Het bericht ‘Verdachte die biddende moslim doodstak in Zuid-Frankrijk, meldt zich op Italiaans politiebureau’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aanval op de 22-jarige Aboubakar Cissé in een moskee in Frankrijk, waarbij het slachtoffer vijftig keer werd neergestoken terwijl hij aan het bidden was?1
Ja, het is verschrikkelijk wat er is gebeurd.
Bent u er ook mee bekend dat de kritiek in Frankrijk ook op de overheid is gericht vanwege het aanjagen van een «islamofoob klimaat» in Frankrijk, onder andere vanwege uitspraken van bewindspersonen als «weg met de hoofddoek»?
Ik ben ermee bekend dat er veel reacties zijn geweest op het incident in Frankrijk, waaronder kritische geluiden over de toon van bepaalde politieke bewindslieden jegens de islam.
Zou u zich aangesproken voelen vanwege het aanjagen van een islamofoob klimaat in Nederland vanwege uitspraken die bewindspersonen in Nederland hebben gedaan, onder andere over de hoofddoek van moslimvrouwen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik herken mij niet in het beeld dat Nederlandse bewindspersonen een islamofoob klimaat zouden aanjagen in Nederland. Laat ik vooropstellen dat er in Nederland geen plaats is voor haatzaaien, opruien en haat tegen welke religieuze stroming ook. Het kabinet staat voor een open en vrije samenleving waarin iedereen – ongeacht geloofsovertuiging of levenswijze – zichzelf moet kunnen zijn en zich veilig moet voelen. Dat betekent ook dat mensen in vrijheid hun religie kunnen belijden, inclusief het dragen van religieuze kledingstukken zoals een hoofddoek, zolang dit past binnen de kaders van de wet.
Denkt u dat er in Nederland een serieus probleem van moslimhaat bestaat, zeker gezien meerdere islamofobe terroristen verwijzing hebben gemaakt naar bepaalde politici in Nederland die hen in hun moslimhaat geïnspireerd zouden hebben?
Het kabinet erkent dat moslimdiscriminatie en -haat aanwezig zijn in Nederland. In het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma is opgenomen dat er daadkrachtig opgetreden zal worden tegen alle vormen van discriminatie waaronder moslimdiscriminatie. U ontvangt binnenkort van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties en de Staatssecretaris Participatie en Integratie de aan uw Kamer toegezegde kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie.
Deelt u dat het tragisch is dat de Franse koepelorganisatie van moslims zegt dat een grote meerderheid van moslims in Frankrijk het gevoel heeft dat moslimhaat niet even serieus wordt genomen als andere vormen van haat?
Het kabinet vindt het in alle gevallen tragisch en zorgwekkend als mensen het gevoel hebben dat hun ervaringen met discriminatie of haat minder serieus worden genomen.
Discriminatie, in welke vorm dan ook, is onacceptabel en in strijd met artikel 1 van de Nederlandse Grondwet. In Nederland streven wij ernaar dat alle vormen van discriminatie, of het nu gaat om moslimdiscriminatie, antisemitisme, racisme of andere vormen, met dezelfde ernst en inzet worden aangepakt. Ik sta voor een land waarin eenieder in vrijheid zichzelf kan zijn, ongeacht levensovertuiging, seksuele gerichtheid, etniciteit of geslacht.
In dit kader wil ik ook wijzen op de rol van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR). Deze fungeert als aanjager, waakhond en verbinder bij de bestrijding van alle discriminatiegronden, waaronder ook moslimdiscriminatie.
Hoort u eenzelfde soort verwijt ook van de moslimgemeenschap in Nederland, namelijk dat discriminatie en haat tegen haar niet even serieus genomen wordt als tegen andere gemeenschappen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u opsommen hoe vaak de regering signalen heeft ontvangen van ofwel individuen of islamitische organisaties waarin ze hun zorg uitspreken over hun veiligheid?
Het kabinet is in contact met moslimgemeenschappen over diverse thema’s waaronder ook over zorgen op het gebied van veiligheid. Het kabinet registreert niet het aantal binnengekomen signalen. Het kabinet herkent de zorgen en neemt deze mee in verdere beleidsontwikkeling en ondersteuning. Ook naar aanleiding van recente bedreigingen richting moskeeën is er contact opgenomen met koepelorganisaties en moskeeën.
Op basis van eerdere signalen heeft de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in het verleden in samenwerking met de NCTV de Handreiking Veilige Moskee uitgebracht en breed verspreid. Tevens is vanuit de NCTV, in samenwerking met de gemeenten Den Haag en Rotterdam, het Handboek Veiligheid voor Religieuze Instellingen gepubliceerd.
Heeft u naar uw gevoel de zorgen van de moslimgemeenschap wél serieus genomen? Zo ja, waarom denkt u dat Nederlandse moslims dat niet zo hebben ervaren?
Zowel mijn departement als ik en andere leden van het kabinet zijn in gesprek met de moslimgemeenschap over gevoelens van onveiligheid, haat en discriminatie om beter zicht te krijgen op de omvang van het probleem. Op basis hiervan beoordelen we of het nodig is om aanvullend beleid te formuleren.
Bedreigingen van geloofsgemeenschappen zijn binnen een vrije en open samenleving als de onze onacceptabel. De zorgen van de moslimgemeenschappen neem ik, evenals mijn collega-bewindspersonen, zeer serieus. Wij hebben daarom ook periodiek gesprekken met moskeeën, koepelorganisaties en vertegenwoordigers uit de moslimgemeenschappen.
Kunt u opnoemen hoeveel contactmomenten ervanuit de regering zijn geweest met gebedshuizen om hun zorgen omtrent hun veiligheid aan te horen? Kunt u de data uitsplitsen naar geloofsgemeenschap?
Het kabinet houdt geen registratie bij van het aantal contactmomenten met maatschappelijke, religieuze of culturele organisaties. Desalniettemin onderhoudt het kabinet regelmatig contact met moslimgemeenschappen over diverse thema’s waaronder ook over zorgen op het gebied van veiligheid. Deze contacten vinden plaats via diverse departementen. Zo onderhoudt het Ministerie van Justitie en Veiligheid contact met religieuze gemeenschappen via de erediensten, het Ministerie van SZW via de interreligieuze dialoog en het netwerk van de ESS, en het Ministerie van OCW in relatie tot levensbeschouwelijk onderwijs. Tijdens deze gesprekken is er ruimte om zorgen te bespreken.
Bent u bereid om als preventieve maatregel de beveiliging van moskeeën in Nederland structureel te verhogen? Zouden de best practices daarin meegenomen kunnen worden van de maatregelen die op dit moment voor synagoges in Nederland worden getroffen? Zo ja, welke maatregelen kunnen op korte termijn ook voor moskeeën worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Over beveiligingsmaatregelen doe ik in het openbaar nooit uitspraken. Wel kan ik u verzekeren dat de veiligheid van religieuze instellingen in Nederland, waaronder moskeeën, voortdurend onder de aandacht is van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Beveiligingsmaatregelen voor religieuze instellingen worden genomen op basis van een zorgvuldige afweging van de dreiging en risico en vallen onder de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag. Indien er sprake is van een verhoogde dreiging of risico ten opzichte van hun veiligheid, worden passende maatregelen getroffen. Op dit moment is er geen aanleiding om algemene structurele maatregelen te treffen.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om moslimhaat en islamofobie in Nederland actief te bestrijden, onder andere door bijvoorbeeld een nationale bewustwordingscampagne of een Rijksbrede aanpak tegen moslimhaat?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 zijn meerdere leden van het kabinet in gesprek met de moslimgemeenschap over gevoelens van onveiligheid, haat en discriminatie.
Over zowel discriminatie als gevoelens van onveiligheid en haat is ook gesproken tijdens de Catshuissessie met moslimjongeren op 26 augustus jl. Het kabinet vindt het belangrijk dat we deze dialoog samen blijven voortzetten, er is afgesproken dat halfjaarlijks te blijven doen met verschillende partijen middels een bestuurlijk overleg onder coördinatie van de Minister van BZK.
De kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie zal binnenkort door de Staatssecretaris van Participatie en Integratie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar uw Kamer worden gestuurd. Daarin wordt ook ingegaan op veiligheid.
Kritische demonstranten die bij een bezoek aan de Chinese vicepremier buiten het zicht werden geposteerd |
|
Kati Piri (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De Chinese vicepremier wordt in Den Haag toegejuicht, terwijl slachtoffers van Beijing op afstand moeten blijven»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat slachtoffers van het Chinese regime op afstand werden gehouden tijdens het bezoek van de Chinese vicepremier Ding Xuexiang, terwijl een Chinese steunbetoging wel op een prominente plek werd toegestaan?
De gemeente Den Haag geeft aan dat voor de dag van het bezoek meerdere kennisgevingen van demonstraties zijn ontvangen. Het ging in alle gevallen om vreedzame demonstraties, die gefaciliteerd konden worden. Omdat het echter niet mogelijk was om alle demonstraties op dezelfde (beoogde) locatie te faciliteren, is bekeken op welke andere locaties in de nabijheid van het Catshuis demonstraties zouden kunnen worden gefaciliteerd. De inhoud van de gedachten en gevoelens die de verschillende organisaties wilden openbaren, heeft hierbij geen enkele rol gespeeld. Er was geen sprake van een beperking of aanwijzing van de burgemeester. Alle partijen hebben de aan hen aangeboden locatie geaccepteerd.
Deelt u de opvatting dat het recht op demonstratie, zoals vastgelegd in artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), inhoudt dat demonstranten «within sight and sound» van hun beoogde publiek moeten kunnen protesteren? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat juist slachtoffers van het Chinese regime op afstand werden gehouden tijdens het bezoek van de Chinese Vice-President?
Samen met de Minister van Justitie en Veiligheid zet ik mij ervoor in om het lokaal gezag in staat te stellen optimaal gebruik te maken van het bestaande wettelijke kader. Ter ondersteuning van burgemeesters heeft de Rijksuniversiteit van Groningen in opdracht van het Ministerie van BZK een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen gratis informatie over het demonstratierecht kan inwinnen en een online adviestool kan raadplegen (www.demonstratierecht.nl). Ook het Nederlands Genootschap van Burgemeesters heeft op zijn website praktische informatie over het demonstratierecht. Deze is toegankelijk voor zowel adviseurs als bestuurders.
Hoe verhoudt zich dit tot internationale richtlijnen die voorschrijven dat het «first come, first served-principe» juist zoveel mogelijk moet worden vermeden om te voorkomen dat bepaalde groepen een tijd of plaats kunnen blokkeren die voor andere groepen demonstranten ook relevant zijn? Hoe kunt u burgemeesters hierin ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het argument van veiligheid niet mag worden ingezet om demonstranten structureel uit het zicht van hun beoogde publiek te houden?
Demonstraties moeten zoveel mogelijk binnen gezichts- en gehoorsafstand plaatsvinden van hun beoogde publiek. Indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, ter bescherming van het verkeer, of ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden kan de burgemeester hier een andere keuze in maken, zolang dit ook proportioneel is.
Kunt u uitsluiten dat druk vanuit de Chinese delegatie heeft geleid tot beperkingen van het demonstratierecht in Den Haag? Zo nee, hoe waarborgt u dat buitenlandse diplomatieke belangen nooit boven fundamentele mensenrechten gaan en dat burgemeesters hier een correcte afweging in kunnen maken?
Ja. Beperking van het demonstratierecht of overweging daartoe in het kader van het onderhavige bezoek is niet aan de orde geweest.
Klopt het dat de demonstratie slechts tot 18.00 uur was toegestaan, terwijl de delegatie pas na 18.00 uur arriveerde? Zo ja, waarom is voor deze tijdsbeperking gekozen? Is overwogen de demonstratie langer toe te staan, zodat demonstranten daadwerkelijk binnen zicht en geluid konden protesteren tegen de delegatie?
De gemeente Den Haag geeft aan dat de Stichting Tibetaanse Gemeenschap Nederland in haar kennisgeving had aangegeven tot 18:00 uur te willen demonstreren. Er was dus geen sprake van een vooraf opgelegde tijdsbeperking, of een tijdens de demonstratie gegeven aanwijzing.
Is er onderzoek gedaan naar signalen dat er misinformatie is verspreid door de Koninklijke Marechaussee over het tijdstip van aankomst van de Chinese vicepremier in het Catshuis? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te (laten) onderzoeken?
Defensie heeft geen signalen kunnen achterhalen dat personeel van de Koninklijke Marechaussee een demonstrant niet correct heeft geïnformeerd over het tijdstip van de Chinese vicepremier op het terrein van het Catshuis.
Bent u op de hoogte of er tijdens deze of soortgelijke demonstraties persoonsgegevens van demonstranten zijn verzameld, bijvoorbeeld via cameratoezicht of gezichtsherkenning? Zo ja, op welke juridische grondslag is dit gebeurd, met welk doel, en hoe wordt dit verantwoord in het licht van artikel 8 van het EVRM (recht op privacy)?
De inzet van camera’s bij demonstraties is ten behoeve van de beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming bij de handhaving van de openbare orde handhaving rondom demonstraties. Het draagt bij aan een beter overall beeld van de demonstratie. Het doel is niet het vastleggen van demonstranten. Het uitgangspunt is dat in beginsel bij demonstraties niet wordt gefilmd. Burgers moeten zich vrij voelen om het grondrecht op demonstreren uit te oefenen.
Uit navraag bij de politie blijkt dat er op en nabij de locatie van deze demonstratie camera’s aanwezig zijn ten behoeve van het handhaven van de openbare orde, op basis van artikel 151c Gemeentewet. Door de politie zijn verder geen camera’s ingezet. Het achterhalen van de identiteit van iemand met behulp van gezichtsherkenningstechnologie mag alleen achteraf als die persoon wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Daarvan was in dit geval geen sprake.
Deelt u de zorgen over omstanders die videobeelden van demonstranten maken en vervolgens mogelijk delen met de Chinese overheid? Deelt u de mening dat dit onderdeel is van transnationale repressie, acties vanuit de overheid om burgers in het buitenland het stilzwijgen op te leggen, te controleren, of om kritiek en andere meningen af te schrikken, wat een schending is van hun mensenrechten2? Wat gaat u eraan doen om deze mensen te beschermen?
Ja. In Nederland moet iedereen vrij van intimidatie gebruik kunnen maken van zijn grondrechten zoals het demonstratierecht. Dit is onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Het onvrijwillig filmen van demonstranten kan intimiderend zijn. Wanneer hier een statelijke actor achter zit wordt dit door de AIVD en NCTV onder transnationale repressie, één van de verschijningsvormen van statelijke inmenging in Nederland, geschaard.3 Indien er signalen zijn dat er sprake is van statelijke inmenging zal het kabinet niet aarzelen om op te treden conform de bestaande Rijksbrede aanpak tegen ongewenste buitenlandse inmenging (OBI).4
Het verzamelen of delen van persoonsgegevens om iemand te intimideren wordt doxing genoemd en is sinds 1 januari 2024 strafbaar in Nederland. Het kabinet roept iedereen die slachtoffer is van een strafbaar feit op om hiervan aangifte te doen.
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken op enig moment contact gehad met de Chinese ambassade over het feit dat mensen gelieerd aan de Chinese overheid, demonstraties filmen en fotograferen? Zo ja, is daarbij te kennen gegeven dat Nederland dit afkeurt en dat er zal worden opgetreden tegen dergelijke intimidatie van demonstranten? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat doorlopend in contact met de Chinese ambassade in Den Haag. De aard van die diplomatieke gesprekken zijn vertrouwelijk. In geval van statelijke inmenging kan het Ministerie van Buitenlandse Zaken landen hierop aanspreken conform de eerder genoemde Rijksbrede aanpak (zie het antwoord op vraag5.
Bent u bekend met de Chinese studentenorganisatie ACSSNL in Nederland? Wordt deze organisatie gezien als een instrument van ongewenste Chinese beïnvloeding? Zo ja, hoe wordt hiertegen opgetreden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met deze organisatie. Zo wordt de studentenorganisatie in 2020 genoemd in het rapport China’s invloed op onderwijs in Nederland: een verkenning van Clingendael. Hoewel ACSSNL als eerste doelstelling het faciliteren van onderlinge hulpverlening en sociale contacten tussen Chinese studenten heeft, is bekend dat de organisatie ook door Chinese overheidsorganisaties gebruikt om politieke activiteiten te organiseren. Alhoewel het lidmaatschap van ACSS voor Chinese studenten in het buitenland niet verplicht is, worden zij wel door de Chinese ambassade aangemoedigd actief deel te nemen aan de activiteiten van de vereniging.
Indien er signalen zijn dat er sprake is van statelijke inmenging zal het kabinet niet aarzelen om op te treden conform de eerder genoemde Rijksbrede aanpak (zie het antwoord op vraag6.
Deelt u de zorgen over de veiligheid van demonstranten die tegen dergelijke regimes in opstand komen? Erkent u dat demonstranten die zich uitspreken tegen autoritaire regimes, vaak extra risico lopen en daarom juist belang kunnen hebben bij anonimiteit of gezichtsbedekking? Hoe verhoudt dit zich tot het voorstel voor een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties?
In onze brief van 15 april jl. hebben de Minister van JenV en ik aangekondigd dat wij voornemens zijn om een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties in te voeren. In deze brief geven wij ook aan dat er op dit verbod uitzonderingen komen voor situaties waarbij gezichtsbedekkende kleding wordt gedragen om legitieme redenen. Dat is het geval wanneer een demonstratie zich richt tegen de situatie in een ander land, waarbij er een reële vrees kan zijn dat de overheid van dat land de betrokkenen of relaties van hen zal willen schaden.
Deelt u de zorg dat een verbod op gezichtsbedekkende kleding in de praktijk vooral mensen raakt die bescherming zoeken tegen repressie van buitenlandse regimes, en dat dit een «chilling effect» kan hebben op hun bereidheid om überhaupt te demonstreren? Worden deze dilemma’s meegenomen in het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) over het demonstratierecht?
Zie antwoord vraag 13.
Erkent u dat er sprake kan zijn van een «chilling effect» doordat demonstranten en gemeenschappen zich extra conformeren aan politieaanwijzingen uit vrees toekomstige demonstraties in gevaar te brengen? Deelt u de opvatting dat demonstratierecht een fundamenteel recht is dat niet afhankelijk mag zijn van een «goede relatie» met de autoriteiten?
Het zogenoemde «chilling effect» houdt in dat maatregelen die opgelegd kunnen worden aan een demonstratie, een afschrikwekkende werking hebben en verhinderen dat burgers in de toekomst gebruik maken van hun demonstratierecht. Het opvolgen van aanwijzingen van de politie staat daar los van en is te allen tijde verplicht. Daarbij komt dat demonstraties enkel geweigerd kunnen worden op grond van de Wet openbare manifestaties.
Bent u bereid om – mede in het licht van het EVRM en relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – te (laten) evalueren hoe bij staatsbezoeken het recht op demonstratie wordt gewaarborgd of dit mee te nemen in het WODC-onderzoek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze resultaten delen met de Kamer?
Op dit moment doet het WODC onderzoek naar het demonstratierecht. Het onderzoek richt zich ook op de vraag of het Nederlandse demonstratierecht voldoende handvatten biedt om effectief om te gaan met demonstraties die internationaal spanning kunnen opleveren. Ik vind het daarom niet nodig om apart te evalueren hoe bij (staats)bezoeken het recht op demonstratie wordt gewaarborgd. Het onderzoek wordt deze zomer verwacht, waarna de resultaten zullen worden gedeeld met uw Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Gelet op de onderlinge samenhang tussen enkele vragen, heb ik ervoor gekozen om deze gezamenlijk te beantwoorden.
Een integrale audit van ideologisch gedreven overheidsuitgaven en mogelijke systeemfraude in de overheidsadministratie |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Barry Madlener (PVV), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Dirk Beljaarts (PvdV), Marjolein Faber (PVV), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Reinette Klever (PVV), Fleur Agema (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een volledig overzicht geven van alle organisaties die sinds 2010 overheidsfinanciering hebben ontvangen (subsidies, bijdragen, fondsen, opdrachten of garanties) en die de Staat der Nederlanden (mede) voor de rechter hebben gedaagd en/of publiekelijk of juridisch hebben aangedrongen op beleidsverandering via protest, campagnes of rechtszaken?
Er wordt geen lijst bijgehouden van organisaties die de Staat der Nederlanden (mede) voor de rechter hebben gedaagd en/of publiekelijk of juridisch hebben aangedrongen op beleidsverandering via protest, campagnes of rechtszaken. Departementen leggen in de jaarverslagen die jaarlijks aan uw Kamer worden aangeboden verantwoording af over de uitgaven die zijn gedaan. Deze jaarverslagen en onderliggende gegevens zijn ook inzichtelijk via Rijksfinancien.nl.
Hoeveel belastinggeld is sinds 2010 verstrekt aan organisaties die zich (mede) richten op abortuszorg en -bevordering, inclusief internationale partnerschappen; transgenderzorg, genderbevestigende medische interventies of «genderinclusief» onderwijs; LHBTIQ+-voorlichting of «empowerment»; «klimaatgerechtigheid»; «intersectionaliteit»; «dekolonisatie» en andere aan de duurzameontwikkelingsdoelstellingen gerelateerde doelen?
Departementen leggen in de jaarverslagen die jaarlijks aan uw Kamer worden aangeboden verantwoording af over de uitgaven die zijn gedaan. Deze jaarverslagen en onderliggende gegevens zijn ook inzichtelijk via Rijksfinancien.nl.
Hoe wordt voorkomen dat deze subsidies of bijdragen direct of indirect worden gebruikt voor anti-democratische doeleinden, waaronder: a. rechtszaken tegen de Nederlandse Staat (zoals door Urgenda of Milieudefensie) en b. beïnvloeding van verkiezingen, beleidsvorming of publieke opinie via door de overheid betaalde campagnes?
Deze vraag bevat een aanname over de definitie van «anti-democratische doeleinden» die het kabinet niet deelt, waardoor hij moeilijk te beantwoorden is. In het algemeen is te stellen dat subsidies op verschillende manieren worden verantwoord en gecontroleerd. Deze wijze van verantwoording en controle is vastgelegd in de Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, ook wel bekend als het Uniform Subsidiekader (USK). Vakministers zijn zelf verantwoordelijk voor het subsidiebeheer en het beleid hieromtrent.
Worden bij subsidieaanvragen en -verantwoording identiteiten, jaarrekeningen en bestuursstructuren van aanvragers gecontroleerd op dubbele registraties, schijnconstructies of verbonden partijen?
Subsidies worden op verschillende manieren verantwoord en gecontroleerd. Deze wijze van verantwoording en controle is vastgelegd in de Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, ook wel bekend als het Uniform Subsidiekader (USK). Vakministers zijn zelf verantwoordelijk voor het subsidiebeheer en het beleid tegen misbruik en oneigenlijk gebruik.
Kunt u uitsluiten dat er in Nederland net als in de Verenigde Staten (waar het Department of Governmenet Efficiency (DOGE) recent gevallen aan het licht bracht van overheidsmedewerkers op de payroll met leeftijden boven de 100 jaar) sprake is van zogeheten «ghost employees» of fictieve ambtenaren in loondienst? Zo nee, wat is de oudste actieve ambtenaar in dienst bij de Rijksoverheid, en hoeveel medewerkers staan ingeschreven met leeftijden van 90 jaar of ouder?
Er zijn in de personele administratie geen medewerkers bekend met een leeftijd van 90 jaar of ouder. De oudste actieve ambtenaar die in de personele administratie staat geregistreerd heeft een leeftijd van 80 jaar. In overleg kunnen medewerkers doorwerken na het 70e levensjaar. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan specialistisch adviseurs of bepaalde commissiesecretarissen.
Tabel 1 in de bijlage geeft een overzicht van het aantal Rijksambtenaren, per ministerie, naar leeftijdscategorie in het jaar 2024. De tabel laat zien dat er in Q4 2024 94 rijksmedewerkers waren met een leeftijd tussen de 71 en de 80 jaar.
Deze groep is goed voor 39,6 fte. Een meerderheid van deze groep werkt deeltijd, soms beperkt tot enkele uren per week.
Worden burgerservicenummers in de HR-administratie periodiek geverifieerd op vitaliteit, overlijden of dubbele inschrijving? En kunt u een overzicht geven van het aantal actieve ambtenaren naar leeftijdscategorie en dienstonderdeel?
Bij invoer van een werknemer in het HR-systeem vindt een validatie plaats op juistheid van BSN. Daarnaast wordt voorafgaand aan de salarisverwerking een loonaangiftecontrolerapport gedraaid, die een melding genereert wanneer een BSN bij meer dan één personeelsnummer wordt gebruikt. Werkgevers hebben geen toegang tot de Basisregistratie Personen (BRP). Elke medewerker waarvoor loon is berekend, wordt maandelijks met BSN opgenomen in de loonaangifte, die verstuurd wordt naar de Belastingdienst. De Belastingdienst controleert op de juistheid van het aangeleverde BSN. De Belastingdienst controleert aan de hand van de BRP of het BSN aansluit met de aangeleverde geboortedatum.
Tabel 1 in de bijlage geeft een overzicht van het aantal Rijksambtenaren, per ministerie, naar leeftijdscategorie in het jaar 2024.
Zijn er ambtenaren of externe consultants met toegang tot begrotingssystemen of subsidieverstrekkingsplatforms die gelijktijdig werkzaam zijn bij door de overheid gesubsidieerde instellingen? Zo ja, hoeveel?
Er geldt een meld- en registratieplicht voor nevenwerkzaamheden die in relatie tot iemands ambtelijke functievervulling de belangen van de dienst kunnen raken. Indien blijkt dat er integriteitsrisico's zijn, wordt door de betrokken persoon en de leidinggevende onderzocht welke maatregelen hiertegen genomen kunnen worden, met mogelijk zelfs een verbod op de nevenwerkzaamheden. De geschetste situatie in de vraag zal al snel onder deze meldplicht vallen.
Hoeveel subsidieaanvragen zijn sinds 2020 goedgekeurd waarin de volgende trefwoorden of gelijksoortige termen voorkwamen: «diversiteit, «inclusie», «dekolonisatie», «intersectionaliteit», «gender», «klimaatrechtvaardigheid», «safe space», «systemisch racisme», «lhbti+», «queer», «trans rights», «migratierechtvaardigheid»?
Informatie over het aantal subsidieaanvragen met de betreffende termen is niet beschikbaar.
Kunt u aangeven hoeveel verschillende organisaties in Nederland op meerdere plaatsen onder andere namen geregistreerd staan als subsidieontvanger? Hoeveel stichtingen of verenigingen zijn actief met een registratie bij de Kamer van Koophandel, maar zonder actieve fysieke of digitale aanwezigheid?
Een stichting of vereniging kan behalve de reguliere naam een verkorte (afwijkende naam) hebben. Als de stichting of vereniging een onderneming drijft, komen daar mogelijk ook nog handelsnamen van de onderneming bij. Al deze namen hangen echter aan hetzelfde KVK-nummer. Voor zover wederpartijen deze KVK-nummers in hun eigen administratie gebruiken, en dat is heel gebruikelijk, bestaat er dus geen verwarring over de identiteit van de vereniging of stichting ongeacht de naam die gevoerd wordt.
Indien in een stichting of vereniging al minstens een jaar geen activiteiten plaatsvinden, overeenkomstig de criteria in artikel 2:19a BW, dan moet de KvK deze ontbinden. Het voornemen tot ontbinding en, wanneer de organisatie zich niet alsnog bij KVK meldt ook de ontbinding zelf, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Bent u bereid een onafhankelijke taskforce (vergelijkbaar met het Amerikaanse DOGE-team) samen te stellen bestaande uit externen met bewezen expertise in kunstmatige intelligentie (AI), data-analyse en overheidsaccountability, met als opdracht een systeemscan te doen op mogelijke inefficiënte, onrechtmatige of ideologisch gemotiveerde uitgaven en hen daarbij toegang te verschaffen tot interne subsidieportalen, IT-systemen en payroll-gegevens voor een integrale risicoanalyse?
Nee, het samenstellen van een taskforce zoals het Amerikaanse DOGE-team wordt naar ons inziens niet als nodig geacht.
Indien u hier niet toe bereid bent, wilt u dan toelichten waarom niet, en op welke wijze u dan wél de integriteit, transparantie en democratische controle van overheidsuitgaven garandeert?
De Auditdienst Rijk (ADR) en de Algemene Rekenkamer (AR) zijn beide onafhankelijke controleurs die toezien op rechtmatig en doelmatig gebruik van overheidsmiddelen. De ADR werkt als interne auditor binnen de overheid, terwijl de AR als externe auditor optreedt. Samen zien zij toe op de integriteit, transparantie en democratische controle van overheidsuitgaven. Daarbij is de AR wettelijk bevoegd om alle benodigde gegevensbronnen te betrekken in haar onderzoeken. Beide organisaties hebben vergaande expertise en zetten in op kennisontwikkeling in kunstmatige intelligentie (AI), data-analyse en overheidsaccountability. Een extra controleorganisatie hier aan toevoegen is daarom niet wenselijk en ook ondoelmatig.
Kunt u een overzicht geven van alle creditcards, betaalpassen en betaalaccounts die in beheer zijn van de Rijksoverheid en onderliggende instanties (inclusief zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), agentschappen en zelfstandige uitvoeringsorganisaties), met daarbij per kaart of account:
Het opstellen van een dergelijk totaaloverzicht is zeer arbeidsintensief en wordt daarom niet proportioneel geacht. Verder staan kaarten altijd op naam en zijn deze niet overdraagbaar, wat ook een verplichting is vanuit de bank. Als medewerkers vertrekken of een functiewijziging krijgen, wordt de pas ingetrokken.
Wordt er actief gecontroleerd op misbruik, dubbele uitgifte of ongeoorloofd gebruik van de onder de vorige vraag bedoelde betaalmiddelen? Zo ja, hoeveel gevallen van fraude of onrechtmatig gebruik zijn de afgelopen vijf jaar vastgesteld? Wat was de financiële schade in die gevallen?
Alle betalingen worden gecontroleerd op misbruik. Het aantal gevallen van fraude of onrechtmatig gebruik in de afgelopen vijf jaar is nagenoeg nihil. In de enkele gevallen dat er fraude of onrechtmatig gebruik heeft plaatsgevonden is het opgespoord en afgehandeld.
Bent u bereid het gebruik van deze betaalmiddelen – in navolging van het Amerikaanse voorbeeld – te onderwerpen aan een forensische audit gericht op verspilling, fraude en structurele lekken? Zo nee, waarom niet?
Naar ons inziens wordt dat niet als wenselijk of noodzakelijk geacht. Een dergelijk systeem bouwen en onderhouden zou een aanzienlijke financiële investering vergen die zich niet verhoudt tot de in de vraagstelling gesuggereerde risico's.
Kunt u aangeven hoeveel ambtenaren er momenteel op de loonlijst staan van het Rijk, uitgesplitst per ministerie, agentschap, ZBO en uitvoeringsorganisatie? En kunt u daarbij tevens aangeven hoeveel van deze medewerkers in de afgelopen 30, 60 en 90 dagen géén van de volgende activiteiten hebben verricht: Kunt u tevens aangeven hoeveel van deze accounts zich kenmerken door inactiviteit op ál deze punten tegelijk, en dus sinds minimaal 30 dagen geen enkele digitale of fysieke activiteit vertonen?
Het achterhalen van deze informatie voor alle 165.903 Rijksmedewerkers is praktisch niet mogelijk. Dit geldt ook voor het, op al deze punten tegelijk, aantonen of er sprake is van geen enkele digitale of fysieke activiteit.
In bijlage 1 is een uitsplitsing te vinden van het aantal Rijksmedewerkers dat op peildatum 2024 in de personele administratie van het Rijk bekend was, uitgesplitst naar ministerie. Hiervan werkt 71 procent (118.261 medewerkers, respectievelijk 111.446,3 fte) bij een organisatie gericht op uitvoering.
De inrichting van de personele administratie maakt dat het niet mogelijk is om de uitsplitsing naar ZBO's en agentschappen zuiver te maken. Zo zijn enkel de gegevens van ZBO's met een publiekrechtelijke entiteit, onderdeel van de Staat der Nederlanden, bekend. In 2024 bedraagt dit aantal 2971 medewerkers, wat gelijk staat aan 2818,26 fte. Van ZBO's met eigen rechtspersoonlijkheid (zowel publiekrechtelijk (onderdeel overheid), als privaatrechtelijk (marktpartijen)) zijn geen gegevens beschikbaar in de personele administratie.
Acht u het wenselijk dat dergelijke inactiviteit voortaan automatisch gesignaleerd en onderzocht wordt, teneinde misstanden zoals niet-bestaande ambtenaren op de loonlijst, ghost payroll-fraude of administratieve fouten uit te sluiten?
Dit wordt niet wenselijk geacht. Een dergelijk systeem bouwen en onderhouden zou een aanzienlijke financiële investering vergen die zich niet verhoudt tot de in de vraagstelling gesuggereerde risico's
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoord.
De stroomstoring in Spanje en Portugal van maandag 28 april |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Wytske de Pater-Postma (CDA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de stroomstoring in Spanje en Portugal van maandag 28 april?
Ja.
Hoe reëel is het dat een stroomstoring van deze magnitude ook in Nederland zal plaats vinden?
De grote stroomstoring in Spanje en Portugal op maandag 28 april betrof een zogenaamde black-out. Deze storing trof naast deze twee landen ook een gedeelte van Frankrijk. Een dergelijke grootschalige black-out komt in Europa slechts eens in de 10 à 20 jaar voor. In 2003 is Italië getroffen en in 2015 Turkije. In 2024 hebben drie landen in de Balkan hiermee te maken gehad. Een stroomuitval van deze omvang kan ook in Nederland plaatsvinden. De kans op een dergelijke stroomuitval van dit type acht het kabinet gering.
Hoe goed is ons stroomnet beschermd?
De Minister van Klimaat en Groene Groei is beleidsverantwoordelijkheid voor de leveringszekerheid van energie. De netbeheerders zijn wettelijk verplicht om de leveringszekerheid van elektriciteit te bewaken en te bevorderen. Het Ministerie van KGG werkt samen met TenneT en de regionale netbeheerders doorlopend aan de continuïteit van het elektriciteitsnetwerk.
Ons energiesysteem wordt beschermd door een robuust ontwerp, redundantie, de aanwezigheid van voldoende herstelcapaciteit en interconnectie met de ons omringende landen. Het brede scala aan maatregelen heeft ertoe geleid dat het Nederlandse elektriciteitssysteem de afgelopen jaren één van de betrouwbaarste energiesystemen ter wereld is geweest, met een gemiddelde betrouwbaarheid van 99.99%. Voor de herstart van het elektriciteitssysteem na een grootschalige black-out beschikt Nederland over speciale voorzieningen.
Wat zijn de grootste systeemrisico’s die Nederland kent als het gaat om grootschalige uitval van stroom, water, internet en het betaalverkeer? Waar zal de samenleving naar verwachting het zwaarst geraakt worden?
Stroom en internet zijn dusdanig essentieel en verbonden met andere onderdelen in de samenleving dat een stroomstoring grote impact kan hebben op de samenleving. De impact van grootschalige stroomuitval of uitval van data- en communicatienetwerken is groot en raakt meerdere vitale processen. Grootschalige uitval van drinkwater heeft directe impact op huishoudens, de industrie en ziekenhuizen, en kan de operatie van veel andere processen zoals levensmiddelen beïnvloeden. Ook het betaalverkeer is afhankelijk van internet en elektriciteit. Langdurige uitval van het betaalverkeer kan leiden tot grote maatschappelijke onrust en economische ontwrichting. Bijvoorbeeld omdat men geen betalingen kan doen in winkels, doordat er geen geld meer uit de geldautomaat komt en omdat dergelijke uitval kan leiden tot verstoring van andere vitale processen zoals het effectenverkeer. Contant geld vervult tevens een belangrijke rol als terugvaloptie voor elektronisch betaalverkeer.
Verantwoordelijke vakdepartementen en vitale aanbieders voeren risicobeoordelingen uit als onderdeel van de Versterkte Aanpak Vitaal.1 Hierbij is er specifiek aandacht voor de intersectorale afhankelijkheden, waarmee risico’s inzichtelijk gemaakt worden zodat er passende maatregelen kunnen worden genomen.
Wat zullen de invoering van de Cyberbeveiligingswet (NIS2 (Network and Information Security directive)) en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (CER (Critical Entities Resilience Directive)-richtlijn) in de praktijk betekenen voor het risico op en de impact van storingen van deze magnitude?
De implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) zijn onderdeel van de Versterkte Aanpak Vitaal. Onderdeel van deze Versterkte Aanpak Vitaal is een cyclus van risicoanalyses en actieprogramma’s uitgevoerd door de verantwoordelijke vakdepartementen voor hun sectoren, waaronder ook de energiesector, ten behoeve van het nemen van weerbaarheidsverhogende maatregelen voor vitale aanbieders en processen. Daarbij is er ook aandacht voor risico’s die samenhangen met intersectorale afhankelijkheden.
Met de invoering van de Cbw en de Wwke worden de risicobeoordelingen en de te nemen maatregelen dwingender van karakter en worden alle kritieke entiteiten (vitale aanbieders) verplicht om hun kwetsbaarheden te minimaliseren en de continuïteit van hun essentiële diensten (vitale processen) te waarborgen. In de praktijk betekent dit onder andere dat deze entiteiten hun gebouwen, kritieke infrastructuur en netwerk- en informatiesystemen (fysiek) beschermen, ze een plan voor crisisbeheer en een bedrijfscontinuïteitsplan hebben, en ze beleid hebben over de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van personeelsleden.
Zijn er noodscenarios klaar voor een situatie als deze? Zo ja, hoe zien die er uit? Zijn er draaiboeken en is er een back-up om de belangrijkste functies zoals onze watervoorziening, waterverdediging, ziekenhuizen, telefoonverbindingen, wifi en het betalingsverkeer weer zo snel als mogelijk van stroom te voorzien?
De primaire verantwoordelijkheid voor de continuïteit van hun processen ligt bij de organisaties zelf, ook bij verstoringen van het stroomnet. Eventuele (wettelijke) verplichtingen ten aanzien van de leveringszekerheid van diensten zijn opgenomen in sectorale wetgeving. Er is geen centraal overzicht van noodmaatregelen die bedrijven en organisaties nemen bij uitval van grootschalige stroomuitval.
Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei is verantwoordelijkheid voor het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E). Dit NCP-E beschrijft wat de overheid en betrokken crisisorganisaties doen om de maatschappelijke impact bij een ernstige verstoring in de Nederlandse elektriciteitsvoorziening zoveel mogelijk te beperken. Komend anderhalf jaar wordt er gewerkt aan de actualisatie voor het crisisplan elektriciteit.
Tennet heeft een systeembeschermings- en herstelplan om na omvangrijke storingen een gecoördineerd en adequaat systeembeschermings- en herstelproces van het Nederlandse transmissiesysteem en/of de systeembalans mogelijk te maken. Daarnaast hebben de netbeheerders calamiteitenplannen. Deze plannen beschrijven de crisisorganisaties op zowel bestuurlijk als technisch operationeel niveau ten behoeve van de bestrijding en beheersing van een crisis in de elektriciteitsvoorziening. De Autoriteit Consument en Markt toetst deze plannen.
Voor welke sectoren liggen draaiboeken klaar en zijn noodstroomvoorzieningen beschikbaar? Hoe lang duurt het om deze op te starten?
Zie antwoord vraag 6.
Is de Nederlandse bevolking voldoende voorbereid op langdurig uitval van stroom? En zo nee, wat wordt er in gang gezet om ervoor te zorgen dat dat wel zo is?
De Nederlandse bevolking is in zekere mate voorbereid op stroomuitval. Deze voorbereiding is vooral gericht op kortdurende storingen. In Nederland is de afgelopen jaren minder aandacht besteed aan de gevolgen van langdurige stroomuitval. Op dit punt is de samenleving kwetsbaar.
Vanaf eind 2022 heeft de rijksoverheid via Denk Vooruit de risicocommunicatie over situaties van langdurige uitval, zoals stroom, drinkwater en internet geïntensiveerd. Hierbij is de hoofdboodschap dat de Nederlandse samenleving voorbereid moet zijn op 72 uur zelfredzaamheid. De dreigingen nemen toe en hulp kan langer op zich laten wachten. Deze boodschap wordt ondersteund door veiligheidsregio’s, gemeenten, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Specifiek voor stroomuitval staan op denkvooruit.nl ook uitgebreide handelingsperspectieven. In november 2024 is er in de tv-uitzending BlackOut op realistische wijze invulling gegeven aan het scenario van langdurige stroomuitval, de gevolgen ervan en hoe de Nederlandse samenleving hierop kan worden voorbereid. Onder andere het Ministerie van KGG, de NCTV en TenneT hebben inhoudelijk aan deze uitzending bijgedragen. Medio 2025 start een meerjarige publiekscampagne (rijksoverheid, andere overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties) om de maatschappelijke weerbaarheid bij langdurige uitval van dagelijkse voorzieningen (ongeacht de aard van de dreiging) verder te verhogen.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Nationale veiligheid en weerbaarheid van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid op 15 mei 2025?
Ja.
Het versterken van meldpunt 144 tegen dierenmishandeling |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat, nadat bekend werd dat meldpunt 144 hun taken noodgedwongen moest afschalen, de Tweede Kamer in actie kwam en verzocht om 1) met een plan van aanpak te komen hoe meldpunt 144 bij de politie kan worden versterkt, 2) ernaar te streven dat de noodgedwongen afgeschaalde taken weer kunnen worden opgepakt, 3) doorvraag bij de melder weer mogelijk te maken, 4) het meldpunt weer 24/7 bereikbaar te maken en 5) de Kamer actief te informeren over de toekomst van meldpunt 144?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de Kamer daarnaast € 2 miljoen heeft vrijgemaakt voor het versterken van meldpunt 144?2
Ja.
Welke stappen heeft u ondernomen sinds het aannemen van het amendement en de motie om meldpunt 144 te versterken en uitvoering te geven aan de duidelijke wens van de Tweede Kamer?
Ik heb met de politie overlegd over de uitvoering van de motie Teunissen en het aangenomen amendement. De politie stelt momenteel een uitvoeringsplan op voor de versterkingen van het meldpunt 144.
In dit uitvoeringsplan worden meerdere opties uitgewerkt. Een optie is versterking van het meldpunt 144 binnen de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, waar het meldpunt thans beheersmatig is ondergebracht. Een andere optie is het uitbesteden van de beheerslast van 144 met de nodige waarborgen om de noodzakelijke informatie-uitwisseling tussen de 144 en de politie te garanderen. Het uitvoeringsplan richt zich in eerste aanleg op deze laatstgenoemde optie. Ook bij uitbesteding zullen de mogelijkheden voor versterking worden bezien. Het uitbesteden van 144 past bij mijn inzet om politie terug te laten keren naar haar kernfunctie3.
Welke extra middelen zijn inmiddels beschikbaar gesteld aan meldpunt 144, en op welke wijze worden deze ingezet om de capaciteit en bereikbaarheid van het meldpunt te verbeteren, zodat het meldpunt adequaat kan inspelen op het gestegen aantal meldingen van dierenmishandeling?
De politie werkt momenteel verschillende opties uit in een uitvoeringsplan. De inzet van extra middelen is afhankelijk van de nog te kiezen optie.
In hoeverre is er inmiddels uitvoering gegeven aan het verzoek in de motie om met een plan van aanpak te komen voor 24/7 bereikbaarheid van het meldpunt, zodat burgers ook buiten de huidige contacturen dierenmishandeling kunnen melden? Is dit plan al afgerond, en zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, op welke termijn verwacht u het plan van aanpak gereed te hebben en welke vervolgstappen verbindt u aan de uitkomsten ervan?
Zoals toegelicht in de antwoorden op de vragen 3 en 4, stelt de politie thans een uitvoeringsplan op voor het versterken van het meldpunt 144, waarbij rekening wordt gehouden met de wenselijkheid dat het meldpunt 144 24/7 bereikbaar is. Er worden verschillende opties uitgewerkt.
Ik streef ernaar om u vóór Prinsjesdag nader te informeren over dit uitvoeringsplan.
Wordt er nog steeds een «business case» ontwikkeld voor de toekomst van het meldpunt? Hoe verhoudt deze business case zich tot het verzoek van de Kamer om een plan van aanpak te ontwikkelen voor het versterken van het meldpunt?
De business case betreft één van de mogelijke opties die uitgewerkt wordt in het uitvoeringsplan, namelijk het uitbesteden van het meldpunt 144. Ook bij uitbesteding zullen de mogelijkheden voor versterking worden bezien.
Indien deze business case nog steeds wordt ontwikkeld, welke scenario’s worden daarbij betrokken, bijvoorbeeld qua personeelsbezetting, bereikbaarheid en relevantie van de meldingen voor de politie?
Er worden meerdere opties uitgewerkt, zoals beschreven in het antwoord op vraag 3. Ik streef ernaar om u vóór Prinsjesdag nader te informeren over dit uitvoeringsplan.
Wordt de Kamer voorafgaand aan of na afronding van de businesscase betrokken bij de besluitvorming over implementatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke termijn verwacht u de Kamer te kunnen informeren over de volledige uitvoering van het amendement en de motie, inclusief de resultaten van eventuele evaluaties?
Ik ben voornemens om de Kamer voor Prinsjesdag op de hoogte te brengen van de uitkomsten van het uitvoeringsplan. In deze brief zal ik verder in gaan op de uitvoering van het amendement en de motie.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Plotseling flinke stijging gewapende overvallen, daders veelal piepjong’ |
|
Emiel van Dijk (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal berovingen in 2025 met 46 procent is gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2024?1
Ja.
Hoe reflecteert u op deze zorgwekkende toename van overvallen en geweld tijdens uw bewindsperiode?
Overvallen zijn delicten met een grote impact op slachtoffers, hun omgeving en de maatschappij en tasten het veiligheidsgevoel in de maatschappij sterk aan. Dit is onacceptabel. Iedere ondernemer en zijn of haar medewerkers moeten veilig hun werk kunnen doen.
Criminelen gaan, zo is de ervaring, steeds op zoek naar mogelijkheden om aan geld te komen, zoals door overvallen te plegen op bepaalde winkels. Gezien de impact van een overval zet de Taskforce Overvallen zich sinds 2009 in om overvallen in Nederland tegen te gaan. Dit doet de Taskforce onder andere door vroegtijdig in te zetten op de weerbaarheid van jongeren om daarmee daderschap te voorkomen. De aanpak van overvallen, zoals de aanpak van high impact crimes in den brede, is een aanpak van niet alleen de korte, maar vooral ook de langere termijn.
De geregistreerde jeugdcriminaliteit nam de afgelopen twintig jaar af en lijkt nu te stabiliseren. We volgen deze cijfers nauwlettend en volgen de ontwikkelingen ook over een langere periode. Het is zorgelijk dat er de afgelopen maanden een stijging is, na een jarenlange sterke daling. Ik ben met de Taskforce Overvallen aan de slag om de daling weer in te zetten. Politie, OM en mijn ministerie volgen ook de recente ontwikkelingen en bezien samen met de branches welke maatregelen kunnen worden genomen. De pakkans is overigens groot en de buit vaak klein.
Wat zijn de cijfers over de herkomst van verdachten van deze overvallen in 2025 en 2024?
De herkomst van verdachten wordt niet geregistreerd. Voor wat betreft de tot nu toe in 2025 gepleegde overvallen geeft de politie aan dat de daders vaak jong zijn. Vooral de leeftijdscategorie 15 tot en met 19 jaar valt hierbij op.
Hoeveel van deze verdachten zijn voor de rechter gekomen en hebben een vrijheidsbenemende straf opgelegd gekregen? Hoeveel zaken zijn geseponeerd? Hoeveel zijn er afgedaan met een strafbeschikking?
Er zijn op dit moment nog geen cijfers beschikbaar over het aantal verdachten van de overvallen uit 2024 en 2025 dat voor de rechter is verschenen. Dit komt doordat het opsporingsonderzoek in een deel van deze zaken nog gaande is, of omdat de zaken nog in behandeling zijn.
Deelt u de opvatting dat minderjarige overvallers de zware criminelen van morgen zijn, en dat de afschrikwekkende werking van het strafrecht nodig is om hen uit de criminaliteit te houden?
Hoewel de pakkans relatief groot is, moeten we vooral voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin belanden en doorgroeien. Onderzoek laat zien dat plegers van high impact crimes, zoals overvallen, vaak al op jonge leeftijd beginnen met hun criminele carrière.2 De schade en de impact voor slachtoffers en hun omgeving zijn aanzienlijk. Daarom adviseren onderzoekers om juist deze groep blijvend in het vizier te houden en vroegtijdig in te grijpen. Vroegsignalering en het aanpakken van risicofactoren die zich al in de kindertijd opstapelen, vergroten de kans op het voorkomen van een criminele carrière.
Dat gebeurt ook. De Taskforce Overvallen, diverse gemeenten en andere partners zetten zich hier actief voor in. Daarbij kunnen zij sinds juni vorig jaar mede gebruik maken van het Landelijk Kwaliteitskader Effectieve Jeugdinterventies. De gedragsinterventies die gemeenten en andere betrokken partijen hiervoor inzetten, zoals Alleen Jij Bepaalt wie je bent en Integrale Persoonsgerichte Toeleiding naar Arbeid, zijn nader toegelicht in de Voortgangsrapportage high impact crimes van 3 december 2024.3 Het strafrechtelijke traject blijft daarbij van belang. De politie weet een aanzienlijk deel van (jonge) daders snel op te sporen, zodat zij kunnen worden vervolgd en bestraft. Tegelijkertijd, zoals ook duidelijk wordt uit het Landelijk Kwaliteitskader, leert de wetenschappelijke literatuur ons dat straffen op zichzelf jongeren vaak niet afschrikken.
Kunnen ondernemers de geleden schade verhalen en de buit effectief terugvorderen? Gebeurt dit voldoende in de praktijk?
Om te beginnen is het belangrijk dat het slachtoffer altijd aangifte doet op basis waarvan een opsporingsonderzoek kan worden ingesteld. Indien de officier van justitie besluit de zaak voor de strafrechter te brengen, kan het slachtoffer zich als benadeelde partij voegen in het strafproces en op deze wijze zijn schade op de verdachte verhalen, indien de strafrechter de vordering toewijst. Slachtofferhulp Nederland kan ondernemers, ongeacht de rechtsvorm, ondersteunen in het strafproces en het verhalen van de schade, indien gewenst en in het geval deze geen eigen juridische ondersteuning in huis heeft. Indien de strafrechter de vordering niet toewijst, kan een benadeelde zich tot de civiele rechter wenden.
Indien de strafrechter een schadevergoedingsmaatregel oplegt aan de verdachte, dan geldt de voorschotregeling. Ik hecht eraan hierbij op te merken dat de voorschotregeling alleen geldt voor eenmanszaken en niet voor rechtspersonen. De voorschotregeling houdt in dat wanneer de veroordeelde acht maanden na onherroepelijk worden van het vonnis, de opgelegde schadevergoedingsmaatregel nog niet of niet volledig heeft voldaan, de overheid het niet geïnde bedrag betaalt en het verhaalsrisico overneemt. De voorschotregeling is niet gemaximeerd voor slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven en bij andere misdrijven gemaximeerd tot € 5.000,-. De overheid zet de inning op de dader voort. In beginsel is het mogelijk dat in beslag genomen gestolen goederen kunnen worden geretourneerd aan het slachtoffer. Het is echter aan de officier van justitie of de rechter om hier een beslissing over te nemen.
Op de vraag of dit voldoende in de praktijk gebeurt kan ik helaas geen uitspraken doen, de cijfers hierover zijn bij ons niet bekend.
Welke concrete maatregelen heeft u in de afgelopen maanden genomen om de stijging van overvallen door minderjarigen aan te pakken?
Sinds 2009 zet de Taskforce Overvallen in het op terugbrengen van de aantallen overvallen, samen met de hierbij betrokken branches en gemeenten waar dit speelt. Dit is een traject van lange adem, waarbij vele maatregelen worden ingezet vanuit het Actieprogramma Overvallen, langs de lijnen voorkomen (herhaald) slachtofferschap, voorkomen (herhaald) daderschap, situationele preventie, dadergerichte aanpak en tegengaan recidive.4 Steeds worden de risico’s met de branches besproken en worden maatregelen genomen, ook in samenwerking met de politie. Nieuwe overvallen zijn veelal aanleiding om bestaande preventieve maatregelen opnieuw onder de aandacht te brengen van de ondernemers, door hun brancheorganisaties en in contacten met de politie.
Daarnaast wordt al langjarig ingezet op het voorkomen van (jeugdig) daderschap door de (door)ontwikkeling en inzet van kansrijke en bewezen effectieve interventies, in het kader van de aanpak in gemeenten van high impact crimes. Sinds 2022 worden inmiddels 27 gemeenten structureel ondersteund met het programma Preventie met Gezag. Aanvullend hierop worden 20 aanvullende gemeenten incidenteel ondersteund in hun aanpak om te voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in aanraking komen met criminaliteit, daarin terechtkomen of doorgroeien. Hierover wordt voor het zomerreces gerapporteerd in de Voortgangsrapportage Preventie met Gezag, onderdeel van de halfjaarbrief Aanpak ondermijning.
Hoe staat het met de uitvoering van de afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord om het jeugdstrafrecht voor 14- tot 16-jarigen aan te scherpen, onder meer door verhoging van maximale straffen? Wanneer worden de voorstellen verwacht?
Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de Verzamelbrief Justitiële Jeugd die door de Staatssecretaris Rechtsbescherming op 20 mei 2025 naar u is verstuurd.5
Het bericht 'Leerlingen pesten elkaar met nepnaaktbeelden, middelbare scholen willen verbod op uitkleedapps' |
|
Sandra Beckerman , Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer (KRO-NCRV) waaruit blijkt dat op meerdere middelbare scholen nepnaaktfoto’s en andere seksueel getinte beelden van leerlingen worden verspreid, die met behulp van kunstmatige intelligentie (AI) zijn gegenereerd?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat 24 procent van de ondervraagde scholen aangeeft dat pesten met dergelijke AI-beelden voorkomt en dat 10 procent meldt dat dit zelfs meer dan vijf keer per jaar gebeurt?
Pesten is vreselijk en onacceptabel, of dat nu fysiek of digitaal gebeurt. Helaas is pesten hardnekkig. Met de komst van AI is het nodig dat we met z’n allen nog scherper zijn op het voorkomen van, en waar nodig optreden tegen, pesten. Daar waar scholen strafbare feiten vermoeden, moedigen we hen aan dat ze aangifte doen bij de politie.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor scholen en welke voor de overheid?
Scholen hebben een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent concreet dat zij veiligheidsbeleid moeten maken en een aanspreekpunt pesten en een antipestcoördinator moeten hebben. Ook moeten scholen met de jaarlijks verplichte schoolmonitor inzicht krijgen in de feitelijke en ervaren veiligheid, en het welbevinden, van leerlingen.
De overheid biedt met een instellingssubsidie voor stichting School & Veiligheid ondersteuning aan scholen bij het vormgeven van hun veiligheidsbeleid. Bijvoorbeeld met handreikingen en e-learnings. Scholen kunnen voor individueel advies terecht bij hun adviespunt. Bij (zeer) ernstige incidenten kunnen scholen altijd terecht bij het calamiteitenteam.
Ook de landelijke afspraak omtrent het verbod op mobieltjes in de klas draagt bij aan een veilig schoolklimaat. Daardoor is het lastiger geworden om – in ieder geval onder schooltijd – AI-gegenereerde beelden te verspreiden en in te zetten om leerlingen te pesten.2
Herkent u de zorgen van scholen dat zij onvoldoende middelen, kennis en ondersteuning hebben om AI-gerelateerde pestincidenten tegen te gaan?
Wij herkennen dat het voor scholen een lastige opgave is om pesten tegen te gaan en een positief pedagogisch klimaat op school te bevorderen. Tegelijkertijd is dat een randvoorwaarde om tot goed onderwijs te komen. Om die reden heeft het Ministerie van OCW vanaf 2025 extra geïnvesteerd in stichting School & Veiligheid, zodat zij meer en betere ondersteuning aan scholen kunnen bieden.
Wat doet u op dit moment om scholen, leerlingen en ouders beter te beschermen tegen dit soort digitale beeldmanipulatie en online pesten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, heeft het Ministerie van OCW de ondersteuning aan stichting School & Veiligheid geïntensiveerd.
Daarnaast is het van groot belang dat leerlingen digitaal geletterd zijn en dat ze de betrouwbaarheid van online content kunnen beoordelen. In de nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid krijgen alle scholen met dit leergebied te maken: privacy, omgaan met anderen en hoe jij je verhoudt tot anderen en tot digitale systemen, zijn allemaal onderwerpen die aan bod komen. Het onderwerp AI heeft ook een belangrijke positie binnen de kerndoelen: wat zijn de risico’s en beperkingen van een AI-systeem? En hoe kan iemand herkennen dat ze te maken hebben met een AI-systeem?
Wat kunt u scholen concreet extra aanbieden in de strijd tegen nepnaaktbeelden zodat het wiel niet steeds opnieuw hoeft te worden uitgevonden?
Het Ministerie van OCW werkt aan het versterken van de digitale geletterdheid van leerlingen via het curriculum. Het Netwerk Mediawijsheid biedt op de website doorverwijzingen aan naar diverse netwerkpartners waar men terecht kan voor hulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de anonieme hulplijn Helpwanted van Offlimits, waar slachtoffers ondersteund kunnen worden om content offline te halen, tips te krijgen voor het doen van aangifte of doorverwijzingen naar andere hulporganisaties als Centrum Seksueel Geweld. Zo wordt op een laagdrempelige manier informatie aangeboden en weten scholen of ouders waar zij terecht kunnen.
Erkent u dat het gebruik van AI-uitkleedapps en -websites een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid en het welzijn van jongeren, zeker wanneer minderjarigen doelwit zijn en wat gaat u concreet doen om dit aan te pakken?
Ja, wij erkennen dat het gebruik van AI-uitkleedapps en -websites een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid en het welzijn van jongeren, zeker wanneer minderjarigen doelwit zijn. Dit gedrag moet dan ook worden aangepakt en slachtoffers, waaronder jongeren, dienen hiertegen te worden beschermd.
Het strafrechtelijk kader biedt verschillende mogelijkheden om tegen dit gedrag op te treden. Zo is het misbruiken, pesten en afpersen met naaktbeelden, waaronder ook met AI-gegenereerde nep naaktbeelden, strafbaar. De strafbaarstelling van artikel 254ba van het Wetboek van Strafrecht omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke deepfakes vallen onder het bereik van artikel 254ba van het Wetboek van Strafrecht. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft, is het kinderpornografisch materiaal en valt het onder artikel 252 Wetboek van Strafrecht. Ook is het chanteren met (nep)naaktbeelden (sextortion) strafbaar via afdreiging (artikel 318 Wetboek van Strafrecht) of, wanneer ook gedreigd wordt met geweld, via afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht). Bovendien valt het afdwingen van seksuele interactie onder dreiging van openbaarmaking van (nep) seksueel beeldmateriaal onder de reikwijdte van de delictsvormen van aanranding en verkrachting (artikelen 240 t/m 243 van het Wetboek van Strafrecht). Net als bij fysiek seksueel contact wordt op deze manier namelijk inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit.
Naast de strafrechtelijke aanpak is het van groot belang dat de bewustwording over de impact van misbruik met (nep)naaktbeelden vergroot wordt en aan slachtoffers passende hulp wordt geboden. Het is om deze reden dat het Ministerie van JenV jaarlijks een subsidie verleent aan Offlimits die sterk inzet op campagnes, voorlichting en onderzoek op dit gebied en waar ook slachtoffers van online seksueel grensoverschrijdend gedrag terecht kunnen. De anonieme hulplijn Helpwanted van Offlimits kan slachtoffers, zoals bij het antwoord op vraag 6 al benoemd, ondersteunen om content offline te halen, tips te krijgen voor het doen van aangifte of doorverwijzen naar andere hulporganisaties als Centrum Seksueel Geweld.
Daarnaast hebben de Ministeries van OCW, VWS en JenV, samen met Rutgers, Halt, Offlimits, School & Veiligheid en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid de «Wegwijzer in de aanpak en preventie van ongewenste sexting» gemaakt voor het primair onderwijs en voortgezet onderwijs. De wegwijzer, waarin je onder meer toolkits, stappenplannen en meldpunten voor advies vindt, wordt op dit moment geactualiseerd.
Deelt u de opvatting van 87 procent van de scholen dat er een verbod moet komen op AI-uitkleedapps en -websites? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u richting een wettelijk verbod?
De zorgen van de scholen zijn terecht. We moeten hier dan ook aandacht aan blijven besteden, bijvoorbeeld op school, maar ook thuis en als maatschappij in het geheel. Een algemener verbod op het aanbieden van de uitkleedapps ligt op dit moment echter niet voor de hand. Een dergelijk verbod kan makkelijk omzeild worden door nieuwe of aangepaste technologie of aanbieders die vanuit het buitenland opereren.
Bent u bereid om samen met platforms als Telegram, TikTok en Instagram te werken aan strengere controle op het delen van gemanipuleerde seksuele beelden van minderjarigen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit? Zo nee, waarom niet?
Online platformen zijn onder de Digital Services Act (DSA) al verplicht om te modereren zodra zij weet hebben van online illegale content. In dit geval gaat het om seksuele beelden van minderjarigen; dit materiaal is ten alle tijden strafbaar. De DSA voorziet in harmonisatie van de zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten. Dat betekent dat de verordening het niet toestaat dat Nederland in het nationale recht aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen opneemt voor aanbieders van tussenhandeldiensten die dezelfde doelstelling hebben als de verordening. Een strenger controleregime is om die reden niet mogelijk.
Er wordt op verschillende manieren samengewerkt met de platformen om dit materiaal zo snel mogelijk ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Ten eerste zijn er met de genoemde platformen goede contacten waarbij overleg plaats vindt als er zorgen spelen of ideeën zijn omtrent de aanpak van het tegengaan van dergelijk materiaal. Ten tweede is er in 2023 een publiek-private samenwerking ingericht omtrent het onderwerp online content moderatie waarin verschillende soorten internetpartijen plaatsnemen gezamenlijk met verschillende soorten overheidspartijen. Ten slotte financiert het Ministerie van JenV een laagdrempelig meldvoorziening bij de stichting Offlimits: Helpwanted. Ook via deze stichting wordt regelmatig overleg gevoerd met platformen om het weren van dit type illegaal materiaal te verbeteren.
Hoe voorkomt u dat de huidige wetgeving achterloopt op de snelle technologische ontwikkelingen rond AI en beeldmanipulatie, zeker als het gaat om de bescherming van minderjarigen?
Het kabinet heeft onderzoek laten uitvoeren door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum naar de regulering van deepfakes. De centrale vraag in het onderzoek was of de wetgeving in brede zin goed is toegerust op de opkomst van deepfake technologie. De beleidsreactie is begin 2023 aangeboden aan de Tweede Kamer. Het onderzoek concludeert dat de meest onwenselijke deepfakes, waaronder deepnudes, door het (straf)recht goed kunnen worden geadresseerd.3
Ziet u aanleiding om de huidige wet- en regelgeving rondom digitale kinderporno en deepfakes te herzien of aan te scherpen, zodat deze beter aansluit bij de realiteit van AI-gebruik in pesterijen en intimidatiepraktijken?
Op dit moment wordt geen aanleiding gezien voor het herzien of aanscherpen van de huidige wet- en regelgeving rondom online seksueel misbruik van kinderen en deepfakes. Mede gelet op de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden en waarin de strafbepalingen techniekonafhankelijk zijn geformuleerd, sluit de huidige wet- en regelgeving aan bij de realiteit van AI-gebruik in pesterijen en intimidatiepraktijken. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 7 waarin de relevante strafbaarstellingen zijn opgenomen.
Ook in het rapport «Online seksueel geweld» van 21 maart 2025, waarin Offlimits, Stichting Landelijk Centrum Seksueel Geweld, Privacy First, Fonds Slachtofferhulp en Boekx Advocaten de problematiek van online seksueel geweld en de juridische aspecten daarvan in kaart hebben gebracht, wordt geconcludeerd dat het probleem bij het bestrijden van online seksueel misbruik niet zit in het ontbreken van regelgeving. Er zijn voldoende wettelijke grondslagen om online seksueel geweld aan te pakken.4
Bent u bereid om voorlichting over de risico’s van AI-beelden en beeldmanipulatie op te nemen in het lesaanbod van burgerschapsonderwijs en digitale weerbaarheid? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van de kansen en risico’s die AI-systemen kunnen bieden is al een wezenlijk onderdeel in het leergebied van digitale geletterdheid. Het bespreken van de risico’s van beeldmanipulatie en het bespreekbaar maken van de negatieve impact ervan past goed binnen zowel het leergebied burgerschap als digitale geletterdheid.
Bent u bereid om toe te werken naar een landelijke laagdrempelige voorziening waar slachtoffers van bijvoorbeeld deepfakes of ander seksueel getint online beeldmateriaal terechtkunnen?
Zoals ook bij het antwoord op vraag 9 aan de orde is gekomen, bestaat al een laagdrempelige voorziening waar slachtoffers van bijvoorbeeld deepfakes of ander seksueel getint online beeldmateriaal terechtkunnen, namelijk Helpwanted, onderdeel van Offlimits. Helpwanted fungeert als centrale ingang voor het bieden van hulp aan slachtoffers van online grensoverschrijdend gedrag in brede zin.
Helpwanted biedt zelf hulp aan slachtoffers, waaronder advies op maat en het verwijderen van onrechtmatige en strafbare content, ondersteunt slachtoffers bij het doen van aangifte of verwijst door naar specialistische hulp. Daarnaast zorgen de medewerkers van Helpwanted ervoor dat, als er sprake is van strafbare content, het strafrechtelijke traject wordt gefaciliteerd, onder meer door ervoor te zorgen dat eventueel bewijs wordt verzameld en opgeslagen. Het starten en uitlopen van de opsporing blijft voorbehouden aan de politie en het Openbaar Ministerie, maar Helpwanted helpt slachtoffers in de aanloop naar de aangifte. Helpwanted fungeert in deze zin als eerste laagdrempelige ingang voor slachtoffers voor het strafrechtelijke traject.
Bent u bereid om met de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) in gesprek te gaan en te bespreken of er voldoende middelen en mogelijkheden zijn dergelijke beelden snel verwijderd te krijgen?
Uiteraard is het Ministerie van JenV doorlopend in gesprek met de ATKM over de middelen en mogelijkheden die zij hebben ter uitvoering van hun wettelijke taken. De ATKM heeft bevoegdheden om te handhaven op twee vormen van online materiaal: seksueel kindermisbruik (kinderpornografisch materiaal) en terroristisch materiaal. De ATKM is een nieuwe en relatief jonge autoriteit, waarvan de wettelijke bevoegdheden voor kinderpornografisch materiaal pas op 1 juli 2024 in werking zijn getreden. De ATKM is onder meer opgericht vanwege de specifieke problematiek rond online kinderpornografisch materiaal dat wordt gehost door Nederlandse aanbieders van hostingdiensten of dat op Nederlandse servers is opgeslagen. Zij heeft derhalve de wettelijke mogelijkheden om kinderpornografisch materiaal (inclusief door AI gegenereerde beelden) te laten verwijderen met behulp van een verwijderingsbevel. Voorbeelden van volwassenen heeft zij deze wettelijke mogelijkheden niet.
Kunt u met Offlimits in gesprek gaan over de online verspreiding van deepfakes op middelbare scholen en wat er volgens Offlimits ondernomen moet worden en de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van JenV en Offlimits zijn regelmatig met elkaar, en andere belangrijke partijen, in gesprek over misbruik van (nep) seksueel beeldmateriaal en de aanpak daarvan.
Om de (online) verspreiding van dit soort deepfakes op middelbare scholen tegen te gaan is het belangrijk dat het bewustzijn over de impact van misbruik met (nep)naaktbeelden wordt vergroot, bijvoorbeeld door middel van campagnes, flyers en voorlichting op school.
Daarnaast dient laagdrempelige en passende hulp beschikbaar te zijn, waaronder het offline halen van onrechtmatige en strafbare content. Op bewustwording en hulpverlening wordt door Offlimits op dit moment flink ingezet.
Offlimits heeft daartoe bijvoorbeeld vorig jaar een pilot met gemeente Amsterdam opgezet, waarbij getoetst is in hoeverre meldingen vanuit Amsterdam kwamen en Helpwanted daartoe in de behoefte voorziet, maar ook door lokaal campagnes te doen en informatie te verlenen op scholen middels flyers en posters. Offlimits zou graag zien dat meer gemeenten op deze wijze een stap vooruit zetten in de lokale informatievoorziening.
Daarnaast is in de aanpak van (nep) seksueel beeldmateriaal van belang dat het toezicht vooraf, en de handhaving om achteraf snel af te dwingen dat seksueel beeldmateriaal wordt verwijderd, wordt verbeterd, aldus de conclusies in het rapport «Online seksueel geweld» van 21 maart 2025.5 Hierover zal de Kamer na de zomer worden geïnformeerd door middel van een kabinetsreactie op dit rapport.
Het ondermijnen van de forensische geneeskunde door de recente aanbesteding van de medische arrestantenzorg |
|
Michiel van Nispen (SP), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Ingrid Coenradie (PVV), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de landelijke aanbesteding van de medische arrestantenzorg alle tien percelen zijn gegund aan één partij, een huisartsenorganisatie, die deze zorg wil leveren met verpleegkundigen, basisartsen en huisartsen? Hoe beoordeelt u dit besluit?
In maart jl. heeft de politie het voorlopige gunningsbesluit bekend gemaakt in het kader van de aanbesteding van de medische arrestantenzorg. De politie is voornemens om alle tien percelen te gunnen aan Regionale Medische diensten B.V. Op dit moment is deze gunning nog niet definitief. Derhalve past het mij niet hier nu een oordeel over te geven.
Deelt u de ernstige zorgen van het Forensisch Medisch Genootschap1 dat hiermee de medische arrestantenzorg – een van de drie pijlers van de forensische geneeskunde – verdwijnt, en het vakgebied daarmee fundamenteel wordt verzwakt?
Medische arrestantenzorg heeft de zorg voor de gezondheid van de arrestant tot doel. Het is gericht op de (urgente) medische hulpvraag van de arrestant en is niet forensisch van aard, omdat het niet ten dienste staat van strafrechtelijke opsporing en vervolging. Daarmee is het een andere discipline dan forensisch medisch onderzoek en lijkschouw.
Ik hecht net als u aan een robuust stelsel van forensische geneeskunde. Mede gebaseerd op het advies van de commissie Hoes heeft het kabinet in 2018 een aantal maatregelen aangekondigd om de forensische geneeskunde (lijkschouw en forensisch medisch onderzoek) in Nederland te versterken. Daarnaast is destijds besloten dat medische arrestantenzorg moet worden aanbesteed.2 In ons land hebben we een privaat zorgstelsel, wat maakt dat medische arrestantenzorg moet worden gecontracteerd na een verplichte lichte vorm van aanbesteden. Deze dienst valt onder artikel 2:38 van de Aanbestedingswet voor sociale of maatschappelijke diensten. Er is sinds het advies van de commissie Hoes een zorgvuldig proces doorlopen.
Met de voorjaarsnota 2023 zijn extra middelen toegekend om maatregelen uit te kunnen voeren om het stelsel van de forensische geneeskunde te versterken. Daartoe heb ik het programma Versterking Forensische Geneeskunde gestart samen met mijn collega’s van VWS en BZK. In dit kader heb ik u op 23 april jl. een onderzoeksrapport met beleidsreactie3 gestuurd waarin ik toelicht welke acties ik de komende tijd wil ondernemen om de forensische geneeskunde te versterken.
Waarom is er niet gekozen voor het behoud van forensisch medische kennis in het hart van deze zorg, terwijl het gaat om verdachten en mensen in detentie, vaak in kwetsbare situaties, en om cruciale medische informatie die onderdeel kan uitmaken van strafrechtelijke procedures?
Het is belangrijk dat de arrestanten zorg van goede kwaliteit krijgen. Dit is in de aanbesteding meegenomen. Medische arrestantenzorg is niet gericht op strafrechtelijke opsporing en vervolging. Daarbij is om de arts- patiëntrelatie te beschermen van belang dat er een duidelijke taakscheiding is tussen medische zorg aan arrestanten en forensisch medisch onderzoek bij eenzelfde arrestant ten behoeve van het strafrecht.
Hoe gaat geborgd worden dat de artsen die werkzaam zijn bij de huisartsenorganisatie in kwestie op de hoogte zijn van het juridische kader dat noodzakelijk is om goed voor deze doelgroep te zorgen en het strafrechtelijke proces niet in de weg zitten?
In de aanbesteding zijn eisen gesteld waaraan het in te zetten personeel moet voldoen, waaronder procedurele waarborgen zoals functiescheiding. Verder is de voorlopig geselecteerde partij vanuit haar jarenlange ervaring met medische arrestantenzorg en forensisch medisch onderzoek in de eenheid Den Haag goed op de hoogte van het juridische kader waarbinnen wordt gewerkt.
Hoe verhoudt de keuze om alle medische arrestantenzorg uit te besteden aan één huisartsenorganisatie zich tot de tekorten waar de huisartsenzorg nu al mee kampt? Lopen die tekorten naar verwachting op door deze aanbesteding?
Het is zeer van belang dat er voldoende capaciteit is om de medische arrestantenzorg uit te kunnen voeren. De politie heeft dit in de aanbestedingsprocedure meegenomen en het is aan de uitvoerende partij om zorg te dragen voor voldoende capaciteit.
Erkent u dat deze keuze de uitkomst lijkt van een aanbestedingslogica waarin prijs belangrijker wordt geacht dan kwaliteit, rechtszekerheid en continuïteit? Wat zegt dit over de prioriteiten van dit kabinet?
Arrestanten hebben recht op zorg van goede kwaliteit. Bij de aanbesteding door politie zijn eisen gesteld op het vlak van kwaliteit en daarnaast is naar de prijs gekeken. Op basis van een zorgvuldig aanbestedingsproces is er een voorlopig gunningsbesluit bekend gemaakt.
Deelt u de mening dat dit haaks staat de inspanningen van de afgelopen jaren om de forensische geneeskunde te professionaliseren en toekomstbestendig te maken? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat betekent deze gunning voor de artsen die momenteel werkzaam zijn in de forensische geneeskunde, en die deze pijler verliezen als onderdeel van hun professionele identiteit? Hoe voorkomt u dat ervaren forensisch artsen hierdoor afhaken? Hoe trekt u nieuwe artsen aan als deze pijler wegvalt, ook aangezien dit de pijler is waarbinnen men behandelt als arts in dit vakgebied?
Het personeelstekort in de forensische geneeskunde is een uitdaging. Vanuit het programma Versterking Forensische Geneeskunde wordt hieraan gewerkt door het ondersteunen van het verder professionaliseren van het beroep van forensisch arts. Dit draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het beroep. Daarnaast richt het programma zich op de effectieve samenwerking in het stelsel en meer gecentraliseerde dienstverlening. Dit draagt bij aan de efficiënte inzet van de bestaande capaciteit.
De aanbesteding kan tot gevolg hebben dat werkgevers die forensisch artsen in dienst hebben geen medische arrestantenzorg meer zullen leveren. Het is aan de werkgevers om de forensisch artsen een aantrekkelijk taakpakket te geven.
Hoe kijkt u aan tegen de versnelde uitstroom die dreigt en de stagnerende instroom van nieuwe forensisch artsen, terwijl het vakgebied nu al kampt met tekorten en een vergrijzend bestand?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u garanderen dat de 24/7-beschikbaarheid van forensisch artsen voor lijkschouw en zedenonderzoek ook in de toekomst gegarandeerd blijft, ook met deze aanbestedingskeuze?
De 24/7-beschikbaarheid van forensisch artsen voor lijkschouw en zedenonderzoek is en blijft nodig. De beschikbaarheid van forensisch artsen staat al enige jaren onder druk. Dit heeft dan ook continu de aandacht.
Als er als gevolg van de aanbesteding minder forensisch artsen worden ingezet voor de medische arrestantenzorg, komt hiermee mogelijk enige capaciteit beschikbaar voor forensisch medisch onderzoek en lijkschouw.
Wat zijn volgens u de risico’s voor de kwaliteit van waarheidsvinding en de rechtsgang als deze deskundigheid verschraalt of verdwijnt?
Goede forensisch artsen zijn essentieel voor de kwaliteit van de waarheidsvinding en de rechtsgang. Zoals hierboven toegelicht, loopt mede voor de borging van de kwaliteit in het vakgebied het programma Versterking Forensische Geneeskunde.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met het Forensisch Medisch Genootschap, beroepsorganisaties en andere betrokkenen om te komen tot een structurele oplossing waardoor het vakgebied forensische geneeskunde in zijn volle breedte behouden wordt?
In het kader van het programma Versterking Forensische Geneeskunde is er veelvuldig contact tussen de Ministeries van JenV, BZK en VWS en het Forensisch Medisch Genootschap en andere betrokkenen om gezamenlijk toe te werken naar een versterking van het forensisch medisch stelsel.
Kunt u de Kamer voor de zomer informeren over de impact van deze aanbesteding op de medische arrestantenzorg, de positie van forensisch artsen en het functioneren van de rechtsstaat?
De gunning is nog niet definitief, aangezien er een procedure loopt bij de rechter. Afhankelijk van de uitspraak van de rechter, zal de politie de gunningsprocedure voortzetten waarbij onder meer een opzegperiode van de bestaande contracten van zes maanden van toepassing is. Dit betekent dat de impact van de aanbesteding in de loop van 2026 zichtbaar zal worden.
De uit de hand gelopen bijeenkomst op 22 april in Lelystad |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Mirjam Bikker (CU), André Flach (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met een bijeenkomst van «Christenen voor Israël» op 22 april in Lelystad waarbij genodigden en aanwezigen drie kwartier langer moesten binnen blijven vanwege hun veiligheid en niet konden vertrekken op advies van de politie door een tegendemonstratie?1
Ja.
Is deze tegendemonstratie vooraf aangekondigd? Zo ja, is er door de burgemeester een vergunning verleend om op de desbetreffende plek te demonstreren?
Uit navraag bij de gemeente Lelystad blijkt dat de gemeente Lelystad kort voor de lezing is geïnformeerd over de demonstratie. Daarom zijn de organisatoren vooraf niet ingelicht.
Zijn de organisatoren van de bijeenkomst vooraf ingelicht over een tegendemonstratie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke ondersteuning biedt u aan gemeenten die situaties willen voorkomen zoals de belaging in Zaltbommel en nu de opsluiting van onschuldige bezoekers in Lelystad?
In Nederland is de burgemeester verantwoordelijk voor het faciliteren van het demonstratierecht. Er zijn diverse handreikingen over het demonstratierecht, zoals Bijkans Heilig van de gemeente Amsterdam en de website www.demonstratierecht.nl waar betrokken partijen terecht kunnen voor vragen. Daarnaast kunnen gemeenten ook terecht bij het Nederlands Genootschap van burgemeesters (NGB).
Hoe gaat u nu de veiligheid voor toekomstige bijeenkomsten van «Christenen voor Israël» waarborgen? Bent u bereid bij volgende bijeenkomsten extra veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (veiligheids)maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats met de politie en het OM. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden.
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van zomer verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
In hoeverre vindt u het toelaatbaar dat bezoekers niet meer naar een bijeenkomst durven omdat er bij binnenkomst een grote groep demonstranten staat waarbij demonstranten op slechts twee meter van de bijeenkomst zijn gekomen?
Uiteraard vind ik het onacceptabel wanneer bezoekers niet meer naar een bijeenkomst durven. De bezoekers van een bijeenkomst oefenen immers hun recht op vrijheid van meningsuiting uit. Ook dit recht verdient bescherming. Tegelijkertijd hebben demonstranten het recht om vreedzaam te demonstreren. Zowel de vrijheid van meningsuiting als het demonstratierecht zijn essentieel in een democratische rechtsstaat en verdienen bescherming. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt om beide rechten te faciliteren is aan het lokaal gezag.
In hoeverre was de tegendemonstratie volgens u in strijd met artikel 146 Wetboek van Strafrecht?
Het is in voorkomend geval aan het OM om te bepalen of sprake is van een strafbare gedraging en of vervolging opportuun is. Het is vervolgens aan de rechter om te bepalen of er daadwerkelijk in strijd is gehandeld met dit artikel.
Het bericht 'Orkaan van haat treft Christenen voor Israël na video Tim Hofman: ‘Maar aantijgingen volstrekt onjuist’' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Orkaan van haat treft Christenen voor Israël na video Tim Hofman: «Maar aantijgingen volstrekt onjuist»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat geloofsbijeenkomsten, ongeacht de inhoud ervan zolang ze niet in strijd zijn met het recht, doorgang moeten kunnen vinden zonder hinder?
Ja, geloofsbijeenkomsten zouden in beginsel doorgang moeten kunnen vinden zonder hinder.
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat verboden demonstraties in de privésfeer daadwerkelijk worden voorkomen en hierbij de mensen worden beschermd tegen dergelijke demonstraties?
De burgemeester heeft de bevoegdheid om demonstraties in het uiterste geval te verbieden als dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, ter bescherming van het verkeer, of ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden. Als een demonstratie is verboden kan de politie mensen die toch naar een verboden demonstratie komen aanhouden wegens overtreding van de Wet openbare manifestaties (Wom).
Hoe beoordeelt u de wijze waarop geprotesteerd werd bij deze bijeenkomst van Christenen voor Israël in het kader van het recht tot vergadering en betoging en het verbod op het verstoren van religieuze bijeenkomsten?
Het is de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, in het bijzonder de burgemeester om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren en waar nodig in te grijpen. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij om hier een oordeel over te geven.
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind de zomer verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
Zijn in uw ogen de betogers bij dit protest de grenzen van het demonstratierecht overgegaan?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat de bezoekers en sprekers van deze bijeenkomst onder begeleiding van zelf gefaciliteerde beveiligers de bijeenkomst moesten verlaten en de beschreven afzijdige rol van de politie en lokale driehoek in dezen?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre bent u van mening dat de veiligheid en vrijheid van de deelnemers aan de bijeenkomst van Christenen voor Israël voldoende is gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan om maatregelen te nemen om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen en zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Hoe wij bij een CvI-lezing werden belaagd en geïntimideerd door demonstranten’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), André Flach (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe wij bij een CvI-lezing werden belaagd en geïntimideerd door demonstranten»?1
Ja.
Wat is uw reactie hierop?
Ik vind het onacceptabel dat aanwezigen zich belaagd en geïntimideerd hebben gevoeld.
Bent u het ermee eens dat het demonstratierecht zich absoluut niet leent voor, en zelfs misbruikt wordt indien sprake is van, intimidatie, bedreiging en vernieling van eigendommen?
Demonstreren is een grondrecht, maar geen vrijbrief voor intimidatie, bedreiging, vernieling van eigendommen of (andere) strafbare feiten.
Deelt u de mening dat uit artikel 9 Grondwet voortvloeit dat het recht op betoging beschermd wordt behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet en derhalve ingegrepen moet worden zodra het strafrecht in het geding is?
Het demonstratierecht wordt in verschillende juridische documenten beschermd, waaronder in artikel 9 Grondwet en artikel 11 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het tweede lid van beide artikelen geeft aan wanneer een beperking van het demonstratierecht gerechtvaardigd kan zijn. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat strafrechtelijke vervolging voor strafbare handelingen begaan tijdens demonstraties een gerechtvaardigde beperking van het demonstratierecht kan zijn wanneer sprake is van een laakbare gedraging («reprehensible act»).
Deelt u de zorg dat het demonstratierecht steeds vaker als dekmantel zal dienen teneinde strafrechtelijk gedrag te vertonen zonder dat hier strafrechtelijk tegen wordt opgetreden? Hoe gaat u dit verschijnsel tegen?
Onder gezag van het OM wordt er strafrechtelijk gehandhaafd bij demonstraties als het OM dit opportuun acht in het licht van het kader als geschetst in het antwoord op vraag 4.
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van de zomer verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop
Kunt u zich rekenschap geven van het feit dat het recht op betoging en vereniging door hetzelfde Grondwetsartikel beschermd worden en derhalve dezelfde mate van bescherming verdienen? Kunt u aangeven hoe deze afweging heeft plaatsgevonden in bovengenoemde casus? Weegt hier de religieuze lading van de bijeenkomst nog mee, welke tevens door artikel 6 Grondwet beschermd wordt?
Het klopt dat het recht op betoging en vereniging door hetzelfde Grondwetsartikel worden beschermd. Het hierboven genoemde WODC-onderzoek richt zich ook op situaties waarin er sprake is van botsende grondrechten. Het is aan het lokaal gezag om een dergelijke afweging te maken, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Klopt het dat indien tijdens een demonstratie schade aan eigendommen ontstaat of sprake is van intimidatie slechts achteraf kan worden opgetreden, zelfs indien de Politie bij de demonstratie aanwezig is?
Nee. Het is aan het lokale gezag om te handhaven bij een demonstratie. Als een demonstrant een strafbaar feit pleegt tijdens een demonstratie, dan kan de politie onder gezag van het OM ingrijpen. Er kan ook worden opgetreden onder gezag van de burgemeester indien door alle of een groot deel van de demonstranten strafbare feiten worden gepleegd, bijvoorbeeld door het geven van een aanwijzing (zoals het verplaatsen van de demonstratie) of het ontbinden van de demonstratie.
Bent u bereid er bij lokale bestuurders en het Openbaar Ministerie op aan te dringen dat strafbaar gedrag tijdens demonstraties als zodanig bestempeld wordt en indien nodig de Wet Openbare Manifestaties zo aan te passen dat strafbaar gedrag niet goedgekeurd wordt vanwege het enkele feit dat het door de organisator als demonstratie bestempeld wordt?
Ik loop niet vooruit op het wijzigen van wetgeving voorafgaand aan de resultaten van het WODC-onderzoek.
De aanhoudende problematiek van vuurwapenbezit op Curaçao |
|
Songül Mutluer (PvdA), Raoul White (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten over de aanhoudende problematiek van vuurwapenbezit op Curaçao?1 2
Ja.
Deelt u de zorgen over vuurwapenbezit op Curaçao? Zo nee, waarom niet?
Curaçao heeft als autonoom land binnen het Koninkrijk een eigen verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving en voor het beleid om illegale vuurwapens en het bezit hiervan tegen te gaan. Dat neemt niet weg dat ik het zorgwekkend vind dat het aantal vuurwapens op Curaçao lijkt toe te nemen. Omdat Curaçao onderdeel is van het Koninkrijk, hebben zowel positieve als negatieve ontwikkelingen in het land en in de regio hun weerslag in Nederland.
Spelen de toenemende zorgen over het vuurwapenbezit alleen op Curaçao of ook op de andere Caribische eilanden binnen het Koninkrijk?
In de bredere Caribische regio neemt het aantal vuurwapens toe, dit merken de andere Caribische eilanden binnen het Koninkrijk ook.3 Vuurwapenbezit in het Caribisch deel van het Koninkrijk heeft daarom de aandacht.
In 2024 is op Bonaire een duidelijke toename waarneembaar van geweldsincidenten waarbij vuurwapens zijn gebruikt. Daarnaast zijn ook op Sint Eustatius en Saba signalen van vuurwapenbezit en -gebruik zichtbaar geworden, niet alleen echte vuurwapens maar ook imitatievuurwapens. Het Korps Politie Caribisch Nederland heeft daar inmiddels meerdere vuurwapens aangetroffen en in beslag genomen.
Wat doen de lokale autoriteiten op de eilanden tegen het toenemende vuurwapenbezit en gebruik van vuurwapens? Hebben zij voldoende middelen om passend op te treden en de illegale toevoer van wapens via de zee aan te pakken? Kunt hierbij specifiek ingaan op de opsporings- en handhavingscapaciteit op de eilanden?
De betrokken autoriteiten zoals de regeringen van Curaçao, Aruba en Sint Maarten, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Openbare Lichamen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius en de politiekorpsen van de (ei)landen zijn bekend met de uitdagingen op het gebied van vuurwapenbezit en vuurwapenhandel. Daarbij verschilt de verantwoordelijkheid die Nederland heeft voor Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius, (BES)) met de verantwoordelijkheid ten opzichte van de autonome landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten, (ACS)). Nederland is direct verantwoordelijk voor de rechtshandhaving op Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint-Eustatius). De autonome landen binnen het Koninkrijk zijn zelf verantwoordelijk voor de rechtshandhavingsketen.
Op alle (ei)landen geldt dat er capaciteitstekorten zijn binnen de opsporings- en handhavingsketen, en bij de controles in de havens. Nederland is onder andere via het halfjaarlijkse Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO) in goed overleg met de (ei)landen om dit capaciteitstekort zo adequaat mogelijk aan te pakken, rekening houdend met (het verschil in) de verantwoordelijkheden binnen het Koninkrijk.
Bovendien werken de vier landen van het Koninkrijk sinds juni 2021 samen aan het ontwikkelen van een bestuurlijke aanpak van ondermijning middels een werkgroep binnen het Justitieel Vierpartijenoverleg. Alle vier de landen zijn hierin vertegenwoordigd, Curaçao primair met afvaardiging vanuit het Actiecentrum Ondermijning Curaçao (ACOC). Met deze aanpak worden bestuurlijke instrumenten ontwikkeld en geïmplementeerd die ondermijning, waaronder illegaal wapenbezit, moeten tegengaan. De bestuurlijke aanpak ziet onder meer op het ontwikkelen van adequate wetgeving voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Ook worden er wetgevingsjuristen aangetrokken om het vergunningsbeleid te stroomlijnen. Het Ministerie van BZK maakt hiervoor jaarlijks 1 miljoen euro vrij.
In het Justitieel Beleidsplan Kustwacht, dat onder regie van de twee Caribische Openbaar Ministeries wordt opgesteld, is het vervoer van en de handel in illegale vuurwapens als een van de vier beleidsspeerpunten genoemd. Hiermee wordt geborgd dat hier beschikbare capaciteit op wordt ingezet, waaronder die van de Kustwacht Caribisch Gebied.
Op Bonaire heeft het Korps Politie Caribisch Nederland, in samenwerking met het Openbaar Ministerie en de Gezaghebber, preventieve fouilleeracties gehouden binnen tijdelijk aangewezen veiligheidsrisicogebieden, in het kader van de toenemende zorgen omtrent vuurwapenbezit en -gebruik. Deze acties zijn gericht op het vroegtijdig signaleren en tegengaan van (illegaal) wapenbezit en het vergroten van de veiligheid in de openbare ruimte. Bij deze preventieve fouilleeracties is (slechts) één vuurwapen aangetroffen en in beslag genomen. Hoewel de preventieve fouilleeracties bijdragen aan zichtbaarheid en optreden in de openbare ruimte, moet opgemerkt worden dat de effectiviteit vooralsnog als beperkt wordt beoordeeld.
Zoals hierboven reeds benoemd zijn de autonome landen binnen het Koninkrijk zelf verantwoordelijk voor de aanpak van vuurwapenbezit en vuurwapengebruik. Zo heeft Curaçao als preventieve interventie het programma op Arma ta Karma («Het dragen van een wapen brengt je in gevaar») opgezet. Arma ta Karma is een project dat is gestart door het Actiecentrum Ondermijning Curaçao (ACOC) in samenwerking met de ketenpartners; het Ministerie van Justitie (waaronder de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg), het OM, de Koninklijke Marine, de Douane Curaçao en Interpol. Arma ta Karma is een bewustwordingscampagne gericht op het tegengaan van het gebruik en de normalisering van het bezit van illegale vuurwapens. Het doel is om vuurwapengebruik met name onder jongeren tegen te gaan door hen bewust te maken van de risico’s en gevolgen van illegaal vuurwapengebruik en stimuleert jongeren om bewustere keuzes te maken. Er wordt veel gebruikgemaakt van online media om de jongeren te bereiken.
Hoe wordt voorkomen dat jongeren in aanraking komen met criminaliteit en wapenbezit? Is het jeugdwerk voldoende in staat om preventief werk te verrichten? Zo nee, op welke manier kan Nederland hieraan (extra) bijdragen?
Het effectief tegengaan van criminaliteit vraagt ook nadrukkelijke aandacht voor preventieve interventies gericht op de jeugd. Ondanks het eerder genoemde verschil in verantwoordelijkheid van Nederland voor Caribisch Nederland en de autonome landen binnen het Koninkrijk, wordt gezamenlijk opgetrokken in de preventieve aanpak van jeugdcriminaliteit op de high impact crimes (HIC).4 Zo zijn er diverse preventieve interventies die in heel het Koninkrijk worden uitgevoerd. In aanvulling daarop zal ook vanuit de aanpak Preventie met Gezag in Caribisch Nederland worden ingezet.
Op dit moment wordt op Bonaire, Saba, Curaçao, Aruba en Sint Maarten de preventieve gedragsinterventie «Alleen jij bepaalt wie je bent» ingezet en op Bonaire, Saba, Sint Eustatius, Curaçao en Aruba ook de preventieve gedragsinterventie het «Leerorkest». «Alleen jij bepaalt wie je bent» is een wetenschappelijk erkend preventieprogramma gericht op het voorkomen van overlastgevend en/of delinquent gedrag. Het «Leerorkest» is een preventieprogramma dat door middel van muziek de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen bevordert. Deze interventies worden in gezamenlijkheid uitgevoerd en (mede)gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Voor de preventie aanpak geldt dat een vroege signalering van ernstige gedragsproblematiek van cruciaal belang is, evenals het werken aan het vergroten van de weerbaarheid van kinderen door in te zetten op risico- en beschermende factoren en door het bieden van toekomstperspectief. Daarnaast biedt Nederland waar mogelijk ondersteuning aan lokale initiatieven gericht op het voorkomen van jeugdcriminaliteit.
Sinds 2022 werkt de JVO-werkgroep Preventie Jeugdcriminaliteit daarnaast aan manieren waarop de aanpak van jeugdcriminaliteit in het Caribisch deel van het Koninkrijk kan worden versterkt. Samenwerking bij de uitvoering van de plannen is essentieel, maar preventie blijft een eigen landsaangelegenheid. Dat betekent dat de landen hier een eigen verantwoordelijkheid in hebben. Wel is Nederland bereid blijvend in te zetten op kennisdeling, ondersteuning, financiering, vis-à-vis de structurele inzet van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Wat doet Nederland om de CAS-eilanden te ondersteunen bij het optreden tegen vuurwapenbezit en vuurwapengebruik?
Het optreden tegen vuurwapenbezit en vuurwapengebruik vergt een sterke justitiële keten en een goede informatie- en kennispositie. De autonome landen zijn zelf verantwoordelijk voor de rechtshandhaving. Wel ben ik via het JVO doorlopend in gesprek met de Ministers van Justitie van de autonome landen over de aanpak van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, over actualiteiten en over de samenwerking binnen de justitiële ketens op de landen. Daarnaast kan de Nederlandse regering – indien nadrukkelijk gevraagd door de landen – op basis van artikel 36 van het Statuut bijstand verlenen op specifieke onderwerpen.
Zie ook mijn antwoord op vraag 4 over de JVO-werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijning en de inzet van de Kustwacht.
Op welke wijze worden de autoriteiten op de BES-eilanden ondersteund?
De Openbare Lichamen van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba kunnen als onderdeel van Nederland, evenals andere decentrale overheden, een beroep doen op ondersteuning vanuit Europees Nederland. Een recent voorbeeld is de uitwisseling tussen het Openbare Lichaam Bonaire en het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij het opstellen van nieuw wapenbeleid en het uitwisselen van expertise hierover. Aangezien de BES-eilanden een integraal onderdeel vormen van het Nederlandse landsdeel van het Koninkrijk worden de eilanden conform het comply or explain principe bij elke beleidsvorming of ontwikkeling in de wet- en regelgeving betrokken. Gezamenlijk zal gekeken worden of de ontwikkeling in de wet- en regelgeving ook voor de BES-eilanden zou moeten gelden, of dat bijvoorbeeld rekening moet worden gehouden met regionale verschillen.
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid het RIEC Caribisch Nederland (CN) dat momenteel als pilotorganisatie de integrale en bestuurlijke aanpak van ondermijning op de BES-eilanden uitvoert. Het tegengaan van vuurwapens wordt door RIEC CN meegenomen in de bredere ondermijningsaanpak waarbij het thema lucht- en zeehavens een prioriteit is. Een voorbeeld van de inzet is dat het RIEC CN werkt aan de bewustwording van medewerkers in de havens op ondermijningssignalen. Daarnaast wordt samen met de relevante partners binnen het RIEC-verband gewerkt om controles uit te voeren in de havens op Bonaire om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van vuurwapensmokkel.
Ook zijn de BES-eilanden in 2025 toegetreden tot de eerder genoemde werkgroep bestuurlijke aanpak van ondermijning. Het Ministerie van JenV maakt hiervoor jaarlijks in 2025–2027 100.000 euro vrij.
Wat doet het Koninkrijk tegen het illegaal invoeren van vuurwapens en wat is nodig om deze aanpak te intensiveren?
Wapenhandel is een transnationaal probleem, waardoor het belangrijk is om dit in internationaal verband aan te pakken. Bovendien is wapenhandel vaak verweven met andere criminele activiteiten, zoals drugshandel. Nederland is samen met Italië, Frankrijk, Spanje en Portugal lid van het consortium van het EU samenwerkings- en capaciteitsopbouw programma EL PACCTO 2.0. Dit programma richt zich op het tegengaan van grensoverschrijdende, georganiseerde criminaliteit. Wapenhandel is een van de thema’s die onder EL PACCTO 2.0 vallen. Nederland is verantwoordelijk voor de integratie van de Caribische (CARICOM) regio in EL PACCTO 2.0. Er wordt verkend in hoeverre de landen in het Koninkrijk op termijn ook kunnen deelnemen aan onder andere trainingen, bijeenkomsten en netwerken van professionals. Nederland levert de Strategic Key Expert voor de Cariben, een Project Officer en een Financial Officer. Daarnaast zet Nederland in op de inhoudelijke betrokkenheid en de inzet van short term experts in Latijns-Amerika en de Caribische regio. Nederland bekijkt, samen met het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden en via EL PACCTO, ook naar de mogelijkheden om samenwerking met de regionale organisatie CARICOM IMPACS te verstevigen.
Voor het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden is, in afwachting van eventuele trainingen via EL PACCTO en een intensievere samenwerking met CARICOM IMPACS, al wel onderzoek gestart hoe de Douanediensten hun toezicht op niet-fiscale wetgeving kunnen versterken. Op Curaçao vinden er inmiddels risicogerichte controles plaats op de smokkel van vuurwapens vanuit de Verenigde Staten. Daarnaast is Douane Curaçao deelnemer aan het Actiecentrum Ondermijnende Criminaliteit (ACOC). Wapensmokkel is een belangrijk aandachtspunt van het ACOC. Verder wordt door de eilanden deelgenomen aan activiteiten die de Werelddouaneorganisatie in de Caribische regio ontplooit (veelal in samenwerking met de Caribbean Customs Law Enforcement Council en CARICOM), zoals capaciteitsopbouw activiteiten en regionale multi-agency operaties gericht op het tegengaan van de smokkel van vuurwapens en verdovende middelen.
Daarnaast is het vervoer van en de handel in illegale vuurwapens – zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4 – een van de vier beleidsspeerpunten in het Justitieel Beleidsplan en daarmee ook voor de prioriteitsstelling van de Kustwacht Caribisch Gebied. De Kustwacht werkt samen met (internationale) partners om grensoverschrijdende, ondermijnende criminaliteit zo dicht mogelijk bij de bron aan te pakken.
Op welke manier wordt de illegale online verkoop van vuurwapens teruggedrongen? Werken de autoriteiten binnen het Koninkrijk hierbij goed samen? Zo nee, bent u bereid om samen met de eilanden deze aanpak te inventariseren?
Bekend is dat het relatief makkelijk is om via het internet of sociale media een vuurwapen te bemachtigen. Het tegengaan van de online verkoop en handel van illegale vuurwapens is daarom van groot belang. Vanuit de politie is in 2023 een kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de vuurwapenhandel op Telegram, om hier meer zicht op te krijgen. Het blijft echter lastig om goed zicht te krijgen op de aard en omvang van de online handel in vuurwapens. Er kunnen verschillende opsporingsmethoden worden ingezet, om personen uit de anonimiteit te halen en de online handel aan te pakken. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om online infiltratie of de inzet van pseudokoop. Ook hierbij is internationale samenwerking van essentieel belang, vanwege het grensoverschrijdende karakter van de online wereld en van de vuurwapenhandel.
Ik ben via het JVO doorlopend in gesprek met de Ministers van Justitie van de autonome landen over de aanpak van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, over actualiteiten en over de samenwerking binnen de justitiële ketens op de landen. Waar relevant kan ook gesproken worden over de aanpak van vuurwapens in de online wereld.
De uit de hand gelopen bijeenkomst op 17 april in Zaltbommel |
|
Mirjam Bikker (CU), Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met een bijeenkomst van «Christenen voor Israël» op 17 april in Zaltbommel waarbij genodigden en aanwezigen belaagd, bespuugd, bedreigd en geïntimideerd zijn door een tegendemonstratie?
Ja.
Is deze tegendemonstratie vooraf aangekondigd? Zo ja, is er door de burgemeester een vergunning verleend om op de desbetreffende plek te demonstreren?
Uit het statement van de politie en de gemeente Zaltbommel begrijp ik dat de demonstratie niet van tevoren was aangekondigd en dat de organisatoren daarom ook niet van tevoren konden worden ingelicht.1 De burgemeester kan, indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, bescherming van het verkeer of ter voorkoming of bestrijding van wanordelijkheden, een andere plaats aanwijzen voor de demonstratie.
Waarom zijn de organisatoren van de bijeenkomst vooraf niet ingelicht over een tegendemonstratie?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u de signalen dat na kritische publicaties van de onderzoekssamenwerking van BNNVARA, bureau Investico en het Nederlands Dagblad de stichting «Christenen voor Israël» extra beveiliging moet inhuren en bij diverse avonden een ronduit intimiderende en bedreigende sfeer hing?
In het statement van de politie en de gemeente Zaltbommel wordt vermeld dat er voldoende politie aanwezig was om de openbare orde te handhaven en de veiligheid te waarborgen en dat de bezoekers van de lezing de bijeenkomst veilig konden voortzetten. Ondanks deze inspanningen is, hebben bezoekers zich geïntimideerd hebben gevoeld en dat vind ik onacceptabel.
De bezoekers van een bijeenkomst oefenen immers hun recht op vrijheid van meningsuiting uit. Ook dit recht verdient bescherming. Tegelijkertijd hebben demonstranten het recht om vreedzaam te demonstreren. Zowel de vrijheid van meningsuiting als het demonstratierecht zijn essentieel in een democratische rechtsstaat en verdienen beide bescherming. Hoe in een concrete situatie een afweging gemaakt wordt om beide rechten te faciliteren is aan het lokaal gezag.
Hoe gaat u de veiligheid voor toekomstige bijeenkomsten van «Christenen voor Israël» waarborgen? Bent u bereid bij volgende bijeenkomsten extra veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (veiligheids)maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats met de politie en het OM. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden.
Daarbij merk ik op dat het kabinet vaker ziet dat het demonstratierecht botst met andere grondrechten. Mede om die reden wordt via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) de mate verkend waarin het wettelijk kader bestendigd kan worden en het handelingsperspectief voor alle betrokkenen verstevigd kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden aan het eind van de zomer verwacht, waarna het kabinet uw Kamer in het najaar zal informeren over de uitkomsten en onze reactie daarop.
In hoeverre vindt u het toelaatbaar dat bezoekers niet meer naar een bijeenkomst durven omdat er bij binnenkomst een grote groep demonstranten staat waarbij demonstranten op slechts twee meter van de bijeenkomst zijn gekomen?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre was de tegendemonstratie volgens u in strijd met artikel 146 Wetboek van Strafrecht?
Het is in voorkomend geval aan het OM om te bepalen of sprake is van een strafbare gedraging en of vervolging opportuun is. Het is vervolgens aan de rechter om te bepalen of er daadwerkelijk in strijd is gehandeld met dit artikel.
Het bericht dat Mohammed B. weer op vrije voeten is en aanwezig was bij een Sit-in. |
|
Emiel van Dijk (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Mohammed B., die veroordeeld is voor openlijke geweldpleging bij de jodenjacht in Amsterdam, op vrije voeten is en heeft deelgenomen aan een stationbezetting op Den Haag Centraal, twee dagen na zijn aanhouding wegens betrokkenheid bij andere rellen?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het embleem dat Mohammed B. op 16 april 2025 op zijn tenue droeg, in het Arabisch de tekst «» (Harakat Hamas) oftewel «Hamas-beweging» bevatte?3
Het embleem dat te zien is op de foto van het twitterbericht bevat inderdaad de Arabische tekst «Harakat Hamas». Dit is een verwijzing naar de terroristische organisatie Hamas. Zoals opgenomen in het regeerprogramma, is het kabinet voornemens het openlijk betuigen van steun aan terroristische organisatie en het verheerlijken van terrorisme strafbaar te stellen, beide met een hoog strafmaximum. Het wetsvoorstel waarin beide strafbaarstellingen worden opgenomen ligt op dit moment ter internetconsultatie tot medio augustus.
Deelt u de mening dat het dragen van een dergelijk embleem het verheerlijken is van een terroristische organisatie, die door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) wordt geclassificeerd als een salafistisch-jihadistische en nationalistisch terroristische beweging?
Zie antwoord vraag 2.
Waar blijft uw wetsvoorstel zoals afgesproken in het hoofdlijnenakkoord om van het openlijk steun betuigen aan terroristische organisaties een apart strafdelict te maken met een hoge maximumstraf?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitleggen waarom Mohammed B., met wel negen aantekeningen op zijn strafblad4, die betrokken was bij de jodenjacht, openlijk geweld pleegde, meerdere malen is gesignaleerd bij illegale demonstraties en op 16 april 2025 werd gezien in een Hamas-tenue, herhaaldelijk wegkomt met korte straffen? Welk signaal geeft dit naar de samenleving?
Het is primair de taak van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en verdachten te vervolgen. Daarna is aan de rechter om per zaak de afweging te maken wat een gepaste straf is, die recht doet aan het gepleegde feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Deelt u de mening dat het bijwonen van illegale bijeenkomsten op stations, waar (Joodse) reizigers worden geconfronteerd met personen in Hamas-tenues, antisemitische leuzen en intimidatie, walgelijk en strafbaar is en dit dus krachtig moet worden aangepakt? Zo ja, welke concrete maatregelen zijn hiervoor getroffen?
Het is aan de overheid om waar mogelijk te faciliteren dat een demonstratie kan plaatsvinden op de plek waar, het tijdstip wanneer of de wijze waarop demonstranten zelf willen demonstreren. De Wet Openbare Manifestaties biedt hiervoor duidelijke kaders. Het is aan het lokaal gezag om hier afwegingen over te maken.
Meer in het algemeen acht ik het zeer onwenselijk dat demonstraties tezamen gaan met wanordelijkheden, gevaarzettend handelen en het overtreden van wet- en regelgeving. Het demonstratierecht mag dan ook geen vrijbrief zijn voor het doelbewust, stelselmatig overtreden van wet- en regelgeving noch voor bewust ontwrichtende acties.
Het kabinet heeft de Taskforce Bestrijding Antisemitisme gevraagd om, met betrokken partijen, te komen tot een perspectief om te handelen indien dat noodzakelijk is vanwege de veiligheid of bij antisemitische uitingen, met inachtneming van het demonstratierecht. Daarnaast is het kabinet voornemens het openlijk betuigen van steun aan terroristische organisatie en het verheerlijken van terrorisme strafbaar te stellen, beide met een hoog strafmaximum. Het wetsvoorstel waarin beide strafbaarstellingen worden opgenomen ligt op dit moment ter internetconsultatie tot medio augustus.
Kunt u in detail aangeven welke concrete maatregelen hij sinds de jodenjacht van 7 november 2024 heeft genomen om terrorismeverheerlijking en antisemitisme effectief aan te pakken?
Het kabinet heeft met afschuw gekeken naar de geweldsincidenten die plaatsvonden in Amsterdam in de nacht van 7 op 8 november 2024. Omdat er in Nederland onder geen beding ruimte mag zijn voor antisemitisme, heeft het kabinet de strategie bestrijding antisemitisme opgesteld, die op 22 november 2024 naar uw Kamer is verzonden.4 Daarbij trekt het kabinet 4,5 miljoen euro per jaar uit voor de bestrijding van antisemitisme. Met dit geld wordt een breed pakket van maatregelen gefinancierd om antisemitisme te bestrijden op alle terreinen waar het zich voordoet. Op 4 juli jl. heeft uw Kamer een voortgangsbrief ontvangen over de stand van zaken van deze maatregelen.
Waarom is het paspoort of de verblijfsstatus van de Syriër met een Palestijnse achtergrond Mohammed, nog niet ingetrokken, gezien zijn herhaalde betrokkenheid bij strafbare feiten en gedragingen die de openbare orde en veiligheid bedreigen?
Omdat deze vraag over een individuele casus gaat, kan ik hier slechts in algemene zin op ingaan.
Intrekking van Nederlanderschap kan op basis van de Rijkswet op het Nederlanderschap, bijvoorbeeld op grond van artikel 14 tweede lid indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Intrekking is niet bij elk misdrijf mogelijk. Dit kan slechts bij onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf zoals genoemd in artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Tevens kan het Nederlanderschap alleen worden ingetrokken als de persoon daardoor niet staatloos wordt.
Als een vreemdeling een strafbaar feit heeft gepleegd, wordt aan de hand van de «glijdende schaal» beoordeeld of dit consequenties heeft voor zijn verblijfsrecht in Nederland. Hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, hoe zwaarder de straf moet zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te kunnen gaan. Bij weigering of intrekking van een verblijfsstatus dient sprake te zijn van een (onherroepelijke) veroordeling voor een voldoende ernstig misdrijf of een ambtsbericht «gevaar nationale veiligheid» van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Bij de beoordeling of een verblijfsvergunning moeten worden geweigerd of ingetrokken, worden ook de individuele omstandigheden van het geval getoetst aan Europese regelgeving en internationale verdragen, bijvoorbeeld artikel 3 EVRM en/of artikel 8 EVRM.
Het chilling effect van acties van de politie n.a.v. onder meer de bevindingen van de podcast 'RADIO BOOS' van 30 januari 20251 inzake aangiftes tegen de politie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit het onderzoek van journalisten van de podcast «RADIO BOOS», waarin wordt gesteld dat het voor burgers vrijwel onmogelijk is om aangifte te doen tegen politieagenten, zelfs bij ernstige beschuldigingen zoals buitensporig geweld?
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering dat burgers die aangifte willen doen tegen agenten vaak worden ontmoedigd of zelfs actief worden tegengewerkt door politiefunctionarissen?
Iedere burger in Nederland moet ervan uit kunnen gaan dat de politie elke aangifte serieus behandelt, ongeacht wie er bij een aangifte betrokken is. Op 11 april 2025 is de beantwoording van vragen van het lid Mutluer over het doen van aangifte tegen een politieagent met uw Kamer gedeeld.1 Voor een nadere uiteenzetting over het belang van het kunnen doen van aangifte tegen politiemedewerkers, de wijze waarop dat in de Nederlandse wet wordt gewaarborgd en, waar nodig, verbeterd, verwijs ik u naar die beantwoording.
Deelt u de mening dat een rechtstaat alleen functioneert als iedereen, inclusief politieagenten, gelijk is voor de wet en dat burgers zonder belemmeringen aangifte moeten kunnen doen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om dit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzicht geven in het aantal aangiftes tegen politieagenten in de afgelopen vijf jaar, inclusief hoeveel hiervan hebben geleid tot een strafrechtelijk onderzoek en/of vervolging?
Sinds een aantal jaar publiceert de politie jaarlijks cijfers over geweldgebruik door politiemedewerkers. Met de openbaarmaking van deze jaarcijfers laat de politie zien transparant te zijn over het gebruik van geweld, en verantwoording te willen afleggen aan de buitenwereld hoe zij met het geweldsmonopolie omgaat. Een ander belangrijk doel van het registreren van geweldscijfers is het leren van het gebruik van aangewend geweld, door zowel de individuele ambtenaar als de politieorganisatie als geheel.
De meest recente cijfers zijn opgenomen in de rapportage «Geweldsaanwendingen door politieambtenaren in 2024».2 Deze rapportage bevat informatie over onder meer het aantal geregistreerde incidenten waarbij de politie in 2024 is ingezet, hoe vaak daarbij geweld is gebruikt en in welke context, en welk type geweldmiddel daarbij eventueel is gebruikt. Bovendien geeft de rapportage inzicht in de ontwikkeling van geregistreerde geweldsaanwendingen in de periode 2021–2024.
Naast cijfers over geweldgebruik is ook het aantal in 2024 geregistreerde klachten over de politie in de genoemde rapportage opgenomen. Een deel van die klachten gaat over gebruik van geweld door politiemedewerkers. Voor nadere informatie en cijfers over onderzoeken naar geweldsaanwendingen die door de politie zijn opgenomen en afgedaan door de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK), wil ik u verwijzen naar de rapportage.3
Let wel: de rapportage over geweldsaanwendingen door de politie bevat geen cijfers over onderzoeken die door de Rijksrecherche zijn uitgevoerd naar politiegeweld. Deze cijfers kunt u vinden in de jaarberichten van het Openbaar Ministerie.4 Daarin wordt ook het aantal vervolgingsbeslissingen dat het Openbaar Ministerie naar aanleiding van deze onderzoeken heeft genomen, vermeld.
In de registratiesystemen van de politie wordt niet als zodanig bijgehouden hoeveel aangiften tegen politieagenten hebben geleid tot vervolging van de betreffende politieagent of een sepot-beslissing.
Hoe beoordeelt u het functioneren van het Bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) bij het behandelen van klachten en aangiftes tegen politieagenten? Acht u deze voldoende onafhankelijk?
Ja, deze acht ik voldoende onafhankelijk. De politie probeert haar taak zo professioneel mogelijk uit te voeren: zorgvuldig, onpartijdig en betrouwbaar. Wanneer burgers dat niet zo ervaren, kunnen zij een klacht indienen.5 Klachten worden behandeld door de afdeling VIK van de politie. Een juiste klachtbehandeling vergroot het vertrouwen van de burger in de politie. Tegelijkertijd is het voor de politie een belangrijk middel om intern het lerend vermogen van de organisatie te versterken en om draagvlak voor de politie te behouden of te vergroten. De klachtbehandeling van de organisatie is in de afgelopen jaren verbeterd en geprofessionaliseerd.
Binnen de politie bestaat een klachtprocedure uit twee fasen. In de eerste, informele fase, onderzoekt de klachtbehandelaar of een bemiddelingsgesprek tussen de klager en de politiemedewerker kan leiden tot meer wederzijds begrip.
Wanneer dat er niet toe leidt dat de klager tevreden is over de afhandeling van de klacht, dan kan hij of zij de behandeling voortzetten in de tweede, formele fase, door aan de politiechef een oordeel te vragen over de klacht. Om een zorgvuldig oordeel te kunnen geven, laat de politiechef zich adviseren door verschillende, onafhankelijke partijen. Zo is er een onafhankelijke klachtencommissie, bestaande uit leden die niet voor de politie werken, die de klacht onderzoekt en een advies uitbrengt aan de politiechef. Daarnaast laten politiechefs zich ook adviseren door burgemeesters en hoofdofficieren van justitie. Over deze en andere verbeteringen van de klachtbehandeling heb ik uw Kamer regelmatig geïnformeerd.6
Als sprake is van een strafbaar feit dat zou zijn begaan door een politiemedewerker, kan iemand daarvan ook aangifte doen. Aangiften tegen een politiemedewerker worden op afspraak opgenomen door de onderzoekers van de afdelingen VIK in de eenheden. Indien naast een klacht een aangifte wordt gedaan die in onderzoek wordt genomen, dan wordt de klachtbehandeling opgeschort.
De behandeling van een aangifte en/of het (feiten)onderzoek naar aanleiding van een aangifte wordt uitgevoerd door de Rijksrecherche in gevallen waarin een opsporingsambtenaar gebruik heeft gemaakt van zijn vuurwapen met een overlijden of enig lichamelijk letsel tot gevolg. Dat geldt ook voor andere vormen van geweldgebruik, indien dat heeft geleid tot zwaar lichamelijk of dodelijk letsel.
In andere gevallen van letsel als gevolg van geweld door opsporingsambtenaren
wordt het onderzoek uitgevoerd door medewerkers van een afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van de politie. Net als het onderzoek door de Rijksrecherche, wordt een onderzoek door een afdeling VIK uitgevoerd door opsporingsambtenaren die niet betrokken zijn geweest bij het incident waarvan aangifte wordt gedaan. Zowel onderzoek door de Rijksrecherche als door een afdeling VIK vindt plaats onder gezag van een officier van justitie. Ik zie dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de afdelingen VIK bij het behandelen van klachten en aangiften tegen politieagenten.
Wat zijn de voorwaarden gesteld in internationale verdragen aan een effectief rechtsmiddel en is de Minister het eens dat de klachtenprocedure niet aan die voorwaarde voldoet? Zo ja, wat gaat de Minister hieraan doen om dit te verbeteren?
Wanneer de politie geweld heeft gebruikt, wanneer geweldgebruik door de politie heeft geleid tot de dood van een slachtoffer (artikel 2 EVRM) of wanneer een burger een geloofwaardige verklaring aflegt dat hij of zij als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen (artikel 3 EVRM), vereist het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat er een effectief en onafhankelijk onderzoek plaatsvindt.7
Of een onderzoek in een concreet geval als onafhankelijk kan worden aangemerkt, hangt volgens het EHRM niet alleen af van het ontbreken van een hiërarchisch of institutioneel verband, maar gaat ook over de praktische, feitelijke onafhankelijkheid.
Dat betekent dat degenen die het onderzoek verrichten onafhankelijk moeten zijn van de opsporingsambtenaar die het geweld heeft aangewend. Daarnaast moet het onderzoek kunnen leiden tot vaststelling van de feiten en tot een oordeel over de rechtmatigheid van de geweldsaanwending in de gegeven omstandigheden, tot het vaststellen van de verantwoordelijke, en, indien nodig, tot bestraffing van de verantwoordelijke. Het onderzoek moet onverwijld van start gaan. Nabestaanden en slachtoffers moeten worden betrokken bij het onderzoek.8
In Nederland wordt onderzoek naar aanleiding van een aangifte van geweldgebruik door de politie onafhankelijk en onder het gezag van een officier van justitie uitgevoerd door de Rijksrecherche of door een afdeling VIK. Voor een nadere uitleg verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Als iemand een klacht indient over geweldgebruik door een politiemedewerker, dan zal de klachtbehandelaar in het gesprek met de klager altijd wijzen op de mogelijkheid om aangifte te doen tegen de politiemedewerker. Als de burger dat niet wil, dan is dat zijn eigen keuze en dan wordt de klachtprocedure voortgezet. Als de burger aangeeft wel aangifte te willen doen, dan wordt deze aangifte door het VIK opgenomen, waarna het onderzoek plaatsvindt onder gezag van de officier van justitie. Er is daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de beoordeling van geweldgebruik in de Nederlandse rechtspraktijk niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van het EHRM.9
Bent u bereid te onderzoeken of een onafhankelijke instantie beter geschikt zou zijn om klachten en aangiftes tegen politiefunctionarissen te behandelen, zodat mogelijke belangenverstrengeling wordt voorkomen?
De suggestie dat er sprake zou zijn van mogelijke belangenverstrengeling bij de behandeling van klachten en aangiften tegen politiefunctionarissen, deel ik niet. In het bestaande wettelijke systeem is de onafhankelijkheid van de afdelingen VIK voldoende gewaarborgd. Ik zie geen aanleiding om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren.
Bent u het eens dat het en het vertrouwen in de politie en (daarmee) de rechtsstaat wanneer tegen aangiftewaardig politiegeweld geen aangifte gedaan kan of mag worden gedaan?
Ja, iedereen in Nederland moet aangifte kunnen doen, ook over gedragingen van politiemedewerkers.
Ziet u daarnaast ook risico's met betrekking tot het chilling effect op de demonstratievrijheid? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het recht op demonstreren in Nederland is een groot goed. Het staat iedere inwoner van Nederland volledig vrij om voor zijn of haar mening uit te komen en deel te nemen aan demonstraties, uiteraard binnen de grenzen van de wet. De politie heeft in het kader van de politietaak een belangrijke rol bij het in goede banen leiden van demonstraties en het waarborgen van de veiligheid van alle aanwezigen onder het gezag van de burgemeester.
Het uitgangspunt van de politie is altijd om demonstraties in goede banen te leiden en indien nodig zonder gebruik van geweld tot een goed einde te brengen (de-escalatie). Desondanks kan het noodzakelijk zijn gepast geweld te gebruiken indien demonstranten zich niet houden aan de door het bevoegd gezag gegeven bevelen. Net als elke burger, heeft ook elke demonstrant die meent slachtoffer te zijn geworden van excessief politiegeweld, de mogelijkheid een klacht in te dienen. Daarnaast kan iemand aangifte doen over een gedraging van een politiemedewerker, als sprake is van een vermoedelijk strafbaar feit.
Ik zie geen risico’s met betrekking tot het chilling effect. Zie ook het antwoord op vragen 7, 8 en 10.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer op korte termijn (voor de zomer) informeert over hoe u de toegankelijkheid en onafhankelijkheid van aangifteprocedures tegen politiefunctionarissen wilt verbeteren?
Ik zie geen aanleiding om aan te nemen dat de toegankelijkheid en onafhankelijkheid van aangifteprocedures tegen politiefunctionarissen moet worden verbeterd. In de beantwoording van Kamervragen van het lid Mutluer10 noem ik één uitzondering. De politie heeft na eigen onderzoek geconcludeerd dat de chatbot op de website van de politie iemand die aangifte wil doen tegen een politiemedewerker eerst doorverwijst naar de klachtmogelijkheid. De politie heeft toegezegd dit te verbeteren.
Hoe beoordeelt u de toenemende agressie tegen demonstranten, op 7 april zijn net als 12 maart demonstranten aangereden, waarvoor Amnesty International in haar rapport van 9 juli 2024 «Under-protected and over-restricted: The state of the right to protest in 21 countries in Europe al voor waarschuwde? Eat gaat u doen om demonstranten beter te beschermen en hoe ziet u dit in het licht het voorkomen van eigenrichting als zijnde een kerntaak van de politie?
De Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) heeft eerder in 2023 in het onderzoek naar demonstratie van Kick Out Zwarte Piet geconstateerd dat sprake is van een bredere ontwikkeling op het gebied van openbare orde en veiligheid rondom demonstraties in de zin dat steeds vaker bij demonstraties partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. De gemoederen kunnen daarbij flink oplopen, zowel in de wisseling van woorden als het handelen daarbij.11 Dit is een zorgelijke ontwikkeling.
Naar aanleiding van deze constatering heeft de Inspectie een breder onderzoek gedaan naar het optreden van politie rondom demonstraties. Ik heb dit rapport met bijbehorende beleidsreactie op 15 mei 2025 naar de Kamer gezonden.12 Daar verwijs ik u naar. Wanneer demonstranten worden lastig gevallen door vijandig publiek hebben de autoriteiten een vergaande inspanningsverplichting om de demonstranten daartegen te beschermen. Het is in dat geval aan de politie om onder verantwoordelijkheid van het lokaal gezag demonstraties in goede banen te leiden en de veiligheid van alle aanwezigen te waarborgen.
Hoe ziet u de rol van de politiek in de oplossing van de problemen, zoals benoemd in het rapport, daar wordt «Dreigende taal en demoniserende retoriek van hooggeplaatste politici» specifiek genoemd als aanjager van het stigmatiseren van protest?
Het staat iedere inwoner van Nederland volledig vrij om voor zijn of haar mening uit te komen en deel te nemen aan demonstraties, uiteraard binnen de grenzen van de wet. Politici moeten in staat zijn om politieke uitlatingen te doen en zijn hierbij ook gebonden aan de wet. Tegelijkertijd hebben zij een bijzondere verantwoordelijkheid binnen het publieke debat. Een politicus mag geen uitspraken doen die aanzetten tot haat, geweld, discriminatie of onverdraagzaamheid.
Kunt u in bredere zin reflecteren op de toename van geweldsincidenten, zoals diverse momenten afgelopen jaar hebben ernstige geweldincidenten van politie tegen demonstranten plaatsgevonden zoals op 13 november in het Westelijk Havengebied van Amsterdam1, en 14 april jl. in het Maagdenhuis alsmede diverse incidenten tegen klimaatdemonstranten,2, en gebruik van geweld door de politie en het eerder genoemde «chilling effect»?3
Zoals u weet kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Wel wil ik benadrukken dat het uitgangspunt van ieder politieoptreden de-escalatie is. Het gebruik van geweld is een ultimum remedium. Daarbij is een belangrijk gegeven dat het optreden van de politie niet zo ingrijpend mag zijn dat mensen hierdoor worden afgeschrikt of ontmoedigd om gebruik te maken van hun demonstratierecht. Dit neemt niet weg dat zich situaties kunnen voordoen waarin de politie genoodzaakt is om tijdens haar taakuitvoering geweld toe te passen. De politie gaat pas over tot het gebruik van geweld nadat hiervoor, indien mogelijk, is gewaarschuwd.
Erkent u dat bovengenoemde incidenten maar ook het fotograferen van vreedzame demonstranten, huisbezoeken aan vreedzame demonstranten, onterechte aanmerkingen als extremist, tienduizenden Nederlanders die met een terrorismecode in politiesystemen staan (soms enkel vanwege demonstreren) en een groot aantal privacy-schendingen door de politie, het vertrouwen in de politie en daarmee onze democratische rechtsstaat schaadt?4
De politie heeft op grond van haar wettelijke taak een belangrijke rol bij het in goede banen leiden van demonstraties en het waarborgen van de veiligheid van alle aanwezigen. In dat kader kan sprake zijn van een noodzaak om informatie te verzamelen. Dit gebeurt in ondergeschiktheid aan het lokaal gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels.
Ten aanzien van de inzet van camera’s verwijs ik naar de beleidsreactie op het rapport van Amnesty International over camerasurveillance bij vreedzame protesten.17 Bij de beantwoording van vraag 16 zal ik ingaan op de huisbezoeken.
Bent u bereid om tot en actieplan te komen om te waarborgen dat het vertrouwen in de politie, de rechtsstaat en de bescherming van demonstranten wordt versterkt?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u zo spoedig mogelijk zorgdragen voor een stop op de praktijk van het thuis bezoeken van demonstranten door de politie5, onder verwijzing naar vragen van de leden Lahlah en Kathmann (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Minister en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over huisbezoeken aan demonstranten en de gegevensverwerking van demonstranten (ingezonden 27 maart 2025) en vragen van het lid El Abassi (DENK) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over onaangekondigde huisbezoeken bij demonstranten door de politie (ingezonden 25 maart 2025)? Kunt u daarbij aangeven welke rechtstatelijke waarborgen (zoals bijvoorbeeld een duidelijk verbod in de Politiewet of een effectief rechtsmiddel voor de gedupeerde) nodig zijn om dit soort praktijken te voorkomen?
Contact zoeken met mensen vormt de basis van politiewerk. In dat kader is het staande praktijk dat de politie bij burgers langs gaat om het gesprek aan te gaan. Dit kan om talloze redenen zijn, bijvoorbeeld voor buurtonderzoeken of stopgesprekken om personen te wijzen op de strafbaarheid van bepaalde voorgenomen gedragingen. Een verbod of stop op het afleggen van huisbezoeken zou een goede taakuitvoering door de politie onmogelijk maken.
De overheid dient de uitoefening van het demonstratierecht te faciliteren. De politie levert hieraan een belangrijke bijdrage door in het kader van de politietaak demonstraties in goede banen te leiden en de veiligheid van alle aanwezigen te waarborgen. In dit kader kunnen ook huisbezoeken worden afgelegd door politie, bijvoorbeeld om informatie te verzamelen over een demonstratie. Huisbezoeken die verband houden met de uitoefening van de politietaak rondom demonstraties moeten noodzakelijk zijn om het daarmee nagestreefde doel – zoals het voorkomen van wanordelijkheden – te bereiken en in ieder concreet geval moet worden afgewogen of er minder ingrijpende middelen beschikbaar zijn om het beoogde doel te bereiken.
Verder geldt voor de politie dat het algemene interne handelingskader demonstraties onlangs is aangevuld met een onderdeel «Contacten met burgers ter voorbereiding op demonstraties». Hierin is opgenomen dat enkel het deelnemen aan een demonstratie nooit aanleiding kan zijn om contact met burgers op te nemen. De vorm van contact met een burger ten behoeve van de informatievergaring over een demonstratie moet evenredig zijn en passen bij de situatie. Indien bijvoorbeeld kan worden volstaan met telefonisch contact, wordt daarvoor gekozen.
De aanval van een wolf op een hardloopster |
|
André Flach (SGP) |
|
Rummenie , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een hardloopster in Nationaal Park De Hoge Veluwe is aangevallen en gebeten door zeer waarschijnlijk een wolf?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Waarom zou het ook in noodgevallen meerdere weken of maanden moeten duren voor de resultaten van een DNA-test, om vast te stellen of al dan niet sprake was van een aanval door een wolf, bekend zijn? Gaat u bezien hoe dit kan worden versneld?
Het uitvoeren van DNA-onderzoek gebeurt namens provincies als bevoegd gezag. In het geval van spoedanalyses betekent dit dat de soortuitslag (wel/geen wolf) na 1 week bekend kan zijn en de individubepaling na ongeveer 2 weken. Met een toenemend aantal wolven – en daarmee een toenemend aantal aanvallen en incidenten – is de vraag naar DNA-analyses de laatste jaren fors toegenomen en loopt men soms tegen de maximale capaciteit aan. De provincies verkennen uitbreiding en of dit sneller kan. Ik vind het onacceptabel dat het zo lang duurt voordat de uitkomsten bekend zijn. Daarom heb ik provincies aangeraden om naar andere laboratoria op zoek te gaan, ook buiten Nederland.
Wordt op basis van beschikbare getuigenverklaringen en foto- en filmmateriaal al een voorlopige vaststelling gedaan, zodat het bevoegd gezag daarop kan acteren?
Via DNA-onderzoek, deskundigenonderzoek en getuigenverklaringen en op basis van beeldmateriaal is door de provincie Gelderland vastgesteld dat het aanvallende dier inderdaad een wolf was.
Hoe waardeert u deze aanval in het licht van onder meer de escalatieladder van wolvengedragsdeskundigen, zoals Valerius Geist, in het geval inderdaad sprake was van een wolf?
In deze situatie betreft het een probleemwolf overeenkomstig de door mij gepubliceerde definitie (Kamerstuk 33 576, nr. 405) en in lijn met de interventierichtlijnen uit het provinciale Wolvenplan 2025. De burgemeester kan als bevoegd gezag voor de openbare orde en veiligheid ingrijpen als er acute gevaarzetting is of als daartoe dreiging is. De provincie kan als bevoegd gezag optreden tegen de betreffende wolf, ook als acute gevaarzetting of dreiging daartoe niet aan de orde is.
Deelt u de mening dat sprake is van een probleemwolf, zoals is gedefinieerd in de Kamerbrief over de Vaststelling Landelijke Aanpak Wolven (Kamerstuk 33 576, nr. 405)?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 4.
De provincie Gelderland heeft dit bevestigd in de vergunning die verleend is om op te kunnen treden tegen deze probleemwolf.
Welke maatregelen acht u nodig om een nieuwe aanval van deze wolf op mensen te voorkomen, in het geval inderdaad sprake was van een wolf?
De provincie Gelderland heeft als bevoegd gezag een vergunning afgegeven om de probleemwolf te doden om zo een nieuwe aanval van deze wolf op mensen te voorkomen. In het Wolvenplan 2025 hebben provincies de mogelijkheden hiervoor opgenomen.2 Op 16 mei jl. heeft de Rechtbank Gelderland bepaald dat de provincie Gelderland voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het noodzakelijk is om deze probleemwolf af te schieten vanwege de openbare veiligheid.3 Sinds de terugkeer van de wolf in Nederland is dit de eerste keer dat een afschotvergunning uitgevoerd zal worden. Ik heb een concept-AMvB beschikbaar gemaakt en bij uw Kamer voorgehangen. Deze moet ervoor gaan zorgen dat provincies bij probleemwolven en probleemsituaties sneller maatregelen kunnen nemen (zie ook mijn antwoord op vraag 10).
Wanneer is in uw ogen de burgemeester de aangewezen persoon om op te treden, en wanneer de provincie? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Een burgemeester kan op grond van artikel 175 van de Gemeentewet een
noodbevel geven in geval van oproerige beweging, ernstige wanordelijkheden of rampen, dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Bij de invulling van die criteria komt de burgemeester een zekere beoordelingsruimte toe. De aanwezigheid van wolven die een nadrukkelijke bedreiging van de gezondheid of het leven van mensen oplevert valt onder dat toepassingsbereik. Aan de hand van specifieke omstandigheden zal in een concrete situatie moeten worden beoordeeld of deze situatie zich voordoet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat een wolf zich in de nabijheid van mensen ophoudt en blijk geeft van een agressieve houding.
Een noodbevel kan bijvoorbeeld worden ingezet om een eigenaar van een landgoed op te dragen dat grondgebied voor het publiek gesloten te houden bij ernstig gevaar van één of meerdere wolven. Een noodbevel van de burgemeester is veelal van tijdelijke aard, en ook alleen mogelijk in die situaties waarin de inzet van de reguliere bevoegdheden van het desbetreffende provinciebestuur op grond van de Omgevingswet niet kan worden afgewacht.
Een noodverordening op grond van artikel 176 van de Gemeentewet kan worden gehanteerd voor een algemeen verbod voor personen om in een risicovol gebied aanwezig te zijn. In een zodanig acute situatie dat provinciale besluitvorming niet kan worden afgewacht, zal in de regel het opstellen van een noodverordening geen reële optie zijn.
In Nederland zijn primair de provincies verantwoordelijk voor soortenbescherming, faunabeheer en de uitvoering van wolvenbeleid. De reguliere bevoegdheid om te beslissen in welke gevallen toch kan worden overgegaan tot het vangen, verstoren of doden van een wolf berust bij gedeputeerde staten (verder: GS). GS kunnen hiertoe besluiten middels een vergunning voor een flora- en fauna activiteit. Dit is vastgelegd in artikel 5.1 tweede lid, van de Omgevingswet. Indien het vangen, verstoren of doden van een wolf noodzakelijk is, worden daartoe in beginsel onder gezag van GS kundige faunabeheerders of BOA’s met een geldige omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit ingezet.
Ik bezie op dit moment wat er mogelijk is, om de rol van de burgemeester te versterken. Dat doe ik in samenspraak met mijn ambtgenoten van Justitie en Veiligheid (J&V) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Daarnaast zal het verlagen van de beschermingsstatus van de wolf provincies in de toekomst in staat stellen sneller op te treden, als er sprake is van een probleemwolf.
Erkent u dat burgemeesters en gedeputeerden in een spanningsveld zitten gezien het feit dat zij enerzijds via noodbevelen en vergunningen bij wolvenaanvallen kunnen optreden, mede als onderdeel van de Landelijke Aanpak Wolven, maar zij anderzijds dan wel persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld mocht het later als milieudelict worden gezien?
GS en burgemeesters kunnen zich in een spanningsveld bevinden waarbij zij enerzijds verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de openbare orde en veiligheid en anderzijds moeten opereren binnen de strikte kaders van natuurbeschermingswetgeving. Zorgvuldige voorbereiding, duidelijke protocollen en afstemming met deskundigen zijn doorslaggevend om rechtmatig en effectief te kunnen handelen in situaties met wolven. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7 bezie ik op dit moment samen met mijn ambtgenoten van J&V en BZK wat er mogelijk is, om de rol van de burgemeester te versterken.
Daarnaast zal het verlagen van de beschermingsstatus van de wolf provincies in de toekomst in staat stellen sneller op te treden, als er sprake is van een probleemwolf.
Ziet u mogelijkheden om ervoor te zorgen dat burgemeesters en gedeputeerden gevrijwaard blijven van persoonlijke aansprakelijkheid voor een milieudelict in het geval van optreden met betrekking tot probleemwolven, gelet op de maatschappelijke noodzaak hiervan in het kader van de Landelijke Aanpak Wolven?
Uitgangspunt is dat een ieder strafrechtelijk aansprakelijk is bij een gedraging (die kan bestaan uit een «doen» of «nalaten») die voldoet aan een bepaalde delictsomschrijving, zoals een milieuovertreding. Onder omstandigheden kan deze strafrechtelijke aansprakelijkheid komen te vervallen. Bijvoorbeeld als sprake is van een rechtvaardigingsgrond of, in geval van bestuursfunctionarissen, van immuniteit. Of hiervan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Van immuniteit kan bijvoorbeeld alleen sprake zijn als het gaat om een gedraging die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak.
Het is natuurlijk belangrijk dat – als er sprake is van een probleemwolf – hiernaar gehandeld kan worden, en mensen niet beperkt worden door persoonlijke aansprakelijkheid.
Bent u voornemens de voorgenomen wettelijke vastlegging van de definiëring van probleemsituaties en probleemwolven en bijbehorende afspraken met provincies en andere betrokken partijen op kortst mogelijke termijn, zoals genoemd in Kamerstuk 33 576 nr. 405, binnen enkele weken ofwel zo nodig via een spoedprocedure, door te voeren? Wat is de stand van zaken en het beoogde tijdpad?
Ik zet mij in om de AMvB met de definitie van probleemwolf zo spoedig mogelijk gereed te hebben. Van 9 mei tot en met 6 juni is de concepttekst opengesteld voor internetconsultatie. Uw Kamer heeft de AmvB ontvangen middels de voorhangprocedure die op 10 juni is gestart. Gezien de urgentie die ik voel om probleemgedrag aan te pakken bij wolven in Nederland en de toenemende
incidenten met wolven, streef ik ernaar dat de AMvB zo spoedig mogelijk in werking kan treden.
Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie, zo snel mogelijk te beantwoorden, bij voorkeur binnen een week?
Ik heb de vragen zo snel mogelijk beantwoord.
De mogelijke uitlevering van een Amerikaanse vrouw |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Van moord verdachte Amerikaanse verbleef wekenlang in aanmeldcentrum Ter Apel»?1
Ja.
Heeft Nederland een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten ontvangen?
Uw vraag ziet op een individuele zaak. Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen.
Bent u bekend met het feit dat de doodstraf in South Carolina nog steeds wordt uitgevoerd?
Ja.
Staat er op het misdrijf waarvan de betreffende vrouw verdacht wordt de doodstraf?
Uw vragen zien op een individuele zaak. Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen.
In algemene zin kan ik het volgende opmerken. In bepaalde landen kan de doodstraf worden opgelegd voor specifieke delicten. Volgens de Nederlandse Uitleveringswet wordt een persoon niet uitgeleverd als op het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd de doodstraf staat, tenzij voldoende is gewaarborgd dat die straf, bij een eventuele veroordeling, niet ten uitvoer wordt gelegd.
Er moet dus een specifieke garantie zijn afgegeven dat de doodstraf in de betreffende zaak niet wordt opgelegd, dan wel niet wordt uitgevoerd. Dit geldt zowel bij uitlevering voor strafexecutie als voor strafvervolging.
Uitlevering is volgens het Nederlandse recht slechts mogelijk op grond van een verdrag tussen twee of meer staten. De voor Nederland geldende uitleveringsverdragen voorzien allemaal in de zogenaamde doodstrafexceptie.
Op grond van de toepasselijke uitleveringsverdragen tussen de Verenigde Staten (VS) en Nederland, zal Nederland bij uitleveringsverzoeken van de VS de voorwaarde stellen dat, indien in de VS mogelijk de doodstraf is gesteld op het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon wordt opgelegd, of indien de VS om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan voldoen, de voorwaarde dat de doodstraf, indien deze wordt opgelegd, niet wordt uitgevoerd. Indien de VS instemt met de uitlevering onder deze voorwaarde, is de VS verplicht die voorwaarde na te leven. Indien de VS de voorwaarde niet aanvaardt, dan zal Nederland in lijn met nationale wetgeving, verdragen en (Europese) jurisprudentie, de uitlevering weigeren.
Bent u voornemens om, in lijn met onder andere de Uitleveringswet en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een uitleveringsverzoek te weigeren wanneer er een risico is dat de vrouw de doodstraf wordt opgelegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Schrikbarende toename van online oplichting in Nederland' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel getiteld «Online oplichting in Nederland stijgt schrikbarend: 2,4 miljoen slachtoffers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat het aantal slachtoffers van online oplichting in Nederland is gestegen tot maar liefst 2,4 miljoen schrikbarend is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ieder slachtoffer van online fraude is er één te veel. Ik betreur het feit dat het aantal slachtoffers van online oplichting in 2024 ten opzichte van 2022 is gestegen.2 De maatschappelijke impact van online fraude is groot en het zorgt voor zowel financiële als mentale problemen bij slachtoffers. Mijn ministerie werkt daarom al enkele jaren gezamenlijk met publieke en private partners aan een integrale aanpak van online fraude.
Kunt u verklaren hoe het komt dat vooral jongeren hierbij vaker getroffen worden dan ouderen: 20 procent van de 15- tot 25-jarigen, tegenover 10 procent van de 65-plussers?
Een groot deel van de 15–25-jarigen brengt veel tijd door op het internet. Ze maken dagelijks gebruik van apps, sociale media en websites waardoor zij meer risico lopen dan anderen. Criminelen die zich schuldig maken aan online fraudevormen maken hier handig gebruik van en richten zich in sommige situaties juist op deze groep potentiële slachtoffers. Zo plaatsen zij veelvuldig «te mooi om waar te zijn»-aanbiedingen op sociale media waarbij specifieke goederen die aantrekkelijk zijn voor jongeren worden aangeboden. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid werkt sinds enkele jaren samen met scholieren.com aan een preventiecampagne specifiek gericht op jongeren. Uit recent onderzoek is gebleken dat er nog veel winst te behalen valt met campagnes gericht op beveiligingsmaatregelingen die jongeren zelf kunnen treffen om hun kans op slachtofferschap te verkleinen.3 Dit is ook één van de zaken waar de pijler preventie en weerbaarheid van de integrale aanpak zich op richt.
Er zijn dan ook de nodige campagnes door de overheid ontwikkeld om burgers weerbaarder tegen gevaren online te maken, waaronder online fraude, zoals met social engineering campagnes, campagnes van veiliginternetten.nl etc.
Kunt concreet aangeven welke concrete maatregelen er de afgelopen twee jaar genomen zijn om online oplichting tegen te gaan? Kunt u per maatregel aangeven wat het effect daarvan had moeten zijn op het tegengaan van die oplichting en wat het effect in de praktijk was?
Het kabinet investeert dit jaar 52,6 miljoen euro in de politie en de strafrechtketen voor de aanpak van cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waar online fraude een belangrijk onderdeel van uitmaakt. In de laatste Veiligheidsagenda zijn streefnormen van de politie opgenomen voor de aanpak. Dit bevat de streefnorm voor het minimumaantal verdachten, het aantal onderzoeken voor criminele samenwerkingsverbanden maar ook het percentage voor alternatieve afdoeningen. Over de behaalde resultaten wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd in de voortgangsrapportage. Deze wordt op korte termijn aan uw Kamer toegestuurd.
Strafrecht alleen gaat online fraude niet oplossen, daarom is het van groot belang dat ook private partijen en het bedrijfsleven in het bijzonder online oplichting zo breed, effectief en efficiënt mogelijk aanpakken, om slachtofferschap te voorkomen. Sinds 2023 werkt mijn ministerie samen met het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Financiën, de politie, het Openbaar Ministerie, VNO-NCW/MKB Nederland, de Consumentenbond, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), de Fraudehelpdesk en andere meldpunten, Slachtofferhulp Nederland, COIN, en Thuiswinkel.org in een integrale aanpak online fraude. Binnen de aanpak werken deze en andere partijen samen om het online oplichters zo moeilijk mogelijk te maken en slachtofferschap van burgers en ondernemers te voorkomen. Binnen de integrale aanpak wordt gewerkt langs vijf pijlers, waaronder barrières en interventies, preventie en weerbaarheid, en hulp aan slachtoffers. Zo wordt er geïnvesteerd in campagnes en het weerbaarder maken van burgers en bedrijven tegen online fraude en oplichting. In samenwerking met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid zijn er folders met zogenoemde vuistregels en een specifieke tool ontwikkeld die burgers en bedrijven informeren over online oplichting en hen handvatten biedt om snel en efficiënt hulp te zoeken. Daarnaast werken de partners uit de integrale aanpak samen om de teksten op hun websites eenduidig te maken en hun dienstverlening zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. De politie heeft met Operatie Centurion de afgelopen jaren repressief ingezet en de inzet versterkt op het thema online criminaliteit. Deze projectmatige inzet wordt de komende jaren structureel geborgd.
Tot slot wil ik u wijzen op één van de vele initiatieven die publieke en private partners ondernemen: het initiatief «Bank voor de klas» waarbij banken in samenwerking met de politie in 2024 voorlichting hebben gegeven aan ruim 53.000 leerlingen in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.4 Jongeren werden met dit initiatief wegwijs gemaakt met het herkennen en voorkomen van online fraude.
De effecten van de maatregelen die worden getroffen om online fraude tegen te gaan zijn moeilijk te meten. Pas op lange termijn zijn directe effecten van campagnes merkbaar. Daarnaast is het thema online fraude voortdurend aan verandering onderhevig en worden er steeds weer nieuwe vormen van online oplichting en fraude waargenomen.
Is het waar dat slachtoffers van online oplichting zich vaak onvoldoende geholpen voelen door politie en justitie? Zo ja, hoe komt dat en wat wordt er gedaan om dit vertrouwen te herstellen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Politie en justitie pakken niet alle oplichtingszaken strafrechtelijk op, dat kan ook niet omdat daar niet genoeg capaciteit voor is. De politie en het Openbaar Ministerie kunnen niet aan alle strafbare feiten prioriteit geven en een strafrechtelijke opvolging is niet altijd mogelijk. Ook worden er wel eens fouten gemaakt, bijvoorbeeld bij het opnemen van een aangifte. De afgelopen periode zijn er maatregelen getroffen om de ondersteuning van mensen die te maken krijgen die te maken krijgen met online fraude te verbeteren.
De politie en het OM hebben samen met andere partijen de afgelopen jaren geïnvesteerd in een verbetering van de integrale aanpak van online fraude. Zo heeft de politie meerdere initiatieven gestart om de dienstverlening aan slachtoffers van online criminaliteit te verbeteren. Met het project digitale meldkamer gaat de politie bij online criminaliteit die net heeft plaatsgevonden of anderszins urgent is, direct ter plaatse voor het veiligstellen van sporen, het opnemen van de aangifte en het geven van slachtofferhulp. Uit evaluatie komt naar voren dat slachtoffers tevreden zijn over deze mogelijkheid. Dit project is onlangs in werking getreden in alle eenheden waardoor deze werkwijze tot standaard is verheven.5
Daarnaast hebben verschillende partners uit de integrale aanpak vuistregels ontwikkeld voor slachtoffers van online criminaliteit waardoor de informatievoorziening aan slachtoffers is verbeterd. Slachtoffers van aan- en verkoopfraude die online aangifte doen en wiens zaak niet strafrechtelijk wordt opgepakt, worden gewezen op de mogelijkheden die ze zelf kunnen ondernemen, waaronder het verhalen van de schade op de oplichter. Alle slachtoffers die aangifte doen worden gewezen op de mogelijkheid van slachtofferhulp. Indien zij dat aangeven, vindt doorverwijzing plaats naar Slachtofferhulp Nederland.
Verder investeert dit kabinet fors in de aanpak van gedigitaliseerde criminaliteit, waaronder online fraude, door de politie. De politie gaat een centrale voorziening voor gedigitaliseerde criminaliteit inrichten ten behoeve van de regionale eenheden en de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies. Bovendien zal de politie met de beschikbaar gestelde middelen de uitvoeringscapaciteit voor de aanpak van gedigitaliseerde criminaliteit in de eenheden vergroten. De kennis en vaardigheden van digitale opsporing gaat politie ook vergroten met de toegekende gelden. Bovendien heeft de politie aandacht voor de impact van online oplichting op slachtoffers en past haar werkwijzen daarop aan.6 De politie stimuleert de aangiftebereidheid en meldingsbereidheid van online fraude, maar wijst (mogelijke) slachtoffers ook op manieren of instanties voor het verkrijgen van (gedeeltelijke) genoegdoening, zoals civiel schadeverhaal, het verwijderen van online berichten of emotionele hulp.
Wordt er vanuit de justitiële autoriteiten effectief samengewerkt met banken, online platforms en telecomaanbieders om oplichting te voorkomen en snel op te treden bij signalen van fraude? Waar bestaat die samenwerking concreet uit en waaruit blijkt dat die samenwerking effectief is? Acht u het nodig die samenwerking te intensiveren en op welke wijze gaat u dat doen?
In het kader van de integrale aanpak online fraude werken de politie en het Openbaar Ministerie regelmatig samen met banken en telecomaanbieders. Deze samenwerking heeft onder andere geleid tot het sluiten van bankrekeningen van meerdere stelselmatige fraudeurs. Daarnaast wordt onder meer gewerkt aan de knelpunten bij gegevensdeling die worden ervaren in de samenwerking met banken, telecomaanbieders en online platformen. In de volgende voortgangsbrief over de integrale aanpak van online fraude zal ik u hier nader over informeren. Begin dit jaar heeft de Minister van Economische Zaken u geïnformeerd voornemens te zijn een voorstel in te dienen om de Telecommunicatiewet aan te passen om het misbruik van telecommunicatievoorzieningen te bestrijden ten behoeve van de aanpak van online fraude.7
In aanvulling op het antwoord op vraag 4 verwijs ik naar de verschillende samenwerkingsvormen zoals het Landelijk Meldpunt Internetoplichting (LMIO) en Electronic Crimes Taskforce (ECTF). Het LMIO is een samenwerking tussen de politie, banken, het Openbaar Ministerie, Marktplaats en internetserviceproviders. Het doel van LMIO is om internetoplichting, vooral in online handelsomgevingen, te verminderen door aangiftes te behandelen, te analyseren en te veredelen, en door samen te werken aan het signaleren en aanpakken van oplichters. Het ECTF is in 2011 opgericht met als doel om in publiek-privaat verband digitale criminaliteit te bestrijden. Deze samenwerkingen zijn waardevol, aangezien gedigitaliseerde criminaliteit een complex maatschappelijk probleem is en dit niet alleen met het strafrecht is op te lossen.
Hoe vaak hebben slachtoffers van online oplichting in 2024 een verzoek gedaan bij de banken om via de PNBF-regeling terugbetaling te vorderen van hun oplichters? En hoe vaak hebben zij bij weigering hiervan de NAW-gegevens van hun oplichters opgevraagd en gekregen?
Zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van eerdere vragen van het lid Mutluer, bevestigt de Betaalvereniging Nederland dat de toepassing niet centraal wordt geregistreerd en dat dit een aangelegenheid is van individuele banken in hun hulp aan slachtoffers en de wederkerige bereidheid van twee banken om primair buitengerechtelijke bemiddeling mogelijk te maken tussen hun beider rekeninghouders.8 Het is daardoor niet mogelijk om een overzicht te verkrijgen van het aantal verzoeken in het kader van de PNBF-regeling (de Procedure NAW-gegevens Begunstigde bij niet-bancaire Fraude).
Kunt u aangeven hoe gevolg is gegeven aan motie-Mutluer2 waarbij is gevraagd om in samenspraak met Betaalvereniging Nederland en de Nederlandse Vereniging van Banken de PNBF-regeling bekender te maken en uit te bereiden naar paymentserviceproviders?
Mijn ministerie is aan het begin van dit jaar in gesprek gegaan met de Betaalvereniging Nederland over de PNBF-regeling. De Betaalvereniging Nederland (BVN) heeft in dit gesprek bevestigd dat er met de aangesloten Nederlandse banken, leden en Nederlandse Payment Service Providers een regeling hieromtrent is afgesproken. Deze regeling ziet op het volgende: de bank van het slachtoffer informeert de eigen rekeninghouder over de mogelijkheid van het indienen van een terugbetalingsverzoek en in een latere fase onder voorwaarden een verzoek tot verstrekking van NAW-gegevens. Deze afgesproken regeling betreft een interbancaire voorziening die de leden op vrijwillige basis aanbieden. Aangezien een bank – van ogenschijnlijk betrouwbare transacties – niet kan zien dat een betaalopdracht werd gegeven onder invloed van een strafbaar feit, is van belang te vermelden dat de gedupeerde rekeninghouder wel zelf contact met de bank zoekt alvorens de bank de rekeninghouder over deze optie kan informeren. Ook de bij de BVN aangesloten Payment Service Providers kunnen deze regeling reeds toepassen.
Ten aanzien van de bekendheid van de PNBF kan ik bevestigen dat BVN en NVB onderschrijven dat informatieverstrekking vanuit banken over de PNBF actief gebeurt, zoals ook via de website www.veiligbankieren.nl.
Tot slot blijft de inzet van PNBF beperkt omdat toepassing hiervan beperkt is tot wegsluizen van frauduleuze gelden van Nederlandse rekeningnummers naar NL IBAN-nummers. Criminelen zoeken manieren om geld weg te sluizen waar de pakkans het kleinst is. De Nederlandsche Vereniging van banken geeft aan te zien dat het merendeel van de frauduleuze gelden nu rechtstreeks richting buitenland gaat, gepind wordt, in crypto worden omgezet, of via (internationale) Payment Service Providers weggesluisd wordt.
Deelt u de mening dat de bestrijding van online oplichting meer prioriteit zou moeten krijgen binnen het justitie- en veiligheidsdomein? Zo ja, worden er in dat licht meer capaciteit en middelen vrij gemaakt voor de opsporing en vervolging van digitale fraude en online oplichting? Zo nee, waarom niet?
Online oplichting is één van de grootste criminaliteitsvormen en is schaalbaar, internationaal en daarom een hardnekkig fenomeen dat bestreden moet worden. Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb toegelicht investeert dit kabinet 52,6 miljoen euro in de politie en de strafrechtketen voor de aanpak van cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waar online fraude een belangrijk onderdeel van uitmaakt. Ook de politie spant zich conform de Veiligheidsagenda in voor de bestrijding van gedigitaliseerde criminaliteit. De verwachting is dat dit een belangrijk thema blijft voor de komende jaren. Zoals ook toegelicht is de rol van alleen het strafrecht onvoldoende. Daarom is er ook geïnvesteerd in een integrale samenwerking met publieke en private partijen. In dit kader wijs ik u op mijn antwoord op vraag 5.
Welke rol ziet u voor het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), het Digital Trust Center (DTC) en andere instanties in de aanpak van deze problematiek?
Ik zie in het geval van online oplichting maar een beperkte rol weggelegd voor het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Online oplichting is een vorm van gedigitaliseerde criminaliteit, daar waar het NCSC zich richt op de cybersecurity van Nederland en de bescherming van de digitale infrastructuur. Het NCSC signaleert algemene trends op het gebied van cybersecurity, deelt dreigingsinformatie en ontwikkelt handreikingen, handelingsperspectieven en praktische richtlijnen om organisaties en burgers te ondersteunen bij het versterken van hun digitale weerbaarheid. Daarnaast publiceert het beveiligingsadviezen en -rapporten en werkt het intensief samen met verschillende veiligheidsinstanties.
Het Digital Trust Center (DTC) is een belangrijke partner in de bestrijding van online fraude. Het DTC informeert ondernemers hoe zij veilig digitaal kunnen ondernemen, bijvoorbeeld door het aanbieden van de Basisscan Cyberweerbaarheid en de CyberVeilig Check voor zzp en mkb. Ook biedt de organisatie een praktische actielijst aan met behulpzame activiteiten en tips om ondernemingen digitaal weerbaar te maken. Daarnaast hebben het NCSC en DTC recent vijf basisprincipes van digitale weerbaarheid opgesteld, die organisaties handvatten bieden voor het ontwikkelen van een gezonde en degelijke cyberbeveiligingsstrategie.
De weigering van een stichting om openheid van zaken te geven over de financiële afwikkeling van de stichting en het vermogen dat mede bestaat uit giften van derden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Stichting Kanjer Wens weigert openheid van zaken te geven over de financiële afwikkeling van de stichting?1 Kunt u zich voorstellen dat veel mensen willen weten wat er met hun donaties is gebeurd?
Het kabinet meent dat een transparante, efficiënte, effectieve en controleerbare filantropische sector bijdraagt aan het creëren en behouden van vertrouwen van donateurs. Het kabinet kan zich daarom goed voorstellen dat donateurs ook inzicht willen hebben in de gang van zaken omtrent de financiële afwikkeling en vereffening van een ontbonden stichting. Het regelgevend kader voor transparantie in de filantropische sector bestaat uit formele wetgeving (zoals de ANBI-regelgeving en het verenigingen- en stichtingenrecht in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), waarop hieronder nader wordt ingegaan) en zelfregulering vanuit de filantropische sector zelf (zoals het toezicht van het CBF (Centraal Bureau Fondsenwerving, Toezicht op goeddoen)).
Klopt het dat een stichting na het intrekken van de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) door de Belastingdienst geen openheid hoeft te geven over de financiële afwikkeling van de stichting en de vereffening van het aanwezige vermogen, waaronder giften van derden? Kortom, mag dit zomaar wat deze stichting hier doet?
In algemene zin kan worden opgemerkt dat een instelling (voormalig ANBI) verplicht is een aantal gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken als de ANBI-status van die instelling is beëindigd en de waarde van het ANBI-vermogen op dat moment niet lager dan € 25.000 is.2 Die gegevens zijn:
De voormalige ANBI dient daartoe jaarlijks het formulier Opgaaf Vermogen en schenkingen Voormalige algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s)3 in te vullen en aan de Belastingdienst te verstekken. Deze verplichting geldt voor ieder jaar dat het ANBI-vermogen € 25.000 of meer bedraagt. Het jaar dat het ANBI-vermogen onder de € 25.000 uitkomt, is het laatste jaar waarin het formulier dient te worden ingevuld en verstrekt. Indien de gegevens en inlichtingen niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig zijn verstrekt, wordt dit aangemerkt als overtreding waarvoor onder omstandigheden een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.4
Wat is uw reactie op de opmerkingen van verschillende hoogleraren en deskundigen dat inzicht in de financiële afwikkeling en vereffening lastig is af te dwingen doordat wetgeving hieromtrent te beperkt is?
Naast de in het vorige antwoord genoemde verplichting voor bepaalde voormalige ANBI’s tot het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst, wijst het kabinet op de bestaande regelgeving in het BW op basis waarvan inzicht in de financiële afwikkeling en/of vereffening van een ontbonden stichting kan worden verkregen. Een stichting kan worden ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit van het bestuur van die stichting. Indien er in dat geval nog baten (te verwachten) zijn, wordt een vereffenaar aangesteld en treedt een formele vereffeningsfase in. Door een vereffenaar worden de lopende verplichtingen afgehandeld. De wet stelt formele eisen aan de vereffening, zoals de inschrijving van de vereffenaar in het handelsregister.5 De vereffenaar is bovendien verplicht om rekening en verantwoording en het plan van verdeling neer te leggen bij het handelsregister, en in elk geval ten kantore van de stichting (of een andere plaats), waar de stukken dan twee maanden voor een ieder ter inzage moeten liggen. De vereffenaar moet in een nieuwsblad bekendmaken waar en tot wanneer zij ter inzage liggen.6 Een vereffenaar die zich niet aan de wettelijke bepalingen houdt, kan daarvoor aansprakelijk worden gehouden.7 Pas na afronding van de vereffening houdt de stichting op te bestaan. Zolang een stichting nog bestaat kan het Openbaar Ministerie bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, inlichtingen verzoeken aan het bestuur van een stichting.8 Mocht tijdens de vereffening blijken dat de schulden de baten overtreffen, dan is de vereffenaar verplicht om een faillissement aan te vragen.9
De wet voorziet ook in de mogelijkheid van een «snelle» ontbinding, kort gezegd een ontbinding zonder formele vereffeningsfase, indien baten op het tijdstip van de ontbinding ontbreken en er niets meer valt te vereffenen.10 Deze ontbindingsvorm wordt ook wel «turboliquidatie» genoemd. De huidige tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voorziet in de verplichting van het bestuur om binnen 2 weken na de ontbinding een aantal stukken bij het handelsregister te deponeren waarin financiële verantwoording wordt afgelegd over de ontbinding en de eventuele voorafgaande feitelijke vereffening (die stukken worden 7 jaar bewaard).11 Als de stukken niet zijn gedeponeerd kan een rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie een bestuursverbod opleggen aan de (voormalig) bestuurders.12
Dus zowel in het geval van vereffening als in het geval van een turboliquidatie van een stichting bevat de wet verplichtingen om voornoemde informatie te laten registeren bij het handelsregister, zodat aldaar inzage in de financiële afwikkeling en/of vereffening door geïnteresseerden, zoals donateurs, mogelijk is. Dus zowel in het geval van vereffening als in het geval van een turboliquidatie van een stichting is het voor donateurs mogelijk om via het handelsregister inzage te krijgen in de financiële afwikkeling en/of vereffening. Het gaat hierbij overigens om transparantie van de eindafwikkeling van de stichting en niet om de besteding van giften voordien.
Verder wordt erop gewezen dat stichtingen een administratie moeten voeren waaruit hun rechten en verplichtingen kenbaar zijn.13 Het niet-naleven van deze administratieplicht is een economisch delict.14 Het betreft een overtreding op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet op de economische delicten (WED).
Ook kan in algemene zin worden opgemerkt dat in het geval een donateur vermoedt dat er fraude is gepleegd met zijn of haar donatie, hij of zij een beroep kan doen op vernietiging van de donatie. Volgens het Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst, zoals een schenking, worden vernietigd als deze tot stand is gekomen onder invloed van bijvoorbeeld dwaling15, bedrog16 of misbruik van omstandigheden17. Als een donateur in een dergelijk geval een beroep wil doen op de vernietiging van de schenking, maar niet beschikt over gegevens die van belang zijn voor het ophelderen van de feiten, kan hij of zij vragen om inzage in deze gegevens bij de stichting waaraan hij of zij de donatie heeft gedaan. Zo kan een donateur beoordelen of het instellen van een vordering tot vernietiging van de schenking zinvol is en zijn of haar vordering met concrete feiten onderbouwen.18 Als de stichting niet aan het informatieverzoek wil meewerken, kan een donateur de rechter verzoeken om inzage.19 Voor toewijzing van een vordering tot inzage dient aan bepaalde voorwaarden te zijn voldaan. Zo moet de donateur voldoende belang hebben bij het verzoek tot inzage en het verzoek voldoende nauwkeurig afbakenen tot de gegevens die de donateur nodig heeft om zijn rechtspositie ten aanzien van de vernietiging van de schenking te beoordelen.20 Voor een beroep op misbruik van omstandigheden ter vernietiging van de schenkingsovereenkomst geldt bovendien dat als de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, de bewijslast van het tegendeel op de ontvanger van de gift rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.21 In het geval een dergelijk beroep op vernietiging van de donatie succesvol is, kan bijvoorbeeld de rechtbank worden verzocht om heropening van de ontbinding van de stichting.22
Tot slot wijs ik erop dat een donateur bij vermoedens van fraude aangifte kan doen van bijvoorbeeld oplichting.23 Is sprake van een misdrijf jegens de schenkers of diens naaste betrekkingen, dan kan bovendien ook om die reden de schenking worden vernietigd.24
Deelt u de opvatting dat het wenselijk zou zijn om ook voor stichtingen die geliquideerd worden en/of waarvan de ANBI-status is ingetrokken, een verplichting tot financiële transparantie vast te leggen, ook omdat het voor het vertrouwen in goede doelen van belang is dat die transparantie er ook is na vereffening en om eventuele misstanden te voorkomen?
Voor wat betreft voormalige ANBI’s is wettelijk voorzien in een verplichting om aan de Belastingdienst een aantal gegevens te verstrekken, zodat de Belastingdienst er toezicht op kan houden dat de financiële afwikkeling op de juiste wijze gebeurt (zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2). Voor wat betreft de verplichting tot registratie van informatie in het handelsregister bij financiële afwikkeling en/of vereffening van een stichting wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3 en kunnen zij nagaan wat er met het vermogen is gebeurd. Hiermee wordt dus reeds in de in de vraag genoemde verplichting voorzien.
Bent u bereid te bezien of en zo ja welke wetten en regels aangepast zouden moeten worden, zodanig dat deze verplichting er wel is en donateurs inzicht krijgen in wat er is gebeurd met hun donaties?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Groene boa’s willen gemakkelijker wapens krijgen: ‘Zonder zijn we vleugellam’' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groene boa’s krijgen steeds vaker met agressie te maken: «Die pepperspray heb ik niet voor niets»»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de huidige situatie waarin boa’s steeds vaker werk doen dat overlapt met politiewerk, waardoor zij regelmatig in heftige situaties terechtkomen zoals schietincidenten, zware verkeersongelukken, reanimaties of onverwachte gewelddadige situaties, met eventuele psychische klachten als gevolg?
Optreden in situaties waarbij aan de voorkant een reëel risico bestaat op geweld of escalatie is voorbehouden aan de politie. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat boa’s zich actief begeven in dergelijke situaties. Ik erken dat de rol en taak van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) binnen de politiefunctie volop in ontwikkeling is. Daarom ben ik bezig met een diepgaande beschouwing op het boa-bestel. Deze moet antwoord geven op de vraag wat de rol én taak van de boa is binnen de politiefunctie, welke bevoegdheden en (wapen)uitrusting nodig zijn voor een adequate taakuitvoering en welke waarborgen daarbij noodzakelijk zijn. Rond de zomer van 2025 zal de diepgaande beschouwing op het boa-bestel aan uw Kamer worden aangeboden.
Deelt u de mening dat Posttraumatische stressstoornis (PTSS) als beroepsziekte ook erkend moet worden voor boa’s? Zo nee, waarom niet?
Laat ik voorop stellen dat het oplopen van PTSS of andere gezondheidsklachten als gevolg van werk afschuwelijk is. Er is in Nederland geen landelijk geldende lijst van beroepsziekten die van overheidswege wordt vastgesteld. Afspraken hierover moeten worden gemaakt tussen werkgevers en werknemers. Ik heb hier als Minister van Justitie en Veiligheid geen rol omdat ik niet de werkgever van de boa’s ben.
Wanneer kan de Kamer de kabinetsreactie verwachten op de initiatiefnota van de leden Boswijk, Mutluer en Van der Werf over de aanpak van PTSS bij geüniformeerde beroepen (36 662) zoals verzocht op 13 december 2024?
De kabinetsreactie op de initiatiefnota van de leden Boswijk (CDA), Mutluer (GL/PvdA) en Van der Werf (D66) over de aanpak van PTSS bij geüniformeerde beroepen wordt voor de zomer 2025 met uw Kamer gedeeld.
Wat vindt u ervan dat groene boa’s zichzelf als vleugellam beschouwen zonder dienstwapen, gezien de lange aanrijtijden van de politie in de regio, de toenemende overlap van de werkzaamheden van de boa met politiewerk en de toenemende aanwezigheid van zware criminaliteit op het platteland?
De zorgen van boa’s over de langere aanrijtijd van politie als gevolg van hun werkzaamheden in het buitengebied zijn mij bekend. Indien noodzakelijk voor een goede uitoefening van diens taak is het mogelijk dat de groene boa uitgerust wordt met geweldmiddelen tot en met het vuurwapen. Het is aan de werkgever om geweldmiddelen aan te vragen en de noodzaak hiervan aan te tonen. De mogelijkheid om een beroep te doen op de politie is een van de criteria bij de beoordeling of er sprake is van noodzaak tot bewapening met een vuurwapen. De behoefte om over geweldsmiddelen te beschikken verschilt per werkgever. Het boa-bestel biedt ruimte voor die diversiteit. In de eerder genoemde beschouwing op het boa-bestel zullen ook de rol, taak, bevoegdheden en waarborgen met betrekking tot de groene boa worden bezien.
Welke maatregelen kunnen genomen worden om de aanrijtijden van de politie te verkorten als een groene boa gebruik maakt van de alarmknop?
Groene boa’s kunnen in noodsituaties rekenen op de ondersteuning van politie. Tegelijkertijd werken groene boa's regelmatig in afgelegen of moeilijk bereikbare gebieden, waardoor directe en snelle ondersteuning niet altijd mogelijk is. Inmiddels beschikken groene boa’s over portofoons met GPS waarmee de benodigde hulp sneller ter plaatse kan zijn.
Een zorgvuldige risicoanalyse door de boa-werkgever voorafgaand aan de inzet van groene boa’s is ook essentieel om mogelijke gevaren tijdig in kaart te brengen, passende voorzorgsmaatregelen te treffen, en hun inzet af te stemmen met de politie zodat zij hier rekening mee kunnen houden. Deze maatregelen kunnen de aanrijtijden van de politie in een noodsituatie verkorten.
Kunt u reflecteren op de uitspraak dat groene boa’s dagen in het papierwerk zitten voor de aanvraagprocedure van een dienstwapen en dat het soms maanden duurt voordat er een knoop is doorgehakt?
Met de toekenning van een geweldsbevoegdheid en geweldsmiddelen zijn verschillende grond- en mensenrechten in het geding. De aanwending van geweld door boa’s raakt immers aan het recht op leven, de onaantastbaarheid van het lichaam en de lichamelijke integriteit. Hieruit volgt dat een restrictief beleid wordt gehanteerd met betrekking tot de toekenning hiervan en dat er een zorgvuldige afweging zal moeten worden gemaakt voordat een geweldmiddel kan worden toegekend. De werkgever moet de noodzaak tot het bewapenen van een boa aantonen, waarna elke aanvraag afzonderlijk en zorgvuldig moet worden beoordeeld. Op dit moment zijn er 49 actieve boa's in domein II die een vuurwapen toegekend hebben gekregen. Indien zij ook hebben voldaan aan de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon opsporingsambtenaar (RTGB) mogen zij het vuurwapen dragen en gebruiken. Een boa is steeds voor de duur van een kalenderjaar geoefend in het gebruik, daarna moet er opnieuw een toets worden afgelegd. Met de selectieve groep boa’s die een vuurwapen toegekend hebben gekregen samen met de strenge eisen die hieraan gesteld worden benadrukken we het belang van het zorgvuldig omgaan in het toekennen van dit geweldmiddel.
Het besluit over de toekenning van vuurwapens aan boa’s duurt in sommige gevallen langer vanwege de complexiteit van de casuïstiek. Het gaat onder andere om vraagstukken rondom het verschil van inzicht aangaande het noodzaakcriterium en de motivering daarvan door aanvragers en (direct) toezichthouders. Hierdoor duurt het soms langer om tot een goed en afgewogen oordeel te komen. Daarnaast worden de uitspraken in enkele beroepszaken bestudeerd om de invloed hiervan en de gevolgen voor de besluitvorming te overzien.
Vindt u dat groene boa’s gemakkelijker uitgerust moeten kunnen worden met een dienstwapen dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier denkt u dat de aanvraagprocedure voor een dienstwapen voor groene boa’s vereenvoudigd en versneld kan worden en bent u bereid zich hiervoor in te zetten?
Zoals eerder benoemd, dient er een zorgvuldige afweging te worden gemaakt bij het toekennen van geweldmiddelen. Dit geldt niet alleen voor een vuurwapen maar ook voor een wapenstok of pepperspray. Uiteraard is het van groot belang dat een boa adequaat wordt uitgerust voor zijn taak. Dit is één van de redenen dat ik bezig ben met een beschouwing van het boa-bestel. De beschouwing moet antwoord geven op de vraag wat de rol én taak van de boa binnen de politiefunctie is, welke bevoegdheden en (wapen)uitrusting de boa nodig heeft voor een adequate taakuitvoering en welke waarborgen daarbij noodzakelijk zijn. De boa’s in het buitengebied worden meegenomen in de beschouwing en dit onderwerp zal als onderdeel van de beschouwing met de Kamer worden gedeeld.
Wanneer kunt u de Kamer informeren over de aangepaste regelgeving omtrent de bewapening van handhavers in het buitengebied?
Zie antwoord vraag 8.