De beloning van de directie van de Nederlandse Waterschapsbank |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de directie van de Nederlandse Waterschapsbank (NWB) is uitgebreid naar drie personen? Hoe hoog is de beloning van de directie van de NWB?
De directie van de NWB Bank bestaat sinds 1993 uit drie personen. Enkel in de periode 2008–2011 en op momenten dat er een vacature was, bestond de directie (tijdelijk) uit twee personen.
De beloning van de directie van de NWB Bank in 2016 was:
In duizenden euro’s
Vaste beloning
Variabele beloning
Totaal
Menno Snel1 (directievoorzitter)
79
12
91
Lidwin van Velden (directielid)
214
32
246
Frenk van der Vliet (directielid)
214
32
246
Ron Walkier2 (directievoorzitter
94
0
94
in dienst per 1 september 2016
afgetreden per de algemene vergadering van 26 april 2016 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
De NWB Bank zal op 19 april 2018 haar jaarverslag 2017 publiceren waarin de beloning van de directie in 2017 te raadplegen zal zijn.
Welke normen gelden er met betrekking tot de beloning van de directie van de NWB? In hoeverre past de beloning van de leden van de directie binnen deze normen?
Het beloningsbeleid voor de directie van de NWB Bank wordt door de algemene vergadering van aandeelhouders vastgesteld. Bij de aanstelling van nieuwe directieleden bepaalt de raad van commissarissen de hoogte van de beloning, binnen het op dat moment geldende beloningsbeleid.
Het huidige beloningsbeleid is in 2015 vastgesteld en is in lijn met het beloningskader dat het Ministerie van Financiën hanteert voor staatsdeelnemingen. Verder is de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen van toepassing. De maximale beloning voor de voorzitter van de directie van de NWB Bank bedraagt per 2015 € 272.000 en 85% daarvan voor overige leden van de directie. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de indexatie zoals vermeld in de CAO Banken. Bij de vaststelling is bepaald dat het beloningsbeleid elke 5 jaar wordt geëvalueerd door een aandeelhouderscommissie.
Vindt u dat de beloning van de directie in verhouding staat tot de activiteiten van de directie, alsmede tot de grootte van de organisatie, mede in overweging nemende het aantal medewerkers (slechts 60) en het risicoprofiel (laag) van de bank?
Het beloningsbeleid van de NWB Bank is in lijn met het beloningskader voor staatsdeelnemingen van het Ministerie van Financiën. Dat beloningskader probeert een evenwicht te vinden tussen een bij het publiek belang passende sobere beloning en het bij een private instelling passende rekenschap geven van beloningen bij vergelijkbare instellingen. Het beloningsbeleid van de NWB Bank wordt periodiek herijkt, dit gebeurde voor het laatst in 2015. Die herijking leidde tot een versobering van het beloningsbeleid._ De beloningsverhouding tussen de directievoorzitter en de mediaan van de overige medewerkers van de NWB Bank bedraagt 4 en is daarmee laag in verhouding tot andere (financiële) instellingen.
Waarom is besloten tot uitbreiding van de directie naar drie personen? Kon de bank niet meer bestuurd worden door twee personen? Neemt de werkdruk per directielid af met dit besluit?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u zich voorstellen dat er binnen waterschappen en gemeenten grote bezwaren bestaan ten aanzien van de uitbreiding van de directie, alsmede de beloning van de directie? Wat onderneemt u teneinde de oorzaak van deze bezwaren weg te nemen?
Ik heb geen signalen ontvangen dat de waterschappen grote bezwaren hebben tegen het aantal directieleden van de NWB Bank of tegen het beloningsbeleid. Op grond van de statuten van de bank bepalen de aandeelhouders het aantal directeuren. Na een korte periode (2008–2011) waarin de directie van de bank uit twee directieleden bestond, hebben de aandeelhouders in 2011 besloten de directie weer uit te breiden naar drie leden vanwege de toegenomen eisen die aan de bank werden gesteld op het gebied van governance en regelgeving alsmede een intensivering van de dienstverlening aan de klanten. Sinds 2014 staat de NWB Bank, die een balanstotaal heeft van ca. € 90 miljard, als significante bank onder direct toezicht van de Europese Centrale Bank.
De algemene vergadering van aandeelhouders stelt het beloningsbeleid en daarmee de maximale beloning van de directie vast. 81% van de aandelen van de NWB Bank worden gehouden door waterschappen, 17% door de staat en 2% door provincies. In 2015 is het huidige beloningsbeleid vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders op voorstel van een aandeelhouderscommissie. De commissie bestond uit vertegenwoordigers van vier aandeelhouder-waterschappen en van het Ministerie van Financiën.
Het bericht dat scharrelkwarteleieren afkomstig zijn van een Franse legbatterij |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Veluwse scharrelkwarteleitjes» van Jumbo kwamen uit Franse legbatterij»? 1
Ja.
Kunt u bevestigen dat geen van de door Wakker Dier en het televisieprogramma Keuringsdienst van Waarde onderzochte eierdozen Nederlandse scharreleieren bevatte?
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft met de Nederlandse Controle Autoriteit Eieren (NCAE) op 15 maart 2018 een inspectie uitgevoerd bij Eicom. De daar aanwezige kwarteleieren waren niet afkomstig uit Nederland.
Wat is u bekend over de herkomst van de kwarteleieren die door de betreffende boer in de markt werden gezet als scharreleieren?
De kwarteleieren die door Eicom als scharreleieren in de markt werden gezet, zijn afkomstig van een Franse leverancier uit de regio Bretagne.
In hoeverre voldoet de Franse dierenwelzijnsstandaard aan de Nederlandse normen die worden gehanteerd voor scharreleieren?
Op legkippen die in Europa worden gehouden is Richtlijn 1999/74/EG tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen van toepassing. Op kwartels zijn alleen de algemene, basiswelzijnsregels van Richtlijn 98/58/EG van toepassing. Beide richtlijnen zijn ook in Frankrijk geïmplementeerd. Conform bijlage II van Verordening (EG) nr. 589/2008 moeten scharreleieren (van kippen) afkomstig zijn van inrichtingen die tenminste aan de voorwaarden van artikel 4 van Richtlijn 1999/74/EG voldoen. Voor kwarteleieren zijn dergelijke bepalingen er niet.
Is u bekend of veehouderijen die te maken krijgen met stalbranden of andere bedrijfseconomische tegenvallers vaker kiezen voor het doorverwijzen, inkopen of importeren van producten die niet voldoen aan de etikettering waaronder deze worden verkocht?
Nee, ik beschik niet over deze informatie.
Welke mogelijkheden hebben producenten om aan te geven dat hun meest recente leveringen niet voldoen aan de voor dat bedrijf doorgaans gangbare normen?
Producenten zijn verantwoordelijk voor het verhandelen van levensmiddelen die voldoen aan wet- en regelgeving. Zodra er sprake is van risico’s voor de volksgezondheid moeten ondernemers alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat producten die niet aan de regelgeving voldoen, uit de handel worden genomen. Als producten niet voldoen aan de wettelijke vereisten, maar er geen risico is voor de volksgezondheid, dan kunnen producenten hun afnemers hierover informeren, zodat zo nodig ook de consument geïnformeerd kan worden.
Bent u bereid om eicodes ook voor kwarteleieren verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat op Europees niveau geregeld moet worden. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
Het artikel ‘Veluwse kwarteleitjes van Jumbo kwamen van Franse legbatterij’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel « «Veluwse kwarteleitjes» van Jumbo kwamen van Franse legbatterij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het inconsistent is dat het in Europa verboden is om kippen te houden in legbatterijen, terwijl dit voor kwartels niet verboden is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat er in Europa nadere restricties moeten worden gesteld aan het houden van kwartels voor de productie van eieren, omdat kwartels net als kippen hun natuurlijke behoeften moeten kunnen vervullen. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik zeker bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
In hoeverre bent u bereid om zich in Europa hard te maken voor eenzelfde verbod op het houden van kwartels in legbatterijen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een betrouwbare en goede etikettering van voedsel onontbeerlijk is voor het vertrouwen en bewuster maken van de consument?
Het is belangrijk dat consumenten op basis van eerlijke en eenduidige informatie een bewuste keuze kunnen maken voor een voedingsmiddel. Consumenten mogen niet op «het verkeerde been» worden gezet. Correcte informatie draagt ook bij aan het vertrouwen van consumenten in voedsel.
In hoeverre denkt u dat het gebruik van eicodes met herkomstvermelding op kwarteleieren zouden kunnen bijdragen aan het voorkomen van onjuiste etikettering op deze producten?
Door het verplicht coderen van kwarteleieren wordt het moeilijker gemaakt om met kwarteleieren te frauderen en neemt de handhaafbaarheid toe. Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat Europees geregeld moet worden.
Deelt u de mening dat het inconsistent is dat het in Europa bij kippeneieren verplicht is om eicodes met herkomstvermelding op de eieren te zetten, terwijl dit bij kwarteleieren niet zo is? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In hoeverre bent u bereid zich in Europa hard te maken voor eenzelfde verplichting om eicodes met herkomstvermelding op de kwarteleieren te zetten?
Gezien de handel in kwarteleieren is codering daarvan een aspect dat op Europees niveau geregeld moet worden. Wanneer dit in Brussel ter sprake komt, ben ik zeker bereid mij daar hard voor te maken. Aangezien het in Nederland niet is toegestaan kwartels te houden voor de productie van eieren, acht ik het niet opportuun dat Nederland hierin het voortouw neemt.
Bent u van mening dat de huidige sanctiemogelijkheden voldoende zijn om fraudegevallen als deze te bestrijden?
Ja.
De benoeming van een nieuw hoofd van de Griekse “Parliamentary Budget Office” |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Syriza names finance official to be head of the Greek parliamentary budget office»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het Griekse Parliamentary Budget Office (PBO) een belangrijke rol speelt in het op orde brengen en ook houden van de Griekse overheidsfinanciën?
Het Griekse Parliamentary Budget Office (PBO) is een van de instellingen die een rol speelt bij het controleren van de Griekse overheidsfinanciën. Samen met de Hellenic Fiscal Council is het PBO lid van het Europese netwerk van onafhankelijke begrotingsautoriteiten. De Hellenic Fiscal Council is de begrotingsautoriteit die op basis van verordening 473/2013 beoordeelt of de Griekse begroting voldoet aan de Europese begrotingsregels.2. Het op orde houden van de Griekse overheidsfinanciën is daarbij primair een taak van de Griekse overheid zelf.
Deelt u voorts de mening dat het onafhankelijke karakter van het PBO niet alleen noodzakelijk maar ook van cruciaal belang is?
Voor het goed functioneren van een begrotingsautoriteit is het inderdaad cruciaal dat zij onafhankelijk kan opereren. Zonder onafhankelijkheid is immers zuivere oordeelsvorming en de effectiviteit van een rol als kritische waakhond niet gewaarborgd.
Kunt u aangeven in hoeverre deze benoeming strookt met de daarvoor geldende regels? Zo nee, bent u bereid na te gaan of er voor deze benoeming een geldige procedure is doorlopen?
Het PBO is vanuit het Griekse parlement ingesteld en het Griekse parlement gaat daarom ook over de benoemingen. De heer Koutentakis is uit 10 kandidaten geselecteerd tijdens een vergadering van de parlementaire commissie die Koutentakis heeft benoemd. Deze commissievergadering was niet openbaar en er zijn geen notulen beschikbaar. Voor zover bekend is bij deze benoeming de hiervoor geldende procedure gevolgd.
In hoeverre beschouwt u de benoeming van de heer Koutentakis door Syriza als een bedreiging voor de onafhankelijke status van het Griekse PBO?
Koutentakis was de secretaris-generaal van begrotingszaken bij het Ministerie van Financiën van de Griekse overheid. Dat mensen vanuit de overheid gaan werken voor onafhankelijke begrotingsautoriteiten betekent niet dat zij niet onafhankelijk kunnen opereren in een nieuwe rol. Mensen die vanuit de overheid komen, kunnen in bepaalde gevallen ook relevante ervaring meebrengen, zoals kennis van de begroting van een land. Het is daarbij wel van belang dat medewerkers van een begrotingsautoriteit onafhankelijk en zonder druk van een politieke partij kunnen functioneren.
Kunt u tevens aangeven in hoeverre de angst van andere Griekse partijen, zoals politici en professoren, voor het in het geding komen van de onafhankelijke oordelen over het gevoerde begrotingsbeleid gegrond is?
Zoals hierboven aangegeven komt bij een benoeming van een gekwalificeerde ambtenaar als hoofd van een begrotingsautoriteit niet op voorhand de onafhankelijkheid van de begrotingsautoriteit en de onafhankelijkheid van de oordelen in het geding. Het is wel zaak dat de begrotingsautoriteit onafhankelijk en kritisch kan blijven opereren.
Bent u bereid het belang van een onafhankelijk Grieks PBO aan de orde te stellen, zowel bilateraal als in Europees verband? Zo nee, waarom niet?
Het Griekse ESM-programma is er deels op gericht dat onafhankelijke autoriteiten die een belangrijke rol spelen bij het begrotingsproces effectief hun functie kunnen uitoefenen. Zo is het effectief functioneren van de Hellenic Fiscal Council, de Independent Authority of Public Revenue (IAPR) en het Griekse statistiekbureau ELSTAT onderdeel van het Griekse ESM-programma. In het kader van het programma heeft Griekenland verschillende stappen gezet om de onafhankelijkheid van deze instellingen te bevorderen. Deze onafhankelijkheid zal bewaakt moeten worden, in de eerste plaats door de Grieken zelf.
Omdat voor zover bekend bij de aanstelling van de heer Koutentakis geen sprake is geweest van een overtreding van de daarvoor geldende procedure, zie ik nu geen aanleiding om dit aan de orde te stellen.
Het rapport ‘Demonstratierecht onder druk’ |
|
Monica den Boer (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Demonstreren, een schurend grondrecht» van de Nationale ombudsman?1
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport?
De Nationale ombudsman vraagt in het rapport aandacht voor een belangrijk en veelbesproken thema, het recht om te demonstreren. De vrijheid van demonstreren is in onze pluriforme samenleving een groot goed. Ik onderschrijf het uitgangspunt van de ombudsman dat het van wezenlijk belang is dat dit recht door de overheid maximaal wordt beschermd en gerespecteerd. Het recht om te demonstreren wordt beschermd door de Grondwet en wordt nader gereguleerd in de Wet openbare manifestaties (Wom). Voor de uitvoering van deze wet is het lokale gezag verantwoordelijk. Het rapport bevat veel aanbevelingen hoe deze taak in de praktijk zorgvuldig en binnen de juridische kaders kan worden uitgevoerd. Ik zal het rapport van de Nationale ombudsman betrekken bij een informerende brief die ik, samen met de Minister van Justitie en Veiligheid, voor het zomerreces aan de Kamer zal sturen over de Wom, en voor zover de bevindingen daar nog aanleiding toe geven, daarop reageren.
Hoe duidt u de uitspraak van de Nationale ombudsman dat de overheid neigt naar risicomijdend gedrag bij het verbieden van demonstraties vanwege de veiligheid?
Verboden op grond van de Wom worden uitgevaardigd door het lokale gezag, al naar gelang hun inschatting van de plaatselijke omstandigheden binnen de grenzen die de Wom daaraan stelt. Ik beschik terzake niet over bevoegdheden en wil daar ook niet in treden. Het lokale gezag (de burgemeester) komt vanuit de zorg voor de openbare orde en veiligheid bij demonstraties regelmatig voor ingewikkelde vraagstukken en dilemma’s te staan. In het mondelinge vragenuur op 21 november 2017 over de Sinterklaasintocht in Dokkum heb ik toegezegd om het gesprek met burgemeesters aan te gaan om te kunnen beoordelen of het beeld dat tijdens het vragenuur werd geschetst, namelijk dat door burgemeesters bij demonstraties te gemakkelijk wordt gegrepen naar het openbare-orde-argument, juist is. Deze gesprekken zijn nog niet afgerond. Ik ben voornemens uw Kamer hierover in voornoemde brief te informeren en daarbij de uitspraak van de Nationale ombudsman te betrekken.
Heeft u een beeld van hoe vaak en op welke gronden gemeenten in Nederland demonstraties geen doorgang laten vinden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo ja, hoe duidt u deze praktijk?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe duidt u het onderzoeksresultaat (p. 40) dat gemeenten aangeven dat de Wet openbare manifestaties (Wom) bij onverwachte en spontane situaties, bijvoorbeeld bij relschoppers die op een demonstratie afkomen, niet voldoende kader geeft om te handelen? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De Wom is in opdracht van mijn ministerie onlangs nog geëvalueerd. In reactie op het evaluatierapport heeft mijn ambtsvoorganger begin vorig jaar geconcludeerd dat de Wom op grote lijnen nog goed functioneert (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 324, nr. 2). De Nationale ombudsman verbindt aan het hier bedoelde onderzoeksresultaat niet de conclusie dat de oplossing mogelijk ligt in een aanpassing van het wettelijk instrumentarium. Zijn aanbevelingen zijn er vooral op gericht om dat instrumentarium zo goed en transparant mogelijk toe te passen. Dat neemt niet weg dat er altijd praktische knelpunten kunnen zijn waarin de Wom soms lastig uitkomst biedt. Dat laat zich niet altijd oplossen door een aanpassing van het wettelijk instrumentarium. Niettemin ben ik bereid om, vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het wettelijk kader, dit onderzoeksresultaat mee te nemen in de gesprekken die de komende tijd met gemeenten worden gevoerd.
Hoe duidt u het onderzoeksresultaat dat de politieke kleur van de burgemeester en die van de gemeenteraad van invloed kan zijn op de wijze waarop demonstraties gefaciliteerd worden?
Omdat het rapport geen (nadere) gegevens bevat om dit onderzoeksresultaat goed te kunnen duiden, wil ik hierover in meer algemene zin het volgende opmerken. Mede uit het oogpunt van rechtsgelijkheid is het van belang dat de vrijheid van demonstreren overal goed wordt beschermd en dat aan dat recht ook in iedere gemeente hetzelfde gewicht wordt toegekend. Een inperking van dit recht is op grond van de Wom uitsluitend mogelijk ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Beperking van de demonstratievrijheid op andere gronden is niet toegestaan. Het respecteren van de demonstratievrijheid dient voor het lokale gezag voorop te staan, ook als het faciliteren of juist verbieden van een demonstratie politiek gevoelig ligt. Dat laat onverlet dat het stelsel van de Wom wel ruimte laat aan het lokale gezag om op lokaal niveau afwegingen te maken ten aanzien van de regulering van demonstraties. De plaatselijke omstandigheden en de inschatting daarvan kunnen per gemeente verschillen.
Wat is uw reactie op de constatering van de Nationale ombudsman dat voor kleinere gemeenten geldt dat zij onvoldoende zijn toegerust voor situaties waar veel en soms kwaadwillend publiek op afkomt, omdat zij onvoldoende ervaring en capaciteit hebben?
Het is een gegeven dat in de ene gemeente meer wordt gedemonstreerd dan in de andere, waardoor er vooral in (kleinere) gemeenten minder expertise en ervaring aanwezig is met de toepassing van de Wom. Uitgangspunt is dat op het lokale gezag de inspanningsplicht rust om demonstranten in de uitoefening van hun grondrecht te beschermen en een demonstratie voor zover als redelijkerwijs mogelijk is doorgang te laten vinden, zo nodig ook door voldoende politie in te zetten. Dat dit zeker bij kleinere gemeenten soms tot lastige situaties leidt, neemt niet weg dat zij met de kennis en middelen die hun ter beschikking staan deze demonstraties zo goed mogelijk moeten faciliteren. Zij kunnen daarbij bijvoorbeeld ook gebruik maken van het rapport van de Nationale ombudsman, dat de nodige handvatten biedt voor de praktijk. Daarnaast worden gemeenten met veel ervaring en expertise regelmatig geraadpleegd door (kleinere) gemeenten met minder ervaring. De praktijk leert dat verschillende gemeenten met vergelijkbare vragen en dilemma’s te maken hebben rond demonstraties. Er vindt met enige regelmaat overleg plaats of er wordt contact gelegd tussen de verschillende gemeenten of politie-eenheden om bijvoorbeeld te overleggen over ervaringen met een specifieke groep demonstranten, of een specifiek type demonstratie.
Deelt u de mening dat de essentie van het grondrecht tot demonstreren voorop moet staan en dat dit betekent dat de overheid zich sterk moet inspannen om demonstraties te faciliteren en beschermen?
Ja, zie ook het antwoord op de vragen 1, 6 en 7.
Het bericht dat medicatie voor botontkalking van de markt is gehaald terwijl het PXE-patiënten nieuwe hoop geeft |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat een bestaand medicijn tegen botontkalking, dat werkzaam is gebleken bij het remmen van de ziekte PXE, in Nederland van de markt is gehaald?1
Zoals ik ook heb geantwoord in de Kamervragen van mevrouw Dijksma, was het geneesmiddel etidronaat geregistreerd voor botgerelateerde aandoeningen, zoals osteoporose. Op het moment dat een handelsvergunninghouder een verzoek tot intrekking van de handelsvergunning bij het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) indient, bekijkt het CBG of dit problemen zal opleveren voor patiënten. Het CBG overlegt met artsen en apothekers uit het eigen netwerk. Daarbij kijkt het CBG niet alleen naar geregistreerde indicaties maar ook naar ander gebruik. Als uit het netwerk van het CBG blijkt dat een geneesmiddel een belangrijke plek inneemt in een niet geregistreerde indicatie (off-label gebruik), dan neemt het CBG dat ook mee en onderzoekt het CBG welke mogelijkheden er zijn om het geneesmiddel voor de Nederlandse markt te behouden. Dit doet het CBG ook in overleg met de handelsvergunninghouder.
Op het moment dat de handelsvergunningen voor de etridonaat bevattende geneesmiddelen werden ingetrokken, was in het netwerk van het CBG niet bekend dat deze geneesmiddelen mogelijk veelbelovend zijn voor patiënten met pseudoxanthoma elasticum (PXE). Het CBG heeft beoordeeld dat er voor de botgerelateerde aandoeningen voldoende alternatieven beschikbaar zijn. Het CBG heeft het off-label gebruik in patiënten met PXE niet kunnen meenemen in de afweging van het patiëntenbelang. Ik betreur dat het zo is gelopen.
Hoe kan het dat PXE-patiënten die deelnamen aan het onderzoek wel toegang hadden tot het medicijn, maar nu de werking bewezen is het medicijn niet meer mag worden voorgeschreven?
De aanname in de vragen 2 en 3 is niet juist, etidronaat mag nog wel worden voorgeschreven. Een arts is voor de behandeling van een patiënt niet beperkt tot de in Nederland beschikbare en geregistreerde geneesmiddelen. Als een arts vindt dat de behandeling van een patiënt niet mogelijk is met in Nederland beschikbare geneesmiddelen, kan een arts een geneesmiddel uit het buitenland importeren. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. (IGJ i.o.) moet toestemming geven voor een dergelijke levering van een geneesmiddel op artsenverklaring.
Etidrodaat bevattende geneesmiddelen zijn niet geregistreerd middels een centrale procedure bij de European Medicines Agency (EMA). Er zijn nog wel etridonaat bevattende geneesmiddelen geregistreerd in Griekenland, Spanje en Duitsland. Deze kunnen geïmporteerd worden middels een artsenverklaring (art. 3.17 Regeling Geneesmiddelenwet). Ik weet dat de onderzoekers van het UMCU een dergelijke aanvraag hebben ingediend bij de IGJ.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat apothekers het middel kunnen bereiden, maar artsen het middel niet meer mogen voorschrijven, omdat het niet langer geregistreerd staat in Nederland?2
Zie antwoord vraag 2.
Staat het middel nog wel geregistreerd bij de European Medicines Agency (EMA) en is het in andere Europese landen nog op de markt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen laten weten dat de aanvraag voor een nieuwe registratie jaren kan duren en veel geld kost?3
De ontwikkeling van een geneesmiddel is een proces dat in duur kan variëren van één tot meer dan tien jaren. Er moeten voldoende data beschikbaar komen om de kwaliteit, werkzaamheid en veiligheid van het geneesmiddel te waarborgen voordat een handelsvergunning wordt verleend. De ontwikkelingsduur hangt af van het feit hoeveel data al beschikbaar zijn. Omdat het hier gaat om een bekende stof, zal de ontwikkeling van etidronaat voor de behandeling van PXE sneller kunnen gaan dan de ontwikkeling van een hele nieuwe stof.
Voor het registratieproces (de beoordeling door de registratieautoriteiten) is een versneld registratieproces mogelijk, waarin de beoordelingstijd wordt verkort van 210 dagen tot 150 dagen. Deze perioden van 210 dagen of 150 dagen zijn de termijnen zonder klokstops. Een klokstop is een stopmoment in het beoordelingsproces waarbij de firma de tijd heeft om vragen van geneesmiddelenautoriteiten te beantwoorden. In een beoordelingsproces zijn veelal twee klokstops, waarbij de firma binnen 90 dagen de antwoorden moeten indienen. De totale periode wordt dus met maximaal 180 dagen verlengd. Een registratieprocedure neemt minimaal een jaar in beslag.
Acht u het waarschijnlijk dat een nieuw registratietraject – inclusief vereist onderzoek – haalbaar is, gezien het feit dat PXE een zeldzame ziekte is en het aantal patiënten voor een fabrikant te gering is om geld in te investeren?
Ik kan niet inschatten of een nieuw registratietraject voor etidronaat voor de indicatie PXE haalbaar is. Er zijn diverse initiatieven om de ontwikkeling van geneesmiddelen voor zeldzame ziekten (de zgn. weesgeneesmiddelen) te stimuleren. Dit bestaat o.a. uit advies tijdens de ontwikkeling van een geneesmiddel, toegang tot de centrale registratieprocedure bij de EMA, en verlaagde tarieven voor het wetenschappelijk advies en de aanvraag voor de handelsvergunning.
Er is overleg geweest tussen VWS en de onderzoekers uit het artikel. Tijdens dit overleg werd duidelijk dat de onderzoekers door enkele partijen benaderd zijn om te overleggen hoe etidronaat voor deze nieuwe indicatie verder kan worden ontwikkeld.
Hoe lang duurt een nieuwe registratietraject voor etidronaat?
De daadwerkelijke duur van het registratietraject voor een specifiek geneesmiddel kan ik vooraf niet inschatten. Dit hangt af van de beschikbare data in het registratiedossier, de kwaliteit van die gegevens en de vragen die tijdens de beoordeling door de registratieautoriteiten worden gesteld.
Is het mogelijk om een verkort traject van toepassing te laten zijn, aangezien er reeds 40 jaar ervaring is met het geneesmiddel?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn volgens u de mogelijkheden om het desbetreffende geneesmiddel zo snel mogelijk beschikbaar te stellen voor PXE-patiënten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om u in te zetten voor het opnieuw op de markt brengen van het genoemde medicijn tegen botontkalking? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo neen, waarom gaat u dit niet doen?
Zoals ik heb geantwoord in de Kamervragen van mevrouw Dijksma, is er overleg geweest tussen het Ministerie van VWS en de onderzoekers uit het artikel. Tijdens dit overleg werd duidelijk dat de onderzoekers benaderd zijn door meerdere firma’s die dit geneesmiddel in Nederland op de markt willen brengen. Op dit moment acht ik het daarom niet nodig dat ikzelf ook in overleg treed met de farmaceutische bedrijven.
De overval op Rabobank en of banken niet behoren te weten of er crimineel geld in kluisjes wordt opgeborgen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er miljoenen zijn ontvreemd uit de kluisjes van de Rabobank in Oudenbosch?1
Ja.
Wat is de waarde van de gestolen waren?
De overval is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek, dat kan resulteren in vervolging en berechting. Dat betekent dat ik niet inhoudelijk kan ingaan op deze specifieke zaak.
In hoeverre is bekend of het hier geld en goud betrof dat afkomstig is van criminele activiteiten? Deelt u de mening dat, gezien de hoeveelheden, de kans groot is dat het in ieder geval deels crimineel geld betreft?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre behoort een bank te weten wat er wordt opgeslagen in de kluisjes? In hoeverre wist de Rabobank dit in onderhavig geval?
Zowel banken, als andere ondernemingen die kluizen verhuren, vallen in Nederland onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Op grond van de Wwft zijn zij verplicht om onderzoek te verrichten naar hun cliënten en om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-Nederland). Daarmee dient te worden voorkomen dat de dienstverlening van deze instellingen wordt gebruikt voor witwassen of financieren van terrorisme. De Nederlandsche Bank (DNB) is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van deze verplichtingen door banken en andere verhuurders van kluizen.
Het cliëntenonderzoek moet in de eerste plaats worden verricht voordat een zakelijke relatie met een cliënt kan worden aangegaan. Dat betekent in dit geval dat het cliëntenonderzoek moet zijn verricht, voordat een kluis aan de cliënt ter beschikking kan worden gesteld. In het kader van het cliëntenonderzoek moet een bank onder andere de cliënt en diens uiteindelijk belanghebbende(n) identificeren. Ook dient een bank voorafgaand aan de verhuur van een kluis vast te stellen wat het doel en de aard van de huur van de kluis is. De maatregelen die een bank neemt om deze informatie te verzamelen, moeten worden afgestemd op de risico’s in een concreet geval. Indien de risico’s hoger worden geschat, dient een bank aanvullende informatie te vergaren om zich ervan te vergewissen dat zijn dienstverlening niet wordt gebruikt voor onder meer witwassen.
De informatie die met het cliëntenonderzoek wordt vergaard moet daarnaast actueel worden gehouden. Dat vergt een periodieke herbeoordeling van de informatie die met het cliëntenonderzoek is vergaard. Er kan ook sprake zijn van signalen die aanleiding geven om de informatie uit het cliëntenonderzoek opnieuw tegen het licht te houden. In het geval van de verhuur van kluizen kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan opvallende wijzigingen in de frequentie van het bezoek van een cliënt aan diens kluis of wisselende personen die de kluis bezoeken.
De verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland brengt met zich dat een bank tevens zijn relatie met de cliënt moet monitoren. Daartoe dient een bank over procedures te beschikken die haar in staat stellen relevante signalen te herkennen en op te pakken. Er bestaat geen specifieke wettelijke bepaling die een bank ertoe verplicht de inhoud van de kluis (doorlopend) te controleren. Het is evenwel denkbaar dat dit onder omstandigheden wel gebeurt. Op grond van de Wwft geldt immers de verplichting om een melding te maken bij de FIU-Nederland indien er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat er bij de verhuur van een kluis sprake kan zijn van onder meer witwassen. Indien er sprake is van signalen zoals in het voorgaande omschreven, kan het zijn dat een bank zijn cliënt verzoekt de inhoud van een kluis te tonen.
In hoeverre Rabobank in het onderhavige geval de verplichtingen uit de Wwft heeft nageleefd, staat ter beoordeling van DNB.
De vraag of een bank schuldig is aan het meewerken aan criminele activiteiten indien een bank niet weet wat er in een kluis wordt bewaard, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dit is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden, waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit kan voortvloeien. Dat oordeel is uiteindelijk aan de rechter.
In hoeverre is het mogelijk om andere gevaarlijkere zaken in de kluisjes op te bergen, zoals bijvoorbeeld wapens en explosieven?
Een persoon aan wie een vergunning is verleend tot het voorhanden hebben van wapens of munitie is gehouden ervoor te zorgen dat deze in de woning van de verlofhouder worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. Als een deugdelijke bergplaats voor wapens of munitie wordt uitsluitend een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast of wapenkluis aangemerkt, of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee gelijk kan worden gesteld. Een kluis bij een bank komt hier niet voor in aanmerking. Overigens nemen banken die kluizen verhuren doorgaans in hun algemene voorwaarden op dat het verboden is wapens, ontplof- of ontbrandbare stoffen of anderszins gevaarlijke goederen in een kluis te bewaren.
Mocht een bank niet weten wat er in de kluisjes wordt gestopt? Is deze bank dan schuldig aan het meewerken aan witwassen, belastingontduiking en andere criminele activiteiten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe weten bonafide klanten zeker dat hun waar is beschermd en wordt vergoed als de Rabobank niet weet wat er in de kluisjes zat? Is de Rabobank aansprakelijk? Zo ja, hoe gaat het vergoeden van waarde die onbekend is in zijn werk?
In de algemene voorwaarden van banken in Nederland met betrekking tot de verhuur van kluizen wordt doorgaans door de bank bepaald dat de bank aansprakelijk is voor schade van de cliënt tot een bepaald maximumbedrag, indien de schade is ontstaan door verlies of schade aan de inhoud van de gehuurde kluis die niet (mede) aan de cliënt kan worden toegerekend. Het is in dat geval aan de cliënt om de geleden schade aan te tonen.
De Rabobank heeft haar cliënten bij brief geïnformeerd over de gang van zaken naar aanleiding van de overval op de vestiging van Rabobank in Oudenbosch. Daarbij is een inventarisatieformulier meegezonden. In dit formulier kunnen de zaken die in de kluizen werden bewaard door de huurders worden omschreven, vergezeld van aanvullende documentatie zoals foto’s, taxatierapporten en bankafschriften. Na ontvangst van deze formulieren wordt door Rabobank een afspraak ingepland met de huurders van de kluizen. Tijdens deze afspraak kan de huurder nagaan welke zaken uit de gehuurde kluis ontbreken. Indien er zaken ontbreken, wordt de huurder gevraagd een door de politie aangereikte verklaring op te stellen. die als bijlage bij de aangifte van Rabobank wordt gevoegd. Om een claim in te dienen bij de Rabobank, tot vergoeding van de schade die een cliënt heeft geleden door diefstal van goederen, wordt de cliënt tevens gevraagd om een zogenoemd claimformulier in te vullen, als officiële aanvulling op het eerder ingevulde inventarisatieformulier. Hierop worden nogmaals de goederen beschreven, inclusief een waarde per missend item. Na ontvangst van dit door de cliënt ingevulde en ondertekende formulier zal een claim worden beoordeeld. Het is mogelijk dat de Rabobank daarbij een schade-expert inschakelt.
Hoe verhoudt de regulering van opbergen in kluizen zich tot de anti-witwasregulering, melding van ongebruikelijke transacties? Bent u bereid te bezien of de regels met betrekking tot kluisjes bij banken en andere aanbieders nog voldoen en deze, indien nodig, aan te scherpen?
Uit de beantwoording van de vragen 4 en 6 volgt dat de verplichtingen uit de Wwft van toepassing zijn op banken en andere ondernemingen die in de uitoefening van een bedrijf kluizen verhuren. Nederland volgt met deze verplichtingen de Europese anti-witwasrichtlijn, meest recent de vierde EU anti-witwasrichtlijn2, alsmede de internationale standaarden van de Financial Action Task Force. De noodzaak van het aanscherpen van de regelgeving met betrekking tot de verhuur van kluizen staat op dit moment niet vast. In overleg met DNB zal ik bezien in hoeverre het noodzakelijk is nadere aandacht te besteden aan de toepassing van de bestaande regels in Nederland, bijvoorbeeld over de wijze waarop onder andere banken de inhoud van de kluizen op effectieve wijze kunnen monitoren. De Europese Commissie noemt in de supranationale analyse van de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering voor de interne markt van de Europese Unie bijvoorbeeld het verstrekken van guidance hieromtrent.3 De verhuur van kluizen maakt deel uit van de jaarlijkse risico-uitvraag van DNB aan financiële instellingen.
Daarnaast zal ik, door middel van de nationale beleidscyclus witwassen en terrorismefinanciering (die bestaat uit nationale risicoanalyses en beleidsmonitors witwassen en terrorismefinanciering) blijven monitoren of de Nederlandse wet- en regelgeving ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme voldoende effectief is.
Het bericht ‘Veertien patiënten overleden bij medisch onderzoek AMC’ |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Veertien patiënten overleden bij medisch onderzoek AMC»?1
Ja.
Klopt het dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden tussen 2013 en 2016 en is stopgezet? Waarom komen de resultaten hiervan pas nu naar buiten?
Ja, het onderzoek heeft plaatsgevonden tussen 2013 en 2016 en is toen stopgezet. De onderzoekers hebben aangegeven binnen enkele maanden een wetenschappelijke publicatie over de resultaten te verwachten. In het jaarverslag van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO), dat in maart 2017 is gepubliceerd, rapporteert de CCMO voor het eerst over het aantal ernstig ongewenste voorvallen die in het betreffende verslagjaar zich hebben voorgedaan. De ernstige ongewenste voorvallen die zich bij het onderzoek van het AMC hebben voorgedaan in 2016 zijn ook in dit jaarverslag gerapporteerd. De CCMO heeft het onderzoeksdossier opgevraagd bij de METC en zal dit aan een nadere analyse onderwerpen. Waar mogelijk zal de CCMO ingaan op de vraag waarom de deelnemers pas vorige week zijn geïnformeerd. Ik heb de CCMO gevraagd mij op de hoogte te brengen van haar bevindingen. Ik zal u hierover verder berichten als de CCMO haar analyse heeft afgerond.
Klopt het dat van de 27 deelnemers, waarbij een galbuisje via de keel ingebracht, er drie zijn overleden, en dat bij de 27 deelnemers, waarbij het slangetje via de huid en door de lever naar binnen ging, er 11 mensen zijn overleden? Klopt het dat (nog) onduidelijk is hoe dit verschil valt te verklaren? Klopt het dat de behandelingen waarnaar onderzoek werd gedaan allebei bestaande methoden zijn? Klopt het dat beide methoden nog steeds in gebruik zijn? Zo ja, acht u dit reden om nader onderzoek te doen naar de verschillende risico’s die met beide methoden gepaard gaan?
Ja, het aantal mensen dat is overleden klopt, evenals de onderverdeling. Het klopt dat nog niet duidelijk is hoe dit verschil valt te verklaren tussen de al langer bestaande methoden. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of beide methoden nog in gebruik mogen zijn en of er nader onderzoek naar de verschillende risico’s nodig is.
Wat is uw reactie op het feit dat de onderzoekers ontzettend verbaasd waren over aantal mensen dat is overleden en als gevolg hiervan het onderzoek ook hebben gestopt, maar dat de onderzoekers en de medisch-ethische toetsingscommissie, die hiervan op hoogte was, geen melding hebben gedaan bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Op dit moment heeft de inspectie onvoldoende informatie om vast te stellen of er wettelijk gezien een melding gedaan had moeten worden. Dergelijk medisch-wetenschappelijk onderzoek wordt voor aanvang van de studie getoetst door een erkende medisch ethische toetsingscommissie (METC). Hierbij worden de risico’s voor de proefpersonen meegewogen. Als er ernstige ongewenste voorvallen (verwacht en onverwacht) zijn, dan moet de opdrachtgever van het onderzoek dat melden bij de METC. Mochten er onregelmatigheden zijn opgetreden tijdens de uitvoering van de studie, dan ligt het in de rede dat de METC of de CCMO, indien zij daar kennis van hadden, dit bij de inspectie te melden. Indien een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis is opgetreden met overlijden of ernstig letsel tot gevolg, die betrekking heeft op de kwaliteit van zorg dan is de zorgaanbieder wettelijk verplicht dit aan de inspectie melden. Over de genoemde studie is geen melding geweest bij de inspectie.
Hoe beoordeelt u de inschatting van de onderzoekers dat er geen sprake zou zijn van een calamiteit, waarover de inspectie zou moeten worden ingelicht? Is er duidelijk omschreven wanneer er sprake is van een calamiteit en wanneer de IGJ moet worden ingelicht?
Vooralsnog is er geen aanleiding om te stellen dat de onderzoekers een verkeerde inschatting hebben gedaan. In de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) staat vermeld wanneer ernstig ongewenste voorvallen (SAEs) bij de METC en/of de CCMO gemeld moeten worden. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) staat wat er onder een calamiteit wordt verstaan en wanneer de inspectie hierover moet worden ingelicht.
Is de IGJ op dit moment alsnog bezig met een onderzoek? Zo ja, wanneer zijn hiervan de uitkomsten bekend?
Op dit moment is de inspectie niet bezig met een onderzoek. De inspectie heeft contact met het AMC en de CCMO. De inspectie wacht de nadere analyse van deze casus door de CCMO af. De CCMO verwacht de resultaten van haar analyse medio mei te kunnen opleveren. Daarna zal de inspectie bepalen of zij nader onderzoek zal gaan doen.
Het bericht ‘Nederturken klaarstomen voor carrière’ |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederturken klaarstomen voor carrière»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de «islamofascistische sultan» van Turkije, de heer Erdogan, veel te veel invloed uitoefent op het leven van mensen in Nederland, bijvoorbeeld via Diyanet? Zo nee, waarom niet?
Er kan geen sprake zijn van export van de spanningen vanuit Turkije naar Nederland en de Turkse autoriteiten moeten zich onthouden van ongewenste bemoeienis met de keuzes die Nederlandse burgers maken. Wanneer het Kabinet een dergelijke situatie constateert, zal het niet aarzelen de Turkse autoriteiten hier op aan te spreken.
Bent u bereid de activiteiten, banden, belangen, financiering en invloeden van de Union of European Turkish Democrats (UETD), een tak van de AK-Partij van Erdogan, te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Nee, op dit moment zie ik daar onvoldoende aanleiding toe vanuit het perspectief van integratie. Wel heeft er een gesprek plaatsgevonden met de UETD over hun activiteiten, financiering en relatie met de AK-partij.
Hoe lang gaat het nog duren voordat u de islamiserende invloed van Turkije in Nederland een halt toeroept, door bijvoorbeeld moskeeën, Diyanet en aanverwante instellingen te sluiten en geen overleg meer te voeren met islamitische organisaties?
De Nederlandse rechtsstaat kent vrijheid van godsdienst. Dit is een belangrijk grondrecht in onze samenleving. Van het sluiten van moskeeën kan dus geen sprake zijn.
Het bericht ‘Kindcentra krijgt 'extra punten' in Den Bosch’ |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kindcentra krijgt «extra punten» in Den Bosch»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het nieuwe aanmeldingsbeleid van SSPOH2 in Den Bosch? Hoe beoordeelt u het voorgestelde? Deelt u de mening dat ouders vrij moeten zijn in de keuze van dagopvang voor hun kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u het voorgestelde nieuwe aanmeldingsbeleid van de SSPOH dat ouders kan beïnvloeden in hun keuze voor opvang?
Ondertussen heb ik begrepen dat het voorgestelde aanmeldbeleid in Den Bosch is aangepast als reactie op het lokale debat. Daarmee hebben de schoolbesturen gehoor gegeven aan de door verschillende partijen geuite zorgen.3
Vrije schoolkeuze is een groot goed. Zoals in de beantwoording van de vragen van het lid Straus (VVD) van 10 oktober 20164 en de vragen van het lid Van Meenen (D66) van 29 november 20165 is aangegeven, kunnen schoolbesturen, binnen de grenzen van wet- en regelgeving6, onder meer in overeenstemming met hun richting en inrichting, voorrangscriteria hanteren, als zij deze consistent toepassen en er transparant over communiceren. Het kan voorkomen dat ouders of andere direct belanghebbenden zich niet in het aanmeldbeleid voor een school kunnen vinden. Dan kunnen zij, zoals in Den Bosch is gebeurd, in gesprek met het schoolbestuur of kunnen ze een klacht indienen. Mocht dit niet tot een oplossing leiden dan kunnen zij de gehanteerde criteria ter beoordeling voorleggen aan de onafhankelijke rechter.
Deelt u de mening dat het niet aan de basisschool is om op een dergelijke manier sturing te geven aan de keuze van ouders voor dagopvang door ouders?
Zoals ik hiervoor heb aangegeven is vrije keuze een groot goed. Als ouders vinden dat zij in hun vrijheid voor het kiezen van een school of dagopvang worden beperkt door het aanmeldbeleid voor een school, dan zijn er verschillende opties om hier uiting aan te geven. Deze opties kunnen, zoals in het geval van Den Bosch, leiden tot aanpassing van het aanmeldbeleid. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het «belonen» met punten van bepaalde kinderopvangcentra, daarnaast kan leiden tot oneerlijke concurrentie tussen kindcentra? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is er inmiddels sprake van een aangepast voorgenomen aanmeldbeleid van de gezamenlijke schoolbesturen in Den Bosch. Ik vind het positief dat de gezamenlijke schoolbesturen hebben geluisterd naar signalen vanuit ouders en de kinderopvangsector.
Bent u bereid om met instanties in gesprek te gaan om te waarborgen dat alle kinderen eerlijke kansen krijgen om op een basisschool van keuze te komen, ongeacht welke dagopvang er door de ouders gekozen wordt?
Hier zie ik geen aanleiding toe, zie het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Visueel gehandicapten die opeens een veel hogere bijdrage voor vervoer naar werk moeten betalen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zicht op zelfstandige toekomst in gevaar door hoge eigen bijdrage»1, waaruit blijkt dat de eigen bijdrage voor woon-werkverkeer voor visueel gehandicapten veel hoger wordt als er net iets meer verdiend wordt?
Ja.
Bent u bereid dit probleem op te lossen, bijvoorbeeld door de vergoeding van de kosten woon-werkvervoer voor gehandicapten vanaf een modaal inkomen geleidelijker af te bouwen, zodat mensen met een handicap niet opeens met zo veel hogere kosten worden geconfronteerd?
Werkvoorzieningen zijn voorzieningen die iemand nodig heeft om zijn werk te kunnen doen ondanks een handicap. Werkvoorzieningen zijn daarmee een belangrijk onderdeel van de inzet van het kabinet op arbeidsparticipatie van mensen met een beperking en een inclusieve arbeidsmarkt.
De werkvoorzieningen in het kader van WIA en Wajong worden verstrekt door het UWV. Hierbij geldt dat het UWV de kosten vergoedt boven wat algemeen gebruikelijk wordt geacht. Wat de algemeen gebruikelijke kosten zouden zijn zonder handicap is de eigen bijdrage. Het UWV gaat bij de bepaling van de algemeen gebruikelijke kosten uit van richtlijnen voor validiteit en inkomen zoals gesteld in het Re-integratiebesluit. De normbedragen voor eigen bijdragen en inkomensgrenzen worden jaarlijks aangepast aan de prijsontwikkeling en gepubliceerd in het zogenoemde normbedragenbesluit.
Voor de vervoersvoorziening in het bijzonder geldt een eigen bijdrage voor taxivervoer of aangepast eigen vervoer op basis van de algemeen gebruikelijke reiskosten per kilometer. De gemiddelde kosten die een burger in Nederland maakt voor woon/werkverkeer zijn de norm voor de eigen bijdrage. De kosten van een kilometer openbaar vervoer zijn berekend op 0,14 cent; de kosten van het bezit en gebruik van een auto op 0,49 cent per kilometer. Boven een jaarlijks gezinsinkomen van 37.238,34 euro (2018) wordt het bezit van een eigen auto algemeen gebruikelijk geacht en geldt de bijbehorende hogere eigen bijdrage. Daarbij denkt UWV in het persoonlijk contact actief met de klant mee over alternatieve (goedkopere) mogelijkheden voor vervoer en ondersteuning in de specifieke situatie. Een verzachting van de inkomenseffecten via geleidelijke verhoging van de eigen bijdrage zoals voorgesteld, betekent dat stapjes rondom de huidige algemeen gebruikelijke norm worden geïntroduceerd. Een dergelijke aanpassing gaat gepaard met wijziging van regelgeving, een complexere uitvoering en hogere kosten voor de lagere modale inkomens. Daarvoor is niet gekozen.
De dalende belastingdruk op multinationals |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Multinationals pay lower taxes than a decade ago»1?
Ja.
Erkent u dat het niet uit te leggen is dat de effectieve belastingdruk van grote multinationals steeds verder daalt, terwijl de lasten voor burgers juist zijn toegenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het met de vragensteller eens dat het van belang is dat multinationals net zoals alle belastingplichtigen voldoende belasting afdragen. Ook multinationals profiteren immers van de publieke voorzieningen die vanuit belastingen worden gefinancierd. In mijn brief van 23 februari jl. beschrijf ik mijn beleidsinzet om belastingontwijking actief aan te pakken. In deze brief kondig ik een groot aantal maatregelen aan om de belastinggrondslag van zowel Nederland als andere landen te beschermen en de transparantie en integriteit van financiële markten te vergroten. Volgens het artikel in de Financial Times betalen voornamelijk Amerikaanse multinationals te weinig belasting over hun winsten behaald buiten de VS. Los van de precieze cijfers en beelden uit dit artikel zal de implementatie van ATAD 2 per 2020 – die ook in eerder genoemde brief wordt aangekondigd – hier voor een belangrijk deel een eind aan maken. Deze richtlijn bestaat uit maatregelen om te voorkomen dat belastingplichtigen gebruik kunnen maken van structuren waarbij door kwalificatieverschillen tussen belastingstelsels (zogenoemde ‘hybridemismatches’) de belasting in Nederland of in een ander land wordt ontweken. Met de implementatie van ATAD 2 zal onder meer de aantrekkelijkheid van de CV/BV-structuur worden beëindigd.
Hoe heeft de effectieve belastingdruk voor multinationals zich in Nederland ontwikkeld sinds het jaar 2000? Bent u bereid dit te onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De effectieve druk is het bedrag aan belasting dat multinationals betalen in verhouding tot hun commerciële (wereld)winst. Deze gegevens zijn niet in het bezit van de Belastingdienst. Er zal dan ook een separaat onderzoek nodig zijn, wat gepaard zal gaan met de nodige afbakenings- en definitiediscussies, wat de interpretatie van de resultaten als die al op te stellen zijn, zal bemoeilijken.
Wat wel beschikbaar is, zijn gegevens over de ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (Vpb) zoals weergegeven in de Miljoenennota 2018. Uit deze publicatie blijkt dat zowel van het grootbedrijf als het mkb de winsten volatiel zijn. Uit aangiftegegevens blijkt dat de aandelen van het grootbedrijf en het MKB in de vpb-opbrengst in de jaren 2008–2016 vrij constant zijn gebleven. Vanaf 2014 zijn de totale vpb-ontvangsten flink aangetrokken, wat geen verschuiving tussen groot- en kleinbedrijf teweeg heeft gebracht. Wel neemt het aandeel van de financiële sector de afgelopen jaren toe. Op basis van deze gegevens kan gesteld worden dat het herstel van de winsten in deze sector langer heeft geduurd na de financiële crisis. Het aandeel van de vpb-ontvangsten over de gasproductie is sterk teruggelopen de afgelopen jaren door de lagere gasproductie. 2)
In mijn eerder genoemde brief van 23 februari schrijf ik dat er EU-voorstellen zijn over een publiekeCountry-by-Country Reporting voor grote internationaal opererende bedrijven om voor het publiek zichtbaar te maken op welke wijze multinationals in de EU hun belastingverplichtingen nakomen. Dit voorstel houdt in dat multinationals met een wereldwijde omzet van meer dan € 750 miljoen jaarlijks informatie moeten publiceren over de winst of verlies voor belastingen, de verplichtingen op het gebied van winstbelastingen en de betaalde winstbelastingen (en verder over de aard van hun activiteiten, het aantal werknemers, de netto-omzet, en de gecumuleerde winst). Nederland heeft in Brussel actief geparticipeerd met als doel om tot een akkoord te komen. Door in te zetten op publieke CBC in Europees verband ontstaat er zo een brede benchmark.
Erkent u dat de belastingwedloop – het almaar verlagen van tarieven en het versmallen van de grondslag – debet is aan deze ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet voornemens om maatregelen zoals afschaffing van de dividendbelasting en het verlagen van de statutaire tarieven in de Vpb te heroverwegen. Het kabinet neemt zowel maatregelen om een aantrekkelijk investeringsklimaat voor reële activiteiten van ondernemingen te borgen als maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan. Zo wordt de dividendbelasting afgeschaft maar worden daarnaast bronbelastingen op rente- en royaltystromen naar zogenoemde ‘low tax jurisdicties’ geïntroduceerd. Ook worden de statutaire Vpb-tarieven weliswaar verlaagd naar een niveau zoals we dat ook kennen uit de Scandinavische landen en rond het EU-gemiddelde, maar dit wordt – in de structurele situatie – hoofdzakelijk gefinancierd door grondslagverbreding. Met deze maatregelen wordt het stelsel economisch minder verstorend, terwijl de kabinetsinzet niet bijdraagt aan schadelijke belastingconcurrentie als het gaat om de Vpb-inkomsten. Ik herken mij daarom niet in de door u gesuggereerde trend van versmalling van de grondslag.
Bent u bereid om de maatregelen die bijdragen aan die wedloop van dit kabinet – zoals de afschaffing van de dividendbelasting, de verlaging van de winstbelasting – in te trekken?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol spelen de internationale verrekenprijzen in de almaar lagere belastingdruk op multinationals? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het kader van het Base Erosion and Profit-Shifting-project zijn – met het oog op de bestrijding van belastingontwijking – de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen aangepast. Het doel is te voorkomen dat via de prijsstelling van transacties winsten kunnen worden verschoven naar landen waar de waarde niet is gecreëerd. Toepassing van het arm’s-lengthbeginsel kan ertoe leiden dat de fiscale winst op basis van het arm’s-lengthbeginsel opwaarts of neerwaarts wordt bijgesteld. In het bijzonder dat laatste effect kan knellen met het oog op de door het kabinet beoogde aanpak van belastingontwijking. Daarom heb ik in eerder genoemde brief van 23 februari aangekondigd onderzoek te doen naar deze implicatie van het arm’s-lengthbeginsel in de winstbelasting.
Wat gaat u doen om de race naar beneden van de winstbelasting, die het gevolg is van de internationale belastingwedloop, te stoppen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4 en 5.
Het bericht ‘Hypotheekkeurslijf nekt starters en senioren’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hypotheekkeurslijf nekt starters en senioren»?1 Wat is uw reactie hier op?
Ik ben bekend met dit artikel en herken het beeld dat er verschillen zijn tussen kredietverstrekkers in de mate waarin zij maatwerk toepassen.
Deelt u de mening dat het belangrijk is voor starters en senioren om een eigen huis te kunnen financieren en dat maatwerkhypotheken in het bijzonder voor die groepen een uitweg kunnen bieden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat consumenten toegang hebben tot verantwoorde hypotheekverstrekking. De hypotheeknormen in de Regeling Hypothecair Krediet beschermen consumenten tegen overkreditering. In individuele gevallen kan een hogere hypotheek, dan op basis van de hypotheeknormen is toegestaan, verantwoord zijn. Om deze reden biedt de Regeling Hypothecair Krediet kredietverstrekkers ruimte om in individuele gevallen middels maatwerk (de zogeheten explainmogelijkheid) van de inkomensnormen af te wijken. Ook voor starters en senioren kan dit in individuele gevallen verantwoord zijn. Het platform maatwerk heeft in 2017 onderzoek gedaan naar maatwerk bij hypotheekverstrekking en geconstateerd dat starters en senioren in bepaalde situaties tegen belemmeringen aanlopen2. Met de sector zijn hier toen oplossingsrichtingen voor uitgewerkt.
In hoeverre zijn de regels rondom maatwerk bekend bij hypotheekverstrekkers en hypotheekadviseurs?
Vorig jaar is tijdens het platform maatwerk geconstateerd dat het in specifieke klantsituaties bij kredietverstrekkers onduidelijk was wanneer maatwerk verantwoord is. Dit betrof senioren met een aflossingsvrije hypotheek en senioren die willen verhuizen naar een goedkopere koopwoning en daarbij soms belemmerd worden door de inkomenstoets. De Autoriteit Financiële Markten heeft in reactie hierop de eerder genoemde verduidelijking opgesteld. Kredietverstrekkers hebben aangegeven tevreden te zijn met deze verduidelijking. Daarnaast is geconstateerd dat de bepaling over de toetsrente in de Regeling Hypothecair Krediet belemmerend kan zijn voor senioren die een hypotheek afsluiten met een kortlopend leningdeel. De Regeling Hypothecair Krediet is op dit punt aangepast.
De uitkomsten van het platform worden momenteel geëvalueerd. Mijn eerste beeld is dat er nu voldoende duidelijkheid is bij kredietverstrekkers en dat de uitkomsten van het platform maatwerk tot significante verbeteringen geleid hebben.
In de berichtgeving wordt verwezen naar een onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH) naar het gebruik van maatwerk. Ik heb de resultaten met VEH besproken. Volgens mijn informatie komt uit het onderzoek niet naar voren dat kredietverstrekkers bang zijn om de vastgestelde richtlijnen onjuist toe te passen. VEH bevestigt daarnaast dat een aantal kredietverstrekkers nu meer ruimte biedt voor maatwerk, onder meer in de specifieke situaties waarin onduidelijkheid bestond.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek van de Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat een groot deel van de hypotheekverstrekkers de ruimte die de Autoriteit Financiële Markten (AFM) sinds 2013 biedt voor maatwerk onvolledig benut, in het bijzonder als het gaat om senioren en starters?
Tijdens het platform maatwerk is onderzoek gedaan naar het gebruik van maatwerk. Kredietverstrekkers kunnen zelf bepalen of zij alleen standaardhypotheken aanbieden of ook maatwerk leveren. Dit is veelal een commerciële afweging. Een deel van de kredietverstrekkers gaf aan zich bewust te richten op standaardhypotheken. Daarnaast speelt de wijze waarop de kredietverstrekker de hypotheekportefeuille financiert een rol (de funding) en de mate waarin de acceptatie is uitbesteed. Ten slotte gaven kredietverstrekkers en hypotheekadviseurs aan dat het leveren van maatwerk extra kosten met zich meebrengt en dat dit meespeelt bij de afweging om al dan niet maatwerk aan te bieden.
De uitkomsten van het platform worden momenteel geëvalueerd. De Kamer zal voor de zomer over de uitkomsten worden geïnformeerd.
Is het waar dat hypotheekverstrekkers terughoudend zijn met maatwerk voor huizenkopers uit angst voor het onjuist toepassen van de vastgelegde richtlijnen? Is de door de AFM gepubliceerde verduidelijking ontoereikend geweest?2 Zo ja, zou u de AFM willen vragen nieuwe, toereikende verduidelijkingen te publiceren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke stappen kunt u nog zetten om maatwerk voor onder andere starters en senioren verder te stimuleren?
Zie antwoord vraag 3.
De beïnvloeding van Nederlanders in Nederland door Turkse lobbyorganisatie gelieerd aan AK-partij |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederturken klaarstomen voor carrière»?1
Ja.
Wat is de Union of European Turkish Democrats (UETD) voor organisatie, welke rechtsvorm heeft het en welke rol en grootte heeft de organisatie in Nederland? Hoeveel Nederlanders met een Turkse achtergrond zijn lid en hoeveel afdelingen zijn er inmiddels?
UETD Nederland is naar eigen zeggen een vereniging die zich ten doel stelt de participatie en emancipatie van Turkse Nederlanders te bevorderen. De vereniging heeft ongeveer 900 leden en beschikt over afdelingen in Rotterdam, Amsterdam, Arnhem, Utrecht, Den Haag, Eindhoven en Oss. De vereniging is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
Is het waar dat de UETD gelieerd is aan de AK-partij van president Erdogan? Kunt u inzicht geven in de financiering van de UETD en ook aangeven of de organisatie nationale en/of lokale subsidie ontvangt en zo ja welke dat zijn?
Het UETD-bestuur geeft aan dat er geen formele banden zijn met de AK-partij. Desalniettemin wordt de organisatie algemeen gezien als Europese organisatie die gelieerd is aan de AK-partij. Vast te stellen valt dat de organisatie activiteiten ontplooit die bijdragen aan de belangen van de AK-partij. Dit blijkt onder andere uit de activiteiten van de UETD waarbij Turkse politici, bijvoorbeeld parlementariërs van de AK-partij, deelnemen aan bijeenkomsten van de UETD NL. UETD NL heeft verklaard géén subsidies te ontvangen uit binnen – of buitenland en dat financiering van haar activiteiten plaatsvindt door middel van contributiegelden van individuele leden en donateurs.
Is het waar dat de UETD betrokken was bij het conflict tussen Nederlandse Turken na de couppoging in Turkije, waarbij «vermeende Gülen-aanhangers» werden geïdentificeerd en zwartgemaakt, hetgeen soms leidde tot heftige ruzies op scholen en schoolpleinen tussen groepen ouders? Zo ja, is hierover namens de Nederlandse overheid met de UETD gesproken en op welke wijze?
Het bestuur van UETD NL geeft aan dat zij hun leden nooit hebben geadviseerd om op dergelijke wijze betrokken te zijn bij conflicten na de couppoging in Turkije. Vanuit het rijk heeft er een gesprek plaatsgevonden met de UETD over hun activiteiten, financiering en relatie met de AK-partij.
Bent u bekend met het feit dat vorig jaar zeventig jongeren zijn klaargestoomd door de UETD om in Nederland de politiek in te gaan en dat zij inmiddels op verschillende lijsten van politieke partijen staan? Zo ja, wat vindt u hiervan? Onder welke wetgeving vallen deze activiteiten en (hoe) vindt hierop toezicht plaats?
De UETD geeft aan dat zij workshops organiseren voor Turks-Nederlandse jongeren over onder andere het Nederlandse en Turkse politieke bestel. Als het gaat om politieke participatie dan bepalen politieke partijen in Nederland wie er kandidaat kan zijn voor verkiezingen. Uiteraard is het daarbij van belang dat politieke partijen ook nagaan of de potentiele kandidaten zonder last politieke functies kunnen vervullen.
Ziet u een risico in het feit dat de UETD Nederlanders met Turkse achtergrond op hun Turkse loyaliteit aanspreekt en hen vraagt deze ook in de Nederlandse politiek in te zetten? Zo ja, wat doet u eraan om dit risico terug te dringen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u in wet- en regelgeving dat ongewenste buitenlandse beïnvloeding en het tegenwerken van integratie kan plaatsvinden door organisaties als de UETD? Welke rol spelen de Nederlandse veiligheids- en inlichtingendiensten en welke mogelijkheden heeft het kabinet om in te kunnen grijpen als er sprake zou zijn van activiteiten of oproepen die ingaan tegen de Nederlandse rechtsstaat, het belang van Nederland of die integratie tegenwerken? Bent u bereid van die mogelijkheden gebruik te maken?
In de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 maart 2018 over ongewenste buitenlandse inmenging (Kenmerk 2223363) is toegelicht hoe het kabinet omgaat met ongewenste buitenlandse inmenging.
Bent u bereid deze vragen binnen vier weken te beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het nog te plannen plenaire debat over de vermeende jihadpreek in Hoorn die door Turkije zou zijn gedicteerd en de intimidatie van Turkse Nederlanders door de Turkse regering?
Ja.
De berichten dat oude diesels niet meer welkom zijn in Arnhem en Maastricht |
|
Martijn van Helvert (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de berichten gelezen dat oude diesels niet meer welkom zijn in Arnhem en Maastricht?1 2 3
Ja.
Kunt u aangeven hoe zich dit verhoudt tot hetgeen in het regeerakkoord ten aanzien van milieuzones is afgesproken?
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gemeld (Kamerstuk 30 175, nr. 289), wil ik concrete afspraken maken over de harmonisatie van milieuzones met gemeenten, waaronder Arnhem en Maastricht, en de VNG.
Ik vind het van groot belang dat er één helder landelijk vastgesteld systeem komt, dat effectief stuurt op het reduceren van luchtverontreinigende stoffen en eenvoudig is voor de automobilist. Het blijft de bevoegdheid van de gemeente om te bepalen of en waar een milieuzone wordt ingevoerd en in hoeverre deze proportioneel is als maatregel om luchtkwaliteit te verbeteren.
Deelt u de visie dat een wirwar van gemeentelijke milieuzones dreigt te ontstaan, nu Maastricht met een milieuvignet vervuilende auto’s wil weren?
Ik ben met gemeenten, waaronder Maastricht en Arnhem, in gesprek over harmonisatie van de milieuzone en de wijze van handhaving. Uitgangspunt daarbij is om te komen tot een eenduidig en herkenbaar systeem van milieuzones.
Kunt u aangeven wanneer een landelijke indeling van categorieën van vervuilende auto’s te verwachten is en hoe die indeling in hoofdlijnen zal zijn?
Voor de zomer wil ik tot concrete afspraken komen. Ik wil hierbij gebruik maken van de kennis en ervaringen van onze buurlanden.
Kunt u ook aangeven hoe en wanneer een uniforme bebording ingevoerd kan worden, zodat verwarring over de strekking van bebording bij gemeentelijke milieuzones tot het verleden gaat behoren?
Om de uniforme bebording te regelen, is een aanpassing van het RVV nodig. Het veranderen hiervan kost tijd. Ik verwacht dat dit uiterlijk 1 januari 2020 is geregeld. Ik wil afspraken met gemeenten maken hoe we de harmonisatie tot die tijd gezamenlijk kunnen vormgeven.
Kunt u aangeven hoe de uitspraak van de Minister-President dat het voornemen van de gemeente Arnhem om de milieuzone in te stellen niet verstandig is vanwege economische schade, kan worden geduid?
De gemeente weegt bij de instelling van een milieuzone de verschillende belangen, zoals luchtkwaliteit, leefbaarheid en economische gevolgen tegen elkaar af.
Deelt u de uitspraken van de Minister-President dat de milieuzone ten koste van de economie en banen gaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om spoedig met de gemeenten in overleg te treden om de versnippering van de aanpak, kort voor de invoering van een landelijke werkwijze, te voorkomen?
Ja, ik wil voor de zomer concrete afspraken maken met gemeenten over de harmonisatie van milieuzones.
Deelt u de visie dat het volstrekt onacceptabel zou zijn als buitenlandse automobilisten eventuele boetes niet zouden betalen?
Ja, het boeteregime zou voor iedereen gelijk moeten zijn.
Bent u bereid met de betrokken gemeenten te bezien hoe de inning van buitenlandse boetes verbeterd kan worden aangezien het inningspercentage gemiddeld slechts circa 75% procent.
Ja, ik ben daartoe bereid.
Het woningtekort onder senioren |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woningtekort voor senioren richting 100.000»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat bijna 100.000 senioren wegens woningnood niet naar een aangepaste woning kunnen verhuizen?
De diversiteit van de situatie van ouderen is zeer groot: er zijn verschillen in inkomen, opleiding, gezondheid, grootte van het sociale netwerk etc. De meeste ouderen willen zo lang mogelijk in hun eigen huis blijven wonen. Onder andere door ontwikkelingen in de zorg en technologische innovaties is dat steeds beter mogelijk. Als ouderen willen verhuizen komt dat voort uit verschillende motieven. De vraag kan bijvoorbeeld voortkomen uit de wens om kleiner en/of gelijkvloers te wonen, dichter bij voorzieningen te wonen, om meer sociale contacten te hebben etc. Door deze variëteit aan woonwensen bestaat er ook een grote variëteit aan woningen die specifiek geschikt zijn voor ouderen. Daarnaast bestaan er ook veel reguliere woningen waar ouderen, al dan niet met een kleine of grote aanpassing, in kunnen wonen.
De diversiteit in het aanbod maakt dat er geen eenduidige definitie is voor begrippen als seniorenwoning, ouderenwoning of aangepaste woning. Dit maakt dat zowel het aanbod van als de vraag naar aangepaste woningen lastig te kwantificeren is. Daarmee is dus ook het tekort aan geschikte woningen voor ouderen die willen verhuizen en voor hoeveel ouderen dit niet mogelijk is lastig te bepalen. Het getal van 100.000 woningen herken ik dan ook niet. Wel blijkt uit de Monitor Investeren voor de Toekomst, die in juni 2017 naar uw Kamer is gestuurd2, dat in het bijzonder oudere huurappartementen in stedelijke gebieden vaak niet tegen acceptabele kosten toe- en doorgankelijk zonder traplopen te maken zijn. Gemeenten en corporaties kunnen in hun bouw- en doorstroombeleid inspelen op deze situaties.
Net als voor andere woningzoekenden geldt voor ook ouderen dat zij niet altijd de woning vinden die zij wensen omdat deze niet direct beschikbaar of betaalbaar is op de plek waar ze dat graag willen. Een geringe beschikbaarheid kan komen doordat de doorstroming stokt of doordat het aanbod te klein is. De inschatting is dat vooral het aanbod van woonvormen «tussen huis en instelling in», vaak een wooncomplex met een ontmoetingsruimte, klein is. De gewenste toename zal op het lokale niveau tot stand moeten komen en vergt een goede samenwerking tussen gemeenten, woningcorporaties, zorgaanbieders, projectontwikkelaars, investeerders en particuliere initiatiefnemers. Het kabinet wil deze partijen steunen. De Minister van VWS en ik zullen de invulling hiervan opnemen in het programma Langer Thuis en in de Nationale Woonagenda (conform de motie Dik-Faber). Uw Kamer zal beide documenten voor de zomer ontvangen.
Hoe zorgt u ervoor dat het gedwongen blijven wonen in een niet-aangepaste woning niet leidt tot gevaarlijke situaties? Hoe waarborgt u de veiligheid van de ouderen die geen kant op kunnen?
Net als andere bewoners zijn ouderen in eerste instantie zelf primair verantwoordelijk voor een veilige thuissituatie. Indien de gezondheid achteruit gaat kunnen er beperkingen optreden waardoor het veiligheidsrisico groter wordt. De oudere kan in dat geval ervoor kiezen op maat gesneden maatregelen te treffen in de bestaande woning of te verhuizen Gemeenten en corporaties kunnen hen daarbij adviseren en ondersteunen. Het is op grond van de Wmo 2015 aan de gemeente om elke melding van een ingezetene met een ondersteuningsvraag, waaronder een woningaanpassing, zorgvuldig te onderzoeken. In dit onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte staan de kenmerken van de persoon en diens situatie centraal. Daar waar een ingezetene aangeeft dat een woningaanpassing bijdraagt aan zijn zelfredzaamheid en participatie, dient dat in die betreffende situatie dus zorgvuldig door de gemeente te worden onderzocht. Movisie ontwikkelt daarnaast op dit moment een handreiking hoe gemeenten aan het thema brandveiligheid en valpreventie aandacht kunnen geven in het keukentafelgesprek. Specifiek rekening houdend met de brandveiligheid van ouderen doe ik onderzoek naar het breder voorschrijven van zelfsluitende deuren in nieuwe woongebouwen, naar geluidsterkte en frequentie van rookmelders en naar de mogelijkheid voor ouderen om in geval van brand de lift te kunnen gebruiken. Daarnaast worden in het concept Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) zwaardere rookdoorgangseisen opgenomen voor nieuwbouw. In mijn brief van 18 januari 2018 over het Actieplan Toegankelijkheid voor de bouw (Kamerstuk 33 990 nr. 63) heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd.
Deelt u de mening dat er de afgelopen jaren structureel veel te weinig is bijgebouwd? Deelt u de mening dat de overheid de woningmarkt aan zijn lot heeft overgelaten en onze ouderen en andere woningzoekenden hier nu de dupe van zijn?
Tijdens de crisisjaren is de vraag naar woningen en daarmee ook de vraag naar nieuwbouwwoningen zeer laag geweest. Daardoor is de bouwproductie fors afgenomen, wat gevolgen heeft gehad voor de capaciteit bij bouwers en gemeenten. Onder andere door het herstel van de economie is de vraag naar woningen weer aangetrokken, maar het opbouwen van bouwcapaciteit kost tijd. Het gaat hierbij om beschikbaarheid van plancapaciteit, maar ook langere levertijden van bouwmaterialen en een kwantitatief en kwalitatief tekort aan personeel bij overheden en marktpartijen. Inmiddels wordt er weer volop gebouwd, maar zeker in de regio’s waar het woningtekort zodanig is opgelopen dat er ook op de langere termijn nog een flink tekort wordt verwacht, is het nodig om de woningbouw verder te versnellen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk ordeningsbeleid en de besluitvorming over bouwlocaties ligt bij gemeenten en provincies. Het nationale belang is daar aanvullend op en kan voor alle partijen versterkend werken. Daarom wil ik samen met gemeenten, provincies en andere betrokken partijen het woningtekort aanpakken. Hiervoor neem ik de komende jaren een actieve rol op mij. Daarom werk ik met partijen in het woondomein aan een Nationale Woonagenda en ga ik in gesprek met de grote stedelijke regio’s waar het woningtekort het meest omvangrijk en de ruimtelijke invulling het meest complex is. Daarbij moet de woningbouw zoveel mogelijk aansluiten bij de vraag van woningzoekenden: bouwen naar behoefte dus. Door te borgen dat er ook op de langere termijn voldoende concrete bouwplannen zijn om in de regionale woningbehoefte te voorzien kan ook de continuïteit van de bouwproductie verbeteren. Daarom richt ik de regionale gesprekken over woningbouw in deze regio’s naast het versnellen van bestaande bouwplannen met name ook op de beschikbaarheid van voldoende plancapaciteit op de langere termijn.
Hoe gaat u het woningtekort wegwerken? Op welke termijn verwacht u dat het woningtekort verdwenen zal zijn? Welke rol ziet u daarbij voor het Rijk weggelegd, en welke rol voor provincies en gemeenten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat ouderen geen aangepaste woning kunnen krijgen, terwijl statushouders nog altijd in de watten worden gelegd met gratis woningen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Gemeenten, woningcorporaties en private partijen zorgen voor zowel aangepaste woningen als voor voldoende huisvesting voor statushouders.
Het artikel 'Het voelt als dat bordspel: De Betoverende Doolhof' |
|
Jan Middendorp (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Het voelt als dat bordspel: De Betoverende Doolhof»?1
Ja.
Hoeveel grenswerkers zijn er, zowel in Nederland als Nederlanders over de grens?
Vanuit Nederland naar België: 10.000
Vanuit Nederland naar Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen: 11.000
Vanuit België naar Nederland: 38.000
Vanuit NRW en NdS naar Nederland: 34.0002
Hoe beoordeelt u de zin: »Elke instantie weet wel iets, maar niemand weet het hele verhaal»?
Nationale staten, ook Nederland, hechten aan het nationale primaat voor het sociaaleconomisch beleid, zoals de organisatie van de arbeidsmarkt, loonvorming, sociale zekerheid en pensioenen. Dat betekent dat de (potentiële) grenswerker zich zal moeten verdiepen in de stelsels van het potentiële werkland om te bepalen wat de verplichtingen, rechten en (financiële) gevolgen zijn van werken over de grens. Een optimale voorlichting is daarom cruciaal, zodat de (potentiële) grenswerker niet voor verrassingen komt te staan. Die voorlichting is digitaal te vinden via www.grensinfo.nl of door contact op te nemen met het grensinfopunt dat het dichtst in de buurt ligt (te vinden via www.grensinfopunt.eu). De materie waar grenswerkers tegenaan lopen als zij aan de slag willen in België of Duitsland, of vanuit die landen in Nederland, is ingewikkeld, maar de deskundigheid en advisering van de medewerkers van de grensinfopunten wordt breed gewaardeerd. Dat blijkt ook uit de recent door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar uw Kamer toegezonden evaluatie van de grensinformatiestructuur.3 Het is niet altijd mogelijk om alle mogelijke gevolgen, die vanwege verschillende persoonlijke omstandigheden voor ieder individu anders kunnen liggen, ter plekke inzichtelijk te maken. Maar de structuur zit zo in elkaar dat er korte lijnen zijn met diverse deskundigen van de Bureaus voor Belgische en Duitse Zaken van de Sociale Verzekeringsbank en het Team GWO (Grensoverschrijdend Werken en Ondernemen) van de Belastingdienst in Nederland. Zij vormen de backoffice waar de grensinfopunten terecht kunnen met complexe vragen. Ook Belgische en Duitse instanties hebben deskundigen paraat die er voor zorgen dat (potentiële grenswerkers) adequaat en snel geholpen worden.
Deelt u de mening dat het niet nodig zou moeten zijn dat een grensarbeider een gespecialiseerde boekhouder in de arm neemt om geen fouten te maken bij het naleven van de relevante fiscale- en andere regelgeving in de landen waar hij woont en werkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden tot oplossingen te komen in bilaterale overeenkomsten tussen betrokken EU-landen zonder dat dat «meer Europa» hoeft te betekenen, zoals het artikel suggereert?
In het betreffende artikel wordt onder meer gerefereerd aan fiscale aspecten in de sfeer van de inkomstenbelasting. Daarvoor heeft Nederland bilaterale belastingverdragen gesloten met de buurlanden met als doel het voorkomen van dubbele belasting. In deze verdragen wordt bijvoorbeeld ook bepaald hoe omgegaan kan worden met bepaalde aftrekposten en deze verdragen bevatten een compensatieregeling. Met die regeling kan een in Nederland wonende grenswerker worden gecompenseerd, zodat hij fiscaal niet nadeliger af is dan zijn buurman die in Nederland werkt. Bij vragen over belastingheffing in Nederland, België of Duitsland bij grensoverschrijdende situaties kunnen de grensinfopunten en het team Grensoverschrijdend Werken en Ondernemen van de belastingdiensten van deze landen behulpzaam zijn.
Monitort het Ministerie van Binnenlandse Zaken de ontwikkeling in de parameters, die in de conclusies van het CPB in hun onderlinge combinatie verantwoordelijk worden gehouden voor hogere werkloosheid en lagere lonen aan de grens, zoals verschillen in onder andere taal, cultuur en transportnetwerk?
Een brief over de stand van zaken van het grensoverschrijdend beleid met daarin de voortgang van alle actiepunten, waaronder buurtaal en -cultuur en bereikbaarheid, die voor de grensoverschrijdende economie en arbeid in januari 2017 zijn opgesteld, stuur ik voor het algemeen overleg over grensoverschrijdende samenwerking van 25 april 2018 naar uw Kamer.
Het bericht 'Europees Parlement trakteert zichzelf op miljoenen voor verkiezingen' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de nieuwe begroting van het Europees parlement (EP) voor het eerst boven de twee miljard uitstijgt?1
De begroting van het Europees parlement voor 2019 wordt momenteel voorbereid in het Europees parlement. Het kabinet acht het aan de leden van het parlement om de eigen begroting te bepalen binnen de financiële kaders van de EU-begroting en is van mening dat deze moet passen binnen een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.
Hoe oordeelt u over de opvatting dat er extra geld naar het EP zou moeten, omdat de verkiezingen «de toekomst van het continent zullen bepalen» volgens een interne nota?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er acht miljoen bovenop de reeds geraamde vijfentwintig miljoen uitgetrokken wordt voor een publiciteitscampagne? Vindt u dit bedrag proportioneel?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat het doel van deze extra middelen is dat de Europese politieke groepen EVP, ALDE en PES meer uit de schaduw van nationale partijen treden en de voormannen van deze Europese partijen extra in de kijker te zetten?
Momenteel behandelt het Europees parlement een ontwerprapport over de begroting van het Europees parlement voor het jaar 2019. Er zijn amendementen ingediend en er zal een stemming over deze amendementen en van het rapport plaatsvinden in de EP-Budget Commissie op 16 april 2018 en vervolgens hoogstwaarschijnlijk in de plenaire vergadering van 19 april 2018. Het kabinet acht het van belang dat uitgaven van het Europees parlement rechtmatig worden uitgegeven, onder meer in lijn met financiële kaders, zoals de verordening over financiering van Europese Politieke Partijen.
Vindt u het ook vreemd dat het EP belastinggeld reserveert voor verkiezingen, terwijl de Tweede Kamer dit niet doet bij nationale verkiezingen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de campagnes van partijen, nationaal dan wel Europees, betaald zouden moeten worden door deze partijen zelf, en niet door de belastingbetaler? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De subsidiëring van Europese politieke partijen is geregeld in de verordening betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Deze verordening staat toe om deze subsidie te besteden aan de campagne voor de verkiezingen van het Europees parlement. Nederlandse politieke partijen mogen de subsidie die zij op basis van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) ontvangen eveneens besteden aan activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes. De Wfpp is recentelijk integraal geëvalueerd door een onafhankelijke Evaluatie- en Adviescommissie. Deze commissie heeft niet geadviseerd om de subsidiabele activiteiten te wijzigen.
Vindt u het proportioneel dat de Europese belastingbetaler jaarlijks ongeveer twee miljard kwijt is aan Europarlementariërs?2
Het kabinet wijst op de afspraken over administratieve uitgaven binnen het Meerjarig Financieel Kader en acht het van belang dat deze nagekomen worden.
Klopt het dat er 700 mensen werken op de afdeling communicatie van het Europees parlement, en dat «de ene helft bezig is met het managen van de anderen helft»? Kunt u hun werkzaamheden toelichten, inclusief financiële onderbouwing? Wat heeft de Europese burger aan deze communicatie-afdeling?
Het Europees parlement draagt zelf verantwoording over de wijze waarop het zijn eigen begroting inricht en controle uitoefent op uitgaven die in het kader van die begroting worden gedaan. Over de wijze waarop controle geschiedt en over de allocatie van de middelen acht het kabinet de leden van het Europees parlement zelf primair verantwoordelijk. Tegen deze achtergrond acht het kabinet het dan ook aan de leden van het Europees parlement zelf om te beoordelen in hoeverre zij het voor de uitoefening van hun taken wenselijk achten dat er een communicatieafdeling is en dat er informatiekantoren zijn in de lidstaten. Uitgangspunt voor het kabinet blijft dat bestaande financiële kaders niet overschreden worden.
Wat is volgens u de toegevoegde waarde van de informatiekantoren van het EP in ieder van de achtentwintig lidstaten? Acht u het proportioneel dat deze kantoren bijna een half miljard van het budget voor het EP opslokken en dat er tevens bijna een half miljard beschikbaar is voor het organiseren van vergaderingen, archivering en parlementaire assistentie? Wat heeft de Europese burger aan deze activiteiten? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het schokkend is dat de commissie voor begrotingscontrole van het EP maar moeizaam de verantwoording van de middelen kan controleren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid het signaal af te geven dat van meer middelen voor het EP geen sprake kan zijn, zolang niet transparant is hoe geld besteed wordt en signalen dat er geld verspild wordt talrijk zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ten aanzien van administratieve uitgaven, waaronder de kosten van het Europees parlement, is het kabinet van mening dat deze uitgavencategorie ook een bijdrage dient te leveren aan de bezuinigingsopgave als gevolg van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU. In het algemeen maakt het kabinet zich ten aanzien van de EU-instellingen en internationale organisaties sterk voor versobering en modernisering van arbeidsvoorwaarden in lijn met het publieke karakter van de instelling en de sector waarin de instelling opereert.
Het bericht ‘Volleybalbond denkt aan organisatie WK 2022’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Volleybalbond denkt aan organisatie WK 2022»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het voor de beleving, voorbeeldfunctie en topsport als middel belangrijk is om onze Nederlandse sporthelden op grote toernooien in eigen land medailles te zien halen?
Ja.
In de wetenschap dat er een buitencategorie topsportevenementen is met een begroting van minimaal 20 miljoen euro, waar extra investering dan wel garantstelling nodig is om ze binnen te kunnen halen, bent u bereid om in overleg te gaan met die sportbonden, zoals onder andere de Nederlandse Volleybalbond (Nevobo), voor wie deze buitencategorie sportevenementen geldt om erachter te komen wat nodig is om deze evenementen binnen te halen?
Het initiatief om een bid uit te brengen ligt bij de sportbond. Ik ben bereid om mee te kijken of de rijksoverheid, binnen de bestaande beleidskaders, daarbij een rol kan spelen. Ik neem hierover op korte termijn contact op met de betrokken partijen.
Klopt het dat in het huidige evenementenkader een maximale maximale bijdrage vanuit de overheid opgenomen is voor het organiseren van topsportevenementen? Hoe hoog is deze maximale bijdrage? Is deze toereikend om de buitencategorie topsportevenementen in Nederland te kunnen organiseren?
In het huidige beleidskader wordt onderscheid gemaakt in vier categorieën evenementen met bijbehorend maximaal subsidiebedrag:
Daarnaast moeten sportevenementen aan een aantal aanvullende concrete voorwaarden voldoen en is een eventuele subsidietoekenning afhankelijk van het budget dat per jaar beschikbaar is.
Bent u bereid om het evenementenkader tegen het licht te houden om te kijken of deze grens, indien nodig, te verhogen om deze buitencategorie topsportevenementen binnen te kunnen halen en de regelgeving zo aan te laten sluiten bij de ambitie en extra middelen uit het regeerakkoord om Europese kampioenschappen (EK's), wereld kampioenschappen (WK's) en multisportevenementen te ondersteunen?
Zoals met uw Kamer eerder afgesproken wordt het huidige beleidskader sportevenementen dit jaar geëvalueerd. De resultaten zijn in het najaar beschikbaar. Ik verwacht ook een advies van de Nederlandse sportraad over de financiering van sportevenementen. Op basis hiervan bepaal ik in het najaar of en hoe het beleidskader moet worden aangepast. Ik zal uw Kamer daarover informeren.
Indien u bereid bent om het evenementenkader tegen het licht te houden, bent u dan tevens bereid om rekening houden met het tijdspad van biedprocedures voor onder andere het WK volleybal 2022?
Ik zal hierover in gesprek gaan met Nevobo en bekijken wat er in het tijdspad mogelijk is.
De woekerrente op rood staan bij banken |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat grootbanken tussen de 11 en 14 procent rente vragen voor het rood staan op particuliere betaalrekeningen?1 2 3 4
Deelt u de mening dat deze rente onevenredig hoog is, zeker gezien de lage rentestand in het Eurogebied?
Erkent u dat deze rente op een dienst, die automatisch wordt aangeboden in pakketten voor betaalrekeningen, gezien kan worden als woekerrente? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Is het niet vreemd dat een doorlopend krediet bij bijvoorbeeld de ING rond de 7 procent rente kent, terwijl de rente op rood staan bij dezelfde bank het dubbele is (13,9 procent)?5
Hoeveel verdienen banken door de woekerrente op rood staan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoeveel banken verdienen met de rente die wordt gerekend op roodstanden is mij niet bekend, aangezien het hier gaat om bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Is de «spread» tussen de wettelijke rente en het maximale kredietvergoedingspercentage nog altijd 12 procent? Zo ja, waarom is de «spread» 12 procent en niet lager?6
Wat is de maximale rente voor rood staan in andere lidstaten van de Europese Unie (EU)?
Een globale verkenning van de regulering van roodstandfaciliteiten in andere lidstaten van de Europese Unie, leert dat de rente voor rood staan vaak niet is gemaximeerd. Het Verenigd Koninkrijk kent bijvoorbeeld wel een maximale kredietvergoeding (van 100%) voor zogenaamde «payday loans» (kortlopende en kleine kredieten), maar niet specifiek voor roodstandfaciliteiten. Duitsland kent ook geen maximale kredietvergoeding voor rood staan. België kent wel wettelijke maximale jaarlijkse kostenpercentages (JKP’s) voor rood staan. Momenteel geldt daar voor roodstandfaciliteiten een wettelijk maximaal JKP van 10,5% voor bedragen tot € 1.250 en 9,5% voor bedragen hoger dan € 1.250. In het geval van wanbetaling kan dit percentage verhoogd worden met maximaal 10% van de laatst toegepaste debetrentevoet. In dat geval kan er dus een percentage van 11,55%, respectievelijk 10,45% in rekening worden gebracht.
Erkent u dat het hanteren van hoge rentes op rood staan de schuldenproblematiek kan verergeren, doordat mensen een steeds grotere schuld moeten aflossen? Zo nee, waarom niet?
Er is een verschil tussen structureel en incidenteel rood staan. Incidenteel rood staan en dan vooral voor geringe bedragen is niet per definitie problematisch. Het uitgangspunt dat banken hanteren bij roodstanden is dat het tijdelijk moet zijn en niet past bij een structurele leenbehoefte van de klant. In dat laatste geval zijn andere leenproducten meer passend en verantwoord, zoals een persoonlijke lening. Banken wijzen klanten daar in de regel ook op. Zo wordt bijvoorbeeld aangegeven aan klanten die rood staan en spaargeld hebben dat het vereffenen van roodstand met spaargeld voordeliger is. Er wordt daarbij rekening gehouden met relevantie voor klanten. Er zijn daarnaast voorwaarden die ervoor zorgen dat klanten niet eenvoudig en ongelimiteerd rood kunnen staan. Zo is het bedrag dat de klant netto per maand op zijn rekening gestort krijgt bepalend voor de maximale limiet van die roodstand. In de productbeschrijvingen van banken staat duidelijk waar het product voor bedoeld is (bijvoorbeeld af en toe rood staan, maar niet permanent). Eens in de drie maanden moet de klant een positief saldo hebben op zijn betaalrekening. Doordat bij een roodstandfaciliteit een verplichting geldt dat de klant eens in de 3 maanden positief moet staan, hebben banken monitoring ingericht, die ervoor zorgt dat voortijdig met klanten contact wordt gezocht om hen er op te wijzen dat de roodstand dient te worden aangevuld. Dit wordt eventueel gekoppeld aan het kijken naar goedkopere alternatieven.
In december 2016 is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) naar de werking van de kredietwaarschuwing «Let op! Geld lenen kost geld». Op basis van dit onderzoek is toegezegd kritisch te kijken naar de beleidsdoelstellingen van de kredietwaarschuwing en de AFM te vragen om de risico’s voor consumenten op de consumptief kredietmarkt verder in kaart te brengen. De uitkomsten worden binnenkort met uw Kamer gedeeld. Daarbij zal ik ingaan op de (werking van de) maximale kredietvergoeding en de relatie tussen consumptief krediet en problematische schulden.
Komt het voor dat personen door toedoen van overheidsinstanties in het rood komen te staan, bijvoorbeeld vanwege een bankbeslag? Zo ja, deelt u de mening dat het ongewenst is dat personen door toedoen van de overheid een hoge rente moeten betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?7
Het is mogelijk dat personen door toedoen van overheidsinstanties rood komen te staan. Deze instanties kunnen van verschillende invorderingsmiddelen gebruik maken. De Invorderingswet 1990 kent bijvoorbeeld twee procedures waarbij beslag kan worden gelegd op banktegoeden. Het betreft het derdenbeslag onder betaaldienstverleners en de zogenaamde overheidsvordering. Bij het derdenbeslag wordt niet getreden in de kredietruimte van particulieren. Het instrument overheidsvordering legt een geautomatiseerd beslag van ten hoogste € 500 per keer op een betaalrekening van een particulier. De overheidsvordering volgt de systematiek van de automatische incasso. Bij een automatische incasso wordt geen onderscheid gemaakt tussen een positief saldo of eventueel aanwezige kredietruimte. Een overheidsvordering kan dus ook worden toegepast op die kredietruimte.
Bij de inning van verkeersboetes in de zin van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt gebruik gemaakt van bankbeslag, indien verhaal zonder dwangbevel wordt toegepast op grond van artikel 27 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Daarbij wordt aangesloten bij de voornoemde systematiek van de overheidsvordering, waarbij maximaal 500 euro per bankbeslag wordt verhaald. Conform de systematiek van de overheidsvordering is daarbij geen inzicht of er na het toepassen van het bankbeslag in de kredietruimte van particulieren wordt getreden of dat het bestaansminimum hierdoor wordt geraakt.
De Belastingdienst en het CJIB zetten de bovengenoemde middelen niet zomaar in. De Belastingdienst stuurt alvorens de overheidsvordering toe te passen bij een belastingaanslag, eerst een aanmaning en vervolgens een dwangbevel. Het CJIB stuurt, alvorens over te gaan tot bankbeslag bij een boete, eerst twee aanmaningen. Wanneer na inzet van de overheidsvordering respectievelijk het bankbeslag onverhoopt schrijnende situaties ontstaan, kan het door de overheidsvordering of het bankbeslag geïnde bedrag op verzoek van de schuldenaar worden gerestitueerd. Voor het overige geldt dat de overheid weliswaar de kredietruimte reguleert, maar niet treedt in de overwegingen van de particulier om al dan niet kredietruimte af te nemen. Het is aan de rekeninghouder om kredietruimte op een betaalrekening overeen te komen met de financiële dienstverlener.
Hoe oordeelt u over de verwachting van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) dat een verlaging van de maximale kredietvergoeding leidt tot meer gebruik van de roodstand, tot een strikter acceptatiebeleid door banken en tot hogere prijzen voor andere diensten? Erkent u dat deze verwachtingen allerminst zeker zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?8
In 2014 heeft onderzoeksbureau CEG in opdracht van de ACM onderzoek gedaan (onder andere) de effecten van het verlagen van de maximale kredietvergoeding. In het rapport is geconcludeerd dat ingrijpen in roodstandtarieven waarschijnlijk gepaard zal gaan met tegengestelde effecten die de positief bedoelde effecten teniet doen. Tarieven van andere betaaldiensten als onderdeel van particuliere betaalrekening zullen daardoor – ook voor kwetsbare consumenten – waarschijnlijk stijgen. Ook is het aannemelijk dat consumenten die door deze tariefverlaging uitgesloten worden van de betaaldienst roodstand, zullen kiezen voor duurdere alternatieven als flitskredieten. Deze verwachtingen zijn niet zeker, maar de ACM heeft geen aanleiding heeft gezien de conclusies van CEG niet te volgen. De ACM was en is van mening dat het aanscherpen van tariefregulering op roodstand geen effectieve en efficiënte manier is om de consument te beschermen. Volgens de ACM zou dan ook niet gekozen moeten worden voor generieke maatregelen, maar zouden eventuele maatregelen zich specifiek moeten richten op bescherming van de kwetsbare consument. De ACM heeft het belang van de consument en in het bijzonder het belang van de lagere kosten voor de consument dus wel meegewogen in haar oordeel.
Is het niet vreemd dat de ACM het belang van de consument van lagere kosten niet betrekt bij haar oordeel? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Acht u het een juiste redenering dat de rentestand afschrikwekkend zou zijn als mensen die geld nodig hebben erg gemakkelijk rood kunnen staan, terwijl tarieven nauwelijks bekend zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het beter is om rood staan en schulden te bestrijden met andere middelen dan een hoge rentevergoeding? Zo ja, wat gaat u doen aan de woekerrentes?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de effecten van een lagere maximale rentestand op de schulden van huishoudens te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.