Het bericht dat Nederland de militaire banden met Iran aanhaalt |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland de militaire banden met Iran aanhaalt?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Nederland de militaire banden met Iran aanhaalt? Zo ja, kunt u uitgebreid aangeven wat Defensie van plan is? Zo nee, waarom niet?
Iran bevindt zich in een regio met grote belangen voor Nederland, vooral op het gebied van veiligheid en migratie. Nederland had al een defensie-attaché (defat) die geaccrediteerd was voor Iran en gestationeerd was in Beiroet. Vanwege de Nederlandse belangen in de regio en de rol van Iran daarin is ervoor gekozen de nieuwe defat in Teheran zelf te plaatsen. Zo kunnen militaire ontwikkelingen in het land zelf en in de regio beter gevolgd en geduid worden. Ook vergemakkelijkt de plaatsing van een defat in Teheran de contacten met de Iraanse autoriteiten en met andere defats ter plaatse.
Erkent u dat Iran een gevaar vormt voor de westerse wereld? Zo nee, waarom niet?
Het is voor de defat eenvoudiger om vanuit Teheran de militaire ontwikkelingen in Iran en de regio te volgen en te duiden dan vanuit een buurland. Het is bekend dat het kabinet bezorgd is over de Iraanse rol in de regio en over het ballistische raketprogramma van Iran. Juist daarom steunt Nederland de Europese inzet om te komen tot een constructieve inhoudelijke dialoog met Iran.
Erkent u dat Iran een gevaar vormt voor Israël? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Indien de antwoorden op bovenstaande vragen voornamelijk «ja» worden beantwoord, waar bent u dan in hemelsnaam mee bezig?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Onderzoekers: plasticsoep in Stille Oceaan komt vooral van visserij en scheepvaart’ |
|
Matthijs Sienot (D66), Jessica van Eijs (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel «Onderzoekers: plasticsoep in Stille Oceaan komt vooral van visserij en scheepvaart»?1
Ja.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat het opruimen van de plasticsoep een illusie is en dat het effectiever is om de productie aan te pakken? Zo ja, welke maatregelen neemt u om de productie aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt van beleid is dat plastic afval niet in de zee thuis hoort. Het verwijderen van afval draagt daar aan bij. Het beleid richt zich primair op het voorkomen dat plastic afval in de zee terecht komt over de hele keten van ontwerp, productie, gebruik, hergebruik en afvalverwerking, kortom door in te zetten op een circulaire economie. Wij komen hierover nader te spreken naar aanleiding van de Kabinetsreactie op de Transitieagenda kunststoffen.
Dat neemt niet weg, dat om schade aan het mariene ecosysteem te voorkomen het plastic zwerfvuil wordt opgeruimd, het liefst op het land of in de rivieren, zo nodig in zee en in de oceaan. Fishing for litter draagt hier aan bij (zie antwoord op vraag 6), maar ook een initiatief als The Ocean Cleanup richt zich op dit doel.
Herkent u zich in de conclusie van de onderzoekers dat de plastic soep in de Stille Oceaan vooral afkomstig is van de visserij en de scheepvaart? Zo ja, wat vindt u hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ja, voor de Great Pacific Garbage Patch, het gebied in de Stille Oceaan tussen Hawaii en Californië, waarop de bevindingen uit het artikel in Nature Scientific Reports betrekking hebben en waarop het artikel in de Volkskrant gebaseerd is, lijkt dit het geval te zijn. De conclusies uit het artikel kunnen echter niet rechtstreeks naar de Noordzee vertaald worden.
Heeft u zicht op het aandeel van de Nederlandse visserij- en scheepvaartsector op de plasticsoep? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Uit de resultaten van zwerfvuilmetingen op Noordzeestranden in het Intermediate Assessment 2017 van OSPAR blijkt dat in de zuidelijke Noordzee in 2014/2015 de categorie verpakkingsmateriaal het grootste aandeel heeft (bijna 40%) in het aantal gevonden items en afval van netten en touwen ruim een kwart. In de Noordelijke Noordzee hebben netten en touwen het grootste aandeel (30%).
Op de vier Nederlandse niet-toeristenstranden waarop met de OSPAR-methode wordt gemonitord, hebben netten en touwen als categorie het grootste aandeel (ca. 38%) in het aantal gevonden items. In de periode 2010–2015 is een significante afname met 11% van het aantal gevonden afvalitems vastgesteld, ook voor netten en touwen. Er is geen specifieke informatie over het aandeel hierin van Nederlandse schepen.
Hoe ziet u de rol van Nederland in de aanpak van de plasticsoep? Hoe ziet u specifiek de rol van de (Nederlandse) visserij en scheepvaart in de aanpak van de plasticsoep?
Nederland is nationaal en internationaal actief bij het terugdringen van plastic in oceanen en de Noordzee. Daarbij is gezien het zwerfvuil dat van zeebronnen afkomstig is zeker een rol weggelegd voor de visserijsector en de scheepvaartsector. Over de rol van visserij en scheepvaart verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 6–9.
Wat zijn de huidige afspraken met de Nederlandse visserij- en scheepvaartsector betreffende hun aandeel in en de aanpak van de plasticsoep? Acht u het gezien de cijfers uit dit onderzoek nodig nieuwe (extra) afspraken te maken? Zo ja, waar denkt u dan aan? Zo nee, waarom niet?
Nationaal heeft de rijksoverheid met bedrijfsleven en andere overheden green deals gesloten op het gebied van afval uit de visserij en de scheepvaart en een green deal over schone stranden.
In de Green Deal Visserij voor een Schone Zee werken visserijsector, rijksoverheid, havens en afvalverwerkers samen om te voorkomen dat operationeel afval (o.a. netten) en huishoudelijk afval in zee belanden. De Green Deal boekt goede vooruitgang: in 2017 is 143 ton netten verzameld om te worden gerecycled, een recordhoeveelheid. Bovendien doen 113 Nederlandse vissersschepen mee aan het programma Fishing for Litter. Zij nemen het afval dat ze opvissen mee naar de haven. Van dit afval is door de vissers in 2017 ca. 300 ton opgehaald. Afvalvoorzieningen in visserijhavens zijn steeds beter georganiseerd. In veel Nederlandse visserijhavens kunnen operationeel afval, huishoudelijk afval en afval uit Fishing for Litter en pluis gescheiden worden ingeleverd.
Deze successen zijn reden om de met de visserijsector ingezette lijn onverminderd door te zetten. De ambitie is om in 2020 geen nieuw afval vanuit de Nederlandse visserij op de Nederlandse stranden aan te treffen.
In de Green Deal Scheepsafvalketen zijn concrete afspraken opgenomen om de maritieme afvalkringloop te sluiten door afvalpreventie, risico-gebaseerd toezicht, gescheiden inzameling van plastic scheepsafval en harmonisering van (internationale) procedures. In de havens van Amsterdam en Rotterdam kan bijvoorbeeld schoon plastic scheepsafval onbeperkt kosteloos worden afgegeven. De afgifte van scheepsafval in de Nederlandse havens is tussen 2006 en 2016 meer dan verdubbeld van 105.000 ton tot 233.000 ton.
Welke afspraken zijn er momenteel op Europees niveau met de visserij- en scheepvaartsector gemaakt om hun bijdrage aan de plasticsoep te verminderen? Kunt u de effectiviteit van deze maatregelen inzichtelijk maken?
Op Europees niveau is de Richtlijn Havenontvangstvoorzieningen van kracht. Doel van deze Richtlijn is om de beschikbaarheid en het gebruik van havenontvangstvoorzieningen in Europese havens te verbeteren. In de Richtlijn zijn verplichtingen opgenomen voor de zeevaart (bijvoorbeeld afgifteplicht en afvalmeldingsplicht) en voor de zeehavens (bijvoorbeeld Havenafvalplan en indirecte financieringssysteem). Deze Richtlijn wordt momenteel herzien (zie antwoord op vraag 8).
Er zijn op dit moment geen (andere) afspraken op Europees niveau met de visserij- en scheepvaartsector.
Wel zijn de financieringssystemen voor havenontvangstvoorzieningen gelijk getrokken met die van de Vlaamse havens en worden er afspraken gemaakt over kwaliteitscriteria voor havenontvangstvoorzieningen.
Verder werkt Nederland in OSPAR-verband samen met andere landen in de implementatie van het Regional Action Plan Marine Litter aan het terugdringen van afval vanuit de visserij en scheepvaart. Hierbij betrekt Nederland de visserij- en scheepvaartsector.
In hoeverre acht u het nodig om hier in Europees verband scherpere afspraken over te maken? Bent u bereid om zich hier namens Nederland extra voor in te spannen?
In het voorstel van de Europese Commissie voor een nieuwe EU Richtlijn voor havenontvangstvoorzieningen (Port Reception Facilities) wordt sterk ingezet op het tegengaan van marien zwerfvuil vanuit zeevaart en visserij. Zo wordt voor vuilnis van schepen een specifiek indirect financieringssysteem voorgesteld (het zogenaamde «100% No Special Fee» systeem). Dit systeem geeft schepen het recht om, na de betaling van de verplichte indirecte afvalheffing aan de havenbeheerder, al hun vuilnis aan boord «gratis» af te geven. Dit systeem gaat ook voor vistuig gelden, waardoor de financiële drempel voor afgifte wordt verlaagd. De visserij gaat ook sterker onder de andere verplichtingen (meldingsverplichtingen en inspectie) van de Richtlijn vallen. Nederland heeft zich actief ingezet voor een herziening van de Richtlijn en kan zich in grote lijnen vinden in het voorstel van de Commissie. De visserijsector zal betrokken worden bij de implementatie van de richtlijn.
Welke afspraken zijn er momenteel op mondiaal niveau met de visserij- en scheepvaartsector om hun bijdrage aan de plasticsoep te verminderen? Wat is de rol van Nederland hierin?
Ik zet ook internationaal stevig in op een aanpak van plastic soep. Daarvoor werk ik nauw samen met een EU-coalitie (Zweden, VK, Frankrijk) van gelijkgezinde landen (koplopers).
Verder is Nederland deelnemer geworden van een internationaal initiatief om spooknetten tegen te gaan (Global Ghost Gear Initiative) en steunt Nederland evenals de Europese Commissie het gear-marking project van FAO. Ook draagt Nederland actief bij aan het UNEP Global Partnerschap voor Marine Litter, waarin ook FAO en IMO partner zijn.
In OSPAR-verband is Nederland actief in het Regionale Actieplan Marien Zwerfvuil waarin de OSPAR-landen hun maatregelen om zwerfvuil op zee tegen te gaan afstemmen. In deze initiatieven en samenwerkingsverbanden is nadrukkelijk aandacht voor het voorkomen dat afgedankte netten in zee belanden en hergebruik van netten.
Overigens zijn de visserij- en de scheepvaartsector al gebonden aan de verplichtingen uit Annex V van het MARPOL-verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), dat lozing van huishoudelijk en operationeel afval van schepen op zee, op een enkele uitzondering na, verbiedt.
Het bericht ‘Promotiemeisjes van Heineken verkopen bier met hun lichaam’ |
|
Anne Kuik (CDA), Joël Voordewind (CU), Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Promotiemeisjes van Heineken verkopen bier met hun lichaam»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering in het artikel dat er «geen sprake is van incidenten, maar het de werkelijkheid is van zaken doen in Afrika» en de uitspraak van een oud-medewerker dat «seks in Nigeria vaak als een transactie wordt beschouwd, ook bij Heineken»?
De lokale context ontslaat internationaal opererende bedrijven niet van hun verantwoordelijkheden. Het kabinet verwacht dat bedrijven, zoals Heineken, juist het goede voorbeeld geven bij het voorkomen en bestrijden van seksueel grensoverschrijdend gedrag en het nemen van verantwoordelijkheid voor werknemers die indirect voor hen werken.
Waar eindigt volgens u de verantwoordelijkheid van het hoofdkantoor van Nederlandse multinationals, zoals Heineken, om deze seksuele misstanden met jonge vrouwen bij hun dochterondernemingen en in de keten tegen te gaan? Welke juridische mogelijkheden heeft de overheid om Nederlandse bedrijven te dwingen tot het nemen van maatregelen, enerzijds ter verbetering van de situatie en anderzijds tegen de verantwoordelijke bestuurders?
Conform de UN Guiding Principles on Business and Human Rights en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen dragen bedrijven zorg voor hun gehele waardeketen. Bedrijven worden geacht een veilige werkomgeving te creëren voor alle medewerkers. Dit geldt dus ook voor hun dochterondernemingen en onderaannemers, zoals de bedrijven die voor Heineken bier promoten. De UN Guiding Principles en de OESO-richtlijnen schrijven voor dat bedrijven de risico’s op negatieve effecten van hun bedrijfsactiviteiten op mens en milieu identificeren en in kaart brengen. Bedrijven moeten deze risico’s vervolgens voorkomen of mitigeren en rekenschap afleggen over de wijze waarop zij met de geïdentificeerde risico’s omgaan. Hetzelfde geldt als een bedrijf niet direct heeft bijgedragen aan een misstand, maar het wel verbonden is aan een risico of misstand door activiteiten, producten of diensten via een zakelijke relatie.
De overheid heeft geen juridische mogelijkheden om Nederlandse bedrijven te dwingen tot het nemen van maatregelen in dergelijke gevallen. Het kabinet verwacht dat bedrijven de UN Guiding Principles en de OESO-richtlijnen naleven en spreekt hen hier geregeld op aan. Als bedrijven de OESO-richtlijnen niet naleven kan er een klacht worden ingediend bij het Nationaal Contactpunt (NCP). Het NCP draagt bij aan de oplossing van problemen die voortvloeien uit de niet-naleving van de OESO-richtlijnen.
Bent u bereid met voorstellen voor wettelijke maatregelen te komen wanneer bestaande juridische mogelijkheden ontoereikend blijken te zijn en een gesprek op korte termijn geen verbeteringen oplevert?
Het kabinet betreurt dat vrouwen die promotiewerk doen voor Heineken geconfronteerd worden met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Daarom heb ik op woensdag 4 april gesproken met dhr. Van Boxmeer (CEO Heineken) en hem gewezen op de verantwoordelijkheid die Heineken moet nemen met betrekking tot de problematiek rondom bierpromotors en eventuele andere risico’s in de keten. Tijdens het telefoongesprek liet dhr. Van Boxmeer weten dat Heineken de kwestie als prioriteit zal gaan behandelen met het oog op preventie en aanpak. Heineken zal daarom samen met lokale werkmaatschappijen, sales promotion bureaus en andere relevante partijen verdere stappen zetten om deze misstanden aan te pakken en in de toekomst te voorkomen.
Andere multinationals zal het kabinet in het kader van het convenanten proces ook blijven wijzen op hun verantwoordelijkheden onder de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles.
Als lid van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) zal Heineken onderdeel zijn van het IMVO-convenant van de voedingsmiddelensector. Dit convenant zal naar verwachting vóór de zomer worden ondertekend. De IMVO-convenanten zijn erop gericht om de naleving van de UN Guiding Principles en de OESO-richtlijnen te bevorderen onder bedrijven, om substantiële stappen van verbetering te bereiken voor groepen die negatieve effecten ervaren en om een gezamenlijke oplossing te bieden voor problemen die bedrijven zelf niet geheel kunnen oplossen. In het najaar 2019 zal worden gestart met een evaluatie van de IMVO-convenanten. De uitkomst van deze evaluatie zal het kabinet gebruiken om te bezien of, en zo ja welke, wettelijke maatregelen nodig zijn.
Bent u van mening dat Heineken in de afgelopen vijftien jaar, waarin zij al die tijd op de hoogte waren van deze problematiek, voldoende heeft gedaan om de misstanden aan te pakken? Hoe rijmt u de lage mate van urgentie die volgens het artikel is getoond met de reactie van Heineken dat deze problematiek «volledig indruist tegen waar we als bedrijf voor staan»?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om hierover op korte termijn het gesprek aan te gaan met Heineken en andere grote Nederlandse multinationals en de uitkomsten hiervan te delen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 4.
Zou u in de brief die eind april wordt verwacht over de Nederlandse ontwikkelingshulpsector en hun optreden tegen seksuele misstanden ook het Nederlandse bedrijfsleven willen meenemen? Zo nee, bent u bereid hier een apart onderzoek naar te verrichten en de Kamer hierover te informeren?
De brief over (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de hulp- en ontwikkelingssector, die eind april wordt gestuurd, zal ook betrekking hebben op samenwerkingsverbanden tussen de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven.
Kunt u een overzicht geven van subsidies die in het kader van ontwikkelingssamenwerking aan Heineken worden verleend (vanaf 2007) in Afrikaanse landen? Bent u bereid om het plan van aanpak om seksuele misstanden bij ngo’s tegen te gaan breder te trekken en ook voor bedrijven verplicht te stellen die gebruikmaken van subsidies in het kader van ontwikkelingssamenwerking?
Momenteel lopen in 6 Afrikaanse landen (Rwanda, Ethiopië, Sierra Leone, Nigeria, Zuid-Afrika en Mozambique) partnerschappen op het gebied van «local-sourcing», waarin Heineken partner is of als afnemer verbonden (zie overzicht). Het kabinet verstrekt subsidies aan partnerschappen tussen NGOs, lokale overheden, MKB-bedrijven en Heineken, die Afrikaanse boeren met een klein bedrijf helpen hun landbouwmethoden te verbeteren, de voedselproductie te verhogen en hun eigen inkomenspositie te versterken. De projecten in Zuid-Afrika en Mozambique zijn gericht op het opzetten van landbouwcoöperaties, Heineken is hierin enkel afnemer van de landbouwproducten.
Deze projecten vallen onder hetzelfde subsidiekader dat momenteel naar aanleiding van de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij en door ngo’s tegen het licht wordt gehouden. De maatregelen zullen dan ook voor partnerschappen met bedrijven gaan gelden.
Project
Landen
Partners
Looptijd
Bijdrage Heineken
Bijdrage BuZa
Burundi, DRC
EUCORD (ngo)
2009 – 2015
€ 6,2 miljoen
€ 2,1 miljoen
Ethiopië, Rwanda, Sierra Leone
EUCORD (ngo), IFC,
lokale overheid
2013 – 2019
€ 5,4 miljoen
€ 2,3 miljoen
Nigeria
IFDC (ngo), BoPinc (ngo), Psaltry International (lokaal MKB)
2014 – 2018
€ 9,7 miljoen
€ 1,2 miljoen
Zuid Afrika
Solidaridad, ICCO
2016 – 2018
€ 0,2 miljoen
€ 0,5 miljoen
Mozambique
Lokaal MKB
2018 – 2019
€ 0,025 miljoen
Het bericht ’Vieze’ auto parkeren fors duurder |
|
Erik Ziengs (VVD), Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vieze» auto parkeren fors duurder?1
Ja.
Kunt u een nadere toelichting geven op deze maatregel? Gaat het alleen om emissieloze auto’s of om (nog) een verdere differentiatie?
Op 5 april 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd2 dat ik samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een wijziging van de Gemeentewet voorbereid, zodat gemeenten de bevoegdheid krijgen om voor emissieloze voertuigen lagere parkeertarieven te heffen ten opzichte van andere voertuigen. Ik voorzie geen andere differentiatie.
Erkent u dat differentiatie van parkeertarieven kan leiden tot forse kostenverhogingen voor veel automobilisten? Zo nee, hoe moeten deze maatregelen dan gezien worden?
De maatregel die wordt voorbereid, biedt gemeenten de mogelijkheid om lagere parkeertarieven te heffen voor emissieloze voertuigen. Door een verschil in tarief te bewerkstelligen, wordt een prikkel geïntroduceerd waarmee de aanschaf van emissieloze voertuigen wordt gestimuleerd.
Kunt u een toelichting geven op de beoogde effecten van deze maatregel?
Gemeenten krijgen hiermee een instrument in handen om op lokaal niveau invulling te geven aan de ambities voor schone lucht en klimaat.
Kunt u uitleggen hoe invulling wordt gegeven aan de categorisering en de eigen interpretatieruimte van gemeenten?
Onder emissieloze voertuigen versta ik voertuigen zonder uitlaatgasemissies van CO2 en andere schadelijke stoffen. De categorisering wordt juridisch verankerd en daarbij is geen ruimte voor eigen interpretatie door gemeenten. Wel is het aan gemeenten om te bepalen of ze de maatregel wel of niet toepassen. De komende periode ga ik mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de VNG, gemeenten en andere stakeholders aan de slag om het voorstel verder uit te werken.
Hoe gaat u zorgen voor een uniform beleid, zodat een lappendeken van maatregelen zoals bij de milieuzones voorkomen kan worden?
Het parkeerbeleid is een belangrijk sturingsmiddel voor gemeenten in tal van zaken. Op dit moment kan parkeerbelasting al afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, parkeertijd, de ingenomen oppervlakte en de ligging van de terreinen of weggedeelten3. Het is niet mijn intentie om te treden in de lokale bevoegdheid, alleen om gemeenten een extra instrument te geven.
Deelt u de mening dat een dergelijke maatregel alleen bedoeld kan zijn als stimulans voor schoner rijden en niet als straf voor het hebben van een oudere auto? Deelt u de mening dat hiermee vooral de mensen die zich een dure schone auto kunnen veroorloven extra worden bevoordeeld en de mensen met modale inkomens onevenredig worden benadeeld?
De maatregel is inderdaad bedoeld als een stimulans voor schoner rijden, niet als straf voor het hebben van een oudere auto. De aanpassing van de wetgeving neemt een paar jaar in beslag en de ontwikkeling van emissieloze voertuigen gaat snel, waardoor deze auto’s voor steeds meer mensen ook in prijs een aantrekkelijker alternatief vormen. Ik ben blij met deze ontwikkeling, en dit instrument is bedoeld ter ondersteuning daarvan.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te zorgen dat de ruimte die aan gemeenten geboden wordt niet misbruikt kan worden om automobilisten te straffen voor het bezitten van een oudere auto? Hoe kunt u die waarborg in het voorstel inbouwen?
Door in de Gemeentewet de vrijheidsgraden waarop gemeenten mogen differentiëren in de hoogte van de parkeerbelasting limitatief op te nemen, wordt misbruik voorkomen.
Welke maatregelen kunt u nemen om te voorkomen dat ondernemers in binnensteden onevenredig hard getroffen worden?
Ik zie geen reden waarom ondernemers in binnensteden getroffen kunnen worden door deze maatregel, waarbij klanten met emissieloze voertuigen hun voertuig goedkoper kunnen parkeren.
De begeleiding van leerlingen in en de kwaliteit van het particulier onderwijs |
|
Peter Kwint (SP), Paul van Meenen (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat er mogelijk verspreiding van het Avatar-gedachtegoed plaatsvindt op democratische scholen?1 2
De signalen in en naar aanleiding van de berichtgeving van De Monitor geven inderdaad reden tot zorg, maar het is niet aan mij om een uitspraak te doen over de inhoud van een bepaald gedachtegoed. De signalen zullen door de inspectie worden betrokken in haar toezicht. In het toezicht van de inspectie op particuliere scholen wordt gekeken naar de kwaliteit van onderwijs, goed burgerschap en veiligheid.
Vindt u – gelet op uw beantwoording op eerdere Kamervragen dat reclame maken op scholen voor aanvullende diensten is toegestaan – dat ook voor cursussen van Avatar reclame gemaakt mag worden op scholen, ondanks dat deskundigen aangeven dat er sprake is van hersenspoeltechnieken bij Avatar, de organisatie potentieel «destructief» is voor familierelaties en potentieel onveilig is? Kunt u uw antwoord toelichten? Bent u gezien de uitlatingen over het verdienmodel van Avatar bereid uw aanvankelijke afhoudende houding ten opzichte van een onderzoek naar de school als acquisitieplein te heroverwegen? Zo nee, wanneer komt dan wel het punt dat u bereid bent dit te doen?3 4 5 6
Het aanbieden van betaalde diensten op scholen is, zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen heb aangegeven, toegestaan.7 Het is niet aan mij, noch aan de inspectie, om te oordelen over de overtuigingen van het personeel of ouders van leerlingen op een school, tenzij deze overtuigingen op zo’n manier worden opgelegd dat ze een bedreiging vormen voor de kwaliteit van onderwijs, goed burgerschap of de veiligheid op school. Op die punten houdt de inspectie toezicht.
Bent u bereid om de Onderwijsinspectie te vragen onderzoek te doen naar de verspreiding van het Avatar-gedachtegoed in het democratisch onderwijs of deelt u de mening van de schooldirectie dat het hier een onschuldig gedachtegoed betreft?
De inspectie legt bij particuliere scholen in principe elke twee jaar een schoolbezoek af en past de frequentie aan op basis van een jaarlijkse inschatting van risico’s en / of signalen. Er staan reeds reguliere inspectiebezoeken aan een aantal democratische scholen gepland, waaronder een bezoek aan De Ruimte. De signalen over de wijze waarop het Avatar-gedachtegoed op deze scholen wordt verspreid, zullen tijdens deze bezoeken betrokken worden bij het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, goed burgerschap en veiligheid.
Ziet u, gezien de zorgelijke signalen over particuliere democratische scholen, de noodzaak om deze scholen onder verscherpt toezicht te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wanneer er signalen binnenkomen, maakt de inspectie de afweging op welke wijze hier het best naar gehandeld kan worden. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, neemt de inspectie de signalen naar aanleiding van de berichtgeving van De Monitor mee in het reguliere toezicht.
Hoe staat u ten opzichte van het gelijktrekken van het toezicht door de Onderwijsinspectie voor bekostigd en niet-bekostigd onderwijs? Wat zijn de belangrijkste verschillen in het toezicht, naar uw mening?
Het verder gelijktrekken van het toezicht op bekostigd en niet bekostigd onderwijs zou een (ingrijpende) wetswijziging vergen die ik op dit moment niet opportuun vind. Vooral omdat het toezicht op een aantal belangrijke punten op dit moment al gelijk is voor beide soorten onderwijs. Zo geldt ook voor particuliere, niet-bekostigde scholen dat het onderwijs ingericht dient te zijn ter voorbereiding op aansluitend onderwijs, dat voldaan moet worden aan de kerndoelen en de referentieniveaus, dat men veiligheid van leerlingen moet monitoren, dat men de ontwikkeling van leerlingen moet volgen en dat de leraren bevoegd dienen te zijn. De belangrijkste verschillen zitten in de verplichtingen op het punt van de onderwijstijd, het volgen van de leerlingen (dit hoeft bij niet-bekostigd onderwijs voor de basisvaardigheden niet met landelijk genormeerde toetsen) en deelname aan de eindtoets (geen verplichting voor niet-bekostigd onderwijs). In dit verband merk ik op dat aansluiting op het vervolgonderwijs niet per se via het afnemen van examens hoeft plaats te vinden.
Wat is het nut van de kwalificatieplicht, waarbij leerlingen van 16 tot 18 jaar oud verplicht zijn onderwijs te volgen als zij geen diploma havo, vwo, mbo niveau 2 of hoger hebben, als leerlingen in samenspraak met hun ouders op het particulier onderwijs kunnen besluiten om geen diploma te behalen door het afleggen van examens? Acht u het wenselijk dat er particuliere democratische scholen zijn die het niet noodzakelijk vinden dat hun leerlingen een diploma halen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik hecht sterk aan de kwalificatieplicht, omdat deze wat mij betreft van groot belang is voor de arbeidsmarktkansen van leerlingen. Het onderwijs op particuliere scholen moet de leerlingen aantoonbaar in staat stellen om hun onderwijsloopbaan voort te zetten in het vervolgonderwijs op een niveau dat van ze verwacht mag worden. Zoals ik u in antwoord op eerdere Kamervragen heb gemeld, is een diploma daarin echter geen einddoel, maar instrumenteel.8 Scholen moeten leerlingen wel in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan het staatsexamen. Het is echter aan de leerlingen en hun ouders om de keuze te maken om al dan niet een diploma te behalen door middel van het afleggen van examens.
Voor de meeste leerlingen die particulier onderwijs volgen, geldt dat zij uiteindelijk een startkwalificatie halen. De leerlingen die staatsexamen doen kunnen langs die weg een startkwalificatie halen. Leerlingen die zonder diploma doorstromen kunnen in het mbo terechtkomen, waar bij aanmelding een niveaubepaling plaatsvindt. Een enkeling wordt vanwege specifieke begaafdheden zonder diploma toegelaten tot het hoger onderwijs.
Deelt u de zorg dat de didactische vrijheid van scholen soms dusdanig ver doorgeslagen is, dat het welbevinden en de ontwikkeling van kinderen niet centraal wordt gezet? Zo nee, hoe is dit te rijmen met de stelling van iemand die zijn gedachtengoed op scholen deelt, dat Avatar ook kanker kan genezen door deze kankergeesten uit te drijven?
Het onderwijs en daarbij het welbevinden en de ontwikkeling van de leerlingen zijn zaken die mijn aanhoudende aandacht hebben. Dat geldt niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar ook voor het particulier onderwijs, en komt dan ook terug in de (wettelijke) eisen die aan alle vormen van onderwijs worden gesteld.
Het bericht ‘Zieke werknemers zorgaanbieder Carinova moeten werk inhalen’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zieke werknemers zorgaanbieder Carinova moeten werk inhalen»?1
Ja, ik ken dit bericht.
Wat vindt u van het feit dat medewerkers bij Carinova hun werk moeten inhalen?
Het maakte op mij een merkwaardige indruk dat werknemers die zich ziekmelden hun werk zouden moeten inhalen. Dat heb ik ook aangegeven in reactie op de mondelinge vragen die het Kamerlid Van Kent (SP) hierover aan mij gesteld heeft, tijdens het Vragenuur van de Tweede Kamer op 27 maart jongstleden. Tijdens het Vragenuur heb ik ook vooropgesteld dat er geen oneigenlijke druk uitgeoefend mag worden op mensen die ziek zijn. In zijn algemeenheid geldt immers dat de werkgever een loondoorbetalingsplicht heeft tijdens ziekte. Tijdens ziekte moet de werkgever het loon doorbetalen en hoeft de werknemer niet te verschijnen op het werk. Werkgevers moeten zich aan deze wettelijke verplichting – die geregeld is in het Burgerlijk Wetboek – houden.
Het ligt op de weg van partijen om over de in het nieuwsbericht geschetste situatie het gesprek aan te gaan. Dit gesprek tussen de werkgever (Carinova) en vakbonden heeft inmiddels plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heeft de werkgever het verzuimprotocol dat ter discussie stond ingetrokken. Zoals ik heb aangegeven tijdens het Vragenuur, is het niet aan mij om actie te ondernemen en is het ook niet aan mij – maar aan de rechter – om te treden in de beoordeling van individuele gevallen. Dat de vakbond CNV hier alert op is geweest en dit heeft aangekaart bij de werkgever, vind ik dan ook een goede zaak. Dat is immers de geëigende route.
Deelt u de mening dat een werknemer niet de probleemhouder mag worden van ziekteverzuim? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er naar uw oordeel in deze situatie gesjoemeld met verzuim, zoals wordt gesteld door vakbond CNV? En is dit in strijd met de wet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid in contact te treden met Carinova om dit aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘De rechtspraak moet een slag maken naar etnische diversiteit’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De rechtspraak moet een slag maken naar etnische diversiteit»?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van de president van het gerechtshof Den Haag dat het aantal rechters met een migratie-achtergrond «veel te laag» is?
De samenstelling van het rechtspraakpersoneel is de verantwoordelijkheid van de rechtspraak zelf. Het is belangrijk dat de samenleving zich kan herkennen in de rechtspraak. Dat kan bijdragen aan het gezag, het draagvlak en het vertrouwen. Een divers samengestelde rechterlijke macht draagt dan ook bij aan het waarborgen van de legitimiteit van de rechtspraak. Meer diversiteit heeft geen invloed op de geldende kernwaarden: onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit.
Rechters dienen onpartijdig te zijn. Daar worden ze ook op geselecteerd en toe opgeleid. Bij de selectie staat kwaliteit altijd voorop. Kwaliteit en diversiteit hoeven elkaar niet te bijten. In de opleiding worden rechters getraind in de vaardigheid om hun persoonlijke politieke en andere opvattingen en hun sociaal-culturele achtergrond zorgvuldig te scheiden van hetgeen functioneel van hen wordt verwacht: onafhankelijke, onpartijdige en integere toepassing van het recht. Dit alles overigens niet door het ontkennen, maar door het onderkennen van die opvattingen en achtergrond. Een rechter hoeft niet een bepaalde cultuur te vertegenwoordigen om deze te kunnen begrijpen.
Wat vindt u van de uitspraak dat er meer rechters moeten komen «die hun cultuur begrijpen»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat rechters neutraal moeten zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, sinds wanneer moeten rechters die een bepaalde cultuur willen begrijpen deze ook vertegenwoordigen? Of bent u van mening dat er ook meer rechters met rood haar moeten komen of meer rechters die de PVV aanhangen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u niet dat als een rechter van mening is dat er meer rechters moeten komen met een migratie-achtergrond vanwege het argument dat die «hun cultuur beter begrijpen» hij eigenlijk suggereert dat er blijkbaar ook meer mensen voor de rechter verschijnen met een migratie-achtergrond? Zo nee, waarom niet?
Nee, die suggestie heb ik in die opvatting niet kunnen herkennen.
Deelt u de mening dat deze gevaarlijke uitspraken eigenlijk ook een pleidooi zijn voor sharia-rechtspraak, aangezien dit een bepaalde cultuur het best vertegenwoordigt? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De rechtspraak in Nederland past het alhier geldende recht toe.
Deelt u de mening dat deze president een dwaallicht is en dat de rechters die onder hem ressorteren niet meer objectief kunnen oordelen in de zaak Wilders?
Rechters en raadsheren zijn onafhankelijk en dus heeft een president van een gerecht geen gezag over hen voor wat betreft hun rechtsprekende taak. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat het bestuur van een gerecht zich niet mag mengen in de behandeling van een individuele zaak.
De tv-uitzending van Kassa waaruit bleek dat ex-gedetineerden moeilijk een schadeverzekering af kunnen sluiten |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de tv-uitzending van Kassa d.d. 24 maart 2018, waarin aandacht werd gevraagd voor de moeilijkheden die ex-gedetineerden ondervinden bij het afsluiten van schadeverzekeringen?1
Ja.
Deelt u de mening dat straffen een taak van de rechter is en niet van commerciële partijen, zoals verzekeraars? Deelt u eveneens de mening dat het na het uitzitten van de straf belangrijk is dat mensen weer mee gaan doen en resocialiseren, bijvoorbeeld door aan het werk te gaan, en dat deze doelstellingen niet dichterbij komen indien verzekeraars bijvoorbeeld autoverzekeringen weigeren?
Het is aan het Openbaar Ministerie en de strafrechter om te bepalen of iemand die een strafbaar feit heeft gepleegd hiervoor een sanctie opgelegd moet krijgen. Dit kan afhankelijk van de ernst van het strafbare feit een vrijheidsbenemede sanctie zijn, maar bijvoorbeeld ook een geldboete of taakstraf. Iemand die zijn sanctie heeft ondergaan moet met een schone lei kunnen beginnen. Daar hoort het kunnen afsluiten van een verzekering ook bij. Dit is bijvoorbeeld van belang om met een auto te mogen rijden.
Naast het belang van ex-gedetineerden om een verzekering te kunnen afsluiten bestaat het belang van verzekeraars om aanvragen van potentiële verzekeringnemers op verzekerbaarheid te kunnen beoordelen. Omdat risico’s worden verzekerd hoort daar een inschatting van die risico’s bij. Heeft een aanvrager een strafrechtelijk verleden, dan is het aan de verzekeraar om in het individuele geval een afweging te maken of dit invloed heeft op het te verzekeren risico. In deze afweging kunnen ook andere risicofactoren worden betrokken, zoals de leeftijd van de aanvrager of het niet betalen van verzekeringspremies in het verleden. Verzekert een verzekeraar een groter risico, dan ligt het voor de hand dat deze een hogere premie vraagt. Is het ingeschatte risico te groot, dan zal de verzekeraar geen verzekering verstrekken. Behalve bij de ziektekostenverzekering hebben verzekeraars geen acceptatieplicht.
Vindt u dat verzekeraars ex-gedetineerden categorisch mogen weigeren, louter om de reden dat zij een strafblad hebben? Zo nee, gaat u de verzekeraars die dit toch doen hierop aanspreken?
Indien verzekeraars ex-gedetineerden categorisch zouden weigeren, louter omdat ze een strafblad hebben, vind ik dat onwenselijk. In de uitzending van Kassa worden voorbeelden gegeven van verzekeraars die ex-gedetineerden vanwege een gepleegd strafbaar feit geen verzekeringen zouden aanbieden, terwijl het verband tussen het strafbare feit en het te verzekeren risico niet duidelijk is. Reacties van diverse verzekeraars op vragen van Kassa, die zijn gepubliceerd op de website van Kassa, geven mij geen reden te veronderstellen dat ex-gedetineerden door het acceptatiebeleid van verzekeraars categorisch worden geweigerd en daardoor geen verzekeringen zouden kunnen afsluiten.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat een vangnet bestaat voor mensen die geen reguliere verzekering kunnen afsluiten. Zij kunnen een verzekering aanvragen bij de Vereende. De premie is dan vaak hoger, omdat de Vereende in algemene zin grotere risico’s verzekert en relatief meer bedrijfskosten heeft. Er wordt niet gevraagd naar een strafrechtelijk verleden, en dit wordt ook niet meegenomen in de bepaling van de individuele premie of aanvullende voorwaarden. De premie die de Vereende aanbiedt aan een ex-gedetineerde is dus even hoog als de premie die de Vereende aanbiedt aan iemand zonder strafrechtelijk verleden.
Staat u nog steeds achter de uitspraak, gedaan naar aanleiding van de Kamervragen hierover, dat verzekeraars slechts een hogere premie mogen vragen als er een aantoonbaar hoger risico is, namelijk slechts in die gevallen waarin een verband bestaat tussen de verzekering en het misdrijf dat is begaan?2
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het feit dat nu blijkt, uit de klachten die onder andere bij Kassa en bij Bonjo (belangenorganisatie voor (ex)gedetineerden) zijn binnengekomen, dat schadeverzekeringen juist ook geweigerd worden als het verband tussen strafbaar feit en type verzekering ontbreekt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid alle verzekeraars te wijzen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en het belang van het kunnen afsluiten van verzekeringen door ex-gedetineerden voor een zo goed mogelijke resocialisatie? Zo ja, op welke termijn wilt u dit doen en wilt u de Kamer daarover informeren? Zo nee, waarom niet?
Als een ex-gedetineerde geen verzekering krijgt aangeboden van een verzekeraar louter omdat deze een strafblad heeft kan dit diens re-integratie in de weg staan en daarmee de kans op recidive vergroten. In dit licht zal ik het Verbond van Verzekeraars het belang van mensen met een strafblad om verzekeringen te kunnen afsluiten onder de aandacht brengen.
Het voortzetten van het succesvolle teeltproject zonder mest Planty Organic |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Project teelt zonder mest zit zonder geld»?1
Ja.
Is het waar dat het innovatieve landbouwsysteem Planty Organic een projectfinanciering had van 2012 tot 2018 en dat er nog geen geld is voor verlenging van het project?2
Dit project heeft van het Ministerie van Economische Zaken tussen 1 januari 2013 en 31 december 2015 een financiering ontvangen onder projectnummer BO-20-014-003, voor een beperkt deel dat werd uitgevoerd door Wageningen Research (toen nog DLO). Projectfinanciering is altijd voor bepaalde duur, namelijk voor de duur van het uitvoeren van een duidelijk omschreven en vastgesteld projectplan. Een project heeft per definitie een einde. Verlenging is nooit een automatisme.
Deelt u het belang dat uw ambtsvoorganger hechtte aan onderzoek naar een biologisch landbouwsysteem dat volledig op een eigen mineralenvoorziening draait, dat wil zeggen zonder de aanvoer van (dierlijke) meststoffen van buitenaf? Zo nee, waarom niet?
Ja, waarbij ik wel opmerk dat het belang om de afhankelijkheid van externe productiefactoren te verkleinen niet beperkt is tot het biologische landbouwsysteem en dierlijke meststoffen.
Kunt u bevestigen dat de tussenresultaten van dit project voor duurzame plantaardige productie zonder aanvoer van meststoffen in 2014 al bemoedigend waren en dat na zes jaar zonder aanvoer van mest de opbrengst van de gewassen zelfs boven verwachting hoog was?
Het project laat zien dat met een akkerbouwsysteem met volledig eigen stikstofvoorziening middels uitsluitend bedrijfseigen stikstof (via leguminosen aangevoerd en door middel van maaimeststoffen, groenbemesters en gewasresten beschikbaar gekomen voor de gewassen), opbrengsten op een redelijk niveau kunnen worden bereikt, waarbij de onkruiddruk beheersbaar was. De bodem- en gewasanalyses op NPK en sporenelementen laten geen dalende tendens zien.
Dit type grond heeft een dusdanige voorraad aan mineralen dat vijf jaar bedrijfsvoering zonder externe aanvoer geen analyseerbare verarming van bodem of gewas tot gevolg heeft. Echter op termijn zou de landbouwgrond voor nutriënten fosfaat of kalium beperkend kunnen zijn. De evaluatie geeft aan dat een organische bron van deze nutriënten wellicht in de toekomst nodig is. Of deze resultaten ook op andere gronden en bij andere teelten toepasbaar zijn laat het onderzoek nog niet zien.
Deelt u de mening dat de hoge fosfaat- en stikstofefficiëntie in dit project zeer hoopgevend is voor zowel de bodem- als de waterkwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid de financiering voor Planty Organic voort te zetten en in gesprek te gaan met de andere financieringspartners om hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet zonder meer. Zie daarvoor mijn antwoord op vraag 2. De initiatiefnemers kunnen wel gebruik maken van het bestaande instrumentarium voor de financiering van landbouwkundig onderzoek, zoals bijvoorbeeld via de Topsector Agro & Food.
De topsectoren hebben recent een oproep gedaan voor nieuwe voorstellen (https://topsectoragrifood.nl/wp-content/uploads/2018/03/Oproep-PPS-voorstellen-topsector-AgriFood-2019-def.pdf), waarbij in de eerste fase projectideeën kunnen worden aangeleverd.
In dat stadium zijn nog geen uitgewerkte plannen nodig. Aangezien de deadline voor aanmelding tot 15 april 2018 loopt, heeft het Ministerie van LNV de betrokken onderzoekers direct op deze mogelijkheid gewezen.
Het bericht dat Syrische kind vluchtelingen steeds vaker niet naar school gaan door armoede |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Syrische kindvluchtelingen steeds vaker niet naar school gaan door armoede?1
Ja.
Hoe verklaart u de stijging van 36% naar 43% van de Syrische kindvluchtelingen die in de regio worden opgevangen en niet naar school gaan?
Onderzoek wijst uit dat het armoedeniveau onder Syrische vluchtelingen in opvanglanden stijgt. Een gevolg hiervan is dat kinderen in toenemende mate worden ingezet om een inkomen te verdienen. Ook houden ouders hun kinderen thuis om kosten te besparen en wordt een groeiend aantal meisjes op jonge leeftijd uitgehuwelijkt, niet alleen vanuit het oogpunt van lastenvermindering maar ook omdat ouders hopen hun dochters op die manier betere bescherming te bieden. Dit kan ertoe leiden dat minder kinderen naar school gaan, in het bijzonder kinderen in de wat hogere leeftijdscategorie. Daarnaast is er ondanks inspanningen van de opvanglanden, hulporganisaties en donoren nog altijd een tekort aan scholen, leerkrachten en materiaal, waardoor er niet voor alle kinderen een plek is. Dit vergt lange termijn investeringen in duurzame oplossingen.
Overigens moet opgemerkt worden dat de cijfers over het aantal Syrische vluchtelingenkinderen dat naar school gaat niet eenduidig zijn. Zo blijkt uit het recent gepubliceerde rapport2 «We made a promise: Ensuring learning pathways and protection for Syrian children and youth» van het No Lost Generation initiatief, dat het aantal Syrische kindvluchtelingen dat onderwijs geniet in de buurlanden van Syrië het afgelopen jaar juist is gestegen. Het kabinet bouwt hier graag op voort en zal een aanzienlijk deel van de extra middelen die beschikbaar komen voor «opvang in de regio» aanwenden voor onderwijs en training, met als doel de perspectieven van vluchtelingen en gastgemeenschappen te verbeteren. In de BHOS-beleidsnota die uw Kamer binnenkort toegaat, zal ik nader ingaan op de manier waarop het kabinet invulling wil geven aan deze intensivering.
Hoe is het beleid omtrent werkvergunningen in de verschillende landen in de regio? Wordt er via diplomatie aan gewerkt om dit te versoepelen in de verschillende landen en toegankelijk te maken voor vluchtelingen? Zo ja, hoe en wat is hierop de reactie van de verschillende landen? Zo nee, waarom niet?
Het beleid omtrent werkvergunningen verschilt per land. Jordanië heeft zich in februari 2016 gecommitteerd aan het afgeven van 200.000 werkvergunningen in ruil voor steun van de internationale gemeenschap voor economische groei en verbeterde markttoegang tot de EU voor Jordaanse producten. In Libanon mogen Syriërs werken in drie sectoren; landbouw, bouw en recycling. Het Libanese Ministerie van Arbeid heeft dit onlangs in een schriftelijke verklaring bevestigd. Syrische vluchtelingen in Turkije hebben vanaf zes maanden na registratie recht op een werkvergunning, die door een werkgever moet worden aangevraagd. In de praktijk blijken veel werkgevers en vluchtelingen de voorkeur te geven aan illegale arbeid. Ook zijn nog lang niet alle vluchtelingen bekend met de regels voor het aanvragen van een werkvergunning. Turkse en Jordaanse autoriteiten en donoren werken goed samen om meer werkvergunningen aan Syrische vluchtelingen af te geven. In Libanon ligt dit gevoeliger.
Er is brede overeenstemming dat het verbeteren van toegang tot de arbeidsmarkt van vluchtelingen de duurzaamheid van opvang ten goede komt. Tegelijkertijd is dit een politiek gevoelig onderwerp, vanwege de hoge werkloosheidspercentages onder de eigen bevolking en de grote aantallen vluchtelingen waarmee deze landen te maken hebben. Door te investeren in duurzame economische groei, infrastructuur en op de markt toegesneden beroepsonderwijs beoogt Nederland, samen met andere internationale partners, bij te dragen aan meer kansen voor Syrische vluchtelingen op de arbeidsmarkt. Politieke dialoog met opvanglanden is hier integraal onderdeel van.
Zijn er mogelijkheden voor de ouders en kinderen om financieel tegemoet gekomen te worden in de kosten voor vervoer en schoolboeken via overheden?
Overheden en donoren trachten beperkende factoren zoals kosten voor transport en onderwijsmateriaal op verschillende manieren te adresseren. Zo wordt lesmateriaal in het Jordaanse onderwijssysteem in principe gratis ter beschikking gesteld aan Syrische vluchtelingen. Ook door middel van cash-programma’s beogen donoren bij te dragen aan kosten voor transport en schoolmateriaal. Zo biedt het «Conditional Cash Transfer for Education» (CCTE) project in Turkije een financiële prikkel waarbij ouders geld krijgen wanneer hun kinderen naar school gaan. Zoals gemeld in het tweede jaarverslag over de EU Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije3 ontvingen per februari 2018 de families van meer dan 266.000 kinderen op deze manier financiële steun. Daarnaast profiteren gemiddeld 6.683 kinderen per maand van steun voor vervoer naar school in Turkije.
Hoeveel geld is er nodig voor om ervoor te zorgen dat voor deze kinderen de kosten van vervoer en schoolboeken geen belemmering meer vormen om onderwijs te volgen?
Het Regional Refugee and Resilience Plan (3RP) van de VN geeft aan dat in de periode 2018–2019 in totaal USD 773 miljoen nodig is voor onderwijsprogramma’s in Libanon, Jordanië, Turkije, Egypte en Irak. Hiervan is USD 522 miljoen geraamd voor UNICEF. Voor de gevraagde USD 773 miljoen is nog niet bekend welk deel door donoren is toegezegd, dit wordt per kwartaal door UNHCR en UNDP geïnventariseerd. Voor UNICEF is dit wel al bekend, van de USD 522 miljoen is op dit moment USD 237 miljoen gedekt. Nederland roept donoren met regelmaat op om aan gedane pledges te voldoen. De Syrië-conferentie in Brussel op 24 en 25 april a.s., waar de landen uit de Syrië regio en de internationale gemeenschap onder andere de stand van zaken opmaken met betrekking tot de steun voor onderwijs en werkgelegenheid, is een uitgelezen moment daarvoor.
Hoeveel van het benodigde geld is reeds toegezegd door donoren? Hoeveel is nog niet daadwerkelijk overgemaakt? Bent u bereid donoren die hun toegezegde bijdrage nog niet hebben overgemaakt hiertoe aan te sporen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel geld heeft Nederland voor onderwijs van vluchtelingkinderen toegezegd en overgemaakt? Ziet u mogelijkheden deze bijdrage te vergroten?
Tot nu toe heeft Nederland voor de periode 2016–2018 een bedrag van EUR 42 miljoen gecommitteerd aan bilaterale onderwijsprogramma’s in Libanon en Jordanië. Daarvan is EUR 35 miljoen overgemaakt. Deze programma’s richten zich op capaciteitsopbouw van lokale onderwijssystemen, informeel onderwijs voor kinderen met een grote leerachterstand en training, studiebeurzen en zgn. «life skills» voor jongeren. Naast bilaterale steun draagt Nederland bij aan onderwijs voor vluchtelingen via de EU (o.a. EU-Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije), het «Education Cannot Wait» initiatief waaraan Nederland zich bij de oprichting tijdens de World Humanitarian Summit in 2016 had gecommitteerd, en via ongeoormerkte bijdragen aan VN-organisaties (UNHCR, UNICEF, UNRWA) en de Wereldbank. Zoals ook gesteld in het antwoord op vraag 2, zal het kabinet voor 2018 en verder een aanzienlijk deel van de extra middelen die beschikbaar komen voor «opvang in de regio» aanwenden voor onderwijs en training, met als doel de perspectieven van vluchtelingen en gastgemeenschappen te verbeteren.
Hoe is het taalonderwijs voor Syrische kindvluchtelingen geregeld in de verschillende landen in de regio en dan met name Turkije waar het onderwijs in een andere taal wordt gegeven? Zijn hier ook hulporganisaties en donoren bij betrokken en ziet u mogelijkheden de kwaliteit en toegankelijkheid van dit taalonderwijs te vergroten?
In Jordanië en Libanon is het onderwijs curriculum grotendeels in het Arabisch. Sommige vakken worden in Libanon in het Frans of Engels gedoceerd, maar taal is over het algemeen geen probleem. In Turkije is men in het begin van de Syrië-crisis gestart met lesgeven in het Arabisch, maar door de grote aantallen vluchtelingen werd dit onhoudbaar. Daarbij komt dat de crisis langer duurt dan verwacht en men meer en meer kijkt naar de integratie van Syriërs, ook van hun kinderen, in de Turkse samenleving. Daarbij is het beheersen van het Turks onontbeerlijk, en wordt dus in toenemende mate in het Turks lesgegeven. Via de EU Faciliteit voor Vluchtelingen in Turkije worden programma’s gefinancierd die dit proces ondersteunen. Door middel van het «Promoting Integration of Syrian Children into Turkish Education System» (PICTES) project ontving het Turkse Ministerie van nationaal onderwijs een subsidie van EUR 300 miljoen om Syrische kinderen in het Turkse onderwijssysteem te integreren. In dit kader worden ook schrijfmateriaal en schoolboeken aan 500.000 leerlingen uitgedeeld.
Is bekend hoe groot het probleem van discriminatie van vluchtelingenkinderen in het onderwijs in landen in de regio is? Zo ja, hoe groot is dit probleem en hoe pakken de verschillende landen dit aan? Op welke manier worden de landen hierin door donoren en hulporganisaties ondersteund en ziet u ruimte om deze hulp te vergroten?
De discriminatie van vluchtelingenkinderen in het onderwijs is een significant probleem. Geprobeerd wordt om dit op verschillende manieren tegen te gaan. Zo worden contactpersonen uit de Syrische gemeenschap ingezet, die samen met de (Jordaanse of Libanese) leraren naar oplossingen zoeken. In de training van docenten is expliciete aandacht voor zgn. «soft skills», waaronder aandacht voor het tegengaan van discriminatie.
Door te investeren in Turkse les voor Syrische kinderen zal naar verwachting ook het probleem van discriminatie enigszins afnemen, al blijft dit een punt van zorg. Door gastgemeenschappen nadrukkelijker te betrekken bij programma’s die uit de Faciliteit voor Vluchtelingen worden gefinancierd, pogen Turkse autoriteiten en donoren spanningen te doen afnemen.
De adviesaanvraag over de sluiting van Siemens Hengelo |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van feit dat Siemens een adviesaanvraag voor sluiting van de vestiging in Hengelo aan de Raad van Commissarissen van Siemens Nederland stuurt?1
Ja.
Herinnert u zich dat u op eerdere Kamervragen heeft geantwoord dat Siemens zich wil inzetten voor het behouden van de banen, zich verantwoordelijk voelt voor het personeel en alles in het werkt stelt om de gevolgen van het personeel zo beperkt mogelijk te houden?2
Ik heb in eerdere antwoorden op vragen over de voorgenomen sluiting van Siemens Hengelo aangegeven de ontwikkelingen op de voet te volgen. Dit is onverminderd het geval. Ik sta in nauw contact met de directie van Siemens Nederland, die me regelmatig bijpraat over de stand van zaken. Ik heb ook enkele malen met Siemens AG contact gehad over de voorgenomen sluiting, waarbij ook Siemens AG haar commitment heeft uitgesproken om de werkgelegenheid zoveel als mogelijk te behouden voor de regio. Mijn aanbod om daarbij te helpen blijft uiteraard overeind. Als er een zinvolle rol is voor de overheid ben ik bereid, binnen de mogelijkheden die ik heb, die te vervullen.
Kunt u aangeven hoe Siemens AG, Siemens Nederland en de Nederlandse regering samenwerken om de werkgelegenheid te behouden?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u contact met de Raad van Commissarissen van Siemens Nederland om hen ervan te overtuigen dat ze geen toestemming hoeven te geven om een winstgevende locatie van Siemens in Hengelo te sluiten?
Ik sta in contact met de directie van Siemens Nederland, niet met de Raad van Commissarissen.
De directies van Siemens Nederland en Siemens AG zijn verantwoordelijk voor het nemen van een strategisch besluit als de voorgenomen sluiting van Hengelo. Dit met inachtneming van de wet- en regelgeving die de belangen van werknemers borgt. De Raad van Commissarissen van Siemens Nederland maakt bij de uitoefening van haar toezichthoudende taak een eigen afweging.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden en bent u in staat onzekerheid bij medewerkers van Siemens Hengelo weg te nemen?
De vragen zijn binnen de geldende termijn van drie weken beantwoord.
Het bericht ‘GBNED: Belastingdienst lijkt aan koppelverkoop te doen’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst lijkt aan koppelverkoop te doen»?1
Ja.
Kunt u reageren op de suggestie gewekt in het artikel dat de Belastingdienst aan koppelverkoop doet?
Zoals ook vermeld in de Handhavingsbrief Belastingdienst 2018 wil de Belastingdienst komen tot een vorm van vooraf ingevulde aangiften voor zzp’ers. «Automatisch ingevuld» betekent daarbij dat het boekhoudpakket vanuit de administratie van de ondernemer de gegevens voor de aangifte samenstelt. In dit kader wordt de proef «Boekhouden, belastingaangifte en betalen in één» gehouden. De Belastingdienst stelt daarbij eisen aan de wijze waarop de administratie wordt gevoerd. Deze eisen zijn er op gericht bewuste en onbewuste fouten zoveel mogelijk te voorkomen. Dat betekent onder andere dat de administratie gevoerd wordt met gecertificeerde software. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het keurmerk Zeker-OnLine. Aan de basis van dat keurmerk ligt een accreditatieproces en een normenkader dat in samenwerking tussen verschillende aanbieders van online boekhoudpakketten, ICTRecht (juridisch adviesbureau), NOREA (beroepsorganisatie van IT-auditors), ECP (Platform voor de InformatieSamenleving) en de Belastingdienst is ontwikkeld. Op toepassing van dat normenkader vindt onafhankelijk toezicht plaats. Het keurmerk Zeker-OnLine is in mijn ogen een passende invulling van te stellen waarborgen om de proef tot een succes te maken. Het is voor iedere aanbieder van online boekhoudpakketten mogelijk zich aan te sluiten bij de proef, mits voorzien van het keurmerk Zeker-OnLine. De aanbieder die dat keurmerk nog niet heeft kan accreditatie vragen met het genoemde accreditatieproces. Van koppelverkoop is dan ook geen sprake.
Kunt u aangegeven op basis waarvan het keurmerk Zeker-Online aanbieders van paketten selecteert?
De stichting Zeker-OnLine heeft het proces vastgesteld, waarmee het onafhankelijk toekennen van het keurmerk aan online boekhoudpakketten die door aanbieders zelf bij de stichting worden aangemeld, geborgd wordt. In dit proces zitten de waarborgen dat de toelating op objectieve criteria plaatsvindt en dat het keurmerk geen selectieve toetredingscriteria kent.
Kunt u reageren op de stelling van GBNED dat afgevraagd kan worden of die pakketten wel in alle gevallen de beste oplossingen zijn voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers)?
De Belastingdienst doet geen uitspraken over de vraag welke pakketten de beste oplossingen zijn voor zzp’ers. De keuze van een boekhoudpakket is een verantwoordelijkheid van de ondernemer.
De Belastingdienst doet een proef om verbeterde dienstverlening en verbeterde naleving te combineren. De proef is erop gericht om vast te stellen of zzp'ers gemak kunnen hebben van een online boekhoudpakket dat het voeren van administratie, het doen van aangifte en betalen integreert. Ik verwacht dat dit leidt tot minder administratieve lasten, meer inzicht in de eigen financiële en fiscale positie en kwalitatief betere aangiften.
Vindt u dat het antwoord op die vraag überhaupt aan de Belastingdienst is?
Zie antwoord vraag 4.
Is het opmerkelijk dat de Belastingdienst zelf aanbieders aanprijst? Gebeurt dit vaker? Zo ja, waar?
De Belastingdienst prijst geen aanbieders aan. In de communicatie van de Belastingdienst worden de aanbieders niet genoemd. Er wordt enkel en alleen gesproken over het keurmerk en er wordt aangegeven dat de aanbieders van boekhoudpakketten waarmee wordt deelgenomen aan de proef, voorzien zijn van het keurmerk.
Kunt u reageren op de stelling in het artikel dat met de flyer van de Belastingdienst meer beloofd is dan men waar kon maken?
De Belastingdienst heeft aangekondigd om middels deze proef te onderzoeken of het integreren van het voeren van administratie, het doen van aangifte en betalen voor zzp’ers voordelen oplevert. De tekst van de flyer geeft dat weer. Anders dan in het artikel wordt gesteld is er geen sprake van dat de Belastingdienst zou suggereren dat met gebruik de betreffende boekhoudpakketten geen fouten meer worden gemaakt in de belastingaangifte. Wel zal de proef er onder andere op gericht zijn om te bezien of (on)bewuste fouten kunnen worden voorkomen.
Waarom is niet gekozen voor het Ondersteuning SoftWare Ontwikkelaars (OSWO)-kanaal?
OSWO is een ondersteunende dienst van de Belastingdienst voor alle ontwikkelaars van software waarmee belastingplichtigen hun digitaal berichtenverkeer met de Belastingdienst voor de verschillende belastingaangiften uitvoeren. Een team (team Ondersteuning Softwareontwikkelaars = OSWO) voorziet in het op internet publiceren van informatie, zoals informatie over (jaarlijkse) aangiftespecificaties en testfaciliteiten. Ook is voorzien in een helpdesk en ondersteunend overleg.
OSWO is dus een ondersteunend communicatiekanaal van de Belastingdienst voor de software-ontwikkelaars en is daarmee van geheel andere aard dan het Keurmerk Zeker-OnLine dat wordt gevoerd door een stichting met de genoemde betrokken partijen. Het is aan de individuele software-ontwikkelaar om te overwegen het Keurmerk Zeker-OnLine aan te vragen, zodat daarmee gebruikers van het betreffende softwarepakket aan de proef kunnen deelnemen.
Neemt u de uitnodiging aan om rond de tafel te gaan zitten, zoals beschreven in het artikel?
De Belastingdienst is structureel in gesprek met partijen zoals ECP, belangenorganisaties van zzp'ers, belangenorganisaties van fiscaal dienstverleners, Kamer van Koophandel, banken en KING.
Ook aanbieders van online boekhoudpakketten zijn in de gelegenheid om bij dat gesprek aan te sluiten. Tevens zijn de aanbieders van online boekhoudpakketten uitgenodigd om in gesprek te gaan met de Belastingdienst.
Wat is het foutenpercentage voor aangiften van zzp’ers? Hoe vaak worden boetes opgelegd? Met hoeveel verwacht u dat deze beide aantallen naar beneden kunnen na deze proef? Hoe houdt u de Kamer op de hoogte van de resultaten van deze proef?
Zoals ook gepubliceerd in de «Beleidsdoorlichting Toezicht en opsporing en massale processen Belastingdienst2 werden bij steekproefonderzoeken in ongeveer 40% van de aangiften van ondernemers correcties opgelegd. Naar het oordeel van de behandelaar komt ongeveer 60% van deze correcties voort uit onwetendheid, gebrek aan kennis, slordigheid, gemakzucht, of een slechte administratie. De proef is er op gericht na te gaan in hoeverre deze, vaak onbewuste, fouten kunnen worden voorkomen door verbeteringen in de administratie.
Boetes kunnen worden opgelegd wanneer aangiften te laat, onjuist of onvolledig worden gedaan. De aanname is dat als het doen van aangifte eenvoudiger wordt dit ten goede komt aan tijdigheid, juistheid en volledigheid, waardoor het aantal boetes mogelijk zal teruglopen. Ik ben voornemens u over de resultaten van de proef te informeren vanaf de 22e Halfjaarsrapportage.
Kunt u aangeven welke stappen u de laatste jaren zelf gezet hebt met de Belastingdienst om het doen van aangifte voor zzp’ers en kleine mkb’ers eenvoudiger te maken?
Sinds enkele jaren wordt het privé en ondernemersdeel van de online-aangifte inkomstenbelasting geïntegreerd aangeboden via het portaal MijnBelastingdienst. Zzp’ers en kleine ondernemers kunnen bij het doen van aangifte via internet gebruik maken van een helpfunctie die jaarlijks wordt geactualiseerd en antwoord geeft op veel vragen. De informatie op de website is de afgelopen jaren overzichtelijker gemaakt en beter toegankelijk geworden.
Op verschillende manieren heeft de Belastingdienst er de afgelopen jaren op ingezet om zzp’ers en kleine ondernemers te behoeden voor onnodige fouten in de aangifte: mediacampagnes die wezen op vaak voorkomende fouten, toegenomen informatie op de website met concrete checklists en rekenhulpen en webcare via diverse socialmediakanalen. De Belastingdienst ondersteunt starters bij de eerste stappen van hun onderneming door voorlichting op de website en met bijeenkomsten en webinars en werkt daarbij onder andere samen met de Kamer van Koophandel.
Overigens speelt de fiscale dienstverlener vaak een belangrijke rol bij het doen van belastingaangifte.
Kunt u aangeven welke stappen u van plan bent te zetten om het doen van aangifte eenvoudiger te maken voor zzp’ers en kleine mkb’ers?
De proef is een eerste stap op weg naar een beoogde vereenvoudiging. Idealiter is er voor de ondernemer één eenduidige, geautomatiseerde, ononderbroken administratieve keten. De keten bestaat uit het primair vastleggen van transacties, het verwerken daarvan en de output voor verschillende bedrijven en instanties, waaronder voor de Belastingdienst de belastingaangiften en betalingen. De boekhouding wordt geautomatiseerd, veelal online, gedaan. Er wordt in zo’n situatie een administratieve omgeving gecreëerd vóór in de keten die bedrijven faciliteert om het goed te doen. Naleving wordt geïntegreerd in proces en systeem en zaken gaan zoveel mogelijk in één keer goed. De kwaliteit vóór in de keten is hoog zodat fouten zoveel mogelijk worden voorkomen.
Deze stip op de horizon kan niet met een druk op de knop worden bereikt. Het is ook niet aan de Belastingdienst alleen. Die is partner in een keten. Het komen tot de stip vraagt betrokkenheid en duurzaam commitment van alle betrokken partijen en er moet nog veel worden uitgezocht. De proef legt naar ik verwacht een belangrijke basis voor vervolgstappen.
De nieuwe tarieven en het assortiment voor de Intercity Brussel |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «IC Brussel: Weekendretour tot 70% duurder, enkeltjes juist tot 50% goedkoper»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe de prijzen voor deze trein veranderen afhankelijk van het tijdstip van het kopen van het kaartje en de reis? Is er daarbij voor de meeste reizigers sprake van een prijsstijging of een -daling?
NS maakt in de nieuwe tariefstructuur op hoofdlijnen onderscheid tussen twee categorieën treinkaartjes, namelijk kaartjes met een standaardtarief en kaartjes met een kortingstarief («Early Bird»-kaartjes). Het nieuwe standaardtarief is grosso modo gelijk gebleven, wel is een aanpassing gedaan vanwege indexatie en vanwege de nieuwe route. Het verschil met de oude tariefstructuur zit met name in de manier waarop NS voordeeltarieven hanteert.
Het standaardtarief blijft, net als het oude standaardtarief, op alle dagen geldig, te koop tot en met de dag van vertrek en te gebruiken in combinatie met abonnementen en kortingskaarten. Nieuw aan het standaardtarief is dat kinderen tot en met elf jaar bij online boeking gratis meereizen en dat reizigers hun boeking gratis kunnen annuleren tot en met de dag van vertrek.
Wat de kaartjes met een kortingstarief betreft, heeft NS ervoor gekozen om reizigers te bewegen om meer doordeweeks te reizen in plaats van in het weekend als de treinen drukker zijn. Daarom geldt voor de «Early Bird»-kaartjes een lagere prijs voor reizen doordeweeks (op maandag tot en met donderdag) dan voor reizen in het weekend (op vrijdag tot en met zondag). Met «Early Bird»-kaartjes reizen reizigers, onafhankelijk van het tijdstip, tegen kortingstarief als zij tot zeven dagen voor vertrek een kaartje kopen. De mogelijkheid vervalt om tot op de dag van vertrek voordeelretourtickets te kopen.
NS kan op dit moment niet zeggen of voor de meeste reizigers sprake is van een prijsstijging of een -daling, omdat dit afhangt van de termijn van het boeken van de reis, en van het moment van reizen. De verwachting is dat meer mensen doordeweeks zullen gaan reizen in plaats van in het weekend, maar dit zal in de praktijk moeten blijken.
Voor een reis van Amsterdam naar Brussel levert de nieuwe tariefstructuur de volgende prijswijzigingen (voor reizen in de tweede klas) op:
STANDAARDTARIEVEN
KORTINGSTARIEVEN
Oud retourtarief (zonder korting)
€ 90,80
Oud tarief weekendretour
Oud tarief superdagretour**
€ 54,60
€ 58,00
Nieuw retourtarief (zonder korting)
€ 93,60
Nieuw retourtarief* «Early Bird» (weekend)
Nieuw retourtarief* «Early Bird» (doordeweeks)
€ 66,00
€ 50,00
STANDAARDTARIEVEN
KORTINGSTARIEVEN
Oud enkeltarief (zonder korting)
€ 45,40
Nieuw enkeltarief «Early Bird» (weekend)
Nieuw enkeltarief «Early Bird» (doordeweeks)
€ 33,00
€ 25,00
Nieuw enkeltarief (zonder korting)
€ 46,80
* Deze tickets worden niet standaard als retourticket aangeboden. De reiziger koopt twee enkele reizen van respectievelijk € 33,00 per enkele reis in het weekend en € 25,00 per enkele reis doordeweeks.
** Te gebruiken op maandag tot en met donderdag na 9:00 uur ’s ochtends.
Hoe plaatst u de timing van de Nederlandse Spoorwegen (NS) om met deze tariefvoorstellen te komen afgezet tegen de introductie van de Intercity Brussel via de hogesnelheidslijn (HSL) die jaren heeft geduurd?
Zoals hiervoor aangegeven is de aanpassing van het standaardtarief ingegeven door de nieuwe route over de HSL-Zuid en indexatie. Voorts heeft NS aangegeven de omklap van de IC Brussel naar de HSL-Zuid een logisch moment te vinden om veranderingen in de tariefstructuur door te voeren en te communiceren richting de reizigers. De afweging over de timing laat ik aan NS.
Deelt u de inschatting dat het begrijpelijk is dat de NS via prijsvoordelen wil toewerken naar een betere benutting van de zitplaatscapaciteit op doordeweekse dagen, maar dat dit vooral ten koste zal gaan van expats en studenten die in Brussel of Nederland werken/studeren en uitsluitend van het weekendticket gebruik kunnen maken?
In de vervoerconcessie is bepaald dat NS (samen met NMBS), de tarieven van de IC Brussel vaststelt binnen de kaders van de Internationale Spoorwegunie. De vervoerders zijn bij het bepalen van de prijs gebonden aan basisafspraken over het tarievenaanbod en bijkomende voorwaarden. De consumentenorganisaties vertegenwoordigd in het Locov hebben een adviserende rol. De vervoerders hebben conform deze kaders gehandeld.
NS wil met de nieuwe tariefstructuur het gebruik van de IC Brussel aanmoedigen op momenten dat er een overschot aan zitplaatscapaciteit is (maandag t/m donderdag) en omgekeerd treinen ontlasten die overbezet zijn. Ik heb begrip voor dit principe, maar ben kritisch op de uitwerking ervan. Reizen in het weekend wordt altijd duurder. De mate waarin is afhankelijk van het moment van boeken. Op dit moment is het nog onduidelijk of de doelstellingen van NS met de nieuwe tariefstructuur kunnen worden gerealiseerd. Dat moet in de praktijk blijken.
Vindt u dat de termijn waarin vroegboektickets online gekocht dienen te worden (minimaal zeven dagen voorafgaand aan de reis) redelijk is?
Ik hecht aan een evenwichtige en flexibele tariefstructuur. Net als de consumentenorganisaties heb ik mijn bedenkingen bij de vroegboektermijn van zeven dagen. De consumentenorganisaties hebben NS geadviseerd om een termijn van drie in plaats van zeven dagen aan te houden. NS heeft hen laten weten het inkorten van de termijn van zeven naar drie dagen in overweging te willen nemen. NS heeft aan de consumentenorganisaties toegezegd de reacties op de vroegboektermijn van zeven dagen te monitoren en neemt de resultaten daarvan mee in de eerste evaluatie van de nieuwe tariefstructuur. NS heeft aangegeven dat het praktisch niet mogelijk is om per direct veranderingen in de nieuwe tariefstructuur door te voeren. De nieuwe structuur is al in gebruik genomen op 9 april jl. en NS moet wijzigingen in de tariefstructuur afstemmen met NMBS.
De evaluatie stond gepland in het najaar van 2018, maar gezien de aard en mogelijke impact van de veranderingen heb ik NS gevraagd om de evaluatie eerder uit te voeren. NS heeft aangegeven dit te zullen doen en de evaluatie uit te voeren drie maanden na de invoering van de nieuwe tariefstructuur.
De evaluatie moet de feiten over de nieuwe tariefstructuur boven tafel brengen. Ik verwacht van NS dat zij daarbij kritisch kijkt naar de lengte van de vroegboektermijn, het effect op het reizigersgedrag in het weekend en doordeweeks, en de hoogte van de tarieven. De uitkomsten van de evaluatie zal ik in afstemming met de consumentenorganisaties wegen en met NS bespreken.
Deelt u de mening dat spontane daguitstapjes naar de Randstad, Antwerpen of Brussel hierdoor worden ontmoedigd?
Uit de evaluatie zal blijken welke invloed de nieuwe tariefstructuur heeft op het reizigersgedrag.
Welke mogelijkheden ziet u om de trein in de toekomst aantrekkelijker te maken voor grensoverschrijdende reizen?
Ik vind het belangrijk om de trein aantrekkelijker te maken voor grensoverschrijdende reizen en daarmee een duurzaam alternatief voor de luchtvaart te bieden op korte afstanden, mede in het licht van motie Kröger (Kamerstuk 34 775 A, nr. 30).
Ik zie de introductie van de Eurostar treindienst naar Londen, waarover ik uw Kamer op 3 april jl. geïnformeerd heb (Kamerstuk 29 984, nr. 762) dan ook als een mooie stap. Daarnaast heb ik uw Kamer in dezelfde brief geïnformeerd over de nieuwe bestemmingen van Thalys naar Charles de Gaulle en Marne la Vallée vanaf april 2019. Ook deze treindienst levert een bijdrage aan de duurzame ambities van het kabinet om de trein een aantrekkelijk alternatief te laten zijn voor het vliegtuig.
In een breder kader heb ik uw Kamer ook toegezegd dat ik voor de zomer kom met een overzicht van de stand van zaken op de belangrijke internationale verbindingen alsook een analyse van de mogelijkheden die internationale spoorverbindingen bieden ten opzichte van de luchtvaart.
Het bericht dat de BelastingTelefoon voor het zesde jaar op rij onder de maat presteert |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de BelastingTelefoon voor inmiddels de zesde keer als onvoldoende wordt gekwalificeerd? Deelt u de mening dat dit volstrekt onacceptabel is?1
Ja. Ik heb kennisgenomen van de resultaten van het onderzoek van de Consumentenbond. Maatregelen om de beantwoording van vragen over wet- en regelgeving te verbeteren, zoals specialisatie op deze vragen en het versterken van de tweede lijn, worden voorbereid zoals ik u heb gemeld in mijn brief van 28 februari jl.2
Hoeveel procent van de vragen zijn in minder dan 75% van de gevallen correct beantwoord? Hoeveel vragen zijn in minder dan de helft van de gevallen correct beantwoord? Hoeveel vragen zijn in minder dan 25% van de gevallen correct beantwoord? Hoeveel vragen zijn in geen enkel geval correct beantwoord?
De Belastingdienst beantwoordt per jaar tussen de 10 en 13 miljoen telefoontjes. Ongeveer 90% van de vragen die aan de Belastingtelefoon worden gesteld zijn zogenaamde proces- en statusvragen. De norm voor de kwaliteit van dit soort antwoorden is dat bij minimaal 90% juiste en volledige antwoorden worden gegeven. De realisatie in 2017 was 92%.
De overige circa 10% van de vragen betreft wet- en regelgevingvragen. Tot en met 2016 is er in opdracht van de Belastingdienst door een extern bureau onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de antwoorden op wet- en regelgevingsvragen. De norm was 80%. In 2016 was de realisatie 86%. Daarbij beperkte het onderzoek zich wel tot de meest gestelde vragen. Deze meest gestelde wet- en regelgevingsvragen vertegenwoordigen ongeveer 7% van alle vragen.
De beantwoording van de meest complexe en minder vaak gestelde vragen (3% van alle vragen) voldoet niet aan de genoemde norm van 80%. Dit blijkt ook uit eigen onderzoek in 2017, zoals gemeld in de 20e halfjaarsrapportage. De Consumentenbond bevestigt dit beeld. Daarmee komen de onderzoeksresultaten met elkaar overeen.
De onderzoeken zijn zo opgezet dat ze representatief zijn voor alle belastingsoorten (burgers en ondernemingen) en Toeslagen. In deze onderzoeken is niet gekeken welke soorten wet- en regelgeving vragen goed respectievelijk minder goed worden beantwoord.
Welke vragen worden het meest accuraat beantwoord (vragen over huurtoeslag/zorgtoeslag/kinderopvangtoeslag, ondernemersvragen (omzetbelasting of vennootschapsbelasting), vragen van particulieren over de inkomstenbelasting of vragen van andere aard)?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat het huidige Nederlandse belastingstelsel zeer complex is en dat het voor burgers en het midden- en kleinbedrijf (mkb) essentieel is dat zij moeten kunnen vertrouwen op antwoorden van de Belastingdienst?
Burgers en bedrijven moeten kunnen vertrouwen op antwoorden van de Belastingdienst. Daarbij is het van belang dat zij hun eigen situatie en de juiste fiscale context voorleggen. Het hoort tot de taak van een medewerker van de Belastingdienst om vragen te stellen waarmee deze situatie en daarmee de fiscale context zo duidelijk mogelijk wordt, anders kan er al snel sprake zijn van onvolledige antwoorden of zelfs antwoorden die niet van toepassing zijn. Daarom heb ik ook in mijn brief3 van 28 februari jongstleden aangekondigd maatregelen voor te bereiden om de moeilijke inhoudelijke vragen beter te laten beantwoorden.
Bent u het ermee eens dat gedegen kwaliteit van de BelastingTelefoon, voor burgers en het mkb het eerste aanspreekpunt van de Belastingdienst, van groot belang is en dat ontoereikende kwaliteit van medewerkers van de Belastingdienst de belastingmoraal in Nederland alsmede het vertrouwen van de burger in de overheid kan aantasten?
De Belastingtelefoon is ingericht om zoveel mogelijk vragen van burgers goed te beantwoorden, met behulp van gespreksondersteunende systemen. Medewerkers worden geworven op MBO werk- en denkniveau en worden intern inhoudelijk (bij)geschoold. Zoals in het antwoord op de vragen 2 en 3 is aangegeven, is de kwaliteit van de beantwoording van het overgrote deel van de vragen op orde. Het betreft proces- en statusvragen (90%) en de meest gestelde wet- en regelgevingsvragen (7%). Ik herken dan ook niet dat er sprake zou zijn van ontoereikende kwaliteit van medewerkers van de Belastingtelefoon. Dat neemt niet weg dat ook de kwaliteit van de antwoorden op de resterende 3% van de vragen op een acceptabele norm moet komen, zoals ik ook heb aangekondigd in mijn brief van 28 februari jl.
Bent u van mening dat het essentieel is dat medewerkers van de BelastingTelefoon in uitstekende mate inhoudelijk op de hoogte moeten zijn? Waarom is dat voor de zesde maal op rij niet het geval? Welke acties kunnen en moeten op korte termijn in gang gezet worden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verklaart u dat de Belastingdienst op zijn vacaturepagina doorgaans geen vacatures plaatst voor inhoudelijke medewerkers voor de BelastingTelefoon? Hoeveel inhoudelijk geschoolde werknemers heeft u op korte termijn nodig om het probleem met de tekortschietende kwaliteit van de BelastingTelefoon structureel op te lossen? Hoeveel euro denkt u hiervoor nodig te hebben?
Circa 60% van de medewerkers bij de Belastingtelefoon wordt vooral binnen de Belastingdienst geworven, waarbij flexkrachten mee kunnen solliciteren. Voor de piekwerkzaamheden werft de Belastingtelefoon uitzendkrachten. Het betreft circa 40% van de capaciteit. Om ook voor de antwoorden op de genoemde 3% van de vragen bij het huidige aanbod op een acceptabele norm te komen, zijn meer fiscaal geschoolde medewerkers nodig.
Beschikt de Belastingdienst over interne opleidingstrajecten? Zo ja, welke cursussen worden aangeboden en door wie worden deze verzorgd? Hoeveel wordt hier jaarlijks van gebruik gemaakt? Is het succesvol doorlopen van inhoudelijke opleidingen standaardonderdeel van beoordelingsgesprekken bij de Belastingdienst? Is dat ook het geval bij medewerkers van de BelastingTelefoon? Zo nee, bent u bereid dit onderdeel van beleid te maken en strikt na te leven?
Medewerkers van de Belastingdienst maken met hun leidinggevende jaarlijks afspraken over te behalen resultaten en ontwikkeling van vaardigheden. Deze afspraken worden jaarlijks geëvalueerd waarbij door de leidinggevenden met behulp van een samenvattende conclusie een oordeel wordt gegeven over de mate waarin afspraken nagekomen zijn. Deze beoordelingssystematiek wordt rijksbreed toegepast onder de noemer Gesprekscyclus Rijk. Bijscholing vindt plaats als organisatieontwikkelingen of bijvoorbeeld wetswijzigingen daarom vragen. Daarvoor is via de Belastingdienstacademie een uitgebreide opleidingencatalogus beschikbaar.
Medewerkers die een functie hebben waarvoor specifieke aanvullende (fiscale) kennis en vaardigheden vereist zijn, worden gedurende hun aanstelling opgeleid door middel van verplichte startopleidingen. Dat betreft vaak modulair onderwijs. De modules worden zoveel mogelijk onder regie van de Belastingdienstacademie uitgevoerd, vaak met behulp van interne didactisch gecertificeerde trainers van de Belastingdienst. Dat aanbod wordt aangevuld met opleidingsaanbod van externe leveranciers zoals agressie- en weerbaarheidstrainingen. Medewerkers kunnen pas volledig op het takenpakket worden ingezet als ze de daarvoor benodigde startopleidingen hebben gevolgd. Afspraken hierover worden ook meegenomen in de Gesprekscyclus Rijk.
Dit geldt ook voor medewerkers van de Belastingtelefoon. Voordat medewerkers een bepaald type vragen van burgers en bedrijven gaan beantwoorden is de eis dat betreffende startopleidingen succesvol zijn afgerond. Bijscholing is afhankelijk van eventuele (wets)wijzigingen die zich in een bepaalde werkstroom voordoen. Niet alle wijzigingen vragen een aanvullende opleiding. Afhankelijk van de omvang kan volstaan worden met een instructie en/of een wijziging van de gespreksondersteuning voor de medewerker. Daarnaast zijn er maandelijkse kwaliteitsmetingen per medewerker en is kwaliteit een standaard onderwerp in de gesprekken tussen medewerker en leidinggevende.
Welke garanties geeft u over het implementeren van beleid ter verbetering van de kwaliteit van de BelastingTelefoon?
Verbeteringen worden ingevoerd na een zorgvuldig traject. Proeftuinen waarin mogelijke oplossingen eerst op kleine schaal worden getest maken daar onderdeel van uit. De Belastingtelefoon heeft inmiddels ervaring opgedaan met een proeftuin op het thema Nabestaanden en Schenken. Er is besloten het betreffende Serviceteam structureel in te bedden in de Belastingtelefoon, omdat onder meer de antwoorden op minder vaak voorkomende wet- en regelgeving vragen kwalitatief substantieel beter waren dan het gemiddelde van de Belastingtelefoon.
Zoals ik in mijn brief van 28 februari heb aangekondigd, is in de afgelopen aangiftecampagne proef gedraaid met enkele thema’s zoals eigen woning en zorgkosten. De eerste resultaten daarvan zijn ook bemoedigend ten aanzien van de kwaliteit van antwoorden op wet- en regelgeving vragen. De door mij beoogde herinrichting is dan ook doorgaan op deze door mijn voorganger ingeslagen weg van specialisatie op basis van thema’s en het versterken van de tweede lijn bij vragen van burgers.
Heeft u kennisgenomen van het beleidsvoornemen van uw voorganger aangaande de kwaliteit van de BelastingTelefoon? Bent u van mening dat hij hierin voldoende is geslaagd?2 Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en op welke punten heeft hij gefaald? Welke acties pakt u wel op en zet u op korte termijn in gang?
Zie antwoord vraag 9.
De consulaire problemen die Venezolanen in Nederland ondervinden |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Venezolaanse ambassade in Den Haag geen paspoorten meer verstrekt en verlengt?
Ja.
De Venezolaanse president heeft in oktober 2017 per decreet een nieuwe maatregel voor (bijna) verlopen paspoorten afgekondigd. De Venezolaanse ambassade heeft per Note Verbale de procedure voor verlenging van (bijna) verlopen paspoorten toegelicht. Hierin is aangegeven dat digitaal een verlengingsaanvraag kan worden ingediend bij de Venezolaanse autoriteiten. Zodra de aanvraag verwerkt is krijgt de persoon in kwestie bericht dat bij de consulaire afdeling van de aangewezen diplomatieke post een verlengingssticker kan worden opgehaald. Met deze verlengingssticker kan het (bijna) verlopen paspoort worden verlengd. Volgens de Venezolaanse ambassade in Den Haag moeten Venezolanen woonachtig in Nederland naar de ambassade in Brussel om een paspoort aan te vragen of te verlengen.
Klopt het dat dit eveneens het geval is in andere Europese lidstaten, in het bijzonder Duitsland en België?
Nee. De Venezolaanse ambassade in Berlijn en Brussel verstrekken paspoorten en verlengingen.
Op welke wijze kunt u deze problematiek in zowel bilateraal als Europees verband met Venezuela aankaarten?
De uitgifte van Venezolaanse paspoorten aan Venezolaanse onderdanen is een verantwoordelijkheid van de Venezolaanse regering. In gesprekken met de Venezolaanse ambassade in Den Haag is wel gekeken hoe de gevolgen voor in Nederland woonachtige Venezolanen het beste kunnen worden ondervangen (zie antwoord op vraag 4 en 5).
Bent u bekend met de negatieve consequenties die Venezolanen in Nederland hiervan ondervinden, zoals het niet meer kunnen verlengen van een visum, problemen met verblijfsvergunningen, notariële zaken en reizen van en naar het buitenland?
Ja, deze consequenties zijn bekend. In november is hierover reeds contact geweest tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de IND en de Venezolaanse ambassade in Den Haag. De Venezolaanse ambassade heeft de IND geïnformeerd over de tijdelijke procedure om paspoorten te verlengen.
De IND biedt de volgende twee, tijdelijke, oplossingen aan Venezolaanse burgers in Nederland die problemen hebben om zich te identificeren met een geldig nationaal paspoort:
(1) Venezolanen die hun verblijfspas willen ophalen of hun biometrische gegevens willen laten afnemen bij het IND-loket kunnen zich legitimeren met hun verlopen paspoort en een kopie van de (verlengings-)aanvraag van hun paspoort.
(2) Als Venezolanen een verlengingsaanvraag of een aanvraag «wijziging verblijfsdoel» indienen waarvoor het paspoortvereiste geldt, werpt de IND dat vereiste tijdelijk niet tegen. Hiervoor geldt wel de voorwaarde dat de aanvrager zijn verlopen paspoort en een kopie van de (verlengings)aanvraag van zijn paspoort overlegt en aan alle overige voorwaarden van de verblijfsvergunning voldoet. Bij de eerstvolgende verlenging zal de IND wel weer een geldig nationaal paspoort verlangen.
Deze tijdelijke regeling is gepubliceerd op de website van de IND.1 Dat een Venezolaanse burger problemen zou hebben met het verlengen van zijn visum wordt echter niet herkend. Venezolaanse burgers kunnen visumvrij naar Nederland reizen. Zij mogen maximaal 3 maanden (en met een eventuele verlenging van 3 maanden vanwege bijzondere omstandigheden) in Nederland verblijven. Voor binnenkomst is vereist dat hun paspoort een half jaar geldig is.
Hoe gaat u op korte termijn deze negatieve consequenties waar Venezolanen in Nederland mee te maken krijgen ondervangen?
Zie antwoord vraag 4.
De brandbrief van de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie |
|
Maarten Hijink (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brandbrief die de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) heeft gestuurd aan Zorgverzekeraars Nederland?1
Ja
Wat vindt u ervan dat de tarieven in de eerstelijns logopedie 25% lager liggen dan de tarieven die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in 2011 vast heeft gesteld aan de hand van onderzoek?2
Één van de taken van zorgverzekeraars is om de zorgkosten in Nederland binnen de perken te houden. Indien zorg goedkoper kan, bijvoorbeeld door onder de NZa vastgestelde maximumtarieven te contracteren, dan vind ik dat een goede zaak. Tegelijkertijd hebben zorgverzekeraars ook een zorgplicht en worden zij geacht voldoende goede zorg voor hun verzekerden in te kopen. Het signaal dat de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) afgeeft, is dat de geboden tarieven door zorgverzekeraars voor eerstelijns logopedie volgens de NVLF zo laag zijn dat de zorgplicht in gevaar komt. De NVLF geeft aan dat eerstelijns logopedisten stoppen of intramuraal aan de slag gaan waardoor een tekort aan eerstelijns logopedisten dreigt. Dit vind ik een zorgwekkend signaal, omdat dat de zorgplicht in het gedrang zou kunnen brengen. Echter, het vraagt wel nader onderzoek om dit signaal goed te kunnen plaatsen. Daarom vind ik het positief dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de zorgplicht, een onderzoek is begonnen in overleg met de betrokken partijen (koepels van zorgaanbieders en zorgverzekeraars) naar de ontwikkelingen van de geboden tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg, waaronder logopedie. Zoals ik ook heb aangegeven in beantwoording op eerdere Kamervragen worden de resultaten van het onderzoek van de NZa begin 2019 verwacht.3 Ik heb al aan de betrokken partijen aangegeven hierna met hen over de uitkomsten in gesprek te willen gaan.
Hoe verklaart u dat de tarieven in de praktijk zoveel lager liggen dan het door de NZa vastgestelde tarief?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat logopedisten in de praktijk moeten tekenen bij het kruisje en totaal geen onderhandelingsruimte hebben? Wat is uw reactie hierop?
Het is aan zorgverleners en zorgverzekeraars om afspraken te maken over de zorgverlening aan patiënten. In de logopedie speelt, net als in veel andere sectoren binnen de eerstelijnszorg, dat sprake is van een groot aantal relatief kleine aanbieders (er zijn circa 5000 logopedisten) en een klein aantal zorgverzekeraars. Hierdoor is het voor zorgverzekeraars niet praktisch en niet doelmatig om met alle zorgaanbieders een individueel gesprek aan te gaan. Tegelijkertijd is het voor goede zorgverlening van belang dat het perspectief van zorgaanbieders voldoende aan bod komt bij de onderhandelingen.
Zorgverzekeraars hebben mij desgevraagd laten weten hoe zij de onderhandelingen met logopedisten op hoofdlijnen vormgeven. Voorafgaand aan de contractering wordt er met de vereniging van de beroepsgroep gesproken over het inkoopbeleid en de contractvoorwaarden voor die specifieke beroepsgroep. Daarnaast praten zorgverzekeraars met vertegenwoordigers uit het veld om hun beleid en voorwaarden te spiegelen. Dit leidt tot een contract dat aan de zorgaanbieders kan worden voorgelegd. Vervolgens staat het iedere individuele beroepsbeoefenaar vrij om onderbouwd een tegenvoorstel te doen op het aangeboden contract of met nadere vragen te komen richting de zorgverzekeraar.
Daarnaast merk ik op dat gedurende dit proces de «Regeling transparantie van het zorginkoopproces Zvw» van de NZa van kracht is. Ook moeten zorgverzekeraars voldoen aan de zorgplicht. De NZa ziet toe op de naleving van deze regels en kan ingrijpen indien daartoe aanleiding is.
Ziet u ook in dat bij logopedisten op grote lijnen dezelfde problemen spelen als bij de fysiotherapeuten, waarbij de kern ligt bij het gebrek aan onderhandelingsmacht ten opzichte van de zorgverzekeraar?3 Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorgverzekeraars niet op de stoel van de hulpverlener gaan zitten?
Zie antwoord vraag 4.
Geldt het machtsevenwicht dat er volgens u zou bestaan tussen zorgverzekeraars en fysiotherapeuten, blijkens het KPMG onderzoek, ook voor logopedisten? Zo ja, hoe rijmt u de conclusies uit het KPMG onderzoek met de praktijk? Zo neen, hoe beoordeelt u de machtsverhouding tussen logopedisten en zorgverzekeraars?4
Het onderzoek van KPMG betreft een evaluatie van de Zorgverzekeringswet6. Dit omvat geen uitgebreide analyse van de machtsverhoudingen tussen logopedisten en zorgverzekeraars. Echter, zoals ook door KPMG in haar onderzoek wordt benadrukt, hoeft de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars niet als bezwaarlijk te worden beschouwd zolang de voordelen daarvan worden doorgegeven aan patiënten en verzekerden en de zorg niet verschraalt. Tegen deze achtergrond vind ik het goed om te zien dat de NZa onderzoek is gestart naar de ontwikkelingen van de tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg. Zie mijn antwoord op vraag 3.
Wie mag er nu eigenlijk onderhandelen over tarieven voor logopedisten, gezien het feit dat de NVLF dit niet mag en het individuele logopedisten door de verzekeraar onmogelijk wordt gemaakt om te onderhandelen?
Onderhandelingen vinden plaats tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Zie ook mijn antwoord op de vragen 4 en 5.
Overigens kunnen zorgaanbieders over veel verschillende aspecten de samenwerking opzoeken. Dit heeft de ACM beschreven in haar «uitgangspunten toezicht ACM op zorgaanbieders in de eerste lijn». Bepaalde taken die bij zorgverlening horen zoals het voeren van een administratie, ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren en inkoop van bureaubenodigdheden kunnen in gezamenlijkheid en daarmee vaak efficiënter worden uitgevoerd. De ACM grijpt alleen in als samenwerking schadelijk is voor de patiënt of verzekerde. Ik kan mij dus voorstellen dat logopedisten ook deze optie verder verkennen.
Verzekeraars geven aan dat maximumtarieven zijn bedoeld om (te) hoge prijzen tegen te gaan, maar wie beschermt de logopedisten tegen te lage tarieven?
Zorgverzekeraars hebben zich onder meer te houden aan de zorgplicht. Zie verder mijn antwoorden op vragen 2 en 3 en vragen 4 en 5.
Staat u toe dat zorgverzekeraars op hun uitgaven besparen over de rug van de logopedist? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo ja, waarom laat u dit toe?
Zie antwoord vraag 8.
Herinnert u zich uw antwoord op de Kamervragen over de brandbrief die fysiotherapeuten hebben gestuurd, waarin u stelt dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars elkaar scherp moeten houden? Kunt u precies aangeven welke instrumenten logopedisten in handen hebben om zorgverzekeraars scherp te houden?5
Ja, ik herinner mij het antwoord. In mijn antwoord op vragen 4 en 5 heb ik toegelicht op welke wijze zorgverzekeraars de contractering met logopedisten op hoofdlijnen vormgeven en hoe zorgaanbieders inbreng kunnen leveren. Daarnaast dienen zorgverzekeraars binnen de geldende wet- en regelgeving te blijven, waaronder de «Regeling transparantie van het zorginkoopproces Zvw» van de NZa en de zorgplicht. De NZa ziet op de naleving daarvan toe.
Bent u bereid om uzelf achter de logopedisten en patiënten te scharen door te regelen dat de logopedisten hogere tarieven krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is aan zorgverleners en zorgverzekeraars om afspraken te maken over de zorgverlening aan patiënten, ook over het tarief. Zie verder mijn antwoord op vragen 2 en 3 en vragen 4 en 5.
Ziet u in dat er acuut handelen nodig is en er niet gewacht kan worden met ingrijpen tot het NZa rapport over de ontwikkeling van tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg gereed is in 2019?6 Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek van de NZa dient ertoe om eerst een beter beeld van de huidige situatie en eventuele knelpunten te krijgen. Dit betekent echter niet dat de NZa in de tussentijd bij acute situaties geen actie onderneemt. Indien een zorgverlener dus een signaal heeft dat er een acuut probleem met de zorgplicht is in zijn of haar regio dan kan dit nog steeds gemeld worden bij de NZa. De NZa kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is.
Wat vindt u ervan dat door het hanteren van de lage tarieven het moeilijk is om nog logopedisten te vinden voor openstaande vacatures?
Ik heb geen cijfers over het aantal openstaande vacatures voor eerstelijns logopedisten. Wel heeft de Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) eind 2017 een enquête onder haar leden laten uitvoeren waaruit naar voren komt dat circa de helft van de eerstelijns respondenten lastig te vervullen vacatures heeft openstaan.
Zoals aangegeven bij de antwoorden op vragen 2 en 3 vind ik het goed, gezien onder andere de signalen van de NVLF, dat de NZa onderzoek uitvoert naar de ontwikkelingen van de tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg, waaronder logopedie. Ik ben niet voornemens aanvullend onderzoek te gaan op het onderzoek dat de NZa al is begonnen.
Kunt u aangeven hoeveel vacatures er op dit moment openstaan in de eerstelijns logopedie? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven hoeveel logopedisten er de afgelopen jaar zijn gestopt met hun praktijk? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb geen cijfers over het aantal logopedisten dat het afgelopen jaar gestopt is met hun praktijk. Echter, in de eerdergenoemde enquête (antwoorden op vragen 13 en9 van de NVLF geeft 23% van de respondenten die voorheen actief waren in de eerstelijn aan nu niet meer werkzaam te zijn in de eerstelijn. Ik ben niet voornemens aanvullend onderzoek te gaan op het onderzoek dat de NZa al is begonnen.
Kunt u aangeven of er een daling waarneembaar is in het aantal studenten dat met de HBO-opleiding logopedie start? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Er is een dalende trend aanwezig. De Vereniging Hogescholen meldt de volgende ontwikkeling in de instroom in de opleiding logopedie:
702
716
687
722
721
705
599
606
587
544
Is er volgens u een verschuiving waarneembaar van logopedisten van de eerstelijn naar de tweedelijn? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb geen gegevens om de stelling dat er een verschuiving van logopedisten van de eerstelijn naar de tweedelijn waarneembaar is te bevestigen of ontkrachten. Zoals aangegeven ben ik wel bekend met het signaal van de NVLF op dit punt en ik ben dus positief dat de NZa onderzoek uitvoert naar de ontwikkelingen van de tarieven in relatie tot de kwaliteit en toegankelijkheid van de paramedische zorg, waaronder logopedie.
Ziet u in dat het voor logopedisten veel aantrekkelijker is om intramuraal in de tweedelijn te werken, gezien er daar een cao geldt?
Het werken in eerste- en tweedelijn heeft verschillende kenmerken die individuen anders zullen beoordelen. Het wel of niet hebben van een CAO kan daarbij een overweging zijn.
Staat volgens u de zorgplicht van zorgverzekeraars onder druk door de lage tarieven die niet voldoende zijn om de praktijkkosten te dekken, waardoor het aantal logopedisten afneemt? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?7
Het is aan de NZa om toezicht te houden op de naleving van de zorgplicht. Zie verder mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Vindt u het redelijk dat zorgverzekeraars inzetten op Patient Reported Experience Measures (PREM), zonder logopedisten hier een extra vergoeding voor te geven?8 Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
De inzet van PREM’s bij een behandeltraject helpt om de door patiënten ervaren kwaliteit van zorg beter in kaart te brengen. Hier ben ik dus in principe voorstander van. Tegelijkertijd moeten verzekeraars ook oog hebben voor de kosten en tijd die kwaliteitsinstrumenten met zich mee kunnen brengen en wat het oplevert.
Wat vindt u ervan dat logopedisten door de wurgcontracten van zorgverzekeraars worden gedwongen om ongecontracteerd te werken, terwijl dit veel onzekerheden met zich meebrengt ten aanzien van inkomsten?
Het is de vrije keuze van een logopedist om geen contract te sluiten. Het kabinet is voorstander van het sluiten van (meerjarige) contracten tussen zorgaanbieders (en dus ook logopedisten) en zorgverzekeraars. Dit is de grootste garantie voor kwalitatief goede, integrale en doelmatige zorg die ook rechtmatig is. Vandaar dat in het regeerakkoord ook is opgenomen dat het onderscheid tussen gecontracteerde en ongecontracteerde zorg verhelderd en versterkt moet worden. De basis hiervoor is een verdere verbetering van de onderlinge relatie tussen logopedisten en zorgverzekeraars.
Hoeveel brandbrieven en petities moeten er nog komen voordat u overgaat tot actie?
Zie mijn antwoord bij 12.
Het bericht dat de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO landroof in Sierra Leone heeft gefinancierd |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Mislukt project FMO treft boeren in Sierra Leone»?1
Ja.
Klopt het dat de boeren in het afgelegen Noordoosten van Sierra Leone niet of nauwelijks geconsulteerd zijn en er dus geen sprake is van zogenaamd «Free, Prior and Informed Consent» bij de overname van 57.000 hectare grond door het Zwitserse energiebedrijf Addax, ondanks dat door betrokken maatschappelijke organisaties vanaf het begin hierover zorgen zijn geuit? Zo ja, hoe kwalificeert u dit?
De Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. (FMO) past bij investeringsbeslissingen onder meer de Performance Standards van de International Finance Cooperation (IFC) toe. Deze standaarden besteden aandacht aan Free Prior and Informed Consent (FPIC) en waarborgen een goede uitvoering van het beschermen van landrechten.
Mede op verzoek van de investeerders, waaronder FMO, is Addax in 2009 gestart met het consulteren van stakeholders, waaronder verschillende lokale maatschappelijke organisaties die belangen van lokale boeren behartigen. Deze consultaties hadden als doel om de gevolgen van dit project voor de lokale bevolking inzichtelijk te maken en het project indien nodig aan te passen.
Mede op basis van deze consultaties konden bezwaren van de lokale bevolking en maatschappelijke organisaties worden gedocumenteerd en zijn aanpassingen doorgevoerd in de projectplannen. Zo is het landgebruik bij de start van het project in 2014 teruggebracht van 57.000 ha tot 24.600 ha.
Klopt het dat afspraken met de boeren over financiële compensatie, de bouw van scholen en klinieken en het regelen van watervoorziening niet zijn nagekomen, en 3.000 boeren nu voor niets hun vruchtbare gronden en hun werk zijn kwijtgeraakt? Zo ja, hoe kwalificeert u dit?
Een onafhankelijke studie in opdracht van Bread for All uit Zwitserland en de Duitse ontwikkelingsorganisaties Bread for the World en Evangelischer Entwicklungsdienst (EED) concludeerde in 2016 op basis van veldonderzoek en interviews met de lokale bevolking dat Addax gemaakte betalingsafspraken met de lokale bevolking en landeigenaren is nagekomen. Ook tijdens de uitbraak van Ebola in 2014 in de Makeni regio, is Addax financiële verplichtingen nagekomen.
Voor zover mijn medewerkers hebben kunnen nagaan is Addax ook afspraken nagekomen die zich richtten op verbeterde toegang tot infrastructuur en drinkwater, toename van werkgelegenheid en productie van schone energie. Ook zijn (kleinere) sociale projecten op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg in de boerengemeenschappen uitgevoerd.
Na de Ebola epidemie in de Makeni regio waren de vooruitzichten voor het Addax project dermate negatief, mede door de sterk gedaalde prijs voor bioethanol, dat Addax in 2015 heeft besloten om verdere ontwikkelingen te staken. In overleg met haar financiers, waaronder FMO, heeft Addax het project verkocht en de daarbij behorende verplichtingen overgedragen aan de nieuwe eigenaar Sunbird bioenergy.
Vindt u dat FMO voldoende «due diligence» heeft betracht bij het aangaan van de financiering van dit project? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, welke consequenties verbindt u hieraan?
FMO heeft gehandeld conform de geldende «due dilligence» vereisten bij het aangaan van de financiering van dit project. FMO heeft voorafgaand aan de investering in het Addax project de potentiële gevolgen van de bedrijfsoperaties op betrokken boerengemeenschappen en andere stakeholders geïnventariseerd en maatregelen laten opnemen om deze mogelijke gevolgen te mitigeren, bijvoorbeeld rond landgebruik en landrechten.
FMO vraagt van haar klanten om effectrapportages op te stellen om milieu en sociale gevolgen van hun activiteiten inzichtelijk te maken. Een Environmental Social and Health Impact Assessment (ESHIA) voor dit project is conform FMO beleid door Addax uitgevoerd en een eerste draft is in 2009 aan betrokkenen aangeboden ter consultatie.
In overleg met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en overheid, heeft FMO haar duurzaamheidsbeleid in 2016 verder aangescherpt. Ook heeft FMO in 2016 een disclosure policy opgesteld waarbij nieuwe investeringen vóór contractering worden gepubliceerd. Daarmee worden stakeholders in de gelegenheid gesteld reacties te geven op voorgenomen financieringen.
Deelt u de mening dat FMO in lijn met de «Guiding Principles on Business and Human Rights» van de Verenigde Naties en de richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een verantwoordelijkheid heeft om respect voor mensenrechten te waarborgen, ook wanneer zij zich terugtrekt uit een project? Hoe beoordeelt u de manier waarop FMO zich heeft teruggetrokken uit het project in Sierra Leone in dit licht?
FMO heeft de verantwoordelijkheid om respect voor mensenrechten te waarborgen, ook wanneer zij zich terugtrekt uit een project. Dit volgt uit de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs) van de Verenigde Naties en de richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waaraan FMO zich dient te houden. Het kabinet ziet er zelf ook op toe dat FMO zich aan deze principes en richtlijnen houdt.
In geval van beëindiging van een investering, zoals ook het geval bij Addax, is de insteek van FMO dat de direct betrokken gemeenschappen geen onevenredige nadelige gevolgen ondervinden. Dit is in lijn met de UNGPs en de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen die aangeven dat bedrijven bij het besluit tot terugtrekken de mogelijke nadelige gevolgen in ogenschouw moeten nemen.
FMO heeft na terugtrekking uit het Addax project een onafhankelijke specialist gevraagd een onderzoek uit te voeren om de samenwerking en projecten met lokale gemeenschappen op gebied van sociale en milieu criteria zoveel mogelijk te kunnen waarborgen. FMO heeft dit onderzoek ter beschikking gesteld aan de nieuwe eigenaar van het project en de samenvatting van het rapport gedeeld met maatschappelijke organisaties in Nederland en Sierra Leone.
Hiermee heeft FMO zich gehouden aan de principes en richtlijnen voor een verantwoorde terugtrekking.
Bent u bereid FMO te vragen om voortaan standaard een exit-perspectief op te nemen in haar mensenrechten-effectrapportages en contractvoorwaarden met cliënten? Zo nee, waarom niet en hoe wilt u er dan voor zorgen dat FMO zich niet nogmaals op onverantwoorde wijze terugtrekt uit een project met zulke grote negatieve sociale en milieugevolgen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat het onafhankelijke klachtenmechanisme van FMO moet worden uitgebreid, zodat ook klachten kunnen worden ingediend over projecten waar geen actieve financieringsrelatie meer bestaat, maar waar deze vroegere relatie wel aantoonbaar tot negatieve impacts heeft geleid? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen ten opzichte van FMO om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening niet dat het klachtenmechanisme moet worden uitgebreid. FMO heeft sinds 2014 als eerste Europese bilaterale ontwikkelingsbank een onafhankelijk klachtenmechanisme ingesteld voor onder meer de lokale bevolking en het maatschappelijk middenveld. Het is een onafhankelijk en transparant klachtenmechanisme en biedt een goede mogelijkheid voor maatschappelijke organisaties en direct betrokken om te laten toetsen of aan alle geldende richtlijnen en standaarden is voldaan. Ook na beëindiging van de investeringsrelatie is het mogelijk een klacht in te dienen bij het onafhankelijke klachtenmechanisme van FMO als deze betrekking heeft op de looptijd van de investeringsrelatie.
Het bericht ‘Luchtwassers werken veel slechter dan gedacht’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin wordt gesteld dat luchtwassers veel slechter werken dan gedacht?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in opdracht van de rijksoverheid een onderzoek naar de effectiviteit van luchtwassers is c.q. wordt verricht?
Ja. Het onderzoek is inmiddels afgerond. Ik heb het onderzoeksrapport van Wageningen University & Research met een beleidsreactie op 3 april 2018 naar uw Kamer gestuurd2.
Kunt u toelichten of de inhoud en strekking van het bericht in het Eindhovens Dagblad kloppen, namelijk dat de effectiviteit van luchtwassers geringer is dan werd aangenomen? Zo nee, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
De prestaties van de enkelvoudige luchtwassers kwamen overeen met de in de regelgeving opgenomen waarden. Voor combiluchtwassers was de prestatie echter aanzienlijk lager dan waar in de regelgeving van wordt uitgegaan. Voor een verdere toelichting verwijs ik u naar de beleidsreactie genoemd in antwoord 2.
Indien de effectiviteit inderdaad minder is dan werd aangenomen, kunt u dan toelichten wat de oorzaak hiervan is en welke gevolgen dit heeft voor de emissie van stank en schadelijke stoffen (waaronder fijnstof en ammoniak) en voor de leefomgeving en de gezondheid van omwonenden?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten waarom het rapport nog niet is gepubliceerd? Is er een verband, zoals in het artikel wordt gesuggereerd, met de raadsverkiezingen en is de publicatie van het rapport daarom opgehouden?
De definitieve onderzoeksrapportage is op 26 maart, dus na de gemeenteraadsverkiezingen, opgeleverd. Zoals ik in antwoord 2 al gemeld heb, heb ik het rapport op 3 april met een beleidsreactie naar uw Kamer gestuurd.
Bent u bereid het rapport onmiddellijk vrij te geven en de inhoud van een appreciatie te voorzien?
Dit is inmiddels gebeurd door mijn brief aan uw Kamer van 3 april 2018.
De legionella in een wooncomplex is Amsterdam Zuidoost |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend het artikel «Bewoners boos om Legionella in wooncomplex Zuidoost: «Beter brengen ze een doodskist»»?1
Ja.
Is het waar dat er legionella is aangetroffen in het wooncomplex en wat is de ernst van de situatie?
Woningcorporatie Rochdale fungeert als waterleverancier voor dit complex (in de zin dat bewoners via een verdeelsleutel de waterrekening betalen aan Rochdale) en doet in die hoedanigheid jaarlijks een onderzoek naar de waterleidingen. Uit de analyse van 28 februari 2018 bleek een verhoogde concentratie legionella. Rochdale heeft maatregelen genomen en de GG&GD Amsterdam hiervan op de hoogte gesteld. De GG&GD zag geen reden voor verdere actie van haar kant.
Wat zijn de gevaren van legionella in huis? Klopt het dat legionella in het bijzonder gevaarlijk is voor ouderen?
Legionella kan de veteranenziekte veroorzaken, een ernstige longziekte, of de minder zware legionellagriep. De kans op besmetting is groter voor mensen ouder dan 40 jaar. Ook een verminderde weerstand maakt de kans op ziekte groter.
De ziekte is goed te behandelen met antibiotica, waarbij geldt hoe eerder de behandeling begint, hoe beter.
Uitgebreide informatie over legionella is te vinden op:
Hoe kan worden voorkomen dat legionella ontstaat? In hoeverre zijn in dit complex de juiste voorzorgsmaatregelen getroffen?
Legionellabacteriën leven in meestal in kleine aantallen in de bodem en in drinkwater. De bacterie wordt een probleem als deze kan uitgroeien tot grote aantallen. Dat is vooral het geval in stilstaand water met een temperatuur tussen de 20° en 50° Celsius.
De overheid heeft regels opgesteld om te voorkomen dat mensen besmet raken met deze bacterie. Deze zijn te vinden op de eerder genoemde website. Voor instellingen waar mensen een groter risico lopen op legionella, zoals ziekenhuizen en zwembaden, gelden stengere regels. Het betreffende complex van Rochdale valt overigens niet onder de strengere regelgeving.
Mensen kunnen besmet raken met legionella wanneer zij druppels waternevel inademen. Op 2 maart jl. heeft Rochale de bewoners geïnformeerd en de aanwezige douchekoppen vervangen door douchekoppen met een legionellafilter. Daarmee wordt de kans op besmetting weggenomen. Reiniging en desinfectie van alle leidingen in het complex is voorzien voor 29 maart a.s.
Wat vindt u ervan dat corporatie Rochdale pas over drie weken overgaat tot desinfectie? Is dit niet spelen met mensenlevens? Wat is de gebruikelijke procedure bij legionella? Moet er bij aanwezigheid van kwetsbare personen niet extra zorgvuldig met de veiligheid en gezondheid van mensen worden omgegaan?
Rochdale geeft aan dat conform de gebruikelijke procedures met het plaatsen van de douchekoppen met legionellafilter op 2 maart de kans op besmetting is weggenomen en dat er geen direct gevaar is voor de bewoners.
De reden dat op 29 maart tot reiniging en desinfectie wordt overgegaan, is gelegen in de noodzaak om dit tegelijkertijd voor alle woningen in het complex te doen. Op die datum moet in elke woning iemand aanwezig zijn. Door enige weken te wachten met de aanpak wordt bewoners de gelegenheid gegeven zich voor te bereiden op deze dag, bijvoorbeeld door iemand anders te vragen in de woning aanwezig te zijn wanneer zij dat zelf niet kunnen. De corporatie heeft de gemeentelijke GG&GD op de hoogte gesteld van de maatregelen en deze acht de wijze van ingrijpen afdoende.
Wat vindt u ervan dat de bewoners, inclusief ouderen, voorlopig geen fatsoenlijk sanitair hebben? Bent u het met mij eens dat dit een bijna onmenselijke situatie is en dat het plaatsen van een Dixie-toilet tijdens de reparatie niet alleen beledigend is maar ook volstrekt ontoereikend?
Rochdale geeft aan dat met het plaatsen van douchekoppen met een speciale filter het gevaar voor besmetting is weggenomen en dat de bewoners gedurende deze periode niet ernstig in hun woongenot worden beperkt, waardoor er geen reden is voor vervangende huisvesting van de bewoners. Alle bewoners kunnen tot de dag van reiniging van het toilet gebruik maken en ook douchen is mogelijk vanwege de speciale douchekoppen. Alleen op de dag van reiniging en desinfectie is geen water beschikbaar. Om deze reden worden door Rochdale voor het gebruik op deze dag tijdelijke toiletten inclusief wasbakken geplaats buiten het complex. Voor bewoners die slecht ter been zijn, wordt dagopvang geregeld in een naburig verzorgingshuis. Verder verstrekt Rochdale die dag pakken drinkwater aan de bewoners.
Vindt u ook dat de bewoners zo snel mogelijk een vervangende plek moeten krijgen, al dan niet in een hotel?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Rochdale dit netjes oplost en dat de gezondheid van ouderen voorop staat?
Gelet op de maatregelen die Rochdale heeft genomen zie ik thans geen reden voor een actie van mijn kant.
Wat gaat u doen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
Er is naar aanleiding van deze casus geen reden om de huidige regelgeving verder aan te scherpen.
Kwaliteitsregistraties in de zorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) stelt dat de maat vol is ten aanzien van de vele kwaliteitsregistraties?1
Ja.
Kunt u reageren op de oproep aan u van de voorzitter van de NVZ, Yvonne van Rooy, waarin ze u vraagt de regie te nemen en het registratiesysteem op de schop te nemen?
Ik ben over de genoemde problemen en het aanpakken daarvan met de NVZ – en met de andere betrokken partijen – in gesprek.
Wat gaat u doen met de constatering van de NVZ dat – ondanks alle schrapsessies – er moeilijk indicatoren afgaan die echt leiden tot een verlaging van de administratielast?
Partijen – waaronder de NVZ – maken met elkaar afspraken over de transparantieverplichtingen in het bestuurlijk overleg transparantie onder voorzitterschap van het Zorginstituut. Dat gebeurt tripartiet, dat wil zeggen door zorgaanbieders, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars gezamenlijk. Het is in eerste instantie aan hen om afspraken te maken over het schrappen van overbodige indicatoren. Dat gaat niet vanzelf en dat is ook niet verwonderlijk: indicatoren zijn niet zonder reden tot stand gekomen. Ik vind wel dat de ervaren last in de spreekkamer moet afnemen. Daarnaast vind ik dat er nog steeds belangrijke informatie mist over door patiënten gerapporteerde uitkomsten. Ik vind ook dat tegelijk de ervaren last in de spreekkamer moet afnemen. En daarom ga ik er ook zelf mee aan de slag. Ik stuur – zoals ik eerder heb toegezegd – voor de zomer mijn plan van aanpak naar de Tweede Kamer, waarin ik deze beide elementen verenig.
Hoe verklaart u dat het aantal indicatoren moeilijk terug te brengen is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat Nederland in vergelijking met andere OESO-landen veel meer gegevensbewerkers heeft die met verschillende systemen werken?
Ik ben in gesprek met de NVZ over de vragen die aan een commissie van deskundigen kunnen worden voorgelegd. De gekozen aanpak zal ik opnemen in het eerder genoemde plan.
Bent u bereid om samen met de OESO in kaart te brengen hoe andere landen het aantal registraties beperkt houden en hoe ze dit hebben georganiseerd, zoals de NVZ u vraagt?
Zie antwoord vraag 5.
Is u bekend hoeveel fulltime medewerkers ziekenhuizen moeten aanstellen voor de kwaliteitsregistraties? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Nee, dat is mij niet bekend. Het rapport van KPMG noemt een spreiding tussen ziekenhuizen van 2,6 tot 12.2 fte voor kwaliteitsregistraties en accreditaties samen. Ik acht het niet zinvol hier nader onderzoek naar te doen. Ook de NVZ vind dat niet zinvol en kijkt net als ik liever vooruit naar het verbeteren van het registratiesysteem.
Wat vindt u ervan dat per ziekenhuis tussen € 658.000 en € 1.281.000 wordt besteed aan externe accreditaties en kwaliteitsregistraties?2 Bent u van mening dat dit bedrag ten goede komt aan de zorg? Kunt u dit toelichten?
Dat is 0.3 – tot 0.6% van de gemiddelde omzet van een Nederlands ziekenhuis. Je zou kunnen zeggen dat valt wel mee maar zo makkelijk wil ik mij er niet van af maken. Ziekenhuizen, artsen, verpleegkundigen hebben er echt last van en waar het minder kan, moet het ook minder. Tegelijk hoort registreren ook bij de professionele verantwoordelijkheid en het belang voor de kwaliteit en voor de keuzemogelijkheden voor de patiënt is dan doorslaggevend. En met succes; het aantal preoperatieve bestralingen bij endeldarmkankeroperaties, is afgenomen met behoud van goede oncologische resultaten: het percentage gevallen waarin geen radiotherapie werd toegepast is gestegen van 20,3% naar 43,9%, dus meer dan 20%. Dit resulteert in meer kwaliteit van leven voor de patiënt en tegelijk een kostenbesparing3.