Het overtreden van het verbod op het doden van aal met een zoutbad. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van 7 januari 2025 van het televisieprogramma «Urk!», waarin te zien is hoe levende palingen zonder bedwelming worden blootgesteld aan een zoutbad om te worden ontslijmd en gedood?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de Kamer al in 2011 een motie heeft aangenomen waarmee de regering wordt verzocht om met een verbod op het doden van paling middels een zoutbad te komen (Kamerstuk 32 658, nr. 14)?
Ja.
Bent u bekend met de regeling die naar aanleiding van deze motie is opgesteld en ingevoerd waardoor het verplicht is om aal voorafgaand aan het doden te bedwelmen?2
Ja.
Erkent u dat het zoutbad resulteert «in een langdurige doodsstrijd voor de aal, die het dier veel pijn en stress oplevert», zoals is vastgesteld in de regeling? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik verwijs u naar bladzijde 16 van de nota van toelichting bij het besluit van 6 april 2018, houdende wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn (Stb. 2018, 146).
Kunt u bevestigen dat de praktijk, zoals te zien is op de videobeelden, in overtreding is met de wet die voorschrijft dat palingen verplicht moeten worden bedwelmd voor de slacht?
Laat ik voorop stellen dat ik vind dat iedereen dieren met respect moet behandelen ongeacht de setting waarin dit plaatsvindt.
Het klopt dat alle palingen die in een bedrijfsmatige setting worden gedood bedwelmd moeten worden voor de slacht (artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit houders van dieren), volgens een daartoe voorgeschreven methode (artikelen 5.10 en 5.11 van de Regeling houders van dieren). Om hieraan te kunnen voldoen moeten deze bedrijven beschikken over een specifiek bedwelmingsapparaat.
Deze verplichting is niet van toepassing wanneer het doden plaatsvindt door de eigenaar voor particulier huishoudelijk gebruik (artikel 5.10 van het Besluit houders van dieren). In de aangehaalde videobeelden is hiervan sprake. Er is dus geen sprake van een overtreding van artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Dat neemt niet weg dat het blootstellen van palingen aan een zoutbad onmiskenbaar veel pijn en stress oplevert bij deze dieren. Dit kan gezien worden als dierenmishandeling en is daarmee in overtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet Dieren.
Heeft u gezien dat in de uitzending wordt gesteld dat deze vorm van doding wekelijks plaatsvindt in Urk?
Ja.
Hoe verklaart u dat deze illegale praktijken nog steeds wekelijks voorkomen?
Of dit wekelijks plaatsvindt kan ik niet zeggen. Maar klaarblijkelijk gebeurt dit helaas wel. Mogelijk gaat men ervan uit dat voor particulier huishoudelijk gebruik veel geoorloofd is, omdat in dat geval bedwelmen voor doden niet verplicht is. Dat is ten onrechte, omdat dierenmishandeling verboden is. In het geval dierenmishandeling wordt geconstateerd door de NVWA zal er worden opgetreden.
Kunt u duidelijk maken dat deze wetsovertreding, met ernstig dierenleed als gevolg, niet wordt gedoogd en dat er zal worden opgetreden als mensen dit verbod overtreden?
Indien, in bedrijfsmatig verband, paling zonder te bedwelmen geslacht wordt is dit een overtreding van artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. Hier wordt nadrukkelijk op gehandhaafd. De NVWA voert hiervoor inspecties uit op het bedwelmen van de paling voorafgaand aan de slacht met het oog op productie. Indien paling voor eigen consumptie wordt gedood dan is de toepassing van een bedwelmingsapparaat niet verplicht. Wel geldt dan nog altijd het verbod op dierenmishandeling. In het geval dierenmishandeling wordt geconstateerd door de NVWA zal er worden opgetreden. Dit betekent dat er een proces verbaal wordt opgemaakt. Uiteindelijk oordeelt een rechter of het om dierenmishandeling gaat.
Bent u voornemens om de regels te handhaven en een einde te maken aan het gebruik van de zoutbadmethode bij palingen zonder bedwelming in Urk (en daarbuiten)? Zo ja, wanneer en op welke wijze zal er worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 8.
Wat is uw reactie op de brief van dierenbeschermingsorganisaties Compassion in World Farming Nederland, Dierenbescherming, Wakker Dier, Dierencoalitie en Vissenbescherming met het verzoek om per direct een einde te maken aan dit palingleed in Urk?3
Ik heb de brief van deze dierenbeschermingsorganisaties ontvangen. De brief zal ik na beantwoording van deze Kamervragen en in lijn hiermee beantwoorden.
Kunt u bevestigen dat de controles op bedwelming bij bedrijven waar palingen worden geslacht na een onderbreking van drie jaar in 2024 weer zijn opgepakt?
Dat kan ik bevestigen. In 2024 heeft de NVWA 13 bedrijven gecontroleerd op het verbod op onbedwelmd slachten van paling. In één geval heeft dit geleid tot het opmaken van een proces verbaal voor een overtreding van de Regeling houders van dieren t.a.v. het verbod op onbedwelmd slachten van paling. Ook in 2025 en daarna zullen inspecties door de NVWA plaatsvinden.
Kunt u aangeven hoeveel bedrijven er sinds die onderbreking zijn gecontroleerd, hoeveel bedrijven daarvan effectief bedwelmden en hoeveel bedrijven niet bedwelmden?
Zie vraag 11.
Hoeveel bedrijven zullen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of andere handhavende instanties in 2025 worden gecontroleerd op effectieve bedwelming van palingen voor de slacht?
De controles uit 2024 worden binnenkort door de NVWA geëvalueerd. Op basis van de evaluatie worden de controles voor 2025 ingepland. Het hiervoor beschikbare budget is daarbij ongewijzigd ten opzichte van 2024.
Welke sancties staan op het overtreden van het verbod van het niet of niet effectief bedwelmen van aal voorafgaand aan de slacht?
Op dit moment is overtreding strafrechtelijk handhaafbaar en wordt bij een geconstateerde overtreding een officiële waarschuwing of een proces verbaal opgemaakt. Daarnaast kan er een bestuurlijke maatregel, zoals een last onder dwangsom, worden opgelegd.
Herkent u de signalen dat het Nederlandse verbod door enkele palingkwekers wordt omzeild door de dieren niet in Nederland te slachten, maar naar andere landen zoals België te transporteren, waar ze vervolgens onverdoofd worden geslacht? Hoeveel levende palingen worden per jaar naar het buitenland getransporteerd? Hoeveel naar België?
Paling die naar een erkend levensmiddelenbedrijf wordt getransporteerd voor de productie van levensmiddelen in een andere lidstaat hoeft niet gemeld te worden in het volgsysteem TRACES. Het is dus niet bekend hoeveel paling naar het buitenland wordt getransporteerd voor de slacht.
Paling die naar een aquacultuur bedrijf gaat, of wordt vrijgelaten, in een andere lidstaat moet wel worden gemeld in TRACES. Sinds augustus 2021 heeft de NVWA in totaal 206 TRACES meldingen verwerkt voor zendingen die naar Frankrijk, Spanje, Polen en Duitsland zijn gegaan. Er zijn geen meldingen voor transport naar België in TRACES geregistreerd.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Vanwege de benodigde afstemming heeft de beantwoording van de vragen meer tijd nodig gehad dan de gestelde termijn. Daarvan heb ik u al op de hoogte gesteld.
De onrust na het dodelijke steekincident in Den Dolder |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Anne Faber opnieuw een vrouw slachtoffer van een psychiatrisch patiënt: Den Dolder is «er klaar mee»»?1
Ja, daar zijn wij mee bekend.
Bent u bekend met de toezegging die de Minister voor Rechtsbescherming in 2017 in een openbare bijeenkomst met meer dan 200 Den Doldenaren heeft gedaan dat de kliniek Fivoor voor 2025 zal vertrekken vanaf de huidige locatie?
We kunnen ons de zorgen van de Den Doldenaren goed voorstellen en begrijpen dat zij uitzien naar een spoedige verhuizing van de klinieken van Fivoor. Daarom hechten we waarde aan heldere communicatie over onze mogelijkheden en bevoegdheden in deze kwestie. Naar aanleiding van de toen verschenen rapporten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en van de Inspectie voor Justitie en Veiligheid over Michael P. is de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming op 18 april 2019 op bezoek geweest in Den Dolder om te spreken met de inwoners. In tegenstelling tot wat in de vraag beschreven staat is er door de Minister voor Rechtsbescherming geen formele toezegging gedaan over een vertrekdatum voor de klinieken van Fivoor uit Den Dolder. Wel is door Altrecht, de eigenaar van het terrein, de intentie uitgesproken dat Fivoor in 2025 van het terrein vertrekt mits aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Deze datum is daarop tijdens de bijeenkomst als uitgangspunt gehanteerd en herhaald door de Minister. Wij, als Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, en ook de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming, hebben geen verantwoordelijkheid of bevoegdheid om een dergelijke toezegging te doen. Zo schreef de Minister voor Rechtsbescherming op 29 mei 2019 in een brief richting de Belangenvereniging Den Dolder het volgende:
Aanvullend willen wij erop wijzen dat Fivoor een particuliere zorgaanbieder is die zorg biedt aan forensische én reguliere cliënten. Waar het reguliere zorg betreft, kopen de zorgkantoren de zorg in. Vanuit onze positie en bevoegdheden hebben wij beiden geen zeggenschap over de verhuizing van Fivoor. Dit neemt niet weg dat we de zorgen van de inwoners van Den Dolder begrijpen en willen verkennen wat wij wél kunnen betekenen. Hierover zijn wij op 6 maart met hen in gesprek gegaan.
Waarom is deze belofte niet ingelost en eenzijdig verschoven naar 2027?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u eerdere uitspraken van Fivoor-bestuurder Erik Masthoff dat ook januari 2027 onhaalbaar is en dat de instelling zeker vijf jaar nodig heeft voor een verhuizing naar een nieuwe vestiging?2 Kunt u beloven dat de eenzijdige toezegging tot het vertrek van de inrichting uit Den Dolder voor 1 januari 2027 wel nagekomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat kunnen wij niet beloven. In de situatie rondom de verhuizing, is het niet aan de bewindspersonen van de Ministeries van Justitie en Veiligheid dan wel Volksgezondheid, Welzijn en Sport om zorgaanbieders te dwingen om locaties of klinieken te sluiten. Deze bevoegdheid heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport enkel in zeer uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Op basis van de huidige informatie is hier geen sprake van. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid kan volgens de wet alleen met betrekking tot bepaalde verpleegden (tbs-dwang) aan het hoofd van de instelling bijzondere aanwijzingen geven in het belang van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen of het belang van de slachtoffers. Het is dus ook niet aan ons om een oordeel aan te meten over de haalbaarheid of onhaalbaarheid van plannen die zien op de aanpassing of verhuizing van zorglocaties.
Bent u op de hoogte van de angst en onrust bij de inwoners van Den Dolder nu voor de tweede keer iemand om het leven is gebracht door toedoen van een cliënt van Fivoor?
Ja, daarvan zijn wij op de hoogte. Hierover heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gesproken met de burgemeester van Zeist, de gemeente waaronder Den Dolder valt, en de betrokken wethouder en commissaris van de Koning. Wij kunnen ons alleen maar voorstellen hoe groot de impact moet zijn voor nabestaanden en naasten, de bewoners van Den Dolder, de werknemers van de kliniek en andere betrokkenen. Met name gezien de geschiedenis in Den Dolder realiseren wij ons dat dit voor veel onrust bij inwoners zorgt. Om te kijken wat wij kunnen betekenen rondom deze onveiligheidsgevoelens, zijn wij op 6 maart 2025 op uitnodiging van de burgemeester van Zeist in gesprek gegaan met bewoners.
Hoe weegt u het spanningsveld tussen de angst van bewoners voor incidenten enerzijds en de voordelen van behandeling in forensische klinieken zoals die in Den Dolder anderzijds, aangezien onderzoek uitwijst dat veroordeelden met een psychiatrische stoornis minder vaak een nieuw ernstig delict plegen als ze op dergelijke locaties worden voorbereid op terugkeer in de samenleving en deze terugkeer in veruit de meeste gevallen zonder grote problemen verloopt? Hoe zorgt u ervoor dat er voldoende draagvlak blijft voor forensisch psychiatrische klinieken? Deelt u de zorgen van uw voorganger Weerwind over «toenemende not-in-my-backyard-gevoelens die de forensische zorg in de weg zitten»?
Het hebben van een forensisch zorgsysteem waarin cliënten worden voorbereid op terugkeer in de samenleving is van groot belang voor zowel cliënt als samenleving. Zoals u aangeeft blijkt uit onderzoek dat terugkeer in de samenleving in verreweg de meeste gevallen succesvol is. Daarbij kunnen incidenten helaas nooit volledig worden voorkomen. We proberen met elkaar te leren van deze incidenten en op basis daarvan behandeling te verbeteren en veiligheid van samenleving te bevorderen. Het is daarom goed dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd onderzoekt doet, zodat we ook hier lessen kunnen trekken die ten goede komen aan de veiligheid van ons land en behandeling van cliënten.
Zoals aangegeven kunnen we ons de onrust onder inwoners goed voorstellen. Tegelijkertijd hebben het Rijk, de gemeenten en zorgaanbieders een gedeeld belang bij de beschikbaarheid van voldoende behandelaanbod. Zowel vanuit het oogpunt van behandeling van patiënten als vanuit het oogpunt van de veiligheid van de samenleving, zijn forensische klinieken bewezen erg effectief. Draagvlak voor deze zorgvorm is voor ons dus evident. Daarom zijn we van mening dat er nu en in de toekomst voldoende behandelaanbod moet zijn voor mensen die behoefte hebben aan (forensische) zorg.
Wij delen de zorgen over toenemende «not-in-my-backyard-gevoelens» in de huidige samenleving. De toename hiervan treft niet alleen de forensische zorg, maar speelt een rol in allerlei andere maatschappelijke opgaven. Voor de forensische en verplichte zorg betekent de toename van deze gevoelens dat het steeds moeilijker wordt om oplossingen te vinden voor onze capaciteitsvraagstukken. Daarom hechten we er belang aan dat de hierin betrokken partijen, lokaal, regionaal en landelijk, met elkaar in gesprek blijven en te leren van de manier waarop met dit fenomeen in vergelijkbare situaties wordt omgegaan.
Deelt u de mening dat mogelijke opheffing van de kliniek zeer nadelige gevolgen heeft omdat in Den Dolder patiënten worden ondergebracht die in reguliere GGZ-klinieken vanwege hun complexe problematiek niet terecht kunnen? Kunt u garanderen dat de instelling niet wordt opgeheven? Zo nee, waarom niet?
Ja, uw mening delen wij. Als de betreffende klinieken zouden sluiten heeft dat inderdaad zeer nadelige gevolgen voor de beschikbaarheid van het (forensisch en regulier) behandelaanbod. Het gaat in dit geval echter om een verhuizing en er is op dit moment geen sprake van mogelijke opheffing of sluiting.
Bent u op zeer korte termijn bereid om met de burgemeester van Zeist in gesprek te gaan en te komen tot een uiterste inspanning voor verplaatsing of sluiting van de kliniek met inachtneming van het belang van de cliënten, zodat deze kunnen worden overgeplaatst naar andere klinieken?
Ja, dat zijn wij. Op 5 februari jl. heeft er een overleg plaatsgevonden met zowel de burgemeester en de betrokken wethouder van de gemeente Zeist als de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hierbij is onder meer besproken of en hoe Rijksvastgoed kan worden ingezet voor de verhuizing van Fivoor. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft toegezegd deze mogelijkheid te verkennen. Een verhuizing is niet vandaag of morgen geregeld. Ook het vinden van een geschikte locatie niet. Daarom kijken we ook naar wat er nu kan als het gaat om de veiligheid en leefbaarheid in het dorp. Er is niet expliciet gesproken over sluiting van de klinieken, waar wij zoals eerder genoemd geen bevoegdheid tot hebben in dit geval. Ons gesprek is tijdens het werkbezoek van 6 maart jl. voort gezet. Uiteraard zullen wij de Kamer informeren indien er specifieke actiepunten hieruit voortvloeien.
De situatie in de gemeente Zeist ten aanzien van Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «burgemeester Zeist voert druk op Staatssecretaris op over vertrek Fivoor: «Geen vrijblijvende toezegging»»?1
Ja, we zijn bekend met het genoemde bericht. We kunnen ons de zorgen van de Den Doldenaren goed voorstellen en begrijpen dat zij uitzien naar een spoedige verhuizing van de klinieken van Fivoor. Daarom hechten we waarde aan heldere communicatie over onze mogelijkheden en bevoegdheden in deze kwestie. Naar aanleiding van de toen verschenen rapporten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en van de Inspectie voor Justitie en Veiligheid over Michael P. is de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming op 18 april 2019 op bezoek geweest in Den Dolder om te spreken met de inwoners. In tegenstelling tot wat in het bericht beschreven staat is er door de Minister voor Rechtsbescherming geen formele toezegging gedaan over een vertrekdatum voor de klinieken van Fivoor uit Den Dolder. Wel is door Altrecht, de eigenaar van het terrein, de intentie uitgesproken dat Fivoor in 2025 van het terrein vertrekt mits aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Deze datum is daarop tijdens de bijeenkomst als uitgangspunt gehanteerd en herhaald door de Minister. Wij, als Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, en ook de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming, hebben geen verantwoordelijkheid of bevoegdheid om een dergelijke toezegging te doen. Zo schreef de Minister voor Rechtsbescherming op 29 mei 2019 in een brief richting de Belangenvereniging Den Dolder het volgende:
Aanvullend willen wij erop wijzen dat Fivoor een particuliere zorgaanbieder is die zorg biedt aan forensische én reguliere cliënten. Waar het reguliere zorg betreft, kopen de zorgkantoren de zorg in. Vanuit onze positie en bevoegdheden, hebben wij beiden geen zeggenschap over de verhuizing van Fivoor. Dit neemt niet weg dat we de zorgen van de inwoners van Den Dolder snappen en willen verkennen wat wij wél kunnen betekenen. Onze inzet lichten wij toe in onze beantwoording op vraag 4, 5, 6 en 9.
Klopt het dat de oorspronkelijke afspraak met Altrecht en Fivoor was om uiterlijk 1 januari 2025 te vertrekken uit Den Dolder? Zo ja/nee, waarom?
Zoals wij in de beantwoording van vraag 1 aangeven, hebben wij geen bevoegdheden in de verhuizing van Fivoor. Dit is een verantwoordelijkheid van Fivoor en Altrecht. Op verzoek van gemeente Zeist is een reconstructie gemaakt van de inspanningen die zijn verricht door Fivoor en Altrecht om een nieuwe locatie te vinden en te inventariseren of er potentiële vestigingslocaties zijn waar Fivoor naar toe zou kunnen verhuizen. Een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek is op 5 maart jl. door de gemeente bekend gemaakt. Hieruit is gebleken dat Fivoor en Altrecht serieuze tijd en moeite hebben geïnvesteerd in het zoeken naar een geschikte nieuwe locatie, waarbij zij 35 opties hebben onderzocht. Het rapport geeft aan dat de dominante reden waarom locaties afvallen is dat gemeenten niet meewerken aan het vestigen van Fivoor. We vinden het belangrijk voor Den Dolder, Altrecht en Fivoor dat er gezamenlijk een passende oplossing wordt gevonden. Dit vergt samenwerking tussen alle partijen. Onze inzet lichten we onderstaand toe.
Waarom is ondanks een duidelijke afspraak over vertrek uiterlijk per 1 januari 2027 van Altrecht en Fivoor, het nog niet gelukt om tot concrete vertrekplannen te komen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen gerealiseerd worden en de beschikbare capaciteit op een andere locatie gerealiseerd wordt?
Hoewel wij niet verantwoordelijk zijn voor de bedrijfsvoering of voor de relocatie van Fivoor, vinden wij het belangrijk dat kwalitatief hoogwaardige zorg in een veilige omgeving voor iedereen beschikbaar blijft. Zeker in het licht van de huidige capaciteitsdruk. Zodoende vinden wij het belangrijk dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek blijven om tot een duurzame oplossing te komen.
In dit verband heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 5 februari jl. overleg gehad met zowel de burgemeester en de betrokken wethouder van de gemeente Zeist als de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hierbij is onder meer besproken of en hoe Rijksvastgoed kan worden ingezet voor de verhuizing van Fivoor. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft toegezegd deze mogelijkheid te verkennen.
Ook is gesproken over de veiligheid in Den Dolder. De zorgen en gevoelens van onveiligheid van de omwonenden zijn begrijpelijk en nemen wij serieus. Daarom wordt bekeken wat, naast de maatregelen die Fivoor heeft ingezet zoals extra buurtcoaches en het tijdelijk stopzetten van de verlofbewegingen, verder nodig is om de veiligheid en leefbaarheid in Den Dolder te verbeteren en wat het Rijk hierin kan betekenen om Fivoor en de gemeente te ondersteunen. Op uitnodiging van de burgemeester zijn we op 6 maart jl. op werkbezoek naar Den Dolder geweest om hierover verder te praten met omwonenden.
Welke maatregelen gaat u in de tussentijd nemen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen maar ook om tegemoet te komen aan het veiligheidsgevoel van de bewoners?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat de gemeente Zeist en Altrecht en Fivoor doorlopend in overleg blijven over de ontstane situatie en het vertrek?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met de antwoorden op Kamervragen over het bericht «behandeldirecteur van de PI Vught die zwaar blunderde bij de overplaatsing van Michael P. is nu bestuurder van Fivoor»?2
Ja, wij zijn bekend met de antwoorden op de Kamervragen over genoemd bericht. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft samen met de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (hierna: de inspecties) het detentieverloop van Michael P. onderzocht. Dit rapport is in maart 2019 gepubliceerd. Daarnaast hebben de inspecties een intensief toezicht traject bij Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) Utrecht opgestart. De inspecties hebben onder andere FPA Utrecht een verbeterplan laten opstellen en de voortgang hiervan zowel op schrift als met bezoeken gevolgd en getoetst. Gelet op de behaalde resultaten hebben de inspecties in december 2019 het intensief toezicht beëindigd. Na beëindiging van het intensieve toezicht hebben de (afzonderlijke) inspecties Fivoor gevolgd binnen hun doorlopend toezicht. Dit doen zij door signalen zoals incidentmeldingen te monitoren/onderzoeken en (locatie)bezoeken af te leggen.3
Binnen dit doorlopend toezicht is door beide inspecties geen aanleiding gezien om het toezicht te intensiveren. Meldingen van Fivoor zijn afgehandeld en waar nodig opgevolgd. Publicaties over het toezicht van de IGJ hebben plaatsgevonden in 2021, 2022 en 2024. Deze publicaties betroffen de zorgverlening in de coronaperiode, thematische toetsing op de kwaliteit van de Forensische Zorg, meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en thematische toetsing op de uitvoering van de Wet verplichte ggz. Uitkomsten van toezicht op basis van meldingen worden door de IGJ niet gepubliceerd.
Er is tussen beide inspecties en Fivoor een laagdrempelig en open contact. De inspecties worden vroegtijdig geïnformeerd over kwesties die het toezicht aangaan. Het incidententoezicht en het risicotoezicht hebben tot op heden geen aanleiding gegeven om maatregelen te treffen. Desalniettemin is Fivoor een zorgaanbieder met cliënten met een hoog risicoprofiel. Incidenten zijn niet altijd te voorkomen.
Het onderzoek van de IGJ naar de zorgverlening voorafgaand aan het steekincident in Den Dolder loopt, maar is nog niet zo ver dat reeds conclusies te trekken zijn.
Op welke wijze heeft de Inspectie sinds de beantwoording van deze Kamervragen «de vinger aan de pols» gehouden om de gewenste cultuuromslag te bereiken?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om zelf ook in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja/nee, waarom?
Zie antwoord vraag 4.
De noodzaak van het stellen van een concrete maximumnorm om varkens te beschermen tegen ziekmakende giftige staldampen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat een hoge ammoniakconcentratie in varkensstallen betekent dat miljoenen varkens en biggetjes een groot risico lopen op, onder andere, longaandoeningen, borstvliesontstekingen, ontstoken ogen en meer gevallen van staartbijten?
Ammoniak kan bij hoge concentraties schadelijk zijn voor de gezondheid van varkens. De mate van schadelijkheid is naast de concentratie ook afhankelijk van de blootstellingsduur. De directe relatie tussen blootstelling aan ammoniak en ontstaan van gezondheidsproblemen is moeilijk vast te stellen, omdat vaak meerdere stalfactoren tegelijkertijd van invloed zijn op de gezondheid van de dieren.
Kunt u bevestigen dat de luchtkwaliteit in stallen volgens de wet niet schadelijk mag zijn voor varkens, maar dat de open norm effectief toezicht in de weg staat?
Het klopt dat de wetgeving voorschrijft dat het stalklimaat niet schadelijk mag zijn voor het varken. Dat volgt uit de algemene huisvestingsnorm (voor het houden van dieren voor de productie van dierlijke producten) van artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd (Kamerstuk 2023D09940) klopt het ook dat deze regelgeving niet vastlegt wanneer dit het geval is en daarmee een open norm bevat.
Kunt u bevestigen dat er al tenminste tien jaar aan de hand van onderzoek wordt geprobeerd om de handhaving van deze open norm te verbeteren?1
Er wordt inderdaad al lange tijd gewerkt aan het verder verbeteren van het dierenwelzijn voor varkens. In 2015 heeft de WUR in opdracht van het Ministerie van LNV onderzoek gedaan naar indicatoren die gebruikt kunnen worden door de varkenshouders en handhavers om inzicht te krijgen in situaties waarbij het stalklimaat onvoldoende gewaarborgd is en er mogelijk sprake is van verminderd dierenwelzijn en verminderde diergezondheid. Deze indicatoren zijn door de NVWA in 2018 opgenomen in het handhavingsprotocol dat gebruikt wordt om te bepalen of stalklimaat schadelijk is.
De praktijk heeft uitgewezen dat dit handhavingsprotocol onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht. Daarom heeft het Ministerie van LNV in 2022 in overleg met de NVWA aan Wageningen UR de opdracht gegeven om de mogelijkheden te onderzoeken om het huidige protocol aan te scherpen en te verduidelijken. Zodat NVWA-inspecteurs duidelijk kunnen vaststellen of het stalklimaat al dan niet schadelijk is. Dit onderzoek is eind december 2024 afgerond. De uitkomsten van dit onderzoek weeg ik mee in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.
Kunt u bevestigen dat een eerder opgesteld protocol voor het beoordelen van het klimaat in varkensstallen, onvoldoende bleek bij te dragen aan effectief toezicht?2
Ja, zoals reeds in het antwoord op vraag 3 is aangegeven heeft de praktijk uitgewezen dat het door de NVWA gehanteerde handhavingsprotocol onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht.
Kunt u bevestigen dat de Inspecteur-Generaal (IG) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2021 uw voorganger heeft geadviseerd om kwantitatieve doelvoorschriften in de wet- en regelgeving op te nemen, met tenminste een limiet voor ammoniak- en kooldioxideconcentraties, wat aanleiding is geweest voor de start van een werkgroep van de NVWA en uw ministerie om deze norm nader in te vullen zodat deze eindelijk handhaafbaar is? Kunt u bevestigen dat het uitgangspunt hierbij is geweest om te komen tot kwantitatieve normen voor gasconcentraties in de stal en deze wettelijk vast te leggen?3
Het klopt dat de Inspecteur-Generaal van de NVWA dit aan mijn voorganger heeft gevraagd. Naar aanleiding van dit verzoek hebben het Ministerie van LNV en de NVWA destijds samen besloten een werkgroep te starten om invulling te geven aan de open norm. Het uitgangspunt was om tot een kwantitatieve invulling van de open norm te komen.
Bent u op de hoogte van alle herhaalde toezeggingen sinds 2021 van uw voorganger(s) om tot invulling van deze open norm te komen, meest recent nog in 2023 (Kamerstuk 33 835, nr. 215)?
Ja.
Herinnert u zich dat de inzet was om vóór de zomer van 2023 eindelijk de open norm te hebben ingevuld?
Ja. Om tot invulling van deze open norm te kunnen komen is een nader onderzoek uitgezet. Helaas heeft dit onderzoek vertraging opgelopen. Het onderzoek is, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3, eind december 2024 opgeleverd.
Heeft u gezien dat het daarvoor uitgezette onderzoek door Wageningen University & Research (WUR) inmiddels is afgerond en dat het rapport «Effecten van ammoniak (NH3) op gezondheid en welzijn van varkens» eind december 2024 is gepubliceerd?4
Ja.
Deelt u de interpretatie dat de WUR concludeert dat het protocol dat de NVWA tot nu toe heeft gehandhaafd, ontoereikend is om ervoor de zorgen dat varkens niet in een schadelijk stalklimaat leven?
In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat de praktijk heeft uitgewezen dat dit handhavingsprotocol, dat gebaseerd is om omgevingsgerichte (ammoniak en CO2 gehaltes in de stallucht) en diergerichte indicatoren onvoldoende houvast biedt voor effectief toezicht. Wageningen UR stelt eveneens in het rapport dat de praktijk leert dat een handhavingsprotocol dat uitgaat van de combinatie van diergerichte en omgevingsgerichte indicatoren lastig is, en concludeert dat het gebruikte protocol met grenswaarden voor omgevings- en diergerichte waarnemingen aanpassing behoeft. Wageningen UR geeft in het onderzoek aan op welke punten het protocol verbeterd zou kunnen worden.
Deelt u de interpretatie dat het WUR-rapport concludeert dat een dergelijk handhavingsprotocol met een combinatie van diergerichte en omgevingsgerichte indicatoren lastig is?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat op basis van dit onderzoek niet anders kan worden geconcludeerd dan dat varkens binnen dit systeem ernstige gezondheidsrisico's blijven lopen zolang er niet wordt overgegaan tot het wettelijk vastleggen van een maximale kwantitatieve norm voor ammoniakconcentraties in varkensstallen?
Nee, die mening deel ik niet. Op grond van artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren mogen de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier. Daarmee is het niet per se nodig een maximale kwantitatieve norm voor ammoniakconcentraties in varkensstallen wettelijk vast te leggen.
Vindt u het «dierwaardig» als varkens in stallen moeten leven met ammoniakconcentraties waarbij ze ernstige gezondheidsrisico’s lopen?
Op grond van artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren mogen de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier. Dat geldt ook voor de ammoniakconcentratie in de stal.
Erkent u dat dit onderzoek (opnieuw) laat zien dat een ammoniakconcentratie boven 20 parts per million (ppm) schadelijk is voor varkens?
Wageningen UR concludeert dat er naar verwachting tot circa 20 ppm (parts per million) ammoniak amper of geen sprake is van schade, maar dan is de leefomgeving mogelijk wel minder aantrekkelijk voor de varkens. Zij stelt echter ook dat in de range van waarden waar de normstelling zou kunnen plaatsvinden, ook andere factoren redelijkerwijs relevant zijn. Zoals aansluiting bij internationale standaarden, meetbaarheid en handhaafbaarheid en mogelijk ook de praktische haalbaarheid.
Erkent u dat een norm van 20 ppm dan ook het maximum zou moeten zijn als je varkens wil beschermen tegen dreigende gezondheidsschade?
Uit het onderzoek van Wageningen UR blijkt dat een concentratie van ammoniak die hoger ligt dan 20 ppm, mede afhankelijk van de blootstellingsduur, een effect kan hebben op de in het onderzoek bestudeerde gebieden gezondheid & afweer, gedrag & stressfysiologie en productiviteit. Zoals vermeld in antwoord 13 zijn ook andere factoren redelijkerwijs relevant, zoals aansluiting bij internationale standaarden, meetbaarheid, handhaafbaarheid en mogelijk ook de praktische haalbaarheid. Ik neem dit alles mee in mijn overwegingen in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.
Bent u voornemens om, in lijn met het advies van het WUR-rapport, een kwantitatieve norm van maximaal 20 ppm voor varkensstallen vast te stellen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 14 aangegeven neem ik dit mee in mijn overwegingen in het traject om te komen tot een nog meer dierwaardige veehouderij.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan de vragen tijdig te beantwoorden.
Het bericht ‘Het gaat heel ver dat bewindspersonen en politici zich online tegen individuele burgers keren’ |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Op basis van welke uitspraken heeft het kabinet zich gedistantieerd van de persoon in kwestie? Kunt u de betreffende uitspraken citeren?1
Ik heb gereageerd op vragen van een journalist naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf op 8 januari jl. Inmiddels heeft de Telegraaf besloten om het artikel ten dele aan te passen, daarom zal ik de uitspraken niet herhalen.
Is de opvatting van het kabinet over de uitspraken van de persoon in kwestie gewijzigd, nu blijkt dat de woorden waar het kabinet op heeft gereageerd niet uitgesproken blijken te zijn?
Ik heb in mijn reactie aangegeven dat iedereen in Nederland zelf moet kunnen bepalen hoe die zijn kind noemt, en dat mensen zich vrij moeten voelen een eigen keuze te maken. Ik sta achter deze woorden. Ik heb inmiddels met betrokkene gesproken. We hebben vastgesteld dat we de boodschap delen dat mensen in Nederland altijd de vrijheid moeten hebben om een naam te kiezen die zij willen. Ik trek echter een grens als mensen onverdraagzame uitspraken doen.
Staat het kabinet, ook nadat de Telegraaf het artikel met uw reactie offline heeft gehaald, nog steeds volledig achter uw volgende uitspraken in dat artikel: «Hij roept anderen in feite op de rug toe te keren naar de samenleving», «Het is de omgekeerde wereld», en «Ik sta aan de kant van de mensen die een vrije keuze maken. Tegen de ouders die les krijgen van deze meneer zou ik willen zeggen dat ze zich niets van hem moeten aantrekken»?
Zoals aangegeven moet iedereen in Nederland zelf kunnen bepalen hoe die zijn kind noemt, en dat mensen zich vrij moeten voelen een eigen keuze te maken. Ik trek een grens als mensen onverdraagzame uitspraken doen.
Is het kabinet op enigerlei wijze, direct en/of indirect, betrokken geweest bij het offline halen van het artikel door de Telegraaf?
Nee.
Heeft het kabinet de feiten onderzocht voordat er een reactie werd gegeven aan de Telegraaf? Welke specifieke inspanningen heeft u hiervoor geleverd?
Ik heb gereageerd op vragen van een journalist naar aanleiding van bovengenoemd artikel.
Bent u bereid excuses aan te bieden aan de persoon in kwestie, nu blijkt dat de uitspraken waarvan u zich heeft gedistantieerd niet in de door u veronderstelde context zijn gedaan? Zo nee, waarom niet?
We hebben een constructief gesprek gehad. Dit is niet aan de orde gekomen.
Wat is uw boodschap aan ouders die de naamkeuze van hun kind baseren op angst voor moslimhaat en uitsluiting, en niet op basis van wat zij mooi(er) en/of gepast(er) vinden?
Ik heb in mijn reactie aangegeven dat iedereen in Nederland zelf moet kunnen bepalen hoe die zijn kind noemt, en dat mensen zich vrij moeten voelen een eigen keuze te maken. Dat werkt twee kanten op. Een oproep die belet dat ouders deze vrije keuze maken, kan ervoor zorgen dat mensen uiteindelijk met de rug naar onze open en vrije samenleving toe gaan staan.
Maar ook als het zo zou zijn dat ouders niet durven kiezen voor een naam, die voortvloeit uit religieuze tradities uit angst voor discriminatie waar kinderen mogelijk later mee te maken krijgen, dan vind ik dat een onacceptabele situatie. Ik sta voor een open en vrije samenleving waarin we samen doen en samen leven.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.
Gesprekken met de Deutsche Umwelthilfe en Agora Agrar gedurende het werkbezoek aan Berlijn van 15 tot en met 18 januari 2025 |
|
Diederik Boomsma (CDA), Anne-Marijke Podt (D66), Wim Meulenkamp (VVD), Thom van Campen (VVD), Laura Bromet (GL), Harm Holman (NSC) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Duitse «Stoffstrombilanzverordnung», die regelt hoe landbouwbedrijven moeten omgaan met nutriënten en hoe operationele «Stoffstrombilanzen» moeten worden opgesteld?
Ja.
Ziet u de overeenkomst met de Nederlandse discussie over doelsturing of het uitwerken van een afrekenbare stoffenbalans om emissiedoelen te realiseren, en bent u bereid om deze verordening te betrekken bij de uitwerking van uw voorstellen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn overeenkomsten met de Nederlandse inzet om over te kunnen gaan naar een systematiek van doelsturing, met name de uitwerking van een afrekenbare stoffenbalans.
Duitse agrarische bedrijven moeten jaarlijks een balans opstellen over de nutriëntenaanvoer van stikstof en fosfor op hun bedrijf door onder andere meststoffen, diervoeders en de nutriëntenafvoer via met name plantaardige en dierlijke producten, dierlijke mest en diervoeder. Ook in Nederland zijn veel van deze gegevens van agrariërs bekend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). En er zijn in Nederland private initiatieven zoals de Kringloopwijzer vanuit de zuivelsector en het bedrijfsbodemwaterplan van LTO, waarin ook veel informatie wordt verzameld over aan- en afvoerstromen van nutriënten op het agrarisch bedrijf.
Op dit moment wordt onderzocht of en op welke wijze in Nederland een afrekenbare stoffenbalans kan worden opgesteld. Gezien de overeenkomsten is het goed om de ervaringen die in Duitsland worden opgedaan met de «Stoffstrombilanzen» te betrekken bij de ontwikkeling van de stoffenbalans in Nederland.
Wat is uw reflectie op een analyse van deze verordening? Waar ziet u overeenkomsten met de Nederlandse ambitie om te komen tot emissiereductie en waar ziet u verschillen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven ligt de overeenkomst tussen de «Stoffstrombilanzen» en de te ontwikkelen Nederlandse afrekenbare stoffenbalans in de verplichting voor de agrariërs om de aan- en afvoer van nutriëntenstromen te leveren en daar jaarlijks een balans voor op te stellen. In Duitsland zijn agrariërs reeds verplicht deze balans op te stellenen is voorgesteld, maar nog niet ingevoerd, dat agrariërs op basis van een driejarig gemiddelde van de stoffenbalans het resultaat beoordelen en maatregelen nemen.
In Nederland wordt een afrekenbare stoffenbalans ontwikkeld, waarbij het doel is dat de stoffenbalans kan worden ingezet voor afrekenbare doelsturing voor de onderwerpen stikstof, broeikasgassen, nitraat en fosfaat. We kunnen van Duitsland leren van de wijze waarop zij de registratie van gegevens en de beoordeling daarvan organiseren en van de ervaringen die zij opdoen met dit instrument.
Bent u ermee bekend dat de Duitse overheid al lang spreekt met de Europese Commissie over deze vorm van emissiereductie? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Duitse autoriteiten hierover en de Kamer over het resultaat te informeren? Indien nee, waarom niet?
Ik ben ervan op de hoogte dat de Duitse overheid met de Europese Commissie (EC) spreekt over de wijze waarop zij de waterkwaliteit verbeteren. Ik ben niet exact op de hoogte van de inhoud van de gesprekken die de Duitse overheid voert met de EC, maar mogelijk zal het systeem van inzameling van gegevens over nutriëntenstromen zijn besproken, naast de andere maatregelen die Duitsland heeft genomen om de waterkwaliteit te verbeteren zoals het aanwijzen van de met nutriënten verontreinigde gebieden (de zogenoemde «Rote Gebiete»).
Ik ben bereid hierover in gesprek te gaan met de Duitse overheid. Indien dit tot aanvullende inzichten leidt, zal ik u hierover informeren.
Deelt u de mening dat we kostbare middelen en tijd kunnen besparen door ons voordeel te doen met de Duitse verordening voor emissiereductie in Nederland in plaats van dat we hier het wiel opnieuw gaan uitvinden?
Ik deel uw mening dat het goed is te leren van de wederzijdse ervaringen met vergelijkbare systemen voor een stoffenbalans in Nederland en Duitsland. Uitwisseling van ervaringen met stoffenbalansen is daarom zeer nuttig.
Wilt u de beantwoording van deze vragen betrekken bij de toegezegde januaribrief waarin u concreter ingaat op de uitwerking van uw stikstofbeleid, emissiereductie en doelsturing?
De antwoorden in de vragen 1 tot en met 5 sluiten aan bij de inhoud van de aan uw Kamer verstuurde contourenbrief bedrijfsspecifieke emissienormen stikstof en broeikasgassen1, voor zover het de ontwikkeling van de afrekenbare stoffenbalans betreft.
Het bericht 'Onnodig veel geld kwijt aan dubieuze huursites’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van dit artikel?1
Ja.
Zo ja, herkent u de signalen uit dit artikel over dubieuze huursites?
Ja.
Herkent u dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) niet de capaciteit heeft om in te kunnen grijpen wanneer huursites misleidende diensten aanbieden aan woningzoekenden?
Ja, dit herken ik. De ACM houdt toezicht op de naleving van een groot aantal wetten op het gebied van consumentenbescherming, energie, mededinging, post, telecommunicatie en vervoer. Zij ontvangt vaak meer signalen over mogelijke overtredingen en verzoeken om handhaving dan zij – gelet op haar onderzoekscapaciteit – in onderzoek kan nemen. Bij de behandeling van meldingen past zij om die reden een prioriteringsbeleid toe.
Wat kunt u zoal doen om de ACM wel actief in te laten grijpen bij signalen van misleidende praktijken door huursites?
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder die zich sterk maakt voor goed werkende markten voor mensen en bedrijven. Zij beschikt bij de uitvoering van de in het antwoord op vraag 3 omschreven taken over de ruimte om te kiezen of, en zo ja, welke handhavingsonderzoeken worden opgestart, en wanneer. Zij past hiertoe, als gezegd, een prioriteringsbeleid toe. De onafhankelijke positie van de ACM maakt dat ik geen mogelijkheden zie om de ACM actief in te laten grijpen bij signalen van misleidende praktijken door huursites; zij kan hiertoe zelf besluiten indien zij dit noodzakelijk acht.
Welke maatregelen kunt u nemen om kwetsbare woningzoekende beter te beschermen op de online huurmarkt?
Er bestaat nog wel eens onduidelijkheid over de aard van de dienstverlening van websites die huurwoningen aanbieden2, waardoor consumenten zich misleid voelen. Dit betreur ik uiteraard ten zeerste. Indien een consument zich misleid voelt, kunnen er door de consument diverse stappen worden ondernomen.
In beginsel is het zo dat wanneer men een abonnement heeft afgesloten, hij of zij de abonnementskosten hiervan dient te betalen. Daarom is het van belang dat men zich er voor het afsluiten van het abonnement van vergewist wat het abonnement inhoudt. Het kan echter zo zijn dat de informatie die wordt verstrekt onduidelijk, onvolledig of onjuist is. In dat geval kan mogelijk sprake zijn van misleiding. In geval van misleiding kan de woningzoekende de overeenkomst onder omstandigheden vernietigen en de abonnementskosten terugvragen, zo nodig middels een gerechtelijke procedure. Ook kan er een melding worden gemaakt bij de ACM ConsuWijzer.
Indien een huurwebsite meer diensten aanbiedt dan alleen een functie om te zoeken in het aanbod van andere partijen, kan sprake zijn van een verhuurbemiddelaar. Bijvoorbeeld indien via de website ook vragen over de aangeboden woningen kunnen worden gesteld of bezichtigingen kunnen worden geregeld. Voor verhuurbemiddelaars gelden aanvullende regels. Verhuurbemiddelaars mogen, indien zij voor de verhuurder werken, niet (ook) kosten in rekening brengen bij de woningzoekende. Er geldt namelijk een verbod op het in rekening brengen van dubbele bemiddelingskosten. Doet de verhuurbemiddelaar dit wel, dan kan de woningzoekende deze onterecht betaalde kosten tot vijf jaar geleden terugvragen aan de verhuurbemiddelaar. Ook kunnen gemeenten als gevolg van de Wet goed verhuurderschap sinds 1 juli 2023 optreden tegen verhuurbemiddelaars die dubbele bemiddelingskosten in rekening brengen.
Hoe kijkt u aan tegen het opzetten van één betrouwbaar en transparant landelijk platform voor huurwoningen?
Ik beschouw het opzetten van een landelijk platform voor het aanbieden van private huurwoningen niet als een taak voor de overheid. Ik zie bovendien op dit moment ook geen noodzaak om dergelijk platform op te zetten. Mij zijn geen signalen bekend dat de problematiek in het artikel waar deze Kamervragen naar verwijzen, op zulke grote schaal speelt, dat hier momenteel veel tegen opgetreden dient te worden. Bovendien heeft de consument, zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 5, reeds verschillende mogelijkheden indien hij/zij zich misleid voelt.
Welke concrete stappen gaat u op de korte termijn aanpakken om dit probleem op te lossen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 reeds heb toegelicht, staat woningzoekenden die te maken hebben met misleidende abonnementen of dubbele bemiddelingskosten reeds een aantal mogelijkheden ter beschikking om hiertegen op te treden. Op dit moment zie ik dan ook geen noodzaak voor aanvullende maatregelen.
Op welke termijn kunnen wij voortgang en resultaat verwachten?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ik heb deze vragen zoveel als mogelijk separaat beantwoord. Daar waar dit in het kader van een goede beantwoording van de vraag wenselijk was, heb ik vragen gebundeld.
De erkenning van het recht op een gezonde leefomgeving in het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens |
|
Geert Gabriëls (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Chris Jansen (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Actiegroep pleit voor wettelijk recht op gezond milieu: Nederland blijft achter»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling van het artikel, dat Nederland achterloopt op andere EU-landen als het gaat om het wettelijk verankeren van het recht op een gezond milieu, gezien landen zoals Duitsland, België en Frankrijk dit recht al grondwettelijk hebben vastgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u voornemens dit recht ook in Nederlandse wetgeving op te nemen?
Het klopt dat er een aantal EU-lidstaten zijn die expliciet een vorm van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu erkennen in hun Grondwet of in nationale wetten. Echter, evenals Duitsland en diverse andere EU-lidstaten, waaronder Denemarken en Zweden,2 heeft Nederland dit recht niet expliciet in de Grondwet verankerd. In lijn met artikel 37 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus) biedt het Nederlandse rechtssysteem een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarmee invulling wordt gegeven aan mogelijke componenten van het recht. Zie in dat kader bijvoorbeeld artikel 21 van de Grondwet, de Omgevingswet, de Wet milieubeheer (en de bijbehorende besluiten), de Wet bodembescherming en de Klimaatwet, in combinatie met de directe doorwerking van de mensenrechtenverdragen waar Nederland partij bij is.
De inspanningsverplichting van artikel 21 van de Grondwet is in de Omgevingswet uitgewerkt. De Omgevingswet heeft namelijk tot doel de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu te waarborgen. Daartoe verplicht de wet een ieder tot het voldoende zorg dragen voor de fysieke leefomgeving en moet voorkomen dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor het milieu optreden. De wet en de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur stellen verder brede sets concrete eisen die deze zorg borgen. Verder is het recht vertaald in diverse sectorale wetten, zoals de Wet milieubeheer en de Kernenergiewet. Daarin is opgenomen dat een ieder voldoende zorg voor het milieu in acht moet nemen en moet voorkomen dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor het milieu optreden.
Er is op dit moment geen eenduidige uitleg of interpretatie van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu of een eenduidige toepassing van het recht door de verschillende lidstaten van de EU en de Raad van Europa (RvE). Op dit moment bestudeert Nederland de erkenning van dit recht nader in de context van de RvE. Het Stuurcomité mensenrechten van de RvE (CDDH), heeft een rapport opgesteld over mogelijke juridisch bindende en niet-juridisch bindende instrumenten op het gebied van mensenrechten en milieu. Uw Kamer wordt over deze inzet t.z.t. geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Is het standpunt van het kabinet nog steeds dat Nederland het werk van de Raad van Europa zal versterken in lijn met de VN-resoluties waarin het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu wordt erkend, zoals eerder is beantwoord in reactie op Kamervragen door het Eerste Kamerlid De Boer? Zo nee, waarom niet?2
In de reactie op de Kamervragen gesteld door het Eerste Kamerlid De Boer, waarnaar in de vraag wordt verwezen, is aangegeven dat Nederland in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (MRR) en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) vóór resoluties heeft gestemd waarin het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu wordt erkend. In diezelfde beantwoording van deze Kamervragen is tevens aangegeven dat Nederland tijdens de Top van 2023 in Reykjavik, tezamen met alle andere RvE-lidstaten, heeft ingestemd om in lijn met deze resoluties het werk van de RvE ten aanzien van de mensenrechtenaspecten hiervan te versterken.
Deze inzet is conform de Beleidsnota Mensenrechten, Democratie en Internationale Rechtsorde, waarin is opgenomen dat Nederland zich inzet voor een eerlijke en inclusieve transitie en vermindering van klimaatkwetsbaarheid door ondersteuning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu.4
Gaat Nederland de erkenning van het recht op een gezond leefmilieu in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ondersteunen tijdens de vergaderingen van het Committee of Ministers op 23 januari en 25 februari 2025, in navolging van de VN-resoluties?
De resoluties van de AVVN en MRR waarin het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu wordt erkend, zijn niet bindende instrumenten. Een equivalent hiervan zou een erkenning van het recht zijn in een niet-bindende aanbeveling van het Comité van Ministers. Dat is echter niet hetzelfde als de erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu in het systeem van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), bijvoorbeeld in een additioneel protocol bij het EVRM.
Het CDDH, waarin alle 46 RvE-lidstaten zijn vertegenwoordigd, heeft recentelijk een rapport aangenomen waarin de noodzaak en haalbaarheid wordt onderzocht van een eventueel nader bindend of niet-bindend instrument op het gebied van mensenrechten en milieu. In het rapport wordt het huidige beschermingsniveau op het gebied van milieu en mensenrechten beschreven en zijn op een neutrale wijze diverse mogelijkheden uiteengezet voor wat betreft juridisch bindende en niet-juridisch bindende instrumenten op het gebied van mensenrechten en milieu. Het CDDH heeft op basis van de inhoud van het rapport een tweetal conclusies aangenomen, die ter bespreking zullen worden voorgelegd aan het Comité van Ministers van de RvE. Deze conclusies lopen overigens niet vooruit op een eventuele keuze voor een aanvullend instrument, en geven de volgende overwegingen mee aan het Comité van Ministers van de RvE (vertaald naar het Nederlands):5
De in deze Kamervragen genoemde data betreffen vergaderingen van de Rapporteurgroep Mensenrechten (GR-H). In dit gremium zal geen politieke beslissing worden genomen. De precieze datum van agendering in het Comité van Ministers is vooralsnog niet bekend. Het rapport is online raadpleegbaar.6
Nederland heeft enkel vanuit een technisch-juridische invalshoek aan de discussie binnen het CDDH deelgenomen zonder zich te verbinden aan vervolgstappen. Nederland heeft derhalve geen positie ingenomen voor wat betreft de keuze van een nader instrument in het kader van de RvE. Momenteel wordt een Kamerbrief voorbereid met een appreciatie van het CDDH rapport, met inbegrip van een exercitie van de verschillende opties en welke implicaties die opties hebben voor Nederland, alsook de voorgestelde nationale positie. Uw Kamer wordt t.z.t. over deze inzet geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Gaat Nederland zich daarbij aansluiten bij de negen landen, waaronder Frankrijk, Spanje, Portugal en IJsland, die hun steun al hebben uitgesproken voor de erkenning van dit recht? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt een Kamerbrief voorbereid met een appreciatie van het CDDH rapport. Op basis hiervan zal een nationale positie worden voorgesteld. Uw Kamer wordt t.z.t. over deze inzet geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Welke afgevaardigden zullen namens Nederland de vergaderingen gaan bijwonen?
Alvorens documenten worden voorgelegd aan het Comité van Ministers van de RvE, zijn er diverse voorportalen binnen de RvE waarin de documenten zullen worden besproken. In dit geval zal het gaan om de Rapporteurgroep Mensenrechten (GR-H). Afgevaardigden van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de RvE nemen deel aan de GR-H en het Comité van Ministers.
Deelt u de mening dat door de oplopende milieuproblemen en de verergerende klimaatcrisis in Europa en de rest van de wereld, de erkenning van het recht op een gezonde leefomgeving in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een dringende noodzaak is? Zo nee, waarom niet?
Op 16 en 17 mei 2024 vond de vierde Top van de RvE plaats in Reykjavik, IJsland. Tijdens de Top werd de urgentie van gecoördineerde actie om het milieu te beschermen middels het tegengaan van de triple planetary crises van vervuiling, klimaatverandering en biodiversiteitsverlies benadrukt. Daarom is besloten dat de RvE het werk met betrekking tot mensenrechten en het milieu zal gaan versterken en dat milieu meer een prioriteit moet worden voor de RvE. Dit is opgenomen in Appendix V van de Reykjavik Verklaring. De Verklaring is gebaseerd op de politieke erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu, overeenkomstig AVVN Resolutie 76/300 (Appendix V, politieke eindverklaring). De Verklaring is door alle RvE-lidstaten gesteund, ook door Nederland.7
De Verklaring ging tevens in op het werk van het CDDH en dringt erop aan dat het rapport over de noodzaak en haalbaarheid van een eventueel aanvullend instrument op het gebied van mensenrechten en milieu zo snel mogelijk moest worden afgerond door de CDDH. In het CDDH rapport zijn op een neutrale wijze diverse opties uiteengezet voor juridisch bindende en niet-juridisch bindende instrumenten. Deze opties, inclusief de implicaties en gevolgen van de opties, worden momenteel onderzocht. Uw Kamer wordt t.z.t. over deze inzet geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Erkent u dat de vervuiling van het milieu, zoals blijkt uit de vele milieu-incidenten in het hele land, het gevolg is van het ontbreken van een stevige juridische basis voor de bescherming van het recht op een gezond leefmilieu? Zo ja, deelt u dan niet de mening dat de erkenning van dit recht op zowel nationaal als Europees niveau cruciaal is om vervuiling van het milieu zo veel als mogelijk te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is gebonden aan diverse internationale en Europeesrechtelijke instrumenten op het gebied van milieu. Deze instrumenten zien op de bescherming van het milieu en het tegengaan van milieuvervuiling en milieuschade.
Wat de erkenning van een eventueel recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu zou kunnen betekenen (en in welke vorm) wordt momenteel onderzocht door het kabinet. Dit wordt mede op basis van het openbare CDDH-rapport gedaan. Uw Kamer wordt t.z.t. over deze inzet geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Deelt u de mening dat het opnemen van het recht op een gezond leefmilieu zou bijdragen aan zowel de bescherming van de mens en natuur, maar ook een belangrijke stimulans is voor het ontwikkelen van krachtig beleid op het gebied van milieu en klimaat? Zo nee, waarom niet?
Wat een eventueel recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu zou kunnen betekenen (en in welke vorm) wordt momenteel onderzocht. Dit wordt mede op basis van het openbare CDDH-rapport gedaan. Daarbij wordt ook gekeken naar de verhouding van zo’n recht tot milieu- en klimaatbeleid. Uw Kamer wordt t.z.t. over deze inzet geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Deelt u de overtuiging dat de erkenning van dit recht kan bijdragen aan meer rechtszekerheid en samenhang waarmee er een gelijker speelveld komt in Europa? Zo nee, waarom niet?
Wat een eventueel recht op een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu zou kunnen betekenen (en in welke vorm) wordt momenteel door het kabinet onderzocht. Dit wordt mede op basis van het openbare CDDH-rapport gedaan. Daarbij wordt ook gekeken naar wat zo’n recht zou kunnen bijdragen aan het bestaande nationale recht en welke mogelijke gevolgen zo’n recht kan hebben. Uw Kamer wordt t.z.t. over deze exercitie en voorgestelde inzet geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Klopt het dat u op 14 mei 2025 een beslissing moet nemen over de positie van Nederland met betrekking tot de erkenning van het recht op een gezond leefmilieu in Europa tijdens de 134ste sessie van het Committee of Ministers? Bent u bereid om tijdens die sessie alles in het werk te stellen om te zorgen dat het recht op een schoon leefmilieu erkend wordt in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, om zodoende het werk van de Raad van Europa te versterken? Zo niet, waarom niet?
Op 13 en 14 mei 2025 zal de jaarlijkse ministeriële vergadering van de RvE plaatsvinden. De agenda van deze vergadering is nog niet vastgesteld. Ook staat nog niet vast dat het rapport van het CDDH waarin de noodzaak en haalbaarheid wordt onderzocht van een eventueel nader bindend of niet-bindend instrument op het gebied van mensenrechten en milieu ook daadwerkelijk op de agenda staat.
Ik kan op dit moment geen uitspraken doen over een nationale positie aangaande dit recht, omdat op dit moment nog onderzoek wordt gedaan ter voorbereiding van een voor te stellen nationale positie. Uw Kamer wordt t.z.t. hierover geïnformeerd per Kamerbrief conform motie 32 735 nr. 373.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht van apotheker Daan Boellen over het door Coöperatie VGZ aanwijzen van het dure Molaxole als het preferente merk voor macrogol |
|
Daniëlle Jansen (NSC) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van deze apotheker op LinkedIn?1
Ja, ik ben op de hoogte.
In welke gevallen of situaties is het volgens u gerechtvaardigd dat een zorgverzekeraar kiest voor een duurder medicijn als preferent middel, terwijl er goedkopere generieke alternatieven beschikbaar zijn?
Zorgverzekeraars voeren voorkeursbeleid op geneesmiddelen die onderling uitwisselbaar zijn. Dit wordt het preferentiebeleid genoemd. Dat betekent dat verzekerden in principe aanspraak hebben vanuit hun zorgverzekering op het door de zorgverzekeraar als preferent aangewezen geneesmiddel. Binnen dit beleid wijzen zorgverzekeraars een preferent middel aan op basis van een (onderhands) offertetraject. Daarbij worden leveranciers in de gelegenheid gesteld om onder geheimhouding (formeel gezegd: «onder couvert») een prijs aan te bieden voor een door hen te leveren geneesmiddel dat onder de openbare lijstprijs (apotheekinkoopprijs, AIP) ligt. De leveranciers geven daarbij ook aan hoeveel korting de zorgverzekeraar krijgt ten opzichte van de lijstprijs. Deze couvertprijs is dus vertrouwelijk. Alle leveranciers doen dit en de zorgverzekeraar besluit welk middel van welke leverancier als preferent wordt aangewezen. Het geneesmiddel van de leverancier die de laagste couvertprijs biedt, wordt in de regel gekozen als preferent geneesmiddel. Daarnaast wordt door de betreffende zorgverzekeraar ook gekeken hoe goed de leverancier in het verleden het geneesmiddel heeft geleverd.
Het is dus in bepaalde situaties logisch wanneer zorgverzekeraars een middel met een hogere openbare lijstprijs als preferent middel aanwijzen, terwijl er alternatieven met een lagere openbare lijstprijs beschikbaar zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de leverancier van een middel met een hogere openbare lijstprijs een lagere couvertprijs aanbiedt dan de leveranciers van de andere middelen met een lagere openbare lijstprijs. In die situatie is het ogenschijnlijk duurdere medicijn in werkelijkheid goedkoper voor de zorgverzekeraar, en dus voor de premiebetaler, dan de alternatieven.
De door zorgverzekeraars met het preferentiebeleid behaalde kortingen dragen bij aan een betaalbare zorg. Er komt geld beschikbaar om andere zorg te betalen of om de zorgpremie te dempen.
Hoe verklaart u in dit specifieke geval de aanwijzing van Molaxole als preferent geneesmiddel (en tevens niet c.q. moeilijk leverbaar), gezien het aanzienlijke prijsverschil met goedkopere generieke alternatieven?
In het geval van macrogol, de werkzame stof van Molaxole, lijkt het zo te zijn dat het preferent aangewezen geneesmiddel duurder is dan de macrogol van andere leveranciers, omdat de openbare lijstprijs hoger is. Maar, zorgverzekeraar VGZ heeft mij laten weten dat de couvertprijs die is afgesproken met de leverancier lager is dan de lijstprijs van de alternatieven. De zorgverzekeraar, en dus de premiebetaler, betaalt juist minder.
Daarnaast heeft zorgverzekeraar VGZ aangegeven het signaal dat de Molaxole niet of moeilijk leverbaar is, niet te herkennen. Zij heeft hierover direct contact gehad met de leverancier. Molaxole is op dit moment volgens de leverancier gewoon leverbaar en ook voldoende op voorraad. Het CBG heeft mij laten weten dat er ook bij haar geen meldingen zijn gedaan van tekorten of leveringsonderbrekingen van Molaxole.
Indien het (tijdelijk) niet beschikbaar zijn van een goedkoper medicijn volgens u rechtvaardigt dat de zorgverzekeraar kiest voor een duurder medicijn als preferent middel, kunt u dan aantonen dat de goedkopere alternatieven van Molaxole (generieke merken macrogol) niet beschikbaar zijn/waren?
Dit is niet van toepassing. Zoals aangegeven door zorgverzekeraar VGZ is de Molaxole leverbaar en is deze voor hen ook niet duurder dan de alternatieve macrogol geneesmiddelen vanwege de (vertrouwelijke) couvertprijs die zij betalen.
Zijn er bij u meer signalen gekomen of bekend waaruit blijkt dat zorgverzekeraars duurdere merkmedicijnen aanwijzen zonder duidelijke meerwaarde? Zo ja, kunt u de meest recente signalen opsommen? Heeft u op deze signalen ook actie ondernomen?
Het geneesmiddel van de leverancier die de laagste couvertprijs biedt, wordt in de regel gekozen als preferent geneesmiddel. Het is dus in bepaalde situaties logisch wanneer zorgverzekeraars een middel met een hogere openbare lijstprijs als preferent middel aanwijzen terwijl er alternatieven met een lagere openbare lijstprijs beschikbaar zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de leverancier van een middel met een hogere lijstprijs een lagere couvertprijs aanbiedt dan de leveranciers van andere middelen. In die situatie is het ogenschijnlijk duurdere medicijn in werkelijkheid goedkoper voor de zorgverzekeraar dan de alternatieven.
De openbare lijstprijzen zijn dus niet de prijzen die de zorgverzekeraars betalen. De afgesproken prijzen zijn vertrouwelijk en ik heb dan ook geen inzicht in de prijzen. Wel kan ik aangeven dat ik geen signalen heb gekregen dat zorgverzekeraars in situaties zonder een couvertafspraak middelen met een hogere lijstprijs aanwijzen.
Kunt u toelichten hoe en door wie toezicht wordt gehouden op de keuzes van zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid? Zijn signalen bij u binnengekomen via de toezichthouder?
Het Besluit Zorgverzekering (artikel 2.8) biedt zorgverzekeraars de bevoegdheid om te bepalen welk geneesmiddel binnen een groep van geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof tot de aanspraak van de verzekerde behoort. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) controleert of zorgverzekeraars zich houden aan de regels die in het Besluit Zorgverzekering zijn gesteld voor het toepassen van het preferentiebeleid. Er zijn geen signalen bij mij binnengekomen via de toezichthouder.
Bent u op de hoogte van prijsafspraken tussen zorgverzekeraars in het algemeen en VGZ in het bijzonder, en de fabrikant van Molaxole? Zo ja, waarom zijn deze afspraken niet transparant?
Ik ben ervan op de hoogte dat zorgverzekeraars prijsafspraken maken met leveranciers als onderdeel van hun inkoopbeleid. Ik heb zorgverzekeraar VGZ gevraagd of zij prijsafspraken hebben met de leverancier van Molaxole. Daarop heeft zorgverzekeraar VGZ bevestigend geantwoord.
Dergelijke prijsafspraken zijn niet transparant, omdat leveranciers vanwege nationale en internationale concurrentiële nadelen niet willen dat de prijzen die de zorgverzekeraars betalen bekend worden gemaakt. Het is ook niet in het belang van de premiebetaler dat de couvertprijzen bekend worden gemaakt. De systematiek met couvertprijzen zorgt voor aanzienlijke besparingen en draagt daarmee mee aan de betaalbaarheid van de zorg.
Bent u op de hoogte van prijsafspraken tussen zorgverzekeraars en fabrikanten rondom andere geneesmiddelen? Zo ja, welke?
Voor preferent aangewezen producten geldt in het algemeen dat er een prijsafspraak gemaakt wordt. Ook voor sommige andere (vooral intramurale) producten maken zorgverzekeraars prijsafspraken. De kortingen die zorgverzekeraars met leveranciers afspreken zijn over het algemeen vertrouwelijk. Het gaat namelijk om concurrentiegevoelige gegevens. Zorgverzekeraars delen de kortingen met geen enkele partij, ook niet met het Ministerie van VWS.
Welke stappen heeft u ondernomen om geheime prijsafspraken tussen zorgverzekeraars en farmaceutische bedrijven te voorkomen?
Het is in het belang van de premiebetaler en de betaalbaarheid van zorg dat zorgverzekeraars de ruimte hebben om couvertprijzen af te spreken met leveranciers. De systematiek met couvertprijzen zorgt voor aanzienlijke besparingen en draagt daarmee bij aan de betaalbaarheid van de zorg. Ik zie dan ook geen reden om stappen te nemen.
Welke afspraken zijn er omtrent het preferentiebeleid van zorgverzekeraars en het openbaar maken van de onderliggende financiële afspraken met fabrikanten?
De fabrikanten bepalen zelf voor welke prijs zij hun product aanbieden in de inkoopprocedure. Vervolgens worden deze prijzen door de zorgverzekeraar niet openbaar gemaakt. Dit vanwege het concurrentiële nadeel. Wel maken zorgverzekeraars uiteraard tijdig bekend welke middelen zij preferent hebben aangewezen, zodat groothandels, apotheken en verzekerden daar rekening mee kunnen houden.
Indien afspraken over transparantie ontbreken, overweegt u om zorgverzekeraars te verplichten hun preferentiebeleid en de onderliggende financiële afspraken openbaar te maken? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat overweeg ik niet. De vertrouwelijke couvertprijzen maken het mogelijk dat fabrikanten hun producten tegen lagere prijzen kunnen aanbieden dan de openbare prijzen. Het preferentiebeleid en de couvertprijzen dragen op deze manier bij aan de betaalbaarheid van de zorg.
Indien de korting niet geheim zou zijn, zouden fabrikanten niet langer deze lagere prijzen aanbieden en zouden de kosten voor geneesmiddelen stijgen. Deze stijging ontstaat doordat dan de openbare prijzen door zorgverzekeraars betaald zullen moeten worden, en niet de lagere couvertprijzen.
Kunt u bevestigen dat door te kiezen voor een duurder merkmedicijn, zorgverzekeraars geneesmiddelen niet doelmatig inkopen?
Nee dat kan ik niet bevestigen. Zie daarvoor ook mijn eerder gegeven antwoorden. De openbare prijs is niet gelijk aan de couvertprijs, vanwege de daarbij aangeboden kortingen van de fabrikant. De vertrouwelijke couvertprijs is lager dan de openbare lijstprijs. In sommige gevallen is het aanwijzen van een merkmedicijn dus doelmatiger.
Deelt u de mening dat het preferentiebeleid op deze manier tot hogere zorgkosten leidt in plaats van lagere?
Nee, met het preferentiebeleid kunnen zorgverzekeraars geneesmiddelen doelmatig inkopen. Dit zorgt ervoor dat zorgverzekeraars een afname kunnen garanderen, waardoor zij kortingen kunnen krijgen bij de inkoop. Dit helpt juist om de zorg in Nederland betaalbaar te houden.
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen de kosten van deze geheime prijsafspraken, waardoor de zorgverzekeraar minder betaalt voor een medicijn dan dat hij ervoor ontvangt via het eigen risico van de patiënt, terechtkomen bij de verzekerde zolang deze nog niet door het eigen risico heen is?
Zorgverzekeraars hebben de mogelijkheid om vormen van zorg vrij te stellen van het verplicht en vrijwillig eigen risico voor hun verzekerden. Verschillende zorgverzekeraars, waaronder zorgverzekeraar VGZ, stellen in dat kader preferente geneesmiddelen vrij van het eigen risico. Dus voor verzekerden van deze zorgverzekeraars heeft het preferentiebeleid naast de kostenbesparing op de premie ook nog het voordeel dat er voor de preferent aangewezen geneesmiddelen helemaal geen eigen risico in rekening wordt gebracht.
Ik heb geen inzicht in het aantal gevallen waarin verzekerden wel het eigen risico hebben betaald voor preferent aangewezen middelen bij zorgverzekeraars die ervoor kiezen deze kosten niet vrij te stellen van het eigen risico.
Hoe gaat u voorkomen dat verzekerden de dupe worden van hogere kosten van generieke medicijnen door dergelijke beslissingen?
Er is in deze casus geen sprake van een beslissing die heeft geleid tot hogere kosten voor verzekerden. Het preferentiebeleid heeft de afgelopen jaren voor besparingen gezorgd, wat resulteert in lagere zorgkosten.
Zorgverzekeraars hebben, zoals ik hierboven aangaf, zelf de mogelijkheid om vormen van zorg uit te sluiten van het eigen risico. Dit is één van de manieren waarop zorgverzekeraars zich van elkaar kunnen onderscheiden. Verschillende zorgverzekeraars maken van deze mogelijkheid gebruik door preferent aangewezen geneesmiddelen vrij te stellen van het eigen risico. Burgers kunnen dit meenemen bij de keuze van een zorgverzekeraar. Gezien de keuzevrijheid die burgers hiermee hebben zie ik geen aanleiding tot ander beleid.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de zorgkosten niet hoger worden door dergelijke beslissingen?
Er is in deze casus geen sprake van hogere zorgkosten. Het preferentiebeleid heeft de afgelopen jaren voor besparingen gezorgd. Dat resulteert in lagere zorgkosten. De geheime prijsafspraken van zorgverzekeraars met leveranciers dragen daaraan bij.
Wat zijn de consequenties voor zorgverzekeraars die keuzes maken die niet in lijn zijn met het doel van kostenbeheersing?
Ik wil voor de volledigheid ook hier opmerken dat er in deze casus geen sprake is van ondoelmatigheid of hogere zorgkosten. In het algemeen geldt dat zorgverzekeraars de taak hebben om geneesmiddelen doelmatig in te kopen. Daarvoor hebben zij onder andere de mogelijkheid om preferentiebeleid te voeren. De NZa controleert of zorgverzekeraars zich houden aan de regels in het Besluit Zorgverzekering bij het toepassen van het preferentiebeleid. Bij het niet naleven van de wettelijke regels kan de NZa handhaven en passende toezichtinterventies bepalen.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden?
Ik heb deze vragen één voor één beantwoord. Vanwege onder andere de voor de beantwoording van uw vragen noodzakelijke afstemming is beantwoording binnen drie weken helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht ‘Blauwe bessen AH mogelijk besmet met hepatitis A’ en de kamerbrief daarover |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten of het voor de NVWA mogelijk was geweest om de besmetting met hepatitis A op bevroren blauwe bessen eerder te ontdekken en wat de reden is dat dit niet eerder gelukt is?1 2
Als onderdeel van het toezicht op de voedselveiligheid, voert de NVWA inspecties uit bij voedselproducerende bedrijven en neemt steekproefsgewijs monsters voor analyse op de aanwezigheid van mogelijke ziekteverwekkers, onder andere Hepatitis A Virus (HAV). De partij blauwe bessen die uit de handel is gehaald, viel niet binnen de (steekproefsgewijze) selectie voor analyse van het monitoringsprogramma van de NVWA.
Gezien het aantal partijen levensmiddelen dat jaarlijks in Nederland in de handel zijn, is de kans dat de NVWA die specifieke partij bemonsterd en geanalyseerd zou hebben ook verwaarloosbaar klein. Daarnaast is microbiologische besmetting in de regel niet homogeen verdeeld, wat de kans van aantreffen van het virus nog kleiner maakt. Ik wil benadrukken dat het testen van producten op microbiologische risico’s een sluitstuk is ter verificatie van de risicobeheersing door de producent in de gehele keten. Hierbij is het naleven van met name de hygiëne voorschriften van essentieel belang om microbiologische besmetting van voedsel te voorkomen.
Er zijn op dit moment geen aanwijzingen van tekortkomingen bij Nederlandse bedrijven, daarnaast doen de Poolse autoriteiten onderzoek naar de teelt, oogst en eerste handelsfase aldaar van deze partij.
Helaas is deze partij blauwe bessen bij consumenten terecht gekomen en is het virus dus pas na gemelde ziektegevallen in beeld gekomen. Op 2 januari jl. heeft de NVWA van het RIVM het eerste signaal ontvangen dat bevroren blauwe bessen een mogelijke bron konden zijn van de recente Hepatitis A gevallen. Vervolgens heeft de NVWA, na contact met de GGD, monsters genomen van de producten die de patiënten nog in de vriezer hadden liggen. Vervolgens zijn de monsters naar Wageningen Food Safety Research (WFSR) gebracht voor analyse. Op 13 januari jl. zijn daar de eerste resultaten van bekend geworden en is dezelfde dag een terughaalactie met publiekswaarschuwing ingezet.
Klopt het dat volgens de wet- en regelgeving op het gebied van voedselveiligheid producenten en detailhandelaren verantwoordelijk zijn voor voedselveiligheid? Zo ja, wat vindt u ervan dat de NVWA deze besmetting heeft moeten ontdekken in plaats van de betrokken supermarkt zelf? Op welke manier mag verwacht worden dat de besmetting eerder ontdekt had kunnen worden en daarmee ziektegevallen voorkomen, zonder dat geldende regelgeving dit belemmert?
Levensmiddelenbedrijven zijn inderdaad primair verantwoordelijk voor voedselveiligheid en de overheid houdt hier toezicht op. Dat betekent dat de NVWA risico gebaseerd controleert of levensmiddelenbedrijven hun wettelijke verantwoordelijkheden in deze nakomen. Ook een goed werkend risicobeheersingssyteem kan niet volledig voorkomen dat een onveilig product op de markt kan verschijnen of ontstaan. Het terugroepen van producten wanneer ze een risico vormen voor de volksgezondheid betekent dat het voedselveiligheidssysteem werkt. Zie voor verdere informatie de webpagina van de NVWA waarop deze meldingen worden gepubliceerd https://www.nvwa.nl/onderwerpen/veiligheidswaarschuwingen/overzicht-veiligheidswaarschuwingen
Bent u van mening dat de kwaliteitscontroles van de supermarkt en zijn leverancier(s) tekort zijn geschoten? Welke lessen kunnen hieruit getrokken worden om nieuwe voedselveiligheidsincidenten te voorkomen en eerder te ontdekken?
Nee, vanuit de inspectiegegevens is bekend dat de bedrijven betrokken in deze casus ook periodieke controles op Hepatitis A Virus uitvoeren.
Op aangeven van de NVWA zal het bedrijf waar het onveilige product vandaan komt, ook maatregelen moeten nemen om de risico te mitigeren c.q. te voorkomen. De begrijpelijke media-aandacht voor deze casus doet geen recht aan het in de basis goed functionerend voedselveiligheid systeem in de EU. We gaan daarom door met het zo goed mogelijk invullen onze verantwoordelijkheden binnen dit systeem.
Is het mogelijk om de voedselveiligheid hoog te houden en besmettingen van voedselproducten te verminderen zonder extra regels of wetten? Zo ja, op welke manier bent u van plan hier het beleid op aan te scherpen en wanneer kan de Kamer daarover informatie verwachten?
Het niveau van de voedselveiligheid in Nederland is hoog. Op basis van de inspecties, monsteranalyses, risicoanalyses en de geconstateerde afwijkingen, kan geconcludeerd worden dat het voedsel dat aangeboden wordt aan de consument in het algemeen veilig is.
Ook het consumentenvertrouwen in de veiligheid van ons voedsel is groot en al vele jaren redelijk stabiel. Dat wil niet zeggen dat er nooit een onveilig product op de markt verschijnt of ontstaat.
Het is natuurlijk heel spijtig dat in deze casus ziektegevallen zijn geweest, maar tegelijkertijd heeft de snelle publieke waarschuwing zeer waarschijnlijk nog meer ziektegevallen kunnen voorkomen. Ik zie op dit moment geen reden om de huidige regelgeving aan te scherpen.
Bent u bekend met de berichten «Wie betaalt voor zorg op school? In Limburg krijgen ouders van kwetsbare kinderen de rekening» en «Vage facturen en creatief boekhouden op Maastrichtse school voor gehandicapte kinderen: «Ouders staan met hun rug tegen de muur»»?1
Ja.
Klopt het dat deze financiële constructie momenteel op meerdere of zelfs veel plaatsen in Nederland gebruikt zou worden? Zo ja, kunt u hiervan een beeld schetsen?
Het is van belang om de verschillende financieringsstromen en -doelen naast elkaar te bezien:
In het artikel wordt aangegeven dat een Zuid-Limburgse school voor meervoudig beperkte kinderen ouders vroeg om een deel van het persoonsgebonden budget (pgb) aan de school over te dragen, voor zorg onder schooltijd. Constructies zoals deze zien we op meer plekken.
Wanneer een leerling meer nodig heeft dan wat binnen de basisondersteuning en aanvullende ondersteuning van het gespecialiseerd onderwijs geboden kan worden, kunnen scholen in afstemming met ouders afspraken maken over de inzet van een deel van het pgb. Waarbij het moet gaan om ondersteuning of zorg die valt onder de verantwoordelijkheid van de Wlz, de Jeugdwet en/of de Zvw en deze ondersteuning of zorg nodig is om onderwijs te kunnen volgen. Scholen of samenwerkingsverbanden mogen geen financiële bijdrage uit het pgb aan ouders vragen voor een onderwijstaak, of de onderwijsondersteuning. In het geval van de Jeugdwet dient de gemeente als verstrekker goedkeuring te geven op de aanvraag voor pgb in het onderwijs.
Vindt u het toelaatbaar en bevredigend dat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een toelaatbaarheidsverklaring afgeeft aan het bevoegd gezag voor de zwaarste categorie ondersteuning, terwijl op voorhand duidelijk is dat de school dit geld niet direct zal gaan besteden aan de leerling en het probleem ondanks de afgegeven hoge bekostiging verplaatst wordt naar de ouders? Hoe is deze praktijk te rijmen met het uitgangspunt dat de zorgmiddelen van ouders niet mogen worden meegewogen in de keuze van de bekostigingscategorie?2
Het samenwerkingsverband geeft toelaatbaarheidsverklaringen af. DUO registreert deze en berekent op basis daarvan de bekostiging voor de school.
Het geld dat een school ontvangt, is niet gebonden aan specifieke leerlingen, het is een lumpsum. Het staat het samenwerkingsverband vrij om een betalingsconstructie met een school af te spreken waarbij budget wordt teruggestort. Dit is een privaatrechtelijke overeenkomst. De school heeft in samenwerking met het samenwerkingsverband de taak om ervoor te zorgen dat de leerlingen de juiste onderwijsondersteuning krijgen in het kader van passend onderwijs. Hoe zij die financiering hiervoor regelen, is aan deze partijen.
Is de door het bevoegd gezag gehanteerde financiële constructie voorafgaand aan de toepassing voorgelegd aan de medezeggenschapsraden? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat waren de reacties? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend is hierover in de medezeggenschapsraad (MR) van de school gesproken. De Inspectie van het Onderwijs heeft in april 2021 in antwoord op vragen van een toenmalig lid van de MR aangegeven dat de financiële constructie rechtmatig was.
Mogen scholen de persoonsgebonden budget (pgb) middelen van ouders bundelen om zorgpersoneel aan te nemen? Klopt het dat scholen de ouders niet kunnen verplichten een deel van het persoonsgebonden budget aan de school over te dragen indien de middelen niet individueel worden besteed?
Het klopt dat de school ouders niet kan verplichten om pgb-middelen in te zetten op school.
Zoals in vraag 2 is toegelicht, kan de school in overleg met ouders wel tot overeenstemming komen om middelen uit het pgb in te zetten voor zorg en ondersteuning op school. Waarbij in afstemming met ouders ook afspraken gemaakt kunnen worden over het bundelen van de pgb middelen om zorgpersoneel collectief in te zetten.
Heeft de Inspectie van het Onderwijs in de afgelopen jaren onderzocht in hoeverre sprake is van individuele besteding van de middelen van ouders, gezien de aanhoudende aandacht voor deze situatie?
De Inspectie van het Onderwijs heeft naar de besteding van zorgmiddelen geen onderzoek gedaan. Het gaat niet om bekostiging als bedoeld in de WEC en daarop gebaseerde regelgeving. De Inspectie van het Onderwijs heeft hier dus geen wettelijk taak en is dus ook niet bevoegd om onderzoek te doen naar de inzet van zorgmiddelen op school.
Welke rol hebben de leerplichtambtenaren in de regio in de afgelopen jaren vervuld, gelet op de mogelijke gevolgen voor kinderen van de weigering van ouders om een deel van het budget over te dragen?
Er zijn mij geen signalen bekend waarin kinderen gedupeerd zijn door de weigering van ouders om een deel van het pgb af te staan voor de financiering van zorg onder schooltijd.
Vindt u het ook onwenselijk dat grote verschillen kunnen ontstaan tussen ouders afhankelijk van de vraag of zij in staat en bereid zijn zich juridisch te verweren tegen aanspraken van het bevoegd gezag? Is het acceptabel dat een deurwaarder wordt ingezet om ouders onder druk te zetten?
Het is vanzelfsprekend dat afspraken over de inzet van pgb in overleg met ouders worden gemaakt.
Ik ga er daarbij vanuit dat scholen en ouders hier zorgvuldige en duidelijke afspraken over maken met elkaar en deze schriftelijk vastleggen. Ik verwacht van scholen dat zij een zorgvuldig proces doorlopen, voordat zwaardere middelen worden ingezet. Het is uiteraard onwenselijk dat ouders zonder dergelijke formele afspraken via bijvoorbeeld een deurwaarder onder druk worden gezet.
In hoeverre is sprake van rechtmatige en doelmatige bekostiging door samenwerkingsverbanden bij een kwijtschelding voor de aangesloten scholen bij het realiseren van lagere opbrengsten uit overdrachten van persoonsgebonden budget door ouders?
Uit het artikel blijkt niet dat het samenwerkingsverband iets heeft kwijtgescholden.
Kunt u aangeven hoe de gewraakte constructie zich verhoudt tot de contouren van de nieuwe wetgeving inzake de bekostiging van onderwijs en zorg? Vindt u ook dat de nieuwe wetgeving in ieder geval een einde zou moeten maken aan de schijn van schimmigheid en volstrekt transparant dient te zijn?
Met de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd wordt gewerkt aan een oplossing waarbij de organisatie en financiering van zorg onder schooltijd eenvoudiger en administratief armer georganiseerd wordt. Als de zorg collectief in natura beschikbaar is voor de leerlingen, hoeft er in beginsel geen pgb meer worden ingezet voor zorg in onderwijstijd. Ik onderschrijf dat transparantie altijd het uitgangspunt moet zijn bij de ontwikkeling van nieuw beleid en nieuwe wetgeving.
Bent u bekend met het Telegraaf-artikel «Rendement innovatie defensie erg groot: «magnetron, mobieltje en ducttape met dank aan leger»»1 en het gerelateerde onderzoek van RaboResearch?
Ja, wij zijn bekend met zowel het artikel als het onderzoek van RaboResearch.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het onderzoek van RaboResearch dat iedere geïnvesteerde euro in kennis en innovatie in de defensiesector een rendement van grofweg tussen de 8,10 euro en 9,40 euro oplevert? Bent u bereid hieraan concrete acties te verbinden? Zo ja, welke?
Het belang van kennis en innovatie (research & development (R&D)) voor een toekomstbestendige Defensieorganisatie en breder voor de welvaart van Nederland wordt onderkend. Onze Nederlandse krijgsmacht moet altijd een minimale voorsprong behouden op onze tegenstanders, op elk moment, op elke plek en voor iedere missie, om het gevecht te kunnen winnen. Daarom moeten we bij Defensie continu kennis opbouwen, leren en innoveren. De onderzoeks- en innovatiekracht van Nederland kan onze krijgsmacht en industrie versterken en daarmee actief en effectief bijdragen aan afschrikking en strategische autonomie. Sinds de Defensienota 2022 zijn er dan ook, jaarlijks, toenemende middelen beschikbaar gesteld om ons innovatief vermogen te vergroten.
Met de Defensienota 2022 zijn de middelen die vanuit Defensie beschikbaar worden gesteld voor kennis en innovatie fors toegenomen.2 Hiermee zijn diverse activiteiten gefinancierd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het versterken van onze strategische kennispartners TNO, NLR en Marin (TO2), de verbreding van onze samenwerking met nieuwe (inter)nationale kennispartners, het additionele budget voor technologieontwikkeling met industriepartners, de borging van innovatiecentra over de gehele Defensieorganisatie en het budget om te experimenteren met o.a. dual-use technologieën.3 Met deze middelen zijn al verschillende resultaten behaald en speelt innovatie een belangrijke rol in materieelprojecten.4
Met de Defensienota 2024 is er wederom extra geoormerkt budget beschikbaar gesteld voor R&D en de opschaling naar industriële kansen. In 2024 zijn vijf NLD gebieden geselecteerd waar Nederland een sterke kennis- en/of industriepositie in heeft en die van belang zijn voor de toekomst van de krijgsmacht: slimme materialen, intelligente systemen, quantum, ruimtevaart en sensoren. De nieuwe R&D- en industriemiddelen worden primair hierop gericht. Dit zijn gebieden met toepassingsmogelijkheden in zowel het civiele- als het militaire domein. In lijn met het RaboResearch onderzoek, is het mogelijk dat er op deze gebieden spill-over winst ontstaat vanuit Defensie R&D voor civiel of andersom. Op deze gebieden is ook een koppeling te maken naar de Nationale Technologie Strategie (NTS) en wordt met het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gekeken naar de mogelijkheden om samen op te trekken om multipliers te creëren. Samen met EZ en OCW werken we ook aan het bouwen van verschillende landelijke en regionale ecosystemen waarin er onderzoek wordt gefaciliteerd in zowel het civiele- als het militaire domein. Als Nederland komen we van ver, maar we zetten nu, middels de Defensienota 2024, grote stappen in het realiseren van onze ambities.
De beleidsambities worden uiteengezet in een nieuwe Strategische Agenda op kennis, innovatie en industrie die aankomend voorjaar met uw Kamer wordt gedeeld en bouwen voort op onder andere de Defensienota 2024. Tevens is in de kabinetsreactie5 op het AWTI adviesrapport «Kennisoffensief voor Defensie» uiteengezet op welke manier Defensie, OCW en EZ de samenwerking opzoeken, mede ten gunste van zowel de Nederlandse kennis- en innovatiepositie als de effectiviteit van de krijgsmacht.
Het RaboResearch onderzoek is verricht door vooraanstaande economen van één van de grootste banken in Nederland, een wereldwijd gerenommeerde financiële instelling. Wij hechten daarom waarde aan het onderzoek en zullen het nader beschouwen. De conclusies zijn ten opzichte van eerdere studies grotendeels vernieuwend. Gezien de geopolitieke ontwikkelingen en investeringen van en in Defensie (R&D), zijn de bevindingen betekenisvol voor Defensie, maar ook zeer relevant voor EZ, OCW, het Ministerie van Financiën (FIN) en kennis- en industriepartners. Defensie is voornemens in gesprek te treden met diverse stakeholders, waaronder de auteurs van het artikel, om de beleidsimplicaties nader te duiden.
Hoe beoordeelt u de constatering dat de achterstand van Europa (ten opzichte van de VS en China) op het gebied van onder andere AI, quantum en cybersecurity mede veroorzaakt is door de relatief gezien lage uitgaven aan kennis en innovatie op defensiegebied? Kunt u dit onderbouwen?
De kennis- en innovatie budgetten van Europa en Nederland zijn in zowel absolute zin als procentueel lager dan de budgetten van de VS en China. Het is aannemelijk dat de achterstand op AI, quantum en cybersecurity ten opzichte van deze landen, mede veroorzaakt is door lagere investeringen in deze gebieden en het (ongunstigere) investerings- en innovatieklimaat in Europa.6 Hiernaast kunnen deze landen ook sneller opschalen door minder beperkende omgevingsfactoren en komen zij op die manier sneller tot use casesom van te leren en door te ontwikkelen. Met ingang van de Defensienota 2022 zijn de Defensie R&D-investeringen, onder andere op deze gebieden, aanzienlijk toegenomen. Daarnaast komen deze gebieden terug in de hiervoor genoemde NLD gebieden (intelligente systemen en quantum) waar geoormerkt budget voor beschikbaar is en zijn zij ook opgenomen in de NTS.7 De ambities op de 5 NLD gebieden worden in de aankomende Strategische Agenda verder uiteengezet. Ook wordt in deze Strategische Agenda ingegaan op hoe Defensie, EZ en OCW kunnen samenwerken op de NLD gebieden en toepassingsgebieden van de NTS. Hiernaast is een speerpunt van de nieuwe Europese Commissie om het concurrentievermogen, waaronder het investerings- en innovatieklimaat van de EU, te versterken. Het kabinet deelt de urgentie8 die de Europese Commissie hiervoor voelt en kijkt uit naar de voorstellen die de Commissie zal doen als concrete opvolging van bijvoorbeeld het Draghi rapport. De beoordeling van de verschillende voorstellen komt via de gebruikelijke route naar uw Kamer toe.
Gegeven de grote meerwaarde die de US DARPA (c.q. het Amerikaanse hoofdkwartier voor de ontwikkeling van militaire technologie) heeft gehad voor de vele toepassingen waarop de huidige Amerikaanse economie gebaseerd is; bent u van mening dat Europa ook een dergelijk instituut zou moeten opzetten? Zo niet, waarom?
DARPA financiert en stimuleert onderzoek naar nieuwe technologieën die de nationale veiligheid van de VS bevorderen. Zij versnellen innovatie van militaire toepassingen door samen met universiteiten, bedrijven en andere overheidsinstanties snel nieuwe technologieën te ontwikkelen en toe te passen in de praktijk. In het volledige innovatietraject hebben zij een rol. Hiernaast richt DARPA zich op het voorspellen en aanpakken van toekomstige veiligheidsuitdagingen om een technologische voorsprong te hebben in toekomstige conflicten. Voor deze taken hadden zij in 2024 een budget van ruim $ 4,1 miljard.
Voor Europa zijn de taken die in de VS bij DARPA belegd zijn, zowel in NAVO-verband als op Europees en nationaal niveau belegd. Op Europees niveau financiert (met een budget van € 1 miljard per jaar) en stimuleert het Europees Defensiefonds (EDF) onderzoek naar nieuwe technologieën voor 27 landen. Het EDF is een financieringsinstrument van de Europese Unie dat tot doel heeft de samenwerking en innovatie binnen de Europese Defensie-industrie te versterken en is sinds 2021 volledig operationeel. Het biedt financiële steun aan projecten die gericht zijn op de ontwikkeling van geavanceerde technologieën en creëert samenwerking tussen private en publieke partijen. Zij zetten bijvoorbeelddevelopment calls uit waarin aan gezamenlijke ontwikkelingen wordt gewerkt tussen landen, inclusief onderzoeksinstellingen en industrie. Naast het EDF faciliteert NAVO ook (internationale) kennis en innovatie, bijvoorbeeld in de NATO Science & Technology Organisation (STO) waar Nederland actief aan deelneemt, het NATO Innovation Fund wat haar hoofdkwartier in Amsterdam heeft en de Defence Innovation Accelerator for the North Atlantic (DIANA) waar Nederland actief gebruik van maakt.
Nationaal heeft Defensie drie strategische kennispartners (TNO, NLR en Marin) die ontwikkelingen op technologieën, en breder op concepten, stimuleren met andere kennis- en industriepartners. Daarnaast werkt Defensie structureel samen met denktanks en in toenemende mate met civiele kennispartners. Het ecosysteem van Defensie is met ingang van 2022 aan het groeien en het aantal kennis- en industriepartners stijgt. Met de keuze voor 5 NLD gebieden met dual-use toepassingen wordt deze samenwerking verder gefaciliteerd en kunnen positieve spill-over effecten richting zowel civiel als militair worden vergroot. Hiernaast zijn we momenteel ervaring aan het opdoen met het opzetten en uitzetten van DARPA-achtige calls op de 5 NLD gebieden, zoals ook genoemd in de kabinetsreactie op het rapport van de AWTI «Kennisoffensief voor Defensie». Concreet worden er Purple Nectar Quantum challenges opgelopen vanuit Defensie en wordt onderzocht of Defensie mee kan doen met calls die dit voorjaar door Quantum Delta NL worden uitgeschreven. Het doel van deze calls is om disruptieve innovatie en de toepassing van quantumtechnologie te stimuleren.
Op dit moment wordt er geen meerwaarde gezien in het oprichten van een aanvullend DARPA-achtig instituut op Europees of nationaal niveau, omdat de al aanwezige instituten en instrumenten deze rol in samenwerking naar wens vervullen. Hiernaast is het budget van DARPA vele malen groter dan het Europees of nationaal budget waardoor samenwerking essentieel is om dezelfde slagkracht te hebben als dat het DARPA-instituut in de VS heeft.
Bent u van mening dat Nederland mogelijk zelf een equivalent van het Amerikaanse DARPA zou moeten opzetten? Kunt u hierop reflecteren?
Op dit moment niet. Zie het antwoord op vraag 4 voor toelichting.
Bent u nog steeds van mening – blijkens uw antwoorden tijdens de plenaire behandeling van de Defensiebegroting 2025 – dat het Europese Defensiefonds (EDF) qua impact vergelijkbaar is met de US DARPA? Zo ja, waaruit blijkt dit volgens u?
Het EDF is een belangrijk instrument voor Europese Defensie-innovatie. Het blijft echter zo dat DARPA in financiële omvang veel groter is dan het EDF, al veel langer bestaat en slechts één klant bedient. Het kennis-, innovatie- en (Defensie-)industrielandschap in de VS is tevens ook niet één-op-één te vergelijken met dat van Europa of Nederland. Daarom is het niet mogelijk om deze vergelijking alleen op het EDF te richten, zie het antwoord op vraag 4 voor toelichting op meer instellingen en instrumenten die een deel van de rollen van DARPA ondervangen.
Op welke manier wil het kabinet, gezien de alarmerende veiligheidssituatie, zowel in nationaal als Europees verband de nodige inhaalslag maken op het gebied van kennis en innovatie in de defensiesector?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Met de Defensienota 2022 en de Defensienota 2024 zijn de middelen voor kennis en innovatie aanzienlijk toegenomen. Met de Defensienota 2024 is er € 1,1 miljard beschikbaar gekomen voor productiezekerheid en opschaling, met een focus op innovatieve kansen die Nederland te bieden heeft. Door meer focus te kiezen (NLD gebieden), wordt er gerichter geïnvesteerd en met andere (overheids)partners gezocht naar multipliers, om als Nederland echt uit te blinken op een aantal sleuteltechnologieën. Op deze manier kan Nederland een strategische plek innemen in cruciale waardenketens. Ook dragen we met de middelen voor innovatie bij aan nieuwe digitale technologieën in het veld en versterkt de digitale transformatiestrategie andersom weer ons innovatief vermogen. In de aankomende Strategische Agenda wordt het nieuwe kennis, innovatie en industriebeleid verder uiteengezet, voortbouwend op de Defensienota 2024, recente Kamerbrieven en de kabinetsreactie op het hiervoor genoemde AWTI-advies. Het streven is bijvoorbeeld om, in lijn met het AWTI-adviesrapport, bestaande kennis en infrastructuur in die gebieden zo goed mogelijk te benutten. Daarom wordt er gewerkt aan het intensiveren van de samenwerking met publieke kennisinstellingen. Daarmee ontsluiten we nieuwe en bestaande inzichten voor kennis en innovatie in de Defensiesector.
Hoe reflecteert u op het gegeven dat nog geen tien procent van de defensiekennis- en innovatietrajecten in Europese gezamenlijkheid plaatsvindt? Welke gevolgen heeft dit voor de positie van Europa op het gebied van ontwikkeling van militaire technologie ten opzichte van de VS en China? Kunt u hierop reflecteren?
Binnen Europa wordt beoogd fragmentatie te voorkomen omdat dit onze concurrentiepositie kan verzwakken. Dit is één van de redenen waarom het EDF is opgericht. Het EDF is pas sinds 2021 volledig operationeel. In vier jaar tijd heeft dit fonds er mede voor gezorgd dat er meer Defensiekennis- en innovatietrajecten in Europese gezamenlijkheid plaatsvinden. We streven naar meer Europese samenwerking om onze Europese autonomie te versterken en onze concurrentiepositie te verbeteren. Dit kabinet zet zich hiervoor in en wil meer strategisch en gericht op de lange termijn acteren in het EDF om in gezamenlijkheid meer kennis en innovatietrajecten te starten. Een betere samenwerking en een toename van het aantal gezamenlijke trajecten zorgt ervoor dat onze achterstand op de VS en China verkleind kan worden.
Welke concrete acties onderneemt u om meer onderzoek en innovatie in gezamenlijk Europees verband te stimuleren? Welke concrete resultaten heeft het kabinet tot dusverre geboekt?
Er zijn verschillende manieren waarop onderzoek en innovatie in Europees verband gestimuleerd worden. In bilateraal overleg werkt Nederland nauw en uitgebreid samen op diverse onderwerpen met omringende landen, zoals Duitsland, Frankrijk, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Nederland is ook actief in verschillende activiteiten van het Europees Defensieagentschap (EDA) en binnen het EDF, waarin ook diverse Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven actief zijn. Ook worden er in samenwerking met EZ en RVO jaarlijkse innovatiemissies naar Europese landen georganiseerd om de Defensie-industrie met elkaar in contact te brengen. Hiernaast treedt Nederland regelmatig in gesprek met landen in Europa die dezelfde ambities hebben en onderzoeken we gezamenlijk hoe we concrete acties hieraan kunnen verbinden om onze gezamenlijke positie te verbeteren.
Erkent u het belang van de 2%-norm die in Europees verband is overeengekomen op het gebied van investeringen in fundamentele kennis en innovatie in de defensiesector? Kunt u hierop reflecteren?
Het EDA heeft als doel gesteld om een collectieve benchmark af te spreken van 2% van de totale Defensie-uitgaven voor Research & Technology (R&T). Dit gaat om een specifiek gedeelte van de R&D-activiteiten waar het RaboResearch onderzoek over gaat. Een dergelijke benchmark in Europees verband heeft meerwaarde omdat het zorgt voor aandacht en onderkenning van het belang van R&D en specifiek fundamenteel onderzoek- en technologieontwikkeling (R&T) waar de markt gesteund dient te worden, zoals voor de Defensie-industrie veelal nodig is (geweest).
Waarom blijft Nederland al jaren steken op 1,3% aan investeringen in fundamentele kennis en innovatie in defensie als onderdeel van het totale defensiebudget? Hoe vindt u dit te verantwoorden in een tijd waarin er een grootschalige oorlog plaatsvindt op het Europese continent? Kunt u dit onderbouwen?
Tussen 2021 en 2024 zijn de bestedingen vanuit Defensie aan Research & Technology (R&T) met ruim 60% toegenomen, van circa € 150 mln. per jaar naar circa € 250 mln. per jaar.9 Deze groei reflecteert het streven om meer middelen beschikbaar te stellen voor fundamentele kennis en innovatie. Zie het antwoord op vraag 2 voor meer informatie over hoe deze middelen ingezet zijn. Naast de uitgave aan lang-cyclische innovatie (m.a.w. de R&T uitgave), wordt er sinds 2022 aanzienlijk geïnvesteerd in kort-cyclische innovatie. Dit gaat o.a. om innovaties die in materieelprojecten kunnen landen, zoals een innovatieproject op gebied van Unmanned Surface Vessels(USV’s) dat meegenomen kan worden in de verwerving van USV’s voor aan boord van de, nu in aanbouw, Anti Submarine Warfare-fregatten en een innovatieproject naar het ombouwen van een Bushmaster naar een hybride variant. Kort-cyclische innovatiemiddelen worden niet meegerekend in de KPI R&T. Ondanks de toenames in budgetten voor Defensie, heeft Defensie een grote groeiopgave en zijn er alsnog meer behoeftes om de krijgsmacht op orde te krijgen dan dat hier middelen voor beschikbaar zijn. Er moeten keuzes gemaakt worden, waarbij er gekozen is voor een sterke toename in R&T-budgetten. Deze toenemende budgetten volgen een realistisch groeipad waarbij rekening wordt gehouden met het absorptievermogen van zowel onze (kennis)partners als de Defensieorganisatie zelf om behoeftes te stellen en bevindingen te absorberen. Het doel van Defensie is om waardevolle R&D-activiteiten te ondernemen t.b.v. de toekomstbestendige slagkracht van de krijgsmacht, het vergroten van onze strategische autonomie en positieve spill-overste creëren naar het civiele domein. Het laten toenemen van het percentage voor fundamentele kennis en innovatie activiteiten is zodoende wel een streven maar niet de enige richtsnoer in een context waar financiële keuzes alsnog gemaakt moeten worden.
Bent u van mening dat met een procentuele toename van het totale defensiebudget er – naast een absolute toename – ook een procentuele toename van het fundamentele kennis- en innovatiebudget moet plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet van mening dat een procentuele toename van het totale Defensiebudget automatisch een procentuele toename van het R&T-budget moet betekenen. De verdeling van de beschikbare middelen is gebaseerd op verschillende behoeften en prioriteiten, rekening houdend met o.a. operationele eisen, capaciteitsontwikkeling, internationale afspraken en langetermijneffecten, niet alleen één norm. We beseffen wel dat een stijgend Defensiebudget mede ten goede moet komen aan innovatie. Zie het antwoord op vraag 11 voor verdere toelichting.
Bent u bereid uw standpunt te herzien en in samenwerking met partners uit het (defensie)kennis- en ecosysteem te komen tot een groeipad richting de 2% uitgaven aan fundamenteel onderzoek en innovatie als onderdeel van de defensiebegroting? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er is sinds 2022 een steil groeipad in gang gezet in de R&T-uitgaven, deze is met de Defensienota 2024 verder toegenomen. Ondanks een grote kennis- en innovatiebehoefte vanuit de Defensieorganisatie, is de financiële ruimte voor R&T op dit moment in lijn met het beschikbare absorptievermogen en is het passend gemaakt binnen de bredere financiële afwegingen die gemaakt dienen te worden. Zie ook de antwoorden op vragen 11 en 12 voor verdere toelichting.
Kunt u de bovenstaande vragen apart van elkaar beantwoorden?
Ja, alle bovenstaande vragen zijn apart beantwoord.
De sektarische twee-aan-twee beweging die ook in Nederland slachtoffers maakt |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Struycken , Ingrid Coenradie (PVV), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Was u reeds bekend met de sektarische twee-aan-twee beweging, die internationaal onder vuur ligt door misbruik?1
Nee ik was er niet bekend mee, maar ik heb me inmiddels laten informeren.
Wat is uw reactie op het onderzoek van het Nederlands Dagblad naar deze beweging, waaruit blijkt dat deze ook in Nederland honderden aanhangers heeft, en slachtoffers maakt?2
De verhalen en ervaringen van ex-leden over geestelijke dwang en isolatie, geestelijke mishandeling en seksueel (kinder)misbruik binnen de Twee aan Twee-beweging zijn aangrijpend. Het is moedig dat deze personen hun persoonlijke ervaringen durven te delen. Seksueel en geestelijk misbruik zijn ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers, met langdurige gevolgen die hun dagelijks leven, relaties, werk en welzijn ingrijpend kunnen beïnvloeden. Van elk bestuur van een organisatie, zo ook de Twee aan Twee-beweging, verwacht ik dat zij alles in het werk stelt om (seksueel) misbruik tegen te gaan en slachtoffers te ondersteunen. Dit geldt in het bijzonder waar het kinderen betreft.
Bent u geschrokken van de verhalen en ervaringen van ex-leden die vertellen over een zeer gesloten gemeenschap met diepgelovige mensen, hoe ze beschadigd zijn door geestelijke dwang en isolatie, geestelijke mishandeling en seksueel (kinder)misbruik?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is er in Nederland bij de diverse instanties reeds bekend over deze beweging?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik contact opgenomen met de Nationale Politie, het OM en de Raad voor de Kinderbescherming. Bij de Nationale Politie zijn er geen meldingen in dit verband. Naast de mogelijkheid dat er over strafbare feiten binnen deze beweging geen meldingen zijn gedaan, kunnen er meldingen zijn gedaan zonder dat de gemeenschap specifiek is genoemd. Ook bij het OM zijn er geen zaken geregistreerd met betrokkenheid van deze beweging. De Raad voor de Kinderbescherming geeft eveneens aan niet bekend te zijn met deze beweging.
Denkt u ook dat het risico juist in zeer gesloten groepen aanwezig is dat misbruik en andere misstanden verborgen blijven, juist vanwege de bangmakerij en de isolatie maar ook vanwege de angst de naam van de groep «uitverkorenen» te beschadigen?
Misbruik komt helaas voor in alle lagen van de samenleving en in diverse gezinsverbanden en gemeenschappen. Echter, zeer gesloten groepen brengen door hun hiërarchie, geslotenheid en ideologie een verhoogd risico op systematisch en onbestraft misbruik met zich mee. In dergelijke gemeenschappen kan het delen van ervaringen en het zoeken naar hulp bemoeilijkt worden door onder meer sterke loyaliteit, geheimhouding, machtsstructuren en een hoge mate van (dwingende) controle. Leden voelen zich vaak niet veilig om te spreken uit angst voor sociale uitsluiting of repercussies, wat leidt tot isolement en beperkte toegang tot externe hulpbronnen. Het is daarom van groot belang om bewustzijn te creëren over deze dynamieken, waar mogelijk maatregelen te nemen om misbruik te voorkomen en hulp te organiseren voor slachtoffers.
Deelt u de mening dat onafhankelijk onderzocht moet worden wat de aard en omvang is van deze groep, wat de werkwijze is en tot welke misstanden dit leidt?
Ik zie op dit moment geen noodzaak voor onafhankelijk onderzoek naar deze specifieke groep. Momenteel wordt een online advies-, hulp- en kennispunt opgezet bij Fier, dat zich richt op dwingende groepen. Fier investeert in het opbouwen van expertise over misstanden binnen deze groepen. Hiervoor wordt samengewerkt met deskundigen op operationeel en wetenschappelijk gebied, zowel nationaal als internationaal. Zo hebben medewerkers van Fier ook contact gehad met de journalisten van het ND om zich te laten informeren over het onderzoek naar de Twee aan Twee-beweging. De opgedane kennis vormt de basis voor het platform en voor de gerichte en onderbouwde inzet van de hulpprofessionals die betrokken zijn bij de anonieme online hulpverlening. Vanuit deze kennispositie wordt er gewerkt aan kennisdeling, bijvoorbeeld door voorlichtingssessies voor professionals te organiseren. Er wordt ook nadrukkelijk stilgestaan bij het uitwisselen van informatie over trends en ontwikkelingen met politie en OM.
Ziet u hierin ook een rol weggelegd voor Justitie vanwege de ernst van de misstanden zoals het seksueel misbruik?
Zoals aangegeven zijn er geen zaken bekend bij het OM met betrokkenheid van deze beweging en zijn er ook geen meldingen in dit verband gedaan bij de politie. Zowel de politie als het OM hebben de mogelijkheid om ambtshalve een opsporingsonderzoek te starten en zaken te vervolgen. Echter, daarvoor moet ook sprake zijn van concrete informatie die kan leiden tot een individualiseerbare verdenking. Hier is in dit geval, op basis van de gepubliceerde of andere beschikbare informatie, geen sprake van.
Gelet hierop is er, voor nu, geen aanleiding en mogelijkheid voor breed (strafrechtelijk) onderzoek naar deze beweging.
Welke mogelijkheden zijn er voor gedupeerden om hun verhaal te doen en hulp en bijstand te krijgen? Krijgen zij volgens u nu voldoende bescherming en zo niet, welke maatregelen gaat u daarvoor nemen?
Er zijn mogelijkheden voor gedupeerden om hun verhaal te doen en hulp en bijstand te krijgen. De politie blijft de aangewezen instantie voor het melden van strafbare feiten, waar men aangifte kan doen of een melding kan maken, zeker wanneer er sprake is van onveiligheid. Voor anonieme meldingen kan ook Meld Misdaad Anoniem worden ingeschakeld. Slachtofferhulp Nederland biedt emotionele ondersteuning, praktische hulp en juridisch advies aan slachtoffers van strafbare feiten. Voor hulp na een nare seksuele ervaring kunnen mensen altijd terecht bij het Centrum Seksueel Geweld. Slachtoffers kunnen ook hun verhaal delen met een hulpverlener via de chat van Fier, landelijk expert op het gebied van (seksueel) geweld, uitbuiting en eerkwesties.
Bij de Twee aan Twee-beweging zie ik een sterke ideologie en een zekere mate van isolatie van de reguliere maatschappij. Dit maakt het waarschijnlijk dat slachtoffers binnen deze beweging niet gemakkelijk naar voren komen of zich melden bij reguliere instanties. Dit roept bij mij de vraag op hoe we de drempel voor slachtoffers uit dergelijke gemeenschappen zo laag mogelijk kunnen maken, zodat ze zich durven te melden en hulp kunnen accepteren wanneer dat nodig is. Om deze reden wordt in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij Fier een hulppunt opgezet dat specifiek is gericht op slachtoffers van dwingende groepen. Hiermee komt er één herkenbaar punt voor hulp en doorverwijzing voor slachtoffers. De website van Fier zal informatie bevatten over dwingende groepen, risico-indicatoren en een hulpwijzer. De ondersteuning van Fier is bedoeld om slachtoffers aan te moedigen zich te melden. Hiervoor zal Fier zich in haar communicatie richten op het creëren van een uitnodigende sfeer, zodat ook leden van de Twee aan Twee-beweging zich aangespoord voelen om contact op te nemen. Slachtoffers en hun naasten kunnen anoniem op een veilige en laagdrempelige manier chatten, en via die weg informatie, advies en hulp ontvangen. Het is de bedoeling dat de chat in contact staat met hulpverleningspartners en opsporingsinstanties, zodat slachtoffers ook fysiek ondersteuning kunnen krijgen als zij dit zelf willen. Het hulp- en kennisplatform zal de zomer van 2025 live gaan, maar Fier heeft aan het ND laten weten dat slachtoffers zich nu al kunnen melden indien er sprake is van geweld in afhankelijkheid of seksueel geweld.
Het bericht 'Noodfonds Energie stopt in 2025 door gebrek aan bedrijfssteun' |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Noodfonds Energie stopt in 2025 door gebrek aan bedrijfssteun» van 20 december 2024?1
Ja.
Erkent u dat het Noodfonds Energie de afgelopen jaren een effectieve manier was om kwetsbare huishoudens met een erg hoge energierekening ondersteunen?
Ja. Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft in 2023 en 2024 in totaal zo’n 160.000 huishoudens geholpen bij het betalen van de energierekening. Het Noodfonds heeft laten zien dat het op een zeer gerichte wijze heel veel kwetsbare huishoudens kan helpen, waarbij huishoudens ontzorgd worden bij de aanvraag en de vergoeding direct verrekend werd met de energierekening. De inzet van dit Kabinet is altijd geweest om voor 2025 te komen tot een fonds dat huishoudens met een laag (midden) inkomen en een hoge energierekening ondersteunt bij het betalen van hun energierekening, maar dat hierbij ook een koppeling wordt gemaakt met verduurzaming van de woning.
Erkent u dat ook in 2025 een serieuze groep mensen baat zou hebben bij het energiefonds en zij niet kunnen wachten tot een mogelijk nieuw fonds in 2026?
Ja. Een deel van de huishoudens in Nederland heeft op dit moment moeite met het betalen van de energierekening. Daarom zijn er na het kerstreces wederom constructieve gesprekken gevoerd met onder andere de energieleveranciers en Netbeheer Nederland. Er is daarbij breed gekeken naar mogelijke partijen die kunnen bijdragen. Na deze nieuwe ronde gesprekken zijn betrokken partijen het erover eens dat er ook voor dit jaar een energiefonds moet komen.
Het kabinet zoekt actief naar een oplossing om dit mogelijk te maken. Er wordt nu met alle betrokken partijen verder gewerkt om dit publiek-private fonds zo snel mogelijk te kunnen openen. Een van de punten die nader wordt uitgewerkt, is de bijdrage vanuit de energiesector aan de uitvoeringskosten van het energiefonds. Diverse energieleveranciers2 zijn reeds bereid om (opnieuw) een financiële bijdrage beschikbaar te stellen, waar wij hen erkentelijk voor zijn. Het is belangrijk dat de uitvoeringskosten om het energiefonds op te zetten niet door het Rijk bekostigd worden en daarmee het risico op staatssteun te mitigeren. Van een dergelijk risico is sprake als er geen Europese aanbesteding wordt doorlopen. Een Europese aanbesteding kent een lange doorlooptijd. Deze opzet voor een energiefonds in 2025 is niet aan de Europese Commissie voorgelegd om te laten toetsen op eventuele staatsteunaspecten.
Het energiefonds 2025 geldt als nieuw beleid dat in verband met het budgetrecht van de Eerste en Tweede Kamer pas van start kan gaan nadat de beide Kamers met de ontwerpbegrotingen hebben ingestemd. Om huishoudens zo snel mogelijk te kunnen ondersteunen bij de energierekening is subsidieverlening op korte termijn belangrijk. Om de effectiviteit van het beleid te waarborgen is het daarom van groot belang dat het wij zo snel mogelijk over kunnen gaan tot subsidieverlening. en niet hoeven te wachten op de stemmingen in de Eerste Kamer over de ontwerpbegroting 2025 van SZW. Hiermee kan het fonds een aantal weken eerder open. Dat maakt echt een verschil voor kwetsbare huishoudens.
De subsidieaanvraag en -verlening zal zo snel mogelijk worden gestart zodra de inleg vanuit de energiesector duidelijk is en de uitvoeringkosten gedekt zijn. De beschikbare middelen kunnen vervolgens direct aan Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) worden betaald, zodat het energiefonds na subsidieverlening zo snel als mogelijk operatief kan zijn. Daarom willen wij voor het energiefonds een beroep doen op artikel 2.25 lid 2 van de Comptabiliteitswet, zodat kwetsbare huishoudens zo snel mogelijk ondersteund kunnen worden bij het betalen van de energierekening (bijlage 1). Het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft minimaal 8 weken nodig vanaf het moment dat het formele verzoek van het kabinet wordt ingediend.
Wat is de reden dat het dit jaar niet is gelukt om met energieleveranciers, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties tot een afspraak te komen?
De gesprekken lopen nog. Zie het antwoord op vraag 3.
Zijn er nog andere partijen die zouden kunnen bijdragen aan het energiefonds, bijvoorbeeld netbeheerders, bedrijven of particulieren?
We zijn op dit moment nog met de netbeheerders in gesprek. Zie het antwoord op vraag 3.
Is de bijdrage van energieleveranciers, banken, gemeenten en maatschappelijke organisaties echt nodig om het Noodfonds Energie door te zetten?
Een bijdrage is nodig omdat de uitvoeringskosten van het energiefonds niet door het Rijk bekostigd mogen worden om het risico op staatssteun te mitigeren. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, ook met een kleinere bijdrage van de sector, de gereserveerde 60 miljoen voor het energiefonds beschikbaar te maken aan stichting Noodfonds Energie?
Het kabinet zoekt met alle betrokken partijen actief naar een oplossing om het energiefonds mogelijk te maken. Een van de punten die nader wordt uitgewerkt, is de bijdrage vanuit de energiesector aan de uitvoeringskosten van het energiefonds. Het is belangrijk dat de uitvoeringskosten om het energiefonds op te zetten niet door het Rijk bekostigd worden en daarmee het risico op staatssteun te mitigeren. Hiervan is sprake als er geen Europese aanbesteding wordt doorlopen. Een dergelijke procedure kent een lange doorlooptijd.
Het bericht ‘Jeugdzorginstellingen onder verscherpt toezicht: 'Jongeren opgesloten in kamer'' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Rosemarijn Dral (VVD) |
|
Struycken , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jeugdzorginstellingen onder verscherpt toezicht: «Jongeren opgesloten in kamer»»?1
Ja.
Hoe ondersteunt u de jeugdzorginstellingen tijdens de transitie naar jeugdzorg zonder gesloten deuren?
Voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp (af- en ombouw gesloten jeugdhulp en opbouw van alternatieven) is een bedrag beschikbaar van € 176 mln. Dat bedrag komt via een specifieke uitkering aan de zeven coördinerende gemeenten gesloten jeugdhulp beschikbaar.2 Daarnaast ben ik in gesprek met de aanbieders over een aanvullend programma voor de implementatie van de wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp. Daarover heb ik u geïnformeerd in de brief naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT).3 Ook het CPT had geconstateerd dat nog niet alle aanbieders volledig aan de vereisten van de Jeugdwet konden voldoen.
Hoe bent u van plan in te grijpen als instellingen zich niet aan de afspraken houden en afwijken van de gestelde norm met betrekking tot de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg?
Het verbeteren van de rechtspositie van jeugdigen in de gesloten jeugdhulp en het terugdringen van het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen vind ik twee belangrijke doelstellingen. Die horen onlosmakelijk bij de transformatie van de gesloten jeugdhulp. Daarom is het goed dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht houdt op normen waarvan de naleving deze twee doelen dient. Gelet op het belang dat ik aan deze doelen hecht ben ik ook in gesprek met de aanbieders over een aanvullend programma voor de implementatie van de wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp. Ik ga ervan uit dat we daarmee de aanbieders gaan helpen om aan deze normen te voldoen. Die verwachting is ingegeven door het feit dat de aanbieders in het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen al veel bereikt hebben. Mocht het verscherpt toezicht niet leiden tot de gewenste verbeteringen, dan kan de IGJ zwaardere maatregelen treffen zoals het geven van aanwijzingen.
Hoe gaat u, nu en in de toekomst, de vinger aan de pols houden bij instellingen in de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg zodat in 2030, of eerder, de gesloten jeugdzorg is vervangen door andere zorgvormen?
In juni 2024 heeft het Rijk bestuurlijke afspraken gemaakt met de VNG en Jeugdzorg Nederland over de transformatie gesloten jeugdhulp. Eén daarvan is dat de landelijke projectorganisatie de transformatie monitort en actief stuurt. Deze projectorganisatie staat onder leiding van de bestuurlijk aanjager en werkt in opdracht van Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland.
Deelt u de opvatting van Jeugdzorg Nederland dat het op dit moment niet mogelijk is om de gesloten jeugdzorg volledig af te bouwen? Hoe verzekert u dat in de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg de huidige ervaringen voldoende zullen worden betrokken?
Jeugdzorg Nederland heeft in juni 2024 de bestuurlijke afspraken transformatie gesloten jeugdhulp ondertekend. Daarin staat dat we in 2030 zo dichtbij mogelijk bij nul gesloten plaatsingen willen zijn. Die inzet lees ik ook in hun reactie op het besluit van de IGJ om zes aanbieders onder verscherpt toezicht te plaatsen.4 Daaruit leid ik niet af dat Jeugdzorg Nederland van opvatting is dat het niet mogelijk is de gesloten jeugdhulp volledig af te bouwen. Zij willen zich blijven inzetten om jeugdigen zorg te verlenen met zo min mogelijke vrijheidsbeperkende maatregelen. Dat waardeer ik. Daarom ben ik in gesprek met de instellingen over hun ervaringen en hoe zij aan de wet kunnen voldoen. Daarbij heb ik oog voor situaties waarin vrijheidsbeperkende maatregelen nodig zijn voor de bescherming en veiligheid van kwetsbare jeugdigen, zoals dreiging van automutilatie of suïcide, gevaar of onveiligheid uitgaande van zogeheten «loverboys» of gevaar vanwege verslavingsproblematiek.
Het artikel 'Ruim 700 aanhoudingen bij demonstratie Extinction Rebellion op A12' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste onrechtmatige «demonstratie» van XR?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Hoeveel van de ruim 700 opgepakte demonstranten zijn reeds vervolgd? Kunt u de Kamer informeren wanneer duidelijk is hoeveel van deze «demonstranten» vervolgd zijn?
Het Openbaar Ministerie (OM) doet op dit moment onderzoek naar mogelijke misdrijven die tijdens de demonstratie zijn gepleegd en zal daarna afwegen of vervolging opportuun is. Indien tot vervolging wordt overgegaan zal het OM hierover een persbericht uitbrengen.
Deelt u de mening dat de blokkades om deze demonstratie te voorkomen onvoldoende waren?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden.
In algemene zin kan daarbij opgemerkt worden dat de politie-inzet bij demonstraties in de eerste plaats gericht is op dialoog en de-escalatie. Preventief optreden is namelijk altijd wenselijker dan repressief optreden.
Tegelijker voelt het kabinet de spanningen die gepaard gaan met de categorie van vreedzame, maar wel ontwrichtende demonstraties. Omdat daar de wet bewust wordt overtreden, het tot gevaarlijke situaties leidt en het een enorm beslag legt op capaciteit bij de politie, het OM en gemeenten. Het gaat weliswaar om vreedzame demonstraties, maar het kabinet vindt het geen houdbare situatie.
Ook om die reden richt het onderzoek dat op dit moment via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) wordt uitgevoerd zich onder andere specifiek op deze categorie demonstraties. Met als doel het handelingsperspectief van alle betrokkenen te verstevigen en het wettelijke kader rondom het demonstratierecht te bestendigen. Daarnaast wordt indachtig de motie Eerdmans en Stoffer2 – en in lijn met de uitgangspunten uiteengezet in de Kamerbrief van 10 januari over actuele dilemma's over demonstreren in Nederland3 – in het eerste kwartaal van 2025 (dus parallel aan het lopende WODC-onderzoek) een wettelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties verkend.
Dit alles om als daar aanleiding toe is ook echt sneller, effectiever en gerichter op te kunnen treden tegen bewust ontwrichtende acties. Om de kleine groep relschoppers die hiervoor verantwoordelijk is scherper te kunnen onderscheiden van de rest. Dit vanzelfsprekend ongeacht het doel of de boodschap van de demonstratie.
Welke extra (preventieve) maatregelen gaat u nemen om de volgende geplande snelwegblokkade op 25 januari te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoeveel personen langer hebben moeten wachten op een ambulance vanwege de snelwegblokkade? Kunt u tevens aangeven wat de gemiddelde extra aanrijtijd van ambulances bedroeg? Kunt u tevens aangeven of hier in enig geval sprake is geweest van een dodelijk dan wel ernstig gewond slachtoffer?
De Regionale Ambulance Voorziening Haaglanden heeft laten weten dat drie ambulances hinder hebben ondervonden. Daarvan hebben zij opgemerkt dat dit te wijten was aan een combinatie van factoren, waaronder de blokkade, drukte op de weg en gladheid op de weg waardoor er meer verkeersongelukken waren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het plenaire debat over het demonstratierecht beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Nederlandse Syriëgezant spreekt met interim-bestuur in Damascus’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse Syriëgezant spreekt met interim-bestuur in Damascus»?1
Ja.
Bent u ook bekend met de waarschuwing van de Verenigde Naties (VN) Commission of Inquiry voor Syrië dat het bewijs van internationale misdrijven niet mag worden vernietigd of gemanipuleerd omdat «dit bewijs de beste hoop van Syriërs kan zijn om de waarheid over hun vermiste familieleden te achterhalen»?2 Welke inspanningen worden er genomen om het bewijs voor mogelijke schendingen gepleegd door het Assad-regime veilig te stellen?
Ja, het kabinet is bekend met de waarschuwing van de Commission of Inquiry en we delen hun zorgen. Om de waarheid over vermiste familieleden te achterhalen en straffeloosheid van de misdrijven begaan door leden van het Assad-regime te voorkomen, is het van groot belang dat het bewijsmateriaal van deze misdrijven naar behoren wordt verzameld en geconsolideerd. Nederland draagt hier actief aan bij. Zo steunt Nederland de VN-bewijzenbank van Syrië (IIIM) zowel politiek als financieel, en heeft het voor de jaren 2024–2025 een bedrag van EUR 500.000 toegezegd. Met deze Nederlandse steun wordt de bewijzenbank in staat gesteld om bewijsmateriaal van mensenrechtenschendingen te blijven verzamelen. Daarnaast zet Nederland zich in de komende VN-Mensenrechtenraad (24 februari–4 april 2025) wederom in voor de verlenging van het mandaat van de Commission of Inquiry voor Syrië zodat de Commissie het onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Syrië kan blijven voortzetten. Verder steunt Nederland NGO's zoals het Syria Justice and Accountability Center (SJAC), die actief bezig zijn met het verzamelen en veilig stellen van bewijsmateriaal, alsook met het creëren van bewustwording bij de Syrische bevolking van het belang om bewijsmateriaal te beschermen. Het Internationaal Gerechtshof (IGH) heeft Syrië overigens op 16 november 2023 opgedragen effectieve maatregelen te nemen om vernietiging van bewijs gerelateerd aan eventuele schendingen van het Antifolterverdrag te voorkomen en om dergelijk bewijs te bewaren. Deze uitspraak van het IGH blijft onverminderd van kracht terwijl de zaak van Canada en Nederland tegen Syrië aanhangig is en Nederland zal, als procespartij, waar nodig een beroep op Syrië doen om dit na te komen.
Hoe heeft de Speciaal Gezant voor Syrië het belang benadrukt van zorgvuldige bewijsvergaring tegen het oude regime, zoals mede is benoemd in de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2995)?
De Speciaal Gezant heeft in zijn gesprekken in Damascus aangedrongen op het belang van gerechtigheid en verzoening en daarbij gewezen op de capaciteit en expertise die nodig is om het bewijsmateriaal op gepaste wijze te verzamelen, organiseren en gebruiken. De Speciaal Gezant heeft benadrukt dat die expertise ruimschoots aanwezig is bij de betreffende VN-instellingen en daarin gespecialiseerde (Syrisch-geleide) NGOs. De interim-regering is zich daarvan bewust en zegt gerechtigheid na te streven als belangrijk resultaat van de interim-regering voor de bevolking, maar ontbeert de capaciteit en middelen daar zelf actief gevolg aan te geven. Daarvoor vraagt zij steun aan andere landen, zoals Nederland.
Wat vindt u ervan dat cruciale documentatie uit gevangenissen zoals Sednaya naar alle waarschijnlijkheid verloren is geraakt?3 Wat zijn de kansen en mogelijkheden om het terug te vinden?
Momenteel is nog niet duidelijk in hoeverre bewijsmateriaal daadwerkelijk verloren is gegaan. Desalniettemin erkent het kabinet de zorgelijke situatie bij de Sednaya-gevangenis, waarbij het beschikbare bewijsmateriaal nog niet naar behoren wordt beschermd. Daarom zet Nederland zich, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, actief in voor het verzamelen en consolideren van bewijsmateriaal om straffeloosheid van mensenrechtenschendingen tegen te gaan.
Welke inspanningen gaat u de komende periode leveren ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2995) om in te zetten op vervolging en bestraffing van leden van het Assad-regime, alsmede voor versterking van de bewijsbank?
De afgelopen jaren wordt de motie Van Baarle al uitdrukkelijk uitgevoerd. Nederland heeft, samen met Canada, Syrië aansprakelijk gesteld bij het Internationaal Gerechtshof. Deze zaak zal worden voortgezet. Juist nu, want waarheidsvinding en gerechtigheid zijn van groot belang voor verzoening in Syrië. Daarnaast zet Nederland zijn steun aan de VN-bewijzenbank van Syrië (IIIM) en de Commission of Inquiry voor Syrië voort (zie ook antwoord 2). De huidige situatie, waarin de roep om gerechtigheid voor de misdrijven gepleegd door het Assad-regime steeds sterker wordt, biedt kans om onze inzet op accountability verder te versterken. Denk hierbij aan het uitbreiden van financiële steun aan de IIIM en het versterken van de Commission of Inquiry. Of deze opties haalbaar en realistisch zijn, wordt momenteel bezien.
Heeft u specifiek antwoord op de vraag hoe Mazen al-Humada na zijn verblijf in Nederland in de Sednaya gevangenis is beland en is overleden? Bent u bereid om alles op alles te zetten om de toedracht te achterhalen en in te zetten op het vinden van de daders?
Ik heb kennisgenomen van het tragische bericht dat het lichaam van de heer Al Humada gevonden is en wil hierbij mijn medeleven betuigen richting de nabestaanden. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft destijds geen verzoek voor consulaire bijstand ontvangen van de familie of naasten van de heer Al-Hummada. Buitenlandse Zaken heeft geen opsporingsbevoegdheid en kan geen directe rol spelen in het vinden van de daders, die bevoegdheid ligt bij de lokale autoriteiten. Desalniettemin zet het kabinet zich in den brede in om de waarheid over vermiste familieleden te achterhalen en straffeloosheid van de misdrijven begaan door het Assad-regime te voorkomen (zie ook het antwoord 2, 4 en 5).
Het bericht inzake het Rapport dat de beveiliging staatsgeheimen NCTV en politie niet op orde is. |
|
Emiel van Dijk (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat beveiliging staatsgeheimen NCTV en politie niet op orde is?1
Ja.
Bent u bekend met andere casussen binnen de politie, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) of enige andere (semi) overheidsorganisatie waar staatsgeheime informatie verwerkt wordt dan wel ingezien of op enig andere wijze interactie mee plaatsvindt en sprake is van de verdenking van het bezitten en/of naar buiten brengen van deze informatie?
Ik heb op dit moment geen informatie die aanleiding geeft tot vermoedens van het bestaan van andere casussen binnen de politie of de NCTV waar sprake is van de verdenking van het bezitten en/of naar buiten brengen van deze informatie. Ik heb op dit moment geen informatie dat er binnen de politie en NCTV nog andere systemen zijn waarbij er (signalen van) verdenkingen zijn van het bezitten en naar buiten brengen van staatsgeheime informatie.
Zijn er binnen de politie en NCTV nog andere systemen en processen waarbij er (signalen van) verdenkingen zijn van het bezitten en naar buiten brengen van staatsgeheime informatie die niet direct onder de specifieke casus binnen de reikwijdte van het onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR) vallen?
Zie antwoord vraag 2.
Is er door de ADR enkel onderzoek gedaan naar verzamelen en verspreiden of ook naar beide zaken afzonderlijk?
Zoals reeds aan uw Kamer gemeld heeft de ADR geen persoonsgericht onderzoek gedaan, nu dit onder het strafrechtelijk onderzoek valt.
Het onderzoek van de ADR heeft zich toegespitst op de volgende onderzoeksvragen:
Op verzoek van mijn departement zijn daarbij aanvullend drie elementen in het onderzoek meegenomen:
Voor de bevindingen van de ADR op deze onderzoeksvragen verwijs ik naar het rapport dat ik uw Kamer op 13 december 2024 heb toegestuurd.
Welke zaken buiten het verzamelen en verspreiden van informatie door een persoon die werkzaam is binnen een van deze organisaties is de ADR tegengekomen in haar onderzoek die zij relevant achtten, maar niet in het rapport zijn opgenomen?
Deze vraag richt zich tot de ADR en kan ik daarom niet beantwoorden.
Voor wat betreft de peildatum 1 oktober 2023; hoe ver is door de ADR exact teruggekeken en zijn er in die zoektocht andere zaken bekend die raakvlak hebben met het verzamelen of verspreiden van informatie door 1 of meerdere (groepen van) personen werkzaam binnen, met of voor politie of NCTV?
Zoals reeds aan uw Kamer gemeld heeft de ADR geen persoonsgericht onderzoek gedaan. Dat is aan het openbaar ministerie. De ADR heeft als uitgangspunt voor de werking van systemen de periode van 1 oktober 2023 tot en met 1 oktober 2022 genomen.
Heeft de ADR ook gekeken naar de samenwerking van meerdere personen in groepen, koppels, clusters of personen die in andere verbanden werkzaam waren binnen of voor de organisatie (al dan niet op afstand, middels digitale toegang)?
De ADR heeft zich met haar onderzoek, zoals ook in het antwoord op vraag 4 benoemd, gericht op welke wijze de NCTV en politie hebben ingeregeld dat bijzondere informatie in de daarvoor gebruikte processen en systemen wordt behandeld conform het VIR-BI 2013 of de Rubriceringsregeling Politie 2015. Hiertoe behoort onder andere het mogelijk misbruik maken van deze processen en systemen. De focus van het ADR onderzoek lag op de afdeling Analyse Nationale Veiligheid van de NCTV en het CTER-cluster van de politie. Daarbij is door de ADR geen persoonsgericht onderzoek gedaan.
Hoeveel van deze personen zijn er werkzaam bij de NCTV en Politie die toegang hebben tot staatsgeheime/gerubriceerde informatie?
De medewerkers van de NCTV hebben toegang tot staatsgeheime informatie voor zover zij die nodig hebben in de uitoefening van hun werkzaamheden. Samenwerking in het kader van en toegang tot deze informatie vindt plaats op need to know-basis. Op deze toegang is een autorisatiebeleid van toepassing.
Medewerkers van de politie hebben toegang tot gerubriceerde en/of staatsgeheime informatie als dit nodig is voor de uitoefening van hun werkzaamheden. Op deze toegang is autorisatiebeleid van toepassing.
Omwille van de vertrouwelijkheid kan ik geen uitspraken doen over aantallen medewerkers.
Heeft de ADR in het onderzoek ook gekeken naar personen die op ZZP basis, als zelfstandige, o.b.v. detachering of andere wijze binnen de organisaties werkzaamheden hebben verricht en waarvan wordt vermoed dat zij staatsgeheime informatie hebben verzameld, verspreid of op andere wijze naar buiten hebben gebracht?
De ADR heeft geen persoonsgericht onderzoek gedaan. Voor zover bekend zijn er geen personen waarvan wordt vermoed dat zij staatsgeheime informatie hebben verzameld, verspreid of op andere wijze naar buiten hebben gebracht buiten het lopende strafrechtelijke onderzoek.
Kunt u alle beleidsstukken die na de peildatum van 1 oktober 2023 (1oktober incluis) naar de Kamer sturen, ook die stukken die wellicht niet als relevant worden geacht voor het in beeld brengen van maatregelen in geval van mogelijk misbruik?
Naar aanleiding van vraag 5 van de leden Six Dijkstra (NSC) en Mutluer (Groen Links-PvdA) d.d. 20 december 2024 nr 1187 heb ik relevante stukken geïnventariseerd en via separate Kamerbrief parallel aan deze beantwoordingaan uw Kamer verstrekt. De formulering van onderhavige vraag geeft mij geen concrete aanknopingspunten voor een andere of nadere inventarisatie van stukken. Ik ga er daarom vanuit dat met de stukken die worden verstrekt naar aanleiding van voornoemd informatieverzoek van de leden Six Dijkstra (NSC) en Mutluer (Groen Links-PvdA) mede aan het onderhavige verzoek is voldaan.
In algemene zin merk ik op dat de uitwerking van concrete maatregelen om misbruik te voorkomen grotendeels gerubriceerd zijn en om die reden niet openbaar gemaakt kunnen worden. Wel kan ik uw Kamer meegeven dat dit onderdeel zal zijn van het herhaalonderzoek van de ADR, waarover uw Kamer zal worden geïnformeerd.
Is bij de beantwoording van de onderzoeksvragen ook gekeken naar personen/groepen van personen die niet (al dan niet langdurig) als tolk zijn ingezet(dus ook naar medewerkers met een andere functie/titel)?
Het onderzoek van de ADR was niet gericht op personen. Het onderzoek richtte zich op de vragen die zijn benoemd in vraag 4.
Kunt u alle informatie die verband houdt met de verdenking van het verzamelen dan wel het verspreiden van staatsgeheime/vertrouwelijke of anderszins gerubriceerde informatie door personen al dan niet werkzaam bij voor of met de politie of NCTV sturen in de periode van de peildatum van 1 oktober 2023 tot en met de arrestatie van de verdachte op 26 oktober 2023?
Informatie die verband houdt met de verdenking van het verzamelen dan wel verspreiden van staatsgeheime/vertrouwelijke informatie is onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om daar in te treden.
Is er nog andere informatie die betrekking heeft of verband houdt met bovengenoemde casus, waar u weet van heeft of weet van zou moeten hebben die buiten de rijkweidte van het ADR rapport vallen of niet in het ADR rapport zijn opgenomen?
De ADR heeft geen persoonsgericht onderzoek gedaan. Ik kan verder niet ingaan op een individuele casus en zaken die raken aan het strafrechtelijk onderzoek
Waarom heeft de NCTV niets tot weinig gedaan met de uitkomsten van het in 2017 uitgevoerde Kwetsbaarheidsanalyse Spionage (KWAS) onderzoek? (De nota van dit onderzoek bevatte concrete en bruikbare aanbevelingen, volgens de ADR.)
De ADR heeft geconcludeerd dat binnen de NCTV meer aandacht nodig was voor informatiebeveiliging. Sinds de aanhouding zijn veel maatregelen getroffen om dit te verbeteren. Zo is binnen elke afdeling opnieuw bepaald welke functionaris welke rechten heeft en zijn de meest verstrekkende rechten, zoals printen, beperkt tot enkele medewerkers. Daarbij wordt scherp gecontroleerd, aan de hand van een PDCA (Plan, Do, Check, Act)-cyclus die wordt ingericht, of gestelde regels worden gevolgd en of dit ordentelijk gebeurt. Hiervoor is onder meer een afdeling in oprichting die moet gaan toezien op Risicomanagement en Compliance binnen de NCTV. Ook wordt het beveiligingscoördinator (BVC)-cluster versterkt. Tot slot is een toezichtsplan opgesteld en zal dit jaarlijks worden geüpdatet. De taken in het toezicht worden daarin meegenomen. Voor een uitgebreide toelichting hierop verwijs ik naar de kabinetsreactie van 13 december 2024 en de bijbehorende bijlage.
Waarom heeft de NCTV geen zichtbare opvolging gegeven aan de actiepunten die uit het in 2022 uitgevoerde IB-quickscans (dit is een toets voor het bepalen van het beveiligingsniveau van een informatiesysteem; belang, dreigingsprofiel en betrouwbaarheidseisen worden meegenomen) volgden? (De nota’s die zijn opgesteld a.d.h.v. dit onderzoek bevatten concrete actiepunten en risico-overzichten.)
Zie antwoord vraag 14.
Wat heeft de CTER (politie) met de signalering (2023) van het Concern Audit gedaan dat stelde dat «de organisatie langzaam vastloopt door de huidige inrichting en stelselkeuze, de werking van de governance, het ontbreken van integraal risicomanagement en intern toezicht»? Welke concrete maatregelen heeft de Politie genomen?
In het rapport komt naar voren dat er door de concern audit wel aanbevelingen werden gedaan, maar dat deze niet altijd werden opgevolgd. Zo constateert de ADR dat de concern audit van de politie weliswaar aan de bel heeft getrokken over het ontbreken van integraal risicomanagement en intern toezicht, maar dat er niet is geacteerd op de aanbevelingen. De politie zal de doorwerking van interne audits versterken. De korpsleiding zal toezien op de opvolging en borging van aanbevelingen die door concernaudit worden gedaan. Tevens zal de politie bezien of de expertise van concern audit kan worden versterkt door politiemensen uit de operationele werkpraktijk toe te voegen aan audits op informatiebeveiliging.
Waarom heeft de NCTV, zonder het aan de BVA (Bureau van de Beveiligingsautoriteit van J&V) voor te leggen, gekozen om de herhaalonderzoeken van de Verklaring Omtrent Geen Bezwaar uit te stellen?
De NCTV heeft besloten om onderzoeken van nieuwe medewerkers te prioriteren over herhaalonderzoeken van medewerkers die (dus) reeds in bezit waren van een verklaring van geen bezwaar. Dit om de capaciteit van de AIVD in het doen van veiligheidsonderzoeken niet verder te belasten, daar waar destijds de AIVD te maken had met lange doorlooptijden. Dit sloot overigens aan bij de departementale lijn van dat moment om herhaalonderzoeken uit te stellen, tenzij er dringende omstandigheden waren die noodzaakten tot een snel herhaalonderzoek. Ik wil daarbij benadrukken dat het uitvoeren van herhaalonderzoeken van groot belang is. Zoals geschetst in de kabinetsreactie op het ADR-rapport van 13 december jl. zijn – waar nodig – herhaalonderzoeken met spoed aangevraagd en mitigerende maatregelen getroffen op het gebied van toegang tot informatie. Daarnaast heeft de NCTV maatregelen genomen om het beleid ten aanzien van het tijdig aanvragen van herhaalonderzoeken en het melden van gewijzigde omstandigheden bij vertrouwensfunctionarissen aan de BVA aangescherpt na te leven. Hiermee is het beleid ten aanzien van het aanvragen van herhaalonderzoeken op orde.
Hoe kan het zo zijn dat de mannelijke verdachte (de analist) al sinds 2019 niet over een rechtsgeldige
Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. In algemene zin kan ik u informeren dat in 2019 in intern beleid van de NCTV de hoogte van het veiligheidsonderzoek per functie opnieuw is bepaald. Zo moesten analisten van de afdeling Analyse vanaf dat moment een VGB-A hebben. Het klopt dat voor analisten die op dat moment een VGB-B hadden niet direct een VGB-A is aangevraagd daar waar dat gezien de nieuwe functie wel had gemoeten. Er is voor gekozen om deze mee te nemen bij de aanvraag voor een herhaalonderzoek. Zoals ook is benoemd in de kabinetsreactie die uw Kamer op 13 december 2024 met de daarbij behorende bijlage ontving, zijn hiervoor inmiddels maatregelen getroffen zodat ervoor is zorggedragen dat alle medewerkers van de NCTV in het bezit van een geldige VGB. In het verlengde hiervan wijs ik erop dat een veiligheidsonderzoek nooit de enige mitigerende maatregel kan zijn om informatiebeveiliging te versterken, maar dat een samenspel van maatregelen noodzakelijk is.
Verklaring van geen bezwaar (VGB) beschikt bij de AIVD? Waarom had meneer in die periode nog wel altijd toegang tot staatsgeheime informatie? Hoe is dit in lijn met het beleid van de NCTV dat iedere NCTV-medewerker in het bezit moet zijn van een actuele VGB om werkzaamheden uit te mogen voeren?
Voor het uitoefenen van tolk- en vertaalwerkzaamheden bij de politie zijn bepaalde eisen vastgelegd. Naast inschrijving in het landelijke tolkenregister, waarbij onder andere het overleggen van een verklaring omtrent gedrag vereist is, screent de politie ook zelf tolken en vertalers. De benodigde screening is afhankelijk van het type inzet. De verdachte heeft wel een screening gehad bij aanvang van zijn werkzaamheden bij de politie. Een herscreening heeft niet meer plaatsgevonden. De politie is hier destijds te laat achter gekomen. Dit vergt dat de politie richting de toekomst scherper moet zijn op naleving van geldende procedures en voorschriften die als waarborg dienen voor het beveiligen van bijzondere informatie.
Met de implementatie van het Besluit screening ambtenaren van politie en politie-externen is de herhaalscreening bij wet geregeld. Ook is de continucontrole in deze wet opgenomen waarbij registraties bij JustiID automatisch worden gemeld bij de politie. Daarnaast is na dit onderzoek het sceeningsniveau van de tolk/vertalers verhoogd.
Volledigheidshalve merk ik op dat er voor werkzaamheden bij de politie in beginsel sprake is van een politiescreening en niet van een verklaring van geen bezwaar. De politie heeft reeds verduidelijkt voor welke functies binnen het CTER-cluster een AIVD-A VGB nodig is. De politie zal concretiseren in welke gevallen tolken die bij het CTER-cluster werken bovenop hun politie screening (op een hoger niveau dan voorheen) een AIVD-A VGB nodig hebben.
Hoe kan het zo zijn dat, de herscreening zou op 11-10-2016 plaatsvinden, de mannelijke verdachte (de analist) al sinds 2016 over geen rechtsgeldige VGB beschikt bij de CTER (politie)?
Het is niet mogelijk om alle potentiële veiligheidsrisico’s uit te sluiten. Beveiligingsmaatregelen zoals een VGB (voor werkzaamheden bij de NCTV) of een politiescreening (voor werkzaamheden bij politie) dragen bij aan het verlagen van deze risico’s. Een veiligheidsonderzoek is het sluitstuk van al die beveiligingsmaatregelen. Het is niet te voorspellen of de verdachte destijds eerder in beeld zou zijn gekomen bij dergelijke screenings.
Schat de NCTV en de CTER in dat de verdachte met deze herscreening beter in beeld was gekomen bij de dienst?
Ten aanzien van alle NCTV medewerkers voor wie dat relevant is geldt dat een (herhaal)veiligheidsonderzoek bij de AIVD is aangevraagd, loopt of inmiddels is afgerond. Ten aanzien van een aantal medewerkers zijn vervolgens mitigerende maatregelen getroffen in afwachting van de uitkomst van een hernieuwd veiligheidsonderzoek van de AIVD.
Ook is de NCTV, met advies van de Beveiligingsautoriteit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: BVA), gestart met de 5-jaarlijkse actualisatie van de lijst vertrouwensfuncties, zodat deze aansluit bij de laatste inzichten. Tot slot heeft de NCTV maatregelen genomen om het beleid t.a.v. het tijdig aanvragen van herhaalonderzoeken en het melden van gewijzigde omstandigheden bij vertrouwensfunctionarissen aan de BVA aangescherpt na te leven.
De politie heeft mij laten weten dat medewerkers van het CTER-cluster beschikken over het juiste screeningsniveau. Daarnaast worden alle tolken en vertalers die werkzaam zijn bij of ingehuurd worden door de politie (dus niet alleen specifiek bij het CTER cluster) momenteel opnieuw gescreend. Hierbij zal de politie deze groep functionarissen op een hoger niveau dan voorheen screenen. De politie heeft reeds verduidelijkt voor welke functies binnen het CTER-cluster een AIVD-A screening nodig is. De politie zal concretiseren in welke gevallen tolken die bij het CTER-cluster werken bovenop hun politie screening (op een hoger niveau dan voorheen) een AIVD-A screening nodig hebben.
Hoeveel medewerkers hadden op de peildatum van 1 oktober 2023 geen rechtsgeldige VGB en hoeveel medewerkers lopen op dit moment bij de NCTV of CTER zonder rechtsgeldige VGB terwijl die voor hun werkzaamheden (ongeacht feitelijke functie) wel nodig zou zijn?
Zie antwoord vraag 21.
Uit waarneming blijkt dat op 1 oktober 2023 en 18 maart 2024 respectievelijk 41 (7,7% van de 533 medewerkers) en 48 (9 procent van de medewerkers) medewerkers van de NCTV een verouderde VGB hadden. Wat gaat de NCTV concreet doen om een inhaalslag te maken en al deze mensen direct te screenen?
Zie antwoord vraag 21.
Het Ministerie van Justitie heeft beslist dat elke vijf jaar een herhaalonderzoek moet plaatsvinden van medewerkers. Erkent de NCTV het belang hiervan? Wat gaat de NCTV eraan doen om dit beleid nog voor eind 2025 on track te krijgen?
Zoals reeds aangegeven kan ik niet ingaan op de individuele casus.
Bij de politie was er behoefte aan een vaste tolk, en de mannelijke verdachte kreeg «het daarbij passende vertrouwen» stelt het onderzoek. Wat is er gepast aan het toegang geven tot staatsgeheime informatie aan een persoon zonder de juiste security clearances?
De ADR is ook verzocht om specifiek aandacht te hebben voor de berichtgeving over eerdere signalen en de (wenselijkheid van de) samenloop van functies. Uit het ADR rapport komt niet naar voren dat er principiële bezwaren tegen de samenloop van functies waren of zijn. De ADR komt dan ook niet tot aanbevelingen op dit punt.
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie is de casus aanleiding geweest om te concluderen dat de combinatie van functies en vooral ook de bijbehorende informatiepositie per functie gewogen moeten worden bij verzoeken tot eventuele samenloop, omdat een grotere informatiepositie kan leiden tot grotere risico’s bij schending van de geheimhoudingsplicht. Dat zal nadrukkelijker gewogen worden, waarbij vooropstaat dat dit altijd per geval en op basis van de omstandigheden van dat geval moet worden beoordeeld. Ook vraagt zo’n eventuele samenloop om een kritische periodieke evaluatie naar de houdbaarheid daarvan, waarbij actief eventuele signalen ten aanzien van de samenloop en informatiepositie worden meegenomen.
Ik kan geen uitspraken doen over de functies van individuele werknemers.
In hoeverre is het wenselijk dat mensen binnen deze diensten (politie/NCTV) een dubbelfunctie hebben? Hoe vaak komt dit voor? (graag specifiëren per functie)
Het is niet mogelijk een verband te duiden tussen zijn vermeende status en hetgeen waarvan hij wordt verdacht.
De mannelijke verdachte (de analist) werd langdurig ingezet als tolk en kreeg vertrouwen van medewerkers van de CTER waardoor informatie werd gedeeld. Ook bij de NCTV noemt men dat de analist «een aparte status» had. Hoe beoordelen beide de CTER als de NCTV de positie die deze man had en zijn uiteindelijk blijkende onbetrouwbaarheid?
Over de signalen over de analist/tol en de opvolging daarvan verwijs ik naar hetgeen opgenomen in het ADR rapport. Voor het overige acht ik het niet zinvol om te speculeren.
Waarom zijn de alarmbellen bij de diensten niet gaan rinkelen over de meerdere meldingen en bezwaren over de dubbelfunctie toen de mannelijke verdachte in 2015, 2017, 2018 en 2021 slordig en verdacht omging met de data die hij in beide rollen ontving?
De ADR constateert dat signalen niet altijd als zodanig werden herkend of doorgegeven. Daardoor kwamen mogelijke signalen niet op de plek waar het mogelijk tot maatregelen had geleid. Om dit te verbeteren zijn per organisatie maatregelen getroffen, zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht. Bij nevenfuncties is het van belang dat bij signalen ook aandacht is voor de mogelijke noodzaak tot het leggen van contact met de counterpart bij de andere organisatie om te toetsen of daar ook signalen zijn. Dat moet onderdeel zijn van het maatwerk dat nodig is in de opvolging van signalen en moet op het juiste niveau worden gewogen. Ten aanzien van samenloop van functies verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 25.
Waarom is er niets gedaan met de melding van de drie medewerkers van de CTER. Die aangaven dat de tolk zijn rol binnen de NCTV en binnen de politie niet goed kan scheiden?
Zie antwoord vraag 28.
Waarom is er in 2015 niets gedaan met de melding van drie medewerkers van de CTER over het feit dat de tolk zijn rol binnen de NCTV en de politie niet goed kon scheiden?
Het is niet toegestaan om vertrouwelijke informatie te delen met personen die daartoe niet bevoegd zijn en waarvoor geldt dat de informatie niet nodig is voor een goede uitoefening van de taak. Er zijn veel maatregelen getroffen om de uitwisseling van vertrouwelijke informatie beter te borgen. Voor een uitgebreide toelichting daarop verwijs ik naar de Kabinetsreactie en bijbehorende bijlage die op 13 december jl. aan uw kamer is toegestuurd.
Hoe beoordeelt u het delen van vertrouwelijke politie-informatie door de analist/tolk buiten het politiedomein richting een ambtenaar van SZW in 2017? Welke maatregelen zijn hierop genomen?
Het ADR rapport verwijst naar een feitenrelaas van de politie waaruit naar voren komt dat de tolk in 2018 buiten kantoortijd wordt aangetroffen in een werkruimte terwijl hij ogenschijnlijk een kast doorzoekt. De medewerker van CTER heeft dit naar eigen zeggen mondeling gemeld aan zijn leidinggevende maar deze herinnert zich de melding niet. Dit voorval heeft niet geleid tot een vervolgactie.
Ik merk op dat niet duidelijk is of er is gemeld dat de tolk buiten kantoortijd aanwezig was of ogenschijnlijk een kast doorzocht. Ik acht het niet opportuun om met de kennis van nu informatie uit het verleden te herwaarderen.
Voor de reactie t.a.v. de constatering van de ADR dat voorvallen niet altijd als signaal zijn opgevat, verwijs ik naar het antwoord op vragen 27 en 28 en de Kabinetsreactie en bijbehorende bijlage die op 13 december jl. aan uw Kamer is toegestuurd.
Waarom is er geen actie ondernomen na de melding uit 2018 waarin de tolk buiten kantoortijd in een werkruimte werd aangetroffen terwijl hij ogenschijnlijk een kast doorzocht?
In zijn algemeenheid geldt dat als iemand ook werkzaam is (geweest) bij bijvoorbeeld de politie of de AIVD, dat diegene dan gebonden is aan de geheimhoudingsverklaring die hij of zij bij die organisatie heeft getekend. Het is niet toegestaan om deze informatie te delen binnen de NCTV.
Zoals uit het ADR-rapport valt op te maken is er in de loop van 2021 contact geweest tussen de Nationaal Coördinator en de politie naar aanleiding van een publicatie in NRC. In 2022 is besloten om in samenspraak met de analist over te gaan tot een overplaatsing van de analyse-afdeling naar de NCTV Academie.
Welke stappen heeft de NCTV genomen na de melding in 2021 over het delen van operationele politie-informatie tijdens analyses door de analist?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de Kabinetsreactie die op 13 december jl. aan uw Kamer is toegestuurd. De bewuste medewerker had toestemming voor het gebruik van een beperkt aantal specifieke datadragers die vanuit de werkgever waren verstrekt. De journalist in kwestie stelde tijdens het interview echter dat er sprake zou zijn van het gebruik van een eigen harde schijf. Het gebruik van een privéschijf zou een veiligheidsincident zijn. Dit is, op basis van de toen beschikbare informatie, zorgvuldig uitgelopen door de NCTV. Geconcludeerd is dat er geen sprake was van het gebruik van een privéschijf. Dat misbruik van datadragers in zijn algemeenheid nadere aandacht had verdiend, onderschrijf ik. Om deze reden worden datadragers alleen nog beperkt in noodzakelijke gevallen, voor een specifiek doel en na voorafgaande instemming van een leidinggevende uitgegeven.
Waarom heeft de Nationaal Coördinator in 2021 het meenemen van een harde schijf naar huis door de analist niet opgevat als aanleiding voor verdere actie, ondanks latere publicatie in NRC in 2023?
Ik acht het niet opportuun om uitspraken of gevoelens van individuele medewerkers in samenwerkingen met andere medewerkers te waarderen. Ten aanzien van een samenloop van functies verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 25.
Hoe verklaart u dat medewerkers van de CTER de analist als een «verlengstuk» van de NCTV bestempelen? Welke risico's worden hierin onderkend?
Ik herken mij niet in het beeld dat de melding niet verder is onderzocht ondanks het advies van het Openbaar Ministerie. Voor de afhandeling van de specifieke melding verwijs ik naar het ADR rapport.
Waarom werd de melding van integriteitsschendingen door de tolk op 15 april 2021 niet verder onderzocht, ondanks het advies van het Openbaar Ministerie om de werkzaamheden tegen het licht te houden?
De mededeling van de inspecteur-generaal van de Inspectie JenV dat er uit onderzoek van de inspectie JenV bij CTER signalen kwamen dat er spanningen waren rondom de analist/tolk zijn toentertijd geplaatst in de context dat er binnen de politie altijd veel discussie is over tolken vanwege o.a. het verschil in financiële vergoeding tussen tolken en politiepersoneel. De Nationaal Coördinator heeft aan de inspecteur-generaal aangegeven het signaal bij de politie te melden omdat het betrekking had op het werk van de analist/tolk bij de politie en niet op de werkzaamheden van betrokkene bij de NCTV.
Waarom heeft de NCTV na een telefoontje van de inspecteur-generaal van de Inspectie JenV besloten geen verdere actie te ondernemen?
Hoe kan een van binnenlands meest geheime en belangrijke dienst al een aantal jaren niet meer beschikken over een actuele set beveiligingsmaatregelen, terwijl ieder overheidsapparaat dient de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) te hanteren?
Waarom werden er al sinds 2020 geen rapportages meer gemaakt over de beveiligingsmaatregelen en sinds 2021 geen monitoring meer van de werking van de maatregelingen?
Waarom hebben beide de NCTV en de CTER geen geïmplementeerde baseline van informatiebeveiligingsmaatregelen, terwijl de Politie dit wel heeft?
Het onderzoek noemt dat «de capaciteit bij de NCTV voor de implementatie van informatiebeveiligingsmaatregelen beperkt was.» Waarom was dit beperkt? Welke factoren spelen hierbij een rol? Speelde de behoefte er wel binnen de NCTV om de maatregelen te implementeren? Hoe kwam dit tot uiting?
Nee, dit is niet wenselijk en niet toegestaan.
Is het wenselijk dat een medewerker van de NCTV of CTER staatsgeheime stukken kan downloaden en printen en «eenvoudig» meenemen naar huis, zelfs als dit volledig buiten zijn/haar werkzaamheden valt?
Ik herken mij niet in het beeld dat er geen moeite is gedaan om informatie en dossiers af te schermen voor hen die hier niet bij hoeven vanwege hun werkzaamheden. Wel onderschrijf ik de boodschap van de ADR dat de informatiebeveiliging en het toezicht daarop beter kan en moet, volledig en worden de aanbevelingen omarmd. Sinds de aanhoudingen zijn er binnen de NCTV en politie direct maatregelen getroffen. Het gaat dan om zowel noodmaatregelen als gelijktijdig ingezette maatregelen gericht op de lange(re) termijn. Voor een overzicht de maatregelen die zijn getroffen verwijs ik u naar de kabinetsreactie op het rapport van de ADR van 13 december jl. en de bijlage daarbij.
Waarom is er zowel bij de NCTV als CTER geen moeite gedaan om informatie en dossiers af te schermen voor hen die hier niet bij hoeven vanwege hun werkzaamheden?
Het is nooit met zekerheid uit te sluiten dat er misbruik wordt gemaakt van bevoegdheden en toegang tot informatie. Er zijn aanvullende maatregelen getroffen om deze toegang te beperken en mogelijk misbruik te identificeren. Daarvoor verwijs ik naar de Kabinetsreactie van 13 december jl. en bijbehorende bijlage.
Hoe weet de NCTV zeker dat niet meer medewerkers staatsgeheime documenten in bezit hebben of doorgespeeld hebben naar vreemde mogendheden?
De politie zal onderzoeken of het nodig is om het aantal personen te beperken dat in Summ-IT gemachtigd is om andere toegang te geven. Het feit alleen dat een relatief groot aantal personele hiertoe gemachtigd is hoeft niet in strijd te zijn met het need to know principe. In de operationele werkpraktijk van de politie bestaat dikwijls de noodzaak nieuwe personen bij een zaak te betrekken, bijvoorbeeld omdat een (grootschalig) onderzoek 24/7 doorgaat en/of bij een onderzoek verschillende specialismes moeten worden betrokken.
De politie had reeds ingeregeld dat Summ-IT accounts na verloop van tijd automatisch op niet actief worden gezet, waardoor het account niet langer bruikbaar is en er geen toegang meer kan worden verkregen tot zaken in Summ-IT. Daarmee is er sprake van een geautomatiseerde periodieke controle. De politie zal onderzoeken of een meer fijnmazige aanpak nodig is, bijvoorbeeld het mogelijk maken van variatie in de periode waarna een account op non-actief wordt gesteld.
Hoeveel personen hebben toegang tot de onderzoeken van de CTER (Politie) en is dit aantal noodzakelijk en wenselijk?
Toegang tot bijzondere informatie, waaronder in het bijzonder staatsgeheime informatie, op «need to know»-basis was binnen de NCTV altijd een uitgangspunt. Tegelijkertijd heeft het genoemde incident aangetoond dat een aanscherping van de getroffen maatregelen nodig was en dat de toegang tot het documentatiesysteem te ruim was ingericht. Dit is nu steviger ingericht conform het «need to know» principe. Alleen die personen die dit ook echt nodig hebben voor hun werk mogen documenten inzien. Ook het staatsgeheime digitale archiefsysteem is nog maar beperkt toegankelijk, en inzage kan alleen na toestemming van een directeur op een specifieke vraag.
Bij de politie zijn de bestaande regels voor het raadplegen van politiesystemen ook reeds gebaseerd op het need to know principe. Het eerstelijns toezicht op het naleven hiervan wordt verscherpt.
Waarom is er nooit een «need to know»-systeem ingericht, terwijl het onderzoek aangeeft dat de systemen hier de ruimte voor bieden?
Dit is de verantwoordelijkheid van de leidinggevende. Deze vraagt de autorisatie ook aan voor de medewerker.
De politie had reeds ingeregeld dat Summ-IT accounts na verloop van tijd automatisch op nietactief worden gezet, waardoor het account niet langer bruikbaar is en er geen toegang meer kan worden verkregen tot zaken in Summ-IT. Daarmee is er sprake van een geautomatiseerde periodieke controle. De politie zal onderzoeken of een meer fijnmazige aanpak nodig is, bijvoorbeeld het mogelijk maken van variatie in de periode waarna een account op non-actief wordt gesteld.
Wie controleert momenteel de autorisaties op de systemen binnen de CTER?
Autorisaties voor systemen worden toegekend naar gelang het nodig is voor de functie en werkzaamheden. Hierbij wordt ook gekeken naar het screeningsniveau. Bij wijziging of beëindiging van de werkzaamheden en/of functie worden de autorisaties ingetrokken of gewijzigd.
Hoe vaak worden autorisaties binnen de CTER-systemen ingetrokken?
Of het noodzakelijk is om autorisaties te beperken en wat gevolgen zijn voor de organisatie hangt af van de omstandigheden van het geval. Zoals toegezegd in de Kabinetsreactie wordt onderzocht of het bij de politie nodig is om het aantal personen te beperken dat in Summ-IT gemachtigd is om andere toegang te geven. Het feit alleen dat een relatief groot aantal personele hiertoe gemachtigd is hoeft niet in strijd te zijn met het need to know principe. In de operationele werkpraktijk van de politie bestaat dikwijls de noodzaak nieuwe personen bij een zaak te betrekken, bijvoorbeeld omdat een (grootschalig) onderzoek 24/7 doorgaat en/of bij een onderzoek verschillende specialismes moeten worden betrokken.
In hoeverre is het noodzakelijk om autorisaties te beperken en welke gevolgen heeft dit voor de organisatie?
Zie antwoord vraag 48.
In hoeverre is het wenselijk dat geautoriseerde personen anderen toegang kunnen verlenen tot dossiers? Moet het verlenen van toegang tot deze systemen gecentraliseerd worden?
De politie heeft maatregelen getroffen om te verzekeren dat tolken zelf passende faciliteiten hebben om hun werk te doen. Tolken hebben een eigen basispolitieaccount met zeer beperkte toegangsrechten. Er zijn faciliteiten om veilig te werken op politielocaties en er zijn veilige digitale middelen beschikbaar om bij hoge uitzondering werkzaamheden vanaf afstand uit te voeren. Volgens geldend beleid voert een tolk zijn/haar werkzaamheden altijd uit in de nabijheid van een politiemedewerker.
In hoeverre moet de rechercheur fysiek aanwezig zijn wanneer de tolk gebruikmaakt van de laptop met autorisaties?
Aan tolken worden geen autorisaties verleend door rechercheurs. Tolken hebben een eigen basispolitieaccount met zeer beperkte toegangsrechten. De autorisatie voor een tolk wordt toegekend door de leiding van het onderzoek.
Wie bepaalt welke rechercheur zijn autorisaties aan de tolk verleent?
De situatie dat een tolk autorisaties krijgt van een rechercheur is niet toegestaan, dus van een toezicht daarop is geen sprake.
Wordt er toezicht gehouden op de activiteiten van de tolk in deze situaties?
Dit is niet wenselijk en niet toegestaan.
In hoeverre is het wenselijk dat een tolk met geleende autorisatie toegang heeft tot vertrouwelijke informatie, inclusief de mogelijkheid deze in te zien en op te slaan?
Medewerkers van de politie hebben toegang tot vertrouwelijke informatie als dit nodig is voor de uitoefening van hun werkzaamheden. Op deze toegang is autorisatiebeleid van toepassing.
Welke andere personen naast tolken hebben eveneens onbedoelde of bedoelde toegang tot de politiesystemen en daarmee vertrouwelijke gegevens?
Het is van belang dat wordt voldaan aan de algemene verordening gegevensbescherming. Om die reden wordt er regelmatig en met klem op gewezen dat persoonsgegevens moeten worden verwijderd van schijven, mailboxen en informatiesystemen.
Waarom is de schoningsactie bij de NCTV in 2021 om persoonsgegevens te verwijderen van schijven, mailboxen en informatiesystemen nooit afgerond, en blijven haken op 30% voltooiing?
Zoals ook in de kabinetsreactie is geschetst had de mannelijke verdachte een beperkt aantal specifieke USB-sticks tot zijn beschikking.
Zoals ook gemeld in de beantwoording van vraag 18 van de leden Six Dijkstra (Nieuw Sociaal Contract) en Mutluer (Groen Links-PvdA) van 31 januari jl. geeft het ADR rapport aan dat volgens de administratie circa 200 USB sticks in omloop zijn die mogelijk staatsgeheime informatie bevatten. In het ADR Rapport is tevens opgenomen dat de NCTV heeft aangegeven dat het aantal lager is dan 200. Ter nadere context geef ik nog het volgende mee. Het gaat om USB-sticks die tot september 2021 bij de NCTV werden gebruikt om bijvoorbeeld presentaties op te slaan die ergens anders gegeven moesten worden. Het ging hierbij veelal om presentaties voor gemeenten en lokale partners om de dreiging te duiden, waarbij geen staatsgeheime informatie werd gebruikt. Een zeer beperkt aantal werd daadwerkelijk gebruikt voor staatsgeheime informatie, bijvoorbeeld om informatie over te zetten van het interdepartementale staatsgeheime netwerk dat in beheer is bij de AIVD, op het netwerk voor de staatsgeheime informatie binnen de NCTV. Dit zijn twee stand alone netwerken die niet op elkaar aangesloten zijn. Verder is het van belang om te melden dat het om USB’s gaat die beveiligd waren met een wachtwoord. Mocht een USB vermist raken, dan is de informatie dus niet zomaar voor een ieder toegankelijk. Ook passen deze USB-sticks sinds september 2021 niet meer op het staatsgeheime netwerk. De informatie die erop staat is dus niet zomaar voor een ieder toegankelijk en ze kunnen niet meer gebruikt worden om informatie van de huidige systemen af te halen.
In het verlengde hiervan beschikt de NCTV over een loggingssysteem van de meest relevante handelingen die medewerkers op het netwerk voor de verspreiding van staatsgeheime informatie verrichten. Hierbij kan gedacht worden aan het opslaan, openen en printen van bestanden op het staatsgeheime netwerk. De ADR heeft geconstateerd, dat hoewel dit systeem er al was, er onvoldoende monitoring en controle op de daadwerkelijke handelingen van medewerkers plaatsvond. Dit moet beter. Daarom wordt meer toegezien op handelingen van medewerkers rond het verwerken van staatsgeheime informatie en is de aandacht voor misbruik onder andere verstevigd door veel duidelijkere kaders te stellen voor de individuele medewerkers waar zij op aangesproken worden.
Hoe kan het zo zijn dat niet één systeem aangeslagen is op een hoeveelheid van 11,5 miljard A4’tjes stond op de 200 USB-sticks van de mannelijke verdachte?
Zie antwoord vraag 56.
Waarom wordt er door de monitoring van het loggingssysteem wel een «signaal geregistreerd als er 5 verkeerde inlogpogingen zijn in 5 minuten», maar de NCTV verder «nog niet bepaald heeft welk gedrag van medewerkers en welke gebeurtenissen moeten worden geregistreerd en gedetecteerd?»
Er is bij de politie reeds een pilot gedraaid met protective monitoring waarmee gebruikershandelingen proactief en geautomatiseerd worden geanalyseerd op atypische signalen om onrechtmatig gebruik van systemen te detecteren. Per 1 januari 2025 is protective monitoring ingevoerd in de gehele politieorganisatie. Deze informatie is tevens opgenomen in de kabinetsreactie die op 13 december jl. aan uw Kamer is toegezonden.
Waarom vindt er ook bij de CTER geen structurele logging plaats van gebruikshandelingen? Acht de Politie het in het licht van deze casus wel noodzakelijk om over te gaan tot deze log? Zo ja, per wanneer is dit voltooid?
Het toezicht op de beveiliging van staatsgeheime informatie was aanwezig. Wel is uit het ADR-rapport gebleken dat dit toezicht moest worden versterkt. Hiervoor is onder meer een afdeling in oprichting die moet gaan toezien op Risicomanagement en Compliance binnen de NCTV. Ook wordt het beveiligingscoördinator (BVC)-cluster versterkt. Tot slot is een toezichtsplan opgesteld en zal dit jaarlijks worden geüpdatet. De taken in het toezicht worden daarin meegenomen. Voor een uitgebreide toelichting hierop verwijs ik naar de kabinetsreactie van 13 december 2024 en de bijbehorende bijlage.
Waarom was er geen enkele duidelijkheid of aandacht bij de NCTV om toezicht te installeren op de beveiliging van staatsgeheime informatie?
Ja, dat is van belang. Voor maatregelen die op dit vlak getroffen zijn verwijs ik naar de kabinetsreactie op het ADR-rapport en de daarbij horende bijlage van 13 december jl.
Is het voor de NCTV niet van groot belang dat er een overzicht is van de hoeveelheid exemplaren in omloop van staatsgeheime documenten?
Het beleid bij de NCTV t.a.v. informatiebeveiliging is geactualiseerd. In dit beleid zijn de vereisten van het VIR, de BIO en het VIR-BI opgenomen. De uitwerking van dit beleid in concrete maatregelen is een doorlopend proces. Dat houdt in dat wordt getoetst of de praktijk aansluit bij het beleid of dat aanpassingen in de werking of de praktijk nodig zijn. Waar nodig worden aanvullende maatregelen getroffen. Hier vindt ook scherpe controle op plaats. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 14, 15, 59 en de kabinetsreactie van 13 december 2024 en de bijbehorende bijlage.
De politie heeft begin 2025 haar Rubriceringsregeling geactualiseerd. De nieuwe rubriceringsregeling sluit nu beter aan bij de rubriceringsregeling van de Rijksoverheid: het VIR-BI. De politie is weliswaar geen onderdeel van de Rijksoverheid, maar op het gebied van informatiebeveiliging is nu gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het beleid van de Rijksoverheid. De ADR heeft geconstateerd dat er veel bruikbaars op papier is bij de politie (beleid, werkinstructies), maar dat implementatie in de praktijk aandacht vergt. Hiertoe worden verschillende stappen gezet om de implementatie daarvan in de praktijk te verbeteren en de PDCA-cyclus sluitend te maken.
Welke beleid en werkinstructies kennen de NCTV en de CTER over hoe om te gaan met staatsgeheimen? In hoeverre zijn deze geïmplementeerd in de werkzaamheden? Zijn deze up-to-date?
De procedure rond gegevensdragers is aangepast, waardoor toestemming is vereist voor het verkrijgen – en het kunnen gebruiken – van de gegevensdragers. De administratie is verbeterd waarbij ontvangst, inname en vernietiging worden geregistreerd. Zo kan er geen twijfel meer over bestaan dat dit niet zomaar de bedoeling is en dat dit gecontroleerd wordt op mogelijk misbruik.
Hoe wordt het gebruik van USB-sticks door de NCTV «beperkt»? Hoe ziet deze beperking er in de praktijk uit, aangezien de mannelijke verdachte beschikking had over drie USB-sticks en een harde schijf?
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie is, zoals ook gemeld in de Kamerbrief van 8 december 2023, goed bezien welke informatie – met het oog op de zorgvuldigheid en de veiligheid die moet worden betracht – niet openbaar gemaakt kan worden. Dat heeft ertoe geleid te besluiten om enkele passages, waaronder passages waar deze vraag aan refereert, uit het rapport niet openbaar te maken, omdat deze ofwel2 de belangen van de Staat kunnen schaden dan wel3 veiligheidsrisico’s opleveren omdat concreet inzicht wordt gegeven in de operationele werkwijze van de politie. Ik kan derhalve op dit punt geen nadere informatie verstrekken dan de informatie die reeds aan uw Kamer is toegekomen.
Wat zijn de onveilige kanalen, waarvan het onderzoek stelt dat informatie tussen tolken en rechercheurs bij de Politie onveilig met elkaar wordt gedeeld? Hoe wenselijk zijn deze kanalen? Breiden deze kanalen de mogelijkheden uit om over te gaan tot ongewenste verspreiding? Vallen whatsapp, Signal of Telegram bijvoorbeeld onder deze kanalen? Zo ja, graag een uitsplitsing per kanaal welke hoeveelheden data er zijn gedeeld per kanaal.
Zie antwoord vraag 63.
Kunt u aangeven bij welke andere partijen de data die via onveilige kanalen is gedeeld, terecht is gekomen? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de staatsveiligheid?
De opvolging van de aanbevelingen van de ADR is niet met een enkele toegespitste maatregel te bereiken.
Voor de maatregelen die zijn getroffen om ongewenste verspreiding van bijzondere informatie te voorkomen verwijs ik naar de Kabinetsreactie en bijbehorende bijlage die op 13 december jl. aan uw Kamer is toegezonden. Voorbeelden van concrete maatregelen die door de NCTV zijn getroffen zijn:
De omvangrijke stappen die reeds sinds de aanhoudingen en naar aanleiding van het ADR rapport zijn gezet illustreren dat de aanbevelingen met de nodige urgentie en zorgvuldigheid zijn opgepakt en zullen blijven worden opgepakt. Er zal in het verdere proces continu getoetst worden waar nog verdere verbeteringen doorgevoerd kunnen worden.
Welke maatregelen gaat de NCTV nemenom ongewenste verspreiding te voorkomen?
De NCTV houdt rekening met het feit dat alle typen gerubriceerde informatie in meer of mindere mate zijn gecompromitteerd.
Is er duidelijk voor de diensten van welke classificatie documenten zijn gelekt door de verdachte in kwestie?
Ik kan niet ingaan op het individuele geval.
Waaruit bleek dat de verdachte «de rollen van analist/tolk niet goed kon scheiden en soms informatie van de ene organisatie gebruikte binnen een andere organisatie»?
Omwille van de vertrouwelijkheid kan ik geen uitspraken doen over aantallen en functies van individuele werknemers. Wel kan ik uw Kamer in algemene zin meegeven dat het gaat om een zeer beperkt aantal. Ten aanzien van het bekleden van dubbelfuncties verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 25.
Hoeveel mensen hebben bij de NCTV een dubbelfunctie vergelijkbaar met de mannelijke verdachte?
De ADR heeft geen persoonsgericht onderzoek gedaan, zoals reeds meermaals aan uw Kamer gemeld. Ik kan niet ingaan op zaken die raken aan het strafrechtelijk onderzoek, waar deze vraag op ziet.
Waarom lees ik in het onderzoek weinig over de tweede persoon (de vrouw)? Waaruit bestonden haar handelingen?
Voor het staatsgeheime digitale archiefsysteem waren reeds maatregelen ingericht in lijn met het «need to know» principe. Deze procedures voor dit archiefsysteem zijn aangescherpt naar aanleiding van deze casus. Dit betekent dat alleen die medewerkers de documenten te zien krijgen die dit ook echt nodig hebben voor hun werk. Ook het archief is nog maar beperkt toegankelijk, en inzage kan alleen na toestemming van een directeur op een specifieke vraag. De politie werkt niet met het staatsgeheime digitale archiefsysteem.
Is de beperkte toegang van de politie en NCTV tot het staatsgeheime digitale archiefsysteem vanuit het «need to know» principe? Van hoeveel personen is de toegang ingetrokken?
Ten aanzien van het loggingsysteem van de NCTV verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 56. De politie stelt zelf geen staatsgeheime documenten op, maar kan deze wel ontvangen van partners. Er vindt logging plaats binnen het systeem van de politie waarin dit type informatie wordt ontvangen.
Gaat er nu ook een log bijgehouden worden hoe medewerkers omgaan met staatsgeheime documenten?
Er is geen sprake van een open autorisatie. Autorisaties worden door de leiding toegekend aan de hand van werkzaamheden en screeningsniveau. Het is dan ook niet toegestaan elkaar toegang te verlenen.
Hoe gaat het «capaciteitsprobleem» opgelost worden dat beide diensten zeggen te hebben?
Sinds de aanhoudingen zijn er binnen de NCTV en politie direct maatregelen getroffen. Het gaat dan om zowel noodmaatregelen als gelijktijdig ingezette maatregelen gericht op de lange(re) termijn. Voor een overzicht van deze maatregelen verwijs ik u naar de kabinetsreactie op het ADR-rapport van 13 december en de bijlage daarbij.
In hoeverre wordt de open autorisatie ingeperkt, en het elkaar toegang verlenen?
Zoals ook aangegeven in de bijlage bij de kabinetsreactie heeft de politie reeds maatregelen getroffen om te verzekeren dat tolken passende faciliteiten hebben om hun werk te doen. Tolken hebben een eigen basispolitieaccount met zeer beperkte toegangsrechten. Er zijn faciliteiten om veilig te werken op politielocaties en er zijn veilige digitale middelen beschikbaar om bij hoge uitzondering werkzaamheden vanaf afstand uit te voeren. De politie inventariseert momenteel of er voldoende veilige faciliteiten zijn voor tolken op politielocaties. Zo niet, dan zal het aantal faciliteiten worden uitgebreid.
Verder is de politie reeds gestart met het opstellen van een gedetailleerd werkproces op basis van het geldende beleid, zodat relevante teams en personen eenvoudig praktische informatie voorhanden hebben inzake het veilig werken met tolken
Wat zijn de maatregelen omtrent de toegang van de tolken of vergelijkbare functies tot de systemen die nu nog de autorisatie van de rechercheur nodig hebben?
Storingen in C2000 en eOCS-systemen |
|
Ingrid Michon (VVD), Lilian Helder (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat het essentieel is dat C2000 en aanverwante systemen optimaal functioneren en adequaat beveiligd zijn, zeker tijdens de NAVO-top?
Ja, daarom werken er dagelijks vele betrokkenen aan het verbeteren van het bereik van C2000 en het optimaliseren van de betrouwbaarheid en veiligheid van alle systemen om de kans op verstoringen zo klein mogelijk te maken.
Bent u het met de vragenstellers eens dat de noodknop niet mag gelden als terugvaloptie?
De noodknop geldt niet als terugvaloptie. De noodknop is bedoeld voor directe communicatie tussen de meldkamer en een hulpverlener in acute nood. Het indrukken van de noodknop zorgt ervoor dat er een spreek-/luisterverbinding tot stand komt tussen degene die de noodknop indrukt en de centralist in de meldkamer. Er is op dat moment kortstondig geen mogelijkheid voor andere hulpverleners in de gespreksgroep om te communiceren met de centralist. De communicatie met de hulpverlener in nood krijgt voorrang boven alle andere communicatie.
Hoe waarborgt u dat zowel de communicatie tijdens deze top als de reguliere operaties elders in het land zonder problemen kunnen verlopen? Kunt u aangeven welke acties u concreet zult ondernemen om de urgente kwesties op te lossen en binnen welke termijn dit gerealiseerd zal worden?
Op dit moment is de voorbereiding van de NAVO-top in volle gang. Er worden in multidisciplinair verband voorbereidingen getroffen waarbij rekening gehouden wordt met diverse scenario’s. Voor alle deelsystemen van C2000 is een fallbackvoorziening beschikbaar die gebruikt kan worden bij verstoringen of gebieden waar het bereik ontoereikend is. Hierdoor is de communicatie tussen de meldkamer en de hulpverleners en tussen de hulpverleners onderling zo goed mogelijk geborgd. Alle betrokkenen worden hierop getraind om optimaal voorbereid te zijn, ook in bijzondere situaties zoals de NAVO-top.
De storing die rondom de jaarwisseling plaatsvond in radiobediensysteem eOCS werd veroorzaakt door drie technische oorzaken die direct zijn opgepakt en waarvoor maatregelen worden getroffen. Daarmee is een herhaling van een dergelijke storing onwaarschijnlijk. Ook wordt een second opinion onderzoek uitgevoerd naar oorzaken van en maatregelen na de storing. Deze second opinion moet ruim voor de NAVO-top gereed zijn, zodat alle oorzaken in beeld zijn en maatregelen worden genomen die redelijkerwijs mogelijk zijn voor de NAVO-top. Daarnaast wordt er continu gewerkt om C2000 te verbeteren volgens de vier actielijnen waar ik uw Kamer middels de verzamelbrieven brandweerzorg, crisisbeheersing en meldkamers1 over heb geïnformeerd.
Wat onderneemt u om te voorkomen dat een overbelasting van het eOCS-systeem, zoals tijdens de afgelopen jaarwisseling, opnieuw kan plaatsvinden?
Zie het antwoord op vraag 9.
Beschikt het huidige systeem over voldoende capaciteit om de datastromen van meldkamers en operaties tijdens grote inzetten te verwerken?
Zie het antwoord op vraag 3. De maatregelen die worden getroffen naar aanleiding van de eOCS-storing maken herhaling van een dergelijke storing onwaarschijnlijk. Dit wordt ook meegenomen in het eerdergenoemde second opinion onderzoek.
Deelt u de mening dat er een op maat gemaakt, goed functionerend back-upsysteem beschikbaar moet zijn voor hulpverleners die solo werken, zoals motorrijders? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het back-upsysteem Push to Talk gebruiksvriendelijker moet worden zodat het in de hectiek van de operatie een beter werkbaar systeem is?
Acht u het mogelijk om push to talk applicatie via portofoons te gebruiken in plaats van uitsluitend via diensttelefoons? Zo nee, welke stappen onderneemt u om politiemedewerkers uit te rusten met bijvoorbeeld een headset en spreeksleutel die compatibel zijn met het back-upsysteem, of een extra grote accu voor diensttelefoons, zodat deze een gehele dienst meegaan? Kunt u toezeggen dat deze aanpassingen voor de NAVO-top worden gerealiseerd?
Kunt u inzicht geven in uw langetermijnstrategie om storingen in kritieke systemen zoals C2000 en eOCS te voorkomen?
Zoals ik eerder aangaf is mijn ministerie intensief in gesprek met de leverancier om de oorzaak van de storing tijdens de jaarwisseling te analyseren en maatregelen te treffen. Samen met de leverancier voert de Landelijke Meldkamer Samenwerking ook gesprekken met de meldkamercentralisten om te zorgen dat de ervaringen van de eindgebruikers merkbaar worden meegenomen in de maatregelen. Zoals hierboven aangegeven heeft mijn ministerie ook de opdracht gegeven tot een second opinion onderzoek om te beoordelen of de leverancier de juiste oorzaken in beeld heeft en de juiste maatregelen heeft genomen. Daarnaast geef ik opdracht voor een breder onderzoek om de kwaliteit, robuustheid en kwaliteit van eOCS voor de langere termijn (extern) te beoordelen.
Zoals ook eerder beantwoord bij vraag 3, wordt er middels de vier actielijnen gewerkt aan verbeteringen aan C2000. eOCS is hier onderdeel van. De realiteit is daarentegen dat storingen nooit helemaal zijn te voorkomen en 100% dekking of werking van het systeem valt nooit te garanderen. Daarom zijn er ook fallbackvoorzieningen ingericht waarbij alle medewerkers worden getraind om hiermee op een juiste manier te kunnen werken.
Is er een strategie hoe de aansturing en operatie van politie en hulpdiensten vorm krijgt in het geval van volledige uitval van alle communicatiemiddelen?
Dit is onderdeel van de reguliere draaiboeken waarmee de verschillende hulpdiensten op de meldkamer zich op verstoringen in brede zin voorbereiden.
Bent u het ermee eens dat gezien de urgentie van deze problematiek creatieve en praktische oplossingen nodig zijn? Welke mogelijkheden ziet u om, indien noodzakelijk, buiten de reguliere Europese aanbestedingsprocedures te opereren, binnen de geldende wettelijke kaders?
Ik wil benadrukken dat er continu gewerkt wordt aan het oplossen van problemen en het voorkomen ervan rondom het C2000 netwerk. Ook worden diverse experimenten/pilots uitgevoerd om te bezien of er maatregelen genomen kunnen worden op het gebied van gebruiksvriendelijkheid, bereikbaarheid of betrouwbaarheid van de systemen. De Aanbestedingswet kent algemene procedures voor het plaatsen van opdrachten, waaronder de meest «reguliere» (niet-)openbare Europese aanbestedingsprocedure. Naast deze «reguliere» Europese aanbestedingsprocedures, kent de Aanbestedingswet een aantal minder vaak voorkomende algemene procedures en een aantal uitzonderingen. Tevens bestaat er een Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied.
In verband met het missie-kritische en vitale karakter van het C2000-netwerk, ligt het voor de hand om te bezien in hoeverre eventueel benodigde oplossingen binnen de reikwijdte van de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied en/of de minder vaak voorkomende algemene procedures dan wel uitzonderingen binnen de reguliere Aanbestedingswet zouden kunnen vallen. Op voorhand valt niet te zeggen welke van deze mogelijkheden aan de orde zouden zijn, aangezien dit afhankelijk is van benodigde oplossingen. Ik sluit dit dus nadrukkelijk niet uit indien nodig.
Het personeelstekort in de kraamzorg |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente bericht dat gezinnen de prijs betalen van het personeelstekort in de kraamzorg?1
Ja, hier ben ik van op de hoogte. In de kraamzorg spelen al langere tijd capaciteitsproblemen, met name in de zomer. De oorzaak hiervan is een tekort aan kraamverzorgenden, de vakantie periode, een piek in de bevallingen in de zomer en ziekteverzuim. Het aanpakken van de personeelstekorten is een speerpunt van mijn beleid.
Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars onderkennen het tekort en vinden het van cruciaal belang om moeder en kind de benodigde zorg te bieden. Daarom hebben Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo Geboortezorg voor een toekomstbestendige sector:
Ik waardeer de verantwoordelijkheid die beide partijen nemen en steun deze inspanningen, onder meer via kwaliteitsgelden voor de kraamzorg.
Kunt u de omvang van dit probleem aangeven? Hoe vaak komt het voor dat gezinnen niet het volledig aantal uren (standaard 49 uur) kraamzorg krijgen, slechts het wettelijk minimum van 24 uur of zelfs minder dan dat?
Ik vind het van belang dat de continuïteit en kwaliteit van zorg zoveel als mogelijk geborgd is. Hiervoor zijn zorgaanbieders en verzekeraars in eerste instantie verantwoordelijk. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op de toegankelijkheid en zorgplicht van de zorgverzekeraars. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Exacte aantallen zijn bij mij, ook na navraag bij de NZa en IGJ, niet bekend.
Is bekend in welke plaatsen en/of regio’s het personeelstekort het grootst is en dus het aantal uren kraamzorg het laagst?
Het is bekend in welke regio de problematiek het grootst is. Uitvraag bij ZN leert dat dit voornamelijk delen van de randstad en het zuiden van het land betreft. ZN en Bo Geboortezorg werken aan het verder inzichtelijk maken en duiden van de cijfers. Zo betreffen bijvoorbeeld de huidige cijfers alle gevallen waarbij er minder dan 24 uur kraamzorg geleverd is, ook in de situatie waarbij gezinnen er zelf voor kiezen om minder kraamzorg af te nemen, omdat zij deze zorg niet nodig achten. Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de regio’s waar de problematiek het grootst is, is aanvullende informatie van belang.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars invulling geven aan hun zorgplicht als gezinnen minder dan het wettelijk minimum van 24 uur kraamzorg krijgen? Ziet de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)hier actief op toe?
Allereerst wordt er gewerkt aan een structurele oplossing, zoals in antwoord 1 aangegeven. Zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de continuïteit en toegankelijkheid van kraamzorg. De zorgverzekeraar heeft zorgplicht, de NZa ziet hierop toe en onderzoekt specifieke regionale casuïstiek. Zorgverzekeraars en kraamzorgaanbieders stellen alles in het werk, om in ieder geval conform het convenant, het minimale aantal uren te leveren aan elke kraamvrouw die dat wenst.
In het Normenkader4 zijn afspraken gemaakt over de te nemen stappen wanneer het wettelijk minimum van 24 uur kraamzorg niet gegarandeerd kan worden. De preferente zorgverzekeraar(s) monitort dit samen met de betreffende regio.
Kunt u aangeven hoe groot het probleem van zorgmijding is vanwege de verplichte eigen bijdrage voor kraamzorg? Hoe vaak komt het voor dat (kwetsbare) gezinnen geen of minder kraamzorg willen omdat zij de eigen bijdrage niet kunnen betalen?
Uit de Monitor Kansrijke Start 20235 blijkt dat 4,8% van de gezinnen in 2022 geen kraamzorg heeft ontvangen. Voor gezinnen die te maken hebben met een kwetsbare situatie ligt dit percentage hoger (8,1%). De monitor toont aan dat gezinnen zonder kraamzorg vaker een laag inkomen hebben, maar geeft geen inzicht in waarom mensen afzien van kraamzorg.
Uit eerder onderzoek blijkt dat financiële overwegingen hierbij een rol spelen, maar niet de enige factor zijn. Onvoldoende toegespitste informatie over kraamzorg en eigen bijdrage kan ook van invloed zijn, vooral voor kwetsbare doelgroepen6. En de tekorten zijn ook een mogelijke factor.
Om te komen tot passende kraamzorg hebben Bo Geboortezorg en ZN een gezamenlijk visie en versnellingsagenda ontwikkeld. Hierin willen zij ook aandacht besteden aan de eigen bijdrage. Ik volg dit proces nauwgezet en houd vinger aan de pols.
Zijn er mogelijkheden om in specifieke gevallen, bijvoorbeeld bij kwetsbare gezinnen, geen eigen bijdrage te vragen, bijvoorbeeld via een hardheidsclausule?
De Zorgverzekeringswet (Zvw) biedt deze mogelijkheid niet. Er zijn wel andere maatregelen die verzekerden tegemoet komen in het betalen van de eigen bijdrage, zoals aanvullende verzekeringen die de eigen bijdrage dekken en gemeentepolissen voor minima. Daarnaast bieden zorgverzekeraars de mogelijkheid om de nota’s in delen te betalen.
Bij de afweging of het opnemen van een hardheidsclausule voor de eigen bijdrage in de Zvw mogelijk en wenselijk is, zijn er een aantal belangrijke overwegingen en uitdagingen, bijvoorbeeld op het gebied van administratieve lasten en privacy. Zie ook de Kamerbrief over een hardheidsclausule voor het eigen risico in de Zorgverzekeringswet7. Bovendien zijn er andere maatregelen beschikbaar. Om deze redenen ben ik geen voorstander van het onderzoeken van de mogelijkheden voor en het eventueel invoeren van een hardheidsclausule.
Kunt u aangeven hoe de huidige indicatiestelling van het aantal kraamzorguren zich verhoudt tot de beweging naar passende zorg? Hoe kan meer recht gedaan worden aan de verschillende zorgbehoeften van gezinnen?
Om meer passende kraamzorg te kunnen bieden, werkt de sector aan een nieuwe indicatiesystematiek, de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM). Het verder uitwerken van de KLIM is onderdeel van de versnellingsagenda van Bo Geboortezorg en ZN.
Vanwege de schaarste wordt op dit moment ook met de huidige systematiek van indicatiestelling (Landelijk Indicatieprotocol (LIP)) al gekeken hoe de zorguren het beste verdeeld kunnen worden over de cliënten die zorg nodig hebben. De huidige indicatiestelling (LIP, KLIM pilot én Normenkader bij schaarste) blijft de manier van werken totdat de nieuwe indicatiesystematiek gereed is. Dit vergt tijd, maar met de komst van deze nieuwe indicatiestelling wordt de zorgbehoefte nauwkeuriger ingeschat. Daarmee krijgt de beweging naar passende zorg structureel vorm.
Kunt u bewerkstelligen dat de tarieven voor de kraamzorg reëel en kostendekkend zijn, waardoor de kraamzorgorganisaties financieel gezonde bedrijven worden en ruimte hebben om te investeren in de transitie van kraamzorg naar passende zorg?
De NZa voert kostprijsonderzoeken uit om tarieven vast te stellen, die jaarlijks worden geïndexeerd op basis van de door VWS aangeleverde percentages. Deze tarieven zijn kostendekkend en worden aangevuld met toeslagen voor de Vergoeding Gederfd Rendement Eigen Vermogen (VGREV), zodat zorgaanbieders ruimte hebben voor investeringen. Beleidswijzigingen worden elke 8 weken besproken en kunnen leiden tot structuur- en/of tariefwijzigingen. Daarnaast kunnen normatieve elementen, mits deze goed onderbouwd zijn, meegenomen worden.
Voor de eerstelijns kraamzorg en eerstelijns verloskunde zijn de kostprijsonderzoeken recent gestart. In het kostprijsonderzoek van de eerstelijns kraamzorg wordt aanvullend onderzoek gedaan naar normatieve kostenstijgingen in de jaren volgend (2024/2025) op het onderzoeksjaar (2023) om te bepalen of deze kosten in de nieuwe maximumtarieven eerstelijns kraamzorg van 2026 verwerkt moeten worden. Beide kostprijsonderzoeken worden in het tweede kwartaal van 2025 voltooid om tijdig de nieuwe maximumtarieven te kunnen vaststellen voor boekjaar 2026.
Bent u bereid om extra middelen ter beschikking te stellen aan de kraamzorgsector om de noodzakelijke transitie die in de toekomstvisie van de kraamzorg is opgenomen uit te kunnen voeren?
Ik vind het belangrijk dat kraamvrouwen, hun pasgeborene(n) en gezin de zorg krijgen die zij nodig hebben en dat kinderen een goede start maken. Ik ben daarom blij dat Bo Geboortezorg en ZN hun verantwoordelijkheid hebben genomen en werken aan een toekomstbestendige sector. Een aantal van de ontwikkellijnen uit de versnellingsagenda, kan gerealiseerd worden vanuit de kwaliteitsgelden voor de kraamzorg, waarvoor ik jaarlijks € 500.000 via ZonMw beschikbaar stel. Verder loopt er een aanvraag voor transformatiemiddelen (IZA) en zijn er vanuit het ZonMw programma Zwangerschap & Geboorte III middelen beschikbaar voor onderzoek.
Erkent u dat het vak van kraamverzorgenden aantrekkelijker gemaakt moet worden door een beter passende beloning voor kraamverzorgenden te realiseren (onder meer de loonkloof dichten en een hogere vergoeding voor wachtdiensten)?
De aantrekkelijkheid van werken in de zorg is niet enkel afhankelijk van het salaris. Zaken als professionele autonomie, zeggenschap en ontwikkelmogelijkheden spelen ook een grote rol in de keuze om wel of niet in de zorg te (blijven) werken. Ik stel ieder jaar extra marktconforme arbeidsvoorwaardenruimte (ova) beschikbaar via ophoging van de financiële kaders en de gereguleerde tarieven. Zo ook voor de kraamzorg. Het is aan sociale partners om op basis hiervan te komen tot passende cao-afspraken.
Daarnaast heb ik van Bo Geboortezorg meegekregen dat door vergrijzing en personeelstekorten de uitstroom in de kraamzorg groter is dan de instroom. Daarnaast is ook de werk-privébalans door zorgverdeling en een toename in het aantal zzp’ers, verder onder druk komen te staan. Dit laat zien dat de oorzaak én oplossing niet (enkel) financieel is. De versnellingsagenda bevat acties om de instroom van personeel, de werk-privébalans en de balans tussen zzp'ers en kraamverzorgenden in loondienst te verbeteren.
Kan het opleidingsfonds dat in 2024 beschikbaar was voor het opleiden van extra kraamverzorgenden gecontinueerd worden?
Navraag bij ZN leert dat het opleidingsfonds en de effecten daarvan tot in ieder geval 2026 doorlopen. Het is de bedoeling dat hiermee maximaal 400 extra opleidingsplekken gevuld worden die daarna zelfstandig hun vak kunnen uitoefenen. Naar verwachting zullen de effecten hiervan de komende 2 jaar zichtbaar worden.