat digitaal een verlengingsaanvraag kan worden ingediend bij de Venezolaanse autoriteiten. Zodra de aanvraag verwerkt is krijgt de persoon in kwestie bericht dat bij de consulaire afdeling van de aangewezen diplomatieke post een verlengingssticker kan worden opgehaald. Met deze verlengingssticker kan het (bijna) verlopen paspoort worden verlengd. Volgens de Venezolaanse ambassade in Den Haag moeten Venezolanen woonachtig in Nederland naar de ambassade in Brussel om een paspoort aan te vragen of te verlengen.
Klopt het dat dit eveneens het geval is in andere Europese lidstaten, in het bijzonder Duitsland en België?
Nee. De Venezolaanse ambassade in Berlijn en Brussel verstrekken paspoorten en verlengingen.
Op welke wijze kunt u deze problematiek in zowel bilateraal als Europees verband met Venezuela aankaarten?
De uitgifte van Venezolaanse paspoorten aan Venezolaanse onderdanen is een verantwoordelijkheid van de Venezolaanse regering. In gesprekken met de Venezolaanse ambassade in Den Haag is wel gekeken hoe de gevolgen voor in Nederland woonachtige Venezolanen het beste kunnen worden ondervangen (zie antwoord op vraag 4 en 5).
Bent u bekend met de negatieve consequenties die Venezolanen in Nederland hiervan ondervinden, zoals het niet meer kunnen verlengen van een visum, problemen met verblijfsvergunningen, notariële zaken en reizen van en naar het buitenland?
Ja, deze consequenties zijn bekend. In november is hierover reeds contact geweest tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de IND en de Venezolaanse ambassade in Den Haag. De Venezolaanse ambassade heeft de IND geïnformeerd over de tijdelijke procedure om paspoorten te verlengen.
De IND biedt de volgende twee, tijdelijke, oplossingen aan Venezolaanse burgers in Nederland die problemen hebben om zich te identificeren met een geldig nationaal paspoort:
(1) Venezolanen die hun verblijfspas willen ophalen of hun biometrische gegevens willen laten afnemen bij het IND-loket kunnen zich legitimeren met hun verlopen paspoort en een kopie van de (verlengings-)aanvraag van hun paspoort.
(2) Als Venezolanen een verlengingsaanvraag of een aanvraag «wijziging verblijfsdoel» indienen waarvoor het paspoortvereiste geldt, werpt de IND dat vereiste tijdelijk niet tegen. Hiervoor geldt wel de voorwaarde dat de aanvrager zijn verlopen paspoort en een kopie van de (verlengings)aanvraag van zijn paspoort overlegt en aan alle overige voorwaarden van de verblijfsvergunning voldoet. Bij de eerstvolgende verlenging zal de IND wel weer een geldig nationaal paspoort verlangen.
Deze tijdelijke regeling is gepubliceerd op de website van de IND.1 Dat een Venezolaanse burger problemen zou hebben met het verlengen van zijn visum wordt echter niet herkend. Venezolaanse burgers kunnen visumvrij naar Nederland reizen. Zij mogen maximaal 3 maanden (en met een eventuele verlenging van 3 maanden vanwege bijzondere omstandigheden) in Nederland verblijven. Voor binnenkomst is vereist dat hun paspoort een half jaar geldig is.
Hoe gaat u op korte termijn deze negatieve consequenties waar Venezolanen in Nederland mee te maken krijgen ondervangen?
Zie antwoord vraag 4.
De uitzending van EenVandaag ‘Meer homogeweld en veel zaken komen niet bij Openbaar Ministerie terecht’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van EenVandaag «Meer homogeweld en veel zaken komen niet bij Openbaar Ministerie terecht»?1
Ja.
Hoeveel melding van geweld tegen en bedreiging, belediging en/of discriminatie van homoseksuelen zijn er in 2016 en 2017 gedaan?
In Nederland is iedereen gelijkwaardig en heeft men de vrijheid om te houden van wie men wil en om zichtbaar zichzelf te zijn. Daar waar die vrijheid wordt ingeperkt, er sprake is van discriminatie, of mensen zelfs onveilig zijn, treedt de overheid actief op.
Een melding van homodiscriminatie kan worden gedaan bij de politie, bij een anti-discriminatievoorziening (ADV), bij het College voor de Rechten van de Mens, bij het Meldpunt internetdiscriminatie (MiND), bij een aantal belangenorganisaties en/of bij enkele particuliere initiatieven. Bij discriminatie in combinatie met geweld ligt het doen van aangifte het meest voor de hand.
De politie registreerde op basis van het totale aantal aangiftes in 2017 954 incidenten van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Dat zijn 341 incidenten minder dan in 2016. Van de registraties van discriminatie in 2017 had 27% betrekking op de discriminatiegrond seksuele gerichtheid; dat was in 2016 30%. Hiervan was 90% gerelateerd aan homoseksualiteit. De meeste incidenten speelden zich af in de directe woonomgeving of op de openbare weg. Vaak ging het om een discriminerende uitlating; soms ging dit gepaard met fysiek geweld. Een deel van de registraties had betrekking op incidenten waarbij het woord «homo» als algemeen scheldwoord werd gebruikt, zonder dat bij de daders (of bij de politie) bekend was wat de seksuele gerichtheid van het slachtoffer was. Andere incidenten waren wel expliciet gericht op de seksuele gerichtheid van het slachtoffer.2
Bij ADV’s zijn in 2017 duidelijk minder meldingen over discriminatie op grond van seksuele gerichtheid gedaan dan in 2016: de ADV’s registreerden 195 meldingen in 2017 tegenover 380 in 2016. Het niveau van meldingen in 2017 is in lijn met de jaren voor 2016. Terwijl ADV’s veel minder meldingen van discriminatie op grond van seksuele gerichtheid registreerden dan de politie, ging het bij deze meldingen in de meeste gevallen wel om gerichte discriminatie, in de zin dat melders zich gediscrimineerd voelden op grond van hun seksuele gerichtheid. Bij twee op de drie ADV-meldingen op grond van seksuele gerichtheid ging het om een belediging of schelden. De meldingen gingen vooral over discriminatie van homoseksuele mannen.
Bij het Meldpunt internetdiscriminatie (MiND) werden in 2017 67 meldingen van de discriminatie op grond van seksuele gerichtheid geregistreerd. Met ingang van 1 januari 2017 is het niet meer mogelijk om discriminatie op het internet bij het Meldpunt Discriminatie op Internet (MDI) te melden. Het MDI heeft het afhandelen van de meldingen overgedragen aan MiND en richt zich nu uitsluitend op onderzoek. De afbouw van het meldpunt van het MDI is al in de loop van 2016 begonnen. Bij MiND en MDI kwamen in 2016 54 meldingen binnen over discriminatie op grond van seksuele gerichtheid.3
Het College voor de Rechten van de Mens (CRM) ontving in 2017 zes verzoeken om een oordeel te geven dat is gerelateerd aan de discriminatiegrond seksuele gerichtheid. Het jaar ervoor waren dat er zeven.4
Bij welke instanties worden deze meldingen gedaan? Hoe verloopt de registratie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke trends ziet u in deze meldingen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aangiftes van geweld tegen en bedreiging, belediging of discriminatie van homoseksuelen zijn er in 2016 en 2017 gedaan bij de politie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeveel van de onder vraag 5. genoemde zaken heeft de politie een proces-verbaal ingestuurd naar het openbaar ministerie (OM)?
In 2017 zijn bij het Openbaar Ministerie 144 specifieke discriminatiefeiten ingestroomd, behorend tot 138 verschillende zaken. Bij 8% ging het daarbij om de discriminatiegrond «seksuele gerichtheid».5 Daarnaast stroomden er 187 CODIS6-feiten in, behorend tot 154 verschillende zaken. Bij 29% van de gronden was het discriminatie-aspect gericht op de discriminatiegrond «seksuele gerichtheid».
In 2016 ging het om 163 specifieke discriminatiefeiten, waarbij het in 10% de seksuele gerichtheid betrof. In 2016 waren er 232 CODIS-feiten, waarbij het in 9% seksuele gerichtheid betrof.
Daarbij moet aangetekend worden dat de cijfers uit de antwoorden 2 tot en met 5 en bovenstaande cijfers niet een op een met elkaar te vergelijken zijn. Zo kan het zijn dat meerdere aangiftes over één geval van discriminatie leiden tot de instroom van één enkel discriminatiefeit. Ook is het mogelijk dat één zaak meerdere feiten omvat: een verdachte in één zaak, met één parketnummer, kan immers verdacht worden van meerdere feiten.
In hoeveel van de onder vraag 6. genoemde zaken heeft het OM de zaak zelf afgedaan?
In 2017 heeft het Openbaar Ministerie 182 discriminatiefeiten afgedaan. In 79 gevallen (44%) werd besloten de verdachte voor de rechter te brengen; in acht gevallen (4%) werd het feit afgedaan met een transactie; in 32 gevallen (17%) met een OM-strafbeschikking; in 12 gevallen (7%) met een voorwaardelijk sepot; in 36 gevallen (19%) met een onvoorwaardelijk sepot; in 10 gevallen (6%) met een oproep ter terechtzitting naar aanleiding van verzet. In vijf gevallen (3%) volgde een andere afdoening.
Ten aanzien van de onvoorwaardelijke sepots geldt dat 26 sepots een beleidssepot betreffen. Zeven betreffen een technisch sepot en drie onvoorwaardelijke sepots zijn administratieve sepots.
De categorie «oproep ter terechtzitting naar aanleiding van verzet» houdt in dat een verdachte een OM-strafbeschikking heeft geweigerd, en dat hij daarna alsnog is gedagvaard om voor een rechter te verschijnen.
In 2016 werd bij 159 discriminatiefeiten een beslissing over de afdoening genomen. Deze 159 feiten hoorden bij 150 zaken. Bij 53% van de discriminatiefeiten werd besloten om te dagvaarden. Bij 3% van de afgedane feiten werd besloten tot een transactie. Bij 11% van de feiten werd een OM-strafbeschikking uitgevaardigd. 23% van de feiten werd geseponeerd. Van alle geseponeerde feiten kreeg 59% een technisch sepot en 41% een beleidssepot. 20% werd onvoorwaardelijk, en 3% werd voorwaardelijk geseponeerd.7
Daarbij moet worden aangetekend dat het aantal ingestroomde feiten kan verschillen van het aantal feiten dat in een bepaald jaar wordt afgedaan. Het gaat daarbij ook niet per se om dezelfde feiten. Een feit kan immers in het ene jaar instromen en in het daaropvolgende jaar worden afgedaan.
Hoeveel van de onder vraag 5. genoemde zaken zijn door het OM geseponeerd? Wat waren daarvoor de redenen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeveel van de onder vraag 5. genoemde zaken is door het OM een verdachte gedagvaard? Hoe zijn deze zaken door de rechter afgedaan?
In 2017 waren er 87 rechterlijke beslissingen in zaken waarin een specifiek discriminatieartikel ten laste was gelegd, tegenover 77 beslissingen in 2016. Het betreft uitspraken van de rechter die zien op zaken als geheel, en dus niet enkel op het specifieke discriminatiefeit. De weergegeven uitspraak kan daarom andere, niet aan discriminatie gerelateerde, delicten betreffen, die geheel los staan van het discriminatiefeit. Aangezien een veroordeling geen betrekking hoeft te hebben op alle tenlastegelegde feiten kan het ook zijn dat het discriminatiefeit niet bewezen is verklaard. In 62 van de 87 gevallen kwam het tot een veroordeling.8 Ook bij deze cijfers moet worden aangetekend dat het aantal ingestroomde feiten kan verschillen van het aantal feiten dat in een bepaald jaar wordt afgedaan. Het gaat daarbij ook niet per se om dezelfde feiten. Een feit kan immers in het ene jaar instromen en in het daaropvolgende jaar worden afgedaan. Zie voor het overige mijn antwoord op de vragen 7 en 8.
Hoe beoordeelt u bovengenoemde uitkomsten? Welke maatregelen kunt u nemen om de aanpak van geweld tegen en belediging van homoseksuelen te verbeteren?
Uit de rapportages van politie en Openbaar Ministerie over discriminatie kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een toename van homogeweld, zoals EenVandaag stelt. Tegelijkertijd wil het kabinet zich niet blindstaren op statistieken: de geringe meldings- en aangiftebereidheid van de LHBTI-community blijft een punt van zorg. Het kabinet zal mede daarom uitvoering geven aan het onderdeel van de motie van de leden Van den Hul en Sjoerdsma9 dat oproept een actieplan op te stellen om geweld tegen LHBTI’s tegen te gaan.
De door Egypte geëiste doodstraf tegen fotojournalist Shawkan |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Egypte eist doodstraf tegen fotojournalist Shawkan»?1
Ja.
Klopt het dat Shawkan, oftewel Mahmoud Abu Zeid, in 2013 is gearresteerd voor het fotograferen van een demonstratie in Caïro? Zo ja, hoe duidt u dit?
Fotojournalist Mahmoud Abu Zeid, bekend als Shawkan, is in augustus 2013 gearresteerd tijdens de ontruiming van een demonstratie op het Raba’a al-Adawiyya plein in Caïro. Hij was daar om foto’s te nemen van de demonstratie voor persbureau Demotix.
Klopt het dat de aanklacht tegen Shawkan onderdeel is van een massaproces tegen ruim 700 verdachten in verband met de demonstratie in 2013? Hoeveel van deze verdachten zijn (foto)journalisten?
Mahmoud Abu Zeid is één van de 739 verdachten in de zaak die bekendstaat als de «Raba’a sit-in dispersal case». De verdachten staan terecht voor het behoren tot een verboden organisatie, verzet bieden tegen arrestatie, moord met voorbedachten rade, het vandaliseren van publiek bezit, het blokkeren van wegen, een poging om de regering met geweld omver te werpen, het verstoren van de publieke orde, bezit van vuurwapens en munitie zonder vergunning en actieve betrokkenheid bij agressie tegen burgers. Voor zover bekend is Mahmoud Abu Zeid de enige journalist in de zaak.
Deelt u de mening dat het eisen van de doodstraf tegen Shawkan voor het uitvoeren van zijn journalistieke werk disproportioneel is? Zo ja, op welke wijze bent u voornemens dit kenbaar te maken bij uw Egyptische collega’s?
Ja, die mening deel ik. Eén van de Nederlandse mensenrechtenprioriteiten wereldwijd is vrijheid van meningsuiting, een belangrijk fundament van onze democratische rechtsstaat. Dit geldt ook voor het belang van vrije nieuwsgaring, vrije pers en de veiligheid van journalisten. Bovendien beschouwt Nederland de doodstraf als een wrede en inhumane wijze van bestraffing. De straf is onomkeerbaar. Daarnaast is nimmer bewezen dat de doodstraf afschrikwekkend werkt. Nederland draagt zorgen hierover uit in de dialoog met Egypte. Meest recent door de mensenrechtenambassadeur in zijn gesprek met de Egyptische onderminister voor mensenrechten in februari jl.
Deelt u de mening dat gezien het verloop van het proces tegen Shawkan ernstig te betwijfelen valt of hier sprake is (geweest) van een eerlijk en zorgvuldig juridisch proces? Zo ja, op welke wijze bent u bereid uw zorgen over dit proces over te brengen aan uw Egyptische ambtsgenoot? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich samen met Duitsland ingezet om deze zaak in EU-verband te monitoren. Hierover is geen consensus bereikt, omdat het grootste deel van de verdachten in de zaak leden van de Moslimbroederschap zijn. Derhalve monitoren diplomaten van de Nederlandse Ambassade in Caïro, samen met collega’s uit Duitsland, Canada en Noorwegen, op eigen initiatief zittingen in deze zaak. Zij worden echter niet altijd toegelaten tot de rechtszaal. De Nederlandse Ambassade staat in nauw contact met het advocatenteam van Mahmoud Abu Zeid.
Advocaten betogen dat er schendingen van een eerlijke procesgang zijn geconstateerd. De bewijsstukken voor deze omvangrijke zaak beslaan meer dan 10.000 pagina’s, maar de rechter gaf de verdediging slechts twee weken om het pleidooi voor te bereiden. Ook weigerde de rechter om filmmateriaal af te spelen, dat door de verdediging als bewijs werd aangevoerd. Bovendien zijn getuigen achter gesloten deuren in afwezigheid van de verdachten gehoord, is het advocaten geweigerd om bepaalde vragen aan getuigen te stellen en waren getuigen in staat om elkaars getuigenissen bij te wonen, iets dat niet is toegestaan volgens de Egyptische wet.
Klopt het dat de Europese Unie Egypte financieel ondersteunt, onder andere in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid? Zo ja, in hoeverre acht u het wenselijk dat Egypte dergelijke financiering ontvangt, onder andere bedoeld ter versterking van de democratische rechtsstaat, en ondertussen de persvrijheid beperkt met het eisen van dergelijke disproportionele straffen tegen journalisten?
De Europese Unie ondersteunt Egypte financieel, met als doel democratisering en sociaaleconomische ontwikkeling in Egypte te stimuleren, zoals ook vastgesteld in het Associatieverdrag en de in 2017 vastgestelde EU-Egypte Partnerschapsprioriteiten. Daar zijn specifieke overlegstructuren aan gekoppeld, waarin de EU belangrijke zorgpunten aankaart. Dit gebeurt onder andere op het gebied van democratie en mensenrechten. Daarnaast biedt de EU steun aan mensenrechtenorganisaties in Egypte, bijvoorbeeld via European Endowment for Democracy. Zolang deze dialogen en de steun aan mensenrechtenorganisaties zijn gewaarborgd, en we onze zorgen direct met Egypte kunnen bespreken, acht ik het wenselijk dat de EU Egypte financieel ondersteunt, zodat we samen kunnen werken aan een stabiel en welvarend Egypte. Dat is immers ook rechtstreeks in het Europese en Nederlandse belang.
Klopt het dat Nederland ook bilateraal Egypte financiële ondersteuning biedt? Zo ja, in hoeverre acht u het wenselijk dat Egypte dergelijke financiering van Nederland ontvangt ondertussen de persvrijheid beperkt met het eisen van dergelijke disproportionele straffen tegen journalisten?
Ook Nederland biedt Egypte bilaterale ondersteuning, onder andere gericht op het bevorderen van de sociaaleconomische omstandigheden, inclusiviteit en ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenorganisaties. Nederland werkt daarnaast samen met Egypte op thema’s als water en landbouw. Nederland ondersteunt juist díe aspecten binnen de Egyptische samenleving, die op een positieve manier bijdragen aan de ontwikkeling van Egypte. Dat is belangrijk vanuit het oogpunt van het behouden en creëren van stabiliteit aan de zuidgrenzen van Europa. Zowel bij het monitoren als het uitkiezen van de projecten die Nederland steunt, wordt zorg gedragen dat Nederlandse steun op geen enkele wijze bijdraagt aan repressie.
Daarnaast biedt onze bilaterale steun de mogelijkheid tot een kritische dialoog, onder andere over zaken die ons zorgen baren, zoals de vrijheid van meningsuiting in Egypte.
Voortdurende demonstraties in Marokko |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Achraf Bouali (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nu ook in Oost-Marokko arrestaties en geweld»?1
Hoe duidt u het gewelddadig optreden van de Marokkaanse autoriteiten tegen de demonstraties in Jerada?
Sinds december 2017 vinden in Jerada demonstraties plaats. De demonstraties zijn in eerste instantie rustig verlopen. Er is vrijwel direct een dialoog tot stand gekomen tussen de autoriteiten en lokale demonstranten, waarbij investeringen in de regio zijn toegezegd. Tijdens de demonstraties in maart zijn er echter arrestaties verricht en gewonden gevallen. Het is belangrijk dat geweldsincidenten worden onderzocht. Ook recent zouden naar verluidt weer 54 demonstranten zijn gearresteerd.
Klopt het dat meerdere gewonden zijn gevallen door het optreden van de politie bij de demonstraties, maar dat dit ontkend wordt door de Marokkaanse autoriteiten? Deelt u de mening dat dergelijk optreden van autoriteiten tegen demonstranten verwerpelijk is? Zo ja, op welke wijze maakt u dit kenbaar aan uw Marokkaanse ambtsgenoot? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel arrestaties zijn er verricht naar aanleiding van de demonstraties in Jerada?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat naar aanleiding van eerdere demonstraties in het Rif-gebied tevens vele arrestaties zijn verricht?
Zoals reeds gesteld in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 22 januari 2018 (2018Z00168) in reactie op de gewijzigde motie van het lid Karabulut met betrekking tot de demonstranten die zijn opgepakt in het noordelijke Rif-gebied, wordt de behandeling van gearresteerde en vervolgde demonstranten en journalisten nauw gevolgd door de Nederlandse, EU en andere gelijkgezinde ambassades in Rabat. De voormalige Minister van Buitenlandse Zaken heeft op 28 november jl. bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken aandacht gevraagd voor de behandeling van demonstranten die zijn opgepakt in relatie tot de protesten in Al Hoceima en de regio. Op 5 oktober jl. vroeg ook de voormalige Minister van Veiligheid en Justitie al aandacht hiervoor bij de Marokkaanse Minister van Justitie. Op 20 april heeft de Minister voor Buitenlandse Zaken Marokko bezocht om te spreken over de bilaterale relatie en effectieve samenwerking op belangrijke dossiers. Daarbij zijn ook zorgen over de rechtsstaat en meer kansen voor jongeren aan de orde gekomen. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft verder in een onderhoud met Premier Othamni benadrukt dat dialoog met de bevolking in de Rif belangrijk is evenals het toepassen van rechtsstaatsprincipes en sociaaleconomische ontwikkeling van de regio.
Deelt u de mening dat het, ook gezien de kritiek van vele (internationale) mensenrechtenorganisaties, ernstig te betwijfelen valt of deze arrestanten door de Marokkaanse autoriteiten een voldoende zorgvuldig juridisch proces geboden wordt? Zo ja, hoe duidt u dit? Op welke wijze maakt u deze kritiek kenbaar of bent u voornemens dit kenbaar te maken bij uw Marokkaanse ambtsgenoot? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe duidt u het feit dat de Marokkaanse autoriteiten meerdere malen demonstraties onder de bevolking met geweld hebben neergeslagen? Deelt u de mening dat dergelijk optreden tegen demonstraties disproportioneel is? Op welke wijze kaart u dit, of bent u voornemens dit aan te kaarten bij uw Marokkaanse ambtsgenoot?
Het recht op vreedzaam demonstreren is vastgelegd in internationale mensenrechtenverdragen en in de Marokkaanse Grondwet. De Nederlandse ambassade heeft het belang daarvan regelmatig opgebracht bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook bij ministeriële ontmoetingen, zoals ter gelegenheid van het bezoek aan Marokko van de Minister van Buitenlandse Zaken op 20 april jl. is dit aangekaart.
Klopt het dat de betreffende demonstraties voortkomen uit ontevredenheid onder de bevolking over sociale voorzieningen in Marokko, onder andere gezondheidszorg, onderwijs en arbeidsomstandigheden? Zo ja, hoe duidt u dit? Zo nee, welke oorzaak dicht u toe aan de voortdurende demonstraties?
Demonstranten in Marokko hebben zorgen geuit over het gebrek aan werk en sociale voorzieningen die door diverse Marokkaanse autoriteiten legitiem zijn genoemd. De Marokkaanse autoriteiten zijn zich bewust van het belang van het creëren van werkgelegenheid en het verbeteren van sociale voorzieningen en hebben in dit verband nieuwe ontwikkelingsprogramma’s aangekondigd. Zowel over het belang hiervan als over de wijze waarop Nederland Marokko hier het best bij kan ondersteunen, wordt regelmatig gesproken met de Marokkaanse autoriteiten.
Op welke wijze brengt u de ontevredenheid van de Marokkaanse bevolking over de sociaaleconomische omstandigheden onder de aandacht bij uw Marokkaanse ambtsgenoot?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan de in juni 2017 aangenomen motie-Bouali/Van den Hul, waarin de regering is verzocht te onderzoeken op welke wijze Nederlandse expertise, in het kader van hulp en handel, kan bijdragen aan de verbetering van de sociaaleconomische situatie van het Rif-gebied?
Nederland draagt sinds oktober 2017 bij aan een programma ter ondersteuning van sociaal gemarginaliseerde jongeren in het noorden van Marokko. Daarnaast worden activiteiten ontwikkeld op economisch en cultureel gebied, alsook op het gebied van de vrouwenrechten, waarmee uitvoering wordt gegeven aan genoemde motie.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de sectorstudies naar Marokko, zoals toegezegd door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tijdens het begrotingsdebat op 23 november 2017? Bent u bereid deze sectorstudies bij beantwoording van deze vragen met de Kamer te delen?
Van de drie sectorstudies is inmiddels de studie inzake Transport en Logistiek afgerond en gepubliceerd op de websites van de RVO en van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De studies over aquacultuur, hergebruik van afvalwater en duurzame energie worden nog afgerond. Zodra alle studies gereed zijn, zullen zij aan de Kamer worden aangeboden, zoals toegezegd aan het lid Bouali tijdens de begrotingsbehandeling BHOS 2018.
Ziet u meer mogelijkheden om bilateraal samen te werken met de Marokkaanse autoriteiten ten behoeve van stabiliteit en verbetering van de sociaaleconomische situatie in het Rif-gebied?
Zie het antwoord op vraag 10.
Het bericht ‘U-bocht in zaak Poch’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «U-bocht in zaak Poch»?1
Ja.
Klopt het dat in 2008 twee Nederlandse rechercheurs, betrokken bij het strafrechtelijke onderzoek naar de heer Poch, een bezoek hebben gebracht aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter?
In 2008 hebben twee dienstreizen naar Argentinië plaatsgevonden, beide in het kader van het in opdracht van het Openbaar Ministerie gestarte Nederlandse opsporingsonderzoek tegen de heer Poch. In januari 2008 hebben een Nederlandse rechercheur en een (in Venezuela gestationeerde) Nederlandse liaison officer een bezoek gebracht aan de heer Leandro Despouy, destijds hoofd van de Nationale Rekenkamer in Argentinië. Dit werkbezoek strekte tot voorbereiding voor een latere dienstreis met een officier van justitie, in mei van datzelfde jaar, ter verkenning van de mogelijkheden voor samenwerking.
Tijdens de dienstreis in mei 2008 bezochten de hiervoor genoemde twee politiefunctionarissen, samen met de teamleider van het Team Internationale Misdrijven en de officier van justitie van het Landelijk Parket, een Argentijnse onderzoeksrechter (de heer Torres), leden van het Argentijnse Openbaar Ministerie en vertegenwoordigers van het Argentijns Ministerie van Justitie. Daarnaast is gesproken met personen met specialistische kennis van de te onderzoeken materie (de dodenvluchten). Het ging hierbij om een mensenrechtenactivist, een advocaat en een onderzoeksjournalist. Deze dienstreis vond plaats met medeweten en instemming van zowel de Nederlandse als Argentijnse autoriteiten. Ik beschik niet over verslaglegging van deze gesprekken.
Met welk doel hebben de betreffende rechercheurs dit bezoek afgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
In opdracht van wie hebben de betreffende rechercheurs dit bezoek afgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer hebben de betreffende rechercheurs dit bezoek aan Argentinië precies afgelegd? Was op dat moment het strafrechtelijk onderzoek naar de heer Poch in Nederland al opgestart?
Zie antwoord vraag 2.
Waarover is tijdens de ontmoeting(en) tussen de rechercheurs en de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter gesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er gespreksverslagen beschikbaar van de ontmoeting(en) tussen de rechercheurs en de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke juridische grondslag werd gesproken met de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter?
Voor dienstreizen, waarin geen opsporingshandelingen worden verricht en die bedoeld zijn om te verkennen of (en zo ja: op welke wijze) samenwerking met een ander land mogelijk is, is geen juridische grondslag vereist. Dat tussen justitiële autoriteiten wordt overlegd over mogelijke vormen van rechtshulp in complexe zaken is gebruikelijk.
In hoeverre heeft het bezoek van de Nederlandse rechercheurs aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter bijgedragen aan de totstandkoming van het rechtshulpverzoek van de Argentijnse autoriteiten aan Nederland om een mogelijk vertrek van de heer Poch naar het buitenland aan Argentinië te melden?
De werkbezoeken in 2008 dienden om de mogelijkheden voor een Nederlands strafrechtelijk onderzoek te verkennen. Tijdens het werkbezoek in mei 2008 gaven de Argentijnse justitiële autoriteiten aan dat zij de heer Poch mogelijk ook zelf wilden berechten. Het OM heeft daar toen geen afspraken over gemaakt; besloten werd eerst het verloop van het onderzoek in beide landen af te wachten. Na de werkbezoeken in 2008 zijn er over en weer – in het kader van elkaars strafzaken – rechtshulpverzoeken gedaan door Nederland en Argentinië. De Argentijnse onderzoeksrechter heeft de aanhouding van de heer Poch in maart 2009 bevolen nadat Argentinië zelf nader onderzoek had gedaan. Het rechtshulpverzoek om de reisbewegingen van de heer Poch door te geven, komt derhalve voort uit Argentijns strafrechtelijk onderzoek.
Kunt u zich uw antwoord herinneren op Kamervragen waarin u stelde: «Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij laten weten dat het Argentijnse onderzoek naar de heer Poch weliswaar is begonnen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van het OM aan de Argentijnse autoriteiten, maar dat tot de aanhouding van de heer Poch door de Argentijnse onderzoeksrechter pas werd bevolen nadat de Argentijnse autoriteiten zelf al het (op dat moment beschikbare) relevante bewijsmateriaal hadden beoordeeld»?2 Op welke wijze heeft het bezoek van de Nederlandse rechercheurs aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter bijgedragen aan de aanbeveling van de betreffende onderzoeksrechter tot aanhouding van de heer Poch?
Ik herinner mij de antwoorden op de genoemde Kamervragen. De Nederlandse en Argentijnse justitiële autoriteiten hebben – in het kader van elkaars strafrechtelijke onderzoeken – over en weer rechtshulpverzoeken gedaan. De Argentijnse onderzoeksrechter heeft een internationaal aanhoudingsbevel inzake de heer Poch uitgevaardigd in maart 2009, nadat hij zelf getuigen had gehoord en in Argentinië nader onderzoek had laten doen.
Klopt het dat in aanloop naar het bezoek van de betreffende rechercheurs aan Argentinië, de hoogleraar internationaal recht de heer Van Boven is verzocht de rechercheurs in contact te brengen met de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter? Waarom is dit verzoek aan de heer Van Boven gedaan? Waarom is dit verzoek niet via reguliere diplomatieke wegen gelopen?
De heer Van Boven heeft, desgevraagd, aan de politie de heer Despouy genoemd als mogelijk deskundige gesprekspartner. Naar aanleiding van het contact met de heer Despouy zijn afspraken gemaakt voor de gesprekken in mei 2008 die plaatsvonden tussen de teamleider van het Team Internationale Misdrijven, de officier van justitie van het Landelijk Parket en de twee in de vragen aangeduide politiefunctionarissen met de Argentijnse onderzoeksrechter, leden van het Argentijnse Openbaar Ministerie en vertegenwoordigers van het Argentijns Ministerie van Justitie.
Op welke wijze zijn de betreffende rechercheurs in contact gekomen met de voormalig president van de Argentijnse Rekenkamer, de heer Despouy? Klopt het dat via de heer Despouy de betreffende rechercheurs in contact zijn gekomen met de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter? Waarom is dit contact via de heer Despouy gelegd? Waarom is niet via reguliere diplomatieke wegen gegaan?
Zie antwoord vraag 11.
In hoeverre acht u het bezoek van de twee Nederlandse rechercheurs aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter in lijn met de waarborgen die verdachten door middel van een reguliere uitleveringsprocedure worden gegarandeerd? Bent u het ermee eens dat met een dergelijk bezoek, buiten de officiële routes om, deze waarborgen onvoldoende gegarandeerd kunnen worden? Waarom is voor deze aanpak gekozen?
De gesprekken in Argentinië hadden geen betrekking op uitlevering, maar stonden in het teken van een verkenning van mogelijkheden om samen te werken in het opsporingsonderzoek. Deze werkbezoeken vonden plaats in overeenstemming met de instructie opsporingshandelingen in het buitenland en vormden voor een complexe zaak als deze geen ongebruikelijke gang van zaken.
Zijn er andere contactmomenten tussen Nederlandse en Argentijnse autoriteiten buiten de officiële routes voor bilateraal overleg over strafrechtelijk onderzoek geweest in aanloop naar het strafrechtelijk onderzoek naar Julio Poch in Nederland? Zo ja, wanneer, tussen wie, waarom, in opdracht van wie en kunt u gespreksverslagen van deze contactmomenten aan de Kamer doen toekomen?
Dat tussen justitiële autoriteiten wordt overlegd over mogelijke vormen van rechtshulp in complexe zaken is niet ongebruikelijk. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 13. Welke contactmomenten er in dit kader na 2008 precies zijn geweest is mij niet bekend.
Kent u het bericht «Argentijnse rechters doen aangifte tegen Nederlandse piloten om Poch»?3
Ik heb kennisgenomen van het bericht, maar beschik niet over formele informatie met betrekking tot deze procedure in Argentinië.
Het Nederlandse Openbaar Ministerie is vanaf 2006, mede op basis van een in Nederland afgelegde getuigenverklaring, een opsporingsonderzoek gestart naar de betrokkenheid van de heer Poch bij het uitvoeren van de zogenoemde dodenvluchten in Argentinië en deed in juli 2008 een rechtshulpverzoek aan Argentinië. Nadien besloten ook de Argentijnse autoriteiten om zelf een strafrechtelijk onderzoek naar de heer Poch te starten. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 9.
Hoe duidt u het gegeven dat de Argentijnse rechters die de heer Poch recentelijk vrijspraken, aangifte zullen doen tegen de drie Nederlandse piloten wegens het afleggen van valse verklaringen tegen de heer Poch? Klopt het dat op basis van deze verklaringen het Nederlandse OM in 2008 besloot contact op te nemen met de Argentijnse autoriteiten en er vervolgens een zaak tegen de heer Poch werd aangespannen? Zo ja, hoe duidt u dit?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat de verklaringen van de piloten in de loop der jaren zijn gewijzigd? In hoeverre verschillen de in 2008 bij de aangifte afgelegde verklaringen van de betreffende piloten met de laatste verklaringen van deze piloten in 2014?
Voor zover in het Argentijnse vonnis deze vragen worden beantwoord, merk ik op dat ik pas onlangs een vertaling van het Argentijnse vonnis heb ontvangen. Vanwege de omvang is met de bestudering daarvan enige tijd gemoeid.
Kent u het bericht «Journaliste moet Papua verlaten om tweets»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze BBC-journaliste Henschke uit Papoea is weggestuurd, en bent u bekend met vergelijkbare gevallen van uitzetting van buitenlandse journalisten door de Indonesische overheid?
Bij navraag is gebleken dat de BBC-journaliste inderdaad de provincie moest verlaten.
In de periode 2017–2018 werden enkele andere buitenlandse journalisten verzocht Papua te verlaten omdat volgens de Indonesische autoriteiten de vergunningen van journalisten in kwestie niet in orde waren.
Klopt het dat de Indonesische overheid zowel binnenlandse als buitenlandse journalisten actief tegenwerkt als het gaat om verslaggeving van de situatie van Papoea’s in Indonesië?
President Joko Widodo heeft in 2015 aangekondigd dat Papua open is voor buitenlandse journalisten. Zij moeten echter wel een vergunning aanvragen om in Papua te werken. Indonesische journalisten hebben geen vergunning nodig om in Papua te werken.
De Alliance for Independent Journalists,een beroepsorganisatie voor journalisten in Indonesië, spreekt in algemene zin van een verbetering van toegankelijkheid van Papua voor journalisten. Niettemin blijft persvrijheid in Papua een punt van zorg.
Wat doet Nederland in het kader van de beleidsprioriteit «vrijheid van meningsuiting» om ook de vrijheid te bevorderen van journalisten die verslag willen doen van de onderdrukking van de Papoeabevolking in Indonesië?
Vrijheid van meningsuiting is een voorwaarde voor een goed functionerende democratie en een vrije samenleving, en is daarom één van de Nederlandse mensenrechtenprioriteiten wereldwijd, zo ook in Indonesië.
Dit was ook de reden dat Nederland via de mensenrechtenambassadeur in 2017 deelnam aan de World Press Freedom Day in Jakarta. In zijn contacten met de Indonesische autoriteiten heeft de mensenrechtenambassadeur het belang van vrije pers en vrijheid van meningsuiting diverse malen benadrukt.
Daarnaast steunt Nederland de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid via het strategisch partnerschap met Free Press Unlimited (FPU). FPU werkt in Indonesië samen met partnerorganisaties die zich onder andere inzetten voor de verbetering van persvrijheid, en capaciteitsopbouw van vrouwelijke journalisten in Papua.
Kunt u aangeven in hoeverre er sprake is van een verdere achteruitgang van de mensenrechtensituatie van Papoea’s in Indonesië?
De situatie in de Indonesische provincies Papua en West-Papua kent diverse zorgpunten, zoals geweldsincidenten tegen burgers, maar ook de vrijheid van meningsuiting en de positie van mensenrechtenverdedigers en (lokale) journalisten.
Onder president Widodo zijn enkele bemoedigende stappen gezet. Zo is de sociaaleconomische ontwikkeling van Papua («bridging the gap») een prioriteit voor de president. Zijn inzet en aandacht toont hij ook door veelvuldige bezoeken aan Papua. Meest recentelijk bracht president Widodo op 20 december 2017 een bezoek aan de regio.
Ook maakt president Widodo werk van een meer structurele dialoog over de situatie in Papua. Zo sprak de president op 15 augustus 2017 in Jakarta met onder meer religieuze leiders en mensenrechtenactivisten uit Papua. Deze bijeenkomst betekende het startpunt van een dialoog tussen betrokkenen in Papua en de centrale overheid in Jakarta. Deze dialoog vormt een belangrijke stap in het bespreekbaar maken van diverse zorgpunten van de bevolking van Papua.
In eerdere antwoorden op schriftelijke vragen is ingegaan op de bijdrage van Nederland aan politietrainingen op Papoea2; wat is de huidige status van de Nederlandse politietraining in Indonesië, en in hoeverre droeg of draagt deze inzet bij aan een verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea?
De Nederlandse bijdrage aan het Community Policing Programme loopt tot juli 2019. Het programma heeft als doel om de relatie tussen de politie en lokale gemeenschappen te verbeteren door middel van dialoog en mensenrechtentrainingen. Dit is onder meer gebeurd via de training en inzet van Community Policing Officers («wijkagenten»). In de laatste fase van dit programma zijn Community Policing Forums (CPFs) opgericht, waarin de bevolking samen met het lokaal bestuur en de politie de situatie in hun dorpen bespreekt ter bevordering van de lokale veiligheid.
Uit het rapport van de Mid-term evaluation van het Community Policing Programme kwam onder meer naar voren dat lokale gemeenschappen in Papua de politie nu zelf vaker betrekken bij problemen, en dat het programma heeft bijgedragen aan het opbouwen van vertrouwen en de vermindering van spanning tussen de politie en de gemeenschappen. De politie hanteert deze formule nu ook in andere gebieden.
Wat doet Nederland om uit te sluiten dat deze politietraining op enigerlei wijze bijdraagt aan het bevestigen van de onderdrukkende structuren jegens de Papoeaminderheid?
Het Community Policing Programmewerkt met wijkagenten in Papua die zich in de lokale gemeenschap inzetten om diensten te verlenen aan burgers. Deze agenten zijn in de regel niet betrokken bij handhaving en zij dragen ook geen wapens bij zich.
Het gaat om een lange termijn inzet waarbij een cultuuromslag noodzakelijk is. De leiding van de provinciale politie in Papua heeft bij diverse gelegenheden gesteld het belang te erkennen van het winnen van het vertrouwen van de lokale gemeenschappen om incidenten te verminderen en daarmee de veiligheidssituatie te verbeteren.
Is Nederland bereid om, ook in EU- en VN-verband, bij de Indonesische overheid actief te blijven pleiten voor persvrijheid, voor het bevorderen van gelijke rechten voor de Papoeabevolking, en voor het stoppen en bestraffen van geweld tegen Papoea’s door onder meer leger en politie?
Ja. De mensenrechtensituatie in Indonesië, met inbegrip van de situatie in Papua, is onderdeel van de reguliere dialoog tussen Nederland en Indonesië.
Zo heeft Nederland aandacht gevraagd voor de mensenrechtensituatie in Papua tijdens de politieke consultaties met Indonesië eind november 2017. Ook tijdens de EU-Indonesië mensenrechtendialoog op 1 februari 2018 is de situatie in Papua aan bod gekomen, evenals tijdens de bespreking van de mensenrechtensituatie in Indonesië (Universal Periodic Review) in mei 2017 in de VN-Mensenrechtencommissie.
De Nederlandse mensenrechtenambassadeur heeft tijdens zijn bezoek aan Indonesië in mei 2017 een bezoek aan Papua gebracht. Naast gesprekken met betrokkenen in Papua, is de situatie in Papua ook in gesprekken in Jakarta, onder meer met de Minister van Justitie en mensenrechten, aan de orde geweest.
Het betrekken van Nederlanders in het buitenland bij de verbetering van het postennetwerk en consulaire dienstverlening |
|
Han ten Broeke (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Halbe Zijlstra (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wijze bent u van plan het postennetwerk en de consulaire dienstverlening, zoals voorgenomen in het Regeerakkoord, te versterken?
Bij de versterking van het diplomatieke netwerk wordt gekeken naar zowel extra capaciteit op bestaande posten als mogelijk het openen van posten op locaties elders in de wereld, en de organisatie daaromheen. Dit kunnen behalve ambassades ook consulaten-generaal of ambassadekantoren zijn maar ook inhuizende diplomaten bij posten van bevriende landen. De concrete invulling hangt nauw samen met het beleid uit het regeerakkoord dat in ontwikkeling is op het gebied van veiligheid, Europese samenwerking, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, migratie en met de ontwikkelingen op het gebied van consulaire dienstverlening. Uiterlijk voor de zomer wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de visie van het kabinet op het postennet en de wijze waarop de in het Regeerakkoord aangekondigde middelen voor de uitbreiding en versterking hiervan zullen worden besteed.
Specifiek op consulair terrein volgt een uitwerking van het Nederlandse «koploperschap». Daarbij hecht het kabinet aan duidelijke keuzes voor de verschillende consulaire producten en diensten voor Nederlanders en klanten wereldwijd. In de uitvoering daarvan zal Nederland excelleren en innoveren: van de verstrekking van reis- en identiteitsdocumenten, visa kort en lang verblijf tot de consulair-maatschappelijke dienstverlening.
In de eerste helft van dit jaar zal het kabinet die aanpak en invulling met uw Kamer delen, in de vorm van een beleidsbrief, de «Consulaire Canon», met een jaarlijkse rapportage over voortgang en dienstverlening.
De keuzes en kaders in die brief zijn van belang om voor iedereen helderheid te scheppen over de mogelijkheden en onmogelijkheden van consulaire dienstverlening, en over de rechten en plichten die gelden voor de gebruiker van deze diensten. Daarin zal het kabinet ook aangeven hoe de rijksoverheid invulling zal geven aan het wereldwijde «koploperschap» in de consulaire dienstverlening.
In de tussentijd ligt het lopende consulaire moderniseringsprogramma op koers. Een moderne en innovatieve front office, inzet van externe partijen om diensten te verlenen, met een nadrukkelijke inzet op digitale dienstverlening. Veiligheid en betrouwbaarheid zijn daarbij een randvoorwaarde, nadrukkelijk ook bij de ICT-gerelateerde zaken.
Er loopt momenteel een pilot in Edinburgh (VK), waar Nederlanders een aanvraag voor een Nederlands reisdocument kunnen indienen bij een externe dienstverlener. De pilot wordt dit voorjaar definitief geëvalueerd. Het kabinet heeft een positieve grondhouding ten aanzien van de uitbreiding van deze dienstverlening, ook in het licht van de specifieke wensen vanuit de Kamer, bijvoorbeeld met betrekking tot Canada en Australië. Hierover informeer ik u in het voorjaar van 2018.
Kunt u aangeven welk tijdspad u daarbij voor ogen heeft?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de vele signalen van Nederlanders in het buitenland, die door het sluiten van consulaire afdelingen moeite ondervinden en lange afstanden moeten afleggen om onder andere een paspoort aan te vragen of andere consulaire diensten af te nemen?
Ja, deze signalen zijn mij bekend.
Bent u bereid de een miljoen Nederlanders in het buitenland actief te betrekken bij de verbetering van consulaire dienstverlening en uitbreiding van het postennetwerk, bijvoorbeeld door middel van een enquête of onderzoek onder deze doelgroep? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, het publiek wereldwijd wordt op verschillende manieren actief betrokken bij het uitwerken van de verdere plannen. Een belangrijk uitgangspunt is namelijk dat de «klant» centraal staat.
In het lopende moderniseringsprogramma gebeurt die consultatie voortdurend. Bij de ontwikkeling en verbetering van de huidige dienstverlening wordt reeds gebruik gemaakt van onderzoek onder de doelgroepen van deze diensten. Zo zijn voorafgaand aan de ontwikkeling en inrichting van de 24/7 BZ Reisapp, de BZ Informatieservice en de websites Nederlandwereldwijd.nl en Netherlandsandyou.nl de behoeften en verwachtingen actief in kaart gebracht. Daarnaast wordt doorlopend klanttevredenheid gemeten, bijvoorbeeld over het 24/7 BZ Contact Centre en aangepast als daartoe wensen zijn bij gebruikers. Datzelfde gebeurt bij de lopende paspoortpilot in Edinburgh en bij klanttevredenheidsonderzoek bij de verstrekking van reisdocumenten in Londen en Parijs.
Voor de nieuwe stappen zal ook actief worden ingezet op consultatie van «klanten».
De beleidsbrief Consulaire Dienstverlening («Consulaire Canon») zal dit voorjaar via publieksconsultaties worden vormgegeven (www.internetconsultatie.nl).
Voor het rijksbrede 24/7 Loket Buitenland («one stop shop») zal dit jaar een professionele «survey» worden afgerond zodat wereldwijd wensen, mogelijkheden, en suggesties worden opgehaald. Op die manieren brengt de Nederlandse overheid nog scherper de wensen in beeld.
Deelt u de mening dat het digitaliseren van consulaire dienstverlening, mits veilig, groot financieel en tijdsvoordeel op kan leveren voor Nederlanders in het buitenland? Zo ja, bent u voornemens deze digitalisering voortvarend aan te pakken? Welk tijdspad heeft u daarbij voor ogen?
Digitalisering van dienstverlening staat hoog op de consulaire agenda. Voor visumaanvragen zijn eerste stappen in die richting gezet, en draaien de eerste pilots. Voor de brede dienstverlening geniet digitale vormgeving de voorkeur. Dat geldt ook voor het aanvragen van Nederlandse reisdocumenten vanuit het buitenland. De inzet is erop gericht om in 2020 te komen tot een zo maximaal mogelijke digitalisering. De uitdaging daarbij is het vinden van de balans tussen zo eenvoudig mogelijke verstrekking enerzijds en (digitale) veiligheid, betrouwbaarheid en wet- en regelgeving anderzijds. Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, eerstverantwoordelijke voor de toekomstige vormgeving van het reisdocumentenproces, zetten hier gezamenlijk op in.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het realiseren van het 24/7 Loket Buitenland voor Nederlanders in het buitenland? Kunt u aangeven op welke termijn u verwacht dit te hebben gerealiseerd?
Voor het 24/7 Loket Buitenland («one stop shop») zijn verkennende gesprekken met diverse departementen en uitvoeringsorganisaties bijna afgerond. De oogst hiervan wordt vertaald in een plan van aanpak voor het beoogde loket. Doel van het loket is betere dienstverlening aan Nederlanders in het buitenland te realiseren. Cruciaal daarbij is een goede samenwerking met en mede-eigenaarschap van andere overheidspartijen, en een geleidelijke aanpak over een periode van 3–4 jaar. Deze «stap-voor-stap»-benadering geldt zowel voor de producten en diensten die in het loket worden ondergebracht als voor de mate waarin de coördinatie daarop wordt verdiept. De focus van het loket zal vooralsnog liggen op het optimaal ontsluiten van informatie over producten en diensten van de Nederlandse overheid voor de doelgroep.
In 2018 zullen drie stappen worden gerealiseerd: het afronden van de wereldwijde survey onder Nederlanders in het buitenland; een aanzet voor de inrichting van het digitale en telefonische loket (de balie van de «one-stop-shop»), inclusief de verbinding naar klantportalen en websites van diverse overheidspartijen; en het gaandeweg verbreden van de dienstverlening ten opzichte van de bestaande consulaire dienstverlening (toevoeging eerste nieuwe producten en diensten).
Bent u bekend met het Ierse initiatief «Global Irish»?1 Ziet u mogelijkheden een dergelijk initiatief, dat onder andere in het buitenland gevestigde Ieren via een selectiesysteem uitnodigd om Ierland te bezoeken en de banden met het moederland te behouden en verstevigen, ook in Nederland in te voeren?
Bij de verdere uitwerking en vormgeving van het 24/7 Loket Buitenland zullen ervaringen en initiatieven elders, waaronder Global Irish, worden meegenomen. Daarbij staat voorop dat we met het loket de Nederlander in het buitenland zoveel mogelijk willen faciliteren bij dienstverlening door de Nederlandse overheid.
Seksuele intimidatie binnen de Verenigde Naties |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Halbe Zijlstra (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Seksuele intimidatie komt veel voor bij VN, slachtoffers houden zich stil»1 en «Sexual harassment and assault rife at United Nations, staff claim»?2
Ja.
(H)Erkent u de in de berichten geschetste problematiek? Acht u de huidige maatregelen die genomen zijn door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (VN) voldoende om de zwijgcultuur bij de VN te doorbreken en de slachtoffers de hulp te bieden die zij nodig hebben? Zo nee, welke maatregelen moeten volgens u genomen worden om dit te bereiken? Op welke wijze zal u zich inzetten om te zorgen dat die maatregelen door de VN uitgevoerd worden?
Het kabinet neemt de berichtgeving, over incidenten van seksuele intimidatie en misbruik binnen de VN en dat slachtoffers zich stil houden uit angst voor represailles, zeer serieus. Nederland steunt de zero tolerance aanpak van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN) en de eerdere maatregelen die door hem zijn genomen in zijn rapport van 24 juli 2017 (A/72/204), en dringt aan op onverkorte uitvoering ervan. Deze maatregelen hebben onder meer als doel om medewerkers die een klacht indienen, of medewerkers die optreden als getuige, beter te beschermen.3 In dit rapport meldt hij ook de uitvoering van de aanbevelingen van de Ombudsman van de Verenigde Naties om medewerkers en leidinggevenden aan te moedigen open en eerlijk met elkaar te communiceren.
Recent heeft de SGVN aanvullende maatregelen genomen. Tijdens de bijeenkomst in november 2017 van de UN System Chief Executives Board for Coordination (CEB), waarin de hoofden van 31 VN-organisaties en programma’s zitting hebben, benadrukte de SGVN zijn zero tolerance beleid en riep hij op tot maximale aandacht voor het verbeteren van de aanpak van seksuele intimidatie binnen de VN. De SGVN heeft daarvoor een Task Forceingesteld die een gemeenschappelijke en consistente aanpak binnen de VN moet gaan formuleren. De Task Force staat onder leiding van mevrouw Jan Beagle, de Ondersecretaris voor Management van de VN. In het voorjaar van 2018 zal de Task Force zijn bevindingen presenteren aan de CEB.
Op vrijdag 2 februari 2018 presenteerde de SGVN een vijfpuntenplan om gendergelijkheid in de hele organisatie te waarborgen, hetgeen volgens hem van cruciaal belang is om seksuele intimidatie te bestrijden. Dit plan omvat: (1) het grondig onderzoeken van alle aantijgingen, zowel uit het verleden als heden; (2) het instellen van een nieuwe hulplijn voor VN-personeel; (3) de oprichting van de hierboven genoemde Task Force die een gemeenschappelijke en consistente aanpak van seksuele intimidatie binnen de VN moet bevorderen; (4) verbeterde bescherming van klokkenluiders en (5) het uitvoeren van een personeelsenquête en verbeteren van training. Ook heeft de SGVN een gedragscode laten opstellen en, naast de Ombudsman van de VN, diverse andere mogelijkheden ingesteld voor slachtoffers van seksuele intimidatie om een klacht in te dienen, zoals een Focal Point for Women en een Conduct & Discipline Team.
Het is nu nog te vroeg om een oordeel te vellen of deze maatregelen voldoende zijn. Medio 2018 zal de Ombudsman van de VN over de voortgang rapporteren aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN).
Nederland zal de uitvoering van deze maatregelen nauwgezet volgen en daarnaast met gelijkgezinde landen in overleg treden over additionele maatregelen die de VN zou kunnen nemen, zoals bijvoorbeeld het mogelijk maken om rapportages van Ombudspersonen binnen VN-organisaties te bespreken in relevante bestuursorganen. Ook wil Nederland in kaart brengen onder welke omstandigheden tot een extern onderzoek naar vermeende misstanden kan worden besloten als het vertrouwen in het interne systeem binnen een VN-organisatie te zeer is geschaad.
Op 23 februari jl. ging de Kamer reeds een brief toe van het kabinet met een nadere toelichting op een aantal onderwerpen die door uw Kamer aan de orde zijn gesteld in verband met het bericht dat medewerkers van Oxfam Groot-Brittannië seksfeesten hebben georganiseerd op Haïti (MINBUZA-2018.345946). Zoals gemeld in deze brief zal het kabinet de komende periode in alle relevante fora uitdragen dat er zero tolerance moet zijn voor seksuele misstanden en machtsmisbruik. Terecht dringt dit besef tot steeds meer sectoren van onze samenleving door. Het is nu zaak om, samen met welwillende internationale partners, een messcherpe grens te trekken en de komende weken en maanden concrete maatregelen te presenteren.
Kunt u aangeven op welke wijze de huidige Secretaris-Generaal concreet uitvoering geeft aan zijn voornemen de problematiek rondom seksuele intimidatie binnen de VN aan te pakken? Wat zijn de taken van de ingestelde taskforce, hoe verloopt het onderzoek van deze taskforce en op welke termijn verwacht u resultaten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke repercussies zijn er voor daders van seksuele intimidatie binnen de VN? Klopt het dat er een cultuur van straffeloosheid binnen de organisatie heerst?
Afhankelijk van de ernst van de situatie kan de VN maatregelen nemen tegen VN-medewerkers en leidinggevenden die variëren van een verplichte training, een reprimande, het veranderen van functie of verantwoordelijkheden, counselling of andere toepasselijke maatregelen, tot het beëindiging van het dienstverband.
Het klopt dat alle VN-functionarissen privileges en immuniteiten genieten, zoals vastgelegd in het «Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties». Privileges en immuniteiten aan VN-functionarissen worden toegekend in het belang van het onafhankelijk en effectief functioneren van de VN en niet in het belang van het individu. Immers, staten op wiens grondgebied een VN-medewerker zich bevindt, kunnen via straf- of administratiefrechtelijke procedures tegen deze VN-medewerker druk uitoefenen op de VN waardoor de organisatie belemmerd kan worden in haar onafhankelijk en effectief functioneren. Dit kan ook gebeuren via civielrechtelijke procedures aangebracht door individuen. Echter, een VN-lidstaat die op basis van nationaal recht rechtsmacht heeft kan de SGVN verzoeken om in een specifiek geval de immuniteit van een VN-functionaris op te heffen. De SGVN heeft het recht en de plicht om de immuniteit van een functionaris op te heffen, wanneer naar zijn oordeel de immuniteit van een medewerker de loop van het recht in de weg zou staan, en wanneer van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder dat inbreuk wordt gemaakt op de belangen van de Verenigde Naties. Als de SGVN daartoe overgaat, kan deze lidstaat over gaan tot strafrechtelijke vervolging van de betrokken VN-functionaris. Afhankelijk van nationale wetgeving kan het hierbij onder meer gaan om het land waar het feit is gepleegd of het land van nationaliteit van de VN-functionaris. Voorwaarde voor strafrechtelijke vervolging is wel dat de handeling strafbaar is naar nationaal recht. Daarnaast kan, na opheffing van de immuniteit, de weg naar een civielrechtelijke of administratiefrechtelijke procedure open staan.
Momenteel zijn 162 staten, waaronder Nederland, partij bij bovengenoemd verdrag. VN-functionarissen genieten op grond van dit verdrag functionele immuniteit. Dit houdt in dat zij niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd en berecht, noch via een civielrechtelijke of administratiefrechtelijke procedure aansprakelijk gehouden kunnen worden, voor handelingen verricht in hun officiële hoedanigheid. Daarnaast kunnen in een bilateraal verdrag tussen een staat en de VN aanvullende afspraken gemaakt worden ten aanzien van privileges en immuniteiten van VN-functionarissen die in deze staat werkzaamheden verrichten. In dergelijke verdragen kan absolute immuniteit toegekend worden aan VN-functionarissen. In dat geval kan een VN-functionaris in beginsel niet voor een rechter van de betreffende staat worden gebracht voor handelingen die hij/zij heeft verricht in zijn/haar officiële hoedanigheid dan wel privé hoedanigheid. Deze afspraken gelden slechts ten aanzien van de staat waar de afspraken mee zijn gemaakt. Er zal per geval beoordeeld moeten worden of de VN-functionaris immuniteit toekomt voor zijn handelen.
Het kabinet is van mening dat seksuele intimidatie totaal onacceptabel is en met alle middelen moet worden bestreden. Niet alleen op papier moeten de procedures binnen de VN goed geregeld zijn, ze moeten uitgevoerd en gehandhaafd worden. Het baart het kabinet zorgen dat een aantal VN-medewerkers ervaart dat de procedures tekortschieten en spreekt over een cultuur van straffeloosheid. Het is goed dat zij dit aankaarten. Het is ook goed dat de SGVN dit de hoogste prioriteit geeft. Hij kan hierbij op de volle steun van Nederland rekenen.
In hoeverre klopt het dat veel hooggeplaatste werknemers binnen de VN diplomatieke immuniteit genieten, en daardoor niet voor daden (met betrekking tot seksuele intimidatie die zij hebben begaan) kunnen worden bestraft? Hoe duidt u dit?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat wanneer VN-werknemers die zich schuldig maken aan seksuele intimidatie en wel bestraft kunnen worden, dit vaak wordt nagelaten omdat het juridisch systeem van de landen waar de incidenten worden begaan disfunctioneert? Is er enige wijze waarop de VN in dergelijke gevallen zelf juridische of andere repercussies kan laten gelden tegenover daders?
Voor zover bekend is er onvoldoende informatie beschikbaar of en waarom wordt nagelaten VN-medewerkers die zich schuldig maken aan seksuele intimidatie te bestraffen in landen waar incidenten worden begaan. Afhankelijk van het feit dat is gepleegd, kan het land van de nationaliteit van de desbetreffende VN-medewerker tot vervolging overgaan in overeenstemming met de relevante bepalingen van het nationale strafrecht van dat land. Als de desbetreffende functionaris een beroep kan doen op immuniteit, dient de VN daar afstand van te doen om vervolging mogelijk te maken. Wanneer een VN-functionaris wel een beroep kan doen op immuniteit, en de SGVN deze immuniteit niet opheft, is de VN gehouden om passende maatregelen te treffen, waaronder het instellen van een onderzoek naar de feiten. Dit is een interne aangelegenheid van de VN.
Op welke wijze wordt het interne klachtensysteem van de VN verbeterd? Welke vooruitzichten zijn er op dit vlak?
Het interne klachtensysteem van de VN is de afgelopen tijd al sterk verbeterd en de CEB Task Force heeft onder meer als doel om het klachtensysteem door te lichten en hierover in het voorjaar van 2018 met aanbevelingen te komen. Het kabinet benadrukt het belang van adequaat onderzoek, goede bescherming van de slachtoffers en verantwoording door daders.
Hoeveel officiële klachtprocedures lopen er momenteel bij de VN?
Over 2016 zijn 944 verzoeken ingediend om managementevaluatie, 383 formele klachten bij het VN-geschillentribunaal, 170 hoger beroepen, 1756 verzoeken om juridisch advies en 2633 verzoeken bij de VN-ombudsman (A/72/7/add.19). Het gros van de zaken gaat over het uitblijven van bevordering/promotie en het niet-toekennen van bepaalde financiële vergoedingen.
Klopt het dat personen die ervaringen met seksuele intimidatie melden, kans lopen hun baan te verliezen of andere negatieve gevolgen te ondervinden? Kunt u aangeven wat u hiervan denkt?
Volgens de berichten zouden er gevallen zijn waarbij personen die melding maken van seksuele intimidatie, maar ook klokkenluiders negatieve gevolgen hebben ondervonden na melding te hebben gedaan van misstanden. Als dit het geval is, dan is dat volstrekt onaanvaardbaar. Ook draagt het bij aan een gevoel van straffeloosheid. Zoals hierboven aangegeven is het goed dat de SGVN dit grondig laat onderzoeken en daarbij ook de klokkenluidersbescherming meeneemt.
Kunt u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger tijdens het algemeen overleg AVVN op 12 september 2017 herinneren, te weten een voorstel bij de VN in te brengen om deze slachtoffers beter een stem te geven en derhalve de secretaris-generaal van de VN te laten spreken met slachtoffers van seksuele intimidatie binnen de VN?
Ja.
Kunt u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger tijdens het algemeen overleg AVVN op 12 september 2017 herinneren, te weten een voorstel bij de VN in te brengen om deze slachtoffers betere ondersteuning, bijvoorbeeld door middel van een fonds of juridische ondersteuning of psychotherapie, te bieden?
Ja.
Kunt u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger tijdens het algemeen overleg op 12 september 2017 herinneren, te weten een voorstel bij de VN in te brengen dat, wanneer landen weigeren mee te werken aan het tegengaan van seksuele intimidatie door verdachten niet te vervolgen, dit gevolgen kan hebben voor de compensatie voor hun bijdrage aan vredesmissies?
Ja.
Op welke wijze zijn de punten in de drie voorgaande vragen reeds door u of uw voorganger ingebracht bij de VN? Zo ja, hoe is hier opvolging aan gegeven? Zo nee, op welke wijze bent u voornemens zich in te zetten om deze punten alsnog bij de VN in te brengen?
De vragen 10, 11 en 12 gaan over Sexual Exploitation and Abuse (SEA) gepleegd door VN-personeel in vredesmissies. Nederland steunt ook hier de zero tolerance aanpak van de SGVN. Om de ondersteuning van de SGVN kracht bij te zetten heeft Nederland van 1 september 2016 tot 1 oktober 2017 een Nederlandse militair jurist gedetacheerd in het team van mevrouw Jane Holl Lute die door de SGVN is aangesteld als Speciale Coördinator voor SEA. Op 18 september 2017 heeft Nederland tijdens een High-Level Event van de SGVN steun uitgesproken voor maatregelen om dit misbruik aan te pakken. Eén van die maatregelen is extra zorg en aandacht voor slachtoffers. Verder is Nederland toegetreden tot de zogenaamde Circle of Leadership, bestaande uit staatshoofden en regeringsleiders die zich inzetten voor de aanpak van de SEA-problematiek. Op korte termijn zal een nieuw rapport van de SGVN over Sexual Exploitation and Abuse verschijnen. Het kabinet zal dit rapport kritisch beoordelen. Verder zal Nederland ook in 2018 en 2019 doorgaan met steunen van trainingen voor militairen, politie en civiele medewerkers van VN-vredesmissies, waarin het voorkomen van en adequaat reageren op seksuele uitbuiting en misbruik door VN-personeel een belangrijk onderdeel is.
Op welke wijze zal Nederland binnen het lidmaatschap van de VN Veiligheidsraad in 2018 seksuele intimidatie binnen de VN aankaarten?
De aanpak van seksuele intimidatie binnen VN-organisaties speelt VN-breed en wordt daarom in de eerste plaats besproken in de Algemene Vergadering van de VN (AVVN). Nederland vraagt waar nodig ook aandacht voor het tegengaan van seksuele intimidatie en ongewenst gedrag bij de bespreking van specifieke vredesmissies en landensituaties in het kader van de VN-veiligheidsraad.
Protocollen op de werkvloer na meldingen van seksuele intimidatie |
|
Matthijs Sienot (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke gebruikelijke protocollen in werking treden als iemand bij Rijkswaterstaat melding doet van seksuele intimidatie of pesten op de werkvloer?
Zodra een signaal bij het bevoegd gezag is ontvangen, treedt het Protocol Integriteitonderzoeken Rijkswaterstaat in werking.
Indien het signaal gaat over ongewenste omgangsvormen en de melder tevens slachtoffer is, bekijkt de bedrijfscontroller met de melder of het signaal als melding behandeld wordt volgens dit protocol, dan wel als klacht doorgezonden wordt naar de Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen.
Deze Klachtencommissie opereert onafhankelijk en is ondergebracht bij het Expertise Centrum Organisatie en Personeel van het Rijk (BZK). Per klacht wordt een commissie samengesteld. De commissie adviseert direct aan de Secretaris-Generaal die een besluit neemt.
Het komt ook voor dat er geen melding wordt gedaan bij het bevoegd gezag, maar dat een medewerker zich wendt tot een vertrouwenspersoon. De taken van de vertrouwenspersoon zijn eveneens neergelegd in een protocol.
Bent u bekend met de maatregelen die onder de aanpak van psychosociale arbeidsbelasting (PSA) vallen? Zo nee, waarom bent u hier niet mee bekend? Zo ja, op welke wijze wordt binnen Rijkswaterstaat uiting gegeven aan deze maatregelen?1
Ja, deze maatregelen zijn mij bekend. Rijkswaterstaat werkt actief, binnen alle lagen van de organisatie, aan het voorkomen en wegnemen van arbeidsrisico’s op het gebied van PSA, werkdruk, ongewenste omgangsvormen, agressie en geweld. Dit in overeenstemming met de Arbocatalogus Rijk waarin is opgenomen op welke concrete manieren de werkgever bescherming biedt opdat er veilig en gezond gewerkt wordt.
Zo worden bijvoorbeeld risico’s geïnventariseerd en geëvalueerd (RI&E-cyclus) op de eerder genoemde thema’s, wordt gewerkt met gedragscodes en instructies en vindt scholing plaats van leidinggevenden en medewerkers. Daarnaast is het thema vitaliteit prominent vertegenwoordigd in de Mens en Organisatie strategie van Rijkswaterstaat.
Is het u bekend dat het beroepsrisico dat het meeste voorkomt bestaat uit werkdruk, agressie en geweld door derden en ongewenste omgangsvormen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat is mij bekend. Zie ook de beantwoording op vraag 2.
Op welke wijze geeft Rijkswaterstaat vorm aan het «stimuleren en faciliteren dat bedrijven preventieve maatregelen tegen ongewenst gedrag nemen»?2
Rijkswaterstaat heeft een actief integriteitsbeleid waar iedereen de mogelijkheid wordt geboden om misstanden (veilig) aan te kaarten. De medewerker kan daarvoor terecht bij zijn leidinggevende. Daarnaast heeft elk onderdeel een integriteitscoördinator, een bedrijfscontroller en is er een uitgebreid netwerk van meer dan 40 vertrouwenspersonen, verspreid over het hele land.
Van leidinggevenden wordt verwacht dat zij integriteitsrisico’s en ongewenste omgangsvormen tijdig herkennen, benoemen en vervolgens op de juiste manier aanpakken. Zij hebben de taak dilemma’s in alle openheid te bespreken en een goede en veilige werksfeer te bestendigen. Ook tijdens het jaarlijkse personeelsgesprek tussen medewerker en leidinggevende wordt aandacht aan integriteit besteed. Waarbij de handreiking integriteit in het personeelsgesprek van mijn ministerie als leidraad kan dienen.
Vanwege het belang dat mijn ministerie hecht aan integriteit wordt ook elk jaar «de week van de integriteit» georganiseerd. Iedereen wordt dan van harte uitgenodigd en aangemoedigd om hier samen met collega’s tijd voor vrij te maken en met elkaar te spreken over omgangsvormen en integriteit.
Op het intranet van mijn ministerie is uitgebreide informatie over integriteit en ongewenste omgangsvormen en hoe daarmee om te gaan snel en gemakkelijk te ontsluiten. Zo zijn er bijvoorbeeld factsheets te vinden, specifiek over pesten en ongewenste omgangsvormen.
Op welke wijze bevordert Rijkswaterstaat dat werknemers bij iemand terecht kunnen wanneer zij zich onveilig voelen?
Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Welke bescherming is er op de werkvloer voor de werknemer die een melding maakt? Bestaat er een standaard protocol dat doorlopen kan worden? Kunt u bijvoorbeeld aangeven of het gebruikelijk is dat de werknemer die een melding plaatst wordt verzocht enkele dagen niet op het werk te verschijnen?
De protocollen zoals in vraag 1 aangehaald zijn van toepassing. Uitgangspunt is dat een medewerker die een melding doet geen nadelige gevolgen van zijn melding ondervindt (Protocol Integriteitonderzoeken Rijkswaterstaat). De Wet bescherming persoonsgegevens geeft regels die bij het doen van onderzoek naar een vermeende integriteitschending in acht moeten worden genomen.
Ook in het Besluit instelling Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen Infrastructuur en Milieu is neergelegd dat een klager in zijn positie als medewerker geen nadeel ondervindt van het te goeder trouw indienen van een klacht.
Het is zeker niet gebruikelijk dat een medewerker na het doen van een melding verzocht wordt een paar dagen niet op het werk te verschijnen.
In hoeverre kunt u aangeven of het wel eens is voorgekomen dat werknemers bij Rijkswaterstaat tegen hun zin in langdurig zijn ziek gemeld?
Er is sprake van langdurig ziekteverzuim als iemand langer dan zes weken ziek is. In de wet Poortwachter zijn de rechten en plichten van werkgever en werknemer ten aanzien van de re-integratie vastgelegd. Het ziekteverzuimprotocol van Rijkswaterstaat is hierop gestoeld.
Als de werknemer het niet eens is met de ziekmelding kan hij zich wenden tot de bedrijfsarts. De bedrijfsarts adviseert vervolgens het bevoegd gezag in deze. Als de werknemer het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts kan hij dat oordeel laten toetsen door een commissie van drie geneeskundigen of een deskundigenoordeel bij het UWV vragen.
Kunt u aangeven in hoeverre het wel eens is voorgekomen dat werknemers door de bedrijfsarts volledig arbeidsgeschikt worden verklaard maar dat Rijkswaterstaat ervoor kiest om werknemers niet toe te laten op de werkvloer? Indien u hier wel eens van op de hoogte bent gesteld, kunt u aangeven op welke gronden u dit wenselijk acht? Indien u dit niet wenselijk acht, kunt u aangeven waarom dit toch is voorgekomen?
Het komt incidenteel voor dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid. In het algemeen wordt deze term gebruikt voor werknemers die naar strikt medische maatstaven geen beperkingen hebben van fysieke of psychische aard, maar die door dreigende psychische of lichamelijke klachten toch niet naar hun werkplek kunnen terugkeren. Het gaat dan bijna altijd om de situatie waarbij de arbeidsrelatie verstoord is en de werkgever van mening is dat daadwerkelijke werkhervatting om die reden niet mogelijk is.
Welke sancties bestaan er op Rijkswaterstaat indien privégegevens (zoals medische gegevens) van medewerkers worden verspreid?
Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens kan de Autoriteit Persoonsgegevens een bestuurlijke boete opleggen ingeval er sprake is van onrechtmatige gegevensverwerking.
Op welke manier worden externe partijen betrokken bij mogelijke conflicten en/of verschillen van inzicht op de werkvloer? Kunt u aangeven welke stappen worden doorlopen voordat een externe partij erbij wordt gehaald? Zo nee, waarom kunt u dit niet?
Het Protocol Integriteitonderzoeken Rijkswaterstaat biedt de mogelijkheid om een onderzoeksopdracht uit te besteden. Dit kan aan de orde zijn als de aard van een schending zodanig is dat hiervoor de specialistische kennis intern ontbreekt, dan wel als een kwestie dermate gevoelig is dat het inschakelen van een terzake deskundig extern bureau aangewezen is. Daarnaast kan de omvang van een onderzoek aanleiding zijn voor uitbesteding.
Ook de onafhankelijke Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen heeft de mogelijkheid zich door deskundigen voor advies bij te laten staan.
Bij (dreigende) arbeidsconflicten of verstoorde verhoudingen wordt in de regel onderzocht of mediation tot een bevredigende uitkomst kan leiden.
In hoeverre is het bovenstaand geformuleerd beleid de standaard en wordt dit in alle gevallen nageleefd?3
Het bovenstaande geformuleerd beleid geldt als standaard en er wordt naar gestreefd dat dit in alle gevallen wordt nageleefd, echter soms kan er naar bevind van zaken worden afgeweken wanneer de specifieke aard van een kwestie daarom vraagt.
Recente ontwikkelingen in de strijd tegen corruptie in Oekraïne |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van wetsvoorstel 7440 en het daarmee samenhangende wetsvoorstel 7441, die op 22 december 2017 aanhangig zijn gemaakt bij het Oekraïense parlement?
Ja.
Deelt u de mening dat een onafhankelijke speciale anti-corruptie rechtbank van groot belang is in de strijd tegen corruptie? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Hoe beoordeelt u bovengenoemde wetsvoorstellen in het licht van de aanbevelingen van de Venice Commission van 9 oktober 2017?1
De wetsvoorstellen voor de oprichting van een onafhankelijke anti-corruptie rechtbank zijn gebaseerd op adviezen van de Venetië Commissie van de Raad van Europa, experts van de OVSE en internationale beproefde methoden. Uit analyses van de nu uitgebrachte wetsvoorstellen van internationale organisaties komt naar voren dat niet alle elementen uit de adviezen van de Venetië Commissie zijn overgenomen.
De zorgen hebben met name betrekking op de onafhankelijkheid van selectieprocedures van rechters en het type zaken dat de rechtbank zal behandelen. Zo kan een veto van internationale leden van de selectiecommissie tegen de benoeming van een rechter worden verworpen met een twee derde meerderheid van de Hoge Kwalificatiecommissie, een separaat (Oekraïens) juridisch orgaan, dat benoemingen van rechters moet goedkeuren. De mogelijkheid tot het terzijde schuiven van dit veto is volgens de opstellers van de wet opgenomen om zeker te stellen dat Oekraïne als soevereine staat uiteindelijk als laatste zeggenschap heeft. Daarnaast is er een risico dat de nieuwe anti-corruptie rechtbank wordt overspoeld met kleinere zaken. Het wetsvoorstel definieert grote zaken als zaken met een financiële omvang van ten minste 500 maal het minimuminkomen (zaken met een omvang van ten minste $ 30.000). Dit zou ervoor kunnen zorgen dat de rechtbank niet toekomt aan de daadwerkelijk «grote vissen».
Het kabinet deelt bovengenoemde zorgen. De verwachting is dat deze punten aan de orde zullen komen tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in het parlement. Nederland zal in de bilaterale contacten en internationale gremia het belang van een daadwerkelijk onpartijdig en onafhankelijk Hof, en het opvolgen van de adviezen van de Venetië Commissie blijven benadrukken. Zie ook antwoorden op vragen 8, 9 en 11
Ziet u in de bovengenoemde wetsvoorstellen voldoende waarborgen voor de instelling van een onafhankelijk, onpartijdig rechtscollege belast met het berechten van (grote) corruptiezaken? Zo ja, waarom? Zo nee, welke stappen gaat u nemen om de instelling van een dergelijke rechtbank te bevorderen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de kritiek van de Oekraïense Niet-Gouvernementele Organisatie ANTAC op wetsvoorstel 7440?2 Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland heeft begrip voor de zorgen van het maatschappelijk middenveld. De praktijk en ervaring leert dat corruptiebestrijding op veel hindernissen stuit, zeker ook in Oekraïne. De kwaliteit van wetgeving is essentieel om voortgang te boeken in de strijd tegen corruptie.
Nederland vindt het van groot belang dat niet alleen de Raad van Europa via de Venetië Commissie, maar ook het maatschappelijk middenveld actief betrokken blijft bij het proces van totstandkoming van de anti-corruptierechtbank, zodat deze rechtbank onafhankelijk en effectief is bij de bestrijding van corruptie. Zie ook het antwoord op vragen 8, 9 en 11.
Deelt u de mening, dat het van groot belang is om bestaande succesvolle onafhankelijke anti-corruptie instituties in Oekraïne te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Hoe beoordeelt u in dat licht het voortslepende conflict tussen de Oekraïense Procureur-Generaal Lutsenko en het Oekraïense anti-corruptie bureau NABU?
Er is een grijs gebied tussen het mandaat van het Openbaar Ministerie in Oekraïne en het Oekraïense anti-corruptie bureau NABU. NABU moet onafhankelijk kunnen opereren en daarom is het van belang dat NABU zijn mandaat met betrekking tot grote corruptiezaken kan uitvoeren en hierin niet wordt gehinderd door het Openbaar Ministerie. NABU wordt hierin gesteund door hervormingsgezinde krachten, het maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap.
Welke stappen heeft Nederland, al dan niet in Europees verband, ondernomen in reactie op deze gebeurtenissen?
Nederland stelt het belang van onafhankelijke instituties die corruptie bestrijden systematisch aan de orde tijdens bilaterale contacten met de Oekraïense autoriteiten, in EU-verband en in andere multilaterale fora. Daarbij onderstreept Nederland het belang van voortgang met het invoeren van anti-corruptie hervormingen. Instrumenten zoals het MATRA-programma, het Mensenrechtenfonds en het Accountability Fund worden actief ingezet op Nederlandse prioriteiten. De inzet van deze fondsen is sinds de Maidan en de ratificatie van het Associatieakkoord (nog) sterker gericht op hervormingen op het gebied van goed bestuur, toegang tot een eerlijk proces, vrijheid van media, bescherming van mensenrechtenverdedigers en corruptiebestrijding. De Nederlandse ambassade in Kiev is nauw betrokken bij deze projecten en neemt daarnaast actief deel aan internationaal overleg waarin acties worden afgestemd.
In het kader van het Associatieakkoord voert de EU bovendien een stevige dialoog met Oekraïne over de hervormingsagenda, waarvan corruptiebestrijding een belangrijk onderdeel vormt. De EU-delegatie monitort dit in goed overleg met vertegenwoordigers van de Lidstaten, en trekt hierin samen op met andere partners. Nederland steunt deze inspanningen. Binnen het IMF-programma is de invoering van hervormingen zelfs een harde voorwaarde om leningen te krijgen. Dus ook het IMF houdt de voortgang op dit punt scherp in de gaten.
Kan de Europese Unie een rol spelen in het oplossen van de voortdurende conflicten tussen verschillende Oekraïense opsporingsdiensten en corruptiebestrijders?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft u kennisgenomen van het ontslag door het Oekraïense parlement van het hoofd van het comité voor de preventie en bestrijding van corruptiebestrijding Ihor Soboliev? Hoe beoordeelt u dat ontslag?
Ja. De heer Soboliev speelde een actieve rol in het ontwikkelen van het beleid ter bestrijding van corruptie. Internationale organisaties beoordelen zijn ontslag in het licht van andere aanvallen op het Oekraïense anti-corruptie bureau NABU. De verdenking bestaat dat het ontslag van de heer Soboliev politiek gemotiveerd is.
Nederland betreurt deze ontwikkeling en zal met internationale partners blijven volgen welk effect het besluit van het Oekraïense parlement om de heer Soboliev te ontslaan heeft op de bestrijding van corruptie in Oekraïne.
Welke instrumenten heeft u om bestaande en nieuwe anti-corruptie instituties te ondersteunen? Welke rol kunnen de Europese Unie en het IMF daarbij spelen?
Zie antwoord vraag 8.
Moordaanslagen op Turkse burgers in Europa die in voorbereiding zouden zijn |
|
Martijn van Helvert (CDA), Sadet Karabulut (SP), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Bram van Ojik (GL), Femke Merel Arissen (PvdD), Lilianne Ploumen (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «HDP MP says he received intelligence on assassination plans against Turkish citizens in Europe» over plannen voor moordaanslagen op Turkse burgers in Europa die voorbereid zouden worden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgwekkende beweringen in dit bericht?
Er is met aandacht gekeken naar de beweringen die in dit bericht worden gedaan. In diverse landen is dit bericht in de media gepubliceerd. De berichtgevingen kunnen zorgen voor spanningen en gevoelens van onveiligheid binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap. Zoals eerder gemeld2 is de overheid hierop extra alert. Bedreigingen in welke vorm dan ook zijn ontoelaatbaar op Nederlands grondgebied. Het bestaan van plannen voor moordaanslagen op Turkse burgers kan ik niet bevestigen.
Bent u bereid uit te zoeken in hoeverre de beweringen kloppen en worden, indien nodig, extra veiligheidsmaatregelen genomen?
De overheid monitort de ontwikkelingen rond spanningen binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap en de veiligheid van burgers. Indien nodig worden veiligheids- of andere maatregelen getroffen die bijdragen aan de veiligheid en/of vermindering van de eventuele spanningen. Personen die menen het slachtoffer te zijn van bedreiging, intimidatie of geweld roep ik nogmaals nadrukkelijk op om melding en/of aangifte te doen.
Homofobie in de voetbalwereld |
|
Antje Diertens (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Homofoob Ruben Schaken is een domme popie Jopie»?1
Ja.
Kunt u zich in de sterkste bewoordingen uitspreken voor acceptatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender- en intersekse personen (LHBTI’ers) in de sport, en tegen intolerantie?
In Nederland is iedereen gelijkwaardig en heb je de vrijheid om te houden van wie je wilt en om zichtbaar jezelf te kunnen zijn2, ook in de sport. LHBTI-sporters moeten derhalve veilig en met plezier kunnen sporten, waarbij mijn collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik elke vorm van intolerantie afkeuren.
Erkent u dat homoseksualiteit nog altijd een groot taboe is onder (professionele) voetballers, ondanks goede initiatieven van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), de Vereniging van Contractspelers (VVCS) en de John Blankenstein foundation?
In 2014 is een enquête gehouden onder 400 contractspelers in de ere- en eerste divisie van het Nederlands betaalde voetbal. De profvoetballers gaven het klimaat voor homoseksualiteit in het voetbal destijds een onvoldoende. Zij zagen het gedrag van de fans en de machocultuur als belangrijkste oorzaken. Tegelijkertijd hadden de meeste spelers geen enkel probleem met een homoseksuele collega in het team. Ik heb begrepen dat Ruben Schaken achteraf spijt heeft van zijn uitspraken. Hij neemt via de media afstand van de opmerking dat hij zich distantieert van homo’s. Bij zijn laatste werkgever ADO deed hij nog mee aan een campagne dat homoseksuelen zichzelf moeten zijn. «Ik ben absoluut geen homofoob», aldus de ex-voetballer.
Op welke manier gaat u de acceptatie in de sportwereld vergroten, zodat elke sporter, ongeacht de persoon, veilig en met plezier kan spelen?
De laatste jaren is acceptatie van homoseksualiteit op de agenda van de sport gekomen. De KNVB heeft diversiteit, waaronder LHBTI-acceptatie, als thema opgenomen in opleidingen van (jeugd) trainers en scheidsrechters. Bij alle clubs (Eredivisie/Jupilerleague) in het betaalde voetbal worden workshops gehouden over acceptatie voor jeugdtrainers. Ook is het thema onderwerp van gesprek met de samenwerkende supportersgroepen in het supporterscollectief. De gewenste cultuuromslag is echter een zaak van een lange adem. Mijn collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik steunen daarom de activiteiten van de Alliantie Gelijkspelen, waar de John Blankenstein Foundation actief deel van uitmaakt, en samen met de KNVB zowel in het betaald voetbal als het amateurvoetbal het thema bespreekbaar maakt. De KNVB heeft bovendien laten weten dat in communicatie richting trainers, spelers, en scheidsrechters zij – onder de noemer van «Voetbalplezier voor iedereen!» – de komende jaren aandacht willen blijven besteden aan de acceptatie van seksuele diversiteit. Om diversiteit in de sport
en de acceptatie van LHBTI-sporters verder te bevorderen, zal ik dit thema meenemen als aandachtsgebied in het toekomstig sportbeleid, zoals bijvoorbeeld het Sportakkoord alsmede in het emancipatiebeleid bij de uitvoering van het Regenboogakkoord.
Welke kansen ziet u om de diversiteit in de sport en de acceptatie van LHTBI-sporters verder te bevorderen?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre bent u van plan diversiteit en acceptatie van LHBTI-sporters een plaats te geven in toekomstig sportbeleid, zoals bijvoorbeeld het Sportakkoord?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de KNVB en de Eredivisie CV om het belang van emancipatie te onderstrepen en hiermee een signaal te geven aan alle LHBTI-sporters dat acceptatie belangrijk is?
Zie antwoord vraag 4.