‘groene leningen’ voor het energieneutraal maken van woningen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In aantocht: een financiering die huiseigenaren zonder kosten van het gas af helpt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het compleet mesjogge is om huiseigenaren «groene leningen» op te dringen en/of met een schuld op te zadelen voor het energieneutraal maken van hun woning?
Het gaat om een proefproject van verschillende partijen in Heerhugowaard bestaande uit zowel koop- als huurwoningen. Het verduurzamen van de woningen kan leiden tot lagere energielasten en tot stijging van de kwaliteit van de woning. Eventuele renovatie van de koopwoningen is op vrijwillige basis. De samenwerkende partijen – bouwbedrijf Dura Vermeer, netbeheerder Liander, ASN Bank en woningcorporatie Woonwaard, dringen niets op.
Deelt u de mening dat dit bizarre plan aantoont dat uw peperdure duurzaamheids- en klimaatbeleid voor de gewone man niet te betalen is? Zo nee, waarom niet?
Lagere energielasten, meer comfort en een betere kwaliteit van de woning zijn directe voordelen van het verduurzamen van de woning voor huiseigenaren. In het geval van Woonwaard c.s. blijven de maandelijkse woonlasten gelijk of dalen ze zelfs voor de huurders. Voor eigenaren wordt nu een studie gedaan naar het zodanig vorm geven van de maandelijkse lasten dat die binnen de draagkracht vallen. Daardoor blijft de transitie voor de woningeigenaren betaalbaar. Overigens is de betaalbaarheid van de energie- en klimaattransitie en daarmee het draagvlak onder de aandacht van de partijen die thans betrokken zijn bij het te sluiten klimaatakkoord.
Welk soort leningen betreft het hier? Wat is het rentepercentage en wat is de looptijd?
Details worden door de betrokken partijen nog uitgewerkt. Ik heb derhalve in dit stadium geen inzicht in de rentepercentages, termijnen en andere voorwaarden.
Wie is tijdens de looptijd van de lening de eigenaar van de installatie? De huiseigenaar of de geldverstrekker?
Ook dit wordt nog uitgewerkt. De 4 partijen onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden. Dat onderzoek doen zij samen met de woningeigenaren. Hun mening en positie zijn hierin heel belangrijk. Rond de zomer hopen de vier partijen de eerste resultaten beschikbaar te hebben, zodat een pilot vervolgens in de praktijk kan worden gebracht.
Wat zijn de gevolgen indien de huiseigenaar de aflossing niet meer kan voldoen? Wordt de installatie dan verwijderd? Zitten de bewoners dan in het donker en de kou? Klopt het dat de bewoners op deze manier geen (enkele vorm van) energie afnemen bij een energiemaatschappij? Wat zijn de gevolgen als de eigen elektriciteitsopwekking niet toereikend is?
Het klopt niet dat de bewoners geen (enkele vorm van) energie afnemen bij een energiemaatschappij. De gevolgen bij het niet voldoen van de maandelijkse betaling worden door de partijen nog nader bestudeerd.
Hoe hoog zal de maximale aflossing, die zo hoog is als de «laatste energierekening» – gezien het feit dat de energierekening almaar stijgt – in de praktijk zijn? Deelt u de mening dat de torenhoge energierekening nu al voor veel huishoudens onbetaalbaar is? Zo nee, waarom niet?
De feitelijke hoogte van de aflossing zal in de praktijk moeten blijken. De energierekening van huishoudens moet worden gezien als onderdeel van de totale huishouduitgaven in relatie tot de totale huishoudinkomsten.
Ik deel de mening niet dat voor veel huishoudens de energierekening nu al onbetaalbaar zou zijn. Bovendien is, zoals meermaals aangegeven door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, betaalbaarheid en draagvlak een belangrijk onderwerp bij het sluiten van het Klimaatakkoord.
Wie draait op voor de kosten van het onderhoud van de installatie? Wat gebeurt er met de lening indien de installatie vervangen dient te worden vóórdat deze volledig is afgelost? Hoe gaat u voorkomen dat dit tot een nieuwe lening leidt, er vervolgens een opstapeling van leningen ontstaat en er uiteindelijk nooit volledig afgelost zal worden?
Indien er draagvlak is onder particuliere woningeigenaren voor een volledige Nul-op de-meter (NOM) renovatie dan wil Dura Vermeer de energieprestatiegarantie op NOM, met een soort van onderhoudsabonnement, tegen een gereduceerd tarief aanbieden. Details van onderhouds- en vervangingskosten worden nu door partijen bestudeerd.
Wordt het door deze lening – en de daardoor ontstane schuld – niet nóg moeilijker om een hypotheek te krijgen?
Dit hangt af van de uiteindelijk door partijen te kiezen constructie. Het gaat om de balans tussen dalende energielasten, verbetering van het energielabel en verbetering van de kwaliteit en het comfort van de woning versus een extra maandelijkse last. Bij hypotheekverstrekkingen worden alle financiële verplichtingen meegewogen om ervoor te zorgen dat een toekomstige hypotheeklast gedragen kan worden en de klant in de toekomst niet in betalingsproblemen komt.
Welke gevolgen heeft het gegeven dat de lening komt te rusten op het huis voor de verkoop van het huis (waaronder de prijs)? Deelt u de mening dat potentiële huizenkopers hiermee hun vrije energiekeuze wordt ontnomen? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen voor de prijs en courantheid van woningen zijn onbekend en hangen af van vraag- en aanbod factoren. De aan te bieden woning is kwalitatief beter, energiezuiniger en comfortabeler, maar kent aan de andere kant een extra maandelijkse last voor de duur van de afbetaling van de investering. Welke gevolgen dit heeft voor prijs en verkoopbaarheid hangt mede af van de grootte van de vraag naar kwalitatief betere, energiezuinigere, comfortabelere woningen op de betreffende locatie waar een woning gelegen is. Marktomstandigheden bepalen in het algemeen prijzen en verkooptijden.
Woonwaard garandeert opkoop van de woning met overname van de gebouw gebonden financiering als de woning bij verkoop niet courant blijkt te zijn.
De vrije energiekeuze blijft in stand. De netbeheerder zorgt ervoor dat namens de financier via de energierekening wordt gefactureerd en geïncasseerd. Van energiebedrijf kan derhalve vrijelijk gewisseld worden.
Deelt u de mening dat dit soort leningen het failliet van uw duurzaamheids- en klimaatbeleid aantonen, met als gevolg dat huiseigenaren in de financiële ellende van opgedrongen leningen worden gestort?
Nee, ik deel deze mening niet. Zoals aangegeven zijn de betrokken partijen op zoek naar een goede balans tussen een besparing op de energierekening door verduurzaming van de woning en de extra maandelijkse lasten.
Wanneer zet u nu eindelijk eens een streep door uw geldverslindende duurzaamheids- en klimaatbeleid? Deelt u de mening dat dat de enige manier is om tot een lagere energierekening te komen?
Nee, ik deel deze mening niet. Een lagere energierekening wordt onder meer bereikt door woningen energiezuinig te maken, bijvoorbeeld door isolatie van dak, muren, ruiten en vloeren. Een andere manier om tot een lagere energierekening te komen is door het gebruik van zuinige LED-lampen, apparaten en installaties. Overigens is het de inzet van het kabinet om de kosten van de klimaat- en energietransitie zo veel mogelijk te beperken, opdat de financiële gevolgen voor burgers acceptabel blijven. Daarnaast worden jaarlijks de koopkrachtgevolgen in kaart gebracht en vindt koopkrachtreparatie plaats indien dat opportuun is.
Het bericht ‘Heemschut is verbijsterd over veiling stoelen Vredespaleis’ |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Heemschut is verbijsterd over veiling stoelen Vredespaleis»?1
Ja
Deelt u de mening dat de samenhang van ensembles, waarbij roerend en onroerend erfgoed een geheel vormen, van groot belang is?
Ja
Is het Vredespaleis opgenomen op een lijst met 72 toonaangevende interieurensembles die in het kader van de Erfgoedwet bescherming verdienen? Zo ja, welke bescherming biedt opname op deze lijst?
Ja, het Vredespaleis is recent opgenomen op een toonbeeldenlijst van interieurensembles. Deze lijst is – in nauwe samenspraak met het veld – gemaakt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De lijst toont voorbeelden van bijzondere interieurensembles in Nederland en maakt ze goed zichtbaar. Nagenoeg alle gebouwen met ensembles die op deze lijst staan zijn beschermd als rijksmonument. De toonbeeldenlijst vergroot de kennis en waardering voor historische interieurensembles en draagt op die manier bij aan de bescherming ervan. Opname op de toonbeeldenlijst betekent echter niet dat de roerende onderdelen van deze interieurensembles nu wettelijke bescherming genieten.
Is het waar dat in 2014, bij de herinrichting van het Vredespaleis. met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is afgesproken dat de voorwerpen geregistreerd, gedocumenteerd en opgeslagen zouden worden?
De RCE heeft bij meerdere gelegenheden aan de eigenaar/beheerder van het Vredespaleis een daartoe strekkend advies gegeven. Er is echter geen sprake van een (juridisch bindende) afspraak.
Bent u bereid maatregelen te nemen om te voorkomen dat interieurstukken uit het Vredespaleis geveild zullen worden?
Ik heb de RCE gevraagd opnieuw in overleg te gaan met de eigenaar/beheerder om te bezien wat er mogelijk is om zoveel mogelijk recht tew doen aan het waardevolle interieurensemble. In dat overleg heeft de eigenaar aangegeven de veiling uit te stellen om, mede in overleg met de RCE, te zoeken naar een verantwoorde oplossing.
De proefboringen naar olie en gas op Aruba |
|
André Bosman (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eerste proefboring Aruba naar olie en gas nabij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de begroting eerst sluitend gemaakt dient te worden en het begrotingstekort moet worden teruggebracht, alvorens over te gaan tot het creëren van fondsen anders dan ter aanwending voor het terugdringen van het begrotingstekort?
De politieke keuze wat te doen met eventuele revenuen uit olie en gas is aan het land Aruba. Wel deel ik de zorgen over de staat van de overheidsfinanciën van het land Aruba, in het bijzonder de hoge overheidsschuld die dient te worden teruggedrongen en het niet hebben van een meerjarige sluitende begroting. In mijn gesprek met de Minister van Financiën van Aruba, mevrouw Ruiz-Maduro, op 22 maart jl. heb ik deze zorgen ook kenbaar gemaakt en heb ik haar gevraagd zo snel mogelijk te komen met een begroting 2018 welke voldoet aan de aanbevelingen van het College Aruba financieel toezicht (CAft). Daarnaast wordt met Aruba gesproken over de vormgeving van het financieel toezicht na het begrotingsjaar 2018 met het oog op het bereiken van duurzame overheidsfinanciën en het terugdringen van de overheidsschuld.
In hoeverre is er voor het College Aruba Financieel Toezicht een rol weggelegd bij het toetsen van dergelijke keuzes?
De verantwoordelijkheden van het CAft zijn vastgelegd in de Landsverordening Aruba tijdelijk financieel toezicht (LAft). Het CAft adviseert over de financiële doorvertaling van dergelijke beleidskeuzes.
De handelsmissie naar China |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is het exacte programma van uw handelsmissie naar China?
Op maandag 9 april had de Minister-President een bilaterale ontmoeting met Acting Chief Executive Cheung in Hongkong, inclusief de officiële opening van het nieuwe Consulaat-Generaal. Diezelfde dag vond tevens een rondetafelgesprek over green finance plaats. De dag werd afgesloten met een diner met de zakengemeenschap in Hongkong.
Op dinsdag 10 april was de Minister-President aanwezig op het Bo’ao Forum in Hainan. Het Bo’ao Forum staat bekend als de Aziatische variant op het World Economic Forum dat jaarlijks in Davos plaatsvindt. Daar gaf Minister-President Rutte een speech, en hij sprak er ook bilateraal met president Xi Jinping en andere regeringsleiders, waaronder bondskanselier Sebastian Kurz van Oostenrijk en premier Lee Hsien Loong van Singapore.
De Minister-President was op woensdag 11 april in Guangzhou. Daar had hij een ontmoeting met Nederlandse ondernemers, bracht hij bedrijfsbezoeken aan Alpha en China Southern Airlines en een beleefdheidsbezoek aan partijsecretaris Li Xi, woonde hij een sessie bij over verantwoord investeren, en sloot hij de dag af met een groot handelsdiner.
Op donderdag 12 april had de Minister-President in Peking een onderhoud met zijn ambtsgenoot Li Keqiang, met aansluitend een banket. Ook sprak hij met de voorzitter van het Nationale Volkscongres, dhr. Li Zhanshu. Daarnaast was hij samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aanwezig bij een rondetafelbijeenkomst met CEO’s. Tot slot had de Minister-President een interactieve bijeenkomst met Chinese studenten Nederlands aan de Beijing Foreign Studies University.
Wat vindt u van de verslechtering van de naleving van mensenrechtenverplichtingen door China sinds de machtsoverdracht naar de huidige president Xi Jinping?
Enerzijds is het indrukwekkend om te zien van hoever China de afgelopen jaren is gekomen. Veel mensen hebben het economisch beter dan voorheen en er is steeds minder sprake van armoede. Tegelijkertijd is het inderdaad zorgelijk dat de mensenrechtensituatie in China op verschillende fronten verslechtert. Er is steeds minder ruimte voor kritische geluiden, de vrijheid van meningsuiting is zowel offline als online sterk ingeperkt, er vindt sterke controle plaats op religies, met name in Tibet en Xinjiang, en het is voor maatschappelijke organisaties steeds moeilijker om hun werk te doen. Dat zijn allemaal zaken waar Nederland en de EU China op aanspreken.
Heeft u stelling genomen tegen de wetgeving uit januari 2017 die niet-gouvernementele organisaties onder toezicht van de overheid plaatst en waarin garanties tegen willekeurige detentie en bescherming van het recht op privacy, vrije meningsuiting en andere mensenrechten ontbreken? Zo ja, wilt u hiervan melding maken in uw verslag? Zo nee, waarom niet?
Nederland uit zowel bilateraal als in EU- en multilateraal verband zorgen over de inperking van de ruimte voor maatschappelijke organisaties en de situatie van individuele mensenrechtenverdedigers in China. In de gesprekken met het Chinese leiderschap tijdens dit bezoek heeft de Minister-President aangegeven dat Nederland zowel vrijheid van religie en levensovertuiging als de rol van ngo’s wederom op de agenda wil zetten voor de bilaterale mensenrechtendialoog met China, die door China is bevestigd voor juli. Tijdens de bilaterale mensenrechtendialoog zal Nederland zoals altijd tevens aandacht vragen voor individuele gevallen.
Heeft u aandacht gevraagd voor de zorgwekkende situatie in Tibet en daarbij met name de Tibetaanse politieke gevangenen genoemd?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u speciale aandacht gevraagd voor de situatie van Jiang Tianyong en gepleitn voor zijn onmiddellijke voorwaardelijke vrijlating waarbij gewaarborgd wordt dat hij niet gemarteld of mishandeld wordt en dat hij regelmatig en onbeperkt toegang krijgt tot medische zorg? Zo ja, wilt u hiervan melding maken in uw verslag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u speciale aandacht gevraagd voor de situatie van Tashi Wangchuk en gepleit voor zijn onmiddellijke onvoorwaardelijke vrijlating tenzij hij formeel wordt aangeklaagd voor een internationaal erkende misdaad, voor onbeperkte en onmiddellijke toegang tot zijn familie en een advocaat van zijn keuze en garanties dat hij niet wordt gemarteld of mishandeld? Zo ja, wilt u hiervan melding maken in uw verslag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u ervoor gepleit dat heel China, inclusief Tibet, vrij toegankelijk wordt voor buitenlandse bezoekers?
Zie antwoord vraag 3.
Onrecht als gevolg van de invoering van het leenstelsel voor studenten |
|
Frank Futselaar (SP), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het antwoord van uw ambtsvoorganger dat ouders en hun kinderen er niet op achteruitgaan op het moment dat minderjarige studenten gaan studeren in het hoger onderwijs?1
Hieronder worden deze cijfers gepresenteerd inclusief uitleg en aannames bij de cijfers.
De conclusie die uit de cijfers volgt, is dat voor de genoemde posten de situatie na het regeerakkoord op jaarbasis 50 euro voordeliger uitpakt voor een tweeoudergezin waarin het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord. Voor het eenoudergezin is deze vooruitgang op jaarbasis 945 euro.
Tabel 1 toont de bedragen voor een gezin met twee ouders en voor een gezin met één ouder in de situatie voor het regeerakkoord. De kolom vo bevat de bedragen die gelden op het moment dat de 17-jarige niet ingeschreven is in het hoger onderwijs. De kolom ho (hoger onderwijs) bevat de bedragen wanneer dit wel het geval is. In beide kolommen gaat het om de jaarbedragen van een gezin waarin één kind aanwezig is die het hele jaar 17 jaar oud is. Er is in beide gezinstypen uitgegaan van een gezinsinkomen van 47.000 euro. Ook is ervan uitgegaan dat aan alle voorwaarden voor de betreffende regelingen is voldaan die niet expliciet zijn benoemd. Voor alle regelingen zijn de normbedragen en parameters uit 2018 gebruikt en de bedragen zijn afgerond op hele euro’s. De veronderstelde wettelijke ouderbijdrage is als extra post in de tabel opgenomen, omdat deze geen invloed heeft op het saldo in het gezin: het is een veronderstelde bijdrage van de ouder(s) aan de student die meeweegt in de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs, maar niet verplicht is. De reisvoorziening is ook opgenomen omdat deze net als de aanvullende beurs onderdeel is van de prestatiebeurs in het hoger onderwijs. Naast genoemde posten zijn er ook nog het collegegeldkrediet en het studievoorschot. Deze zijn niet opgenomen in het overzicht, maar de student in het hoger onderwijs kan van deze voorzieningen gebruik maken tegen sociale leenvoorwaarden.
kinderbijslag
1.149
0
– 1.149
1.149
0
– 1.149
kindgebonden budget1
0
0
0
2.882
0
– 2.882
collegegeld
0
– 2.060
– 2.060
0
– 2.060
– 2.060
aanvullende beurs
0
670
670
0
1.766
1.766
waarde reisvoorziening
0
1.099
1.099
0
1.099
1.099
extra: veronderstelde ouderbijdrage
0
4.007
4.007
0
2.911
2.911
incl. alleenstaande ouderkop bij het eenoudergezin
Wanneer alleen naar deze posten wordt gekeken gaat het tweeoudergezin er op jaarbasis per saldo 1.440 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit wordt veroorzaakt door het wegvallen van de kinderbijslag, het betalen van collegegeld en het ontvangen van de aanvullende beurs en de reisvoorziening.
Het éénoudergezin gaat er 3.225 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit wordt veroorzaakt door dezelfde factoren als bij het tweeoudergezin, aangevuld met het wegvallen van het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop.
Tabel 2 toont de bedragen voor dezelfde gezinnen, maar vanuit de aanname dat de maatregelen uit het regeerakkoord allemaal in werking zijn getreden. Het gaat om de halvering van het collegegeld, de verhoging van de kinderbijslag en de verhoging van de afbouwgrens voor paren in het kindgebonden budget. De in het regeerakkoord vermeldde indicaties voor de wijzigingen zijn toegepast op de normen en parameters die gelden voor 2018. De bedragen zijn hierdoor vergelijkbaar met tabel 1 en bevatten niet de uiteindelijke exacte bedragen. Niet alle regeerakkoordmaatregelen zijn namelijk voorzien voor 2018.
kinderbijslag
1.234
0
– 1.234
1.234
0
– 1.234
kindgebonden budget1
895
0
– 895
2.882
0
– 2.882
collegegeld
0
– 1.030
– 1.030
0
– 1.030
– 1.030
aanvullende beurs
0
670
670
0
1.766
1.766
waarde reisvoorziening
0
1.099
1.099
0
1.099
1.099
extra: veronderstelde ouderbijdrage
0
4.007
4.007
0
2.911
2.911
incl. alleenstaande ouderkop bij het eenoudergezin
Wanneer opnieuw alleen naar deze posten wordt gekeken gaat het tweeoudergezin er op jaarbasis per saldo 1.389 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit is 50 euro minder ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord. Dit wordt veroorzaakt door de halvering van het collegegeld en gemitigeerd doordat de kinderbijslag hoger wordt en het paar in aanmerking komt voor kindgebonden budget.
Het éénoudergezin gaat er 2.280 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit is 945 euro minder ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord. Dit wordt veroorzaakt door de halvering van het collegegeld en gemitigeerd door de hogere kinderbijslag.
Wilt u inzichtelijk maken wat op jaarbasis de financiële gevolgen zijn voor student en ouders wanneer een 17-jarige naar het hoger onderwijs gaat, zowel in gezinnen met één als twee ouders, bij een inkomen van 47.000 euro en uitgaande van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de alleenstaande-ouderkop, het collegegeld, de aanvullende beurs en de veronderstelde wettelijke ouderbijdrage?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u inzichtelijk maken wat het verschil is in jaarlijkse financiële ondersteuning op rijksniveau tussen studenten die als 17-jarige en 18-jarige in het hoger onderwijs gaan studeren, zowel in gezinnen met één als twee ouders, bij een inkomen van 47.000 euro en uitgaande van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de alleenstaande-ouderkop, het collegegeld, de aanvullende beurs en de veronderstelde wettelijke ouderbijdrage?
Er zijn geen verschillen in de jaarlijkse financiële ondersteuning van een 17-jarige en een 18-jarige student in het hoger onderwijs. Zowel de ouders van de 17-jarige als de 18-jarige hebben geen recht op kinderbijslag en kindgebonden budget. Ook dient in beide gevallen hetzelfde bedrag aan collegegeld betaald te worden. De berekeningen voor aanvullende beurs en veronderstelde wettelijke ouderbijdrage zijn identiek voor zowel de 17-jarige als de 18-jarige.
Wilt u inzichtelijk maken wat het verschil is in jaarlijkse financiële ondersteuning op rijksniveau tussen studenten die als 17-jarige naar het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs gaan, zowel in gezinnen met één als twee ouders, bij een inkomen van 47.000 euro en uitgaande van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de alleenstaande-ouderkop, het collegegeld, de aanvullende beurs en de veronderstelde wettelijke ouderbijdrage?
Een 17-jarige die naar het middelbaar beroepsonderwijs gaat, heeft geen recht op studiefinanciering, met uitzondering van de reisvoorziening, maar betaalt ook nog geen lesgeld. De ouders hebben recht op kinderbijslag en eventueel kindgebonden budget. Voor de gevraagde regelingen is de 17-jarige mbo’er dus vergelijkbaar met een 17-jarige in het voortgezet onderwijs, met uitzondering van de reisvoorziening. De verbeteringen in de situatie na het regeerakkoord ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord, zoals in het tweede antwoord weergegeven, blijven ongewijzigd.
Wilt u bij de berekeningen in de voorgaande vragen eveneens onderscheid maken tussen de situatie op basis van de huidige regelingen en de situatie zoals die na uitvoering van het regeerakkoord zal bestaan?
Ja.
Kunt u aangeven uit welke passages bij de behandeling van het leenstelsel blijkt dat de volle omvang van de financiële gevolgen van de samenloop tussen de kindregelingen en de studiefinanciering voor minderjarigen nadrukkelijk aan de orde is geweest en dat door regering en parlement desondanks welbewust voor de bestaande afbakening zou zijn gekozen?
De aansluiting van de kinderbijslag op de studiefinanciering voor minderjarige studenten en de gevolgen van de invoering van het studievoorschot voor minderjarige studenten is aan de orde geweest in de schriftelijke voorbereiding van de wetsbehandeling in de Tweede Kamer,2 in de amendering door de Tweede Kamer,3 in de plenaire behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer,4 en in de schriftelijke voorbereiding van de wetsbehandeling in de Eerste Kamer.5
Bent u bereid de vragen te beantwoorden voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel verlaagd wettelijk collegegeld?2
Ja, daartoe ben ik bereid.
Het bericht dat de versoberde detentieomgeving een succesvolle resocialisatie in de weg staat |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Nederlands Juristenblad: «De Nederlandse detentieomgeving en het resocialisatiebeginsel»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusies uit de wetenschappelijke onderzoeken, zoals die in het artikel worden aangehaald, die aantonen dat sobere detentieomgevingen belangrijke hersenfuncties van gedetineerden zou kunnen verminderen? Wat is uw reactie op de constatering dat het huidige sobere beleid leidt tot inactieve gedetineerden zowel op lichamelijk als geestelijk gebied die daardoor naar verloop van tijd meer antisociaal gedrag gaan vertonen waardoor de kans op recidive toeneemt?
Ik ben van mening dat verschillende elementen tot uiting moeten komen in de tenuitvoerlegging van straffen. Het vergeldende doel van de straf moet wat mij betreft herkenbaar zijn, zonder dat de aandacht voor re-integratie ten behoeve van recidivevermindering naar de achtergrond verschuift.
Het DBT (Dagprogramma, Beveiliging en Toezicht op maat) is geen sober detentieregime. Het huidige regime is activerend en goed gedrag van gedetineerden wordt beloond met het plusprogramma. Hier wil ik nog steviger op inzetten. Ik verwijs voor de plannen graag naar de visie op het gevangeniswezen die voor de zomer aan uw Tweede Kamer wordt gestuurd.
Daarnaast ben ik van mening dat het detentieklimaat in Nederland voldoende uitdagingen bevat in de vorm van arbeid, re-integratieactiviteiten en de mogelijkheid voor recreatie. Het programma biedt naast het aantal uren dagprogramma dat wettelijk vereist is (18 uur) een uitgebreid aanbod van totaal tenminste 43 uur in het basisprogramma en 48 uur aan activiteiten plus 11 uur verblijf buiten de cel in het plusprogramma.
Deelt u de mening dat resocialisatie een belangrijk uitgangspunt is bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties in een strafrechtelijk kader? Zo ja, waarom acht u het dan verstandig alleen een beperkte groep gedetineerden, namelijk die in het zogenoemde plusprogramma zitten, te laten werken aan hun resocialisatie?
Ja.
Hier lijkt sprake van een misverstand: alle gedetineerden kunnen tijdens detentie werken aan hun re-integratie, ook gedetineerden in het basisprogramma. Alle gedetineerden hebben toegang tot het Re-integratie Centrum (RIC) en casemanagers zijn beschikbaar voor vragen en ondersteuning. Alle gedetineerden kunnen deelnemen aan de Reflector, de Taaltoets en Kies voor Verandering. Ook de vaardigheden die tijdens arbeid worden geoefend (op tijd komen, collegialiteit tonen, etc.) worden daaronder verstaan. Personen die daarvoor gemotiveerd zijn en het bijbehorende positieve gedrag vertonen, kunnen promoveren naar het plusprogramma. Tevens kan degradatie plaatsvinden naar het basisprogramma. Binnen het plusprogramma kunnen gedetineerden deelnemen aan extra re-integratieactiviteiten, vakopleidingen en cursussen, en kunnen zij in aanmerking komen voor interne vrijheden en extra faciliteiten zoals extra bezoek en 11 uur recreatie.
Graag verwijs ik in dit kader opnieuw naar de visie op het gevangeniswezen die voor de zomer aan uw Tweede Kamer wordt gestuurd.
Bent u bereid aanvullend onderzoek te laten doen teneinde er achter te komen in hoeverre de verschraling van het dagprogramma voor gedetineerden bijdraagt aan een moeilijkere resocialisatie en verhoogd recidivegevaar? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek verwachten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik ben van mening dat voldoende informatie uit onderzoek voorhanden is om te komen tot een afgewogen dagprogramma waarin de principes van vergelding én van generale en speciale preventie terugkomen. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.
De publicatie ‘Risicomanagement voor collecties’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie «Risicomanagement voor collecties» van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed?1
Ja.
Op welke wijze wordt een dergelijke publicatie verspreid onder belanghebbenden? Op welke wijze wordt bevorderd dat er opvolging gegeven wordt aan de aanbevelingen zoals gedaan in deze publicatie, met als doelstelling het beter beschermen van collecties, bijvoorbeeld tegen waterschade en brand?
De publicatie is tot stand gekomen in samenwerking met partners in binnen- en buitenland en is gericht op collectiebeheerders. Met de publicatie, die gratis in zowel het Nederlands als het Engels is te downloaden via www.cultureelerfgoed.nl, wordt informatie en kennis over risicomanagement voor collecties binnen handbereik van collectiebeheerders gebracht. Zij zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid van collecties. Het ontwikkelen en verspreiden van ondersteunende informatie past in de rol van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als kenniscentrum. Alhoewel er geen actief verspreidingsbeleid is, brengt de RCE de publicatie via kennisplatforms en symposia onder de aandacht van de belanghebbenden en wordt de publicatie ook ingezet in de opleiding van studenten van zowel de Universiteit van Amsterdam als de Reinwardt Academie. Uit reacties en vragen die vanuit het museale veld worden gesteld aan de RCE blijkt dat de publicatie een aanzienlijke bekendheid geniet. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de mate waarin de aanbevelingen worden opgevolgd door de belanghebbenden.
Wat is uw reactie op de uitspraak die in deze publicatie wordt gedaan dat om gepaste beveiligingsmaatregelen tegen diefstal te treffen een analyse van de risico’s essentieel is, maar dat hiervoor maar zeer weinig gegevens voorhanden zijn? Is het aantal meldingen door 15 musea van een inbraak, diefstal of poging daartoe in de Database Incidenten Cultureel Erfgoed (DICE) in de periode 2008–2014 ook een weerspiegeling van het daadwerkelijke aantal incidenten of worden mogelijk niet alle incidenten gemeld? Hoe kan in dat laatste geval de meldingsbereidheid worden vergroot?
DICE is een incidentenregistratiesysteem dat de RCE kosteloos aanbiedt aan de musea en andere collectiebeheerders. Zij kunnen dit systeem gebruiken voor de eigen registratie van incidenten en tegelijkertijd levert DICE informatie voor de Erfgoedmonitor. Registratie van incidenten in DICE is niet verplicht en niet alle collectiebeheerders zijn aangesloten. Het is dan ook waarschijnlijk dat het daadwerkelijk aantal incidenten (waaronder diefstal) groter is dan het aantal registraties in DICE in de periode 2008 – 2014. Ter vergroting van het aantal registraties heeft de RCE veel gedaan aan promotie van DICE via studiedagen, symposia, publicaties en artikelen en zijn workshops georganiseerd.
Beheerders van de rijkscollectie zijn verplicht om schade aan, het tenietgaan en vermissing van museale cultuurgoederen direct te melden aan de Erfgoedinspectie. Dit kan via DICE of door een rechtstreekse melding. In de periode 2009–2017 zijn via DICE en daarmee aan de Erfgoedinspectie 3 diefstallen uit de Rijkscollectie gemeld.
Klopt het dat de regeling van het Mondriaan Fonds die middelen aan het erfgoedveld beschikbaar stelde om zelf na te gaan waar hun beveiliging aangepast zou moeten worden, is beëindigd? Zo ja, waarom is er voor gekozen deze regeling te beëindigen?
Dat klopt inderdaad. Mijn voorganger heeft een tijdelijke aanvullende financiële ondersteuning geleverd voor de regeling «Bijdrage Veiligheidszorg» van het Mondriaan Fonds, gericht op het duurzaam verbeteren van de reguliere veiligheidszorg van kunst- en erfgoedinstellingen die een collectie beheren in Nederland en in de Nederlandse Cariben. Musea, kerken, archieven en kunsthallen die regelmatig objecten van landelijk belang tonen konden een aanvraag indienen.2 Hiermee is een bijdrage geleverd aan kwaliteitsverbetering van veiligheidszorg bij kunst en erfgoedinstellingen, maar uiteindelijk is veiligheidszorg een verantwoordelijkheid van de erfgoedinstellingen zelf. Ik blijf via het dossier «Veilig Erfgoed» bij de RCE inzetten op de uitwisseling van kennis en ervaring en er wordt in de Erfgoedmonitor aandacht geschonken aan het onderwerp veiligheidszorg. De Erfgoedinspectie tenslotte houdt toezicht op de veiligheidszorg bij instellingen die rijkscollecties beheren.
Kunt u reageren op de opmerking dat ruim tweederde van de in Nederland gestolen kunst en antiek nauwelijks kan worden opgespoord, doordat slachtoffers vaak niet beschikken over exacte gegevens of foto's van de gestolen objecten en de objecten om die reden niet kunnen worden geregistreerd in de database gestolen kunst van de Landelijke Politie?2 Is het aantal dat kan worden geregistreerd en opgespoord inmiddels verbeterd?
Eigenaren van kunst en antiek zijn zelf verantwoordelijk voor een goede registratie. Verschillende momenten worden aangegrepen om het publiek hierover te informeren, zodat objecten goed kunnen worden beschreven en vastgelegd. Op de websites van bijvoorbeeld de politie4 en de Erfgoedinspectie5 is hieromtrent nadere informatie te vinden.
De ervaring van de politie leert dat slachtoffers van kunst- of antiekdiefstal vaak niet over een adequate beschrijving of foto’s van het gestolen object beschikken, dit bemoeilijkt de opsporing. Daarnaast zijn deze objecten relatief eenvoudig naar het buitenland te brengen. Handelaren die de databases van gestolen voorwerpen raadplegen, zullen informatie over deze objecten dan ook niet aantreffen. Ook opsporingsdiensten kunnen bij gebrek aan informatie de objecten niet achterhalen.
Kunt u reageren op de constatering dat opsporing van erfgoed geen prioriteit zou zijn in de opsporingsagenda, zoals aan de orde kwam tijdens een film- en debatavond in het Filmhuis Den Haag in 2016 waaraan diverse experts deelnamen?3 Bent u van mening dat de opsporing van erfgoed momenteel voldoende prioriteit krijgt? Is er in Nederland voldoende kennis en kunde aanwezig bij betrokken partijen, zoals recherche en politie, verzekeraars en erfgoedbeherende instellingen?
In de Veiligheidsagenda 2015–2018 zijn de veiligheidsthema’s vastgelegd. Dat de opsporing van erfgoed of kunst en antiek hierin ontbreekt, betekent niet dat de opsporing niet adequaat georganiseerd is. Uitgangspunten voor de inrichting van toezicht, handhaving en opsporing van kunstcriminaliteit zijn vastgelegd in de brief die uw Kamer op 13 juli 2012 is toegezonden. Wij staan nog steeds voor deze uitgangspunten. Voor wat betreft specifieke deskundigheid ter zake gestolen objecten kan de politie terugvallen op specialisten van de Erfgoedinspectie, RCE, musea, andere erfgoed beherende instellingen zoals archieven of gerenommeerde deskundigen.
Bent u van mening dat het van belang is om de kans op het terugvinden van een gestolen object te vergroten, de specifieke kenmerken van het object te documenteren? Welk deel van de collecties is momenteel gedigitaliseerd? Op welke manieren worden particulieren gewezen op het belang van de registratie van waardevolle kunst en antiek? Is er behoefte aan een database voor gestolen kunst en antiek die breder toegankelijk is dan alleen voor opsporingsambtenaren, maar bijvoorbeeld ook voor particulieren, handelaren en houders van collecties? Zo ja, kunt u dit stimuleren of faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Registratie van collecties is een belangrijke preventieve maatregel en draagt bij aan het opsporen of terugvinden van objecten. Er is veel geïnvesteerd in de registratie van collecties van erfgoedinstellingen en kerken. De mate van registratie en de kwaliteit van registratie door deze instellingen is in Nederland hoog. Museale instellingen in de culturele basisinfrastructuur dienen een beleid te voeren om minimaal 95 procent van de objecten van hun instelling te registreren. Dit uitgangspunt is nu ook vastgelegd in de Erfgoedwet en de bijbehorende Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen die sinds 2016 van kracht zijn. Veel beheerders van de rijkscollectie hebben hun registratiesysteem inmiddels geautomatiseerd of zijn hiermee bezig. Ook stellen diverse beheerders reeds vrijwillig hun eigen registratie beschikbaar voor een centrale toegang. Van beheerders die nog niet alle registraties hebben geautomatiseerd wordt verwacht dat zij inspanningen verrichten om tot een volledig geautomatiseerde registratie en aansluiting op het systeem van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te komen. Het doel is dat de complete rijkscollectie geregistreerd en online toegankelijk wordt voor culturele instellingen en het publiek (zie www.collectienederland.nl).
Kerkelijke collecties in kerken en kloosters zijn geregistreerd, maar nog niet compleet. Via een web tool werken kerken hier verder aan. Alle archeologische sites zijn geregistreerd.
Wat betreft particuliere verzamelaars is met verzekeringsmaatschappijen in het verleden contact geweest. Voor de verzekering van cultuurgoederen bij gespecialiseerde kunstverzekeringen is een taxatierapport nodig. Kunst en antiek dat via inboedelverzekeringen verzekerd is, heeft niet een dergelijke registratie of informatie plicht.
Indien het slachtoffer van gestolen kunst of antiek in de gelegenheid is om adequate informatie omtrent het object te delen met de politie, wordt deze informatie door de politie vastgelegd en gedeeld met de Interpol-database voor gestolen kunst. Deze database is voor een ieder toegankelijk. Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5 voor de voorlichtingsactiviteiten voor het adequaat registreren van kunst en antiek.
Kunt u een update geven van het werk dat wordt verricht door de eenheid Kunst- en Antiekcriminaliteit van de Nationale Politie? Wanneer was hun laatste analyse van de aard en omvang van kunstdiefstallen? Kunt u tevens inzage geven in de personele bezetting van de afgelopen vijf jaar?
Het team Kunst- en Antiekcriminaliteit van de politie verzamelt, veredelt en analyseert aan kunst, antiek en cultuurgoederen gerelateerde incidenten in Nederland. Daartoe worden naast de politieregistraties ook open bronnen geraadpleegd. Hierin wordt tevens nauw samengewerkt met de Erfgoedinspectie en Veilig Erfgoed van de RCE. Het team coördineert de afhandeling van zowel nationale als internationale verzoeken om informatie en rechtshulpverzoeken. Waar nodig wordt nationaal en internationaal assistentie verleend bij onderzoeken, zowel in persoon als door middel van het leveren van expertise van buiten het politiedomein. De buitengewoon opsporingsambtenaren van de Erfgoedinspectie kunnen desgewenst worden ingezet bij onderzoeken.
Elk kwartaal worden alle in Nederland geconstateerde incidenten verwerkt in een kwartaalrapportage. De aard en omvang van de criminele activiteiten worden daarin uitvoerig beschreven. Daar waar mogelijk wordt tevens de samenhang van de incidenten geanalyseerd. Jaarlijks wordt op basis van de kwartaaloverzichten een jaarbeeld gegenereerd. Operationele zaaks analyses worden door de regionale eenheden uitgevoerd. Bij regio overstijgende incidenten levert het team een concept analyse op, op basis waarvan een eventueel vervolgonderzoek kan worden ingesteld.
Sinds 2013 bestaat het team Kunst- en Antiekcriminaliteit uit vier personen. Omgerekend is dit ongeveer 3 fte. Daarnaast is in elke regionale eenheid een taakaccenthouder kunst- en antiekcriminaliteit aangesteld en is bij het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie een landelijk officier van justitie aangesteld met het taakaccent kunst- en antiekcriminaliteit.
Op welke wijze zou bij zowel het registeren van kunst als het opsporen hiervan gebruik gemaakt kunnen worden van nieuwe innovatieve technieken? Zijn hiervan (bijvoorbeeld uit het buitenland) goede voorbeelden te benoemen?
De diverse nationale organisaties zijn verbonden met internationale en Europese netwerken. In deze netwerken vindt doorlopend uitwisseling van kennis en samenwerking plaats over registratie en opsporing, waaronder ook over innovatieve technieken.
Bent u bekend met het rapport «Handel in producten van beschermde vogels in januari 2018 via Internet»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er online beschermde vogels illegaal worden verkocht?
Het kabinet is tegen elke vorm van illegale handel van (beschermde) dieren.
Kunt u aangeven op welke manier er gehandhaafd wordt op handel in beschermde dieren?
De handhaving op de handel in beschermde dieren vindt op een aantal manieren plaats, zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk of in een combinatie van deze handhavingsmodaliteiten. De met de handhaving, opsporing en toezicht belaste instanties zijn de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), de douane, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Deze instanties staan in nauw contact met elkaar. Handhaving kan plaatsvinden naar aanleiding van een geplande of ongeplande inspectie, op heterdaad, of naar aanleiding van informatiegestuurd opsporen.
Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat deze eenvoudig te traceren criminaliteit niet opgespoord wordt?
De NVWA doet geregeld onderzoek naar advertenties op het internet waarin beschermde dieren, planten en producten worden aangeboden. De aanbieders worden gecontroleerd. Indien de legaliteit van de goederen, waaronder dieren, niet kan worden aangetoond, worden deze in beslag of in bewaring genomen.
Bent u bereid contact op te nemen met de auteur van het rapport teneinde gebruik te maken van de door hem verzamelde data? Bent u verder bereid maatregelen te nemen waarmee ook in de toekomst de illegale verkoop van dieren aangepakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Het rapport is gedeeld met de NVWA, het Openbaar Ministerie en de politie. Op dit moment is al sprake van inzet op de opsporing en handhaving van illegale handel in (beschermde) dieren.
Bent u bekend met het artikel «Handel bedreigde diersoorten: «Levende kolibri’s in onderbroek»»?2
Ja.
Bent u bereid, gezien het wereldwijd ongekende verlies van biodiversiteit, extra capaciteit vrij te maken voor opsporing en vervolging van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet? Neemt Nederland naar uw mening de verantwoordelijkheid die past bij een doorvoerland zoals het onze?
Nederland neemt zijn verantwoordelijkheid bij het aanpakken van wildlife criminaliteit. Als handelsland met grote handelsstromen faciliteert Nederland legale handel waar dat kan, terwijl hard wordt gewerkt om illegale handel tegen te gaan. De samenwerking tussen de betrokken overheidsinstanties op het terrein van CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) is nauw en kent korte lijnen.
Nederland werkt Europees en mondiaal intensief samen in het kader van CITES en het tegengaan van wildlifecrime. Als voorbeeld van een door Nederland gecoördineerde actie – ook gericht op transitzendingen – in het kader van CITES en het EU Action Plan against Wildlife Trafficking verwijs ik u graag naar de uitkomsten van de recente Operatie Pangolin.3
Deelt u de stelling van criminoloog Daan van Uhm2 dat criminele organisaties steeds vaker extra handelslijnen erbij nemen en nu dus naast bijvoorbeeld drugs ook steeds vaker handelen in beschermde diersoorten? Ziet u hierin reden meer aandacht en capaciteit te besteden aan het opsporen van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, in antwoord op vragen over het promotieonderzoek van de heer Van Uhm, laat het onderzoek zien dat binnen de illegale handel in wildlife – net als bij drugscriminaliteit – sprake is van georganiseerde, grensoverschrijdende misdaad.5 Die kennis is ook aanwezig bij de handhavingsautoriteiten, die hun aanpak en capaciteit daarop afstemmen.
Klopt het dat het natuur team van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) capaciteit heeft moeten afstaan? Is dat vanwege personeelstekorten bij andere teams van de NVWA? Wat zijn de consequenties daarvan voor het opsporen van de handel in beschermde dieren? Ziet u hierin reden meer aandacht en capaciteit te besteden aan het opsporen van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet?
De capaciteit bij de NVWA voor inspecties op het gebied van de Wet natuurbescherming is niet gewijzigd.
Klopt het dat de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten (CITES) regelgeving niet langer specifiek onderwezen wordt aan de Politieacademie? Klopt het dat het merendeel van de CITES specialisten, zowel bij de NVWA als bij de politie, de komende tien a vijftien jaar met pensioen gaat? Hoe gaat u dat verlies van kennis opvangen? Waarom wordt CITES handel niet langer onderwezen aan de Politieacademie? Ziet u hierin reden meer aandacht en capaciteit te besteden aan het opsporen van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet?
Een deel van het personeel van de NVWA gaat in de genoemde periode met pensioen. De uitstroom van het personeel en de daarmee gepaard gaande kennisoverdracht zijn continue punten die de NVWA borgt binnen de organisatie. Binnen de mogelijkheden van het strategisch personeelsbeleid wordt nieuw personeel geworven dat na training ingewerkt kan worden.
Bij de Politieacademie is de laatste CITES-cursus aangeboden in 2012. De Politieacademie heeft besloten om de inhoud over te hevelen richting de leergang «Milieuagent» en de opleiding «Handhaving en opsporing in het kader van dierenwelzijn». De problematiek over internationale handel in bedreigde uitheemse dieren en planten komt in beide opleidingen aan de orde.
Klopt het dat overtredingen van de CITES regelgeving in het algemeen afgedaan worden met een bestuurlijke boete? Klopt het dat daarbij geen aantekening in het strafblad gemaakt wordt? Klopt het dat er daardoor geen zicht is te krijgen op veelplegers en criminele netwerken? Bent u bereid in de toekomst elke overtreding van de CITES regelgeving waarbij het vermoeden bestaat dat deze bedrijfsmatig is voor te leggen aan de officier van justitie in plaats van af te doen met een bestuurlijke boete?
De bestuurlijke boete is met de inwerkingtreding van de Wet Natuurbescherming per 1 januari 2017 als handhavingsinstrument geïntroduceerd voor de toepassing binnen de bestuursrechtelijke handhaving van CITES-overtredingen door de RVO.nl. Het gaat in zulke gevallen om kleine administratieve overtredingen. Op dit moment is dit instrument nog niet in de praktijk ingevoerd door de RVO.nl. Overtredingen van de CITES-regelgeving worden in het algemeen dus niet afgedaan met een bestuurlijke boete.
De gebruikte punitieve instrumenten voor overtredingen van CITES-regelgeving zijn:
Grotere opsporingsonderzoeken kunnen ook worden ingesteld door opsporingsinstanties in overleg met de officier van justitie.
De door een bestuursorgaan gebruikte reparatoire/bestuursrechtelijke instrumenten zijn de waarschuwing, de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Met een last onder bestuursdwang kunnen voorwerpen in bewaring genomen worden op kosten van de overtreder.
Een bestuurlijke boete levert geen aantekening in de justitiële documentatie op. Een bestuurlijke strafbeschikking levert wel een aantekening in de justitiële documentatie op.
Er vindt op beleidsmatig, strategisch, tactisch en operationeel niveau structureel overleg plaats tussen alle handhavingspartners op het terrein van de CITES. In een aantal van deze gremia worden structureel signalen besproken die mogelijk aanleiding geven tot strafrechtelijk onderzoek. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat geen zicht is te krijgen op veelplegers en criminele netwerken.
Overtredingen van de CITES regelgeving waarbij het vermoeden bestaat dat deze bedrijfsmatig zijn worden nu al in beginsel besproken met de officier van justitie.
Hoe zijn de aangevoerde voorbeelden te rijmen met het voornemen uit het regeerakkoord dat de illegale import van beschermde dieren een halt toe moet worden geroepen? Hoe staat het met de uitvoering van dat voornemen?
De in bron 2 en 3 aangevoerde voorbeelden zijn voorbeelden van (lopende) strafrechtelijke onderzoeken die juist zijn ingesteld om de illegale import en handel in beschermde dieren te bestrijden.
Het investeren van afgepakt crimineel geld in wijken |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aboutaleb: crimineel geld terug naar wijken»?1
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester van Rotterdam dat «een deel van de opbrengst die door ondermijnende activiteiten van criminelen zijn afgepakt, teruggeven zouden moeten worden aan de wijken waar het geld en de goederen in beslag worden genomen»? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe gaat u dan wel voor aanvullende financiering zorgen voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit?
Het voorstel van burgemeester Aboutaleb is, hoe sympathiek ik de gedachte ook vind, een onwenselijke manier voor het financieren van de aanpak van maatschappelijke problemen. Er kleven meerdere zwaarwegende bezwaren aan.
Bovenal zou ik investeringen in wijken niet afhankelijk willen maken van het aldaar afgepakt vermogen van criminelen, waardoor er voor wijken waar geen afgepakt crimineel vermogen is aangetroffen, minder middelen beschikbaar zijn. De investeringen in wijken moeten gedaan worden omdat we ze nodig achten. Afgepakt crimineel vermogen dient in eerste instantie, indien mogelijk, terug te worden gegeven aan de slachtoffers.
Daarnaast bestaat het risico dat er op selectieve wijze wordt omgegaan met het afpakken van crimineel vermogen. Een ander nadeel is dat door deze wijze van herinvesteren middelen worden onttrokken aan het reguliere besluitvormingsproces door het kabinet en uw Kamer over de Rijksbegroting. Tot slot wil ik uw Kamer erop wijzen dat dit kabinet in de begrotingsregels heeft vastgelegd dat mutaties in de opbrengsten vanuit het afgepakte criminele vermogen ten bate of ten laste komen van de algemene middelen in plaats van de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.2
Ten aanzien van de aanpak van ondermijnende criminaliteit is het Landelijk Strategisch Overleg Aanpak Ondermijning (LSOAO) – waarin ook de regioburgemeesters zijn vertegenwoordigd – op dit moment bezig een advies aan mij op te stellen over een optimale besteding van het ondermijningsfonds van
€ 100 mln. en de structurele reeks van € 10 mln. Daarnaast wordt thans geïnvesteerd in de versterking van de politie (€ 267 mln. structureel), hetgeen mede tot een versterking van de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit moet leiden.
Deelt u voorts de mening van de burgemeester van Rotterdam en het openbaar ministerie (OM) dat door middel van het teruggeven van afgepakt geld aan de wijken een signaal kan worden afgegeven dat criminaliteit niet loont? Zo nee, waarom niet?
Het signaal dat misdaad niet loont wordt afgegeven door crimineel vermogen af te pakken en daders te bestraffen. Ik ben van mening dat investeringen in de sociale voorzieningen, het welzijn en de economische situatie in de wijk helpen bij de lange-termijn-bestrijding van criminaliteit en andere maatschappelijke problemen. Dit kabinet investeert dan ook in wijken daar waar het kan en het nodig wordt geacht. Zo worden – conform het regeerakkoord- in het kader van de aanpak van regionale opgaven ook extra middelen beschikbaar gesteld voor Rotterdam-Zuid3.
Welke rol heeft het OM bij het cadeau doen van in beslaggenomen goederen?
Voor zover met de vraag wordt gedoeld op het herinvesteren van afgepakt crimineel vermogen, kiest het OM, in afstemming met de ketenpartners en op basis van onder meer de beschikbare capaciteit en de juridische mogelijkheden, voor die afpakmogelijkheden die naar verwachting het grootste maatschappelijk effect hebben. Zo heeft het OM in 2017 het initiatief genomen om een boot, die in beslag was genomen tijdens een drugsonderzoek, aan de drugseconomie te onttrekken en beschikbaar te stellen voor de opleiding van mensen en wetenschappelijk onderzoek in Arctische gebieden. Het Openbaar Ministerie koos voor deze afdoening met het oog op maximaal maatschappelijk effect. Vanwege het buitengewone karakter van deze afdoening, kon die alleen worden gerealiseerd na instemming van de ministers van Justitie en Veiligheid en van Financiën.
Deelt u de mening van de burgemeester van Rotterdam dat er meer wettelijke mogelijkheden moeten komen teneinde informatie met andere partijen te kunnen delen die zij nu nog niet met elkaar mogen delen? Zo ja, wat gaat u doen teneinde hieraan tegemoet te komen en aan welk soort informatie denkt u? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd4, wordt in het kader van de door mij voorgenomen ondermijningswetgeving de uitbreiding van de mogelijkheden voor informatieverstrekking en verwerking tussen, binnen en door overheidsdiensten uitgewerkt. De focus van dit traject ligt in eerste instantie op de intra-gemeentelijke gegevensdeling en de rol van de burgemeester en het lokaal bestuur bij de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Zoals toegezegd zal ik uw Kamer uiterlijk 30 juni aanstaande over de voortgang hiervan informeren.5
De sluiting van kerken door de Algerijnse overheid |
|
Bente Becker (VVD), Bram van Ojik (GL), Sadet Karabulut (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Thierry Baudet (FVD), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in het Reformatorisch Dagblad van 10 april 2018 dat meldt dat er sinds november vier kerken van de Protestantse Kerk in Algerije gesloten zijn op last van de Algerijnse overheid?1
Ja.
Deelt u de analyse dat de Algerijnse overheid de wet ter regulering van niet islamitische godsdiensten inzet om kerken te sluiten?
Geconstateerd kan worden dat bij verschillende protestante kerken recent is aangegeven dat zij geen bijeenkomsten mogen organiseren omdat zij hiervoor geen vergunning hebben, zoals vereist in de wet ter regulering van niet islamitische godsdiensten.
Klopt het dat dit kerkgenootschap geen vergunningen krijgt om kerken te bouwen die wel aan alle eisen voldoen?
Meerdere kerken, ook katholieke kerken, hebben momenteel te maken met het uitblijven van het verplichte goedkeuringsbesluit.
Bent u het ermee eens dat het recht op vrijheid van godsdienst dat Algerije officieel kent hiermee belemmerd en geschonden wordt?
Het is niet mogelijk om in het algemeen te stellen dat het recht op vrijheid van godsdienst in Algerije belemmerd of geschonden wordt. In veel gevallen kan de protestante kerk in Algerije zijn recht op de beoefening van zijn godsdienstvrijheid zonder problemen uitoefenen. Wel kan geconstateerd worden dat in bepaalde gevallen problemen zijn gerezen bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen om in bepaalde plaatsen diensten te houden. Afgelopen zes maanden is bovendien in een aantal gevallen een kerkgenootschap in de uitoefening van zijn recht op vrijheid van godsdienst belemmerd op grond van het feit dat deze zonder de vereiste vergunning opereerde.
Bent u bereid om de Algerijnse overheid, in het kader van de prioritaire thema’s in het beleid ter versterking van de internationale rechtsorde en eerbiediging van de mensenrechten, hier hetzij in bilateraal, hetzij in Europees verband op aan te spreken? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
In EU-verband is aandacht gevraagd voor deze kwestie. Ik heb dit ook persoonlijk gedaan ter gelegenheid van mijn bezoek aan Algerije in het kader van de Gemengde Commissie op 9 mei jl, tijdens een overleg met de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop gaf de Algerijnse Minister van Buitenlandse Zaken aan dat kerken in Algerije niets te vrezen hebben van de nieuwe wet op gebedshuizen. Deze zou vooral gericht zijn op clandestiene moskeeën. Het spreekt voor zich dat ik de ontwikkelingen hieromtrent nauwgezet blijf volgen en indien nodig hierover, bilateraal en in EU-verband, mijn zorgen zal uiten.
Eerlijke concurrentie in het vrachtvervoer |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke maatregelen er genomen zijn om te voorkomen dat voor terminalgebruik gekeurde trekkers zich op de openbare snel- en autowegen in en rondom het havengebied van Rotterdam begeven?
Bij voor terminalgebruik gekeurde trekkers gaat het om vrachtauto’s die zijn aangepast voor gebruik op terminals. De keuring en toelating van deze voertuigen geschiedt door de Dienst wegverkeer (RDW). Deze voertuigen, motorvoertuigen met beperkte snelheid (MMBS) mogen maximaal 25 km/u rijden. Het is toegestaan met deze voertuigen korte stukken over de openbare weg te rijden. De verkeershandhaving is een verantwoordelijkheid van de politie. De controle op het gebruik van deze teruggekeurde trekkers op de openbare weg neemt de politie bij haar reguliere controles mee. Er vindt geen afzonderlijke registratie plaats van de handhaving op het oneigenlijke gebruik van teruggekeurde trekkers op de openbare weg. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk om aan te geven hoe vaak en op welke wijze hiertegen handhavend is opgetreden.
Hoe vaak en op welke wijze is de afgelopen vier jaar handhavend opgetreden tegen oneigenlijk gebruik van de openbare snel- en autowegen door deze teruggekeurde trekkers?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze zorgt u er op dit moment voor dat er in milieuzones voor vrachtverkeer in de binnensteden gehandhaafd wordt op voertuigen met een niet-Nederlands kenteken? Welke maatregelen bent u voornemens op korte termijn te nemen voor betere naleving?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de handhaving van milieuzones. De handhaving op buitenlandse voertuigen is niet gemakkelijk, omdat er geen inzage is in bestanden waaruit de leeftijd van de buitenlandse voertuigen kan worden afgelezen. De handhaving is daardoor alleen mogelijk door een voertuig staande te houden en te controleren. De Staatssecretaris van IenW en ik willen dat internationale uitwisseling van de juiste voertuiggegevens zo snel mogelijk geregeld is. Wij kaarten dit aan in Brussel en verkennen de mogelijkheden voor bilaterale afspraken.
Kunt u inzichtelijk maken hoe momenteel middels de ketenaansprakelijkheid voor loon ervoor gezorgd wordt dat chauffeurs die op de Nederlandse wegen rijden het minimumloon ontvangen?
Op 1 juli 2015 is de Wet aanpak schijnconstructies in werking getreden. Een van de maatregelen in deze wet is de civielrechtelijke ketenaansprakelijkheid voor loon. Per 1 januari 2017 geldt de ketenaansprakelijkheid voor loon ook voor vervoersovereenkomsten betreffende goederenvervoer over de weg. Op basis van de ketenaansprakelijkheid op loon kan een werknemer de opdrachtgever van de werkgever aansprakelijk stellen voor de betaling van het loon waar hij recht op heeft. Werknemers hebben hiermee een extra pressiemiddel om achterstallig loon te achterhalen. Hierdoor is er ook sprake van een preventieve werking naar de opdrachtgever om correcte betaling van het loon te waarborgen. Daarnaast is de Wet minimumloon en vakantiebijslag van toepassing. De Inspectie SZW houdt toezicht op de naleving hiervan en kan bij een geconstateerde overtreding een bestuursrechtelijke boete dan wel een last onder dwangsom opleggen.
Kan inzichtelijk gemaakt worden of en zo ja hoe in ons omringende landen er via vergelijkbare afspraken rondom ketenaansprakelijkheid gehandhaafd wordt op het minimumloon? Kunt u daarbij tevens aangeven welke lessen daaruit te leren zijn voor de Nederlandse praktijk?
Op 15 mei 2014 hebben de Europese Raad en het Europees parlement een akkoord bereikt over richtlijn 2014/67/EU inzake de handhaving van de detacheringsrichtlijn (hierna, handhavingsrichtlijn). In artikel 12 van deze richtlijn is de ketenaansprakelijkheid voor loon opgenomen. De handhavingsrichtlijn is in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, die op 18 juni 2016 in werking is getreden. Per 1 januari 2017 geldt de ketenaansprakelijkheid voor loon ook voor vervoersovereenkomsten betreffende goederenvervoer over de weg. Omdat de handhavingsrichtlijn pas zeer recent in nationale wetgeving is omgezet en dit proces in sommige lidstaten nog loopt, is het op dit moment nog niet mogelijk om aan te geven op welke wijze in de omringende landen door middel van afspraken rond ketenaansprakelijkheid wordt gehandhaafd. In 2019 zal de Europese Commissie een evaluatie publiceren van de wijze waarop de verschillende lidstaten de handhavingsrichtlijn geïmplementeerd hebben. In het kader hiervan inventariseert de Europese Commissie onder andere de wijze waarop de ketenaansprakelijkheid in nationale wetgeving is omgezet. Mogelijk vloeien hier ook lessen uit voort voor de Nederlandse praktijk.
Wat zijn tot nu toe de resultaten van de handhaving, sinds begin dit jaar, op het niet doorbrengen van de weekendrust in de cabine? Hoe vaak gaat de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) hiervoor op pad en hoeveel boetes zijn er inmiddels uitgedeeld?
In eerste instantie heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) flyers uitgedeeld op alle grote verzorgingsplaatsen, waarin is aangekondigd dat de ILT gaat handhaven op het verbod om de normale wekelijkse rust van 45 uur (weekendrust) in de cabine door te brengen.
Vanaf februari is gestart met de handhaving door middel van speciale acties gedurende enkele weekenden. Bij deze controles zijn tot 17 mei in totaal 315 vrachtwagenchauffeurs gecontroleerd en is in 72 gevallen een boeterapport uitgeschreven.
Het bericht ‘Wirwar van gemeentelijke milieuzones groeit’ |
|
Erik Ziengs (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat tot minstens 1 januari 2020 een wirwar van milieuzones blijft bestaan?1
Ja, die mening deel ik. Het is ook daarom dat ik de Tweede Kamer op 29 juni jongstleden een brief1 heb gestuurd met daarin de contouren voor harmonisering van milieuzones.
Is het mogelijk, aangezien individuele steden milieuzones willen instellen per 1 januari 2019, om per 1 januari 2019 uniforme regels te hebben vanuit de rijksoverheid?
Nee, dat is formeel nog niet mogelijk omdat ik voor de harmonisering het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 moet aanpassen. Ik heb met gemeenten die vóór 2020 een nieuwe zone willen inrichten, afgesproken dat zij vooruitlopend op de harmonisatie al volgens dit systeem kunnen gaan werken.
Wat is uw plan van aanpak rondom de communicatie naar de automobilist wat betreft verschillende milieuzones?
De communicatie rondom de milieuzones regel ik in goed overleg met de gemeenten en overige belanghebbenden. Het is voor mij van belang dat het voor de automobilist volstrekt helder is waar hij wel en niet mag komen. Het geharmoniseerde systeem gaat hier zeker bij helpen. Ik wil automobilisten op de APK-brief en via een app informeren over de Euroklasse waar hun voertuig toe behoort.
Deelt u de mening dat het beter is om te stoppen met deze wirwar aan milieuzones totdat uniforme regels zijn vastgesteld?
Ik vind het van belang dat gemeenten ook nu al kunnen beschikken over dit instrument om de luchtkwaliteit te verbeteren. Tot het moment dat het geharmoniseerde systeem van kracht wordt, kunnen de huidige milieuzones in huidige vorm blijven bestaan. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 heb ik met gemeenten afgesproken dat eventuele nieuwe zones vooruitlopend op de harmonisatie al volgens het nieuwe systeem gaan werken.
Hoe vertaalt zich dit naar de inwoners, bezoekers en de ondernemers? Kan het zo zijn dat door lokale, strengere eisen van gemeenten, inwoners niet meer het centrum in mogen met een bepaalde auto, maar na 1 januari 2020 weer wel omdat dan wellicht de uniforme regelgeving anders is?
Per 1 januari 2020 zijn er twee keuzemogelijkheden voor gemeenten. Tussen 2020 en 2025 kan een gemeente voor dieselpersonen- en dieselbestelwagens kiezen voor een «gele» of «groene» milieuzone. In de gele milieuzone worden alle dieselvoertuigen met Euroklasse 3 of hoger toegelaten. In 2020 gaat het om voertuigen van 20 jaar en ouder. In de groene milieuzone worden alle dieselvoertuigen met Euroklasse 4 of hoger toegelaten. In 2020 gaat het om voertuigen van 15 jaar en ouder. Het is met dit systeem niet mogelijk dat voertuigen die nu geweerd worden, per 1 januari 2020 weer toegang tot de milieuzone hebben.
Is hier dan geen sprake van verkwisting van financiële middelen, bijvoorbeeld door het instellen van kostbaar cameratoezicht of infrastructurele maatregelen die gemeenten nemen? Als u binnenkort in gesprek gaat, gaat u de betreffende gemeentebesturen ook expliciet kenbaar maken dat ze geen steun of bijdrage kunnen verwachten als ze zelf willens en wetens strengere eisen voorschrijven? Zo ja, bent u bereid dit zwart-op-wit te bekrachtigen?
Er worden in de huidige milieuzones geen strengere eisen gehanteerd dan in het toekomstige geharmoniseerde systeem.
Deelt u de mening dat het onbehoorlijk bestuur is van gemeenten en rijksoverheid om zo met haar burgers om te gaan?
Bij de harmonisatie van milieuzones ga ik uit van een eenduidig en helder systeem van milieuzones dat op een effectieve manier bijdraagt aan de verbetering van de luchtkwaliteit. Ik wil daarover, ook in de periode naar 2020, duidelijk met de automobilist communiceren.
Deelt u de mening dat een gemeente zorgvuldig moet onderbouwen waarom, waar en hoe zij een milieuzone wenst en dat deze altijd onafhankelijk getoetst moet kunnen worden door een rechter?
Ja, die mening deel ik en komt overeen met de huidige praktijk. Het verkeersbesluit dat ten grondslag ligt aan de milieuzone staat immers open voor bezwaar en beroep.
Betekent uw stelling dat het aan de gemeenten is om de belangen en effecten van de milieuzones af te wegen dat u uw handen er volledig vanaf haalt? Hoe kunt u een uniforme bebording voorstellen als u niet in staat bent de belangen en effecten van de milieuzones af te wegen?
Om zo effectief mogelijk bij te dragen aan verbetering van de luchtkwaliteit sluit het systeem aan bij de milieukenmerken (NOx- en fijnstofuitstoot) van de voertuigen. Daartoe heb ik de RDW gevraagd om de kentekendatabase voor oudere voertuigen om te zetten naar Euroklasse en deze zo nodig te achterhalen. Als de Euroklasse niet meer achterhaald kan worden, dan wordt deze toegewezen op basis van de Datum Eerste Toelating (DET) van het voertuig. Hierbij krijgen alle voertuigen met een DET die na de ingangsdatum voor nieuwe voertuigtypes van de nieuwe Euronorm ligt, het voordeel van de twijfel. Deze voertuigen krijgen de hogere Euroklasse toegewezen. Op deze manier krijgt de automobilist niet te maken met onnodig strenge eisen en onduidelijkheid.
In hoeverre dienen gemeentebesturen hun voornemens te onderbouwen? In hoeverre vallen diverse rechtszaken te voorkomen? Wat is de schade voor het openbaar bestuur als colleges van burgemeester en wethouders later teruggefloten moeten worden door de rechter die zal toetsen op proportionaliteit?
Het verkeersbesluit dat ten grondslag ligt aan de milieuzone moet een onderbouwing bevatten waarom een milieuzone wordt ingesteld. Een dergelijk besluit staat altijd open voor bezwaar en beroep.
Hoe gaat u gemeenten oproepen te stoppen met het uitbreiden van milieuzones tot aanvullende maatregelen, en dus de uniforme regelgeving, bekend zijn? Wanneer vallen deze precies te verwachten en wat is het proces dat daarbij doorlopen moet worden?
In het kader van het landelijk overleg heb ik met de gemeenten gesproken over de periode tot 1 januari 2020. Ik heb met gemeenten die vóór 2020 een nieuwe zone willen inrichten, afgesproken dat zij vooruitlopend op de harmonisatie al volgens dit systeem gaan werken.
Kunt u de vragen uitvoerig en stuk voor stuk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Bij revolverende fondsen fungeert de overheid als bank' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bij revolverende fondsen fungeert de overheid als bank»?1
Ja.
Klopt de constatering dat er door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat onterecht private investeringen worden meegeteld als gekatalyseerd kapitaal? Zo nee, waarom niet? Deelt u de constatering dat hierdoor het gekatalyseerde vermogen en het aantal banen dat ondersteund worden te hoog uitvallen?
De constatering in het ESB artikel is dat FMO en het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gekatalyseerd kapitaal bij het Infrastructure Development Fund anders meetelt. Het heeft derhalve geen betrekking op de revolverende fondsen van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, die ook in fondsopzet en doelstelling verschillen. Het beheer en daarmee de leiding van de fondsen zoals SEED en DVI ligt per definitie bij de private investeringsmaatschappijen. Gelet op de verschillen, zie ik geen aanleiding om de wijze van berekenen over te nemen.
Deelt u de mening dat de wijze waarop de Nederlandse ontwikkelingsbank (FMO) gekatalyseerd vermogen berekent, door alleen gekatalyseerd kapitaal mee te tellen als FMO daadwerkelijk een leidende rol heeft, een betere weergave geeft van de werkelijkheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan deze wijze van berekenen over te nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt de bewering dat door elke euro die de overheid investeert in het Dutch Venture Initiative (DVI) er vier euro wordt geïnvesteerd in Nederlandse startups en scaleups, wanneer slechts die investeringen worden meegerekend waarbij de Nederlandse overheid een leidende rol bij had?
Het klopt dat op basis van de huidige investeringspraktijk de verwachting is, dat voor elke euro die de overheid investeert in het Dutch Venture Initiative (DVI), er circa vier euro wordt geïnvesteerd in Nederlandse startups en scale-ups. Bij de investeringen van het DVI nemen de private investeringsmaatschappijen altijd de investeringsbeslissingen in startups en scale-ups. Op deze manier wordt er marktconform geïnvesteerd en optimaal gebruik gemaakt van de expertise van de investeringsmaatschappijen.
Deelt u de mening dat revolverende fondsen in Nederland al snel marktverstorend werken en dat dit een belangrijk aandachtspunt is?
Nee, die mening deel ik niet. Of revolverende overheidsfondsen marktverstorend zullen werken, hangt af van de marktsegmenten waarop die fondsen zijn gericht en op welke wijze ze worden opgezet. Bij revolverende fondsen zoals de SEED capital regeling en DVI is de opzet juist om de interventie via de markt te laten verlopen. Doordat de investeringsbeslissing bij de marktpartijen is belegd, zijn zij ook bereid om in een belangrijk deel van de financiering te voorzien. Ook de OECD heeft te kennen gegeven dat de manier waarop Nederland dit heeft vormgegeven met co-investeringen waarbij private investeerders betrokken worden, een goede manier is om het investeringsklimaat te stimuleren.2
Bent u bereid de informatieverstrekking richting het parlement over de resultaten van revolverende fondsen te verbeteren, zodat het parlement een beter inzicht heeft over de effectiviteit van fondsen, vertragingen en onderbenutting? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze bent u van plan deze informatieverstrekking vorm te geven?
Op bedrijvenbeleidinbeeld.nl wordt er per beleidsinstrument, waaronder de revolverende fondsen en instrumenten, informatie verstrekt en dit wordt regelmatig geactualiseerd met kwartaalcijfers3. Daarnaast zijn voor DVI steeds afzonderlijk de jaarverslagen naar de Kamer gestuurd.
Het rijksbrede onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar revolverende fondsen is momenteel nog in gang en wordt naar verwachting in het derde kwartaal 2018 opgeleverd.4 Bij het onderzoek wordt gekeken hoeveel revolverende fondsen er op rijksniveau zijn, hoeveel publiek geld erin is ondergebracht en of deze fondsen werken zoals bedoeld.
De informatie over de revolverende fondsen en de reactie van het kabinet op het onderzoek en eventuele aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, worden met de afronding van het onderzoek zo snel mogelijk gedeeld met het parlement.
Bent u bereid ook de jaarlijkse informatievoorziening te verbeteren, door uitgebreider en per instrument de resultaten weer te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Risico op instorten bij zeker honderd bruggen en viaducten door achterstallig onderhoud’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Risico op instorten bij zeker honderd bruggen en viaducten door achterstallig onderhoud»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving van zowel NH Nieuws als EenVandaag?
Ik deel de conclusie dat er sprake zou zijn van instortingsgevaar voor bruggen en viaducten in beheer van het Rijk niet. Zie voor nadere toelichting het antwoord op vraag 3 en ook de brief met de algemene reactie op de berichtgeving zoals ik die parallel met de antwoorden op deze vragen aan de Kamer heb gezonden.
Sinds wanneer is het bij u bekend dat er honderden bruggen en viaducten door achterstallig onderhoud risico lopen op instorten?
Er is geen sprake van instortingsgevaar bij bruggen en viaducten. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van alle bruggen en viaducten. die behoren tot het hoofd(vaar)wegennet. Om deze taken goed uit te kunnen voeren worden alle objecten periodiek geïnspecteerd. Van iedere controle wordt een rapport opgesteld. Naar aanleiding van een verzoek op basis van de wet Openbaarheid van bestuur hebben NH-Nieuws en EenVandaag in totaal 212 onderhoudsrapporten van objecten in Noord-Holland ter beschikking gekregen. NH-Nieuws en EenVandaag hebben vervolgens 14 voorbeelden genoemd van objecten in Noord-Holland waar sprake zou zijn van onacceptabele risico’s. Rijkswaterstaat heeft de bevindingen van NH-Nieuws en EenVandaag ten aanzien van deze 14 objecten geanalyseerd. Daaruit is gebleken dat door reeds genomen passende maatregelen gericht op de genoemde onacceptabele risico’s, deze zijn weggenomen en dat er geen sprake is van instortingsgevaar of een andere voor de (vaar)weggebruikers onveilige situatie.
Ik wil wel benadrukken dat incidenten nooit volledig zijn uit te sluiten en zeker niet bij infrastructuur die het einde van de levensduur heeft bereikt. Rijkswaterstaat doet er alles aan om risico’s te beheersen en onderneemt altijd actie als uit de inspecties blijkt dat de veiligheid van de (vaar)weggebruikers in het geding is.
Hoe ernstig is de situatie met betrekking tot het instortingsgevaar van honderden bruggen en viaducten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat wordt er momenteel gedaan om eventueel instortingsgevaar te voorkomen?
Zie het antwoord op vraag 3.
In hoeverre is er een relatie met het recente programma «verjongen, vernieuwen en verduurzamen» en uw kamerbrief van 17 januari jl. om flink te investeren in onderhoud van bruggen, viaducten en tunnels?2 Waar zitten de eventuele verschillen en worden die ook aangepakt?
Er is een directe relatie met mijn brief van 17 januari 2018 waarin ik het belang heb onderstreept om de bestaande infrastructuur te verjongen, te vernieuwen en te verduurzamen. Veel objecten zijn in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw gebouwd. Om de veiligheid en het presteren van de infrastructuur blijvend op peil te houden moeten we de infrastructuur structureel monitoren en in stand houden. Dat biedt mogelijkheden om onze infrastructuur te verjongen, te vernieuwen en te verduurzamen. Bij het in stand houden van de infrastructuur speelt het programma Vervanging en Renovatie, naast het reguliere onderhoud, een belangrijke rol. Als gevolg van de toenemende leeftijd van de infrastructuur en het intensiever en zwaarder gebruik, neemt de omvang van het vervanging en renovatie programma toe. De gemiddelde jaarlijkse uitgaven voor vervanging en renovatie zullen, zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 17 januari 2018, navenant toenemen.
Kunt u een inschatting maken van het benodigde bedrag om deze bruggen, tunnels en viaducten tot een veilig en toekomstbestendig niveau te brengen?
Voor de benodigde budgetten verwijs ik u naar de instandhoudingsbijlage bij de begroting van het Infrastructuurfonds 2018 en naar de reservering voor het programma Vervanging & Renovatie eveneens opgenomen in de begroting van het Infrastructuurfonds 2018 en nader gedetailleerd in de MIRT-bladen voor dit programma. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 heb aangegeven groeit het voor het programma Vervanging en Renovatie beschikbare budget mee met de opgave binnen dit programma.
Hoe wordt de Kamer verder geïnformeerd over de bevindingen van EenVandaag en het NH Nieuws en kan de Kamer de antwoorden voor het algemeen overleg MIRT op 21 juni 2018 ontvangen?
Ik verwacht u met deze antwoorden en brief met de algemene reactie op de bevindingen van EenVandaag en NH-Nieuws voldoende te hebben geïnformeerd.
Het bericht ‘Algoritme voorspelt wie fraude pleegt bij bijstandsuitkering’ |
|
Rens Raemakers (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Algoritme voorspelt wie fraude pleegt bij bijstandsuitkering»?1
Ja.
Bij hoeveel en welke gemeenten wordt dergelijke software gebruikt om bijstandsfraude op te sporen?
Ik vind het belangrijk om fraude op te sporen, want fraude ondermijnt het draagvlak onder onze sociale zekerheid. Deze gemeenten doen wat ze moeten doen: fraude opsporen. Daarbij ben ik voorstander van data-gestuurd handhaven, zoals verwoord in de SZW Handhavingskoers 2018–2021 die op 9 april jl. is aangeboden aan uw Kamer (Kamerstukken II 2017/18, 17 050, nr. 541). Data-gestuurd handhaven moet uiteraard plaatsvinden met inachtneming van de wettelijke regels en waarborgen. Uit navraag bij Stimulansz (een organisatie die de vier in het NRC-artikel genoemde gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten ondersteunt op het terrein van het sociaal domein en de initiator achter het toegepaste algoritme) blijkt dat bij de vier genoemde gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten opdracht is gegeven tot het ontwikkelen van een algoritme. Voor zover mij bekend is er geen verdere informatie beschikbaar of en hoeveel van de 388 gemeenten gebruik maken van de in het NRC-artikel genoemde software of andere software. Het is aan gemeenten waar zij diensten inkopen voor de uitvoering van hun gedecentraliseerde taken.
Klopt het dat deze gemeenten de software inkopen bij bedrijven? Kunt u aangeven bij welke bedrijven?
Zie antwoord vraag 2.
Welke historische data wordt gebruikt voor de analyse van mogelijke bijstandsfraude? Kunnen inwoners de gebruikte data inzien en eventueel, bijvoorbeeld bij fouten, wijzigen? Hebben de ingeschakelde bedrijven toegang tot deze data?
Navraag bij Stimulansz heeft opgeleverd dat gemeenten voor het algoritme uitsluitend gegevens gebruiken uit hun eigen uitkeringsadministratie. Deze uitkeringsadministratie wordt gebruikt voor het vaststellen van het recht op een uitkering en daarmee ook voor de rechtmatigheid van de uitkeringen. In feite gaan de betreffende gemeenten effectiever en efficiënter werken met de data die ze al hebben en mogen gebruiken in de handhaving (data-gestuurd werken). Volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en vanaf 25 mei 2018 de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), hebben burgers het recht op informatie over en toegang tot hun persoonsgegevens. Bij gebleken onjuistheden hebben de betrokken burgers recht op rectificatie van de gegevens. Echter, als het om gegevens in de uitkeringsadministratie gaat, hebben uitkeringsgerechtigden de plicht om onverwijld (wijzigingen van) de gegevens zelf door te geven aan de gemeente (inlichtingenplicht). Het gaat immers om gegevens die van invloed zijn op de hoogte of de duur van de uitkering, bijvoorbeeld wijzigingen van het inkomen of samenwonen. Doen burgers dit niet dan is er sprake van een overtreding van de inlichtingenplicht en moet de betreffende gemeente de teveel betaalde uitkering terugvorderen en een boete of waarschuwing opleggen.
Gemeenten die bedrijven inschakelen om namens hen gegevens te verwerken moeten de verwerking regelen in een verwerkersovereenkomst. De gemeente dient als de verwerkingsverantwoordelijke te garanderen dat bij de inschakeling van een verwerker de rechten van de betrokkenen zijn gewaarborgd. In artikel 28 van de AVG worden eisen gesteld aan de inschakeling van de verwerker en de verwerkersovereenkomst. De door het ingeschakelde bedrijf gebruikte data dienen gepseudonimiseerd te zijn en enkel door de gemeente te herleiden naar de uitkeringsgerechtigde.
Ziet u ook het risico dat het gebruik van algoritmes discriminerend kan zijn voor bepaalde groepen mensen als de werking van de algoritmes niet transparant en controleerbaar is of gebaseerd is op data die door selectieve handhaving tot stand is gekomen? Bent u bekend met voorbeelden hiervan, zoals het gebruik van discriminerende recidiverisico software in de Verenigde Staten?
Ja, het risico van discriminatie dat kan ontstaan door de inzet van algoritmen en de kwaliteit van de data is bekend, evenals de casus waaraan uw Kamer refereert.
Data-analyse moet plaatsvinden binnen de kaders van de Wbp en vanaf 25 mei 2018 binnen de kaders van de AVG. Een van de uitgangspunten van deze verordening is transparantie over het verwerken van persoonsgegevens. De gemeenten dienen op grond van de AVG altijd informatie te geven over de aard van de verwerking. Daarbij kan de betrokkene een klacht indienen over de geboden transparantie bij de Autoriteit Persoonsgegevens als toezichthoudende autoriteit op grond van de AVG.
In het belang van het beschermen van de modus operandi om fraude op te sporen, kan door het college worden besloten het algoritme niet vrij te geven. Als daar met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) om verzocht wordt, is het vervolgens aan de rechter om deze weigering te beoordelen. Verder ziet de gemeenteraad toe op de manier waarop het college het beleid, waaronder het fraudebeleid, uitvoert.
Is de werking van de gebruikte algoritmes transparant en controleerbaar? Wordt de werking van de gebruikte algoritmes door onafhankelijke derden gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de technologie die overheden gebruiken onze normen en waarden en onze wetten moeten eerbiedigen en niet, wellicht onbedoeld, discriminerend mogen zijn? Deelt u derhalve de mening dat door overheden gebruikte algoritmes transparant en controleerbaar moeten zijn om te voorkomen dat algoritmes discriminerend werken?
Ja, het gebruik van technologie moet plaatsvinden binnen de wettelijke kaders. Dat geldt ook voor het gebruik van algoritmen. Echter, in het belang van het beschermen van de modus operandi om fraude op te sporen, kan worden besloten het algoritme niet vrij te geven omdat het instrument dan zijn waarde verliest. Zie hierover ook het antwoord op vraag 5 en 6.
Op welke wijze vindt terugkoppeling van de resultaten uit de data-analyses en de daaruit volgende onderzoeken naar bijstandsfraude plaats, en hoe leidt dit tot aanpassingen van de gebruikte algoritmes? Hoe wordt een vicieuze cirkel voorkomen, bijvoorbeeld als het rekenmodel versterkt wordt in foutieve initiële aannames op basis van gekleurde historische data door nieuwe data uit de handhavingspraktijk?
Het gebruik van de algoritmes is aanvullend op de bestaande handhavingspraktijk. Volgens Stimulansz wordt het algoritme gebruikt om vast te stellen wat de kans is dat een uitkeringsgerechtigde fraudeert. De gevallen met de grootste kans zullen onderzocht worden om fraude al dan niet vast te stellen. De uitkomsten worden toegevoegd aan het algoritme. Ook fraudegevallen die niet naar aanleiding van het algoritme opgespoord worden, worden toegevoegd. Dit betekent concreet dat het algoritme constant leert van nieuwe fraudezaken en nieuwe patronen, waardoor voorkomen wordt dat het algoritme zoekt in een bepaalde hoek. Verder is van belang dat met betrekking tot de handhaving in het sociaal domein geen sprake is van automatische besluitvorming. Signalen, ook signalen die door middel van data-analyse tot stand komen, moeten altijd eerst onderzocht worden met toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor, alvorens een sanctie kan worden opgelegd.
Wanneer is het onderzoek van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het gebruik van algoritmes door overheden afgerond?
Het onderzoek van BZK over het gebruik van algoritmes door overheden wordt naar verwachting in de tweede helft van 2018 afgerond.
Het bericht ‘Heibel om afschieten honden op Bonaire’ |
|
Lilian Helder (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Heibel om afschieten honden op Bonaire»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de hoofdofficier van justitie op Bonaire van mening is dat loslopende honden op Bonaire mogen worden afgeschoten en dat dit per email ook aan de politieagenten is bevestigd?
De procureur-generaal op Curaçao heeft toegelicht dat de mededeling van de hoofdofficier van justitie in de juiste context moet worden gezien. Het optreden tegen loslopende, gevaarlijke honden was in de periode dat het betreffende e-mailbericht is geschreven ook in het driehoeksoverleg een terugkerend onderwerp. De gevaarzetting door loslopende honden op Bonaire was en is actueel. De insteek van het e-mailbericht was om, zeker als het om honden ging die daadwerkelijk een risico opleverden, gevaar voor mens en dier te voorkomen door in een situatie waarin het gevaar zich al had geopenbaard doortastend op te treden. Het ging volgens de procureur-generaal bij dit e-mailbericht uitdrukkelijk niet om een instructie of aanwijzing aan de politie, maar om een staccato-antwoord op de vraag van een collega die intern informeerde naar de mogelijkheden om op te treden tegen honden die eerder waren uitgebroken en buiten aanwezigheid van de eigenaar andere honden hadden aangevallen. De hoofdofficier heeft met de betreffende mededeling bedoeld dat wanneer gevaarlijke loslopende honden in een bepaald geval niet gevangen kunnen worden en moeten worden afgeschoten, in de rapportage moet worden opgenomen dat de honden niet gevangen konden worden om adequaat verantwoording te kunnen afleggen over het politieoptreden. De procureur-generaal geeft toe dat het e-mailbericht misschien wat onhandig is geformuleerd maar moet worden gelezen als een aanmaning om in dergelijke gevallen goed te verbaliseren. De hoofdofficier heeft in het betreffende e-mailbericht dan ook geenszins de intentie gehad de suggestie te wekken dat er in strijd met de waarheid geverbaliseerd moet worden.
Deelt u de mening dat de hoofdofficier van justitie op Bonaire hiermee in strijd handelt met de, door hem zelf aangehaalde, verordening die op Bonaire zou gelden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de hoofdofficier van justitie op Bonaire met de mededeling aan de betreffende politieagent «zeg dat je ze niet gevangen krijgt en schiet ze dan af» politieagenten aanzet tot liegen en zelfs tot het schenden van de ambtseed en dat dit een hoofdofficier van justitie onwaardig is? Zo ja, wat gaat u jegens de hoofdofficier van justitie op Bonaire ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom gelden op Bonaire andere regels, of beter gezegd geen regels, inzake dierenwelzijn dan in Nederland en andere delen van Caribisch Nederland?
Europese en Nederlandse regelgeving is niet van toepassing in Caribisch Nederland, behoudens uitzonderingen. Bij de staatkundige hervorming van het koninkrijk op 10 oktober 2010 was uitgangspunt om de tot dan toe bestaande regelgeving van de Nederlandse Antillen te continueren als Nederlandse «BES-regelgeving». Er is bijgevolg voor Caribisch Nederland geen regime voor dierenwelzijn zoals in Europees Nederland. Wel zijn in het Wetboek van Strafrecht BES dierenmishandeling en dierenverwaarlozing strafbaar gesteld. De openbare lichamen kunnen in het kader van hun autonome taakstelling beleid voeren ten aanzien van onder meer dierenwelzijn. Op grond hiervan heeft elk van de openbare lichamen van Caribisch Nederland regelgeving waarin mede aandacht wordt besteed aan dierenwelzijn. Voor een uitgebreidere beschrijving van de dierenwelzijnsregelgeving in Caribisch Nederland verwijs ik u naar de brief van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 20172.
Gezien de grote verschillen tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland, zoals op het gebied van de gehouden dieren, het klimaat, de economie en de geografie, zou het invoeren van dezelfde dierenwelzijnsregels disproportioneel zijn.
In dit verband merk ik op dat er wel zorgpunten zijn op het gebied van dierenwelzijn op Bonaire, maar ook dat er activiteiten vanuit het Openbaar Lichaam Bonaire of vanuit de dierenwelzijnsorganisaties ondernomen worden om de zorgpunten aan te pakken. Regelgeving vanuit Europees Nederland is dan ook niet aan de orde. Wel zal ik de ontwikkelingen op dit vlak volgen.
Ten aanzien van de situatie rondom het hondenbezit en het gevaar dat wordt veroorzaakt door loslopende honden op Bonaire, heb ik begrepen dat er op Bonaire, anders dan in Nederland, sprake is van een zwerfdierenprobleem. Met grote regelmaat komen er meldingen binnen van bijtincidenten waarbij mensen of andere honden, maar bijvoorbeeld ook geiten en andere dieren slachtoffer worden. nDe gevaarzetting door loslopende honden is de achtergrond van de mogelijkheden in de Hondenverordening om het gevaar te beteugelen.
Bent u bereid hier zo spoedig mogelijk een einde te maken, zodat in heel Nederland, inclusief de overzeese gebieden, dezelfde dierenwelzijnsregels gelden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De mogelijke strafbaarheid van het vechten voor Turkije in Syrië |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat president Erdogan van Turkije gesproken heeft over het mobiliseren van dienstplichtigen onder andere om in Afrin te vechten?1
Het Kabinet heeft kennisgenomen van de toespraak van President Erdogan van 24 februari jl. in Kahramanmaraş.
Klopt het dat de Turkse regering mobilisatieorders gegeven heeft aan dienstplichtigen en hen opgeroepen heeft om klaar te staan voor de strijd in Afrin? Hoe beoordeelt u dit, nu Turkije aangeeft ook andere gebieden in Syrië en Irak te willen veroveren?
Nee, de Turkse regering heeft voor zover bekend geen mobilisatieorders uitgegeven.
Kunt u bevestigen dat het Turkse Ministerie van Defensie daartoe een lijst gepubliceerd heeft met namen van Turkse mannen?
Er is voor zover bekend geen lijst gepubliceerd met namen van Turkse mannen die opgeroepen zouden zijn of worden voor de strijd in Afrin. Wel bestaat er een database van het Turkse Ministerie van Defensie waar alle Turkse mannen (die onder de dienstplichtwet vallen) individueel hun status kunnen raadplegen met betrekking tot de dienstplicht.
Realiseert u zich dat mannen die zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit hebben tot en met de leeftijd van 40 jaar opgeroepen kunnen worden, indien Turkije daadwerkelijk overgaat tot mobilisatie?
Ja. Zoals bij het antwoord op vraag 2 gemeld, heeft de Turkse regering echter voor zover bekend geen mobilisatieorders uitgegeven.
Kunt u nagaan of er op de gepubliceerde lijst ook Turken met een Nederlands paspoort staan en of er ook actief dienende militairen bij de Nederlandse krijgsmacht of Nederlands politieagenten op staan?
Zie het antwoord op vraag 3.
Herinnert u zich dat het openbaar ministerie in 2014 verklaarde dat deelname aan het gewapende conflict in Syrië en beginsel strafbaar is en het daarbij had over alle strijdende partijen?2
Ja.
Is het strafbaar voor een Nederlander om mee te vechten met het Vrije Syrische Leger?
Actieve deelname anders dan in opdracht van de overheid aan de strijd tegen IS in Irak en Syrië is in beginsel strafbaar. Voor Nederlanders en anderen die in Nederland hun woon- of verblijfadres hebben, geldt het Wetboek van Strafrecht ook over de landsgrenzen. Bepaalde handelingen in die gewapende strijd kunnen oorlogsmisdrijven zijn, maar ook commune misdrijven, zoals moord, doodslag, vrijheidsberoving of mishandeling. Of er ook reden is om zulke commune misdrijven te vervolgen, hangt af van de omstandigheden waaronder die misdrijven zijn gepleegd, bijvoorbeeld of het gebruikte geweld gerechtvaardigd is.
Hoe beoordeelt u de oproep van het Turkse Ministerie van Godsdienstzaken Diyanet aan Turkse moslims de gewapende jihad in Afrin te steunen?3
Het kabinet spreekt zich niet uit over preken die in moskeeën in Turkije worden gehouden. Voor de kabinetsvisie op de vermeende jihadpreek die in tenminste één Nederlandse moskee zou zijn uitgesproken, verwijs ik u naar de beantwoording van de schriftelijke vragen over het mediabericht «Jihadpreek in Hoorn» (Kamerbrief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 26 april 2018, kenmerk 2018–0000080658). De vrijheid van godsdienst is een groot goed in de Nederlandse rechtsstaat. Deze vrijheid mag echter niet misbruikt worden als dekmantel voor politieke uitspraken of om de strijd van een ander land te steunen.
Klopt het dat Turkije zelf dus de strijd in Syrië beschouwt als jihad?
Turkije heeft als onderbouwing van het offensief in Afrin een beroep gedaan op het recht op zelfverdediging zoals vastgelegd in art. 51 van het VN Handvest.
Welke politieke en juridische consequenties heeft volgens u deze kwalificatie?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid daarbij in te gaan op de Turkse dienstplicht, de mogelijke mobilisatie van Turkse Nederlanders, alsmede de «jihadpreek» voor Afrin die in tenminste één van de Diyanet moskeeën in Nederland gehouden zou zijn?, in relatie tot het Nederlandse strafrecht?
Voor de antwoorden op vragen over dienstplicht en mobilisatie verwijs ik u naar de bovenstaande antwoorden.
Voor de kabinetsvisie op de vermeende jihadpreek die in tenminste één Nederlandse moskee zou zijn uitgesproken, verwijs ik u naar de beantwoording van de schriftelijke vragen over het mediabericht «Jihadpreek in Hoorn» (Kamerbrief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 26 april 2018, kenmerk 2018–0000080658). Het uitgangspunt is dat de overheid niet gaat over de inhoud van een preek, tenzij er sprake is van overschrijding van strafrechtelijke grenzen. In dat geval is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om hier onderzoek naar te doen en tot mogelijke vervolging over te gaan. Uit de informatie die is ontvangen over de preek in Hoorn, blijkt dat er géén sprake is van een verdenking van strafbare feiten, zoals bijvoorbeeld het oproepen tot geweld.
Herinnert u zich het advies van de volkenrechtelijk adviseur aan de Nederlandse regering dat luidt: «Naar geldend internationaal recht is ingrijpen met militaire middelen in Syrië in de gegeven situatie onrechtmatig. Het VN Handvest verbiedt het gebruik van geweld (artikel 2, vierde lid). De enige uitzonderingen die het Handvest kent (mandaat van de Veiligheidsraad en zelfverdediging) zijn in de gegeven situatie niet van toepassing»?4
Het betreffende advies van de extern volkenrechtelijk adviseur van de Minister van Buitenlandse Zaken is bekend.
Is de Turkse inval in Syrië rechtmatig of onrechtmatig?
Een appreciatie van het Turkse offensief in de Afrin-regio en de Turkse onderbouwing van het beroep op het recht op zelfverdediging, is door het kabinet o.a. gedeeld in de Kamerbrief «Nederlandse inzet in Syrië» van 14 maart 2018 (referentie DEU-1502/2018).
Indien u de vraag over rechtmatigheid nog steeds niet kunt beantwoorden, wilt u dan advies vragen aan de extern volkenrechtelijk adviseur, nu Nederlanders zelfs opgeroepen zouden kunnen worden om mee te vechten? Waarom wel/niet?
Deze vraag wordt afdoende beantwoord in de hierboven aangehaalde Kamerbrief van 14 maart 2018. Derhalve wordt externe advisering niet nodig geacht.
Is een Nederlands-Turkse man strafbaar als hij door Turkije wordt opgeroepen in het leger, dat doet en daar de orders van zijn superieuren uitvoert?
Het in vreemde krijgsdienst treden is als zodanig niet strafbaar, tenzij er sprake is van het in dienst treden van de krijgsmacht van een land waarmee Nederland in oorlog is of op het punt staat in oorlog te raken. Leden van de krijgsmacht zijn gerechtigd om binnen de hen opgedragen taken en instructies, en uiteraard binnen de grenzen van het internationaal recht waaronder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten, geweld te gebruiken. Indien een persoon met zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit reeds als Nederlandse militair is aangesteld, mag hij alleen bij een andere mogendheid in dienst treden als hij daartoe gemachtigd is. Bij het ontbreken van een dergelijke machtiging kan de Nederlandse militair zich schuldig maken aan desertie (art. 100 lid 1 ahf/ond 1 WMSr). Tenzij sprake is van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven in de Wet internationale misdrijven (oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide) is een persoon met zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit dus in beginsel niet strafbaar als hij in Turkse krijgsdienst de opdrachten en bevelen van zijn leidinggevenden uitvoert. Een meer definitief antwoord kan niet worden gegeven, aangezien de uitkomst afhankelijk is van de aard en inhoud van de opdrachten en bevelen en de context waarin die worden uitgevoerd.
Wat moet een Nederlands/Turkse man doen indien hij opgeroepen wordt om in Syrië te gaan vechten?
Het ligt niet op de weg van het kabinet om hier een adviserende rol in te spelen. Die afweging ligt bij de betrokkenen zelf.
Specifiek voor Nederlandse defensiemedewerkers die tevens de Turkse nationaliteit hebben, geldt dat zij alleen kunnen voldoen aan een oproep om in Turkije de dienstplicht te vervullen als zij van Defensie (buitengewoon) verlof hebben gekregen en aldus (tijdelijk) zijn vrijgesteld van hun dienstverplichtingen in Nederland. Nederlandse defensiemedewerkers die tevens de Turkse nationaliteit bezitten, hebben overigens in het algemeen de Turkse dienstplicht afgekocht. Defensie voorziet deze defensiemedewerkers op grond van interne regelingen op hun verzoek van een lening tot afkoop van de Turkse dienstplicht.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat Turks-Nederlandse mannen, waaronder mogelijk zelfs Nederlandse militairen en Nederlands politieagenten, gemobiliseerd worden voor de strijd in Syrië en wellicht ook Irak? Wat kan de regering doen om dienstplichtige Nederlanders met ook de Turkse nationaliteit te beschermen tegen een dergelijke oproep en plicht?
Het Kabinet heeft hier geen actieve rol. Betrokkenen moeten zelf de afweging maken of zij aan een oproep van de Turkse overheid gehoor geven. Daarbij bestaat de mogelijkheid om de Turkse dienstplicht af te kopen. Ik verwijs tevens naar mijn antwoord op vraag 16.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet mogelijk gebleken om deze vragen binnen twee weken te beantwoorden.
De verkeersveiligheid op de N36 |
|
Maurits von Martels (CDA), Stieneke van der Graaf (CU), Pieter Omtzigt (CDA), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie Von Martels/Dijkstra (Kamerstuk 29 398, nr. 598) over de verkeersveiligheid op de N36, die op 27 maart 2018 vrijwel unaniem door de Tweede Kamer is aangenomen?1
Ja.
Herinnert u zich uw commentaar op bovenstaande motie tijdens het debat over het verslag van het algemeen overleg (VAO) Wegverkeer en Verkeersveiligheid op 22 maart 2018, waarbij u aankondigde specifiek te zullen kijken naar de delen van de N36 waar nog geen verbreding van het wegprofiel is voorzien?
Ja, dat kan ik me herinneren.
Bent u op de hoogte van de verwachtingen die uw uitlatingen bij lokale en regionale bestuurders en weggebruikers heeft gewekt?2
Ja, ik heb kennisgenomen van reacties van bestuurders in de regionale media.
Herinnert u zich de afspraken in het regeerakkoord, waarin staat dat het kabinet zich nadrukkelijk wil inzetten voor een bevordering van de verkeersveiligheid, met name op de N-wegen, en daarvoor ook extra middelen heeft gereserveerd?
Ja, de inhoud van het regeerakkoord is mij bekend. In mijn brief3 van 23 april jl. heb ik aangegeven hoe ik invulling geef aan de afspraken met betrekking tot de investeringen voor de veiligheid op N-wegen. Voor het deel van de middelen dat op rijks-N-wegen wordt ingezet, wordt momenteel over het gehele rijks-N-wegennet bezien wat de beste invulling is.
Bent u zich ervan bewust dat de N36 ook in het recente Wegenonderzoek van RTL Nieuws opnieuw naar voren kwam als een van de gevaarlijkste wegen van Nederland?3
Het recente wegenonderzoek van RTL is mij bekend.
Acht u een telkens wisselend wegprofiel, wat het resultaat is als bij het groot onderhoud van de N36 dit jaar twee stukken van genoemde weg niet worden verbreed, bevorderlijk voor de verkeersveiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bij het groot onderhoud aan de N36 wordt de verkeersveiligheid verbeterd doordat het wegprofiel op delen wordt aangepast. Daarnaast wordt over
de hele N36 tussen Almelo en Witte Paal ribbelmarkering aangebracht. Deze markering geeft een waarschuwing als auto’s met de banden over de markering rijden en naast de rijstrook dreigen te komen. Ook worden reflectoren aangebracht die in het donker het verloop van de weg markeren. Tenslotte wordt met hectometerborden aangegeven welke snelheid geldt.
Naar aanleiding van de aangenomen motie onderzoek ik wat de meerwaarde is van verbreding op de delen waar groot onderhoud nu niet plaatsvindt. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij de prioritering van de beschikbare middelen voor de rijks-N-wegen.
Bent u zich ervan bewust dat indien de betreffende trajecten van de N36 (ten noorden van Almelo en het stuk tussen Mariënberg en de N34) nu niet aangepakt worden, dit in een later stadium alsnog moet gebeuren, met alle extra kosten en overlast van dien?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven onderzoek ik op dit moment de mogelijkheden van verbreding van de N36 waar dit jaar geen groot onderhoud plaatsvindt. Aan de uitkomsten en mogelijke gevolgen van dit onderzoek kan ik nu nog geen conclusies verbinden. Wel is het in het algemeen zo dat juist de combinatie met gepland groot onderhoud een belangrijke bijdrage levert aan de kosteneffectiviteit van een maatregel.
Welke acties heeft u sinds het aannemen van bovengenoemde motie in gang gezet om ervoor te zorgen dat bij het groot onderhoud aan de N36 dit jaar ook de twee ontbrekende stukken een breder wegprofiel krijgen?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 6 heb aangegeven, onderzoek ik naar aanleiding van de aangenomen motie of de resterende delen van de N36 verbreed kunnen worden. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij de brede prioritering van beschikbare middelen voor de rijks-N-wegen. In de tweede helft van 2018 zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten.
Kunt u garanderen dat bij het groot onderhoud dit jaar ook daadwerkelijk de hele N36 een breder wegprofiel krijgt? Zo nee, waarom niet?
Deze garantie kan ik niet op voorhand geven, aangezien ik met de beschikbare middelen een bredere afweging moet maken over het gehele rijks-N-wegennet. Zoals ik bij het antwoord op vraag 6 en 8 heb aangegeven, onderzoek ik of de resterende delen van de N36 verbreed kunnen worden en informeer ik u over de uitkomsten in de tweede helft van 2018.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, bij dezen.
De renovatie van het Binnenhof |
|
Jessica van Eijs (D66), Rob Jetten (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Gasloos bouwen? Prima, maar niet op het Binnenhof»?1
Is het waar dat u heeft aangegeven dat er geen ruimte is in het budget voor aanvullende duurzaamheidseisen?
Welke algemene normen hanteert de rijksdienst ten aanzien van verduurzaming?
Worden deze normen in de renovatie van het Binnenhof ook gehanteerd? Zo ja, is het dan, in het licht van de historische afspraken over het afbouwen van de gaswinning in Groningen, niet voor de hand liggend om in die normen mee te nemen dat moet worden geprobeerd bij renovaties of nieuwbouw het gebouw gasloos te laten functioneren? Zo nee, waarom niet?
Is er een kosten-batenanalyse gemaakt als het gaat om de aanleg van zonnepanelen en andere verduurzaamingsmaatregelen die, normaal gesproken binnen een overzienbare termijn, rendabel zijn? Zo ja, kunt u deze analyse, eventueel vertrouwelijk, delen met de Kamer?
Waarom is besloten het Binnenhof aangesloten te laten op het gas en geen gebruik te maken van alternatieve verwarmingsbronnen, zoals warmtepompen?
Is het niet voor de hand liggend om als rijksoverheid het goede voorbeeld te geven en bij nieuwbouw of renovatie zo snel mogelijk de afhankelijkheid van gas uit Groningen af te bouwen?
Is het waar dat uw woordvoerder heeft aangegeven dat zonnepanelen op leien daken «geen gezicht» zijn? Hoeveel procent van de daken die gerenoveerd worden is een leien dak?
Waarom is er niet besloten om zonnepanelen aan te leggen op de daken? Hoeveel vierkante meter van de daken van het te renoveren complex is geschikt (te maken) voor de aanleg van zonnepanelen? Hoeveel vierkante meter daarvan is onderdeel van niet-monumentale delen van het gebouw?
Welke Energie Prestatie Coëfficiënt-waarde (epc-waarde) wordt bereikt na afronding van de renovatie? Bent u bereid te onderzoeken welke aanvullende maatregelen nodig zijn om energieneutraliteit te bereiken?
Hoe passen deze plannen in een uiteindelijk energieneutraal Binnenhof?
Het stranden van levende, grote walvisachtigen en de nieuwe leidraad waarmee gestrande, grote walvissen mogelijk in gevangenschap terechtkomen ten behoeve van onderzoek en educatie |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van de Wageningen Universiteit over de mogelijke oorzaken van strandingen van walvissen?1
Ja.
Kunt u aangeven welke onderzoeken er lopen of welke onderzoeken gepland staan naar de oorzaak van strandingen van levende, grote walvisachtigen?
Er loopt pathologisch onderzoek van overleden gestrande potvissen. Dit onderzoek geeft informatie over hun voedsel en wellicht over de doodsoorzaak, en wordt gedaan door Wageningen Marine Research (WMR) en de Universiteit Utrecht (UU).
WMR doet sinds 2016 ook onderzoek naar de herkomst van potvissen, door de staarten van potvissen die gestrand zijn te vergelijken met levende dieren.
Deelt u de mening dat grote walvissen niet in gevangenschap gehouden kunnen worden? Zo ja, bent u bereid de optie voor de permanente opvang voor walvissen uit de nieuwe leidraad te halen? Zo nee, kunt u aangeven waarom u van mening bent dat grote walvisachtigen in gevangenschap gehouden kunnen worden?2
De leidraad is specifiek opgesteld voor strandingen van levende grote walvisachtigen en heeft betrekking op een stranding van een levende baleinwalvis (ongeacht de grootte) en een stranding van een tandwalvis groter dan 3 meter.
Dit onderscheid is gemaakt omdat terugbrengen van het dier meer kans van slagen heeft bij tandwalvissen en dolfijnen dan bij baleinwalvissen. Zo stranden baleinwalvissen (zowel volwassenen als jongen) meestal alleen als ze ziek of ernstig gewond zijn. Pogingen om deze zware dieren te verplaatsen of naar zee te verslepen veroorzaken stress en kunnen leiden tot weefselschade en verdere/ernstigere verwonding van de walvis.
Dit onderscheid is overigens ook al gemaakt in eerdere versies van de leidraad en betreft dus geen wijziging.
Ik deel de mening dat baleinwalvissen en walvissen groter dan 5 meter niet in gevangenschap kunnen worden gehouden. In de leidraad staat daarom bij scenario 2 op pagina 16 «Tijdelijke opvang, daarna terug in zee» en ook dat «tijdelijke opvang van een baleinwalvis, van een tandwalvis groter dan 5 meter en van een diepzee spitssnuitdolfijn niet mogelijk is».
Levende strandingen van dolfijnen of kleinere tandwalvissen (ook tussen 3 en 5 meter) gebeuren wel en zij kunnen opgevangen worden voor rehabilitatie, in het geval dat zij niet direct terug kunnen worden gebracht in zee. Hiervoor gelden wel strikte voorwaarden, zoals benoemd in de leidraad, bijvoorbeeld dat deskundige veterinaire zorg aanwezig is en er passende faciliteiten beschikbaar zijn.
Kunt u opsommen welke faciliteiten er in Nederland bestaan die geschikt zijn voor het permanent houden van grote walvisachtigen?
In Nederland bestaan geen faciliteiten die geschikt zijn voor het permanent houden van baleinwalvissen of tandwalvissen groter dan 5 meter.
Kunt u aangeven wat voor onderzoeken, zoals verwoord in de leidraad, toegepast kunnen worden bij grote walvisachtigen in gevangenschap en waar, wat u betreft, de grens ligt met het gebruiken van walvisachtigen ter vermaak van mensen? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek aan dieren in gevangenschap levert waardevolle informatie op, die ons kan ondersteunen in de bescherming van de dieren. Als het gaat over tandwalvissen kleiner dan 5 meter, dan kan het bijvoorbeeld gaan over onderzoek hoe dieren op geluid reageren. Dit is belangrijk in verband met menselijke activiteiten op zee, zoals heien bij de bouw van windparken, seismisch onderzoek of explosies van gevonden munitie. Onderzoek kan ook over hun gedrag, communicatie, fysiologie of intelligentie gaan.
Onder educatie versta ik bijvoorbeeld het publiek informeren over bedreigingen, en wat iedereen kan doen voor bescherming.
De grens met het gebruiken van walvisachtigen ter vermaak dan wel onderzoek of educatie kan niet worden aangeduid. Walvisachtigen die gehouden worden in dierentuinen vallen onder dezelfde wetgeving als overige dierentuindieren. Een van de voorschriften daarbij is dat dierentuinen de gehouden soorten dienen te gebruiken voor educatie en/of onderzoek en/of natuurbehoud.
Kunt u aangeven wat u verstaat onder educatie, zoals verwoord in het leidraad, en waar de grens ligt met het gebruiken van walvisachtigen ter vermaak van mensen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat wetenschap, educatie of louter vermaak geen redenen zijn om walvisachtigen in gevangenschap te houden, gezien het feit dat het dierenwelzijn automatisch in het geding komt doordat walvisachtigen in gevangenschap hun natuurlijke gedrag niet kunnen uitoefenen?
Nee. Een instelling dient te beschikken over een dierentuinvergunning op grond van de Wet dieren om een dierentuin te mogen exploiteren. Om de dierentuinvergunning te verkrijgen dient de dierentuin aan diverse voorschriften te voldoen, waaronder de voorschriften op het gebied van dierenwelzijn. Het welzijn van dierentuindieren wordt gecontroleerd tijdens reguliere inspecties en als het vermoeden bestaat dat het welzijn niet op orde is.
Kunt u aangeven welke dierenwelzijnscriteria en -eisen zijn gesteld aan onderzoeken en educatie, zoals verwoord in het nieuwe leidraad?
Voor onderzoek aan walvisachtigen gelden dezelfde criteria als voor onderzoek aan alle diersoorten. Als het onderzoek meer ongerief veroorzaakt dan het kundig inbrengen van een naald, dan valt dit onderzoek onder de Wet op de dierproeven en moet aan alle regels en voorwaarden die in deze wet worden gesteld worden voldaan. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven welke nieuwe inzichten uit de evaluatie van het vorige protocol zijn gekomen en hoe deze zijn verwerkt in de nieuwe herziening?
De leidraad is korter en bondiger geworden en processen zijn duidelijker beschreven naar aanleiding van ervaringen met de geëvalueerde strandingen. Er is een alinea toegevoegd over de Wet op de strandvonderij (blz. 6). Dit om de verantwoordelijkheid van de burgemeester inzichtelijk te maken. Een belangrijke wijziging in de Leidraad is de aanstelling van een vaste Stranding Coördinator (SC) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De daarmee verbeterde bereikbaarheid in samenwerking met het Departementaal Coördinatiecentrum Crisisbeheersing levert een goede dekking op met betrekking tot informatie over (dreigende) strandingen. Met de vernieuwde leidraad zijn met Rijkswaterstaat en de onderzoeksinstituten (WMR/ Naturalis/UU) goede procesafspraken gemaakt over de werkwijze bij een daadwerkelijke stranding. Die afspraken hebben zich in de praktijk bewezen bij de stranding van een potvis op 1 december 2017 te Domburg.
Erkent u dat de verschillende verantwoordelijkheden van meerdere ministeries ten aanzien van de communicatie en coördinatie verwarring en onduidelijkheid kan scheppen en dat dit voor knelpunten kan zorgen in de praktische uitvoering?
Nee. Zoals in mijn antwoord op vraag 9 aangegeven, hebben de afspraken uit de nieuwe leidraad zich op 1 december 2017 bewezen in Domburg. De communicatielijnen met Rijkswaterstaat en de onderzoeksinstituten en andere relevante belanghebbenden, zoals de burgemeester (in dit geval de ambtenaar Openbare orde en Veiligheid), zijn kort en efficiënt. Deze recente ervaring toont aan dat de verschillende verantwoordelijkheden door goede procesafspraken naar aanleiding van de vernieuwde leidraad in de dagelijkse praktijk op dat moment niet tot verwarring en onduidelijkheid hebben geleid.
Bent u bereid om de verantwoordelijkheid voor het gehele proces bij uw Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te leggen en de taken duidelijk af te bakenen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 10. Vanuit de bevoegdheidsverdeling tussen de ministeries zijn er goede afspraken gemaakt over de samenwerking, die niet leiden tot onduidelijkheid.
Kunt u aangeven waarom de in december 2017 gepubliceerde leidraad een naamswijziging heeft ondergaan ten opzichte van het eerdere protocol en welke gevolgen deze de naamswijziging heeft voor de status en afdwingbaarheid van het document?
Alleen de eerste versie heette protocol. De vorige versie uit 2013 werd ook leidraad genoemd, omdat dat dat beter aansloot bij de praktijk. In de leidraad is opgenomen dat elke stranding geëvalueerd wordt, wat zo nodig tot aanpassing van de leidraad en de daarin opgenomen afspraken over samenwerking kan leiden. De naamswijziging heeft verder geen gevolgen voor de status van het document.
Bent u bereid om de leidraad juridisch bindend te maken? Zo ja, op welke wijze en welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn alle relevante partijen tevreden met de afspraken die zijn gemaakt en vastgelegd in de Leidraad en het feit dat LNV nu een vaste Strandingcoördinator heeft aangesteld. Ik zie daarmee geen noodzaak om de leidraad verder juridisch bindend te maken.