De situatie van Afghaanse evacués wat betreft het besluit over verblijfsvergunningen. |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de situatie van Afghaanse evacués die voor Nederland hebben gewerkt in Afghanistan die geen permanente verblijfsvergunning krijgen, zoals bijvoorbeeld beschreven in het NOS-artikel «Afghaanse tolken vragen uitzonderingspositie na besluit over verblijfsvergunning»?1
Ja.
Vindt u het terecht dat deze mensen, zonder wie Nederlanders in Afghanistan hun werk niet hadden kunnen doen en zelfs niet veilig waren geweest, nu geen permanente verblijfsvergunning krijgen terwijl zij veelal bijna vijf jaar hier zijn, aan de eisen voldoen maar nét buiten de boot vallen?
Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de asielvergunning voor onbepaalde tijd komen te vervallen. Dat betekent niet dat daarmee geen perspectief op langdurig en stabiel verblijf meer bestaat. Daarvoor blijven er in beginsel verschillende wettelijke verblijfsroutes beschikbaar. Welke route van toepassing is, hangt af van de individuele omstandigheden en het voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Een mogelijke route is bijvoorbeeld doorstroom naar de status van EU-langdurig ingezetene.
Bent u het eens met de stelling dat het schandalig is dat het deze mensen, zonder wie het Nederlandse militaire- en diplomatieke werk en politiewerk in Afghanistan onmogelijk was, zo moeilijk wordt gemaakt een nieuw leven op te bouwen in Nederland?
Het kabinet heeft zich ingespannen voor deze groep door hen vrijwel direct na aankomst in Nederland in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij hebben daarmee voorrang gekregen op andere asielzoekers die vaak geruime tijd hebben moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag. Door deze versnelde vergunningverlening konden zij ook eerder uitstromen naar gemeenten en starten met het opbouwen van een leven in Nederland. Het niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit staat daar evenmin aan in de weg. Met een verblijfsvergunning hebben zij rechtmatig verblijf in Nederland en kunnen zij deelnemen aan de samenleving, bijvoorbeeld door te werken, onderwijs te volgen en een toekomst in Nederland op te bouwen.
Bent u het eens met de stelling dat er bij deze groep geen sprake was van vluchten, maar dat deze mensen zijn geëvacueerd door Nederland zelf waardoor voor hen andere omstandigheden gelden?
Het kabinet heeft destijds op basis van objectiveerbare criteria besloten tot de overbrenging van deze afgebakende groep, omdat zij vanwege hun werkzaamheden voor Nederland mogelijk gevaar liepen op vervolging of ernstige schade door de Taliban. Het betrof een brede groep met een band met Nederland, waaronder ngo medewerkers van een ten laste van de BZ/BHOS-begroting gefinancierd project en personen die gewerkt hebben voor Defensie of een specifieke Nederlandse functionaris van EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Het ging dus niet enkel om lokaal personeel met een met een arbeidsovereenkomst met Nederland. Op die grond is aan hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De overbrenging maakt geen verschil voor de geldende verblijfsrechtelijke procedure. Ook voor deze groep geldt het wettelijke kader dat van toepassing is op alle personen die in Nederland bescherming aanvragen.
Nederland heeft voor deze groep voorts een bijzondere inspanning verricht door hen over te brengen naar Nederland. Daarnaast hebben zij, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voorrang gekregen bij de verlening van een asielvergunning.
Wat vindt u van het feit dat zij in de asielprocedure zijn geplaatst terwijl zij niet gevlucht zijn, maar door Nederland zijn geëvacueerd als lokaal personeel?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat de Nederlandse overheid een verplichting heeft tegenover deze Afghanen en zij nadrukkelijk de verwachting heeft gewekt dat er na vijf jaar recht zou zijn op een permanente vergunning?
Het kabinet deelt niet de veronderstelling dat na vijf jaar automatisch recht zou ontstaan op een permanente verblijfsvergunning. Vanwege hun werkzaamheden voor Nederland en de veiligheidsrisico’s in Afghanistan heeft Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid op zich genomen voor deze groep. Daarom zijn zij overgebracht en zijn hun asielaanvragen met voorrang behandeld.
De overbrenging naar Nederland laat echter onverlet dat betrokkenen de reguliere asielprocedure in Nederland doorlopen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van vraag 4 en vraag 5, is een permanent verblijfsrecht afhankelijk van de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden. Aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan geen automatisch recht op permanent verblijf na vijf jaar worden ontleend. Dit betekent echter niet dat betrokkenen na die periode Nederland moeten verlaten.
Kunt u zich voorstellen dat deze groep Afghanen zich onveilig voelt door het feit dat Nederland gesprekken voert met de Taliban – een regime dat mensenrechten met voeten treedt en Afghanen die voor NAVO-landen werkten hebben opgepakt, mishandeld en zelfs vermoord?
Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking.
Kunt u uitsluiten dat vertegenwoordigers van de Taliban officieel geaccrediteerd worden in Nederland. Zo nee, hoe weegt u het risico van repressie van en wraak op Afghaanse diaspora en vluchtelingen in ons land?
Zie antwoord vraag 7.
Realiseert u zich dat door een opeenstapeling van vergunningen voor bepaalde tijd in plaats van een permanente verblijfsvergunning de arbeidsmarktpositie van de Afghanen onzekerder wordt en het risico op vaste contracten en daarmee inkomenszekerheid uit zicht raakt? Beseft u zich dat hierdoor het voldoen aan de inkomenseis voor de EU-vergunning langdurig ingezetene wordt bemoeilijkt?
Ik ben mij ervan bewust dat zekerheid over het verblijf in Nederland van belang kan zijn voor de positie van betrokkenen op de arbeidsmarkt. Met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan iemand legaal in Nederland werken, een arbeidsovereenkomst aangaan en een vast contract aangaan.
Voor het verkrijgen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen gelden wettelijke voorwaarden, waaronder een inkomenseis. Het voldoen aan deze voorwaarden wordt individueel beoordeeld en is afhankelijk van de persoonlijke situatie van de aanvrager.
Bent u bereid voor deze specifieke groep een oplossing te vinden?
Het Nederlandse asielstelsel is gebaseerd op het uitgangspunt dat voor iedereen die bescherming aanvraagt hetzelfde wettelijke kader geldt. Binnen dit kader zijn de asielaanvragen van deze groep met voorrang behandeld vanwege de bijzondere omstandigheden in Afghanistan en hun band met Nederland. Verder geldt dat er sprake is van voldoende verblijfs- en perspectiefmogelijkheden binnen het stelsel. Daarom zie ik zie ik geen aanleiding om voor deze groep een uitzonderingspositie te creëren.
Bent u bereid in het wetvoorstel over hoe het verkrijgen van een Nederlandse nationaliteit in de toekomst vorm wordt gegeven rekening te houden met de specifieke belangen van deze groep waaraan Nederland een ereschuld heeft? Wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
De verantwoordelijkheid die ten aanzien van betrokkenen is genomen, heeft destijds geleid tot hun overbrenging naar Nederland en een prioritaire behandeling van hun asielaanvragen. Voor het nationaliteitsrecht geldt echter als uitgangspunt dat de voorwaarden voor naturalisatie op gelijke wijze worden toegepast. Een afzonderlijke uitzondering voor deze groep past niet goed binnen de systematiek van de Rijkswet op het Nederlanderschap en zou raken aan de rechtsgelijkheid ten opzichte van andere personen die naturalisatie aanvragen.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Ja, op dit moment is het beeld dat er in veel gevallen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de benodigde huisvesting voor arbeidsmigranten bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, zoals distributiecentra.
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Het is niet precies bekend welk deel van de extra werkgelegenheid die voortkomt uit nieuwe distributiecentra wordt ingevuld door arbeidsmigranten. CBS-data laten wel zien dat ongeveer een kwart van de arbeidsmigranten uit de EU in de sector handel, vervoer en horeca werkzaam is2, en dat ruim een derde van de arbeidsmigranten die in de uitzendsector werken te werk gesteld wordt in de logistieke sector.3
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers. Uit gesprekken die onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voert met gemeenten ontstaat het beeld dat sommige gemeenten de handreiking effectrapportage toepassen om inzicht te krijgen in de effecten op de huisvestingsbehoefte, maar dat dit nog niet structureel in de werkwijze van alle gemeenten is verankerd. Ik heb doorlopend contact met de VNG om de ontwikkelingen op dit gebied bij gemeenten te monitoren.
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Gemeenten maken afwegingen rondom distributiecentra op basis van de lokale situatie. Ik vind het belangrijk dat zij hierbij structureel aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten en ondernemers zouden hierover samen het gesprek moeten voeren en tot oplossingen moeten komen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages wil zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn, voordat extra werknemers worden aangetrokken. Dit beleidsvoornemen wordt op dit moment uitgewerkt. Het kabinet zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ook hulpmiddelen van de VNG kunnen ondersteunen bij dit gesprek, bijvoorbeeld de handreiking «Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid». Deze handreiking is in mei 2024 ontwikkeld door de VNG in samenwerking met verschillende ministeries in navolging van een van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. De handreiking kan gemeenten helpen om zo vroeg mogelijk zicht te hebben op de gebruiker van een locatie, de werkgelegenheidseffecten en daaraan gekoppelde effecten op huisvesting. De VNG stimuleert gemeenten om deze handreiking te gebruiken, maar heeft geen zicht op welke gemeenten deze handreiking daadwerkelijk toepassen. Het is voorstelbaar dat de implementatie van een dergelijke nieuwe werkwijze tijd kost. De VNG werkt op dit moment aan de doorontwikkeling van deze handreiking naar een bredere werkwijze voor wonen en werken voor gemeenten. Ook ondersteunen zij de komende periode een aantal gemeenten intensiever bij het tot stand komen van integraal beleid en uitvoering omtrent arbeidsmigratie, waar de implementatie van de handreiking effectrapportage onderdeel van is.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven zal het kabinet uw Kamer in het najaar informeren over het beleidsvoornemen uit het coalitieakkoord dat ervoor moet zorgen dat met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages de huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid beter op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken. Hierbij zal ook worden gereageerd op de aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak.
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel passende huurcontracten is op 2 juli jl. in internetconsultatie gebracht. Partijen hebben tot en met 28 augustus de tijd om op het voorstel te reageren. Voorgesteld wordt de uitzondering voor korte-duur-verhuur (short-stay) te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten (en andere huurders) een passende huurovereenkomst met huur(prijs)bescherming krijgen als zij ergens langer dan 30 nachten verblijven. Onderdeel van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat arbeidsmigranten een tijdelijk huurcontract kunnen krijgen en dat er bij huisvesting op het eigen terrein van de werkgever een doelgroepencontract kan worden afgegeven. In beide gevallen is er sprake van huur(prijs)bescherming, maar geldt er een einddatum of mogelijkheid tot beëindiging, aansluitend bij de vaak tijdelijke situatie van arbeidsmigranten.
In een toekomstige situatie waarin de Wet passende huurcontracten van kracht is, betekent dit dat arbeidsmigranten die in genoemde accommodaties voor een periode langer dan 30 nachten verblijven, huur(prijs)bescherming hebben. Gemeenten zien op basis van de Wet goed verhuurderschap toe op het naleven van de huur(prijs)bescherming. De publiekrechtelijke functie van een gebouw of locatie heeft geen invloed op de huurbescherming. Het wetsvoorstel verandert dan ook niets aan de publiekrechtelijke functie van een locatie; het is aan de gemeente om in het omgevingsplan te bepalen of op een locatie huisvesting is toegestaan.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de verkorting van opleidingen heeft geleid tot een beperktere ervaringsopbouw van militairen, waardoor relatief jonge en onervaren militairen sneller onder verzwarende oorlogsnabootsende omstandigheden moeten oefenen terwijl zij daarvoor nog onvoldoende ervaring hebben opgebouwd, met als gevolg dat de veiligheid tijdens oefeningen onder druk komt te staan?1
Op welke wijze zijn de gevolgen van het verkorten van de Algemene Militaire Opleiding van 18 naar 10 weken voor de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen vooraf beoordeeld? Kunt u de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?2
Bent u bereid de verkorting van de Algemene Militaire Opleiding te heroverwegen of op te schorten totdat objectief is vastgesteld dat deze geen afbreuk doet aan de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dan dat Defensie vasthoudt aan deze verkorting, terwijl de Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeert dat de beperkte ervaringsopbouw de veiligheid tijdens oefeningen onder druk zet en ook vanuit de praktijk is gewaarschuwd voor de gevolgen van de verkorte opleiding?
Welke initiële opleidingen, functieopleidingen of andere militaire opleidingen zijn in de afgelopen vijf jaar eveneens verkort? Kunt u per opleiding aangeven met hoeveel weken of dagen de opleidingsduur is verkort, wat daarvan de reden was, welke gevolgen vooraf zijn voorzien voor de kwaliteit van de opleiding, de ervaringsopbouw en de veiligheid van militairen, en de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het realiseren van de personeelsgroei bij Defensie nooit belangrijker mag zijn dan het opleiden van goed voorbereide, ervaren en veilig inzetbare militairen? Zo ja, welke concrete aanvullende maatregelen gaat u, naast de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, nemen om de kwaliteit van de opleidingen, de ervaringsopbouw en de veiligheid van nieuwe militairen structureel te versterken? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
De vijfde Ministerial Conference on Feminist Foreign Policy |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Waarom heeft Nederland, ondanks aanwezigheid bij de vijfde Ministerial Conference on Feminist Foreign Policy, in tegenstelling tot andere landen de politieke verklaring niet ondertekend?1
Dit kabinet zet zich, in lijn met de beleidsbrief buitenlandse zaken, internationaal actief in voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Het niet-ondertekenen van deze verklaring doet geen afbreuk aan deze inzet. Anders dan de Franse FFP-verklaring uit 2025, die Nederland wel heeft ondertekend, bestrijkt deze verklaring een breder terrein dan uitsluitend vrouwenrechten en gendergelijkheid. Vanwege deze brede insteek – waaronder elementen op het gebied van financiële hervormingen – heeft Nederland een zorgvuldige afweging gemaakt en besloten niet te ondertekenen. Daarnaast werden de onderhandelingen tot op het laatste moment gevoerd en was er onvoldoende tijd om de knelpunten in de tekst op betreffende beleidsterreinen tijdig en gedegen af te stemmen. Nederland stond hierin niet alleen: zo hebben onder andere Duitsland en Zweden, eveneens aanwezig bij de conferentie, de verklaring ook niet ondertekend.
Deelt u de opvatting dat de inhoud van de verklaring aansluit bij de Nederlandse inzet op gendergelijkheid en buitenlandbeleid? Zo nee, op welke punten wijkt de inhoud van de verklaring af van het Nederlandse beleid?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de verklaring niet verplicht tot bijvoorbeeld het overnemen van terminologie maar wel een sterk internationaal signaal zou afgeven, mede gezien het feit dat Nederland eerder zelf de tweede conferentie hierover heeft georganiseerd? Kunt u hier een toelichting op geven?
Ik onderschrijf het belang van een krachtig internationaal signaal, en dit kabinet zet zich daar nadrukkelijk voor in. Dit aspect is meegenomen in de brede afweging om wel of niet te ondertekenen. Tegelijkertijd hebben de onder vraag 1 genoemde argumenten zwaarder gewogen. Dat neemt niet weg dat de inzet van dit kabinet voor vrouwenrechten en gendergelijkheid onverminderd groot blijft. Deze inzet reikt verder dan het ondertekenen van verklaringen alleen.
Deelt u de mening dat als de inhoud van de verklaring aansluit bij het beleid dat Nederland voert en de waarden die Nederland uitdraagt het goed zou zijn om alsnog aan te sluiten bij de verklaring? Waarom wel of niet? Wat zou er voor nodig zijn om dit wel te doen?
De afweging tot ondertekening van de verklaring is gemaakt op basis van een appreciatie van de tekst als geheel. Hoewel de verklaring onderdelen bevat die beleidsmatig in lijn zijn met de inzet van dit kabinet op vrouwenrechten en gendergelijkheid, is de insteek inhoudelijk veel breder. Daarmee raakt het aan andere beleidsterreinen. Nederland heeft daarom, na zorgvuldige afweging, besloten niet te ondertekenen. Tekstuele wijzigingen zijn in dit stadium niet meer mogelijk.
Deelt u de mening dat het alsnog ondertekenen van de verklaring in lijn is met de aangenomen motie-Kröger (Kamerstuk 36 945 XVII, nr. 9) over het internationaal positioneren van Nederland als voorvechter van vrouwenrechten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal, in lijn met deze motie en de ambities van de beleidsbrief buitenlandse zaken, zich internationaal positioneren als voorvechter van vrouwenrechten. Dit gebeurt via zowel diplomatieke als financiële inzet. Conform de motie zal Nederland – waar passend – gezamenlijke verklaringen steunen. Gezien de brede insteek van de betreffende verklaring blijft de inhoudelijke appreciatie echter onveranderd.
Welke rol ziet u voor Nederland in toekomstige conferenties over feministisch buitenlands beleid?
Hoewel Nederland geen feministisch buitenlands beleid meer voert, blijven we – indien uitgenodigd – actief deelnemen aan conferenties op dit terrein. Zo nam de ambassadeur Vrouwenrechten en Gendergelijkheid dit jaar deel aan het afsluitende panel van de vijfde conferentie over feministisch buitenland beleid in Madrid.
De door Defensie georganiseerde Keti Koti-deugbijeenkomsten |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst in het Wereldmuseum Amsterdam?1 Hoeveel belastinggeld heeft deze bijeenkomst in totaal gekost? Kunt u dit uitsplitsen naar onder meer de kosten voor de locatie, catering, organisatie, de vergoedingen aan de dagvoorzitter(s), sprekers en artiesten, alsmede de personele inzet van Defensie, waaronder het aantal betrokken medewerkers en de daaraan bestede diensturen?
Klopt het dat de Staatssecretaris van Defensie aanwezig was bij deze Keti Koti-bijeenkomst? Zo ja, had de Staatssecretaris echt niets beters te doen dan aanwezig te zijn bij deze deugbijeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Bij welke andere Keti Koti-herdenkingen, -vieringen, -diners, -lezingen, -dialogen of andere activiteiten is Defensie dit jaar betrokken geweest, dan wel heeft Defensie deze georganiseerd of financieel of organisatorisch ondersteund? Kunt u per activiteit aangeven wat de financiële kosten waren, hoeveel defensiepersoneel en diensturen hiervoor zijn ingezet en welke externe personen of organisaties hiervoor zijn betaald?
Deelt u de mening dat Defensie zich in een tijd van (hybride) oorlogsdreiging, grote personeelstekorten, materieeltekorten en achterstallig onderhoud moet richten op de verdediging van Nederland in plaats van op deugbijeenkomsten over diversiteit, inclusie en kolonialisme? Bent u bereid te stoppen met het organiseren en faciliteren van dergelijke deugbijeenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Felix Klos (D66), Robin van Leijen (D66), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Eerenberg , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
De medische inzetbaarheid binnen de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving van Nieuwsuur over tekortkomingen binnen de medische ondersteuning van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB)?1
Klopt het dat medisch opgeleide persoonsbeveiligers gedurende langere tijd onvoldoende konden trainen en daardoor niet langer voldeden aan de vereiste medische bevoegdheden en bekwaamheidseisen? Zo ja, hoeveel medewerkers betrof dit?
Klopt het dat sinds eind 2025 trainingen, opleidingen of hercertificeringen voor medische persoonsbeveiligers niet of onvoldoende hebben plaatsgevonden? Zo ja, wat waren hiervan de oorzaken?
Wanneer zijn de korpsleiding, de leiding van de DKDB en het ministerie voor het eerst geïnformeerd over deze problemen en welke maatregelen zijn sindsdien genomen?
Klopt het dat het ontbreken van voldoende trainers, opleidingscapaciteit of organisatorische aansturing heeft bijgedragen aan het ontstaan van deze situatie? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
In hoeverre hebben personeelstekorten, capaciteitsproblemen of organisatorische keuzes binnen de politie een rol gespeeld bij het uitblijven van trainingen en het vervallen van medische bevoegdheden?
Kunt u uitsluiten dat de beveiliging van bewindspersonen, leden van het Koninklijk Huis of andere zwaar beveiligde personen door deze tekortkomingen in het gedrang is gekomen? Zo nee, waarom niet?
Acht u het aanvaardbaar dat juist de dienst die verantwoordelijk is voor de beveiliging van de meest bedreigde personen van Nederland kampt met tekortkomingen op het gebied van opleiding, training en medische inzetbaarheid? Zo ja, waarom?
De grensoverschrijdende samenwerking van de politie in Nederlandse grensregio's |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre adresseert de op 29 juni 2026 aangekondigde intensivering van de Nederlands-Duitse politiesamenwerking de operationele knelpunten die politie-eenheden in de grensregio's momenteel ervaren, zoals het gebruik van verschillende communicatiemiddelen, verschillende meldkamers, verschillende inzet van middelen als helikopters of de ME, of het uitwisselen van bewijsmateriaal?1
Op 29 juni 2026 heb ik samen met de Duitse Minister van Binnenlandse Zaken Dobrindt afgesproken dat het algemene verdrag voor de grensoverschrijdende politie-inzet tussen Nederland en Duitsland, het verdrag van Enschede, wordt herzien. Het bestaande verdrag dateert uit 2005 en is toe aan vernieuwing.
Met het oog op deze herziening is zowel aan Duitse als aan Nederlandse zijde bij de betrokken diensten en gezagen geïnventariseerd welke knelpunten en operationele wensen er zijn. Deze nationale behoeftestellingen zijn leidend voor de regelingen in het nieuwe verdrag. Daarbij wordt – uiteraard – gebruik gemaakt van de trajecten die hebben geleid tot de het Benelux politieverdrag en het recente (op dezelfde leest geschoeide) Duits-Belgische verdrag voor politiesamenwerking.
Het actualiseren van de artikelen rondom informatie-uitwisseling zal in ieder geval een onderdeel zijn van een toekomstbestendiger verdrag waardoor beter op nieuwe ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarnaast zal bijvoorbeeld worden gekeken of het verdrag aangevuld kan worden met bepaalde (technische) middelen. Voor de verdere beantwoording verwijs ik naar het antwoord op de volgende vragen, waaronder vraag 8.
Bent u voornemens om ook de Nederlands-Belgische politiesamenwerking te intensiveren?
De Nederlands-Belgische politiesamenwerking vindt plaats binnen de juridische kaders van het Benelux-politieverdrag dat per 1 oktober 2023 in werking is getreden.2 Sinds 2023 is er veel voortgang geboekt en bevordert het verdrag de operationele politiesamenwerking binnen de Benelux in het kader van onderzoek naar en de opsporing van strafbare feiten en de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Voor het optimaal benutten van het Benelux-politieverdrag zullen nog twee laatste uitvoeringsakkoorden worden opgesteld. Dit ziet op het verrichten van grensoverschrijdende opsporingshandelingen en de rechtstreekse raadpleging van elkaars bevolkingsregisters en andere overheidsregisters die voor de politie toegankelijk zijn. In het kader van het Nederlands voorzitterschap van de Benelux is één van de prioriteiten van Nederland om dit te bevorderen3.
Welke juridische, organisatorische en technische belemmeringen bestaan momenteel bij de grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten? En welke van deze belemmeringen worden met de aangekondigde samenwerking aangepakt?
Met de herziening van het verdrag van Enschede is er bijvoorbeeld aandacht voor uniformering, waar nodig en mogelijk, tussen verschillende verdragsregimes om zo onnodige verwarring voor de operatie te verminderen. Dit is met name in de grensstreken van belang, zoals in Limburg waar de grenzen met België en Duitsland dichtbij liggen. Daarbij zal ook gekeken worden naar de uitoefening van bevoegdheden en het gebruiken van bewapening en andere uitrustingsmiddelen.
Welke van deze belemmeringen kunnen door Nederland zelfstandig worden weggenomen?
In de samenwerking met de buurlanden hecht Nederland aan een benadering waarin belemmeringen in gezamenlijkheid worden besproken en aangepakt. Juridische belemmeringen kunnen alleen in verdragen of daarop gebaseerde regelingen worden weggenomen. Nederland pakt binnen deze samenwerking een proactieve rol op, door bijvoorbeeld het initiatief te nemen voor het nieuwe bilaterale verdrag met Duitsland voor de grensoverschrijdende inzet van speciale politie interventie eenheden.4 5
Hoe verhouden de aangekondigde afspraken zich tot het Benelux-verdrag en het Verdrag van Enschede?
Het Benelux politieverdrag is een stuk moderner dan het Verdrag van Enschede en sluit beter aan op actuele veiligheidsuitdagingen. Het Benelux-politieverdrag zal dienen als een belangrijk voorbeeld bij de herziening van het verdrag van Enschede, evenals het recente Duits-Belgische politieverdrag.
Welke mogelijkheden bestaan momenteel voor Nederlandse, Belgische en Duitse meldkamers om realtime meldingen, incidentinformatie en operationele beelden met elkaar te delen?
Organisatorische verschillen, taalbarrières en technische incompatibiliteit van de platformen maken informatie-uitwisseling complex.
Via grensoverschrijdende C2000 gespreksgroepen is het wel mogelijk om realtime via spraak contact te onderhouden. Voor andere vormen van datadeling (beelden, video, operationele informatie) vinden enkele pilots plaats.
Voor de toekomst werkt de EU aan het European Critical Communication System (EUCCS), een pan-Europese infrastructuur voor missiekritische communicatie die grensoverschrijdende realtime communicatie en datadeling tussen hulpdiensten mogelijk moet maken. Vanuit Nederland wordt actief bijgedragen aan de ontwikkeling hiervan en de Vernieuwing Missiekritische Communicatie (VMX), als opvolging van C2000, moet in de toekomst aansluiten op EUCCS.
Wordt onderzocht of een structurele gezamenlijke meldkamerfunctie of een andere vorm van geïntegreerde operationele coördinatie in de grensregio's haalbaar is en, zo ja, wat is daarvan de stand van zaken?
Binnen de politie-eenheid Limburg wordt momenteel verkend of een structurele gezamenlijke meldkamerfunctie of een andere vorm van geïntegreerde operationele coördinatie haalbaar is.
Dit gebeurt samen met Belgische en Duitse meldkamers in de Euregio. In Limburg zijn er reeds bestaande samenwerkingsrelaties en is de operationele noodzaak het grootst. Het traject bevindt zich in de oriënterende fase, waarbij de technische haalbaarheid en de juridische kaders verkend worden. Het doel is te komen tot een gedeeld realtime centrum, van waaruit grensincidenten gezamenlijk kunnen worden aangestuurd en data realtime gedeeld kan worden waardoor er een gedeeld operationeel beeld bestaat. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 6 maken organisatorische verschillen, taalbarrières en technische incompatibiliteit van de platformen deze ontwikkeling complex.
Welke belemmeringen bestaan momenteel bij het grensoverschrijdend delen van operationele politie-informatie en welke maatregelen worden genomen om deze te verminderen?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 1 benoemd ziet een belangrijk onderdeel van de herziening van het verdrag van Enschede op het actualiseren en versterken van het regime van informatie-uitwisseling. Naast de ontwikkelingen en nieuwe regelgeving op dit gebied sinds 2005 zal, zoals ook in het antwoord op vraag 5 benoemd, het Benelux politieverdrag daarbij dienen als een belangrijk voorbeeld. Denk bijvoorbeeld aan raadplegingen van elkaars (politie)databanken. Daarnaast zal met Duitsland het opstellen van gezamenlijke veiligheidsbeelden worden verkend wat zou kunnen bijdragen aan een betere samenwerking om effectief in te kunnen spelen op opkomende dreigingen en het vergroten van de weerbaarheid.
Welke juridische of operationele beperkingen verhinderen dat dergelijke capaciteit wordt ingezet wanneer deze zich dichter bij een incident bevindt dan beschikbare capaciteit uit eigen land?
Onder het bestaande verdrag van Enschede is grensoverschrijdende inzet van reguliere politie al mogelijk. Zie ook mijn antwoord op vraag 10. De grensoverschrijdende inzet en bilaterale samenwerking van Nederlandse en Duitse speciale politie interventie eenheden is op dit moment niet mogelijk onder het verdrag van Enschede. Het kunnen inzetten van speciale interventie eenheden op elkaars territoir is nodig en wenselijk vanwege de voortdurende dreigingen van terrorisme en georganiseerde criminaliteit. Daarnaast ondervinden beide landen vooral in de grensgebieden de effecten van schaarste en geografische spreiding van deze capaciteiten. Met het nieuwe verdrag worden verschillende vormen van grensoverschrijdend optreden van speciale politie interventie eenheden wel mogelijk.
Welke mogelijkheden ziet u om te komen tot permanente gezamenlijke operationele teams of andere structurele samenwerkingsvormen tussen Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten?
In de Nederlands-Duitse grensstreek werken de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee (KMar) al samen met Duitse politiediensten in grensoverschrijdende politieteams (GPT’s). Een voorbeeld van een GPT is het team in Bad Bentheim, dichtbij Enschede. Dit team voert gezamenlijke patrouilles uit om grensoverschrijdende feiten tegen te gaan zoals mensensmokkel, fraude, drugssmokkel en witwassen. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse politie en de KMar hun samenwerking met de Duitse politie geïntensiveerd.6
Het Benelux politieverdrag voorziet in de mogelijkheid voor het doen van gezamenlijke patrouilles en controles. Dit vindt regelmatig plaats op basis van de operationele behoefte in de grensstreek. Zo vinden in juli verschillende gemengde patrouilles plaats, zoals in Knokke-Heist heeft plaatsgevonden, waarbij Nederlandse en Belgische politieagenten gezamenlijk optrekken aan de Belgische kust waar veel Nederlandse jongeren vakantie vieren, maar ook ondersteunen Nederlandse agenten de Belgische politie tijdens de Gentse Feesten.
Welke lessen trekt u uit bestaande vormen van grensoverschrijdende samenwerking in andere Nederlandse grensregio's, zoals de samenwerking met België in Zeeland en Brabant en met Duitsland in de regio’s Twente en Arnhem-Nijmegen?
Onder meer de operationele behoeften vanuit de regionale politie-eenheden in de grensstreek vormen de basis voor de besprekingen met Duitsland bij de herziening van het verdrag van Enschede. Daarbij is ook gekeken naar wat er op dit moment goed werkt en wat dus behouden moet worden. Zie hiervoor bijvoorbeeld het antwoord op vraag 10.
Zijn er voorbeelden uit andere Europese grensregio's die volgens u relevant zijn voor de verdere ontwikkeling van de grensoverschrijdende politiezorg in Nederland? Zo ja, welke?
De Benelux loopt in het algemeen voorop als het gaat om de grensoverschrijdende politiesamenwerking. Zoals geantwoord op vraag 5 dienen bijvoorbeeld ook de ervaringen uit het recente Duits-Belgische politieverdrag als inspiratie voor de herziening van het verdrag van Enschede.
Welke concrete doelstellingen hanteert u voor de verdere versterking van de operationele samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten?
Het streven is om bij de operationele samenwerking met de buurlanden het mogelijke effect van landsgrenzen op de operationele inzet zoveel mogelijk weg te nemen. Bij de herziening van het verdrag van Enschede wordt daarom bijvoorbeeld nagedacht over nieuwe fenomenen, problematieken en (digitale) technieken die mogelijk, ook in de toekomst, relevant zouden kunnen zijn voor de grensoverschrijdende politiesamenwerking tussen Nederland en Duitsland. Toekomstbestendigheid is dus een belangrijke doelstelling. Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven worden nog twee uitvoeringsakkoorden voor optimale benutting van het Benelux-politieverdrag opgesteld. Dit zal onder meer de politiediensten binnen de Benelux meer mogelijkheid gegeven op het gebied van raadpleging van gegevens in elkaars databanken.
Welke indicatoren gebruikt u om te beoordelen of de grensoverschrijdende samenwerking daadwerkelijk leidt tot een effectievere aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit en een snellere operationele inzet?
Het Benelux-politieverdrag heeft als doel de samenwerking op het gebied van de deling van (politie)gegevens te verbeteren en de mogelijkheden tot grensoverschrijdende uitoefening van politiebevoegdheden te verruimen, zoals bijvoorbeeld de grensoverschrijdende achtervolging. Dit draagt bij aan een snelle grensoverschrijdende politie-inzet. In het verdrag en de uitvoeringsakkoorden zijn evaluatiebepalingen opgenomen. Zo zal het verdrag 5 jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Voor sommige uitvoeringsakkoorden geldt een kortere evaluatieperiode.
Bij de herziening van het verdrag van Enschede zal ook worden verkend of een regeling omtrent evaluatie en wijziging van het verdrag opgenomen dient te worden.
Daarnaast kijkt de politie in de grensstreek ook naar bijvoorbeeld het aantal gezamenlijke operationele interventies en de responstijden bij grensoverschrijdende incidenten.
Hoe zorgt u ervoor dat bestaande initiatieven voor grensoverschrijdende politiezorg, waaronder de Grensoverschrijdende Politieteams2, de Euregionale Politiealliantie3 en de samenwerking op basis van het Benelux-verdrag en het Verdrag van Enschede, zich ontwikkelen tot een samenhangende en structurele werkwijze voor alle Nederlandse grensregio's?
Onlangs heb ik mij tijdens een werkbezoek aan Limburg laten informeren over de euregionale politiesamenwerking tussen de politie-eenheid Limburg met de politieburen van België en Duitsland. Het streven van deze pilot voor euregionale politiesamenwerking zal de komende jaren moeten uitmonden in een samenhangende en structurele werkwijze binnen de kaders van de verdragen met de buurlanden. Daarnaast heeft mijn departement met de korpsleiding van de politie focuspunten afgesproken voor de politiesamenwerking tussen Nederland en Duitsland. Onder meer het contact met de regionale eenheden in de grensstreek en de Duitse deelstaten aan de grens, en de regionale initiatieven die daar genomen worden, vormen belangrijke input voor de samenwerking op federaal niveau.
Het bericht ‘Oppositiemedia Turkije geweigerd op NAVO-top in Ankara’ |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oppositiemedia Turkije geweigerd op NAVO-top in Ankara»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat onafhankelijke en oppositiegezinde Turkse journalisten voor de NAVO-top op 7 en 8 juli in Ankara geen accreditatie hebben gekregen?
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn een belangrijke waarde in en van de NAVO. Het is in dat kader belangrijk dat journalisten goed verslag kunnen doen van de NAVO-top. Het kabinet heeft dat voorafgaand aan de Top ook kenbaar gemaakt aan en in de NAVO.
Rechtsstaat is een integraal onderdeel van de bilaterale en EU-dialoog met Turkije. Ook het belang van persvrijheid komt daarbij aan bod. Dit wordt derhalve onderstreept in de contacten met de Turkse autoriteiten. Het Nederlandse postennet in Turkije monitort daarnaast rechtszaken die zijn aangespannen tegen Turkse journalisten.
Hoe reflecteert u op dit incident in het licht van de bredere binnenlandse situatie in Turkije, waar de persvrijheid onder zware druk staat, naar schatting 90 procent van de media onder overheidscontrole staat, en in de aanloop naar de top honderden preventieve arrestaties in Ankara zijn verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kijkt u in algemene zin naar de persvrijheid in Turkije wetende dat Turkije op plek 163 (van in totaal 180 landen) staat van de World Press Freedom Index en er meer dan 10 journalisten in de gevangenis zitten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan het werk van journalisten en verbanden van journalisten in Turkije met Nederlandse fondsen of anderszins te ondersteunen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Met financiering vanuit het Mensenrechtenfonds en MATRA ondersteunt het Nederlandse postennetwerk in Turkije diverse projecten op het gebied van persvrijheid.
Bent u bekend met het artikel «Europeanen onderschatten hoe belangrijk Turkije is»?2
Ja.
Hoe weegt u het geopolitieke en strategische belang van Turkije binnen het NAVO-bondgenootschap af tegen het belang van een democratische rechtsstaat waarin journalisten in vrijheid hun werk moeten kunnen doen?
Zie het antwoord onder vraag 9, 10 en 11.
Hoe verklaart u dat Turkije in staat is zowel een goede relatie met westerse landen te onderhouden en tegelijkertijd directe contacten heeft met landen als Rusland en China?
Het Turkse buitenlandbeleid kenmerkt zich door betrekkingen te onderhouden met een breed scala aan actoren en multilaterale fora. In relatie tot Rusland zet het kabinet er in de contacten met Turkije op in om de druk op Rusland hoog te houden om de agressieoorlog tegen Oekraïne te stoppen.
Ziet u Turkije als onderdeel van de liberale wereldorde, nu de burgemeester van Istanbul inmiddels meer dan een jaar in een cel zit en protesten niet zijn toegestaan en demonstranten preventief worden opgepakt, zoals nu richting de NAVO-top gebeurt?
Voor Nederland en de EU is Turkije een belangrijke en strategische partner op terreinen als onder andere veiligheid, migratie en economie. De bilaterale relatie met Turkije is goed en beslaat intensieve contacten op alle niveaus. Het kabinet ondersteunt de overeengekomen en bestaande insteek van de EU om op een gefaseerde, proportionele en omkeerbare wijze samen te werken met Turkije op terreinen van wederzijds belang.
Binnen de NAVO speelt het land ook een cruciale rol. Turkije is strategisch gelegen, heeft na de VS het grootste leger binnen de alliantie, een snel groeiende defensie-industrie en is een partner in de steun aan Oekraïne. Ook daarom hecht het kabinet waarde aan de relatie met Turkije.
Rechtsstaat is en blijft daarbij een integraal onderdeel van de dialoog met het land, zowel op bilateraal als EU-niveau. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, deelt het kabinet de serieuze zorgen van de Europese Commissie over de rechtstaat in Turkije. Ik verwijs u graag naar de Kabinetsappreciatie Uitbreidingspakket 20253 voor een weergave van de kabinetsinzet in dit kader. Ook de arrestatie van de burgemeester van Istanbul en andere oppositieleden zijn onderwerp van gesprek in contacten met de Turkse autoriteiten. Daarnaast zijn diplomaten van het Nederlandse postennet in Turkije, samen met vertegenwoordigers van andere EU lidstaten, aanwezig bij rechtbankzittingen in de rechtszaken die tegen de burgemeester van Istanbul zijn aangespannen.
Hoe beoordeelt u de strategische relatie met Turkije op het gebied van veiligheid? Ziet u mogelijkheden die relatie de komende jaren te bestendigen of verstevigen en op welke manier? En hoe verhoudt een eventuele bestendiging tot de mensenrechtensituatie in Turkije?
Zie antwoord vraag 9.
Zijn er wat u betreft ook risico’s verbonden aan een nauwere relatie van Nederland of de EU met Turkije en wat zijn die risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de NAVO-top op 7 juli begint?
Dat is helaas niet gelukt.
De rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is1?
Ja
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,– euro?
Ja
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke – achteraf – onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.