Het bericht dat de GGZ-instellingen uitstel vragen voor de jaarrekening |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat GGZ-instellingen hun financiële jaarverslagen niet rond krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik ben bekend met de problematiek en ben hierover in gesprek met de ggz-sector, accountants, verzekeraars en de zorgautoriteit (NZa). Onder regie van GGZ Nederland wordt met betrokken partijen momenteel een plan gemaakt om de resterende problematiek aan te pakken. Dit plan van aanpak richt zich zowel op «oude» verslagjaren (waaronder 2013) als op latere verslagjaren/ de toekomst. De werkzaamheden zijn erop gericht dat partijen dit plan van aanpak in september gezamenlijk bestuurlijk vast te stellen. Met het oog daarop heb ik de ggz-sector inmiddels tot en met 1 oktober generiek uitstel verleend voor het indienen van het jaarverslag.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van de problemen om de financiële verantwoording rond te krijgen? Heeft u bericht gekregen van accountants die aan de bel trokken over problemen bij de verslaglegging?
Coziek (de sectorcommissie van de NBA2 voor de zorgsector) heeft eind 2012 landelijk aangekaart dat bij de overgang naar prestatiebekostiging in de ggz vergelijkbare problemen rondom de omzetbepaling zouden kunnen ontstaan als bij de ziekenhuizen. Daarop is onder regie van GGZ Nederland door diverse partijen gewerkt aan een Handreiking omzetbepaling curatieve GGZ 2013. Die is op 24 oktober 2013 uitgebracht. De NZa heeft de ggz-sector, alsmede zorgverzekeraars, hierover op 31 oktober 2013 met een circulaire geïnformeerd.
Vooruitlopend op de publicatie van de handreiking heeft Coziek mij per brief op 12 september 2013 gemeld dat weliswaar zinvolle stappen waren gezet, maar dat in de handreiking niet alle verantwoordings- en controle-issues werden opgelost. Daarop ben ik met partijen in overleg gegaan over de resterende problematiek. In het overleg zijn concrete actiepunten benoemd om de resterende problematiek aan te pakken. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en GGZ Nederland hebben in lijn daarmee eerst getracht zelf oplossingen aan te dragen. Per brieven van 18 november 2013 en 7 januari 2014 heeft Coziek mij ingelicht over de status van de resterende knelpunten. Het lukte deze partijen uiteindelijk echter niet om overeenstemming te bereiken over het normenkader voor controle en verantwoording.
Daarop heeft de NBA in april 2014 een audit alert voor de curatieve ggz uitgebracht. Hierop heb ik alle betrokken partijen opnieuw bij elkaar geroepen en is in een bestuurlijk overleg met VWS, NZa, GGZ Nederland, ZN en NBA besloten om een gezamenlijk plan van aanpak op te stellen voor de jaarrekeningen ggz, net zoals dit is gebeurd bij de medisch specialistische zorg. Zoals al gemeld in het antwoord op vraag 1, voert GGZ Nederland de regie over dit proces. Dit moet ertoe leiden dat in september dit plan van aanpak bestuurlijk wordt vastgesteld.
Hoeveel GGZ-instellingen hebben inmiddels om uitstel gevraagd? Welke zijn dat?
Er is generiek uitstel verleend. Dit betekent dat ggz-instellingen niet ieder voor zich uitstel hoeven aan te vragen.
Met welke argumentatie hebben GGZ-instellingen tot 15 juli uitstel gekregen voor het deponeren van hun jaarverslagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het uitstel was bedoeld om partijen de gelegenheid te geven om te komen tot een plan van aanpak. Omstreeks 15 juli zijn de contouren van een plan van aanpak beschikbaar gekomen om ter toetsing te worden voorgelegd aan de achterbannen van de betrokken organisaties. Om een succesvolle en voortvarende implementatie van het plan van aanpak mogelijk te maken is finalisering van het plan van aanpak en het creëren van een breed bestuurlijk draagvlak en commitment een noodzakelijke voorwaarde. Om dat mogelijk te maken heb ik ggz-aanbieders nog een laatste keer generiek uitstel gegeven voor het indienen van hun jaarverslag 2013, namelijk tot en met 1oktober 2014. Ik zal daarna niet nogmaals generiek uitstel verlenen. Dit kan eventueel betekenen dat instellingen per die datum hun jaarverslagen met een andere dan een goedkeurende verklaring moeten indienen.
Waarom is uitstel verleend zonder dat de Kamer hierover is geïnformeerd? Had u de indruk dat de Kamer informatie over deze problematiek niet op prijs zou stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In eerdere overleggen met uw Kamer heb ik toegezegd de Kamer rond de zomer te informeren over voortgang ten aanzien van de jaarrekeningen GGZ. Eind mei is besloten om voor het deponeren van de jaarrekeningen GGZ generiek uitstel te verlenen tot 15 juli ten einde in overleg met de betrokken partijen verder aan een oplossing te werken. Dit generieke uitstel is bekendgemaakt op de site van het CIBG. Op dat moment was VWS nog steeds in overleg met partijen. In deze gesprekken is gebleken dat er meer tijd nodig is voor de uitwerking van een oplossing, hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd met brief van 22 juli 2014
(TK 33 750 nr. 111). De inzet is om in september met een plan van aanpak te komen.
Wat is uw reactie op het voorstel van het NBA, de brancheorganisatie van accountants, die adviseert om uitstel van de jaarverslagen te verlengen tot halverwege september? Gaat u het voorstel overnemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de (on)duidelijkheid rond de normen voor correct declareren de kern van het probleem vormt? Zo ja, welke problemen betreft het? Zo nee, wat is uw analyse van het probleem?
Normonduidelijkheid is een van de problemen. Het gaat hier onder andere om onduidelijkheid over administratieve normen (normen over de manier waarop in de administratie van de aanbieder moet kunnen worden aangetoond dat aan de regels is voldaan). De regeling inzake administratieve organisatie en interne controle (NR/CU-504) is door de NZa afgeschaft (deze was van toepassing tot 31 december 2012) en is vervangen door de regel dat er een «audit trail» moet zijn. Het is evenwel niet gelukt om op dit punt landelijke afspraken te maken tussen brancheorganisaties van aanbieders en verzekeraars. Dit veroorzaakt een belangrijk deel van de normonduidelijkheid. Op andere punten wordt de zorginhoudelijke norm als onduidelijk ervaren. Verzekeraars worden bijvoorbeeld geacht om toe te zien op gepast gebruik van zorg en hier ook handhavend op te treden door middel van materiële controles. Wat «gepast gebruik» is, is echter niet altijd scherp afgebakend.
Een ander deel van de problematiek wordt niet veroorzaakt door normonduidelijkheid, maar door «normdiversiteit». Verzekeraars kunnen in hun polissen en/of inkoopcontracten strengere of aanvullende voorwaarden stellen (denk bijvoorbeeld aan normen ten aanzien van het aantal minuten per fase van de behandeling). Deze zijn echter vaak niet eenvoudig of helemaal niet te toetsen, aangezien de registratiesystemen van aanbieders hierop niet zijn ingericht. Bovendien kunnen dit soort eisen verschillen per verzekeraar.
Waren de onduidelijkheden over hoofdbehandelaarschap, verwijsbrieven en gepast gebruik te voorzien? Bent u hiervoor gewaarschuwd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 2.
Wat is uw reactie op de uitspraak van het NBA die aangeeft dat de verschillende werkwijze van alle zorgverzekeraars de controle complex maakt? Bent u bereid maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet?
Het signaal dat verschillende werkwijzen en eisen van verzekeraars de controle complex maakt herken ik en sluit aan bij de signalen die naar voren komen uit de laatste Marktscan GGZ van de NZa in relatie tot het zorginkoopproces. Daaruit blijkt dat de verschillende eisen die verzekeraars stellen er soms toe kunnen leiden dat administratieve lasten te veel toenemen en processen bij zorgaanbieders complexer worden.
Wat betreft de administratieve verantwoording van zorgaanbieders richting verzekeraars, is het ten eerste van belang dat partijen (zorgaanbieders en zorgverzekeraars) er zich aan committeren een convenant «administratieve organisatie/ interne controle» (AO/IC) overeen te komen. Daarbij moet ook een bijbehorend landelijk protocol ten behoeve van de interne controle door zorgaanbieders worden vastgesteld, alsmede een bijbehorende controlestandaard. Dat is primair de verantwoordelijkheid van partijen zelf.
Verder is van belang dat zorgprofessionals zorgen voor de totstandkoming van (landelijke) veldnormen en zorgstandaarden. Duidelijke veldnormen en zorgstandaarden scheppen helderheid voor aanbieders en verbeteren mogelijkheden voor controle op gepast gebruik door zorgverzekeraars. In het kader van het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ gaan partijen aan de slag met de ontwikkeling van zorgstandaarden. Partijen stellen daarbij hun eigen prioriteiten. Specifiek ten aanzien van het hoofdbehandelaarschap in de ggz zal eind dit jaar de commissie Meurs een advies uitbrengen voor een landelijke norm.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Paul van Rooij, directeur GGZ Nederland, die aangeeft dat GGZ-aanbieders de dupe dreigen te worden van een fout in het stelsel?2
Door het opstellen van (zorginhoudelijke) veldnormen, het maken van goede, sectorbrede afspraken over de wijze van administratieve verantwoording door zorgaanbieders (zie ook mijn antwoord op vraag4 en door het waar nodig aanpassen of verhelderen van overheidsregels, zijn de problemen naar mijn overtuiging – binnen het huidige stelsel – op te lossen.
Hoeveel banken hebben aangegeven leningen te gaan opeisen bij het uitblijven van een goedgekeurd jaarverslag? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Hier heb ik geen informatie over. De banken worden op de hoogte gehouden van de voortgang van het totstandkomen van het hiervoor genoemde plan van aanpak. Het herstelplan dat hieruit voortvloeit moet de banken voldoende vertrouwen geven voor de toekomst.
Is er een overzicht voor hoeveel financieel gezonde GGZ-instellingen faillissement dreigt wanneer banken hun lening opeisen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar is geen overzicht van. Zoals ik bij de beantwoording van eerdere vragen al heb aangegeven, werken partijen hard aan een plan van aanpak dat banken voldoende vertrouwen moet geven voor de toekomst.
Deelt u de mening dat het DBC-bekostigingsstelsel niet functioneert, aangezien zowel de GGZ sector als de ziekenhuissector door dit bekostigingssysteem hun jaarrekeningen niet voor elkaar krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel uw mening dat het DBC-bekostigingsstelsel (ten principale) niet functioneert niet. De problemen die nu spelen rond de jaarverslagen geven wel aan dat het DBC-bekostigingsstelsel meer vraagt van partijen, waar het gaat om het bieden van transparantie en het afleggen van verantwoording en dat het veel van partijen vraagt om hun processen hier efficiënt en effectief op in te richten. Ook laat het zien dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars deels nog zoekende zijn naar hoe zij hun processen wat dit betreft goed (dat wil zeggen: op een voor ieder zo effectief en efficiënt mogelijke manier) op elkaar kunnen laten aansluiten.
Het jaar 2013 is het eerste jaar waarin de ggz-sector sectorbreed is overgestapt naar dbc-bekostiging. Veel problemen die spelen zijn dan ook transitieproblemen. Door het opstellen van (zorginhoudelijke) veldnormen, door het maken van goede, sectorbrede afspraken over de wijze van administratieve verantwoording door zorgaanbieders, en door het waar nodig aanpassen of verhelderen van overheidsregels, zijn deze problemen naar mijn overtuiging binnen het DBC-bekostigingsstelsel op te lossen.
Welke zelfreflectie over de introductie van beleid en financiering wordt op uw ministerie toegepast naar aanleiding van de problematiek om deugdelijke jaarrekeningen te kunnen afleveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onderstreept eens te meer dat fundamentele veranderingen in bekostgingsstelsels diep ingrijpen in de processen van zorgaanbieders en verzekeraars en daarmee zeer complex zijn. Zij vragen daarom om een zorgvuldige transitie die met voldoende waarborgen is omgeven en waar voldoende tijd voor wordt genomen.
Het bericht ‘Woede om gouden handdruk manager’ |
|
John Kerstens (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woede om gouden handdruk manager»?1
Ja.
Is het waar dat een manager van het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort bij ontslag bijna € 300.000 heeft meegekregen? Zo ja, wat is hiervan de reden? Zo nee, wat is niet waar en hoeveel euro kreeg betreffende manager dan wel als ontslagvergoeding?
Uit het jaarverslag 2013 van het Regionaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort (RWA) blijkt dat een unit-manager van het werkvoorzieningsschap een ontslagvergoeding heeft gekregen van € 294.476. Het gaat om een afkoop van rechten: de betreffende unit-manager heeft afgezien van verdere rechten uit hoofde van de CAR-UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst).
De informatie over deze ontslagvergoeding is door Amfors aan mij doorgegeven in het kader van de openbaarmakingsplicht op grond van artikel 4.2, zevende lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Daarbij is door Amfors toegelicht dat de ontslagvergoeding toegekend is in het kader van een Sociaal Plan en dat deze in overeenstemming is met het functieniveau en het aantal jaren dienstverband.
Is het waar dat wethouders van deelnemende gemeenten geen weet hadden van deze ontslagvergoeding? Zo ja, hoe is dit mogelijk?
Deze vraag hoort strikt genomen niet te worden gericht aan de bewindspersonen van BZK en SZW. Het Regionaal Werkvoorzieningsschap Amersfoort is een gemeenschappelijke regeling van de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten-Spakenburg, Leusden, Soest en Woudenberg. De wethouders van Sociale Zaken vormen het bestuur en zijn verantwoording verschuldigd aan hun eigen gemeenteraad.
Om uw Kamer toch te kunnen informeren heb ik navraag gedaan bij RWA. Uit het antwoord dat ik heb gekregen blijkt dat de betreffende ontslagvergoeding is overeengekomen door de directeur zonder dat deze hierover vooraf het Bestuur van de RWA heeft geïnformeerd. Het Algemeen Bestuur heeft vastgesteld dat de directie formeel binnen zijn bevoegdheden is gebleven, maar heeft de directie vragen gesteld over de hoogte van de ontslagvergoeding en de motivering hiervan. Deze kwestie zal, zo ben ik geïnformeerd, nog nader worden besproken tussen bestuur en directie.
Deelt u de mening dat een ontslagvergoeding van € 300.000 volstrekt buitenproportioneel is, mede gezien de moeilijke situatie waarin veel SW-bedrijven zich bevinden?
Feit is dat de ontslagvergoeding hoger ligt dan de maximale ontslagvergoeding van € 75.000 voor topfunctionarissen, die is vastgelegd in de WNT. Die wet heeft tot doel om bovenmatige beloningen van topfunctionarissen in de publieke sector tegen te gaan.
De unitmanager in kwestie was echter geen topfunctionaris in de zin van de wet, omdat hij niet behoort tot het hoogste uitvoerende of toezichthoudende orgaan van de instelling.
Dat betekent dat deze ontslaguitkering niet genormeerd wordt door de huidige WNT. (Wél moet deze uitkering op grond van de WNT worden gemeld en toegelicht. Dat is ook gebeurd: de vergoeding is opgenomen in de jaarstukken en aan mij doorgegeven via www.topinkomens.nl. waarbij een toelichting is gegeven. Die toelichting luidt dat de ontslagvergoeding is toegekend in het kader van een Sociaal Plan en dat deze in overeenstemming is met het functieniveau en aantal jaren dienstverband (zie: ook vraag2. Er is derhalve conform de WNT gehandeld).
Ware de functie wel genormeerd via de WNT dan zou inderdaad een vergoeding als hier verstrekt vier maal hoger zijn geweest dan het toegestane maximum, en dus buitenproportioneel.
Valt betreffende manager onder de Wet normering topinkomens (WNT)? Is in deze casus conform de WNT gehandeld? Zo nee, binnen welke termijn verwacht u – al dan niet in samenwerking met betreffende gemeenten – de ontslagvergoeding van betreffende manager te hebben teruggevorderd? Zo ja, welke acties onderneemt u om deze ontslagvergoeding ongedaan te maken, en op welke termijn bent u voornemens ook deze functies onder de WNT te brengen?
Zie het antwoord op vraag 4
Acht u managers van SW-bedrijven die € 300.000 opstrijken bij vertrek nog geschikt voor een functie bij een SW-bedrijf?
Het is niet aan mij om de geschiktheid van personen te beoordelen.
Zijn bij u meer gevallen bekend van medewerkers van SW-bedrijven met dermate hoge salarissen of ontslagvergoedingen? Zo ja, welke acties heeft u ondernomen om aan deze onacceptabele praktijken een einde te maken?
In 2012 heeft uw Kamer vragen gesteld, en antwoord gekregen, over drie gevallen.3
Met ingang van 2013 is de WNT van kracht en dienen instellingen de inkomensgegevens en gegevens over eventuele ontslaguitkeringen aan mij te verstrekken. Op dit moment is vanuit die meldingen één andere soortgelijke ontslagvergoeding bij een SW-bedrijf bij mij bekend. Ook deze ontslagvergoeding heeft betrekking op een niet-topfunctionaris en is dus niet genormeerd.
Eind dit jaar ontvangt uw Kamer de integrale jaarrapportage over de WNT waarin een overzicht van deze ontvangen gegevens is opgenomen.
De mogelijke wijziging van het Sportbesluit |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als ambitie heeft om te streven naar een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is, waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd, en om de sportparticipatie met 10% te verhogen?
Het kabinet heeft als doelstelling een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.
Op welke wijze is invulling gegeven aan de toezegging van de minister van VWS tijdens het Algemeen overleg sportbeleid van 2 juli 2014 om het belang van het overeind blijven van het Sportbesluit aan de staatssecretaris van Financiën duidelijk te maken en er bovenop te zitten?1
Zoals reeds geantwoord op de Kamervragen van het lid Van Veen2 is het gebruikelijk dat beide ministeries met elkaar overleggen over fiscale beleids- en wetswijzigingen ingeval die het terrein van de sport raken. Zo ook bij het bezien van de gevolgen van het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) van 19 december 2013, zaaknr. C-495/12 (Bridport and West Dorset Golf Club, hierna: Bridport) voor de btw-vrijstelling die van toepassing is op «de diensten door organisaties die zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen, aan hun leden,»(de zogenoemde btw-sportvrijstelling uit artikel 11, lid 1, onderdeel e van de Wet op de Omzetbelasting 1968, hierna: Wet OB). De Ministeries van VWS en Financiën hebben dan ook regelmatig overleg met elkaar om uit te zoeken wat de consequenties van het arrest zijn. Over de voortgang informeren wij elkaar regelmatig. Naast de juridische EU-context spelen hier diverse andere aspecten die om een afweging vragen. Zie ook het antwoord op de vragen 4, 5, 6, 7 en 14.
Voor de volledigheid merken wij op dat onderstaande niets van doen heeft met aanpassing van de Toelichting bij Tabel I van de Wet OB voor zover het gelegenheid geven tot sportbeoefening betreft (Besluit van 27 oktober 2011, in de vraag ten onrechte «Sportbesluit» genoemd).
Klopt het dat het laten vervallen van de woorden «aan hun leden» in artikel 11, eerste lid, sub e, Wet op de omzetbelasting 1968 ertoe leidt dat sportstichtingen en gemeenten het recht op vooraftrek over de investering in een sportaccommodatie verliezen?
Zoals bekend maakt de huidige Nederlandse wettekst een onderscheid tussen prestaties aan leden en niet-leden. Daarmee is de Nederlandse btw-sportvrijstelling niet in lijn met het arrest Bridport. Of het arrest zal leiden tot het enkele schrappen van de woorden «aan hun leden» staat nog niet vast. Vooruitlopen op mogelijke rechtsgevolgen is dan ook niet aan de orde.
Het arrest Bridport vormt in samenhang met eerdere jurisprudentie over de sportvrijstelling de aanleiding om na te denken over de vormgeving van de sportvrijstelling in de Nederlandse wetgeving. 5 Daarbij zullen alle aspecten die samenhangen met de onderhavige problematiek nog worden onderzocht en in alle zorgvuldigheid worden afgewogen; juist vanwege het belang hiervan voor sport, maar eveneens voor de uitvoering van de btw-wetgeving door de belastingdienst die ook in de sfeer van sportaccommodaties met het bestrijden van oneigenlijke constructies te maken heeft.
Deelt u de analyse van de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat het laten vervallen van de woorden «aan hun leden» in bovengenoemd artikel leidt tot een financieel nadeel voor gemeenten van vermoedelijk € 200 miljoen? Zo nee, op welk bedrag schat u de financiële gevolgen van deze wetswijziging voor gemeenten?
Zoals reeds aangegeven in de Kamervragen van het lid Van Veen6 zijn wij ervan op de hoogte dat de Vereniging Sport en Gemeenten een inschatting heeft gemaakt van de totale financiële gevolgen, maar is de concrete onderbouwing van het totaal ons (tot op heden) niet bekend. Voor de financiële gevolgen van gemeenten en sportverenigingen bij aanpassing van de btw-sportvrijstelling is overigens vooral het btw-regime voor het ter beschikking stellen van sportaccommodaties van belang. Zoals gemeld zal met afweging van alle financiële, organisatorische, juridische, administratieve en uitvoeringsaspecten een weloverwogen besluit worden genomen over de vormgeving van de sportvrijstelling. Het is nog te vroeg om een uitspraak te doen over de uiteindelijke (financiële) gevolgen.
Uitgangspunt bij arresten van het Hof van Justitie EU is dat de wetgeving wordt aangepast als uit het arrest blijkt dat de wetgeving niet richtlijnconform is. Evenals bij andere wetswijzigingen zal daarbij de vraag naar redelijk overgangsrecht aan de orde zijn. Het compenseren van betrokkenen voor de gevolgen van jurisprudentie is geen automatisch recht. Wanneer duidelijkheid bestaat over de consequenties van het arrest, wordt bezien hoe om te gaan met de financiële gevolgen. Compensatie via het btw-compensatiefonds, is niet aan de orde, omdat uit dat fonds gemeenten, provincies en kaderwetgebieden een groot deel van de btw gecompenseerd krijgen die zij ter zake van prestaties in de hoedanigheid van overheid of niet-ondernemer in rekening gebracht krijgen. Het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie tegen vergoeding is een (al dan niet vrijgestelde) prestatie in de hoedanigheid van btw-ondernemer, omdat in concurrentie wordt getreden met andere ondernemers. Het btw-compensatiefonds heeft daarop geen betrekking.
Bent u voornemens om gemeenten voor deze extra btw-last te compenseren, bijvoorbeeld via het btw-compensatiefonds, indien bovengenoemde wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 doorgaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Op welk bedrag schat u de financiële gevolgen van de in vraag 3 genoemde wetswijziging voor sportverenigingen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een extra btw-last van vermoedelijk € 200 miljoen voor gemeenten en een extra btw-last voor sportverenigingen de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de sport in het geding brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat sprake is van oneerlijke concurrentie wanneer rechtspersonen die geen winst beogen geen btw moeten berekenen over hun prestatie bestaande uit het gelegenheid geven tot sportbeoefening en commerciële ondernemingen wel btw moeten berekenen over hun prestatie bestaande uit het gelegenheid geven tot sportbeoefening?
De btw-sportvrijstelling in de Wet OB is gebaseerd op de btw-richtlijn. De EU-wetgever heeft in de btw-richtlijn nadrukkelijk bepaald dat de sportvrijstelling beperkt is tot instellingen zonder winstoogmerk; een onderscheid tussen commerciële en niet-commerciële instellingen is dan ook bewust door de EU-wetgever gemaakt. Hierdoor mogen prestaties welke onder verschillende condities door commerciële dan wel niet-commerciële instellingen worden verricht voor de btw anders worden behandeld. De EU-wetgever ziet hierin derhalve geen schending van de fiscale neutraliteit.
De btw-richtlijn biedt wel de mogelijkheid aan de lidstaten om de sportvrijstelling niet toe te passen wanneer deze zal leiden tot concurrentieverstoring ten nadele van commerciële instellingen, maar uitsluitend wanneer het gaat om andere dan publiekrechtelijke instellingen. Het gebruik van deze mogelijkheid zou buitenproportioneel zijn. In de eerste plaats zou dit met zich meebrengen dat ook alle sportverenigingen in de btw-heffing zouden moeten worden betrokken. In de tweede plaats leidt btw-heffing bij de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties door niet-winstbeogende instellingen juist tot een lagere btw-druk vanwege het aftrekrecht in combinatie met de lage gebruiksvergoedingen tegenover commerciële bedrijven die sportaccommodaties exploiteren.
Acht u een vrijstelling voor niet-commerciële instellingen en btw-plicht voor commerciële instellingen die dezelfde prestatie verrichten strijdig met het beginsel van de fiscale neutraliteit van de btw? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u aangeven hoe er in andere Europese landen met het arrest Bridport2 wordt omgegaan?
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Bridport geoordeeld dat de vrijstelling voor nauw met sportbeoefening samenhangende diensten door een niet-winstbeogende instelling zowel geldt voor prestaties aan leden als aan niet-leden. Voor zover wij informatie hierover hebben gekregen van andere lidstaten is het beeld dat het arrest Bridport bij het merendeel van deze lidstaten geen aanleiding is tot wijzigingen in hun nationale wetgeving, omdat zij voor de btw geen onderscheid maken tussen prestaties aan leden en niet-leden.
Klopt het dat in het arrest gesproken wordt over natuurlijke personen (leden en niet-leden) en niet over verenigingen en stichtingen? Zo ja, waarom moeten het Sportbesluit en de Wet op de omzetbelasting 1968 dan gewijzigd worden vanwege dit arrest?
Het klopt dat het arrest Bridport ziet op prestaties die worden verricht ten behoeve van natuurlijke personen (leden en niet-leden). Op grond van het eerdere arrest HvJ EG 16 oktober 2008, zaak C-253/07 (Canterbury Hockey Club), vallen echter ook sportdiensten onder de vrijstelling indien de afnemer van die diensten een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid is, voor zover deze diensten nauw samenhangen met de beoefening van sport en onontbeerlijk zijn voor het verrichten ervan, en de uiteindelijke ontvangers van deze diensten personen zijn die sport beoefenen. De toepassing van de sportvrijstelling en de uitleg van het arrest Bridport kan dus niet worden beperkt tot diensten aan natuurlijk personen.
Is de in vraag 3 genoemde voorgenomen wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 uitsluitend bedoeld om de wettekst te repareren naar aanleiding van het arrest Bridport?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het arrest Bridport wordt gebruikt om «gekunstelde verhuurconstructies» aan te pakken?3
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u in het algemeen bij de aanpassing van de Nederlandse wettekst naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie EU mogelijkheden tot overgangsrecht of compensatie indien de gevolgen voor de praktijk zeer groot zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Het aan te leggen stuk spoor bij Beverwijk en overige werkzaamheden naar aanleiding van een werkbezoek van de leden van de VVD-fractie aan Tata Steel in IJmuiden |
|
Barbara Visser (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie in Beverwijk waar een kopspoor van 490 meter beschikbaar is voor het kopmaken van treinen die goederen vervoeren ten behoeve van Tata Steel? Zo nee, bent u bereid om informatie in te winnen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Om langere treinen te kunnen laten rijden is reeds besloten het kopspoor te verlengen tot 750 meter; wie is verantwoordelijk voor de aanleg daarvan en de besluitvorming daaromtrent? Deelt u de mening dat het van belang is dat, voor de doorstroming van goederen vanuit de IJmond en het daarmee samenhangende concurrentievermogen van de betrokken industrie, het verlengde kopspoor tot 750 meter zo snel mogelijk wordt aangelegd, in ieder geval voor de aanvang van de werkzaamheden voor de renovatie van de Velsertunnel in 2016? Zo nee, waarom niet? Loopt de aanleg van het verlengde kopspoor volgens planning? Zo nee, waarom niet? Wat is in dat geval de aangepaste planning en welke consequenties heeft dit voor het spoorgoederenvervoer?
In de samenwerkingsovereenkomst Regionet1 2006 is besloten tot aanleg van twee sporen met een lengte van 750 meter. ProRail neemt dit ter hand en is verantwoordelijk voor de uitvoering van de bestuurlijke afspraken. De huidige planning is dat de sporen in 2016 worden opgeleverd. ProRail en Rijkswaterstaat stemmen werkzaamheden onderling af, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat spoorgoederenvervoer moet worden gestimuleerd en dat langere treinen betekenen dat met minder treinen en goederenpaden er meer goederen kunnen worden vervoerd? Zo nee, waarom niet? Bent u ermee bekend dat de kosten van spoorgoederenvervoer meer dan 20% hoger zijn dan in Duitsland? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven te verbeteren?
De mogelijkheid om met langere treinen te rijden is voordelig voor vervoerders, verladers en ook infrabeheerders. Vandaar ook dat er langere aankomst- en vertreksporen worden gerealiseerd zoals bijv. in Beverwijk. Ook in internationaal verband bezie ik hoe op de corridor Rotterdam – Genua langere treinen gefaciliteerd kunnen worden. Overigens bestaan op het Nederlandse deel van deze corridor nu al geen obstakels meer voor de inzet van treinen van 740 meter. In dit verband is goed om op te merken dat in het kader van TEN- T is afgesproken dat uiterlijk per 2030 op de kernnetwerk corridors met treinen van 740 m gereden kan worden.
Ik ben bekend met het door u genoemde onderzoek. Dit onderzoek was de directe aanleiding voor IenM en de sector om het aanvalsplan spoorgoederenvervoer (Kamerstuk 29 984 nr 474) op te stellen. In de Lange Termijn Spooragenda krijgt dit aanvalsplan een concreet vervolg en worden acties benoemd om de concurrentiepositie van het spoorgoederenvervoer te versterken. Een van de acties is om een operationeel spoorconcept op te stellen waarbij onder andere het grensoponthoud wordt bezien.
Bent u ermee bekend dat er een stapeling van werkzaamheden aan het spoor en de weg zal plaatsvinden in het Noordzeekanaalgebied die van invloed kan zijn op de afwikkeling van het goederenvervoer en daarmee grote consequenties kan hebben voor het verladende en vervoerende bedrijfsleven, zoals het derde spoor, de aanpassing van de Velsertunnel, de ontwikkelingen bij de stations Beverwijk en Uitgeest, implementatie PHS, OV SAAL, aanpassingen Amsterdam Centraal en Schiphol? Deelt u de mening dat een dergelijke cumulatie niet mag leiden tot een dreigende stilstand voor het betreffende bedrijfsleven? Op welke wijze worden/zijn de planningen en risico's van al deze werkzaamheden, die in opdracht van de verschillende overheden worden uitgevoerd, op elkaar afgestemd? Bij wie ligt de coördinatie en in welke mate, zodanig dat het Nederlandse verladende en vervoerende bedrijfsleven daar zo min mogelijk last van hebben? Welke voorzorgsmaatregelen zijn/worden getroffen om vertragingen in de werkzaamheden te voorkomen? Hoe wordt het bedrijfsleven bij deze afwegingen betrokken dan wel geïnformeerd?
Het is voor bedrijven van groot belang dat werkzaamheden aan de infrastructuur goed op elkaar worden afgestemd. Rijkswaterstaat, Prorail, de Provincie Noord-Holland en de gemeenten in de regio stemmen hun werkzaamheden aan weg, spoor en vaarweg op elkaar af. Dit gebeurt door het jaarlijks opstellen van een meerjarenplanning. In deze meerjarenplanning wordt de uitvoeringstermijn van de al bekende (grootschalige) werkzaamheden en hun onderlinge samenhang vastgelegd. Projecten die later worden aangemeld moeten zich qua planning aanpassen aan de projecten die al in de meerjarenplanning zijn opgenomen. Rond een jaar voor de start van de werkzaamheden is de exacte uitvoeringswijze bekend en vindt nadere afstemming van de werkzaamheden en omleidingroutes plaats om de impact en verkeershinder zoveel mogelijk te beperken.
Dit afstemmingsproces wordt regioregie genoemd. De coördinatie hiervan ligt bij Rijkswaterstaat. De meerjarenplanning in Noord-Holland wordt jaarlijks vastgesteld in september door de Provinciale Verkeer en Vervoer Beraden en door het portefeuillehoudersoverleg Verkeer en Vervoer binnen de Metropoolregio Amsterdam.
Het bedrijfsleven wordt op projectniveau betrokken bij de nadere invulling van de werkzaamheden en bij het beperken van mogelijke verkeershinder. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de uitvoerder van het project. Zo is voor de renovatie van de Velsertunnel (2016) door Rijkswaterstaat en regionale overheden samen met de transportsector en ondernemers in de regio een bereikbaarheidsplan opgesteld. Dit plan bevat een reeks samenhangende maatregelen om de hinder tijdens de renovatie van de Velsertunnel te verminderen. De verdere uitwerking en implementatie van de maatregelen vindt plaats in nauw overleg met het bedrijfsleven.
De buitendienststelling van het spoor veroorzaakt de hinder voor bedrijven. Volgens de vigerende planning blijft de buitendienststelling van het spoor als gevolg van de werkzaamheden aan het kopspoor bij Beverwijk beperkt tot vier periodes tussen april en november 2015. Elke periode heeft een maximale duur van 52 uur. De werkzaamheden aan de Velsertunnel vangen aan in maart 2016 en duren 9 maanden.
Het bericht dat op de Amsterdamse islamitische basisscholen El Amien I en II een angstcultuur heerst |
|
Harm Beertema (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanbeleid bij islamitische basisscholen El Amien», waaruit blijkt dat op de Amsterdamse islamitische basisscholen El Amien I en II een angstcultuur heerst, dat de directeur op onrechtmatige wijze onderwijsgeld uitgeeft aan zaken als reisjes, cursus ademhalingstechnieken en dat er onverklaarbaar hoge Citoscores waren in 2013?1
Ja.
Kunt de conclusie onderschrijvingen dat het nepotisme en de onrechtmatige uitgaven waarover het artikel bericht onderdeel zijn van een corrupte cultuur die in het onderwijs te allen tijde vermeden en indien nodig hard bestreden moet worden?
Het is mijn taak om ervoor te zorgen dat de rijksbekostiging wordt ingezet in overeenstemming met wettelijke voorschriften. In gevallen waarin dit niet gebeurt en er bijvoorbeeld sprake is van een corrupte cultuur, wordt de rijksbekostiging teruggevorderd. Wanneer het financieel beleid van een schoolbestuur niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden, treedt de inspectie daartegen op.
De inspectie heeft onlangs een uitgebreid onderzoek naar het bestuurlijk handelen bij Stichting Nederlandse Islamitische Scholen uitgevoerd. Zij heeft geconstateerd dat er een aantal uitgaven is gedaan die niet in overeenstemming zijn met de daarvoor geldende voorschriften. De onrechtmatige uitgaven, waarover de inspectie rapporteert, betreffen bestedingen voor leerlingenvervoer, buitenlandse reizen en een cursus. Deze bevindingen worden serieus genomen en aangepakt. De inspectie bereidt de terugvordering van onrechtmatig bestede bedragen voor en blijft nauwlettend toezien op de situatie.
Richt het onderwijs dat gegeven wordt op de El Amien-basisscholen zich op segregatie en afkeuring van westerse waarden of op integratie en participatie? Worden de kernwaarden van onze samenleving, te weten individuele vrijheid en verantwoordelijkheid, gelijkwaardigheid van jongens en meisjes, man en vrouw, respect voor gelovige en geloofsverlater, homo- en heteroseksueel, expliciet onderwezen of niet?
De inspectie ziet toe op de naleving van de in de Wet primair onderwijs (artikel 8 lid 3) opgenomen opdracht aan scholen tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie. Als onderdeel van dit toezicht ziet de inspectie erop toe dat het onderwijs van scholen de basiswaarden van de democratische samenleving (zoals gelijkwaardigheid, non-discriminatie en verdraagzaamheid) bevordert.
El Amien I en El Amien II zijn in 2012, respectievelijk 2013 bezocht door de inspectie voor een onderzoek naar de kwaliteitsverbetering. Er zijn geen aanwijzingen dat er op de El Amien basisscholen sprake is van strijd met de basiswaarden van de democratische samenleving of met de wettelijke opdracht van scholen tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie.
Heeft u nu wél, in tegenstelling tot de situatie rond Ibn Ghaldoun, de (wettelijke) instrumenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u over tot sluiting van de El Amien-scholen?
In mijn brief aan uw Kamer van 16 januari 2014 over de lessen van Ibn Ghaldoun (TK 2013/14, Kamerstuk 31 289, nr. 182) heb ik aangegeven dat ik over een dekkend instrumentarium beschik om tijdig en effectief te kunnen interveniëren wanneer scholen niet aan de wet voldoen.
De inspectie constateert dat het bestuurlijk handelen van Stichting Nederlandse Islamitische Scholen, inclusief het financiële beleid, van onvoldoende kwaliteit is om de onderwijskwaliteit op de scholen duurzaam te waarborgen en te verbeteren. De inspectie heeft daarom het bestuur opgedragen deze situatie op zo kort mogelijke termijn te verbeteren. De inspectie ziet nauwlettend toe op de realisatie van deze verbeteringen. Daarnaast bereidt de inspectie, zoals in het antwoord op vraag 2 beschreven, de terugvordering van onrechtmatig bestede middelen voor.
Overigens vallen beide basisscholen – El Amien I en II – sinds 2013, respectievelijk 2012 onder basistoezicht. Dit betekent dat de onderwijskwaliteit op orde is en er op dit moment geen sprake is van (ernstige) tekorten in de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen van deze scholen.
Van beëindiging van de bekostiging van El Amien I en II is op dit moment geen sprake. Vanwege de kwetsbare situatie volg ik, samen met de inspectie, de kwaliteit van het onderwijs nauwgezet. De inspectie voert in het vierde kwartaal van 2014 een onderzoek uit om na te gaan of de tekortkomingen ten aanzien van het bestuurlijk handelen zijn opgeheven. Wanneer de gewenste verbetering uitblijft, grijp ik in.
Uitstoot op zee |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Containervervoer duurder vanwege laagzwavelige brandstof» gepubliceerd op de website van TotaalTrans?1
Ja.
Klopt het dat de bunkerkosten met 50% tot 100% gaan stijgen vanaf januari 2015 vanwege de strengere regels voor de uitstoot van zwavel? Zo ja, deelt u de mening dat deze explosieve stijging een onevenredig hoge lastenverzwaring voor containerrederijen is?
Op 1 januari 2015 gaan conform het internationale milieuverdrag MARPOL, op de Noordzee, Het Kanaal en de Oostzee strengere normen gelden voor de uitstoot van zwaveloxide door zeeschepen. Reders kunnen aan deze norm voldoen door op laagzwavelige brandstof (0,1% zwavel) te gaan varen, de z.g. maritieme diesel olie. Volgens informatie van het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid (EMSA) is deze 50 tot 75% duurder dan de reguliere scheepsbrandstof.
Reders kunnen echter ook op andere wijze aan de nieuwe normen voldoen: Ten eerste kunnen zij hun schepen geschikt maken voor het gebruik van LNG als brandstof. Het afgelopen decennium lag de prijs van LNG onder die van maritieme dieselolie. Als deze trend zich als verwacht voortzet, zullen reders de kosten van ombouw naar LNG binnen redelijke termijn kunnen terugverdienen.
Een tweede alternatief is het gebruik van hoogzwavelige brandstof in combinatie met een z.g. «scrubber» (een nabehandelingstechniek). Ook hier bestaat de mogelijkheid om op redelijke termijn de investering terug te verdienen.
De nieuwe regels hebben betrekking op álle zeeschepen varend op genoemde zeeën, niet uitsluitend op containerschepen.
Daarnaast merk ik op dat alle modaliteiten de taak hebben bij te dragen aan vermindering van luchtverontreiniging, dus ook de zeevaart. Andere modaliteiten (wegtransport en binnenvaart) hebben reeds langer te maken met strengere zwavelnormen.
Ik zal in de gaten houden wat in de praktijk de gevolgen zijn van de nieuwe normen voor uitstoot van zwaveloxide door schepen. In EU verband is specifiek voor deze problematiek het European Sustainble Shipping Forum, opgericht. Daarin zoeken overheden en bedrijfsleven samen naar mogelijke oplossingen, die in EU verband gevonden moeten worden. Nederland neemt hier actief aan deel.
Wat zijn de gevolgen van deze strengere regelgeving voor de scheepvaart op de Noordzee? Wat betekent dit voor de concurrentiepositie van de Nederlandse havens?
In opdracht van de Europese Commissie is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de strengere regelgeving, m.n. het risico van verschuiving van lading van zeeroutes naar vervoer over land. De conclusie is dat er inderdaad een zeker risico bestaat, maar dat dit zich beperkt tot een klein aantal routes, t.w. waar een zeetraject effectief kan worden vervangen door een kort landtraject. Het verlies wordt ingeschat op 1 tot 9%, afhankelijk van het soort schip en route. Overigens heb ik, voor wat betreft die mogelijke verschuiving van ladingpakketten van zee- naar landvervoer, mijn zorgen reeds overgebracht aan Europese Commissaris Kallas.
De verwachting is dat de regelgeving op de concurrentiepositie van de Nederlandse havens weinig of geen nadelig effect zal hebben. De nieuwe zwavelregels gaan gelden voor de gehele Noordzee en Het Kanaal, en daarmee voor alle vaarwegen die toegang geven tot de havens in de zgn. «Hamburg-Le Havre-range».
Overigens merk ik op dat de Nederlandse havens de aanscherping van de luchtemissienormen voor zeeschepen steunen. Dit geldt zowel voor SOx- als NOx-emissies.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat de stijging van bunkerkosten beperkt blijft, zodat het Noordzeegebied en de Nederlandse havens aantrekkelijk blijven voor de containervaart? Zo nee, waarom niet?
Hoewel ik uw zorgen begrijp, is zoals aangegeven, de verwachting dat de effecten van deze maatregelen beperkt zijn. De aantrekkelijkheid van de Nederlandse havens is daarnaast mede afhankelijk van zaken als snelle afhandeling in de havens, goede achterlandverbindingen, ICT infrastructuur en dergelijke. Op deze terreinen is mijn ministerie, samen met de sector, al zeer actief. Ingrijpen in de prijsvorming van aardolieproducten, acht ik niet opportuun.
Tol op wegen in Duitsland |
|
Sander de Rouwe (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is besproken tijdens en wat is de uitkomst van het topoverleg dat u op 15 juli jl. heeft gevoerd met de minister van Transport en Digitale Infrastructuur van Duitsland?1
Voor mijn inbreng en de uitkomsten van het gesprek verwijs ik naar de brief «Ontwikkelingen Duits voornemen vignet voor personenvoertuigen», die gelijktijdig met deze antwoorden aan uw Kamer wordt verstuurd.
Welke stappen gaat u concreet nemen naar aanleiding van dat overleg?
In eerste instantie is het nu aan de Europese Commissie om de uitwerking van het Duitse plan te beoordelen. Het onderwerp heeft reeds de aandacht van de Europese Commissie. Ik zal Eurocommissaris Kallas verzoeken na te gaan of deze voorgenomen maatregel en de uitwerking ervan verenigbaar is met het EU recht. Ik blijf ook in gesprek met mijn Duitse collega. Er is contact geweest met de overheden in Oostenrijk, Denemarken en Polen over de Duitse plannen. Indien na het oordeel van de Europese Commissie een gezamenlijke actie nuttig en nodig blijkt, zal ik dit zeker afstemmen.
Stroken de voorgenomen tolplannen met de uitkomsten van een eerdere top vorig jaar in Kleef tussen de Nederlandse en de Duitse regering om grensoverschrijdende belemmeringen weg te nemen? Zo nee, op welke punten niet?
Tijdens de Duits – Nederlandse regeringsconsultatie in Kleef in mei 2013 was nog geen sprake van een voornemen aan Duitse zijde om tol te gaan heffen voor personen- of bedrijfsverkeer op het Duitse wegennet. Derhalve zijn de tolplannen geen onderdeel geweest van de besprekingen in Kleef, en kwamen de tolplannen niet voor op de lijst met concrete hindernissen en belemmeringen die Nederlandse of Duitse ondernemers ervaren bij het grensoverschrijdend zaken doen.
Nederland vindt de Duitse tolplannen niet stroken met de in het Kleefse Memorandum of Understanding verwoorde nauwe, vertrouwensvolle en vriendschappelijke economische samenwerking tussen de beide buurlanden en de gemeenschappelijke inzet op versterking van de interne markt als wel de vermindering van administratieve lasten.
Onder verwijzing naar eerder door u gegeven antwoorden inzake dit onderwerp2 kan gesteld worden dat er thans aan Duitse zijde concrete plannen liggen; kunt u opnieuw ingaan op de vraag hoe u de schade en de gevolgen van deze tolplannen beoordeelt? Kan daarbij een onderbouwing van de totale schade gegeven worden?
De Duitse Minister heeft de uitgangspunten van zijn plan voor een Infrastrukturabgabe gepresenteerd op 7 juli 2014. Daarbij zijn ook de verwachte inkomsten gepresenteerd. Gedurende een regeringsperiode (vier jaar) wordt netto € 2,5 miljard aan inkomsten verwacht van de buitenlandse voertuigen.
Dit komt neer op inkomsten van bruto € 860 miljoen, netto € 625 miljoen, per jaar. Zoals bekend worden houders van voertuigen met een Duits kenteken, gecompenseerd door verlaging van de Duitse motorrijtuigenbelasting.
Nederland is slechts een van de landen die grenzen aan Duitsland. Ook België, Luxemburg, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Polen en Denemarken zullen geraakt worden. Daar komen de inwoners bij van andere landen (bijv. Zweden) die door Duitsland willen rijden. Er is momenteel geen schatting van de hoeveelheid jaarvignetten versus andere vignetten die door Nederlanders zullen worden gekocht. Ook de kosten van jaarvignetten voor Nederlanders zijn voertuigafhankelijk. De prijs voor een jaarvignet ligt tussen de € 20 en € 108. Een tien dagen vignet zal € 10 kosten, een twee maanden vignet zal € 20 kosten. De indirecte economische gevolgen van het invoeren van het vignet in Duitsland zijn niet bekend.
Bent u van mening dat, nu de concrete tolplannen voorliggen, deze inderdaad discriminerend zijn en binnen Europa slechts anderen dan de Duitsers zelf schaadt?
Minister Dobrindt heeft begin juli de uitgangspunten van zijn plan gepresenteerd. Deze moeten nog nader worden uitgewerkt. In hoeverre deze als discriminerend en onevenredig conform het EU recht kunnen worden bestempeld, zal nauw afhangen van de uitwerking van het plan en de daadwerkelijke wijziging in de Duitse wetgeving omtrent de motorrijtuigenbelasting. Ik heb begrepen dat Minister Dobrindt deze uitwerking met de Europese Commissie zal bespreken om ervoor te zorgen dat deze EU rechtsconform plaatsvindt.
Wat is uw visie op het bericht dat de Nederlands-Duitse Handelskamer de tolplannen ondoordacht vindt en nu al ziet dat deze schade opleveren?2
Ik begrijp dat de Nederlands-Duitse Handelskamer niet blij is met het Duitse plan. Het vignet is voor ondernemers in de grensregio´s een extra kostenpost, die extra voelbaar zal zijn voor de houders van een voertuig met een Nederlands kenteken. Ook de Duitse ondernemers zullen het effect echter voelen, omdat het vignet een extra barrière zal zijn voor Nederlanders die nu nog kiezen voor het dagje uit of winkelen in Duitsland.
Bent u bereid het initiatief te nemen om een toltop te organiseren met omringende landen zoals Oostenrijk, België, Tsjechië en Frankrijk om plannen te bespreken en acties te inventariseren?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
De opvang van Syrische vluchtelingen |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Marit Maij (PvdA), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat vandaag, 16 juli 2014, de eerste honderd Syrische vluchtelingen zijn aangekomen vanuit Amman? Vallen deze vluchtelingen onder de 250 Syrische vluchtelingen die conform de motie Voordewind c.s.1 zijn losgekoppeld van het jaarlijkse quotum van de 500 uitgenodigde vluchtelingen? Zo nee, wanneer zullen deze 250 Syrische vluchtelingen dan wel in Nederland opgevangen worden? Uit welke landen komen deze Syrische vluchtelingen?
Het is juist dat er vorige week ongeveer 50 Syrische vluchtelingen via hervestiging zijn aangekomen in Nederland. Deze vluchtelingen vallen onder het reguliere quotum voor hervestiging. De vluchtelingen komen uit Jordanië. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Klopt het tevens dat 109 uitgenodigde Syrische vluchtelingen die onder erbarmelijke omstandigheden in provisorische tenten en garageboxen in Beiroet verblijven daar nog eens zes maanden moeten wachten op vertrek naar Nederland? Klopt het bovendien dat zij moeten wachten wegens gebrek aan huisvestingsmogelijkheden in Nederland? Zo ja, hoe verklaart u deze vertraging gezien het feit dat de bovengenoemde motie in september 2013 is aangenomen?
Tijdens de hervestigingsmissie naar Libanon zijn ongeveer 110 personen geaccepteerd voor hervestiging, deze missie is op 11 juli afgerond. Het is de standaard procedure bij hervestiging dat vluchtelingen uiterlijk 6 maanden na acceptatie naar Nederland komen, omdat de vluchtelingen moeten worden voorbereid op hun komst naar Nederland en omdat er huisvesting moet worden geregeld. De Nederlandse regering hecht aan een goede voorbereiding, zodat de hervestigde vluchtelingen een goede start kunnen maken in de gemeente waar ze terecht komen.
Kunt u bevestigen dat deze groep inmiddels door de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties en de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter plaatse zijn geselecteerd?
De groep Syrische vluchtelingen die is geïnterviewd door de Nederlandse hervestigingsmissie in Libanon is door UNHCR in juni 2014 voorgedragen aan Nederland en medio juli geaccepteerd.
Bent u bereid deze groep zo spoedig mogelijk in Nederland op te vangen, zo nodig tijdelijk in asielzoekerscentra?
Bij de groep die zeer recent in Libanon is geaccepteerd voor hervestiging, zal de gebruikelijke termijn van 6 maanden worden gehanteerd. Zoals ook in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is deze termijn nodig voor een goede voorbereiding van de komst van de vluchtelingen naar Nederland.
Wanneer denkt u de overige 41 (van de 250) uitgenodigde Syrische vluchtelingen in Nederland op te vangen? Zijn deze vluchtelingen inmiddels geselecteerd? Zo ja, kunt u aangeven uit welke landen zij komen?
Inmiddels heeft Nederland meer dan 250 Syrische vluchtelingen geaccepteerd voor hervestiging, via hervestigingsmissies en via individuele voordrachten. Zij komen onder meer uit Jordanië en Libanon.
Kloppen de signalen dat aan sommige vluchtelingen wordt verteld dat zij niet voor hervestiging in Nederland in aanmerking komen omdat niet bekend is waar en onder welke omstandigheden hun partner zich op dat moment bevindt en Nederland daarom meent dat er een risico bestaat op een gezinsherenigingsverzoek in de toekomst waarbij mogelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zou kunnen worden tegengeworpen? Zo ja, hoe wordt in dergelijke gevallen dan voorkomen dat het belang van een hulpbehoevende vluchteling wordt geschaad door omstandigheden waarop hij/zij geen invloed heeft of heeft gehad, te weten het niet kennen van de verblijfplaats noch de omstandigheden van het verblijf van een gezinslid?
UNHCR is verantwoordelijk voor de voordrachten van Syrische vluchtelingen. Nederland zal bij deze voordrachten van geval tot geval bekijken of artikel 1 F een risico vormt in het licht van het individuele asielrelaas.
De onduidelijke antwoorden van de regering inzake de hongerstaking van de minister-president van Aruba |
|
Alexander Pechtold (D66), Wassila Hachchi (D66), Madeleine van Toorenburg (CDA), Sybrand van Haersma Buma (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u nader aangeven wat u precies heeft gedaan om te voorkomen dat het conflict met Aruba is gaan escaleren?1
Het kabinet heeft altijd de inzet gehad tot gezamenlijke afspraken te komen opdat er voor het land Aruba een realistische begroting 2014 zou kunnen worden vastgesteld. Zie beantwoording eerdere vragen voor een uitgebreid feitenrelaas.
Op 3 juli zijn met de Minister-President van Aruba afspraken gemaakt, neergelegd in een gezamenlijke persverklaring over het uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek door het secretariaat van het College Financieel Toezicht (Cft). In die verklaring is onder punt 3 het volgende opgenomen: «Op verzoek van Aruba en Nederland wordt dit onderzoek uitgevoerd in de vorm van een onafhankelijk secretariaatsrapport van een team bestaande uit deskundigen met ervaring in met overeenkomstige taken belaste organen in Koninkrijksverband».
Er is maar één met overeenkomstige taken belast orgaan in Koninkrijksverband, dus de tekst is op zich al helder. Uit de communicatie tussen de regering van Aruba en de Nederlandse regering was bovendien helder dat de tekst duidde op een team bestaande uit deskundigen van het Cft. Met het oog op het proces van het vinden van een acute oplossing, acht ik het niet dienstig die communicatie nu publiek te maken. Ik ben desgevraagd bereid om dit vertrouwelijk met uw Kamer te delen.
Heeft u met Minister-President Eman expliciet afgesproken dat het College financieel toezicht (Cft) het onderzoek zou uitvoeren? Kunt u notulen, of andere documenten die dit ophelderen, eventueel vertrouwelijk, aan de Kamer ter kennis brengen? Deelt u de mening dat de formulering uit de persverklaring de mogelijkheid openlaat dat anderen dan de huidige leden van het Cft met het onderzoek belast zouden worden?
Zie antwoord vraag 1.
Welke oplossing voor de ontstane situatie heeft u nu voor ogen en welke acties gaat u ondernemen om die oplossing te bereiken?
Het is in het belang van de bevolking van Aruba én van het Koninkrijk dat het onderzoek ingevolge het koninklijk besluit wordt afgerond, opdat kan worden zeker gesteld dat Aruba niet afkoerst op een onhoudbare situatie. Binnen zes weken zal het definitieve eindrapport verschijnen. Dat bevat in ieder geval: de uiteenzetting of de ramingen in de begroting realistisch zijn; de meerjarige gevolgen van de begroting voor het begrotings- of financieringstekort respectievelijk -overschot en de staatsschuld; en de cijfermatige weergave van de verhouding van deze meerjarige tekorten respectievelijk overschotten en de staatsschuld ten opzichte van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingscapaciteit. Dit onafhankelijke onderzoek kan ook de tijdige totstandkoming van de begroting 2015 en de meerjarenraming bevorderen.
Gezien de acute situatie heb ik nu aan de gouverneur in zijn rol als opdrachtgever gevraagd of de onderzoekers zouden kunnen komen met een zeer snel tussenrapport, een quick scan. Ik verwacht die binnen enkele dagen. Er is intensief contact met de gouverneur; het proces is verder niet gediend met nadere mededelingen.
Hoe denkt u erover om een mediator in deze situatie in te schakelen, met bestuurlijke ervaring met Aruba, maar met voldoende distantie van de huidige kwestie en de dagelijkse politiek, gezien de impasse die lijkt te zijn ontstaan tussen Aruba en Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de Raad van State, als onafhankelijke deskundige partij, te vragen om een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de besluitvorming van de Rijksministerraad en daarmee, of er in lijn met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is gehandeld, nu er op dit moment kennelijk een verschil van mening bestaat tussen de Arubaanse regering en de Nederlandse regering ten aanzien van de vraag of door de Rijksministerraad rechtmatig gehandeld is in deze zaak?
Neen. Het koninklijk besluit is op rechtmatige wijze tot stand gekomen. Zie ook eerder gegeven antwoorden van dinsdag 15 juli 2015, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2540.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Diabeteshandelingen op het kinderdagverblijf |
|
Tjitske Siderius (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat van de regering wordt verwacht dat zij naar aanleiding van de motie Siderius/Ypma in samenspraak met scholen, leraren en ouders van kinderen met diabetes een verkenning opstelt voor ondersteuning van kinderen met diabetes op school?1 2
Ja.
Herkent u de impasse van ouders van kinderen met diabetes dat hun kind niet op een regulier kinderdagverblijf terecht kan, omdat de leidsters de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van het prikken en het toedienen van insuline niet op zich willen/mogen nemen, maar dat kinderen met diabetes ook geen indicatie krijgen voor een medisch kinderdagverblijf en hierdoor geen geschikte plek in de kinderopvang kunnen vinden?
Het is mij bekend dat een kind met diabetes niet altijd op een regulier kinderdagverblijf terecht kan en dat een kind dat alleen extra zorg nodig heeft omdat het diabetes heeft, in beginsel niet in aanmerking komt voor een medisch kinderdagverblijf. Een medisch kinderdagverblijf is bedoeld voor kinderen met een achterstand in de emotionele of psychosociale ontwikkeling.
Het prikken en toedienen van insuline zijn medische handelingen en mogen alleen worden verricht door professionals die daartoe opgeleid zijn. Wanneer het kinderdagverblijf niet beschikt over een medisch geschoolde medewerker, is het om deze reden niet mogelijk om een kind met diabetes op te vangen. In voorkomende gevallen zijn er echter wel mogelijkheden dat een regulier kinderdagverblijf in samenspraak met de zorg tot een oplossing komt. In andere gevallen kan worden uitgeweken naar een kinderdagverblijf waar verpleegkundige zorg geboden wordt. Zo lossen sommige kinderdagverblijven dit op door afspraken te maken met een wijkverpleegkundige. De wijkverpleegkundige verricht de medische handelingen op het kinderdagverblijf en is beschikbaar bij complicaties.
Ziet u mogelijkheden om het meten van de bloedsuikerspiegel en het toedienen van insuline bij diabetes ook op kinderdagverblijven niet als medisch handelen te definiëren en eenzelfde verkenning voor kinderen met diabetes op het kinderdagverblijf uit te voeren zodat kinderen met diabetes zorgeloos naar een regulier kinderdagverblijf kunnen?
Zoals ik in mijn vorige antwoord aangaf, is in Nederland de toediening van insuline een medische handeling. Mijn collega van OCW gaat naar aanleiding van ondermeer deze vraag in samenspraak met VWS, een verkenning uitvoeren naar onder andere de invulling van de zorg aan leerlingen met diabetes op school. De Tweede Kamer zal in oktober worden geïnformeerd over de resultaten. Ik wacht de uitkomst van deze verkenning, die eveneens van belang kan zijn voor de kinderopvang, met belangstelling af. Ik zie om die reden geen noodzaak om een aparte verkenning uit te voeren.
Is het waar dat 16% van de ouders minder gaat werken en 14% zelfs stopt met werken, omdat hun kind met diabetes geen passende plek binnen het onderwijs danwel de kinderopvang kan vinden? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?3
Het onderzoek waaraan wordt gerefereerd is door het Diabetes Fonds uitgevoerd onder 606 ouders van kinderen met diabetes in de leeftijd van 4 tot 12 jaar (30% van de totale groep). Er is alleen onderzoek gedaan naar kinderen met diabetes op de basisschool. Kinderen met diabetes in de kinderopvang zijn niet meegenomen in dit onderzoek.
Navraag van het Diabetes Fonds bij ouders en zorgverleners laat zien dat ouders van kinderen met diabetes (onder de 4 jaar) in de kinderopvang eveneens tegen een soortgelijke problematiek aanlopen. Er zijn kinderdagverblijven die kinderen met diabetes aannemen, maar dit is niet het algemene beeld. Volgens het Diabetes Fonds gaat het echter om een relatief kleine groep kinderen van naar schatting minder dan 1.000. Ondanks dit geringe aantal is het jammer dat een deel van de kinderdagverblijven geen oplossing heeft gevonden om deze kinderen opvang te bieden en zich genoodzaakt zien deze kinderen te weigeren. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, zijn er wel mogelijkheden bij reguliere kinderopvanginstellingen om de juiste zorg te organiseren.
De eerder genoemde verkenning naar de zorg aan leerlingen met diabetes op school, kan mogelijk handvatten bieden voor ondernemers in de kinderopvang.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg kinderopvang op 24 september 2014?
Ja.
Het betaalgedrag van gemeenten |
|
Selçuk Öztürk (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de bevindingen van de Nationale Ombudsman over gemeenten die op grote schaal te laat betalen?1
Ja. In de brief van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer over betaaltermijnen bij de rijksoverheid en de lokale overheden d.d. 4 juli 20142 wordt ook naar dit onderzoek van de Ombudsman verwezen.
Waarom houden veel gemeenten zich niet aan de wet, die sinds maart 2013 zegt dat binnen 30 dagen betaald moet worden?
De enquête van de ombudsman was gericht op de oorzaken achter de te lange betaaltermijnen. Van de 192 gemeenten die op de enquête van de Nationale ombudsman reageerden, bleek 43% conform de norm (90% van de rekeningen zijn binnen 30 dagen voldaan) te betalen. De belangrijkste interne oorzaken voor het niet op tijd betalen zijn onder andere dat er onvoldoende prioriteit aan tijdige accordering wordt gegeven; er meerdere budgethouders zijn en daarmee een groter risico op vertraging; of dat de budgethouder niet aanwezig is en niet vervangen wordt. De belangrijkste externe oorzaken betreffen de geleverde prestatie. Die is niet volledig of niet volgens afspraak. Ook komt het vaak voor dat de factuur niet klopt.3
Is het waar dat 57% van de gemeenten zich niet aan de wettelijke betaaltermijn houdt?
Dit is de conclusie die de ombudsman trekt uit de uitgevoerde enquête. Uit de reacties blijkt dat 57% van de 192 gemeenten die hebben gereageerd, aangeeft de «90% op tijd-norm» (nog) niet te halen.
Andere onderzoekers benaderen de gegevens vanuit een andere invalshoek en komen tot afwijkende conclusies. Onderzoeksbureau Dun & Bradstreet, dat het betaalgedrag van gemeenten volgt in opdracht van MKB-Nederland, komt tot de conclusie dat in 2013 77% van de rekeningen door gemeenten op tijd is betaald.4 Voor D&B is de in de overeenkomst afgesproken betaaltermijn daarbij leidend. Die is overigens bij veel gemeenten aanmerkelijk korter dan 30 dagen. De VNG geeft overigens aan het door de Ombudsman geschetste beeld niet te herkennen (zie ook het volgende punt).
Deelt u de mening dat dit niet alleen vervelend is voor de ondernemers die hier last van hebben, maar ook slecht is voor de economie?
Ja.
Wat gaat u hieraan doen in de richting van de gemeenten?
Op dit moment is onvoldoende eenduidige en gestructureerde informatie beschikbaar over het betaalgedrag van gemeenten. Zoals is aangekondigd in de brief die de Minister van Economische Zaken mede namens mij aan de Kamer heeft gestuurd5, wordt een monitor opgezet waarmee inzicht kan worden verkregen in de betaaltermijnen van de gemeenten. Deze openbare «monitor gemeentelijke betaaltermijnen» wordt in samenwerking met de VNG en het Kwaliteitsinstituut van de Nederlandse gemeenten (KING) opgezet. U wordt hierover uiterlijk eind oktober geïnformeerd, zoals toegezegd in voornoemde brief.
Heeft u de mogelijkheid om bij gebleken betalingsachterstanden ook de betalingen vanuit het Gemeentefonds later te doen plaatsvinden?
Nee, van opschorten van de bevoorschotting van de algemene uitkering uit het gemeentefonds kan alleen sprake zijn als gemeenten niet voldoen aan hun informatieverplichting uit hoofde van Informatie voor derden (Iv3) en het verantwoordingssysteem voor specifieke uitkeringen (Sisa).
Wilt u in overleg treden met de VNG om mogelijke maatregelen te bespreken?
Overleg met de VNG (en KING) is al gaande in het kader van de ontwikkeling van voornoemde monitor gemeentelijke betaaltermijnen.
Wilt u hierin de mogelijkheid bespreken om een circulaire of brief aan alle gemeenten te versturen, waarin gewezen wordt op de eerder genoemde wettelijke betalingstermijn?
Uit het onderzoek van de Ombudsman en het onderzoek van Dun en Bradstreet blijkt niet dat er bij de gemeenten onduidelijkheid bestaat over de wettelijke betaaltermijnen. Ook andere contacten met gemeenten en de VNG wijzen niet in die richting. Ik zie op dit moment geen reden om een zodanige brief of circulaire te sturen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk, en uiterlijk over 3 weken, informeren over de voortgang in dit dossier?
In de eerder genoemde brief inzake betaaltermijnen is aan u toegezegd dat de Kamer uiterlijk eind oktober opnieuw wordt geïnformeerd over dit dossier.
De publicatie ‘Verstand op veilig’ |
|
Eric Smaling , Henk van Gerven (SP), Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Verstand op veilig» (2014) van het Rathenau instituut, waarin wordt geconcludeerd dat de kerntaken van onze op nationale veiligheid gerichte kennisinstellingen, zoals het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), het Rijks- Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten (RIKILT), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Deltares, de afdeling Defensie van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO Defensie), het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) onder druk zijn komen te staan?
Ja. Hierbij zij opgemerkt dat het Rathenau instituut zich alleen heeft gericht op KNMI, RIKILT, NFI en NVI en niet op de andere in uw vraag genoemde instituten.
Deelt u de bezorgdheid van de auteurs dat de kerntaken van deze instellingen, vanwege de intrede van marktwerking in de jaren-90 van de vorige eeuw, in meer of mindere mate in het gedrang zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, in tegendeel. Private financiering is van belang voor het in stand houden van voldoende expertise en capaciteit om de (wettelijke) onderzoekstaken uit te voeren. De betrokken departementen en instituten zijn gezamenlijk verantwoordelijk om goede waarborgen te scheppen voor een onafhankelijke en transparante uitvoering van de onderzoekstaken. Zo is er bijvoorbeeld voor de uitvoering van de wettelijke taken van het KNMI, o.a. die op het gebied van de publieke veiligheid, een vaste financiering vanuit de begroting van het departement van I&M beschikbaar. Vooruitlopend op de nieuwe Wet taken Meteorologie en Seismologie, die binnenkort zal worden behandeld in de Tweede Kamer, is een heldere scheiding aangebracht tussen wettelijke taken en andere aanvullende taken waarvoor aparte maatwerkfinanciering noodzakelijk is.
De kerntaken van het NFI zijn vastgelegd in de Regeling Taken NFI. Naast het verrichten van zaaksonderzoek behoort het ontwikkelen van nieuwe onderzoeksmethoden en technieken ter bevordering van kennis op het gebied van forensisch onderzoek en het zijn van (inter)nationaal kennis- en expertisecentrum op het gebied van het forensisch onderzoek tot de kerntaken. Tevens verwijs ik u ten aanzien van de positionering van het NFI naar mijn brief van november 2013 (Kamerstuk 33 750 VI, nr. 28) waarin ik heb aangegeven dat het NFI zich niet mag begeven op de commerciële civiele markt, maar uitsluitend diensten of producten mag aanbieden aan afnemers die worden genoemd in de Regeling Taken NFI.
De publieke veiligheidstaken van RIKILT op het gebied van voedselveiligheid worden als wettelijke taken benoemd in de Subsidieregeling DLO. De kerntaken die daarbij horen en de uitvoering daarvan zijn vastgelegd in een Uitvoeringsovereenkomst met DLO. De onafhankelijkheid is geborgd met een statuut.
Bent u bereid op grond van de in het rapport geschetste analyse met betrokken instellingen en andere relevante partijen om de tafel te gaan zitten om te bezien in hoeverre aan de gesignaleerde zorgen tegemoet kan worden gekomen?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om met de betrokken instellingen en andere relevante partijen om tafel te zitten buiten verbanden waarin dat al gebeurt. Binnen de bestaande verbanden kunnen relevante zorgen uiteraard worden gedeeld.
Acht u het zinvol te bezien in hoeverre de in het rapport genoemde instituten naast verantwoordelijkheid naar het moederministerie ook via onderlinge horizontale dwarsverbanden effectiever zouden kunnen opereren? Bent u bereid dit te onderzoeken?
Er is geen directe aanleiding nieuwe horizontale dwarsverbanden op te zetten, maar dit punt kan worden meegenomen in bestaande overleggen en evaluaties van structuren.
Acht u het zinvol te bekijken in hoeverre Inspecties en andere op toezicht en handhaving toegesneden organisaties, die voor hun kennis leunen op de instituten beschreven in het rapport van het Rathenau instituut (zoals de Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie Leefbaarheid en Transport, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit), ook gebaat zouden zijn bij sterkere horizontale dwarsverbanden? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De inzet van de overheid is in het algemeen gericht op het versterken van de samenwerking tussen de inspectiediensten en andere op toezicht en handhaving toegesneden organisaties. Zo zijn de rijksinspecties verenigd in de Inspectieraad. Het kabinet ziet, gelet op wat er is en gelet op het risico van bureaucratisering, geen reden te onderzoeken of nog sterkere horizontale dwarsverbanden (tussen de inspectiediensten en andere op toezicht en handhaving toegesneden organisaties danwel de kennisinstellingen onderling) meerwaarde zouden opleveren.
Het groeiende antisemitisme en anti-Israëlsentiment |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Keeper Sparta: Joods CIDI criminele organisatie»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak van de professioneel voetballer van Sparta, die in die hoedanigheid ook een voorbeeldfunctie vervult, dat het CIDI (Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël) een criminele organisatie is?
Het is goed invoelbaar dat mensen in Nederland uiting geven aan zorgen, verdriet en woede over wat elders in de wereld gebeurt. We zijn er echter met elkaar voor verantwoordelijk dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot antisemitische en anderszins discriminatoire uitingen of oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving en dat wij elkaar met wederzijds respect tegemoet blijven treden. In dat opzicht betreur ik deze uitspraak van de keeper van Sparta.
Kunt u aangeven in hoeverre de KNVB afstand neemt van de uitlatingen van de Sparta-speler en op welke wijze u het antisemitisme met de voetbalbond gaat bespreken?
Zowel de KNVB als voetbalclub Sparta zien hierin geen rol voor zichzelf. Wat hen betreft gaat het hier om de persoonlijke mening van de desbetreffende keeper. Van de KNVB weet ik dat ze kwetsende en discriminerende spreekkoren onderzoekt en aanpakt en dat ze eerder rondetafelgesprekken tussen clubs en joodse organisaties heeft gefaciliteerd. Uiteraard ben ik er een groot voorstander van dat de KNVB alles in het werk stelt om antisemitisme op en rond de velden te blijven bestrijden.
Deelt u de zorgen dat er geen massale veroordeling klinkt vanuit de islamitische gemeenschap van de islam-gerelateerde moordpartijen, slachtingen en martelingen in o.a. Syrië, Irak, Somalië en Nigeria maar de Joodse staat wel zeer eenzijdig wordt veroordeeld en gedemoniseerd?
Vrijheid van meningsuiting vormt een belangrijke pijler van onze rechtsstaat. Er is geen verplichting om uitspraken te doen over conflicten elders in de wereld. Mijn zorg gaat er vooral naar uit dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot antisemitische en anderszins discriminatoire uitingen of oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving.
Ziet u het antisemitisme en anti-Israëlsentiment in onze samenleving ook groeien? Zo ja, op welke wijze tracht u deze ontwikkeling tegen te gaan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord op de vraag 5 in de Vragen van de leden Van Klaveren en Bontes (beiden Groep Bontes/Van Klaveren) aan de Minister-President over de aanhoudende antisemitische golf die ons land overspoelt. (ingezonden 1 augustus 2014).
Russiche oorlogsschepen en bommenwerpers in de buurt van Nederland |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Koninklijke Marine op 6 juli 2014 in korte tijd opnieuw een Russisch oorlogsschip door de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ) op de Noordzee geëscorteerd heeft?1
Ja.
Klopt het dat het ging om de Russische destroyer Admiral Levchenko, die door het luchtverdedigings- en commandofregat Zr. Ms. Evertsen opgevangen is en geëscorteerd is aan de zuidkant van de EEZ?
Ja, Zr.Ms. Evertsen is op zondag 6 juli vanuit Den Helder naar zee vertrokken, heeft de Russische destroyer Admiral Levchenko geïdentificeerd en is enige tijd meegevaren. Tijdens de nacht heeft ook Zr.Ms. Friesland enkele uren meegevaren.
Klopt het dat op 8 mei 2014 voor het eerst sinds twintig jaar een Russisch vlootverband door de Noordzee gevaren heeft, waaronder door de Nederlandse EEZ?2 Hoe beoordeelt u deze tot voor kort ongebruikelijke vaarroute door de Russische marine?
Grotere oorlogsschepen zoals het Russische vliegdekschip Admiral Kuznetsov en de kruiser Pjotr Vilikiy, afkomstig van de Russische Noordelijke Vloot, maakten in het verleden gebruik van een route die west van Ierland en Schotland loopt. Op 8 mei 2014 voer voor het eerst in meer dan twintig jaar een vlootverband rond een oorlogsschip door de Noordzee en de Nederlandse EEZ.
Eenheden van de Russische marine varen overigens op jaarbasis meerdere keren door de Noordzee en de Nederlandse EEZ. Ook namen Russische eenheden de afgelopen jaren meerdere keren deel aan onder andere de Nederlandse en de Belgische vlootdagen. De passages door de Noordzee vinden hoofdzakelijk plaats door één tot drie Russische schepen afkomstig van de Russische Noordelijke en Baltische vloot. Het betreft hier Russische marine-eenheden die deel gaan nemen of hebben deelgenomen aan de internationale antipiraterijmissie (Hoorn van Afrika) of landingsvaartuigen die worden ingezet in de Zwarte- en Middellandse Zee. Voor deze eenheden is een route door de Noordzee en het Kanaal gebruikelijk.
Waarom was de Koninklijke Marine toen niet in staat om een schip in te zetten voor het opvangen en escorteren van de Russische Carrier Battlegroup, bestaande uit zes schepen rond het vliegkampschip RFS Kuznetsov? Waarom heeft u de Kamer hierover niet per afzonderlijke brief geïnformeerd?
In de Navo wordt aandacht besteed aan scheepsbewegingen van bepaalde landen en vindt tussen de hoofdkwartieren afstemming en informatie-uitwisseling plaats. Zo is het vlootverband van het Russische vliegdekschip Admiral Kuznetsov reeds op 6 mei 2014 ten westen van Frankrijk geïdentificeerd door Zr.Ms. De Zeven Provinciën, die op weg was naar de EU antipiraterijmissie Atalanta. Andere Navo-landen hebben hiervoor en erna de positie bijgehouden. Het vlootverband volgde de algemeen voorgeschreven vaarroute door internationale wateren.
Of een vlootverband (of enkel schip) wordt opgevangen en gevolgd door een Nederlands schip wordt per voorval bepaald. Hierbij is het van belang of het vlootverband al wordt gevolgd door een partner en welke schepen daarvoor beschikbaar zijn. Op het moment van de passage van de Kuznetsov langs Nederland was het niet noodzakelijk het vlootverband te volgen met een Nederlands schip. Omdat het vlootverband niet is afgeweken van de algemeen voorgeschreven vaarroute door internationale wateren, was er geen aanleiding de Kamer te informeren.
Zijn er recentelijk nog meer van dit soort incidenten geweest op de Noordzee?
Op 25 juni 2014 hebben twee Russische landingsschepen van de Ropucha-klasse dezelfde route gevolgd.
Zijn dit slechts incidenten volgens u of is sprake van een toenemende assertieve houding van Rusland, dat met deze nieuwe vaarroute een signaal afgeeft van aanwezigheid en van uiting van de vrije keuze om te varen in internationale wateren waar men dat wil?
Er is een toename van assertief gedrag van de Russische lucht- en zeestrijdkrachten waar te nemen. Dit uit zich in het intensiever schaduwen en escorteren van Navo-marineschepen en vliegtuigen in de Russische perifere zee- en luchtgebieden zoals de Zwarte Zee en de Oostzee. Overigens hanteren Navo-lidstaten een gelijke modus operandi voor die zee- en luchtgebieden die grenzen aan Navo lidstaten (zoals op of boven de Oost- en Noordzee). Ook het gebruik van de vaarroute door de Noordzee is een voorbeeld van dit toegenomen assertieve gedrag.
Het doorkruisen van de Noordzee door de Admiral Kutznetsov taakgroep op 8 mei 2014 kan inderdaad worden gezien als een uiting van de vrije keuze om te varen in internationale wateren waar men dat wil.
Hoeveel en welke incidenten zijn er het afgelopen jaar geweest met Russische bommenwerpers die het Nederlandse luchtruim en/of het Nederlandse verantwoordelijkheidsgebied binnen het Europese luchtruim betreden hebben, dan wel hier in de buurt vlogen zonder zich te identificeren?
Op 10 september 2013, 23 april 2014, 19 en 21 augustus jl. hebben telkens twee TU-95 Bear-H bommenwerpers in de nabijheid van het Nederlandse verantwoordelijkheidsgebied gevlogen. Zij zijn niet binnen dat gebied geweest.
Hoe verhoudt zich de praktijk van de Russische bommenwerpers richting Nederlands verantwoordelijkheidsgebied- en luchtruim tot tot de prarktijk in eerdere jaren? Is sprake van een toename van incidenten en/of een assertievere houding?
Begin jaren ’90 werden de gedurende de Koude Oorlog gebruikelijke patrouillevluchten van Russische strategische bommenwerpers beëindigd. Vanaf 2007 zijn deze hervat. De frequentie van de patrouillevluchten van Russische strategische bommenwerpers is de laatste jaren toegenomen. Daarnaast zijn de patrouillegebieden de afgelopen jaren uitgebreid. Zo hebben er tevens vluchten plaatsgevonden naar het Caraïbisch gebied.
De lange afstandsvluchten met de Russische bommenwerpers worden uitgevoerd boven internationale wateren in vrij toegankelijk internationaal luchtruim. Deze vliegtuigen doorkruisen het Nederlandse verantwoordelijkheidsgebied meerdere keren per jaar, maar schenden niet het Nederlandse luchtruim. Er is geen verplichting om dergelijke vluchten vooraf aan te kondigen. Met het uitvoeren ervan overtreedt Rusland geen internationale regels. De vluchten worden dan ook niet beschouwd als schending, provocatie of internationaal incident. Wel is Nederland van mening dat de Russische bommenwerpers zich vanwege vliegveiligheidsredenen zouden moeten melden bij het binnenvliegen van die delen van het internationale luchtruim waarbinnen luchtverkeersleiding wordt verzorgd (waaronder het vluchtinformatiegebied Amsterdam). De op basis van nationale wetgeving bestaande meldingsplicht wordt tijdens dit soort vluchten doorgaans niet gerespecteerd. De vluchten worden uit veiligheidsoverwegingen door vliegtuigen van Navo-bondgenoten begeleid en in de gaten gehouden, zoals dat ook gebruikelijk is met vliegtuigen van andere niet-Navo-landen.
Bent u bereid een overzicht te geven van de schendingen van het Nederlandse verantwoordelijkheidsgebied- en luchtruim door de Russische luchtmacht in de afgelopen tien jaar?
Onderstaand overzicht geeft de data waarop Russische bommenwerpers richting het door Navo aan Nederland toegewezen verantwoordelijkheidsgebied zijn gevlogen. Met deze vluchten overtreedt Rusland geen internationale regels. De vluchten worden dan ook niet beschouwd als schending, provocatie of internationaal incident. Deze bommenwerpers zijn daarbij altijd in opdracht van de Navo onderschept door vliegtuigen van de Noorse, Deense, Duitse, Britse of Nederlandse Luchtmacht. Exacte gegevens over de acties die door de Navo zijn genomen, zijn gerubriceerd en kunnen niet in dit antwoord worden verwerkt.
De teruggave van kinderopvangtoeslag in 2012 |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat in 2012 veel ouders de teruggave van de kinderopvangtoeslag waren misgelopen omdat de regels werden veranderd en ouders onvoldoende geïnformeerd waren over het feit dat de kinderopvangtoeslag alleen nog per twee maanden kon worden teruggevraagd en u na 700 meldingen hebt besloten de nieuwe regels in te trekken?1 2 3
Ja.
Acht u het wenselijk dat er nog steeds ouders zijn die geen duidelijkheid hebben van de Belastingdienst over de teruggave van de kinderopvangtoeslag in 2012 en bij navraag van de Belastingdienst te horen kregen dat ze hierover eind 2014 bericht zullen ontvangen?4
Vanzelfsprekend vind ik het gewenst dat aanvragers van toeslagen zo snel mogelijk zekerheid krijgen over de rechtmatigheid van hun aanvraag en de daarop gebaseerde toekenning. Belastingdienst/Toeslagen werkt daar hard aan en is continu bezig met procesoptimalisatie. Zo is onlangs begonnen met het verwerken van maandopgaven, met geleverde uren opvang, van kinderopvanginstellingen die een convenant hebben met Belastingdienst/Toeslagen. Verwacht wordt dat het proces van definitief toekennen hierbij wordt versneld. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik naar mijn brief van 26 oktober 20125.
Ik hecht er echter aan te benadrukken dat de systematiek van toeslagen is gebaseerd op een bepaalde procesgang. De kinderopvangtoeslag wordt uitgekeerd conform de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dat betekent dat de burger een aanvraag doet op basis van een geschat inkomen, een geschat aantal af te nemen opvanguren en een inschatting van het aantal te werken uren. De toeslag wordt maandelijks uitgekeerd als voorschot.
Burgers moeten lopende het toeslagjaar relevante wijzigingen zelf doorgeven aan de Belastingdienst. Na afloop van het toeslagjaar wordt gestart met de vaststelling van de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag. Voor deze definitieve toekenning voert Belastingdienst/Toeslagen een aantal rechtmatigheidscontroles uit op draagkracht, uren en tarieven. Hierbij wordt nagegaan welk inkomen is genoten, wordt derdeninformatie van de kinderopvanginstellingen (jaaropgaven) gebruikt en waar nodig wordt aanvullende informatie aan de aanvrager gevraagd.
Dit proces (het opvragen van informatie, de behandeling en controle ervan) vraagt de nodige tijd1.
Hoeveel ouders hebben nog geen duidelijkheid van de Belastingdienst over de teruggave van de kinderopvangtoeslag in 2012?
Er zijn 8.000 ouders die een aanvraag hebben gedaan na 2012. Hiervan hebben er tot begin september 2014 3.700 een definitieve beschikking ontvangen.
Ten aanzien van de resterende aanvragen is het onderzoek in het kader van de rechtmatigheid nog niet afgerond en om die reden is de definitieve beschikking nog niet afgegeven. Zoals eerder opgemerkt vraagt het proces van het opvragen van informatie, de behandeling en controle ervan de nodige tijd.6
Acht u het wenselijk dat ouders hierdoor in financiële problemen kunnen komen, de kinderopvang niet meer kunnen betalen, de kinderen van de opvang moeten halen of zelfs moeten stoppen met werken?
Kunt u toelichten of ouders de misgelopen rente met betrekking tot de teruggave van de kinderopvangtoeslag teruggestort krijgen of moeten zij dit voor lief nemen?
Bent u bereid deze vragen voor het Algemeen overleg kinderopvang op 24 september 2014 te beantwoorden?
Het niet-uitvoeren van verplichte inspecties bij kinderopvang |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Verplichte inspectie bij kinderopvang niet altijd uitgevoerd»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering in het artikel dat bijna de helft van de Nederlandse gemeenten niet de verplichte jaarlijkse controles uitvoert en dat daarmee 7.3% van de kinderopvangcentra niet geïnspecteerd is? Zijn deze cijfers een verbetering of verslechtering ten opzicht van de cijfers die de Inspectie van het Onderwijs publiceerde in maart 2014 in haar rapport «Kwaliteit gemeentelijk toezicht kinderopvang 2012/2013»?
De uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van toezicht en handhaving in de kinderopvang is in de afgelopen jaren stapsgewijs verbeterd. Om deze positieve ontwikkeling in de komende periode verder voort te zetten heb ik samen met de betrokkenen bij het toezicht en de handhaving in de kinderopvang een aantal maatregelen genomen. Zie daarvoor de antwoorden op de antwoorden op de vragen 3 en 7.
Het in het bericht genoemde cijfer van 7.3% over 2013 is een verbetering van de uitvoering van de gemeentelijke toezichttaak ten opzichte van 2012. In 2012 bedroeg het percentage niet geïnspecteerde kinderopvangcentra nog meer dan 10%. Voor een nadere duiding van ontwikkelingen in de gemeentelijke toezichttaak verwijs ik vooruit naar het rapport «Kwaliteit gemeentelijk toezicht kinderopvang 2013/2014» van de Inspectie van het Onderwijs dat ik eind 2014 aan uw Kamer zal aanbieden.
Bent u het eens met de constatering van de gemeente Utrecht dat niet alle kinderopvangcentra kunnen worden geïnspecteerd, omdat er te weinig geld wordt vrijgemaakt door het Rijk en daardoor personeelstekorten ontstaan? Zo nee, wat is volgens u de reden dat niet alle kinderopvangcentra geïnspecteerd kunnen worden?
Ik ben het niet met de gemeente Utrecht eens dat de rijksoverheid te weinig geld vrijmaakt. Met de VNG zijn hierover afspraken gemaakt. Op basis van deze afspraken stort de rijksoverheid jaarlijks een bedrag in het gemeentefonds voor de uitvoering van de toezicht- en handhavingstaken. Dit bedrag is naar mijn oordeel voldoende om alle inspecties uit te kunnen voeren. Begin 2015 evalueer ik overigens de geldende afspraken met de VNG.
In september 2013 heeft mijn ministerie een seminar georganiseerd over de effectiviteit van de handhaving in de kinderopvang. Tijdens het seminar bleek onder meer dat het plannen van inspecties, de monitoring van de voortgang en het relatiebeheer tussen gemeenten en GGD’en zeer belangrijk zijn voor het welslagen van het uitvoeren van de wettelijke inspectietaak. Met deze kennis heb ik samen met de partners in het toezicht en de handhaving van de kinderopvang een aantal maatregelen genomen zodat binnen de huidige kaders meer resultaten kunnen worden gerealiseerd. Zie voor de afzonderlijke maatregelen het antwoord op vraag 7.
Hoe staat het bericht dat het huidige toezicht niet op orde is in verhouding tot de vormgeving van het Nieuw Toezicht waarmee u controles door de GGD en handhaving door de gemeenten anders wilt gaan vormgeven?
Ik bestrijd het beeld dat het huidige toezicht niet op orde is. De omslag naar meer kwaliteitstoezicht met Het Nieuwe Toezicht vraagt een herijking van de kwaliteitseisen en een verdere professionalisering en toerusting van toezichthouders en handhavers. Daar zet ik met het project Het Nieuwe Toezicht in de komende periode op in. Tegelijkertijd werk ik samen met de overheidspartners betrokken bij het toezicht en de handhaving aan maatregelen gericht op het verbeteren van het plannen van inspecties, de monitoring van de voortgang en het relatiebeheer tussen gemeenten en GGD’en. Zo worden de condities waaronder de gemeenten en GGD’en met het Nieuwe Toezicht gaan werken geoptimaliseerd.
Heeft u informatie over de aantallen geïnspecteerde gastouderbureaus? Is hier ook sprake van te weinig inspecties? Zo ja, hoeveel gastouderbureaus zijn in 2013 geïnspecteerd? Als dit niet bekend is, kunt u dit achterhalen en de Kamer hierover informeren?
Voor gastouderbureaus geldt (net als voor kindercentra, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang) dat wettelijk bepaald is dat alle bureaus jaarlijks in ieder geval één keer dienen te worden geïnspecteerd. Op basis van een eerste raming van de Inspectie van het Onderwijs zijn in 2013 niet alle gastouderbureaus geïnspecteerd: volgens voorlopige cijfers is 90% geïnspecteerd en 10% niet. Dit cijfer geef ik u onder voorbehoud. De definitieve cijfers heb ik nog niet tot mijn beschikking. Op basis van het rapport van de Inspectie van het Onderwijs (zie mijn antwoord bij vraag 2) zal ik u daarover preciezer informeren. Ik verwacht dat de maatregelen die ik ter verbetering van de uitvoering van de toezicht- en handhavingstaak samen met de overheidspartners heb genomen (zie het antwoord op vraag 7) in de komende periode ook een positief effect zullen hebben op de gerealiseerde inspecties bij gastouderbureaus.
Bent u voornemens maatregelen te treffen ten aanzien van gemeenten die hun cijfers over de aantallen geïnspecteerde kinderopvangcentra niet willen publiceren?
Het jaarverslag van de gemeente over de uitvoering van toezicht en handhaving kinderopvang is openbaar. Het is geen verplichting voor de gemeente om het jaarverslag op de site van «Waarstaatgemeente.nl» te laten publiceren. Deze keuze behoort tot de verantwoordelijkheid van de gemeente, niet tot die van de rijksoverheid.
Bent u voornemens maatregelen te treffen zodat in 2014 wel alle kinderopvangcentra minimaal één keer worden geïnspecteerd? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Om de uitvoering van de toezicht- en handhavingstaken verder te verbeteren heb ik in overleg met de betrokken overheidspartners een aantal maatregelen genomen.
Allereerst is in de Gemeenschappelijke Inspectie Ruimte (GIR) een planningsmodule ontwikkeld. Deze planningsmodule maakt het voor GGD’en en gemeenten gemakkelijker om inspecties in te plannen en om bij te sturen.
Ten tweede hebben de VNG en GGD GHOR Nederland een handreiking met best practices voor alle GGD’en en gemeenten opgesteld. Deze handreiking is in nauwe samenwerking met de Inspectie van het Onderwijs en een aantal gemeenten en GGD’en ontwikkeld. De handreiking wordt in september 2014 vastgesteld en geïmplementeerd in de uitvoering. Ik heb de verwachting dat met behulp van de planningsmodule en de handreiking gemeenten en GGD’en beter in staat zijn de wettelijk verplichte inspecties uit te voeren. Ik verwacht dat hiermee het aantal uitgevoerde inspecties verder zal toenemen.
Ten derde zijn er door de Inspectie van het Onderwijs verbetertrajecten met verschillende gemeenten afgesproken om de uitvoering van de inspecties op het wettelijke niveau te krijgen. Deze verbetertrajecten volg ik via mijn contacten met de Inspectie van het Onderwijs actief.
Onrust onder huurders door een fout van de Belastingdienst |
|
Sadet Karabulut |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op de onrust die is ontstaan onder honderden huurders van Welbions, vanwege een ten onrechte ontvangen brief van de Belastingdienst met de boodschap dat de huurtoeslag met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 zou moeten worden terugbetaald? Klopt dit bericht?1
Het klopt dat zich een procesverstoring heeft voorgedaan. De onterechte terugvorderingen zijn hersteld en de huurtoeslag, die eveneens ten onrechte gestopt was, is enkele dagen na de oorspronkelijke betaaldatum aan de betrokken huurders uitgekeerd. De betrokken huurders hebben ook een excuusbrief ontvangen.
Wat is het exacte aantal door de Belastingdienst opgelegde vorderingen? Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Het gaat om ca. 390 gevallen. Er is een fout gemaakt in de verhuurdersadministratie. Een deel van de woningen van Welbions is ten onrechte aangemerkt als woningen waarvoor geen recht op huurtoeslag bestond. De fout is hersteld en maatregelen zijn in uitvoering genomen om deze fout in de toekomst te voorkomen.
Gaat u ervoor zorgen dat de fout van de Belastingdienst volledig en nog deze maand wordt hersteld? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat u voorkomen dat zoiets nog een keer gebeurt?
Op 24 juli hebben alle betrokken huurders hun huurtoeslag, die ten onrechte gestopt was, alsnog ontvangen. In mijn brief van 24 juni 20142 heb ik aangegeven dat ik procesverstoringen bij massale uitvoeringsprocessen nooit kan uitsluiten. De eerste prioriteit van de Belastingdienst is de schade voor de betrokken burgers zoveel mogelijk verkleinen. Dat is bij deze procesverstoring ook gebeurd.
Het schrappen van dagbesteding en het sluiten van een zorgboerderij |
|
Tjitske Siderius (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat zorgboerderij Enjoy-it gedwongen is haar deuren te sluiten vanwege de bezuinigingen op het persoonsgebonden budget? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?1 2
Ik heb kennis genomen van de nieuwsberichten. Ik betreur de sluiting van de zorgboerderij omdat dit betekent dat de kinderen moeten zoeken naar een andere aanbieder die zorg levert die goed aansluit bij hun wensen en behoeften. De raad van bestuur is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de zorgboerderij en heeft op basis van een financiële analyse geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om de zorgboerderij voort te laten bestaan. Ik kan niet treden in de verantwoordelijkheid van het bestuur. De sluiting van de zorgboerderij betekent niet dat deze kinderen hun recht op zorg verliezen. Zij behouden dit recht en daarmee de mogelijkheid om via hun persoonsgebonden budget zorg elders in te kopen.
Welke gevolgen heeft het sluiten van zorgboerderijen voor kinderen zoals Stella, die gebaat zijn bij veiligheid en structuur, en voor wie het jaren kost om een stabiel alternatief te vinden? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Deze kinderen behouden hun recht op zorg. Via het persoonsgebonden budget kan elders zorg worden ingekocht. Stichting Enjoy-it heeft aangegeven dat wordt geprobeerd om met andere kleinschalige ondernemingen afspraken te maken over het overnemen van cliënten en het personeel.
Wat betekent de sluiting voor de zorgverleners die werkzaam zijn op zorgboerderij Enjoy-it? Worden zij ontslagen? Is de vakbond betrokken bij een sociaal plan?
Voor de twaalf medewerkers die op de loonlijst staan wordt bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend. Een sociaal plan omvat met name compensatie op het terrein van loonderving. In de zorgsector is dat deel van het sociaal plan opgenomen in cao’s. Vakbonden kunnen eventuele aanvullende maatregelen uitonderhandelen per specifiek geval. Of dat in dit geval gebeurt, weet ik niet.
Hoe verhoudt de sluiting van deze zorgboerderij en andere dagbestedingscentra zich tot de middelen die voortgekomen zijn uit het begrotingsoverleg? U zou toch met dit geld voorkomen dat dagbestedingscentra moeten sluiten? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Voor begeleiding en dagbesteding worden door het kabinet voor de komende jaren extra middelen beschikbaar gesteld. Naast de € 195 miljoen in 2015, gaat het om € 165 miljoen in 2016, € 50 miljoen in 2017, € 40 miljoen in 2018 en € 30 miljoen structureel in de jaren daarna. De extra middelen zijn op zijn vroegst volgend jaar beschikbaar. Meer budget betekent meer mogelijkheden voor het continueren van zorg. Dit laat onverlet dat het aan individuele zorgaanbieders is om te besluiten onder welke condities zij het haalbaar vinden om een zorgboerderij te laten voortbestaan. Zoals eerder aangegeven, behouden de cliënten van de zorgboerderij hun recht op zorg.
Hoe verhoudt de sluiting van deze zorgboerderij en andere dagbestedingscentra zich tot de uitspraak van PvdA-leider Diederik Samsom dat hij opgelucht was met het begrotingsakkoord omdat mensen die nu dagbesteding hebben de zekerheid kregen dat ze deze niet zouden kwijtraken?5
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel andere zorgboerderijen en dagbestedingscentra moeten vanwege de forse bezuinigingen de deuren sluiten? Kunt u de Kamer hiervan een overzicht doen toekomen? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Ik beschik niet over dergelijke informatie. Het continueren van zorg (het voortbestaan) is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
Hoe verhoudt de sluiting van belangrijke dagbestedingscentra zich tot uw plannen om de langdurige zorg toekomstbestendig te maken? Kunt u dit uitleggen?
Zie antwoord vraag 4.
De toenemende georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Marith Volp (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de bijna onbeheersbare georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland en de reactie van de politievakbond hierop?1
Ja.
In hoeverre bent u ervan op de hoogte dat meerdere burgemeesters worden bedreigd? Welke acties heeft u ondernomen teneinde deze burgemeesters bij te staan? Weet u wat de aard van de bedreigingen zijn en van wie ze afkomstig zijn?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij bericht dat het geen mededelingen doet over eventuele bedreigingen van openbaar bestuurders. Het bedreigen van openbaar bestuurders is volstrekt onaanvaardbaar en kan altijd rekenen op een stevige aanpak. Indien sprake is van bedreiging van openbaar bestuurders wordt opgetreden conform de Aanwijzing beveiliging van personen, objecten en diensten van het College van Procureurs-generaal. Dat betekent dat er een dreigingsinschatting wordt gemaakt en dat eventueel beveiligingsmaatregelen worden getroffen, onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie. Daarnaast wordt onder leiding van het OM een strafrechtelijk opsporingsonderzoek ingesteld naar de herkomst van de bedreiging.
Is het waar dat de grootste zorg met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit, de drugsgerelateerde criminaliteit betreft? Zo nee, welke criminaliteit betreft het nog meer?
Eén van de prioritaire aandachtsgebieden bij de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit betreft de handel in en de productie van drugs. Tevens krijgen mensenhandel, witwassen, zware milieucriminaliteit en financieel-economische criminaliteit meer dan bijzondere aandacht van OM en politie en van andere organisaties die betrokken zijn bij de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit, zoals gemeenten en de Belastingdienst. De noodzaak om deze thema’s met prioriteit aan te pakken wordt bevestigd door het meest recente Nationaal Dreigingsbeeld Georganiseerde Criminaliteit 2012 (verder te noemen: NDB). Ik berichtte uw Kamer hier eerder over per brief d.d. 13 maart 2013.2 In deze brief heb ik tevens aangegeven dat er geen enkele twijfel over bestaat dat de illegale drugsmarkten onverminderd prioriteit moeten krijgen, ook na 2014.
Het wordt bovendien steeds duidelijker dat veel criminele samenwerkingsverbanden niet statisch zijn, maar bestaan uit individuen die flexibel opereren en dat de verbanden van samenstelling, rolverdeling én van werkterrein veranderen. Zij houden zich vaak bezig met diverse soorten van (georganiseerde) criminaliteit, waaronder de handel in of productie van drugs.
Deelt u de constatering van de burgemeesters dat de georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland (Noord-Brabant en Limburg) onbeheersbaar dreigt te worden? Zo ja, was het u bekend voordat de berichten hierover in de media kwamen en wat heeft u vervolgens gedaan met deze kennis?
De problematiek ten aanzien van de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland is hardnekkig en zorgwekkend. Het OM en de politie hebben verontrustende signalen over de (ontwikkeling van de) ondermijnende en georganiseerde criminaliteit aldaar. Ook vanuit het openbaar bestuur uit die regio's zijn hierover grote zorgen. Het bevoegd gezag in Zuid-Nederland heeft dan ook besloten om per 1 oktober 2014, binnen de bestaande sterkte, meer politiecapaciteit in te gaan zetten op de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Voor een nadere uitwerking van de intensivering verwijs ik graag naar mijn brief van 4 september 2014 over dit onderwerp.
Wat is uw mening over deze constatering van de burgemeesters? Deelt u de mening dat er snel actie ondernomen moet worden?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van de wensen van de burgemeesters, politie en het Openbaar Ministerie (OM) dat zij meer geld nodig hebben voor opsporing, meer mogelijkheden voor de aanpak van eigenaren van panden waarin drugslaboratoria zijn aangetroffen en een nationaal coördinator misdaadbestrijding? Zo ja, in hoeverre gaat u tegemoetkomen aan deze wensen?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 4 en 5 voor wat betreft de intensivering van de aanpak van ondermijning in Zuid-Nederland. Zoals ik in mijn brief van 4 september 2014 aan uw Kamer aangeef, wordt voor deze intensivering aangesloten op de regionale structuur en strategie bij de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Dat betekent dat de intensivering in Brabant en Zeeland vorm krijgt via de TaskForce BZ en in Limburg via het RIEC.
De keuze voor een regionale structuur voor de aanpak is een hele bewuste: op die manier kan het beste worden aangesloten bij de regionale en lokale problematiek. De problematiek is immers niet in iedere regio hetzelfde en is het leveren van maatwerk een voorwaarde voor een effectieve aanpak. Sturing op die samenwerking door het (lokale) gezag is daarbij cruciaal. In aanvulling hierop is de landelijke aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit (die regio overstijgend is) belegd bij het Landelijk Parket, het Functioneel Parket en de Landelijk Eenheid van de Nationale Politie. Deze werken ook nauw samen met andere partners zoals gemeenten en de Belastingdienst. Ik kan, gelet op het vorenstaande, niet anders dan concluderen dat bovenop hetgeen al is ingericht en plaatsvindt, de suggestie van een nationaal coördinator misdaadbestrijding geen toegevoegde waarde heeft.
Voor de aanpak van eigenaren van panden waarin drugslaboratoria zijn aangetroffen bestaan diverse wettelijke instrumenten waar gemeenten gebruik van kunnen maken. Voor een uiteenzetting hierover verwijs ik naar de brief die ik uw Kamer op 20 mei 2014 stuurde.3
Als u hieraan niet kunt tegemoetkomen: wat is daarvan dan de reden?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier moeten betrokken overheidsdiensten beter gaan samenwerken, daar waar dat nu nog niet gebeurt? Hoe gaat u deze samenwerking bevorderen?
Het optreden als één overheid bij de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit wordt ook de komende jaren met kracht voortgezet via de RIEC’s en in Brabant en Zeeland met de inzet van de TaskForce BZ. Hierbij kijken alle betrokken partners en ik continue naar mogelijkheden voor verdere verbetering en aanscherping. Een sprekend voorbeeld hiervan is de aangekondigde intensivering van de aanpak in Zuid-Nederland.
Heeft u de overtuiging dat, door deze verbeterde samenwerking, de bedreigingen richting de burgemeesters zullen afnemen en dat tevens de georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland zal afnemen? Waar baseert u deze overtuiging op?
Dat is uitdrukkelijk de bedoeling. Het optreden als één overheid, hetgeen extra kracht wordt bijgezet door de intensivering van de aanpak in Zuid-Nederland door meer inzet van OM en politie, kan van invloed zijn op het gedrag van de criminelen jegens individuele personen, waaronder burgemeesters. Immers, de crimineel zal zich realiseren dat het niet van één persoon afhankelijk is dat hij of zij wordt aangepakt: deze bijzondere aandacht krijgt hij namelijk van alle overheidsdiensten die hij of zij op zijn (criminele) pad tegenkomt.
De huidige ervaringen en cijfers leren ons dat samenwerking bij de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit loont. Dit blijkt uit mijn brief aan uw Kamer van 16 juli jl., waarin ik uw Kamer het Jaarverslag RIEC-LIEC 2013 en de Verantwoordingsrapportage georganiseerde criminaliteit 2013 heb aangeboden.4
Heeft u kennisgenomen van de opmerkingen van de voorzitter van de politievakbond ACP?2
Ja.
Deelt u zijn mening dat er te veel opsporingsdiensten zijn waardoor er veel tijd en energie verloren gaan aan afstemming tussen de diensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dat voor het vervolg van uw beleid?
Ik deel die mening niet. We kennen in Nederland vier bijzondere opsporingsdiensten. Deze diensten hebben allen een eigen takenpakket en verantwoordelijkheid. Over de afbakening zijn duidelijke afspraken gemaakt. Zoals aangegeven is samenwerking en afstemming bij de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit cruciaal. Dit geldt ook voor de betrokken opsporingsdiensten. De Nationale Politie, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) zijn om die reden aangesloten bij de samenwerking in de RIEC’s.
Wat moet er nog meer gebeuren alvorens u constateert dat de huidige aanpak met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit en met name de druggerelateerde criminaliteit in Zuid-Nederland niet werkt?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 9.
De gevolgen van de definitieve beslissing van het Europees Comité van de Sociale Rechten (ECSR) inzake de opvang van vreemdelingen |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Gerard Schouw (D66), Bram van Ojik (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is er inmiddels een kabinetstandpunt ingenomen aangaande de afgelopen vrijdag genomen definitieve beslissing door het ECSR inzake de door de Conference of European Churches (CEC) ingediende klacht met betrekking tot het niet voorzien in opvang voor uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen?1
Bent u bereid de Kamer met de beantwoording van deze vragen, desgewenst vertrouwelijk, te informeren over de precieze uitkomst van de uitspraak van het ECSR?
Deelt u de mening dat, hoewel de definitieve beslissing vier maanden vertrouwelijk is en Nederland deze vier maanden kan gebruiken om maatregelen te nemen, het onwenselijk zou zijn om tot november te wachten met het nemen van maatregelen welke noodzakelijkerwijs voortvloeien uit deze uitspraak?
Deelt u de mening dat, indien Nederland inderdaad met deze definitieve beslissing gehouden is aan de verplichting opvang te verschaffen voor de groep uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen, het wenselijk is de maatregelen om te komen tot dergelijke opvang zo snel mogelijk te nemen en in ieder geval te voorkomen dat gewacht wordt met het nemen van maatregelen als het al weer kouder wordt?
Bent u bereid om zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen aan de gemeenten waar (grote) groepen uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen leven, soms op straat, opdat gemeenten weten wat zij kunnen verwachten van het kabinet in deze kwestie?
Bent u tevens bereid om zo snel mogelijkheid duidelijkheid te verschaffen over deze uitspraak van het ECSR en de consequenties daarvan aan de vreemdelingen die het betreft?