Het stopzetten van het Sinterklaasfeest op een Utrechtse basisschool |
|
Annette Raijer (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een Utrechtse basisschool ervoor heeft gekozen om het traditionele Sinterklaasfeest te schrappen en te vervangen door een zogeheten «Kinderfeest», inclusief sjoelbakken en een stroopwafelkar, zoals vermeld in het artikel «Utrechtse basisschool stopt met sinterklaasviering: «Spanning, pijn en onrust»» en bent u het ermee eens dat hiermee een van de meest verbindende, vrolijke en breed gedragen tradities in Nederland zonder enige noodzaak wordt ingeruild voor iets dat op een gewone donderdagmiddagactiviteit lijkt?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf hoe zij invulling geven aan hun onderwijs en aan activiteiten en vieringen die daar onderdeel van uitmaken. Het is een mooi feest dat op veel plaatsen gevierd wordt.
Hoe beoordeelt u de motivatie van de school dat Sinterklaas zou zorgen voor «onrust en ongemak bij teamleden en ouders», terwijl op vrijwel alle andere scholen in Nederland dit kinderfeest juist zorgt voor saamhorigheid, plezier en betrokkenheid en kunt u verklaren waarom deze school zo sterk afwijkt van de landelijke praktijk?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om op basis van de schooleigen context en gemeenschap weloverwogen keuzes te maken in het vieren van feestdagen.
Klopt het dat de school zelf aangeeft dat het Sinterklaasfeest «toch al niet leefde» bij een gedeelte van de ouders en kinderen, met name vanwege de achtergrond van ouders met Surinaamse afkomst? Zo ja, vindt u het wenselijk dat een Nederlandse school haar tradities afschaft omdat een deel van de ouders zich hier niet mee identificeert, en kan de Minister bevestigen dat Nederlandse tradities op Nederlandse scholen moeten worden beschermd en niet worden weggepoetst?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om beslissingen te nemen hoe zij invulling geven aan feestdagen. Het is niet aan de overheid om scholen te verplichten bepaalde feestdagen te vieren. Daarnaast is het Sinterklaasfeest op veel scholen nog een belangrijke feestdag die gevierd wordt.
Deelt u de zorg dat dit besluit een precedent schept waardoor scholen onder druk kunnen komen te staan om meer Nederlandse tradities vaarwel te zeggen, puur omdat groepen ouders dit liever niet zien? Zo nee, hoe waarborgt u dat typisch Nederlandse feesten zoals Sinterklaas, dat al generaties lang onderdeel is van onze cultuur, niet stukje bij beetje worden uitgehold of vervangen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om deze school hierop aan te spreken en scholen in het algemeen duidelijk te maken dat het schrappen van Nederlandse tradities geen wenselijke ontwikkeling is?
Nee. Scholen hebben de vrijheid en het recht om zelf keuzes te maken in het vieren van bepaalde Nederlandse feestdagen en de wijze waarop.
Kunt u toezeggen dat u als Minister actief bewaakt dat scholen niet buigen voor culturele druk, maar Nederlandse cultuur en tradities juist koesteren en doorgeven aan de volgende generatie?
Zie antwoord vraag 5.
Het nieuwsbericht ‘Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Daan de Kort (VVD) |
|
Rijkaart , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin»? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben van mening dat alle kinderen, ook kinderen die een beperking hebben, moeten kunnen spelen in een speeltuin, samen met andere kinderen. Er zijn nog steeds te veel gemeenten waar geen speeltuinen zijn waar kinderen met een beperking terecht kunnen. Daarom is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd.
In het nieuwsbericht van de NOS wordt beschreven dat één op de drie kinderen met een handicap nooit bij een speelplek in de eigen buurt komt. Als ze dat wel doen speelt een kwart daar vaak alleen. Wat is uw reactie op deze cijfers van Stichting het Gehandicapte Kind?
Deze cijfers vind ik zeer verdrietig. Kinderen met en zonder beperking moeten met elkaar kunnen opgroeien en spelen. Al sinds de ondertekening van het SamenSpeelAkkoord in 2019 wordt ingezet op een inclusieve speelcultuur met meer samenspeelplekken en meer en beter toegankelijke kennis over samen spelen. De inzet die Jantje Beton en Het Gehandicapte Kind hierop plegen, is van groot belang voor het realiseren van een echte inclusieve speelcultuur. Ook de VNG maakt onderdeel uit van dit netwerk en denkt actief mee. Zij dragen bij aan activiteiten in het netwerk en verspreiden ook actief informatie via haar kanalen en zullen dit ook in de toekomst blijven doen.
Bent u het eens dat er nog veel winst te halen valt bij het inclusiever maken van speeltuinen in Nederland? Hoe worden gemeenten vanuit het Rijk gestimuleerd om speeltuinen inclusiever te maken? Zowel wel bij aanleg van een nieuwe speeltuin als bij een herontwikkeling of vernieuwing?
Buitenspelen is primair een taak van gemeenten. Binnen GALA en Sportakkoord II is aandacht voor de beweegvriendelijke omgeving en buitenspelen in de openbare ruimte. VWS ondersteunt het SamenSpeelNetwerk, dat informatie en expertise ter beschikking stelt om zowel gemeenten als bedrijven te ondersteunen die werk willen maken van samen spelen. Zoals gezegd is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Daarnaast verkent VWS samen met partners hoe inclusiviteit een plek krijgt in de (interdepartementale) stimulering en ontwikkeling van groen/blauwe schoolpleinen, de speelleeromgeving van scholen.
Uit het bericht blijkt dat 155 gemeenten in Nederland nog geen aangepaste speelplek hebben. Wat is uw reactie op dit aantal en hoe worden deze gemeenten al ondersteund om hun speeltuinen inclusiever in te richten?
Middels een meerjarige subsidie van VWS aan het SamenSpeelFonds wordt ingezet op een landelijke dekking van inclusieve speeltuinen. In samenspraak met het SamenSpeelFonds hebben we de reikwijdte van het programma verbreed waardoor ook gemeenten een aanvraag in kunnen dienen. Doel is om eind 2026 in 70% van de gemeenten een inclusieve speeltuin gerealiseerd te hebben. Eind 2030 moet in lijn met de strategie «Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030» 100% van de Nederlandse gemeenten een inclusieve speeltuin hebben.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het verschil tussen gemeenten met en zonder toegankelijke speelplekken te verkleinen en er zo voor te zorgen dat in iedere gemeente er in ieder geval één toegankelijke speelplek te vinden is voor kinderen met een handicap?
De overheden, dus ook gemeenten, zijn op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht om het mogelijk te maken dat ook kinderen met een beperking mee kunnen doen. Zoals gezegd is buitenspelen primair een taak van gemeenten. Met de eerder in deze brief genomen maatregelen worden alle gemeenten door het kabinet, waaronder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, gestimuleerd en ondersteund om inclusieve speeltuinen te hebben. De afspraak is dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Het is aan gemeenten om lokaal, in nauwe samenspraak met inwoners met een beperking en vertegenwoordigende organisaties, vast te stellen hoe zij deze verplichting lokaal zo goed mogelijk opvolging kunnen geven.
Zijn er landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen? Zo ja, zou daar vanuit het ministerie enerzijds opnieuw aandacht voor gevraagd kunnen worden en anderzijds een doelstelling aan gekoppeld kunnen worden?
Er zijn geen landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen. Zoals hierboven geschetst, ondersteunt het SamenSpeelnetwerk gemeenten bij het toegankelijk maken van speeltuinen. De VNG maakt in de inspiratiebundel «Aan de slag met samen spelen»2 gebruik van de 100-70-50 regel die de speeltuinbende3 heeft opgesteld. Dit wil zeggen dat iedereen op speelplekken 100% welkom is, 70% van de ruimte toegankelijk en 50% van de voorzieningen bespeelbaar is voor ieder kind.
Bent u van mening dat het toegankelijk maken van speelplekken een verplichting is die voortvloeit uit het VN-verdrag Handicap? Zo nee, waarom niet?
Het VN-Verdrag Handicap benadrukt het recht om samen op te groeien en samen te spelen. Wij hebben met elkaar de verplichting om dit mogelijk te maken.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om hen te wijzen op het belang van inclusieve speelplekken en om hen te vragen dit standaard in hun beleid of lokale inclusie-agenda op te nemen? Zo nee, waarom niet?
De VNG is onderdeel van het samenspeelnetwerk. Het belang van samen spelen dragen zij uit naar gemeenten. In de handreiking «Lokale Inclusie Agenda» en praktijkvoorbeeldendatabank van de VNG wordt ook aandacht besteed aan inclusief spelen.
De hersteloperatie |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u in het artikel uw uitspraak waarin u stelt dat men niet moet stellen dat niemand geholpen is met betrekking tot de hersteloperatie, terwijl duizenden gedupeerden nog steeds wachten, (ernstige) psychische problematiek ervaren of in armoede leven door de falende uitvoering van de hersteloperatie?1
Alle gedupeerde ouders hebben – na een eerste toets – via de Catshuisregeling € 30.000 ontvangen. Vervolgens krijgen zij een integrale beoordeling (IB) door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Met de IB worden gedupeerde ouders financieel gecompenseerd voor de onterechte terugvorderingen en ontvangen zij een materiële en immateriële schadevergoeding. Vrijwel alle ouders hebben de uitkomst van hun integrale beoordeling (97%). Gemiddeld is aan gedupeerde ouders na de eerste toets en de IB ongeveer € 40.400 toegekend. Voor ouders met schuldenproblematiek die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire geldt: hun publieke schulden zijn kwijtgescholden (98%) en betalingsachterstanden op private schulden zijn voor hen betaald (97%).
Een gezin dat van alle deelregelingen (exclusief aanvullende schade) gebruik heeft gemaakt, heeft in totaal gemiddeld voor circa € 117.500 aan financiële compensatie en ondersteuning ontvangen.
Dit kwartaal worden de laatste integrale beoordelingen afgerond. Een groot deel van de ouders zet met het afronden van de integrale beoordeling een punt achter het financieel herstel. Voor een deel van de ouders is daarvoor meer nodig, zij kunnen een route doorlopen voor compensatie voor aanvullende schade. Sinds begin deze maand zijn, conform het advies van de Commissie van Dam, twee gelijkwaardige schaderoutes beschikbaar voor alle ouders met aanvullende schade: Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) en MijnHerstel.
Niet voor alle ouders is dit genoeg. Naast aanvullende schadeafhandeling, geldt dat ook voor de brede ondersteuning door gemeenten. Hoewel alle ouders recht hebben op deze brede ondersteuning, is in sommige gemeente sprake van een wachtlijst voor toegang hiertoe. Wachtlijstproblematiek is dan ook een onderwerp waar de bestuurlijk regisseur zich op dit moment over buigt. Verder heeft de commissie Van Dam speciale aandacht gevraagd voor gezinnen die de regie kwijt zijn. Voor hen is een integrale aanpak voor intensieve begeleiding ontwikkeld die momenteel stapsgewijs wordt uitgerold. In het kader van mentale gezondheid wordt momenteel gewerkt aan de inrichting van een landelijk Steunpunt voor Mentaal Welzijn, waarbij de verwachting is dat dit steunpunt in het eerste kwartaal van 2026 operationeel zal zijn.
Erkent u dat de herhaalde toezeggingen over versnelling van de hersteloperatie inmiddels ongeloofwaardig zijn geworden nu er ouders zijn die sinds 2020 wachten en het merendeel van de dossiers nog niet is afgerond? Zo nee, waarom niet?
De ambitie van dit kabinet om eind 2027 alle gedupeerde ouders financieel te hebben gecompenseerd staat nog steeds. Voor het overige: zie antwoord op vraag 1.
Hoe verklaart u dat in de uitvoering van de hersteloperatie opnieuw dezelfde patronen zichtbaar zijn als tijdens de toeslagenmisdaad, waaronder wantrouwen, overmatige bureaucratie, gebrekkige communicatie en het volgen van eigen standaarden, ondanks waarschuwingen van de Nationale ombudsman en de Parlementaire enquêtecommissie kinderopvangtoeslag?
Ik deel uw opvatting niet. In de hersteloperatie is het verhaal van de ouder leidend en is het uitgangspunt voor compensatie ruimhartigheid. Voor het uniforme forfaitaire schadekader geldt dat dit is overgenomen van SGH. Dit kader is vastgesteld door onafhankelijke experts, in samenwerking met ouders en SGH.
Verder geven we samen met ouders, jongeren en ketenpartners vorm aan de manier waarop verschillende doelgroepen in de hersteloperatie worden bereikt en ondersteund. We proberen ouders zoveel mogelijk integraal herstel te bieden.
Er wordt sinds de start van de hersteloperatie met man en macht gewerkt om ouders zo snel en zorgvuldig mogelijk te helpen. Vanzelfsprekend wil ik dat de hersteloperatie zo snel mogelijk alle gedupeerde ouders voorbij het onrecht helpt, zodat zij door kunnen met hun leven. Het kabinet zet alles op alles om ook deze laatste fase van de hersteloperatie zorgvuldig uit te voeren.
Tegelijk is het een feit dat de hersteloperatie werkendeweg is vormgegeven, zowel vanuit de wetgever als in de uitvoering. De operatie heeft een omvang gekregen die bij de start niet was voorzien. Dat heeft ertoe bijgedragen dat niet alles in een keer goed is gegaan, en dat we op sommige punten met de kennis van nu denken: dat hadden we beter anders kunnen doen. Deze hersteloperatie kent leerlessen die voor de toekomst worden geborgd.
Kunt u schetsen in hoeverre ex-partners, nabestaanden en gedupeerden in het buitenland toegang hebben tot de herstelroute? Kunnen deze groepen zich aanmelden via «MijnHerstel route»? Zo nee, welke alternatieve procedure of welk loket is voor hen ingericht?
Het is van belang dat ook deze groepen in de hersteloperatie goed en zorgvuldig worden geholpen.
Gedupeerden in het buitenland kunnen zich via het aanmeldportaal aanmelden voor één van beide schaderoutes. Voor ex-toeslagpartners wordt momenteel onderzocht op welke manier voor deze groep het beste invulling kan worden gegeven aan vergoeding van aanvullende schade. Nabestaanden die vallen onder de nabestaandenregeling hebben momenteel toegang tot de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Voor deze groep wordt onderzocht of zij ook toegang kunnen krijgen tot SGH en MijnHerstel.
Hoe wordt omgegaan met gedupeerden in het buitenland die geen DigiD hebben en zich daardoor niet via de reguliere digitale route kunnen aanmelden?
Vanzelfsprekend moeten ouders zonder DigiD hun aanvullende schade ook kunnen indienen. Ouders die geen DigiD hebben kunnen zich aanmelden per post. Die mogelijkheid is er op dit moment voor het indienen van een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding. Dit wordt ook mogelijk voor directe aanmelding bij MijnHerstel. Het postformulier is te vinden op schadeherstel.toeslagen.nl.
Daarnaast kunnen ouders een advocaat of juridisch adviseur machtigen om voor hen een aanvraag in te dienen en een aanmelding te doen voor SGH of MijnHerstel. Machtigen kan ook met een postformulier. Het Ondersteuningsteam Ouders in Buitenland (OTB) zal deze ouders hierover gericht voorlichting geven.
Hoe wordt geborgd dat dossiers die niet via de standaardprocedure van «MijnHerstel route» kunnen worden behandeld, tijdig en zorgvuldig worden opgepakt via de maatwerktafel? Op welke termijn is deze maatwerktafel volledig operationeel?
Het uniforme forfaitaire schadekader is vastgesteld vanuit de overtuiging dat met afstand de meeste ouders hiermee ruimhartig gecompenseerd zullen kunnen worden voor hun aanvullende schade. Ervaring bij de SGH wijst hier ook op, aangezien zij al ruim anderhalf jaar met succes ditzelfde kader hanteert. De individuele berekening zal zo snel als mogelijk worden opgeschaald. Tot die tijd blijft de aanpak van de regieroute-VSO operationeel voor die gevallen waarvan al eerder blijkt dat een individuele berekening nodig is.
Is het juist dat mensen in de wachtstand bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een voorrangsroute zouden krijgen richting «MijnHerstel route»? Zo ja, hoe wordt geborgd dat zij deze route daadwerkelijk kunnen benutten?
Dit is grotendeels juist. Ouders kunnen zich sinds 2 december jl. melden bij MijnHerstel. Zij komen dan direct in een digitale omgeving terecht waarbinnen zij de gebeurtenissen kunnen doorgeven die tot schade hebben geleid. Wanneer zij dit overzicht compleet hebben, kunnen ze het geheel indienen en gaat een behandelaar ermee aan de slag. Tot zover in het proces is het niet nodig of wenselijk te prioriteren in wie wel of geen voorrang krijgt. Mochten veel ouders tegelijkertijd hun schade indienen, waardoor het aantal dossiers groter wordt dan de actuele beschikbare behandelcapaciteit, dan kunnen behandelaars inzien welke ouders al langer wachten bij de CWS en deze ouders prioriteren. Daarnaast krijgen alle ouders in de wachtrij van de CWS begin 2026 een flyer in de brievenbus om hen erop te wijzen dat ze de keuze dienen te maken voor SGH of MijnHerstel om hun aanvullende schade door te geven. Ook hun gemachtigden worden hierop geattendeerd.
Wat is de vervolgstap voor deze ouders indien de reguliere route opnieuw geen adequate uitkomst biedt? Krijgen zij dan opnieuw toegang tot CWS?
Wanneer ouders na doorlopen van de route van de SGH of MijnHerstel geen VSO wensen te tekenen op basis van het uniforme forfaitaire schadekader, rest de mogelijkheid via de individuele berekening te kijken naar een meer precieze berekening van de schade. Ook dit traject kan worden afgesloten met een VSO. Mocht ook dat niet tot overeenstemming leiden, dan zal een beschikking worden afgeven op de aanvullende schade.
Hoe reageert u op de indruk die ontstaat door uw uitspraak dat «slachtofferschap soms ook iemands identiteit kan worden»? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de erkenning van de daadwerkelijke geleden schade en de ervaringen van ouders?
Erkenning van de schade die ouders hebben geleden staat al gedurende de hele hersteloperatie voorop. De uitspraak is nadrukkelijk niet bedoeld om iets af te doen aan de daadwerkelijke pijn, het onrecht en de ervaringen die ouders hebben doorstaan. Wat ik ermee wil aangeven, is dat langdurige onzekerheid, onduidelijkheid en ervaren onrecht soms zo ingrijpend kunnen zijn, dat zij invloed krijgen op iemands zelfbeeld en op hoe iemand zich door het leven beweegt. In zulke omstandigheden kan het gevoel van slachtofferschap een grote rol gaan spelen, omdat het een logisch gevolg is van alles wat iemand is overkomen. Dat maakt het ook begrijpelijk dat het voor ouders soms moeilijk kan zijn om nog perspectief of vertrouwen te zien. Tegelijk is het voor mensen van belang om het herstel op een bepaald moment af te kunnen ronden en achter zich te kunnen laten, om weer vooruit te kunnen te kijken en de draad van hun leven zelf op te pakken. Het moment en de manier waarop blijft daarbij natuurlijk voor iedereen persoonlijk. Het doel van de hersteloperatie blijft om ouders voorbij het onrecht te helpen, door hen erkenning te bieden, te ondersteunen in herstel en te helpen bij het terugvinden van toekomstperspectief.
Welke stappen zet u om te voorkomen dat gedupeerden het gevoel krijgen dat hun ervaringen worden gebagatelliseerd?
Vanzelfsprekend is het op geen enkel moment in deze hersteloperatie de bedoeling dat ouders het gevoel hebben dat hun ervaringen worden gebagatelliseerd. Dat proberen we te voorkomen door hen de ruimte te geven om hun verhaal te doen, door erkenning te geven en empathie te tonen voor hun emoties en ervaringen. Ook vind ik het belangrijk dat we transparant zijn en waar mogelijk niet in juridische termen spreken.
Ook het inzetten van ervaringsdeskundigen speelt een belangrijke rol. Door hun perspectief consequent mee te nemen, wordt gewerkt aan beleid dat beter aansluit bij wat ouders daadwerkelijk nodig hebben.
Hoe beoordeelt u de stelling in het AD-artikel dat de hersteloperatie «bijna klaar» zou zijn?
De hersteloperatie beweegt zich onmiskenbaar richting de laatste fase. Met de lancering van een centraal aanmeld- en informatieportaal op 25 november 2025, de lancering van de route MijnHerstel op 2 december 2025 en de vaststelling van één uniform schadekader gebaseerd op het reeds geruime tijd gehanteerde schadekader van SGH, heeft het kabinet drie belangrijke stappen gezet om ouders die aanvullende schade hebben ondervonden sneller en eenvoudiger voorbij het onrecht te helpen. Ondanks dat er nog veel werk is te verzetten, is hiermee het schadestelsel in essentie gecompleteerd, en zet het kabinet koers richting het afronden van het financieel herstel in 2027.
Afgelopen maart2 heb ik uw Kamer ook aangegeven dat de ambitie om het financieel herstel in 2027 af te ronden geenszins betekent dat op dat moment alle inspanningen op het gebied van herstel zullen eindigen. In de periode naar eind 2027 toe staat ook voor het niet-financiële deel van herstel nog veel te gebeuren: de bestuurlijk regisseur buigt zich over de harmonisatie en het oplossen van knelpunten binnen de brede ondersteuning en het Landelijk Steunpunt Mentaal Welzijn wordt in het eerste kwartaal van 2026 operationeel.
Tegelijk blijft herstel voor iedereen een persoonlijk proces; alle gedupeerden staan eind 2027 op een ander punt in hun herstel. Het is daarom belangrijk dat wij al ons werk en al onze kennis zo goed en zorgvuldig mogelijk overdragen naar de reguliere uitvoering, zowel landelijk als bij gemeenten. Samen met de VNG heb ik de bestuurlijk regisseur daarom gevraagd om ook hier naar te kijken (zie ook antwoord 12).
Welke rol ziet u voor gemeenten bij het bieden van brede ondersteuning aan gedupeerden in de fase na afronding van de hersteloperatie?
De brede ondersteuning is een tijdelijke regeling. Erkend gedupeerde ouders en kinderen die behoefte hebben aan ondersteuning vanuit de gemeente kunnen daar ook een beroep op doen. Recentelijk heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met de VNG: de uiterste aanmelddatum voor brede ondersteuning is bepaald op 1 september 2027. Ouders en jongeren die zich voor de brede ondersteuning hebben aangemeld, hebben na het opstellen van een Plan van Aanpak nog twee jaar lang recht op uitvoering en wijziging van dat plan. U bent hierover in een recente Kamerbrief geïnformeerd.3
Op termijn zal de brede ondersteuning worden afgebouwd en kunnen ouders en jongeren waar nodig terecht bij hun gemeente voor hulp vanuit het regulier sociaal domein. De bestuurlijk regisseur heeft onder andere als taak om een verantwoorde en breed gedragen overgang van de gemeentelijke hersteltaken naar het regulier sociaal domein te begeleiden.
Hoe wordt voorkomen dat achterstanden, die bij het Ministerie van Financiën worden ingelopen, vervolgens verschuiven naar gemeenten? Hoe verhoudt dit zich tot het aflopen van de SPUK-regeling en welke maatregelen treft u om gemeenten voldoende middelen en ondersteuning te bieden?
Er is geen één op één relatie tussen financieel herstel en de brede ondersteuning. Ouders kunnen op elk moment in hun herstelproces gebruik maken van de brede ondersteuning. Er zijn al veel gedupeerde ouders die een plan van aanpak hebben opgesteld met de gemeente, evenals veel jongeren. Gemeenten kunnen de kosten die zij maken om de brede ondersteuning uit te voeren bij het Ministerie van Financiën indienen via de SPUK-regeling. Om te zorgen dat gemeenten de komende jaren brede ondersteuning kunnen blijven bieden aan ouders en kinderen die hier recht op hebben, zal de SPUK worden verlengd. Er is hiermee duidelijkheid en zekerheid over de looptijd van de brede ondersteuning en de financiering daarvan. U bent hierover via dezelfde Kamerbrief geïnformeerd.4
Onderdeel van de afspraken is ook dat de voortgang met hulp van de bestuurlijk regisseur nadrukkelijk gemonitord blijft.
Het bericht dat het Van Gogh Museum de deuren dreigt te sluiten |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het gebouw van het Van Gogh Museum eigendom is van de Nederlandse Staat en dat hiermee ook de verantwoordelijkheid voor de staat van het gebouw, de veiligheid en de instandhouding bij de Staat ligt?
Aan welke veiligheids-, klimaat- en instandhoudingsnormen moeten gebouwen van het Rijksvastgoedbedrijf voldoen en in hoeverre voldoet het Van Gogh Museumgebouw op dit moment aan deze normen?
Het museum meldt risico’s bij onder meer verouderde liften, daklekkages en klimaatinstallaties, zijn deze risico’s bij het Ministerie van OCW bekend en hoe worden deze beoordeeld binnen de verantwoordelijkheid van de Staat als eigenaar van het gebouw?
Kunt u aangeven welke signalen over de staat van het gebouw het Ministerie van OCW de afgelopen jaren heeft ontvangen en welke opvolging daaraan is gegeven?
De huisvestingssubsidie van rijksmusea wordt gebruikt voor zowel operationele kosten als gebouwonderhoud, acht u dit een passend model voor rijksvastgoed dat meer dan 50 jaar oud is, gezien de toenemende kosten voor vervanging van installaties en structureel onderhoud?
Ja, ik acht dit een passend model. De huisvestingssubsidie is bedoeld voor zowel kort-cyclisch als lang-cyclisch onderhoud en verduurzaming. Het museum krijgt ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag voor huisvesting (in 2025 € 7,8 miljoen). De huisvestingssubsidie kan alleen worden verhoogd als er loon- en prijsbijstelling wordt toegekend. Een deel van dit subsidiebedrag is bedoeld voor kort-cyclisch onderhoud. Een ander deel (gemiddeld € 4,9 miljoen per jaar) is bedoeld om te sparen voor lang-cyclisch onderhoud en investeringen. Dit laatste bedrag is voor het Van Gogh Museum relatief hoog, juist omdat er in de subsidie rekening is gehouden met de onderhoudsstaat van de panden. Ook ontvangt het museum subsidie voor verduurzaming van hun panden. Juist omdat het museum ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag krijgt, kan het met vertrouwen sparen of lenen voor grote investeringen en renovaties. Ik ben van mening dat de subsidie die het Van Gogh Museum ontvangt, voldoende is om het noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren. De uitkomsten van het deskundigenonderzoek dat ik heb laten verrichten in de bezwaarprocedure, onderschrijven dat.
Daarbij merk ik op dat de andere rijksmusea, sommige ook met zeer complexe of oude gebouwen, gebruik maken van hetzelfde subsidiemodel en dat het voor hen wel werkbaar is.
Hoe beoordeelt u de samenhang tussen structureel onderhoud, goed functionerende beveiligingssystemen en het voorkomen van incidenten, mede in het licht van de recente diefstal in het Louvre en de internationale discussie over museumbeveiliging?
Het huisvestingsstelsel van de rijksmusea is er juist op gericht dat de musea zelf aan het roer zitten om deze samenhang te bereiken, als goed huisvader. Hiervoor ontvangen zij een subsidie op grond van de Erfgoedwet. Ik merk daarbij nog op dat naar aanleiding van de diefstal van twee schilderijen uit het Van Gogh Museum in 2002, in 2004 een risico-inventarisatie en -analyse bij de rijksgesubsidieerde musea is uitgevoerd. Vanaf 2005 is op basis van de resultaten van deze analyse vervolgens structureel € 7 miljoen toegevoegd aan de subsidie voor collectiebeheer van de rijksgesubsidieerde musea ten behoeve van extra veiligheidsvoorzieningen.
Hoe verhoudt de huidige financiering van huisvesting en instandhouding zich tot de afspraken die in 1962 zijn gemaakt over het duurzaam kunnen bewaren en openbaar tonen van de collectie?
Ik ben ik van mening dat de staat voldoet aan de afspraken uit de overeenkomst van 1962. Ik verwijs hiervoor ook graag naar mijn eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer over ditzelfde onderwerp.4
Welke mogelijkheden ziet u op korte termijn om risico’s voor bezoekersveiligheid, collectiebehoud en de continuïteit van het museum te mitigeren totdat structureel onderhoud kan worden uitgevoerd?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, is het binnen het huidige huisvestingsstelsel voor rijksmusea de eigen verantwoordelijkheid van de musea om de museale panden te onderhouden en te beheren en zo de bezoekersveiligheid en de continuïteit van het museum te garanderen. Zie ook het antwoord bij vraag 5. Binnen dit stelsel is het aan de musea zelf om keuzes te maken hoe het onderhoud wordt ingepland en in de tijd wordt gezet. De musea kennen hun museale panden het best en kunnen op basis van deze informatie besluiten welk onderhoud noodzakelijk is en welk onderhoud nog even kan worden uitgesteld.
Naast de subsidie, biedt de staat ook te mogelijkheid om tegen een gunstige rente te lenen bij het Nationaal Restauratiefonds voor verduurzaming. Daarnaast is het mogelijk om te lenen bij de schatkist voor onderhoud en instandhouding.
In de jaarrekening van het museum over 2024 is te lezen dat het museum beschikt over een bestemmingsreserve voor huisvesting van meer dan € 9 miljoen en een voorziening groot onderhoud van meer dan € 19 miljoen. De bestemmingsreserve is overigens onderdeel van een eigen vermogen van meer dan € 53 miljoen. Deze bedragen kan het Van Gogh Museum ook aanwenden om het onderhoud te bekostigen. Het is dus zeker niet zo dat het Van Gogh Museum voor haar plannen volledig afhankelijk is van de huisvestingssubsidie.
Daarmee zeg ik niet dat de subsidie ontoereikend is. De externe deskundige die ik heb geraadpleegd laat in zijn onderzoeksrapport zien dat de huidige subsidie vanuit het huisvestingstelsel voor rijksmusea afdoende is. Ik heb dit rapport bij deze antwoorden gevoegd. Het Van Gogh Museum en ik verschillen mijns inziens uiteindelijk vooral van mening over de vraag hoe haar aanvullende ambities, die verder gaan dan noodzakelijk onderhoud en vervanging – bijvoorbeeld op het gebied van verduurzaming – bekostigd moeten worden. Het museum vindt dat de overheid ook daar moet bijspringen. Dat zie ik anders. Het staat het museum natuurlijk vrij om die ambities na te streven. Ik heb daarom aangegeven dat er diverse alternatieve financieringsmogelijkheden zijn voor het museum, sommige gefaciliteerd door de overheid. Zo kan het museumbestuur die ambities ook realiseren. De financiering vanuit het huisvestingsstelsel is daar alleen niet voor bedoeld. Ik zie daarom geen reden om de huisvestingssubsidie te verhogen.
Het slopen van het dorp en de gemeenschap Moerdijk |
|
Daniël van den Berg (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Rijkaart , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre deelt u de analyse dat ruimtegebruik van de energietransitie oorzaak is voor het mogelijk verdwijnen van Moerdijk?
Kunt u aangeven hoeveel extra ruimtegebruik de energietransitie vraagt in Nederland tot aan 2040?
In hoeverre heeft u in kaart waar deze extra ruimtevraag in Nederland nodig is, en kunt u deze delen? Zo ja, welke daar nu bestaande functies zoals wonen, bedrijven, landbouw moeten daardoor verdwijnen?
Op welke manier neemt u de extra ruimtevraag en het verdwijnen van hele gemeenschappen mee in de veelgeprezen versterking van de «brede welvaart» afweging?
In hoeverre deelt u de mening dat kernenergie per eenheid opgewekte elektriciteit aanzienlijk minder ruimte vergt dan een energietransitie die primair is gebaseerd op wind- en zonne-energie, mede gelet op internationale studies waaruit blijkt dat kernenergie per eenheid elektriciteit 18 tot 27 maal minder land vereist dan zonne-energie1?
Kunt u daarbij aangeven of bij de ruimtelijke beoordeling een scenario met substantiële kernenergieproductie is onderzocht, wat dit zou betekenen in termen van hectares ruimtebesparing voor de regio Moerdijk en voor Nederland, en – indien dat niet het geval is – of u bereid bent dit alsnog te (laten) berekenen en met de Kamer te delen?
Welke rol speelt ruimtegebruik bij uw afweging voor de energietransitie?
Ziet u mogelijkheden om de inwoners van de kern Moerdijk opnieuw te vestigen binnen de gemeente Moerdijk in één van de andere woonkernen? Zo ja, wat gaat u doen om dit mogelijk te maken?
Hoe wordt geborgd dat basisvoorzieningen zoals de basisschool, sportverenigingen, zorgpost en supermarkt tot het einde openblijven?
Hoe verhoudt het besluit om de dorpskern Moerdijk te schrappen zich tot de vastgestelde zoekgebieden in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)?
Wat is het totale ruimtebeslag van de Powerportopgave per onderdeel (stations, kabels, opslag, waterstof- en CO2-leidingen, havenlogistiek) en hoe verklaart u het verschil tussen de 28 hectare (ha) voor het 380/150/20 kV-station2 en de 400–500 ha die de gemeente noemt voor de totale opgave?
In hoeverre is de sloop van het dorp nodig voor de logistieke uitbreiding (PowerPort) in plaats van alleen voor energie-infrastructuur?
Wat zijn de geraamde totale kosten van het opheffen van Moerdijk, uitgesplitst naar (a) verwerving en taxatie van 1.100 woningen/bedrijven en compensatie voor immateriële schade, (b) verplaatsing van publieke voorzieningen zoals school, sport en begraafplaats, (c) aanleg van de nieuwe energie-infrastructuur en (d) leefbaarheids- en gebiedsfonds? Hoe wordt dit gefinancierd (Rijk, provincie, havenbedrijf, TenneT/Enexis) en zijn hiervoor middelen gereserveerd in de Rijksbegroting?
Hoe worden de kosten van onteigening, verplaatsing en leefbaarheidsmaatregelen op project- en systeemniveau bijgehouden en betrokken bij de nationale kosten-batenanalyse? Bent u bereid een openbaar register in te richten waarin alle ruimtelijke kosten (grondaankoop, onteigening, waardedaling, leefbaarheidsfondsen, juridisch verweer) worden vastgelegd?
Wie heeft de regie in dit project? Het participatieplan vermeldt dat TenneT en Enexis initiatiefnemer zijn en dat het Ministerie van Klimaat en Groene Groei het bevoegd gezag is3. Wat is de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk? Wie beslist uiteindelijk over de opheffing van het dorp en wie over de inrichting van het gebied?
Acht u het maatschappelijk en juridisch wenselijk dat de energietransitie gepaard gaat met het verwijderen van dorpen? Welke precedenten bestaan er in Nederland of elders en wat zijn de belangrijkste lessen?
Acht u dat de grote ruimtelijke claim van een 100% hernieuwbaar energiescenario aanleiding is om, conform het NPE dat wind, zon en kernenergie als mix benoemt4 en een opschaling naar 70 GW wind op zee en 3,5–7 GW kernenergie voorziet, het energiesysteem te herijken en extra kernenergie of andere compacte bronnen toe te voegen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het nog in te plannen plenaire debat over Moerdijk?
Het bericht ‘Tolweg A24: Meer opbrengst uit boetes en herinneringskosten dan aan e-TOL’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Tieman |
|
Hoe reageert u op de uitzending van Kassa van 22 november jongstleden, waarin duidelijk wordt gemaakt dat de tolweg A24 meer inkomsten via boetes, en in de toekomst ook via herinneringsbrieven, genereert dan via de tol zelf?1
Het is goed dat het Tv-programma Kassa aandacht heeft besteed aan de tolheffing op de A24/Blankenburgverbinding. Om deze reden is ook medewerking verleend aan een interview met Kassa. In de uitzending werd het beeld geschetst dat wordt gestuurd op zoveel mogelijk inkomsten uit betalingsherinneringen en boetes. Dit beeld wordt niet herkend. Zie ook de antwoorden op de vragen hierna.
Hoe reageert u op de uitspraken van de Nationale ombudsman, dat het digitale tolsysteem onnodige lasten bij burgers legt en mensen die niet digitaal vaardig zijn uitsluit, waardoor zij in de problemen komen?
De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. De tolheffing is uitsluitend bedoeld om een deel van de investering van de Blankenburgverbinding terug te betalen (€ 405 mln. van € 2,138 mld.). De tolheffing wordt beëindigd als deze opgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan.
De situatie ter plaatse leende zich vanwege de verkeersveiligheid en doorstroming niet voor het inrichten van een tolplein met slagbomen. Betaling vindt daarom digitaal plaats. Dit kan door aan te melden voor automatisch betalen of door per rit te betalen op www.e-tol.nl. Inmiddels betaalt bijna 80% van de weggebruikers de tol automatisch. Hier zit een stijgende trend in.
Het systeem kan ingewikkeld zijn voor mensen die minder digitaal vaardig zijn. Er is daarom ingezet op goede communicatie (ook via niet-digitale middelen zoals verkeersborden en kranten) en op goede ondersteuning. Het klantcontactcentrum van RDW biedt telefonische en schriftelijke ondersteuning bij het verrichten van betalingen en het aanmelden voor automatisch betalen. Wel is het zo dat burgers uiteindelijk zelf (betaal)handelingen moeten verrichten. Ook met ondersteuning van het klantcontactcentrum is dat niet voor iedereen mogelijk. In het klantcontact wordt in dergelijke gevallen aangeraden om hulp te vragen aan familie, vrienden of buren. Ook kunnen mensen terecht bij een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). IDO’s zijn vaak gevestigd in bibliotheken en bieden hulp en ondersteuning bij digitale overheidsdiensten. Alle IDO’s hebben van RDW informatie ontvangen over de tolheffing. Medewerkers van IDO’s in de omgeving van de A24 hebben daarnaast een aanvullende training gekregen.
In aanvulling hierop is bij de handhaving van de tolplicht oog voor de menselijke maat en persoonlijke omstandigheden. Er wordt bijvoorbeeld per brief getracht in contact te komen met gebruikers met meerdere openstaande betalingsherinneringen of boetes. Doel hiervan is ondersteuning bieden en voorkomen dat mensen in de problemen komen. De handhaving kan daarbij tijdelijk worden gepauzeerd. Ook wordt in bepaalde gevallen coulant opgetreden.
Waarop zijn de boetebedragen voor het niet op tijd betalen van de tol gebaseerd?
Als een rit op de A24 niet op tijd is betaald, wordt een betalingsherinnering verstuurd. In het eerste jaar na opening van de A24 zijn hierbij geen aanvullende kosten gerekend. Sinds 7 december 2025 wordt een vergoeding van € 9, bovenop het verschuldigde toltarief, in rekening gebracht. Dit bedrag is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als ook na een betalingsherinnering niet tijdig is betaald, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Deze boete bedraagt € 35, vermeerderd met het toltarief en de vergoeding voor de betalingsherinnering. Het boetebedrag is onderbouwd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15.2 De hoogte van het boetebedrag is een afweging tussen proportionaliteit en afschrikwekkende werking: de boetehoogte moet evenredig zijn aan de ernst van de overtreding én weggebruikers aanzetten tot het nakomen van de verplichting om tol te betalen. In de memorie van toelichting staat daarnaast benoemd dat de regering het niet betalen van tol vergelijkbaar acht met het niet kopen van een vervoerbewijs in het openbaar vervoer. Destijds (de memorie van toelichting is in 2015 opgesteld) bedroeg deze boete ook € 35, vermeerderd met de oorspronkelijke ritprijs.3 De boete voor niet-betaalde tol is sinds 2015 niet geïndexeerd.
Kunt u onderbouwen wat de werkelijke kosten zijn van het versturen van de betalingsherinnering? Waarop is het bedrag van negen euro gebaseerd?
Het bedrag van € 9 is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt met het versturen van een betalingsherinnering en de verdere afhandeling daarvan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om ICT-kosten, print- en portokosten en personeelskosten. Dit gaat niet alleen om de personele inzet die betrekking heeft op het versturen van een betalingsherinnering, maar ook om aanvullend klantcontact dat naar aanleiding van de herinneringsbrief plaatsvindt. De hoogte van de vergoeding is vastgelegd in artikel 4:113 van de Awb.4 Dit bedrag wordt gehanteerd bij diverse aanmaningen onder het bestuursrecht. Dit bedrag is daarmee niet specifiek toegespitst op de tolheffing.
Zijn de aanmaningen voor het niet op tijd betalen van de tol winstgevend? Zo ja, bent u ervan op de hoogte dat dit tegen de wens van de Tweede Kamer ingaat, aangezien de motie-Hoogland/Visser, over het beperken van het aantal niet-betalingen tot het absolute minimum, is aangenomen?2
Conform de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 (Wet TTH) zijn in het eerste jaar bij betalingsherinneringen geen aanvullende kosten in rekening gebracht. Aangezien het versturen en afhandelen van deze betalingsherinnering wel geld kost, zijn de betalingsherinneringen tot nu toe niet kostendekkend geweest. Sinds 7 december jl. wordt de vergoeding van € 9 in rekening gebracht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, is deze vergoeding bedoeld om de kosten van de betalingsherinnering te dekken.
De motie-Hoogland/Visser6 is bekend. De tolheffing wordt in overeenstemming met deze motie uitgevoerd. De doelstelling is om de hoeveelheid niet-betalingen zoveel mogelijk te beperken, waardoor het aantal betalingsherinneringen en de hiermee gepaard gaande kosten voor de overheid én de weggebruiker beperkt blijven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Hoe groot is het gat in de begroting als alle passanten op de A24 de tol op tijd betalen? Moet het bedrag verhoogd worden zodra meer mensen op tijd de tol betalen?
Er is geen sprake van een gat in de begroting als alle passanten de tol op tijd betalen. Met de tolheffing op de A24 wordt een financieringsbehoefte gedekt van € 405 miljoen (bedrag in contante waarde en in prijspeil 2025). De tolheffing wordt beëindigd als deze opgave, plus de in- en uitvoeringskosten van tolheffing, is voldaan. Het aantal gebruikers van de A24 en het betaalgedrag van deze gebruikers is bepalend voor de kosten en opbrengsten van tolheffing. Lagere opbrengsten leiden naar verwachting tot een langere termijn van tolheffing. Als veel passanten de tol tijdig betalen wordt wel bespaard op de uitvoeringskosten.
Deelt u de conclusie dat als één op de vijf passanten een herinneringsbrief nodig heeft om de tol te betalen, dat er dan sprake is van een onduidelijk systeem?
Nee, deze conclusie wordt niet gedeeld. De A24 is de eerste weg in Nederland met een elektronisch tolsysteem. Een nieuw systeem vergt gewenning van gebruikers. Dit is ook het geval bij vergelijkbare elektronische tolwegen in het buitenland. Ook speelt mee dat sommige weggebruikers het tolsysteem wel begrijpen, maar de herinneringsbrief (ten onrechte) als een factuur beschouwen. In de afgelopen maanden heeft intensievere communicatie hierover ertoe geleid steeds meer weggebruikers automatisch betalen. De aankondiging van de vergoeding voor de betalingsherinnering werkt hierbij als gedragsprikkel.
Steeds meer gebruikers betalen op tijd. Momenteel wordt circa 85% van de passages tijdig betaald. Dit is boven de verwachting zoals opgenomen in de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 2026.7 Bovendien neemt dit percentage naar verwachting de komende periode verder toe, zodat ook het aantal betalingsherinneringen en boetes afneemt. Hier zijn ook stappen voor in gang gezet. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat de herinneringsbrief voor het niet op tijd betalen van de tol alsnog gratis verstuurd moet worden, aangezien één op de vijf passages op de A24 een betalingsherinnering nodig heeft, en dat ook bedrijven wettelijk verplicht zijn de eerste betalingsherinnering gratis te versturen?
Nee, deze mening wordt niet gedeeld. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, worden voor het versturen en afhandelen van betalingsherinneringen kosten gemaakt. Op grond van de Awb mag hiervoor een vergoeding in rekening worden gebracht.
Welke stappen gaat u nemen om het aantal passanten dat tol op tijd betaalt te verhogen, om daarmee het aantal herinneringsbrieven en boetes te verminderen? Bent u ook bereid de drempel te verlagen voor mensen die niet digitaal vaardig zijn, door bijvoorbeeld mogelijkheid te bieden fysiek voor de tol te betalen? En deelt u de mening dat tolheffing überhaupt een ongewenst systeem is om onze infrastructuur te bekostigen?
Er wordt op verschillende manieren gecommuniceerd over de tolheffing. Onder andere via verkeersborden, de website e-tol.nl en het klantcontactcentrum. Daarnaast heeft voorafgaand aan de opening van de A24 een uitgebreide campagne plaatsgevonden, met onder meer advertenties in kranten, radio en televisie, vakbladen en social media.
In aanloop naar 7 december jl. (de start van de vergoeding van € 9 bij een betalingsherinnering), heeft wederom veel communicatie plaatsgevonden. Zo is de website e-tol.nl verduidelijkt, wordt informatie getoond op matrixborden in de omgeving van de A24 en staat er informatie op bouwborden en op digitale panelen bij tankstations in de wijde omgeving van de A24. Weggebruikers die gebruikmaken van bepaalde navigatiesystemen krijgen in december gedurende enige tijd een pushbericht dat ze over de tolweg hebben gereden. Ook zijn op 6 december jl. advertenties geplaatst in landelijke en regionale dagbladen om weggebruikers te wijzen op het tijdig betalen van tol op de A24. Tot slot staat er sinds oktober al informatie over de kosten voor de betalingsherinnering op zowel de brief als de envelop van de betalingsherinnering. Dit alles moet eraan bijdragen dat het aantal passanten dat tijdig tol betaalt verder wordt verhoogd en dat het aantal herinneringsbrieven en boetes afneemt.
Bij de inrichting van het tolsysteem is de drempel om tol te betalen zo laag mogelijk gehouden. Fysieke betaalpunten bleken hierbij echter niet mogelijk. Een «klassiek» tolplein met slagbomen bleek niet inpasbaar in het wegontwerp van de A24 en zou daarnaast leiden tot filevorming en reistijdverlies. Ook een fysiek betaalpunt langs de A24 bleek niet mogelijk. De A24 is namelijk een korte snelweg (slechts 4,2 kilometer lang), met daarin twee tunnels. Er is geen ruimte voor op- en afritten of een verzorgingsplaats. Eventuele fysieke betaalpunten kunnen daarom alleen op het onderliggend wegennet of langs omringende snelwegen worden gecreëerd. Gezien de complexe wegenstructuur in het gebied is het de vraag of niet digitaal vaardige burgers in dat geval een fysiek betaalpunt zouden weten te vinden. Daarmee is het de vraag of er tegenover de uitvoeringskosten van dergelijke betaalpunten wel voldoende baten staan. Het inrichten van een fysiek betaalpunt is immers niet eenvoudig en brengt ook kosten met zich mee. Er moet bijvoorbeeld gezocht worden naar geschikte locaties, met de juiste betaalvoorzieningen, personeel, beveiliging, etc. Er is daarom ingezet op goede informatievoorziening en ondersteuning voor niet digitaal vaardige burgers. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Tot slot wordt de mening dat tolheffing een ongewenst systeem is om infrastructuur te bekostigen niet gedeeld. Voor de A24 geldt dat deze weg niet gerealiseerd had kunnen worden zonder tolheffing. Voor de in aanleg zijnde ViA15 is dezelfde keuze gemaakt.
Heeft u in uw berichtgeving naar de pers daadwerkelijk gezegd dat als mensen niet de digitale vaardigheden hebben om deze tol te betalen, dat zij dan een computerles moeten volgen? Zo ja, draagt u met deze woorden niet bij aan de uitsluiting van deze groep door zo te reageren op vragen van de pers?
Nee, dit heb ik niet gezegd. Er is aangegeven dat mensen die niet digitaal vaardig zijn voor ondersteuning naar de bibliotheek kunnen gaan. Bibliotheken kunnen namelijk ondersteuning bieden bij digitale dienstverlening in de rol van Informatiepunt Digitale Overheid (IDO). Zie verder het antwoord op vraag 2.
Waarom gaat u ervan uit dat er in de toekomst alsnog 400.000 boetes geïnd moeten worden voor het niet betalen van tol, als u zelf aangeeft dat aantal naar nul te willen brengen?
In tabellen 87 en 88 van de ontwerpbegroting van het Mobiliteitsfonds 2026 staat een inschatting van de verwachte opbrengsten uit tolgelden, betalingsherinneringen en boetes op de A24 en de ViA15. In deze tabellen staat dat wordt verwacht dat bij de A24 vanaf 2028 jaarlijks circa 400.000 boetes worden verzonden. De raming in de begroting is volledig gebaseerd op veronderstellingen over het verwachte gebruik en betaalgedrag van de weggebruiker voorafgaand aan de start van de tolheffing. De raming is nog niet gebaseerd op de werkelijke situatie en kent dus veel onzekerheid.
Nu de tolheffing een jaar loopt, ontstaat een beter beeld van het werkelijke aantal betalingsherinneringen en boetes en ook van de kosten en opbrengsten van tolheffing. Het aantal betalingsherinneringen en boetes ligt in de praktijk substantieel lager dan vooraf geraamd. De Kamer ontvangt in het eerste kwartaal van 2026 een voortgangsbrief tijdelijke tolheffing, waarin nader wordt ingegaan op deze cijfers en de ervaringen in het eerste jaar van tolheffing. Via het jaarlijkse begrotingsproces wordt telkens een actuele raming opgesteld op basis van de meest actuele inzichten en de verwachtingen met betrekking tot het aantal tolpassages, betalingsherinneringen en boetes.
Waarop heeft u gebaseerd dat voor de nog te bouwen verlenging van de A15 meer dan 50 miljoen euro aan administratiekosten en boetes ontvangen wordt?
Zie het antwoord op vraag 11.
Peperdure wervingscampagnes die nauwelijks nieuwe militairen opleveren |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Follow the Money waaruit blijkt dat Defensie de afgelopen jaren miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan wervingscampagnes, terwijl het aantal daadwerkelijk ingestroomde militairen nauwelijks stijgt?1
Ja. Ik heb het artikel gelezen, maar het geschetste beeld komt niet overeen met de werkelijkheid.
Hoeveel geld heeft Defensie sinds 2020 jaarlijks besteed aan wervingscampagnes en via welke kanalen zijn deze middelen ingezet (tv, online, social media, evenementen, etc.)?
Defensie zet sinds 2020 jaarlijks meerdere employer-branding campagnes en meer dan honderd online wervingscampagnes in. Deze campagnes vergroten de zichtbaarheid van Defensie als werkgever en richten zich op het aantrekken van sollicitanten voor een breed scala aan functies en instroomsporen, waaronder recent toegevoegde trajecten zoals het Dienjaar. De media-inzet volgt een planmatige, continu zichtbare campagnevoering en omvat onder meer tv (lineair, on-demand en streaming), radio, buitenreclame, bioscoop, dagbladen, online video, zoekadvertenties en sociale media. Daarnaast neemt Defensie deel aan arbeidsmarkt- en onderwijsbeurzen en organiseert Defensie eigen wervingsevents. Deze gecombineerde inzet leidt jaarlijks tot groei in websitebezoeken, eventinschrijvingen, unieke sollicitaties en uiteindelijk ook in het aantal aanstelbare kandidaten. De campagne is in 2025 opgeschaald om de groeiambities uit de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller» (Kamerstuk 33 763, nr. 161, 24 maart 2025) te ondersteunen.
2020
€ 15.030.000
2021
€ 15.065.000
2022
€ 13.505.000
2023
€ 19.808.000
2024
€ 21.864.000
2025
€ 26.352.000
Kunt u per jaar sinds 2020 inzicht geven in: a) het aantal sollicitaties, en b) het aantal daadwerkelijke aanstellingen dat volgde?
Aantal sollicitaties
16.293
14.491
18.590
20.391
24.474
22.271
Instroom
3.645
3.941
3.404
3.800
4.326
4.896
In het antwoord beperken we ons tot beroepsmilitairen. De aantallen sollicitaties (bovenste rij) hebben betrekking op kandidaten die via de reguliere weg (via het dienstencentrum personeelslogistiek) hebben gesolliciteerd. De instroomcijfers (onderste rij) omvatten daarnaast ook kandidaten die direct vanuit de civiele arbeidsmarkt bij Defensie worden aangesteld zonder voorafgaande initiële militaire opleiding (zogeheten «horizontale instroom»).
NB: Tot en met 2024 is het aantal sollicitaties weergegeven, waarbij één persoon meerdere sollicitaties kan hebben ingediend. In 2025 betreft dit het aantal «unieke sollicitanten».
Hoe verklaart u het grote verschil tussen het aantal sollicitaties dat campagnes opleveren en het beperkte aantal nieuwe aanstellingen?
Er is geen een-op-een verband te leggen tussen de campagnes en het aantal aanstellingen. Tussen een sollicitatie en een aanstelling vindt een zorgvuldig selectie- en keuringsproces plaats waarin wordt vastgesteld of kandidaten psychisch en fysiek geschikt zijn.
Het grootste deel van de uitval vindt plaats in een vroege fase van het selectieproces. Kandidaten ontvangen voorafgaand aan een uitnodiging voor psychologisch onderzoek uitgebreide vragenlijsten. Wanneer hieruit blijkt dat antwoorden strijdig zijn met de militaire basiseisen, worden kandidaten niet uitgenodigd voor het verdere keuringsproces.
Van de kandidaten die door deze voorselectie komen en worden uitgenodigd voor het basispsychologisch onderzoek, wordt de een groot deel geschikt bevonden. Het percentage kandidaten dat na deze fase aanstelbaar wordt verklaard, bedraagt circa 66% voor beroepsmilitairen, 69% voor reservisten en 65% voor dienjaarmilitairen.
Een aanstelbaarverklaring leidt echter niet automatisch tot een aanstelling. De daadwerkelijke aanstelling is mede afhankelijk van beschikbare opleidingscapaciteit, startmomenten van opleidingen, veiligheidsonderzoeken en het aantal beschikbare startfuncties. Daarnaast besluit een deel van de kandidaten gedurende het proces alsnog ervan af te zien om bij Defensie in dienst te treden, bijvoorbeeld omdat zij kiezen voor een andere loopbaan of persoonlijke omstandigheden wijzigen. Deze kandidaten komen daardoor niet op en worden niet aangesteld.
Door het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs, neemt Defensie maatregelen die ertoe moeten leiden dat meer mensen sneller kunnen worden aangesteld.
In hoeverre zijn er binnen Defensie harde prestatie-indicatoren geformuleerd voor het meten van de effectiviteit van wervingscampagnes?
Defensie hanteert verschillende prestatie-indicatoren om de effectiviteit van wervingscampagnes te meten. Wij volgen onder andere het bereik en de waardering van de campagne in de doelgroep, reclameherinnering, boodschap-overdracht, mediaperformance, het aantal bezoeken op www.werkenbijdefensie.nl, het aantal sollicitaties per instroomspoor, de conversie naar keuring en aanstelling en de ontwikkeling van de totale personele sterkte.
Voor deze indicatoren zijn geen harde streefcijfers vastgesteld. De realisatie van de aanstellingsopdracht geldt als harde KPI voor alle wervingsinspanningen; de ontwikkelingen van de overige indicatoren monitoren we en op basis daarvan sturen we continu bij om de wervingsinzet te optimaliseren.
Erkent u dat Defensie er niet in slaagt haar personeelsdoelen te halen, ondanks een groeiend budget en intensieve marketing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit fundamentele probleem aan te pakken?
Defensie groeit aantoonbaar; tussen 1 januari en 1 december 2025 – dit zijn 11 maanden – is de personeelsomvang toegenomen met 5.567 voltijdsequivalenten (VTE’n) naar 79.913 VTE’n, terwijl tegelijkertijd de vrijwillige uitstroom laag blijft.
Tegelijkertijd is voor de schaalbare krijgsmacht in 2030 meer menskracht nodig dan nu beschikbaar is. Daarom neemt Defensie aanvullende maatregelen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller». Dat doen we onder meer door het opschalen van instroomsporen (Dienjaar, VeVa, Nationale Weerbaarheidstraining, reservisten), het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs. Op 17 november 2025 heeft Defensie een intentieverklaring gesloten met civiele opleiders om de instructie- en opleidingscapaciteit structureel uit te breiden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat Defensie sneller kan opschalen, innovatief kan opleiden en dat operationele eenheden inzetbaar blijven.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in versnelde opleidingstrajecten, aangepaste instroomprofielen of bredere toelatingseisen? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Defensie investeert gericht in de hele keten van werving, selectie en opleiding. Dit gebeurt onder meer door uitbreiding van de keuringscapaciteit en psychologische selectie, het inrichten van extra selectie- en keuringslocaties, het aantrekken van externe opleidingscapaciteit en het moderniseren van opleidingen. Daarnaast differentieert Defensie in functie-eisen en verruimt Defensie leeftijdsgrenzen waar dat verantwoord is, bijvoorbeeld voor vlootpersoneel van de Marine en grondpersoneel van de Luchtmacht. Deze maatregelen dragen bij aan de groei van opgeleid en inzetbaar personeel. We zijn niet van plan meer opleidingstrajecten of instroom instrumenten te ontwikkelen, maar juist de bestaande optimaal te benutten en te schalen.
Wat is uw reactie op de analyse uit het artikel van Follow the Money dat het merendeel van de reservistenprogramma’s zich richt op «hoger opgeleiden», dat er veel minder geld gaat naar de VeVa-opleidingen en dat de VeVa in de praktijk geen vooropleiding is en geen voorrang geeft bij Defensie?
Ik herken het geschetste beeld niet. Defensie richt zich in haar personeelsbeleid op verschillende doelgroepen, met instroomsporen voor zowel mbo-, hbo- als wo-opgeleiden. VeVa vormt een heel belangrijk mbo-spoor: van de VeVa-studenten die tussen 2010 en 2020 zijn gestart, is 43 procent doorgestroomd naar een initiële opleiding bij Defensie. Circa 19 procent van alle beroepsmilitairen heeft een VeVa-achtergrond; bij manschappen en onderofficieren jonger dan 35 jaar is dit ongeveer 38 procent. VeVa is geen vooropleiding met formele voorrangsposities, maar biedt een doorlopende leerlijn die het beroepsbeeld en de basisvaardigheden versterkt en daarmee de keuze voor Defensie vergroot.
Voor VeVa is geen afzonderlijk programmabudget inzichtelijk, omdat de uitvoering is verweven met de reguliere bedrijfsvoering van Defensie. Er is wel afzonderlijk budget beschikbaar voor de stagevergoedingen aan VeVa-leerlingen tijdens de beroepspraktijkvorming (BPV) bij de operationele commando’s. Deze uitgaven aan uitvoering van de beroepspraktijkvorming bedragen circa 7 miljoen euro per jaar. Een significant aantal medewerkers van Defensie wordt direct en specifiek ingezet voor de begeleiding, coördinatie en regievoering van VeVa. Dit betreft de militair instructeurs op de ROC’a, alle BPV-commandanten en hun medewerkers voor de BPV-begeleiding, en alle stage- en onderwijscoördinatoren vanuit de operationele commando’s en defensieonderdelen.
De analyse dat reservistenprogramma’s zich uitsluitend of voornamelijk op hoger opgeleiden zouden richten, is niet juist. Zo zet Defensie met Defensity College (hbo/wo), het Dienjaar (mbo, hbo, wo) en de Nationale Weerbaarheidstraining (hbo/wo-minor en mbo-keuzendeel) in op jongeren en studenten die anders niet snel voor een loopbaan bij Defensie zouden kiezen. Defensie ontwikkelt en benut reservistenschillen juist in de volle breedte van de krijgsmacht, met functies voor zowel mbo-profielen als hbo- en wo-opgeleiden. De groei van de reservistenschil tot 20.000 in 2030 vraagt om een divers aanbod van reservistenfuncties, variërend van operationele ondersteuning en technische inzetbaarheid tot specialistische rollen op het gebied van ICT, cyber, geneeskundige zorg en beleidsmatige ondersteuning. Daarnaast zien we ook veel jongeren met een hbo- of wo-profiel die er juist voor kiezen om als reservist praktisch in gezet te worden bij de Natres of infanterie bewaken en beveiligen. De totale reservistenschil bestaat daarmee uit een breed samengesteld personeelsbestand dat aansluit bij de behoefte van de krijgsmacht.
Welke belemmeringen in de keten (zoals capaciteit opleidingen, veiligheidsscreenings, keuringseisen) spelen volgens u voornamelijk een rol bij het feit dat vacatures bij Defensie onvoldoende ingevuld worden?
De belangrijkste belemmeringen in de keten zijn de capaciteit en doorlooptijden van selectie en keuring, de duur van veiligheidsonderzoeken, de beschikbare opleidings- en instructiecapaciteit en randvoorwaarden als huisvesting, kleding en uitrusting. Een deel hiervan volgt uit wettelijke kaders, zoals de Wet op de medische keuringen en procedures voor veiligheidsonderzoeken. Daarnaast wil Defensie in korte tijd substantieel opschalen, terwijl uitbreiding van infrastructuur, instructiecapaciteit en ondersteunende voorzieningen tijd vergt.
Deelt u de mening dat meer geïnvesteerd moet worden in het wegnemen van de belemmeringen in de keten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen onderneemt u daarvoor?
Ik deel de mening dat het wegnemen van belemmeringen in de keten essentieel is om de personeelsdoelen te halen. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen. Defensie investeert nadrukkelijk in het vergroten van selectie- en keuringscapaciteit, in het uitbreiden van opleidingscapaciteit en het moderniseren van het onderwijs, in samenwerking met civiele opleidingspartners, in het wegnemen van onnodige regels voor externe opleiders en in het verbeteren van materiële randvoorwaarden. Daarnaast werkt Defensie via de beoogde Wet op de Defensiegereedheid aan meer flexibiliteit in het keuringsproces, onder meer door keuringen eerder in het proces te kunnen uitvoeren en keuringsgegevens langer te mogen gebruiken.
Klopt het dat de uitstroom van militairen ongeveer 25 procent hoger ligt dan ingecalculeerd?
Nee, dat beeld klopt niet. In 2025 stroomden er tot en met november minder beroepsmilitairen uit dan verwacht. Daarnaast bedraagt het percentage van het personeelsbestand dat Defensie in 2025 op eigen verzoek verlaat 3,1 procent van de totale bezetting, exclusief leerlingen in initiële opleidingen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan het percentage van circa 5 procent irregulier verloop waarmee de sector Rijk rekent en lager dan in het bedrijfsleven. Uiteraard kan de uitstroom per doelgroep per jaar fluctueren, maar er is geen sprake van een structurele overschrijding van de ramingen met 25 procent.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in het beter faciliteren van zittend personeel om die te kunnen behouden? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Met de stijging van het defensiebudget investeert Defensie niet alleen in werving, maar juist ook in behoud van alle medewerkers. Dit gebeurt onder meer via modernisering van arbeidsvoorwaarden, leer- en ontwikkelmogelijkheden, de invoering van de continue dialoog en strategische personeelsplanning, verbeterde loopbaanbegeleiding via het Dienstencentrum Employability, investeringen in veilige en passende uitrusting (zoals scherfwerende vesten voor vrouwelijke militairen) en het verbeteren van leiderschap en organisatiecultuur. Het resultaat is onder meer een lage vrijwillige uitstroom van 3,1 procent en het feit dat ongeveer 70 procent van de dienstverlaters aangeeft (heel) tevreden te zijn over het werk bij Defensie.
Deelt u ten slotte de mening dat voor het behalen van de doelstellingen voor 2030 (en daarna) een meer verplichtend karakter in het kader van opkomstplicht noodzakelijk zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke plannen heeft u hiertoe in voorbereiding?
Ik deel die mening niet. In mijn Kamerbrief «Start Defensie-enquête» (Kamerstuk 36 592, nr. 45, 22 september 2025) heb ik u daarover geïnformeerd. De belangstelling om bij Defensie te dienen neemt toe en de vrijwillige uitstroom is laag. Dat geeft ons het vertrouwen dat we de krijgsmacht met een vrijwillig dienmodel kunnen blijven vullen. In de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst» heb ik uw Kamer geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die Defensie neemt om versneld te veranderen en te groeien naar een voortdurend inzetgerede en schaalbare krijgsmacht.
We moeten ons echter op verschillende scenario’s voorbereiden. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de verwachte groei achterblijft bij de prognoses, of dat de veiligheidssituatie verder verslechtert en Defensie sneller moet groeien dan nu voorzien. Om die reden ontwikkelt Defensie een dienmodel dat kan meebewegen met de dreiging. Dat betekent: in staat zijn om (snel) op te schalen in aanloop naar een conflictsituatie, en weer kunnen afschalen in een periode na een conflict.
De Defensie-enquête is een instrument om sneller zicht te krijgen op potentiële instroom en, waar nodig, gefaseerd naar een meer verplichtend karakter toe te werken. De eerste stap, de vrijwillige enquête, is in september gestart. De herinvoering van de opkomstplicht is in uiterste instantie een juridisch beschikbare optie, maar ik ben ervan overtuigd dat er effectievere en meer gerichte manieren zijn om de personele gereedheid te verhogen. Een krijgsmacht waarin mensen bewust en vrijwillig voor dienst kiezen, blijft moreel en operationeel sterker.
Het dreigement van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) om naar de rechter te stappen teneinde een omgevingsvergunning voor een asielzoekerscentrum (azc) in Terneuzen af te dwingen |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «COA «indien nodig» naar rechter voor omgevingsvergunning azc Terneuzen» van 25 november 2025?1
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat een door de Rijksoverheid gefinancierd overheidsorgaan als het COA een democratisch gekozen gemeenteraad met juridische dwang en intimidatie probeert te dwingen een azc op te leggen tegen de uitdrukkelijke wil van die raad en haar inwoners?
Deelt u de mening dat lokale overheden nooit of te nimmer, op geen enkele wijze, door het COA, door de Rijksoverheid of door wie dan ook mogen worden gedwongen tot het accepteren van asielopvang? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel rechtszaken het COA de afgelopen vijf jaar heeft aangespannen tegen Nederlandse gemeenten om asielopvang af te dwingen? Kunt u een overzicht per jaar, per gemeente en met de uitkomst van de procedure verstrekken?
Hoe beoordeelt u de bemoeienis van de commissaris van de Koning, die onmiddellijk na het democratische raadsbesluit aankondigde «in gesprek te willen» met de raad? Ziet u dit als ongeoorloofde druk van de Rijksoverheid op een gemeente?
Deelt u de mening dat het opstappen van een burgemeester omdat een raad een besluit neemt dat hem niet bevalt, getuigt van een schokkend gebrek aan respect voor de lokale democratie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het COA per direct de opdracht te geven af te zien van elke rechtsgang tegen de gemeente Terneuzen en de wil van de gekozen gemeenteraad te respecteren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er géén azc komt in Terneuzen, conform de duidelijke wens van de gemeenteraad en een groot deel van de bevolking? Zo nee, waarom blijft u dan een azc doordrukken tegen de lokale bevolking in?
Wanneer komt u eindelijk met wetgeving om de Spreidingswet in te trekken?
Het bericht 'Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Derk Boswijk (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trollenlegers uit buitenland versterkten politieke en opruiende berichten rond verkiezingen»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Kunt u reageren op het onderzoek van RTL Nieuws, waaruit blijkt dat honderden nepaccounts uit Nigeria, Ghana en andere landen op sociale media rond de Nederlandse Tweede Kamerverkiezing het debat beïnvloed hebben?
Pogingen tot beïnvloeding van onze democratie door middel van nepaccounts op sociale mediazijn ernstig en zorgelijk. Gelukkig heeft Nederland een robuuste democratie met transparante en controleerbare verkiezingen, waardoor ik de impact van de nepaccounts als beperkt beschouw. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Tegelijkertijd is elke gecoördineerde campagne die het publieke debat rondom het verkiezingsproces mogelijk beïnvloedt, ongeacht de omvang, volstrekt onwenselijk. Het publieke debat is van iedereen en dient daarom niet gemanipuleerd te worden, zeker in relatie tot cruciale democratische processen zoals nationale verkiezingen. Sociale media bedrijven kunnen hiervoor misbruikt worden. Zeer grote online platformen hebben daarom de verplichting om te onderzoeken of hun diensten op deze manier misbruikt kunnen worden, en zo nodig maatregelen te treffen om dat te adresseren.
Ik vind het belangrijk dat platformen verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, desinformatie en gecoördineerd niet-authentiek gedrag. Daarom blijf ik in gesprek met de platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces, zoals toegezegd in de Kamerbrief over het contact met de platformen.2 Dit gesprek zal ook voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden.
We staan er als Nederland niet alleen voor. Samen met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten spannen we ons gezamenlijk in om de democratie te verdedigen tegen buitenlandse inmenging. Zo is recent het European Democracy Shield gepubliceerd, en zijn al verschillende onderzoeken tegen zeer grote online platformen gestart in verband met mogelijke overtredingen van de digitaledienstenverordening (DSA). Ik steun de Europese Commissie in haar toezicht en in de lopende onderzoeken, waarbij ook aandacht is voor gecoördineerd niet-authentiek gedrag en manipulatie. Ook zoeken we bilaterale samenwerking en kennisuitwisseling met partners, waaronder Duitsland, Frankrijk en Zweden op, om te leren van hun ervaringen op dit gebied.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad ook gaat om Russische invloed?
De diensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Wanneer zij stuiten op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van de verkiezingen, kunnen en zullen de diensten hun wettelijke bevoegdheden inzetten om dit tegen te gaan. In het openbaar kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Immers, dit zou inzicht geven in het huidige kennisniveau van de diensten en daarmee de nationale veiligheid kunnen schaden.
Wel waarschuwen de diensten en de NCTV in zijn algemeenheid dat statelijke actoren onze democratie kunnen en willen ondermijnen.3 De inzet van sociale media, waarbij nepaccounts profielen en berichten proberen te versterken, past in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Er moet rekening worden gehouden dat deze vorm van heimelijke beïnvloeding veelvuldig voor kan komen, met name rondom verkiezingen.
Hoe oordeelt u over de impact van deze trollenlegers op de verkiezingen?
Ondanks dat iedere poging om het verkiezingsproces te beïnvloeden ongewenst is, betekent het niet dat iedere poging ook een daadwerkelijke invloed heeft. Door het geringe aantal nepaccounts kan worden vastgesteld dat de impact beperkt was. De verkiezingen zijn eerlijk en vrij verlopen. Ondanks dat deze specifieke casus geen grote impact heeft gehad op de afgelopen verkiezingen, kan het meermalig gebruik van nepaccounts door verschillende actoren het vertrouwen in het verkiezingsproces en het publieke debat ondermijnen. Daarom moet de samenleving weerbaar zijn en blijven tegen beïnvloedingspogingen en neemt het kabinet maatregelen om de verkiezingen eerlijk en vrij te laten verlopen. Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Zijn deze trollenlegers nog steeds actief? In hoeverre is hier inzicht in?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich eerdere waarschuwingen van onder andere Europol en de Europese Commissie over buitenlandse informatieoperaties gericht op EU-lidstaten?
Er is binnen de EU veel aandacht voor buitenlandse informatieoperaties gericht op de EU-lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) staan hierover in nauw contact met de lidstaten. Bijvoorbeeld via de Rapid Alert System (RAS), dat in het leven is geroepen om snel met andere lidstaten te communiceren en waar nodig gezamenlijke actie te ondernemen. Nederland neemt actief deel aan de RAS. Zo heeft BZK afgelopen november een bijeenkomst georganiseerd voor de RAS-leden waar mogelijke beïnvloeding van verkiezingen onderdeel van de agenda was.
Gezien de groeiende dreiging van buiten de EU, is in het recent gepresenteerde European Democracy Shield (EUDS) aangekondigd de samenwerking te versterken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort, via de gebruikelijke wijze, geïnformeerd.
Welke aanvullende Nederlandse maatregelen zijn sindsdien genomen en hoe verhouden die zich tot de bevindingen in dit RTL-onderzoek?
Het kabinet neemt iedere verkiezing maatregelen om risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces tegen te gaan. Deze maatregelen worden doorlopend geëvalueerd en aangescherpt waar nodig. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen van andere EU-lidstaten en EU-instellingen. Dit maatregelenpakket omvat onder andere een offensieve aanpak tegen desinformatie en informatiemanipulatie. Over de genomen maatregelen is uw Kamer eerder over geïnformeerd.4
Separaat werk ik in samenwerking met andere departementen uit hoe we eerder en beter zicht kunnen krijgen op buitenlandse beïnvloedingscampagnes (FIMI) die onze Nederlandse belangen willen ondermijnen, zoals een gezonde democratie en maatschappelijke stabiliteit. Het gaat hier dus om detectie-capaciteit. Hierbij leren we van de ervaringen van EU-lidstaten, zoals Frankrijk en Zweden, hoe zij dergelijke FIMI detecteren en hierop reageren. We werken momenteel uit hoe we FIMI-detectie in de Nederlandse context kunnen vormgeven. Uw Kamer wordt hierover na het zomerreces geïnformeerd.
Daarnaast vind ik het van belang dat organisaties die zich inzetten om informatiecampagnes en desinformatie bloot te leggen, zoals factcheckers en onderzoeksjournalisten, hun werk kunnen doen en het publiek blijven informeren.
Ik heb van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte heeft gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Verder ga ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 2, wederom in gesprek met de sociale media platformen, over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Dit gesprek zal voor de komende gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Tot slot kan het Ministerie van BZK tijdens verkiezingen in contact treden met de platformen X, Meta, TikTok, Google, of Snapchat, indien er signalen zijn over berichten met feitelijk onjuiste informatie over het verkiezingsproces. Met die platformen bestaat de afspraak dat zij deze meldingen van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelen. Dit noemt BZK de «verkiezingen flagger status». Het ministerie heeft geen bevoegdheid om bepaalde content te laten verwijderen. Gedane meldingen worden achteraf wel openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.5 Ik wil verkennen of deze status verder uitgebreid kan worden, om zo ook niet-authentieke campagnes onder de aandacht te brengen van platformen.
Zijn er bij u signalen bekend dat buitenlandse netwerken gericht hebben geprobeerd invloed uit te oefenen op de Nederlandse verkiezingen? Zo ja, in hoeverre is hiervan sprake geweest?
Zoals gezegd in antwoord op vraag 3, passen het gebruik van nepaccounts die profielen en berichten proberen te versterken in het beeld van de wijze waarop statelijke actoren de democratische rechtsstaat proberen te ondermijnen. Daarom neem ik iedere verkiezing maatregelen om de effecten van deze heimelijke beïnvloedingspogingen te mitigeren en is het van belang dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van het publieke debat.
Is het denkbaar dat er nog meer trollenlegers actief zijn geweest rond de verkiezingen dan bekend is dankzij dit onderzoek. Zo ja, hoeveel? Op welke manier is dat volgens u in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat platforms die zich niet aan de regels houden gestraft moeten worden en dat websites en platforms bij herhaalde en grove schending (tijdelijk) uit de lucht moeten worden gehaald? In hoeverre hebben de socialemediaplatformen volgens u de verantwoordelijkheid om buitenlandse nepaccounts die zich mengen in maatschappelijke discussies in Nederland te weren en offline te halen; op basis van welk beleid of wetgeving kunt u hen hier ook verantwoordelijk voor houden? Hoe zou de aanstaande wetgeving (denk aan de Digitaledienstenverordening, de Verordening artificiële intelligentie en Digital Fairness Act) en handhaving hierop een rol van betekenis in kunnen spelen?
Het kabinet acht het van belang dat sociale media platformen hun verantwoordelijkheid nemen in het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Zo verplicht de digitaledienstenverordening DSA zeer grote online platformen en zoekmachines (VLOPs en VLOSEs) om systeemrisico’s in kaart te brengen en hier maatregelen tegen te nemen. Dit betreft ook risico’s rond verkiezingsprocessen, zoals de verspreiding van desinformatie of opzettelijke manipulatie van de dienst, onder meer door niet-authentiek gebruik (zoals nepaccounts).
Voor het toezicht op en handhaving van de verplichtingen uit de DSA op VLOPs en VLOSEs is de Europese Commissie exclusief bevoegd. Tot op heden heeft de Europese Commissie 9 formele procedures geopend tegen VLOPs, waaronder 4 socialemediabedrijven: Facebook, Instagram, TikTok en X. De overige 5 VLOPs zijn Aliexpress, Temu, Pornhub, XNXX en XVideos. Het kabinet volgt deze en andere lopende onderzoeken met grote interesse en staat samen met andere lidstaten achter de Europese Commissie en de proactieve handhaving van de DSA-verplichtingen.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat platformen ook proactief maatregelen te nemen om onze democratische processen te beschermen, en daarbij niet de onderzoeken van de Commissie afwachten. Daarom zijn er tijdens de afgelopen verkiezing op verschillende manieren gesprekken geweest met de platformen en ga ik, zoals vermeld in antwoord 2, in gesprek met de platformen over platformen over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces.
Zijn er socialemediaplatformen aangesproken vanwege de buitenlandse nepaccounts die verkiezingen proberen te beïnvloeden. Zo ja, welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
In Nederland zijn er door de rijksoverheid geen platformen specifiek aangesproken vanwege buitenlandse nepaccounts. Wel heb ik van de ACM vernomen dat zij de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het onderzoek van Trollrensics, waarop de berichtgeving is gebaseerd. Daarnaast heeft het Ministerie van BZK contact gehad met Meta en X over berichten met onjuiste informatie hoe te stemmen. Uw Kamer wordt in de evaluatie van de Tweede Kamerverkiezing hierover geïnformeerd.
Het kabinet moedigt onderzoekers, burgers en maatschappelijke organisaties aan om ook zelf melding te doen bij het desbetreffende platform, als zij stuiten op nepaccounts en content dat ingaat tegen wet- en regelgeving, of het beleid van het platform zelf. Indien een platform niet reageert, dan kan daarover een melding worden gedaan bij de ACM.
Welke concrete maatregelen kunt u nemen om buitenlandse inmenging via sociale media bij verkiezingen te voorkomen en beperken? Zijn deze maatregelen volgens u voldoende?
Voor de maatregelen die wij nemen, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kiezers tijdens toekomstige verkiezingen beschermd worden tegen buitenlandse beïnvloeding via sociale media?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om deze zorgen bij Europese collega’s onder de aandacht te brengen en ervaringen uit te wisselen om buitenlandse inmenging te voorkomen?
Ja, Nederland neemt actief deel aan verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de Rapid Alert System (RAS) en de European Cooperation Network on Elections (ECNE) en de Europese Raadswerkgroep voor het vergroten van weerbaarheid en tegengaan van hybride dreigingen (HWP ERCHT). Ook zet Nederland zich er voor in dat binnen de Raad van Europa wordt samengewerkt om de dreiging van FIMI voor onze democratie tegen te gaan in het kader van het New Democratic Pact.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
Het door de Kamer geëiste verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij, dat de minister nog altijd niet heeft ondertekend, waardoor tijdige inwerkingtreding in gevaar komt. |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Sandra Beckerman , Dion Graus (PVV), Laurens Dassen (Volt), Laura Bromet (GL), Anne-Marijke Podt (D66), Esther Ouwehand (PvdD), Pieter Grinwis (CU) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat u het verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij nog altijd niet hebt ondertekend, zoals gemeld door RTL, waardoor het onzeker is of het verbod per 1 januari 2026 in werking zal treden, terwijl dit eerder wel is toegezegd?1
De stukken zijn gereed voor de laatste stappen in de besluitvorming. Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Gaat u alsnog uitvoering geven aan de heldere opdracht van de Kamer en ervoor zorgen dat het verbod per 1 januari 2026 in werking kan treden? Zo ja, wanneer gaat u het verbod tekenen?
Zoals ik in mijn brief aan de TK van 27 november 2025 heb geschreven (Kamerstuk 2025D48643), is het streven dat inwerkingtreding op 1 januari 2026 zal plaatsvinden. Hiervoor heb ik voortdurend de benodigde stappen gezet.
Kunt u deze vragen uiterlijk maandag 1 december 2025 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Dit jaar al 500 nepagenten aangehouden, vier keer meer dan in 2023’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er dit jaar al 500 nepagenten zijn aangehouden, vier keer meer dan in 2023? Wat is uw eerste reactie op deze stijging?1
Ja, het is ongewenst dat er zo veel criminelen zijn die zich voordoen als agent. Ik ben wel blij dat de politie hier veel aandacht voor heeft en daarom zo veel nepagenten heeft kunnen opsporen en aanhouden.
In hoeverre hangt de stijging van het aantal aangehouden nepagenten samen met deze gerichte en intensieve inzet van de politie, zoals u in 2024 aangaf?2
De politie zet meer in op heterdaad bij meldingen over nepagenten. Hierdoor kan vaker succesvol opgespoord worden. Door de werkwijze van de daders haalt de politie vooral veel succes bij het opsporen en aanhouden van de nepagenten die aan de deur staan.
De politie heeft afgelopen zomer via een succesvolle publiekscampagne met Omroep Max ingezet om meer maatschappelijke bewustwording te creëren en mensen te behoeden. In deze publiekscampagne is uitgedragen actief het alarmnummer 112 te bellen en daarnaast te verifiëren of er nepagenten aan de deur staan. Sindsdien wordt 112 ook daadwerkelijk vaker gebeld. Dat kan het hoge aantal aanhoudingen (deels) verklaren.
Hoe ontwikkelt het aantal meldingen en aangiften van deze criminaliteitsvorm zich op dit moment?
Het aantal aangiftes en meldingen van nepagenten blijft nog altijd stijgen.
Deelt u de zorgen van de CDA-fractie dat een dergelijke toename duidt op nóg professionelere en georganiseerde criminele bendes die deze vorm van oplichting gebruiken? Zo ja, welke structurele tegenmaatregelen zijn volgens u per direct nodig?
Ja, ik vind het zorgelijk dat het aantal incidenten met nepagenten stijgt. Daarom ben ik, in lijn met de motie Boswijk en Mutluer3, aan het onderzoeken of oplichting in eigen woning door nepagenten zwaarder bestraft kan worden.
Daarnaast is het van belang dat de politie door gaat met bewustwordingsacties bij groepen die vaak slachtoffer worden van nepagenten. Een goed voorbeeld hiervan is de campagne samen met Omroep Max.
Hoe verklaart u de in het artikel genoemde sterke regionale verschillen, en welke lokale factoren of criminele patronen liggen hier volgens u aan ten grondslag?
Er is geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van deze verschillen.
Worden slachtoffers in 2025 daadwerkelijk sneller en vaker geholpen en hoe beoordeelt u de effectiviteit van deze campagnes, gezien uw antwoorden op de eerdere schriftelijke vragen van het lid Boswijk dat slachtoffers vaak schaamte ervaren en dat campagnes gericht zijn op het vergroten van de aangiftebereidheid?3
Er is dit najaar een evaluatie uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau naar de effectiviteit van de publiekscampagne met Omroep Max die is gestart op 11 juli 2025. De primaire doelgroep van de campagne wordt gevormd door senioren in de leeftijd van 70+, de secundaire doelgroep bestaat uit hun omgeving (zoals (klein)kinderen). Het bereik van de campagne onder de doelgroep 70+ is hoog.
Het doel van de campagne was bewustwording en handelingsperspectief vergroten bij senioren, voor het geval ze met nepagenten te maken krijgen. De uitkomsten van dit onderzoek wijzen erop dat de campagne hierin slaagt. De politie ziet dat mensen die de campagne al eerder hebben gezien (dus vóórdat zij ermee in het onderzoek werden geconfronteerd) zich inderdaad bewuster zijn van het gevaar van nepagenten en beter weten wat ze moeten doen als zij hiermee te maken krijgen.
De 70-plussers die de campagne al voor het onderzoek hadden gezien, geven daarbij vaker aan direct 112 te bellen, een handelingsadvies dat expliciet in de campagne werd genoemd.
Het landelijke protocol #digitp, waarbij er bij meldingen van digitale criminaliteit (waaronder nepagenten) zoveel als mogelijk politiemensen naar een melder toegaan om hulp te bieden en mogelijke sporen veilig te stellen zorgt voor snellere en betere hulp aan slachtoffers op het moment dat zij die het meeste nodig hebben. Dit protocol wordt doorlopend bijgesteld op basis van de ervaringen van zowel politie als burgers.
Het schaamte-element is helaas zeer hardnekkig. Zowel in het contact met slachtoffers als in berichtgeving (zoals campagnes) probeert de politie te benadrukken dat schaamte begrijpelijk is, maar niet nodig, en dat dit iedereen kan overkomen. Dit is echter een culturele verandering in hoe de maatschappij naar deze criminaliteit en de slachtoffers kijkt en zal dus blijvend aandacht nodig hebben.
Acht u, gezien de explosieve stijging van nepagenten, de huidige strafbaarstelling nog wel toereikend genoeg, aangezien u heeft aangegeven dat het dragen van een strek lijkend uniform niet strafbaar is, tenzij het tot verwarring leidt?
Ik verwijs u naar mijn reactie op de motie Boswijk c.s. in het tweede halfjaarbericht politie 2025.6
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Boswijk-c.s. over het verruimen van de strafbaarstelling van verkoop en aanschaf van neppe politie-uniformen?4
Zie antwoord vraag 7.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist ouderen opnieuw het grootste doelwit lijken te zijn?
Criminelen gebruiken diverse werkwijzen om mensen geld afhandig te maken. Alle doelgroepen zijn doelwit, maar met een werkwijze die past bij de belevingswereld van die doelgroep.
Voor ouderen speelt het aspect autoriteit (zoals bankmedewerkers en politie) een grote rol. Ouderen hebben daarnaast vaker meer vermogen (vaak ook in huis), dure sieraden en kunst. Hier past een vorm van oplichting bij waarbij je dat geld, sieraden, en goederen op gaat halen.
Jongeren worden ook slachtoffer van deze criminelen, maar dan met varianten meer toegesneden op hun belevingswereld: elektronica die niet geleverd wordt, ticketsites die niet bestaan, beleggingsfraude en datingfraude zijn varianten waar de jongere generaties mee geraakt worden.
Wordt de aanpak van deze doelgroep aangepast of geïntensiveerd?
De politie blijft inzetten op diverse vormen van bewustwording en hulpverlening. Ook werkt de politie samen met diverse partijen om de doelgroep vanuit meerdere invalshoeken te benaderen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om burgers – en specifiek ouderen – beter te beschermen tegen deze misleidende criminelen?
Voorlichting over de manier van opereren door nepagenten is erg belangrijk. Daarnaast is het voor de opsporing van nepagenten van belang dat slachtoffers melding doen wanneer ze vermoeden dat er een nepagent aan de deur staat. Daarom is op www.politie.nl een pagina ingericht met tips over hoe je kan voorkomen dat je slachtoffer van nepagenten wordt en een handelingsperspectief als je slachtoffer bent geworden. Ik vind het belangrijk dat deze tips verspreid worden onder ouderen. Daarom zijn publiekscampagnes zoals die van afgelopen zomer met Omroep MAX erg waardevol.
De bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten, waarbij demonstranten het gebouw binnendrongen, afsloten en bezoekers actief de toegang belemmerden?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen in gesprek gaan met bezetters die een academisch evenement fysiek blokkeren?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht als ook de veiligheid op de campus te waarborgen. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voor demonstraties op de onderwijsinstellingen. Maar wel binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling. Geweld, vernielingen, discriminatie, en haatzaaien zijn strafbare feiten en hebben geen plek bij protesten. Universiteitsbesturen gaan zelf over welke interventie zij op welk moment passend vinden, waaronder of zij in gesprek gaan met demonstranten. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid zoveel mogelijk lokaal wordt genomen door de instellingsbestuurders in nauwe samenspraak met de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Vindt u dat de Universiteit Leiden verplicht is aangifte te doen tegen deze bezetting, aangezien universiteiten in hun eigen richtlijnen vastleggen dat bezettingen verboden zijn en strafbare feiten niet zonder gevolgen mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Instellingen hebben met elkaar afgesproken dat zij bij (vermoedens van) strafbare feiten altijd aangifte doen. Ik heb begrepen dat het College van Bestuur van de Universiteit Leiden aangifte heeft gedaan bij de politie van lokaalvredebreuk en de bezetters heeft gevorderd het gebouw te verlaten. De politie is uiteindelijk overgegaan tot ontruiming.2 Ik hecht eraan te benoemen dat ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben met de rechtsgang.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist de Cleveringa-lezing, die is ingesteld ter herdenking van antisemitische maatregelen tegen Joodse academici, moest worden verplaatst door deze actie, en bent u bereid dit optreden expliciet als antisemitisch te kwalificeren? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn een plek voor debat en dialoog. Binnen de instelling moet men hier dan ook zoveel mogelijk de ruimte toe krijgen, bijvoorbeeld door een lezing te organiseren. Ik vind het onacceptabel wanneer studenten en/of medewerkers hierin worden belemmerd. Ik betreur het daarom zeer dat de geplande Cleveringa-lezing verplaatst moest worden. Tegelijkertijd zie ik dat de Universiteit Leiden adequaat heeft gehandeld, want door de lezing te verplaatsen kon deze toch doorgang vinden.
Het is niet aan mij als Minister van OCW om te beoordelen wanneer er sprake is van antisemitisme. Bij vermoedens van antisemitisme kan aangifte worden gedaan. Vervolgens is het aan het OM en, indien vervolging wordt ingesteld, aan de rechter om te bepalen of er in concrete gevallen sprake is geweest van antisemitisme.
De aanhoudende ICT-problematiek bij het Openbaar Ministerie (OM) |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 11 november 2025 aan het College van Procureurs-Generaal (het College), kent u de reactie van het College op die brief1 en kent u de brandbrief van 20 november 2025 uit naam van 2.850 OM-medewerkers van het «Comité OM onder druk» aan het College?2 En kent u de eerdere frustraties van OM-medewerkers over de hardnekkige ICT-problemen (toespraak voorzitter van het College van 13 mei 2024)3
Ja.
Herinnert u zich de eerdere berichten «Misdaadregistratie loopt vast door gammele ICT bij OM»4, het bericht «Openbaar Ministerie heeft problemen op zittingen door «ernstige computerstoring»»5 en het bericht «Een op de vier werknemers van OM kan niet werken door ICT-problemen»?6
Ja.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van het lid Lahlah over ICT-problemen bij het OM (mondeling vragenuur 23 april 2024) en andere antwoorden op vragen vanuit de Tweede Kamer over eerdere ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie (OM) waaronder uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Mutluer over de blijvende ICT-problemen bij het Openbaar Ministerie?7
Ja.
Deelt u de mening dat uit bovenstaande berichten blijkt dat er bij het OM al veel te lang sprake is van structurele problemen met de ICT waardoor het werk door OM-medewerkers ook al te lang belemmerd wordt en tot frustratie en gevoelens van onbegrip leidt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind dat de medewerkers van het OM in hun werk al te lang worden gehinderd door slecht functionerende ICT en betreur dit zeer.
Deelt u de mening dat er ondanks de al jaren durende problemen met de ICT bij het OM geen of nauwelijks verbetering is opgetreden? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan het tegendeel? En zo nee, hoe komt het dan dat de laatste maanden er sprake is van snel groeiende ontevredenheid bij OM-medewerkers en ze uitgeput en gefrustreerd raken omdat concrete maatregelen om de ICT duurzaam op orde te krijgen uitblijven en de werkdruk onverminderd hoog blijft?
Ja, ik deel de mening dat er voor de medewerkers in ieder geval niet genoeg zichtbare verbetering heeft plaatsgevonden. De ICT-inbreuk in juli 20258 heeft de problemen – in ieder geval tijdelijk – nog eens vergroot. De snel gegroeide ontevredenheid is daarmee goed verklaarbaar en terecht.
Schrikt u ook als u moet lezen dat een zeer groot en representatief deel van de OM-medewerkers constateert dat zij niet langer op een verantwoorde wijze hun werk kan doen en dat de staat van de rechtsstaat in het geding is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de ICT-problemen bij mij bekend zijn, vind ik het erg vervelend en betreur ik dat zo veel medewerkers hier zo veel hinder van ondervinden.
Wat is er gebeurd na uw toezegging om het OM te vragen om voor het zomerreces van 2024 te komen met een plan met concrete maatregelen om de werkdruk bij het OM te verminderen, zowel door investeringen in het personeel als door het bieden van technologische oplossingen die specifiek gericht zijn op het stroomlijnen van werkprocessen?
De implementatie van het nieuwe wetboek vraagt inderdaad aanpassingen van de ICT. De ICT-opgave van het OM is in relatie tot het nieuwe wetboek groot. Op dit moment wordt door alle ketenorganisaties uitgegaan van inwerkingtreding van het nieuwe wetboek op 1 april 2029. Ook de planning van het OM is daarop gericht. Het OM kan op dit moment voor de ICT echter geen garanties geven ten aanzien van de haalbaarheid van deze planning. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Verwacht wordt dat de eventuele effecten daarvan, waaronder die met betrekking tot de implementatie van het nieuwe wetboek, in het voorjaar van 2026 bekend zijn.
Erkent u dat de stress en druk bij het OM-personeel leidt tot achterstanden en onvolkomenheden in dossiers? Zo ja, kunt u concreet beschrijven hoe dit de problematiek het functioneren van de strafrechtketen aantast? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten en hoe verhoudt zich dat tot de genoemde brieven van de NVvR en het Comité OM onder druk?
De dagelijkse ICT-problemen hinderen het werk en leiden daarmee tot een hogere werkdruk. Dit zou, hoewel dit niet in kwantitatief opzicht inzichtelijk is te maken, een negatief effect kunnen hebben op de prestaties van het OM. De ICT-inbreuk heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe voorraden en zal daarmee waarschijnlijk een tijdelijk negatief effect hebben op de doorlooptijden. De mate waarin de kwantitatieve ketendoelstellingen hierdoor worden beïnvloed is nog niet bekend. Het College van procureurs-generaal herkent de zorgen en is daarover met de Ondernemingsraad, het Comité, de leiding van de OM-onderdelen en de medewerkers in gesprek.
Kunt u inzichtelijk maken welke primaire processen momenteel niet naar behoren functioneren binnen het OM als gevolg van de door medewerkers aangekaarte problematiek? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag nadrukkelijk ook informatie vanuit OM-medewerkers betrekken die dagelijks geconfronteerd worden met de ICT-problemen?
Op dit moment hebben de OM-medewerkers in alle (primaire) processen geregeld te maken met ICT-verstoringen. Er zijn inmiddels verschillende concrete maatregelen genomen die moeten helpen de werkdruk bij het OM te verlichten en het werkplezier te vergroten. Het College is hierover in gesprek met de Ondernemingsraad en met de leiding van de OM-onderdelen. Er is uitgebreidere monitoring ingericht om de prestaties van de systemen nauwlettend in de gaten te houden. Verdere vernieuwing en verzwaring van de onderliggende infrastructuur is gepland. Vanuit het College en de ICT-organisatie zijn bezoeken gebracht aan alle OM-onderdelen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de directe en urgente ICT-problematiek en de specifieke behoeften van de collega’s op de OM-onderdelen. Op basis daarvan zijn diverse verbeteracties doorgevoerd die de werkprocessen ten goede komen.
Tegelijkertijd blijven zich in de bestaande, verouderde ICT-omgeving van het OM met enige regelmaat nieuwe ICT-incidenten aandienen. Daarom zet het OM naast genoemde kortetermijnmaatregelen ook heel stevig in op structurele oplossingen die weliswaar veel minder snel zijn te realiseren, maar voor het functioneren van de informatievoorziening (IV) en de werkprocessen bij het OM uiteindelijk van fundamenteel belang zijn. Daartoe is een meerjarenplanning in voorbereiding, die als basis zal dienen voor de onderbouwing van de meerjarige financieringsbehoefte van het OM vanwege de noodzakelijke investeringen in de ICT.
Bent u bereid om met de NVvR in overleg te treden om te horen welke gevolgen de ICT-problemen voor de dagelijkse praktijk van het OM, waaronder Officieren van Justitie, hebben? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomst van dit overleg? Zo nee, waarom niet?
De NVvR heeft haar brief aan het College van procureurs-generaal gericht en hierop heeft het College gereageerd. Het College en de NVVR zijn regelmatig met elkaar in gesprek en het is ook in de eerste plaats aan het College om dat gesprek te voeren.
In hoeveel zaken is er sprake van vertraging of veroudering als gevolg van de aanhoudende problematiek? Kunt u dit uiteenzetten per type zaak?
De mate waarin vertraging optreedt in zaken wordt gemeten in doorlooptijden. De ontwikkeling van de doorlooptijden wordt duidelijk bij de publicatie van de cijfers over 2025. Er kan geen causaal verband worden gelegd tussen de doorlooptijd van zaken en de algemene ICT-problematiek. Wel zal de impact van de ICT-verstoring die deze zomer plaatsvond en de nasleep daarvan waarschijnlijk zichtbaar worden in deze cijfers. Als gevolg van de ICT-verstoring en het offline gaan van de OM-systemen, konden nieuwe zaken in de periode van 17 juli tot eind augustus niet vanuit de opsporingsdiensten naar het OM worden overgedragen. Dit had vooral impact op de eenvoudige zaken. Tijdens de ICT-verstoring zijn zwaardere onderzoeks- en ondermijningsmisdrijven handmatig verwerkt en zijn vertragingen in de behandeling van deze zwaardere misdrijven beperkt gebleven.
Kunt u nader uiteenzetten of er afdelingen binnen het OM onevenredig hard worden geraakt door de problematiek en welke dat zijn? Heeft dit als gevolg dat sommige soorten zaken meer vertraging en veroudering oplopen dan andere soort zaken?
Zoals hiervoor aangegeven hebben alle medewerkers te maken gehad met de ICT-problematiek. De ICT-inbreuk heeft effect gehad op de voorraden en doorlooptijden. Uit het landelijk zaakvolgsysteem blijkt dat de omvang van de voorraden («voorraadbak intake OM») vanaf de datum van de ICT-inbreuk sterk is toegenomen. Deze voorraden zijn in het vierde kwartaal van 2025 aangepakt; het OM verwacht dat deze extra voorraad in het eerste kwartaal van 2026 is weggewerkt.
In hoeverre komt de door het College zelf opgelegde taakstelling om de benodigde ICT-investeringen te kunnen doen ten koste van andere taken van het OM en het welzijn de OM-medewerkers?
Om de ICT structureel te verbeteren, zijn de komende jaren investeringen nodig. Daarnaast nemen de instroom en productie af, lopen tijdelijk beschikbaar gestelde middelen af en nemen structurele kosten van het OM toe. Kortom: het OM staat voor de opgave om de financiële positie structureel te versterken.
Alle OM-onderdelen moeten dus in hun begroting voor 2026 rekening houden met minder geld. Hen is door het College daarom gevraagd aan te geven welke maatregelen nodig zijn en welke consequenties dit heeft. Voor 2026 ligt de nadruk op bewuster, slimmer en efficiënt omgaan met middelen, zowel financieel als in de verdeling van het werk. Samen met de OM-onderdelen is gezocht naar effectieve aanpak om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Het is aan de leiding van de OM-onderdelen om binnen die financiële kaders voor 2026 verstandige keuzes te maken: wat wel kan worden gedaan en wat niet. Intussen blijf het College in goed in contact met de OM-onderdelen en wordt het welzijn van de OM-medewerkers goed in de gaten gehouden.
Deelt u de mening dat deze taakstelling niet zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk bij het OM of het beter functioneren van het OM als organisatie? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dan zorgen voor meer financiële armslag voor het OM? Zo nee, waarom niet?
Het College heeft geoordeeld dat het noodzakelijk en verantwoord is om de taakstelling op te leggen. Het College heeft samen met de leiding van de OM-onderdelen gezocht naar manieren om het OM financieel robuuster te maken en te houden. Hiermee maakt het OM financiële middelen vrij om zelf bij te dragen aan de noodzakelijke investeringen in het versterken van de ICT. Beter functionerende IV zal op langere termijn onder andere een positief effect hebben op de werkdruk. Het College blijft in goed contact staan met de OM-onderdelen. Waar de OM-onderdelen vastlopen, zal het College bezien of er financiële ruimte kan worden vrijgemaakt gedurende het jaar. Voor wat betreft de ICT-problematiek maakt het College inzichtelijk welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Hierover ga ik het gesprek aan met het OM. Ik kan nog niet vooruitlopen op mogelijke oplossingsrichtingen.
Zorgen de ICT problemen er voor dat slachtofferrechten bij strafzaken in geding komen? Kunt u onderbouwen, en kan het OM bevestigen, dat deze rechten momenteel niet in het geding zijn? Kunnen het OM en u waarborgen dat alle slachtoffers van strafzaken hun bestaande rechten ten volle kunnen uitoefenen? Zo nee, kunt u in overleg met het OM specifieke verbeteringen doorvoeren zodat hier zo spoedig mogelijk wél sprake van is?
Zoals hiervoor aangegeven heeft de offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM geleid tot vertragingen en werken het OM en partners in en rondom de strafrechtketen hard om deze in te lopen. Er is momenteel sprake van een verhoogde werkvoorraad, waardoor het uitsturen van het wensen- en het schadevergoedingsformulier aan slachtoffers langer op zich laat wachten. Er zijn op dit moment echter geen signalen bij het OM bekend dat de slachtofferrechten in het geding komen. Zo wel dan zal het OM hier voortvarend mee aan de slag gaan.
Ondervinden het OM-personeel of andere partners in de strafrechtketen op dit moment nog de gevolgen van de in de afgelopen zomer ontstane verstoring van het ICT-systeem van het OM? Zo ja, welke concrete gevolgen betreft dit?
Zie mijn antwoorden op de voorgaande vragen; er zijn door de ICT-inbreuk onder meer voorraden ontstaan die deels nog moeten worden weggewerkt.
Deelt u de mening dat de overgang en implementatie van het nieuwe wetboek van Strafvordering ook aanpassingen van de ICT systeem van het OM vergt? Acht u het OM in staat om tijdig voor een goed functionerende overgang en implementatie te zorgen? Zo ja, welke stappen zijn en worden daarvoor gezet en hoe is de voortgang daarvan? Zo nee, waarom niet en wat is er dan nog meer nodig?
Hoe gaat u de «vinger aan de pols» van het OM houden8 en wat gaat u doen op het moment dat u moet constateren dat de ICT-problemen nog altijd niet afdoende en tijdig worden opgelost?
Ik bespreek de ICT-problematiek zeer regelmatig met onder meer het College van procureurs-generaal en ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen. Ik laat mij niet uit over eventuele in de toekomst door mij te nemen maatregelen.
Bent u nog steeds van mening u geen rol zou hebben bij het oplossen van de problemen bij het OM?9 Zo ja, waarom en waaruit leidt u af dat dat de OM leiding nu wel zelf in staat zou zijn om de langdurige structurele ICT problemen op te lossen? Zo nee, welke rol gaat u dan wel spelen? En zo nee, bent u bereid daar desnoods uw algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens het OM voor te gebruiken?10
Het is in de eerste plaats aan het College van procureurs-generaal om de problemen met de ICT op te lossen. Uiteraard word ik van de voortgang op de hoogte gebracht en wordt er vanuit mijn departement meegedacht en ondersteuning geleverd. Ik acht het College voldoende in staat om de problemen op te lossen en laat mij niet uit over eventuele in de toekomst te nemen maatregelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Franse rechter van het Internationaal Strafhof, Nicolas Guillou, op de Amerikaanse sanctielijst staat |
|
Sarah Dobbe |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
Bent u bekend met het artikel «Nicolas Guillou, French ICC judge sanctioned by the US: «You are effectively blacklisted by much of the world’s banking system»»?1
Ja.
Was u al bekend dat, naast de hoofdaanklager, ook rechters van het internationaal strafhof op de Amerikaanse sanctielijst staan?
Ja. Als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Nederland heeft in die hoedanigheid ook alle rechters die in het afgelopen jaar zijn gesanctioneerd uitgenodigd voor een gesprek.
Bent u bekend met de totale schaal en aard van Amerikaanse sancties jegens het internationaal strafhof? Zo ja, wilt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds februari 2025 zijn er door de Verenigde Staten sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH. In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, acht rechters, een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het strafhof, een speciale verantwoordelijkheid heeft om de goede werking van het strafhof te garanderen? Zo ja, hoe draagt u hier momenteel aan bij? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven2, heeft Nederland als gastland van het ISH een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.3 Daarnaast is het Koninkrijk der Nederlanden één van de momenteel 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is het kabinet in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025 inzake de inzet tijdens de jaarlijkse Vergadering van verdragspartijen.4
Staat u nog steeds achter het antwoord dat Minister Brekelmans namens u gaf op mondelinge vragen op 20 mei 2025, namelijk: «Er wordt een beeld geschetst alsof het Strafhof volledig stil zou liggen en niet meer zou functioneren. Dat is niet het beeld dat wij krijgen in ons contact met het Strafhof. Er worden wel degelijk activiteiten voortgezet.»? Zo ja, welke activiteiten vinden nu nog volledig doorgang? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de sancties de gesanctioneerde ambtsdragers van het ISH in hun persoonlijke leven treffen, is het Hof vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is in maart jl. de voormalige Filipijnse president Duterte door het ISH in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.5 In juli jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen twee verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek afgerond.6 In september jl. heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony.7 In oktober jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen een verdachte uit Soedan afgerond.8 Begin december heeft het ISH de Libische verdachte El Hishri in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.9 Voor een meer volledig overzicht verwijst het kabinet graag naar het jaarverslag van het ISH en het jaarverslag van het Parket van de Aanklager.10
Bent u bereid slachtoffers van Amerikaanse sancties, werkzaam bij het Internationaal strafhof, die momenteel grote moeite hebben met financiële diensten, te ondersteunen om alternatieve financiële faciliteiten te vinden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties nauwlettend in de gaten. Met de doorlopende steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd. Zo staat Nederland bijvoorbeeld in contact met het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken.
Bent u bereid om het strafhof, door sancties gehinderd in haar ICT-mogelijkheden, alternatieve ICT-faciliteiten aan te bieden, eventueel binnen de systemen van de Nederlandse rijksoverheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, ligt er momenteel geen verzoek van het Hof aan Nederland om alternatieve ICT-diensten aan te bieden.11 Voor een nadere toelichting verwijst het kabinet graag naar deze Kamerbrief.
Welke diplomatieke contacten zijn er, Europees en bilateraal, met de Amerikanen geweest sinds de instelling van de sancties en wat hebben deze opgeleverd?
Sinds de instelling van de sancties hebben Nederland en andere verdragspartijen doorlopend contact gehad met de Verenigde Staten. Zo zijn de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij Amerikaanse gesprekspartners, waaronder de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Ook op hoogambtelijk niveau is Nederland terzake in gesprek met de Verenigde Staten en ook andere EU-lidstaten brengen het belang van het ISH op in de bilaterale contacten met de Verenigde Staten. Aangezien het van groot belang is dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren, verwelkomt het kabinet het feit dat de Vergadering van verdragspartijen begin december jl. alle verdragspartijen heeft aangemoedigd om de dialoog met de VS voort te zetten.
Zijn er op dit moment nog diplomatieke inspanningen om sanctieverlichting te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 8. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken kan het kabinet hier verder niet op ingaan.
Deelt u de mening dat de VS zich momenteel positioneert als vijand van de internationale rechtsorde? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het bondgenootschap met de VS? Zo nee, hoe duidt u dit dan?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen ambtsdragers van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed van grote internationale techbedrijven?1
Ja.
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde, de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke journalistiek?
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen, als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie (AI)?
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde, wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale «scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale «scraping».
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien van auteursrecht en AI?
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet, onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen. Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid – en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners. De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten. De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting op dit terrein te heroverwegen?
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur wel over uitgelaten.4
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving, zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie, voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven en de positie van mediabedrijven?
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse (vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na verwerking daarvan naar het parlement.
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten van AI op mediapluriformiteit?
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
Het artikel 'Een illegale fatbike blijkt 'verontrustend' makkelijk gekocht: politie baalt' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Hoe kan het dat mensen voor enkele honderden euro’s, binnen zes dagen geleverd aan huis, een illegale fatbike met gashendel inclusief illegale opvoerinstructie uit China kunnen kopen?1
De regering maakt zich vanuit verkeersveiligheidsoogpunt zorgen over de import van illegale fatbikes. Hoewel we met de Nederlandse e-commerce platforms (zoals Marktplaats en Bol) goede afspraken hebben kunnen maken, is dat moeilijker met e-commerce platforms buiten de Europese Unie (EU). Verschillende partijen houden vanuit hun eigen rol toezicht hierop:
De import van producten via e-commerce platforms buiten de Europese Unie (EU) die niet voldoen aan Europese regels voor productveiligheid zijn een groot probleem. In 2024 kwamen meer dan 1 miljard producten via Nederland de EU binnen. Hier zitten bijvoorbeeld producten tussen die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid, zoals slecht speelgoed. Ook zitten daar fatbikes tussen die niet voldoen aan de eisen van een elektrische fiets of van een bromfiets. Bovengenoemde autoriteiten kunnen niet al deze producten controleren aan de grens of bij verkoop. Dit vraagt om het maken van keuzes, bijvoorbeeld via steekproeven. Zie daarvoor het antwoord op vraag 2. Daarnaast zijn er meer zaken die markttoezicht bemoeilijken:
Welke acties heeft u ondernomen om deze praktijken te stoppen en welke acties gaat u nog ondernemen om te voorkomen dat mensen een illegale fiets in huis halen die niet toegestaan is op de weg?
Elektrische fietsen met trapondersteuning moeten bij binnenkomst in de EU aangegeven worden onder de goederencode voor dit product. Hierover moeten invoerrechten en (indien van toepassing) antidumpheffingen worden betaald. De elektrische fietsen moeten voldoen aan de Machinerichtlijn. De douane voert in het algemeen controles uit op douaneaangiften en de bijbehorende goederen, waarbij vooral wordt gekeken naar meldingen die op basis van actuele risico-informatie als risicovol worden aangemerkt. Daarnaast voert de douane willekeurige steekproefcontroles uit. Als producten zoals illegale fatbikes via andere lidstaten Nederland binnenkomen om in Nederland in het vrije verkeer te worden gebracht, kan de douane van deze producten informatie verstrekken aan markttoezichthouders; de «papertrail» van de verzending. Aan de hand van «backtracking» kunnen handhavende instanties optreden tegen illegale producten als deze bij verkoop niet voldoen aan de gestelde eisen voor een elektrische fiets of bomfiets.
Daarnaast wordt het aanbod op e-commerce websites aangepakt door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Aanbieders op e-commerce platforms die een product op de Europese markt willen verkopen, moeten kunnen aantonen dat het product effectief, veilig en duurzaam is en geen risico’s oplevert voor de gezondheid. Ook moet een vertegenwoordiger binnen Europa aanwezig zijn die aanspreekbaar is op het naleven van de Europese normen voor dat product. Sinds 17 februari 2024 vormt de Digital Services Act (DSA) het bindende juridisch kader voor het melden en verwijderen van illegale content, zoals illegale fatbikes op AliExpress. Platforms moeten een effectief «notice-and-action»-mechanisme bieden waarmee gebruikers illegale inhoud kunnen melden. Markttoezichthouders zoals de ILT en NVWA doen ook meldingen van illegaal aanbod als autoriteit aan een platform. Platforms zijn verplicht meldingen van autoriteiten tijdig, zorgvuldig en objectief te behandelen door de illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken. De doorloop van advertenties met kleine wijzigingen is echter hoog. Vaak staat er na een melding snel een nagenoeg identieke advertentie online. Voor zeer grote online platforms (VLOPS), zoals AliExpress, gelden wel strengere zorgvuldigheidsverplichtingen, waaronder jaarlijkse risicobeoordelingen gericht op het verminderen van illegale contentverspreiding.
De rijksoverheid en de Europese Commissie nemen verschillende aanvullende maatregelen om te voorkomen dat mensen een illegale elektrische fiets in huis halen die niet toegestaan is op de weg. Er loopt momenteel een onderzoek bij de Europese Commissie naar AliExpress naar onder andere haar risicobeoordeling en handhaving, en interne klachten- en meldsysteem. Deze moeten verbeterd worden. De Commissie heeft bindende toezeggingen van AliExpress geaccepteerd om deze tekortkomingen te verhelpen, inclusief betere detectie van illegale goederen zoals illegale fatbikes, transparantie over de handelaren en verbeterde contentmoderatie. Niet-naleving kan leiden tot boetes tot 6% van de wereldwijde omzet.
Daarnaast worden op initiatief van de ILT samenwerkingsafspraken gemaakt over de intensivering van handhaving en markttoezicht op gemotoriseerde tweewielers. Politie, NVWA, douane en ILT zijn ieder vanuit hun eigen bevoegdheid hierbij betrokken. Eind december zijn de samenwerkingsafspraken door de betrokken instanties bekrachtigd.2 Hiermee is ook invulling gegeven aan de toezegging van het Lid Pierik (BBB).3
Hoeveel fatbikes waarvan we weten dat het vermogen de norm uit de Nederlandse wetgeving overschrijdt en die op te voeren zijn, zijn het afgelopen jaar uit China (of andere landen) vanuit Nederland gekocht en hoeveel daarvan zijn er door de overheid onderschept?
Voor de douane is het lastig te zeggen hoeveel fatbikes er ingevoerd zijn. Fatbikes kunnen ingevoerd worden als elektrische fiets met trapondersteuning of als brommervariant. Zoals beantwoord bij vraag 1, indien een fatbike in dit stadium nog niet volledig aan alle geldige regelgeving voor de openbare weg voldoet hoeft dit geen belemmering te zijn voor de invoer.
Op dit moment ziet de douane toe op invoereisen, de markttoezichthouders op markttoelatingseisen. Hiertussen bevindt zich een fase waarin wijzigingen kunnen worden aangebracht aan het product. Hierdoor kan het zijn dat een product bij invoer nog niet aan de regels voor weggebruik voldoet. Zolang er voldaan wordt aan de invoereisen is er voor de douane geen reden om de invoer niet toe te staan. De ILT en NVWA richten zich op de voorkant van het proces zodat fabrikanten en verkopers de fietsen volgens de regels aanbieden.
Voor zover bekend zijn er het afgelopen jaar geen fatbikes onderschept (tegen gehouden) die direct vanuit het buitenland (zoals uit China) naar een consument in Nederland zijn geleverd.
Zijn er ook Nederlandse bedrijven die dit soort fietsen (fatbikes met een gashendel en/of opvoerinstructie) verkopen? Zo ja, wat heeft u gedaan om dit te stoppen?
De ILT en NVWA kunnen nooit volledig garanderen dat er geen illegale fatbikes worden aangeboden door Nederlandse bedrijven. (Online) platforms zijn dynamisch: nieuwe aanbieders verschijnen en accounts kunnen snel worden aangemaakt of verplaatst. Markttoezichthouders kunnen wel risico’s verkleinen. Het aantal aangeboden fatbikes als illegale bromfiets via grote Nederlandse websites zoals Marktplaats en Bol, is door inzet van de ILT sterk verminderd. Met Nederlandse marktpartijen zoals Marktplaats en Bol wordt structureel gesproken. In die gesprekken kunnen zij vragen stellen, bijvoorbeeld over de vereisten waaraan producten moeten voldoen. Zo kunnen Marktplaats en Bol het aanbod op hun websites beter controleren en zijn op basis daarvan veel advertenties verwijderd.
Tegelijkertijd is er een verschuiving van het aanbod geweest naar platforms als Snapchat en TikTok. Het is onbekend hoe groot deze markt is en het invullen van het toezicht op dit soort platforms is lastig. Wel heeft de ILT gezorgd voor een groeiende bewustwording bij de branche, toezichthouders én bij consumenten. Het is namelijk een gedeelde verantwoordelijkheid. Allereerst ligt deze verantwoordelijkheid bij fabrikanten, importeurs en distributeurs. Maar óók bij kopers en gebruikers. Vervolgens is het aan toezichthouders om te controleren of de markt zich aan de regels houdt. Hierbij kan ook gebruik gemaakt worden van de meldmogelijkheid conform de DSA zoals beschreven in de beantwoording van vraag 2.
Kunt u een lijst doen toekomen over alle keren dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) (succesvol) heeft ingegrepen, wanneer de ILT een illegale advertentie heeft gespot, en hoeveel illegale fatbikes hiermee van de markt zijn gehaald? Zo nee, waarom niet?
Door ILT toezicht heeft Marktplaats in het eerste kwartaal van 2025 1150 advertenties offline gehaald waarin fatbikes werden aangeboden die niet voldeden aan de regels. Voor overige handelsplatforms zijn er geen cijfers.
De ILT haalt zelf geen advertenties offline, dat doen de platformen. Hoeveel advertenties er verwijderd worden, wordt door de platformen niet standaard doorgegeven aan toezichthouders. De toezichthouder kijkt wél of dergelijke advertenties niet meer voorkomen. Het is onbekend hoeveel fatbikes er hierdoor niet op de markt gekomen zijn, het betreft namelijk een onvervuld potentieel aan verkoop.
Deelt u de mening dat een algehele helmplicht voor jongeren op e-bikes eigenlijk impliceert dat de overheid heeft gefaald in het adequaat handhaven van de problematiek rondom fatbikes? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening wordt niet gedeeld. Het Ministerie van IenW zet in op een helmplicht voor gebruikers van elektrische fietsen en andere lichte elektrische voertuigen tot 18 jaar door de grote stijging (verzesvoudiging) van het aantal ongevallen met hersenletsel op de elektrische fiets in de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar tussen 2020 en 2024. De stijging in het aantal ongevallen met hersenletsel is voor jongeren van 12 tot 18 jaar die elektrisch fietsen maar
ten dele te verklaren door het feit dat zij meer kilometers elektrisch gereden
hebben.
Op welke wijze gaat u zorgdragen dat ouders van kinderen met opgevoerde, fatbikes op de hoogte zijn van de gevolgen van de overlast met fatbikes, maar ook van het risico dat men niet verzekerd is bij een ongeval?
In september 2024 heeft het Ministerie van IenW de campagne «»t kan hard gaan» gelanceerd en deze is afgelopen zomer herhaald. Met de campagne worden jongeren en hun ouders/verzorgers gewezen op de regels en risico’s van het gebruiken van opgevoerde fietsen op de openbare weg. Aansprakelijkheid en onverzekerd zijn is één van de uitgelichte risico’s in de campagne. Hier wordt uitgelegd dat wanneer je met een opgevoerde fiets op de openbare weg rijdt en je krijgt een ongeluk, dat de gebruikelijke bescherming voor fietsers niet geldt. Als bestuurder kun je opdraaien voor bijvoorbeeld letselschade (zoals medische kosten en gemiste inkomsten) en voertuigschade, van jezelf en van de ander.
Naast de campagne voert TeamAlert projecten uit op middelbare scholen, gericht op de risico’s in het verkeer voor elektrische fietsen, waarbij de fatbike ook specifiek wordt meegenomen. Daarnaast is het ministerie momenteel aan het onderzoeken hoe de gedragsaanpak kan worden uitgebreid. Samen met stakeholders uit het veiligheidsdomein en de jongerendoelgroep wordt gezocht naar de gedragsbepalers van het ongewenste gedrag dat leidt tot de overlast, die wordt ervaren veroorzaakt door gebruikers van lichte gemotoriseerd voertuigen, zoals fatbikes. Vervolgens is het doel om samen met stakeholders in het voorjaar van 2026 toe te werken naar mogelijke aanscherping van de huidige gedragsmaatregelen of een aanvulling hierop.
Bent u bereid om géén helmplicht voor álle e-bikes in te voeren, maar alleen voor de fatbike? En als dat niet lukt, bent u dan bereid om alleen in te zetten op forse handhaving op de aankoop, onderschepping en gebruik van opgevoerde fatbikes en/of fatbikes met een gashendel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Drie onafhankelijke onderzoeken hebben aangetoond dat aparte regels voor fatbikes niet uitvoerbaar zijn. Het is een «heilloze weg» om onderscheid te maken tussen fatbikes en elektrische fietsen, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 28 augustus 2025.4
De huidige aanpak tegen het opvoeren van elektrische fietsen bestaat in de kern uit handhaving, marktoezicht en gedrag. Zie voor verdere toelichting op de aanpak de Verzamelbrief verkeersveiligheid van 4 december 2025 en Kamerbrief verkeersveiligheid elektrische fietsen en lichte elektrische voertuigen van 9 december 2025.5
Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf- en rekenvaardigheid zitten?1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze trend?
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van deze groep is en blijft een prioriteit.
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid, blijven dalen?
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel en kennisrijk curriculum.
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van 24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals, en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat 2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten. Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt. De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021 is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden, maar we zijn er nog niet.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse trend te keren?
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld, om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden. In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben opgeleverd?
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties: de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re) brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject «Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.» Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere leerlingen.
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden – zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende trend in schrijfvaardigheid?
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals, experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is voor het algemene taal- en rekenniveau?
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde taal- en rekenniveau halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start is aangehaald.11
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-, schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
Het uitblijven van een verbod op stroomstootapparatuur in de veehouderij |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom u tegen de wens van de Kamer in gaat door niet het verbod op de toegezegde datum naar de Kamer te sturen?1
Begin dit jaar is het ontwerpbesluit voor een verbod op het gebruik elektrische veedrijfmiddelen bij dieren in de veehouderij ter notificatie aan de Europese Commissie voorgelegd. Gedurende de stand-still van 3 maanden heb ik geen opmerkingen van de Europese Commissie ontvangen, daarmee is de standstill-periode geëindigd.
Ik heb daarna advies bij de Afdeling advisering van Raad van State aangevraagd. De streefdatum van inwerkingtreding op 1 juli 2025 is helaas niet gehaald, omdat ik nog het advies van de Afdeling advisering van Raad van State afwachtte. Op 28 juli 205 is het advies van de Afdeling advisering openbaar gemaakt2.
Naar aanleiding van het ontvangen advies van de Raad van State heb ik vervolgens nog wijzigingen verwerkt in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting. Dit proces heeft enige tijd in beslag genomen.
Omdat het kabinet demissionair is, is het standaard gebruik dat het nader rapport en het ontwerpbesluit aan de ministerraad voor akkoord worden voorgelegd waarna deze zullen worden aangeboden aan het Kabinet van de Koning. Binnen het kabinetsbeleid over de vaste verandermomenten zie ik ruimte om gebruik te maken van een uitzonderingsgrond op de vaste invoeringstermijn van twee maanden, waardoor inwerkingtreding op 1 januari 2026 een mogelijkheid blijft.
Kunt u toelichten waarom er nog steeds geen wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd, ondanks de lang verstreken termijn van 1 juli 2025?
Er is geen wetsvoorstel dat naar de Kamer zal worden verstuurd. Het verbod wordt door middel van een algemene maatregel van bestuur vormgegeven. Het ontwerp van die AMvB is in het kader van de voorhang aan de Kamers voorgelegd. Voor de stappen die daarna hebben plaatsgevonden verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 1.
Zijn er op dit moment juridische bezwaren of beperkingen, bijvoorbeeld door de Europese Commissie of andere instanties die de publicatie vertragen? Zo ja, welke? Zo nee, kunt u toelichten op welke manier het verbod technisch of financieel niet uitvoerbaar is, gezien er verder geen reden is om de wens van de Kamer niet te honoreren?
Er zijn op dit moment geen juridische bezwaren of beperkingen die in de weg staan aan de bekendmaking van het verbod.
Kunt u de Kamer volledig informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verbod?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Welke rol zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben bij toezicht op de naleving van het verbod zodra het van kracht is?
De NVWA is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op het gebruik van elektrische veedrijfmiddelen.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving in de eerste plaats bij de bedrijven zelf. Voor het welzijn van de dieren is het cruciaal dat medewerkers die met dieren omgaan goed opgeleid zijn en zich bewust zijn van hoe menselijk handelen het dierenwelzijn kan beïnvloeden. Ik verwacht van de sectorpartijen dat zij in deze voorwaarden voorzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat overtredingen effectief kunnen worden bestraft en dat herhaling wordt voorkomen?
Omdat overtredingen op dit verbod fysiek en op heterdaad vastgesteld moeten worden, heeft de NVWA in haar handhaafbaarheid-, uitvoerbaarheid- en fraudebestendigheidstoets aangegeven dat dit verbod slechts beperkt handhaafbaar is. Daarbij komt dat bij het laden en lossen van dieren bij nationale transporten (waar deze wetswijziging betrekking op heeft), geen toezichthouder van de NVWA aanwezig is, omdat bedrijven niet verplicht zijn deze transporten aan de NVWA te melden. De NVWA heeft daardoor geen zicht op wanneer deze transporten plaatsvinden.
Welke alternatieven voor het gebruik voor stroomstoten, zoals diervriendelijke methoden, ondersteunt uw ministerie en hoe stimuleert u de sector om die alternatieven te implementeren?
Alternatieven voor het voortdrijven van dieren zijn onder meer opdrijframmelaars, drijfschotten, plastic zakken, vlaggen en stokken met plastic linten. Onderzoek van de Amerikaanse professor Temple Grandin heeft aangetoond dat ongewenst stilvallen van dieren zoveel mogelijk kan worden voorkomen, door logische looplijnen en het creëren van een rustige omgeving tijdens het laden. Dit omvat bijvoorbeeld ook het vermijden van afleidingen zoals reflecties, en het voorkomen van geluidsoverlast. Deze hulpmiddelen worden in de praktijk al gebruikt, naast het gangbare elektrische veedrijfmiddel en zijn binnen de sector reeds bekend.
Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met transporteurs, veehouders en andere betrokkenen over de overgang naar alternatieven vóór de inwerkingtreding van het verbod?
Sinds 2021 hebben gesprekken met de sector plaatsgevonden over alternatieven voor het elektrisch veedrijfmiddel. Deze gesprekken hebben niet kunnen voorkomen dat nieuwe incidenten met onjuist gebruik van de elektrische veedrijfmiddel geconstateerd werden, die ook het nieuws haalden. Om die reden heeft mijn voorganger het verbod aangekondigd3. De totstandkoming van dit verbod, en het feit dat hieraan gewerkt werd, is al geruime tijd bekend binnen de sector en dit is ook meermaals in gesprekken met de sector langsgekomen. Van de sector verwacht ik dat zij zich actief zullen blijft inzetten om het gebruik van de eerder beschreven alternatieven te stimuleren.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken het wetsvoorstel naar de Kamer sturen voor behandeling?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uiterlijk binnen drie weken deze vragen beantwoorden?
Ja.