De mate waarin Nederlandse verzekeraars zich inzetten voor toegang van mensen in arme landen tot medicijnen |
|
Eric Smaling , Sharon Gesthuizen (GL), Arnold Merkies |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u een reactie geven op de lage scores van de Nederlandse verzekeringsbranche in de Eerlijke Geldwijzer en de Eerlijke Verzekeringswijzer als het gaat om gezondheid? Kunt u tevens reageren op het feit dat vijf van de daarin genoemde verzekeraars de Investeerdersverklaring van de Access to Medicine Index niet hebben ondertekend? Welke redenen hebben deze verzekeraars u gegeven om deze Index niet te ondertekenen?1
De lage scores van de Nederlandse verzekeringsbranche in de Eerlijke Geldwijzer en de Eerlijke Verzekeringswijzer op het gebied van gezondheid zijn teleurstellend. Vijf van de tien genoemde verzekeringsmaatschappijen in de Eerlijke Verzekeringswijzer hebben de Investeerdersverklaring van de Access to Medicine Index niet ondertekend. Vier van hen, Aegon, NN, Legal & General en Allianz, zijn in contact met de Access to Medicine Foundation en overwegen de Investeerdersverklaring van de Access to Medicine Index te ondertekenen.
Vier verzekeraars, Achmea, VIVAT, APG en Delta Loyd, hebben de Investeerdersverklaring al ondertekend en zijn actieve deelnemers in het werk van de Access to Medicine Foundation. Zij namen onder meer deel aan het dataverzamelingsproces voor de 2016 Index. Drie van de genoemde verzekeringsbedrijven, NN, Allianz en ASR, zijn lid van de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling (VBDO).
Op welke wijze heeft u invulling gegeven aan de in 2014 gedane toezegging om het Verbond van Verzekeraars uit te nodigen «om te bespreken hoe de Access to Medicine Index onder verzekeraars bredere bekendheid en toepassing kan krijgen»?2
Er is een gesprek geweest met het Verbond van Verzekeraars. Hoofdonderwerp was de betrokkenheid van het Verbond bij ontwikkeling van pensioenen voor de informele sector in ontwikkelingslanden. En marge hiervan is de Access to Medicine Index kort besproken.
Heeft u tijdens deze gesprekken afspraken gemaakt met het Verbond van Verzekeraars om zich in te spannen voor een betere toegang van mensen in arme landen tot medicijnen?
Er zijn geen concrete afspraken hierover gemaakt.
Echter, het Verbond van Verzekeraars heeft samen met de overheid in 2015 het initiatief genomen om een IMVO-convenant af te sluiten. In dit convenant zullen ook afspraken gemaakt worden over de bijdrage die verzekeraars kunnen leveren aan de Sustainable Development Goals (SDGs). De overheid zal hierbij de doelstelling over gezondheid (SDG 3), waaronder de toegang tot medicijnen, agenderen. In dit verband zal de Access to Medicine Index aan de orde worden gesteld, teneinde hieraan onder verzekeraars bredere bekendheid te kunnen geven.
Welke inspanningen hebben Nederlandse verzekeraars sinds de beantwoording van onze eerdere vragen over dit onderwerp ondernomen om deze toegang te verbeteren? Kunt u bevestigen dat Aegon, Delta Lloyd, Generali, Legal & General en NN Group nauwelijks inspanningen hebben gepleegd om hun investeringsbeleid te verbeteren?3
Alle verzekeraars zijn op enigerlei wijze actief op het terrein van het vergroten van de toegang van mensen in arme landen tot medicijnen. Achmea, VIVAT, APG en Delta Loyd zijn ondertekenaars van de Investeerdersverklaring en zijn actieve deelnemers aan het werk van de Access to Medicine Foundation. ASR, Aegon, NN, Legal & General en Allianz hebben bij de Access to Medicine Foundation informatie gevraagd en onderzoeken wat de mogelijkheid zijn voor hun bedrijf om de Investeerdersverklaring te ondertekenen.
Bent u bereid om de verzekeraars die slecht scoren op duurzaamheid aan te sporen tot spoedige actie om hun beleid op orde te brengen? Hoe gaat u hieraan invulling geven?
Ja. Binnen het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)-convenant van de verzekeringssector worden in overleg met de sector, NGO’s en vakbonden om afspraken gemaakt over de naleving van de OESO Richtlijnen en de UNGPs en over de gezamenlijke inzet om risico’s op bijvoorbeeld milieuverontreiniging en mensenrechtenschendingen aan te pakken en te voorkomen. Onderdeel van deze besprekingen zijn de mogelijke verbeteringen van het IMVO beleid van verzekeraars.
Hoe kunnen Nederlandse verzekeraars hun invloed als investeerder inzetten voor een betere toegankelijkheid van mensen in arme landen tot de producten van farmaceutische bedrijven?
Het investeringsbeleid van verzekeraars is primair de verantwoordelijkheid van die verzekeraars. Zij kunnen hun invloed als investeerder inzetten voor een betere toegang van mensen in arme landen tot de producten van farmaceutische bedrijven door de Investeerdersverklaring van de Access to Medicine Index te ondertekenen. Zij investeren dan in farmaceutische bedrijven die werken aan het toegankelijker maken van medicijnen voor arme mensen.
Hoe beoordeelt u de reactie van Aegon op haar onverminderd slechte score op de Eerlijke Verzekeringswijzer, dat die slechte score gebaseerd is «op het gebrek aan beleidsvoornemens van Aegon als internationale verzekeraar»4? Deelt u de mening dat een goed beleid op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) bij uitstek dient te worden uitgedrukt in beleidsvoornemens?
De reactie van Aegon heeft betrekking op de manier waarop de Eerlijke Verzekeringswijzer tot de score is gekomen. Het is aan deze twee betrokken partijen om hierover te oordelen.
Ja, het kabinet verwacht van bedrijven dat zij de OESO Richtlijnen en de UNGPs naleven. Deze richtlijnen en principes schrijven voor dat bedrijven IMVO beleidsvoornemens dienen te hebben.
Krijgt dit onderwerp aandacht in het IMVO-convenant van de verzekeringssector dat volgens uw meest recente berichtgeving begin 2017 afgerond zou moeten zijn? Zo niet, bent u bereid hierover opnieuw met het Verbond van Verzekeraars in gesprek te gaan?
De afspraken in het IMVO-convenant van de verzekeringssector zullen gericht zijn op het hele verantwoord beleggingsbeleid van de verzekeraars. Dit beleid is van toepassing op alle beleggingen door verzekeraars, waaronder beleggingen in de farmaceutische bedrijven.
Welke rol ziet u voor De Nederlandsche Bank (DNB) weggelegd om te bevorderen dat verzekeraars hun beleggingen verduurzamen?
Het opstellen en uitvoeren van het beleggingsbeleid is een taak van de verzekeraars zelf. Daarbij moeten verzekeraars zich aan de bijbehorende wet- en regelgeving houden, waaronder de vereiste om alle relevante risico’s te managen (Besluit Prudentiële regels Wft, art. 23).
De Nederlandsche Bank houdt er toezicht op dat verzekeraars zich aan dit besluit en andere prudentiële wet- en regelgeving houden. De Nederlandsche Bank heeft de afgelopen jaren haar aandacht voor Environmental, Social, Governance-risico’s en Environmental, Social, Governance-aspecten van financiële activa vergroot, waarvan het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de op handen zijnde energietransitie en het onderzoek naar duurzaam beleggen bij pensioenfondsen getuigen. Voor 2017 is klimaatrisico’s één van de toezichtthema’s bij De Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank wil onder andere de mogelijkheid van een klimaatrisico-stresstest onderzoeken en een nadere analyse maken van de mogelijke impact van de fysieke risico’s van klimaatverandering voor de verplichtingenkant van de balansen van verzekeraars. Daarnaast neemt De Nederlandsche Bank ook deel aan het Sustainable Insurance Forum. Dit internationaal overleg brengt verschillende verzekeringstoezichthouders, het United Nations Environment Programme (UNEP) en de International Association of Insurance Supervisors (IAIS) samen om ervaringen en best practices te delen, alsook kennis op het gebied van een duurzame verzekeringssector te vergroten.
Naast de toegenomen aandacht voor Environmental, Social, Governance-risico’s, speelt De Nederlandsche Bank een bredere faciliterende en katalyserende rol in de sector als het gaat om duurzaamheid. De Nederlandsche Bank heeft daartoe onder andere het Platform voor Duurzame Financiering opgericht, welke de koepelorganisaties van banken, verzekeraars, pensioenfondsen en vermogensbeheerders bij elkaar brengt, tezamen met de Ministeries van Financiën en Infrastructuur en Milieu, de Autoriteit Financiële Markten en het Sustainable Finance Lab. Dit Platform streeft naar cross-sectorale coördinatie en kennisdeling, alsook het gezamenlijk uitwerken van duurzaamheidsonderwerpen.
Het bericht dat een verwarde man in de boeien is geslagen. |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over een verwarde man die in de boeien is geslagen?1
Ja
Deelt u de mening dat dit niet de meest wenselijke handelwijze is geweest en dat het een goede zaak is dat de politie hiervoor openlijk excuus heeft aangeboden?
Ja
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over de opvang van verwarde personen dat gemeenten in het algemeen verder gevorderd zijn als het gaat om het organiseren van alternatieve opvang dan op het gebied van vervoer? Kunt u dit verder duiden? Aan welke mogelijkheden denkt u op het gebied van vervoer? Hoe wilt u dit stimuleren?2
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u naar de brief met het onderwerp «Schakelprogramma personen met verward gedrag» die op 14 december naar uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 25 424, nr. 338)).
Kunt u aangeven wanneer het op 30 september jl. ingestelde Schakelteam personen met verward gedrag met de eerste monitor komt met daarin de stand van zaken hoe ver gemeenten zijn in hun aanpak, en in hoeverre er dan sprake is van een sluitende aanpak? Wordt er in die monitor onderscheid gemaakt tussen alternatieve opvang en vervoer?
Het Aanjaagteam verwarde personen heeft op 30 september haar eindrapportage uitgebracht met daarin een beeld van de «stand van het land». Het Schakelteam heeft als opdracht meegekregen de voortgang van de sluitende aanpak te bevorderen en te volgen. In haar werkprogramma, dat op 14 december aan uw Kamer is aangeboden, beschrijft het Schakelteam hoe zij dit wil vormgeven en wanneer de resultaten verwacht kunnen worden.
Denkt u dat de gemeente Amsterdam op 1 januari 2017 een sluitende aanpak verwarde personen heeft? Zo nee, waarom niet?
Uit de onder vraag 4 genoemde stand van het land van september 2016 concludeerde het Aanjaagteam dat er – hoewel er op veel plaatsen hard gewerkt werd – op dat moment nog nergens sprake was van een goed geïmplementeerde sluitende aanpak. Ik heb geen gegevens over individuele gemeenten van na die datum. Zoals aangegeven onder vraag 4 maakt monitoring van de voortgang onderdeel uit van het werkprogramma van het Schakelteam. De resultaten hiervan zullen wij vanzelfsprekend delen met uw Kamer.
De aansluiting A30/A1 |
|
Martijn van Helvert (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de burgemeesters van Barneveld en Ede van 23 november jl. die mede namens Regio FoodValley, Regio Amersfoort, provincie Gelderland, de Barneveldse Industriële Kring, VNO-NCW Midden, TLN, EVO en de Federatie van Ondernemersverenigingen Valleiregio (FOV) is aan de Kamer is gezonden?
Ja.
Herinnert u zich uw brief van 21 november jl. waarin u aangaf «dat vanuit de regio voor de aanpak van de A1/A30 geen bereidheid tot cofinanciering is getoond»?
Dit antwoord heb ik inderdaad gegeven. Het is mij bekend dat de Regio Food Valley mij bij brief van 23 maart 2016 heeft aangeboden € 1 mln bij te willen dragen aan reconstructie van A1/A30.
De door mij gegeven beantwoording over regionale cofinanciering (n.a.v. de motie Visser/Hoogland, Kamerstuk 34 300 A, nr. 77) dient te worden beschouwd in het licht van de afspraken die ik hierover heb gemaakt in de Bestuurlijke Overleggen MIRT dit najaar. In het BO MIRT met de regio Oost-Nederland heb ik naar aanleiding van het gesprek met de regio over bovenstaande motie geen afspraken gemaakt over cofinanciering bij de A1/A30. De regio heeft mij hierover toen ook geen extra aanbod gedaan.
Is het u bekend dat de gemeente Barneveld voor € 1,5 miljoen bij wil dragen aan de realisatie van een nieuwe verbindingsboog A30 – A1? Is het u bekend dat de regio FoodValley bereid is om vanuit het mobiliteitsfonds € 1 miljoen bij te dragen aan verkeersmaatregelen? Is het u voorts bekend dat de provinciale staten van Gelderland het college van gedeputeerde staten de ruimte heeft gegeven om met u te onderhandelen over mogelijkheden van (voor)financiering, omdat de provincie de aanpak van de aansluiting A1/A30 van harte ondersteunt?
Dat is me inmiddels bekend, met name door de heden (23 november 2016) aan de Tweede Kamercommissie gestuurde brief van de gemeente Barneveld e.a.
Klopt, in het licht van vraag 3, naar uw inzicht het beeld dat nu ontstaat alsof de Regio FoodValley en de provincie Gelderland niet bereid zouden zijn om hierin mee te denken en bij te dragen? Zo nee, bent u bereid dat beeld bij te stellen?
Ik ben bereid met de regio afspraken te maken over cofinanciering bij de reconstructie van de aansluiting A1/A30. De kosten van de door de regio gewenste maatregelen zijn echter enkele tientallen miljoenen euro. Gezien de in de brief aangegeven maximale bijdrage van de regio is de voorwaarde daarbij dat met betrekking tot de doorstroming sprake dient te zijn van een nationaal knelpunt. Daarom wil ik, voordat ik hierover in gesprek ga met de regio, eerst de uitkomsten van de NMCA in 2017 afwachten.
Wilt u deze vragen vóór het Notaoverleg over het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) voorzien op 28 november aanstaande beantwoorden?
Beantwoording vindt bij deze plaats.
Het WOB verzoek Milieudefensie over gaswinningsbesluit 2016 |
|
Eric Smaling , Jan Vos (PvdA), Carla Dik-Faber (CU), Esther Ouwehand (PvdD), Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NAM had grote invloed op gasbesluit»?1
Ja.
Is aan de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), Shell en/of Exxon mobile de zogenaamde verwachtingenbrief voorgelegd?
Een concept van de verwachtingenbrief is vooraf aan NAM voorgelegd, om de interpretatie van de verschillende verwachtingen en de uitvoerbaarheid te toetsen.
Zo ja, is daarbij gevraagd om in te stemmen met de in de «verwachtingenbrief» geformuleerde eisen aan het winningsplan?
Nee.
Zo ja, kunt u aangeven of dit ook bij andere winningsplannen gebruikelijk is? Zo nee, wat was dan de reden om een concept van de «verwachtingenbrief» aan de NAM te zenden?
Bij andere winningsplannen is een verwachtingenbrief niet gebruikelijk. Vanwege de bijzondere omstandigheden rondom de gaswinning uit het Groningenveld is hiertoe overgegaan, zodat aan de voorkant helder was wat vanuit het Ministerie van Economische Zaken (EZ) de verwachtingen ten aanzien van het winningsplan waren.
Wordt ook bij andere winningsplannen voorafgaand een «verwachtingenbrief» aan de indiener van een winningsplan verzonden?
Zie antwoord vraag 4.
Is het gebruikelijk dat u antwoorden op Kamervragen afstemt met de NAM en/of de Shell, zoals dit bijvoorbeeld is gebeurd bij de mondelinge vragen die op 26 april 2016 verwacht werden naar aanleiding van de lobbybrief van Shell? Zo ja, gebeurt dit ook bij andere vergunninghouders die onder verantwoordelijkheid van uw ministerie vallen? Zo nee, waarom is dit dan wel gebeurd bij de mondelinge vragen die op 26 april 2016 verwacht werden?
Het is gebruikelijk om een feitelijke check te doen op de juiste weergave van passages in bijvoorbeeld de beantwoording van vragen van de Kamer, waarin informatie over of van externe partijen wordt weergegeven. Er heeft geen afstemming plaatsgevonden over de inhoudelijke reactie op de genoemde brief van Shell en het boek «De Gaskolonie».
Waarom heeft u uw reactie op de lobbybrief van Shell aan de Tweede Kamer met Shell afgestemd2? Is het gebruikelijk dat dit gebeurd?
Zie antwoord vraag 6.
Is uw reactie op het boek «De Gaskolonie» afgestemd met de NAM en/of de Shell? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de reden dat de Kamer niet actief geïnformeerd is over het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen van 14 april 2016? Wat is uw opvatting over actieve informatieplicht?
Ten algemene betracht ik optimale openheid en transparantie ten aanzien van de informatie die beschikbaar komt en die inhoudelijk input vormt voor te nemen gaswinningsbesluiten. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft mij op 14 april 2016 laten weten dat een gewogen advies van SodM op het winningsplan mogelijk is. SodM heeft gekeken of de, in het winningsplan van 1 april 2016, aangeleverde informatie compleet is en voldoet aan hetgeen NAM is gevraagd te leveren. Naar aanleiding hiervan is het verdere proces in gang gezet om te komen tot een instemmingsbesluit op 1 oktober 2016. Aangezien het advies van SodM slechts bevestigde dat het met uw Kamer gecommuniceerde proces doorgang kon vinden, heb ik het niet nodig gevonden uw Kamer hier actief over te informeren.
Kunt u het advies van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) van 14 april 2016 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Het advies van SodM van 14 april 2016 heb ik bijgevoegd3. Het advies is overigens reeds gepubliceerd op de website van de rijksoverheid, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/2016/09/09/besluit-wob-verzoek-over-gaswinning-in-groningen.
Wanneer en in welk overleg hebben Shell en / of NAM voor het eerst kenbaar gemaakt dat ze een meerjarig gaswinningsbesluit wensten? Kunt u de notulen hierover aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
De wens van NAM voor een instemmingsbesluit voor meerdere jaren ligt ten grondslag aan het winningsplan van april 2016. Dit plan bevat een beschrijving van de gaswinning over de komende jaren, in de vorm van een drietal productiescenario’s.
Kan de informatie op basis waarvan SodM in mei 2016 adviseert om een winningsbesluit voor een periode van vijf jaar te nemen aan de Kamer gestuurd worden? Zo nee, waarom niet?
Het advies van SodM van mei 2016 is op 24 juni 2016 reeds aan de Kamer gestuurd als bijlage bij mijn brief over het ontwerpinstemmingsbesluit (Kamerstuk 33 529, nr. 278). Overigens is de vijfjaarstermijn, die aan het instemmingsbesluit verbonden is, gebaseerd op het advies van de Mijnraad (bijlage bij Kamerstuk 33 529, nr. 278).
Kunt u een tijdlijn geven van de formele overlegmomenten die het gasbesluit moet beslaan tussen Shell, NAM, ExxonMobil, Ministerie van Economische Zaken, Mijnraad en SodM?
In de periode tussen begin februari 2016 en eind maart 2016 hebben meerdere overleggen plaatsgevonden tussen EZ, SodM en NAM. Het doel van deze overleggen was om procesmatig een vinger aan de pols te houden bij de totstandkoming van het winningsplan en de verwachtingen die daarover aan de voorkant zijn meegegeven. Het gaat dan bijvoorbeeld om het tijdig beschikbaar komen van informatie die onderdeel uitmaakt van het winningsplan, zoals het meet- en regelprotocol. De Mijnraad is niet bij dergelijke betrokken geweest. De Mijnraad is op 20 april 2016 gevraagd advies te geven op het winningsplan. Dit advies is betrokken bij de totstandkoming van het ontwerpinstemmingsbesluit over de gaswinning uit het Groningenveld.
Is het waar dat NAM en TNO nog steeds niet wetenschappelijk kunnen kwantificeren wat het effect is van vlakke winning op de seismiciteit en kunt u toelichten hoe hier bij het gasbesluit mee is omgegaan?
Alhoewel het effect van fluctuaties nog niet te kwantificeren is, lijkt er voor wat betreft seizoensfluctuaties wel een sterke correlatie te zijn met de seismiciteit. Dat blijkt uit het advies van SodM van mei 2016. Dit advies is gebaseerd op onderzoeken van TNO (2015) en CBS (2016). SodM adviseert dan ook om fluctuaties in de gaswinning, waaronder seizoensfluctuaties, zoveel mogelijk te vermijden. SodM geeft aan dat fluctuaties in de winning de kans op bevingen vergroten. Dit vermoeden speelde in het vorige advies van SodM (december 2015) ook een grote rol, maar SodM acht dit nu voor wat betreft seizoensfluctuaties voldoende aangetoond. De snelheid van de drukafname in het Groningenveld speelt daarbij een grote rol. Het effect is echter nog niet te kwantificeren. Dit kan volgens SodM nog enkele jaren duren. Een niveau van 24 miljard m3 per jaar is naar de mening van SodM een onderbouwde keuze. Bij dit niveau zal volgens het huidige model van NAM de seismiciteit de komende vijf jaar niet hoger zijn dan het huidige niveau (peiljaar 2015). Bovendien verwacht SodM een extra reductie in de seismiciteit indien zonder fluctuaties gewonnen gaat worden. Mede op grond van dit advies heeft het kabinet besloten om het productieniveau voor de gaswinning uit het Groningenveld vast te stellen op 24 miljard m3 per jaar met ruimte voor meer winning bij een winter die kouder is dan gemiddeld vanwege de leveringszekerheid. Bovendien is aan het instemmingsbesluit het voorschrift verbonden dat seizoensfluctuaties en fluctuaties op maandbasis zo veel mogelijk voorkomen dienen te worden en dat noodzakelijke fluctuaties zo geleidelijk mogelijk ingevoerd moeten worden.
Is het waar dat er in 2017 meer duidelijkheid zal zijn over wat het effect is van vlakke winning op de seismiciteit? Zo ja, hoe is dit meegewogen bij de keuze voor een winningsbesluit voor vijf jaar?
Het kabinet heeft SodM gevraagd rond de zomer van 2017 informatie te geven over de effecten van een productieniveau van 24 miljard m3 per jaar, waarbij er minder en vlakker zal worden gewonnen, op de seismiciteit. Deze informatie zal onderdeel uitmaken van de afweging op het eerste jaarlijkse ijkmoment op 1 oktober 2017.
Heeft het stabiele investeringsklimaat voor NAM een rol gespeeld bij de bepaling van de hoogte van het gaswinningsplafond? Zo ja, hoe heeft u in dat geval het investeringsklimaat afgewogen tegen de veiligheid van Groningers?
Het productieniveau voor de gaswinning uit het Groningenveld is voor de komende vijf jaar vanuit het oogpunt van veiligheid verder verlaagd en vastgesteld op 24 miljard m3 per jaar, conform advies van SodM, met beperkt ruimte voor meer winning bij een winter die kouder is dan gemiddeld vanuit het oogpunt van leveringszekerheid.
Welke partijen nemen deel of hebben deel genomen aan de periodieke «Groningen-overleggen»?
Het Groningen Overleg betreft een intern overleg van mijn ministerie waar medewerkers van verschillende onderdelen (zoals medewerkers die zich bezig houden met de totstandkoming van het instemmingsbesluit, veiligheid, leveringszekerheid, NCG en juridische zaken) bij elkaar komen. NAM heeft geen onderdeel uitgemaakt van deze overleggen.
Waarom zijn enkel de agenda’s van de periodieke «Groningen-overleggen» overhandigd in het wob-verzoek en niet de gespreksverslagen?
Van deze overleggen worden over het algemeen geen verslagen gemaakt. De verslagen die voorhanden waren, zijn in het kader van het Wob-verzoek verstrekt.
Kunt u de gespreksverslagen van de periodieke «Groningen-overleggen» alsnog delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 18.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het voorziene plenaire debat over de mijnbouw, zodat de antwoorden daar bij betrokken kunnen worden?
Ja.
Reclame van zorgverzekeraars die zich via direct mailings richt op mensen met een hoog inkomen of opleidingsniveau |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Bent u ervan op de hoogte dat Promovendum (onderdeel van VGZ) via zogenaamde «direct mailings» hoger opgeleiden aanschrijft om hen op te roepen over te stappen? Wat is hierop uw reactie?1
VGZ is de achterliggende risicodrager van Promovendum, die als assurantietussenpersoon via een volmacht verzekeringen aanbiedt.
Zorgverzekeraars mogen binnen de kaders van de wet hun marketingstrategie bepalen. Verzekeraars zijn gebonden aan een acceptatieplicht voor de basisverzekering. De zorgverzekering van Promovendum moet dus voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor lager opgeleiden. Eerdere ophef heeft ervoor gezorgd dat Promovendum sinds 2014 in haar communicatie de oorspronkelijke doelgroep «hoger opgeleiden» weglaat. Daarnaast staat op de website van Promovendum vermeld dat iedereen welkom is voor een zorgverzekering.
Als onderdeel van haar toezichtstaak ten aanzien van de Zorgverzekeringswet (Zvw) houdt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ook toezicht op het overstapseizoen. Ik zal haar daarom vragen om expliciet en nader aandacht te besteden aan de werkwijze van Promovendum en hoe deze zich verhoudt tot de indirecte risicoselectie.
Wat vindt u ervan dat al uw woorden en waarschuwingen ten spijt, Promovendum doelbewust doorgaat met zich te richten op hoger opgeleiden omdat deze groep in de regel minder gebruik maakt van zorg?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Promovendum aan de adressen komt via het bedrijf EDM dat gespecialiseerd is in datakwaliteit en doelgroepbereik? Kunt u uw antwoord toelichten?
VGZ heeft mij laten weten dat Promovendum inderdaad haar data verrijkt met gegevens van het bedrijf EDM.
Wat waren de selectiecriteria die Promovendum aan EDM heeft meegegeven om tot deze doelgroep te komen? Waren inkomen of opleidingsniveau hiervan onderdeel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie die ik niet in bezit heb.
Hoeveel mensen hebben de brief ontvangen van Promovendum en hoeveel zorggeld heeft deze mailing in totaal gekost?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat Promovendum, indien zij zich aantoonbaar richt op de doelgroep met een hoog inkomen of opleidingsniveau, zich schuldig maakt aan risicoselectie? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Promovendum hanteert gerichte mailings onder hoger opgeleiden. Dit kan leiden tot een specifieke verzekerdenpopulatie. Andere labels van VGZ hanteren andere communicatiekanalen waarmee weer andere groepen verzekerden worden bereikt. Recent onderzoek van de NZa wijst uit dat concerns streven naar een verzekerdenportefeuille die in zijn totaliteit een representatieve afspiegeling van de Nederlandse bevolking vormt (Kamerstuk 29 689, nr. 769). Hierbij is op concernniveau vaak sprake van een herallocatie van middelen: zorgverzekeraars zetten een deel van hun winstgevende polissen in om premiestijgingen van verliesgevende polissen te beperken. Dit vind ik gewenst, omdat het bijdraagt aan de solidariteit op de zorgverzekeringsmarkt.
Zoals bij antwoord 2 reeds vermeld, houdt de NZa toezicht op het overstapseizoen. Ik zal haar daarom vragen om expliciet en nader aandacht te besteden aan de werkwijze van Promovendum en hoe deze zich verhoudt tot de indirecte risicoselectie.
Bent u eindelijk bereid toe te geven dat deze vorm van risicoselectie doelbewust gebeurt of staat u nog steeds achter uw uitspraak «er is dus geen sprake van doelbewust sturen»?2
Zie antwoord vraag 6.
Hoe ziet het verzekerdenbestand van Promovendum er eigenlijk uit? Zijn mensen met een hoog inkomen of opleidingsniveau bij hen oververtegenwoordigd?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er nog meer zorgverzekeraars die zich schuldig maken aan reclame direct gericht op lucratieve doelgroepen, zoals direct mailings via de post of per e-mail? Kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen?
Er is geen overzicht voorhanden van de zorgverzekeraars die gerichte mailings hanteren. Omdat gerichte mailings niet verboden zijn, zie ik hier ook geen noodzaak toe.
Wanneer komen er concrete maatregelen tegen deze vormen van risicoselectie?
Het hanteren van gerichte mailings is niet verboden. Dit zou pas het geval zijn indien de acceptatieplicht of het verbod op premiedifferentiatie worden overtreden. Zie verder mijn antwoord op vraag 6 en 7.
Zoals reeds toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van 9 november jl. zal ik de NZa verder vragen in haar eerstvolgende onderzoek naar de inhoud van reclame-uitingen van zorgverzekeraars mee te nemen of – en zo ja, hoeveel – aandacht er is voor de kwaliteit van de zorg, samen beslissen en de service van de zorg.
Het bericht “Op Sint Eustatius spoelen koelkasten de zee in” |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Op Sint Eustatius spelen koelkasten de zee in»?1
Ja
In hoeverre herkent u zich in het beeld zoals geschetst in het artikel?
Er is een gering gedeelte van de afvalstort naar beneden gegleden en op het strand Zeelandia terecht gekomen. Door de bijzonder zware en langdurige regenval op 17 november is de bodem verzadigd geraakt en heeft er een zogenaamde landslide plaats gevonden. Het beeld dat er op grote schaal afval, inclusief koelkasten, in de zee zijn weggespoeld, klopt niet.
Kunt u toelichten welke afspraken er gemaakt zijn over het in gebruik stellen van de nieuwe afvalscheidingsinstallatie?
De afspraak was dat het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) zorg zou dragen voor de bouw van de afvallocatie en de aanschaf van het materieel en dat het Openbaar Lichaam (OL) Sint Eustatius de exploitatie (personeel, beheer en onderhoud) voor zijn rekening zou nemen.
Kunt u toelichten waarom het eilandbestuur weigert mensen op te leiden voor het gebruik van deze afvalscheidingsinstallatie?
Mijn beeld is niet zozeer dat het bestuur weigert mensen op te leiden. Het probleem wordt veroorzaakt door het gebrek aan financiële middelen om de lasten voor personeel, beheer en onderhoud te dragen. De jaarrekeningen over 2014 en 2015 sloten af met een tekort. Het bestuur is inmiddels bezig met een oplossing. In de conceptbegroting 2017 van St. Eustatius staat vermeld dat in de 2e helft van 2017 het eiland de afvalverbranding in werking wil laten treden, een initiatief dat ik toejuich gelet op het incident met de vuilstort.
Welke kosten zijn gemaakt bij het aanschaffen van deze afvalscheidingsinstallatie en door wie zijn deze kosten betaald?
Het Ministerie van I&M heeft alle kosten gedragen voor de bouw van de afvallocatie en de aanschaf van vuilniswagens, een sorteerlijn, machines voor het verwerken van recyclebaar materiaal en een verbrandingsoven voor biologisch, niet recyclebaar afval. De totale investering bedroeg ruim EUR 1,3 miljoen.
Vervuilende afvalstort op Sint Eustatius |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat na een zware storm op Sint Eustatius een groot deel van de afvalstort in zee is gespoeld?1
Ja.
Klopt dit? Wat heeft er precies plaatsgevonden en welke milieuschade is waardoor precies ontstaan?
Er is een gering gedeelte van de afvalstort naar beneden gegleden en op het strand Zeelandia terecht gekomen. Door de bijzonder zware en langdurige regenval op 17 november is de bodem verzadigd geraakt en heeft er een zogenaamde landslide plaatsgevonden. Het naar beneden gegleden afval betrof met name huisafval en de schade aan het milieu lijkt beperkt. Het beeld dat er op grote schaal afval inclusief koelkasten in de zee zijn weggespoeld, klopt niet.
Is het waar dat de afvalstort van Caribisch Nederland nog steeds opgeslagen wordt op een stortplaats, waardoor die bij slecht weer in zee kan waaien? Zo ja, deelt u de mening dat dit uit milieu en gezondheidsoverwegingen volstrekt onacceptabel is? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Op Sint Eustatius bevindt de stortplaats zich inderdaad nog steeds aan zee. Het storten van vuil als zodanig en de huidige locatie zijn beide ongewenste situaties. Daarom heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) in 2013 afspraken gemaakt met het Bestuurscollege over het gescheiden ophalen en verwerken van afval. De bouw van de locatie met de nieuwe verbrandingsinstallatie is door genoemd ministerie gefinancierd en in het voorjaar van 2015 opgeleverd. Als het nieuwe systeem in werking is getreden, zal de legale stortplaats worden afgedekt. Hiervoor is 300.000 euro op de begroting van het Ministerie van I&M gereserveerd.
Daarnaast stimuleert het Ministerie van I&M een sterkere, meer structurele samenwerking op afvalmanagementgebied tussen de drie openbare lichamen van Caribisch Nederland en de 3 Caribische landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten). In samenwerking met UNEP heeft afgelopen september een workshop op Curaçao plaatsgevonden waar verschillende suggesties zijn gedaan voor verbeterde samenwerking op het gebied van effectievere recycling, de ontwikkeling van gezamenlijke business cases, kostenbesparingen door gezamenlijk gebruik van benodigde afvaltechnologie enzovoorts. De workshop zal een vervolg krijgen. Het Ministerie van I&M ondersteunt dit proces.
Waarom is de nieuwe moderne afvalverwerkingsinstallatie op het eiland nog steeds niet in gebruik? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit op een zo kort mogelijke termijn wel gebeurt?
De afspraak was dat het Openbaar Lichaam (OL) Sint Eustatius de verantwoordelijkheid draagt voor de exploitatie (personeel, beheer en onderhoud) van het nieuwe afvalbeheersysteem en de daarmee gemoeide kosten. Zoals bekend is de financiële situatie van het OL al geruime tijd problematisch. Daardoor zijn de kosten voor de exploitatie niet eerder in de begroting opgenomen. Het is de verantwoordelijkheid van het OL om dit probleem op te lossen. Het bestuur van het OL is op dit moment bezig met het zoeken naar een oplossing. In de conceptbegroting 2017 zijn de kosten om de afvalinstallatie in werking te laten treden wel opgenomen. Aan deze begroting is onlangs goedkeuring onthouden omdat de begroting niet aan de geldende wet- en regelgeving voldeed.
Bent u bereid om in samenwerking met de Rijksvertegenwoordiger met het eilandbestuur in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat zij zo snel mogelijk haar verantwoordelijkheid neemt om de nieuwe afvalwerkingsinstallatie in werking te laten treden?
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 aangegeven, is het OL bezig met een oplossing. De Rijksvertegenwoordiger en het Ministerie van I&M zullen in gesprek blijven met het eiland over de voortgang. Verder wordt het punt van het ingebruiknemen van de nieuwe afvallocatie besproken in de reguliere overleggen inzake het plan van aanpak ter verbetering van de ambtelijke organisatie met het bestuurscollege van St. Eustatius. Het doel is de nieuwe afvallocatie in de tweede helft van 2017 operationeel te laten zijn
Op welke wijze wordt de milieuschade als gevolg van de weggespoelde afvalstort zo snel mogelijk opgeruimd? In welke mate kunt u daaraan bijdragen?
Vrijwel meteen na het wegglijden van het afval in zee is er een opruimactie gestart, waarin Stenapa en het OL met vrijwilligers samen werken. De kustlijn is sinds 6 december weer vrij van afval. Er heeft mij geen hulpvraag bereikt.
Salafisten die moskeeën dreigen over te nemen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Het huidige moskeebestuur vaart een positieve koers»1, «Gebeurtenissen in de Amsterdamse Al Ummah Moskee, doen een beerput opengaan, namen en rugnummers zijn genoemd»2 en «Grote operatie Duitse politie tegen salafisten»3?
Ja.
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat salafisten pogingen ondernemen of daar al succesvol in zijn geweest om de macht in moskeeën over te nemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het incident in de Al Ummah moskee past binnen een breder palet aan voorbeelden waarbij een verschil van mening over de gewenste koers van een moskee kan leiden tot schisma’s en spanningen binnen een moskee. Het kabinet maakt zich net zoals de Kamer zorgen over dergelijke ontwikkelingen indien deze gepaard gaan met het aanzetten tot haat, onverdraagzaamheid en afzondering en de inperking van de vrijheid van anderen door personen of organisaties vanuit bepaalde salafistische leerstellingen. Zoals eerder per brief aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 29 614, nr. 39) steunt het kabinet lokale partners bij hun omgang met dergelijk problematische gedragingen door middel van een driesporenaanpak. De aanpak bestaat onder andere uit het aanspreken en confronteren van organisaties en individuen bij problematische gedragingen, en het handhaven bij het plegen van strafbare gedragingen. In het geval van de recente gebeurtenissen bij de Al Ummah moskee staat de rijksoverheid in contact met de lokale overheid, en wordt ondersteuning geboden wanneer nodig.
Zijn u meer incidenten bekend van geweld of intimidatie binnen moskeeën waarbij aanhangers van gematigde stromingen van de islam het slachtoffer zijn geworden van radicale salafistische elementen binnen de islam? Zo ja, wat is de aard en de omvang van deze incidenten?
Dergelijke geweldsincidenten in andere moskeeën zijn het kabinet niet bekend. Wel zijn er gevallen bekend van moskeeën waar salafisten meer invloed proberen te vergaren, wat kan leiden tot spanningen en soms gepaard kan gaan met intimiderend gedrag. De rijksoverheid biedt indien gewenst, ondersteuning aan lokale overheden in hun aanpak van dergelijke incidenten.
Is er nog steeds sprake van een groeiende invloed «van personen en organisaties die vanuit bepaalde salafistische leerstellingen aanzetten tot haat, onverdraagzaamheid en afzondering en die de vrijheid van anderen proberen in te perken»4? Zo ja, wat gaat u concreet doen om deze invloed in te perken? Zo nee, waaruit blijkt dat die invloed niet meer groeiende of mogelijk afnemend is?
Zie antwoord vraag 2.
Is het verbieden van salafistische organisaties in Duitsland en het optreden tegen deze organisaties effectief om deze organisaties tegen te kunnen houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Duitse overheid om te beoordelen of het verbod en het optreden effectief is. Het Duitse instrument van een verbod is niet één op één toepasbaar op het Nederlandse stelsel. Mocht een persoon of organisatie in Nederland oproepen tot geweld, dan kan deze met het bestaande instrumentarium worden aangepakt. De Kamer zal nog nader geïnformeerd worden over de kabinetsreactie ten aanzien van het internationaal vergelijkend onderzoek naar het naderende gevaarcriterium van antidemocratische groeperingen.
Deelt u de mening dat signalen die duiden op geweld en intimidatie door salafisten met als doel de macht in moskeeën over te nemen en hun gedachtengoed verder te verspreiden nu wel aanleiding geven om deze organisaties te verbieden? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde verboden verklaren en ontbinden. Zoals eerder per brief aan de Kamer gemeld5, gelden er op basis van de jurisprudentie hoge eisen voor een dergelijk verbod. Wil een verzoek tot verbodenverklaring kans van slagen hebben dan moet bijvoorbeeld kunnen worden aangetoond dat er sprake is van een werkzaamheid waarvan de ongestoorde voortzetting en navolging in een democratische rechtsstaat niet kan worden geduld op straffe van ontwrichting. Het verbieden van een rechtspersoon vormt immers een ernstige inbreuk op het grondrecht van vrijheid van vereniging en vergadering waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een verzoek ex artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek opportuun is. Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat indien daartoe aanleiding bestaat zij de mogelijkheid om bij de rechtbank een verzoek in te dienen zal overwegen, maar dat enkel signalen daarvoor in ieder geval niet voldoende zijn.
‘de lange weg van Isis naar Isabella’ over de moeite die het kost om controversiële voornamen te kunnen wijzigen |
|
Judith Swinkels (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel over ouders en volwassen die een controversiële voornaam van hun kind of van zichzelf willen wijzigen en die erop stuiten dat het wijzigen via de rechter duur, ingewikkeld en tijdrovend is?1
Ja
Kunt u toelichten met welk doel ervoor is gekozen de procedure voor het wijzigen van de voornaam dermate hoogdrempelig te laten zijn?
De huidige procedure voor het wijzigen van de voornaam schrijft voor dat degene die zijn voornaam wil wijzigen door een advocaat een verzoekschrift laat indienen bij de rechter. Als de rechter het verzoek honoreert, geeft hij opdracht aan de burgerlijke stand de officieel geregistreerde voornaam aan te passen. Een belangrijke reden voor de huidige procedure voor voornaamswijziging is het waarborgen van continuïteit van de voornaam omwille van het maatschappelijk verkeer en een goed functionerende overheidsadministratie. Voor minderjarigen komt daar nog bij dat de aanvraag door de wettelijke vertegenwoordiger wordt gedaan en getoetst moet worden of de aangevoerde reden daadwerkelijk gewichtig is en in het belang van het kind. Immers, de voornaam is, al dan niet in combinatie met de geslachtsnaam, een belangrijk onderdeel van iemands identiteit. Zelfs jonge kinderen identificeren zich al sterk met hun voornaam.
Kunt u toelichten waarom de procedure voor het wijzigen van de voornaam aanzienlijk verschilt van de procedure voor het wijzigen van de achternaam?
Het onderscheid is historisch verklaarbaar: oorspronkelijk had de wijziging van de geslachtsnaam het karakter van een Koninklijke gunst. Het daarmee samenhangende procedurele onderscheid tussen wijziging van de geslachtsnaam en wijziging van de voornaam was al neergelegd in de «Loi du 11 Germinal An XI» (1 april 1803). Dit onderscheid is overgenomen in het Burgerlijk Wetboek van 1838 en vervolgens ook in Boek 1 van het thans geldende Burgerlijk Wetboek.2
Tegenwoordig worden verzoeken tot wijziging van de geslachtsnaam in behandeling genomen door de Dienst Justis namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De beslissing staat open voor bezwaar en beroep. Wanneer een wijziging van de achternaam kan worden toegewezen, dan wordt dit bekrachtigd in een koninklijk besluit.
Naast de historische verklaring zijn er ook actuele overwegingen voor het verschil in procedures voor wijziging van respectievelijk de voornaam en de achternaam. Deze hangen samen met de functie van deze naam. Naast het reeds genoemde belang van het waarborgen van continuïteit van de voornaam omwille van het maatschappelijk verkeer en een goed functionerende overheidsadministratie, geeft de geslachtsnaam informatie over de drager met betrekking tot diens afstamming en familierelaties. Dat is de reden waarom bij een wens tot wijziging van iemands geslachtsnaam degene wiens naam aangenomen wordt en degene wiens naam niet langer gevoerd wordt als belanghebbenden bij de besluitvorming worden betrokken. Ook wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om bezwaar aan te tekenen tegen de voorgenomen beslissing over de wijziging van de geslachtsnaam. Wanneer het bezwaar wordt afgewezen kan in beroep worden gegaan bij de rechtbank en uiteindelijk in hogere beroep bij de Raad van State.
Deelt u de mening dat het wijzigen van de voornaam eenvoudiger zou kunnen en moeten?
Zonder iedere vorm van vereenvoudiging van de procedure voor het wijzigen van de voornaam uit te willen sluiten, ben ik overtuigd van het belang van de rechterlijke toetsing zoals vermeld bij het antwoord op vraag 2 als waarborg tegen onterechte wijziging van voornamen met name bij minderjarigen. Bovendien is iedereen in beginsel vrij in de keuze van een in praktijk gehanteerde roepnaam waarmee veel van de nadelen van een achteraf betreurde voornaamkeuze kunnen worden weggenomen.
Herinnert u zich de aanbeveling van de commissie Liberalisering naamrecht uit 2009 die stelt dat een meerderjarige éénmaal zijn voornaam moet kunnen wijzigen zonder opgave van reden en dat dit verzoek slechts getoetst zou moeten worden aan de voorwaarde dat de naam niet ongepast mag zijn? Zo ja, deelt u de opvatting dat een dergelijke vereenvoudiging van de wijziging van de voornaam opvolging verdient?2
Ik herinner mij het Rapport van de Werkgroep liberalisering naamrecht getiteld: «Bouwstenen voor een nieuw naamrecht» zeer zeker en ook de voorstellen waarnaar in de vragen wordt verwezen. Maar ik herinner mij ook dat de werkgroep ten aanzien van de wijziging van de voornaam bij minderjarigen tussen 1 en 18 jaar heeft voorgesteld om de huidige procedure te handhaven en de toetsing door de rechter te behouden.
In zijn brief van 17 april 2012 (Kamerstuk 33 000 VI, nr. 96) heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de Kamer over het rapport van de werkgroep laten weten: «Sindsdien is echter niet gebleken van dermate grote en urgente problemen op het gebied van het naamrecht dat wijziging van wet- en regelgeving nu noodzakelijk is.» In zijn reactie op het verslag van een schriftelijk overleg over dit rapport (Kamerstuk 33 400 VI, nr. 84) herhaalde hij dit standpunt. Dat is de reden dat de aanbevelingen van de werkgroep geen vervolg hebben gekregen.
Herinnert u zich ook de aanbeveling van diezelfde commissie dat afhandeling van de voornaamswijziging door een ambtenaar van de burgerlijke stand kan plaatsvinden en een volgende wijziging kan worden afgehandeld door de dienst Justis? Zo ja, deelt u de opvatting dat een dergelijke vereenvoudiging van de procedure voor wijziging van de voornaam moet kunnen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich ook de aanbeveling van diezelfde commissie dat indien ouders het eens zijn over de naamswijziging van hun kind zij dit tot een jaar na de geboorte van hun kind dienen te kunnen wijzigen door middel van een gemeenschappelijke verzoek aan de ambtenaar van de burgerlijke stand? Zo ja, deelt u de opvatting dat een dergelijke vereenvoudiging van de wijziging van de voornaam opvolging verdient?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is de reden dat de aanbevelingen van voornoemde commissie destijds ten aanzien van de voornaam-procedure nog geen opvolging hebben gekregen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid een vereenvoudiging van de voornaam-procedure te bezien en zo ja, op welke wijze?
Ik zie geen reden om terug te komen op het besluit van de Staatssecretaris om af te zien van wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van het naamrecht. Ik acht het niettemin denkbaar dat een volgend kabinet tot een andere afweging komt en bijvoorbeeld besluit om bij de aanbevelingen van de Staatsommissie Herijking Ouderschap, die zien op een aanzienlijke wijziging van het personen- en familierecht, ook de aanbevelingen van de werkgroep te betrekken.
Het bericht dat de veiligheidscultuur in de kerncentrale Doel ver onder de maat is |
|
Eric Smaling |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat door het Belgische federaal agentschap voor nucleaire controle (FANC) zorgen zijn geuit over «brandgevaar, risico op kernbesmetting en een schaamteloos nonchalante veiligheidscultuur» bij de kerncentrale van Doel?1
Ik heb hierover op verzoek van de vaste commissie van Infrastructuur en Milieu op 29 november jl. een brief aan uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 25 422, nr. 165). In deze brief geef ik aan mijn zorgen te hebben geuit bij Minister Jambon en heb ik om opheldering gevraagd over de situatie en de genomen maatregelen. Ook geef ik aan dat de ANVS op 22 november jl. de relevante lagere overheden heeft geïnformeerd over de situatie.
Op welk moment bent u op de hoogte gesteld van de zorgen over de veiligheidscultuur bij de Belgische kerncentrale? Op welk moment heeft u contact opgenomen met de Nederlandse buurgemeenten?
In de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen FANC en ANVS komt ook het toezicht op de veiligheidscultuur bij bedrijven aan de orde. Van belang daarbij om te melden is dat het hebben van zorgen over de veiligheidscultuur niet betekent dat er een acuut onveilige situatie is. Het onder de aandacht brengen of zonodig ingrijpen bij een vergunninghouder op dit vlak voorkomt juist een onveilige situatie. De inhoud van de beide brieven die door de directeur van FANC in juli en september jl. aan Electrabel en het Franse moederbedrijf ENGIE waren bij zowel de ANVS als bij mij niet eerder bekend dan na publicatie in de Belgische media. Meteen daarna heeft de ANVS informatie ingewonnen bij de directeur van FANC en mij geïnformeerd. De ANVS heeft op 22 november jl. de betrokken gemeenten, provincies en veiligheidsregio’s geïnformeerd en de berichten in de media op basis van de beschikbare informatie zo goed mogelijk geduid. Ik heb gelijk een brief gestuurd aan mijn Belgische collega Jambon. Wanneer zich nieuwe relevante ontwikkelingen voordoen wordt, zal ik of de ANVS hier steeds opnieuw over communiceren. Als er behoefte is aan meer gespecificeerde informatie bij bijvoorbeeld veiligheidsregio’s vinden vervolggesprekken plaats met deskundigen van de ANVS.
Hoe oordeelt u over het feit dat in een gesprek tussen alle partijen over nucleaire veiligheid de burgemeester van het nabijgelegen Borsele niet is geïnformeerd over de zorgen die door het FANC zijn geuit?
De incidenten die zich hebben voorgedaan, duiden op tekortkomingen in de veiligheidscultuur bij Electrabel. Het FANC intervenieert en treft maatregelen om de veiligheidscultuur bij Electrabel te verbeteren. Omdat er geen direct veiligheidsprobleem is of dreigt, was er ook geen aanleiding om de burgemeester van de gemeente Borsele hierover specifiek te informeren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Nederlandse buurgemeenten direct en volledig worden geïnformeerd over de veiligheidssituatie van de kerncentrales Doel en Tihange, dit ook in navolging van de motie Smaling/De Vries?2
Er zijn afspraken dat het FANC direct de ANVS informeert bij ontwikkelingen die Nederland kunnen raken. Verder wil ik verwijzen naar mijn brief van 17 oktober 2016, waarin aangegeven is hoe de rol van de veiligheidsregio in de onafhankelijke informatievoorziening wordt versterkt. Tevens wordt in deze brief aangegeven wat wordt gedaan om de communicatie over nucleaire veiligheid te verbeteren zodat bewoners van de grensprovincies tijdig en beter weten waar zij aan toe zijn.
Welke stappen kunnen u en de Nederlandse Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) zetten om de veiligheidssituatie bij de Belgische kerncentrales te verbeteren? Bent u bereid bij uw Belgische collega op sluiting van kerncentrale Doel en Tihange aan te sturen?
De beoordeling óf een kerncentrale vanwege de nucleaire veiligheid zou moeten worden stilgelegd of worden gesloten, is een bevoegdheid van de nationale autoriteiten van het land van de kerncentrale. In het geval van de kerncentrales in Doel en Tihange is dat het Federale Agentschap Nucleaire Controle (FANC). Het FANC is hierin onafhankelijk en neemt zijn besluiten alleen op basis van veiligheid.
Ik heb mijn collega de heer Jambon op 22 november 2016 een brief gestuurd naar aanleiding van de brieven van het FANC aan Electrabel en ENGIE. Hierin heb ik mijn zorgen geuit over de gang van zaken en om opheldering verzocht.
Is het rampenplan in geval zich een kernramp voordoet op orde?
Ja. De voorbereiding op mogelijke stralingsincidenten, waaronder kernongevallen, is planmatig vormgegeven via een planstructuur waarin nationale en regionale plannen samenhangen. Het in september 2016 geactualiseerde Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming (NHC) is het generieke kader. Specifiek voor stralingsincidenten biedt het Nationaal Crisisplan Stralingsincidenten (NCS) met hieraan gekoppeld het NCS Responsplan en de Crisiscommunicatieplan Stralingsincidenten het kader. Deze plannen worden op dit moment geactualiseerd op basis van de veranderde verantwoordelijkheidsverdeling voor nucleaire veiligheid binnen het Kabinet en de oprichting van de ANVS. In 2017 volgt een volgende actualisatie slag waarbij de plannen in lijn worden gebracht met de lopende implementatie van EU Richtlijn 2013/59/Euratom (Basisnormen voor stralingsbescherming). Regionaal worden rampbestrijdingsplannen voortdurend aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. Hiermee blijven deze altijd zo actueel mogelijk. Op dit moment voert ook de OVV een onderzoek uit naar ondermeer de samenwerking en de crisisvoorbereiding bij ongevallen in kerncentrales over de grensregio.
Bent u bereid de rapporten en brieven van het FANC naar de Kamer te sturen?
Ja. Kopieën van de brieven zijn als bijlage bij de aanbiedingsbrief van deze antwoorden gevoegd3. Verder zijn de brieven op internet te vinden4
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Nucleaire veiligheid voorzien op 7 december?
Ja.
Herkent u het genoemde probleem in het bericht «In komen niet in Euro's? Dan geen hypotheek!», dat mensen met een inkomen anders dan in euro’s of een hypotheek in een andere valuta dan de euro, niet meer aan een hypotheek kunnen komen?1
Ja.
Herinnert u zich het schriftelijk overleg over de modelmatige onderbouwing van de woningwaarde bij minder risicovolle hypotheken2, waarin u aangaf dat er nog geen signalen met het probleem als genoemd in vraag 1 bij u bekend waren, omdat de Hypothekenrichtlijn (Mortgage Credit Directive) nog niet in werking was getreden?
Zie antwoord vraag 1.
Inmiddels melden zich mensen die aangeven om redenen als benoemd in vraag 1 niet meer in aanmerking komen voor een hypotheek; erkent u dat het eerder geconstateerde theoretische probleem zich nu ook in de praktijk voor doet?
De signalen zijn mij bekend. De hypothekenrichtlijn verplicht verstrekkers van hypothecair krediet die aan consumenten met een inkomen in vreemde valuta een hypothecair krediet verstrekken, maatregelen te nemen ter bescherming tegen het valutarisico dat de consument loopt. Deze maatregelen houden in dat de consument ofwel het recht heeft om de overeenkomst om te zetten in een andere valuta, ofwel dat de consument een beroep kan doen op een regeling op grond waarvan het wisselkoersrisico waaraan de consument blootstaat, wordt beperkt. Deze regels zijn in het Nederlandse recht omgezet en op 14 juli jongstleden in werking getreden. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft laten weten dat hypotheekverstrekkers als gevolg van deze nieuwe regels belemmeringen zien bij het aanbieden van hypothecaire kredieten aan consumenten die hun inkomen in vreemde valuta ontvangen.
Naar aanleiding van deze signalen heeft er overleg plaatsgevonden met ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Veiligheid en Justitie en Financiën en de NVB. In dit overleg heeft de NVB kenbaar gemaakt dat het voor veel hypotheekverstrekkers geen optie is om de overeenkomst om te zetten in een andere valuta. In plaats van het omzettingsrecht aan te bieden kunnen hypotheekverstrekkers er op grond van het Burgerlijk Wetboek voor kiezen om een regeling aan te bieden waardoor het wisselkoersrisico beperkt wordt. Dit is nu al het geval, maar zal in de nationale regelgeving verduidelijkt worden. De NVB heeft laten weten dat hypotheekverstrekkers, ook na verduidelijking van de nationale regelgeving, belemmeringen blijven zien. Zij hebben er moeite mee om te interpreteren wanneer er sprake is van een regeling die het wisselkoersrisico waaraan de consument gedurende de (langlopende) kredietovereenkomst blootstaat, voldoende wordt beperkt.
Dit probleem speelt zich op grotere schaal af in de Europese Unie en is niet een gevolg van de Nederlandse implementatie van de hypothekenrichtlijn. ABN AMRO, met een aanzienlijk deel van de expats als klant, heeft laten weten desalniettemin wel een mogelijkheid te zien om zowel hun bestaande klanten te kunnen blijven bedienen als nieuwe klanten met een inkomen in een andere valuta dan de euro te kunnen accepteren. Per 1 december jongstleden bieden zij weer hypothecaire kredieten aan consumenten met een inkomen in vreemde valuta aan. Gezien het overleg dat is gevoerd met de sector en het gegeven dat ABN AMRO weer hypothecaire kredieten in vreemde valuta aanbiedt, zie ik op dit moment geen aanleiding voor verder onderzoek. Omdat het probleem voortkomt uit een Europese Richtlijn zal ik de Europese Commissie om aandacht vragen voor de gevolgen die de regeling met betrekking tot hypothecaire kredieten in vreemde valuta met zich brengt.
Ziet u nu wel aanleiding om over te gaan tot een onderzoek naar de reden en oplossingen voor dit probleem? Zo nee, wat is voor u het criterium om alsnog tot een onderzoek over te gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Et bericht “Patiënt de dupe van beperkende voorwaarden zorgverzekeraars” |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de conclusies uit het onderzoek van de Consumentenbond en de zorgverlenersorganisatie VvAA, waaruit blijkt dat ruim driekwart van de zorgverleners die met zorgverzekeraars contracten sluiten door beperkende voorwaarden van zorgverzekeraars steeds vaker niet de behandeling kunnen geven die zij als professionals nodig achten?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat patiënten door zorgaanbieders worden geweerd vanwege een conflict over geld met zorgverzekeraars? Bent u het ermee eens dat hierdoor het conflict over de rug van patiënten wordt uitgevochten, en dat dit altijd moet worden voorkomen? Welke oplossingen ziet u voor deze problematiek?
Ja. De oplossing is dat tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders wordt afgesproken dat meningsverschillen niet ten koste gaan van de patiënt.
Heeft u ook de signalen van fysiotherapeuten ontvangen, waarmee ze aangeven dat zij in sommige gevallen graag eerder zorg zouden willen verlenen, om bijvoorbeeld een dure en belastende behandeling in het ziekenhuis te voorkomen, maar dat dit gezien het pakket niet mogelijk is? Wat vindt u ervan dat fysiotherapeuten laten weten dat zij soms minder behandelingen kunnen geven dan ze zelf denken dat nodig is door beperking opgelegd door zorgverzekeraars?
Ja, daarom heb ik het Zorginstituut een advies gevraagd over het pakket.
Op basis van de zorgvraag van de patiënt is het aan de professional om te beoordelen of er een behandeling moet worden ingezet en hoeveel behandelingen hij of zij nodig acht. Ik vind het van belang dat daarbij de beroepsrichtlijnen en standaarden het uitgangspunt zijn. Een fysiotherapeut moet een patiënt niet langer of korter behandelen dan medisch noodzakelijk is.
Deelt u de mening dat bij de financiering van zorg de medische noodzaak, meerwaarde en kwaliteit van zorg moet meewegen in plaats van slechts het kostenplaatje?
Ja. Een en ander is ook afhankelijk van de positie van de patiënt. Bijvoorbeeld een patiënt die niet aanvullend is verzekerd, zal zelf bepalen hoe lang hij zijn behandeling wil financieren. Van een patiënt die aanvullend is verzekerd zal de behandeling geheel of gedeeltelijk (afhankelijk van zijn verzekering) worden vergoed.
Wat is uw reactie op het beeld dat uit het onderzoek naar voren komt, namelijk dat er «geheime beperkende afspraken» zijn tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars? Kunt u zich het onbegrip van verzekerden hierover voorstellen? Wat is uw reactie op het feit dat mensen kennelijk niet kunnen vertrouwen op de aanbiedingen die zorgverzekeraars hen doen? Wat is uw reactie op het voorbeeld van de door de zorgverzekeraar aangeboden dertig extra fysiotherapiebehandelingen voor de verzekerde, terwijl zorgverleners hier de helft niet van kunnen verlenen vanwege het contract met deze zorgverzekeraars?
Zorgverzekeraars zijn verplicht verzekerden te informeren over eventuele beperkingen die voortkomen uit contractuele afspraken met zorgaanbieders. De NZa houdt toezicht of verzekeraars zich hieraan houden.
Een verzekerde heeft indien er een medische noodzaak is, recht op het aantal behandelingen dat in de polisvoorwaarden van de aanvullende verzekering vermeld staat. Dit moet niet worden verward met de totale aanvullende verzekering. Wanneer een patiënt is uitbehandeld voordat het maximale aantal behandelingen is bereikt waar hij/zij volgens de polisvoorwaarden recht op heeft, dan is het evident dat de behandeling stopt.
In essentie gaat de discussie hierover. De zogenoemde behandelindex die wordt gehanteerd bij de zorginkoop is steen des aanstoots van de behandelaren. Het gebruik van deze behandelindex wordt momenteel besproken in het overleg dat ik met de paramedische beroepsgroep, de zorgverzekeraars en de patiëntenverenigingen voer.
Bent u bereid het onderzoek van de Consumentenbond en de VvAA aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) door te geven, zodat deze als onafhankelijke scheidsrechter kan acteren, en eventueel kan ingrijpen indien de patiënt benadeeld wordt? Zo ja, op welke termijn acht u dit mogelijk? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoeksverslag van de Consumentenbond en de VvAA is openbaar.
De NZa neemt signalen van zorgaanbieders en zorgverzekeraars over het verloop van het contracteerproces serieus en houdt toezicht op de randvoorwaarden waarbinnen onderhandelingen in het veld plaatsvinden. Indien noodzakelijk kan de NZa handhavingsmaatregelen inzetten.
Bent u het ermee eens dat voor een verzekerde duidelijk moet zijn welke zorg hij krijgt, op het moment dat iemand een polis bij een verzekeraar kiest?
Zorgverzekeraars zijn op grond van de regelgeving van de NZa (TH/NR-004 Informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten) verplicht om duidelijkheid te bieden over wat een polis inhoudt. Dat geldt ook voor afspraken die zij maken met een zorgaanbieder als deze afspraken mogelijk consequenties hebben voor de verzekerde. Zorgverzekeraars dienen op de website per soort zorgaanbieder een overzicht te presenteren van welke afspraken gemaakt zijn en welke mogelijke consequenties dit voor de verzekerde kan hebben. De medische noodzaak is leidend. Daarover gaat de discussie. Niet zozeer over het totaal aantal behandelingen. De inkoop met behulp van de zogenoemde behandelindex is onderwerp van gesprek. Zie ook antwoord 5.
Indien de onderhandelingen nog niet zijn afgerond moet de zorgverzekeraar aan de verzekerde melden hoe zij hiermee omgaan. De NZa houdt toezicht op de informatieverstrekking van de zorgverzekeraars.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars dit jaar opnieuw niet in staat zijn gebleken niet alle contracten af te sluiten vóór 19 november 2016? Wat is hiervan de oorzaak? Hoe kan het volgend jaar worden voorkomen?
Er bestaat geen verplichting om alle contracten af te sluiten voor 19 november. Er is sprake van contracteervrijheid en ook na 19 november kunnen contracten worden afgesloten. Dat is juist belangrijk omdat een zorgverzekeraar altijd moet voldoen aan de zorgplicht. Daarvoor moet hij te allen tijde kunnen (bij)contracteren.
De partners in het hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg hebben in maart van dit jaar bestuurlijke afspraken gemaakt over het verloop van het contracteringsproces en de communicatie hierover naar patiënten en verzekerden2. Binnenkort zal de NZa de monitor over het contracteerproces MSZ 2017 uitbrengen. Ik zal deze aan uw Kamer toesturen en dan verder ingaan op het contracteerproces 2017. Ook zijn er in de afgelopen periode veel inspanningen gedaan om het contracteerproces in de eerste lijn te verbeteren3. Ik vind vooral een goede communicatie naar de verzekerde van belang en dat eventuele meningsverschillen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars niet over de rug van de patiënt worden uitgespeeld. Ik vind dat de eerste indrukken een aanzienlijke verbetering laten zien ten opzichte van vorig jaar.
Hoe kan in deze situatie toch worden bereikt dat verzekerden volledig geïnformeerd worden over de verschillende verzekeringen en pakketten, en de inhoud en voorwaarden hiervan?
Zie antwoord vraag 7.
Op welk aanbod mag de verzekerde vertrouwen, aangezien deze nu wel kan kiezen voor een polis, maar nog niet alle contracten met zorgaanbieders zijn gesloten? Hoe gaat u verzekerden hierover informeren?
Zie antwoord vraag 7.
Veiligheidsrisico’s van de Belgische kerncentrales |
|
Jan Vos (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het Belgische federaal agentschap voor nucleaire controle (FANC), dat klaagt over laksheid bij het energiebedrijf Engie Elektrabel, de eigenaar van de kerncentrales in Doel en Tihange?1
Ja.
Deelt u de bezorgdheid over de veiligheidsrisico’s van de Belgische kerncentrales in Tihange en Doel, ook gezien de ligging bij de Nederlandse grens?
Ik heb begrip voor de bezorgdheid van de Nederlandse bevolking in de grensregio’s. De veiligheid van de Nederlandse bevolking heeft voor mij de hoogste prioriteit. Daarom onderneem ik altijd actie om de berichten over de veiligheidsrisico» te verifiëren door bijvoorbeeld toelichting te vragen bij de ANVS, het FANC of mijn Belgische collega Jambon. Ik heb uw Kamer per brief op 29 november jl. geïnformeerd over de gang van zaken als reactie op de recente berichtgevingen, deze waren voor mij aanleiding toelichting te vragen en mijn zorgen te uiten bij Minister Jambon.
Hoe heeft u invulling gegeven aan de motie Fokke/Jan Vos, die de regering oproept om, samen met Duitsland en Luxemburg, België officieel te verzoeken de kerncentrales in Tihange en Doel te sluiten?2
Uw kamer heeft moties aangenomen waarin stelling werd genomen over de kerncentrales in België. Ik heb uw moties uitgevoerd door hierover destijds telefonisch contact op te nemen met mijn Belgische ambtsgenoot Jambon.
Klopt het dat u heeft gezegd dat u een dergelijke oproep zou kunnen steunen, als blijkt dat de kerncentrales in België echt onveilig zijn?3
Dat klopt zeker. België heeft een eigen verantwoordelijkheid. Maar als er veiligheidsrisico’s zijn voor de inwoners in Nederland zal ik zeker bij mijn Belgische collega aandringen op maatregelen en in het uiterste geval tot sluiting. Ik zie dat veel mensen zich zorgen maken over de ontwikkelingen. Ik vind het zelf ook zorgelijk. Daarom heb ik regelmatig contact met mijn Belgische collega. Het FANC heeft aangegeven dat, hoewel er zorgen zijn over de veiligheidscultuur die aangepakt moeten worden, er geen direct veiligheidsprobleem is en de centrales voldoen aan de nationale en internationale veiligheidseisen. Gezien de aard van de berichtgevingen heb ik Minister Jambon om opheldering gevraagd over met name de zogeheten brand-PSA (probabilistisch veiligheidsstudie) en de maatregelen die als reactie op deze studie zijn of worden genomen. Ik wacht de reactie van Minister Jambon af.
Kunt u deze oproep nu dus gaan steunen, nu zelfs de Belgische toezichthouder FANC vindt dat Engie Elektrabel laksheid ten aanzien van de nucleaire veiligheid koppelt aan «enorme schaamteloosheid»?
Zie het antwoord op vraag 4.
Waarom voert u de genoemde motie niet uit en roept u België niet gewoon op tot sluiting van de centrales?
Zie het antwoord van vraag 3.
Klopt het dat afgesproken is dat de Nederlandse Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en het Belgische FANC samen wederzijdse inspecties gaan uitvoeren? Kunt u toelichten wat hier van terecht is gekomen?
Ja. Dit jaar zijn er gezamenlijke inspecties uitgevoerd in de kerncentrales Doel, Borssele en Tihange. Hiernaast zijn er gezamenlijke inspecties uitgevoerd bij andere nucleaire installaties in België en Nederland. De uitnodigende nationale autoriteit is verantwoordelijk voor de inhoud van de inspectie. De inspecteurs van het andere land zijn bij de inspecties aanwezig als waarnemer omdat het toezien op de nucleaire veiligheid op grond van het Euratom Verdrag een nationale bevoegdheid is. Dit is ook de reden waarom er geen Europese inspectie voor nucleaire veiligheid is. Er zijn wel Euratom inspecteurs die toezien op safeguards en non proliferatie. De verschillende nationale toezichthouders op veiligheid voeren wel gezamenlijke inspecties uit. De ANVS inspecteurs zijn niet alleen naar de kerncentrales in België geweest maar hebben ook gezamenlijke inspecties gedaan met de Franse toezichthouder en de Zwitserse toezichthouder. Daarnaast verplicht de Euratom richtlijn over nucleaire veiligheid dat alle lidstaten een onafhankelijke toezichthouder moeten hebben en dat de werking van onder andere dit systeem tenminste een keer in de tien jaar beoordeeld moet worden door het uitvoeren van internationalen audits door collega’s uit andere landen. Zowel België als Nederland hebben een dergelijk «IRRS-audit» in respectievelijk 2013 en 2014 doorlopen. Deze en andere audits geven niet het beeld dat het Belgische toezicht tekort schiet.
Indien deze inspecties daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, waarom hebben zij deze veiligheidsrisico’s niet eerder waargenomen?
Zowel in Doel als Tihange heeft de ANVS waargenomen bij inspecties naar de implementatie van de verbetermaatregelen naar aanleiding van de post-Fukushima stresstest. Op 20 januari heb ik bij de inspectie in Doel zelf de uitvoering van deze werkzaamheden gezien die de veiligheid van de reactoren nog verder dienen te verhogen. Het ging bijvoorbeeld om werkzaamheden die de reactoren beter bestand maken tegen hogere overstromingen dan waarvoor die tot nog toe ontworpen waren. In Tihange is ook nog gekeken naar de manier waarop in de reactor om gegaan wordt met de ongewone gebeurtenissen zoals waarover in de media ook regelmatig gerapporteerd wordt.
De directie aanleiding voor de directeur van het FANC om op te treden was de wijze waarop Elektrabel en ENGIE omging met de statistische veiligheidsanalyses voor brand. Dit is geen onderwerp geweest van de gezamenlijke inspectie.
Het commerciële tv-programma ‘een nieuw begin’? |
|
Jasper van Dijk , Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het artikel over het commerciële tv-programma «een nieuw begin»?1
De Staatssecretaris van OCW en ik vinden dit een zorgelijk signaal.
Is de wijze waarop mensen cosmetische of tandheelkundige behandelingen worden aangepraat geoorloofd volgens wet- en regelgeving?
Voor het uitvoeren van een geneeskundige behandeling is volstrekt helder dat de toestemming van de patiënt vereist is. Dit geldt ook bij (niet medisch noodzakelijke) cosmetische ingrepen. Om toestemming te kunnen geven heeft de patiënt goede informatie nodig. Zo moet de behandelaar onder meer informatie geven over de voorgestelde behandeling en de risico’s die daaraan verbonden zijn. De informatieplicht van de behandelaar omvat ook diens verplichting om zich ervan te vergewissen dat de patiënt de informatie heeft begrepen.
Uit het artikel blijkt niet dat de betreffende zorgaanbieders niet volgens wet- en regelgeving en/of veldnormen hebben gehandeld. Het is voor mij op basis van dit artikel onvoldoende duidelijk of dat ook daadwerkelijk het geval is. Als betrokkenen van oordeel zijn dat dit wel het geval is, kunnen ze dit melden bij het Landelijk Meldpunt Zorg.
Vindt u het wenselijk dat gesuggereerd wordt dat zorg een product is waar je zonder medische noodzaak vrijelijk gebruik van kunt maken?
De verantwoordelijkheid voor de keuze voor zorg waar geen medische noodzaak aan ten grondslag ligt, ligt bij de patiënt en bij de zorgaanbieder. De patiënt maakt de uiteindelijke keuze, maar de zorgaanbieder moet de patiënt voldoende informeren (over mogelijkheden en gevolgen) zodat de patiënt een afgewogen keuze kan maken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Handelen de betrokken hulpverleners conform hun beroepsethos? Kunt u dit toelichten?
De Inspectie ziet toe op wet- en regelgeving, waaronder richtlijnen en veldnormen die door de veldpartijen zelf zijn opgesteld. Zie verder antwoord op vraag 2.
Hebben de Inspectie voor de Gezondheidszorg klachten bereikt over het tv-programma, en de daarbij betrokken privéklinieken CDC Tandzorg, de Velthuis Kliniek en Bergman Clinics met betrekking tot de kwaliteit van de behandeling en zaken als het aanpraten van behandelingen? Zo ja, wat was het oordeel van de Inspectie, en welke stappen heeft zij ondernomen tegen welke kliniek(en)?
De Inspectie heeft geen meldingen ontvangen over het tv-programma en/of de behandelingen die hiervan onderwerp waren.
De IGZ is een onderzoek gestart naar de CDC Tandzorg kliniek na meldingen van patiënten. Deze meldingen zijn niet gerelateerd aan deze tv-uitzending. Over de aard van het lopende onderzoek kan de Inspectie geen mededelingen doen.
Vormen dergelijke programma’s geen bedreiging voor de volksgezondheid, omdat door deze programma’s niet medisch noodzakelijke zorg, met kans op medische letselschade, wordt gestimuleerd? Zo ja, wat gaat u daartegen ondernemen. Zo neen, waarom niet?
Er is geen verbod op het maken van tv-programma’s als «een nieuw begin». Wel ben ik van mening dat omroepen een belangrijke verantwoordelijkheid hebben om te zorgen dat alles ruim binnen wet- en regelgeving blijft. Producenten van programma’s en omroepen hebben een verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met mensen die deelnemen aan hun programma’s. Uiteraard hebben ook deelnemers een eigen verantwoordelijkheid om af te wegen of zij wel of niet aan een dergelijk programma meewerken, maar deelnemers kunnen soms gemakkelijk in een afhankelijke positie terechtkomen of gebracht worden. Daar hoort geen misbruik van gemaakt te worden. Hoewel RTL onder Luxemburgs toezicht valt is contact opgenomen met RTL. RTL wil een verantwoordelijk mediabedrijf zijn dat oog heeft voor de belangen waarvoor zowel vanuit de politiek als de samenleving bescherming wordt gevraagd. RTL zegt geschrokken te zijn van de berichten. En hoewel contracten met deelnemers veelal door de producenten worden gesloten, voelt RTL zich wel degelijk verantwoordelijk. RTL zegt niet op een dergelijke manier met mensen te willen omgaan en heeft toegezegd uit te zullen zoeken of deelnemers aan zijn hulpprogramma’s goed worden behandeld. Verder heeft RTL laten weten bereid te zijn en inmiddels doende te zijn om de eigen mediagedragscode hierop te bezien. Naar verwachting kan uw Kamer over de resultaten van beide acties vóór het Kerstreces geïnformeerd worden door de Staatssecretaris van OCW.
Het bericht ‘Politie biedt 84-jarige man excuses aan voor hardhandige arrestatie’ |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie biedt 84-jarige man excuses aan voor hardhandige arrestatie»?1
Ja.
Wat vindt u van het gegeven dat de politie aangeeft dat er in het Arabisch geen contact met de 84-jarige man te leggen was, maar volgens een ooggetuige de 84-jarige man en de agent elkaar prima konden verstaan aangezien de agent ook Arabisch sprak?
De Minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk voor de kwaliteit van de organisatie en het beheer van de politie; de burgemeester is verantwoordelijk voor de aansturing van de politie ten aanzien van de openbare orde in zijn of haar gemeente. Het beantwoorden van specifieke vragen over het genoemde voorval valt onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester als lokaal bevoegd gezag. De burgemeester van Amsterdam heeft mij bericht dat hij de gemeenteraad nader zal informeren over het genoemde voorval.
Van de politie heb ik vernomen dat zij vooral uit zorg heeft willen handelen. De man gedroeg zich volgens de politie gevaarlijk in het verkeer, was niet aanspreekbaar en maakte een verwarde indruk. Omdat de man weg wilde lopen, is er op dat moment voor gekozen om hem geboeid mee te nemen. Hiervoor heeft de politie excuses aangeboden. Dit is onder meer gebeurd in een persoonlijk gesprek met de familie. Naar aanleiding van het voorval is door de eenheidsleiding van Amsterdam uitvoerig gesproken met de betrokken agenten. Overigens zou ik er op willen wijzen dat de man is staande gehouden en niet is aangehouden.
Kunt u uitzoeken waarom de agent niet reageerde op het uitschreeuwen van de pijn door de 84-jarige man, omdat de handboeien te strak zaten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het fietsen aan de verkeerde kant van de weg onvoldoende reden kan zijn om iemand hardhandig te arresteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vind u dat deze arrestatie voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit? Zo ja, waarom wel? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft de politie Amsterdam een aantal maanden geleden in het geval van een 79-jarige man heel anders gereageerd op een wat oudere en verwarde burger?2
De vraag hoe de politie heeft gehandeld in de specifieke situaties waar u aan refereert, valt onder de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag zijnde de burgemeester.
Hierbij zou ik graag willen benadrukken dat de politie er voor iedereen is, ongeacht wie of wat je bent. Daaruit volgt dat ongerechtvaardigd onderscheid ten aanzien van iemands (etnische) achtergrond niet thuishoort bij de politie. Onder andere met het programma «De Kracht van verschil» geeft de politie uitvoering aan het tegengaan van discriminatie.
Deelt u de mening dat ondanks de nodige ophef nog steeds sprake is van etnisch profileren binnen de politie als een dronken blanke oude man naar huis wordt gebracht terwijl de man in casu met de boeien naar het politiebureau wordt afgevoerd?
Zie antwoord vraag 6.
Is etnisch profileren zo ver de politieorganisatie binnen gesijpeld dat zelfs 80-plussers van Marokkaanse afkomst dienen te vrezen voor een onbehoorlijke en onrechtvaardige behandeling door de politie?
Ik distantieer mij van de door u gedane insinuatie.
Deelt u de mening dat het op een bestendige gedragslijn begint te lijken eerst buitenproportioneel te arresteren en achteraf excuses aan te bieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u zich voorstellen wat voor impact deze gang van zaken heeft op het gezinsleven en de psychische gesteldheid van de 84-jarige man? Wat gaat u hiermee doen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat de politie voldoende bekwaam is wat betreft de aangeleerde aanhoudingstechnieken toe te passen om een 84-jarige man te arresteren? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke disciplinaire maatregelen worden er getroffen bij gevallen als deze en specifiek in dit geval?
In het politieonderwijs wordt reeds uitgebreid aandacht besteed aan de meest adequate manier om in verschillende situaties iemand aan te houden.
Bent u bereid om een cursus binnen het politiekorps te organiseren om meer empathie te tonen bij aanhoudingen van oudere personen? Zo ja, kunt u de Kamer daarover informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Het online aanbieden van kansspelen door Holland Casino |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de site «Speel mee met «five card draw»»?1
Ja.
Is er sprake van het aanbieden van een online kansspel op deze site? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Uit artikel 7.10 van de actievoorwaarden die Holland Casino heeft gepubliceerd bij het spel «five card draw» blijkt dat sprake is van een promotioneel kansspel dat valt onder de Gedragscode promotionele kansspelen. Voor het organiseren van promotionele kansspelen kan geen vergunning worden verleend op grond van de Wet op de kansspelen. Indien echter wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in de Gedragscode, is het toegestaan promotionele kansspelen te organiseren.
De Kansspelautoriteit (ksa) heeft kennisgenomen van deze promotionele actie van Holland Casino en heeft mij laten weten geen aanleiding te zien tot nader onderzoek.
Is het bij het beoordelen van de vorige vraag van belang of er sprake is van een betaling door de speler aan de kansspelaanbieder? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor de deelname aan een promotioneel kansspel mogen alleen de daadwerkelijke communicatiekosten in rekening worden gebracht, inleg is derhalve niet toegestaan. Er is bij «Speel mee met «five card draw»» geen sprake van een inleg.
Deelt u de mening dat juist het aanbieden van prijzen bij een kansspel zonder dat voor dat kansspel hoeft te worden betaald er toe kan leiden dat spelers aangetrokken worden om ook betaalde kansspelen te gaan doen? Zo ja, waarom en wat is uw mening daarover? Zo nee, waarom niet?
Een promotioneel kansspel mag worden aangeboden ter promotie van een product of dienst. Ook een kansspel waarvoor een vergunning is verleend of de organisator daarvan, kan met een promotioneel kansspel worden gepromoot. De aanbieder verplicht zich ertoe een promotioneel kansspel met inachtneming van de bepalingen van de Gedragscode promotionele kansspelen te organiseren. Uiteraard is de kansspelaanbieder bij het inzetten van promotionele kansspelen ter promotie van zijn aanbod ook gehouden aan de bepalingen uit het consumentenrecht, zoals het verbod op misleidende, agressieve of anderszins oneerlijke reclame en Besluit en Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Zo dient de vergunninghouder deze wervings- en reclameactiviteit op een zorgvuldige en evenwichtige wijze vorm te geven waarbij in het bijzonder wordt gewaakt tegen onmatige deelneming.
Is het aanbieden van online kansspelen in Nederland al toegestaan? Zo ja, waarom is dan de Wet kansspelen op afstand nog nodig? Zo nee, waarom niet?
De Wet op kansspelen biedt op dit moment geen mogelijkheid voor het verlenen van een vergunning voor het organiseren van kansspelen op afstand. Hiervoor is inderdaad de wet Kansspelen op afstand nodig.
Voldoen de site en de reclame-uitingen die naar deze site linken aan de vereisten ten aanzien van reclame zoals die zijn opgenomen in de Wet op de kansspelen en de daar onder liggende regelgeving? Zo ja, waaruit blijkt dat dan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Doet de Kansspelautoriteit onderzoek naar de genoemde site of heeft die dit al gedaan? Zo ja, wat is de uitkomst van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘GGD bezorgd over ruim helft kinderdagverblijven’ |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «GGD bezorgd over ruim helft kinderdagverblijven» in de Volkskrant van 22 november jl?1
Ja.
Hoe kijkt u naar het bericht en het bijbehorende onderzoek waaruit onder andere blijkt dat de GGD bij ruim twee op de drie kinderopvanglocaties in buurten met een laag inkomen «lichte» tot «serieuze» zorgen heeft? In hoeverre onderschrijft u de conclusies van het onderzoek?
Ik onderschrijf de conclusies van de Volkskrant niet. De Volkskrant gebruikt de risicoprofielen precies op de manier waarop ze niet gebruikt kunnen worden. Het artikel legt een verband tussen kwaliteit en risicoprofielen dat op basis van de gebruikte data niet gelegd kan worden, en wekt onterecht de indruk dat er reden is tot zorg. De ombudsvrouw van de volkskrant komt zelf in haar artikel van zaterdag 26 november ook tot de conclusie dat het met het artikel van 22 november «flink misging» en dat de indruk die wordt gewekt «zwaar overdreven» is.
Een risicoprofiel is geen kwaliteitskeurmerk. Het risicoprofiel zegt niets over de actuele kwaliteit van de kinderopvang, het is een instrument voor de toezichthouders om te kijken waar zij denken dat de prioriteit van het toezicht moet liggen. Er zijn andere instrumenten om iets over de actuele kwaliteit te zeggen, zoals het openbare inspectierapport.
Het risicoprofiel is dus geen constatering van de actuele kwaliteit ter plekke en daarmee niet een weergave van de daadwerkelijke kwaliteit. Openbaarmaking van de risicoprofielen kan er daardoor toe leiden dat ouders onterecht op het verkeerde been worden gezet (als er ondanks een groen profiel toch sprake blijkt van overtredingen) of tot onevenredige benadeling van kinderopvangorganisaties (als voorafgaand aan een inspectie ingeschat wordt dat er risico’s zijn, maar er bij inspectie geen overtredingen worden geconstateerd).
Kunt u toelichten in hoeverre en op welke wijze de risico-oordelen die de GGD intern gebruikt overeenkomen met de daadwerkelijke veiligheid en kwaliteit van de kinderopvangorganisaties? Bent u van mening dat er op dit moment genoeg toezichtinstrumenten zijn voor de GGD? Deelt u de mening dat bijvoorbeeld onaangekondigde controles de norm moeten worden in plaats van de aangekondigde controles? In hoeverre bent u van mening dat gemeenten voldoende handhavingsinstrumenten hebben en deze instrumenten ook daadwerkelijk inzetten om toe te zien op de kwaliteit en de veiligheid in de kinderopvang?
Zie voor het antwoord op de eerste (deel)vraag mijn antwoord op vraag 2. De risico-profielen zijn uitdrukkelijk geen oordeel.
Ik ben het met u eens dat onaangekondigde controles de norm moeten zijn in plaats van aangekondigde controles. Het landelijk rapport kinderopvang 2015 van de Inspectie van het Onderwijs2 laat zien dat dit ook de praktijk is. Uit dit rapport blijkt dat kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang in 2015 in nagenoeg alle gevallen (99%) onaangekondigd zijn bezocht.
Ik ben van mening dat GGD’en en gemeenten voldoende toezicht-, respectievelijk handhavinginstrumenten hebben om toe te zien op de veiligheid en kwaliteit en – indien nodig – in te grijpen. Met de ontwikkeling van een landelijke werkwijze «streng aan de poort» geven GGD GHOR Nederland en de VNG hieraan, binnen het bestaande toezicht- en handhavingkader, een verdere impuls. Deze werkwijze houdt in dat bij nieuwe kinderopvangopvanginstellingen vóór toelating al strenger wordt gekeken of zij (redelijkerwijs) aan de kwaliteitseisen zullen gaan voldoen. Zoals ik u in mijn reactie op de evaluatie van de aanbeveling van de commissie Gunning3 heb gemeld, ben ik verder voornemens ben om strengere eisen te stellen aan nieuwe en bestaande kinderopvang instellingen. In deze reactie doe ik ook een oproep aan gemeenten om nog eens kritisch te kijken naar de inzet van de bestaande handhavinginstrumenten en de mogelijkheden die het huidige kader biedt om sneller en strenger in te grijpen als dat nodig is.
Hoe ver bent u met de aan de Kamer toegezegde ontwikkeling van een openbaar kwaliteitsoordeel voor ouders waarin zij kunnen vinden hoe de kinderopvangorganisaties scoren op kwaliteit en veiligheid? Hoe gaat dit openbaar kwaliteitsoordeel eruit zien?
Ik heb GGD GHOR Nederland gevraagd om een kwaliteitsoordeel te ontwikkelen en hier in pilots ervaringen mee op te doen. Ik heb GGD GHOR Nederland ook gevraagd om hier het kinderopvangveld bij te betrekken (waaronder vanzelfsprekend ook belangenbehartigers van ouders) en om de pilots in 2017 te starten.
Over hoe het kwaliteitsoordeel eruit komt te zien, kan ik nu geen uitspraken doen. Dat is aan GGD GHOR Nederland en de betrokken partijen samen. Wel heb ik GGD GHOR Nederland een aantal uitgangspunten meegegeven bij het ontwikkelen van een kwaliteitsoordeel, waaronder de reikwijdte en openbaarheid van het kwaliteitsoordeel en de betrokkenheid van relevante partijen. Een belangrijk doel van het kwaliteitsoordeel is om ouders te voorzien van betrouwbare, toegankelijke informatie over de (pedagogische) kwaliteit van een opvanglocatie. Daarnaast verwacht ik dat een dergelijk, openbaar oordeel kinderopvanginstellingen stimuleert om de kwaliteit (verder) te verhogen. Over de opzet van de pilots wordt in de komende periode overlegd tussen GGD GHOR Nederland, de VNG, Inspectie van het Onderwijs en vertegenwoordigers van mijn ministerie.
Deelt u de opvatting dat er geen twijfel mag zijn over de kwaliteitsoordelen van een kinderdagverblijf omdat alle ouders hun kinderen altijd met een gerust hart naar de opvang moeten kunnen brengen? Deelt u daarnaast de mening dat het voor alle kinderen en zeker ook voor kinderen in gezinnen met een laag inkomen het heel erg belangrijk is dat zij naar kwalitatief goede kinderopvang gaan om hiermee ook eerlijke kansen voor ieder kind te bevorderen? Bent u bereid om naar aanleiding van de berichtgeving van de Volkskrant aanvullend onderzoek te laten doen naar de correlatie tussen het buurtinkomen en de kwaliteit van de kinderopvangorganisaties in dezelfde buurt?
Ik deel uw opvatting dat er geen twijfel mag zijn over de kwaliteitsoordelen van een kinderdagverblijf en dat alle kinderen die naar de opvang gaan, in het bijzonder kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, er van uit moeten kunnen gaan dat deze opvang kwalitatief goed is om eerlijke kansen voor ieder kind te bevorderen.
Hoewel ik, zoals ik al aangaf, de conclusie van de Volkskrant niet onderschrijf, vind ik het wel zorgelijk als blijkt dat de daadwerkelijke kwaliteit van de kinderopvang in buurten met lage inkomens lager zou zijn dan in buurten met hoge inkomens. Een eerste, voorlopige analyse door de Inspectie van het Onderwijs wijst vooralsnog niet in deze richting. Om hier beter zicht op te krijgen zal ik de Inspectie van het Onderwijs vragen om dit – samen met GGD GHOR Nederland – verder uit te zoeken. Mochten de uitkomsten hiervan wel wijzen op een relatie tussen inkomen en kwaliteit kinderopvang dan bekijk ik welke actie(s) nodig zijn en wie hiervoor aan zet is.
In hoeverre deelt u de opvatting dat uitvoering van het SER-advies, waarbij er gepleit wordt voor een basisaanbod van 16 uur opvang per week voor elk kind en extra aandacht voor kinderen met een achterstand, kan helpen om tweedeling te voorkomen? Bent u bereid om bij het wetsvoorstel Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang ervoor te zorgen dat er pilots gedraaid kunnen worden in verschillende gemeentes (en in verschillende buurt) om alle kinderen naar de opvang te krijgen door het bieden van een basisaanbod van minstens 16 uur per week?
In mijn brief van 24 juni jl. heb ik uw Kamer laten weten hoe ik tegen het SER-advies aankijk (Kamerstuk 31 322, nr. 308). Ik heb daarbij aangegeven dat het kabinet inzet op gelijke kwaliteitseisen voor voorzieningen voor kinderen van werkende en niet-werkende ouders, waarbij het bereik van kinderen wordt vergroot en waarbij eventuele verdere stappen aan een volgend kabinet zijn.
Het kabinet loopt niet vooruit op verdere stappen om twee redenen. Ten eerste vergt een stap naar een verder geïntegreerd voorschools aanbod en het uitbreiden van het aantal uren aanbod per week (voor alle kinderen of doelgroepkinderen) een forse ingreep in het voorschoolse stelsel. Dat gaat gepaard met hoge kosten. Ten tweede zijn de onderzoeken naar de baten voor de ontwikkeling van alle kinderen minder duidelijk en moeilijk te kwantificeren. Op basis hiervan kan niet met zekerheid worden geconcludeerd dat alle kinderen gebaat zijn bij een universele voorziening.
Een eventuele verdere stap vraagt om een zorgvuldige besluitvorming en invoering. Dat kan niet in deze kabinetsperiode gerealiseerd worden. Het kabinet vindt het niet op zijn plaats om voor te sorteren op het beleid van een volgend kabinet.
In het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang ben ik met partijen uit het kinderopvangveld overeengekomen om van start te gaan met pilots innovatieve opvang. Dit zijn pilots waarin wordt nagegaan welke mogelijkheden er zijn om door maatwerk innovatie en pedagogische kwaliteit te versterken. Middels door experts gemonitorde pilots innovatieve opvang zal ervaring worden opgedaan met specifieke pedagogische concepten waarbij de wettelijke kwaliteitseisen op het gebied van stabiliteitseisen en de eisen voor een BKR op groepsniveau en/of de eisen aan speelruimte als belemmering worden ervaren. Een basisaanbod maakt geen deel uit van deze pilots.
Het bericht “Soa-sjoemelaars liegen voor gratis test” |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Soa-sjoemelaars liegen voor gratis test»?1, en «Aantal mensen met soa's toegenomen in 2016»?2 3
Ja, het bericht is mij bekend. Jongeren tot 25 jaar vallen onder de risicogroepen die staan gedefinieerd in de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheid (ASG). Zij kunnen zich melden bij de centra seksuele gezondheid (CSG) en in aanmerking komen voor een gratis soa-test. De professionals maken een afweging op zowel risicogroep als risicogedrag of een soa- test of breder seksueel gezondheidsconsult opportuun is. De regeling is bedoeld als vangnet voor degene die niet makkelijk bij de huisarts terecht kunnen of op basis van epidemiologische gegevens een verhoogd risico lopen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als jonge mensen moeten liegen over hun klachten om een soa-test te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het signaal dat twaalf van de achttien GGD’s in het nieuwsbericht vermoeden dat mensen liegen om een gratis soa-test te krijgen?
Ik neem dat signaal serieus. Het is een verschijnsel van alle tijden dat personen onterecht gebruik proberen te maken van gratis voorzieningen. Het is aan de professionals om zo goed mogelijk triage uit te voeren om zoveel mogelijk misbruik te voorkomen. Soms komt daar toch een individu doorheen, door bijvoorbeeld een situatie anders te schetsen dan in werkelijkheid is. Natuurlijk is dat niet de bedoeling. Uit cijfers van het RIVM blijkt wel dat de mensen die uiteindelijk na de triage bij de CSG’s worden getest daar wel een goede reden voor hebben gezien de stijgende vindpercentages. Sinds het financiële plafond op de regeling is het vindpercentage van soa’s onder de mensen die zich laten testen bij de CSG’s toegenomen (zie thermometer seksuele gezondheid 2016 RIVM).
Deelt u de opvatting dat preventie van soa’s op de korte en lange termijn wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik en samen met veldpartijen doe ik ook van alles aan de preventie van soa’s. Zoals gezegd is de ASG-regeling aanvullend aan de reguliere zorg en één van de pijlers binnen de soa-preventie. Naast de ASG-regeling voor GGD’en subsidieer ik landelijke instituten zoals SOA Aids Nederland, Rutgers en FIOM voor voorlichting en om bewustzijn over seksuele gezondheid te vergroten. Daarnaast zijn er allerlei preventieve activiteiten op het gebied van soa’s en seksuele gezondheid zoals bijvoorbeeld aandacht op lagere en middelbare scholen, www.sense.info, gerichte activiteiten voor hoogrisicogroepen, zoals hepatitis B vaccinatie voor mannen die seks hebben met mannen en sekswerkers.
Deelt u voorts de mening dat een eigen bijdrage van 150 euro voor jongeren met geen of weinig inkomen te hoog is? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven maakt de ASG-regeling het mogelijk voor jongeren tot 25 jaar om gratis seksuele gezondheidszorg bij CSG te ontvangen. Hieronder valt als het nodig is een soa-test.
Daarnaast vergoedt een aantal zorgverzekeraars soa-zorg in hun aanvullende verzekering. Ondanks de mogelijke eigen bijdrage is het nog steeds zo dat tweederde van de personen zich op een soa laten testen via de huisarts (zie RIVM jaarrapport).
Kunt u toelichten of de stijging van het aantal soa’s in 2016 vooral bij jongeren (onder 25 jaar) het geval is? Ziet u een verband met het afschaffen van de openeinde financiering van de regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg? Deelt u de mening dat er door dit financiering plafond onwenselijke belemmeringen voor het af laten nemen van soa-testen zijn?
De stijging van het aantal soa’s onder personen die zich bij CSG’s laten testen is in alle leeftijdsgroepen te zien. In de eerste helft van 2016 was het soa-vindpercentage bij jongeren (onder 25 jaar) 19,4% en bij niet-jongeren (25 jaar of ouder) 17,1%. In de eerste helft van 2015 was het soa-vindpercentage bij jongeren 17,2% en bij niet-jongeren 16,2%.
Bij het laten vervallen van de openeinde financiering heeft geen bezuiniging plaatsgevonden. Door invoering van het plafond zijn de GGD’en gedwongen de seksuele gezondheidszorg efficiënter en effectiever uit te voeren, bijvoorbeeld door scherpere triage en scherpere afspraken met laboratoria over de prijs van de testen. Daarmee kunnen meer consulten worden uitgevoerd binnen hetzelfde budget. De hogere vindpercentages kunnen ook toe te schrijven zijn aan de scherpere triage, waardoor juist de hoogrisicogroepen bereikt worden. Het RIVM monitort de ontwikkelingen nauwlettend. Daarnaast gaf ik in antwoord op vraag 5 al aan dat zowel voor als na het plafond nog steeds de meeste testen uitgevoerd worden in de reguliere zorg bij de huisarts.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat belemmeringen voor kwetsbare jongeren met geen of weinig inkomen om een soa-test te nemen worden weggenomen, zodat het aantal soa’s daalt in plaats van stijgt? Gaat u naar aanleiding van de stijging nog andere maatregelen nemen?
Zie antwoord 5 en 6.
Het bericht ‘Huidige donorsysteem werkt niet’ |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Huidige donorsysteem werkt niet»?1
Ja
Komt het voor dat door nabestaanden van orgaandonatie wordt afgezien omdat er niet tijdig een zelfstandig uitneemteam beschikbaar is, hetgeen betekent dat lang moet worden gewacht voordat overgegaan kan worden tot uitnamen van organen en een patiënt langer dan gebruikelijk bij orgaandonatie in leven moet worden gehouden? Zo ja, hoe vaak komt dit voor? Zo nee, waar blijkt dit uit?
De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) regelt in opdracht van VWS het toewijzen en vervoeren van organen en weefsels aan patiënten. NTS is dus al jaren nauw betrokken bij het orgaandonatieproces. De beschreven casus in het bovengenoemde bericht is de enige casus die bij NTS bekend is waarbij nadrukkelijk toestemming voor donatie werd ingetrokken omdat er op het gewenste moment geen Zelfstandig Uitname Team (ZUT) beschikbaar was. Tussen 1 januari 2014 en 30 juni 2016 zijn van de in totaal 737 opgestarte uitnameprocedures 110 procedures uiteindelijk niet doorgegaan, om uiteenlopende redenen, zowel medisch als procedureel, maar niet omdat er geen ZUT beschikbaar was.
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is voor de patiënt en nabestaanden dat wegens het niet beschikbaar zijn van een zelfstandig uitneemteam patiënten langer dan gebruikelijk in leven moeten worden gehouden? Zo ja, wat doet u hieraan? Zo nee, waarom niet?
De situatie zoals geschetst in de lezersbrief is een heel moeilijke situatie voor alle betrokkenen, allereerst natuurlijk voor de nabestaanden. In antwoord op uw vraag wil ik opmerken dat een orgaandonatieprocedure een complex proces is. Bij het plannen van het moment waarop de orgaanuitname plaatsvindt, moet met veel partijen, personen en cruciale stappen in het proces rekening gehouden worden. Wezenlijke stappen zijn onder meer de analyse van de geschiktheid van de te doneren organen en vervolgens het toewijzen van deze organen aan een patiënt op de wachtlijst. Er is altijd een kans dat er meer orgaandonatieprocedures opgestart worden dan er ZUT’s beschikbaar zijn. In dit geval wordt er in samenspraak met de nabestaanden, het donorziekenhuis en met het ZUT gekeken of procedures na elkaar gepland kunnen worden. Het kan dan voorkomen dat een uitname-operatie wordt uitgesteld.
Dit neemt niet weg dat ik het belangrijk vind dat er alles aan wordt gedaan om dit uiterst complexe donatieproces goed te laten verlopen. Daarom ben ik zeer tevreden dat de betrokken partijen hun afspraken bekrachtigd hebben en vanaf 1 november 2016 binnen de huidige indeling in uitnameregio’s ZUT-sharing plaatsvindt. Deze afspraken zijn gemaakt vooruitlopend op een nieuwe indeling in drie regio's en drie dienstdoende ZUT’s, waarover ik u in mijn brief van 4 november jl.2 heb geïnformeerd. ZUT-sharing houdt in dat ZUT's procedures voor elkaar overnemen wanneer er logistieke problemen ontstaan als gevolg van de beschikbaarheid van het ZUT in een uitnameregio. Als voorbeeld noem ik hier een situatie waarbij kort na elkaar drie orgaandonatieprocedures werden opgestart. Alle drie procedures konden succesvol worden uitgevoerd, doordat het Rotterdamse ZUT naar Nijmegen is afgereisd om één van de procedures op zich te nemen. Het ZUT in Groningen kon de andere twee procedures voor zijn rekening nemen.
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is dat wegens het niet tijdig beschikbaar zijn van zelfstandige uitneemteams een donatie gestaakt wordt en daardoor wellicht één of meerdere patiënten zieker worden of overlijden? Zo ja, wat doet u daartegen? Zo nee, waarom niet?
Ondanks het feit dat de afgelopen jaren een dergelijke situatie maar één keer eerder is voorgekomen, ben ik het met u eens dat elke keer er één te veel is. Gezien het grote tekort aan geschikte organen voor transplantatie, dient alle inzet gericht te zijn op het verkrijgen van zoveel mogelijk organen van postmortale donoren. Ook dient recht gedaan te worden aan de wil van de donor en/of diens nabestaanden om organen te doneren ten behoeve van transplantatie.
Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Welke tijdsnorm wordt gehanteerd voor onder andere het vinden van een match en het voorbereiden van de patiënt, de ontvanger en het transplantatieteam, voordat kan worden overgegaan tot de uitname van donororganen? Wat is het gemiddelde tijdspad in de praktijk? Is bekend welke tijd voor nabestaanden als gewenst en dragelijk wordt ervaren?
Een transplantatiecoördinator houdt een periode van drie tot vier uur aan voor het verrichten van alle noodzakelijke onderzoeken om de situatie van de donor en de geschiktheid van organen in kaart te brengen. Hierna wordt een tijd van zes uur aangehouden voor het vinden van een geschikte ontvanger. Deze totale tijd van negen tot tien uur is minimaal nodig voor het inplannen van de uitname-operatie.
Divers onderzoek heeft ertoe geleid dat het veld in gesprek is over het beste moment voor het plannen van de uitnameprocedure. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat nachtelijke operaties minder goede resultaten geven wat betreft de kwaliteit van de operatie, het risico op complicaties tijdens de uitnameoperatie en de gevolgen voor het functioneren van de nier, dan operaties die overdag worden uitgevoerd. Dit pleit ervoor om uitname-operaties vaker overdag in te plannen, indien dit logistiek haalbaar is.
Het veld onderzoekt daarom of er mogelijkheden zijn om een uitname-operatie zodanig te plannen dat dit leidt tot betere resultaten. Als gevolg hiervan kunnen procedures mogelijk langer duren. Een procedure is hierdoor echter ook beter planbaar. Voorspelbaarheid in een proces kan leiden tot heldere verwachtingen bij het begin van een donatieprocedure waardoor nabestaanden met meer tevredenheid terugkijken op een optimaal verlopen procedure.
Er zijn geen Nederlandse onderzoeksresultaten bekend naar een gewenst of draaglijk tijdspad voor nabestaanden. In de Verenigde Staten is uit onderzoek gebleken dat de donatiebereidheid niet afnam bij een langere tijdsduur tussen vaststellen van de hersendood en de start van de uitnameprocedure. 3 De gemiddelde tijd van de procedures meegenomen in dit onderzoek was anderhalve dag. Dit is al veel langer dan de periode van negen á tien uur die in de Nederlandse situatie gebruikelijk is.
Is er voldoende capaciteit voor het uitnemen van donororganen en hoeveel zelfstandige uitneemteams zijn er? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waar blijkt dit uit en wat gaat u hieraan doen?
In de huidige situatie zijn er vijf ZUT’s werkzaam, verdeeld in twee regio’s. Zoals ik in vraag 3 reeds aangaf werk ik toe naar een indeling in drie regio’s en één ZUT per regio. Uit de evaluatie van NTS en de betrokken UMC’s is dit als de meest optimale indeling naar voren gekomen, waarbij voldoende capaciteit beschikbaar is per regio en Nederland breed.
Toezicht arbitrage en andere mogelijke schadelijke gevolgen voor pensioenfondsen en gepensioneerden van de IORP-II richtlijn |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat Kamer meer dan eens gevraagd heeft om een lijst van artikelen in de Pensioenwet, die door de IORP-II richtlijn dwingend gewijzigd moeten worden?
Ja.
Herinnert u zich dat u bij al die gelegenheden een algemeen antwoord gegeven heeft en nimmer een lijst gegeven heeft van artikelen in de pensioenwetgeving die dwingend veranderd zullen moeten door IORP-II?1
Het kabinet is nu bezig om dit uit te werken in een implementatieplan waar een artikelsgewijs overzicht onderdeel van uit maakt. Op die punten waarop er gevolgen zijn voor Nederland en er tegelijkertijd ruimte is voor lidstaten in de implementatie, wordt door het kabinet nauwgezet bezien hoe de vereisten van de richtlijn zo geïmplementeerd kunnen worden dat zij het beste aansluiten bij de Nederlandse praktijk. Dit speelt bijvoorbeeld een rol bij de informatievereisten en de gevolgen voor het UPO waarover het kabinet in nauw contact staat met de pensioensector en toezichthouders. Zoals gebruikelijk bij richtlijnen wordt het implementatieplan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van de herziene richtlijn, naar uw Kamer verstuurd. De verwachte inwerkingtreding is begin 2017 waarmee u het implementatieplan dus in het voorjaar van 2017 kan verwachten.
Het kabinet heeft tijdens de onderhandelingen continu gekeken naar de mogelijke implicaties van de artikelen in de voorziene herziening van de IORP-richtlijn en de Tweede Kamer hierover ook bij elke volgende stap in de onderhandeling geïnformeerd (zie voor een overzicht beantwoording VSO, Kamerstuk 33 931, nr. 18).
Uw Kamer is dus uitgebreid geïnformeerd over de gevolgen van de herziening van de IORP-richtlijn voor de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving.
Indien u van mening bent dat u wel een antwoord gegeven hebt, kunt u dan hier volstaan met een precieze verwijzing en de nummer van de artikelen in de pensioenwet die gewijzigd moeten worden?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u, vijf maanden nadat u met het IORP-II compromis akkoord ben gegaan nog steeds geen adequaat inzicht gegeven in welke gevolgen deze Europese richtlijn heeft voor de Nederlandse pensioenwetgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u er kennis van genomen dat ook de pensioenfederatie en het verbond van verzekeraars niet precies weten welke gevolgen de nieuwe richtlijn heeft, bijvoorbeeld op het punt van het uniform pensioenoverzicht?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u met spoed artikelsgewijs aangeven welke artikelen van de pensioenwet gewijzigd zullen moeten worden door IOPR-II en wat voor een wijziging elk van de artikel zal moeten ondergaan?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de uitspraken van de Minister van Financiën in mei: «Het verhuizen van pensioenfondsen naar België om de Nederlandse regelgeving en toezicht te ontwijken is onverantwoord. Als dat de reden is, lijkt me dat buitengewoon kwetsbaar voor de mensen die hun pensioen via dat fonds hebben geregeld.» (Financieel Dagblad, 6 mei 2016)
Ja.
Deelt u de mening van Minister Dijsselbloem dat het verhuizen van pensioenfondsen naar België om de Nederlandse regelgeving en toezicht te ontwijken onverantwoord is?
Ja. Het is volgens het kabinet onwenselijk als Nederlandse pensioenregelingen, louter om het toezicht te ontwijken, op grote schaal buiten Nederland zouden worden uitgevoerd. Op basis van de huidige IORP-richtlijn uit 2003 is het reeds mogelijk dat een Nederlandse regeling door een pensioeninstelling uit een andere lidstaat wordt uitgevoerd. Er kunnen immers goede redenen zijn voor een bedrijf – bijvoorbeeld door verhuizing van activiteiten – om zijn pensioenvoorziening mee te laten verhuizen. Met de herziening van de IORP-richtlijn blijft dit mogelijk maar komen er wel strengere regels voor grensoverschrijdende activiteiten van pensioeninstellingen door middel van additionele instemmingvereisten van toezichthouders en deelnemers. Voor het kabinet staat namelijk één belang voorop en dat is het belang van de deelnemer. Dit is ook in lijn met de eerdere uitspraken van de Minister van Financiën.
De belangrijkste garantie voor de deelnemers bij overdracht is gelegen in het feit dat zij zelf beslissen over de overgang. In het systeem van de nieuwe IORP-richtlijn zitten als het ware twee dubbele sloten. Bij de toezichthouders is er sprake van een dubbel slot omdat de toezichthouders van beide lidstaten moeten instemmen. Bij de deelnemers is er sprake van een dubbel slot omdat er toestemming nodig is van de werkgever waarbij de OR moet instemmen en een meerderheid van de vertegenwoordigers van (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. Daarnaast hebben individuele deelnemers een bezwaarrecht. Het is in deze systematiek dus niet mogelijk dat een overgang geregeld wordt, zonder dat de direct betrokkenen daarmee instemmen.
Het zou onwenselijk zijn als Nederlandse pensioenregelingen op grote schaal buiten Nederland uitgevoerd zouden worden. Dat zou met name het geval zijn indien pensioeninstellingen hiervoor zouden kiezen vanwege toezichtsarbitrage of een hogere rekenrente, zodat bijvoorbeeld alsnog tot indexatie zou kunnen worden overgegaan. Zoals hierboven al is aangegeven is voor overdracht allereerst een meerderheidsbesluit van deelnemers, gepensioneerden en gewezen deelnemers nodig. Het kabinet acht het hoogst onwaarschijnlijk dat deze hiermee in meerderheid akkoord zouden gaan. Immers het werken met een hogere rekenrente verhoogt ook het risico dat in de toekomst lagere pensioenuitkeringen verstrekt worden. Dat is niet in belang van actieve deelnemers in het fonds.
Klopt het dat de Belgische toezichthouder een rekenrente hanteert van 4% voor de pensioenen van gepensioneerden? (Pensioenen van farmaceut AbbVie naar Belgie, Financieel Dagblad 24 februari 2016) Indien de rekenrente niet precies 4% in alle gevallen is, hoe hoog is dan de rekenrente die de Belgische toezichthouder toestaat voor deze groep?
In het Belgische recht is geen sprake van één rekenrente die geldt voor alle pensioenfondsen. Daarbij geldt dat de Belgische toezichthouder niet kan ingaan op individuele gevallen. In algemene zin verschillen de prudentiële kaders van Nederland en België. De verschillende kaders moeten daarom in den brede worden bezien en kunnen niet slechts op één element los vergeleken worden. In België wordt gewerkt met een kortetermijnvoorziening en een langetermijnvoorziening in het prudentiële kader. Voor de langetermijnvoorziening geldt in België dat een sponsorgarantie mee kan tellen in het bepalen van de hoogte van de buffer. Daarnaast dient in België ook rekening te worden gehouden met de kortetermijnvoorziening die van belang is voor individuele waardeoverdracht. Voor Nederlandse regelingen die in België worden uitgevoerd geldt dat de rekenrente moet worden toegepast volgens het Nederlands wettelijk recht, namelijk de risicovrije rente zoals door DNB gepubliceerd. Een tekort op de kortetermijnvoorziening moet onmiddellijk worden aangevuld. Ten algemene geldt dat de Belgische toezichthouder bij de uitvoering van Nederlandse regelingen kijkt naar een gelijkwaardige bescherming van de deelnemer als wanneer de regeling in Nederland zou worden uitgevoerd.
Klopt het dat DNB de marktrente als rekenrente hanteert en dat dat voor de pensioenen van gepensioneerden leidt tot een rekenrente die gewogen onder de 1% legt?
In Nederland is wettelijk bepaald dat de rekenrente wordt gebaseerd op marktwaardering. Hierbij moet op grond van de wet gewerkt worden met de door DNB gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur. Op basis van de huidige rentetermijnstructuur3 lag de rente voor looptijden van minder dan 15 jaar op 30 november jl. onder de 1%.
Heeft u er kennis van genomen, dat bij dit specifieke pensioenfonds de dekkingsgraad onder de Belgische rekenregels meer dan 10% hoger is en duidelijk is dat er mede op basis van toezichtsarbitrage gkoezen is voor een verhuizing naar Belgie? (Pensioenen van farmaceut AbbVie naar Belgie, Financieel Dagblad 24 februari 2016)
Ja, ik heb kennis genomen van het betreffende artikel. Daarin wordt niet gesproken over toezichtsarbitrage. Wat betreft de hoogte van de dekkingsgraad geldt, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, dat de prudentiële kaders van Nederland en België verschillen en niet op één los element vergeleken kunnen worden. De Belgische toezichthouder kijkt bij de uitvoering van Nederlandse regelingen naar een gelijkwaardige bescherming van de deelnemer als wanneer de regeling in Nederland zou worden uitgevoerd.
Klopt het dat het dus alleen al om de rekenrente aantrekkelijk is om een relatief grijs fonds te verplaatsen naar België, omdat de dekkingsgraad onder de regels van de Belgische toezichthouder hoger ligt dan onder de regels van de Nederlandse toezichthouder, DNB?
Om in beeld te brengen wat de redenen zijn voor belanghebbenden om een pensioenregeling in een andere lidstaat uit te brengen heb ik hier onderzoek naar laten uitvoeren door onderzoeksbureau SEO. De resultaten van dit onderzoek, die u gelijktijdig met de verzending van de antwoorden op deze Kamervragen ontvangt, laten zien dat de omvang hiervan zeer beperkt is en het hier gaat om een zeer specifieke groep multinationals voor wie het onderbrengen van verschillende pensioenregelingen in één land schaalvoordelen kan opleveren. In totaal gaat het om 10.400 deelnemers en minder dan 0,1% van het totale belegde vermogen.
Uit het onderzoek kan niet geconcludeerd worden dat het puur op basis van de rekenrente aantrekkelijk is om een Nederlandse regeling bij een Belgisch pensioenfonds onder te brengen. Wel ervaren sommige werkgevers het Belgische kader op het gebied van de governance als het gaat om de keuze voor de invulling van bepaalde bestuursmodellen en op het gebied van kunnen betrekken van een sponsorgarantie in het prudentiële kader als meer flexibel. Bij de vormgeving hiervan zijn in Nederland bewuste keuzes gemaakt. Voor het kabinet blijft voorop staan dat de deelnemer te allen tijde centraal dient te staan en voldoende beschermd dient te zijn bij de uitvoering van een Nederlandse regeling in een andere lidstaat. De herziening van de IORP-richtlijn moet worden gezien als het verder verstevigen van de bescherming van de deelnemer. Het pas ingevoerde instemmingsrecht van de Ondernemingsraad past eveneens bij deze versteviging.
Mag DNB onder IORP-II een verhuizing van een pensioenfonds naar een ander EU land tegenhouden, enkel op de grond dat er sprake is van toezichtsarbitrage?
Zie het antwoord op vraag 8.
Herinnert u zich dat u de vragen uit de brief van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Kamer d.d. 4 oktober 2016 allemaal opnieuw geformuleerd heeft voordat u ze beantwoord heeft (zaaknummer 2016D37195) (Kamerstuknummer ...) en dat u bij een aantal daarvan de essentie wegliet, nadat u eerder al vergeten was deze vragen te beantwoorden in uw brief van 14 juli 2016, Kamerstuk 33 931, nr. 17?
Ik ben van mening dat ik bij de genoemde beantwoording van Kamervragen volledig ben geweest en in ben gegaan op de essentie.
Kunt u de volgende vragen nu heel precies beantwoorden?
Ja.
Deze inbreng gaat over de IORP richtlijn, die expliciet over de pensioenstelsels gaat. Heeft de Nederlandse regering ook een analyse gemaakt van de mogelijke uitleggen van de artikelen en de risico’s die daarmee gepaard gaan? Zo ja, kan zij die dan delen en zo nee, is zij alsnog bereid die te (laten) maken? (vraag 1 uit eerdergenoemde commissiebrief)
Zie het antwoord op de vragen 2 t/m 6. Het kabinet heeft tijdens de onderhandelingen continu gekeken naar de mogelijke implicaties van de artikelen in de voorziene herziening van de IORP-richtlijn en de Tweede Kamer hierover ook bij elke volgende stap in de onderhandeling geïnformeerd. Zo is bij het uitbrengen van het voorstel tot herziening aangegeven dat er mogelijk consequenties waren op het gebied van gedelegeerde bevoegdheden, gedetailleerde eisen voor governance en communicatie en grensoverschrijdende activiteiten van een pensioenfonds. In de stappen daarna is, tijdens de onderhandelingen in de Raad en tijdens de triloogfase, de Kamer hierover nader geïnformeerd (zie voor een overzicht beantwoording VSO, Kamerstuk 33931, nr. 18). Uw Kamer is dus uitgebreid geïnformeerd over de gevolgen van de herziening van de IORP-richtlijn voor de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving.
Vindt de regering het wenselijk dat pensioenfondsen naar het buitenland verhuizen enkel en alleen vanwege een minder streng toezicht? Zo nee waarom staat zij dat dan toe? Zo ja, waarom vindt zij de rekenrente in Nederland dan nog steeds adequaat? (vraag 2 uit commissiebrief)
Zie het antwoord op vraag 8.
Welke rekenrente acht de regering maximaal verantwoord? Graag een zeer precies antwoord op deze vraag (vraag 5 uit de commissiebrief)
Met de rekenrente wordt berekend hoeveel vermogen pensioenfondsen nu moeten aanhouden om in de toekomst voldoende te kunnen uitkeren. De rekenrente is dus een middel om te bepalen hoeveel iets wat in de toekomst moet worden uitgekeerd, nu waard is. De rekenrente die wordt gehanteerd hangt af van de aard van de verplichtingen. Bij de uitkeringsovereenkomst moeten de verplichtingen worden gewaardeerd aan de hand van de risicovrije rente. De reden hiervoor is het karakter van deze pensioenregelingen, op grond waarvan werknemers nominale aanspraken opbouwen met een hoge mate van zekerheid.
Herinnert u zich de vertrouwelijke brief die de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid u op 15 juni 2016 stuurde waarin zij u vroeg ervoor te zorgen dat «toezichtsarbitrage nooit een reden voor verhuizing mag zijn»? (Kamerstuk 33 931, nr. 13)
Ja.
Kan toezichtsarbitrage onder de nieuwe IORP-II richtlijn een reden voor verhuizing naar een andere land zijn voor een pensioenfonds (dat IORP is)?
Zie het antwoord op vraag 8.
Klopt het dat DNB een verhuizing van een pensioenfonds naar een ander EU land niet kan tegenhouden?
Nee. Als een werkgever beslist om een Nederlandse regeling te verplaatsen van een pensioenfonds in Nederland naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, vindt er een collectieve waardeoverdracht plaats. Op dit moment toetst DNB deze collectieve waardeoverdracht op basis van artikel 90 jo. artikel 83 of artikel 84 van de Pensioenwet. Belangrijke meerwaarde van de herziening van de richtlijn is dat dit nu ook op Europees niveau geregeld wordt. Daarbij worden bovendien de criteria op basis waarvan DNB toetst explicieter vastgelegd. In het uiteindelijke onderhandelingsresultaat is geregeld dat DNB een collectieve waardeoverdracht van een Nederlands pensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat kan tegenhouden indien:
Deze criteria sluiten aan op de criteria waar DNB in de huidige praktijk naar kijkt. In de huidige Pensioenwet is opgenomen dat DNB een collectieve waardeoverdracht kan tegenhouden, echter zonder daarbij expliciete criteria te noemen. Bij de implementatie van de richtlijn zullen deze criteria ook in de Nederlandse Pensioenwet verankerd worden, waardoor er een stevigere wettelijke grondslag komt waar DNB zich op kan beroepen. Dat betekent een versterking van de positie van DNB.
Heeft u kennisgenomen van de brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer, waarin zij stelt dat: «De gang van zaken rond de totstandkoming van de IORP-richtlijn laat zien dat dit nog steeds een actueel thema is. Los van de – uiteindelijk politieke – afweging of in dit geval de informatievoorziening adequaat is geweest, rijst hierbij de vraag of gebruik had kunnen worden gemaakt van de zogenaamde stilteprocedure om teksten eerder vertrouwelijk met de Kamer te delen. Ook speelt de vraag of aan de voorwaarde die de Kamer heeft verbonden aan het beëindigen van het parlementair voorbehoud, namelijk dat «het conceptstandpunt van de Raad voorafgaand aan de besluitvorming in de Raad tijdig en met een waardering van het kabinet aan de Kamer wordt toegezonden» is voldaan.»? (Zaaknummer: 2016Z19139)
Ja.
Wanneer heeft u het concept standpunt van de Raad met een waardering van het kabinet aan de Kamer gestuurd?
Na de inhoudelijke behandeling van het voorstel in de raadswerkgroepen, onder het Italiaanse voorzitterschap, is op 11 december 2014 in COREPER de «general approach» in de Raad vastgesteld. Hiermee werd het onderhandelingsmandaat vastgesteld voor de Raad voor de onderhandelingen met het Europees parlement en de Europese Commissie in de zogenoemde triloogfase. Voorafgaand aan de vaststelling van de general approach is op 17 oktober 2014 (Kamerstuk 33 931, nr. 7) uw Kamer per brief geïnformeerd over de tussenstand in de onderhandelingen. Vervolgens is op 4 december 2014 (Kamerstuk 33 931, nr. 8) aan uw Kamer een kabinetsappreciatie gezonden over het conceptstandpunt van de Raad.
Bent u van mening dat aan de eis «het conceptstandpunt van de Raad voorafgaand aan de besluitvorming in de Raad tijdig en met een waardering van het kabinet aan de Kamer wordt toegezonden» is voldaan bij de IORP-II?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de reguliere termijn beantwoorden?
Vanwege de samenhang en herhaling van sommige vragen heb ik er voor gekozen om de beantwoording op enkele punten samen te voegen of te verwijzen naar een antwoord bij een vraag met eenzelfde strekking. Aangezien er ten aanzien van de vragen 9, 11 en 12 contact is geweest met de Belgische toezichthouder is de reguliere termijn met enkele dagen overschreden.