De Nieuwsuurreportage ‘Honderden Roma-kinderen in Nederland uitgebuit’ |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reportage «Honderden Roma-kinderen in Nederland uitgebuit» in Nieuwsuur uitgezonden op 21 januari 2018?
Ja.
Herkent u de specifieke problematiek rondom een deel van de Roma-gezinnen met kinderen waar verwaarlozing, schoolverzuim, uithuwelijking en criminele activiteiten een beduidende rol spelen? Welke inzet pleegt u om deze multi-problematiek aan te pakken en de kinderen te bescherming tegen uitbuiting?
Er is kennis over deze problematiek opgedaan in het programma Aanpak uitbuiting Roma kinderen en in het project 13Oceans. In het antwoord op de vragen 4 en 5 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU) heb ik u geïnformeerd over het vervolg hierop (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1589)
Heeft u inzicht in het aantal kinderen met een Roma-achtergrond dat wordt uitgebuit bij criminele activiteiten?
Hiertoe verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1589).
In welke gemeentes in Nederland speelt de genoemde problematiek? Wordt in al deze gemeentes intussen gewerkt volgens de aanbevelingen uit het rapport «Aanpak multi-problematiek bij gezinnen met een Roma-achtergrond»?1 Zo nee, wat is daarvan de reden?
In de gemeenten Veldhoven, Nieuwegein, Ede, Lelystad, Capelle aan den IJssel, Enschede, Utrecht, Den Bosch en Gilze en Rijen is de problematiek bij een aantal gezinnen geconstateerd. Gemeenten kunnen de aanbevelingen van het rapport genaamd «De oogst van negen keer proeftuinen»2 benutten. De deelnemende gemeenten die de genoemde aanbevelingen blijvend hebben overgenomen zijn Veldhoven en Lelystad. Deze gemeenten hebben vanaf de start van de aanpak lokaal-bestuurlijke steun ontvangen waardoor zij de aanbevelingen hebben kunnen door ontwikkelen. Er zijn verschillende redenen waarom de andere gemeenten de aanbevelingen hebben losgelaten. Bij een gemeente verviel de noodzaak of het zicht op de problematiek, bij een ander verwaterde de aanbevelingen door onvoldoende bestuurlijke steun. Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 4 en 5 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU) is een landelijk adviseur multi-probleemgezinnen met een Roma-achtergrond aangesteld die de op dit terrein vergaarde kennis actief onder de aandacht brengt bij professionals en gemeenten.
Wat is nodig om de informatie-uitwisseling over risicogezinnen tussen gemeentes te bevorderen? In hoeverre moet de informatie-uitwisseling met het buitenland versterkt worden, bijvoorbeeld met landen als Bulgarije en Roemenië?
Ik verwijs u voor een nadere toelichting over de ketenbrede (zorg- en strafrechtketen) aanpak naar de Kamerbrief over de afronding van het programma Aanpak uitbuiting Roma kinderen3 en de antwoorden op de vragen 4 en 5 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU).
Indien bij de opsporing van mensenhandel sprake blijkt te zijn van verbanden met een ander land, wordt samenwerking gezocht. In sommige gevallen wordt ook een gezamenlijk internationaal onderzoeksteam (Joint Investigation Team) opgezet, zoals bij het onderzoek 13Oceans is gebeurd met Bosnië-Herzegovina en Oostenrijk. Opsporingsinformatie over mensenhandel wordt gedeeld binnen het project EMPACT THB. In dit verband verwijs ik ook naar het antwoord op vraag 6 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1589).
Hoe wordt voorkomen dat door bijvoorbeeld handelingsverlegenheid door (overheids-)instanties zgn. multi-probleem gezinnen met een Roma-achtergrond soms jarenlang normafwijkend gedrag kunnen vertonen zonder dat zij daarvan de consequenties ondervinden? Is het voorgekomen dat kinderen uit huis geplaatst zijn, dan wel dat op andere wijze is ingemengd in het ouderlijk gezag ter bescherming van het kind? Kunt u (geanonimiseerde) voorbeelden hiervan geven?
Het is belangrijk dat overheidsinstanties adequaat optreden tegen normafwijkend gedrag, zoals schoolverzuim, criminaliteit en overlast. Handelingsverlegenheid kan voortkomen uit de complexiteit van de doelgroep met soms schrijnende problematiek op meerdere leefgebieden, gebrek aan intrinsieke motivatie bij de doelgroep, criminele factoren, mobiliteit van de minderjarigen binnen en buiten de landsgrenzen en de verwachtingen uit de gemeenschap in relatie tot het gezinssysteem. Een complexe ketensamenwerking tussen de strafketen en zorgketen (onderwijs en participatie en dergelijke), een sterke informatiepositie, heldere regie en bevlogen professionals die voor langere periode inzetten op deze doelgroep zijn noodzakelijk om normafwijkend gedrag aan te pakken.
In het antwoord op de vragen 4 en 5 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU) heb ik aangegeven hoe wordt ingezet op het vergroten van de expertise en handelingskracht van professionals, beleidsmakers en bestuurders.
Omdat kinderen bij de RvdK niet worden geregistreerd op etniciteit, kan ik niet aangeven of en hoe vaak Roma kinderen uit huis zijn geplaatst dan wel op andere wijze is ingemengd in het ouderlijk gezag ter bescherming van het kind.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU), kan, als de ontwikkeling van een minderjarige ernstig in gevaar is, door de kinderrechter een kinderbeschermingsmaatregel worden opgelegd.
In hoeverre werken uw ministeries volgens de aanbevelingen uit het hierboven genoemde rapport? Welke maatregelen zet u in om te voorkomen dat kinderen worden uitgebuit en van generatie op generatie in de criminaliteit in worden geduwd, temeer nu eind 2016 het programma aanpak uitbuiting Roma-kinderen is afgerond?2
Ik verwijs u naar de antwoorden op de vragen 4 en 5 en het antwoord op vraag 6 van de leden Kuik (CDA) en Van der Graaf (CU).
Welk ministerie draagt de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van een integrale Rijksbrede aanpak? Heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ondersteunende rol voor kennisuitwisseling tussen gemeentes? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Justitie en Veiligheid trekken gezamenlijk op bij de aanpak van (multi)problemen in Roma gezinnen en faciliteren gemeenten en professionals bij het aanpakken van deze problematiek.
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ondersteunt gemeenten in het kader van het brede jeugdbeleid. De kennisinstituten Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en Movisie, die gefinancierd worden door het ministerie VWS, vervullen een rol bij het verzamelen, verrijken en delen van kennis. Een ander voorbeeld is het ZonMw-programma Academische Werkplaatsen Transformatie Jeugd (2015–2020). ZonMw zet zich er voor in dat de kennis voor álle gemeenten beschikbaar komt.
Belasting op een Duitse tegemoetkoming voor betaalde premies voor de zorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom de Duitse tegemoetkoming voor de premie Wet langdurige zorg (Wlz) en bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), de Deutsche Rentenversicherung (DRV) wordt aangemerkt als belastbaar inkomen?1
Inwoners van Nederland met een pensioen uit Duitsland kunnen een tegemoetkoming (Zulage) krijgen van de Deutsche Rentenversicherung (DRV), voor de premie Wlz (voorheen premie AWBZ) en de bijdrage Zvw die zij in Nederland hebben betaald. Dit hangt samen met het feit dat inwoners van Nederland doorgaans sociaal verzekerd zijn in Nederland en over de door de DRV uitgekeerde bedragen premieplichtig zijn. Indien men premieplichtig was geweest in Duitsland zou men ook recht hebben gehad op een tegemoetkoming in de kosten van de ziekteverzekering. Naar Nederlandse fiscale maatstaven wordt de Duitse tegemoetkoming aangemerkt als een periodieke uitkering zoals genoemd in artikel 3:101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de onderdelen waaruit deze pensioenuitkeringen bestaan (pensioen en tegemoetkoming). Deze tegemoetkoming behoort daarmee tot het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1).
Welke andere tegemoetkomingen voor de betaalde premie Wlz en bijdrage Zvw uit Nederland of uit andere landen kent de Belastingdienst? Worden deze allemaal als belastbaar inkomen gezien door de Belastingdienst? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Belastingdienst kent geen andere tegemoetkomingen voor de betaalde premie Wlz en bijdrage Zvw uit Nederland of uit andere landen.
Voorheen kende Nederland ook een dergelijke tegemoetkoming. In de periode 2006–2012 ontvingen werknemers van hun werkgevers een vergoeding voor de premie inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB Zvw). Deze vergoeding behoorde ook tot het belastbare inkomen uit werk en woning (box 2).
Kunt u uitleggen waarom de Deutsche Rentenversicherung door de Belastingdienst wel, en door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) niet als inkomen wordt gezien? Acht u dit onderscheid logisch, ook gezien de hierdoor toenemende complexiteit voor burgers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er wordt onderscheid gemaakt tussen de door de DRV betaalde uitkering en de door de DRV betaalde tegemoetkoming. Volgens het UWV wordt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in beginsel alleen gekort met inkomsten uit arbeid. Als het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking is verricht, wordt voor het loonbegrip aangesloten bij het fiscale loonbegrip. Voor de vaststelling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering houdt het UWV in beginsel alleen rekening met looninkomsten, maar hierop is een aantal specifieke uitzonderingen gemaakt. Een van de uitkeringen die wel op de WAO-uitkering wordt gekort is een buitenlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering (i.c. de uitkering van de Deutsche Rentenversicherung). UWV kort deze Deutsche Rentenversicherung op brutoniveau. Zowel Belastingdienst als UWV merken de door de DRV uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsverzekering aan als inkomen.
Het inkomensbegrip voor de WAO is echter een stuk beperkter dan het inkomensbegrip voor de belastingheffing in box 1. De Duitse tegemoetkoming (Zulage) voor de in Nederland verschuldigde premie AWBZ/Wlz en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw vormt voor de WAO geen inkomsten uit arbeid en komt daarmee niet in mindering op de WAO-uitkering. Zou er wel sprake zijn van inkomsten uit arbeid, dan zou ook de Duitse tegemoetkoming in mindering komen op de WAO-uitkering. Er is geen juridische basis om de Duitse tegemoetkoming te korten op de WAO-uitkering. Het aldus ontstane onderscheid berust op het verschil in aard en doel tussen de regelingen in de fiscaliteit versus die in de sociale zekerheid, waaronder die van de werknemersverzekeringen.
Hoeveel mensen in Nederland krijgen een DRV?
In 2016 kregen 64.404 personen een uitkering van de Duitse DRV.
Is de definitie die de Belastingdienst van het begrip inkomen hanteert op meerdere vlakken afwijkend van de definitie die het UWV hanteert? Kunt u de verschillen uiteenzetten en de logica erachter uitleggen?
Het inkomen uit hoofde van de Duitse tegemoetkoming (Zulage) behoort tot het belastbare inkomen uit werk en woning, het zogenoemde wereldinkomen. Het wereldinkomen geldt daarnaast als uitgangspunt voor de premie volksverzekeringen, zodat over de Duitse tegemoetkoming belasting is verschuldigd. Het fiscale
inkomensbegrip is ruimer dan het inkomensbegrip voor de werknemersverzekeringen, waaronder i.c. de WAO dat gebaseerd is op het loon. Zoals hiervoor is aangegeven berust het onderscheid op het verschil in aard en doel tussen de regelingen in de fiscaliteit versus die in de sociale zekerheid, waaronder die van de werknemersverzekeringen.
Het bericht ‘Lijst taksparadijzen halveert’ |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Lijst taksparadijzen halveert»?1
Ja.
Om welke redenen zijn Barbados, Grenada, Zuid-Korea, Macao, Mongolië, Panama, Tunesië en de Verenigde Arabische Emiraten van de zwarte lijst gehaald? Kunt u per land specifiek de redenen aangeven waarom dat land niet meer op de zwarte lijst staat? Is er sprake van een daadwerkelijke gedragsverandering of is er slechts sprake van goede intenties en mooie woorden?
Ik verwijs voor een antwoord op deze vragen naar het verslag van de Ecofinraad van 23 januari jl.2 dat op 29 januari jl. aan uw Kamer is verzonden. In dit verslag wordt ingegaan op de redenen waarom de genoemde landen niet langer op de lijst met non-coöperatieve jurisdicties staan. In dat verslag is ook ingegaan op de criteria, het proces van het plaatsen van landen op een lijst met non-coöperatieve jurisdicties en het vervolg.
Wat zijn de criteria teneinde op de grijze lijst te staan?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is de grijze lijst niet openbaar? Bent u bereid te delen welke landen op de grijze lijst staan? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de grijze lijst alsnog openbaar wordt?
De landen die op de «grijze lijst» staan, worden door de EU als coöperatieve jurisdicties omschreven. Deze landen hebben zich gecommitteerd op uiterlijk in 2018 hun wetgeving aan te passen naar de internationale en EU-standaarden waaraan ze getoetst zijn en waar ze op dit moment niet (volledig) aan voldoen. Deze lijst met coöperatieve jurisdicties en de lijst met non-coöperatieve jurisdicties zijn beide vastgesteld tijdens de Ecofinraad van 5 december en opgenomen in de Raadsconclusies.3 Ik heb in de bijlage4 bij deze antwoorden deze landen opgesomd. Dat deze informatie niet eenvoudig vindbaar is, vind ik onbevredigend. Nederland heeft afgelopen weken daarom opnieuw bij verschillende gelegenheden aangegeven meer transparantie te willen rondom de EU-Gedragscodegroep, zeker waar het gaat om de EU-lijst met non-coöperatieve jurisdicties.
Wij begrijpen dat u heeft gepleit voor sancties voor landen die op de zwarte lijst staan, hoe werd gereageerd op dit pleidooi? Wat gaat u doen om sancties realiteit te maken? Welke landen liggen dwars op dit punt?
In 2016 en 2017 hebben EU-lidstaten geregeld besproken of en zo ja, welke tegenmaatregelen konden worden genomen in het kader van de EU-lijst. In deze discussies heeft Nederland aangegeven voorstander te zijn van tegenmaatregelen. Nederland heeft tevens aangegeven dat enige flexibiliteit daarbij gewenst is, zodat lidstaten de voor hun wetgeving meest effectieve maatregel(en) kunnen invoeren. Een aantal EU-lidstaten wilde geen enkele tegenmaatregel overeenkomen, omdat zij van mening zijn dat de lijst op zichzelf al voldoende druk geeft op landen om hun wetgeving aan te passen. Een aantal lidstaten wilde juist wel verplichte tegenmaatregelen overeenkomen, om daarmee zoveel mogelijk druk uit te oefenen op landen om hun wetgeving aan te passen. Uiteindelijk is een compromis bereikt en zijn zowel fiscale als niet-fiscale tegenmaatregelen overeengekomen.5 Een van deze niet-fiscale tegenmaatregelen is dat in het EFSD (European Fund for Sustainable Development) een link wordt gelegd met de EU-lijst. Op fiscaal gebied hebben EU-lidstaten zich gecommitteerd om ten minste één van de volgende drie administratieve tegenmaatregelen toe te passen: (i) intensivering van het toezicht op bepaalde transacties, (ii) verhoogd risico op controle voor belastingplichtigen die voordelen ondervinden van bepaalde regimes of (iii) verhoogd risico op controle voor belastingplichtigen die structuren gebruiken waarin landen voorkomen die op de lijst staan. EU-lidstaten zijn ook een lijst met optionele tegenmaatregelen overeengekomen. EU-lidstaten zijn niet verplicht één van deze optionele tegenmaatregelen in te voeren. Later deze maand stuur ik u een afzonderlijke brief waarin ik uw Kamer uitgebreider informeer over de brede kabinetsinzet bij de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking en brievenbusconstructies. In die brief zal ik ook nader ingaan op tegenmaatregelen in het kader van de EU-lijst.
Welke sancties heeft u in gedachten? Kunt u hierbij specifiek ingaan op een mogelijke gezamenlijke bronbelasting op dividenden, royalties en interest richting deze landen, alsmede op een aftrekbeperking op betalingen aan deze landen?
Zie antwoord vraag 5.
Een taalcommissie van de NOS |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «NOS-taalcommissie Blank = verboden woord»?1
Ja.
Wat is de taakopdracht van deze Taalcommissie?
De NOS volgt voor de spelling de website spellingsite.nu. Die is opgezet door Het Genootschap Onze Taal. Daarnaast zijn er interne taal- en stijlafspraken. De taalcommissie bij de NOS bestaat uit een aantal redacteuren die in de gaten houden of er eenduidigheid is in spelling- en taalgebruik en kwalificaties die worden gebruikt. Dit is overigens gebruikelijk bij meer media-organisaties. Iedere redactie maakt daarbij zijn eigen afwegingen.
Welke besluiten heeft zij de afgelopen vijf jaar genomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u de notulen openbaar maken?
Zie antwoord vraag 2.
Sinds wanneer bestaat zij en wie heeft deze ingesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Wie hebben er zitting in deze commissie?
Zie antwoord vraag 2.
Wie heeft hen benoemd? Op voorspraak van wie? Op grond van welke expertise?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier is gewaarborgd dat deze commissie representatief is voor ons gehele volk of zijn het toch weer voornamelijk Sylvana Simons-achtigen die hierin zitting hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Op grond waarvan meent deze commissie dat het woord «blank» een negatieve connotatie heeft? Is hier enige wetenschappelijk bewijs voor of is er weer sprake van politiek-correct macrameeën?
Graag verwijs ik u voor nadere uitleg van de redactionele keuzes van de NOS naar https://over.nos.nl/uw-reacties/taal-en-tikfouten en de antwoorden op 15 veel gestelde taalvragen.
Waarom heeft «zwart» geen negatieve connotatie? Kunt u ook hier weer de wetenschappelijke onderbouwing voor geven?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het een kenmerk is van een dictatuur dat het de woordenschat van een volk probeert te beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het boek 1984 van George Orwell?
In een open, pluriforme, parlementaire democratie, zoals wij die kennen met onafhankelijke media, is dat eventuele gevaar in elk geval niet aan de orde. Ik ben van opvatting dat de politiek afstand moet houden van dergelijke redactionele keuzes in tegenstelling tot de doelstelling van het Ministry of Truth2.
Het bericht 'Boer kan fipronil-mest niet kwijt' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boer kan fipronil-mest niet kwijt»?1
Ja.
Klopt het dat binnenkort de verbrandingscentrale BMC-Moerdijk voor onderhoud buiten werking wordt gesteld?
Ja. De Biomassacentrale Moerdijk (hierna: BMC Moerdijk) zal vanaf half mei 2018 in onderhoud gaan voor een periode van minimaal zes weken.
Klopt het dat er momenteel per week meer vervuilde mest moet worden verbrand dan 1.000 ton, de maximale capaciteit bij BMC-Moerdijk? Zo ja, klopt het dat de overcapaciteit van besmette fipronil-mest wordt verbrand in de afvalverbrandingsinstallatie van ARN BV te Weurt?
Volgens informatie van de sector ligt er momenteel ca. 11.000 ton met fipronil verontreinigde pluimveemest te wachten op verwerking. Ten behoeve van het vergroten van de verwerkingscapaciteit van met fipronil verontreinigde pluimveemest heeft ARN BV te Weurt van de Omgevingsdienst Nijmegen een tijdelijke vergunning gekregen voor het verbranden van deze mest in zijn afvalverbrandingsinstallatie (hierna: AVI). Deze AVI heeft eind 2017 éénmalig 2.500 ton met fipronil verontreinigde pluimveemest verbrand. Deze mest is samen met de reguliere afvalstromen van de AVI verbrand.
Klopt het dat de boeren die moeten uitwijken naar de afvalverbrandingsinstallatie in Weurt op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel A, van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) hierover afvalstoffenbelasting (ASB) van 13,11 euro per 100 kg moeten betalen?
Welke situatie aan de orde is bij het verbranden van (met fipronil verontreinigde) pluimveemest hangt af van de vraag of deze mest wordt verbrand in een inrichting, en zo ja, of – gelet op de installatie – het reguliere tarief danwel het nihiltarief van toepassing is.
Op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) wordt afvalstoffenbelasting (hierna: ASB) geheven over de afgifte ter verwijdering (storten of verbranden) van afvalstoffen aan een inrichting. Er is sprake van een inrichting als het gaat om: 1) een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer (hierna: Wm), werken daaronder niet begrepen, waarin afvalstoffen worden gestort; 2) een inrichting als bedoeld in de Wm waarin blijkens een op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) afgegeven omgevingsvergunning huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand. De houder van de inrichting is belastingplichtig voor de ASB.
Op grond van artikel 28, eerste lid, onderdeel c, van de Wbm bedraagt het tarief van de ASB nihil in geval van het verbranden van afvalstoffen in een installatie, waarin op grond van bij of krachtens de Wm of de Wabo gestelde voorschriften, dan wel een op grond van de Wabo afgegeven omgevingsvergunning, géén huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen en gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand. Deze bepaling ziet mede op het verbranden van afvalstoffen in een installatie waarin uitsluitend (naar haar aard) zuivere biomassa wordt verbrand. In alle andere gevallen bedraagt het tarief in geval van het verbranden van afvalstoffen € 13,21 per 1.000 kg in 2018 (€ 13,11 per 1.000 kg in 2017).
Ditzelfde doet zich voor bij het verbranden van snoeiafval of sloophout. Worden afvalstoffen afgegeven bij een inrichting waarbij het reguliere tarief van toepassing is en bevinden zich hieronder snoeiafval of sloophout, dan is daarover ASB verschuldigd. Hier is geen hardheidsclausule op van toepassing. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever dit gevolg heeft beoogd.2
Klopt het dat over de mest die bij BMC-Moerdijk wordt verbrand geen ASB moet worden betaald? Zo ja, waarom deze verschillende behandeling?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het voor de getroffen boeren bijzonder onbillijk uitpakt dat zij in deze toch al zware crisis te maken krijgen met een belasting door een probleem waar ze zelf niets aan kunnen doen?
Ik ben mij bewust van de impact die de fipronilaffaire heeft gehad, en vaak nog heeft, op de getroffen bedrijven en hun gezinnen. Het is echter de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om over de hele keten te borgen dat voedsel veilig wordt geproduceerd en toe te zien op de geschiktheid van de middelen die op een bedrijf worden gebruikt, waarbij ik besef dat deze situatie een aantal bedrijven hard raakt.
In geval pluimveehouders hun pluimveemest laten verbranden bij een inrichting als bedoeld in de Wm, waarin blijkens een op grond van de Wabo afgegeven omgevingsvergunning huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand (zoals een AVI), is de houder van die inrichting ASB verschuldigd. Het maakt daarbij niet uit of de pluimveemest fipronil bevat.
Een aanpassing van de Wbm om in de ASB voor incidentele gevallen een vrijstelling of nihiltarief op te nemen ligt niet in de rede. In het kader van vergroening is in het regeerakkoord juist afgesproken dat het tarief voor het verbranden en storten van afvalstoffen wordt verhoogd en de grondslag wordt verbreed. Dit verhoudt zich slecht tot het aanpassen van de ASB om meer afvalstromen vrij te stellen.
Er wordt door zowel de sector als mijn ministerie gewerkt aan andere mogelijkheden om de met fipronil verontreinigde pluimveemest te verwerken. Samen met de sector heb ik een protocol opgesteld om voorraden van met fipronil verontreinigde pluimveemest veilig van bedrijven af te kunnen voeren naar reguliere verwerkers in het land. Dit zal het aanbod beperken van met fipronil verontreinigde pluimveemest die verbrand moet worden. Daarnaast wordt er geëxperimenteerd met een product dat de fipronil in de pluimveemest zou kunnen afbreken. Tenslotte wordt er met de sector gekeken naar de mogelijkheden voor tussenopslag.
Verder verwijs ik uw Kamer graag naar de antwoorden op de vragen van Geurts (CDA) en Dik-Faber (CU) (Kamerstuk 26 991, nr. 518) die uw Kamer onlangs heeft ontvangen.
Deelt u de mening dat het onbillijk is en het nooit de bedoeling kan zijn dat het Rijk verdient aan het leed van anderen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat op reststromen van snoeiafval en hout de hardheidsclausule van toepassing is, waardoor daarover geen ASB wordt geheven?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vragen 4 en 5.
Deelt u de mening dat, zeker met het oog op de sluiting van BMC-Moerdijk half mei 2018, het redelijk en billijk is om op de verbranding van fipronil-mest op andere locaties niet langer ASB te heffen en daarmee niet langer de kas van het Rijk te spekken? Zo ja, op welke termijn kan de ASB worden gewijzigd? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vragen 6 en 7.
Het bericht dat een groeiende groep Syriërs terug wil naar huis |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groeiende groep vluchtelingen uit Syrië wil terug naar huis»?1
Ja.
Aangezien diverse openbare bronnen vermelden dat regio’s in Syrië als Homs, Idlib, Hama, Damascus en Aleppo relatief veilig zijn, kunt u aangeven wat de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) belet vluchtelingen te begeleiden bij vrijwillige terugkeer naar Syrië wanneer zij bij de IOM aangeven dit te willen?
De afgelopen maand heb ik gesprekken gevoerd met het hoofd van de Nederlandse missie van IOM en de Directeur-Generaal van IOM en daarin aangegeven dat het gelet op het vrijwillige karakter van deze terugkeer wenselijk zou zijn als IOM hierbij zou kunnen ondersteunen. Door IOM is aangegeven dat IOM het verzoek van Nederland begrijpt en dat IOM het recht op terugkeer ook uiteraard erkent. Ondersteuning hierbij door IOM beschouwt IOM op dit moment niet opportuun. Er is een aantal redenen waarom IOM geen ondersteuning kan bieden bij de vrijwillige terugkeer van (individuele) terugkeerders naar Syrië.
Voor IOM is het belangrijk dat wanneer mensen willen terugkeren IOM hen na terugkeer ook ondersteuning kan bieden in Syrië zelf. Dat is op dit moment niet mogelijk omdat IOM slechts beperkt in Syrië aanwezig is. IOM vindt de situatie in Syrië, die ook van dag tot dag verandert op dit moment nog te gevaarlijk. Ook is er sprake van een wisselende politieke context. Daar waar er wel aanwezigheid is, met name in het zuiden en noorden/noordoosten van Syrië, is IOM voornamelijk bezig met het bieden van humanitaire hulp aan de grote groepen binnenlands ontheemden.
Een andere reden is dat IOM opereert onder het mandaat van de VN. Voor het bieden van ondersteuning bij terugkeer is in het algemeen de medewerking van de autoriteiten in de landen van herkomst nodig. Indien IOM in dit geval zonder medewerking van het Assad-regime ondersteuning aan terugkeer zou verlenen, zou dit gevolgen kunnen hebben voor de bredere VN-relatie met het Assad-regime en daarmee voor de algehele toegang van VN-organisaties tot Syrië. De overweging om vooralsnog geen ondersteuning te bieden bij terugkeer moet dan ook worden gezien in het licht van het bredere afwegingskader van de VN.
Is het aan de IOM om te oordelen dat een land niet veilig genoeg is en daarom hulp bij vrijwillige terugkeer te onthouden, of is dat oordeel voorbehouden aan de overheid?
Het is aan de Nederlandse overheid om te bepalen of een land met het oog op het door Nederland te voeren beschermingsbeleid veilig is. Daarnaast is het ook aan de Nederlandse overheid om te bepalen of individuen die vrijwillig terug willen keren daarbij ondersteund kunnen worden. Het is echter niet aan de Nederlandse overheid om te bepalen of IOM of een willekeurige andere organisatie de vrijwillige terugkeer moet ondersteunen. Er kunnen – zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 4 -redenen zijn waarom IOM hier niet aan kan meewerken en het is dan ook aan IOM om hier zelfstandig een afweging in te maken.
Van de zijde van de Nederlandse overheid zijn er geen obstakels die de vrijwillige terugkeer van Syriërs verhinderen. Als Syriërs willen terugkeren naar hun land van herkomst dan kunnen zij zich wenden tot de Dienst Terugkeer en Vertrek. De DT&V kan hen helpen bij het verkrijgen van een ticket (via Teheran naar Damascus) en kan eventueel ook een financiële bijdrage meegeven. Hierbij is het van belang dat de Syrische terugkeerders ten tijde van hun reis in het bezit zijn van een geldig paspoort. Hiervoor kunnen zij zich wenden tot de Syrische ambassade in Brussel. De DT&V kan indien nodig de kosten voor een nieuw document te vergoeden.
Bent u bereid de IOM aan te sporen Syriërs die aangeven terug te willen keren naar hun land van herkomst hierbij te begeleiden, al dan niet naar een land in de regio?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er obstakels vanuit de Nederlandse overheid die vrijwillige terugkeer van Syriërs verhinderen? Zo ja, bent u bereid deze weg te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Mocht de IOM niet bereid zijn Syrische asielzoekers die aangeven vrijwillig terug te willen keren te ondersteunen, zou dan de Dienst Terugkeer en Vertrek die rol op zich kunnen nemen om vrijwillige terugkeer mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven op welke termijn het nieuwe ambtsbericht – en de daaropvolgende aanpassing van het landenbeleid voor Syrië – naar de Kamer komt, zoals toegezegd tijdens afgelopen begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid?
Het nieuwe ambtsbericht verwacht ik in de zomer van dit jaar. Op basis van dit ambtsbericht zal ik bepalen of er aanleiding is om het landenbeleid ten aanzien van Syrië aan te passen.
Kunt u aangeven hoe de Nederlandse overheid Syriërs in de asielprocedure of met een tijdelijke verblijfsvergunning informeert over en voorbereidt op (vrijwillige) terugkeer wanneer Syrië (of een deel daarvan) veilig genoeg is?
Vooralsnog geldt voor Syrië een algemeen beschermingsbeleid. Dit betekent dat Syrische asielzoekers over het algemeen in aanmerking komen voor bescherming en een tijdelijke verblijfsvergunning. Bij het afgeven van de verblijfsvergunning wordt door de IND een folder meegestuurd waarin de rechten en plichten voor de vergunninghouder staan vermeld. Daarnaast betreft het zoals aangegeven een tijdelijke verblijfsvergunning. Voor de betrokken vreemdeling is daarmee duidelijk dat het in beginsel om een tijdelijke status gaat. Bij herbeoordeling na 5 jaar, of tussentijds als de situatie in het land van herkomst daar aanleiding toe geeft, wordt aan de hand van het dan geldende landenbeleid bepaald of nog wordt voldaan aan de gronden voor vergunningverlening. Er wordt niet specifiek geïnformeerd over wat de consequenties kunnen zijn wanneer (een deel van) Syrië weer veilig is. Zoals uw Kamer bekend is, wil het kabinet het tijdelijke karakter van de verblijfsvergunning asiel benadrukken door deze niet voor vijf jaar, maar voor drie jaar te verlenen. Bij de uitwerking van die maatregel uit het regeerakkoord zal ik tevens kijken naar de informatieverstrekking hierover aan de vergunninghouder.
Het bericht dat ook in Nederland gebouwen staan die, net als de afgebrande Grenfell-toren in Londen, zijn bekleed met brandonveilige gevelpanelen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Weet u op welke schaal in Nederland brandonveilige gevelpanelen zijn toegepast, op zowel hoge als op lage gebouwen? Wat is uw reactie op het nieuws dat deze brandgevaarlijke gevelplaten door heel Nederland zijn gebruikt en «niemand lijkt te weten op welke schaal»?1
Als antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 van het lid Ronnes (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1125).
Is het waar dat het type paneel dat is gebruikt op de Grenfell-toren in Londen ook (veelvuldig) is en wordt gebruikt in Nederland? In hoeverre beoordeelt u deze panelen, met veel kunststof aan de binnenkant, als zeer gevaarlijk? Zijn er andere panelen die in Nederland worden gebruikt, die u als gevaarlijk beoordeelt? Is het naar uw mening noodzakelijk om deze en/of andere gevelplaten te verbieden?
In de Grenfell-toren, een woongebouw, waren aluminium composietplaten (ACM-platen) toegepast met een polyethyleen vulling. ACM-platen zijn ook in Nederlandse gebouwen toegepast, maar wel hoofdzakelijk in utiliteitsgebouwen zoals kantoren en industriegebouwen. De toepassing van ACM-platen in woongebouwen zoals de Grenfell-toren is in Nederland niet gebruikelijk.
Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan de brandveiligheid van gevels van gebouwen. De zwaarte van deze eisen is onder andere afhankelijk van de hoogte van een gebouw2. De eisen gelden verder voor de volledige gevelconstructie inclusief de daarin toegepaste gevelplaten. Gevelconstructies met ACM-platen kunnen in principe voldoen aan het Bouwbesluit 2012, maar dit is afhankelijk van de voor een gebouw geldende eisen en de precieze uitvoering en samenstelling van de gevel. Dit geldt ook voor andere typen gevelplaat die in Nederland worden toegepast. Het verbieden van bepaalde gevelplaten is daarom niet noodzakelijk.
In hoeverre is de uitspraak van brandveiligheidsadviseur Peter van der Leur van adviesbureau DGMR juist dat door slechte controle onduidelijk is op welke schaal de nog gevaarlijkere platen voorkomen? Hoe wordt er in Nederland gecontroleerd, op welke schaal en door wie?
Deze uitspraak van de heer Van der Leur in het bericht in Trouw heeft betrekking op de controle tijdens de bouw door het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht. Hij merkt daarbij op dat gemeenten tijdens de bouw steekproefsgewijs controleren of de bouwmaterialen overeenkomen met wat in de aangevraagde vergunning werd aangekondigd, maar dat zij niet alles kunnen langs lopen, want dat zou veel te veel werk zijn. Ik kan mij vinden in deze uitspraak. Ik wil in dit kader overigens niet spreken van een slechte controle door gemeenten. Gemeenten hebben beleidsvrijheid hoe vaak zij controles uitvoeren op de bouwplaats en welke aspecten zij daarbij controleren. Een volledig dekkende controle door gemeenten kan niet worden verwacht en zou voorbij gaan aan het feit dat bouwende partijen primair zelf verantwoordelijk zijn voor de bouwkwaliteit en moeten borgen dat materialen worden toegepast in overeenstemming met de verleende vergunning. Hoewel het in Nederland kan voorkomen dat er gebouwd wordt in afwijking van de vergunning, heb ik geen aanwijzingen dat dit op grote schaal is gebeurd als gaat om de brandveiligheid van gevels. Ook de nu bekende gevallen van bestaande gebouwen zijn beperkt (zie ook het antwoord op mijn antwoorden op vragen 4 en 5 het lid Ronnes (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1125).
Wat heeft het door voormalig Minister Blok aangekondigde «aan de praktijk van het toezicht wordt nu gewerkt» en «er wordt een verbeterslag gemaakt» concreet opgeleverd om de controles aan te scherpen?2 Acht u deze verbeterslag voldoende, gezien de recente opmerkingen van specialisten over de gebrekkige controle? In hoeverre is de situatie verbeterd nadat voormalig Minister Blok stelde dat op teveel plaatsen bouwers vertelden dat de gemeente nooit kwam kijken en dat er in die zin een papieren werkelijkheid was ontstaan? Deelt u de mening dat de recente berichtgeving een bevestiging is van de eerdere conclusie van de heer Van Vollenhoven van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de overheid teveel uit handen geeft?
In uw vraag refereert u aan de mondelinge beantwoording van vragen van het lid Van Eijs door de voormalig Minister van Veiligheid en Justitie op 20 juni 2017. De door uw geciteerde uitspraken hadden betrekking op het Wetsvoorstel kwaliteitsborging voor het bouwen die thans ter behandeling in de Eerste Kamer ligt. De uitspraken van de Minister hadden dus geen betrekking op het verbeteren van het huidige gemeentelijk toezicht op de uitvoering van de bouw. Ik deel ook niet de mening dat de recente berichtgeving een bevestiging is van de genoemde conclusie dat de overheid teveel uit handen geeft. De bestaande gebouwen waarvan de gevels nu niet brandveilig genoeg blijken te zijn, zijn gebouwd onder de huidige regelgeving waarbij het toezicht op de bouw bij gemeenten ligt. Het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen beoogt het toezicht op de bouw te verbeteren met een onafhankelijke private kwaliteitsborger die bij gereedkomen van het gebouw moet verklaren dat voldaan wordt aan de bouwvoorschriften. Deze kwaliteitsborger zal onderworpen zijn aan toezicht door een landelijke publiekrechtelijke toezichthouder.
Heeft u naar aanleiding van het Engelse onderzoeksrapport naar de Grenfell-brand bekeken of in Nederland aanvullende maatregelen nodig zijn? Wat was daarbij uw conclusie?3
Het Engelse onderzoeksrapport naar de Grenfell brand is nog niet beschikbaar.
Is het naar uw mening nodig om het Bouwbesluit (2012) nog aan te passen, mede gezien het feit dat u aangaf dat brandveiligheidseisen wel worden gesteld aan constructieonderdelen of scheidingsconstructies, maar niet aan de afzonderlijke materialen die hier deel van uit maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit is naar mijn mening nu niet nodig. Met de eisen die het Bouwbesluit 2012 stelt aan constructieonderdelen of scheidingsconstructies wordt de brandveiligheid voldoende geregeld. Ik wacht het onderzoek van Grenfell-toren af en zal daarna bezien welke maatregelen nodig zijn in Nederland.
In hoeverre klopt de uitspraak van brandveiligheidsadviseur Peter van der Leur van adviesbureau DGMR dat gemeenten slechts steekproefsgewijs tijdens de bouw controleren of de bouwmaterialen overeenkomen met wat in de aangevraagde vergunning werd aangekondigd en dat gemeenten niet alles kunnen langslopen, omdat veel te veel werk zou zijn en de gevel voor gemeentes niet direct als cruciaal geldt?
Als antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Is het waar dat uw ministerie verkoopcijfers heeft gevraagd of opgeëist van de leveranciers van panelen en «dat de Minister dat toen niet is gelukt», waarbij «onduidelijk is of de bedrijfssector de cijfers niet had, of niet wilde geven» zoals de directeur van Vereniging Woning- en Bouwtoezicht stelt? Zo ja, op welke wijze bent u van plan deze cijfers alsnog te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Als antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoorden op de vraag 6 van het lid Ronnes (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1125).
Deelt u de zorg dat een aannemer de goedkopere en gevaarlijkere platen gewoon kan bestellen en daarmee, tegen de regels in, een hoog gebouw kan bekleden? In hoeverre schieten naar uw mening wetten, regels en controle hier tekort? Bent u voornemens wetten, regels en controle aan te scherpen?
Het huidige gemeentelijke toezicht geeft nu al de mogelijkheid voor de gemeenten om te voorkomen dat in afwijking van een omgevingsvergunning wordt gebouwd. Overigens is een aannemer primair zelf verantwoordelijk dat hij (veilige) platen toepast en bouwt volgens de vergunning. Desondanks kan het voorkomen dat er in strijd met de vergunning wordt gebouwd. Door mijn ambtsvoorgangers is mede daarom ingezet op de verbetering van de borging van de bouwkwaliteit, waaronder de brandveiligheid. Dit heeft geresulteerd in het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen5 dat uitgaat van een beoordeling van het gerede bouwwerk in plaats van alleen een beoordeling van het ontworpen bouwwerk. Een onafhankelijke kwaliteitsborger moet deze beoordeling uitvoeren en verklaren dat het gerede gebouw voldoet aan de bouwvoorschriften (Bouwbesluit 2012).
Zijn er naar aanleiding van de recente storm in Nederland meldingen gedaan over gevelplaten die onvoldoende zijn geborgd en bij harde wind (storm) uit hun ophanging zijn gekomen? Zo ja, hoe vaak is dat gebeurd? Is het volgens u nodig extra maatregelen te nemen om dit in de toekomst, waar mogelijk, te voorkomen?
Er zijn aan mij geen meldingen gedaan over incidenten met gevelplaten bij de recente storm. Ik heb naar aanleiding van uw vraag ook navraag gedaan bij de Vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland (VBWTN) en die geeft aan drie verschillende incidenten met gevelplaten te kennen. Gezien de sterkte van de storm viel dit aantal incidenten mee. Er is geen aanleiding om extra maatregelen te nemen.
Het bericht 'Online burgerinspraak kan leiden tot teleurstelling in politici'? en het rapport van het Rathenau instituut 'Online meebeslissen'? |
|
Sven Koopmans (VVD), Jan Middendorp (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Online burgerinspraak kan leiden tot teleurstelling in politici»1 en het rapport van het Rathenau instituut «Online meebeslissen»?2
Ja.
Op welke wijze wordt digitale inspraak in Nederland nu vormgegeven?
Worden op het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mogelijkheden onderzocht hoe de digitale technologie ingezet kan worden voor meer inspraak? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt dat gedaan en welke mogelijkheden worden bekeken? Wordt hierbij ook gekeken naar lokale en/of regionale initiatieven die als voorbeeld kunnen dienen?
Begin 2017 verscheen in opdracht van BZK het rapport «Digitale empowerment van de demos». Hierin inventariseerde de Universiteit Tilburg verschillende e-democratie praktijken uit binnen- en buitenland. Inzichten uit dit rapport hebben o.a. geresulteerd in de ontwikkeling van een zgn. «proeftuin digitale democratie». In de beantwoording van vraag 7 ga ik hier nader op in.
Ook is er met steun van BZK een website (www.e-dem.nl) en een handreiking verschenen voor het gebruik van verschillende open source participatietools. Deze tools komen (gedeeltelijk) voort uit het EU programma D-CENT (Decentralised Citizens Engagement Technologies). Voor de totstandkoming van de handreiking zijn verschillende lokale en regionale initiatieven geraadpleegd.
In hoeverre is de ontwikkeling van digitale inspraak – bijvoorbeeld in het wetgevingsproces – onderdeel van de Wet digitale overheid? Zo nee, is dit dan ergens anders belegd?
Digitale inspraak wordt niet geregeld in de Wet digitale overheid. Het voorstel voor de Wet digitale overheid bevat regulering van de digitale overheid op het gebied van standaarden, informatieveiligheid en de generieke infrastructuur, waaronder de inrichting van stelsels voor elektronische identiteiten (eID) voor burgers en bedrijven. Om de continuïteit van (semi)publieke dienstverlening aan burgers te borgen wordt in het wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen om op basis van nader door de Minister van BZK vast te stellen eisen een of meer private inlogmiddelen voor burgers toe te laten, als alternatief naast DigiD. De wet verplicht dienstverleners om voor hun elektronische diensten een passend betrouwbaarheidsniveau te bepalen en daarvoor de door de Minister van BZK aangewezen generieke inlogmiddelen te accepteren. Het zou immers voor burgers en bedrijven onaanvaardbaar zijn, alsmede voor de overheid inefficiënt zijn, om bij elke dienstverlener of elke sector een andere inlogmethode te moeten hanteren. Digitale inspraak in het beleid- en wetgevingsproces is op dit moment vormgegeven via internetconsultatie. Het is bestaande praktijk dat deze stap in het beleids- en wetgevingsproces plaatsvindt voorafgaand aan de ministerraadbehandeling van wet- en regelgeving en steeds meer ook bij beleidsvoorstellen. De basis hiervoor is niet gelegen in de Wet digitale overheid of andere regelgeving; het betreft geïnstitutionaliseerd beleid.
Bent u bekend met de in het rapport geschetste problemen bij het digitale inspraakproces? Zo ja, hoe probeert u die bij de digitale inspraak op nationaal of regionaal niveau in Nederland te voorkomen?
De twee problemen die in het rapport worden gesignaleerd worden herkend. Voor het probleem van de beperkte impact van digitale inspraakinitiatieven op de politieke besluitvorming geldt dat in deze besluitvorming verschillende elementen een rol spelen waarvan inspraak er een is. Het probleem dat de groep deelnemers niet representatief is, is niet bij elke vorm van digitale inspraak aan de orde. Zo is de consultatie via de website www.internetconsultatie.nl niet gericht op het verkrijgen van representatief commentaar, maar op het ontvangen van suggesties en ideeën die helpen om de kwaliteit van de voorstellen te verbeteren.
Binnen de proeftuin digitale democratie krijgen de deelnemende (lokale en regionale) overheden ondersteuning op verschillende uitdagingen die het Rathenau Instituut constateert bij het digitale inspraakproces.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de bekendheid van internetconsultatie.nl – de internetconsultatiewebsite voor nieuwe wetgeving – te laag is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wordt er aangedaan om deze bekendheid te vergroten?
De conclusie over de bekendheid van de internetconsultatiewebsite wordt gedeeld. In de kabinetsbrief over transparantie van het wetgevingsproces (Kamerstuk 33 009, nr. 39) is aangegeven dat de evaluatie uit 2016 al liet zien dat de bekendheid van de site beperkt is. Zoals toegezegd in de kabinetsbrief is het kabinet bezig om de bekendheid met en het bereik van de site te verbeteren door het inzetten van meer en op doelgroepen gerichte communicatie over nieuwe internetconsultaties.
Welke initiatieven neemt u dit jaar voor het bevorderen van digitale inspraak ter bevordering van de democratische participatie?
Voor wat betreft digitale participatie op het landelijke niveau worden aanvullende maatregelen m.n. bezien in samenhang met het verschijnen van het rapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel. Deze commissie is mede door uw Kamer ingesteld en zal zich o.m. buigen over de kansen en risico’s van de voortschrijdende digitalisering voor de democratie.
Voor wat betreft het regionale en lokale niveau start in april aldus een proeftuin digitale democratie. In deze tweejarige proeftuin ondersteunt BZK – enkele – gemeenten bij de inzet van open source digitale participatietools. Deze tools komen (gedeeltelijk) voort uit het EU programma D-CENT (Decentralised Citizens Engagement Technologies). Gemeenten gaan daarbij, onder begeleiding van experts, met nieuwe inzichten en (digitale) hulpmiddelen aan de slag. Deelnemers trekken hierin gezamenlijk op om zo veel mogelijk van elkaar te leren. Het doel is het stimuleren van meer directe burgerbetrokkenheid in lokale beleidsontwikkeling. Ook zal gedurende de proeftuin bezien worden of er – indien gewenst – ook nog overige decentrale overheden kunnen instromen.
Het mogelijk schrappen van de belangrijke afslag Goudse Poort op de A12 bij Gouda |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving en ongerustheid in Gouda over het mogelijk schrappen van afrit 11 (Goudse Poort) op de A12 bij Gouda, hetgeen de bereikbaarheid van Gouda vanuit de richting Rotterdam niet ten goede zou komen?1
Ja.
Wat is op dit moment de stand van zaken rond deze potentieel overwogen variant, waarin ook het afsluiten van onder andere deze afrit bij Gouda tot de mogelijkheden zou behoren? In welke fase bevindt het bekijken van deze variant zich op dit moment en hoe reëel en wenselijk is deze naar uw mening?
In het kader van de mer-procedure van het project A20 Nieuwerkerk a/d IJssel – Gouda heeft tot en met 15 februari 2018 de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) ter inzage gelegen. In de NRD staan de alternatieven die in de komende fase van het project worden onderzocht. Anders dan bericht in de publiciteit is het afsluiten van de afrit Goudse Poort op de A12 niet opgenomen in de NRD.
Een van de alternatieven in het onderzoek betreft de afsluiting van de bestaande toerit vanuit Gouda naar de A12 richting Den Haag en Rotterdam. In dit alternatief volgt het verkeer naar Den Haag en Rotterdam de route van de Amaliabrug over de Gouwe («de Parallelstructuur»). Alle overige toe- en afritten in dit alternatief blijven gewoon bestaan.
Het afsluiten van de toerit Gouda naar de A12 en de A20 in de richtingen Den Haag en Rotterdam leidt tot minder verkeer en minder weefbewegingen op de A12 tussen de toerit Gouda en het Gouweaquaduct. Hier gebeuren relatief veel ongevallen. Het afsluiten van de toerit is vooral gunstig voor de verkeersveiligheid op dit wegvak en leidt daarnaast tot een betere benutting van de nieuwe weg via de Amaliabrug langs de A12 en tot een betere doorstroming. Om deze redenen is de maatregel om de toerit af te sluiten opgenomen in één van de te onderzoeken alternatieven.
De maatregel is in onderzoek, er is nog geen besluit over genomen. In het onderzoek wordt zorgvuldig in beeld gebracht welke gevolgen de maatregel zal hebben voor de situatie in en bij Gouda. Het gaat daarbij onder meer om de effecten op de lokale bereikbaarheid, de belasting van het wegennet en de verkeersveiligheid. Het alternatief wordt vergeleken met de twee andere alternatieven uit de NRD waarin de toerit open blijft. Zodoende kan op basis van nadere feitelijke informatie een besluit over de maatregel worden genomen.
Deelt u de mening dat men er in Gouda zeker van moet kunnen zijn dat de bereikbaarheid van de stad en ondernemers voorop staat en dat deze niet verslechterd mag worden omdat er een eenzijdig belang zou zijn om de kosten bij de verbreding van de A20 te verlagen, maar waarbij dit dan wel ten koste van Gouda zou kunnen gaan? Zo ja, wat betekent dat voor de beoordeling van deze mogelijke variant? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is dat Gouda goed bereikbaar moet blijven. Daarnaast weeg ik ook de veilige doorstroming van het verkeer op het weefvak van de A12/A20 mee in mijn beoordeling. De te maken kosten voor dit project zijn geen aanleiding geweest om deze variant binnen een van de alternatieven mee te nemen. Zoals boven aangegeven vindt nog nader onderzoek plaats. De keuze uit de alternatieven gaat in het kader van de voorkeursbeslissing nog in 2018 worden gemaakt.
Deelt u de mening dat het van belang is dat de gemeente Gouda en de ondernemersvertegenwoordiging zorgvuldig en nauw betrokken moeten worden bij keuzes die grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de huidige manier waarop deze belanghebbenden betrokken zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Ik hecht aan een zorgvuldig participatieproces waarin belangenorganisaties, omwonenden, overheden en andere belanghebbenden inbreng kunnen leveren. Daar is in het proces van de verkenning in voorzien. De ondernemersvereniging is één van de stakeholders die in het najaar van 2017 uitgenodigd zijn om mee te denken met de plannen voor de A20. De ondernemersvereniging heeft van deze uitnodiging gebruik gemaakt. De gemeente Gouda neemt deel aan het ambtelijk voorbereidingsoverleg en participeert ook in de bestuurlijke adviesgroep van de verkenning.
Om volgens planning eind 2018 te komen tot de vaststelling van een voorkeursalternatief zal er in de loop van 2018 ook gelegenheid zijn voor aanvullende participatie. Omwonenden, weggebruikers, bedrijfsleven, natuurorganisaties en andere belanghebbenden, waaronder de ondernemersvereniging, kunnen reageren op tussenresultaten en input leveren voor de afweging
Bent u bereid om deze zorgen onder de aandacht te brengen bij zowel Rijkswaterstaat als de provincie Zuid-Holland? Zo nee, waarom niet?
Deze zorgen zijn bekend bij zowel Rijkswaterstaat als de provincie Zuid-Holland. Beide organisaties participeren in het project.
Gebouwen met brandgevaarlijke gevelpanelen in Nederland |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Door heel Nederland staan gebouwen met brandgevaarlijke gevelpanelen»?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van deze kwestie? Wat is de rol van de overheid in het tegengaan van dit probleem?
Gebouwen moeten voldoende brandveilig zijn. Het is primair de verantwoordelijkheid van bouwende partijen om gebouwen te realiseren die voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Voor bestaande gebouwen ligt het voldoen aan het Bouwbesluit 2012 bij de gebouweigenaar. Gemeenten hebben een toezicht- en handhavingstaak. Het interbestuurlijke toezicht op gemeenten ligt bij de provincies. Omdat er sprake is van een landelijke problematiek, ligt er ook een rol voor mij als stelselverantwoordelijke voor de bouwregelgeving. Ik wacht het formele Engelse onderzoek naar de Grenfell-toren brand af en bezie daarna of maatregelen nodig zijn. Zie verder onder andere mijn antwoord op de vraag 2 van het lid Ronnes (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1126).
Kunt u op basis van het artikel aangeven hoe taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van de borging van de kwaliteit van bouwwerken is geregeld? Wat is het effect van de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen op deze problemen?
Voor het antwoord van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op de vragen 4, 5 en 6 van het lid Van Eijs (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1128).
Kunt u aangeven of er in de situatie van dit artikel een volledig gebouwendossier bij de gemeente ligt? In hoeverre ligt de oorzaak van deze bouwfouten bij gebrekkig gemeentelijk toezicht? En in hoeverre adresseert de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen dit toezicht?
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen gegevens en bescheiden moeten worden overlegd aan de gemeente waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het Bouwbesluit 2012. De gedetailleerdheid waarmee informatie over de brandveiligheid van de gevel wordt overlegd aan de gemeente kan per gebouw verschillen. Ook kan lopende de bouw aanvullende informatie beschikbaar komen en naar de gemeente worden gestuurd. Bij de onderhavige problematiek zal veelal sprake zijn dat afwijkend van de vergunning is gebouwd en zal informatie over wat daadwerkelijk is gebouwd niet bij de gemeente aanwezig zijn.
Met het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen komt hier verbetering in. Enerzijds zal een onafhankelijke kwaliteitsborger beoordelen of het gerede bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit. Anderzijds zal sprake zijn van betere vastlegging van hetgeen daadwerkelijk is gebouwd in as-built documenten en de overdracht hiervan aan gemeenten in een overdrachtsdossier.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om het toezicht in de bouwsector professioneel, effectief en efficiënt te regelen om de veiligheid van de bewoners en gebruikers te verbeteren? Deelt u de mening dat de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen dit zou regelen? Wat is de stand van zaken rondom deze wet? Wanneer kan de Kamer de volgende stap inzake deze wet verwachten?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 4. Voor de stand van zaken van het wetsvoorstel verwijs ik naar mijn separaat aan de Tweede Kamer te verzenden brief over de stand van zaken van het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen.
Kunt u de antwoorden op deze vragen voor het algemeen overleg Bouwregelgeving en energiebesparing op 14 februari 2018 naar de Kamer sturen?
Ja.
Fraude met oorlogswrakken in de Java-zee |
|
Salima Belhaj (D66), Wybren van Haga (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het illegaal bergen van oorlogswrakken in de Javazee?1 2 3
Ja.
Onderschrijft u de problemen en de gevoeligheden met betrekking tot het illegaal bergen van oorlogswrakken in de Javazee?
Het is volkomen begrijpelijk dat de berichtgeving van de afgelopen dagen in de Nederlandse en Indonesische media over illegale berging van scheepswrakken in de Javazee veel emoties oproept. Dat geldt in het bijzonder voor de berichtgeving over de omgang met stoffelijke overschotten. We betreuren het zeer dat de nabestaanden door deze berichtgeving wederom in onzekerheid zijn gebracht, aangezien onduidelijk blijft of het hier gaat om stoffelijke overschotten van opvarenden van een van de drie gezonken Nederlandse oorlogsschepen.
Zoals wij in onze brief van 25 januari jl. duidelijk maakten: nieuwe informatie gerelateerd aan de Nederlandse oorlogswrakken zal altijd worden onderzocht. Dit geldt in het bijzonder voor informatie over vermeende stoffelijke overschotten van de opvarenden. Nederland voert daarom op dit ogenblik nauw overleg met de Indonesische autoriteiten over de mogelijkheid van vervolgonderzoek ter plaatse om de vragen die naar aanleiding van de recente berichtgeving zijn gerezen zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden. Nederland heeft Indonesië in gesprekken en via een Note Verbaleom onderzoek ter plaatse verzocht, waarbij wij onze hulp hebben aangeboden. Dit onderzoek is onder meer nodig om te kunnen bepalen of er een relatie is tussen de stoffelijke overschotten waarover in de berichtgeving wordt gesproken en de verdwenen Nederlandse scheepswrakken. De gesprekken hierover vinden plaats op het hoogste niveau. Zo heeft de Nederlandse ambassadeur de ontwikkelingen onder meer besproken met de Indonesische Minister van Transport en contact met de Minister van Buitenlandse Zaken.
Hebt u kennisgenomen van de belangrijkste conclusie uit het recent verschenen onderzoek naar aanleiding van de verdwijning van de oorlogswrakken Hr. Ms. De Ruyter, Hr. Ms. Java en de gedeeltelijke verdwijning van Hr. Ms. Kortenaer dat de scheepswrakken zonder vergunning van de Indonesische autoriteiten op industriële wijze zijn geborgen en het feit dat de Indonesische overheid twee vergunningen heeft afgegeven? In hoeverre is dit waar en wordt het onderzoek door Nederland heropend?
Ja.
De Indonesische autoriteiten hebben desgevraagd nogmaals in een brief verklaard geen vergunning te hebben verstrekt voor het bergen van de Nederlandse oorlogswrakken. De coördinaten van de vergunningen die in verschillende media werden genoemd, zijn door Nederlandse deskundigen onmiddellijk vergeleken met de coördinaten van de gezonken Nederlandse oorlogsschepen (zie bijlage4). Uit deze vergelijking blijkt dat de posities van de twee afgegeven vergunningen waarop de Telegraaf doelt niet overeen komen met de coördinaten van de scheepswrakken en ruim twintig kilometer van het dichtstbijzijnde Nederlandse wrak, Hr. Ms. Kortenaer, af liggen.
Hoe verhoudt zich de informatie uit de Indonesische pers tot de brief die is verzonden op 18 januari 2018?4
In de brief van 18 januari jl. berichtten wij u over de uitkomsten van het gezamenlijke onderzoek dat door Indonesië en Nederland is uitgevoerd op basis van het beschikbare materiaal. Het merendeel van in de Indonesische pers gepubliceerde beelden was al eerder door deskundigen van Defensie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onderzocht. Dit schreven we u ook in onze brief van 25 januari jl. Hun conclusie was dat er op deze beelden geen bewijs kon worden gevonden voor de aanwezigheid van wrakstukken van de Nederlandse oorlogsschepen Hr. Ms. De Ruyter, Hr. Ms. Java of Hr. Ms. Kortenaer.
Kunt u bij de Indonesische regering nagaan of het nog mogelijk is om de stoffelijke resten van de slachtoffers die nu in een massagraf schijnen te zijn gedumpt veilig te stellen, zodat er nog een fatsoenlijke begrafenis kan plaatsvinden?
Als uit nader onderzoek ter plaatse blijkt dat het hier gaat om schending van een oorlogsgraf door illegale berging, zal het kabinet zich tot het uiterste blijven inspannen voor een eervolle laatste rustplaats voor de slachtoffers. Voor de nabestaanden is dit zeer belangrijk, want ook zij verdienen rust. Nederland voert dan ook op dit ogenblik nauw overleg met de Indonesische autoriteiten over gezamenlijk nader onderzoek ter plaatse om de vragen die naar aanleiding van de recente berichtgeving zijn gerezen zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden. Dit onderzoek is onder meer nodig om te kunnen bepalen of er een relatie is tussen de stoffelijke overschotten waarover in de berichtgeving wordt gesproken en de verdwenen Nederlandse scheepswrakken. Wij onderhouden hierover ook goed contact met andere betrokken landen.
Waarom is niet gemeld in de samenvatting van het rapport dat er tijdens het onderzoek geen forensisch vergaard bewijs ter tafel is gekomen?
In de brief van 18 januari schreven wij dat Nederlandse en Indonesische deskundigen in augustus 2017 tijdens een bijeenkomst de beschikbare informatie hebben onderzocht om te bepalen wat er met de scheepswrakken gebeurd kan zijn. Er was volgens de Indonesische autoriteiten geen informatie bekend die erop wees dat ter plaatse schroot van de wrakken is aangeboden. Forensisch onderzoek maakte geen onderdeel uit van het onderzoek en daardoor ook niet van de samenvatting.
Bent u in contact met de nabestaanden bijvoorbeeld via het Karel Doormanfonds? Zo ja, op welke wijze zijn zij geïnformeerd en wanneer?
Ja. Defensie heeft de bij ons bekende nabestaanden vorige week met een brief geïnformeerd over de ontwikkelingen rondom de verdwenen scheepswrakken in de Javazee. Eerder informeerden wij hen ook al per brief over de uitkomsten van het onderzoek. Wij hebben de nabestaanden toegezegd hen nauwgezet te blijven informeren als er nieuwe informatie bekend is. Het kabinet hecht hieraan vanzelfsprekend groot belang.
De onduidelijkheden die de EU-exportsancties met zich meebrengen |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de Kamervragen over «EU-exportsancties Rusland te onduidelijk»?1
Ja.
Erkent u dat veel ondernemers, ondanks de beschikbaarheid van handboeken en websites, worstelen met de vertaling van juridische informatie ten aanzien van export naar sanctielanden naar wat wel en niet mag in de praktijk? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken wat ondernemers missen in de huidige handboeken en op basis daarvan verbeteringen door te voeren in de praktische bruikbaarheid? Zo ja, op welke termijn kunt u dit realiseren? Zo nee, waarom niet?
De EU-sancties op Rusland zijn ingewikkelde regelgeving. Daarom heeft de overheid meerdere instrumenten ontwikkeld om ondernemers te helpen meer duidelijkheid te krijgen, zoals het handboek Rusland. Deze instrumenten zijn nader toegelicht in de beantwoording van Kamervragen van het lid Becker (zie Kamerstuk 2017D38 022, 21 december 2017). Uit contacten met het bedrijfsleven komt niet het beeld naar voren dat ondernemers informatie missen. Het aantal vragen over Ruslandsancties dat door RVO wordt ontvangen is stabiel. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 5. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal evenwel contact opnemen met de relevante brancheverenigingen en navraag doen naar hun ervaringen, met het oog op mogelijke verdere verbeteringen waar relevant. Individuele bedrijven kunnen altijd contact opnemen met de Centrale Dient voor In- en Uitvoer van de Douane voor vragen of klachten (088-1512122).
Waarom geeft u aan dat het Handboek Rusland niet is verouderd, terwijl er vanuit het bedrijfsleven andere geluiden klinken? Klopt het dat in het Handboek Rusland niets is opgenomen over de «company check» en ook niet over de gevolgen van de «Rosneft uitspraak» voor bedrijven? Bent u bereid het handboek op deze punten te actualiseren?
Het primaire doel van het handboek is om de complexe juridische teksten uit de sanctieverordening uit te leggen en toe te lichten, zodat deze praktisch toepasbaar worden voor ondernemers. De afgelopen jaren heeft het ministerie geen informatie bereikt dat het handboek niet toereikend zou zijn. Sinds de laatste versie van het handboek (2015) zijn er geen grote wijzingen meer geweest in het sanctieregime. De sancties zijn medio 2014 ingesteld. Eventueel nieuwe wijzigingen in de sanctieverordening die relevant zijn voor ondernemers, worden zo snel mogelijk opgenomen in het handboek.
Klopt het dat de «company check» niet voor alle sanctielanden beschikbaar is? Zo ja, voor welke sanctielanden ontbreekt deze check en bent u bereid deze alsnog beschikbaar te stellen?
De company check, waarbij er formele informatie over een eindgebruiker kan worden opgevraagd, is niet een specifiek product maar een algemene benaming voor dienstverlening die door het Nederlandse postennetwerk in het buitenland wordt verricht. De exacte invulling ervan verschilt per land en hangt onder meer af van de beschikbare bronnen. Voor sommige sanctielanden als Noord-Korea en Syrië is deze dienst slechts beperkt beschikbaar.
Bent u bereid de Kamer inzicht te verschaffen in de werking van het sanctieloket van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) door, eventueel via het Jaarverslag van de RVO, periodiek te rapporteren over welk type vragen gesteld worden, wat trends in vragen zijn en wat ondernemers van de beantwoording van vragen vinden?
RVO beschikt over een interne voortgangsrapportage. Deze verschaft inzicht in het aantal en het soort vragen dat wordt gesteld. De trend in aantallen is stabiel te noemen. Ondernemers waarderen de vraagbeantwoording van RVO gemiddeld met een 7,8.
Aantal vragen sanctieloket Rusland
378
254
291
Erkent u dat Nederlandse banken en/of het midden- en kleinbedrijf (mkb) op grond van exportcontrolewetgeving en de sanctieverordening Rusland weliswaar niet hoeven na te gaan hoe betaling vanuit Rusland plaatsvindt, maar dat banken deze informatie in de praktijk wel degelijk van ondernemers vragen op grond van wetgeving met betrekking tot anti-witwassing en corruptie? Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met banken en het bedrijfsleven om te voorkomen dat de verantwoordelijkheid om deze informatie te achterhalen door banken eenzijdig bij het mkb wordt neergelegd?
Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dienen verschillende instellingen, waaronder ook banken en andere financiële ondernemingen, zich in te spannen om te voorkomen dat hun dienstverlening wordt gebruikt voor witwassen of financieren van terrorisme. De Wwft schrijft daartoe een verplicht cliëntenonderzoek voor. In het kader van dit cliëntenonderzoek verzamelen banken onder meer informatie over de identiteit van de cliënt, diens uiteindelijk belanghebbende en het doel en de aard van de beoogde relatie met de cliënt. Indien een bank niet kan voldoen aan de vereisten van het cliëntenonderzoek, wordt de bank geacht van dienstverlening aan de cliënt af te zien of de dienstverlening te beëindigen.
Een bank is op grond van de Wwft niet verplicht onderzoek te verrichten naar de wederpartij van zijn cliënt.2 Wel dient een bank in het kader van het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft een voortdurende controle op de zakelijke relatie uit te oefenen en moet zij de tijdens de duur van die relatie verrichte transacties monitoren. Daarmee dient een bank te waarborgen dat de transacties overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van een cliënt en diens risicoprofiel. Deze transactiemonitoring kan ertoe leiden dat een bank zich met nadere vragen over de wederpartij tot zijn cliënt wendt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de herkomst of de omvang van de transactie niet overeenkomt met de kennis die de instelling heeft van diens cliënt. Daarbij dient een instelling rekening te houden met de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme in een concreet geval, bijvoorbeeld in verband met de staat waaruit de betaling afkomstig is. Het inwinnen van aanvullende informatie door een bank, via de cliënt of anderszins, is in een dergelijk geval noodzakelijk om te voorkomen dat de dienstverlening van een bank gebruikt kan worden voor witwassen of financieren van terrorisme. Banken en andere instellingen zijn op grond van de Wwft verplicht om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU).3
Hoewel uit het voorgaande volgt dat banken in het kader van het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft onder omstandigheden genoodzaakt zullen zijn zich met nadere vragen tot hun cliënt te wenden, zijn geen signalen bekend dat banken de verantwoordelijkheid voor het achterhalen van informatie over de herkomst van een betaling eenzijdig bij het MKB-bedrijf neerleggen. Het Ministerie van Financiën zal daarom met de belangenbehartigers van het MKB in gesprek gaan om te verkennen waar zij in dit verband tegen aanlopen.
Wat is uw ambitieniveau ten aanzien van het percentage afgehandelde vergunningsaanvragen voor de komende jaren en hoe zorgt u voor voldoende kennis en capaciteit om, gelet op de verwachte toename van handel met Rusland en andere sanctielanden, de aanvragen in de toekomst tijdig af te handelen?
Meer dan 95% van de aanvragen wordt binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoord. Ik heb geen reden om aan te nemen dat dit in de toekomst anders zal zijn. Jaarlijks worden er gemiddeld circa 50 aanvragen voor een exportvergunningen onder de Ruslandsancties ingediend. Deels betreft dit verlengingen van eerder afgegeven vergunningen. Ook indien het aantal aanvragen voor Rusland zou toenemen, is de huidige capaciteit toereikend.
Eenzijdig Chinees optreden bij instellen van vliegroutes over de Straat van Taiwan |
|
Raymond de Roon (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zonder overleg plant Peking nieuwe vliegroutes»1 en de Taiwanese reactie daarop?2
Ja.
Deelt u de bezorgdheid van de Verenigde Staten3 over dit eenzijdig optreden van de Chinese autoriteiten? Zo ja, bent u bereid uw zorg onder de aandacht te brengen van de Chinese ambassadeur? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen is het kabinet met de EU van mening dat het Taiwan-vraagstuk op vreedzame wijze via dialoog tussen beide betrokken partijen moet worden opgelost. Zij moeten niet overgaan tot unilaterale acties die zouden kunnen leiden tot een wijziging van de status quo, destabiliserende initiatieven of dwang. Dit standpunt is bij beide partijen genoeglijk bekend.
Kan deze onenigheid gevaar opleveren voor vliegtuigen die vanuit Nederland naar Taiwan (en v.v.) vliegen?
De betreffende vliegroutes bevinden zich in luchtruim waar China verantwoordelijk is voor luchtverkeersleiding en voor het instellen van routes. De Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) heeft regels en procedures opgesteld voor het plannen van en het overleg over routes. Nederlandse luchtvaartmaatschappijen maken echter geen gebruik van de routes. Het kabinet heeft dan ook geen aanleiding hierover in overleg te treden.
Welke mogelijkheden ziet u om bij te dragen aan het verminderen van de spanningen en het daarmee bevorderen van de veiligheid van het vliegverkeer?
Nederland en de EU blijven Peking en Taipei oproepen via constructieve dialoog een vreedzame oplossing te vinden en initiatieven te nemen die bijdragen aan het opbouwen van wederzijds vertrouwen.
Schimmel in Haarlemse sociale huurwoningen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woningbouwvereniging doet niets aan schimmel in Haarlemse woningen»?1
Ja.
Hoe acceptabel vindt u het dat bewoners van meer dan 200 sociale huurwoningen in het Haarlemse stadsdeel Schalkwijk vanwege achterstallig onderhoud al jaren kampen met schimmel, condens, slechte ventilatie, scheuren in de muren etc.?
Het is mij bekend dat Ymere in 2005 heeft aangekondigd de betreffende complexen te gaan renoveren, hetgeen in 2008 zou hebben moeten plaatsvinden. Dan zouden ook maatregelen ter voorkoming van vocht en schimmel worden meegenomen. Een dergelijke keuze is te rechtvaardigen vanuit een efficiënte inzet van de financiële middelen, tenminste als de ernst van de gebreken niet een spoedig ingrijpen nodig maakt.
Ymere heeft daarna echter om verschillende redenen, waaronder financiële, de keuze gemaakt om de renovatie uit te stellen. Aangezien inmiddels zo’n dertien jaar zijn verlopen, is de conclusie gerechtvaardigd dat Ymere eerder maatregelen tegen vocht en schimmel had moeten nemen, los van de renovatie.
Ymere erkent dat de woningen dringend moeten worden opgeknapt en heeft excuses aangeboden aan de bewoners voor de gang van zaken. Ook heeft Ymere toegezegd dat voor de betreffende huurders de jaarlijkse huurverhoging in 2018 (van de kale huurprijs) wordt vastgesteld op nul procent.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat woningbouwvereniging Ymere haar beloftes voor een grote renovatie niet nakomt en haar huurders letterlijk in de kou laat zitten? Wat is hier de oorzaak van?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het van de zotte is dat de huurders voor deze schimmelwoningen nog altijd de volledige huurprijs van zo’n 800 euro moeten betalen? Deelt u de mening dat – zolang de noodzakelijke renovatie niet is uitgevoerd – bewoners door Ymere gecompenseerd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op eerder gestelde vragen (vergaderjaar 2015–2016, nr. 2795 en vergaderjaar 2016–207, nr. 1757) is aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor het signaleren en de aanpak van woninggebreken, waaronder vocht- en schimmelproblemen, primair een verantwoordelijkheid is van lokale partijen, te weten de woningeigenaren / verhuurders, huurders en gemeenten en dat de Woningwet (bouwregelgeving) en de huurprijsregelgeving ook instrumenten aanreikt voor betrokken partijen om handelend op te treden.
In de eerste plaats kunnen de huurders gebreken aankaarten bij een interne klachtencommissie. Tevens kunnen zij altijd hun casus voorleggen aan de Huurcommissie, wat een laagdrempelige voorziening is voor buitenrechtelijke geschilbeslechting. Wanneer de Huurcommissie tot het oordeel komt dat het inderdaad gaat om een gebrek, kan zij besluiten tot een verlaging van de huurprijs. Hoe ver de huurprijs kan worden verlaagd is afhankelijk van de ernst van het gebrek.
Volgens Ymere hebben 4 van de 216 huurders onderhoudsklachten voorgelegd aan de Huurcommissie, waarbij 3 huurders in het gelijk zijn gesteld. De Huurcommissie is daarbij tot het oordeel gekomen dat er inderdaad sprake is van gebreken, maar dat deze geen verlaging van de huurprijs rechtvaardigen. In plaats daarvan is de huurprijs bevroren.
Ymere geeft aan dat het bij brief van 23 januari jl. alle huurders van de betreffende complexen heeft gewezen op de mogelijkheid om een procedure te starten bij de Huurcommissie. Overigens bedraagt volgens opgave van Ymere de gemiddeld betaalde huurprijs 541 euro, dat is zonder service- en stookkosten.
Naar ik ben geïnformeerd door Ymere, bereidt de corporatie momenteel de renovatie voor, waarbij de cv-installatie en de kozijnen zullen worden vervangen, naast andere energiebesparende maatregelen. Naar zeggen van Ymere is hierover goed contact met de recent gevormde bewonerscommissie.
Bewoners van de betreffende woningen zijn voornemens naar de Huurcommissie te stappen; bent u ertoe bereid het niet zo ver te laten komen door Ymere op de vingers te tikken en ervoor te zorgen dat de noodzakelijke renovatie op korte termijn wordt uitgevoerd? Zo nee, wat kunt dan wel voor deze bewoners betekenen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u in kaart brengen bij hoeveel sociale huurwoningen in den lande sprake is van vergelijkbaar achterstallig onderhoud, wat daar de oorzaak van is en wat u daaraan gaat doen?
Ja, ik ben voornemens dat te doen. In het periodieke onderzoek WoON zal worden geïnventariseerd bij hoeveel woningen sprake is van vocht- en schimmelproblemen. Het WoON 2018 is thans in voorbereiding en zal begin 2019 worden gepubliceerd. Tevens zal ik op korte termijn in een bestuurlijk gesprek met Aedes aandacht vragen voor de problematiek en het belang om in die gevallen waar het speelt, corporaties de schimmelproblemen snel verhelpen.
Het bericht ‘E-healthweek 2018: ‘Opschaling is altijd gedoe’’ |
|
Vera Bergkamp (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «E-healthweek 2018: «Opschaling is altijd gedoe»»?1
Ja.
In hoeverre vormt opschaling een probleem bij de invoering van e-health innovaties in de zorg? Begrijpt u de zorgen die naar voren komen in het bericht? Hoe kunt u bijdragen aan een betere en snellere invoering van e-health innovaties, zoals blockchain, in de zorg?
De E-healthweek, met meer dan 250 bijeenkomsten en evenementen, heeft nadrukkelijk geïllustreerd dat overal in het land prachtige initiatieven worden ontplooid op het gebied van e-health en digitaal ondersteunde zorg. Daarbij zien we meer en meer dat het niet blijft bij pilots en experimenten, maar dat reële toepassingen in de praktijk van alledag hun weg vinden. Tegelijkertijd vormt verdere opschaling van dergelijke toepassingen naar meerdere locaties, regionaal of op landelijk niveau, vaak een aanzienlijke uitdaging. De kern van de uitdaging is dat het bij toepassing van innovaties, ook als er digitale techniek aan te pas komt, vaak gaat om (complexe) organisatorische veranderingsprocessen. Daarbij worden nieuwe samenwerkingsrelaties tussen professionals vormgegeven en kunnen patiënten vanuit een steeds gelijkwaardigere positie meesturen in hun behandelproces. Om daarin succesvol te zijn is een constructief samenspel nodig tussen innoverende bedrijven, patiënten, zorgaanbieders, verzekeraars, gemeenten en kennis- en onderwijsinstellingen. Wij dragen op verschillende manieren bij aan dit samenspel. In de eerste plaats bevorderen wij, met het zorgbrede Informatieberaad, het ontstaan van een «vruchtbare grond», een infrastructuur van standaarden en afspraken voor gegevensontsluiting en -uitwisseling, die onder andere gestalte krijgt in programma’s als VIPP en MedMij. Daarnaast stimuleren wij op tal van manieren het innovatieklimaat in de zorg. De E-healthweek is daar een voorbeeld van. Door de inzet van versnellingsmakelaars bevorderen we regionale en bovenregionale samenwerking. Via de Seed-capital regeling, waarin recent 12 miljoen Euro beschikbaar is gekomen, wordt geïnvesteerd in de opschaling van veelbelovende initiatieven. Met de Health Innovation School leiden we zorgmanagers op om implementatietrajecten succesvol vorm te geven en uit te voeren. En met zorgvoorinnoveren.nl bieden wij een kennisbank en een adviesloket voor innovatievraagstukken.
Binnenkort ontvangt u een vollediger overzicht met de voortgangsrapportage e-health en zorgvernieuwing, waarin wij ook een aantal nieuwe impulsen aan de verbetering van het innovatieklimaat voor e-health en digitale ondersteuning bekend zullen maken.
Deelt u de mening dat blockchaintechnologie in de zorg een grote bijdrage kan leveren voor de patiënten maar ook voor het verlagen van administratieve druk en lasten bijvoorbeeld door defragmentatie en stroomlijning van (financiële) logistiek?
De blockchain technologie staat nog in de kinderschoenen. Met het project blockchain in de zorg verkent Zorginstituut Nederland wat blockchaintechnologie kan betekenen voor de gegevensuitwisseling in de zorg. Bij de verkenning is uitgegaan van een centrale positie van de burger waarmee deze controle krijgt over de eigen zorggegevens. Blockchain heeft de potentie om samenwerking, gegevensuitwisseling en wederzijds vertrouwen anders te organiseren. Dit kan onder andere leiden tot een vermindering van de administratieve lasten. Hiervoor moet er eerst inzicht worden geworven in de mogelijkheden en consequenties voor de gebruikte processen, wet- en regelgeving en technieken in de zorg. Voor deze onderzoeksdoeleinden is de blockchaintoepassing Mijn Zorg Log ontwikkeld.
Kunt u uitleggen welke knelpunten er zijn voor de succesvolle invoering van blockchaintechnologie in de zorg? Hoe kunt u deze knelpunten, naast de knelpunten die naar voren komen in het rapport «Blockchain in de zorg» van Nictiz2 zoals de verschillende manieren van informatie en verouderde technologie, wegnemen?
Nictiz stelt in hun rapport «Blockchain in de zorg» dat de implementatie van blockchain in de zorg geen sinecure is. Een beheerste invoering is van belang, omdat het gaat om burgers en hun gezondheid en de mogelijkheden van zorgaanbieders om burgers daarbij te ondersteunen. De gegevensuitwisseling in de zorg is complex en vindt plaats in en vanuit de verschillende zorgdomeinen, maar ook over zorgdomeinen heen.
Voordat sprake kan zijn van implementatie of het oplossen van knelpunten is het zinvol eerst een nader beeld te krijgen van de (on)mogelijkheden van blockchain. Zoals aangegeven bij 3 onderzoekt Zorginstituut Nederland wat blockchain kan betekenen voor de gegevensuitwisseling in de zorg.
Wat is de laatste stand van zaken omtrent het veelbelovende prototype blockchain «Mijn Zorg Log»? Is dit prototype ook geschikt voor een effectievere en efficiëntere uitvoering van het persoonsgebonden budget? Hoe gaat u er zorg voor dragen dat de opschaling van dit prototype voortvarend verloopt en leidt tot een afname van administratieve druk en lasten in plaats van toename?
In 2017 is Mijn Zorg Log juridisch gecertificeerd door advocatenkantoor Pels Rijcken, technisch getoetst door de TU Delft en bekroond met de Computable award voor beste ICT-project van het jaar in de zorg. Op dit moment lopen de voorbereidingen voor de kleinschalige praktijkproef Blockchain Kraamzorg met Mijn Zorg Log waarbij onderzocht wordt wat het gebruik van blockchaintechnologie in de praktijk betekent voor de administratieve processen in de kraamzorg, cliënten, kraamverzorgenden, kraamzorgorganisatie en zorgverzekeraars. Om Mijn Zorg Log breder in te zetten, waaronder voor PGB, is nader onderzoek nodig.
Op dit moment zijn er verschillende blockchain initiatieven vanuit verschillende organisaties in de zorg. Om de voordelen van blockchain in de zorg te benutten, is het van belang om de initiatieven te bundelen. Zoals aangegeven bij vraag 3 is één van de voordelen de vermindering van de administratieve lasten. Deze bundeling past in de agenda van het Informatieberaad, waarin organisaties in de zorg samenwerken aan een duurzaam informatiestelsel voor de zorg. Het is opgericht om hiervoor afspraken, standaarden en voorzieningen te maken zodat zorggegevens veilig en betrouwbaar kunnen worden gedeeld. Twee van de uitgangspunten zijn de patiënt regie over eigen gezondheid geven en de zorgprofessional voorzien van betere informatie.
Het onderzoeken van de mogelijkheden van blockchain passen in het streven om ervoor te zorgen dat de burger de beste zorg kan krijgen die er is en dat hij kan beschikken over de informatie die daarvoor nodig is.
Het bericht 'Politie: wij hebben allochtonen nodig' |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie: wij hebben allochtonen nodig»?1 Klopt de inhoud?
Ja. Een divers korps is van belang om aansluiting en verbinding te hebben met alle groepen in de samenleving. In de brief van 13 juni 2017 heeft mijn ambtsvoorganger het diversiteitsbeleid van de politie toegelicht.2
Deelt u de mening dat de beste man of vrouw geselecteerd dient te worden en dat positieve discriminatie hierbij niet helpt? Zo nee, waarom niet?
Bij de politie is er een operationele noodzaak om te sturen op divers samengestelde teams waarin alle competenties aanwezig zijn. Daarbij geldt diversiteit in brede zin: verscheidenheid op het gebied van sekse, etniciteit, leeftijd, opleiding, geaardheid, et cetera. Diversiteit heeft ook voordelen, divers samengestelde teams vormen namelijk een bron van creativiteit en innovatie, hebben een groter leer- en aanpassingsvermogen en helpen tunnelvisie te voorkomen. Daarmee kunnen specifieke veiligheidsproblemen in de wijk effectief worden aangepakt en kan verbinding worden gevonden met de verschillende gemeenschappen. In 2015 heeft uw Kamer met een motie gevraagd om de korpschef een inspanningsverplichting op te leggen om de diversiteit in het korps te vergroten.
Om als werkgever bij de diverse groepen in beeld te komen, voert de politie gerichte mediacampagnes en worden diverse netwerken ingezet. Elke eenheid heeft een of meerdere recruiters die zich specifiek inzetten om divers talent te interesseren voor een baan bij de politie. Deze recruiters geven onder meer voorlichting op scholen, studentenverenigingen, lokale banenbeurzen en, zoals in het aangehaalde mediabericht, een gebedshuis. Op die manier sluit de werving aan bij wijkactiviteiten die georganiseerd worden door de wijkagenten en/of jeugdagenten. Daarnaast richt de politie zich op mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of met een arbeidsbeperking. Zo is er bijvoorbeeld een project voor mensen met autisme. Ook wordt samenwerking gezocht met gemeenten en de uitkeringsinstantie UWV.
Voorop staat dat aan de selectiecriteria en kwaliteit van de politie niet getornd wordt. Voor iedereen, ongeacht zijn of haar achtergrond, gelden dezelfde eisen. Indien iemand niet door de selectieprocedure komt, is er de kans om nogmaals te solliciteren. Het trainingsprogramma Blauw Talent dat door de politie wordt ingezet voor kandidaten die de eerste selectie dag net niet gehaald hebben, richt zich met name op divers talent maar staat ook open voor Nederlanders zonder migratieachtergrond met talent voor de politie. Een selecte groep kandidaten wordt bijgespijkerd (o.a. op sport, taal en gesprekstechnieken) om de kans te vergroten bij de volgende sollicitatie. Het programma wordt in 2018, conform de aan u gedane toezegging, geëvalueerd.
Waarom krijgen allochtonen extra ondersteuning, ofwel waarom krijgen zij meer kansen dan autochtone sollicitanten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u dit discriminerende streven naar meer allochtonen met de uitkomsten van het rapport «Georganiseerde criminaliteit en integriteit van rechtshandhavingsorganisaties», waaruit blijkt dat functionarissen met een migratieachtergrond naar verhouding oververtegenwoordigd zijn bij integriteitsschendingen?2
In de beleidsreactie bij het rapport «Georganiseerde criminaliteit en integriteit van rechtshandhavingsorganisaties», heeft mijn voorganger aan uw Kamer meegedeeld welke maatregelen naar aanleiding van het rapport zijn genomen door de politie.
Het WODC onderzoek bevestigt een beeld wat in eerdere studies al naar voren is gekomen. Hoewel het in absolute getallen om een beperkt aantal opsporingsambtenaren gaat, heeft de politie de kwetsbaarheden zoals genoemd in het WODC rapport als aandachtspunt gesignaleerd en hier maatregelen op genomen. Zo wordt hier bij de werving en selectie meer aandacht aan besteed en wordt gedurende de politieopleiding en trainingen het risico van een dubbele loyaliteit en het dilemma van een hoge druk van de omgeving in combinatie met cultuuraspecten meegenomen.
Deelt u de mening dat derhalve een dubbele nationaliteit van politieagenten ongewenst is? Zo nee, waarom niet?
Nee, mensen met een dubbele nationaliteit kunnen van grote waarde zijn voor de organisatie, bijvoorbeeld door het spreken van een taal of beschikken over een netwerk binnen bepaalde groepen in de samenleving. Dit geldt ook voor mensen zonder dubbele nationaliteit. Divers samengestelde teams dragen in onze snel veranderende samenleving bij aan een inclusieve werkcultuur, verkleinen de kans op uitsluiting.
Hoe verenigt u de tweedeling en ongelijkheid die de islam kenmerkt (bijvoorbeeld tussen moslims en ongelovigen, tussen man en vrouw) met de gelijkwaardigheid die bij de Nederlandse politie de norm is?
Gelijkwaardigheid is de norm. Zonder onderscheid te maken wordt van alle politiemedewerkers verwacht dat zij zich houden aan rechtstatelijke waarden zoals het gelijkheidsbeginsel en neutraliteit.
Sinds wanneer wordt er bij de politie tijd vrijgemaakt om te knielen richting Mekka? Bent u bereid deze vorm van islamisering, ondermijnend voor het gezag van de politie, subiet te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen beleid op dit specifieke punt. Algemeen uitgangspunt is dat de politie neutraal moet zijn en dat er geen sprake kan zijn van het in diensttijd belijden van geloof. Er zijn wel voorzieningen in de vorm van stilteruimtes, welke door een ieder in eigen tijd, in de regel tijdens de reguliere pauzes, kunnen worden gebruikt.
Bent u bereid te stoppen met positieve discriminatie en werving van agenten in nota bene moskeeën? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Gebouwen met brandgevaarlijke panelen |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Door heel Nederland staan gebouwen met brandgevaarlijke gevelpanelen»?1
Ja.
Is de beantwoording van de Kamervragen over de brandveiligheid van Nederlandse gebouwen nog actueel?2 Zo nee, op welke antwoorden kunt u een actuele stand van zaken schetsen?
Ja.
Klopt de informatie dat de gevelpanelen die de brand in de Londense Grenfell-toren vorig jaar juni zo snel om zich heen liet grijpen, ook bij Nederlandse gebouwen zijn toegepast?
In de Grenfell-toren, een woongebouw, waren aluminium composietplaten (ACM-platen) toegepast met een polyethyleen vulling. ACM-platen zijn ook in Nederlandse gebouwen toegepast, maar wel hoofdzakelijk in utiliteitsgebouwen zoals kantoren en industriegebouwen. Gevelconstructies met ACM-platen kunnen in principe ook voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Dit is afhankelijk van de precieze uitvoering en samenstelling van de gevelconstructie en de voor een gebouw geldende brandveiligheidsvoorschriften. De toepassing van ACM-platen in woongebouwen zoals de Grenfell-toren is in Nederland niet gebruikelijk. Als in Nederland gebouwen staan met gevels die niet voldoen aan het Bouwbesluit 2012, dan zal dit door de gebouweigenaar moeten worden hersteld.
Is het waar dat inmiddels meerdere Nederlandse gebouwen zijn aangeduid als gebouwen die niet aan de eisen voldoen en daarmee in principe niet veilig zijn? Zo ja, kunt u openbaar maken om welke gebouwen het gaat, dan wel de betrokken gemeenten verzoeken dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de berichtgeving in Trouw heb ik navraag laten doen bij de heer Van der Leur van DGMR. Hieruit is naar voren gekomen dat hij – in opdracht van gebouweigenaren – betrokken is bij circa vijf bestaande gebouwen waarbij de gevelconstructie niet of niet volledig voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Op basis van de thans beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat het gebouwen betreft met veelal andere typen gevelplaten dan de ACM-gevelplaten die waren toegepast bij de Grenfell-toren. Verder ging het in geen enkel geval om een woongebouw met ACM-gevelplaten. De betrokken gebouweigenaren hebben uit eigener beweging onderzoek laten doen naar de brandveiligheid van hun gebouwen. Dit vind ik een goede zaak omdat gebouweigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de gebouwen. Het is aan de gebouweigenaren om te communiceren over de onderzoeken die zij aan hun gebouwen laten plaatsvinden en daarover indien nodig contact op te nemen met het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht. Sommige gebouweigenaren hebben inmiddels besloten om dat te doen. Zo heeft de Hogeschool Rotterdam besloten om een gebouw te sluiten en daarover de media en de gemeente te berichten. Het gemeentelijk bevoegd gezag bepaalt zelf of het opportuun is om extern te communiceren over de signalen die zij heeft ontvangen of zelf heeft opgemerkt. Of zij dit doen, is een lokale beslissing en onder meer afhankelijk van de urgentie om het publiek te informeren. Ik heb daarin geen rol.
Bestaat de kans dat er buiten de reeds ontdekte gebouwen met een te hoog risico op brandgevaar nog (veel) andere gebouwen zijn met een vergelijkbaar risico? Kunt u exact aangeven welke gebouwen het betreft? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om, indien gemeenten verantwoordelijk zijn, die gemeenten aan te speken op hun verantwoordelijkheid?
Uit het antwoord op vraag 4 volgt dat er op dit moment slechts een beperkt aantal gebouwen is waarvan gebleken is dat de gevel niet voldoet. Het is mogelijk dat er nog meer gebouwen in Nederland zijn waarvan de gevel niet of niet volledig voldoet aan de bouwregelgeving. Gevelplaten worden vooral toegepast in de utiliteitsbouw. In woongebouwen wordt meestal gewerkt met metselwerk.
De brandveiligheid van een gebouw hangt echter af van meer aspecten dan alleen de gevel. Ik verwijs hierbij naar wat de lector brandpreventie, de heer Hagen, zegt in het bericht in Trouw. Bij alleen een onveilige gevel is er volgens de heer Hagen niet direct hetzelfde fatale gevolg als bij de Grenfell-toren. Er is volgens hem nu geen reden om de «noodklok» te luiden in Nederland als het gaat om onveilige gevels.
Ik wil daarom eerst het onderzoek van Grenfell-toren afwachten en daarna bezien welke maatregelen nodig zijn. Al naar gelang deze maatregelen zal ik indien nodig ook een beroep doen op het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht.
Deelt u de visie dat de leveranciers van de panelen weten welke hoge gebouwen in Nederland voorzien zijn van brandgevaarlijke panelen? Zo nee, waarom niet? Klopt het dat zij die informatie niet willen geven? Wat is de achtergrond van die non-coöperatieve houding? Bent u bereid, in samenwerking met de gemeenten, alles in het werk te stellen om die informatie spoedig te verkrijgen?
Leveranciers weten veel en het kan nuttig zijn deze informatie te geven. Ik heb hierom nog niet gevraagd omdat ik eerst het formele Engelse onderzoeksrapport afwacht en dan bezie welke maatregelen nodig zijn.
Het bericht ‘Robotrechter e-Court is een groot en niet-transparant zwart gat?’ |
|
Pia Dijkstra (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Robotrechter e-Court is een groot en niet-transparant zwart gat»?1
Ja.
Kunt u uitleggen hoe (een bedrijf als) e-Court werkt en wat de gekozen juridische constructie is?
E-Court is een private organisatie die alternatieve geschilbeslechting aanbiedt in de vorm van digitale arbitrage. Arbitrage is geregeld in de artikelen 1020–1077 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Uitsluitend zaken die ter vrije bepaling van partijen staan mogen worden onderworpen aan arbitrage, dat is bijvoorbeeld niet het geval bij (bepaalde) familiezaken. E-Court is verzocht een toelichting te geven op de gehanteerde werkwijze en procedure.
Is het waar dat de markt van digitale arbitrage snel groeit? Bent u van oordeel dat de toegang tot de onafhankelijke rechter hierdoor onder druk komt te staan?
De laatste jaren is de markt van digitale arbitrage gegroeid. Er zijn meerdere organisaties die een dergelijke vorm van alternatieve geschilbeslechting aanbieden. Ik sta positief tegenover initiatieven met betrekking tot vormen van alternatieve geschilbeslechting die zien op het bereiken van een snelle, betaalbare en voor beide partijen bevredigende oplossing. Innovatie is een groot goed voor wie voorbereid wil zijn op de toekomst. Digitale arbitrage hoeft dus niet per se de toegang tot de onafhankelijke rechter onder druk te zetten.
Hoeveel zaken behandelt e-Court jaarlijks en hoeveel van die zaken worden door de rechtbank bekrachtigd?
Ik beschik niet over de aantallen zaken die e-Court jaarlijks behandelt. Dit is bedrijfsgevoelige informatie die e-Court om die reden niet heeft willen verstrekken. Wel heeft e-Court mij laten weten dat vanaf 2015 het aantal zaken toeneemt. Zorgverzekeraars geven aan dat e-Court een goedkopere en laagdrempelige manier is om geschillen op te lossen, maar niet elke zorgverzekeraar levert zaken aan bij e-Court. Van de zorgverzekeraars die zaken aanleveren loopt het aantal uiteen van 6.500 tot meer dan 20.000 in het jaar 2017, waarvan niet elke oproeping tot een vonnis leidt. In sommige gevallen wordt alsnog een minnelijke schikking getroffen. Binnen de rechtspraak wordt de uitkomst van een zaak niet als zodanig geregistreerd, waardoor het aantal uitspraken van e-Court wat aan de rechtbank wordt voorgelegd niet zonder meer beschikbaar is uit de systemen van de rechtspraak
Welke toets geldt er voor die bekrachtiging door de rechtbank?
De rechtbank moet, ook in zaken waarin de tegenpartij niet is verschenen, ambtshalve het recht van openbare orde en dwingend (consumenten)recht toepassen. Dit betekent dat de rechter moet toetsen aan oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden, waarbij ook getoetst dient te worden aan het EVRM en de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Ook dient de rechter de voor de consument-schuldenaar dwingendrechtelijke regels over incassokosten (art. 6:96 vijfde tot en met het zevende lid BW) toe te passen. Er is door de rechtspraak een aanbeveling opgesteld hoe om te gaan met de toetsing van arbitrale uitspraken van e-Court. De rechter heeft in een concrete zaak echter altijd de mogelijkheid af te wijken van een dergelijke aanbeveling. Als gevolg daarvan kan het voorkomen dat rechters de voor verlof tot tenuitvoerlegging verplichte «summiere» toets anders invullen. De uitspraken van e-Court werden tot voor kort met name voorgelegd aan de rechtbank Overijssel, waarvan de locatie Almelo onderdeel uitmaakt. Ook deze rechtbank toetst op basis van artikel 1063 van het Rv of tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis geweigerd dient te worden. Het is mijns inziens onwenselijk dat de toets door de overheidsrechter verschillend wordt ingevuld. De rechtspraak heeft mij laten weten dat er binnenkort een arbitrale uitspraak door e-Court zal worden voorgelegd aan de rechtbank Overijssel met de bedoeling hierover (met inbreng van e-Court) prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Ik wacht dan ook de prejudiciële vragen en het oordeel van de Hoge Raad af.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit en de zorgvuldigheid van de arbitrageprocedures bij digitale arbitrage-instituten en e-Court in het bijzonder?
In zijn algemeenheid sta ik positief tegenover initiatieven met betrekking tot vormen van alternatieve geschilbeslechting die zien op het bereiken van een snelle, betaalbare en voor beide partijen bevredigende oplossing. E-court maakt gebruik van digitale arbitrage en moet voldoen aan de artikelen 1020–1077 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). In de berichten uit de media en in de bevindingen van LOSR worden zorgen geuit over de rechtsbescherming, de kwaliteit en de kosten van arbitrage door e-Court. Het oordeel over de arbitrale uitspraak is aan de rechtbank. Bij de toets door de rechter bij verlofverlening voor tenuitvoerlegging van de arbitrale uitspraak van e-Court zal het meestal gaan om de toets of is gehandeld in strijd met de openbare orde, hiervan is onder meer sprake als het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Daarnaast moet de rechter ambtshalve bezien of er sprake is van een oneerlijk beding.
Wat vindt u van het feit dat e-Court haar uitspraken en de lijst met arbiters niet openbaar maakt?
Er is geen voorschrift op basis waarvan arbitrage verplicht transparant en openbaar moet zijn. Veel partijen die expliciet kiezen voor arbitrage doen dit juist om hun geschil over bijvoorbeeld (gevoelige) bedrijfsinformatie «in de luwte» te kunnen oplossen. Het EVRM en de Europese consumentenregels bevatten geen verplichtingen om uitspraken en de namen van arbiters openbaar te maken. Overigens heeft e-Court bericht dat de naam van de arbiter in het procesdossier staat, de lijst van arbiters voor belanghebbenden opvraagbaar is en de uitspraken van e-Court op de website staan, aldus e-Court. Door te kiezen voor de arbitrageprocedure van e-Court doen partijen afstand van het recht op toegang tot de overheidsrechter, maar dat betekent niet dat zij afstand doen van het recht op een eerlijke en gelijke behandeling en het recht op onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Overigens heeft e-Court mij laten weten dat zij niet financieel afhankelijk is van zorgverzekeraars en dat e-Court van mening is dat arbiters hun onafhankelijke rol kunnen vervullen. Het is aan de rechter om te toetsen of de uitspraken van e-Court aan de eisen van het EVRM voldoen.
Is het feit dat e-Court haar uitspraken en lijst met arbiters niet publiceert in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Europees Consumentenrecht?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre maakt e-Court gebruik van een algoritme bij het doen van een uitspraak? Zou het goed zijn als dergelijke algoritmen in de rechtspraak worden gebruikt, dat deze openbaar en inzichtelijk zijn? Wat vindt u van een onafhankelijke instelling die dergelijke algoritmen beoordeelt?
In het LOSR-rapport en de berichtgeving daarover valt te lezen dat de besluitvorming van e-Court volledig automatisch is en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van algoritmen. In principe mag, zoals eerder vermeld, arbitrage (mits transparant) elektronisch plaatsvinden. Arbitrale uitspraken en de totstandkoming daarvan moeten immers controleerbaar en verifieerbaar zijn. Dit geldt ook voor de technologie die daar eventueel bij komt kijken. E-Court heeft mij ten aanzien van het gebruik van algoritmen laten weten dat zij niet aan profiling doen. Zowel de huidige als de nieuwe privacywetgeving bieden overigens de betrokkenen het recht op informatie en het recht op inzage, waaronder ook de «nuttige informatie over de onderliggende logica» bij het gebruik van geautomatiseerde besluitvorming. Ter uitvoering van de aanbeveling in het rapport van de WRR «Big Data in een vrije en veilige samenleving» van april 2016 is het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie en Veiligheid een onderzoek gestart naar de mogelijkheden voor rechterlijke toetsing van Big Data toepassingen. Als in de rechtspraak algoritmen op termijn daadwerkelijk gebruikt zouden worden, moet ook het toezicht hierop worden ingericht.
Wat vindt u van het feit dat bijna alle zorgverzekeraars sinds de jaarwisseling geschilbeslechting via een «digitale» arbiter in hun polisvoorwaarden hebben opgenomen? Deelt u de mening dat het voor verzekerden duidelijk zou moeten zijn dat bij een conflict alsnog de weg naar de kantonrechter openstaat? Kunt u in uw antwoord ingaan op de constatering in het artikel dat de klanten niet de informatie hebben om hierin een afweging te maken?
Een groot aantal zorgverzekeraars (per 1 januari 2018 94% volgens opgave van e-Court) heeft de mogelijkheid van arbitrage bij e-Court opgenomen in de algemene voorwaarden. In zijn algemeenheid sta ik positief tegenover initiatieven met betrekking tot vormen van (digitale) alternatieven geschilbeslechting die zien op het bereiken van een snelle, betaalbare en voor beide partijen bevredigende oplossing. Voor zorgverzekeraars kunnen de duur en de kosten die verbonden zijn aan een incassoprocedure bij de kantonrechter overwegingen zijn om te kiezen voor digitale arbitrage zoals aangeboden door e-Court.
De consument heeft conform (artikel 6:263n BW) de mogelijkheid om binnen een maand alsnog de keuze voor de overheidsrechter te maken. De cliënten van zorgverzekeraars hebben de keuze om als alternatief naar de overheidsrechter te gaan of in plaats daarvan hun geschil voor te leggen aan de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ). Blijkens het procesreglement van e-Court, dat verwijst naar art. 6:263n BW en de termijn van een maand om voor de overheidsrechter te kiezen, zou dat ook de bedoeling zijn van de procedure bij e-Court. E-Court heeft mij overigens laten weten dat door de gebruikte software, het feitelijk onmogelijk is de procedure eerder te starten. Het is aan de rechter om te toetsen of het arbitrage beding geldig is.
Kunt u aangeven wanneer u met voorstellen komt om het experimenteren met schulden- en buurtrechters mogelijk te maken?
Met het project «Spreekuurrechter» is in Noord-Nederland recentelijk ervaring opgedaan met een werkwijze die veel overeenkomst vertoond met de werkwijze van een «buurtrechter». Op korte termijn zullen enkele andere rechtbanken ook een pilot starten met dergelijke laagdrempelige en effectieve rechtspraak. Deze pilots zullen uiteraard gebruik maken van de bevindingen en ervaringen in Noord-Nederland. De werkwijze ziet op een snelle behandeling van allerhande enigszins overzichtelijke geschillen, maar kunnen bijvoorbeeld ook gericht zijn op specifieke doelgroepen of op specifieke problematiek (in stedelijke regio’s). Over dit onderwerp wordt uw Kamer op korte termijn geïnformeerd. Dit voorjaar komt de rechtspraak met een visiedocument «Rechtspraak en schulden», waarin voorstellen zullen worden gedaan om de aanpak van problematische schulden in een gerechtelijke procedure te versterken.
Het bericht 'Je uitvaart kan een stuk duurzamer maar het mag nog niet' |
|
Monica den Boer (D66), Jan Middendorp (VVD), Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Je uitvaart kan een stuk duurzamer maar het mag nog niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, indien een belangrijk deel van de Nederlandse bevolking dat wenst en er verder geen bezwaren zijn, zij meer keuzevrijheid zou moeten hebben als het aankomt op hun uitvaartwensen?
Er is een zorgvuldig proces vereist om te kunnen beoordelen of een nieuwe methode van lijkbezorging mogelijk kan worden gemaakt. Daarbij speelt niet alleen de wens van (een belangrijk deel van) de Nederlandse bevolking een rol. Ook ethische aspecten, effecten op het milieu en de veiligheid van de arbeidsomstandigheden zijn relevant. Al deze aspecten moeten zorgvuldig in kaart worden gebracht en gewogen, alvorens overwogen kan worden om de keuzevrijheid in methoden van lijkbezorging te verruimen.
Het onderzoek van de TU Delft naar de mogelijkheid om een breed maatschappelijk beoordelingskader te ontwikkelen voor het toetsen van nieuwe technologische alternatieven voor lijkbezorging, is inmiddels voltooid. Tegelijkertijd met het aanbieden van de beantwoording van deze vragen heb ik het desbetreffende rapport aan uw Kamer toegezonden. Ik verwijs u graag naar het rapport en de daarbij gevoegde aanbiedingsbrief.
Is de opdracht die uw ambtsvoorganger in april 2017 aan de TU Delft heeft gegeven om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om een breed maatschappelijk beoordelingskader te ontwikkelen voor het toetsen van nieuwe technologische alternatieven voor lijkbezorging (TK 30 696, nr. 42), inmiddels voltooid? Zo ja, wat is uw reactie op het onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw visie op resomeren als uitvaartmogelijkheid?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de onderzoeksuitkomsten van TNO Research uit 2014 dat resomeren het minste milieueffect heeft, in vergelijking met cremeren en begraven? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 2.
Hoe duidt u in dit verband het onderzoek van I&O Research dat in opdracht van uw ambtsvoorganger is uitgevoerd, waarin 25% van de Nederlanders aangeeft dat zij «resomeren mede in ogenschouw zou nemen als een mogelijk alternatief voor begraven en cremeren als methode voor lijkbezorging indien de wet dit zou toestaan»?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een impact-assessment uit te voeren naar de mogelijkheden om resomeren in Nederland mogelijk te maken, en daarbij onder andere te kijken naar veiligheidsaspecten, afvalstoffenbeleid, en eventuele andere barrières? Zo ja, binnen welke termijn bent u bereid dit uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het van belang dat alle relevante gevolgen van resomeren zorgvuldig in beeld zijn gebracht, alvorens beoordeeld kan worden of deze vorm van lijkbezorging kan worden toegestaan. Hierin is al een aantal stappen gezet, zoals het onderzoek naar het draagvlak voor resomeren. Tegelijkertijd worden ook nog andere belangrijke onderzoeksresultaten verwacht, zoals het onderzoek naar de veiligheid van de arbeidsomstandigheden. Bij het nader in kaart brengen van de verschillende aspecten en gevolgen van resomeren zal ik afstemming zoeken met andere betrokken departementen. Ik verwacht uw Kamer in de tweede helft van 2018 nader te kunnen informeren over beleidsvoorstellen met betrekking tot de lijkbezorging in Nederland en de gevolgen daarvan voor de Wet op de lijkbezorging.
Wat is op basis van het impact-assessment het tijdspad voor eventuele beleidsvoorstellen ten aanzien van de lijkbezorging in Nederland?
Zie antwoord vraag 7.
Continuïteit van DBFM(O)-projecten na faillissement van de private aanbieder |
|
Joost Sneller (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Britse bouwgigant met 45.000 werknemers failliet» (NOS 15 januari)?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja. Het faillissement van dit bouwbedrijf lijkt een combinatie te zijn geweest van verschillende factoren die hoofdzakelijk met het bedrijf zelf te maken lijken te hebben.
Hoe duidt u de praktijk dat in Nederland steeds meer contracten worden afgesloten met private partijen op basis van het principe van Design Build Finance Maintain Operate (DBFMO)?
In het beleid ten aanzien van DBFM(O) is van belang dat DBFM(O) geen doel op zich is, maar een middel om «value for money» te bereiken. Dit beleid bestaat al bijna 20 jaar. Een eventuele keuze voor DBFM(O) vindt plaats op basis van een vergelijking tussen DBFM(O) en andere contractvormen. Bij ieder project boven € 25 mln voor gebouwen en € 60 mln voor infrastructuur wordt deze afweging gemaakt. Gebouwen en infrastructuur zijn in het algemeen geschikt voor optimalisatie van levensduurvoordelen binnen DBFM(O) contracten omdat deze projecten vanwege hun aard stabiel en langlopend zijn, de scope vooraf goed te bepalen is en de risico’s goed in te schatten en te beheersen zijn door de opdrachtnemer. In vergelijking met traditionele uitvoering hebben DBFM(O) projecten geraamde meerwaardes opgeleverd van gemiddeld 10 à 15%2 zoals eerder met uw Kamer is gewisseld. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze 10 à 15% meerwaarde financieel van aard is. Verbeteringen van het kwaliteitsniveau zijn niet meegenomen.
Het aantal DBFM(O) projecten is derhalve afhankelijk van het aantal potentieel geschikte projecten en de afweging per project over de eventuele meerwaarde van DBFM(O). Zoals onder meer toegelicht in de DBFM(O) Voortgangsrapportage 2016/20173 is het aantal DBFM(O) projecten in de afgelopen jaren gestaag toegenomen naar een totaal van 40. In de komende periode zal de groei van het aantal nieuwe projecten afnemen tot naar verwachting gemiddeld 2 à 3 per jaar voornamelijk omdat de desbetreffende vakdepartementen minder (potentiële) projecten hebben in de toekomst. In de komende DBFM(O) Voortgangsrapportage 2018/2019 (waarvan de planning is om deze medio 2018 aan de Tweede Kamer te sturen) zal nader worden ingegaan op deze toekomstige projecten.
Is het overzicht van DBFM(O)-projecten op de website rijksoverheid.nl compleet en actueel? Omvat dit overzicht ook DBFM(O)-projecten van medeoverheden?
Ja. Het overzicht op rijksoverheid.nl is compleet en actueel. Dit overzicht omvat alleen Rijksprojecten en geen projecten van medeoverheden omdat deze buiten de verantwoordelijkheid van het Rijk vallen.
Gezien de lange looptijd van DBFM(O)-projecten, hoe vaak is het voorgekomen dat aanbieders tijdens de looptijd van het contract een faillissement hebben aangevraagd?
Tot nu toe zijn er geen faillissementen opgetreden bij aanbieders. Bij DBFM(O) worden de onderdelen van een investeringsproject (zoals ontwerp, bouw, financiering, onderhoud en facilitair) met alle bijbehorende risico’s integraal overgedragen van de publieke opdrachtgever aan één private opdrachtnemer, namelijk een consortium van meerdere private partijen. Het consortium levert een dienst over de hele levensduur (b.v. het beschikbaar stellen van een weg) in plaats van een product (b.v. de aanleg van asfalt). Voor ieder DBFM(O) project richt het desbetreffende consortium een speciale projectvennootschap op. Het Rijk sluit als opdrachtgever een contract met deze projectvennootschap als opdrachtnemer. In de vennootschap zijn de bouwbedrijven doorgaans (mede)aandeelhouder en vindt vreemd vermogen financiering plaats via externe financiers, zoals banken en institutionele beleggers.
De enige manier om geld te verdienen voor de projectvennootschap is om de dienst zoals uitgevraagd te leveren gedurende de looptijd van het project. Hierdoor hebben alle betrokken marktpartijen een sterke prikkel om de gewenste prestaties te leveren en om eventuele problemen zelf aan te pakken of te voorkomen. Mocht er toch een partij binnen de projectvennootschap failliet gaan, dan dienen de andere deelnemende partijen dit zelf op te lossen. Dit mechanisme heeft ook in de moeilijke marktomstandigheden in de bouwsector van de afgelopen jaren gewerkt. Deze moeilijke omstandigheden leidden wel tot financiële problemen bij bouwbedrijven en zelfs (dreigende) faillissementen van enkele partijen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in 2016 toen problemen ontstonden bij Imtech dat betrokken was bij onder meer de Penitentiaire Inrichting Zaanstad. De private partijen hebben toen zelf hiervoor een goede oplossing gevonden. Ook in deze periode is geen enkele projectvennootschap ooit failliet gegaan.
Mocht dit mechanisme niet werken dan heeft het Rijk als waarborg een contract (de zogenoemde «direct agreement») met de externe financiers voor het uiterste geval dat alle partijen in de projectvennootschap failliet zouden gaan. In dat geval kan het Rijk deze financiers aanspreken om te zorgen dat zij nieuwe partijen vinden om de projectvennootschap weer te vullen en de opdracht af te ronden. Deze situatie heeft zich overigens ook nog nooit voorgedaan. Uiteindelijk is een extra waarborg dat het Rijk het volledige eigendom krijgt van de desbetreffende infrastructuur of het gebouw in het extreme geval dat de financiers er niet in zouden slagen om de projectvennootschap de opdracht te laten afmaken.
Hoe is er in de voorkomende gevallen omgegaan met het faillissement en heeft dit extra kosten opgeleverd voor de overheid?
Zoals hierboven aangegeven is er nooit sprake geweest van faillissement van de aanbieder van de levering van de dienst bij DBFM(O) projecten.
Hoe wordt, nu en in de toekomst, de continuïteit van een DBFM(O)-project geborgd bij een faillissement van de aanbieder? Hoe is dit geborgd bij DBFM(O)-projecten van medeoverheden?
Zoals hierboven aangegeven is bij DBFM(O) de continuïteit van de levering van de dienst geborgd door onder meer de structurering van de opdrachtnemer in een speciale projectvennootschap en door de contracten en betalingsafspraken die het Rijk heeft met deze projectvennootschap en met de externe financiers.
Het Rijk is niet verantwoordelijk voor DBFM(O) bij medeoverheden omdat deze autonoom zijn en verantwoordelijk voor hun eigen projecten, budgetten en de afweging over de beste contractvorm. Overigens wordt de beschikbare kennis en expertise over DBFM(O) wel beschikbaar gesteld aan medeoverheden via het Expertisecentrum Aanbesteden (PIANOo), sinds 1 januari 2017 onderdeel van RVO.