De regeldruk in de kappersbranche en andere bedrijven in de ambachtseconomie |
|
Selçuk Öztürk (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «ANKO pakt regeldruk kappersbranche en winkelambacht aan»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van het onderzoek van SIRA Consulting waaruit blijkt dat in 2012 tussen de vijf en acht procent van de kosten van een kappersbedrijf opging aan regeldruk?
De resultaten van het onderzoek, zoals die op 10 juni jl. door de voorzitter van de branchevereniging ANKO zijn gepresenteerd, laten zien dat een substantieel deel van de bedrijfskosten van een kappersbedrijf wordt veroorzaakt door regeldruk. Bovendien geeft dit onderzoek aan dat de winst bij veel kappersbedrijven marginaal is.
Het kabinet ziet in het bovenstaande aanleiding om met ANKO over het onderliggende rapport in gesprek te gaan en te bekijken of en zo ja, op welke wijze de regeldruk in de kappersbranche (merkbaar) kan worden verminderd.
Kunt u gegevens verschaffen over de regeldruk in andere ambachtsbranches? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te laten doen?
Het kabinet heeft een indicatie van de regeldrukknelpunten in andere ambachtsbranches, zoals de bakkers en schilders. Zoals toegelicht in het verslag van de Informele Raad voor Concurrentievermogen, heeft Nederland in 2013 het initiatief genomen om internationaal vergelijkend onderzoek in Nederland, Ierland, Litouwen en Spanje te verrichten naar de (nalevings)kosten en aard van regeldruk voor het mkb, in dit geval bij bakkerijen2. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de zogenaamde KAR-methode (Kostengestuurde Aanpak Regeldruk). Het onderzoek laat zien dat de regeldruk in de vier onderzochte bakkerijen varieert tussen 10% en 12,5% en relatief hoog is ten opzichte van de winst. Recentelijk heeft ook Actal advies uitgebracht over regeldruk bij kleine ondernemers, waaronder schilders3. Daaruit blijkt dat nog altijd veel regeldruk wordt veroorzaakt door generieke wet- en regelgeving, onder andere op het gebied van belastingwetgeving, arbeidsrecht en lokale wet- en regelgeving. Op basis van genoemde onderzoeken en de door ANKO gepresenteerde conclusies is het beeld dat een deel van de knelpunten in de kappersbranche ook in andere winkelambachten wordt ervaren.
In de voorjaarsrapportage regeldruk die op 18 juni jl. naar de Kamer is gestuurd, presenteert het kabinet de tussentijdse resultaten van het regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld» en gaat het ook nader in op het genoemde Actal advies.
Hoe wordt de bedrijfseffectentoets (BET) aangescherpt om regeldrukeffecten voor het MKB in het algemeen, en de ambachtsbranche in het bijzonder, in beeld te krijgen?
Zoals ook in de voorjaarsrapportage regeldruk toegelicht, is de Bedrijfseffectentoets (BET) recentelijk vernieuwd. In de vernieuwde BET worden niet alleen vragen beantwoord over het aantal bedrijven en branches waarvoor bedrijfseffecten worden verwacht, maar wordt nu ook antwoord gegeven op de vraag in hoeverre de effecten neerslaan bij het MKB, microbedrijven en zzp’ers. Hiermee wordt het wetgevingsproces transparanter. Tevens moeten in de BET de regeldrukgevolgen van de ontwerpregelgeving zowel kwalitatief als kwantitatief in beeld worden gebracht. Ook daar wordt gevraagd de regeldrukeffecten te specificeren naar bedrijfsgrootte (MKB, microbedrijven en zzp’ers).
Hoe gaat u bewerkstelligen dat zoveel mogelijk branches uit de ambachtseconomie in 2016 aangesloten zijn bij het Ondernemingsdossier? Welke prioriteit heeft dat voor u?
De ambachtelijke sectoren zijn een belangrijke pijler van onze economische infrastructuur. De aansluiting van deze sectoren op het Ondernemingsdossier zou zeker verder verkend kunnen worden. Het initiatief daartoe ligt in eerste instantie bij de branches zelf. Immers de implementatie van het Ondernemingsdossier wordt gerealiseerd door de betrokken publieke en private organisaties. Het ministerie van Economische Zaken ondersteunt en faciliteert dit proces. Brancheorganisaties beslissen zelf welke meerwaarde het Ondernemingsdossier voor hun leden kan hebben en of zij het willen gaan invoeren. Zo heeft de bakkersbranche reeds besloten het Ondernemingsdossier in te gaan voeren. De slagersbranche verkent op dit moment de mogelijkheden.
Samen met VNO/MKB-Nederland worden momenteel alle geïnteresseerde branches geïnformeerd over de mogelijkheden van het Ondernemingsdossier. Indien sectoren uit de ambachtseconomie ook een verkenning willen doen, sta ik daar voor open. Ik zal de mogelijkheden voor specifieke acties richting ambachtelijke sectoren bespreken met VNO/MKB-Nederland.
Welke economische data zijn in het algemeen beschikbaar over en voor (branches in) de ambachtseconomie, waaruit ook het belang van de sector voor de Nederlandse economie blijkt?
De ambachtseconomie is niet eenduidig af te bakenen als onderdeel van de economie. Daarom kent iedere poging tot kwantificering van het economisch belang van de ambachten altijd zijn beperkingen. In de afgelopen jaren is een aantal rapporten verschenen dat inzicht geeft in het belang van de ambachtseconomie (zie onder andere EIM4en Ecorys5). Ook heeft het UWV in oktober 2013 een arbeidsmarktbeschrijving van de ambachtseconomie uitgebracht6.
Volgens de inmiddels vrij gangbare indeling telt de ambachtseconomie 774.000 banen (EIM, 2012). Dat is ongeveer 8 procent van het totaal aantal banen van werknemers en zelfstandigen in Nederland. Vermelding verdient dat van de ongeveer 774.000 banen in de ambachtseconomie er circa 252.700 behoren tot de bouw en de afbouw.
Op het niveau van de branches binnen de ambachtseconomie is veel informatie beschikbaar. Zo is er via het CBS informatie beschikbaar over beroepen en bedrijven op gedetailleerd niveau. Deze informatie is te raadplegen via onder andere statline, maar ook via persberichten van het CBS. Ook de economische bureaus van Nederlandse banken beschikken over veel informatie over branches, bijvoorbeeld over de kappersbranche en (onderdelen van) de bouwsector.
Richting de toekomst zal de noodzaak en de (financiële) haalbaarheid worden onderzocht om structureel informatie over de ambachtseconomie als geheel bij te houden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen binnen de vernieuwde datavoorziening van het Programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap, dat vanaf 2015 door het CBS zal worden verzorgd. Hierover vinden nog dit jaar gesprekken plaats met belanghebbenden.
Welke activiteiten worden op dit moment via de Ondernemerspleinen ontplooid die specifiek gericht zijn op starters en ondernemers in de ambachtseconomie?
Specifiek voor de ambachtseconomie zijn er ingangen gemaakt op ondernemersplein.nl. Zo is er voor de kappersbranche een aparte ingang voor de persoonlijke dienstverlening met informatie voor deze sector. Deze ingang is te vinden op: http://www.ondernemersplein.nl/brancheinformatie/persoonlijke-dienstverlening. Op basis van input vanuit bedrijven zal deze ingang verder worden doorontwikkeld. Zo zal de informatie in de komende periode verder worden uitgebouwd in overleg met het Centrum voor Ambachtseconomie. Daarnaast is er onlangs een webinar gehouden voor starters en is er een grote hoeveelheid informatie voor ondernemers in de ambachtseconomie aanwezig op ondernemersplein.nl op voor hen relevante onderwerpen. Zo kan er informatie over financiële administratie of over arbeidsomstandigheden worden teruggevonden op ondernemersplein.nl.
De wijze waarop de regionale ondernemerspleinen zullen worden ingericht krijgt in de loop van dit jaar nader vorm. Dit zal in nauw overleg gebeuren met de regioraden die binnenkort van start gaan. De beschikbare dienstverlening en de daartoe benodigde expertise, ook op het gebied van de ambachtseconomie, zal zoveel mogelijk worden afgestemd op de regionale behoefte.
Hoe worden kennis en expertise van en over de ambachtseconomie bij (de medewerkers van) de fysieke Ondernemerspleinen bewaakt en vergroot?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de ambachtseconomie, gezien het belang dat het kabinet blijkens de reactie op het SER-advies Handmate in Holland eraan hecht, een hogere prioriteit toe te kennen binnen uw beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van de ambachtseconomie voor Nederland. Juist daarom heeft het kabinet in haar reactie op het SER-advies Handmade in Holland een aantal maatregelen aangekondigd om de ambachtseconomie te ondersteunen. Zo komt er meer aandacht voor praktische vaardigheden in het primair onderwijs, komt er meer aandacht voor ondernemersvaardigheden en vermindering van regeldruk en wordt uitbreiding van de
meester-gezel formule gestimuleerd. Ook verkent het kabinet of het haalbaar is om een nieuwe vak instelling voor uniek specialistisch onderwijs op te richten. Deze maatregelen bevorderen de belangstelling voor ambachtelijke beroepen en de continuïteit van het opleidingsaanbod voor kleine specialistische beroepen.
Het niet vervolgen van vluchtelingen met valse papieren |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vluchteling met vals paspoort gaat vrijuit in Nederland»?1
Ja.
Klopt het dat als gevolg van een arrest van de Hoge Raad, het Openbaar Ministerie geen vluchtelingen meer vervolgt als zij met valse papieren het land binnenkomen?
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een asielzoeker niet strafrechtelijk dient te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten.2 Dat betekent dat de asielzoeker niet strafrechtelijk kan worden vervolgd totdat onherroepelijk afwijzend op de asielaanvraag is beslist. Strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie is wel mogelijk na een onherroepelijke afwijzing van de asielaanvraag en wanneer de vreemdeling gebruik maakt van valse of vervalste reisdocumenten nadat hij in het bezit is gesteld van een asielverblijfsvergunning.
Deze praktijk is niet nieuw. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad uit 20123 vervolgt het Openbaar Ministerie in beginsel alleen nog zaken waarbij een vreemdeling in het bezit is van een vals of vervalst reisdocument als er een onherroepelijke en afwijzende uitspraak is op de eerste asielaanvraag. Met het verschijnen van het arrest van 3 juni 2014 zijn de mogelijkheden voor het Openbaar Ministerie om vreemdelingen met een vals of vervalst reisdocument te vervolgen niet veranderd.
Hoe duidt u de uitspraak van de Hoge Raad en hoe beziet u uw pogingen om überhaupt een eigen toelatingsbeleid te voeren, als zelfs vluchtelingen met valse papieren geen strobreed in de weg gelegd wordt?
Het arrest van de Hoge Raad ziet op de strafrechtelijke vervolging van vreemdelingen voor het gebruiken van valse of vervalste reisdocumenten. Het heeft geen directe gevolgen voor het toelatingsbeleid. Er moet immers een onderscheid worden gemaakt tussen de strafrechtelijke procedure en de vreemdelingrechtelijke procedure. Het feit dat een asielzoeker niet kan worden vervolgd voor het gebruik van een vals of vervalst reisdocument zolang niet onherroepelijk vast staat dat hij geen vluchteling is, staat los van de beoordeling van de toelatingsvraag. Voor de beoordeling van de asielaanvraag is en blijft van belang dat de asielzoeker ter staving van zijn aanvraag documenten, zoals een paspoort, overlegt als hij die bezit. Indien de asielzoeker ter staving van zijn asielaanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren overlegt en opzettelijk de echtheid daarvan volhoudt, kan dit aan hem worden tegengeworpen en kan dat leiden tot afwijzing van zijn asielverzoek.
Hoeveel vluchtelingen zullen als gevolg van deze uitspraak niet worden vervolgd en deelt u de vrees dat deze ontwikkeling zorgt voor een aanzuigende werking?
Zoals ik in antwoord twee heb aangegeven is strafrechtelijke vervolging wel mogelijk nadat de afwijzing van de asielaanvraag onherroepelijk is geworden en wanneer de vreemdeling zich schuldig maakt aan het gebruik van valse of vervalste reisdocumenten nadat hem een asielverblijfsvergunning is verleend. Ik verwacht dan ook geen aanzuigende werking van het arrest van de Hoge Raad.
Hoeveel asielzoekers niet strafrechtelijk worden vervolgd laat zich niet voorspellen aangezien ieder asielverzoek op de individuele merites wordt beoordeeld.
Bent u bereid om al het mogelijke te doen om deze uitspraak ongedaan te maken, zelfs als dat betekent dat het Vluchtelingenverdrag moet worden opgezegd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uitgangspunt van het kabinet is dat Nederland bescherming biedt aan personen die in het land van herkomst vervolging of onmenselijke behandeling vrezen conform de daartoe geldende internationale verdragen en internationaal recht. Het opzeggen van het Vluchtelingenverdrag verdraagt zich niet met dit uitgangspunt en is daarom niet aan de orde.
Het gesloten zorgakkoord met de vijf-partijencoalitie |
|
Renske Leijten , Hanke Bruins Slot (CDA), Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt de Kamer tekst van het op 5 juni jongstleden gesloten zorgakkoord, inclusief de financiële onderbouwing, sturen?1
Over de uitwerking van het eerder met de fracties van VVD, PvdA, D66, CU en SGP gesloten principe-akkoord over het wetsvoorstel waarin artikel 13 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gewijzigd wordt, zijn op 5 juni jongstleden nadere afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de partijen neergelegd in de door hen ingediende amendementen. Er is hiernaast geen sprake van een op schrift gesteld akkoord.
In de aanvullende hoofdlijnenakkoorden van juli 2013 voor de medische specialistische zorg (MSZ) en geestelijke gezondheidszorg (GGZ), zijn afspraken gemaakt over volumereductie. De doelstelling is om tot een structurele, landelijke volumegroei te komen van maximaal 1,5% in 2014, en van 1,0% in 2015 t/m 2017. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over het terugdringen van praktijkvariatie, spreiding en concentratie van zorg, substitutie van 2e naar 1e lijn en ambulantisering. Om de doelstellingen uit deze akkoorden te kunnen realiseren is afgesproken dat artikel 13 van de Zvw wordt gewijzigd waardoor verzekeraars de ruimte krijgen om selectief op kwaliteit en prijs in te kopen. Deze gezamenlijke inspanningen leiden tot een besparing van € 250 miljoen in 2014 oplopend tot € 1 miljard vanaf 2017 en maken onderdeel uit van het in de Miljoenennota 2014 gepresenteerde «€ 6 miljard-pakket».
Is het Ministerie van Financiën betrokken geweest bij deze financiële onderbouwing? Zo neen, waarom niet?
De wijziging van artikel 13 Zvw maakt onderdeel uit van de afspraken in het kader van de aanvullende hoofdlijnenakkoorden van juli 2013. Deze zijn, als onderdeel van het € 6 miljard-pakket» gepresenteerd in de Miljoenennota 2014. Het Ministerie van Financiën is hierbij betrokken geweest.
Is de financiële onderbouwing doorgerekend door het Centraal Planbureau (CPB)? Zo ja, kunt u het oordeel van het CPB naar de Kamer sturen? Zo neen, waarom niet?
Het Centraal Planbureau heeft in haar Macro Economische Verkenningen 2014 gerekend met de effecten van het «€ 6 miljard-pakket». De wijziging van artikel 13 van de Zorgverzekeringswet maakt daar onderdeel van uit.
Kunt u aangeven welke zorgorganisaties betrokken zijn geweest bij het opstellen van het zorgakkoord? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wilt u een lijst met gesprekpartners naar de Kamer sturen?
Er zijn geen zorgorganisaties betrokken geweest bij het akkoord op 5 juni jongstleden, het zijn afspraken tussen VVD, PvdA, D66, CU en SGP.
De hoofdlijnenakkoorden voor de MSZ en GGZ, waarin de wijziging van artikel 13 Zvw als voorwaarde is opgenomen voor het realiseren van de doelstellingen in de akkoorden, zijn tot stand gekomen met en ondertekend door koepels van zorgaanbieders (NVZ, NFU, ZKN, OMS, GGZ N, NVvP, NVVP, NIP, Platform MEER GGZ, LVE, LVG, V&VN), de koepel van zorgverzekeraars (ZN) en de patiënten/cliëntenorganisaties NPCF en LPGGz.
Kunt u uw oordeel over de ingediende amendementen bij wetsvoorstel 33 362 voor de wetsbehandeling aan de Kamer sturen? Zo neen, waarom niet?
De amendementen bij het wetsvoorstel 33 362, nrs. 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 zie ik als een ondersteuning van mijn beleid, omdat deze amendementen waarborgen dat zorgverzekeraars voldoende transparantie bieden over het inkoopproces en inkoopbeleid en over de vergoeding die van toepassing is bij niet-gecontracteerde zorg. Ik acht deze transparantie van belang voor de werking van het stelsel. Transparantievergroting is reeds onderdeel van de hoofdlijnenakkoorden en wordt via de amendementen wettelijk verankerd. Tevens waarborgen deze amendementen dat de ontwikkelingen rondom zorginkoop en naar aanleiding van de wijziging van artikel 13 worden gemonitord door de NZa en tevens twee jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Ik zie de amendementen als een wenselijke aanvulling van de aanscherpingen die ik met de wijziging van artikel 13 Zvw beoog.
Ook amendement 33 362 nr. 11 zie ik als ondersteuning van mijn beleid. Dit amendement regelt dat zorgverzekeraars ook transparant moeten zijn (zes weken voor het nieuwe kalenderjaar) over de verschillen in het gecontracteerde zorgaanbod ten opzichte van het lopende kalenderjaar. Deze transparantie is in het belang van de verzekerde.
Met de amendementen 33 362 nrs. 6 en 14 wordt de voorgestelde wijziging van artikel 13 Zvw ongedaan gemaakt. Gezien het belang van de wijziging van art 13 Zvw ontraad ik deze amendementen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire wetsbehandeling?
Ja.
Het bericht dat cybercrime Nederland jaarlijks 8,8 miljard euro kost |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Cybercrime kost Nederland 8,8 miljard euro per jaar», het bericht «Nadelen internet worden te groot» en het bericht «Bedrijven komen in actie tegen digitaal onheil»?1 2 3 Heeft u voorts kennisgenomen van het rapport «Net Losses: Estimating the Global Cost of Cybercrime, Economic impact of cybercrime II»?4
Ja.
Acht u de conclusie uit het hierboven genoemde rapport juist dat cybercrime in Nederland jaarlijks een verliest oplevert van 1,5% van het Bruto Nationaal Product (BNP)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en over welke cijfers beschikt u?
De economische schade als gevolg van cybercrime is lastig te becijferen. Ik kan de gegevens daarom niet bevestigen. Het rapport meldt dat vooral de verschillen in de grondigheid van de registratie de variaties tussen landen verklaren. Daarnaast behoort de Nederlandse digitale infrastructuur tot de beste van de wereld, maken Nederlanders gemiddeld veel gebruik van digitale diensten ten opzichte van andere landen en gebruikt veel internationaal internetverkeer de Nederlandse infrastructuur. Ook dat kunnen redenen zijn de gevolgen van cybercrime in Nederland naar verhouding hoog in te schatten. Het rapport bevat bovendien een ruime omschrijving van cybercrime.
Weet u waarom het verlies ten gevolge van cybercrime uitgedrukt in een percentage van het BNP in Nederland relatief hoog is? Zo ja, wat zijn de oorzaken van dit hoge percentage? Zo nee, waarom weet u dit niet en acht u het alsnog vergaren van dergelijke kennis relevant voor een gerichte aanpak van cybercrime in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat cybercrime niet alleen het belang van het Nederlandse bedrijfsleven raakt, maar ook het publieke belang van onze nationale economie? Zo ja, betekent dit dat meer dan nu het geval de overheid een grotere rol op zich zou moeten nemen in de bestrijding van cybercrime? Zo nee, waarom niet?
Ja. De mogelijkheden van het internet zijn voor Nederlandse burgers, bedrijven en de overheid van groot belang. Cybercrime heeft niet alleen directe schade voor de betrokkenen tot gevolg, maar leidt ook tot schade voor de samenleving en de economie als geheel. Zo vormen digitale spionage en sabotage een bedreiging voor de nationale veiligheid en economie. Cybercrime ondergraaft het vertrouwen in het internet en digitale dienstverlening in het algemeen. Daarom besteedt de Nederlandse regering veel aandacht aan cyber security. Op 28 oktober 2013 heb ik namens het kabinet de tweede Nationale Cyber Security Strategie (NCSS) aan uw Kamer gestuurd. Daarin heb ik gemeld dat de overheid een meer nadrukkelijke rol zal gaan spelen in het cyberdomein, enerzijds door zelf te investeren in de veiligheid van de eigen netwerken en diensten en anderzijds door partijen bij elkaar te brengen en beschermend op te treden als bijvoorbeeld de veiligheid van bedrijven of burgers wordt bedreigd. Verder zal de overheid waar nodig kader- en normstellend optreden.
De politie en het OM hebben de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het opbouwen van de capaciteit voor de opsporing en vervolging van cybercrime. De politie heeft met het Team High Tech Crime een kundige capaciteit voor de opsporing van cybercrime opgebouwd en werkt nu aan de verdere uitbreiding en professionalisering daarvan. Ook is de opbouw van digitale expertise in de regionale eenheden van de politie voorzien. Bij het OM zijn speciale officieren belast met de vervolging van cybercrime en zij hebben daarvoor een aanvullende opleiding genoten.
De AIVD heeft in het kader van de nationale veiligheid de afgelopen jaren het onderzoek naar digitale aanvallen gericht op spionage en sabotage geïntensiveerd. Inzicht in digitale aanvallen wordt gedeeld met getroffen partijen en ingezet ten behoeve van een betere detectie en preventie. De AIVD informeert de overheid en samenleving over digitale dreigingen en geeft advies over informatiebeveiliging.
Tenslotte heb ik in het voorjaar het wetsvoorstel Computercriminaliteit III voor advies aan de Raad van State gezonden. Dit wetsvoorstel beoogt onder meer de bevoegdheden van de politie voor de bestrijding van cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit te versterken.
Hoe is de regie over de verschillende overheidsdiensten en de samenwerking tussen de Ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Veiligheid en Justitie geregeld als het om digitale beveiliging en de afstemming met het bedrijfsleven ten aanzien van cybercrime gaat?
De ministeries van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Veiligheid en Justitie hebben een hechte samenwerking op het gebied van cyber security. Er zijn op diverse niveaus periodieke overleggen en de activiteiten van de ministeries worden, vanuit de eigen verantwoordelijkheid van elke organisatie, op elkaar afgestemd. In mijn rol als coördinerend bewindspersoon voor cyber security ben ik verantwoordelijk voor die samenwerking. Daarnaast zoeken de betrokken ministeries actief de samenwerking met private partners.
De totstandkoming van de tweede NCSS is een voorbeeld van de samenwerking tussen de overheid en private partners. Private partners waren vertegenwoordigd in het redactieteam van de strategie. Daarnaast zijn ten behoeve van de strategie twee brede bijeenkomsten georganiseerd om zo veel mogelijk inhoudelijke bijdragen van private partijen te betrekken.
Wat is uw mening over het feit dat de overheid geen deelnemer is aan het de Nationale anti-DDoS Wasstraat (project NaWas) dat DDoS-aanvallen moet weren?
Het Project Nationale anti-DDoS Wasstraat, ofwel project Nawas, is een privaat en gezamenlijk initiatief van diverse providers om een gezamenlijke voorziening in te richten om een overvloed aan verkeer, zoals plaatsvindt bij DDoS-aanvallen, te schonen. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is vanuit haar rol als netwerkpartner en stimulator van ontwikkelingen in het cyber securityveld voorstander van het ontwikkelen van business cases door private partijen die bijdragen aan digitale veiligheid, en volgt deze met aandacht. Het is uiteindelijk aan klanten, publiek en privaat, om de afweging te maken of deze dienst wordt afgenomen. Het NCSC ondersteunt daar waar mogelijk en noodzakelijk initiatieven op het gebied van digitale veiligheid.
Deelt u de mening dat naar het voorbeeld van het stelsel bewaken en beveiligen van personen en gebouwen er ook een stelsel bewaken en beveiligen zou moeten zijn waarin duidelijk wordt vastgelegd in hoeverre bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor hun beveiliging tegen cybercrime en wanneer daar een taak van de overheid ligt? Zo ja, is een dergelijk stelsel er al, door wie wordt dat uitgevoerd en op basis van welke concrete regelgeving gebeurt dat? Zo nee, acht u een dergelijk stelsel wenselijk en hoe en op welke termijn gaat u dit vormgeven?
Ten aanzien van verantwoordelijkheden op het terrein van cybersecurity geldt, analoog aan het fysieke domein, dat bedrijven primair een eigen verantwoordelijkheid kennen op het gebied van informatiebeveiliging. De afgelopen jaren is ingezet op het borgen van sectorale verantwoordelijkheden en het realiseren van een sluitend stelsel van sectorale regelgeving en interventiemogelijkheden in verband met cybersecurity. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brieven van 23 december 2011 en 6 juli 2012.5 Verder verwijs ik kortheidshalve naar de tweede NCSS.
Herkent u het beeld dat bedrijven die slachtoffer zijn geworden van cybercrime terughoudend zijn in het doen van aangifte, bijvoorbeeld vanwege de vrees van reputatieschade? Zo ja, wat gaat u doen om deze aangiftebereidheid te vergroten en in hoeverre is het doen van anonieme aangifte een mogelijkheid om deze aangiftebereidheid te vergroten?
De vrees voor reputatieschade kan in bepaalde gevallen voor bedrijven een overweging zijn om geen ruchtbaarheid te geven aan een cyberaanval. In nauwe samenwerking tussen publieke en private partijen is binnen de bewustwordingscampagne «Stopcybercrime.nu» van MKB-Nederland een hulpknop ontwikkeld waar informatie over typen cybercriminaliteit op één punt vindbaar is en waar bedrijven die slachtoffer zijn of denken te zijn geworden direct een handelingsperspectief wordt geboden. Daarbij wordt ook de mogelijkheid van het doen van een melding of aangifte toegelicht. Verder is het versterken van het intake- en registratieproces van aangiften cybercrime een actiepunt uit de tweede NCSS.
Het tijdens een strafrechtelijk onderzoek en strafproces (tot op zekere hoogte) afschermen van de identiteit van een aangever is in beginsel alleen mogelijk als er sprake is van een uitzonderlijke, bedreigende situatie jegens de aangever.
Naast het inzetten van het strafrecht maken andere interventiemethoden deel uit van een integrale aanpak van cybercrime. Daarbij werken publieke ketenpartners en private partijen samen. Bij het NCSC kunnen bijvoorbeeld cyberincidenten vertrouwelijk worden gemeld, zodat andere organisaties kunnen worden geïnformeerd en (verdere) schade kan worden voorkomen. Het NCSC kan organisaties bovendien begeleiden en adviseren in de afhandeling van een cyberincident.
In hoeverre is de huidige wijze van strafrechtelijke vervolging nog geschikt om cybercriminelen aan te pakken die misdrijven over de hele wereld plegen?
Cybercrime is bij uitstek een grensoverschrijdend probleem. Door internationale samenwerking bij de opsporing van cybercrime zijn inmiddels stevige successen geboekt. De internationale opsporing en vervolging is niet (enkel) afhankelijk van het bestaan van bilaterale rechtshulp- of uitleveringsverdragen. Het multilaterale Cybercrimeverdrag uit 2001, gesloten in het kader van de Raad van Europa, bevat afspraken voor het strafbaar stellen van bepaalde vormen van cybercrime en voor wederzijdse hulp bij de opsporing en de vervolging. Inmiddels zijn 42 landen aangesloten bij het verdrag. Nederland ondersteunt de Raad van Europa bij het onder de aandacht brengen van het cybercrimeverdrag bij landen die nog niet zijn aangesloten. Overigens zijn er ook niet-aangesloten landen waarvan de nationale wetgeving wel in lijn is met het Cybercrimeverdrag. Als internationale samenwerking vanwege georganiseerde cybercrime aan de orde is, kan daarnaast het VN-verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (UNTOC-verdrag) dienen als rechtsbasis voor rechtshulpverlening of uitlevering. Bij dit verdrag zijn 176 landen aangesloten. Vanwege deze verdragen is er geen aanleiding om vervolging en uitlevering van cybercriminelen te betrekken bij onderhandelingen over handelsverdragen. Dit onderwerp sluit bovendien niet aan op het bereik en de inhoud van onderhandelingen over handelsverdragen.
Om de internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van cybercrime te versterken wil Nederland een voortrekkersrol vervullen om te komen tot een verdere harmonisering van de wetgeving op dit gebied. Overigens zal het bereiken van internationale consensus hierover nog de nodige tijd vergen. Verder ondersteunt Nederland in het kader van het Cybercrimeverdrag projecten voor capaciteitsopbouw in landen waar dat nodig is. Inzetbare, kundige capaciteit is immers een basisvoorwaarde voor het daadwerkelijk opsporen en vervolgen van (grensoverschrijdende) cybercrime. De doelgroep hiervan zijn de landen die zich willen aansluiten of onlangs hebben aangesloten bij het cybercrimeverdrag.
In hoeverre levert het gebrek aan een uitleververdrag met sommige landen cybercriminelen in die landen een vrijhaven op voor hun activiteiten? Acht u het wenselijk om in onderhandelingen over handelsverdragen met die landen ook aandacht te schenken aan de mogelijkheid van (internationale) vervolging en van uitlevering van cybercriminelen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
De betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van een woning van de koning in Griekenland |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Staat beveiligt haven vakantiehuis Oranjes» en «Ophef in Griekenland over «illegale» bouw privéhaven Willem-Alexander»?1 2
Ja.
Op welke wijze kan de Nederlandse staat in zijn algemeenheid betrokken zijn bij de beveiliging van leden van het Koninklijk Huis of hun woningen in het buitenland? Tot hoe ver gaat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat en waar begint de verantwoordelijkheid van de leden van het Koninklijk Huis zelf?
De rijksoverheid heeft een bijzondere verantwoordelijkheid voor een beperkte groep personen, objecten en diensten vanwege het nationale belang dat met hun veiligheid en hun ongestoord functioneren is gemoeid. Dit is vastgelegd in de Politiewet 2012. De leden van het koninklijk huis behoren tot deze beperkte groep. Deze verantwoordelijkheid wordt ook ingevuld bij privé- of officiële verblijven in het buitenland in afstemming met de beveiligingsinstanties van het «gastland».
In hoeverre is de aankoop van een vakantiewoning in het buitenland louter een privékwestie van de Koning indien daaruit vergaande verplichtingen van de Nederlandse staat ten aanzien van de beveiliging voortvloeien?
De aan- en verkoop van een vakantiewoning door een lid van het koninklijk huis is een privéaangelegenheid die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt. Voorafgaand aan de aankoop van de woning in Griekenland heeft een positieve beoordeling van de beveiligingsaspecten door Veiligheid en Justitie plaatsgevonden, waaronder de beveiliging van de perimeter. De Koning en zijn gezin worden altijd beveiligd, thuis en elders, in hun persoonlijke levenssfeer en functionele activiteiten. Ik verwijs u naar de voorlichting van de Raad van State van 23 december 2010 Deze voorlichting is overgenomen in de kabinetsreactie hierop van 24 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 791, nr. 1, p. 17–18).
Bevat het eerstgenoemde bericht feitelijke onjuistheden ten aanzien de bemoeienis van de Nederlandse overheid bij het plaatsen van hekken, de aanleg van een haven of het bouwen van een huis? Zo ja, wat is er onjuist?
Ten behoeve van de beveiliging van de Koning, zijn gezin en hun omgeving is, naast voorzieningen in de woning, op het terrein een bijgebouw gerealiseerd. Verder wordt een beveiligingshek gerealiseerd. Ook is uit veiligheidsoverwegingen besloten de reeds aanwezige houten steiger te vervangen door een betonnen steiger. Voor deze activiteiten zijn de benodigde vergunningen en/of toestemmingen verleend door de Griekse overheden. De kosten voor de beveiliging komen voor rekening van de staat. Met betrekking tot het privégebruik van de steiger vindt verrekening plaats op basis van schriftelijk overeengekomen afspraken.
Bezit de Nederlandse staat grond die grenst aan een privéwoning van de Koning in Griekenland? Zo ja, waarom?
Nee, er is een recht van erfdienstbaarheid gevestigd op een beperkte strook land rondom de vakantiewoning voor het plaatsen en onderhouden van een beveiligingshek.
Kunt u – zonder de veiligheid van de bewoners en anderen in gevaar te brengen – een schets geven van de betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van het genoemde huis van de Koning? Op welke begroting worden de kosten voor deze beveiliging verantwoord?
De minister van Veiligheid en Justitie bepaalt welke personen en objecten in aanmerking komen voor beveiliging alsmede het niveau van beveiliging. Ondermeer de minister van Veiligheid en Justitie heeft een budget voor de beveiligingsuitgaven op zijn begroting staan. De uitgaven voor beveiliging worden niet toegerekend naar de objecten of personen omdat dit ongewenste veiligheidsrisico’s kan opleveren. De begroting specificeert niet of de uitgaven voor beveiliging betrekking hebben op bijvoorbeeld leden van het kabinet, van de Kamers der Staten-Generaal of van het koninklijk huis.
Wat is uw reactie op het verwijt van de lokale Griekse beweging «De Interventie van Burgers van Ermionida» die spreken over «milieu-onvriendelijk gedrag van vertegenwoordigers van een buitenlandse staat die in Griekenland te gast zijn» en de vraagtekens die deze beweging zet «bij het recht van een buitenlandse staat om een haven in een vreemd land in handen te hebben»?
Voor de in het antwoord op vraag 4 genoemde activiteiten ten behoeve van de beveiliging van de Koning, zijn gezin en hun omgeving zijn de benodigde vergunningen en/of toestemmingen verleend en gepubliceerd door de Griekse overheden.
Het bericht ‘Ruim baan voor verkeershufters’ en ‘Oom agent is onzichtbaar’ |
|
Barbara Visser (VVD), Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Ruim baan voor verkeershufters» en «Oom agent is onzichtbaar»?1
Ja.
Klopt de informatie dat het aantal staandehoudingen in het verkeer de laatste vier jaar is gehalveerd? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en heeft deze dalende trend zich in 2014 verder voortgezet? Hoe verhouden deze cijfers zich tot de inzet op het verbeteren van de verkeersveiligheid op het hoofdwegennet en het onderliggend wegennetwerk?
Het handhaven van de verkeersveiligheid is en blijft een belangrijke taak van de politie.
Op 18 november 20132 heb ik aan de Kamer gemeld dat ik per 1 januari 2015 een hardere aanpak van de veelpleger in het verkeer zal invoeren. Ik zal daarvoor een aantal zogenoemde «Mulderfeiten» uit de wet Mulder (WAHV) halen en deze naar het strafrecht overbrengen. Hierdoor wordt het mogelijk om begane overtredingen te registreren en, na herhaald plegen, een zwaardere sanctie toe te passen. Ik zal u op korte termijn nader informeren over de voorbereidingen voor deze nieuwe veelplegeraanpak.
Het staande houden van overtreders is slechts één van de middelen van de politie om de verkeersveiligheid te handhaven en te verbeteren. Naast staande houdingen is hierbij onder meer het gebruik van trajectcontrolesystemen, flitspalen, mobiele radersets en laserguns van belang. Deze leveren een positieve bijdrage aan de verkeersveiligheid en worden zowel op het hoofdwegennet als op het onderliggend wegennetwerk ingezet. Dat blijft ook zo in 2014. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de onopvallende, met video uitgeruste, politievoertuigen die zich met name richten op het gedrag van veelplegers van verkeersovertredingen. Kortom, ik deel de mening niet dat verkeershufters ruim baan krijgen.
Over 2013 is weer een stijgende lijn te zien ten aanzien van de staandehoudingen. In 2013 zijn er ruim 50.000 mensen meer staande gehouden na een verkeersovertreding dan in 2012. Over de periode 2010 – 2013 is er inderdaad sprake van een teruggang. Het is nog te vroeg om concrete uitspraken over 2014 te doen.
Dit is overigens geen nieuwe ontwikkeling. Over de achtergrond van de teruggelopen staandehoudingen stuurde ik uw Kamer reeds in 20113 het onderzoek van het WODC dat daar verschillende redenen voor gaf.
Deelt u de mening dat verkeershufters ruim baan krijgen? Hoe verhoudt voornoemde berichtgeving zich tot de (voorgenomen) intensieve aanpak van verkeershufters? Kunt u hierbij tevens ingaan op de voortgang van het nieuwe beleid met betrekking tot de aanpak van verkeershufters?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze u invulling geeft aan de (gepercipieerde) pakkans en of er sprake is van een dalende pakkans?
De gepercipieerde pakkans wordt bepaald door de verschillende handhavingsmiddelen die de politie inzet. Staandehoudingen zijn van belang, alsmede de elektronische handhavingsmiddelen: flitspalen, trajectcontroles, mobiele radarsets etc. De politie streeft ernaar de feitelijke pakkans op de zogenoemde Helmgrasfeiten (helm, gordel, rood licht, alcohol, snelheid) zo hoog mogelijk te laten zijn, onder meer door informatiegestuurde inzet op onveilige wegvakken. Dit houdt in dat de politie handhaaft op die plaatsen en tijdstippen waar het effect van het optreden optimaal is.
Tevens wil de politie door zichtbare staandehoudingen en het voeren van mediabeleid (bijvoorbeeld medewerking aan het tv-programma «Wegmisbruikers») actief bijdragen aan (en beïnvloeden van) de pakkans bij de overige weggebruikers. Op deze manier wordt de gepercipieerde pakkans met de hiertoe beschikbare middelen zo hoog mogelijk gehouden.
Hoe oordeelt u over de uitspraken van voormalig verkeersofficier Koos Spee dat het lijkt of verkeerscriminaliteit niet mag worden aangepakt en dat het in ieder geval geen prioriteit heeft?
Automobilisten mogen zich beslist niet onaantastbaar wanen. De inzet van de politie is er zeker op gericht om weggebruikers die de regels overtreden en een gevaar zijn voor de verkeersveiligheid, aan te pakken. Daarom worden technische hulpmiddelen ingezet zoals flitspalen, trajectcontrolesystemen en mobiele radarsets, waardoor aan de hand van het kenteken verkeersovertredingen worden geregistreerd. Dit biedt ruimte voor de politie om zich ook op andere overtredingssoorten te richten. Zo handhaaft de politie ook op basis van eigen waarneming, bijvoorbeeld aan de hand van onopvallende (met video uitgeruste) politieauto’s.
De hoge handhavingsintensiteit (24 uur; zeven dagen in de week) van de digitale flitspalen en trajectcontrolesystemen leidt aantoonbaar tot aanpassing van gedrag, bijvoorbeeld het verlagen van de snelheid en het minder negeren van het rode licht. Dat vergroot op die plaatsen de verkeersveiligheid.
Ik herken mij dan ook niet in het beeld van de voormalige verkeersofficier. Zoals ik al heb aangegeven, is het handhaven van de verkeersveiligheid een belangrijke taak van de politie. De capaciteit van de verkeershandhavingsteams is met de komst van de Nationale Politie gelijk gebleven. Ik verwijs tevens naar de beantwoording van vragen 3 en 4.
Hoe oordeelt u voorts over de uitspraak van Koos Spee dat verkeersovertredingen prima via het kenteken kunnen worden aangepakt maar dat automobilisten zich op andere terreinen onaantastbaar wanen? Zorgen flitspalen en trajectcontroles er niet juist voor dat de politie zich op ander wangedrag in het verkeer kan richten? Kunt u een nadere reactie geven op de toegevoegde waarde van flitspalen en trajectcontroles en de inzet en prioriteiten voor de politie in het verkeer?
Zie antwoord vraag 5.
De betrokkenheid van de Nederlandse staat bij de beveiliging van een woning van de Koning in Griekenland |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt het beroep van de Grieken op het openbaar belang zich tot uw eerdere stelling, in een brief van 16 januari 20121, dat de aan- en verkoop van een vakantiewoning van een lid van het Koninklijk Huis een privéaangelegenheid is en in principe het openbaar belang niet raakt?
De aan- en verkoop van een vakantiewoning door een lid van het koninklijk huis is een privéaangelegenheid die als zodanig in principe het openbaar belang niet raakt. Voorafgaand aan de aankoop van de woning in Griekenland heeft een positieve beoordeling van de beveiligingsaspecten door Veiligheid en Justitie plaatsgevonden, waaronder de beveiliging van de perimeter. De Koning en zijn gezin worden altijd beveiligd, thuis en elders, in hun persoonlijke levenssfeer en functionele activiteiten. Ik verwijs u naar de voorlichting van de Raad van State van 23 december 2010 Deze voorlichting is overgenomen in de kabinetsreactie hierop van 24 mei 2011 (Kamerstukken II 2010/11, nr. 32 791, nr. 1, p. 17–18).
De integratie van de Luchtmobiele Brigade in het Duitse leger |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders onder Duits bevel»?1
Ja.
Deelt u de mening van onder andere de oud-Minister van Defensie, Hans Hillen, dat deze integratie een eerste stap is naar een Europees leger? Zo ja, waarom drukt u de vorming van een Europees leger door, terwijl u eerder aangaf dat u dit niet zag zitten? Is het eigenlijk niet zo dat u met een salamitactiek, stapje voor stapje, Nederland een Europees leger in rommelt?
Van de vorming van een Europees leger, dat wil zeggen een leger dat wordt ingezet op grond van een besluit van een Europese instelling, is geen sprake. Europese landen werken intensief samen op defensiegebied, onder meer in het kader van de EU en de Navo, maar elk land beslist zelf over de inzet van de eigen eenheden. Wel streven de Europese landen naar de intensivering van de defensiesamenwerking. In de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 december 2013 zijn daarover concrete aanwijzingen opgenomen. Het gaat in hoofdzaak om de verhoging van de effectiviteit en de zichtbaarheid van het Gemeenschappelijke Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB), de gezamenlijke capaciteitenontwikkeling en de versterking van de defensiemarkt en -industrie. In mijn brief van 11 februari jl. ben ik hierop nader ingegaan (Kamerstuk 21 501-28, nr. 108).
In mei 2013 heb ik samen met mijn Duitse ambtgenoot de Declaration of Intent (DoI) getekend over de verdieping van de defensiesamenwerking (Kamerstuk 33 279, nr.2. In de DoI hebben wij afgesproken dat beide landen krijgsmachtbreed zullen onderzoeken waar verdieping van de samenwerking mogelijk is, tot de integratie van eenheden aan toe. De integratie van de Luchtmobiele Brigade in de Duitse Division Schnelle Kräfte,waarvan het voornemen reeds in de DoI was vermeld, is hiervan een belangrijk resultaat. Ook bij de integratie van eenheden geldt echter dat Duitsland en Nederland elk het laatste woord hebben over de inzet van de eigen militairen.
Deelt u ook de mening van defensiespecialist Rob de Wijk dat bij deze samengestelde eenheden de Nederlandse soevereiniteit is beperkt, omdat een gezamenlijke eenheid ook een gezamenlijke inzet veronderstelt en er in de praktijk dus beperkingen zijn aan onze eigen zeggenschap om militairen wel of niet in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Defensiesamenwerking hoeft niet op gespannen voet te staan met soevereiniteit. Het begrip «soevereiniteit» had vroeger een beperkte betekenis en hield in de exclusieve zeggenschap over het eigen territorium en de eigen middelen. Tegenwoordig wordt onder «soevereiniteit» ook verstaan het vermogen om handelend te kunnen optreden. Voor dat handelingsvermogen zijn capaciteiten noodzakelijk. Defensiesamenwerking waarbij landen gezamenlijk capaciteiten opbouwen, vergroot het handelingsvermogen en daarmee de soevereiniteit.
Wel moeten partners op elkaar kunnen rekenen. Nederland zal intensieve samenwerkingsverbanden bij voorkeur aangaan met partners met een geringe (geo-)politieke afstand tot ons land en met een vergelijkbare politieke cultuur. Zoals ik eerder naar voren heb gebracht, is het van groot belang dat niet alleen de regeringen maar ook de parlementen onderling een intensieve dialoog voeren om daarmee de vertrouwensband nog verder te versterken.
Wilt u werkelijk de geschiedenis ingaan als de Minister van Defensie die vanwege budgettaire redenen de zeggenschap over de inzet en de gereedstelling van onze krijgsmacht overdraagt aan een ander land?
Hiervan is geen sprake. Bezuinigen en versterken van de internationale samenwerking liggen niet in elkaars verlengde. Bij defensiesamenwerking gaat de kost veelal voor de baat uit. Als partners de indruk krijgen dat Nederland wil samenwerken om te kunnen profiteren van de capaciteiten van een ander, en dus free rider gedrag vertoont, zal het snel gedaan zijn met de bereidheid om met ons in zee te gaan. Samenwerking kan alleen succesvol zijn als elke partner een aanzienlijke bijdrage levert en in voldoende mate profiteert van de voordelen.
Is het niet veel verstandiger om fors te investeren in onze eigen defensie, zodat Nederland beschikt over een sterke soevereine krijgsmacht, die geheel onder Nederlands bevel kan blijven acteren? Zo ja, bent u bereid om zo snel mogelijk vijf miljard euro extra te investeren in de Nederlandse defensie zodat ons land ook aan zijn NAVO-verplichtingen voldoet? Zo nee, waarom niet?
In de nota In het belang van Nederland heb ik uiteengezet dat onze veiligheidsbelangen verknoopt zijn met de wereld om ons heen. Nederland is niet in staat op eigen kracht zijn veiligheid te garanderen. Voor de gemeenschappelijke veiligheid van de partners in de Navo en de EU is het noodzakelijk om samen met andere landen te kunnen optreden in grotere verbanden. Dit vereist een hoge mate van interoperabiliteit, niet alleen op materieelgebied maar ook in doctrines en bij de voorbereiding op inzet. Daarnaast kunnen de landen van de Navo en de EU alleen gezamenlijk de onderkende tekorten aan militaire capaciteiten aanvullen. Samenwerking kan leiden tot meer doelmatigheid en effectiviteit.
Het bericht dat Van der G. zijn leven niet zeker is |
|
Magda Berndsen (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Van der G. is leven niet zeker»?1
Ja.
Zijn er in het verleden serieuze bedreigingen tegen Van der G. geuit of pogingen tot liquidatie gedaan?
Het artikel gaat over de tijd dat Van der G. in detentie zat. Met de voorwaardelijke invrijheidstelling van Van der G. is er een situatie ontstaan die anders van aard is dan de periode in detentie. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van dreiging en risico die zou moeten leiden tot het nemen van beveiligingsmaatregelen wordt door de politie en door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een actueel veiligheidsbeeld opgesteld. Eventueel relevante signalen of gebeurtenissen uit het verleden worden hierin meegenomen. Over de mate en aard van dreiging en risico en over beveiligingsmaatregelen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. Dit zou veiligheidsrisico’s kunnen opleveren voor betrokkenen.
Wat was de rol van de ex-agent van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in de beveiliging rondom Van der G.?
Mij is niet bekend welke vermeende «ex- agent van de AIVD» heeft gesproken met de media noch wat zijn rol was.
Zijn de door de ex-agent van de AIVD gemelde zaken meegenomen in de beveiligingsanalyse?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de door de ex-agent geuite vermoedens dat Van der G. binnen enkele weken wat aangedaan wordt en de onthulling van zijn woonplaats reden voor aanpassing van de dreigingsanalyse en het instellen van extra beveiliging ten aanzien van Van der G.?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, indien u deze vragen niet in het openbaar kunt beantwoorden omwille van de veiligheid van Van der G., de Kamer hierover in beslotenheid te informeren?
Het artikel is voor mij geen aanleiding om gebruik te maken van de mogelijkheid de Tweede Kamer in beslotenheid te informeren.
Het bericht dat illegalen in Amsterdam de eigen bijdrage voor medicijnen terugkrijgen |
|
Sietse Fritsma (PVV), Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Illegalen 020 krijgen bijdrage»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat illegalen, die een wettelijke vertrekplicht hebben en dus niet in Nederland mogen zijn, ongelimiteerd en gratis medicijnen mogen afhalen terwijl ruim 800.000 Nederlanders niet eens hun eigen risico kunnen betalen?
In Nederland is het uitgangspunt dat illegalen en onverzekerbare vreemdelingen zelf verantwoordelijk zijn voor de betaling van de geleverde zorg. Zij kunnen immers geen zorgverzekering sluiten. Voor zover een onverzekerbare vreemdeling niet in staat is deze zorgkosten zelf te betalen, kunnen deze kosten vergoed worden op grond van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. De zorgverlener kan de declaratie voor behandeling (van de vreemdeling) indienen bij het Zorginstituut Nederland. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, dient de zorgaanbieder wel aan te tonen dat inspanningen zijn geleverd om de kosten te verhalen op de onverzekerbare vreemdeling.
Ook voor medicijnen geldt het uitgangspunt dat de kosten door de onverzekerbare vreemdeling zelf worden betaald. Indien zij daartoe niet in staat zijn, kan een apotheker de kosten op grond van de genoemde regeling declareren bij het Zorginstituut Nederland. Daarbij worden door het Zorginstituut Nederland de declaraties standaard met € 5,– gecorrigeerd vanuit de veronderstelling dat deze € 5,– door de illegaal en onverzekerbare vreemdeling zelf zal worden betaald. Apothekers dienen vanwege deze correctie op de declaratie dus een eigen bijdrage te vragen van € 5,– per geneesmiddel.
Uit het bericht heb ik opgemaakt dat de gemeente Amsterdam deze eigen bijdrage van € 5,– in voorkomende gevallen betaalt. In hoeverre gemeenten deze kosten voor eigen rekening nemen en hoe zij dit georganiseerd hebben, staat niet aan mij ter beoordeling. Ik meng mij niet in de bevoegdheden die lagere overheden hebben.
Erkent u dat de burgemeester van Amsterdam een afspraak schendt door naast illegalen opvang te bieden, nu ook gratis medicijnen uit te delen aan illegalen? Zo ja, hoe gaat u de burgemeester van Amsterdam ter verantwoording roepen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de burgemeester van Amsterdam dit nieuwe plan vooraf met u besproken? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Nee. Ik heb dit vernomen uit het nieuwsbericht.
Gaat u er nu eindelijk voor zorgen dat illegalen daadwerkelijk uit Nederland vertrekken en niet opgevangen of verzorgd worden door burgemeesters? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de reactie op het onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft uitgevoerd met betrekking tot achtergronden van variatie in de zelfstandige terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers2 is terugkeer voor het kabinet een belangrijke prioriteit. Om deze terugkeer te versterken worden door het kabinet diverse instrumenten ingezet. Zo wordt met het bieden van ondersteuning de zelfstandige terugkeer gestimuleerd. Verder wordt er binnen Europa samengewerkt om de terugkeer meer gezamenlijk aan te pakken. Ook wordt de samenwerking met derde landen gezocht om via die kant zowel zelfstandige terugkeer als gedwongen terugkeer verder te versterken.
De opmars van ISIS in het Midden-Oosten |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «ISIS zet opmars Noord-Irak voort»?1
Klopt het dat strijders van de extremistische islamitische groepering ISIS naast Mosul ook Tikrit en industriestad Baiji in het noorden van Irak hebben veroverd?
Klopt het voorts dat in Baiji een van de grootste olieraffinaderijen van Irak staat en dat deze nu in handen is van ISIS? Zo ja, wat zijn daar de gevolgen van?
Kunt u bevestigen dat ISIS een deel van de grens tussen Syrië en Irak de facto heeft opgeheven?
Kunt u bevestigen dat zeker 500.000 mensen de afgelopen dagen al uit hun huizen zijn gevlucht, naar aanleiding van de opmars van ISIS?
Deelt u de opvatting dat ISIS en aanverwante extremistische groeperingen in het Midden-Oosten een van de grootste bedreigingen vormen van stabiliteit in de regio?
Welke gevolgen heeft de nieuwe status quo, als de berichten kloppen, voor de regio? Kunt u in dit antwoord afzonderlijk ingaan op de gevolgen voor zowel Syrië, Irak als de Koerden?
In hoeverre zijn andere landen in de regio kwetsbaar voor de opmars van ISIS en aanverwante organisaties?
Op welke manier kan Nederland een bijdrage leveren aan het indammen van de opmars van extremistische groeperingen als ISIS? Kunt u aangeven of en in welke verbanden u voornemens bent deze zaken aan de orde te stellen?
Coulance voor kerkgenootschappen ten aanzien van de publicatieplicht voor ANBI’s |
|
Ed Groot (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is de constatering juist dat kerkgenootschappen pas vanaf 1 januari 2016 hoeven te voldoen aan de nieuwe voorwaarden voor een ANBI (Algemeen nut beogende instelling), zoals de publicatieplicht? Zo ja, waarom?
Voor ANBI’s geldt per 1 januari 2014 een wettelijke publicatieplicht op grond waarvan bepaalde gegevens via internet openbaar moeten worden gemaakt, waaronder het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer (RSIN). Dit nummer wordt toegekend door de Kamers van Koophandel. Voor alle ANBI’s die kerkgenootschap zijn geldt een overgangsregeling als zij via een groepsbeschikking als ANBI zijn aangewezen. Zij hoeven pas op 1 januari 2016 te voldoen aan de wettelijke publicatieplicht. Deze overgangsregeling houdt verband met het feit dat individuele kerkgenootschappen in veel gevallen niet beschikken over een eigen RSIN. Om hen in de gelegenheid te stellen een eigen RSIN aan te vragen en hun administratie daaraan aan te passen, is gekozen voor de overgangsregeling. Omdat de meeste kerkgenootschappen bij groepsbeschikking zijn aangewezen past de Belastingdienst de regeling in de praktijk toe op alle kerkelijke instellingen, ongeacht de geloofsrichting. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook moskeeën tot 1 januari 2016 de tijd hebben. De Belastingdienst heeft in 2007 een toezichtsconvenant gesloten met het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) waarbij 30 kerkgenootschappen zijn aangesloten die in het bezit zijn van ANBI-groepsbeschikkingen. De inhoud van dit convenant heeft geen relatie met de overgangsregeling. Door niet bij het CIO aangesloten kerkgenootschappen zijn geen verzoeken gedaan om een dergelijk convenant te sluiten.
Is het waar dat organisaties van andere geloofsrichtingen, zoals moskeeën, wel per 1 januari 2014 aan de nieuwe voorwaarden moeten voldoen? Zo ja, waarom wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende geloofsrichtingen? Heeft de Belastingdienst naast kerkgenootschappen op dit vlak ook convenanten gesloten met organisaties van andere geloofsrichtingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid ook andere geloofsrichtingen tot 1 januari 2016 de tijd te gunnen aan de nieuwe voorwaarden te voldoen, zodat niet langer met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welk percentage van de ANBI’s heeft nog niet aan de nieuwe voorwaarden voldaan? Van hoeveel organisaties is sinds de periode na 31 december 2013 als gevolg hiervan de ANBI-status ingetrokken? In hoeveel gevallen ging het hier om religieuze organisaties?
Van de circa 35.000 ANBI’s waarvoor de publicatieplicht per 1 januari 2014 geldt hebben ongeveer 2.000 niet voldaan aan het in oktober 2013 gedane verzoek en twee rappelleringen om aan de Belastingdienst hun webadres door te geven (peildatum 1 juli 2014). Van hen zal de ANBI-status in juli 2014 worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014. Het gaat daarbij niet om religieuze instellingen.
De aanwijzing Binnenveld in Veenendaal als Natura2000-gebied |
|
Rudmer Heerema (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeente Veenendaal gaat in beroep tegen aanwijzing Binnenveld als Natura 2000-gebied»?1
Ja.
Klopt het dat u een aanwijzing heeft gegeven om Binnenveld als Natura2000-gebied aan te wijzen?
Ja, het gebied is in april 2014 door mij aangewezen. Het besluit is, zoals wettelijk voorgeschreven, bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2014, 12056) en in landelijke en regionale kranten.
Heeft u in het proces om tot een aanwijzing te komen van het gebied Binnenveld als Natura2000-gebied contact gehad met de gemeente Veenendaal? Zo ja, wat was de uitkomst hiervan? Zo nee, waarom niet?
De gemeente heeft naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit in oktober 2009 een zienswijze ingediend. Er is eind 2013 een voorlichtingsavond gehouden over het beheerplan Binnenveld. Over het aanwijzingsbesluit Binnenveld is overleg gevoerd met de bij de uitvoering van het natuurbeleid betrokken overheden: de provincies Utrecht en Gelderland.
Hoe wordt de lokale situatie meegenomen in het besluit om Natura2000-gebieden aan te wijzen en hebben gemeenten hier nog een stem in?
Ecologische gegevens uit het gebied zijn doorslaggevend voor de vaststelling van de gebiedsbegrenzing en de aanwezige waarden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd. Doelformulering voor de aangewezen waarden wordt in belangrijke mate bepaald door de landelijke doelstellingen (zoals verwoord in het Natura 2000 doelendocument, 20062). De gebiedsspecifieke uitwerking (behoud dan wel herstel) is afhankelijk van de ecologische potenties en de (economische) haalbaarheid. Gemeenten hebben daarin geen directe stem gehad (afgezien van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen in het kader van de openbare voorbereidingsprocedure).
Wat is uw mening over de in het artikel genoemde bezwaren en vraagstukken?
Volgens het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal is onvoldoende duidelijk of de instandhoudingsdoelstellingen haalbaar zijn omdat de maatregelen om dit te bereiken nog niet zijn vastgesteld. Ik acht de in de aanwijzing opgenomen instandhoudingsdoelstellingen haalbaar. De te nemen maatregelen voor behoud en herstel van de habitattypen zijn voorbehouden aan het beheerplan. Het gaat hierbij niet alleen om de aard van de maatregelen maar ook waar en wanneer deze worden uitgevoerd. Het aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelen.
Om uit de ontstane impasse te komen heb ik de provincie Utrecht samen met de provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe de ruimte geboden een beheerplan op te stellen. De verwachting is dat deze bestuursorganen het beste in staat zijn de lokale omstandigheden en belangen te wegen. Er is veel tijd besteed aan het onderzoeken van maatregelen in het natuurgebied die zowel de natuurwaarden behouden en herstellen als op voldoende draagvlak in de streek kunnen rekenen. Dat onderzoek is bijna voltooid en het streven is om het beheerplan af te ronden in september.
Klopt het dat er nog geen haalbaar en betaalbaar beheerplan ligt en hoe zit het met de haalbaarheid en betaalbaarheid van uw plan?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er een concept-beheerplan heeft gelegen dat feitelijk onuitvoerbaar en onbetaalbaar was?
Er was een concept-beheerplan dat uitging van peilverhoging van de Grift (Valleikanaal). Dat was uitvoerbaar en betaalbaar, maar kon niet rekenen op draagvlak in de streek. Inmiddels is uit onderzoek gebleken dat peilverhoging van de Grift onvoldoende effect heeft in het natuurgebied. Er wordt nu gewerkt aan een combinatie van een systeem van win- en infiltratieputten direct in of naast het gebied met interne hydrologische maatregelen als het dempen van sloten.
Kunt u een reactie geven op het alternatieve plan dat door de provincies Gelderland en Utrecht is gepresenteerd, waarbij het aanbrengen van kwelputten de kern was en kunt u over dit alternatieve plan het gesprek aangaan met de regio?
Ik steun dit alternatieve plan en mijn ambtenaren zijn samen met het bestuur van de provincie Utrecht, provincie Gelderland en Waterschap Vallei en Veluwe in gesprek met de regio.
Kunt u met onder andere de gemeente Veenendaal in overleg gaan om gezamenlijk tot een oplossing te komen?
De provincie Utrecht is nu voortouwnemer voor het opstellen van het beheerplan. De provincie stelt dit beheerplan op in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe. Bij het opstellen van het beheerplan zullen de betreffende gemeenten worden betrokken.
Bent u op de hoogte van de instandhoudingsdoelstellingen die bij de Natura2000 toewijzing bij Binnenveld noodzakelijk zijn en hoe beoordeelt u de proportionaliteit van deze doelstellingen ten opzichte van de huidige situatie?
De instandhoudingsdoelstellingen zijn in het door mij vastgestelde aanwijzingsbesluit opgenomen. Deze doelstellingen zijn gericht op behoud en herstel van blauwgraslanden, trilvenen en veenmoerassen. Deze zijn ontstaan door kwel van schoon en basenrijk grondwater dat aan de oppervlakte komt dankzij de ligging op korte afstand van twee grote stuwwalcomplexen. De bijzondere geohydrologische opbouw biedt in dit gebied grote kansen voor behoud en verdere ontwikkeling van genoemde natuurwaarden. Deze natuurwaarden staan landelijk zwaar onder druk en zijn in heel Europa ernstig bedreigde gemeenschappen c.q. habitattypen.
Erkent u dat de maatregelen die nodig zijn als gevolg van de Natura2000 toewijzing financieel nadelig uitpakken voor de agrarische sector en bent u bereid deze gevolgen en de verdere economische consequenties inzichtelijk te maken?
Het aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen. De maatregelen die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, worden uitgewerkt in het beheerplan waarvoor de provincies Utrecht en Gelderland de bevoegd gezagen zijn. Op grond van de te nemen maatregelen zal in het beheerplan worden vastgesteld wat daarvan de economische consequenties zijn.
Heeft u overleg gevoerd met de lokale agrarische ondernemers over de gevolgen van een Natura2000-toewijzing? Zo ja, hoe is deze dialoog verlopen? Zo nee, waarom niet?
De bevoegde instanties (provincies Utrecht en Gelderland) hebben in november 2013 samen met het Waterschap Vallei en Veluwe en het Ministerie van Economische Zaken een goed verlopen informatiebijeenkomst gehouden over het alternatieve plan, waar veel draagvlak voor bestaat. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Het Wob-verzoek dat het lid Omtzigt bij de regeling van werkzaamheden van de Tweede Kamer op 28 mei 2014 heeft gedaan |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het Wob-verzoek dat bij de regeling van werkzaamheden van 28 mei 2014 in de Kamer is gedaan?
Is uw antwoord in de brief van 11 juni 2014 over de «Evaluatie van de accijnsverhoging op diesel en LPG» een weigering om de documenten, die in deze Wob-procedure gevraagd zijn, beschikbaar te stellen?
Indien het geen weigering betreft, wanneer zult u dan een besluit op basis van de Wob nemen?
Indien het een weigering betreft, waarom heeft u mij dan niet als eerste het besluit ter hand gesteld en dit niet aan mij gericht?
Kunt u deze vragen met zeer grote spoed beantwoorden en het Wob-besluit met spoed nemen, omdat het expliciet de bedoeling is deze documenten te betrekken bij het plenaire debat in de Kamer over de evaluatie van de accijnsverhogingen?
Mogelijke leveringsproblemen van preferente geneesmiddelen |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er nog steeds leveringsproblemen zouden zijn met preferente geneesmiddelen?1
Ja, ik heb het bericht gelezen. Uit een analyse van Farmanco, de databank waarin het Laboratorium der Nederlandse Apothekers (LNA) leveringsproblemen registreert, blijkt dat van de tekorten in Nederland over de periode 2004–2011 het in 65% van de gevallen specialtés en in 35% van de gevallen generica betroffen.
Deelt u nog steeds de mening dat preferentiebeleid leidt tot lagere kosten bij geneesmiddelen en dat dit de totale kosten van de zorg verlaagt?
Ja. Het preferentiebeleid is een effectief instrument van de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars kunnen zelf beslissen of zij dit instrument inzetten. Ik ben me ervan bewust dat naast de evidente voordelen van het preferentiebeleid er ook enkele nadelen vastzitten aan het preferentiebeleid. Over de problemen hebben de partijen in het Bestuurlijk Overleg Farmacie gesproken en hebben zij afspraken gemaakt om de nadelen van het preferentiebeleid te verminderen (zie de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 8 april 2014, Kamerstukken II 2013–2014, 29 477, nr. 284).
Deelt u voorts de mening dat patiënten zo min mogelijk hinder moeten ervaren bij het verkrijgen van preferente geneesmiddelen?
Ja. Apothekers en ziekenhuisapothekers verrichten grote inspanningen om hun patiënten toch van de juiste middelen te voorzien. Ik heb tot dusver geen signalen van patiënten of patiëntenverenigingen ontvangen over opgelopen schade bij patiënten. Het is echter ook niet zo dat ieder geneesmiddelentekort noodzakelijkerwijs een direct risico vormt voor de patiënt en gezondheidsschade tot gevolg heeft. Uit de gegevens van Farmanco blijkt dat er bij geneesmiddelen-tekorten in de meeste gevallen substitutie met een ander middel mogelijk is of dat er een therapeutisch alternatief beschikbaar is. Bij 1% van de geneesmiddelen-tekorten is een dergelijke oplossing niet voorhanden.
Kent u de reden waarom preferente geneesmiddelen soms minder goed verkrijgbaar zijn? Is dit met niet-preferente merkloze geneesmiddelen anders gesteld? Zo ja, waar ligt het verschil tussen preferente middelen en niet preferente middelen en bij wie ligt de oorzaak (groothandel, leverancier, apotheek)?
De oorzaken van het niet beschikbaar zijn van preferente middelen en niet-preferente merkloze geneesmiddelen zijn heel divers. Productieproblemen, de beschikbaarheid van grondstoffen, logistieke problemen maar ook economische motieven spelen hierin een belangrijke rol. Uit cijfers van Farmanco over de periode 2004–2011 blijkt dat slechts 1% van de tijdelijke tekorten direct te wijten is aan economische factoren.
Bij wie de verantwoordelijkheid ligt van het tekort hangt af van de reden van het niet beschikbaar zijn van het (preferente) geneesmiddel. Volgens de cijfers van Farmanco over de periode 2004–2011 liggen de oorzaken van tijdelijke tekorten grotendeels bij de fabrikanten vanwege productieproblemen.
Deelt u voorts de mening dat artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet farmaceutische groothandels verplicht voldoende voorraad van geneesmiddelen aan te houden? Geldt deze plicht ook voor preferente geneesmiddelen?
Ja. Dat betekent echter niet dat elke farmaceutische groothandel volledig gesorteerd moet zijn en elk geneesmiddel op voorraad moet houden.
Deelt u bovendien de mening dat artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet zou moeten voorkomen dat er geneesmiddelentekorten bestaan? Wie is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de verplichting in artikel 36, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet?
Ik deel deze mening voor zover in de Geneesmiddelenwet is opgenomen dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) verantwoordelijk is voor het toezicht en handhaving. Het voorkomen van geneesmiddelentekorten door de farmaceutische groothandel is niet altijd mogelijk gezien de veelvoud aan oorzaken van tekorten. Deze oorzaken strekken vaak uit tot buiten de invloedsfeer van de farmaceutische groothandel. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) als verstrekker van vergunningen aan groothandels en als toezichthouder op de uitvoering van de Geneesmiddelenwet opdracht te geven groothandels te toetsen, en zo nodig handhavend op te treden, zodat er wel voldoende voorraad van verzekerde geneesmiddelen (preferente middelen) is? Zo nee, waarom niet?
Ter verduidelijking: de IGZ verstrekt geen farmaceutische vergunningen, dat doet het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). Ik zal de IGZ geen opdracht geven groothandels te toetsen op het punt van voldoende voorraad omdat de IGZ in haar toezicht op groothandels dit punt al sinds enige tijd standaard meeneemt en er geen verplichting voor groothandels is om volledig gesorteerd te zijn. Zie het antwoord op vraag 5.
ISIS en Jabat Al Nusra als terrorististische organisatie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Westerse inlichtingendiensten Turkije een lijst hebben gegeven met 5.000 namen van mogelijke jihadisten die naar Syrië willen afreizen?1
Ja.
Kunt u het bestaan van deze lijst bevestigen? Zo ja, staan er ook Nederlanders op?
In het kader van zijn onderzoek naar organisaties en personen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, deelt de AIVD informatie over jihadstrijders met relevante organisaties, ook in andere landen. Bij het delen van informatie wordt gehandeld conform de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er kunnen geen mededelingen in het openbaar gedaan worden over de vraag met welke organisaties welke informatie gedeeld wordt.
Klopt het dat Turkije in het laatste terrorismeverslag van de Amerikaanse regering wordt omschreven als een «doorvoerhaven» van jihadisten behorende tot Al-Nusra en ISIS en dat het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken op haar website burgers afraadt om naar Zuid-Turkije te reizen, omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij Al Nusra en ISIS in Syrië en Irak?2
In het jaarlijkse landenrapport over terrorisme van de Amerikaanse regering valt te lezen dat Turkije vaak gebruikt wordt als «doorvoerland» door buitenlandse strijders die zich bij Jabhat Al Nusra, ISIS en andere groepen willen aansluiten.
Het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken raadt alle niet-essentiële reizen in een aantal Turkse provincies af binnen tien kilometer van de Turks-Syrische grens. Daarnaast worden alle reizen naar de steden Akḉakale en Ceylanpinar afgeraden. Dit vanwege de dreiging van terroristische aanslagen, vanwege het risico op gevechtshandelingen in de grensstrook en omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij onder meer Jabhat Al Nusra en ISIS in Syrië. Over doorgang naar Irak wordt niet gesproken op de website van het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Welke maatregelen gaat Turkije, nu er kennelijk een lijst van 5.000 jihadisten gegeven is, nemen om te voorkomen dat deze jihadisten via Turkije doorreizen naar Syrië en Irak?
De praktijk is thans dat indien Nederland en derde landen tijdig informatie verschaffen betrokkenen zo mogelijk worden tegengehouden en teruggestuurd mits dit past binnen de Turkse wetgeving.
Beschouwt Turkije Al Nusra inmiddels officieel als terroristische organisatie? Staat Al Nusra nu op een officiële lijst van Turkije?
De Turkse ministerraad heeft besloten (publicatie in Official Gazette van 3 juni 2014, nr 29019) de tegoeden te bevriezen van Jabhat Al Nusra, in lijn met VNVR resoluties 1267 (1999), 1988 (2011) en 1989 (2011). Dit houdt voor Turkije in dat Jabhat Al Nusra wordt beschouwd als een terroristische organisatie. Deze beslissing wordt door oppositie en media gezien als een erkenning dat Jabhat Al Nusra voor de Turkse regering een terroristische organisatie is. In navolging van de amendementen die het VN Al-Qa’ida Sanctiecomité op 14 mei jl. heeft aangebracht op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 heeft Turkije op 18 juni jl. besloten om Jabhat Al Nusra niet meer als onderdeel van ISIS te beschouwen, maar als zelfstandige aan Al Qa’ida gerelateerde organisatie. Deze beslissing verandert niets aan de Turkse maatregelen ten aanzien van Jabhat Al Nusra.
Wat behelst het besluit van de Turkse regering van 3 juni jl. precies ten aanzien Al Nusra? Gaat het uitsluitend om een maatregel die ertoe strekt om tegoeden van Al Nusra te kunnen bevriezen op basis van de amendementen van de VN veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?3
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van een bron bij het Turkse Ministerie van Financiën dat Turkije in relatie tot Al Nusra geen lijst van terroristische organisaties hanteert en niet officieel aangekondigd heeft of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?4
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt zich dit bovendien tot de klachten van de oppositie in Turkije dat ze geen duidelijkheid hebben gekregen van de regering over de vraag of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat Turkije sinds de aanvang van de oorlog in Syrië al die tijd Al Nusra niet als terroristische organisatie heeft beschouwd, terwijl de VS dit al op 12 december 2012 gedaan hebben? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot de vele berichten en beschuldigingen in de richting van Turkije over steun aan Al Nusra?
Turkije heeft altijd ontkend terroristische groeperingen, waaronder Jabhat Al Nusra, die in Syrië opereren te steunen. Recentelijk, op 13 juni 2014 herhaalde vice Minister President Bülent Arinc deze boodschap in een persbijeenkomst inzake de ontwikkelingen in Mosul. Hij herbevestigde in dat verband dat Turkije zich voegt naar alle beslissingen van de VNVR terzake.
Op welke wijze geven de EU en Nederland invulling aan de amendementen van de VN Veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?
Als gevolg van het besluit van het Al-Qa’ida Sanctiecomité SC/11397 van de VNVR van 14 mei jl. is Jabhat Al Nusra op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 geplaatst als aparte organisatie, in plaats van als onderdeel van ISIS. Op basis hiervan zijn voor deze organisaties een wapenembargo en financiële sancties van kracht. Hieraan is voor wat betreft financiële sancties invulling gegeven door uitvoeringsverordening 583/2014 van de Europese Commissie, die EU Verordening 881/2002 amendeert. Het wapenembargo wordt geïmplementeerd door lidstaten. Het wapenembargo is in Nederland geïmplementeerd door middel van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011. Omdat deze verwijst naar de lijst van het VN Sanctiecomité hoeft deze niet te worden aangepast.
Kunnen Nederlandse jihadisten die naar Syrië en Irak zijn afgereisd om te strijden voor Al Nusra of ISIS vervolgd worden wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie? Hoeveel mensen zijn er vanuit Nederland als strijder voor deze twee groepen afgereisd, hoeveel zijn er teruggekeerd en hoeveel zijn er vervolgd?
Het is mogelijk om personen te vervolgen wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie onder WvSr artikel 140a. Het is aan het OM om te bepalen of over gegaan wordt tot vervolging. Het is niet altijd te bewijzen bij welke groeperingen de ruim 100 jihadstrijders (waarvan 30 zijn terug gekomen) zich hebben aangesloten, maar er zijn enige aanwijzingen dat deze jihadstrijders bij Jabhat Al Nusra en ISIS of daaraan gerelateerde strijdgroepen terechtkomen.
Staan het aan Al Qaeda gelieerde Al Nusra en ISIS inmiddels op de officiële EU-lijst van terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 10.
Zo nee, waarom niet? Bent u in dit geval bereid u in te zetten om beide organisaties met de grootst mogelijke spoed op deze lijst te laten plaatsen?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft de Nederlandse regering inzicht in hoe Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL direct of indirect wapens verkrijgen? Welke stappen worden er ondernomen om diegenen die bij de wapenhandel betrokken zijn te vervolgen?
Het strijdtoneel in Syrië en Irak is onoverzichtelijk. Voor zover kan worden nagegaan ontvangen strijdende organisaties wapenleveranties, maar worden ook wapens buitgemaakt tijdens aanvallen. Hier kan niet worden uitgesloten dat voor gematigde oppositiegroepen bestemde wapens in handen van Jabhat Al Nusra en/of ISIS zijn gekomen. Er zijn tot op heden geen personen veroordeeld wegens deelname aan deze strijdgroepen. Het OM doet geen mededelingen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken in dit verband.
Is de Nederlandse regering bereid financiële stromen van en via individuen en staten naar Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL in kaart te brengen? Wat is de verantwoordelijkheid van Nederland om diegenen die deze organisaties ondersteunen ter verantwoording te roepen?
EU-verordening 881/2002 verplicht de lidstaten ertoe alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van Jabhat Al Nusra en ISIS te bevriezen. Het is tevens op grond van deze verordening verboden om direct of indirect financiële middelen ter beschikking te stellen aan Jabhat Al Nusra en ISIS. Overtreding van de bepaling is in Nederland strafbaar gesteld in de Sanctiewet. Vervolging kan plaatsvinden indien de overtreder zich binnen de Nederlandse jurisdictie beweegt.
Het bericht dat Slowakije het homohuwelijk uitsluit |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Slowakije sluit homohuwelijk uit»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze stap van het Slowaakse parlement een stap terug in de tijd betekent en deelt u de teleurstelling over deze grondwetswijziging die het huwelijk voorbehoudt tussen man en vrouw?
Dat Slowakije het huwelijk definieert als exclusief tussen man en vrouw is niet nieuw; dat was reeds een bepaling in het Slowaaks burgerlijk wetboek. Dat de bepaling uit het burgerlijk wetboek nu ook is opgenomen in de grondwet, is zondermeer een teleurstelling. Hoewel er materieel niets wijzigt voelt het als een stap terug voor de gelijke rechten voor LHBT in Slowakije; zeker na een paar goede ontwikkelingen in de afgelopen jaren (zoals de organisatie van «Pride Marches»).
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in strijd is met de Europese waarden, normen, en mensenrechten en dus zeer onwenselijk is?
Zoals in het «Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie» is vastgelegd, wordt het recht te huwen gewaarborgd via nationale wetten (artikel2. Niettemin betreurt Nederland de gang van zaken in Slowakije. Nederland wijst discriminatie op elke grond af en blijft actief opkomen voor de gelijke rechten van LHBT-personen. Nederland beroept zich daarbij op artikel 21 van het EU Handvest, waarin staat dat «elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, verboden is».
Bent u bereid de Slowaakse regering aan te spreken op de grondwetswijziging en uw afkeuring hierover bij de Slowaakse regering kenbaar te maken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Buitenlandse Zaken zal in een aankomende ontmoeting met de Slowaakse Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse zorgen uitspreken over de stigmatiserende werking van dit soort maatregelen en blijven aandringen op de bevordering van gelijke rechten voor LHBT.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toenemende homofobie in Europese lidstaten betekent voor de erkenning van in Nederland gesloten homohuwelijken in andere lidstaten en de Tweede Kamer hierover zo snel mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Als gezegd valt de huwelijkswetgeving in Europa onder de bevoegdheid van de lidstaten.
Bent u bereid de Tweede Kamer een overzicht te sturen waarin per Europese lidstaat kort wordt beschreven welke ontwikkelingen er plaatsvinden betreffende LHBT-rechten en het oordeel van de regering daaromtrent?2
Seksueel geweld tegen (Dalit) vrouwen in India |
|
Harry van Bommel (SP), Bram van Ojik (GL), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote media-aandacht over de groepsverkrachting en dood van twee Dalit meisjes in de Indiase deelstaat Uttar Pradesh1 en de recente brochure «Dalit-vrouwen Rechteloos – Slachtoffers van seksueel geweld eisen hun rechten op» van FNV Mondiaal en de Landelijke India Werkgroep, die de aard, ernst, omvang en oorzaken van dit grote maatschappelijke probleem, maar ook het verzet daartegen, beschrijft?2
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de rapporten over India en Bangladesh van de Speciaal Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen, waarin onder meer geconstateerd wordt dat kastendiscriminatie een belangrijke oorzaak is van geweld die van generatie op generatie doorgaat en Dalit vrouwen «veroordeelt tot een leven van uitsluiting, marginalisering en achterstelling op elk gebied»» en hen veelvuldig het slachtoffer maakt van gedwongen arbeid en vormen van moderne slavernij?3
Ja.
Welke stappen heeft u inmiddels ondernomen om aandacht te vragen voor de zorgelijke positie van Dalit vrouwen en meisjes die gediscrimineerd worden op basis van hun kaste en die lijden aan verschillende vormen van (seksueel) geweld? Welke inspanningen bent u verder van plan op dit gebied te ondernemen?
Tijdens het gesprek met mijn Indiase collega en marge van de Foreign Ministers Meeting in New Delhi op 11 november 2013 spraken wij uitgebreid over de positie van Dalits. Tijdens recente consultaties werd door de Secretaris Generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken het gruwelijke incident in Uttar Pradesh opgebracht.
Bent u in dit verband bereid om tijdens de 26ste sessie van de VN Mensenrechtenraad kastendiscriminatie en het straffeloze seksueel geweld tegen Dalit vrouwen aan de orde te stellen tijdens de Interactieve Dialoog met de Speciale Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen, de interactieve dialoog met de Werkgroep Discriminatie van Vrouwen en de jaarlijkse eendaagse discussie over vrouwenrechten?
Nederland heeft tijdens de interactieve dialoog met de Speciale Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen aandacht gevraagd voor de positie van gemarginaliseerde groepen en meervoudige discriminatie.
Bent u bereid om tijdens deze dialogen om extra maatregelen te vragen tegen de meervoudige discriminatie van en het geweld tegen Dalit vrouwen, zowel in India als in Bangladesh, waaronder een versterking van het rechtssysteem in beide landen om de grootschalige schending van deze mensenrechten effectiever te bestrijden?
De Indiase president, President Pranab Mukherjee, heeft op 9 juni jl. een beleid van zero tolerance aangekondigd voor wat betreft geweld tegen vrouwen, inclusief een hervorming van het wettelijk kader en toezicht op de implementatie daarvan. De recent aangetreden premier Modi heeft op 11 juni jl. in zijn eerste speech voor het parlement deze lijn onderstreept. Zowel multilateraal, via de EU als in bilaterale dialogen blijft Nederland aandacht vragen voor de aanpak van geweld tegen vrouwen. Tijdens de komende zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zal Nederland samen met Frankrijk, wederom een resolutie tegen geweld tegen vrouwen indienen.
Bent u bereid om het Side Event over «geweld tegen vrouwen en meisjes van door kastediscriminatie getroffen gemeenschappen» georganiseerd door o.m. Human Rights Watch en het International Dalit Solidarity Network – met Hoge Commissaris voor Mensenrechten Navi Pillay als key-note speaker – te «co-sponsoren» en u tijdens dit Side Event over het onderwerp uit te spreken?
Tot nog toe hebben twee Europese landen toegezegd het evenement te zullen co-sponsoren. Om de effectiviteit van dit evenement te vergroten is het van belang dat niet alleen Europese landen dit evenement co-sponsoren», maar juist ook landen uit andere delen van de wereld. Co-sponsoring van Nederland heeft op dit moment dus geen toegevoegde waarde.
Bent u bereid het onderwerp (seksueel) geweld tegen (Dalit) vrouwen in uw bilaterale contacten met de Indiase regering aan de orde te stellen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor 17 juni 2014, wanneer de VN Rapporteur Rashida Manjoo haar rapporten presenteert?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht dat Nederlandse bedrijven indirect betrokken zijn bij schendingen van de arbeidsrechten bij de bouw van faciliteiten voor het WK 2022 in Qatar |
|
Michiel Servaes (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Profundo dat in opdracht van FNV is uitgevoerd en waaruit blijkt dat verschillende Nederlandse bedrijven, banken en pensioenfondsen samenwerken met en investeren in internationale bedrijven die zich in Qatar schuldig maken aan schendingen van de arbeidsrechten bij de bouw van faciliteiten voor het WK 2022?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat grote financiële instellingen, zoals ING en ABN AMRO, en pensioenfondsen, waaronder ABP, PFZW, PME en PMT, investeren in bedrijven die betrokken zijn bij arbeidsrechtschendingen of risico lopen daarbij betrokken te raken?
De regering beschikt niet over dit soort informatie en kan derhalve geen uitspraken hierover doen.
Hoe beoordeelt u de reactie van de onderzochte instellingen en bedrijven zoals weergegeven in het rapport «WK voetbal 2022 in Qatar: Nederlandse investeringen in bij arbeidsrechtenschendingen betrokken bedrijven» (vanaf pagina 46)? Bent u bereid de instellingen en bedrijven te informeren over, en ondersteunen bij het voorkomen van (in)directe investeringen in Qatarese bedrijven die arbeidsrechten schenden? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
De zorg rondom de positie van arbeiders beperkt zich zoals bekend niet alleen tot Qatar, maar ook tot de andere landen in de Golfregio. Het is van belang dat deze problematiek niet alleen bilateraal, maar vooral ook breder in multilateraal verband op constructieve wijze wordt aangekaart. Nederland zal deze thematiek op de agenda houden van relevante internationale organisaties als de ILO. Ook wordt van bedrijven «due diligence» verwacht conform de OESO richtlijnen. Zoals blijkt uit het rapport nemen Nederlandse financiële instellingen hun eigen verantwoordelijkheid om de problematiek rond arbeiders in Qatar te adresseren. Concrete situaties kunnen voor nadere duiding aan een Nationaal Contact Punt van de OESO richtlijnen worden voorgelegd. In contacten met het bedrijfsleven alsook met investeerders die actief zijn in deze regio, kaart de regering de problematiek en de verantwoordelijkheden van bedrijven actief aan.
Deelt u de mening dat de Nederlandse bedrijven en financiële instellingen die investeren in bedrijven die arbeidsrechten schenden, hierop dienen te worden aangesproken door de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te doen en kunt u de Kamer hierover informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de schending van arbeidsrechten van de werknemers aan stadions voor het WK voetbal in Qatar in 2022 te bespreken met uw Qatarese collega? Zo ja, wanneer gaat u dit doen en bent u bereid de Kamer van dit contact verslag te doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland staat in contact met de Qatarese autoriteiten over dit belangrijke onderwerp. Leden van het kabinet, inclusief de Minister van Buitenlandse Zaken, zullen in hun contacten met hun counterparts in Qatar deze problematiek blijven aankaarten. Ook de Nederlandse Ambassade in Doha voert regelmatig gesprekken met Qatarese autoriteiten en het bedrijfsleven over de situatie van veel arbeidsmigranten in het land. Nederland zal eveneens samen met internationale partners en bij voorkeur in ILO-verband blijven optrekken om de situatie in Qatar verder te helpen verbeteren. De Kamer zal ook in de toekomst over de Nederlandse inzet ter zake geïnformeerd blijven worden.
Welke voortgang kunt u melden in de eerder door het kabinet toegezegde inspanning om o.a. met NOC-NSF in overleg te gaan over de kwestie van de mensenrechten in relatie tot grote sportevenementen? Welke concrete resultaten heeft dit overleg tot nu toe opgeleverd?2
Welke concrete resultaten hebben de eerder door het kabinet toegezegde inspanningen in internationaal verband, met name de EU en de ILO, tot nu toe opgeleverd om te komen tot een sterkere koppeling tussen de naleving van mensenrechtennormen enerzijds en de toekenning en organisatie van grote sportevenementen anderzijds?
Op 21 november 2013 heeft het kabinet een brief, mede-ondertekend door 23 EU-lidstaten, verstuurd aan de Europees Commissaris van Onderwijs, Cultuur, Meertaligheid en Jeugdzaken Vassiliou inzake respect voor mensenrechten bij grote sportevenementen (zie TK 2013–2014, 21 501-34, nr. 220, d.d. 21 november 2013). De Europese Commissie wordt opgeroepen voorstellen te doen. De Commissie heeft hier positief op gereageerd (zie TK 2013–2014, 21 501-34, nr. 228, d.d. 21 mei jl). Respect voor mensenrechten en sportevenementen is opgenomen in het nieuwe EU Werkplan voor Sport (2014–2017).
Er is ook regelmatig contact met de International Labour Organization (ILO) over de arbeidsmigrantenproblematiek in de regio. Zo heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 8 oktober 2013 in bilateraal contact met de directeur-generaal van de ILO aangedrongen op een actieve rol van de ILO in Qatar. Daarnaast komt het onderwerp aan de orde in gesprekken op ambtelijk niveau. De ILO heeft inmiddels voorbereidingen getroffen om Qatar actief te kunnen ondersteunen.
De ILO Beheersraad heeft in maart 2014 twee rapporten over Qatar aangenomen: een rapport over inbreuken op het recht op vakvereniging en een rapport over niet-naleving van ILO verdrag 29 inzake gedwongen arbeid. De rapporten bevatten aanbevelingen voor beleidsaanpassingen. Qatar gaf in een reactie op de rapporten aan graag een samenwerkingsprogramma met de ILO aan te willen gaan en opvolging te zullen geven aan de aanbevelingen.
Tijdens de 103e Internationale Arbeidsconferentie werd de implementatie van Verdrag 81 over de arbeidsinspectie besproken en werden aanbevelingen aan Qatar gedaan. Ook is door enkele werknemersorganisaties een verzoek gedaan tot het instellen van een zogenaamde «commission of enquiry», die in Qatar kan nagaan of het land zich houdt aan zijn verplichtingen onder ILO-verdragen 29 en 81. De mogelijke oprichting van een dergelijke onderzoekscommissie zal tijdens de eerstvolgende Beheersraad van de ILO in november 2014 worden besproken.
Het kabinet zal zich ook in de toekomst blijven inzetten om grote sportevenementen als de Olympische Spelen en het wereldkampioenschap voetbal te gebruiken als opening om moeilijke onderwerpen, zoals mensenrechten, bespreekbaar te maken.
De uitkering voor voormalig politici |
|
Ronald van Raak (SP), Paul Ulenbelt (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoeveel voormalig politieke ambtsdragers zijn er die een uitkering ontvangen in het kader van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (Appa)? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap?1
De uitvoering van de Appa is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid. In principe is het bestuursorgaan waar de politieke ambtsdrager werkzaam is geweest, verantwoordelijk voor de Appa-uitkering. Indien betrokkene bij diverse bestuursorganen politiek actief is geweest, heeft hij of zij in principe recht op een Appa-uitkering ten laste van elk van die bestuursorganen afzonderlijk. Het Ministerie van BZK houdt niet bij hoeveel Appa-uitkeringen er zijn bij provincies, gemeenten en/of waterschappen.
Wat betreft de Appa-uitkeringen ten laste van het Rijk en de Staten-Generaal heeft het Ministerie van BZK een uitvoeringscontract afgesloten, mede namens de Staten-Generaal. Dit contract omvat de uitvoering van de Appa voor voormalige bewindspersonen, leden van de Tweede Kamer, voorzitters van de Eerste Kamer, Rijksvertegenwoordigers BES, (substituut) Nationale Ombudsmannen, waarnemend commissarissen van de Koning, waarnemend burgemeesters en herindelingsburgemeesters.
Ik kan u van hen aangeven hoeveel er in december 2013 aanspraak konden maken op een Appa-uitkering en hoeveel er daadwerkelijk een uitkering ontvingen (de aantallen fluctueren over het jaar gezien). Dat onderscheid tussen aanspraak en uitkering is van belang omdat een aanspraak niet altijd tot uitkering komt. In het jaar 2013 is ongeveer 40 procent van de Appa uitkeringsrechten op nihil gesteld in verband met neveninkomsten.
Bij waarnemers is van belang te weten dat hun Appa-uitkering 1:1 gekoppeld is aan de duur van de waarneming; in tegenstelling tot de reguliere Appa-gerechtigden, wordt geen rekening gehouden met eerdere Appa-diensttijd.
Aanspraak
Uitkering
Ministers/Staatssecretarissen
33
19
Tweede Kamerleden
123
67
Wnd cdK/wnd burgemeester/ herindelingsburgemeesters
33
21
Zijn er verschillen tussen regio’s waar te nemen? Kunt u voor wethouders, burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning per provincie aangeven hoeveel voormalig politiek ambtsdragers een uitkering ontvangen in het kader van de Appa?
In de rapportages die ik ontvang uit hoofde van het onder antwoord 1 genoemde uitvoeringscontract wordt niet onderscheiden naar regio of provincie.
Zoals in antwoord 1 aangegeven, kan ik niet voor wethouders, burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning per provincie aangeven hoeveel voormalig politiek ambtsdragers een uitkering ontvangen in het kader van de Appa.
Kunt u aangeven per categorie politiek ambtsdrager hoe lang het duurt voordat zij werk hebben gevonden? In hoeveel gevallen vinden zij binnen drie maanden na aftreden werk? In hoeveel gevallen ontvangen zij voor de maximale duur een uitkering in het kader van de Appa?
Wat betreft de uitvoering van de sollicitatieplicht voor Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen (het centrale niveau), is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brieven van 6 maart 2012, kenmerk 2012–0000104093, en van 18 april 2013, kenmerk 2013 0000231673. De eerstgenoemde brief betrof een evaluatie over de uitvoering in het eerste jaar (de periode november 2010 tot en met december 2011), de tweede over die in 2012.
Een vergelijkbare evaluatie over het jaar 2013 ten aanzien van deze categorie is in ambtelijke voorbereiding. Het streven is erop gericht deze laatste evaluatie in de maand juli 2014 naar de Tweede Kamer te sturen. In het najaar van 2014 zal ik de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van een bredere evaluatie die ook de decentrale politieke ambtsdragers betreft.
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, is het nu mogelijk om u te informeren over de periode november 2010 tot en met 31 december 2012. Voor het jaar 2013 verwijs ik naar mijn binnenkort naar de Tweede Kamer te zenden evaluatie.
Uit genoemde evaluaties blijkt het volgende ten aanzien van de periode november 2010 tot en met 31 december 2012.
In 2011 zijn er van de vijftien personen vijf succesvol gere-integreerd: vier in een politiek ambt en één via een gestarte eigen onderneming. Hierdoor is de uitkering verminderd tot nihil. Geen van hen is na deze succesvolle re-integratie teruggevallen in de uitkering. Van één andere persoon is de Appa-uitkering in 2011 beëindigd vanwege het einde van de uitkeringsduur. De negen andere uitkeringsgerechtigden zaten in 2011 in de werkgerichte fase. Van deze negen zijn er twee in de eerste maanden van 2012 zodanig gere-integreerd dat hun Appa-uitkering tot nihil kon worden teruggebracht.
In 2012 was de gemiddelde duur van de uitkering tot plaatsing in een duurzame functie voor Kamerleden 145 dagen; voor waarnemend burgemeesters en de herindelingsburgemeesters 254 dagen. Voor bewindspersonen zijn er over 2012 geen cijfers, aangezien op hen nog niet de sollicitatieplicht van toepassing was.
Hoeveel voormalig politiek ambtsdragers zijn er (uitgesplitst naar geheel of gedeeltelijk) vrij gesteld van de sollicitatieplicht? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Een Appa-uitkeringsgerechtigde kan op grond van de Appa om vier redenen zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht: betrokkene valt onder het overgangsrecht, ontvangt geen uitkering meer vanwege nieuwe inkomsten anders dan uit een politiek ambt, ontvangt nieuwe inkomsten uit politiek ambt tot een bedrag van 70% of meer van de uitkering of heeft een Appa-uitkering op grond van invaliditeit.
Aan het ministerie wordt gerapporteerd wie er onder de sollicitatieplicht vallen. Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het ministerie gesloten uitvoeringscontract vallen, kan ik melden dat er op 31 december 2013 70 uitkeringsgerechtigden onder de sollicitatieplicht vielen. Dat waren 44 Kamerleden, 11 bewindspersonen en 15 in de categorie waarnemend commissaris, waarnemend burgemeester of herindelingsburgemeester. De overigen zijn daarvan dus vrijgesteld om de genoemde redenen. Dat zijn in december 2013 dus 79 Kamerleden geweest, 22 bewindspersonen en 18 personen die voormalig waarnemend commissaris, waarnemend burgemeester of herindelingsburgemeester zijn.
Hoeveel geld ontvingen voormalig politiek ambtsdragers in totaal in het kader van de Appa in 2011, 2012 en 2013? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, zijn de totaalbedragen per jaar van de Appa-uitkeringen als volgt:
2011
2012
2013
Ministers/Staatssecretarissen
630.626,57
499.163,42
910.519,06
Tweede Kamerleden
4.391.818,33
3.933.631,39
4.055.116,43
Wnd cdK/wnd burgemeester/herindelingsburgemeesters
976.667,25
750.851,92
1.049.474,41
Overigens zij opgemerkt dat deze uitkeringsbedragen over het jaar gezien nogal fluctueren doordat er uitkeringen worden beëindigd, verminderingen worden toegepast als gevolg van wijzigingen in uitkeringspercentage of in verband met neveninkomsten, danwel nabetalingen of terugvorderingen plaatsvinden.
Wat betreft de reden van vrijstelling verwijs ik naar antwoord 4.
Kunt u toelichten in hoeverre de sollicitatieplicht wordt gehandhaafd door de verschillende bestuursorganen die hiermee belast zijn? Houden de verschillende bestuursorganen zich aan de verplichting om elke drie maanden het sollicitatieproces te evalueren?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, geldt dat de handhaving van de sollicitatieplicht een belangrijk onderdeel is van de uitvoering door de door het Ministerie ingeschakelde uitvoeringsorganisatie (Loyalis Maatwerk Administraties (LMA)) en het re-integratiebureau (Van Ede & Partners). Van Ede meldt elke drie maanden expliciet bij LMA of er sprake is geweest van bijstellingen van de re-integratieplannen. De consultants en de Appa-uitkeringsgerechtigden hebben vrijwel wekelijks contact.
In hoeveel gevallen werd een korting van 5 procent gedurende ten minste een maand opgelegd? Hoe vaak werd hierbij afgeweken van dit percentage en met welke motivatie gebeurde dat? Hoe vaak werd deze maatregel met 50 procent verhoogd vanwege recidive? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, blijkt uit eerder genoemde evaluaties dat er geen sancties zijn toegepast. Betrokkenen blijken actief in de uitvoering van het naar de persoon toegesneden re-integratieplan. Voor de situatie in het jaar 2013 verwijs ik naar mijn binnenkort naar de Tweede Kamer te zenden evaluatie.
Indien er sprake is van een vrijstelling van de sollicitatieplicht om de in antwoord 4 gegeven opgesomde redenen, kan er niet worden gesanctioneerd.
In hoeveel gevallen werd een korting van 25 procent gedurende ten minste vier maanden opgelegd? Hoe vaak werd hierbij afgeweken van dit percentage en met welke motivatie gebeurde dat? Hoe vaak werd deze maatregel met 50 procent verhoogd vanwege recidive? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe vaak wordt ervoor gekozen om geen planmatige begeleiding en ondersteuning op te leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Sollicitatiebesluit maakt onderscheid tussen een vrijwillige planmatige begeleiding en een verplichte. Bij de eerste soort neemt de uitkeringsgerechtigde het initiatief; bij de tweede het re-integratiebedrijf en de uitvoeringsorganisatie. Tussen beide soorten ondersteuning bestaat een verschil in bekostiging. In de praktijk wordt dit onderscheid niet zo scherp gemaakt. In overleg met mijn ministerie gebeurt dat in ieder geval niet als de planmatige begeleiding plaatsvindt via het door mijn ministerie ingezette re-integratiebureau Van Ede. Een dergelijk verzoek om een planmatige begeleiding van betrokkene zelf wordt namelijk veelal ingediend in de eerste drie maanden na aftreden. De praktijk is om dan het gehele traject eerder te laten beginnen.