Het bericht ‘Proef met OV-chip op mobiel mislukt’ |
|
Rob Jetten (D66), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat mobiel inchecken en betalen in het openbaar vervoer (ov) bijdraagt aan het doel om de ov-reiziger met gemak en comfort van deur tot deur te laten reizen en daarmee de drempel verlaagt om met het openbaar vervoer te reizen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hoogst opmerkelijk en teleurstellend is dat Translink en de telecomproviders ondanks al hun technologische en digitale kennis niet in staat zijn gebleken om hun systemen technisch op elkaar af te stemmen?
Natuurlijk vind ik het jammer dat de proef met OV-chip mobiel wordt beëindigd en dat de conclusie is dat deze vorm van reizen en betalen in het OV niet geschikt is bevonden. Maar dat kan bij innovatieve pilots gebeuren. Het organiseren van gebruikersproeven maakt onlosmakelijk onderdeel uit van moderne innovatie en hebben als doel om kennis en ervaring op te doen. Ongewijzigd kunnen opschalen is uiteraard gewenst, maar meestal geen vooropgezet doel.
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de technologische en digitale kennis van de initiatiefnemers van deze proef. De proef is ingezet op basis van best beschikbare en inzetbare techniek. De proef wordt niet beëindigd vanwege onvoldoende technische samenwerking tussen de partijen, maar omdat OV-chip mobiel in de huidige vorm te complex is voor grootschalige uitrol. Die complexiteit zit in de diverse aanmeldstappen en de verschillende partijen die nodig zijn om de «kaartgegevens» fysiek op een Simkaart in de telefoon te zetten zodat deze kon communiceren met de paaltjes, poortjes en controle apparatuur van de controleurs. Het plaatsen op de Simkaart is nodig bij de huidige OV-chipkaarttechniek op basis van de zogenaamde Mifare techniek. Deze is een sector eigen systeem en geen open standaard. Dit geeft beperkingen en in NOVB-verband wordt besluitvorming voorbereid om de Mifare techniek voor OV chipkaart uit te faseren en over te stappen naar een andere techniek op een open en wereldwijde standaard. Net als bij andere diensten met contactloos betalen zit de intelligentie dan niet meer in de pasjes en lezers maar wordt dit verplaatst naar een centrale computer.
Met andere woorden, dat de proef met OV-chip mobiel wordt beëindigd wil niet zeggen dat daarmee een streep door mobiel betalen in het OV wordt gezet. De mobiele telefoon blijft een belangrijke pijler van hoe in de toekomst in het OV gereisd en betaald kan worden.
Bent u op de hoogte van de meningsverschillen tussen Translink en de telecomproviders die een rol hebben gespeeld in het mislukken van deze proef? Zo ja, kunt u deze delen?
Ik ben niet op de hoogte van eventuele meningsverschillen. Volgens Translink is de samenwerking tussen KPN, Vodafone en de Coöperatie van OV-bedrijven – enig aandeelhouder van Translink en opdrachtgever van de proef met OV-chip mobiel – zowel tijdens de voorbereiding als uitvoering van de proef altijd constructief geweest. Hoewel er nu geen concreet vervolg voorligt, behoort een hernieuwde toekomstige samenwerking zeker tot de mogelijkheden.
Bent u, of is uw voorganger, tussentijds geïnformeerd door Translink over de voortgang van deze proef? Zo ja, kunt u aangeven wat er met die informatie is gedaan? Zo nee, bent u bereid om met Translink in gesprek te gaan om de oorzaken te achterhalen en zodoende dergelijke mislukkingen in de toekomst te voorkomen?
De Coöperatie van OV-bedrijven is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van nieuwe betaalwijzen en de invulling van de pilots, conform de visie op OV-betalen van het Nationaal OV Beraad (NOVB). In het NOVB wordt maandelijks de voortgang van het programma OV-betalen in algemene zin besproken en de specifieke onderdelen, zoals OV-chip mobiel, wanneer daar aanleiding toe is. Het NOVB bewaakt dat nieuwe betaalwijzen een meerwaarde hebben ten opzichte van de OV-chipkaart. De conclusies van de proef worden benut bij de ontwikkeling van nieuwe (mobiele) reis- en betaalmogelijkheden in het OV.
Hebben deelnemers aan deze proef onnodige kosten gemaakt als gevolg van het niet goed functioneren van de techniek? Krijgen zij deze kosten vergoed?
Volgens de Coöperatie van OV-bedrijven hebben deelnemers aan deze proef geen onnodige kosten gemaakt en waren er ook geen deelnamekosten verbonden. Een deel van de deelnemers is na beëindiging van OV-chip mobiel niet (meer) in het bezit van een geldige OV-chipkaart. Alle deelnemers ontvangen via Translink een bedrag van € 7,50 op hun rekening, als blijk van dank. Dit kan – als daar behoefte aan is – ingezet worden voor de aanschaf van een nieuwe OV-chipkaart.
Heeft het mislukken van deze proef gevolgen voor andere proeven die lopen op het gebied van alternatieve betaalwijzen in het openbaar vervoer?
De proef heeft veel kennis en gebruikerservaring opgeleverd over deze wijze van mobiel reizen in het OV. De leerervaringen uit de proef op het gebied van samenwerking, de techniek, het gebruiksgemak en de reizigersfeedback worden volop benut bij de ontwikkeling van nieuwe mobiele reis- en betaalmogelijkheden in het OV. Deze nieuwe vormen zullen gebaseerd zijn op een andere techniek op een open standaard, die gebruik maakt van mobiele diensten voor contactloos betalen zoals die nu op de markt komen. Dit vereenvoudigt tevens de technische interoperabiliteit met andere mobiliteitsdiensten.
Bent u bereid om het initiatief te nemen om gezamenlijk met vervoerders, Translink en de telecomproviders alsnog toe te werken naar een systeem voor mobiel betalen in het openbaar vervoer?
Het initiatief tot het ontwikkelen van mobiel betalen in het OV is al door de vervoerders en het NOVB genomen. In dat verband blijven we aan de ontwikkeling hiervan werken. Hierbij zal mobiel betalen een aanvulling zijn op bestaande en nog nieuw te ontwikkelen betaalwijzen, waarmee de reiziger meer keuze krijgt. Ik vind dat een goede zaak, onder meer omdat het kunnen betalen met de mobiele telefoon daarnaast helpt bij ontwikkelingen zoals Mobility as a Service. Ook daarmee gaan we (regionale) proeven doen met als uiteindelijk doel te komen tot één app voor plannen, boeken, betalen en toegang krijgen tot alle mobiliteiten (zoals OV, taxi’s, deelauto’s, ride sharing, deelfietsen, huurauto’s en -fietsen en parkeren).
Het kunnen bijhouden van de innovatierace door mkb’ers |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Metaalsector: «mkb-ers kunnen de innovatierace niet bijhouden»»?1
Ja.
Bent u het eens met de branchekoepel Metaalunie dat de maakindustrie zo snel digitaliseert en robotiseert dat veel toeleveranciers in het midden- en kleinbedrijf (mkb) het tempo niet meer op eigen kracht kunnen bijbenen? Zo ja, waar ligt dit aan?
Er is inderdaad een snelle digitalisering in de maakindustrie zichtbaar. Bedrijven die willen anticiperen op de kansen die nieuwe technologieën ons bieden, hebben hiervoor slimme productieprocessen nodig. Het is niet voor alle mkb-bedrijven even makkelijk om het tempo van de ontwikkelingen in de techniek bij te houden en digitalisering vraagt om specifieke kennis en kunde. Ondernemers moeten hun organisaties aanpassen en die transitie is inderdaad een uitdaging. Daarbij zijn ook binnen de maakindustrie verschillen zichtbaar. Zo laat het recente ESB-artikel «Veel ruimte voor meer digitalisering Nederlandse maakbedrijven»zien dat de adoptie van technieken verschilt naar bedrijfstak en de grootte van het bedrijf. Bedrijfstakken zoals bouwmaterialen & meubelmakerij, of Machine, apparatuur & transportmiddelen en ook Elektrische & elektronische apparatuur passen gemiddeld meer nieuwe technologieën toe dan andere sectoren. Naarmate het aantal werknemers binnen een bedrijf stijgt, worden er ook meer slimme technologieën toegepast.
Bent u het eens met de branchekoepel Metaalunie dat Nederland alle stimuli richt op productinnovatie terwijl de echte achilleshiel procesinnovatie is?
We stimuleren innovatieve bedrijven om aan R&D te doen en hierbij samen te werken, en geven ze toegang tot de benodigde kennis. Dit doen we door:
Binnen het subsidie-instrumentarium wordt procesinnovatie op dit moment ook ondersteund met bijvoorbeeld de kennisvouchers van de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT). Ook onder de WBSO wordt voor meer dan € 130 miljoen per jaar aan procesinnovatie ondersteund (zie ook het antwoord onder vraag 6). Naast het verlenen van subsidies investeert het kabinet met de Smart Industry Implementatieagenda in kennis en vaardigheden, helpt bedrijven en kennisinstellingen om veilig en effectief hun data te delen en stimuleert met behulp van Fieldlabs regionale samenwerking. Het kabinet stelt hiervoor dit jaar € 3,5 miljoen extra beschikbaar. Bovendien is recent het EZK-programma «Versnelling digitalisering MKB» gestart, dat het doel heeft de benutting van bestaande (digitale) technologieën te stimuleren.
De digitale transitie biedt ondernemers nieuwe kansen, maar is tegelijkertijd een belangrijke uitdaging voor veel ondernemers. Een toegesneden instrumentarium is nodig. Toch is subsidie niet altijd de oplossing. Enerzijds omdat het budget beperkt is en er altijd keuzes gemaakt moeten worden. Anderzijds moet er sprake zijn van marktfalen dat door de overheid kan worden opgelost. Wel kijk ik altijd of er mogelijkheden zijn om het innovatie-instrumentarium te verbeteren. Dit jaar staan bijvoorbeeld de evaluaties van de WBSO en het Innovatiekrediet gepland.
Tot slot heeft recent een vervolggesprek met MKB Nederland en de Metaalunie plaatsgevonden naar aanleiding van het rapport dat in opdracht van de Metaalunie door Berenschot is opgesteld. De Metaalunie wordt betrokken bij het opzetten van een programma kennisdiffusie vanuit de TO2. Ook worden enkele zaken rondom kennisvouchers binnen de MIT en de mogelijkheden voor procesinnovatie via IPC nader onderzocht. Op deze laatste punten wordt op een later moment met de Metaalunie doorgesproken.
Vindt u dat door de energietransitie en schaarste aan personeel procesinnovatie belangrijker is geworden voor Nederland in vergelijking met 2016?
Om de doelen van het energie-akkoord te behalen en om te gaan met schaarste op de arbeidsmarkt is nu, net als in 2016, innovatie in de volle breedte nodig; zowel product- als procesinnovatie. Het betreft in beide gevallen langetermijnopgaven voor onze maatschappij waarvoor innovatie noodzakelijk was, is en blijft.
Bent u het eens met de branchekoepel Metaalunie dat de criteria voor innovatiesubsidie dringend moeten worden verruimd om het mkb in de race te houden omdat er anders te veel gaten in de productieketen vallen en Nederland achterop raakt op landen zoals Duitsland en België? Zou u dit antwoord kunnen toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om bij de evaluatie van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) de aanscherpingen op het gebied van procesinnovatie die sinds 1 januari 2016 van kracht zijn in de WBSO te evalueren?
Ja, dit wordt in de evaluatie van de WBSO, die dit jaar plaatsvindt, meegenomen. Wel wil ik daarbij benadrukken dat innovatie van productieprocessen op dit moment ook wordt ondersteund binnen de WBSO. Onder de WBSO-categorie ontwikkelingsprojectenvalt ook de ontwikkeling van technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke productieprocessen. Voorwaarde is dat een bedrijf op zoek is naar aanpassingen waarbij er sprake is van een technisch nieuw werkingsprincipe. Er moet sprake zijn van technische risico’s of onzekerheden. Zijn die er niet, dan is er geen sprake van speur- en ontwikkelingswerk (S&O). Ook onder de WBSO-categorie Technisch-wetenschappelijk onderzoek(TWO) wordt onderzoek uitgevoerd met het oog op de verbetering van productieprocessen. In onderstaande tabel is duidelijk te zien dat, ondanks het afschaffen van procesgericht technisch onderzoek, van 2015 naar 2016, een toename te zien van het WBSO-budget voor procesinnovatie.
Procesgerichte S&O-projecten
€ 109 miljoen
€ 138 miljoen
Procesgericht (technisch) onderzoek en analyse technische haalbaarheid gericht op proces
€ 19 miljoen
0
Totaal
€ 128 miljoen
€ 138 miljoen
Zou Invest-NL er mede aan kunnen bijdragen dat mkb’ers de innovatierace kunnen bijhouden? Zo ja, op welke wijze?
Invest-NL zal een rol gaan spelen bij risicovolle activiteiten van ondernemingen op het gebied van grote transitie-opgaven, bij het doorgroeien van start- en scale-ups naar grotere ondernemingen en bij het internationaal vermarkten van de producten en oplossingen voor wereldwijde vraagstukken van Nederlandse bedrijven. Het innovatieve mkb zal dus een belangrijk aandachtsgebied worden voor Invest-NL, zowel voor product- als voor procesinnovatie.
Invest-NL biedt daarvoor ondersteuning bij de ontwikkeling van startende en doorgroeiende bedrijven en bij het tot stand komen van investeringsprojecten, zodat ze financierbaar worden voor de markt. Invest-NL biedt daarnaast (risico-)kapitaal voor doorgroeiende bedrijven en risicovolle projecten als aanvulling op en aanjager van het private aanbod. Voorwaarden voor de investeringsactiviteiten van Invest-NL zijn bedrijfseconomische principes en een positieve rendementsverwachting. Het verstrekt dus geen subsidies.
Hoe kan worden voorkomen dat het mkb terugschrikt voor de hoge en riskante investeringen die gemoeid zijn met de modernisering van werkprocessen en productiemiddelen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat de Franse investeerder Orpea een Nederlands zorgbedrijf met omstreden managementteam koopt |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money (FTM), waaruit blijkt dat de Franse investeerder Orpea een Nederlandse woonzorginstelling voor ouderen, genaamd «Dagelijks Leven», koopt?1
Ja.
Komt het vaker voor dat buitenlandse investeerders Nederlandse zorgbedrijven opkopen? Zo ja, wat zijn de regels hieromtrent en hoe vaak is dit in de afgelopen tien jaar gebeurd?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft mij laten weten dat dit incidenteel voorkomt. Er gelden geen specifieke regels ten aanzien van overnames door buitenlandse partijen. Wel zijn de algemene regels van het mededingingsrecht en de zorgspecifieke concentratietoets van toepassing. De NZa heeft deze toets inmiddels uitgevoerd en de overname goedgekeurd. Daarnaast moet voldaan worden aan de eisen rond kwaliteit van zorg en de besturing van zorginstellingen zoals vastgelegd in de Wkkgz, de WTZi en de Goverancecodezorg. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (IGJ) ziet hierop toe.
Wat ligt volgens u ten grondslag aan de overname? Zijn er financiële problemen bij de zorginstelling Dagelijks Leven?
Het bestuur van Dagelijks Leven heeft mij desgevraagd laten weten dat er geen financiële problemen ten grondslag liggen aan de overname. Zij verwachten dat de overname door Orpea tot meer innovatie en betere kwaliteit voor de cliënt zal leiden.
Hoeveel geld uit het programma Waardigheid en Trots is in totaal naar de zorginstelling Dagelijks Leven gegaan? Is dit geld, dat bedoeld is voor betere verpleeghuiszorg, ingezet om de instelling aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders?
Er is geen geld vanuit het programma Waardigheid en Trots naar zorginstelling Dagelijks Leven gegaan. Dagelijks Leven heeft in het kader van «Ruimte voor Verpleeghuizen» deelgenomen aan een themagroep persoonsvolgende bekostiging in de keten. Hierbij zijn zij begeleid door een themacoördinator. Er is dus ook geen sprake van het «aantrekkelijker maken» voor een buitenlandse investeerder.
Vindt u het een wenselijke ontwikkeling dat het Franse bedrijf Orpea een Nederlands zorgbedrijf opkoopt? Wat zijn volgens u de risico’s van het laten opkopen van Nederlandse zorgbedrijven door buitenlandse investeerders? Kunt u dit toelichten?
Zorginstellingen zijn private instellingen en zijn verantwoordelijk voor beslissingen omtrent de organisatie van de zorgverlening, het bestuur en de eigendomsrelatie. Zorginstellingen moeten, ongeacht het eigenaarschap, zich houden aan de regelgeving rond kwaliteit, goed bestuur etc. Toezichthouders zoals de IGJ en de NZa zien hierop toe.
Is het mogelijk dat premie- en belastinggeld naar het buitenland weglekt, wanneer zorginstellingen in buitenlandse handen komen? Kunt u dit toelichten?
Voor zover de vragensteller doelt op het uitkeren van winst, geldt het volgende. In de Wet toelating zorginstellingen zijn regels vastgelegd omtrent uitkeerbare winst. Het is zorginstellingen zoals Dagelijks Leven, die extramurale langdurige zorg leveren, toegestaan om eventuele winst uit te keren. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar binnenlandse of buitenlandse aandeelhouders.
Bent u bereid om soortgelijke internationale overnames van zorginstellingen een halt toe te roepen, zodat we grip houden op zorginstellingen in Nederland? Zo neen, waarom niet?
De grip van de overheid op zorginstellingen loopt via wet- en regelgeving. Alle zorginstellingen in Nederland moeten daaraan voldoen, ongeacht wie de eigenaar is.
Herinnert u zich dat u in het debat over Careyn voorstelde dat we organisaties die «verschillende werksoorten» met elkaar combineren niet meer moeten bedenken, want het blijkt «gewoon niet zo heel goed uit te pakken»? Bent u op de hoogte van het feit dat Orpea ook ggz-instellingen gaat opkopen? Hoe bent u voornemens te voorkomen dat met Orpea een nieuwe Careyn in de maak is? Wat gaat u doen om nu wel bijtijds in te grijpen?2
In het debat over Careyn heb ik aangegeven dat een organisatie waarin veel verschillende werksoorten zijn ondergebracht lastig bestuurbaar is. Ik heb echter geen signalen dat dit hier aan de orde is. Het bestuur van Dagelijks Leven heeft mij laten weten dat de instelling een zelfstandige organisatie blijft.
Wat is volgens u de reden dat voormalig Staatssecretaris Van Rijn aanwezig was bij de ondertekening van het contract tussen Dagelijks Leven en VGZ? Kunt u dit toelichten?
In de vernieuwingsagenda Waardig Leven met Zorg (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 34 104, nr. 105) heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat mensen die een voorkeur hebben voor een pgb-gefinancierd wooninitiatief meer mogelijkheden zouden moeten krijgen om deze vorm van zorg ook in natura geleverd te krijgen. Naar aanleiding daarvan zijn afspraken gemaakt met met Wlz-uitvoerders en de betreffende zorgaanbieders om de pgb-financiering van deze initiatieven desgewenst om te zetten in zorg in natura. Destijds hebben onder meer VGZ en Dagelijks Leven een dergelijke afspraak gemaakt. In het kader van de presentatie van de vernieuwingsagenda heeft mijn ambtsvoorganger een werkbezoek gebracht aan een locatie van Dagelijks Leven.
Staat zorginstelling Dagelijks Leven onder bijzonder toezicht van de inspectie, aangezien dit bedrijf wordt gerund door een groep bestuurders en toezichthouders die afgelopen jaren betrokken zijn geweest bij «drie van de meest besproken schandalen in de zorg»? Zo neen, waarom niet?3
De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorginstellingen waaronder Dagelijks Leven. Op basis van het in 2016 gezamenlijk met de Nederlandse opgestelde kader ziet de IGJ ook toe op goed bestuur in de zorg. De IGJ heeft in haar incidenten- en risicogestuurde toezicht aandacht voor Dagelijks Leven. De IGJ heeft mij laten weten dat zij regelmatig bezoeken uitvoert bij Dagelijks Leven en dat zij de recente signalen bij haar toezicht betrekt.
Is het volgens u toegestaan dat de commissaris bij Dagelijks leven, tevens commissaris is bij Achmea, één van de zorgverzekeraars dankzij wie het bedrijf sinds 2016 flink heeft kunnen groeien?4
Dit is toegestaan. Wel geldt op grond van het Burgerlijk Wetboek voor bv’s en nv’s de zogenaamde tegenstrijdigbelangregeling. Deze houdt in dat bestuurders en commissarissen met een tegenstrijdig belang niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het betreffende onderwerp. Daarnaast bevat de Governancecode Zorg de volgende bepaling: «Elke vorm van persoonlijke bevoordeling dan wel belangenverstrengeling van enig lid van de raad van bestuur of van de raad van toezicht en de zorgorganisatie wordt voorkomen en de schijn hiervan wordt vermeden. In de reglementen van de raad van bestuur en raad van toezicht wordt vastgelegd hoe met tegenstrijdige belangen en de schijn hiervan wordt omgegaan. Een lid van de raad van bestuur of de raad van toezicht meldt elke vorm en/of schijn van belangenverstrengeling terstond aan de voorzitter van de raad van toezicht en aan de overige leden van de raad en verschaft daarover alle relevante informatie. De raad van toezicht besluit buiten aanwezigheid van het betrokken lid of er sprake is van belangenverstrengeling en hoe daarmee wordt omgegaan.»
Een tot de dood veroordeelde man in Iran |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kurdish man sentenced to death after unfair trial»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Ramin Hossein Panahi na een oneerlijk proces, waarbij mogelijk marteling is ingezet, is veroordeeld tot de doodstraf? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Nederland beschikt niet over eigen informatie over de procesgang van de heer Panahi. Het kabinet deelt evenwel de zorgen van Amnesty International ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Iran en deze ter doodveroordeling in het bijzonder. Nederland onderschrijft de oproep van VN-mensenrechtenexperts die op 19 april jl. Iran hebben verzocht om verwerping van de doodstraf, een eerlijk proces en goede behandeling tijdens de detentie van de heer Panahi.2
In bredere zin zet Nederland in op een voortdurende, kritische en constructieve mensenrechtendialoog met Iran, zowel bilateraal als multilateraal. Minister Kaag besprak mensenrechten, inclusief de situatie van minderheden, met zowel president Rouhani als de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken, Zarif, tijdens haar bezoek aan Teheran in februari jl. Ook de EU dringt, mede namens Nederland, geregeld bij de Iraanse autoriteiten aan op een moratorium op de doodstraf en eerbieding van de rechten van gedetineerden en brengt daarbij ook specifieke gevallen onder de aandacht.
Deelt u de grote zorgen van Amnesty International over deze zaak en bent u bereid om, in navolging van deze mensenrechtenorganisatie, bij de Iraanse autoriteiten erop aan te dringen dat de doodstraf niet wordt uitgevoerd en de man wordt vrijgelaten zolang er geen bewijzen zijn geleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Het afnemen van bloed van een overleden potentieel verdachte |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Geen bloedonderzoek bij Poolse spookrijder»1 en «Dranktest op dode»2?
Ja.
Deelt u de mening dat slachtoffers of nabestaanden ook in het geval dat een mogelijke verdachte van een strafbaar overleden is, toch vragen kunnen hebben over de toedracht van dat strafbaar feit? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In mijn beantwoording van Kamervragen van het lid Van Oosten (VVD) over de controle op drank c.q. drugsgebruik bij de overleden veroorzaker van een gruwelijk ongeval, ben ik uitgebreid ingegaan op deze problematiek.3 Ik verwijs naar die beantwoording. In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt gekeken naar de mogelijkheden om uitdrukkelijk in het nieuwe wetboek neer te leggen dat onder bepaalde voorwaarden onderzoek kan worden gedaan met betrekking tot het lichaam van een overleden verdachte of een overleden slachtoffer. Dat onderzoek kan bijvoorbeeld uit een sectie, een scan van het lichaam, het afnemen van celmateriaal voor DNA-onderzoek of een gebitsonderzoek bestaan.
Deelt u de mening dat het in het belang van slachtoffers en nabestaanden kan zijn om dergelijke vragen beantwoord te krijgen, ook als daarvoor bloed van de overleden verdachte moet worden afgenomen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is er wet- of regelgeving die het afnemen van bloed van een overleden verdachte verhindert of ontbreekt er wet- of regelgeving om dat mogelijk te maken? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit wel mogelijk moet worden gemaakt en hoe gaat u dit bewerkstelligen? Indien u dit niet wilt mogelijk maken, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Turkse chantage met gegijzelde Grieken |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Turkse president Erdogan dat vrijlating van een aantal Grieken alleen kan worden overwogen als Griekenland een aantal Turken overhandigt aan Turkije, waar zij voor politieke vervolging en onmenselijke behandeling hebben te vrezen?1
Dit betreft een bilaterale kwestie tussen Turkije en Griekenland. Beide landen zijn – ook ten aanzien van de beslissingen rondom detentie en vrijlatingen – gebonden aan verplichtingen op grond van mensenrechtenverdragen.
Deelt u de mening dat Turkije hiermee handelt in strijd met de grondbeginselen van de Navo?
Nederland is van mening dat alle NAVO-bondgenoten als lid van een unieke waardengemeenschap, volledig respect moeten tonen voor democratie, de rechtsstaat en fundamentele vrijheden. Ook de Secretaris-Generaal van de NAVO onderstreepte tijdens zijn recente bezoek aan Turkije (april 2018) het belang van een functionerende rechtsstaat en onafhankelijke rechtspraak. Nederland onderschrijft deze opmerkingen van de Secretaris-Generaal.
Deelt u de mening dat de grondbeginselen van de Navo door Turkije sinds 2016 grovelijk worden verkwanseld?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat hieraan geen consequenties worden verbonden voor het Navo-lidmaatschap van Turkije?
Kern van de NAVO is een gedeelde verantwoordelijkheid voor de collectieve verdediging van het NAVO-grondgebied. Turkije levert hieraan een belangrijke bijdrage, is gecommitteerd aan de NAVO en blijft aan de NAVO-verplichtingen voldoen. Het land kan op zijn beurt rekenen op solidariteit en steun van de NAVO. Dit neemt niet weg dat dat Nederland de zorgen over de rechtsstaat en mensenrechtensituatie in Turkije regelmatig via verschillende fora in duidelijke bewoordingen aan de orde stelt.
Deelt u de mening dat de onderhandelingen over een EU-lidmaatschap voor Turkije moeten worden geannuleerd en dat visumvrij reizen voor Turken naar Nederland evenmin tot de mogelijkheden moet behoren? Zo ja, wat gaat u doen om hier definitief een streep door te halen?
Zoals gemeld in de kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket van 2018 van 26 april jl. (Kamerstuk 23 987, nr. 243), maakt het kabinet zich ernstige zorgen over de sterke achteruitgang ten aanzien van de rechtsstaat en de mensenrechten in Turkije en is het van mening dat het EU-toetredingsproces met Turkije onder deze omstandigheden volledig stil moet blijven liggen. Ook zal het kabinet blijven bepleiten dat de pretoetredingssteun met Turkije wordt opgeschort; hiervoor bestaat echter onvoldoende draagvlak in de Raad. Het kabinet zal onverkort vasthouden aan de benchmarks van de Roadmap visumliberalisatie voordat het zal kunnen instemmen met het invoeren van visumvrijheid voor Turkse burgers.
De verspilling van medicijnen |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Brandpunt+ van 10 april 2018 over Medicijnverspilling?1
Ja, ik ben bekend met de uitzending.
Hoe reflecteert u op de kritiek van de aan het woord zijnde professionals omtrent het verplicht laten vernietigen van ongebruikte geneesmiddelen die volgens hen vaak nog verantwoord opnieuw uitgegeven kunnen worden? Hoeveel bedraagt de verspilling volgens u op dit moment?
Ik kan me de kritiek van deze professionals over het verplicht laten vernietigen van ongebruikte geneesmiddelen voorstellen. De EU-richtsnoer goede distributiepraktijken (GDP) regelt de distributie van een geneesmiddel in een gecontroleerde omgeving. Als de terhandstelling van het geneesmiddel eenmaal heeft plaatsgevonden, is het geneesmiddel buiten de gecontroleerde omgeving geweest en daardoor kan de kwaliteit van het geneesmiddel niet meer worden gegarandeerd. Het overtreden van deze richtsnoer vind ik niet de oplossing om verspilling tegen te gaan.
Ik heb geen exacte cijfers over de omvang van de verspilling. In het programma «Aanpak verspilling in de zorg» is onder andere onderzocht wat de kosten zijn om ongebruikte geneesmiddelen weer veilig terug in het proces te brengen. Uit dit onderzoek is gebleken dat de kosten van de heruitgifte van overgebleven medicijnen niet opwegen tegen de mogelijke besparingen in euro’s.
Bent u ermee bekend dat, zoals in de uitzending gesteld wordt door de huisarts, een op de vijf huisartsen medicijnen verzamelt en opnieuw uitgeeft aan mensen die hun medicijnen anders niet kunnen betalen? Hoe groot is volgens u het probleem van zorgmijding als gevolg van het niet kunnen betalen van de medicijnen? Wat vindt van de genoemde handelwijze (controleren, informeren en opnieuw uitgeven) van sommige huisartsen in dergelijke situaties?
Ik ben ermee bekend dat er huisartsen zijn die medicijnen verzamelen en opnieuw uitgeven aan mensen. Ik vind deze handelwijze geen goede ontwikkeling. Het ter hand stellen van medicijnen is volgens de Geneesmiddelenwet voorbehouden aan apotheekhoudenden.
Huisartsen mogen alleen in uitzonderlijke gevallen als korte termijn overbrugging medicijnen ter hand stellen. Deze wettelijke borging is niet voor niets.
Het gratis meegeven van overgebleven medicijnen brengt risico’s met zich mee. Zo bestaat het risico dat het overgebleven medicijn niet onder de juiste condities is bewaard, waardoor de effectiviteit kan zijn aangetast. Daarnaast is het gebruik van het medicijn door de patiënt bij de apotheker niet bekend, waardoor het heruitgegeven medicijn niet in het medicatiedossier opgenomen wordt. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties, bijvoorbeeld vanwege interacties tussen medicijnen onderling.
De exacte redenen van huisartsen om medicijnen te hergebruiken, zijn niet duidelijk. Huisartsen kunnen dit doen om ongewenste zorgmijding tegen te gaan, maar het is ook goed mogelijk dat zij op deze manier denken verspilling tegen te gaan.
Het Nivel heeft objectieve data – zoals declaratiedata en huisartsregistraties – gebruikt om het mijden van vervolgzorg te onderzoeken (zie Kamerstuk 29 689, nr. 664). Uit dit onderzoek2 blijkt dat in 2014 29 procent van de patiënten een geneesmiddel niet ophaalde. De exacte redenen van patiënten om een geneesmiddel niet op te halen zijn niet bekend. Wel zijn er aanwijzingen dat ook niet-financiële redenen een rol spelen. Zo lag in 2008 en 2009 het percentage mensen dat een geneesmiddel niet ophaalde hoger dan in de jaren daarna, terwijl in de latere jaren het eigen risico is verhoogd. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat mensen een vervolgrecept hebben gekregen voor het geval de klacht niet overgaat. Ook kan het zo zijn dat mensen het geneesmiddel elders hebben gehaald (bijvoorbeeld pijnstillers of verbandmiddelen bij de drogist) of dat ze niet duidelijk hebben begrepen dat de arts een recept voorschreef.
Deelt u in de visie van de aan het woord zijnde professionals en het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) dat in Nederland te krampachtig wordt omgegaan met het heruitgeven van medicijnen?
Ik ben het niet eens met de visie dat in Nederland te krampachtig wordt omgegaan met het heruitgeven van medicijnen.
Verspilling is zonde en moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Ik zet daarom stevig in op het verminderen van de oorzaak van verspilling: het terugdringen dat er medicijnen overblijven.
In het geval van een behandeling met medicatie moet echter zeer zorgvuldig worden opgetreden, medicatieveiligheid is een belangrijk thema binnen de geneesmiddelenzorg om te voorkomen dat patiënten onnodig in het ziekenhuis belanden. Binnen het programma Aanpak verspilling in de zorg is veel aandacht geweest en onderzoek gedaan naar het hergebruik van medicatie in de zorg.
Op 29 november 2016 (1019873-155237-GMT) is daar een brief over geschreven aan de Tweede Kamer. In deze brief is aan de Tweede Kamer gemeld dat het programma Aanpak verspilling is afgesloten.
Daarnaast wordt in de brief teruggekeken op wat het programma heeft opgeleverd. Positieve resultaten die helpen verspilling tegen te gaan, stimuleer ik. Een voorbeeld hiervan is het doorgebruiken van thuismedicatie in het ziekenhuis. Ik ga in gesprek met onder andere apothekers, voorschrijvers en zorgverzekeraars om te bepalen welke vervolgstappen nodig zijn om doorgebruik van thuismedicatie in het ziekenhuis op grotere schaal toe te passen.
Ook de inzet van farmabuddy’s leidt tot goede resultaten. Farmabuddy’s zijn veel intensiever betrokken bij het zorgproces in de laatste levensfase, waardoor er minder (onnodig) gebruik van medicijnen plaatsvindt. Via een financiële tegemoetkoming stimuleer ik dat op meerdere plaatsen in Nederland farmabuddy’s worden opgeleid en ingezet.
In bovengenoemde brief is ook gemeld dat heruitgifte van medicijnen, met behulp van thermometer of chiptechnologie, vanwege de kosten van het opnieuw in het proces brengen alleen rendabel is bij vrij dure medicijnen. Het omslagpunt ligt bij € 206 en, in het geval van een gekoeld product, bij € 600. Dat betreft de kosten van de volgende handelingen: verpakken van alle afgeleverde medicijnen met een chip, beoordelen van de kwaliteit van de teruggebrachte medicijnen, in het magazijn plaatsen van de bruikbare medicijnen en het inzamelen van de chips van niet teruggebrachte medicijnen. In 70% van de gevallen zijn de kosten van de overgleven medicijnen minder dan € 2 per patiënt per maand. De logistieke kosten voor het organiseren van heruitgifte wegen dan niet op tegen de mogelijke besparingen die dit in euro’s oplevert.
Ook bij duurdere medicijnen is heruitgifte vaak geen optie. Juist duurdere medicijnen blijven minder vaak ongebruikt, mede omdat ze meestal binnen het ziekenhuis worden toegepast. Als ze thuis worden gebruikt, is het zaak dat de bewaarcondities thuis goed zijn. Bewaren op de juiste temperatuur kan gemonitord worden met behulp van een chip. Maar regelmatig moeten medicijnen ook gevrijwaard zijn van beïnvloeding door licht en vocht en niet te veel zijn geschud. Of hieraan voldaan is, is moeilijk te controleren nadat medicijnen zijn teruggekomen in de apotheek. In die gevallen waar aan deze bewaarcondities is voldaan, zou heruitgifte in theorie mogelijk zijn. In de praktijk blijkt echter dat ongebruikte medicijnen met een waarde van meer dan € 100,– sporadisch teruggebracht worden naar de openbare apotheek.
Door de inspanningen van de afgelopen jaren is de aandacht voor verspilling toegenomen en blijven veldpartijen kijken naar mogelijkheden om deze op verantwoorde wijze terug te dringen.
Wat vindt u van het idee van de aan het woord zijnde apotheker om de medicijnen bij uitgifte samen met een thermometer in een verzegeld plastic zakje te stoppen, zodat bij inname van medicijnen gecontroleerd kan worden of medicijnen verantwoord opnieuw uitgegeven kunnen worden? Waarom is dit idee na zeven jaar nog steeds niet breed geïmplementeerd / wettelijk mogelijk gemaakt? Wat is de stand van zaken van het onderzoek hiernaar? Waarom duurt het onderzoek nu al vijf jaar? Welke mogelijkheden ziet u om – vooruitlopend op de resultaten van dit onderzoek – alvast bij bepaalde categorieën eenvoudige medicijnen heruitgifte mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u om de getoonde chiptechnologie die de houdbaarheid en de conditie van medicijnen meet, in elk pillendoosje toe te passen bij medicijnen? Klopt het dat deze technologie bij grootschalige toepassing gemakkelijk rendabel te maken is?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de stand van zaken van het Programma Aanpak verspilling in de zorg voor het onderdeel «Heruitgifte van medicijnen»?
Zie antwoord vraag 4.
De met vervuild slib versterkte Westdijk bij Bunschoten |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sanering vervuilde Westdijk Bunschoten duurt nog tot volgend jaar»?1
Ja.
Hoe kan het dat de 125.000 ton thermisch gereinigde grond (TGG), die is toegepast bij de dijkverbetering op de Westdijk te Bunschoten, zo vervuild is met zware metalen? Hoe verklaart u dat de grond meer en andere metalen bevat dan op de reinigingscertificaten is aangegeven? Om welke zware metalen gaat het?
De exacte oorzaak van de verhoogde gehalten aan stoffen in de partij TGG die in Bunschoten is toegepast, is op dit moment niet bekend. Uit onderzoek, uitgevoerd in opdracht van Waterschap Vallei en Veluwe, volgt dat stoffen uit de TGG zich verplaatsen naar het grondwater. Dit heeft tot gevolg dat het grondwater is verontreinigd met de zware metalen molybdeen, arseen, antimoon, seleen, kwik en vanadium. Eveneens zijn er gehaltes gemeten voor de anionen sulfaat, bromide en chloride en de (aard)alkalimetalen natrium, kalium en calcium. Uit recent onderzoek volgt tevens dat op een aantal plaatsen in de TGG verhoogde gehaltes aan benzeen zijn vastgesteld. Ook is hierbij GenX aangetoond. De concentratie GenX bevindt zich in het grondwater boven de bepalingsgrens2. Ondanks deze verhoogde concentraties zijn er, volgens de GGD, geen onaanvaardbare risico’s voor de mens vastgesteld. TGG mag verhoogde concentraties van bepaalde stoffen bevatten, mits voldaan wordt aan de eisen en de zorgplicht uit het Besluit bodemkwaliteit. Dan is hergebruik van TGG toegestaan. Waterschap Vallei en Veluwe heeft met de uitgevoerde onderzoeken echter vastgesteld dat de toegepaste TGG in de Westdijk niet voldoet aan de geldende regelgeving. Waterschap Vallei en Veluwe wordt door Rijkswaterstaat ondersteund. Hierbij wordt meegedacht over mogelijke oplossingsrichtingen. Het waterschap moet zelf een definitieve keuze maken.
Kunt u aangeven waar de TGG vandaan komt? Welke verantwoordelijkheid heeft de leverancier, in dit geval International ATM, om zich te vergewissen van de samenstelling van de grond? Kunt u aangeven hoe het toezicht op de certificering en de controle geregeld is en welke rol er hierbij is voor het Waterschap Vallei & Veluwe en/of voor de Inspectie Leefomgeving en Transport?
De TGG is afkomstig van Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V, kortweg ATM genoemd. ATM leverde via het bedrijf Martens van Oord de TGG voor de Westdijk aan de Combinatie de Vries & van de Wiel – FL Liebregts V.O.F. De Combinatie heeft de TGG verwerkt in het project. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) maakt op basis van de beschikbare meldinformatie een overzicht van de locaties waar TGG afkomstig van ATM is toegepast.
ATM is voor het thermisch reinigen van grond gecertificeerd en erkend. ATM is gecertificeerd op grond van de in het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocumenten. Het reinigingsproces bij ATM moet voldoen aan deze normdocumenten. De normdocumenten schrijven voor dat ATMaan de hand van een wettelijk bewijsmiddel moet aantonen dat de TGG voldoet aan de normen en aan het zorgplichtbeginsel van het Besluit bodemkwaliteit. Het certificaat voor het reinigingsproces wordt afgegeven door een certificerende instelling (CI). Hiermee is sprake van privaat toezicht. De CI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd. De ILT houdt op grond van het Besluit bodemkwaliteit toezicht op de CI en ook op de certificaathouder. De ILT toetst daarbij of wordt gewerkt volgens de normdocumenten voor de thermische reiniging van grond.
Waterschap Vallei en Veluwe is in dit geval opdrachtgever voor de dijkversterking en het toepassen van de TGG door de aannemer. Daarnaast is Waterschap Vallei en Veluwe ook bevoegd gezag voor het oppervlaktewater. Vanuit de laatstgenoemde rol houdt het waterschap toezicht op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en daarmee ook op de verontreiniging van de naastgelegen sloot als gevolg van de toegepaste TGG in de Westdijk. De regionale uitvoeringsdienst Utrecht heeft op grond van het Besluit bodemkwaliteit, namens de gemeente, toezicht gehouden op de aanleg van de Westdijk.
Klopt het dat de veenlaag onder de dijk zo in elkaar gedrukt wordt dat deze een buffer vormt naar het grondwater en er alleen sprake is van vervuiling van het oppervlaktewater?
Uit een in opdracht van het waterschap uitgevoerd onderzoek volgt dat door de samenstelling van de bodem, klei en gezette veenlaag, een (nagenoeg) ondoorlatende laag is ontstaan. Hierdoor wordt het grondwater naar de teensloot van het dijklichaam afgevoerd. Daarnaast wordt door een kwel (onder druk naar het oppervlak stromend grondwater) het grondwater uit de Westdijk ook richting de sloot gestuurd. Het onder de dijk gelegen verontreinigd grondwater verplaatst zich daarmee voornamelijk naar de naastgelegen sloot.
Kent u de verschillende oplossingsrichtingen voor de dijk, te weten vervuilde grond afgraven en vervangen door schoon zand of een damwand, de grond inpakken met folie of met een drainagesysteem vervuild water afpompen naar een zuiveringsinstallatie? Ziet u mogelijkheden om de uitvoering van een oplossing te versnellen?
Het dagelijks bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe heeft op 23 mei 2018 de beslissing genomen om het algemeen bestuur van het waterschap te adviseren om de TGG volledig te ontgraven en te vervangen door schoon materiaal. Een definitieve beslissing zal worden genomen op 4 juli 2018. Voor het moment van uitvoering is het waterschap ook gehouden aan de wet- en regelgeving voor het graven in primaire waterkeringen. Hierdoor kan bijvoorbeeld niet op elk moment in het jaar worden gegraven in de waterkering. Dit beïnvloedt mede het moment van uitvoering. Het waterschap zal de uitvoering zo spoedig mogelijk starten.
Klopt het dat u gericht en bewust op zoek bent gegaan, onder andere in de context van het Hoogwaterbeschermingsprogramma, naar mogelijkheden om TGG toe te passen in primaire keringen? In hoeverre is deze toepassing gebruikelijk in primaire keringen elders in projecten?
De rijksoverheid maakt het met het Besluit bodemkwaliteit mogelijk om TGG toe te passen. Het reinigen van verontreinigde grond is gewenst. Immers, hiermee wordt voorkomen dat potentieel herbruikbare grond wordt gestort.
TGG wordt niet vaak toegepast in primaire keringen. Veelal wordt bij primaire keringen gewerkt met natuurlijke gebiedseigen materialen. Een aannemer heeft binnen het contract de ruimte om andere materialen, zoals TGG, toe te passen onder voorwaarde dat wordt voldaan aan de wet- en regelgeving en de contracteisen.
Op welke wijze worden in uw ogen de financiële gevolgen gedragen wanneer de toepassing van TGG leidt tot situaties zoals hierboven beschreven?
Op het moment dat een partij TGG levert die niet aan de wettelijke eisen voldoet en de contractuele verplichtingen voorzien hierin, dan kan sprake zijn van een privaatrechtelijk geschil. Een partij kan dan besluiten, in het geval maatregelen noodzakelijk zijn, om de kosten te verhalen. Het waterschap heeft de aannemer aansprakelijk gesteld. Het waterschap is voornemens om alle kosten te verhalen op de vervuiler en of de veroorzaker, en neemt daarvoor de noodzakelijke juridische stappen.
Heeft de rijksoverheid vanuit haar bouwprojecten een belang in het afzetten van vervuild materiaal bij afvalverwerkers zoals ATM? Wat is het belang in het behouden van de toepassing van TGG als bouwstof?
Indien verontreinigde grond vrijkomt en kan worden gereinigd, moet deze ter reiniging worden aangeboden bij een grondreiniger. Hiermee wordt het storten van verontreinigde grond beperkt en hergebruik gestimuleerd.
Bent u bereid het gebruik van TGG uit te sluiten voor deze toepassingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Welke wijzigingen in de Omgevingswet (of vooruitlopend daarop) kunnen worden doorgevoerd om toezicht en handhaving te verbeteren en situaties zoals bij de Westdijk in Bunschoten te voorkomen?
Het systeem certificeren en erkennen is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit zal vooralsnog geen onderdeel worden van de Omgevingswet.
De huidige problemen met TGG maken dat het vertrouwen in het product is afgenomen. Het is op dit moment nog niet volledig bekend waarom de TGG niet altijd voldoet aan de eisen. Het systeem van keuren van grond, het thermisch reinigingsproces, de wijze van toepassing van TGG en de kwaliteitsborging is complex. Ik laat een verkenning uitvoeren naar de mogelijkheden tot verbetering van de kwaliteit van TGG.
Rijkswaterstaat en het Hoogwaterbeschermingsprogramma (met daarin de waterschappen) staan het toepassen van TGG voorlopig niet meer toe. De toepassing van TGG zal worden heroverwogen zodra duidelijkheid bestaat over de oorzaken van het ontstane probleem.
Een uitspraak van president Erdogan |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Turkse president Erdogan de Verenigde Staten (VS) en andere Navo-landen een «priority threat» voor Turkije heeft genoemd?1
In het interview waar de vraag op doelt, refereert president Erdogan aan vermeende wapenleveranties door de VS aan groeperingen die Turkije volgens president Erdogan als een dreiging ziet. President Erdogan oppert om samen met de VS en andere NAVO-bondgenoten om de tafel te gaan en dit probleem op te lossen. Het interview waar de vraag op doelt, bevat geen uitspraak van president Erdogan dat de VS en andere bondgenoten een «priority threat» zijn.
Bent u bereid om bij uw Turkse ambtgenoot na te vragen welke andere Navo-landen het betreft?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u dan ook vragen op grond van welke feiten de VS en die andere landen als een «priority threat» worden gezien en welke consequenties de Turkse regering aan die kwalificatie verbindt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe moet hiermee naar uw mening door de Navo-bondgenoten worden omgegaan en hoe gaat u dat binnen het bondgenootschap aan de orde stellen?
Zoals gemeld, uit president Erdogan zijn zorgen over vermeende wapenleveranties aan groeperingen die Turkije als een bedreiging ziet. Turkije en de VS bespreken de wederzijdse veiligheidszorgen, zoals dat past binnen een bondgenootschap.
Deelt u de mening dat Turkije gewoon niet past bij de Navo?
Turkije is een belangrijke NAVO-bondgenoot met een strategische ligging op de zuidflank van het NAVO-verdragsgebied. Het land heeft als regionale speler duidelijk invloed op de stabiliteit in de regio. De relatie met Turkije moet mede in dat licht worden bezien, wat echter niet wegneemt dat Nederland de zorgen over de rechtsstaat en mensenrechtensituatie in Turkije regelmatig via verschillende fora in duidelijke bewoordingen aan de orde stelt. Het Turkse lidmaatschap van de NAVO staat op geen enkele manier ter discussie.
Het bericht ‘Bijna 3000 waarschuwingen voor scooters in milieuzone’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er al bijna drieduizend waarschuwingen voor scooters zijn uitgedeeld in Amsterdam?1 Zo ja, wat vindt u daarvan? Vindt u het normaal dat mensen die een voertuig hebben, dat onderhouden en hun verzekering en belastingen betalen niet op bepaalde delen van de openbare weg mogen komen? Kunt u een overzicht geven van de grootte van de Amsterdamse milieuzone en welke alternatieven er zijn om toch binnen ongeveer dezelfde tijd op de gewenste bestemming te komen?
Het is mij bekend dat er waarschuwingen zijn uitgedeeld aan scooterrijders in Amsterdam in verband met de milieuzone. De gemeentes in Nederland hebben de bevoegdheid om een milieuzone in te stellen. Een milieuzone is een instrument dat lokaal maatwerk op gebied van luchtkwaliteit mogelijk maakt. Het is aan de gemeente Amsterdam om te bepalen welke regels er gelden voor het betreden van de milieuzone. De omvang van de zone is terug te zien op www.amsterdam.nl/milieuzone. Wat de vraag naar alternatieven betreft: een brom- of snorfiets die wel voldoet vormt een alternatief, maar met oog op het einddoel – enkel zero emissie brom- en snorfietsen in 2025 – stappen mensen het liefste meteen over op een zero emissie scooter, e-bike of fiets. Ook kan men gebruik maken van het openbaar vervoer.
Hoe gaat Amsterdam boetes uitdelen aan berijders van scooters die de stad niet meer in mogen zodra de periode van waarschuwingen na 1 mei 2018 voorbij is?
Er is een combinatie van mobiele camera’s, handhavers en politie op straat actief om te handhaven op de milieuzone brom- en snorfiets.
Hoe zijn de huidige overtredingen geconstateerd? Hoe verhoudt dit toezicht via camera’s zich tot cameratoezicht in de stad als het gaat om veiligheid?
De overtredingen zijn geconstateerd via camera’s en handhavers op straat. Camera’s die worden ingezet zijn zogenaamde «automatic number plate recognition» (ANPR) systemen. Dit zijn andere camera’s dan de camera’s die worden gebruikt voor veiligheid, dat zijn de CCTV (closet circuit television) camera’s.
Houdt een opgelegde boete stand bij beroep bij de rechter? Hoe zeker is het dat dit scooterverbod sneuvelt als het kabinet komt met richtlijnen voor harmonisatie van milieuzones?
De vraag of een boete terecht is opgelegd is aan de rechter die bevoegd is hierover te oordelen. Om het systeem van milieuzones eenvoudig te houden, neem ik brom- en snorfietsen niet mee in de harmonisatie. Gezien de beperkte actieradius is het niet waarschijnlijk dat de bestuurder van een brommer in meerdere steden komt. Wel wil ik graag het gesprek aangaan met belangenorganisaties en gemeenten om de aanpak van deze voertuigen zo veel mogelijk te stroomlijnen. Het is niet voorzien dat de inhoud van de milieuzone Amsterdam voor brom- en snorfietsen wordt aangepast.
Is er een verkeersbord nodig om dit te kunnen handhaven? Op basis van welk verkeersbord uit het Reglement verkeersborden en verkeerstekens (RVV) zal handhaving plaatsvinden?
De gemeente Amsterdam heeft op 9 juni 2017 besloten een milieuzone in te voeren voor brom- en snorfietsen. De milieuzone wordt aangegeven door de verkeersborden C13z en C13ez uit het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens. Op onderborden is met tekst aangegeven voor welke categorie deze verkeersborden gelden (voertuigen uit 2010 en ouder). De milieuzone geldt per 1 januari 2018.
Waarin is een gebruikelijke viertakt Vespa-scooter, brommer of snorfiets met datum eerste toelating uit 2008 anders dan een uit 2011? Deelt u de mening dat een jaartal niets zegt over de uitstoot?
Mij is bekend dat de gemeente Amsterdam in het kader van de milieuzone voor brom- en snorfietsen een leeftijdsgrens hanteert, op grond waarvan voertuigen met een DET van 2010 en ouder uit de milieuzone worden geweerd.
De gemeente Amsterdam hanteert in het kader van de milieuzone het uitgangspunt dat álle door fossiele brandstoffen aangedreven brom- en snorfietsen, ongeacht motortype, vervuilend zijn en schadelijk voor de gezondheid van andere verkeersdeelnemers. Het per 1 januari 2018 weren van al deze voertuigen acht Amsterdam echter niet redelijk of reëel, onder meer in verband met de financiële gevolgen voor burgers. Wel is de ambitie van de gemeente dat in Amsterdam in 2025 uitsluitend nog emissieloze brom- en snorfietsen mogen rondrijden. Ik heb begrepen dat Amsterdam voor nu uit zorg voor de gezondheid van andere verkeersdeelnemers gekozen heeft voor een variant met een DET van 2010 en ouder waarmee alvast zoveel mogelijk van de meest vervuilende voertuigen worden geweerd, terwijl relatief nieuwe voertuigen nog worden toegelaten. De gemeente Amsterdam baseert zich voor de effecten van deze leeftijdsgrens op onderzoek van TNO2. Bovendien is een milieuzone op basis van leeftijd volgens de gemeente Amsterdam handhaafbaar. De handhaving gebeurt onder meer met ANPR camera’s, die de nummerplaat van het voertuig registreren. Op basis van de nummerplaat kan in de systemen van de RDW wel de leeftijd worden gevonden, maar niet de Euro-norm van het voertuig. Ook is in het RDW register geen onderscheid gemaakt tussen 2 en 4-takt brom- en snorfietsen.
Waar moeten de 13.000 verboden scooters blijven als zij niet in Amsterdam mogen rondrijden? Hoe zijn deze verdeeld over bouwjaren en types? Komen zij ter beschikking van liefhebbers elders in het land? Gaan we deze innemen of exporteren? Gaan deze mensen over op duurdere en nieuwere scooters? Welke onderbouwing van deze milieuzone en welke cijfers zijn bekend?
In het voorjaar zijn er mede door de gemeente Amsterdam verschillende acties opgezet om de te oude scooters in te zamelen. Eigenaren kunnen oude maar nog rijdende brom- en snorfiets inleveren bij dealers in de stad. De gemeente organiseerde daarnaast een ophaalactie aan huis. Zo zijn de afgelopen maand nog zo'n 500 brom- en snorfietsen van straat gehaald. De brom- en snorfietsen zijn in samenwerking met de branchevereniging milieuverantwoord gedemonteerd. Het is helaas niet bekend hoe de brom- en snorfietsen, die niet de milieuzone mogen betreden, zijn verdeeld over bouwjaren en types. Ter vervanging van de te oude brom- of snorfiets pakken mensen soms de fiets, het OV of kiezen voor een nieuwe(r) model scooter. Onderzoek moet uitwijzen hoe die verschuiving precies is verlopen. De gemeente Amsterdam heeft deze beweging gestimuleerd met een subsidieregeling voor stadspashouders. Op basis van die gegevens blijkt dat veel mensen een elektrische scooter of e-bike ter vervanging aanschaffen.
Cijfers met betrekking tot de onderbouwing van de milieuzone zijn terug te vinden op https://www.amsterdam.nl/parkeren-verkeer/milieuzone/besluitvorming/. Het TNO-rapport is te downloaden via https://www.tno.nl/nl/over-tno/nieuws/2017/12/ontwikkeling-uitstoot-brommers-loopt-ver-achter-bij-die-van-auto-s-en-trucks/
Waar komen de betaalde boetes terecht? Profiteert de gemeente hiervan of komen de opbrengsten uit boetes terecht bij de rijksoverheid? Zo ja, vindt u dit schandelijk of niet?
Boetes komen terecht bij het CJIB; een rijksoverheidsorganisatie. Zo is dat wettelijk geregeld.
Is een overtreding die bestaat uit het feit dat iemand met een oudere brommer de stad inrijdt zwaar genoeg om een boete van € 65,– op te leggen?
Men maakt een verkeersovertreding op basis van het bord C13 (een geslotenverklaring voor bromfietsen, snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen). De bijbehorende boete – die landelijk is vastgelegd door het OM – bedraagt € 65.
Deelt u de mening van de VVD dat asociale rijders op opgevoerde brommers en scooters aangepakt moeten worden, maar dat reguliere berijders die een zone binnenrijden eigenlijk weinig verkeerd doen?
Brom en snorfietsrijders moeten zich uiteraard aan de geldende verkeersregels houden, net zoals andere weggebruikers. Daarnaast gelden er de toegangsregels voor de milieuzone, ook voor degenen die zich aan de verkeersregels houden. Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 1 staat het Amsterdam en ook andere gemeenten vrij om hiervoor de toegangsregels te bepalen.
Wilt u deze vragen stuk voor stuk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ´Start nu met het opleiden van de politie van de toekomst’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview van de heer Frans Leijnse, voormalig voorzitter van de Politieonderwijsraad (POR) «Start nu met het opleiden van de Politie van de toekomst»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de heer Leijnse dat de Politieacademie door het korps (de Politie) in de positie moet worden gebracht om als (opleidings)makelaar te fungeren, ook als zij zelf een bepaald aanbod (nog) niet in huis heeft?
De Politieacademie is het enige opleidingsinstituut in Nederland dat politieonderwijs mag verzorgen en vervult daarmee een cruciale rol voor de kwaliteit van de uitoefening van de politietaak. Het gaat daarbij om de basispolitieopleidingen voor aspiranten en de vervolgopleidingen (vakspecialistisch onderwijs) voor zittende politiemedewerkers. De politie is verplicht dit onderwijs bij de Politieacademie af te nemen. Daarnaast verzorgt de Politieacademie vakspecialistische opleidingen voor partijen met een publiekrechtelijke taak op het gebied van politie, justitie en veiligheid, die bij ministerieel besluit zijn aangewezen.
De Politieacademie mag samenwerkingsverbanden aangaan met ketenpartners en het regulier onderwijs2 als deze in het verlengde liggen van het politieonderwijs. Voor deze laatste categorie opleidingen mag de Politieacademie als (opleidings)makelaar fungeren.
Ander onderwijs dan politieonderwijs – zoals een computercursus of een training vergadertechniek – wordt door de politie zelf ingekocht, waarvoor de politie jaarlijks een landelijk opleidings- en vormingsbudget heeft.
Welke ruimte hebben de afzonderlijke politieonderdelen (eenheden, teams, enz) om buiten de Politieacademie om (al dan niet door quasi-slimme bypasses) onderwijs binnen te halen?
Zie antwoord vraag 2.
Indien een onderdeel van de Politie (een eenheid, een district, een team) buiten de Politieacademie om een opleiding «inkoopt», komt die opleiding dan ten laste van het budget van de Politieacademie of komt die opleiding ten laste van het budget van dat politieonderdeel? Indien het ten laste van het budget van een politieonderdeel komt, gaat dat dan ten koste van de operationele inzet van politiepersoneel, inclusief budget voor overuren of voor materieel?
Elke eenheid van de politie heeft de beschikking over een Opleidingen & Ontwikkelingsbudget.3 Hierbij gaat het bijvoorbeeld om eenheidsspecifieke leerbehoeften die door de Politieacademie worden ondersteund of niet politie-specifieke leeractiviteiten die worden ingekocht bij andere partijen. De kosten voor deze opleidingen gaan daarmee niet ten koste van andere budgetten van de eenheid.
Komt het voor dat (operationele) politiemensen dan wel docenten van de Politieacademie naast hun reguliere werkzaamheden om, als privépersoon door de politie ingehuurd worden als docent voor een primaire of voortgezette opleiding? Wordt het toegestaan dat ze daarbij gebruik maken van kennis, ervaring, lesmateriaal die zij hebben opgedaan in hun reguliere baan bij de Politie of de Politieacademie? In hoeverre acht u dit wenselijk?
De basisopleidingen en vervolgopleidingen (vakspecialistisch onderwijs) worden verzorgd door de docenten van de Politieacademie. Dit geldt ook voor de DSI opleidingen. Omdat het hierbij gaat om publieke gelden, mogen deze opleidingen niet privaat door docenten als privépersonen worden verzorgd.
Binnen de DSI-opleidingen heeft de Politieacademie momenteel te weinig docenten voor de basisopleiding Aanhoudings- en Ondersteuningsteams (AOT),4 die beschikken over deze specifieke deskundigheid om te voldoen aan de actuele vraag voor extra instroom. Om die reden worden, in overleg met de politie, ervaren DSI-leden door de Politieacademie opgeleid tot docent/instructeur om onder verantwoordelijkheid van de Politieacademie tijdelijk te kunnen voorzien in de vraag naar extra AOT-opleidingen.
Kunt u de onder 5 gestelde vragen afzonderlijk en specifiek beantwoorden voor de Dienst Speciale Interventies (DSI)? Klopt het dat door de inzet van «eigen docenten» van DSI geen (voortgezette) opleidingen meer worden afgenomen van de Politieacademie locatie Ossendrecht? Vindt u dit een gewenste situatie?
Zie antwoord vraag 5.
Het verzet van de Duitse deelstaat Rijnland-Palts tegen het langer openhouden van de kerncentrales in Doel en Tihange |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent de berichten «Duitse deelstaat Rijnland-Palts verzet zich tegen levensduurverlenging van Doel en Tihange»1 en «Ministerrat für Beitritt zur Greenpeace-Klage gegen AKW Tihange 1»?2
Ja.
Wat vindt u van het groeiend verzet in Duitsland tegen de Belgische lapwerk-kerncentrales (eerder al verzetten de Duitse stad Aken, en deelstaten Rijnland-Palts en Noordrijn-Westfalen zich tegen de heropening van de «Schrott»-kerncentrale Tihange3?
Het is de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid om een besluit te nemen over levensduurverlenging van de Belgische kerncentrales. Hierbij is de veiligheid van de kerncentrales van doorslaggevend belang. Het FANC beoordeelt op onafhankelijke wijze de veiligheid van de Belgische kerncentrales. Het FANC oordeelt dat de kerncentrales veilig zijn. Ik heb geen reden aan het oordeel van FANC te twijfelen. Wel besteed ik extra aandacht aan het grondig laten onderzoeken van eventuele risico’s die specifiek zijn gekoppeld aan veroudering.
Bij de levensduurverlenging tot 2022–2025 voor de verschillende Belgische kerncentrales heeft het FANC in het kader van continue verbetering verschillende extra verbetermaatregelen opgelegd waaraan de reactoren moeten voldoen, zodat zij 10 jaar langer kunnen opereren op een nog hoger veiligheidsniveau. Daarnaast maakt België met regelmaat gebruik van internationale missies (georganiseerd door het Internationaal Atoomenergieagentschap), die specifieke aspecten zoals verouderingsbeheer bij kerncentrales auditen. Dergelijke missies maken deel uit van het internationaal systeem van controle op nucleaire veiligheid. Op dit moment onderzoekt het FANC de mogelijkheid van het aanvragen van een nieuwe missie (bijvoorbeeld een Operational Safety Review Team missie met mogelijk een module over veiligheidscultuur) voor de centrale van Tihange of Doel.
Deelt u de mening van de Staatssecretaris van Milieu van de Duitse deelstaat Rijnland-Palts dat de levensduurverlenging van de Belgische «Schrott»-kerncentrales onverantwoord en onbegrijpelijk is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen van deze Staatssecretaris dat de 43 jaar oude kerncentrales ook een gevaar vormen voor inwoners in buurlanden van België? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat er op 23 april een conferentie plaatsvindt van de «Alliantie van regio’s voor een Europese kernuitstap»? Zijn hier ook Nederlandse regio’s bij aanwezig? Bent u ervan op de hoogte wat daar besproken wordt?
Ja, hier ben ik van op de hoogte.
De Alliantie van regio’s voor een Europese kernuitstap is een samenwerkingsverband tussen Europese regio’s dat pleit voor een Europese energietransitie zonder kernenergie. Volgens de website van het Ministerie van Milieu, Energie, Voeding en Bosbouw van Rijnland-Palts zijn regio’s uit Duitsland, België en Oostenrijk aangesloten bij deze alliantie.4 Er zijn geen Nederlandse regio’s aangesloten. Daarnaast wordt de alliantie ondersteund door Luxemburg. Op de agenda van de conferentie in Mainz op 23 april jl. stonden onder meer het aanpassen van het EURATOM-verdrag, de veiligheidsrisico’s veroorzaakt door de Franse kerncentrale Cattenom en juridische procedures tegen de Belgische kerncentrales.5
Wat vindt u ervan dat de ministerraad van de Duitse deelstaat zich aansluit bij Greenpeace en Benegora (het Belgisch-Nederlands grensoverleg regio Antwerpen) in hun zaak tegen de levensduurverlening van de kernreactoren Tihange 1 en Doel 1 en 2 bij de Belgische Raad van State?
Ik respecteer de soevereiniteit van zowel regionale als nationale overheden. Aansluiting bij juridische procedures bij een nationale rechter is voor een soevereine staat niet aan de orde: op basis van het internationale beginsel van gelijkwaardigheid van staten onderwerpt een land zich als staat niet aan de rechtsmacht aan buitenlandse rechters. Dat geldt ook voor Nederland.
Bent u bereid zich uit te spreken tegen de levensduurverlenging van deze kerncentrales, in het belang van de veiligheid van inwoners en in het belang van het milieu? Zo nee, waarom niet?
Levensduurverlenging van de Belgische kerncentrales en keuzes op het gebied van het Belgische energiebeleid zijn beslissingen die vallen onder de bevoegdheid van de Belgische overheid. Dat neemt niet weg dat ik de besluitvorming over levensduurverlenging van de kerncentrales in België, waartoe onlangs een principebesluit is genomen door het Belgische kabinet, de komende tijd nauwlettend zal volgen en mij zal laten informeren over de veiligheidsaspecten hiervan, voor zover gerelateerd aan de veiligheid van de bevolking in Nederland. Daarbij vormen verouderingsaspecten een bijzonder aandachtspunt, zoals ik hierboven eerder heb aangegeven. Indien hierover twijfel zal ontstaan zal ik niet aarzelen hierover in overleg te treden met de regering van België. Op dit moment vindt een Europese peer review-sessie plaats in Luxemburg door de Europese toezichthouders, specifiek gericht op veroudering in kernreactoren. Nederland zal hierbij specifiek aandacht besteden aan de presentatie en toelichting van België hieromtrent.
De geheime EU lijst van Amerikaanse producten waarop mogelijk importtarieven worden geïntroduceerd |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de lijst van Amerikaanse producten waarop de Europese Unie (EU) importtarieven gaat introduceren als de Verenigde Staten (VS) besluiten om heffingen op aluminium en staal in te voeren?1
Ja. De Commissie heeft op 16 maart 2018 een concept-lijst met Amerikaanse producten gepubliceerd.2 De Commissie is tegelijkertijd met de publicatie van de concept-lijst een consultatieprocedure gestart om belanghebbenden de gelegenheid te geven commentaar te geven op de lijst. Deze consultatie was open tot 26 maart 2018. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft deze consultatie onder de aandacht gebracht van belanghebbenden via haar nieuwsbrief.3
De lidstaten hebben op 17 april jl. unaniem de uiteindelijke lijst vastgesteld. De Commissie heeft deze lijst, hangende de onderhandelingen met de VS over de uitzonderingspositie voor de EU, niet gepubliceerd. Deze lijst is voor Kamerleden in te zien in de leesruimte voor vertrouwelijke stukken op het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Over welke producten gaat het precies en op basis van welke criteria is er voor gekozen om juist deze producten op de lijst te plaatsen?
De concept-lijst bevat onder meer landbouwproducten, staal, cosmetica, gedestilleerde dranken, tabak, kleding en vaartuigen. Voor een volledig overzicht verwijs ik u naar de lijst. Bij het opstellen van de lijst is rekening gehouden met de politieke impact van de maatregelen in de VS en de belangen van Europese importeurs en consumenten. Er is zo veel mogelijk gekozen voor producten waarvoor de Europese Unie niet voor een belangrijke mate afhankelijk is van de importen uit de VS. Zo blijft nog voldoende aanbod van de goederen in de Europese Unie beschikbaar en is het effect op importeurs, industriële gebruikers en consumenten beperkt.
Heeft u in kaart gebracht hoe deze importtarieven de Nederlandse economie zullen raken als deze worden doorgevoerd? Verwacht u dat er bedrijven, werknemers of consumenten last gaan krijgen van de gevolgen van importtarieven op deze producten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De concept-lijst is opgesteld door de Europese Commissie. Het ministerie heeft – in lijn met de analyse door de Europese Commissie – voor alle producten geanalyseerd voor welk deel van de importen Nederland afhankelijk is van de VS. Dat aandeel is veelal beperkt. Naar verwachting zijn de effecten op de meeste bedrijven, werknemers en consumenten dan ook beperkt. Uiteraard kan dat voor individuele bedrijven, werknemers en consumenten anders zijn, bijvoorbeeld wanneer een bedrijf uitsluitend handelt in de betreffende producten uit de VS.
Deelt u de mening dat moet worden vermeden dat deze vergeldingslijst in werking wordt gezet? Zo ja, wat voor stappen bent u hiervoor aan het ondernemen, zowel bilateraal richting de VS als in de EU?
U bent eerder geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van de VS-maatregelen (Kamerstuk 33 625, nr. 256). Uiteraard is het in het Europees belang om een permanente uitzondering voor de EU van de maatregelen van de VS op staal en aluminium te krijgen of de maatregelen van tafel te krijgen. Dit zou voorkomen dat de EU deze rebalancerende maatregelen neemt. Omdat de EU tijdelijk is uitgezonderd van de VS-maatregelen, zijn de rebalancerende maatregelen nog niet genomen. Op dit moment zijn de EU en de individuele lidstaten gezamenlijk op hoog politiek niveau in gesprek met de VS om voor deze permanente uitzondering te pleiten.
Heeft u een actieve rol gespeeld bij het vaststellen van deze «vergeldingslijst»? Zo ja, wat was de inzet van de Nederlandse regering tijdens deze geheime stemming? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De deelname van Europese Centrale bank aan geheimzinnige financieel-economische ‘groep van 30’ |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Vindt u het ook zo fout dat de voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB), Mario Draghi, deelneemt aan een zeer geheimzinnige groep van financiers, bankiers en beleidsmakers, zoals gemeld in «Draghi to stay in opaque G30 club despite watchdog’s warning»?1
Zie antwoord op vraag 2
Kunt u toelichten wat de bedoeling is rond deze G30 groep? Wie zijn er precies lid van deze club? Zo nee, waarom niet?
De G30 is een groep van hoofdzakelijk centrale bankiers, academici en bankiers die periodiek van gedachten wisselt over internationale economische en financiële aangelegenheden. Ongeveer een derde van de leden van de G30 komt uit de private sector. Een uitgebreide beschrijving van de activiteiten en de ledenlijst van de G30 is te vinden op de website van de G30: www.group30.org.
De ECB heeft aangegeven bijeenkomsten van de G30 te bezoeken om op de hoogte te blijven van recente economische en financiële ontwikkelingen, teneinde haar mandaat goed te kunnen uitvoeren.2 De Europese Ombudsman heeft aanbevelingen over de betrokkenheid van de ECB als toezichthouder bij de G30 uitgebracht3. De Europese Ombudsman erkent dat het van belang is dat de ECB in gesprek gaat met haar stakeholders, mits dit op gepaste afstand gebeurt. Hierdoor weet een toezichthouder bijvoorbeeld wat er leeft onder haar stakeholders en wordt het werk van de toezichthouder beter zichtbaar. De Europese Ombudsman geeft aan dat de G30 door haar gevarieerde samenstelling van centrale bankiers, academici en bankiers, voor de ECB een nuttig forum is om mee in gesprek te gaan.
Ik ben het met de Europese Ombudsman eens dat het voor een toezichthouder goed is om in gesprek te zijn met de stakeholders mits dit op gepaste afstand gebeurt. Uiteraard is het hierbij van belang dat de ECB de uitvoering van haar toezichtstaak niet laat beïnvloeden door het contact met stakeholders. Uit het onderzoek van de Europese Ombudsman is ook niet gebleken dat er sprake is van directe beïnvloeding door de G30 op het toezicht van de ECB4.
Neemt de Nederlandse Centrale Bank ook deel aan deze G30? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Vergaderingen van de G30 zijn alleen toegankelijk voor leden. De Nederlandsche Bank (DNB) is geen lid van de G30. Uitnodigingen voor de bredere jaarlijkse G30 seminars, die ook toegankelijk zijn voor niet-leden en waar enkele honderden genodigden komen, ontvangt DNB wel. Ook het Ministerie van Financiën ontvangt uitnodigingen voor de jaarlijkse G30 seminars. De president van DNB en ambtsvoorgangers van mij hebben in het verleden seminars bijgewoond.
Meer informatie over de evenementen van de G30 is te vinden op de website van de G305.
Hoe wordt deze G30 gefinancierd?
Deelt u de mening dat de geheimzinnigheid van deze club de geloofwaardigheid van de onafhankelijke ECB schaadt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De G30 is een organisatie zonder winstoogmerk. De G30 ontvangt financiële steun van een aantal financiële instellingen en van een groot aantal centrale banken binnen en buiten Europa, waaronder ook DNB. De ECB geeft geen financiële steun aan de G30. Een complete lijst van de donateurs kan worden gevonden op de website van de G306. DNB heeft in 2015 op verzoek van de G30 een bijdrage gedaan van USD 10.000 ter ondersteuning van het werkprogramma van de G30, waarin ook een studie naar het toezicht op gedrag en cultuur was opgenomen.
Deelt u de mening dat transparantie absoluut noodzakelijk is voor de legitimiteit en verantwoordelijkheid van publieke instellingen zoals de ECB? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 9.
Verbaast het u ook dat de voorzitter van het ECB zich inlaat met een club waarin banken vertegenwoordigd zijn waarop de ECB juist moet toezien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De ECB heeft in haar rol als centrale bank en toezichthouder toegang tot marktgevoelige en toezichtvertrouwelijke informatie. Als deze informatie publiek wordt, kan dat gevolgen hebben voor de financiële stabiliteit. Om deze reden zijn centrale banken zorgvuldig in hun communicatie naar buiten en is terughoudendheid noodzakelijk. Ik vind het niettemin belangrijk dat de ECB, waar mogelijk, openheid geeft over haar beslissingen, aanbevelingen en zienswijzen. In dit kader is de ECB de laatste jaren transparanter geworden, bijvoorbeeld door het publiceren van de notulen van de monetaire beleidsvergaderingen van het bestuur.
Deelt u de mening van de Europese Ombudsman dat de innige band van toezichterhouder en diegene op wie toezicht wordt gehouden door lidmaatschap bij dezelfde club niet verenigbaar is met onafhankelijkheid van de instelling?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord op vraag 9.
Vindt u het ook problematisch dat de heer Draghi de aanbeveling van de Europese Ombudsman om het lidmaatschap van deze club op te zeggen naast zich neerlegt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om de druk op Draghi op te voeren om zijn lidmaatschap op te zeggen?
Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 2, ben ik het met de Europese Ombudsman eens dat het voor een toezichthouder goed is om in gesprek te zijn met de stakeholders mits dit met gepaste afstand gebeurt. De onafhankelijkheid van een toezichthouder mag hierdoor niet in het gedrang komen. Uit het onderzoek van de Europese Ombudsman is ook niet gebleken dat er sprake is van directe beïnvloeding door de G30 op het toezicht van de ECB.
De Europese Ombudsman heeft bovendien niet zozeer bezwaar tegen deelname van de ECB aan G30 bijeenkomsten, maar vooral tegen het lidmaatschap dat de heer Draghi (op persoonlijke titel) van de G30 heeft, omdat de Ombudsman meent dat daarmee bij het publiek mogelijk de indruk zou kunnen ontstaan dat de onafhankelijkheid van de ECB in het gedrang is.
Ik ben het met de Europese Ombudsman eens dat een eventuele schijn van belangenverstrengeling of afhankelijkheid voorkomen dient te worden. De ECB erkent het belang van de publieke opinie en stelt dat de maatschappelijke perceptie over onafhankelijkheid van ECB als gevolg van de G30 deelname geadresseerd moeten worden. De ECB wil dit adresseren door de transparantie over de G30 te verhogen. De ECB heeft de aanbevelingen van de Europese Ombudsman dan ook aangegrepen om binnen de G30, met succes, te pleiten voor vergroting van transparantie. Zo heeft de G30 recent besloten agenda’s en samenvattingen van plenaire vergaderingen openbaar te maken zodat het publiek actief wordt geïnformeerd over de onderwerpen die in de G30 aan bod komen alsook over de doelstellingen en activiteiten van de groep. Dat vind ik een positieve ontwikkeling.
Crimineel geld in de Amsterdamse huizenmarkt |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat ladingen crimineel geld klaar liggen voor de Amsterdamse huizenmarkt?1
Ja.
Kunt u een inschatting maken hoeveel geld hiermee gemoeid is? Zo nee, bent u bereid dat in kaart te brengen? Hoeveel criminele verhuurders zijn er momenteel? Verwacht u een stijging van deze aantallen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom verwacht u dat niet?
Het artikel spreekt, net als het rapport «Trends en ontwikkelingen» van de politie-eenheid Amsterdam over risico’s, niet over vastgestelde feiten. Er wordt op dit moment door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) onderzoek gedaan naar de aard en omvang van witwassen. Dat onderzoek zal naar verwachting rond de zomer zijn afgerond.
Wat gebeurt er op dit moment om crimineel geld te weren uit de woningmarkt? Bent u bereid maatregelen te treffen zodat de (Amsterdamse) huizenmarkt beter wordt beschermd tegen criminele investeerders en daardoor beter betaalbaar en bereikbaar wordt voor inwoners die een huis willen kopen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De vastgoedsector vormt een (legale) gelegenheidsstructuur die vanuit de onderwereld kan worden misbruikt voor andere doeleinden. Van belang is dan ook om tegen deze vorm van ondermijning zoveel mogelijk barrières op te werpen: strafrechtelijk, fiscaal en (preventief) bestuurlijk, maar ook door bij de branche zelf te appelleren aan eigen verantwoordelijkheid, alertheid en besef van misbruik.
Er worden reeds verschillende maatregelen getroffen om de huizenmarkt te beschermen tegen witwaspraktijken. Zo werkt de politie eenheid Amsterdam binnen het Regionaal Informatie Expertise Centrum (RIEC) onder meer samen met de FIOD, de gemeente Amsterdam (Bibob), Belastingdienst en het Openbaar Ministerie. Binnen het RIEC worden diverse signalen behandeld, die te maken hebben met ondermijning, zo ook signalen (o.a. dubieuze transacties m.b.t. aankoop van vastgoed, vergunningaanvragen etc.) op het gebied van de vastgoedsector. Interventies worden gepleegd daar waar het mogelijk is, bijvoorbeeld strafrechtelijk, bestuursrechtelijk, belastingtechnisch (boekenonderzoek). Ook tegenhouden is een onderdeel van de interventies, zodat criminelen geen kans krijgen om in de bovenwereld te investeren.
Verder zijn op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bepaalde instellingen, waaronder makelaars, banken en notarissen, verplicht ongebruikelijke transacties te onderkennen en te melden aan de Financial Intelligence Unit (FIU)-Nederland. Hierbij gaat het kort gezegd om transacties waarbij een meldingsplichtige instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze transacties verband kunnen houden met witwassen of het financieren van terrorisme. De FIU-Nederland analyseert de meldingen van ongebruikelijke transacties, waarna de FIU-Nederland in bepaalde gevallen tot een verdachtverklaring komt. In dat geval wordt de beschikbare informatie met betrekking tot de verdachtverklaarde transactie verstrekt aan diverse (bijzondere) opsporingsinstanties, inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Met analyses van gemelde ongebruikelijke transacties legt de FIU-Nederland transacties en geldstromen bloot die mogelijk te relateren zijn aan witwassen, financiering van terrorisme en onderliggende gronddelicten. Daarbij kan het ook gaan om het witwassen van geld in bedrijfsmatig vastgoed en op de huizenmarkt.
Makelaars en notarissen zijn daarnaast, eveneens op grond van de Wwft, verplicht om onderzoek te verrichten naar hun cliënt (en, in het geval van makelaars, ook naar de wederpartij van de cliënt). Het cliëntenonderzoek strekt onder meer tot het verzamelen van informatie over de identiteit van de cliënt, diens uiteindelijk belanghebbende(n) en het doel en de aard van de beoogde dienstverlening. Hiermee wordt van de genoemde instellingen verlangd dat zij zich inspannen om te voorkomen dat hun dienstverlening wordt gebruikt voor bijvoorbeeld witwassen.
Speelt de genoemde problematiek ook in andere gemeenten, en hoe wordt het daar voorkomen of aangepakt?
Dat zal blijken uit het onderzoek van het WODC. Daarnaast zullen ook de ondermijningsbeelden die door de diverse RIEC’s in het land momenteel worden opgesteld, iets kunnen zeggen over aard, ernst en omvang van dit fenomeen. Voor de wijze waarop ondermijning binnen de vastgoedsector kan worden voorkomen of bestreden, verwijs ik naar het antwoord op vragen 3 en 5.
Wat doet u aan het witwassen van geld in bedrijfsmatig vastgoed en op de huizenmarkt? Op welke manieren ondersteunt u de Amsterdamse politie in hun strijd tegen malafide investeerders?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft de politie voldoende capaciteit om de witwaspraktijken in de huizenmarkt op te sporen en aan te pakken, zowel in Amsterdam als in andere gemeenten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Binnen de Eenheid Amsterdam is er (net zoals in de andere eenheden) een speciale afdeling die onder andere zelfstandig onderzoek doet naar criminele investeringen in vastgoed. Doordat er bij deze vorm van criminaliteit veelal gebruik wordt gemaakt van internationale constructies, zijn dit complexe onderzoeken die veel capaciteit kosten en een lange doorlooptijd kennen.
Politiecapaciteit is en blijft schaars en de gezagen zullen altijd scherpe keuzes moeten blijven maken over de inzet van de politie. Dit kabinet investeert echter daarom ook in versterking van de politie, onder andere in extra rechercheurs.
Het ‘Ontwerpadvies Energietransitie en werkgelegenheid’ |
|
Zihni Özdil (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het «Ontwerpadvies Energietransitie en werkgelegenheid», waaruit blijkt dat er een tekort aan gekwalificeerd personeel is voor de groene energiesectoren om te voldoen aan de stijgende vraag?1 Zo ja, wat is uw oordeel over dit bericht?
Ja, ik heb kennisgenomen van het advies. Het advies onderstreept nog eens dat de energietransitie zal leiden tot meer werkgelegenheid. Dat betekent dat tienduizenden mensen extra aan de slag zullen kunnen. Dat vind ik positief.
Tegelijkertijd wijst de SER op een uitdaging: de extra banen zullen niet altijd gemakkelijk te vervullen zijn en vergen soms andere vaardigheden. De SER adviseert werkgevers en werkenden om zich hier op voor te bereiden. Ook voor het onderwijs geldt dat het zich tijdig zal moeten aanpassen. Dit advies past bij de inzet van het kabinet op een moderne arbeidsmarkt waarbij ondernemingen en werkenden inspelen op veranderingen. Goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden zijn daarbij essentieel.
Ik ben het eens met de SER dat we – bedrijfsleven, werkenden en de overheid – ervoor moeten zorgen dat mensen die door de energietransitie hun baan dreigen te verliezen snel een nieuwe baan vinden.
In eerste instantie kunnen werkenden weerbaarder worden door een goede voorbereiding op de toekomst en indien nodig om- of herscholing. Daar waar dit niet tot de gewenste resultaten leidt moet er een goed sociaal plan zijn.
Gelukkig zien we dat veel partijen in de praktijk al volop bezig zijn met de uitdagingen van de energietransitie. In het kader van het Nationaal Klimaatakkoord, dat moet leiden tot een halvering van de CO2-uitstoot in Nederland in 2030, gaan alle betrokkenen gezamenlijk bekijken wat aanvullend nodig is. Het advies van de SER vormt een belangrijke input in dat proces.
Kunt u bevestigen dat er voor de energietransitie voldoende gekwalificeerd personeel moet zijn voor werkzaamheden in de groene energiesectoren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) om te investeren in personeel voor de groene energiesectoren op te volgen?
De beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerde mensen is van belang voor het slagen van de energietransitie. Investeringen in mensen zijn mede daarom in het belang van ons allemaal.
De SER beveelt aan dat werkgevers- en werknemersorganisaties initiatieven uitbreiden voor opleiding en omscholing en het realiseren van werk-naar-werk trajecten. Daarnaast beveelt de SER aan dat mbo en hbo samen met ondernemers – en met steun van regionale fondsen – onderwijsprogramma’s ontwikkelen die goed aansluiten op de veranderende arbeidsmarkt in de energietransitie.
De taakgroep Arbeidsmarkt en Scholing is opgezet om de voorzitters van het Klimaatakkoord te ondersteunen op dit thema. In dit verband gaan werkgevers- en werknemersorganisaties, onderwijsinstellingen en andere partijen afspraken maken over hoe zij de benodigde aanpassingen gaan realiseren. Welke rol de overheid daar verder in speelt, zal te zijner tijd worden bezien.
Bent u bekend met het feit dat een groot deel van de statushouders staat te springen om een baan om zo sneller en beter te kunnen integreren in de maatschappij?2 Zo ja, is het waar dat taal een barrière kan vormen voor statushouders bij het vinden van een baan?
Het leren van de Nederlandse taal is belangrijk voor alle aspecten van het leven in Nederland. Dus ook voor het vinden van werk, de uitvoering van het werk, het communiceren met collega’s en de veiligheid op het werk. Daarom wordt er op ingezet dat statushouders zo snel mogelijk de Nederlandse taal leren. Tegelijkertijd is het ook zo dat het leren van de taal vaak het beste gaat in een omgeving waar de taal moet worden toegepast. Dus waar mogelijk moeten het (verder) leren van de taal en werk worden gecombineerd. Onnodige taaleisen kunnen belemmeren en voor werkgevers zijn er mogelijkheden om medewerkers die de taal nog weinig beheersen extra taal te laten leren.
Deelt u de mening dat enkel taal geen barrière zou moeten vormen voor de mogelijkheid tot uitvoering van een praktisch beroep? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat het certificaat Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers (VCA) alleen te behalen is met goede beheersing van de Nederlandse taal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om met de industrie in gesprek te gaan over mogelijkheden om de toegankelijkheid van beroepen in groene energiesectoren te vergroten voor statushouders door bijvoorbeeld het toelaten van een door het bedrijf betaalde tolk bij de afname of het ontwikkelen van een toets die meer visueel dan tekstueel is opgezet?
Het certificaat Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers (VCA) is een privaat certificaat. Opdrachtgevers van werk kunnen het hebben van het VCA als voorwaarde stellen voor opdrachtverlening. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid krijgt vaker signalen dat het examen een onnodige taalbeheersing vereist en gaat ervan uit dat de partijen die werk vragen en aanbieden zelf in staat zijn om te beoordelen of de wijze van examineren tot onnodige belemmeringen leidt en deze belemmeringen weg te nemen. De veiligheid en de gezondheid van de werkenden en andere personen mag daarbij niet uit het oog worden verloren.
De industrie heeft er zelf belang bij dat VCA-certificatie bijdraagt aan veilig werk en tegelijkertijd geen onnodige belemmering vormt voor toegang door werkenden. In de contacten met de industrie zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid differentiatie van certificatie aan de orde stellen.
Klopt het dat er één versie van het VCA-certificaat als kwalificatie-eis wordt gebruikt in de gehele Nederlandse industrie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om met de industrie in gesprek te gaan over mogelijkheden om de toegankelijkheid van specifieke beroepen in groene energiesectoren te vergroten door bijvoorbeeld per sector of functie een certificaat in te stellen?
Zie antwoord vraag 5.
Een werkbezoek aan Schouwen-Duiveland |
|
André Bosman (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van de gemeente Schouwen-Duiveland ten aanzien van het alternatieve tracé voor tractoren die niet over een deel van de N59 mogen rijden?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat alleen over het deel van de N59 wat door de stad Zierikzee loopt er een verbod is om op de N59 te rijden en dat er geen verbod is voor rest van de N59?
Op een groot deel van de N59 geldt in verband met de verkeersveiligheid een verbod voor tractoren. Grotendeels is een parallelweg aanwezig waar tractoren gebruik van kunnen maken. In Zierikzee is geen parallelweg aanwezig; daar maken de tractoren gebruik van de Calandweg. Dit betekent dat niet alleen voor het deel van de N59 dat door Zierikzee loopt een verbod voor tractoren geldt in verband met de verkeersveiligheid. Dit verbod geldt ook voor andere delen van de N59.
Wat is het verschil tussen de delen van de N59 waar wel en niet met de tractoren gereden mag worden?
De delen van de N59 die zijn afgesloten voor tractoren hebben een goede parallelweg of zijn te druk om tractoren veilig te kunnen toelaten. In het «Kwaliteitsnet Landbouwverkeer in Zeeland», in 2011 bestuurlijk vastgesteld door de gezamenlijke wegbeheerders, zijn criteria opgenomen voor het al dan niet toelaten van landbouwverkeer. Criteria zijn onder meer de verkeersdrukte, de aanwezigheid van een goede parallelweg en de ligging ten opzichte van de bebouwde kom.
Bent u bereid, gezien de langlopende discussie over de veiligste routekeuze voor tractoren, om de veiligheidsrisico’s van de verschillende opties onafhankelijk te laten onderzoeken?
In het verleden heeft mijn Ministerie een bijdrage geleverd om de veiligheidsrisico’s van de verschillende routes in beeld te laten brengen. Zo hebben de gemeente en Rijkswaterstaat in 2013 gezocht naar alternatieven. Een alternatief dat als kansrijk naar voren kwam, is in februari 2014 afgewezen door de commissie openbare ruimte van de gemeente Schouwen-Duiveland. In 2016 is vanuit de gemeente wederom een verkenning gestart naar mogelijke alternatieve routes. Rijkswaterstaat heeft destijds aangeboden om mee te denken maar van dit aanbod is toen geen gebruik gemaakt.
Zoals u weet zijn de bestuurlijke afspraken vastgelegd in het «Kwaliteitsnet Landbouwverkeer in Zeeland». Indien het nodig is ben ik bereid om mee te werken aan een nieuw en aanvullend onafhankelijk onderzoek.
Mijn inzet is dat een nieuw onderzoek en eventuele voorstellen uiteraard goed passen binnen de bestuurlijke afspraken en het kwaliteitsnet voor het landbouwverkeer.
Het aangekondigde Britse verbod op plastic rietjes, roerstaafjes en wattenstaafjes |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «UK to ban sale of plastic straws and drinks stirrers that blight the country’s seas and rivers, ministers say»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat plastic rietjes een van de meest gebruikte producten zijn (in Groot-Brittannië jaarlijks zo’n 8,5 miljard stuks, in de VS dagelijks 0,5 miljard2 3, terwijl ze voor de meeste mensen onnodig zijn?
Ik maak mij zorgen over het aantal plastic wegwerpproducten dat in het zwerfafval terecht komt. Daarom juich ik het toe dat het Verenigd Koninkrijk initiatief neemt om plastic rietjes, roerstaafjes en wattenstaafjes te verbieden. In de kabinetsreactie op de transitieagenda’s circulaire economie zal ik nader ingaan op de wijze waarop ik met wegwerpproducten wil omgaan. Ook zal ik daarbij aandacht besteden aan het ontwerp van producten gericht op meer circulariteit en het daarmee voorkomen van zwerfafval.
Weet u hoeveel plastic rietjes in Nederland jaarlijks verkocht worden en hoeveel er daarvan in het milieu terecht komen? Bent u bereid dit na te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het totaalaantal in Nederland op de markt gebrachte rietjes is mij niet bekend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 maak ik mij zorgen over het aantal plastic wegwerpproducten dat in het zwerfafval terecht komt. Ik vind het belangrijk om dit aantal te meten. Monitoring van het zwerfafval wordt jaarlijks in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd volgens het Monitoringprotocol zwerfafval. Volgens Rijkswaterstaat worden rietjes in het kader van de monitoring op het moment niet apart geteld. Wel zijn rietjes opgenomen in een bredere categorie waar ook wegwerp bestek en roerstaafjes onder vallen. Een ruwe schatting van Rijkswaterstaat is dat per jaar ongeveer 70 miljoen voorwerpen binnen deze categorie in het zwerfafval terecht komen, waarvan 10–15% rietjes.
Vindt u het zorgelijk dat rietjes vaak niet in speciale afvalbakken voor plastic terechtkomen, maar in de natuur zoals op het strand en in de zee?4
Uiteraard geldt dat ieder rietje in zee of op het strand er één te veel is. Voor oplossingen kijk ik niet enkel naar rietjes, maar naar zwerfafval in het algemeen. In de Kamerbrief «Naar een circulaire verpakkingsketen»5 van 10 maart 2018 ben ik hierop in gegaan. Daarin heb ik onder meer aangegeven dat ik nog dit jaar met betrokken partijen de Landelijke Aanpak Zwerfafval verder wil vormgeven en uitvoeren. Dit biedt een geschikt platform voor brede samenwerking, het ontplooien van acties en het betrekken van de burger bij het schoon houden van de eigen omgeving. Daarnaast is het zo dat het schoon houden van de openbare ruimte de primaire verantwoordelijkheid van burgers zelf is.
Wat vindt u ervan dat plastic rietjes door hun kleine omvang juist verraderlijke vervuilers zijn die worden opgegeten door zeedieren en vissen?5 Kent u de video van wetenschappers die een drinkrietje uit de neus van een zeeschildpad verwijderen?6
Plastic voorwerpen van kleine omvang vormen inderdaad een bedreiging voor dieren, bijvoorbeeld omdat ze kunnen worden opgegeten. Uiteraard geldt daarmee niet dat de aanpak van zwerfafval beperkt moet worden tot kleine producten. Ik ben bekend met het filmpje.
Deelt u de mening dat de strijd tegen «plastic soep» in zeeën en oceanen niet alleen vraagt om meer recycling, maar juist ook om het bestrijden van de wegwerpcultuur? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een uitgangspunt van mijn beleid is dat plastic afval niet in de zee thuishoort. Om dit te voorkomen richt ik mij op de hele keten van producten, waaronder ontwerp, productie, gebruik, hergebruik en afvalverwerking. Kortom, door in te zetten op een circulaire economie. Hierop zal verder in worden gegaan in het kader van de kabinetsreactie op de transitieagenda’s.
Wat vindt u ervan dat steeds meer landen verschillende plastic wegwerpproducten verbannen, zoals wegwerpbordjes, -bekers en -bestek door Frankrijk7, en dat Costa-Rica zelfs een volledig verbod van wegwerpplastic heeft aangekondigd per 2021?8 Volgt u de onderzoeken naar alternatieven in deze landen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dit een interessante ontwikkeling, die ik nadrukkelijk volg. Ik juich het toe dat ook andere landen maatregelen nemen om het aantal wegwerpproducten in het zwerfafval te verminderen.
Bent u bereid om de verkoop en het aanbieden van plastic wegwerprietjes en plastic roerstaafjes te verbieden om het ontstaan van «plastic soep» tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Plastic rietjes en roerstaafjes beschouw ik als wegwerpproducten. In het kader van de kabinetsreactie op de transitieagenda’s zal ik ingaan op het beleid om het gebruik van wegwerpproducten te verminderen. Ook de Europese Commissie heeft aangegeven wetgeving te zullen voorstellen met betrekking tot plastic wegwerpproducten.10 Initiatieven die het aantal plastic wegwerpproducten in het zwerfafval kunnen reduceren omarm ik. Met de motie Van Eijs/Mulder (Kamerstuk 33 043, nr. 86) is verzocht om producentenverantwoordelijkheid zo snel mogelijk uit te breiden naar andere productgroepen en daarbij als eerste te kijken naar wegwerpproducten, meubels en textiel. Deze motie voer ik uit en ik kom hier in de kabinetsreactie verder op terug.
Het vervolg van de aanpak van schimmelhuizen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bereid om uw antwoord op de 37 sets schriftelijke vragen over woningen met vocht- en schimmelproblemen, inclusief de vragen, door te sturen naar de desbetreffende gemeenten? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik zal de inhoud van de betreffende antwoordbrief van 12 april jl., alsmede van de daaraan ten grondslag liggende vragen, op korte termijn onder de aandacht van de betrokken gemeenten brengen. Gegeven het tijdstip van binnenkomst daarvan, bleek het niet mogelijk de vragen van mevrouw Beckerman nog voorafgaand aan het genoemde algemeen overleg te beantwoorden.
Wilt u deze vragen voorafgaand aan het algemeen overleg Bouwopgave op 25 april 2018 beantwoorden?
Zie antwoord vraag 1.
1,3 miljard euro belastinggeld voor de promotie van Europese waarden |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU zet zinnen op moraalridderfonds»?1
Ja
Deelt u de mening dat het volslagen hypocriet is dat de eurofiele elite, die meermalen heeft laten zien hoe zij met democratische beslissingen zoals referenda omgaat, 1,3 miljard euro wil vrijmaken om democratische waarden te promoten binnen de Europese Unie (EU)? Zo ja, wat gaat u doen om dit voorstel tegen te houden? Zo nee, staat de Minister positief tegenover dit idee?
Deelt u de mening dat de EU, die uitkomsten van referenda negeert, vrijheid van meningsuiting aan banden wil leggen, de pers wil muilkorven en islamisering over Europa afroept, het grootste gevaar is voor de fundamentele waarden waarvoor zij zegt te staan? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan om de Brusselse elite te laten weten dat het tijd wordt dat zij haar morele verhevenheid laat varen en eerst naar zichzelf gaat kijken voordat ze anderen de maat neemt?
Bent u voornemens om in Brussel kenbaar te maken dat er geen cent Nederlands belastinggeld naar dit fonds gaat?