De berichten over een tekort aan seniorenwoningen |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Helft gemeenten verwacht tekort seniorenwoningen» en «Huizen voor senioren worden snel schaars»?1 2
Ja.
Kunt u een reactie geven op de belangrijkste resultaten van het onderzoek dat in opdracht van de ANBO is uitgevoerd, met name het resultaat dat maar ongeveer de helft van de gemeenten zicht heeft op het aantal geschikte woningen voor senioren, dat slechts 28% weet hoeveel woningen er met relatief kleine aanpassingen geschikt te maken zijn en dat minder dan de helft van de gemeente met een Woonvisie hierin specifiek aandacht heeft voor woonbeleid gericht op senioren?3
Langer zelfstandig wonen gaat om meer dan alleen de geschiktheid van een woning. Ook andere aspecten zijn van belang, zoals het hebben van een sociaal netwerk, goede zorg en welzijn en andere voorzieningen in de buurt. De huidige ouderen willen zo lang mogelijk in hun eigen woning blijven wonen en de regie behouden. Door de ontwikkelingen in de technologie en de zorg is dat ook steeds beter mogelijk. Dit maakt dat een specifieke seniorenwoning steeds minder vaak nodig is. Het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen (AJT) heeft in zijn eindrapport «Van tehuis naar thuis» een aantal aanbevelingen gedaan. Twee van deze aanbevelingen richten zich op het opstellen van een lokale uitvoeringsagenda en het inzichtelijk maken van cijfers. In de reactie op het rapport die de Staatssecretaris van VWS en ik uw Kamer onlangs hebben toegezonden is opgenomen dat wij de ontwikkeling van deze zogenaamde zorgvisie onderschrijven en gemeenten en hun partners hierin faciliteren met een ondersteuningsprogramma. Het AJT geeft aan dat, om te kunnen komen tot een lokale uitvoeringsagenda, het van belang is om lokaal te beschikken over voldoende onderzoekscijfers en -inzichten in de brede opgave van wonen en zorg. We zien dit als een gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk en lokale partijen. De Staatssecretaris van VWS en ik gaan daarom, zoals aanbevolen door het AJT, de komende periode in overleg met koepelorganisaties bezien welke onderzoekscijfers al beschikbaar zijn, waaraan nog behoefte is en wat verder onderzoek inhoudelijk, technisch en financieel vergt. Ten aanzien van het beschikbaar stellen van onderzoekscijfers dient daarbij kritisch te worden gekeken naar het praktische nut en de haalbaarheid van de cijfers die lokaal benodigd zijn. Het is bijvoorbeeld de vraag of een macrocijfer over de hoeveelheid woningen die met kleine aanpassingen geschikt te maken zijn, voor de gemeenten direct van nut is om te bepalen hoe het lokale beleid vorm gegeven moet worden. Op basis van een lokale uitvoeringsagenda en de beschikbaarheid van cijfers kan vervolgens de afweging worden gemaakt of en op welke wijze (senioren)-woningen aangepast moeten worden.
Door de herziene woningwet hebben gemeenten meer dan voorheen, in het bijzonder voor de sociale huursector, een bepalende rol in het langer zelfstandig wonen. Waar het de woonvisie betreft geldt dat, wanneer een gemeente een woonvisie opstelt, de desbetreffende woningcorporaties daaraan naar redelijkheid bij dienen te dragen. Voor het onderwerp wonen en zorg is het dan ook van belang dat gemeenten daar in hun woonvisie op in gaan. Ik verwacht dan ook van gemeenten, woningcorporaties en huurders dat zij afspraken maken over het realiseren van wonen met zorg4. Uit het ANBO onderzoek blijkt dat bijna de helft van de 114 onderzochte gemeenten met een woonvisie hierin specifiek aandacht heeft voor woonbeleid gericht op senioren. Uit een recent onderzoek naar prestatieafspraken tussen augustus 2014 en december 2015 blijkt echter dat het thema «wonen met zorg» in 95% van de 156 onderzochte nieuwe afspraken tussen gemeenten en woningcorporaties als apart onderdeel is opgenomen5. Conform de motie Ronnes zal ik in overleg met de VNG het systeem van monitoring van woonvisies en prestatieafspraken verder ontwikkelen en een inhoudelijke evaluatie ernaar doen zodat u voorafgaand aan de begrotingsbehandeling geïnformeerd wordt over de resultaten.6
Het ANBO onderzoek sluit hier grotendeels bij aan. Ook dit onderzoek legt veel nadruk op het maken van een woonvisie en prestatieafspraken. Uit zowel de eindrapportage van het AJT als het ANBO rapport valt op te maken dat veel gemeenten volop beleid op wonen en zorg ontwikkelen, maar dat dit proces nog gaande is.
Uit onderzoek van Rigo7 blijkt overigens dat de sociale huursector op dit moment vrij sterk vergrijsd is, waardoor de opgave voor woningcorporaties in kwantitatief opzicht niet groter zal worden. Van de huurders in de gereguleerde huur is op dit moment 31% 65 jaar of ouder en 17% boven de 75 jaar. Door natuurlijke ontwikkeling zal het aandeel ouderen in de sociale huur de komende jaren naar verwachting verder afnemen om vervolgens te stabiliseren. Woningcorporaties krijgen volgens het rapport wel te maken met een toename van de groep met zware beperkingen.
Hoe beoordeelt u de onderzoeksuitslagen van ANBO in relatie tot de eindrapportage van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen?
Wanneer volgt uw reactie op de eindrapportage van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen? Bent u bereid die op zeer korte termijn te leveren, gezien de urgentie van dit probleem?
Hoe beoordeelt u de aanbevelingen van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen gericht aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als systeemverantwoordelijken?
Herinnert u zich de motie-Krol (Kamerstuk 34 300 XVII nr. 37), waarin u werd verzocht «na ommekomst van de slotrapportage van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen met voortvarendheid de regie te nemen, teneinde dit tekort op de kortst mogelijke termijn aan te pakken, bijvoorbeeld aan de hand van een landelijk actieplan ouderenhuisvesting»?
Hoe gaat u deze motie uitvoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid de regie te nemen teneinde het bestaande tekort aan geschikte woningen voor senioren aan te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De toename van het tekort aan seniorenwoningen |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het tekort aan seniorenwoningen toeneemt?1
Ja.
Deelt u de conclusie uit het onderzoek van Ipso Facto dat in opdracht van de ouderenbond ANBO is uitgevoerd, dat er een tekort aan seniorenwoningen dreigt in 2020? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre is het huidige beleid toereikend om het hoofd te bieden aan die tekorten?
De vraag en het aanbod van seniorenwoningen2 is een lokaal vraagstuk en daarmee, zoals ook aangegeven in de kabinetsreactie op het rapport van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen, primair een lokale en regionale verantwoordelijkheid. Langer zelfstandig wonen gaat bovendien om meer dan alleen de geschiktheid van een woning. Vooral ook andere aspecten zijn van belang, zoals een sociaal netwerk, zorg, welzijn en andere voorzieningen in de omgeving. De huidige ouderen willen zo lang mogelijk in hun eigen woning blijven wonen en de regie behouden en dat is door de ontwikkelingen in de technologie en de zorg ook steeds beter mogelijk. Dit maakt dat een specifieke seniorenwoning vaak niet nodig is. De matige verhuurbaarheid van bestaande seniorenwoningen, zoals uit een recent onderzoek van het Kenniscentrum Wonen en Zorg3 blijkt, onderstreept dat. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Rigo4 dat de sociale huursector op dit moment vrij sterk vergrijsd is, waardoor de opgave voor woningcorporaties in kwantitatief opzicht niet groter zal worden. Van de huurders in de gereguleerde huur is op dit moment 31% 65 jaar of ouder en 17% boven de 75 jaar. Door natuurlijke ontwikkeling zal het aandeel ouderen in de sociale huur de komende jaren naar verwachting verder afnemen om vervolgens te stabiliseren. Woningcorporaties krijgen volgens het rapport wel te maken met een toename van de groep met zware beperkingen.
Ik zie dan ook niet een tekort aan seniorenwoningen ontstaan, hoewel vraag en aanbod, net als bij andere soorten woningen, natuurlijk nooit volledig in evenwicht zullen zijn.
Kunt u verklaren waarom juist in kleinere gemeenten nu al een tekort aan seniorenwoningen wordt ervaren?
Het is moeilijk om een verklaring te geven voor dit onderzoeksresultaat. In het rapport wordt niet op een verklaring ingegaan. Wel wil ik opmerken dat in het onderzoek wordt aangegeven dat deze resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd vanwege het kleine aantal gemeenten dat deze waarden heeft ingevuld. Daarnaast is een ervaren tekort een subjectief begrip wat een vergelijking en verklaring moeilijk maakt.
Deelt u de zorg dat een aanzienlijk deel van de gemeenten de feiten over wonen van senioren nog niet op een rij heeft en dat daar spoedig verandering in dient te komen? Bent u bereid gemeenten daarbij te helpen? Zo ja, hoe denkt u dat te willen doen?
In de eindrapportage van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen is een aanbeveling gedaan aan het Rijk om cijfers op lokaal niveau te leveren. Zoals in de reactie van de Staatssecretaris van VWS en mij op de eindrapportage, die onlangs aan uw Kamer is verzonden, is opgenomen dat wij de komende periode in overleg met koepelorganisaties zullen bezien welke onderzoekscijfers al beschikbaar zijn, waaraan nog behoefte is en wat verder onderzoek inhoudelijk, technisch en financieel vergt. De Staatssecretaris van VWS en ik zijn in overleg met de VNG over een ondersteuningsprogramma over langer zelfstandig wonen. Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij hun woonvisie, en daarop gebaseerde prestatieafspraken in willen vullen. Om gemeenten te ondersteunen wordt vanuit het kennis- en experimentenprogramma Langer Thuis een praktische handleiding gemaakt om woonvisies (gemeenten) en prestatieafspraken (gemeente, corporatie en huurders) over wonen en zorg vorm te geven.
Bent u bereid om, in overleg met de VNG, de gemeenten te stimuleren het inzicht in bijvoorbeeld de omvang van beschikbare woningen voor deze doelgroep te vergroten en expliciet een rol te laten spelen bij de prestatieafspraken?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Naar een duurzame energiehuishouding met LNG' |
|
Betty de Boer (VVD), André Bosman (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Naar een duurzame energiehuishouding met LNG»?1
Ja.
In het artikel wordt geschreven over de uitrol van een dekkend netwerk van liquefied/liquid natural gas (LNG) vulpunten binnen de gehele Europese Unie; hoe wordt dit netwerk ingericht? Wie is er voor dit netwerk verantwoordelijk? Door wie worden de investeringskosten gedragen van dit netwerk?
In 2014 is de EU Richtlijn Infrastructuur voor Alternatieve Brandstoffen voor Transport (2014/94EC) een verplichting voor alle lidstaten geworden. Deze richtlijn schrijft onder meer voor dat er een Europees breed dekkend netwerk moet worden gerealiseerd voor alternatieve brandstoffen, waaronder LNG. In de zomer van 2016 zal het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een beleidskader naar de Tweede Kamer sturen waarin wordt aangegeven hoe de richtlijn in Nederland wordt geïmplementeerd. In principe is de markt aan zet om de netwerken van alternatieve tank- en laadstations te realiseren. De overheid moet zorgdragen voor de juiste randvoorwaarden, zoals regelgeving voor veiligheid en procedures voor vergunningen, zodat het voor de private sector rendabel wordt om te investeren. De private sector omvat partijen die betrokken zijn bij de productie, distributie, transport en afzet van alternatieve brandstoffen. Voor de benodigde investeringen kan gebruik worden gemaakt van onder andere Europese cofinancieringsmiddelen.
De Nederlandse infrastructuur behelst op dit moment 19 tankstations voor wegvervoer en meerdere locaties voor het bunkeren van schepen (ook vanuit vrachtwagens of bunkerschepen).
Welke rol kan Nederland spelen in de Europese energiemarkt?
Nederland is een sterk voorstander van het tot ontwikkeling brengen van de interne markt voor energie, waarbij de grensoverschrijdende handel in en het transport van energie niet op (onnodige) belemmeringen stuiten. Een goed functionerende interne energiemarkt is essentieel voor het borgen van de leveringszekerheid. Nederland ondersteunt de Commissie dan ook in haar streven om de implementatie van het derde energiepakket en de daaruit volgende netcodes nauwgezet te volgen en lidstaten zonodig aan te spreken indien daarbij onvoldoende voortgang wordt geboekt.
Hoe worden de kansen voor Nederland in de Europese LNG markt optimaal benut? Welke rol vervult u hierin en in welke acties vertaalt dit zich?
LNG draagt bij aan het borgen van de leveringszekerheid. De inzet van LNG maakt diversificatie van bronnen en aanvoerroutes mogelijk bij de invoer van gas en zorgt daarmee tevens voor meer concurrentie op de gasmarkt. LNG kan voorts een rol spelen in het verduurzamen van het zware wegvervoer en de scheepvaart.
Door de mede in het kader van de gasrotondestrategie gebouwde LNG terminal in Rotterdam is het sinds 2011 mogelijk om LNG naar Nederland aan te voeren en hier over te slaan. Dit LNG kan worden ingezet voor zowel de Nederlandse markt als voor markten in omliggende landen. Nederland zet in op voltooiing van de interne markt in de EU zodat betere marktwerking kan leiden tot het aantrekken van meer LNG en deze LNG binnen de EU grensoverschrijdend kan worden verhandeld en getransporteerd.
Voor de introductie van LNG als brandstof in de transportsector is in 2013 door het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de sector (via Havenbedrijf Rotterdam, Deltalinqs en Energy Valley) de Green Deal LNG Rijn en Wadden ondertekend. In het kader van deze Green Deal is er door de overheid in samenwerking met het aan de Green Deal verbonden LNG Platform een aantal belemmeringen aangepakt. Verder is met een LNG veiligheidsprogramma aanvullende kennis verzameld omtrent de risico’s van met name vervoer, verlading en opslag van LNG. Voor het opzetten van een veiligheidskader voor de uitrol van LNG in de transportsector is in 2015 een zgn. Safety Deal afgesloten door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Ook is er vanuit Nederland binnen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bijgedragen aan een integraal regelgevend kader dat schoon en veilig gebruik van LNG mogelijk maakt in de grensoverschrijdende binnenvaart.
In de Internationale Maritieme Organisatie heeft Nederland bijgedragen aan de «International Code of Safety for Ships using Gases or other Low flashpoint Fuels» (IGF Code), waarin de internationale regelgeving voor zeeschepen die LNG als brandstof gebruiken is vastgelegd. Deze code treedt op 1 januari 2017 in werking.
In de onder leiding van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu opgestelde visie op duurzame brandstoffen heeft (bio) LNG een rol in de verduurzaming van het zware wegvervoer en scheepvaart. Binnen het Topconsortium voor Kennis en Innovatie voor Gas (TKI-Gas) is er een aparte programmalijn om innovaties op het gebied van LNG te stimuleren, onder andere gericht op het reduceren van methaanslip in de scheepvaart. De Nederlandse kennis en expertise op het gebied van LNG komt ook aan de orde in diverse bilaterale activiteiten gericht op handelspromotie binnen en buiten Europa. Het kabinet zet zich dus krachtig in voor de bredere toepassing van LNG en het benutten van economische kansen voor Nederland daarbij.
Bent u bekend met het bericht «Christenen Pakistan in angst»?1
Ja.
Hoe duidt u de achtergronden van deze terreuraanslag op Eerste Paasdag? Komt het vaker voor dat christenen expliciet doelwit zijn van dergelijke aanslagen?
De aanslag op Eerste Paasdag is opgeëist door de soennitische extremistische organisatie Jamaat-ul-Ahrar, een groepering die sinds twee jaar een afsplitsing vormt van de Pakistaanse Taliban. De organisatie claimt dat de aanval gericht was tegen christenen. Bij de aanslag vielen 72 doden, voornamelijk vrouwen en kinderen en in meerderheid moslim.
Naast het religieuze motief, zou de aanslag ook een vergelding kunnen zijn voor militaire operaties die Pakistan al langere tijd uitvoert in het grensgebied met Afghanistan en voor de politie operaties die de laatste maanden in Punjab plaatsvinden. Deze operaties zijn gericht tegen aan de Taliban gerelateerde groeperingen.
Aanslagen komen met regelmaat voor in Pakistan. In 2015 kwamen meer dan 4000 mensen bij aanslagen om het leven. Ook christenen zijn het doelwit, zoals in mei vorig jaar, toen dezelfde organisatie een aanslag pleegde op twee kerken in Lahore.
In hoeverre bent u, gezien het feit dat Pakistan momenteel zesde staat op de ranglijst christenvervolging van Open Doors, kerken zwaar beveiligd moeten worden en christenen worden gezien als tweederangs burgers, van mening dat door de Pakistaanse overheid voldoende bescherming geboden wordt aan religieuze minderheden? Deelt u de mening dat naast de bescherming van de rechten van religieuze minderheden ook serieus werk moet worden gemaakt van de sociale en economische ontwikkeling van de meest kwetsbare groepen in de Pakistaanse samenleving?
Het kabinet deelt uw mening betreffende het belang van de bescherming van religieuze minderheden. Nederland wijst daarom in bilateraal en multilateraal verband voortdurend op de verantwoordelijkheid van de Pakistaanse autoriteiten om minderheden te beschermen. Zo is dit opgebracht tijdens een ontmoeting met mijn Pakistaanse collega in november jl., tijdens de ASEM ministeriële bijeenkomst. De Nederlandse ambassadeur in Islamabad stelt het onderwerp ook regelmatig aan de orde, zoals onlangs in een gesprek met Khalil Tahir Sandhude, Minister van Mensenrechten en Minderhedenzaken van Punjab.
Pakistan kent grote uitdagingen op het gebied van rechtsorde, waaronder toegang tot rechtspraak en toepassing van het recht, en op het gebied van sociaaleconomische ontwikkelingen inclusief snelle bevolkingsgroei en werkeloosheid. Deze uitdagingen komen onder meer tot uiting door een zorgelijke veiligheidssituatie, sektarisch geweld, ontheemding en migratie. Nederland is daarom voornemens om vanaf dit najaar via het Addressing Root Causes fonds ngo-programma’s in Pakistan te steunen om de toegang tot rechtspraak te verbeteren en de werkgelegenheid voor jongeren uit kwetsbare groepen te vergroten.
Ook via de Strategische Partnerschappen voor Samenspraak en Tegenspraak, de Partnerschappen voor Seksuele Reproductieve Gezondheid en Rechten en het Accountability Fund zal Nederland zich inzetten voor kwetsbare groepen in Pakistan.
Wat doet u, of wat gaat u doen, om ook in Europees verband de Pakistaanse overheid erop aan te spreken dat zij aan de Taliban gelieerde groeperingen effectief bestrijdt? Op welke wijze kan de internationale gemeenschap de Pakistaanse overheid daarbij concreet assistentie verlenen?
De veiligheid en stabiliteit in de regio komen zowel in bilateraal als multilateraal verband regelmatig aan de orde in gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten. Sinds de aanslag op een militaire school in Peshawar op 16 december 2014 lijkt de Pakistaanse regering de noodzaak van effectievere bestrijding van terrorisme in te zien. Pakistan heeft een nationaal actieplan tegen terrorisme opgesteld, verschillende maatregelen genomen en een aantal militaire operaties uitgevoerd. In EU verband zal binnenkort met Pakistan worden gesproken over verdere mogelijkheden tot samenwerking, onder andere op het gebied van contraterrorisme. Daarnaast is Pakistan lid van het Global Counterterrorism Forum (GCTF), waar Nederland covoorzitter van is. Het voorkomen van radicalisering en gewelddadig extremisme staan binnen dit forum hoog op de agenda.
Het bericht ‘Sparen buiten eigen land blijft risicovol’ |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het hoofdredactioneel commentaar van het FD van 29 maart jl., getiteld «Sparen buiten eigen land blijft risicovol»?
Ja.
Welke bemiddelaars die spaargeld van particulieren wegzetten op buitenlandse banken zijn in Nederland actief?
Partijen die in Nederland bemiddelen in spaargelden van particulieren dienen over een vergunning te beschikken. Bemiddelaars moeten kwalificeren op basis van artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en kunnen specifiek of onder andere bemiddelen in spaarrekeningen. Een actueel overzicht van de in Nederland actieve bemiddelaars in financiële producten treft u in het register van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).1 Hierin wordt geen gedetailleerde informatie gegeven over de activiteiten van deze bemiddelaars op de verschillende deelmarkten in de verschillende Europese lidstaten. Het is wel mogelijk om via dit register op te zoeken of een bemiddelaar daadwerkelijk een vergunning heeft voor het bemiddelen in spaargelden.
Hoeveel mensen sparen via deze bemiddelaars in het buitenland? Om hoeveel spaargeld gaat het?
Er zijn geen rapportages die identificeren hoeveel spaargeld, zowel qua omvang als aantal, via bemiddelaars actief in Nederland bij buitenlandse banken terecht komt. Uit voorlopige cijfers van het CBS over 2015 kan wel worden afgeleid dat Nederlandse huishoudens voor circa 15 miljard euro aan spaartegoeden en deposito’s hadden uitstaan bij banken in het buitenland.2
Bent u van mening dat banken van buiten de bankenunie en bemiddelaars voor deze banken voldoende inzicht bieden in de risico’s die sparen bij deze banken met zich meebrengt? Welke informatie over risico’s zijn deze banken verplicht om aan Nederlandse spaarders te verstrekken?
Er zijn bemiddelaars met een vergunning in Nederland die bemiddelen in spaarrekeningen bij buitenlandse banken. Voor deze bemiddelaars gelden er regels over informatieverstrekking aan (potentiële) klanten. Alle door de bemiddelaar verstrekte of beschikbaar gestelde informatie over haar dienstverlening en in dit geval de spaarrekening dient bijvoorbeeld correct, duidelijk en niet-misleidend te zijn.
Ook dienen de bemiddelaars de consumenten voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake de spaarrekeningen informatie te verstrekken om een adequate beoordeling van het product te maken. De AFM heeft in haar «Beleidsregel Informatieverstrekking» voorbeelden opgenomen van relevante kenmerken van spaarproducten waarover geïnformeerd moet worden. Onder deze relevante kenmerken vallen ook de risico’s die aan het product verbonden zijn. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn of al dan niet een depositogarantiestelsel (DGS) van toepassing is en of bijvoorbeeld sprake kan zijn van een valutarisico. Ook zal de bemiddelaar meer algemene informatie over de buitenlandse bank, die de spaarrekening aanbiedt, moeten verstrekken.
De AFM ziet er op toe dat bemiddelaars duidelijk communiceren over de (netto) rendementen, zodat bij consumenten geen onterechte verwachtingen worden gewekt. Daarnaast hecht de AFM er waarde aan dat consumenten weten waar en in welke taal ze ook na het afsluiten van de spaarrekening terecht kunnen voor bijvoorbeeld vragen. Al deze elementen dragen ertoe bij de consument in staat te stellen een weloverwogen beslissing nemen of hij een spaarrekening opent bij een bank in een andere Europese lidstaat.
Daarnaast gelden ook voor de informatieverstrekking door banken aan spaarders waarborgen. Alle banken die zijn gevestigd binnen de Europese Economische Ruimte (EER) moeten op dezelfde manier bepaalde informatie verstrekken aan (potentiële) klanten over het toepasselijke DGS. Zo moeten zij duidelijk maken welk DGS van toepassing is. Dat moet vóór afsluiting van een contract plaatsvinden en vervolgens ten minste jaarlijks. Bovendien moet op het rekeningafschrift worden vermeld of de desbetreffende deposito’s in aanmerking komen voor het DGS. Daarnaast worden er eisen gesteld aan bijvoorbeeld de website van een DGS, zodat depositohouders zich kunnen informeren.3
Voor banken die beschikken over een Nederlandse bankvergunning houdt De Nederlandsche Bank (DNB) er toezicht op dat banken zich houden aan hun actieve informatieplicht. Banken die zijn gevestigd in een andere lidstaat en die op grond van het zogeheten Europees paspoort via een bijkantoor in Nederland actief zijn, vallen onder het toezicht van de toezichthouder en onder het DGS in de lidstaat van herkomst. Hetzelfde geldt voor banken die zijn gevestigd in een andere lidstaat en die via Nederlandse bemiddelaars deposito’s van Nederlandse huishoudens aantrekken. Naast deze informatieverstrekking over het DGS moeten banken spaarders op grond van Europese regels ook in algemene zin informeren over de eventuele risico’s die zijn verbonden aan een spaarproduct, zoals valutarisico’s.
De Bulgaarse Fibank biedt 2,5% rente, die pas na vijf jaar wordt uitbetaald; is dit toegestaan op de markt voor particulieren? In hoeverre acht u dit wenselijk? Zijn er Nederlandse banken die een dergelijk systeem hanteren?
Ja, ook Nederlandse banken bieden spaar- of termijndeposito’s aan waarbij spaargelden voor langere tijd wordt vastgezet. De rentevoorwaarden kunnen per bank en per product verschillen. Soms wordt de rente tussentijds uitbetaald, en soms groeit het spaargeld aan met de opgebouwde rente, zodat de klant profiteert van rente op rente. Het is aan de depositohouder om een spaarproduct te kiezen met rentevoorwaarden die bij hem of haar passen. Verder zijn binnen de Europese Economische Ruimte in beginsel spaartegoeden tot 100.000 euro per depositohouder per bank gegarandeerd op grond van een DGS. Aangegroeide rente – inclusief aangegroeide rente die door de bank nog niet is gecrediteerd – wordt tot het spaartegoed gerekend en valt dus ook onder de garantie.
In hoeverre hebben Oost-Europese landen, zoals Bulgarije, een depositogarantiestelsel? Hoe kan worden gegarandeerd dat deze depositogarantiestelsels daadwerkelijk tot uitkering leiden indien er een bank omvalt? Hoe kan worden voorkomen dat de Nederlandse overheid moet bijspringen, zoals in 2008 gebeurde toen IJslandse banken omvielen?
In de Europese Unie dienen alle landen de Europese richtlijn voor depositogarantiestelsels (DGS-richtlijn) na te leven. Op basis van de DGS-richtlijn moeten alle banken die zijn gevestigd in de Europese Unie, verplicht deelnemen aan een DGS. Bovendien moet iedere lidstaat beschikken over ten minste één DGS, dat volgens Europese regels opereert.
De DGS-richtlijn is na herzieningen in 2009 en 2014 ingrijpend gewijzigd. Met name is van belang dat anders dan in 2008, het nu verplicht is om een fonds op te bouwen op basis van door banken af te dragen premies, in aanvulling op de mogelijkheid om de kosten van het DGS achteraf bij de sector in rekening te brengen. Hierdoor is verzekerd dat als een bank in de problemen komt, direct geld beschikbaar is om aan depositohouders uit te keren. In elke lidstaat wordt een of meerdere fondsen opgebouwd die in beginsel een bedrag ter grootte van 0,8% van de gegarandeerde deposito’s bevatten. Hiermee is de kans dat de overheid moet bijspringen tot een minimum beperkt. Ook is, mede naar aanleiding van de IJslandse casus, in de DGS-richtlijn opgenomen dat gezorgd moet worden voor een adequaat alternatief financieringsplan waarmee kortetermijnfinanciering kan worden verkregen, zodat een DGS steeds aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Overigens was de opbouw van een depositogarantiefonds in veel Europese lidstaten al staande praktijk vóór de herzieningen van de DGS-richtlijn.4
Daarnaast is de DGS-richtlijn consumentvriendelijker gemaakt. Zo is allereerst de reikwijdte van de garantie in verregaande mate gelijkgetrokken en moet bovendien de termijn waarbinnen spaarders hun gegarandeerde tegoeden terugkrijgen als een bank omvalt, worden verkort tot zeven werkdagen. Ook is onder meer geregeld dat spaarders die in een lidstaat wonen waar een bank actief is middels een bijkantoor zich tot het DGS in hun eigen lidstaat kunnen wenden met vragen, ook al wordt hun deposito gedekt door het DGS uit de lidstaat waar de bank gevestigd is. Nederlandse spaarders kunnen in voorkomend geval terecht bij DNB, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het Nederlands DGS.
Desalniettemin moet niet uit het oog worden verloren dat de kans dat een beroep moet worden gedaan op een DGS primair afhangt van de weerbaarheid van een bank. Ook de soliditeit van de bankensector als geheel kan per land verschillen.
Zijn mensen zich voldoende bewust dat met hogere rentes bij buitenlandse banken ook grotere risico’s verbonden zijn? Op welke wijze worden spaarders gewezen op deze risico’s?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er ook malafide partijen betrokken bij de bemiddeling of het aanbieden van hoge spaarrentes? Zo ja, hoe wordt hier tegen opgetreden?
De AFM pakt malafide en illegale bemiddeling aan. De AFM zegt weinig signalen te ontvangen over partijen die mogelijk hoge spaarrentes (in het buitenland) aanbieden of daarin bemiddelen. De lage renteomgeving in Nederland trekt echter mogelijk nieuwe marktpartijen (uit het buitenland) aan die consumenten mogelijk verleiden met hoge spaarrentes of exotische beleggingsproducten. Hier is een taak voor de AFM weggelegd om consumenten bijvoorbeeld via haar website te informeren over eventuele risico’s. Zo vraagt de AFM op 25 april 2016 via een persbericht aandacht voor de ontwikkeling van nieuwe marktpartijen en de bijbehorende risico’s.5 Zowel DNB als AFM delen de relevante signalen met elkaar als daar aanleiding toe is of, in het geval sprake lijkt van oplichting, met opsporingsinstanties. In het geval er concrete en ernstige signalen zijn, zal de AFM naar deze signalen onderzoek doen. Afhankelijk van de uitkomsten van een dergelijk onderzoek, heeft de AFM mogelijkheden om te handhaven.
Lancering van raketten die kernwapens kunnen dragen door Iran |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat Iran raketten heeft gelanceerd waarmee kernwapens kunnen worden afgeschoten?1
Iran heeft in maart wederom ballistische raketten afgevuurd. De afgevuurde raketten vallen hoogstwaarschijnlijk binnen de «Categorie 1 Systemen», zoals door het Missile Technology Control Regime (MTCR) gedefinieerd. Deze systemen hebben een bereik groter dan 300 km en een laadvermogen van minimaal 500 kg. Op basis van de richtlijnen van het MTCR kan worden gesteld dat «Categorie 1 Systemen» in theorie in staat zijn om massavernietigingswapens te vervoeren. Het kabinet acht het testen van ballistische raketten door Iran zeer onwenselijk.
Heeft Nederland de protestbrief van de Verenigde Staten en andere Europese landen aan de VN mede ondertekend? Zo neen, waarom niet?
De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk hebben op 28 maart jl. een brief aan de VN-Veiligheidsraad gestuurd. In deze brief verklaren deze vier landen dat deze raketlanceringen door Iran inconsistent zijn met paragraaf 3 van Annex B van VNVR-Resolutie 2231 (2015), waarin Iran wordt opgeroepen geen activiteiten te ondernemen m.b.t. ballistische raketten die ontworpen zijn om in staat te zijn kernwapens te vervoeren. Voorts vragen deze landen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties om volledig en grondig te rapporteren over Irans ballistische activiteiten die inconsistent zijn met VNVR-resolutie 2231 (2015). Ook wordt in de brief voorgesteld om de lanceringen te bespreken in het VNVR «2231 Format», een structuur die is opgezet om de monitoring van de implementatie van deze resolutie te faciliteren. De VS, het VK, Duitsland en Frankrijk waren allen direct betrokken bij de onderhandelingen met Iran en het opstellen van VNVR-resolutie 2231. De brief van de vier landen stond niet open voor ondertekening door andere landen (zoals Nederland). Het kabinet steunt de inhoud en strekking van deze brief ten volle.
Staat Nederland achter inhoud en strekking van die brief? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht "Brandbrief met brede steun voor 't Klaverblad |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brandbrief met brede steun voor ’t Klaverblad»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat OBS ’t Klaverblad, die sinds 2013 een basisarrangement is toegekend door de onderwijsinspectie, na jaren van dalende leerlingenaantallen (niet veroorzaakt door krimp), weer groeit dankzij de inzet van docenten, directie, bestuur, ouders en dorpsbewoners?
Ja.
Kunt u bevestigen dat alleen in 2015 al, de groei van de school opzienbarend was, van 7 leerlingen in januari 2015 naar 18 leerlingen in december 2015?
De nevenvestiging is inderdaad gegroeid in deze periode. De nevenvestiging had 7 leerlingen op 1 oktober 2014 en 17 leerlingen op 1 oktober 2015.
Kunt u tevens bevestigen dat, gezien de groei van het aantal inschrijvingen voor de onderbouw de afgelopen tijd, het zeer aannemelijk is dat de school binnen een redelijke termijn weer meer dan 23 leerlingen zal tellen?
Het is niet mogelijk om op basis van de groei in het afgelopen jaar een uitspraak te doen over de mogelijke verdere groei van deze nevenvestiging. Die is afhankelijk van de individuele keuzes van de ouders binnen het voedingsgebied.
Kunt u aangeven of OBS ’t Klaverblad onder de voorwaarden voor het inzetten van de discretionaire bevoegdheid valt, te weten; voldoende onderwijskwaliteit en zicht op toenemende leerlingenaantallen binnen een redelijke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, OBS ’t Klaverblad is een nevenvestiging en geen zelfstandige school. De Wet Primair Onderwijs kent alleen een discretionaire bevoegdheid voor het instandhouden van zelfstandige scholen. Het is daarom niet mogelijk om ’t Klaverblad met inzet van een discretionaire bevoegdheid instand te houden.
Klopt het dat artikel 157a WPO waarin deze discretionaire bevoegdheid is geregeld alleen van toepassing is op zelfstandige scholen en niet op nevenvestigingen?2
Ja.
Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de geest van het wetsvoorstel waarbij deze discretionaire bevoegdheid wordt opgenomen in de wet, naar aanleiding van de initiatiefnota «Oog voor toekomstige vergankelijkheid – over kleine scholen» van het lid J.J. van Dijk, gelet op het feit dat in deze initiatiefnota geen onderscheid is gemaakt tussen zelfstandige scholen en nevenvestigingen?3
De discretionaire bevoegdheid geldt alleen voor zelfstandige scholen vanwege de ruimere mogelijkheden die in de wetgeving al bestaan voor het instandhouden van nevenvestigingen. Als een zelfstandige school (die al op grond van de gemiddelde schoolgrootte in stand wordt gehouden) onder de 23 leerlingen zakt, dan wordt de bekostiging van de school gelijk in het daaropvolgende schooljaar gestopt. Dat kan erg streng zijn, vooral als er uitzicht is op groei. De discretionaire bevoegdheid geeft deze scholen daarom in uitzonderlijke gevallen drie jaar de tijd om weer 23 leerlingen te halen, mits de kwaliteit op orde is en er potentie is voor groei, bijvoorbeeld door de bouw van een nieuwbouwwijk.
De wetgeving om een nevenvestiging in stand te houden is ruimer. Als een nevenvestiging die al gebruik maakt van een uitzonderingsbepaling, onder de 23 leerlingen zakt, dan heeft de nevenvestiging drie jaar de tijd om weer aan de 23 leerlingen te voldoen.4 Een discretionaire bevoegdheid om nevenvestigingen meer tijd te geven is daarom niet nodig. Dit vormde daarom ook geen onderdeel van de wetswijziging waarmee de discretionaire bevoegdheid voor zelfstandige scholen is geregeld. In de memorie van toelichting bij die wetswijziging staat bovendien expliciet dat het niet wenselijk is om een school na drie jaar nogmaals de tijd te geven om boven de norm uit te stijgen: «Als een school die al drie jaar onder de opheffingsnorm van 23 kan voortbestaan, nogmaals een kans krijgt om boven die norm uit te stijgen zouden, om oneigenlijk onderscheid en ongelijke behandeling te voorkomen, ook scholen met een opheffingsnorm van 24 of hoger in aanmerking moeten komen voor die extra termijn. Het hele geobjectiveerde systeem van stichting en instandhouding wordt daarmee onder druk gezet.» 5 Dit gaat over zelfstandige scholen, maar het principe geldt evengoed voor het nog langer instandhouden van een nevenvestiging.
Bent u bereid uw discretionaire bevoegdheid in te zetten om deze school open te houden? Zo nee, waarom niet? Wilt u in uw antwoord meenemen dat de school de laatste school in het dorp is?
Een discretionaire bevoegdheid bestaat niet voor nevenvestigingen.
De bekostiging zal daarom met ingang van het schooljaar 2016–2017 worden beëindigd. De leerlingen op de nevenvestiging zullen moeten uitwijken naar een andere school. De ouders kunnen bij de gemeente Drimmelen navragen of zij binnen de gemeentelijke regeling voor leerlingenvervoer in aanmerkingen komen voor leerlingenvervoer of een vergoeding voor leerlingenvervoer.
Het bericht dat het UMC Utrecht de omstreden KNO-arts weer laat opereren |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat de omstreden KNO-arts die werkzaam is in het UMC Utrecht, en op non-actief is gezet vanwege zijn betrokkenheid bij twee dodelijke incidenten, nu weer mag opereren?1
Welke redenen liggen ten grondslag aan de beslissing van het UMC Utrecht om deze KNO-arts weer op de poli te laten werken, en nu zelfs weer mag opereren, terwijl de Inspectie voor de Gezondheidszorg momenteel onderzoek doet naar de incidenten die hebben plaatsgevonden op de KNO-afdeling in het UMC Utrecht? Waarom worden de resultaten van het onderzoek door de Inspectie niet eerst afgewacht? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Was u ervan op de hoogte dat het UMC Utrecht deze KNO-arts weer laat werken en opereren, terwijl deze arts eerder op non-actief is gezet? Zo ja, wanneer was u hiervan op de hoogte? Zo neen, waarom is u dit niet gemeld?
Over de re-integratie was ik niet vooraf geïnformeerd, noch de IGZ. Het is echter niet aan de Minister van VWS, maar aan de toezichthouder om het besluit en de voorwaarden voor de re-integratie in kwestie te beoordelen. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 2.
Is de Inspectie op de hoogte gesteld van de besluitvorming van het UMC Utrecht dat deze KNO-arts weer mag opereren, terwijl de Inspectie momenteel onderzoek doet naar de eerdere handelwijze van deze KNO-arts? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Hoe oordeelt de Inspectie over het bericht dat deze KNO-arts weer mag werken, en nu zelfs opereert? Heeft de Inspectie hier toestemming voor gegeven? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Keurt u het goed dat het UMC Utrecht deze KNO-arts weer laat opereren, terwijl er een onderzoek loopt van de Inspectie naar deze KNO-arts? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
Acht u het feit dat deze KNO-arts alweer aan het opereren is, voordat het onderzoek van de Inspectie is afgerond, een juiste wijze van het hanteren van het voorzorgsprincipe? Zo ja, waarom? Zo neen, welke stappen gaat u in deze ondernemen?
Deelt u de mening dat vanwege het voorzorgsbeginsel het wenselijk is dat gedurende het onderzoek van de Inspectie voorkomen moet worden dat deze KNO-arts aan het werk gaat, en weer begint met opereren? Zo ja, bent u bereid samen met de Inspectie er strikt op toe te zien dat deze KNO-arts geen operaties of andere medische handelingen uitvoert? Zo neen, waarom niet?
Deelt u de mening dat deze kwestie schadelijk is voor het vertrouwen van patiënten in de zorgverlening van de KNO-afdeling in het UMC Utrecht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe wordt de veiligheid van patiënten in het UMC Utrecht gegarandeerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg over de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat is voorzien op 7 april 2016? Zo neen, waarom niet?
Ja.
Het bericht dat vliegreizen stilletjes duurder worden |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Vliegreis stilletjes duurder»?1 Wat vindt u van dit bericht?
Ja. Voor een inhoudelijke reactie verwijs ik naar de hiernavolgende antwoorden.
In hoeverre spoort het geconstateerde, namelijk dat veel luchtvaartmaatschappijen extra kosten berekenen voor onvermijdelijke diensten, met het feit dat de toezichthouder het niet melden van onvermijdelijke kosten verbiedt? Beschouwt de Autoriteit Consument & Markt (ACM) koffers als onvermijdelijke kosten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat beschouwt de ACM als onvermijdelijke kosten in de luchtvaartbranche?
Het klopt dat de ACM reeds in 2013 heeft aangegeven dat een aanbieder van vliegtickets onvermijdbare kosten niet later alsnog bij de prijs mag optellen.2 Deze kosten moeten al in de aanbiedingsprijs verwerkt zijn. Er zijn drie soorten kosten:
De Consumentenbond constateert dat reizigers zich door de vaak verborgen toeslagen steeds meer misleid voelen, vindt u dat de luchtvaartbranche daarom over het randje van wat is toegestaan is gegaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Luchtvaartmaatschappijen opereren in een vrije markt met en vrije keuzemogelijkheden voor de consument. Vliegtuigmaatschappijen kunnen concurreren op verschillende elementen en kunnen dienovereenkomstig hun prijzen en tarieven differentiëren. Passagiers hebben immers ook verschillende voorkeuren. Maar prijsdifferentiatie kan ook zijn ingegeven door de behoefte om zo effectief mogelijk te opereren. Het is niet aan de overheid om zich daarin te mengen. Wel eist de overheid dat de prijzen die worden gehanteerd (inclusief o.m. belastingen, heffingen en luchtvaarttarieven) transparant zijn, juist om vervelende verassingen te voorkomen (zie artikel 23 van de Verordening (EG) nr. 1008/2008 (Luchtvaartverordening)). Het is aan de ACM om hier controle op te voeren. Of de kosten duidelijk worden weergegeven beoordeelt de ACM per geval.
Welke mogelijkheden heeft de toezichthouder ACM om op te treden tegen dit soort ongewenst gedrag en intransparantie van kosten en toeslagen? Welke sancties en boetes zijn er mogelijk?
De ACM houdt toezicht op artikel 23 van de Luchtvaartverordening en de Wet oneerlijke handelspraktijken. Wanneer het gaat om onvermijdbare kosten die niet zijn opgenomen in de prijs of die onduidelijk zijn weergegeven kan ACM een onderzoek starten. Eveneens als het gaat om optionele kosten die onduidelijk worden weergegeven. Als sprake blijkt te zijn van een overtreding kan dat leiden tot een boete van maximaal 450.000 euro en/of een last onder dwangsom. De ACM heeft sinds 2013 meerdere aanbieders van vliegtickets aangesproken op de juiste weergave van prijzen. Dit heeft ook geresulteerd in boetes voor Ryanair, KLM en WTC.
Wat gaat de ACM tegen de gesignaleerde problemen doen? Hoe kan de prijstransparantie in de luchtvaartbranche worden verbeterd?
De ACM werkt al sinds 2013 actief aan meer transparantie in de luchtvaart. De aangevinkte opties die voorheen nog veelvuldig voorkwamen, komen nog nauwelijks voor. Ook heeft de ACM een specifiek hulpmiddel voor consumenten ontwikkeld op haar website Consuwijzer.nl, zodat zij meer inzicht krijgen in de verschillende optionele kosten bij reisaanbieders (de zgn. (P)Reischecker). De ACM houdt scherp de signalen in de gaten om te onderzoeken of er voldoende prijstransparantie bestaat voor consumenten. Ook is er regulier contact tussen de ACM en de Consumentenbond over signalen die bij de Consumentenbond binnenkomen. De kosten voor koffers die in dit artikel worden aangekaart zijn zoals gezegd op grond van de geldende wetgeving te beschouwen vermijdbaar en rechtvaardigen op zichzelf geen ingrijpen door de ACM. Wel kan de ACM scherp blijven op de juiste weergave van deze optionele kosten.
Bent u zelf ook bereid om met de luchtvaartbranche in gesprek te gaan over de geconstateerde problematiek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan daarover een terugkoppeling naar de Kamer plaatsvinden?
Nee, vooralsnog zie ik geen aanleiding om specifiek hierover met de luchtvaartbranche in overleg te treden. De luchtvaarbranche opereert in een vrije markt waarin luchtvaartmaatschappijen zelf de prijzen kunnen bepalen. Ik hecht daarbij aan transparantie over de prijsstelling zodat de consument een goede vergelijking kan maken. Alle aanbieders moeten voldoen aan de genoemde Europese regelgeving. De ACM is verantwoordelijk voor de handhaving en heeft voldoende middelen om onjuiste weergave van prijzen aan te pakken.
Het vrijlaten van gevangenen uit Guantánamo Bay |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Obama gaat weer gevangenen Guantánamo vrijlaten»?1
Nederland heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat Guantánamo Bay in strijd is met internationaal recht en zo snel mogelijk gesloten dient te worden. Stappen en maatregelen die sluiting dichterbij brengen, zoals door President Obama aangekondigd, worden verwelkomd.
Is Nederland een van de landen waar de gevangenen naar worden overgebracht?
Nee.
Behoren de «tiental» gevangenen die nu worden vrijgelaten tot de groep die is goedgekeurd voor overdracht («approved for transfer»)?
Het Amerikaanse Ministerie van Defensie heeft het Amerikaanse Congres ingelicht over de overdracht van een volgende groep gedetineerden naar derde landen. Dit is onderdeel van de gebruikelijke procedure rond vrijlating van gedetineerden uit Guantánamo. De overdracht betreft «approved for transfer»-gedetineerden die door zes instanties in de VS zijn goedgekeurd voor overdracht. De Amerikaanse Minister van Defensie moet zijn handtekening zetten onder iedere overdracht ter bevestiging dat deze geen onaanvaardbaar risico met zich meebrengt voor de nationale veiligheid.
Is het opnemen van gevangenen uit Guantánamo door Nederland nog onderwerp van gesprek in de diplomatieke contacten tussen Nederland en de Verenigde Staten? Wordt tijdens deze gesprekken ook consequent kenbaar gemaakt dat Nederland voorstander is van sluiting van Guantánamo Bay?
Ja. In diplomatieke contacten met de Amerikaanse autoriteiten wordt consequent kenbaar gemaakt dat Nederland voorstander is van sluiting van Guantánamo Bay.
Is er in 2016 nog een officieel verzoek gekomen van de Verenigde Staten aan Nederland om gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Het staande Amerikaanse verzoek is in 2016 herhaald in diplomatieke contacten op ambtelijk niveau.
Vindt u het niet vreemd dat een substantieel deel van de lidstaten van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië, Frankrijk, Slowakije, Spanje, België, Duistland, Ierland, Portugal, Italië, Bulgarije, Zweden, Estland en Denemarken, gevangenen uit Guantánamo Bay hebben opgenomen, maar Nederland niet?
Dit betreft een afweging die iedere lidstaat zelf maakt.
Hebt u kennisgenomen van het eerdere plan van de president van de Verenigde Staten voor sluiting van Guantánamo Bay dat naar het Amerikaanse Congres is gestuurd?2 Kunt u nagaan wat de status is van dit plan?
Ja. De Administratie is op zoek naar mogelijkheden om in samenwerking met het Congres de militaire gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten langs de lijnen die in het plan zijn uitgestippeld. Tijdens een hoorzitting door de Commissie Buitenlandse Zaken van het Huis van Afgevaardigden op 23 maart jl. werd duidelijk dat er binnen het Huis verschillend wordt gedacht over het plan.
Hoe beoordeelt u het plan van de president van de Verenigde Staten voor sluiting van Guantánamo Bay en de stap nu om een tiental gevangenen vrij te laten? Zijn dit wat u betreft betekenisvolle stappen richting sluiting van de detentiefaciliteit inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid om ook gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Het plan van de Amerikaanse regering om sluiting van de detentiefaciliteit dichterbij te brengen, wordt verwelkomd. Over de uitvoering van het plan bestaat nog veel onzekerheid. Het is daarmee te vroeg om de eerdere conclusie van het kabinet dat het Amerikaanse verzoek tot opname van gedetineerden uit Guantánamo pas in overweging zal worden genomen nadat de VS verdere betekenisvolle stappen heeft gezet richting sluiting van de detentiefaciliteit, inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden, te heroverwegen.
Weer een voorzorgslanding door een Apache gevechtshelikopter |
|
Ronald Vuijk (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Weer voorzorgslanding Apache-heli in weiland»?1
Ja, op 25 maart jl. heeft een Apache een voorzorgslanding gemaakt.
Kunt u op hoofdlijnen toelichten welk onderzoek is uitgevoerd aan het toestel na het incident? Zijn ook andere toestellen onderzocht?
Defensie onderzoekt met fabrikant Boeing de oorzaak en verzamelt daartoe vlucht- en systeemdata van de helikopter. Het onderzoek is nog niet voltooid. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek bepaalt Defensie of deze klacht tot maatregelen leidt en, zo ja, welke. Daarbij wordt ook bezien of er gevolgen zijn voor de overige Nederlandse Apaches. Als dat zo is, worden ook andere landen die de Apache gebruiken op de hoogte gesteld. Dit zijn standaardprocedures in het kader van de Militaire Luchtvaart Eisen.
Is reeds bekend welke oorzaak de foutmelding had die de piloot in de cockpit kreeg? Zo ja, wat veroorzaakte de foutmelding? Was er sprake van technisch falen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Is er een relatie tussen dit incident en de voorzorgslanding die een Apache maakte op 17 maart? Heeft de oorzaak van de foutmelding een relatie met het technisch falen van een Apache gevechtshelikopter in Mali (maart 2015), waardoor een Apache crashte? Kunt u dit toelichten?
Naar het zich nu laat aanzien hebben de klachten die op 17 en 25 maart jl. tot een voorzorgslanding van een Apache leidden een verschillende oorzaak. Of er een relatie met het ongeval in Mali is, kan pas worden vastgesteld als de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn.
Bent u bekend met de uitspraken van scheidend generaal De Kruif over de gevolgen van jarenlange bezuinigingen op Defensie?2 Zijn de recente voorzorgslandingen van Apaches in het licht van die uitspraken te plaatsen? Anders geformuleerd: is er een relatie tussen bezuinigingen op Defensie en deze recente incidenten? Zo ja, hoe duidt u die relatie?
Ik ben bekend met de uitspraken van luitenant-generaal b.d. De Kruif. De voorzorgslandingen op 17 en 25 maart jl. zijn geen gevolg van bezuinigingen op Defensie.
Kunt u deze vragen beantwoorden tegelijk met de eerdere vragen over het incident op 17 maart jl.?3
Ja.
Het misbruik van privégegevens door apps |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het item «Tinder schendt je privacy» in de uitzending van Radar van 28 maart 2016?1
Ja.
Kent u het bericht «Facebook Mines Data Off Cancer Sites, Users Say?2
Ja.
In hoeverre schenden apps als Facebook en Tinder met hun inlogsystemen de huidige regels voor de bescherming van privacygevoelige informatie?
De wetgever heeft de Autoriteit persoonsgegevens ingesteld om bij uitsluiting van andere organen te oordelen of verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens zich aan de in Nederland geldende wetgeving voor de bescherming van persoonsgegevens houden. De Autoriteit persoonsgegevens is onafhankelijk. Het past mij dan ook niet een oordeel uit te spreken over de vraag of Facebook en Tinder de geldende regelgeving schenden.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat apps als Facebook (soms zeer) gevoelige (medische) gegevens uit een profiel van een gebruiker met derden delen? Zo ja, welke consequenties trekt u daaruit voor de privacywetgeving? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om vast te stellen of apps zoals Facebook bijzondere persoonsgegevens uit het profiel van een gebruiker aan derden verstrekken, of een oordeel uit te spreken over de toelaatbaarheid van concrete feiten. Dat is aan de Autoriteit persoonsgegevens. Ik kan wel in zijn algemeenheid aangeven dat artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de verwerking van gegevens betreffende de gezondheid verbiedt, behoudens de in de wet geregelde uitzonderingen. In de context van sociale mediasites zoals Facebook en de apps die deze site op mobiele telefoons toegankelijk maken geldt dat de verwerking van gegevens betreffende de gezondheid slechts is toegelaten indien de gebruiker daarvoor uitdrukkelijke toestemming heeft verleend of door de betrokkene duidelijk openbaar zijn gemaakt. Facebook zal er daarom voor moeten zorgen dat voor zover de gegevens niet door de betrokkene openbaar zijn gemaakt de verzameling en eventuele verdere verstrekking gedekt wordt door de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Op grond van de artikelen 33 en 34 van de Wbp behoort Facebook de betrokkene daarover behoorlijk voor te lichten. Ik meen dan ook dat de geldende wetgeving de gebruiker voldoende bescherming biedt tegen de mogelijke nadelen van de verwerking van diens gezondheidsgegevens.
Deelt u de mening dat het akkoord gaan met de algemene voorwaarden niet voldoet om de privacy van de gebruiker te beschermen, zeker omdat een gebruiker niet of nauwelijks beseft waarvoor hij toestemming geeft? Zo ja, hoe gaat u gebruikers beschermen tegen de makers van apps die een verdienmodel hanteren waarin het gebruiken en/of doorverkopen van privacygevoelige informatie centraal staat? Zo nee, waarom niet?
Ik meen dat het op de weg van de op de weg van exploitanten van socialemediasites ligt om de gebruikers goed in te lichten over de inhoud van een gebruikersovereenkomst en consequenties van het aanvaarden daarvan. Ik ben echter ook van mening dat ook van de gebruiker verwacht mag worden dat hij zich realiseert dat het gebruik van sociale mediasites, apps, zoekmachines en andere diensten die op zichzelf genomen zonder hoge drempels en zonder geldelijke tegenprestatie worden aangeboden wel een tegenprestatie vragen in de vorm van het verzamelen en verder verwerken van persoonsgegevens. In zoverre is er ook een eigen verantwoordelijkheid van de gebruiker. De gebruiker behoort op grond van informatie die door de verantwoordelijke moet worden verstrekt te kunnen beoordelen of hij de consequenties van het gebruik van de aangeboden dienst aanvaardt. Het is een ervaringsregel dat de algemene voorwaarden bij een gebruikersovereenkomst moeilijk toegankelijk zijn voor gebruikers door omvang en taalgebruik. Die moeilijke toegankelijkheid wil op zichzelf genomen nog niet zeggen dat de genomen beschermingsmaatregelen inhoudelijk onvoldoende zijn. Dat zal van geval tot geval verschillen. Om de toegankelijkheid te verbeteren voorzien veel websites daarom naast de voorwaarden ook in een wat eenvoudiger toelichting. De Europese wetgever heeft in de inmiddels vastgestelde Algemene verordening gegevensbescherming geregeld dat indien toestemming in het kader van een geschreven verklaring, zoals algemene voorwaarden, wordt gevraagd het verzoek om toestemming duidelijk moet worden onderscheiden van alle overige informatie, deze gemakkelijk toegankelijk moet zijn en in duidelijke en eenvoudige taal moet zijn gesteld. Ik acht dit een verbetering van de bescherming van gebruikers.
Wat is uw reactie op het advies van Bits of Freedom om niet bij apps in te loggen met een Facebook- of Twitteraccount?3
Ik juich toe dat organisaties die zich de belangen van gebruikers aantrekken de gebruikers keuzes aanreiken die zij kunnen uitoefenen. Van een uitspraak over een concreet advies onthoud ik mij.
Gaat u, gezien het privacyschendende verdienmodel van Facebook en het advies van Bits of Freedom, ervoor zorgen dat apps van de rijksoverheid niet met een Facebook- of Twitteraccount toegankelijk (meer) worden? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend, maakt de rijksoverheid bij zijn apps geen gebruik van de inlogmogelijkheid via Facebook- of Twitteraccount.
Het bericht dat de zorgverlening in bijna alle gemeenten onvoldoende is |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ook zo geschrokken van het bericht dat vijf op de zes gemeenten van cliënten een onvoldoende krijgt voor de wijze waarop gemeenten voorzien in noodzakelijke zorg en hulpmiddelen?1
Cliëntervaringen zijn in tijd van transitie en bij beoordeling van de uitvoering belangrijk. Dat is namelijk waar de zorg en ondersteuning om moet gaan. Om die reden financier ik het programma «mijn kwaliteit van leven» ook. Niet alleen om te laten zien wat de ervaringen nu zijn, maar ook om te laten zien wat beter kan. In het rapport wordt aangegeven dat ruim een derde aangeeft dat het op alle leefgebieden goed gaat. De helft geeft aan dat met een enkele verbetering (bv. ander hulpmiddel) hun situatie zal verbeteren. Iets meer dan een op de tien cliënten geeft aan dat passende hulp in hun situatie geen oplossing meer zal bieden.
De cijfers per gemeente, die via de website www.mijnkwaliteitvanleven.nl te vinden zijn, zijn een beoordeling van hoe «positief» de cliënt is over het contact met de gemeente als er (hulp)middelen nodig zijn. Ik lees dat gemiddeld genomen gemeenten hier een 5,1 krijgen. Waar het hier wat mij betreft om gaat, is dat de gemeente die hier niet goed scoren zichzelf verbeteren, onder andere door te leren van gemeenten die wel goed scoren. Het programma «Mijn kwaliteit van leven» ondersteunt hier ook bij.
Wat vindt u ervan dat slechts twee op de vijf mensen denken dat hun zorg in de toekomst betrouwbaar is? Wat gaat u hieraan doen?
De hervorming van het zorgstel is ingezet om de zorg in Nederland dichter bij de cliënt te brengen, met goede kwaliteit en op financieel houdbare wijze. Ook voor volgende generaties. De verandering van het stelsel in 2015 heeft onzekerheid gebracht bij individuele cliënten. Gemeenten en cliëntorganisaties werken aan verbetering van de uitvoering, zodat cliënten dat ook meer gaan merken.
De exacte vraag die in het onderzoek gesteld wordt, is of men vertrouwt of de zorg voor iedereen betaalbaar en goed blijft. Dat deze vraag tot een onzeker antwoord leidt, is begrijpelijk. Men kan dat immers niet van iedereen beoordelen.
Wat vindt u ervan dat twee derde van de cliënten zich toch beperkt voelt, ondanks de ondersteuning die zij krijgen? Wat zegt dit volgens u over het «maatwerkbeleid» van gemeenten?
Hoe goed de ondersteuning ook is en moet zijn, deze zal in veel gevallen het gevoel van beperking niet geheel kunnen wegnemen.
Ik lees in het rapport veel ervaringen en meningen van cliënten die met een beperking, ziekte of ouderdom mee willen (blijven) doen aan de samenleving. Ik zie het rapport als een middel om bij gemeenten en uitvoerende instanties onder de aandacht te brengen welke verwachtingen en behoeften met betrekking tot zorg en ondersteuning het met zich meebrengt om met een beperking te leven. Gemeenten zullen ondersteund worden bij de implementatie van het VN-verdrag, en zullen dan veel kunnen hebben aan een rapport als deze.
Het cliëntervaringsonderzoek in de Wmo is vanaf eind 2016 de maatstaf voor gemeenten om af te leiden welke verbeterpunten nodig zijn. Nu de nieuwe taken in de organisatie zijn ingeregeld, zijn gemeenten, met ondersteuning van landelijke partijen, in de fase beland om beleid en uitvoering verder te brengen richting de doelstellingen van de wet. Maatwerk is daarvan een belangrijk onderdeel.
Wat vindt u ervan dat de helft van alle cliënten die (thuis)zorg, hulpmiddelen of mantelzorgondersteuning zoeken niet de best passende hulp krijgen, omdat deze niet beschikbaar of te duur is?
De gemeenten zijn verantwoordelijk ondersteuning te leveren, daar waar dat nodig is. Met de cliënt onderzoekt de gemeente wat passende ondersteuning zou kunnen zijn. Ik vind het essentieel dat dit onderzoek zorgvuldig plaatsvindt. Dit houdt ook in dat (op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015) de financiële situatie en mogelijkheden van de betrokkene bezien worden. Indien de cliënt de eigen bijdrage voor de Wmo-ondersteuning niet kan betalen, dan dient dit onderwerp van gesprek te zijn tussen de gemeente en de cliënt.
Hoe kan het dat zorg niet beschikbaar is voor mensen die zorg, ondersteuning en/of hulpmiddelen nodig hebben? Bent u bereid in uw onderzoek dat u doet onder gemeenten mee te nemen welke vormen van zorg, ondersteuning en hulpmiddelen niet beschikbaar zijn, en/of te duur waardoor mensen niet de zorg krijgen die zij nodig hebben? Zo neen, waarom niet?
In het debat van 10 maart jl. met uw Kamer heb ik- in aanvulling op het kwantitatieve onderzoek van CBS – een kwalitatief onderzoek toegezegd naar zorgmijding, eigen bijdragen en maatwerk op grond van de Wmo 2015. Zoals aangegeven in mijn brief van 13 april jl. is dit onderzoek in samenspraak met de VNG, het CAK en Ieder(in) reeds opgepakt.
Kunt u uitleggen waarom de deelnemers van dit onderzoek niet uw conclusie onderschrijven dat de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning «beheerst» is verlopen?
Beheerst verlopen duidt op het feit dat – ondanks grote aanpassingen in het systeem – de zorg en ondersteuning voor de cliënt in de transitie gewaarborgd is gebleven. Dat neemt uiteraard niet weg dat ervaringen van de veranderingen op individueel niveau, aanleiding moeten zijn voor gemeenten om te investeren in verbetering en vernieuwing van de uitvoering op lokaal niveau. De agenda en activiteiten waarlangs dit gebeurt, heb ik in de Kamerbrief over de voortgang en ambities van de Wmo, die op 2 mei jl. naar uw Kamer is gestuurd, nader toelichten.
Hoe oordeelt u nu over deze berichtgeving? Gaat u daadwerkelijk maatregelen nemen om te zorgen dat mensen hun zorg krijgen, en hun onzekerheid wordt weggenomen, of laat u dit zoveelste signaal dat uw beleid niet werkt wederom passeren?
Zie antwoord vraag 6
Salafisme onverenigbaar met waarden Defensie |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving1 dat het aantal radicale islamisten in Frankrijk in een jaar tijd met 50% gestegen is en dat een deel hiervan de politie en de krijgsmacht infiltreert?
In de berichtgeving wordt melding gemaakt van een toename met meer dan vijftig procent in een jaar van het aantal personen in Frankrijk dat op enige wijze met radicalisering in verband wordt gebracht. Uit het artikel wordt echter niet duidelijk of er sprake is van een algemene toename van het aantal personen dat radicaliseert, of van toename van (door opsporingsautoriteiten) gesignaleerde gevallen. Hoe dan ook is het beeld van infiltratie door gesignaleerde individuen zorgelijk.
Hoe beoordeelt u de genoemde voorbeelden van radicalisering onder Franse militairen en veteranen, zoals desertie en het zich aansluiten bij ISIS, diefstal van ontstekingsmechanismen en explosieven en een verijdelde aanslag op een militaire basis?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre is ook in Nederland sprake van een toename in radicalisering onder moslims binnen Defensie? Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD)?2
Over uitkomsten van onderzoeken van de MIVD informeer ik de Tweede Kamer via de daartoe geëigende kanalen.
Hoe beoordeelt u het feit dat bij de huiszoeking op 15 maart jl. in de Brusselse gemeente Vorst, die ontaardde in een hevige schietpartij met terroristen, een kalashnikov, een ISIS-vlag en een boek over het salafisme gevonden is?3 Ziet u in dat het salafisme de ideologie is van de jihadisten?
Ik verwijs u naar de antwoorden van de Minister van Veiligheid en Justitie op vragen van uw Kamer over de daders van de aanslagen in Brussel (29 754, nr. 370, 5 april 2016).
Zie ook het antwoord op de vragen 6 en 7.
Kunt u nader toelichten wat u bedoelt met het belang van tijdige onderkenning door de MIVD van personen of groepen binnen de Defensieorganisatie die het rechts-extremistische gedachtegoed aanhangen, dan wel (actief) steun verlenen aan rechts-extremistische partijen en organisaties?4 Is het enkel aanhangen van extreemrechts gedachtengoed reeds voldoende grond voor het intrekken of weigeren van een Verklaring van Geen Bezwaar (VGB) en/of ontslag? Zo ja, waarom hanteert u deze lijn niet ook bij het salafisme? Waarom blijft u stellen dat het altijd moet gaan om feitelijke gedragingen en omstandigheden en dat het aanhangen van het salafisme op zichzelf onvoldoende is voor het intrekken (of weigeren) van de VGB?5
In Nederland zijn de feitelijke gedragingen altijd leidend bij besluitvorming omtrent het verstrekken, weigeren of intrekken van de Verklaring van Geen Bezwaar en mogelijke rechtspositionele consequenties. Over de verstrekking, weigering of intrekking van de Verklaring van Geen Bezwaar in relatie tot feitelijke gedragingen, verwijs is u naar mijn brief van 27 november 2015 (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 704) en naar de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2016 (Kamerstuk 29 614, nr. 39).
Klopt het dat het salafisme in alle stromingen dezelfde ideologische doelen nastreeft, zoals invoering van de sharia, en dat de verschillen vooral gelegen zijn in de methoden hoe deze doelen te bereiken?
Ik verwijs u naar mijn antwoorden op schriftelijke vragen van 27 november 2015 (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 704), naar de brieven van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2016 over de beleidsreactie op de notitie «Salafisme in Nederland: diversiteit en dynamiek» (Kamerstuk 29 614, nr. 39) en over de concretisering van de beleidsaanpak salafisme van 23 september 2015 (Kamerstuk 29 614, nr. 38) naar de nota «Salafisme in Nederland: diversiteit en dynamiek» van NCTV en AIVD (2015D35150, 23 september 2015).
Bent u bereid het salafisme te beschouwen als een totalitaire anti-Westerse ideologie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u het salafisme respectvol naar vrouwen, andersdenkenden, andersgelovigen en homoseksuelen? Hoe verhoudt het salafisme zich tot de Gedragscode Defensie?6
Bij Defensie is iedereen, ongeacht religieuze achtergrond, gehouden aan de interne gedragsregels die beogen dat medewerkers respectvol met elkaar omgaan en elkaars waardigheid intact laten. Defensiemedewerkers worden geacht elkaar aan te spreken op het op welke wijze dan ook niet naleven van de interne gedragsregels.
Hoe gaat u om met salafisten binnen Defensie die weigeren vrouwen een hand te geven?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe verhoudt het salafisme zich tot uw boodschap dat Defensie beschermt wat ons dierbaar is, dat de krijgsmacht er is om de vrijheid en de waarden van Nederland te beschermen in de breedste zin en dat militairen «pal staan voor onze vrijheid en onze waarden»?7
Aan deze boodschap en de invulling daarvan wordt niet getornd. De boodschap staat en blijft staan.
Bent u bereid terug te keren naar uw eerdere standpunt en de motie-Knops niet naast u neer te leggen, maar uit te voeren? Zo nee, waarom niet?8 9
Voor een uitgebreide reactie op de motie-Knops in samenhang met het kabinetsbrede beleid inzake salafisme verwijs ik u naar de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2016 over de concretisering van de beleidsaanpak salafisme (Kamerstuk 29 614, nr. 39).
Zieke werknemers die ten onrechte geen verlofdagen opbouwen, hiervoor schadevergoeding ontvangen en daarom gekort worden op hun uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) |
|
Grace Tanamal (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het arrest van 29 januari 2009 (zaak C-350/06 en C-520/06) van het Hof van Justitie met betrekking tot de jaarlijkse opbouw van verlofdagen tijdens ziekte?
Ja.
Is het waar dat het minimum aantal verlofdagen, zoals volgt uit de Europese Richtlijn 2003/88/EG, door het arrest geldt voor zieke werknemers?
Ja.
Welke consequenties heeft deze uitspraak van het Hof van Justitie voor de Nederlandse staat?
Na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie is het Burgerlijk Wetboek zodanig gewijzigd dat er geen beperkingen meer gelden voor de opbouw van verlofrechten ten aanzien van het wettelijke minimum aantal vakantiedagen bij ziekte. Deze wetswijziging is ingegaan per 1 januari 2012. Verder heeft de Staat verzoeken om schadevergoeding ontvangen van werknemers die door de onjuiste implementatie van de Europese Richtlijn bij einde van het dienstverband te weinig vakantiedagen uitbetaald hebben gekregen. Het Agentschap SZW neemt deze verzoeken in behandeling.
Kent u het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR2015:2722) waarin een zieke werknemer schadevergoeding ontvangt wegens het onterecht niet opbouwen van verlofdagen?
Ja.
Klopt het dat deze schadevergoeding, voor mensen met een WIA-uitkering, door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) wordt gezien als inkomen waardoor zij gekort kunnen worden op deze uitkering?
Nee. De betreffende schadevergoeding wordt niet als sv-loon aangemerkt en daarom niet verrekend met een WIA-uitkering.
Wat vindt u ervan dat zieke werknemers ten onrechte geen verlofdagen opbouwen, hiervoor een schadevergoeding ontvangen en daarom gekort worden op hun WIA-uitkering?
Zie antwoord op de vorige vraag.
Het verschil in schuldpositie van Aruba tussen de rapportages van de Centrale Bank van Aruba en de rapportages van het CAFT (College Aruba financieel Toezicht) |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Aruba een land is dat niet te maken heeft met een recente regeringswissel? Zo neen, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat Aruba een land is dat niet te maken heeft met een coalitieregering? Zo neen, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat Aruba een land is dat zijn financiële zaken niet goed op orde heeft? Zo neen, waarom niet?
Zoals u bekend hebben de zorgen die de Rijksministerraad had over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van Aruba aanleiding gegeven tot het instellen van financieel toezicht en afspraken over een bijbehorend traject naar een begrotingsoverschot in begrotingsjaar 2018 en verder, ter reductie van de staatsschuld.
Conform de afspraken werkt Aruba op dit moment aan het duurzaam op orde krijgen van de overheidsfinanciën. Het College Aruba financieel toezicht (CAft) adviseert de regering van Aruba en indien nodig de Rijksministerraad op basis van de Landsverordening Aruba tijdelijk financieel toezicht (LAft) over het door de regering van Aruba gevoerde financieel beleid. Het jaar 2015 heeft Aruba op grond van de voorlopige cijfers ruimschoots binnen de tekortnorm uit de LAft van 3,7% afgerond. De eerste positieve resultaten zijn daarmee zichtbaar.
Echter, zo waarschuwt ook het CAft, de houdbaarheid van de financiën op de lange termijn vergen nog de nodige structurele maatregelen en hervormingen. Het CAft zal hier op toezien.
Heeft Nederland onlangs ingestemd met de mogelijkheid voor Aruba om internationaal geld te lenen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland hier mee ingestemd?
Ja, op grond van artikel 29 Statuut dient de regering van Aruba een verzoek tot aangaan van een buitenlandse geldlening ter instemming voor te leggen aan de Rijksministerraad. De Rijksministerraad kan instemming alleen onthouden wanneer de belangen van het Koninkrijk zich daartegen verzetten.
Ik heb advies gevraagd aan het CAft. Het CAft heeft geadviseerd in te stemmen met deze geldlening.
Aangezien de belangen van het Koninkrijk zich niet tegen dit verzoek verzetten, heeft de Rijksministerraad ingestemd met het verzoek van Aruba.
Kunt u aangeven wat het begrotingstekort van Aruba in 2015 was? Zo neen, waarom niet?
Het College Aruba financieel toezicht rapporteert in haar reactie (te vinden op www.cft.cw) op de vierde uitvoeringsrapportage van Aruba dat de voorlopige cijfers 2015 een realisatie laten zien van in totaal AWG 1.253 miljoen aan middelen en AWG 1.351 miljoen aan uitgaven, waardoor het tekort uitkomt op AWG 98 miljoen (2,0% van het BBP).
Hierbij plaatst het College wel de kanttekening dat twee incidentele posten verantwoordelijk zijn voor het realiseren van dit tekort, te weten de kwijtschelding van de schuld van Aruba aan de Sociale Verzekeringsbank (SVb) van AWG 60,5 miljoen en de invoering van de Voldoening op Aangifte Systeem (VAS), waarbij inkomsten uit de winstbelasting 2016 naar voren zijn gehaald. De VAS samen met de invorderingsactie hebben geleid tot een meeropbrengst in 2015 ten opzichte van de begroting van AWG 74,8 miljoen. Deze incidentele meevallers, tezamen goed voor 2,7% van het BBP, nuanceren het beeld en maken duidelijk dat de structurele uitdagingen blijven bestaan voor de regering van Aruba.
Kunt u aangeven waarom het bedrag van het begrotingstekort volgens de Centrale Bank van Aruba anders is dan genoemd in de cijfers van het CAFT? Zo neen, waarom niet?
De verschillen in cijfers tussen het Land en de CBA zijn een jaarlijks in meer of mindere mate terugkerend verschijnsel. Dit verschil is met name te verklaren uit het feit dat de financiële overzichten van het land Aruba (conform de comptabiliteitswetgeving) op transactiebasis zijn opgesteld, en enkel het land Aruba omvatten. De Centrale Bank van Aruba daarentegen stelt haar overzichten op kasbasis (kasstelsel) op. Tevens betreft dit een geconsolideerd overzicht van ontvangsten en uitgaven van het land samen met de investeringen van het Fondo Desaroyo Aruba (FDA), en hanteert de CBA een eigen set van economische classificaties van uitgaven en ontvangsten, welke afwijkt van die van het Land.
Een voorbeeld waarbij dit tot verschillen leidt is de dividenduitkering van overheidsbedrijven. De CBA verantwoordt deze op het moment van ontvangst, terwijl het land deze verantwoordt op het moment dat het besluit tot uitkering door de aandeelhoudersvergadering is genomen.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitvoerbaarheid van het astbestdakenverbod in 2024 |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de Vereniging Eigen Huis over de uitvoerbaarheid van het asbestdakenverbod, het bericht «Alarm om asbest» en het bericht «Meer maatregelen nodig verwijderen asbestdaken»?1 2 3
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat de overheid een verplichting heeft opgelegd die zonder ondersteuning aan huizenbezitters niet of nauwelijks uitvoerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinetsbeleid is er op gericht om per 2024 alle asbestdaken verwijderd te hebben. In 2024 zijn asbestdaken tenminste 30 jaar oud, de meeste daken zijn veel ouder. Dit houdt in dat veel daken al aan het verweren zijn en aan vervanging toe zijn. Dat impliceert een inspanning ook voor particuliere huizenbezitters, waar ik in het beleid rekening mee houd. Een vroegtijdige sanering van de asbestdaken wordt gefaciliteerd met een subsidieregeling, die ook voor particuliere huizenbezitters open staat. Tevens ben ik gestart met het programma Versnellingsaanpak Asbestdaken. Verschillende partijen nemen hieraan deel, en het saneren bij particulier huizenbezit maakt daar uitdrukkelijk deel van uit. Tijdens het VSO Externe Veiligheid heb ik aan uw Kamer toegezegd om in mei de eerste voortgang van de werkzaamheden te melden.
Deelt u de mening dat een asbestsanering redelijkerwijs alleen goed kan worden uitgevoerd als alle eigenaren van een huizenblok meedoen? Zijn er indien er geen sprake is van een vereniging van eigenaren mogelijkheden om een dergelijke sanering door te voeren als één of meerdere bewoners hier niet aan mee willen of kunnen werken?
Het is voor asbestdakeigenaren goedkoper en efficiënter om de dakensanering als collectief op te pakken. In het kader van de hierboven genoemde Versnellingsaanpak wordt ook onderzocht of er aanvullende maatregelen nodig zijn die ook bijdragen aan het ontzorgen van particulieren.
Klopt het dat met de asbestsanering van een gemiddeld dak van een woonhuis al snel een bedrag van 10.000 tot 15.000 euro gemoeid is? Hoe verhouden deze kosten zich (indicatief) tot de kosten voor vervanging van de dakbedekking van een huis zonder asbestdak? Zijn er mogelijkheden door aanpassing van wet- en regelgeving met betrekking tot werkmethoden om de kosten voor asbestsanering te verlagen?
De kosten voor het verwijderen van een asbestdak liggen inderdaad hoger dan de kosten voor het verwijderen van een asbestvrij dak. Deze additionele kosten worden onder meer veroorzaakt door de extra maatregelen die getroffen moeten worden om het asbestdak op een veilige en verantwoorde wijze te verwijderen. Dit is mede afhankelijk van de constructie en van de staat waar het dak in verkeert.
In het kader van de hierboven genoemde Versnellingsaanpak wordt ook bezien welke rol innovaties kunnen spelen bij de versnelling van de sanering van de asbestdaken.
Is bekend welk deel van de nog te saneren asbestdaken van particulieren kleiner is dan 35 m2 en welk deel groter is dan 35 m2 aangezien deze grens geldt voor het verkrijgen van subsidie voor het verwijderen van het asbest en deze grens ook bepalend is of particulieren onder strikte voorwaarden zelf asbest mogen verwijderen?4
Het is van belang dat het saneren van asbest op zorgvuldige en verantwoorde wijze gebeurt. Een particulier mag reeds langer en conform bestaand beleid en huidige regelgeving zelf maximaal 35 m2 verwijderen als het asbest hechtgebonden is en verwijderd kan worden zonder het materiaal te beschadigen. Deze grens is destijds bepaald op basis van onderzoek van TNO waarin is geconstateerd dat de meeste woningen inclusief bijgebouwen in totaal minder dan 35 m2 hechtgebonden asbest bevatten. Een dakoppervlak kan uiteraard meer dan 35 m2 beslaan. In dat geval mag er niet zelf gesaneerd worden. Ik zie op dit moment geen aanleiding om de grens van 35 m2 te verkleinen. Er is overigens geen overzicht van welke daken groter dan wel kleiner zijn dan de eerder genoemde 35 m2.
Deelt u de mening dat het ook bij daken met een oppervlakte kleiner dan 35 m2 met het oog op de volksgezondheid wenselijker is dat asbest wordt verwijderd door een daartoe gecertificeerd bedrijf in plaats van door de particulier zelf? Zo ja, bent u bereid de bestaande subsidieregeling ook open te stellen voor deze kleinere daken?
Zie antwoord vraag 5.
Is er voldoende capaciteit bij asbestverwijderingsbedrijven om de deadline van 2024 te halen? Kunt u dit onderbouwen?
De asbestverwijderingsbedrijven hebben aangegeven dat de deadline haalbaar lijkt als het saneringswerk evenredig over de komende jaren verdeeld kan worden. De branchepartijen dragen actief bij aan het verder vormgeven van de Versnellingsaanpak Asbestdakensanering om er gezamenlijk zorg voor te dragen dat de werklast zo evenredig mogelijk over de jaren heen verdeeld wordt.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat eigenaren in verband met de hoge kosten zelf de asbesthoudende dakbedekking gaan verwijderen of dit door een niet gecertificeerd bedrijf laten doen?
Ja, ik deel deze mening voor zover gaat om het verwijderen van meer dan 35 m2 asbest. Het verwijderen van meer dan 35 m2 asbest is een taak die uitgevoerd moet worden door een gecertificeerd bedrijf.
Hoeveel subsidie is er tot nu toe aangevraagd en toegekend voor het verwijderen van asbestdaken en hoe is daarbij de verhouding tussen particuliere woningen en bedrijven? Ligt het huidige vervangingstempo hoog genoeg om de volledige sanering bij zowel woningen als bij kerken, verenigingen en agrarische bedrijven in 2024 te halen?
Er zijn (stand van 1 april 2016) ruim 500 subsidieaanvragen ingediend met gezamenlijk voor meer dan € 1 mln aan subsidievraag. De verdeling tussen bedrijven en particulieren is gelijk. De subsidieregeling is begin januari gestart. Ik vind het daarom nu nog te vroeg om aan te geven of het huidige saneringstempo al dan niet voldoende is. In het kader van de Versnellingsaanpak Asbestdakensanering (Kamerstuk 25 834, nr. 105) volg ik het verloop van de subsidie. In dat licht zal ik bezien of aanvullend specifieke flankerende maatregelen nodig zijn, indien bijvoorbeeld zou blijken dat het huidige saneringstempo achterblijft of dat bepaalde doelgroepen achterblijven.
Hoeveel afvalstoffenbelasting zal op basis van de huidige tarieven (indicatief) nog worden geheven voor de verwerking van het asbest dat op grond van het astbestdakenverbod vóór 2024 moet worden verwijderd? Wat doet u qua actieve informatievoorziening aan particuliere eigenaren van woningen met een asbestdak om deze te informeren over het komende verbod? Wat doet u aan actieve informatievoorzieningen in de richting van kerken, verenigingen en agrarische bedrijven?
De afvalstoffenbelasting is per 1 april 2014 opnieuw ingevoerd. Bij de verbreding per 1 januari 2015 tot afval dat wordt verbrand, is het tarief van de afvalstoffenbelasting verlaagd van € 17 naar € 13 per ton afvalstoffen. Dit tarief wordt jaarlijks geïndexeerd. De afvalstoffenbelasting bedraagt omgerekend ongeveer € 0,20 per m2 gestorte asbestgolfplaat. Uitgaand van ca. 120 mln m2 asbestdak komt dat, bij gelijkblijvende tarieven, neer op € 24 mln aan afvalstoffenbelasting (prijspeil 2016).
Informatievoorziening en bewustwording is een van de thema’s waar het programma Versnellingsaanpak Asbestdaken zich op richt. Betrokken partijen in dat programma spelen een belangrijke rol richting hun eigen achterban. De informatie over het verbod op asbestdaken is verder landelijk ontsloten via de overheidssite5.
Deelt u de mening dat een meldingsplicht voor dakeigenaren hen kan stimuleren asbest te laten verwijderen en de handhaving kan vergemakkelijken?
Het hoofddoel is om in 2024 alle asbestdaken te verwijderen. Daarom zet ik nu in op een asbestdakenverbod vanaf 2024, gesteund door een subsidieregeling en de Versnellingsaanpak Asbestdakensanering. Een nationale meldingsplicht, die op zich ook geëffectueerd en gehandhaafd zal moeten worden, zou ertoe kunnen bijdragen dat de sanering voorspoedig verloopt. De ervaring leert echter dat een dergelijke meldingsplicht moeilijk handhaafbaar en naleefbaar is. Wel zijn er inmiddels gemeentes die zelf een aanpak ontwikkelen om het aantal asbestdaken op hun grondgebied in beeld te brengen. Deze gemeentelijke aanpak wordt in de versnellingsaanpak gedeeld.
Het bericht dat artsen die kinderen antidepressiva voorschrijven vaak niet de geldende richtlijn volgen |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Antidepressiva jeugd vaak niet volgens richtlijn» en het persbericht «Voorschrijfgedrag artsen antidepressiva aan jongeren niet volgens richtlijn»?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat Nederlandse artsen zich geregeld niet aan de richtlijn zouden houden wanneer zij antidepressiva voorschrijven aan kinderen en jongeren? Heeft u inzicht hoe vaak dit voorkomt? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Uit het Groningse prescriptie-database onderzoek, waarnaar in het persbericht van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG)3 wordt verwezen, blijkt dat minder dan 20 procent van de jongeren het middel fluoxetine als startmedicatie kreeg voorgeschreven, ook na de publicatie van de multidisciplinaire richtlijn jeugd. De richtlijn waarom het gaat betreft de multidisciplinaire richtlijn Depressie bij Jeugd Addendum (2009).4
Het is voor artsen mogelijk om gemotiveerd van de in richtlijnen en in standaarden aanbevolen behandeling af te wijken. Er is geen integraal inzicht in de mate waarin artsen antidepressiva bij jeugdigen richtlijnconform voorschrijven, omdat hiervan geen structurele data of gegevens beschikbaar zijn. Uit het Groningse onderzoek blijkt nu dat dit in de praktijk klaarblijkelijk wel vaak voorkomt. Het behoort tot de professionele verantwoordelijkheid van de arts in welke specifieke gevallen hiervoor voldoende redenen aanwezig zijn. Uit het onderzoek wordt niet direct duidelijk wat de redenen van artsen zijn.
Ik zal de uitkomsten van het onderzoek met de NVvP bespreken.
Kunt u aangeven om welke richtlijn dit expliciet gaat, en hoe deze richtlijn luidt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke verklaring kunt u geven voor de overstap van sommige artsen in hun voorschriften van het middel paroxetine op het middel citalopram, in plaats van het richtlijn conforme fluoxetine?
Ik heb hiervoor navraag gedaan bij het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Volgens het NHG en de NVvP heeft dit mogelijk te maken met de omstandigheid dat citalopram in druppelvorm (1 druppel is 2 mg) op de markt is, waarmee de hoeveelheid van het geneesmiddel eenvoudig gedoseerd kan worden. Ook kan de omstandigheid een rol spelen dat citalopram dezelfde werking, maar minder bijwerkingen heeft. Overigens wordt citalopram als tweede antidepressivum in de multidisciplinaire richtlijn Depressie bij Jeugd Addendum (2009) aanbevolen.
In hoeverre kunt u een verklaring geven voor het feit dat de laagst verkrijgbare dosering van fluoxetine in Nederland 20mg bedraagt, terwijl kinderen en jongeren volgens de richtlijn een lagere dosering van dit middel nodig hebben?
Ik ben van mening dat het belangrijk is dat artsen onbelemmerd toegang hebben tot de juiste dosering van geneesmiddelen die in de richtlijnen zijn vermeld, maar tegelijkertijd moet ik constateren dat dit in de praktijk niet altijd mogelijk is, omdat de productie van verschillende doseringen van bepaalde geneesmiddelen een keuze is van de farmaceutische producent.
Overigens zijn er tabletten van fluoxetine van 20 milligram (mg) met een breukgleuf beschikbaar die gebroken kunnen worden in doseringen van 10 mg. Bij lagere doseringen (in het kinderformularium wordt een dosering van 5 mg vermeld) bestaat de mogelijkheid dat apotheken via zogeheten magistrale bereidingen capsules met lagere dosering dan 10 mg maken voor hun patiënten.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat artsen onbelemmerd toegang hebben tot de juiste dosering van de in de richtlijn opgenomen geneesmiddelen? Zo ja, op welke manier wilt u dit faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering, zoals weergegeven in de bijgevoegde bronnen, dat artsen beter bewust gemaakt moeten worden van het belang van het voorschrijven volgens de richtlijn? Zo ja, bent u bereid hierover met betrokken artsenorganisaties, zoals de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), in gesprek te gaan om te bekijken op welke manier dit gerealiseerd kan worden? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen worden kinderen met depressieverschijnselen door huisartsen doorverwezen naar kinder- en jeugdpsychiaters.
Uit navraag bij de NVvP blijkt dat bewustwording van het voorschrijven volgens de vigerende richtlijnen door de NVvP als een belangrijk aandachtspunt wordt gezien, waaraan zowel in de opleiding tot psychiater, als in de reguliere kwaliteitscyclus (door middel van kwaliteitsvisitaties), aandacht wordt besteed. Ik zal met het NHG en de NVvP in overleg gaan om dit punt nogmaals onder de aandacht van de beroepsgroepen te brengen.
Het bericht ‘Halal zwemmen trekt veel volk naar zwembad in Breda’ |
|
Sjoerd Potters (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Halal zwemmen trekt veel volk naar zwembad in Breda»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een speciale zwemavond voor moslima’s de segregatie tussen verschillende bevolkingsgroepen bevordert? Deelt u de mening dat dit de emancipatie van de vrouw tegengaat?
Segregatie op basis van etniciteit, religie of andere gronden is onwenselijk. Dit belemmert het contact tussen mensen van verschillende achtergronden. In Nederland wordt er over het algemeen tijdens openbare uren gemengd gezwommen. De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt het maken van onderscheid naar geslacht, levensovertuiging of andere gronden. Slechts bij wijze van uitzondering kan hier van afgeweken worden. De Algemene wet gelijke behandeling geldt echter niet voor clubs en bijeenkomsten die een besloten karakter hebben. Buiten de publieke uren staat het een zwembad dan ook vrij om het zwembad te verhuren ten behoeve van private initiatieven, zoals bijvoorbeeld zwemavonden voor nudisten, homoseksuele mannen of in dit geval stichting Halal Zwemmen.
Ik vind het onacceptabel als opvattingen over de rol en positie van mannen en vrouwen of over religie en cultuur uitmonden in ongewenste sociale druk of dwang op vrouwen om niet tijdens publieke uren te zwemmen. Op deze manier kan er inbreuk worden gemaakt op het recht om eigen keuzes te maken.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een publieke voorziening als een zwembad voor segregerende en anti-emancipatoire zwemavonden wordt ingezet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid dit aan te kaarten bij de gemeente Breda en/of dit een keer te doen bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)?
Ik zie zelf geen aanleiding om dit aan te kaarten bij de VNG en/of gemeente Breda maar ben bereid het gesprek aan te gaan indien hier bij deze partijen behoefte aan bestaat.
De mishandeling van twee homoseksuele mannen in Marokko |
|
Michiel Servaes (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de afgelopen weekend verschenen video en de daaropvolgende nieuwsberichten over de schokkende mishandeling van twee homoseksuele mannen in Marokko? Zo ja, wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze berichten en de beelden.
Kunt u bevestigen dat de daders van de genoemde mishandeling op vrije voeten zijn en niet hoeven te vrezen voor vervolging, terwijl de mishandelde mannen inmiddels zijn veroordeeld tot een celstraf van twee maanden?2
Deze informatie is onjuist. Eén van de slachtoffers was in eerste instantie veroordeeld tot een onvoorwaardelijke straf van vier maanden gevangenisstraf voor «onnatuurlijke seksuele daden». Zijn straf is in hoger beroep omgezet in een voorwaardelijke straf, waarna hij op vrije voeten is gesteld. Het andere slachtoffer is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf van drie maanden gevangenisstraf wegens «seksueel afwijkend gedrag». Twee verdachten van de mishandeling zijn tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld van respectievelijk zes en vier maanden voor «huisvredebreuk, geweldpleging en onrechtmatig wapenbezit. De derde verdachte is minderjarig en staat terecht voor een speciale rechtbank voor minderjarigen.
Kun u aangeven hoe u de situatie van seksuele minderheden in Marokko in zijn algemeenheid beoordeelt?
LHBT-personen in Marokko worden geconfronteerd met moeilijkheden op verschillende fronten, zowel juridisch, als cultureel en maatschappelijk.
Het Marokkaanse Wetboek van Strafrecht stelt in artikel 489: «onnatuurlijke daden met een lid van dezelfde sekse» strafbaar. Veroordeling op basis van dit artikel komt voor, al is er – zo is de algemene indruk – van een actief vervolgingsbeleid geen sprake.
Naast de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht, verhinderen de gangbare maatschappelijke opvattingen over LHBT in het land een open debat hierover. Ook het op velerlei terrein, zoals mensenrechten in den brede, goed ontwikkelde maatschappelijk middenveld dient hier behoedzaam op te treden en is daarom niet erg actief. In sommige media wordt het onderwerp veelal negatief belicht. Toch zijn er ook andere geluiden. Voornoemde gebeurtenissen hebben, ook vanwege de internationale publiciteit, nationaal de nodige aandacht getrokken. Sommige politieke partijen – zoals de Parti du Progrès et du Socialisme (PPS) en de Union Constitutionelle (UC) – hebben voorzichtig openingen bepleit richting LHBT-rechten als onderdeel van het respect voor individuele vrijheden. Een grotere tolerantie op dit punt blijft hoe dan ook een zaak van lange adem.
Zoals bekend steunt het kabinet actief de bevordering van gelijke rechten voor LHBT wereldwijd. Strafbaarstelling van homoseksualiteit is niet alleen onwenselijk en zeer zorgelijk, het is ook duidelijk in strijd met de internationale verdragen die Marokko zelf heeft onderschreven. Niet alleen gaat het in tegen artikel 1 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, dat onomwonden stelt dat iedereen wordt geboren «vrij en gelijk in waardigheid en rechten», het is tevens een schending van het recht op privacy zoals vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ook de VN-Werkgroep inzake Arbitraire Detentie heeft geoordeeld dat arrestaties vanwege homoseksualiteit een schending zijn van de mensenrechten.
Los van de daadwerkelijke implementatie van deze wetgeving, versterken soortgelijke bepalingen de discriminatie, het geweld en het stigma waar LHBT-personen dagelijks mee te maken hebben. Het kabinet zal zich daarom onverkort blijven inzetten voor de rechten van deze kwetsbare minderheid.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat «homoseksuele handelingen» in Marokko nog altijd strafbaar zijn en dat deze strafbaarstelling bovendien geweld tegen homoseksuelen en andere seksuele minderheden in de hand werkt?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u in eerdere contacten met de Marokkaanse autoriteiten, dan wel bilateraal dan wel in EU-verband, de situatie van seksuele minderheden aan de orde gesteld? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
In EU-verband is deze zaak aan de orde gesteld bij de Nationale Raad voor de Mensenrechten. Hierbij was ook een vertegenwoordiger van de Nederlandse Ambassade aanwezig. Daarbij zijn nadere inlichtingen ingewonnen en is het staande beleid van de EU inzake gelijkberechtiging van LHBT nogmaals uitgedragen waaronder ook een pleidooi voor afschaffing van artikel 489 Wetboek van Strafrecht. De Raad volgt bedoelde rechtszaak op de voet.
Bent u bereid om deze specifieke kwestie aan de orde te stellen bij de Marokkaanse autoriteiten en hierbij expliciet aan te dringen op vervolging van de daders en op te roepen tot het voorkomen en bestrijden van dergelijke lynchpartijen in de toekomst? Zo nee, waarom niet?
Meer in algemeen steunt de Nederlandse ambassade in Rabat, in het kader van de bevordering van gelijke rechten voor LHBT wereldwijd, die delen van het lokale maatschappelijk middenveld die zich daarvoor inzetten, zoveel mogelijk met gelijkgezinde landen. Een belangrijk moment daarvoor is de Internationale Dag tegen Homofobie. Lokale evenementen worden actief ondersteund. De EU heeft de afgelopen jaren het tijdschrift «Mithlia» gefinancierd, dat een platform biedt voor de LHBT-rechten in Marokko.