De zorgen van bewoners van de Kustwegflats in Delfzijl |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van de bewoners van de Kustwegflats in Delfzijl?1
Ja.
Zijn de 300 flatwoningen momenteel aardbevingsbestendig? Zo nee, wat zijn op dit moment de veiligheidsrisico’s en wat moet eraan gebeuren om ze weer veilig te maken?
De Dijkzichtflat in Delfzijl – één van de drie flats waar in het bericht naar wordt gerefereerd – is in 2015 als pilot door NAM geïnspecteerd en beoordeeld conform de NPR 9998:2015–12. Uit de beoordeling is toen gebleken dat er geen acuut gevaar is: de draagconstructie van het gebouw is voldoende sterk om een zware beving (5.0 op de schaal van Richter met de daarbij horende verwachte maximale grondversnelling) te kunnen weerstaan. Wel zijn er een aantal niet constructieve onderdelen die los kunnen komen bij een zware beving. Deze moeten worden vastgezet. De bewoners van de Dijkzichtflat zijn in 2015 geïnformeerd over deze onderzoeksresultaten waarbij vervolgonderzoek is aangekondigd.
Alleen de Dijkzichtflat is beoordeeld, de andere twee flats nog niet. Deze flats liggen buiten het prioritaire gebied waar de NCG risico gestuurd inspecteert. De NCG laat op dit moment nader onderzoek doen naar verschillende types meerlaagse bouw. Op basis van de uitkomsten daarvan wordt bepaald of er aanleiding is om deze type flats met prioriteit te inspecteren en te versterken.
Op welke termijn wordt gerealiseerd dat de flats veilig zijn en wanneer worden de bewoners daarover geïnformeerd?
Woningcorporatie Acantus, de eigenaar van de flats, heeft op 31 januari jl. de bewoners van de Dijkzichtflat per brief geïnformeerd over de resultaten van het vervolgonderzoek naar de aardbevingsbestendigheid van hun flat en heeft voor hen een inloopbijeenkomst georganiseerd die op 5 februari jl. heeft plaatsgevonden. De werkzaamheden voor de uit te voeren aanpassingen worden op dit moment in kaart gebracht. Acantus laat weten de bewoners op de hoogte te zullen houden van de voortgang en de planning. De bewoners van andere twee flats, de Oldiekflat en Naterijflat, hebben op 2 februari jl. een gezamenlijke informatiebrief ontvangen van Acantus, gemeente Delfzijl en de NCG, waarin wordt toegelicht wat de betekenis van het onderzoek naar de Dijkzichtflat voor hen is.
Wat vindt u ervan dat de bewoners zo slecht worden geïnformeerd en zich zorgen maken over hun veiligheid, moet dat niet veel beter?
Ik betreur dat de gang van zaken heeft geleid tot zorgen bij bewoners over hun veiligheid. Woningcorporatie Acantus heeft als eigenaar de taak om de bewoners te informeren over hun situatie. Dit is inmiddels gebeurd; zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er onderzoeken onder de pet worden gehouden en inwoners geen inzicht krijgen in bouwkundige rapporten van hun woning? Wilt u ervoor zorgen dat inwoners deze onderzoeken wel krijgen?
Versterkingsadviezen worden altijd gedeeld met de eigenaar van de woning. In het geval van de Dijkzichtflat is dit een woningcorporatie. De woningcorporatie maakt vervolgens de afweging hoe en wanneer ze haar huurders hierover informeert. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid de inwoners nog deze week helderheid te geven over de (on)veiligheid van de flats, wat er moet gebeuren en wanneer?
De bewoners van de drie de flats zijn inmiddels uitgebreid geïnformeerd. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Kwaliteit van en toezicht op de archeologie nav advertentie Volkskrant d.d. 26 januari ´Creatief met archeologie, tips voor projectontwikkelaars´ |
|
Peter Kwint (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de advertentie «Creatief met archeologie, tips voor projectontwikkelaars» en bijbehorende website?1
Ja
Deelt u de mening dat het schadelijk is voor ons archeologisch erfgoed en voor archeologen wanneer de tips in de advertentie worden opgevolgd?
De advertentie roept op tot zaken die beslist niet zijn toegestaan. Dat is schadelijk voor de archeologische sector, en ook voor de ontwikkelaars en gemeenten die over het algemeen te goeder trouw handelen waar het hun verantwoordelijkheden ten aanzien van archeologisch onderzoek aangaat. Indien de tips in de advertentie worden opgevolgd kan er bovendien schade ontstaan aan het archeologisch erfgoed.
Aan wie behoort volgens u ons archeologisch erfgoed toe?
Het archeologisch erfgoed behoort toe aan ons allemaal.
Bent u bekend met het bericht dat een bouwer in Boxtel begonnen was met bouwen, zonder dat het volgens de vergunning verplichte archeologisch onderzoek had plaatsgevonden, waarmee twee wetten zijn overtreden?2
Deze casus was mij niet bekend. Uit het bericht waar u naar verwijst blijkt dat de gemeente hier in overleg met de bouwer tot een oplossing is gekomen.
Hoe vaak komt het voor dat ontwikkelaars beginnen met werkzaamheden, voordat verplicht archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid dit te inventariseren?
Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar over de mate waarin het voorkomt dat ontwikkelaars beginnen met werkzaamheden, voordat verplicht archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit komt doordat gemeenten zelf toezicht houden op de naleving van de Omgevingsvergunning.
Om toch uw vraag te kunnen beantwoorden heb ik navraag gedaan bij het Convent van Gemeentelijk Archeologen (CGA) naar hun ervaringen. Daaruit komt het beeld naar voren dat het beslist geen schering en inslag is dat ontwikkelaars beginnen met werkzaamheden, voordat verplicht archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, maar het komt wel voor en er zijn diverse gevallen waarin gemeenten een bouwstop hebben opgelegd om te voorkomen dat archeologische sporen ongezien verloren gaan. Tegelijkertijd benadrukt het CGA dat het in de praktijk zelden zwart of wit is en dat goed contact tussen gemeente en projectontwikkelaar van groot belang is.
Bent u van mening dat toezicht in de archeologie moet worden versterkt?
Toezicht en handhaving op de Omgevingsvergunning is belegd bij de gemeente. Het Interbestuurlijk Toezicht op de taakuitvoering door gemeenten is belegd bij de provincie. Ik zelf ben verantwoordelijk voor het stelseltoezicht. Ik heb geen aanleiding om te denken dat dit stelsel niet voldoet. Wel zie ik twee aandachtspunten.
Ten eerste blijkt er in de praktijk voor zowel ontwikkelaars als gemeenten onduidelijkheid te bestaan over de vraag wat er precies onder archeologisch onderzoek valt, wanneer dat door een gemeente via een Omgevingsvergunning verplicht wordt gesteld. Voor alle duidelijkheid: onder archeologisch onderzoek valt, conform de Erfgoedwet, het opgraven zelf, het conserveren van vondsten, de uitwerking én de rapportage. Pas na het afronden van al deze zaken is aan de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek voldaan.
Ten tweede kwam uit de eerder genoemde consultatie binnen het CGA weliswaar het algemene beeld dat er geen structurele problemen zijn ten aanzien van het naleven van archeologische voorschriften. Toch zijn er ook gevallen waarbij er discussie ontstaat binnen de archeologische sector. Dan gaat het bijvoorbeeld over de vraag of het door een gemeente vereiste archeologische onderzoek voldoende kenniswinst oplevert, of dat dit in de belangenafweging het onderspit heeft gedolven. Ik vind dergelijke gevallen waarin er sprake is van discussie bij uitstek interessant. Samen met het CGA zal ik een aantal van deze casussen uitdiepen, niet om er over te oordelen, maar om er van te leren.
Tot slot vermeld ik graag dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verschillende instrumenten heeft ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen bij vergunningverlening en handhaving: https://archeologieinnederland.nl/preventie-en-handhaving. Ik zal de RCE vragen deze nogmaals bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Ook het Convent van Gemeentelijke Archeologen ondersteunt gemeenten.
Wat is uw oordeel over het ontbreken van wettelijk vereist beleid en een gebrek aan personeel bij een deel van de gemeenten? Welke acties wilt u ondernemen?3
Op grond van de huidige Wet Ruimtelijke Ordening, het Besluit Ruimtelijke Ordening en de Erfgoedwet en straks de Omgevingswet moeten gemeenten in hun omgevingsbeleid rekening houden met cultureel erfgoed, waaronder archeologie. Dat zij hiervoor beleid formuleren ligt voor de hand, maar is niet wettelijk verplicht. Uit het door u aangehaalde onderzoek door de Erfgoedinspectie blijkt dat desalniettemin circa 80% van de gemeenten in 2015 actueel archeologiebeleid heeft vastgesteld. Dat percentage ligt lager voor het beschikbare personeel: minimaal 60% van de gemeenten heeft voldoende personeel beschikbaar voor de taakuitvoering op het gebied van archeologie. Dat een gemeente geen eigen personeel beschikbaar heeft hoeft echter niet te betekenen dat de taakuitvoering in het geding komt. Er zijn namelijk veel gemeenten die de taken ten aanzien van archeologie beleggen bij een regionale dienst of andere voorziening.
Uit bovenstaande volgt dat ik geen noodzaak zie tot het ondernemen van acties.
Zijn gemeenten volgens u voldoende toegerust om hun taken op het gebied van archeologie uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat gemeenten momenteel onvoldoende toegerust zijn om hun taken op het gebied van archeologie uit te voeren. Maar daarmee is niet gezegd dat de keuzes die gemeenten in de praktijk moeten maken altijd gemakkelijk of eenduidig zijn. Het CGA stimuleert het gesprek hierover tussen de verschillende gemeentelijk archeologen. Ook de RCE draagt hier door middel van platformbijeenkomsten aan bij.
Zijn andere overheden die toezicht houden hiervoor voldoende toegerust?
Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat andere overheden momenteel onvoldoende toegerust zijn om hun taken op het gebied van archeologie uit te voeren. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u aangeven wat de resultaten zijn van de «pilots strafrechtelijke handhaving» met gemeenten?4
In 2015 is de Erfgoedinspectie een «pilot strafrechtelijke handhaving» gestart met als doel te bezien of de Erfgoedinspectie gemeenten kan helpen het aangifteproces van overtredingen van de Erfgoedwet (illegale opgravingen) en de doorgeleiding naar het OM te vergemakkelijken. Hiertoe zijn afspraken gemaakt met de archeologische dienst van één gemeente. De pilot heeft uiteindelijk niet geleid tot een daadwerkelijk beroep op de Erfgoedinspectie, omdat er zich sindsdien in die gemeente geen situaties meer hebben voorgedaan die daar aanleiding toe gaven.
Gemeenten kunnen nog steeds de hulp van de Erfgoedinspectie inroepen als overwogen wordt om aangifte te doen. In dit kader is ook van belang dat het meldsysteem DICE, dat door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt beheerd, sinds december 2015 is opengesteld voor alle gemeenten die illegale opgravingen willen melden. Meldingen in DICE worden direct gedeeld met de Erfgoedinspectie. Na een melding neemt de Erfgoedinspectie contact op met de gemeente om de mogelijkheden voor strafrechtelijke handhaving te bespreken.
Zou u opnieuw, net als in 2008 is gebeurd met het invoeren van een bestuurlijke boete, willen verkennen welke instrumenten mogelijk kunnen helpen bij het aanpakken van overtredingen?5
Ik zie daartoe geen noodzaak. De analyse zoals die in 2008 is gemaakt is op hoofdlijnen nog altijd actueel. De belangrijkste verandering sindsdien is de invoering van certificering in de sector archeologie. Het is nu nog te vroeg om daar positieve of negatieve effecten van vast te stellen. Zie het antwoord op vraag 6 voor de huidige rolverdeling ten aanzien van het toezicht en de handhaving. Via de RCE zijn diverse kennisproducten en voorbeeldvoorschriften beschikbaar voor vergunningverlening en handhaving. Ook kunnen gemeenten aankloppen bij de RCE voor advies.
Wat gaat u doen om, soms grootschalig, schenden van het opgraafverbod tegen te gaan?6
Ik bestrijd dat er nu sprake is van het grootschalig schenden van het opgraafverbod. Ik heb hiervoor geen aanwijzingen. De cijfers in het inspectierapport waar u naar verwijst, hebben betrekking op de situatie vóór inwerkingtreding van de Erfgoedwet. Zij zijn sterk vertekend doordat in de betreffende periode alle vondsten die gedaan werden door detector amateurs nog als illegaal werden geteld, terwijl er in de praktijk sprake was van een gedoogbeleid. Inmiddels is de regelgeving hierop aangepast.
Welke stappen gaat u zetten om de kwaliteit van programma's van eisen (wettelijk) te borgen?
De criteria waaraan een Programma van Eisen (PvE) moet voldoen staan beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en zijn uitgewerkt in een apart protocol. Bij de invoering van certificering in de archeologie is er bewust voor gekozen dit protocol niet verplicht te stellen. Het gaat immers niet om handelingen waarop het opgraafverbod van toepassing is. Bovendien zouden met een verplicht certificaat voor deze werkzaamheden, gemeenten gehouden zijn om zich te certificeren voor een medebewindstaak. Dat vind ik niet wenselijk. Desalniettemin heeft een grote groep archeologische bedrijven en gemeenten zich vrijwillig gecertificeerd voor het opstellen van PvE’s.
Gemeenten kunnen overigens wel als voorschrift bij de Omgevingsvergunning opnemen dat een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd op basis van een door de gemeente goedgekeurd PvE dat moet voldoen aan de KNA. Aanvullende eis zou kunnen zijn dat dit PvE door een daartoe gecertificeerd bedrijf is opgesteld.
Herkent u zich in de conclusie van de erfgoedinspectie dat «het geheugen in gevaar komt», omdat er «een behoorlijke achterstand in de aanlevering van eindrapporten en de overdracht van vondsten aan depots» is?7 Welke acties wilt u ondernemen om deze achterstanden weg te werken en niet te laten ontstaan?
Dat er in de afgelopen jaren een achterstand is ontstaan in het aanleveren van rapporten bij de Minister van OCW klopt. De oorzaken hiervan waren grotendeels technisch van aard. Inmiddels zijn deze problemen opgelost en worden de achterstanden ingelopen door middel van gerichte rappelacties. Ook is het uitstel- en handhavingsbeleid ten aanzien van het aanleveren van rapporten aangescherpt.
De Erfgoedinspectie signaleerde dat van 2011 op 2013 de achterstanden in de overdracht van vondstmateriaal naar provinciale depots afnamen en die lijn zal naar verwachting door de invoering van certificering worden voortgezet. Overigens zijn de provincies als eigenaar van de vondsten hier als eerste aan zet. In bovengenoemde rappelbrieven wordt steeds ook gemeld dat men gehouden is de vondsten tijdig over te dragen.
Kunt u aangeven in hoeverre deze achterstanden ontstaan doordat de prijs die opdrachtgevers willen betalen voor de uitwerking van archeologische opdrachten sterk onder druk staat?
Zoals het antwoord op vraag 14 blijkt waren technische problemen de belangrijkste oorzaak van het niet tijdig kunnen aanleveren van rapporten. Het is niet uit te sluiten dat krappere winstmarges een rol hebben gespeeld, maar dit valt niet aan te tonen. Bovendien kunnen er ook nog andere oorzaken zijn, zoals bijvoorbeeld onduidelijke contract- of vergunningvoorwaarden die tot discussie leidden tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.
Kunt u een oordeel geven over de 35 incidenten die van 2008 tot en met 2016 zijn geregistreerd in de Database Incidenten Cultureel Erfgoed (DICE)?8 Hoe zijn bewuste overtredingen aangepakt?
In 12 gevallen ging het om een illegale opgraving, in acht gevallen om illegale graafwerkzaamheden (geen monumentenvergunning aanwezig) ten behoeve van een ontwikkeling en in drie gevallen om metaaldetectie binnen de grenzen van een archeologisch rijksmonument. De overige incidenten zijn variabel van aard, van brandstichting op hunebedden waardoor schade aan de dekstenen ontstond, tot kinderen die een fietscrossbaan op een Motte9 hadden aangelegd.
In alle gevallen ging het om overtredingen op archeologische rijksmonumenten. Daarbij ging het niet steeds om bewuste overtredingen. Ook was in veel gevallen niet te achterhalen wanneer de overtreding had plaatsgevonden. Daar waar de dader achterhaald kon worden is eerst geprobeerd om in den minne tot een oplossing te komen, bijvoorbeeld door herstel van de oude situatie na documentatie van de schade. In acht gevallen is aangifte gedaan bij de politie. In drie gevallen is overgegaan tot handhaving, bijvoorbeeld door het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
Welke acties gaat u ondernemen tegen oneigenlijk gebruik van het middel archeologisch begeleiden van de bouw om te voorkomen dat informatie over ons verleden verloren gaat?9
De Erfgoedbalans 2017 constateerde dat er in de periode 2011–2013 een toename is in het aantal archeologische begeleidingen. Daarbij is aangegeven dat deze ontwikkeling in de gaten wordt gehouden. Uit interviews onder gemeentelijke en provinciale archeologen blijkt dat overwegingen van tijd en geld bij de keuze voor archeologische begeleiding een rol spelen, maar daarnaast ook overwegingen omtrent arbeidsveiligheid, waaronder de aanwezigheid van bodemvervuiling, overlast voor omwonenden en de beschikbaarheid van uitvoerend personeel. Kortom, het beeld is vooralsnog niet dat in alle gevallen sprake is van oneigenlijk gebruik.
In haar jaarverslag 2013–2014 oordeelde erfgoedinspectie: «de onderwaterarcheologie zijn de problemen van onrechtmatig opgraven groot», hebben de sindsdien genomen stappen ervoor gezorgd dat de problemen door onrechtmatig opgraven zijn opgelost?10
Met de Erfgoedwet die op 1 juli 2016 van kracht is gegaan is het opgravingsverbod zodanig aangepast dat vervolging van overtredingen onder water makkelijker is geworden. Tegelijkertijd zijn de contacten en de samenwerking die vanuit de RCE met de verschillende duikgroepen bestaan geïntensiveerd. De komende jaren moet blijken of dit afdoende is geweest.
Heeft u eerder aangegeven om voor eind 2017 afspraken te maken over het behoud van dit erfgoed? Zijn deze afspraken gemaakt en kunt u deze met ons delen?11
Er wordt samen met provincies, gemeenten en Rijkswaterstaat gewerkt aan een aanpak ten aanzien van het maritiem erfgoed die in de brief over het traject Erfgoed Telt, die uw Kamer dit voorjaar zal ontvangen zullen worden toegelicht.
Heeft u eerder geconcludeerd dat «als gevolg van de marktwerking de kwaliteit van archeologisch onderzoek onder druk kan komen te staan»? Wat gaat u doen om dit probleem te onderzoeken en aan te pakken?12
Om meer zicht op te krijgen op de vraag of de kwaliteit onder druk zou kunnen komen te staan, ga ik onderzoek doen naar de kwaliteit van onderzoek en rapportages uit de periode voor invoering van certificering en de periode daarna. De uitkomst hiervan zal beschikbaar komen via de Erfgoedmonitor.
Te weinig kennis over het vrouwenhart |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Te weinig cardiologen hebben verstand van het vrouwenhart»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hoogst onwenselijk is dat wachttijden voor de behandeling van hartklachten van vrouwen kunnen oplopen tot maar liefst een jaar, terwijl het bij hartklachten belangrijk is dat er snel wordt gehandeld? Zo ja, ziet u een rol voor uzelf om hier wat aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Te lange wachttijden zijn onwenselijk en zeker daar waar het een mogelijke hartaandoening betreft.
Iedere vrouw in Nederland kan met haar klachten voor onderzoek en behandeling bij reguliere cardiologische poliklinieken terecht. Het is van groot belang dat iedere cardioloog voldoende kennis heeft van en ervaring met vrouwspecifieke factoren in de diagnostiek en behandeling van vrouwen bij wie het vermoeden bestaat op een hartaandoening. Op grond van het nieuwe opleidingsplan Cardiologie zijn cardiologen in opleiding verplicht om kennis en ervaring op te doen inzake gender en hartziekten. Ook wordt hen in het nieuwe opleidingsplan de mogelijkheid geboden zich in het laatste opleidingsjaar gedurende 6 maanden te verdiepen in genderspecifieke aspecten van diagnostiek en behandeling van vrouwen met een hartaandoening.
Sinds vorig jaar wordt er in elke nieuw op te stellen Europese cardiologische richtlijn een hoofdstuk opgenomen voor vrouwspecifieke factoren inzake dat ziektebeeld. Nederlandse cardiologen worden geacht de richtlijnen van de European Society of Cardiology te volgen.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat cardiologen voldoende kennis hebben over het vrouwenhart? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij zich meer bewust worden van de verschillen tussen man en vrouw? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe staat u tegenover een betere bewustwordingscampagne over de verschillen in symptomen tussen mannen en vrouwen op het gebied van hartklachten voor zowel vrouwen als mannen om signalen te herkennen, aangezien hartklachten voor vrouwen een van de belangrijkste doodsoorzaken is?
De laatste jaren is samen met de Nederlandse Hartstichting en Women inc gewerkt aan de bewustwording over hart- en vaatziekten bij vrouwen. Een voorbeeld daarvan is de jaarlijks terugkerende publiekscampagne Dress Red Day in de maand september. Met deze campagne wordt aandacht gevraagd voor het onderwerp bij zorgverleners en het grote publiek. Ik zie geen rol voor mij weggelegd om aanvullende voorlichtingcampagnes te starten.
Deelt u de mening dat in medische opleidingen te weinig aandacht is voor de verschillen tussen het mannenhart en het vrouwenhart? Zo ja, hoe gaat u de opleidingen stimuleren om dit onderwerp beter te behandelen? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op uw vragen 2 en 3 heb ik aangegeven hoe aandacht wordt besteed aan genderspecificiteit binnen de opleiding tot cardioloog en in de nascholing. In de zomer van 2016 is in opdracht van het Ministerie van VWS het ZonMw Kennisprogramma Gender en Gezondheid gestart. Dit programma heeft tot doel de kennisachterstand over man-vrouwverschillen in gezondheid en zorg te verkleinen. Vanuit dit programma is budget beschikbaar gesteld aan het College Geneeskundige Specialismen (CGS) voor het project «Gendersensitieve zorg in de geneeskundige vervolgopleidingen». Dit project is gericht op het gendersensitief maken van het geneeskundig onderwijs, met als doel dat in vijf geneeskundige vervolgopleidingen aandacht komt voor gendersensitieve zorg. Cardiologie is een van de vijf opleidingen. De komende tweede jaar wordt de focus van het programma verlegd van kennisontwikkeling naar kennistoepassing in onderwijs en praktijk. Op deze wijze draag ik bij aan de beoogde kennisontwikkeling.
Bent u bereid om te onderzoeken of vrouwenpoli’s die zich richten op hartklachten van vrouwen een meerwaarde zijn voor de cardiologische zorg? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Momenteel zijn er 7 poliklinieken specifiek voor vrouwen met een mogelijke hartaandoening in Nederland operationeel. Het beleid is er op gericht om kennis over vrouwspecifieke zorg volwaardig te beleggen bij iedere cardioloog in Nederland. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 2. Het is aan zorgverzekeraars om te bepalen of zij zorgaanbod als meerwaarde zien en willen contracteren.
Deelt u de mening dat in de gehele gezondheidszorg te weinig aandacht is voor de verschillen tussen mannen en vrouwen doordat medisch onderzoek voornamelijk is uitgevoerd bij mannelijke patiënten? Ziet u een rol voor uzelf weggelegd om meer aandacht te geven aan de verschillen tussen mannen en vrouwen in de gezondheidszorg? Ziet u de mogelijkheid deze problematiek in lopende onderzoeken van ZonMw over Gender en Gezondheid te betrekken? Zo ja, hoe bent u van plan dit precies uit te voeren? Zo nee, waarom niet?2
Meer onderzoek is nodig naar de verschillen tussen mannen en vrouwen. Niet alleen op het gebied van hartaandoeningen maar op alle terreinen binnen de gezondheidszorg. Het ZonMw Kennisprogramma Gender en Gezondheid heeft als specifieke doelstelling de kennisachterstand over man-vrouwverschillen in gezondheid en zorg te verkleinen. ZONMW wil aandacht voor man-vrouwverschillen in al het gezondheids(zorg)onderzoek, dus niet alleen in het programma Gender en Gezondheid.
Het bericht ‘Te weinig cardiologen hebben verstand van het vrouwenhart’ |
|
Sharon Dijksma (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Te weinig cardiologen hebben verstand van het vrouwenhart»?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusies dat in Nederland wekelijks vrouwen overlijden door gemiste diagnoses?
Als het missen van een diagnose vermijdbaar is, is dat natuurlijk verschrikkelijk.
Over de uitspraak dat in Nederland wekelijks vrouwen overlijden door gemiste diagnose lopen de meningen uiteen. De Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC) herkent zich niet in deze uitspraak. De sterfte aan hart- en vaatziekten is in de afgelopen 30 jaar gedaald en de sterfte aan hart- en vaatziekten is sinds 2 jaar niet meer doodsoorzaak nummer 1 bij vrouwen. Veel sterfgevallen bij vrouwen ten gevolge van hart en vaatziekten vinden plaats in de leeftijdscategorie boven 85 jaar.
Deelt u de mening van de cardiologen Maas en Wittekoek dat er behoefte is aan specifieke kennis over het vrouwenhart? Zo nee, waarom niet?
Ja. Als die kennis bijdraagt aan betere behandeluitkomsten is het van belang dat die kennis een plaats krijgt in de relevante opleidingen. Mede dankzij de inspanningen van prof. Maas de afgelopen jaren is er meer aandacht voor genderspecificiteit binnen de cardiologie ontstaan en is kennis hieromtrent toegenomen onder alle cardiologen in Nederland. Voortschrijdende kennis hierover komt aan bod in het nascholingsprogramma van het CardioVasculair Onderwijs Instituut (CVOI). In het geheel vernieuwde opleidingsplan Cardiologie, waarin beschreven wordt wat gedurende de medische vervolgopleiding tot cardioloog de arts-assistent aan kennis en kunde moet opdoen, is apart beschreven dat «kennis en ervaring moet worden opgedaan inzake genderspecificiteit». Tevens wordt de arts-assistent in het laatste jaar van de opleiding de mogelijkheid geboden gedurende een half jaar een verdiepingsstage over dit onderwerp te volgen.
Welke rol ziet u weggelegd voor de overheid om ook vrouwen zelf meer bewust te maken van de symptomen van hartklachten?
De laatste jaren is samen met de Nederlandse Hartstichting en Women inc gewerkt aan de bewustwording over hart- en vaatziekten bij vrouwen. Een voorbeeld daarvan is de jaarlijks terugkerende publiekscampagne Dress Red Day in de maand september. Met deze campagne wordt aandacht gevraagd voor het onderwerp bij zorgverleners en het grote publiek. Ik zie geen rol voor mij weggelegd om aanvullende voorlichtingcampagnes te starten.
Bent u bereid in overleg te treden met ziekenhuizen en medische opleidingen hoe meer kennis kan worden opgedaan over het vrouwenhart?
In de zomer van 2016 is in opdracht van het Ministerie van VWS het ZonMw Kennisprogramma Gender en Gezondheid gestart. Dit programma heeft tot doel de kennisachterstand over man-vrouwverschillen in gezondheid en zorg te verkleinen. Vanuit dit programma is budget beschikbaar gesteld aan het College Geneeskundige Specialismen (CGS) voor het project «Gendersensitieve zorg in de geneeskundige vervolgopleidingen». Dit project is gericht op het gendersensitief maken van het geneeskundig onderwijs, met als doel dat in vijf geneeskundige vervolgopleidingen aandacht komt voor gendersensitieve zorg. Cardiologie is een van de vijf opleidingen. De komende tweede jaar wordt de focus van het programma verlegd van kennisontwikkeling naar kennistoepassing in onderwijs en praktijk. Op deze wijze draag ik bij aan de beoogde kennisontwikkeling.
Kunt u aangeven wat de effecten zijn van de in 2016 door Minister Schippers uitgetrokken 12 miljoen euro voor gezondheidszorg voor vrouwen?2
Het budget van € 12 miljoen betreft het ZonMw Kennisprogramma Gender en Gezondheid. Het kennisprogramma is gericht op twaalf thema’s. Eén van deze thema’s betreft hart- en vaataandoeningen. ZonMw werkt hierbij samen met de Hartstichting. Het kennisprogramma is gestart in de zomer van 2016. In datzelfde jaar zijn er (over alle 12 thema’s bij elkaar) 9 kennissyntheses gehonoreerd, waarvan 5 op hart- en vaataandoeningen. We verwachten de eerste eindresultaten van deze kennissyntheses in de zomer van 2018. In 2017 zijn er 15 onderzoeksprojecten gehonoreerd met een looptijd van maximaal 4 jaar, waarvan 4 op hart- en vaataandoeningen. De eerste tussentijdse resultaten van deze onderzoeksprojecten worden verwacht vanaf de zomer 2019.
Piratenzenders |
|
Henk Nijboer (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er heel veel mensen als zender en als luisteraar plezier beleven aan zogenaamde piratenzenders?
Ja.
Bent u ermee bekend dat er steeds meer onbemande piratenzenders komen?
Ja.
Wat vindt u ervan dat er steeds meer piraten wegens het strikte handhavingsbeleid vanuit bossen en andere afgelegen plaatsen uitzenden? Brengt dat risico’s, zoals bijvoorbeeld voor de brandveiligheid, met zich mee?
Agentschap Telecom is verantwoordelijk voor het beheer van het radiospectrum. Radiospectrum is namelijk schaars. Ordening van het spectrum is dus nodig om FM-radio, mobiele communicatie en andere toepassingen mogelijk te maken. Dit betekent ook dat tegen illegaal gebruik dient te worden opgetreden.
Bij illegale radiouitzendingen vanuit bossen of andere afgelegen plaatsen zijn er, naast verstoring van legale uitzendingen van publieke en commerciële radioomroepen die hierdoor economische schade lijden, ook andere gevolgen. Het gaat dan om milieudelicten (bijvoorbeeld het gebruik van dieselaggregaten in natuurgebieden of asbestbeplating om ontmanteling van opstelpunten tegen te gaan) en vernielingen aan onderdelen van vitale delen van diverse infrastructuren. Voorbeelden daarvan zijn het onklaar maken van de aansturing van stuwen die belangrijk zijn voor onze waterhuishouding, het onklaar maken van antenne-opstelpunten, waardoor het mobiel bereiken van 112 en de dekking in landelijke gebieden in gevaar kunnen komen en verstoringen in cruciale frequentiebanden, zoals C2000, de luchtvaartband en calamiteitenzenders. Tot slot ondervinden ook burgers door illegaal uitzenden overlast bij de ontvangst van hun favoriete publieke of commerciële radiostation.
Wat vindt u ervan dat er boetes van 10.000 euro en meer worden opgelegd voor mensen die hun hobby uitoefenen? Is dat niet buitensporig?
Ik heb er uiteraard geen bezwaar tegen dat mensen een hobby uitoefenen, maar als de uitoefening van die hobby gepaard gaat met illegale activiteiten dan treedt Agentschap Telecom daar – vanwege de in het geding zijnde maatschappelijke belangen – tegen op. Er zijn diverse legale alternatieven om deze hobby uit te oefenen (zie ook het antwoord op vraag 6). Daarnaast worden boetes altijd proportioneel opgelegd en regelmatig in procedures getoetst door de rechter. Voor de nadere beeldvorming: de gemiddeld opgelegde boete in 2017 is rond de 3.000 euro geweest.
Bent u gezien het afnemen van het belang van frequenties en het meer digitaal uitzenden van programma’s bereid te kijken of mensen hun hobby kunnen uitvoeren op een fatsoenlijke manier, vanzelfsprekend rekening houdend met vliegverkeer en militair gebruik van frequenties?
Hoewel digitalisering de toekomst van etherradio is (o.a. via DAB+), is het belang van de FM-omroepband op dit moment nog steeds groot. Agentschap Telecom kan dan ook niet toestaan dat mensen vanuit hun hobby op illegale wijze in deze band uitzenden. Op dit moment is er nog geen afschakeldatum voor FM bekend. Ook is er nog geen alternatieve bestemming voor de FM-band na afschakeling bekend. Om bij wijze van hobby te willen uitzenden, zijn diverse legale alternatieven voorhanden (zie ook het antwoord op vraag 6).
Bent u bereid piraten en hun luisteraars de mogelijkheid te geven van hun hobby te genieten als ze dat netjes doen en daarvoor mogelijkheden te zoeken?
Zie ook het antwoord op vraag 4. Er zijn voldoende alternatieven beschikbaar voor mensen die radio willen maken. In het verleden zijn de lokale publieke omroepen mede ontstaan uit deze behoefte. Daarnaast biedt het internet mogelijkheden die ook al door diverse ex-piraten worden benut. Ook bestaat de mogelijkheid om capaciteit te huren op een DAB+ netwerk of om een laagvermogen middengolfvergunning (AM) aan te vragen. Tot slot bestaat de mogelijkheid om voor een bepaald lokaal evenement een (tijdelijke) evenementenvergunning aan te vragen op de FM-band.
Is het zo dat door het huidige stevige boetebeleid er meer maatschappelijke schade ontstaat door onbemande zenders, dan enkele jaren geleden met een ander boetebeleid?
Het boetebeleid is erop gericht om illegale activiteiten te doen stoppen dan wel sterk te doen verminderen. Uit de dalende cijfers van Agentschap Telecom kan worden afgeleid dat het beleid succesvol is.1 De door de illegale activiteiten veroorzaakte schade ligt breder dan alleen de genoemde verstoringen en bedreigingen van (vitale) infrastructuren. Veelal is er ook sprake van milieuschade en/of openbare orde-problematiek. Om deze problematiek aan te pakken, zoekt Agentschap Telecom steeds vaker de samenwerking met het Openbaar Ministerie en de politie, maar ook met andere belanghebbenden zoals gemeenten, mobiele operators en natuurbeheerders.
Bent u bekend met brede steun voor de oproep om piratenmuziek als cultureel erfgoed aan te merken? Bent u bereid die oproep te ondersteunen?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het is niet gebruikelijk dat het kabinet dergelijke oproepen ondersteunt. Mochten er partijen zijn die dit overwegen, dan kunnen zij zich online aanmelden voor het Netwerk Immaterieel Erfgoed van het Kennisinstituut Immaterieel Erfgoed Nederland: https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/page/448/procedure.
Weeshuistoerisme |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kenia pakt weeshuistoerisme aan»?1 Was u al bekend met dit fenomeen en de gevolgen ervan voor kinderen in landen als Kenia? Zo ja, is dit probleem onderwerp van gesprek geweest binnen het kabinet?
Het artikel past in de berichtgeving die we de laatste jaren in Nederlandse en internationale media zien over de kritische omslag ten aanzien van vrijwilligerswerk door Westerse jongeren (en ook volwassenen) in weeshuizen in onder meer de in het artikel genoemde landen. Deze is vooral ingegeven door inzicht in negatieve effecten dat dergelijk werk op kinderen in die landen kan hebben en door misstanden zoals in het artikel beschreven.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt ontwikkelingen op dit terrein, onder meer via contacten met het Better Care Network(BCNN). Dit netwerk, waar internationale organisaties als Unicef onderdeel van uitmaken, werkt aan deze problematiek via voorlichting en bewustwording: richting (potentiële) vrijwilligers, kleinschalige particuliere ontwikkelingsinitiatieven, bemiddelingsbureaus voor internationaal vrijwilligerswerk, reisorganisaties etc. Landen die met dit fenomeen worden geconfronteerd – zoals Kenia en Cambodja – nemen ondertussen zelf ook maatregelen.
Inzake voorlichting en bewustwording in Nederland vervult daarnaast ook kennisinstituut Movisie (https://www.movisie.nl) een rol met de website www.vrijwilligerswerk.nl en het speciaal dossier (https://vrijwilligerswerk.nl/voluntourism).
Beschikt u inmiddels over cijfers van het aantal Nederlanders dat jaarlijks op «weeshuistoerisme» gaat? Kunt u bevestigen dat het om duizenden jongeren gaat, zoals De Volkskrant vorig jaar nog berichtte?2
De belangstelling van jongeren – en volwassenen – om te reizen en internationale culturele en werkervaring op te doen heeft een grote vlucht genomen. Internationaal vrijwilligerswerk is daar een onderdeel van. De overheid heeft daar een beperkte rol in en houdt geen cijfers bij over vrijwilligersinzet op dit vlak. Ook niet als het gaat om inzet in weeshuizen. De cijfers die in het Volkskrantartikel worden genoemd betreffen overigens algemeen vrijwilligerswerk en niet werk in weeshuizen.
Steunt het kabinet ngo’s die direct of indirect betrokken zijn bij de financiering van weeshuizen in Afrikaanse of Aziatische landen? Zo ja, welke ngo’s betreft het en in welke landen zijn zij actief?
Nee. Het financieren van weeshuizen is geen specifiek doel binnen het Nederlandse ontwikkelingsbeleid.
Deelt u de mening dat, zonder iets af te doen aan de waarschijnlijk goede intenties van de vrijwilligers, het niet zo mag zijn dat Nederlandse jongeren dergelijke misstanden in stand houden of zelfs verergeren?
Het is positief dat voorlichting, bewustwording en actie vruchten afwerpen en dat er meer aandacht is voor valkuilen en onbedoelde negatieve effecten. Dat geldt ook internationaal. Het gaat immers om een veel breder fenomeen en ook niet alleen om Nederlandse jongeren.
Positief is ook dat onder jongeren zelf – via sociale media – een discussie op gang is gekomen over de ethische aspecten van vrijwilligerswerk in arme landen, over de effecten daarvan en over onderliggende motieven en vooroordelen. Het Nederlandse initiatief ID-Leaks (http://idleaks.nl/) is daar een voorbeeld van. Internationale voorbeelden zijn Radi-Aid (http://www.rustyradiator.com/) en BarbieSavior (http://www.barbiesavior.com/).
Maatschappelijke betrokkenheid moeten we uiteraard ook waarderen. Het is een goede zaak dat jongeren hun blik verbreden, internationale en interculturele ervaring opdoen en nadenken over en zich inzetten voor minder armoede en meer inclusieve, duurzame ontwikkeling. Zaak is dat zij zich daar adequaat op oriënteren. Op dat terrein zijn diverse gedegen organisaties actief. Die zijn bijvoorbeeld te vinden via de eerder genoemde site van Movisie of het initiatief Volunteer Correct (http://volunteercorrect.org/nl/).
Heeft het kabinet na eerdere berichtgeving over dit fenomeen reeds actie ondernomen? Zo nee, is het kabinet bereid organisaties die dergelijke programma’s aanbieden aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hen te wijzen op de gevolgen van deze vorm van toerisme?
Reislustige jongeren, potentiële vrijwilligers en ook toeristen hebben allereerst een eigen verantwoordelijkheid om zich goed te oriënteren, voor te bereiden en zich niet te laten misleiden. Intermediaire en reisorganisaties kunnen daarbij helpen. Op dat vlak zijn er positieve ontwikkelingen. Verder is informatie over «weeshuistoerisme» inmiddels breed beschikbaar en is er – onder meer op sociale media – een levendige discussie. Dit is mede te danken aan initiatieven als van BCNN. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in deze een beperkte rol. BCNN weet het ministerie te vinden. Vanuit verschillende ontwikkelingsprogramma’s onderhoudt het ministerie met een aantal BCNN-lidorganisaties een samenwerkingsrelatie.
Waar mogelijk en relevant wordt in externe contacten aan de problematiek gerefereerd en gewezen op richtlijnen die zijn ontwikkeld. Ook via de Facebookpagina «Ontwikkelingssamenwerking» wordt er aandacht aan besteed. Ambassades in landen waar kinderhuizen veel voorkomen zijn bekend met de problematiek en hebben informatie beschikbaar. In het kader van een update van de inhoud van de websites voor ambassades wordt bezien hoe relevante informatie kan worden opgenomen.
Is er in uw ogen een rol weggelegd voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken en in het bijzonder voor diplomatieke posten in risicolanden? Bent u bereid – naar het voorbeeld van het ontmoedigingsbeleid dat het kabinet ten aanzien van ondernemers voert wanneer het risico op een bijdrage aan mensenrechtenschendingen bestaat – te onderzoeken of het mogelijk is om vanuit bijvoorbeeld de website van het ministerie of diplomatieke posten vrijwilligers te wijzen op dit fenomeen, zodat zij zich op tijd bewust zijn van de problematiek?
Zie antwoord vraag 5.
Het berichten ‘GenX aangetroffen in afvalwater ATM Moerdijk’ en ‘Bron GenX op zuivering Bath gevonden’ |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Bron GenX op zuivering Bath gevonden»1 en «GenX aangetroffen in afvalwater ATM Moerdijk, vervuiling lijkt mee te vallen»?2
Ja.
Wanneer heeft Afvalstoffen Terminal Moerdijk (ATM) gemeld bij het bevoegd gezag en waterschap Brabantse Delta dat het GenX in zijn afvalwater had gevonden? Was daarbij sprake van een vermoeden of had ATM zelf metingen verricht in zijn afvalwater?
Het is belangrijk om te benadrukken dat de constateerde hoeveelheden GenX zeer klein zijn en dat er in geen geval een risico is geweest voor het drinkwater of de omgeving. Uit een reguliere monitoring van Rijkswaterstaat bleek dat het effluent van de RWZI Bath concentraties GenX-stoffen bevatte. Om dit te verifiëren zijn op 23 en 29 december 2017 extra monsters genomen door waterschap Brabantse Delta. Op 9 januari 2018 volgde de uitslag waarmee kon worden geconcludeerd dat er met zekerheid GenX-stoffen in het effluent van de RWZI Bath aanwezig zijn (13–110 nanogram/liter (ng/l)). Ik heb u hierover bij brief van 16 januari 2018 geïnformeerd (Kamerstuk 28 089, nr. 56). Hierna is door het Waterschap Brabantse Delta een brononderzoek gestart.
In dit onderzoek zijn enkele mogelijke bronnen bemonsterd, waaronder de afvalwaterstroom van ATM. De uitslag hiervan kwam op 19 januari 2018 beschikbaar, er werd een verhoogde concentratie GenX-stoffen aangetroffen (500–900 ng/l). Met een tweede meetronde waarvan de resultaten op 26 januari beschikbaar kwamen, kon de eerdere meting bevestigd worden.
ATM heeft naar aanleiding van de berichtgevingen op 18 januari op de website van waterschap Brabantse Delta en Omroep Brabant contact opgenomen met het waterschap en heeft hierbij aangegeven vooralsnog geen inzicht te hebben in de aanwezigheid van GenX in haar effluent, maar dat zij graag nader onderzoek willen doen naar het eventueel voorkomen van GenX in haar effluent.
ATM heeft op 19 januari het besluit genomen om geen afvalwater van Chemours meer te accepteren en in samenwerking met de omgevingsdienst een intern onderzoek te starten naar de herkomst van de geconstateerde concentraties.
In welke concentraties is GenX aangetroffen in het afvalwater van ATM?
Zie antwoord vraag 2.
Loost ATM momenteel nog afvalwater op de persleiding van het riool? Zo ja, bent u bereid om samen met het bevoegd gezag en het waterschap ATM te verbieden om afvalwater te lozen, totdat duidelijk is hoe het GenX-afval in het afvalwater terecht is gekomen?
ATM heeft een Wabo-vergunning van het bevoegd gezag, de provincie Noord-Brabant. Op basis van deze vergunning mag het bedrijf afvalwater lozen op de persriolering richting RWZI Bath. Het bevoegd gezag ziet geen aanleiding om ATM te verbieden gebruik te maken van deze vergunning. Dit mede omdat ATM al zelfstandig heeft besloten geen afvalwater meer te accepteren van Chemours, alle medewerking heeft toegezegd en een intern onderzoek heeft gestart.
Wordt er nader onderzoek gedaan of GenX ook is verspreid door de lucht? Zo nee, waarom niet? Wordt er daarnaast ook bodemonderzoek gedaan naar GenX-vervuiling in de omgeving van ATM? Zo nee, waarom niet?
In opdracht van de gemeente Dordrecht wordt al onderzoek gedaan naar verspreiding van GenX en perfluoroctaanzuur (PFOA) via lucht naar de bodem, rond het bedrijf Chemours in Dordrecht. De resultaten daarvan komen over enkele weken beschikbaar en kunnen een indicatie geven of verder onderzoek bij andere mogelijke bronnen, zoals ATM, zinvol is.
Welke bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties zijn er mogelijk als zou blijken dat ATM wel degelijk wist dat het GenX-afval verwerkte?
Indien er een overtredingen wordt geconstateerd dan heeft het bevoegd gezag verschillende bestuursrechtelijke sanctiemogelijkheden. Naar opgave van het bevoegd gezag, de provincie Noord-Brabant, valt het verwerken van afvalwater waarin gevaarlijke stoffen zoals GenX aanwezig zijn binnen de vergunning van het bedrijf. Daarom is het inzetten van deze sanctiemogelijkheden niet aan de orde.
Op welke wijze zijn de medewerkers van ATM geïnformeerd over deze GenX-vervuiling? Kan worden uitgesloten dat medewerkers van ATM hebben blootgestaan aan GenX? Zo nee, kan de Inspectie SZW in gesprek treden met ATM over het afnemen van bloedtesten?
Conform de Arbowet is het aan de werkgever om medewerkers voorlichting te geven over de risico’s, een inschatting te maken of medewerkers aan gevaarlijke stoffen zijn blootgesteld en of er aanvullende maatregelen ter bescherming van medewerkers nodig zijn. Werknemers kunnen uiteraard ook bij hun werkgever om duidelijkheid vragen over de door hen gelopen risico’s voor hun gezondheid. Daarvoor kan een beroep worden gedaan op externe deskundigen. Het is aan de werkgever om in overleg met de werknemers en op basis van een maatwerkadvies van deskundigen te bepalen of bloedtesten een toegevoegde waarde hebben in de bescherming van de gezondheid.
ATM is volgens eigen opgave per direct gestopt met acceptatie van afvalstromen van Chemours. Bij de Inspectie SZW en het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant) is geen informatie over de wijze waarop medewerkers door de werkgever zijn geïnformeerd. De Inspectie SZW, die op dit dossier nauw samenwerkt met de Provincie Noord-Brabant als Wabo bevoegd gezag, ziet op dit moment geen aanleiding in gesprek te treden met de werkgever over het afnemen van bloedtesten.
Is er onmiddellijk opheldering geëist bij Chemours over deze nieuwe GenX-vondst? Is Chemours inmiddels bereid om een lijst aan te leveren van alle ontvangers van GenX-producten in Nederland, en alle locaties waar afvalstromen waar mogelijk GenX in zit naartoe gaan?
Ja, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft een verzoek gedaan aan Chemours om deze gegevens aan te leveren, conform de toezegging die de Staatssecretaris heeft gedaan in het Algemeen Overleg Externe Veiligheid van 18 januari 2018. De eerste reactie van het bedrijf was positief en de ILT is nu in afwachting van de aanlevering van deze gegevens.
Het bericht dat het ‘groenste’ kabinet nogal vuil rijdt |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Groenste» kabinet rijdt nogal vuil», waaruit blijkt dat de meeste bewindslieden van het kabinet Rutte III, dat zichzelf «het groenste kabinet» noemt, zich laten vervoeren in benzineslurpers?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat veel bewindslieden van Rutte III in onzuinige auto’s rijden, hoewel na het klimaatakkoord in Parijs is afgesproken om als overheid het goede voorbeeld te geven en het wagenpark zo milieuvriendelijk mogelijk te maken?2
Momenteel rijden zes bewindspersonen in een hybride auto, en eind 2018 zullen dat 15 bewindspersonen zijn (van de 24). Op weg naar de ambitie in het regeerakkoord dat alle nieuwe auto’s in 2030 geheel emissieloos zijn, is in de Green Deal Elektrisch Rijden vastgelegd dat de rijksoverheid streeft naar 20–25% elektrische voertuigen in haar wagenpark in 2020. Er is dus een ontwikkeling naar een duurzamer wagenpark in gang gezet, en die wil ik graag voor het hele Rijk versnellen. Daarbij moet er wel rekening gehouden worden met lopende contracten voor het wagenpark en doelmatige besteding van middelen.
Bent u bereid op korte termijn te regelen dat voor bewindslieden de aanschaf van een schone auto de standaard wordt? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Voor een versnelde transitie naar een duurzaam wagenpark voor de rijksoverheid, inclusief de voertuigen van de bewindspersonen, is elk ministerie zelf verantwoordelijk. Het is nu al mogelijk om energiezuinige voertuigen aan te schaffen. Zo heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat recent 100 elektrische voertuigen aangeschaft (bij Rijkswaterstaat). De verwachting is dat de rijksoverheid dit jaar 600 elektrische voertuigen aanschaft. Ik zal deze ontwikkeling bij mijn collega’s bevorderen.
Bent u van plan het wagenpark van de overheid versneld te verduurzamen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voor het gehele wagenpark wordt een transitie naar zero emissie rijden in gang gezet. Ik zal in overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (vanuit haar verantwoordelijkheid voor de Rijksdienst) en de Staatssecretaris van Defensie (vanuit haar verantwoordelijkheid voor de inkoopcategorie civiele dienstauto’s) werken aan het versnellen van de transitie naar zero emissie voertuigen door het Rijk.
Seksuele intimidatie binnen de Verenigde Naties |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Halbe Zijlstra (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Seksuele intimidatie komt veel voor bij VN, slachtoffers houden zich stil»1 en «Sexual harassment and assault rife at United Nations, staff claim»?2
Ja.
(H)Erkent u de in de berichten geschetste problematiek? Acht u de huidige maatregelen die genomen zijn door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (VN) voldoende om de zwijgcultuur bij de VN te doorbreken en de slachtoffers de hulp te bieden die zij nodig hebben? Zo nee, welke maatregelen moeten volgens u genomen worden om dit te bereiken? Op welke wijze zal u zich inzetten om te zorgen dat die maatregelen door de VN uitgevoerd worden?
Het kabinet neemt de berichtgeving, over incidenten van seksuele intimidatie en misbruik binnen de VN en dat slachtoffers zich stil houden uit angst voor represailles, zeer serieus. Nederland steunt de zero tolerance aanpak van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN) en de eerdere maatregelen die door hem zijn genomen in zijn rapport van 24 juli 2017 (A/72/204), en dringt aan op onverkorte uitvoering ervan. Deze maatregelen hebben onder meer als doel om medewerkers die een klacht indienen, of medewerkers die optreden als getuige, beter te beschermen.3 In dit rapport meldt hij ook de uitvoering van de aanbevelingen van de Ombudsman van de Verenigde Naties om medewerkers en leidinggevenden aan te moedigen open en eerlijk met elkaar te communiceren.
Recent heeft de SGVN aanvullende maatregelen genomen. Tijdens de bijeenkomst in november 2017 van de UN System Chief Executives Board for Coordination (CEB), waarin de hoofden van 31 VN-organisaties en programma’s zitting hebben, benadrukte de SGVN zijn zero tolerance beleid en riep hij op tot maximale aandacht voor het verbeteren van de aanpak van seksuele intimidatie binnen de VN. De SGVN heeft daarvoor een Task Forceingesteld die een gemeenschappelijke en consistente aanpak binnen de VN moet gaan formuleren. De Task Force staat onder leiding van mevrouw Jan Beagle, de Ondersecretaris voor Management van de VN. In het voorjaar van 2018 zal de Task Force zijn bevindingen presenteren aan de CEB.
Op vrijdag 2 februari 2018 presenteerde de SGVN een vijfpuntenplan om gendergelijkheid in de hele organisatie te waarborgen, hetgeen volgens hem van cruciaal belang is om seksuele intimidatie te bestrijden. Dit plan omvat: (1) het grondig onderzoeken van alle aantijgingen, zowel uit het verleden als heden; (2) het instellen van een nieuwe hulplijn voor VN-personeel; (3) de oprichting van de hierboven genoemde Task Force die een gemeenschappelijke en consistente aanpak van seksuele intimidatie binnen de VN moet bevorderen; (4) verbeterde bescherming van klokkenluiders en (5) het uitvoeren van een personeelsenquête en verbeteren van training. Ook heeft de SGVN een gedragscode laten opstellen en, naast de Ombudsman van de VN, diverse andere mogelijkheden ingesteld voor slachtoffers van seksuele intimidatie om een klacht in te dienen, zoals een Focal Point for Women en een Conduct & Discipline Team.
Het is nu nog te vroeg om een oordeel te vellen of deze maatregelen voldoende zijn. Medio 2018 zal de Ombudsman van de VN over de voortgang rapporteren aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN).
Nederland zal de uitvoering van deze maatregelen nauwgezet volgen en daarnaast met gelijkgezinde landen in overleg treden over additionele maatregelen die de VN zou kunnen nemen, zoals bijvoorbeeld het mogelijk maken om rapportages van Ombudspersonen binnen VN-organisaties te bespreken in relevante bestuursorganen. Ook wil Nederland in kaart brengen onder welke omstandigheden tot een extern onderzoek naar vermeende misstanden kan worden besloten als het vertrouwen in het interne systeem binnen een VN-organisatie te zeer is geschaad.
Op 23 februari jl. ging de Kamer reeds een brief toe van het kabinet met een nadere toelichting op een aantal onderwerpen die door uw Kamer aan de orde zijn gesteld in verband met het bericht dat medewerkers van Oxfam Groot-Brittannië seksfeesten hebben georganiseerd op Haïti (MINBUZA-2018.345946). Zoals gemeld in deze brief zal het kabinet de komende periode in alle relevante fora uitdragen dat er zero tolerance moet zijn voor seksuele misstanden en machtsmisbruik. Terecht dringt dit besef tot steeds meer sectoren van onze samenleving door. Het is nu zaak om, samen met welwillende internationale partners, een messcherpe grens te trekken en de komende weken en maanden concrete maatregelen te presenteren.
Kunt u aangeven op welke wijze de huidige Secretaris-Generaal concreet uitvoering geeft aan zijn voornemen de problematiek rondom seksuele intimidatie binnen de VN aan te pakken? Wat zijn de taken van de ingestelde taskforce, hoe verloopt het onderzoek van deze taskforce en op welke termijn verwacht u resultaten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke repercussies zijn er voor daders van seksuele intimidatie binnen de VN? Klopt het dat er een cultuur van straffeloosheid binnen de organisatie heerst?
Afhankelijk van de ernst van de situatie kan de VN maatregelen nemen tegen VN-medewerkers en leidinggevenden die variëren van een verplichte training, een reprimande, het veranderen van functie of verantwoordelijkheden, counselling of andere toepasselijke maatregelen, tot het beëindiging van het dienstverband.
Het klopt dat alle VN-functionarissen privileges en immuniteiten genieten, zoals vastgelegd in het «Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties». Privileges en immuniteiten aan VN-functionarissen worden toegekend in het belang van het onafhankelijk en effectief functioneren van de VN en niet in het belang van het individu. Immers, staten op wiens grondgebied een VN-medewerker zich bevindt, kunnen via straf- of administratiefrechtelijke procedures tegen deze VN-medewerker druk uitoefenen op de VN waardoor de organisatie belemmerd kan worden in haar onafhankelijk en effectief functioneren. Dit kan ook gebeuren via civielrechtelijke procedures aangebracht door individuen. Echter, een VN-lidstaat die op basis van nationaal recht rechtsmacht heeft kan de SGVN verzoeken om in een specifiek geval de immuniteit van een VN-functionaris op te heffen. De SGVN heeft het recht en de plicht om de immuniteit van een functionaris op te heffen, wanneer naar zijn oordeel de immuniteit van een medewerker de loop van het recht in de weg zou staan, en wanneer van de immuniteit afstand kan worden gedaan zonder dat inbreuk wordt gemaakt op de belangen van de Verenigde Naties. Als de SGVN daartoe overgaat, kan deze lidstaat over gaan tot strafrechtelijke vervolging van de betrokken VN-functionaris. Afhankelijk van nationale wetgeving kan het hierbij onder meer gaan om het land waar het feit is gepleegd of het land van nationaliteit van de VN-functionaris. Voorwaarde voor strafrechtelijke vervolging is wel dat de handeling strafbaar is naar nationaal recht. Daarnaast kan, na opheffing van de immuniteit, de weg naar een civielrechtelijke of administratiefrechtelijke procedure open staan.
Momenteel zijn 162 staten, waaronder Nederland, partij bij bovengenoemd verdrag. VN-functionarissen genieten op grond van dit verdrag functionele immuniteit. Dit houdt in dat zij niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd en berecht, noch via een civielrechtelijke of administratiefrechtelijke procedure aansprakelijk gehouden kunnen worden, voor handelingen verricht in hun officiële hoedanigheid. Daarnaast kunnen in een bilateraal verdrag tussen een staat en de VN aanvullende afspraken gemaakt worden ten aanzien van privileges en immuniteiten van VN-functionarissen die in deze staat werkzaamheden verrichten. In dergelijke verdragen kan absolute immuniteit toegekend worden aan VN-functionarissen. In dat geval kan een VN-functionaris in beginsel niet voor een rechter van de betreffende staat worden gebracht voor handelingen die hij/zij heeft verricht in zijn/haar officiële hoedanigheid dan wel privé hoedanigheid. Deze afspraken gelden slechts ten aanzien van de staat waar de afspraken mee zijn gemaakt. Er zal per geval beoordeeld moeten worden of de VN-functionaris immuniteit toekomt voor zijn handelen.
Het kabinet is van mening dat seksuele intimidatie totaal onacceptabel is en met alle middelen moet worden bestreden. Niet alleen op papier moeten de procedures binnen de VN goed geregeld zijn, ze moeten uitgevoerd en gehandhaafd worden. Het baart het kabinet zorgen dat een aantal VN-medewerkers ervaart dat de procedures tekortschieten en spreekt over een cultuur van straffeloosheid. Het is goed dat zij dit aankaarten. Het is ook goed dat de SGVN dit de hoogste prioriteit geeft. Hij kan hierbij op de volle steun van Nederland rekenen.
In hoeverre klopt het dat veel hooggeplaatste werknemers binnen de VN diplomatieke immuniteit genieten, en daardoor niet voor daden (met betrekking tot seksuele intimidatie die zij hebben begaan) kunnen worden bestraft? Hoe duidt u dit?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat wanneer VN-werknemers die zich schuldig maken aan seksuele intimidatie en wel bestraft kunnen worden, dit vaak wordt nagelaten omdat het juridisch systeem van de landen waar de incidenten worden begaan disfunctioneert? Is er enige wijze waarop de VN in dergelijke gevallen zelf juridische of andere repercussies kan laten gelden tegenover daders?
Voor zover bekend is er onvoldoende informatie beschikbaar of en waarom wordt nagelaten VN-medewerkers die zich schuldig maken aan seksuele intimidatie te bestraffen in landen waar incidenten worden begaan. Afhankelijk van het feit dat is gepleegd, kan het land van de nationaliteit van de desbetreffende VN-medewerker tot vervolging overgaan in overeenstemming met de relevante bepalingen van het nationale strafrecht van dat land. Als de desbetreffende functionaris een beroep kan doen op immuniteit, dient de VN daar afstand van te doen om vervolging mogelijk te maken. Wanneer een VN-functionaris wel een beroep kan doen op immuniteit, en de SGVN deze immuniteit niet opheft, is de VN gehouden om passende maatregelen te treffen, waaronder het instellen van een onderzoek naar de feiten. Dit is een interne aangelegenheid van de VN.
Op welke wijze wordt het interne klachtensysteem van de VN verbeterd? Welke vooruitzichten zijn er op dit vlak?
Het interne klachtensysteem van de VN is de afgelopen tijd al sterk verbeterd en de CEB Task Force heeft onder meer als doel om het klachtensysteem door te lichten en hierover in het voorjaar van 2018 met aanbevelingen te komen. Het kabinet benadrukt het belang van adequaat onderzoek, goede bescherming van de slachtoffers en verantwoording door daders.
Hoeveel officiële klachtprocedures lopen er momenteel bij de VN?
Over 2016 zijn 944 verzoeken ingediend om managementevaluatie, 383 formele klachten bij het VN-geschillentribunaal, 170 hoger beroepen, 1756 verzoeken om juridisch advies en 2633 verzoeken bij de VN-ombudsman (A/72/7/add.19). Het gros van de zaken gaat over het uitblijven van bevordering/promotie en het niet-toekennen van bepaalde financiële vergoedingen.
Klopt het dat personen die ervaringen met seksuele intimidatie melden, kans lopen hun baan te verliezen of andere negatieve gevolgen te ondervinden? Kunt u aangeven wat u hiervan denkt?
Volgens de berichten zouden er gevallen zijn waarbij personen die melding maken van seksuele intimidatie, maar ook klokkenluiders negatieve gevolgen hebben ondervonden na melding te hebben gedaan van misstanden. Als dit het geval is, dan is dat volstrekt onaanvaardbaar. Ook draagt het bij aan een gevoel van straffeloosheid. Zoals hierboven aangegeven is het goed dat de SGVN dit grondig laat onderzoeken en daarbij ook de klokkenluidersbescherming meeneemt.
Kunt u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger tijdens het algemeen overleg AVVN op 12 september 2017 herinneren, te weten een voorstel bij de VN in te brengen om deze slachtoffers beter een stem te geven en derhalve de secretaris-generaal van de VN te laten spreken met slachtoffers van seksuele intimidatie binnen de VN?
Ja.
Kunt u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger tijdens het algemeen overleg AVVN op 12 september 2017 herinneren, te weten een voorstel bij de VN in te brengen om deze slachtoffers betere ondersteuning, bijvoorbeeld door middel van een fonds of juridische ondersteuning of psychotherapie, te bieden?
Ja.
Kunt u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger tijdens het algemeen overleg op 12 september 2017 herinneren, te weten een voorstel bij de VN in te brengen dat, wanneer landen weigeren mee te werken aan het tegengaan van seksuele intimidatie door verdachten niet te vervolgen, dit gevolgen kan hebben voor de compensatie voor hun bijdrage aan vredesmissies?
Ja.
Op welke wijze zijn de punten in de drie voorgaande vragen reeds door u of uw voorganger ingebracht bij de VN? Zo ja, hoe is hier opvolging aan gegeven? Zo nee, op welke wijze bent u voornemens zich in te zetten om deze punten alsnog bij de VN in te brengen?
De vragen 10, 11 en 12 gaan over Sexual Exploitation and Abuse (SEA) gepleegd door VN-personeel in vredesmissies. Nederland steunt ook hier de zero tolerance aanpak van de SGVN. Om de ondersteuning van de SGVN kracht bij te zetten heeft Nederland van 1 september 2016 tot 1 oktober 2017 een Nederlandse militair jurist gedetacheerd in het team van mevrouw Jane Holl Lute die door de SGVN is aangesteld als Speciale Coördinator voor SEA. Op 18 september 2017 heeft Nederland tijdens een High-Level Event van de SGVN steun uitgesproken voor maatregelen om dit misbruik aan te pakken. Eén van die maatregelen is extra zorg en aandacht voor slachtoffers. Verder is Nederland toegetreden tot de zogenaamde Circle of Leadership, bestaande uit staatshoofden en regeringsleiders die zich inzetten voor de aanpak van de SEA-problematiek. Op korte termijn zal een nieuw rapport van de SGVN over Sexual Exploitation and Abuse verschijnen. Het kabinet zal dit rapport kritisch beoordelen. Verder zal Nederland ook in 2018 en 2019 doorgaan met steunen van trainingen voor militairen, politie en civiele medewerkers van VN-vredesmissies, waarin het voorkomen van en adequaat reageren op seksuele uitbuiting en misbruik door VN-personeel een belangrijk onderdeel is.
Op welke wijze zal Nederland binnen het lidmaatschap van de VN Veiligheidsraad in 2018 seksuele intimidatie binnen de VN aankaarten?
De aanpak van seksuele intimidatie binnen VN-organisaties speelt VN-breed en wordt daarom in de eerste plaats besproken in de Algemene Vergadering van de VN (AVVN). Nederland vraagt waar nodig ook aandacht voor het tegengaan van seksuele intimidatie en ongewenst gedrag bij de bespreking van specifieke vredesmissies en landensituaties in het kader van de VN-veiligheidsraad.
Het bericht 'Buurtbus in de problemen door tekort aan vrijwilligers' (ingezonden 29 januari 2018) |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buurtbus in de problemen door tekort aan vrijwilligers»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) mensen met een Werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) verbiedt om als vrijwilliger op de buurtbus te rijden, terwijl het doorgaans gaat om een dagdeel per week?
UWV toetst aanvragen van mensen met een WW-uitkering die vrijwilligerswerk willen doen met behoud van hun uitkering aan de Regeling vrijwilligerswerk in de WW (Staatscourant 2014, nr. 36337). Met deze regeling zijn in 2015 de voorwaarden met betrekking tot het verrichten van vrijwilligerswerk in de WW verruimd. Tegelijkertijd ziet de regeling er op toe dat met vrijwilligerswerk door mensen met een WW-uitkering geen economisch voordeel behaald wordt, teneinde verdringing van regulier werk te voorkomen.
Overigens is het niet zo dat UWV in voorkomende gevallen werklozen verbiedt om bepaald vrijwilligerswerk te verrichten. UWV geeft een oordeel of bepaald vrijwilligerswerk met behoud van uitkering kan worden verricht. Indien UWV geen toestemming verleent om het vrijwilligerswerk met behoud van uitkering te verrichten en men dat werk toch verricht, kort UWV het aantal gewerkte uren op de uitkering.
Vindt u dat mensen met een WW-uitkering vrijwilligerswerk zouden moeten kunnen doen, zolang het niet gaat om verdringing van betaald werk?
Ja, daarom is er de Regeling vrijwilligerswerk in de WW.
Tegelijkertijd wordt met de WW niet beoogd (extra) vrijwilligerscapaciteit beschikbaar te stellen, maar om een periode tussen twee banen te overbruggen.
Bent u ervan overtuigd dat vrijwilligerswerk meerwaarde heeft voor een individu en voor de samenleving als geheel?
Ja.
Vindt u dat mensen met een WW-uitkering, die dat willen, ook als vrijwilliger chauffeur op een buurtbus zouden moeten kunnen worden, bijvoorbeeld onder voorwaarde dat er aantoonbaar geen sprake is van verdringing of met een maximum aan uren?
In het algemeen vind ik dat werklozen met een WW-uitkering desgewenst vrijwilligerswerk moeten kunnen doen zonder gekort te worden op hun uitkering, als er met dat vrijwilligerswerk geen economisch voordeel behaald wordt. Dan treedt er geen verdringing van reguliere werknemers op. Uiteraard dient men, waar relevant, aan functiespecifieke eisen te voldoen en moeten de verplichtingen die bij een WW-uitkering horen nageleefd worden. Wanneer vrijwilligerswerk als chauffeur bij een buurtbus voldoet aan deze voorwaarden, zoals neergelegd in de eerder genoemde Regeling vrijwilligerswerk in de WW, dan is dat mogelijk.
Wanneer komt de kabinetsreactie op het evaluatieonderzoek naar het verrichten van vrijwilligerswerk met behoud van een WW-uitkering, zoals uw voorganger heeft aangekondigd (Kamerstuknummer 29 544, nr. 771)?
Uit de evaluatie blijkt dat de Regeling vrijwilligerswerk in de WW, zoals beoogd, ruimere mogelijkheden biedt om met behoud van WW vrijwilligerswerk te doen. Er zijn ook signalen dat met name het ANBI/SBBI criterium belemmerend werkt. Tevens doen de onderzoekers een aantal aanbevelingen ten aanzien van deze en andere geconstateerde aandachtspunten.
Ik zal de motie Keijzer (Kamerstuk 34 369, nr. 10), die de regering verzoekt de Regeling vrijwilligerswerk in de WW zodanig aan te passen dat vrijwilligerswerk buiten een ANBI of SBBI toegestaan wordt zonder dat dit tot verdringing leidt, uitvoeren. Ik bekijk momenteel in overleg met UWV hoe we hier in de praktijk vorm aan kunnen geven en daarbij neem ik de conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie mee. Ik betrek daarbij ook de belangenorganisaties die aan de evaluatie hebben meegewerkt. Het kost de nodige tijd om dit op een correcte manier juridisch vorm te geven en tegelijkertijd de regeling uitvoerbaar te houden voor UWV. Ik verwacht in het voorjaar een aangepaste regeling te kunnen publiceren.
Bent u bereid de beantwoording uiterlijk 12 februari 2018 aan de Tweede Kamer te sturen, zodat deze kan worden betrokken bij het algemeen overleg van 14 februari 2018, waar ook het evaluatieonderzoek op de agenda staat?
Ja, maar het is helaas 1 dag later geworden.
De berichten ‘Minister Koolmees: nieuwe zzp-wet is één van mijn grotere uitdagingen’ en ‘Zo zou de nieuwe zzp-wet eruit moeten zien volgens kenners’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Minister Koolmees: nieuwe zzp-wet is één van mijn grotere uitdagingen»1 en «Zo zou de nieuwe zzp-wet eruit moeten zien volgens kenners»?2
Ja.
Wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de bijeenkomst met veldpartijen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze informatie verwachten? Zo nee, kunt u een overzicht geven van de verschillende zorgen die zijn geuit tijdens de bijeenkomst met veldpartijen? In hoeverre deelt u deze zorgen?
Van de kickoff bijeenkomst is een verslag opgesteld door externe notulisten. Dit verslag wordt, zoals vermeld in mijn brief van 9 februari 2018, zodra gereed gepubliceerd op de website van de rijksoverheid, zodat het voor een ieder raadpleegbaar is.
Neemt u de suggesties gedaan door zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in het bericht «Zo zou de nieuwe zzp-wet eruit moeten zien volgens kenners» mee bij de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord?
De wijze waarop veldpartijen en de door hen ingebrachte ideeën worden betrokken bij de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord is toegelicht in de brief die de Staatssecretaris van Financiën en ik op 9 februari jongstleden aan uw Kamer hebben aangeboden. In deze brief is ook het tijdpad voor de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord benoemd en aangegeven dat u nog voor het zomerreces wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking van deze maatregelen via een hoofdlijnenbrief. Daarbij is, in aansluiting op de opmerking van de heer Hasekamp, opgemerkt dat het tijdpad van inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving per 1 januari 2020 zeer ambitieus is. Een eerdere inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving is niet haalbaar.
Deelt u de mening dat het van belang is dat veldpartijen de nieuwe zzp-wetgeving steunen? Op welke manier worden veldpartijen nog meer betrokken bij de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord op het terrein van zelfstandigen?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u bij de uitwerking van de opdrachtgeversverklaring nadrukkelijk rekening houden met de zorgen geuit tijdens de bijeenkomst door de veldpartijen rondom de bureaucratie en transparantie van het instrument?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u ingaan op de zorgen die geuit zijn rond het instrument van de opdrachtgeversverklaring enerzijds en de webmodule anderzijds, dat deze niks zouden veranderen aan de arbeidsrechtelijke onzekerheid tussen zelfstandigen en opdrachtgevers?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de opmerkingen gemaakt door de partijen in het artikel «Zo zou de nieuwe zzp-wet eruit moeten zien volgens kenners»? Hoe verhouden deze opmerkingen zich volgens u tot de aangenomen motie Wiersma-Van Weyenberg3 om voor 1 januari 2019 duidelijkheid te verschaffen over de gezagsverhouding? Is er tijdens de bijeenkomst gesproken over het verschaffen van duidelijkheid omtrent de gezagsverhouding?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt zich volgens u de opmerking van de heer Hasekamp, directeur-generaal van Financiën, dat de horizon van 2020 al «mega-ambitieus» is tot de strekking van en oproep die volgt uit de genoemde motie Wiersma -Van Weyenberg om tempo te maken met het verschaffen van duidelijkheid aan zzp’ers? Welke stappen zet u om het besef van urgentie bij de verschillende ministeries maximaal aan te wenden en daarmee zowel het draagvlak, de snelheid als de roep om duidelijkheid te vergroten?
Zie antwoord vraag 3.
Is er tijdens deze bijeenkomst ook gesproken over de nadere opschorting handhaving van de huidige wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)? Zo ja, wat is er besproken?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer is de volgende bijeenkomst met de veldpartijen gepland?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Groeiende groep vluchtelingen uit Syrië wil terug naar huis’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groeiende groep vluchtelingen uit Syrië wil terug naar huis»?1
Ja
Wat vindt u van het feit dat vluchtelingen die vrijwillig willen terugkeren niet worden geholpen door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM)? Waarom wordt vreemdelingen ondersteuning onthouden wanneer zij welbewust willen terugkeren naar hun land van herkomst?
De afgelopen maand heb ik gesprekken gevoerd met het hoofd van de Nederlandse missie van IOM en de Directeur-Generaal van IOM en daarin aangegeven dat het gelet op het vrijwillige karakter van deze terugkeer wenselijk zou zijn als IOM hierbij zou kunnen ondersteunen. Door IOM is aangegeven dat IOM het verzoek van Nederland begrijpt en dat IOM het recht op terugkeer ook uiteraard erkent. Ondersteuning hierbij door IOM beschouwt IOM op dit moment niet opportuun. Er is een aantal redenen waarom IOM geen ondersteuning kan bieden bij de vrijwillige terugkeer van (individuele) terugkeerders naar Syrië.
Voor IOM is het belangrijk dat wanneer mensen willen terugkeren IOM hen na terugkeer ook ondersteuning kan bieden in Syrië zelf. Dat is op dit moment niet mogelijk omdat IOM slechts beperkt in Syrië aanwezig is. IOM vindt de situatie in Syrië, die ook van dag tot dag verandert op dit moment nog te gevaarlijk. Ook is er sprake van een wisselende politieke context. Daar waar er wel aanwezigheid is, met name in het zuiden en noorden/noordoosten van Syrië, is IOM voornamelijk bezig met het bieden van humanitaire hulp aan de grote groepen binnenlands ontheemden.
Een andere reden is dat IOM opereert onder het mandaat van de VN. Voor het bieden van ondersteuning bij terugkeer is in het algemeen de medewerking van de autoriteiten in de landen van herkomst nodig. Indien IOM in dit geval zonder medewerking van het Assad-regime ondersteuning aan terugkeer zou verlenen, zou dit gevolgen kunnen hebben voor de bredere VN-relatie met het Assad-regime en daarmee voor de algehele toegang van VN-organisaties tot Syrië. De overweging om vooralsnog geen ondersteuning te bieden bij terugkeer moet dan ook worden gezien in het licht van het bredere afwegingskader van de VN.
Dit betekent niet dat personen die willen terugkeren naar Syrië geen ondersteuning wordt geboden. Als Syriërs willen terugkeren naar hun land van herkomst dan kunnen zij zich wenden tot de Dienst Terugkeer en Vertrek. De DT&V kan hen helpen bij het verkrijgen van een ticket (via Teheran naar Damascus) en kan eventueel ook een financiële bijdrage meegeven. Hierbij is het van belang dat de betrokkenen in bezit zijn van een geldig paspoort of deze aanvragen.
Ziet u in het feit dat vluchtelingen vrijwillig willen terugkeren naar Syrië, reden om te komen tot herijking van het landgebonden asielbeleid voor Syrië?
Ik baseer mijn beleid op de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het nieuwe ambtsbericht voor Syrië wordt in de zomer van dit jaar verwacht. Op basis van dat ambtsbericht zal ik bepalen of aanpassing van beleid aan de orde is. Dat in sommige gevallen individuele vluchtelingen willen terugkeren naar Syrië is voor mij vooralsnog geen reden om het landgebonden asielbeleid voor Syrië te herijken.
Op welke wijze is gewaarborgd dat regelmatig getoetst wordt of de grond voor verlening van een verblijfsvergunning is vervallen doordat mogelijkheden voor terugkeer zijn ontstaan? Wordt hierbij bijzondere aandacht gegeven aan Syriërs, gezien de omvang van deze groep?
Wanneer een persoon een asielverzoek doet, wordt door de IND beoordeeld of er bescherming dient te worden geboden. Als een persoon voor bescherming in aanmerking komt, wordt een vergunning asiel verstrekt. Dat er in sommige gevallen individuele personen terugkeren naar hun land van herkomst betekent niet automatisch dat daarmee de veiligheidssituatie – en daarmee de grond voor de vergunning – is veranderd.
Om na te gaan of er sprake is van een gewijzigde veiligheidssituatie worden voor de belangrijke herkomstlanden regelmatig nieuwe ambtsberichten van Buitenlandse Zaken gevraagd. Op basis van deze ambtsberichten kan worden beoordeeld of aanpassing van landenbeleid nodig is. Indien dat aan de orde is kan dit aanleiding geven voor de IND om een herbeoordeling te doen van de verleende asielvergunningen. Wanneer de grond vervalt op grond waarvan de vergunning is verkregen kan deze worden ingetrokken en dient de betreffende persoon Nederland te verlaten.
Bent u bereid om te verkennen met welke extra ondersteuning en nieuwe initiatieven in Syrië de veilige terugkeer van Syriërs kan worden bevorderd? Welke lessen kunnen hierbij worden geleerd van eerdere ervaringen, zoals de terugkeer van Kosovaren?
Wanneer Syriërs willen terugkeren dan kunnen zij zich wenden tot de Nederlandse overheid. De DT&V kan ondersteuning bieden bij de zelfstandig terugkeer door – zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee – bijvoorbeeld het vergoeden van een ticket of vervangende documenten of door het bieden van een financiële bijdrage. Aan de andere kant geldt in het Nederlandse beleid voor Syrië dat personen uit dit land over het algemeen in aanmerking komen voor bescherming omdat op basis van het laatste ambtsbericht en overige landeninformatie geconcludeerd wordt dat de veiligheidssituatie zeer te wensen overlaat. Dit betekent dus ook dat zij in Nederland mogen blijven. Het feit dat er enkele personen nu willen terugkeren betekent voor mij niet dat daarmee het beschermingsbeleid dient te worden gewijzigd. Hiervoor wacht ik het nieuwe ambtsbericht af dat in de zomer van dit jaar wordt verwacht. Initiatieven om de zelfstandige terugkeer naar Syrië te bevorderen vind ik gelet op de situatie in Syrië nog niet aan de orde. Mocht de situatie dusdanig zijn veranderd dat geen bescherming meer hoeft te worden gegeven dan zal ook worden gekeken hoe Syriërs het best kunnen worden geholpen bij hun terugkeer. Bij het opzetten van dergelijke programma’s wordt ook rekening gehouden met de lessen die zijn geleerd van eerdere terugkeerinitiatieven, zoals destijds ten aanzien van Kosovo.
Het bericht 'EU welcomes Silvio Berlusconi as the man to save Italy from populism' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Halbe Zijlstra (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het feit dat de voorzitter van de Europese Commissie Juncker op 22 januari 2018 Silvio Berlusconi met open armen ontvangen heeft in Brussel? 1
Het kabinet is bekend met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die de heer Berlusconi tot eind 2019 verbiedt een regeringsfunctie te bekleden. De heer Berlusconi is tegen deze uitspraak in beroep gegaan. Zolang hierin geen uitspraak is gedaan kan de heer Berlusconi zich niet kandidaat stellen.
Het is aan de voorzitter van de Europese Commissie Juncker en andere EU-hoogwaardigheidsbekleders om te bepalen met wie zij een ontmoeting hebben en de uitspraken die zij doen zijn voor hun eigen rekening.
Bent u het met de voorzitter van de Europese Commissie eens dat uitgerekend Berlusconi Italië «zal redden van het populisme»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat Berlusconi wegens een verbod van het Europees Hof van de Rechten van de Mens geen regeringsfunctie mag vervullen omdat hij schuldig is bevonden aan belastingfraude?2
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het – gegeven de veroordeling – ook opmerkelijk dat de voorzitter van de Europese Commissie het politieke leiderschap van Berlusconi in aanloop naar de Italiaanse verkiezingen in maart op deze manier openlijk steunt? Deelt u de mening dat de Europese Unie (EU), onder meer vertegenwoordigd door Juncker, Tajani en Barnier, hiermee de grenzen van haar mandaat overschrijdt?
Zie antwoord vraag 1.
Is het gebruikelijk dat Eurocommissarissen en andere EU-vertegenwoordigers zich zo openlijk bemoeien met de verkiezingen in een lidstaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het feit dat de voorzitter van het Europees parlement, de heer Tajani, lid van dezelfde partij als Berlusconi, koehandel drijft door Berlusconi openlijk te steunen, terwijl Berlusconi Tajani een geweldige keuze als premier heeft genoemd?3 Deelt u de mening dat dit een voorzitter van een Europese instelling die neutraliteit uit zou moeten stralen absoluut niet past? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Is het gebruikelijk dat er met een niet-gekozen kandidaat voor de verkiezingen gesprekken plaatvinden over onderwerpen als migratie, de relatie met Rusland en de rechten van Italiaanse burgers in het kader van de Brexit?
Zoals hierboven reeds gesteld is het aan de voorzitter van de Europese Commissie Juncker en andere EU-hoogwaardigheidsbekleders om te bepalen met wie zij een ontmoeting hebben, ook als het gaat om gesprekken over onderwerpen als migratie, de relatie met Rusland en de rechten van Italiaanse burgers in het kader van de Brexit. Het kabinet heeft er alle vertrouwen in dat de voorzitter van de Europese Commissie en Brexit-onderhandelaar Barnier hierbij goed oog zullen houden voor de afspraken die hierover binnen de Europese Unie zijn gemaakt. De heer Berlusconi is overigens zelf tot op heden geen kandidaat in de Italiaanse verkiezingen.
Deelt u de mening dat dit de transparantie van de Brexit-onderhandelingen ondermijnt, en bent u bereid om de Brexit-onderhandelaar Barnier om opheldering te vragen?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen om de voorzitter van de Europese Commissie te laten weten dat campagnevoeren voor een kandidaat niet tot zijn taken behoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het rapport inzake Voorinvesteringen en medezeggenschap in het hoger onderwijs |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat parlementariërs en ministers in Sint Maarten, het kleinste land binnen het Koninkrijk, toch de hoogste vergoedingen krijgen?1
Dat is moeilijk te verklaren. Een verklaring hiervoor zal allereerst gegeven moeten worden door Sint Maarten, omdat de hoogte van de vergoedingen een landsaangelegenheid betreft.
Hoeveel vergaderingen bezoekt een parlementariër op Sint Maarten gemiddeld per jaar, hoeveel is dat voor een parlementariër in Nederland?
Op de publiek toegankelijke website van het parlement van Sint Maarten treft u een overzicht aan van de aanwezigheid van statenleden bij vergaderingen. Zie hiervoor de volgende openbare link:
Het past mij als Staatssecretaris niet u te informeren over de gang van zaken in de Tweede Kamer. Voor een overzicht van de vergaderingen in de Tweede Kamer verwijs ik u naar het presidium van de Tweede Kamer.
Is het waar dat parlementariërs en ministers op Sint Maarten ongeacht het aantal dagen dat zij in functie zijn altijd minimaal één jaar uitbetaald krijgen?
Op grond van de Pensioenregeling politieke gezagdragers Sint Maarten heeft een gewezen statenlid of Minister recht op wachtgeld voor de duur gelijk aan de tijd waarin betrokkene politieke gezagdrager is geweest, maar ten minste voor de duur van één jaar en ten hoogste voor de duur van twee jaren.
Wat vindt u van de oproep van de St. Maarten Hospitality and Trade Association om in het kader van de wederopbouw en de slechte financiële situatie van het land de vergoedingen voor parlementariërs en ministers met dertig procent te verlagen?
Ik begrijp de oproep van de Sint Maarten Hospitality and Trade Association heel goed. Het is allereerst aan de Staten en de regering van Sint Maarten om op de oproep van SHATA te reageren. In mijn eigen politieke contacten zal ik hier, hoewel het een landsaangelegenheid betreft, aandacht voor vragen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg over de Wederopbouw van de Bovenwindse eilanden op 30 januari 2018?
Ja.
Het rapport inzake Voorinvesteringen en medezeggenschap in het hoger onderwijs |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Algemene Rekenkamer over voorinvesteringen en medezeggenschap in het hoger onderwijs?1
Ja, dat ken ik.
Wat vindt u van de bevinding van de Algemene Rekenkamer dat slechts 280 miljoen euro van de afgesproken 600 miljoen euro aantoonbaar besteed is aan de gestelde doelen bij de voorinvesteringen?
Het onderzoek van de Algemene Rekenkamer concludeert dat het onduidelijk is hoeveel van de investeringen onder de definitie van voorinvesteringen vallen. Zoals ik ook in mijn schriftelijke reactie2 op het Algemene Rekenkamer rapport heb aangegeven, kunnen we van het rapport leren voor toekomstig beleid. Bij de kwaliteitsafspraken moeten duidelijke afspraken met instellingen en met studenten worden gemaakt over de studievoorschotmiddelen.
Overigens geeft de Algemene Rekenkamer in haar rapport aan dat de door hogescholen en universiteiten opgegeven 860 mln. in potentie ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs. Van deze investeringen hebben alle studenten kunnen profiteren.
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe investeringen of nieuwe labels?» uit 2015, waaruit blijkt dat er toen al signalen waren dat de voorinvesteringen niet altijd nieuwe investeringen waren? Wat heeft uw voorganger destijds met dit nieuws gedaan?2
Mijn ambtsvoorganger was bekend met dit bericht. In juni en oktober 2015 zijn Kamervragen beantwoord over de berichtgeving rondom voorinvesteringen4. Het betrof toen onder andere de vraag of het bedrag van voorinvesteringen wel gehaald zou worden en hoe de rijksoverheid hierop zou toezien. Toentertijd gaf mijn ambtsvoorganger aan niet het signaal te hebben dat instellingen zich aan de voorinvesteringen onttrokken. Wel gaf ze aan dat de voorinvesteringen een afspraak was op sectorniveau en niet per instelling. Er konden dus verschillen tussen instellingen zijn; zowel qua hoogte van de investeringen als de inhoudelijke prioriteiten. De gemene deler was wel dat de investeringen gericht waren op versterking van de kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs.
Mijn ambtsvoorganger gaf ook aan dat de verwachting was dat op instellingsniveau de voorinvesteringen inzichtelijk zouden worden gemaakt en intern besproken. De medezeggenschap had hiervoor – vanaf het jaar 2015 – het instrument van instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting in handen.
Tot slot heeft mijn ambtsvoorganger destijds toegezegd regelmatig met de Vereniging Hogescholen (VH) en de VSNU te spreken over voorinvesteringen en uw Kamer eind 2015, op basis van de informatie van de VSNU en VH, te informeren over de gepleegde voorinvesteringen.
Deelt u de mening dat de onderwijsinstellingen zich aan de afspraken moeten houden en nog minimaal 320 miljoen euro aantoonbaar moeten investeren in onderwijskwaliteit vanuit hun eigen reserves?
Zie ook mijn antwoord bij vraag twee. De Algemene Rekenkamer geeft in haar rapport aan dat 860 mln. in potentie aan onderwijskwaliteit is besteed. Daar hebben alle studenten van kunnen profiteren. Er blijkt nu onduidelijkheid te zijn ontstaan bij de verantwoording of dit voorinvesteringen waren. Deze onduidelijkheid wil ik voorkomen bij de kwaliteitsafspraken.
Nu blijkt dat de groep studenten waar de voorinvesteringen voor bedoeld waren, namelijk de studenten die geen basisbeurs meer kregen en ook nog niet profiteerden van de opbrengsten van het studievoorschot, niet gecompenseerd zijn, overweegt u om deze groep alsnog te compenseren? Overweegt u dit te doen door bijvoorbeeld studenten die tussen 2015 en 2017 begonnen zijn alsnog met terugwerkende kracht eenmalig 1.000 euro korting op hun collegegeld te geven?
Voorinvesteren in de onderwijskwaliteit was één van de maatregelen voor de studenten tussen 2015 en 2017. Overigens geeft de Algemene Rekenkamer in haar rapport aan dat de – door instellingen opgegeven – 860 mln. in potentie ten goede komt aan de kwaliteit van het onderwijs. Van deze investeringen hebben de studenten kunnen profiteren. Een andere maatregel, die het voorgaande Kabinet heeft genomen, is een voucher. De eerste vier cohorten studenten die onder het nieuwe studievoorschot stelsel vallen, maken aanspraak op een voucher ter waarde van circa € 2.000. Met deze voucher kunnen zij, tussen de vijf en tien jaar na hun afstuderen, de mogelijkheid krijgen om scholing te volgen. Er wordt dus al meer gedaan dan alleen de voorinvesteringen voor de studenten tussen 2015 en 2017.
Hoe komt het dat bijna 30 procent van de medezeggenschap niet betrokken is bij instemming van de begroting op hoofdlijnen? Wat gaat u doen om in de toekomst de medezeggenschap beter te faciliteren?
Uit de overleggen die ik met de koepels en studentenbonden voer over dit onderwerp, is gebleken dat ten aanzien van de (hoofdlijnen van de) begroting van 2017 alle medezeggenschapsorganen op zowel universiteiten als hogescholen hun instemming hebben verleend. Ik herken de 30 procent die in de vraag wordt genoemd niet. Wellicht dat wordt gedoeld op figuur 4 uit het rapport van de Algemene Rekenkamer waaruit naar voren komt dat bijna twee derde van de medezeggenschapsraden al in een vroeg stadium bij de hoofdlijnen van de begroting 2017 is betrokken. Zoals eerder aangegeven in de schriftelijke reactie op het Algemene Rekenkamer rapport, deel ik met de Algemene Rekenkamer het uitgangspunt dat het belang zit in het betrekken van de medezeggenschap. Betrokkenheid van de medezeggenschap in het gesprek over de hoofdlijnen van de begroting in een vroeg stadium is noodzakelijk en wenselijk.
Volledigheidshalve merk ik op dat het niet noodzakelijk is dat de medezeggenschap in een vroeg stadium de hoofdlijnen van de begroting ter instemming wordt voorgelegd. De instemming kan immers ook plaatsvinden met de instemming op de gehele begroting. Door het gesprek te voeren of informatie te vergaren is het ook mogelijk om in een vroeg stadium mee te praten en invloed uit te oefenen.
Over de rol die de medezeggenschap speelt bij de totstandkoming en de uitvoering van de komende kwaliteitsafspraken zullen afspraken worden gemaakt met de partijen die zijn betrokken bij de kwaliteitsafspraken. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag tien.
Kunt u een overzicht geven van de beschikbare faciliteiten (tijd, financiële vergoeding, opleidingsbudget e.d.) van medezeggenschappers op de verschillende hoger onderwijsinstellingen?
Facilitering van de medezeggenschap is een zaak van de instellingen. De medezeggenschap kan op grond van de wet beschikken over de voorzieningen die voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig zijn. Hieronder wordt in ieder geval verstaan ambtelijke, financiële en juridische ondersteuning en scholing. Daarnaast stelt de medezeggenschap samen met het bestuur een scholingsbudget vast. Ik beschik niet over een overzicht op instellingsniveau van de beschikbare faciliteiten voor de medezeggenschap. In de medezeggenschapsmonitor 2016 is op geaggregeerd niveau informatie over deze faciliteiten opgenomen.
In de volgende monitor die dit jaar uitkomt, zal het onderwerp faciliteiten ook aan de orde komen.
Deelt u de conclusie van het rapport dat gebrek aan een eenduidige definitie van voorinvestering mede heeft geleid tot de situatie waarbij mogelijkerwijs honderden miljoenen niet aan de afgesproken doelen is besteed?
Zie mijn antwoorden op vraag twee en vraag vier.
Deelt u de mening dat bij de studievoorschotmiddelen niet dezelfde fouten gemaakt moet worden?
Ik ben in gesprek met de VSNU, de VH, het ISO en de LSVb over de vormgeving van de kwaliteitsafspraken. Daarbij zullen we ook afspraken maken over de betrokkenheid van interne stakeholders (waaronder de medezeggenschap) en de externe stakeholders bij het opstellen en uitvoeren van de kwaliteitsafspraken. De aanbevelingen van het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn onderwerp in de gesprekken over de kwaliteitsafspraken. Ik zal daarom na afronden van de gesprekken over de kwaliteitsafspraken, naar verwachting in april, aan uw verzoek voldoen van de Regeling van Werkzaamheden van 30 januari jl. en u een brief sturen over het Algemene Rekenkamer rapport.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat de medezeggenschap, zowel op centraal als op decentraal niveau, bij de besteding van de studievoorschotmiddelen wel serieus betrokken wordt? Op welke manier bent u van plan om te zorgen dat studenten zelf de gelegenheid krijgen om met plannen voor de middelen te komen?
Zoals door de VSNU, de VH, het ISO en de LSVb is onderschreven in de Gemeenschappelijke Agenda van 2016 is het goed betrekken van de medezeggenschap een randvoorwaarde voor de besteding van de studievoorschotmiddelen. Deze partijen hebben dan ook afgesproken dat de medezeggenschap instemmingsrecht krijgt op de besteding van deze middelen. De daadwerkelijke uitvoering van het instemmingsrecht vindt plaats op instellingsniveau, tenzij binnen de betreffende instelling de besluitvorming op een lager niveau is belegd. In dat geval vindt de medezeggenschap daar plaats.
In de medezeggenschapsmonitor zullen we dit thema ook volgen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag negen, maak ik ook afspraken over de betrokkenheid van interne en externe stakeholders bij de kwaliteitsafspraken.
De oproep van een toxicoloog dat werknemers van Custom Powders moeten worden getest op omstreden stof GenX |
|
Suzanne Kröger (GL), Nevin Özütok (GL) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Laat werknemers van bedrijf waar met omstreden stof GenX wordt gewerkt testen»?1
Ja.
Deelt u de bezorgdheid van toxicoloog Jacob de Boer over de werknemers van Custom Powders, die mogelijk drie keer per jaar zijn blootgesteld aan de stof? Zo nee, waarom niet?
Volgens het artikel geeft Custom Powders aan dat er tijdens de genoemde werkzaamheden met GenX geen blootstelling aan de stof is geweest.
Het is aan Custom Powders om te beoordelen of schadelijke blootstelling plaatsvindt. In algemene zin dient het bedrijf een grenswaarde voor een stof te hanteren en eventuele blootstelling voorafgaand aan werkzaamheden via een risico inventarisatie (opgenomen in een RI&E) te analyseren. Prof. De Boer geeft aan dat mocht er sprake zijn van blootstelling, het mogelijk is om de werknemers rond de werkzaamheden te testen.
Heeft de arbeidsinspectie (Inspectie SZW) een gesprek gehad met het bedrijf Custom Powders over de gezondheid en veiligheid van de werknemers naar aanleiding van de GenX-vervuiling? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie SZW houdt risicogericht toezicht en bezoekt binnen dit kader complexe bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt nagegaan in hoeverre de werkgever zijn verantwoordelijkheid neemt om zijn werknemers te beschermen tegen blootstellingrisico’s. Het bovengenoemde bedrijf wordt eveneens in dit kader bezocht door de Inspectie SZW om daar na te gaan welke maatregelen het bedrijf getroffen heeft om blootstelling aan deze stof (en andere gevaarlijke stoffen) te voorkomen. Ik ga niet in op resultaten van individuele inspecties.
Deelt u de mening van toxicoloog Jacob de Boer dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de gezondheid van de werknemers van Custom Powders?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in samenspraak met het bevoegd gezag en de Inspectie SZW, het bedrijf op te dragen het bloed te onderzoeken van de werknemers? Zo nee, waarom niet?
Conform de Arbeidsomstandighedenwet is het aan de verantwoordelijke werkgever om een inschatting te maken of medewerkers aan gevaarlijke stoffen zijn blootgesteld, te beoordelen of aanvullende maatregelen ter bescherming van medewerkers nodig zijn en medewerkers voorlichting te geven over eventuele risico’s. Werknemers kunnen bij de werkgever om duidelijkheid vragen over eventuele risico’s voor hun gezondheid. Daarvoor kan een beroep worden gedaan op externe deskundigen die de werkgever inhuurt. Het is aan de werkgever om in overleg met de werknemers en op basis van een maatwerkadvies van deskundigen te bepalen of bloedtesten een toegevoegde waarde hebben in de bescherming van de gezondheid. De Inspectie SZW ziet op dit moment geen aanleiding in gesprek te treden met de werkgever over het afnemen van bloedtesten. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 4.
Het bericht ‘Megawinsten farmaceut zet medicijngebruik op scherp’ |
|
Corinne Ellemeet (GL), Nine Kooiman (SP), Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Megawinst farmaceut zet medicijndebat op scherp»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat een farmaceutisch bedrijf miljardenwinsten maakt met de verkoop van geneesmiddelen?
De farmaceutische sector investeert in de ontwikkeling van innovatieve geneesmiddelen waar patiënten behoefte en baat bij hebben. Farmaceutische bedrijven dienen naar mijn mening transparant te zijn over de prijzen die zij vragen voor hun geneesmiddelen. Hoe hoger de gevraagde prijzen en genoten winsten, des te sterker zij aangesproken kunnen worden op hun maatschappelijke rol om nieuwe geneesmiddelen voor acceptabele prijzen toegankelijk te maken. Als bedrijven hoge prijzen menen te moeten vragen voor hun geneesmiddelen dienen zij die prijzen ook naar de samenleving te verantwoorden, bijvoorbeeld door transparant te zijn over de ontwikkel- en productiekosten.
Betrekt u de winstcijfers van farmaceutische bedrijven bij de onderhandelingen over de prijs van medicijnen? Zo nee, waarom niet?
Ik doe geen inhoudelijke uitspraken over het onderhandelingsproces. Ten algemene wil ik stellen dat als bedrijven met hoge winstcijfers hoge prijzen vragen voor een nieuw geneesmiddel zij mogen verwachten dat zij hierop aangesproken zullen worden.
Wat vindt u van de wijze waarop farmaceuten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen?
Zoals ik u op 16 november 2017 in de voortgangsbrief geneesmiddelenbeleid (Kamerstuk 29 477, nr. 452) liet weten ben ik van oordeel dat het verdienmodel van farmaceutische bedrijven te vaak is gebaseerd op het optimaal benutten van marktbescherming en -exclusiviteit, met soms onaanvaardbaar hoge prijzen als gevolg. Dat is niet houdbaar als we geneesmiddelen tegen aanvaardbare prijzen toegankelijk willen houden. Ik ben dan ook van mening dat er verandering moet komen in de wijze waarop geneesmiddelen ontwikkeld worden en op de markt worden gebracht. Veel farmaceutische bedrijven nemen nu naar mijn mening onvoldoende hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Hoe beoordeelt u het feit dat de bedrijfsresultaten van de farmaceutische industrie veel hoger zijn dan die van andere industriële ondernemingen?2
Ik vind het onwenselijk wanneer farmaceutische bedrijven fors hogere winstmarges hanteren.
Heeft u een overzicht in hoeverre de farmaceutische bedrijven hun winsten herinvesteren in onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen?
Nee. Wij kunnen alleen op basis van jaarverslagen van farmaceutische bedrijven zien welk deel van hun omzet besteedt wordt aan Research & Development (R&D).
Bent u bereid in EU-verband verdere samenwerking aan te gaan bij de inkoop van medicijnen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben zeker bereid om waar mogelijk de samenwerking met andere Europese landen aan te gaan dan wel voort te zetten. Wij kunnen als landen bijvoorbeeld gezamenlijk optrekken bij de beoordeling van nieuwe geneesmiddelen. Zoals u weet is in de afgelopen periode de BeNeLuxA samenwerking op diverse terreinen verder ontwikkeld. In 2017 hebben wij twee geneesmiddelen gezamenlijk beoordeeld en voor drie geneesmiddelen hebben wij succesvol gebruik gemaakt van elkaars expertise en eerdere beoordelingen. Hiermee zorgen we ervoor dat landen een zelfde positie hebben voor een besluit over de vergoeding van een nieuw geneesmiddel. Deze samenwerking breiden we in 2018 verder uit. Ik verwacht dat in 2018 een vijfde land, Ierland, zal deelnemen aan de bestaande BeNeLuxA samenwerking. Daarnaast zijn alle EU lidstaten en enkele non-EU landen door ons uitgenodigd om mee te doen in een door de BeNeLuxA opgezet initiatief om gezamenlijk een internationale horizon scanning database te bouwen. Tevens blijf ik in 2018 inzetten op gezamenlijke onderhandelingen over dure geneesmiddelen.
De berichten ‘Ex-moslims regelmatig bedreigd in Nederland’ (Reformatorisch Dagblad, 20 januari 2018) en ‘Duits parlement wil antisemitische asielzoekers uitzetten’ (NOS 18 januari 2018)? |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Joost Sneller (D66), Pieter Omtzigt (CDA), Eppo Bruins (CU) |
|
Halbe Zijlstra (minister buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het EU-voorstel: Verordening van de Raad tot instelling van het Europees Monetair Fonds COM (2017) 827?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de Europese Commissie artikel 352 van het werkingsverdrag als rechtsgrondslag gekozen heeft, de zogenaamde flexibiliteitsclausule?
Het klopt dat de Commissie artikel 352 van het EU-Werkingsverdrag als rechtsgrondslag gekozen heeft.
Herinnert u zich dat u in het BNC-fiche aan de Kamer geen duidelijkheid gaf over de bevoegdheid van de Europese Unie en dat u nadere duiding zou vragen op een aantal punten?
In het BNC fiche heb ik aangegeven dat het voor het kabinet onvoldoende duidelijk is waarom het oprichten van een Europees Monetair Fonds (EMF) op deze wijze nodig is, en dat het kabinet inderdaad om nadere duiding zal vragen over de rechtsgrondslag.
Beschikt u over (nader) juridisch advies over de toepassing van artikel 352 van bijvoorbeeld de juridische dienst van het ministerie, de landsadvocaat of een instelling van de Europese Unie? Zo ja, kunt u dat juridisch advies delen met de Kamer voor woensdag 31 januari 2018 te 14.00 uur, zodat de inhoud betrokken kan worden bij het algemeen overleg over het behandelvoorbehoud?
Heeft u kennisgenomen van «Fragen zur Rechtsgrundlage und Subsidiarität des Vorschlags der Europäischen Kommission zur Einrichtung eines Europäischen Währungsfonds», die de juridische dienst van de Duitse bondsdag op 25 januari 2017 gepubliceerd heeft?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat volgens dit advies de verordening niet gebaseerd kan worden op artikel 352 van het werkingsverdrag, omdat niet duidelijk aangetoond kan worden dat het leidt tot meer eenheid, efficiency en een betere verantwoording dan het huidige Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM)?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u de conclusies van dit Duitse rapport en dan met name de conclusie dat de Europese Commissie dit voorstel niet kan baseren op artikel 352? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
De Commissie stelt het gebruik van artikel 352 van het EU-Werkingsverdrag voor als rechtsgrondslag om het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM) door te ontwikkelen in een EMF en dit EMF te integreren in het juridische raamwerk van de EU. De Bondsdag analyseert drie voorwaarden die verbonden zijn aan de toepassing van artikel 352 VWEU.
Voor het hanteren van artikel 352 moet ten eerste overwogen worden of optreden in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen (met uitzondering van het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid) noodzakelijk is om één van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. Ten tweede moet er geen enkele andere Verdragsbepaling voorzien in het nemen van maatregelen om deze doelstelling te verwezenlijken. Ten derde moet het voorgenomen optreden er niet toe leiden dat de Unie meer bevoegdheden krijgt dan in de Verdragen is voorzien. De juridische dienst van de Bondsdag gaat bij de toets van de noodzakelijkheid van het optreden in op aspecten die volgens de Commissie nodig zijn voor de verwezenlijking van de Verdragsdoelstelling van het bewaken van de financiële stabiliteit en die met dit voorstel zouden moeten worden bevorderd: eenheid, efficiëntie en democratische verantwoordingsplicht. Volgens de juridische dienst van de Bondsdag toont de argumentatie van de Commissie op grond van eenheid, efficiëntie en democratische verantwoordingsplicht niet overtuigend aan dat de betreffende doelstellingen van de Verdragen thans in onvoldoende mate verwezenlijkt worden. Daarmee is het niet overtuigd dat deze actie op basis van artikel 352 VWEU noodzakelijk is.
Voor het kabinet is onvoldoende duidelijk waarom het oprichten van een EMF op basis van artikel 352 van het EU-werkingsverdrag nodig is, te meer omdat er met het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM) al een noodmechanisme bestaat waarmee de Verdragsdoelstelling van het bewaken van de financiële stabiliteit mede wordt verwezenlijkt.
Er is nog geen concreet behandelingstraject van het Commissievoorstel voorzien. Nederland zet, anders dan het Commissievoorstel, in op behoud van de intergouvernementele vormgeving van het noodfonds. Mocht het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een EMF desalniettemin ter behandeling voor komen te liggen in een Raadswerkgroep dan zal Nederland, zoals ter sprake kwam tijdens het AO Behandelvoorbehoud van woensdag 31 januari jongstleden, de Juridische Dienst van de Raad verzoeken om een opinie over de rechtsgrondslag die de Commissie gebruikt in haar voorstel.
Op welke wijze hebben het Nederlandse kabinet of andere regeringen de discussie gevoerd met de Europese Commissie of in de Raad over de rechtsgrondslag en/of de subsidiariteit van dit voorstel tot nu toe?
Er heeft tot op heden enkel op hoofdlijnen discussie plaatsgevonden tussen lidstaten over het versterken van het ESM. Een concrete inhoudelijke discussie over het voorstel van de Commissie is er nog niet geweest. De institutionele vormgeving van het EMF in het voorstel van de Commissie, en de mogelijkheid om artikel 352 VWEU toe te passen om een EMF in het juridische raamwerk van de EU te integreren, is in januari in de Ecofin en de Eurogroep aan de orde gesteld door sommige lidstaten. Nederland heeft tijdens deze bredere gedachtewisselingen over de EMU aangegeven vast te willen houden aan de bestaande besluitvormingsprocedures en het intergouvernementele karakter van het noodfonds. Daarnaast heeft Nederland aangegeven met het oog op het versterken van het noodfonds ook een voorstander te zijn van het verder uitbouwen van een ordentelijk proces voor de herstructurering van een onhoudbare overheidsschuld (oftewel een «sovereign debt restructuring mechanism»). Het kabinet zet in op het verkennen van een variant waarbij de bestaande besluitvormingsprocedures en het intergouvernementele karakter van het ESM behouden blijven.
Heeft het kabinet een voorkeur voor een communautair noodfonds, zoals dit voorstel van de Europese Commissie, of een noodfonds dat intergouvernementeel geregeld wordt, zoals het huidige ESM?
Zoals aangegeven in het fiche houdt het kabinet uit oogpunt van optimale grip van lidstaten op de inzet van EMF-instrumenten, waaronder steunprogramma’s aan lidstaten, bij de doorontwikkeling van het ESM naar een EMF vast aan de bestaande besluitvormingsprocedures en het intergouvernementele karakter van het noodfonds1.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden met het oog op het plenaire debat over de toekomst van de eurozone?
Ja.
De verhuizing van Galileo Security Monitoring Centre naar Spanje |
|
Jan Paternotte (D66), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Space policy: Galileo Security Monitoring Centre back-up site moves to Spain»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Welke landen waren in de race om het Galileo Security Monitoring Centre naar hun land te halen?
De volgende landen hebben gereageerd op de uitvraag van de Europese Commissie: België, Duitsland, Spanje, Portugal, Slovenië, Roemenië, Italië en Polen.
Is Nederland met het European Space Research and Technology Centre (ESTEC) van het European Space Agency (ESA) in de race is geweest om het Galileo Security Monitoring Centre naar Nederland te halen? Zo ja, waarom is dat niet gelukt? Zo nee, waarom niet?
Een Nederlandse kandidatuur voor het Security Monitoring Centre is zeer serieus overwogen. Op kabinetsniveau is besloten Nederland niet kandidaat te stellen voor dit back-up centrum om zich volledig te kunnen richten op het Europees Medicijn Agentschap.
Wat is de reden dat er is gekozen voor Spanje?
De Europese Commissie heeft op basis van objectieve criteria de biedingen van de verschillende lidstaten beoordeeld. De Spaanse inschrijving kwam als beste uit de bus.
Wat zijn de gevolgen van dit besluit voor de Britse hightech- en ruimtevaartsector?
Er zullen als direct gevolg van dit besluit 10–20 fte verdwijnen uit de Britse hightech- en ruimtevaartsector.
Wat zijn de gevolgen van dit besluit voor de Nederlandse hightech- en ruimtevaartsector?
Er zijn geen directe gevolgen van dit besluit voor de Nederlandse hightech- en ruimtevaartsector.
Op welke wijze zal er door de Europese Unie en Nederland in de toekomst worden samengewerkt met het Verenigd Koninkrijk op het gebied van ruimtevaart?
Op dit moment valt niet te zeggen hoe de toekomstige relatie tussen de EU en het VK met betrekking tot de EU-ruimtevaartprogramma’s er uit zal zien. Dit is onderdeel van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (VK). De Commissie werkt op dit moment samen met de lidstaten aan aanvullende onderhandelingsrichtsnoeren over het kader van de toekomstige relatie met als doel om deze op de Europese Raad van maart 2018 te kunnen vaststellen. Het VK heeft aangegeven betrokken te willen blijven bij de ruimtevaartprogramma’s van de EU: Galileo en EGNOS (satellietnavigatie), Copernicus (aardobservatie) en het Onderzoeks- en Innovatie kaderprogramma. Dit betreft mede het gebruik van het overheidssignaal van Galileo waarvoor het Security Monitoring Centre de veiligheid moet garanderen. Voor deze toegang dient een separaat verdrag te worden afgesloten.
Nederland blijft samenwerken met het VK via de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA). De ESA is een intergouvernementele organisatie bestaande uit 22 Europese lidstaten waaronder Nederland en het VK. De Britse regering heeft expliciet kenbaar gemaakt dat het VK lid blijft van de ESA.
Locatiebepalingen bij 112 meldingen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat Apple heeft aangekondigd Advanced Mobile Location (AML) te gaan toestaan? Zo ja, wat betekent dit in de besluitvorming van locatiebepaling bij 112-meldingen?
Ja, Apple heeft op 24 januari jl. aangekondigd dat dit voorjaar bij de nieuwe softwareversie iOS 11.3 AML ondersteund wordt. 1 Dit maakt het mogelijk dat de noodhulpdiensten na de implementatie van de AML oplossing in bijna alle gevallen kunnen beschikken over de meest nauwkeurige locatie-informatie. Met het beschikbaar stellen van AML door Apple wordt het bereik aanzienlijk vergroot (van 50% naar meer dan 95% van de noodoproepen). Dit sterkt mij in mijn voornemen om te starten met de implementatie van AML, bij voorkeur nog dit jaar. Met de Staatssecretaris van Economisch Zaken en Klimaat zal ik bezien in hoeverre ook aanpassing van de regelgeving voor de locatiebepaling bij 112-oproepen aan de orde is voor Mobiele Netwerk Operators (MNO’s), op basis van het nieuwe Europese regelgevende kader voor elektronische communicatie.2 Verwachting is dat de lopende onderhandelingen over deze regelgeving tussen de Raad en het Europees parlement in juni zijn afgerond.
Gelden de belemmeringen waardoor AML-locatiebepaling in 112-meldingen in Nederland nog niet is geregeld, ook in de dertien omliggende landen waar wel sprake is van deze locatiebepaling op basis van Android Emergency Location Service (ELS)? Zo ja, waarom is daar dan toch die locatiebepaling ingevoerd? Zo nee, waarom gelden die belemmeringen daar niet?
De politie heeft geen informatie over de wijze waarop omliggende landen de noodzakelijke randvoorwaarden hebben ingevuld voor de invoering van locatiebepaling op basis van ELS. Voor alle landen geldt uiteraard dat AML op dit moment slechts beschikbaar is voor telefoons op basis van Android software, en ieder land maakt hierin zijn eigen afweging. In Nederland is ervoor gekozen om zorgvuldig te onderzoeken wat de randvoorwaarden zijn waaronder AML kan worden ingevoerd. Dit is uitgewerkt in het reeds aan uw Kamer toegezonden TNO-rapport.4
De randvoorwaarden die de politie moet realiseren betreffen aanpassingen in de 1-1-2 infrastructuur en in de regionale meldkamers. Eén van deze randvoorwaarden wordt voor de zomer van 2018 gerealiseerd met de vernieuwing van de technische infrastructuur van 1-1-2. Als deze vernieuwing succesvol is verlopen kan gestart worden met de implementatie van AML. Om AML in 2018 succesvol te kunnen implementeren is de medewerking van de MNO’s randvoorwaardelijk. De politie heeft in 2017 met de MNO’s eerste verkennende gesprekken gevoerd over AML en binnenkort wordt nader overleg gevoerd met de MNO’s over de randvoorwaarden en tijdslijnen voor implementatie van AML in hun systemen.
De planning, organisatie en inhoudelijke vraagstukken van het project waarbinnen subsidie kon worden aangevraagd, sloot echter niet aan op de behoefte van Nederland. Het ontbreken van een subsidieaanvraag heeft in die zin geen relatie met de voorgenomen invoering van AML in Nederland in 2018.
Hoe komt het dat u aangeeft goede contacten te hebben met de European Emergency Number Association (EENA), terwijl de EENA kritiek heeft op het feit dat locatiebepalingen in Nederland nog niet sluitend is geregeld? Welke contacten zijn er in het verleden met de EENA geweest?
EENA is een NGO in Brussel die de belangen van het alarmnummer 1-1-2 in Europa onder de aandacht brengt en vele activiteiten ontplooit om de belanghebbende organisaties met elkaar in contact te brengen en nieuwe ontwikkelingen te initiëren. Ik onderschrijf deze doelstelling en vanuit de politie wordt actief en veelvuldig meegewerkt aan deze doelstellingen. In 2016 heeft over de invoering van AML een eerste informatiesessie plaatsgevonden waar ook de EENA vertegenwoordigd was. Hierover is hierna regelmatig gecommuniceerd met de medewerkers van EENA zoals in de maandelijkse door EENA georganiseerde internationale (tele)conferences, waarin ontwikkelingen worden gedeeld.
Welke rol spelen privacyoverwegingen bij de implementatie van locatiebepaling in 112? Gaat u een Data Protection Impact Assessment laten uitvoeren?
Verwerking van persoonsgegevens zal, ook na de invoering van AML, dienen te geschieden in lijn met de wet- en regelgeving omtrent bescherming van persoonsgegevens. De politie zal een Data Protection Impact Assessment uitvoeren.
Wanneer heeft Nederland wel een sluitend systeem van nauwkeurige locatiebepaling van 112-meldingen? Wat moet daar nog voor gebeuren en wat is uw rol daarbij?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft Nederland zich niet voor subsidie aangemeld bij het EENA?1 Mag hieruit de conclusie worden getrokken dat een sluitend systeem voor locatiebepaling nog in 2018 niet voor de hand ligt?
Zie antwoord vraag 2.