Het falen van de renovatie van de Julianabrug in Urmond |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten over het door Rijkswaterstaat in augustus 2017 gestarte onderhoud aan de brug over het Julianakanaal in Urmond, Limburg en de forse vertraging die hierbij is opgelopen? Zo ja, hoe beoordeelt u het stilleggen en vooralsnog opschorten van het noodzakelijke onderhoud aan deze belangrijke en enige verbindingsbrug tussen twee dorpshelften?1 2
Ja, van deze berichten heb ik kennis genomen. Op basis van de reguliere inspectie aan de brug over het Julianakanaal in Urmond is onderhoud uitgevoerd aan de brug. Tijdens deze werkzaamheden bleek de toestand van onderdelen van de brug slechter dan voorzien. De aanpak van deze onderdelen wordt geprogrammeerd binnen het programma Vervanging en Renovatie. De brug blijft, hetzij met beperkingen, tot vervanging/renovatie in bedrijf. Daarnaast liggen op korte afstand twee andere bruggen over het Julianakanaal.
Hoe kan het dat in eerste instantie opgestart onderhoud op deze wijze opgeschort wordt en nu waarschijnlijk een nieuwe onderhoudsopzet krijgt, waarbij er in de komende vijf jaar beperkt gebruik gemaakt kan worden van de brug en er gedurende twee jaar zelfs sprake zou zijn van afsluiting?
De reguliere inspecties zijn over het algemeen voldoende om onderhoudswerkzaamheden te programmeren. Het kan echter altijd gebeuren dat blijkt dat er meer moet gebeuren dan vooraf ingeschat. Er zal voor brug Urmond dus opnieuw bepaald worden welke aanvullende werkzaamheden nodig zijn. In de planfase, die vooraf gaat aan de werkzaamheden, zal worden bepaald wat de scope (vervanging of renovatie) zal zijn. Of en hoe lang de brug zal worden afgesloten, is nu nog niet bekend. Dat zal afhankelijk zijn van de gekozen oplossing. De brug blijft, hetzij met beperkingen, tot vervanging/renovatie in bedrijf.
Deelt u de mening dat het niet redelijk is om inschattingsfouten over het noodzakelijke onderhoud aan de brug en het daarvoor beschikbare – en nu schijnbaar uitgeputte – budget af te wentelen op de gemeenschap en de regio die ook sterk afhankelijk zijn van deze brugvoorziening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 2. De brug is alleen voor zwaar vrachtverkeer (> 30 ton) afgesloten. Voor dergelijk verkeer geldt een omleidingsroute van 8 minuten. Voor het overige wegverkeer blijft de brug beschikbaar maar wordt deze beperkt tot 1 rijstrook met een verkeersregelinstallatie. Voor het fietsverkeer blijft de brug geheel beschikbaar. De benodigde middelen voor de werkzaamheden programmeer ik binnen het Infrastructuurfonds. Van afwenteling is dan ook geen sprake. Wel ben ik mij er van bewust dat de situatie tijdens de te overbruggen periode vervelend is voor de omwonenden en hinder met zich mee zal brengen. Tegelijkertijd is een zorgvuldige afweging nodig om de beste oplossing te bepalen. Dat kost tijd. Door de brug (met beperkingen) in bedrijf te houden voor het grootste deel van het verkeer worden de negatieve effecten zo klein mogelijk gehouden.
Deelt u de opvatting dat de sociale en economische effecten voor dit dorp, door de langdurige splitsing tussen de twee delen, te fors en disproportioneel zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dit voor het onderhoudsplan?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhouden de extra rijksmiddelen voor onderhoud aan dergelijke infrastructurele voorzieningen zich tot de noodzakelijke kosten om dit onderhoud, binnen redelijke tijd en zonder langdurige afsluiting, alsnog plaats te laten vinden?
De extra werkzaamheden zullen worden geprogrammeerd en uitgevoerd binnen het programma Vervanging en Renovatie. In de planfase, die vooraf gaat aan de werkzaamheden, zal worden bepaald wat de scope (renovatie of vervanging) zal zijn en wat de werkelijke uitvoeringsperiode aan deze brug zal zijn. De scope is ook bepalend voor de benodigde financiële middelen en de duur van de werkzaamheden.
Bent u bereid om in overleg te treden met Rijkswaterstaat om te bezien op welke wijze voortzetting van noodzakelijk onderhoud wel in redelijkheid en in afstemming met betrokkenen plaats kan vinden? Zo nee, waarom niet?
Er heeft reeds overleg met Rijkswaterstaat plaatsgevonden, evenals overleg tussen Rijkswaterstaat en de gemeente Stein.
De fiscale behandeling van compensatie van schade door aardbevingen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de brief van kandidaat-notaris Straatman?1
Ja.
Wat is uw reactie op de voorstellen in de brief?
In mijn brief van 10 april 2018, als reactie op uw Kamervragen van 2 maart 2018, heb ik geantwoord dat een recht op schadevergoeding op de peildatum deel kan uitmaken van de rendementsgrondslag van box 3. Of er daadwerkelijk belasting is verschuldigd is afhankelijk van de voorwaarden voor de schadevergoeding en de feiten en omstandigheden van de individuele belastingplichtige. Zo geldt voor box 3 een heffingvrij vermogen van € 30.000 per belastingplichtige en dus bij fiscale partners € 60.000. Indien het totale box 3 vermogen onder dit heffingvrije vermogen blijft, is er in ieder geval geen belasting verschuldigd.
Zolang niet vaststaat dat recht bestaat op een schadevergoeding maakt de vordering geen deel uit van de rendementsgrondslag van box 3. Dit wijzigt op het moment dat er recht bestaat op een schadevergoeding, deze vordering behoort wel tot de rendementsgrondslag van box 3. Die vordering moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer. Tot het moment waarop de omvang van het recht op schadevergoeding vaststaat, heeft een dergelijke vordering in de praktijk weinig of geen waarde. Als de omvang van het recht op schadevergoeding is vastgesteld, staat de waarde van de vordering vast en maakt daarmee deel uit van de rendementsgrondslag van box 3.
De stelling dat belastingplichtige vermogensrendementsheffing in box 3 verschuldigd is terwijl volstrekt onduidelijk is of er recht bestaat op een vergoeding dan wel recht bestaat op een vergoeding maar de hoogte van de vergoeding onduidelijk is, berust op een misvatting.
Volgens de door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) gepubliceerde werkwijze wordt twee weken na het besluit over de schadevergoeding het verschuldigde bedrag overgemaakt (aannemende dat gekozen is voor een geldbedrag ter compensatie). Daarmee lijkt een situatie dat er mogelijk belasting betaald moet worden terwijl er nog geen vergoeding is overgemaakt zich in de praktijk nagenoeg niet voor zal doen.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen is dat mensen vermogensrendementsheffing in box 3 zouden moeten betalen als zij slechts een mogelijke schadevergoeding in het vooruitzicht hebben, terwijl het 1] volstrekt onduidelijk is of mensen een vergoeding krijgen, 2] onduidelijk is wat de hoogte ervan is als deze vergoeding wordt toegekend en 3] er betaald zou moeten worden terwijl het geld nog niet op de rekening staat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het om grote bedragen kan gaan – de schades aan huizen zijn soms immers enorm – waardoor het naast onredelijk voor mensen ook praktisch niet op te brengen is?
De aardbevingen door de gaswinning in Groningen grijpen diep in op het dagelijkse leven van bewoners van het gebied waar de aardbevingen plaatsvinden. Bewoners worden geconfronteerd met schade aan hun woning en ervaren onzekerheid over de toekomst. Het is op dit moment niet bekend of en in welke mate gedupeerden uiteindelijk geconfronteerd worden met een belastingheffing over het inkomen uit box 3 als gevolg van de schadevergoeding.
De inschatting is dat het met de schadevergoeding gemoeide geldbedrag in de meerderheid van de gevallen beneden de € 10.000 ligt. Dit neemt niet weg dat er zich gevallen kunnen voordoen waarin de schadevergoeding daadwerkelijk invloed heeft op de te betalen vermogensrendementsheffing.
De TCMG heeft haar eerste schadebetalingen gedaan en naarmate zij meer zaken behandelt krijgt zij meer inzicht in de omvang van eventuele fiscale gevolgen. Tegelijkertijd houden de Minister van Economische Zaken en Klimaat en ik de ontwikkelingen op dit vlak scherp in de gaten. De aspecten zoals benoemd komen daarbij aan de orde. Zoals ik in mijn brief van 10 april 2018 op uw eerdere Kamervragen heb geantwoord, overweeg ik niet om een specifiek fiscaal beleidsbesluit te nemen. Met u ben ik van mening dat onzekerheden voor zowel burgers als bedrijven vervelend zijn en daarom zal samen met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat worden verkend hoe deze onzekerheden verder kunnen worden weggenomen.
Wat vindt u van de suggestie dat mensen gedurende een reëel tijdvak sowieso niet geconfronteerd zouden moeten worden met belastingheffing over het vermogen; er moeten immers aannemers en soms ook architecten worden gezocht en het is toch onredelijk mensen in de tussentijd voor de compensatie fiscaal aan te slaan?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid uw standpunt in de beantwoording op eerdere Kamervragen2 te heroverwegen en toch een specifiek fiscaal beleidsbesluit te nemen dat Groningers met schade tegemoet komt en onzekerheden wegneemt?
Zie antwoord vraag 4.
Het verkopen van tv-series aan video-on-demandbedrijven door de publieke omroep |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Publieke omroep verkoopt tv-series aan streaming-diensten»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de experimenten inhouden waarbij de NPO tv-series en documentaires gaat aanbieden aan video-on-demandbedrijven?
De NPO staat toe dat omroepen voor een beperkt aantal oudere titels – maximaal vijf gelijktijdig per dienst – voor beperkte tijd een non-exclusieve licentie verlenen aan video-on-demanddiensten. Licenties lopen tot uiterlijk 1 januari 2020.
Kunt u aangeven welke overeenkomsten met KPN, Videoland en Netflix zijn gesloten en of nog meer overeenkomsten gaan volgen?
Het betreft op dit moment overeenkomsten tussen vijf omroepen, te weten BNNVARA, KRO-NCRV, AVROTROS, EO en VPRO, en KPN, Videoland en Netflix. Of er hierna nog overeenkomsten volgen, hangt volgens de NPO af van de ervaringen.
Welke mogelijkheden ziet u in het licht van het dienstbaarheidsverbod, zoals opgenomen in artikel 2.141 van de Mediawet 2008?
Het ter beschikking stellen van programma’s die in het kader van de publieke taak zijn gemaakt en uitgezonden betreft de exploitatie van rechten. Dat is een nevenactiviteit die valt binnen het kader van het gezamenlijke rechtenbeleid dat onder coördinatie van de NPO wordt gevormd en uitgevoerd. Hiervoor is een rechtenentiteit opgericht. De raad van bestuur van de NPO toetst vooraf of de exploitatie van media-aanbod mogelijk strijdig is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke omroep. De raad van bestuur doet dat aan de hand van de eigen Beleidslijn Nevenactiviteiten NPO 2012.
Daarnaast is het denkbaar dat publieke omroepen buiten de publieke taak om programma’s voor derden gaan produceren. Ook dat is een nevenactiviteit.
Alle nevenactiviteiten behoeven op grond van de Mediawet 2008 voorafgaande goedkeuring van het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat toetst of een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de publieke mediaopdracht, gerelateerd is aan het media-aanbod, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is. Het Commissariaat hanteert daarvoor de Beleidsregel Nevenactiviteiten 2016. Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het Commissariaat toestemming verleend voor het oprichten van de rechtenentiteit en de exploitatie van onverkort media-aanbod buiten de publieke mediaopdracht. Behalve de specifieke nevenactiviteiten-toets geldt ook het dienstbaarheidsverbod onverkort. Dat verbod ziet op alle activiteiten van een publieke omroep, dus zowel op de hoofdtaak als op de nevenactiviteiten. Ook bij nevenactiviteiten geldt dat op grond van het dienstbaarheidsverbod omroepen normaal economisch dienen te handelen en zich niet dienstbaar mogen opstellen voor de commerciële belangen van derden. Ook hier houdt het Commissariaat toezicht op.
Wat is de reden dat wordt gestart met deze experimenten, waarbij ervan wordt afgeweken om alle programma's exclusief op de eigen platforms aan te bieden?
Exploitatie van rechten is als mogelijke optie genoemd in het kader van het vergroten van de eigen inkomsten van de publieke omroep, zowel in het BCG-onderzoek van 2013 als het recente onderzoek van EY van 17 november 2017.2 Volgens de NPO wordt beoogd te onderzoeken welke gevolgen licentieverlening heeft voor de hoofdtaak en wat de financiële waarde van oudere programma’s is. Op basis daarvan wil de NPO beoordelen in welke mate licentieverlening doelmatig is en voldoet aan de inschattingen in de genoemde onderzoeken.
Welke gevolgen verwacht u dat deze ontwikkeling heeft voor de eigen platforms van de NPO en de platforms van de Nederlandse commerciële zenders?
Dat kan ik niet beoordelen. In elk geval zal de uitvoering van de hoofdtaak van de publieke omroep er niet onder mogen lijden.
Kunt u aangeven of welke manier u betrokken bent bij deze ontwikkeling en wat u van deze ontwikkeling vindt?
Ik heb de NPO gevraagd om te kijken welke mogelijkheden voor inkomstenvergroting benut kunnen worden. Exploitatie van rechten is één van de mogelijkheden. De NPO maakt echter zelf de keuzes. Het is daarbij de verantwoordelijkheid van de NPO en omroepen om rekening te houden met de publieke taak en de geldende wet- en regelgeving.
Hebben de experimenten een relatie met het Europese concept-wetvoorstel waarbij minstens 30% van het videoaanbod van bijvoorbeeld Netflix en Amazon Prime moet bestaan uit Europese series of films? Zo ja, welke?
Nee, er is geen relatie.
Klopt het dat BNNVARA niet alleen exclusieve series voor zichzelf wil gaan produceren, maar ook voor diensten als Netflix en Amazon Prime? Zo ja, wat vindt u hiervan?2
BNNVARA heeft het voornemen om de productie van dramaseries te reorganiseren door het vormen van een intern productiehuis. Uit het bericht begrijp ik dat dit vooralsnog gericht is op de productie voor de eigen omroep en de publieke taak en dat exclusieve productie voor derden nu niet aan de orde is. Mocht BNNVARA op enig moment willen produceren voor derden, dan verwacht ik dat dat gebeurt binnen de kaders van de wet met toetsing en toezicht door het Commissariaat.
Het bericht ‘NVWA bevestigt besmetting bruinrot in snijroos’ |
|
Helma Lodders (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NVWA bevestigt besmetting bruinrot in snijroos»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bruinrot (Ralstonia solanacearum) voor grote schade kan zorgen op diverse tuinbouwbedrijven? Zo nee, waarom niet?
Ja, Ralstonia solanacearum is een bacterieziekte die over het algemeen, zonder passende maatregelen, aanzienlijke schade in het gewas kan veroorzaken met als gevolg productieverlies en verstoring van de afzet voor de betreffende teler of ondernemer.
Bent u bekend met het feit dat reeds in 2015 een achttal Nederlandse bedrijven slachtoffer zijn geworden van de bacterie Ralstonia solanacearum?
Ja.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger en uzelf reeds sinds 2015 in onderhandeling zijn met genoemde bedrijven over het eventueel toekennen van een schadevergoeding?
Nee, mijn voorganger en ik zijn niet in onderhandeling (geweest) met de getroffen bedrijven over een eventuele toekenning van een schadevergoeding. Wel voeren sinds 2015 het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en enkele sectororganisaties in de plantaardige sector overleg om te komen tot afspraken om fytosanitaire risico’s in het algemeen te beperken. Daarbij wordt gesproken over de eigen verantwoordelijkheid van de sector om preventieve maatregelen te ontwikkelen om plantenziekten te voorkomen en het realiseren van een vorm van een risicoafdekking bij schade indien zich toch een plantenziekte voordoet. Ik wil de sector ondersteunen door samen met de sector te onderzoeken welke ruimte er binnen het kabinetsbeleid en Europese en nationale wet- en regelgeving gevonden kan worden om tot realisatie van een risicoafdekking door de sector zelf te komen.
Verwacht u op korte termijn de genoemde ondernemers duidelijkheid te kunnen geven over het wel of niet toekennen van een schadevergoeding? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat in maart 2018 een uitspraak gedaan is door het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin is geoordeeld dat er voor deze bedrijven geen tegemoetkoming in de schade mogelijk is op basis van de Plantenziektenwet? Zo ja, wat is de precieze onderbouwing van de uitspraak?
Ja, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft op 15 maart 2018 uitspraak gedaan in één van de zaken van rozentelers die in beroep zijn gegaan tegen de afwijzing van het verzoek tot een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2018:60).
Het CBb heeft het beroep ongegrond verklaard omdat het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler behoort dat zijn bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van een plantenziekte. Tegemoetkoming in de schade kan worden verleend op grond van artikel 4 Plantenziektenwet indien de omstandigheden zodanig zijn dat de schade als gevolg van de aangezegde maatregelen onevenredig zwaar op het bedrijf drukt (nadeelcompensatie). Het CBb oordeelt dat van die omstandigheden in deze zaak niet is gebleken.
In zijn overweging heeft het CBb meegewogen het feit dat Ralstonia solanacearum een groot en steeds toenemend aantal waardplanten (planten die gevoelig zijn voor deze ziekte) kent. Het CBb heeft geoordeeld dat het feit dat deze plantenziekte in rozen op voorhand niet te verwachten viel niet als een buitengewone omstandigheid gezien kan worden. De verwachting is dat de beroepen in de overige bij het CBB aanhangige zaken eveneens zullen worden afgewezen.
Klopt het dat genoemde rozentelers op basis van EU-Verordening nr. 702/2014 aanspraak kunnen maken op steun voor het herstel van geleden schade? Zo nee, waarom is genoemde verordening niet van toepassing op deze casus?
Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 bevat het kader waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Dit biedt de mogelijkheid tot het verlenen van financiële steun door een lidstaat aan ondernemers die verliezen hebben geleden, veroorzaakt door plantenziekten, mits voldaan wordt aan de voorwaarden in artikel 26 van deze verordening. Het is een nationale beleidsafweging of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Nederland heeft hier niet voor gekozen en keert geen schadevergoeding uit aan bedrijven die schade hebben geleden als gevolg van rechtmatige maatregelen die de NVWA oplegt om bevestigde plantenziekten te bestrijden.
De reden hiervoor is dat ik van mening ben dat in dit geval sprake is van omstandigheden die tot het normale bedrijfsrisico behoren.
Was de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de hoogte van besmettingen van tuinbouwbedrijven met Ralstonia solanacearum voor de uitbraak in 2015?
Ja, Ralstonia solanacearum is eerder op tuinbouwbedrijven gevonden in Nederland o.a. in Curcuma (een sierplant).
Klopt het dat de bron rondom besmettingen met Ralstonia solanacearum nog steeds niet is gevonden? Op welke manier wordt dit onderzocht? Op welke termijn kunnen resultaten van dit onderzoek worden verwacht?
Dat klopt. Er is een verwantschapsanalyse uitgevoerd waaruit bleek dat de besmettingen in roos vermoedelijk één oorspronkelijke bron hebben. De NVWA heeft een aantal mogelijke bronnen onderzocht maar zonder resultaat. Ralstonia solanacearum kan op vele manieren in de rozenteelt zijn geïntroduceerd. Nederlandse bedrijven importeren grote aantallen rozen (snijbloemen en plantmateriaal) en andere planten en plantaardige producten waarmee Ralstonia solanacearum kan zijn geïntroduceerd.
Onderzoek heeft ook aangetoond dat het rozenisolaat nauw verwant is aan isolaten gevonden in verschillende plantensoorten in verschillende landen in Afrika en Azië.
De strijd tegen onderbetalende gemeenten in de thuiszorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat aantoont dat nog steeds heel veel gemeenten te lage tarieven hanteren voor de thuiszorg?1
Ja.
Hoe verhoudt zich uw recente uitspraak dat alle onrust over gemeenten die onder de prijs voor thuiszorg duiken niet gegrond is tot het bericht dat maar een handvol gemeenten een brutotarief betaalt boven de 25 euro, zoals blijkt uit een overzicht dat NRC heeft verkregen van 250 gemeenten die dit jaar of volgend jaar onder de algemene maatregel van bestuur vallen om te komen tot een reëel tarief voor de thuiszorg?2
Het vaststellen van lokale tarieven vergt zorgvuldig onderzoek naar de kostenopbouw voor de specifiek gecontracteerde diensten. Dat is het uitgangspunt van het Besluit reële prijs: gemeenten dienen lokaal in kaart te brengen met welke kosten aanbieders op grond van de gestelde gemeentelijke kwaliteitseisen te maken hebben en daar hun tarief op te baseren.
Door sociale partners, VNG en VWS is een regiegroep monitoring ingericht die als taak heeft om de zorgvuldige implementatie van het Besluit reële prijs door gemeenten en aanbieders te bevorderen. Eén van de taken van de regiegroep is het zorgvuldig onderzoeken van (onderbouwde) signalen van de zijde van aanbieders en gemeenten die duiden op het (mogelijk) onjuist toepassen van het besluit. Tijdens het Algemeen Overleg Wmo / Mantelzorg / Hulpmiddelenbeleid op 15 maart heb ik aangegeven dat er tot dat moment 7 signalen van een vermeende onjuiste toepassing van het Besluit Reële prijs waren onderzocht vanuit de regiegroep. Inmiddels zijn daar enkele nieuwe signalen bij gekomen. Daarmee zijn tot op heden in totaal 13 signalen, met de hiervoor benoemde zorgvuldigheid, onderzocht. Deze signalen hadden betrekking op 27 gemeenten.
Uit de onderzoeksbevindingen komt een genuanceerd beeld naar voren. Voor vrijwel alle onderzochte gemeenten is gebleken dat men ten behoeve van de tariefstelling aan de slag is gegaan met de vereisten vanuit het Besluit reële prijs. Voor een aantal meldingen is geconstateerd dat er, in afwijking van de signalen, door gemeenten volledig is voldaan aan vereisten vanuit het Besluit reële prijs. Voor een aantal andere meldingen is vastgesteld dat er door gemeenten nog niet volledig is voldaan aan de vereisten vanuit het Besluit reë
In het artikel wordt nu gesteld dat 250 gemeenten te lage tarieven hanteren omdat de tarieven in deze gemeenten lager dan 25 euro zijn.
De opzet van de vergelijking uit het artikel verzet zich tegen het belangrijkste uitgangspunt van het Besluit reële prijs: lokaal maatwerk in de tariefbepaling door een zorgvuldig onderzoek naar de lokale kostenopbouw. De gehanteerde ondergrens van 25 euro wordt ook niet verder inhoudelijk onderbouwd. Alvorens conclusies te kunnen trekken dient in de specifieke situatie onderzoek te worden gedaan. Om die reden is ook een regiegroep ingericht en is in goed overleg met betrokkene partijen een werkwijze ingericht waarin dit uitgangspunt van zorgvuldige (lokale) factfinding, alvorens conclusies te trekken, centraal staat. De conclusie in het artikel strookt niet met het beeld dat ik thans heb vanuit de onderzoeken die tot op heden hebben plaatsgevonden vanuit de regiegroep monitoring reële prijs. Op basis van mijn huidige inzicht kan ik de conclusie in het NRC-artikel niet onderschrijven.
Hoe oordeelt u over de constatering in het artikel dat door de lage tarieven thuiszorgorganisaties niet in staat zijn om verbetering aan te brengen in lonen en arbeidsvoorwaarden van thuiszorgmedewerkers? Deelt u deze zorgen?
Ik onderschrijf het belang van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden voor thuiszorgmedewerkers. Sociale partners hebben hier het primaat in. Het is vervolgens aan gemeenten en aanbieders om hier bij de tariefstelling goede afspraken over te maken. Dat is niet vrijblijvend. Gemeenten zijn op grond van het Besluit reële prijs verplicht om bij de tariefstelling rekening te houden met de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaardelijke afspraken die sociale partners maken. Op basis van de onderzoeksbevindingen vanuit de regiegroep monitoring reële prijs zie ik tot op heden geen aanleiding tot genoemde zorgen over de mogelijkheden die aanbieders hebben om verbetering aan te brengen in lonen en arbeidsvoorwaarden voor thuiszorgmedewerkers.
Recent is het in het Besluit reële prijs voorziene evaluatieonderzoek gestart naar de toepassing van het dit besluit door gemeenten en aanbieders. In dit onderzoek wordt over meerdere jaren bezien hoe gemeenten en aanbieders invulling geven aan het Besluit reële prijs. De eerste tussentijdse resultaten uit dit onderzoek zijn volgens plan begin 2019 beschikbaar.
Bent u bereid de regiegroep, die eerder signalen onderzocht heeft, te verzoeken contact op te nemen met bezorgde vakbonden en thuiszorgorganisaties om er zo voor te zorgen dat alle gemeenten de juiste tarieven gaan hanteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De regiegroep bestaat uit een vertegenwoordiging van de FNV, de CNV, BTN, Actiz, de VNG, het Netwerk Directeuren Sociaal Domein en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het is aan de betrokken partijen om signalen vanuit hun achterbannen aan te dragen bij de regiegroep. De regiegroep kan op basis van deze signalen gezamenlijk bezien of er voldoende aanleiding bestaat om nader onderzoek te laten verrichten.
Ik ben nog met alle betrokken partijen in gesprek over de voortzetting van de regiegroep. Bij de oprichting van de regiegroep in september 2017 is afgesproken dat de regiegroep gemeenten en aanbieders tijdelijk ondersteunt bij de implementatie van het Besluit reële prijs. Aanvankelijk was afgesproken dat de werkzaamheden van de regiegroep per 1 april 2018 zouden worden beëindigd. De betrokken sociale partners hebben recent voorgesteld om de regiegroep nog langer in stand te houden. Ik heb daar begrip voor. In overleg met alle partijen bezie ik momenteel welke concrete afspraken hierover gemaakt kunnen worden. Ik hoop dat overleg nog deze maand goed af te kunnen ronden.
Het bericht dat het aantal jonggehandicapten zonder uitkering snel stijgt |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Ken u het bericht dat het aantal jonggehandicapten zonder uitkering snel stijgt?1
Kent u het bericht dat het aantal jonggehandicapten zonder uitkering snel stijgt2
Ja.
Is de stijging van het aantal jonggehandicapten zonder baan en zonder uitkering inderdaad een gevolg van de Participatiewet? Deelt u de mening dat zit zeer onwenselijk is?
Ik vind het ontzettend belangrijk dat ook jonggehandicapten die kunnen werken, kans hebben op werk en dat ze daarbij ondersteuning krijgen. Werk betekent namelijk veel. En ook jonggehandicapten kunnen veel betekenen voor werkgevers. Ik ben dan ook blij dat scholen, gemeenten, ouders en begeleiders, met ondersteuning van het Rijk, zich er volop voor inzetten om te zorgen dat jongeren die extra begeleiding nodig hebben als ze de arbeidsmarkt op komen, niet uit het oog worden verloren. Bij de beantwoording van vraag 5 hier onder leest u meer over de ondernomen acties. Eerst de huidige situatie die aanleiding zijn voor uw vragen:
Uit de rapportage van Toezicht Sociaal Domein (TSD) waaraan het artikel in de Volkskrant refereert blijkt dat het aantal jongeren dat aan het werk gaat vanuit VSO-/Pro-/MBO-Entree-onderwijs in 2016 t.o.v. 2014 is gestegen. Dat geldt voor alle drie de onderwijstypen. Vooral de jongeren in het praktijkonderwijs vinden de laatste jaren makkelijker een baan. Uit recent onderzoek van SEO blijkt dat 18-jarige jonggehandicapten als gevolg van de Participatiewet iets vaker een baan vinden dan vroeger onder de Wajong. Dat is dus goed nieuws.3
Uit de cijfers van TSD blijkt een groei in het aantal schoolverlaters dat geen werk en ook geen uitkering heeft. 3.900 personen hadden in 2016 3 maanden na uitstroom uit het onderwijs geen werk of uitkering (32% van de schoolverlaters). Dat is een groei van 400 personen t.o.v. 2014.
Het is van belang dat deze jongeren niet thuiszitten en geholpen worden om aan het werk te gaan. Deze groep kan een beroep doen op gemeenten voor arbeidsondersteuning, ook als ze geen uitkering ontvangen. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten Vso/Pro-schoolverlaters, met en zonder uitkering, goed in beeld hebben en dat er geïnvesteerd wordt in de arbeidsondersteuning van deze groep. Uit ervaringsonderzoek onder cliënten blijkt dat een derde van de jongeren met een arbeidsbeperking en uitkering Participatiewet aangeeft arbeidsondersteuning te hebben ontvangen. Voor de niet-uitkeringsontvangers in deze groep was dit een kwart. Dit is meer dan de helft van de niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die aangeklopt hebben bij de gemeenten voor ondersteuning.4
Deelt u de mening dat de economische zelfstandigheid van gehandicapte jongeren tot 27 jaar op deze manier ondergraven wordt?
Nee, zie antwoord op vraag 2. Er komen meer jongeren aan het werk en zij kunnen een beroep doen op gemeenten voor arbeidsondersteuning.
Waarom slagen gemeenten er niet in om deze groep aan het werk te helpen? Wordt hier meer onderzoek naar gedaan?
Gezien de onderzoeken genoemd in mijn antwoord op vraag 2 deel ik die mening niet. We weten dat gemeenten investeren in de arbeidsondersteuning aan jongeren met een arbeidsbeperking en arbeidsvermogen en dat deze jongeren vaker een baan vinden. Uit cliëntenonderzoek blijkt ook dat de meerderheid van de jonggehandicapten zonder uitkering die geholpen is de ondersteuning zinvol vond en van mening is dat de kans op werk erdoor is toegenomen. Uit onderzoek van o.a. de Inspectie SZW blijkt wel dat jongeren die na werk weer uitvallen en schoolverlaters met een arbeidsbeperking die niet afkomstig zijn van Vso/Pro scholen, minder goed in beeld zijn en daardoor niet de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben om aan het werk te komen, en waar zij wel bij gemeenten een beroep op kunnen doen.
Welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat jonggehandicapten alsnog geholpen worden door de gemeenten?
Uit mijn antwoord op vraag 4 blijkt dat vooral jongeren die niet afkomstig zijn van Vso/Pro scholen en jongeren die na werk weer uitvallen minder goed in beeld zijn bij gemeenten. In de brief aan uw Kamer in december 2017 over de uitvoering Participatiewet heb ik al gewezen op de belangrijke rol van de regionale meld- en coördinatiefunctie van gemeenten (RMC’s) bij het in beeld krijgen van deze groep tot 23 jaar. Om jongeren tot 23 jaar die geen startkwalificatie hebben in beeld te brengen, zijn de betrokken wethouders gevraagd om met elkaar afspraken te maken over de samenwerking tussen de RMC’s en de diensten Werk en Inkomen. Deze afspraken zijn opgenomen in het vierjarige regionale programma voortijdig schoolverlaten.
Ook is in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en op verzoek van gemeenten een functionaliteit ontwikkeld waarmee gemeenten via bestandskoppelingen maandelijks geleverd krijgen welke jongeren van 23–27 jaar geen startkwalificatie hebben, niet staan ingeschreven in het onderwijs, niet werken en geen uitkering ontvangen. Gemeenten kunnen deze jongeren benaderen en een leerwerk-traject aanbieden op grond van de Participatiewet. In maart, april en mei 2018 hebben 19 gemeenten de functionaliteit getest. De eerste ervaringen zijn positief en daarom kunnen ook alle andere gemeenten aansluiten. Gemeenten zijn geïnformeerd over de aanmeldprocedure, o.a. via «Gemeentenieuws van SZW» en regionale contactpersonen van SZW en OCW.
Via het project Ingeschakeld ondersteunen en stimuleren we vanaf september 2017 ook de samenwerking tussen werkgevers, scholen en gemeenten. Door succesvolle voorbeelden van samenwerking te verzamelen en breed onder de aandacht te brengen. En door concreet aan de slag te gaan in de regio om werkgevers- en scholennetwerken en gemeenten aan elkaar te koppelen.
Onderkent u dat gemeenten er geen belang bij hebben om jongeren, die niet uitkeringsgerechtigd zijn, aan werk te helpen? Wat onderneemt u om deze perverse prikkel uit het systeem te halen?
Gemeenten hebben de algemene verplichting om via een verordening beleid te formuleren voor de arbeidsondersteuning aan niet-uitkeringsgerechtigden. Het is aan de gemeenteraden om er op toe te zien dat dit beleid wordt uitgevoerd.
Ook voor kwetsbare jongeren zonder uitkering hebben gemeenten er uit maatschappelijk en financieel oogpunt belang bij om deze jongeren aan het werk te helpen. De kans is anders reëel dat deze jongeren op termijn wel een beroep doen op een uitkering en/of dat deze jongeren een beroep doen op andere (gemeentelijke) voorzieningen. Uit een studie van Cedris en SBCM blijkt bijvoorbeeld dat beschut werk belangrijke financiële en immateriële baten oplevert voor de persoon, zijn directe omgeving en de samenleving als geheel.5
Bent u bereid gehandicapten een wettelijk recht te geven op begeleiding van en bij werk, scholing en aanpassing van de werkplek?
Jonggehandicapten, waaronder niet-uitkeringsgerechtigden, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het is dus aan de gemeenten om te bepalen welke vorm van ondersteuning iemand krijgt. Dit is maatwerk en past in een gedecentraliseerd stelsel.
Wanneer wordt het rapport van het Toezicht Sociaal Domein naar de Kamer gestuurd? Wilt u dit rapport voorzien van een beleidsreactie?
Het betreft hier nog geen rapport maar een infographic waarin de positie van Vso, Pro en Mbo-entree jongeren die het onderwijs verlaten, is geanalyseerd. De infographic is het vertrekpunt voor het onderzoek dat TSD in 2018 gaat uitvoeren onder de doelgroep en enkele gemeenten en scholen. Dit rapport zal begin 2019 in afstemming met het Ministerie van VWS door TSD naar buiten worden gebracht. Na aanbieding van dat eindrapport zal zo spoedig mogelijk een beleidsreactie naar de Tweede Kamer gestuurd worden.
Kent u het artikel «Het UWV bepaalt wat iemand kan, maar de criteria zijn vaag»?2 Kunt u een reactie daarop geven en daarbij tevens ingaan op de uitspraak van De Groot Heupner dat «(d)e beoordeling (...) niet meer (is) dan een ongrijpbare schatting. Het UWV geeft geen enkele onderbouwing bij hun oordeel»?
Ja, ik ken het artikel.
Met het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet, zijn de criteria voor arbeidsvermogen in de Wajong vastgelegd. De toelichting bij dit besluit bevat een uitgebreide beschrijving van de vier criteria voor het toetsen op arbeidsvermogen: (1) een taak kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie; (2) basale werknemersvaardigheden bezitten; (3) een uur aaneengesloten kunnen werken; (4) ten minste vier uur per dag belastbaar zijn of ten minste twee uur per dag belastbaar én het minimumloon per uur kunnen verdienen.
De door UWV gehanteerde methode is ontwikkeld in samenwerking met professionals, is wetenschappelijk onderbouwd en wordt breed gedragen door de uitvoerende professionals. UWV heeft om beter inzicht te bieden in hoe deze beoordeling plaatsvindt het Compendium Participatiewet, wat de status heeft van werkinstructie en naslagwerk, beschikbaar gemaakt voor derden. UWV beoordeelt op een aantal criteria, brengt in beeld wat de huidige mogelijkheden en beperkingen zijn en geeft aan of zij verwacht dat dit een duurzame situatie is. Dit samen bepaalt of iemand in aanmerking komt voor de regeling. Minder jongeren komen in aanmerking voor een Wajong uitkering sinds de invoering van de Wajong 2015 en de striktere criteria. Dit is het achterliggende doel geweest van beleid: meer jongeren (met arbeidsvermogen) komen in aanmerking voor een indicatie banenafspraak en worden via de gemeenten geholpen richting werk.
Wanneer gaat u in op het verzoek van de NVVG, de vereniging van verzekeringsartsen, om de criteria voor de Wajong te evalueren op werkbaarheid, meetbaarheid en objectiviteit?
Deze evaluatie heeft reeds plaatsgevonden. Conform een toezegging aan de Eerste Kamer op een vraag van het lid Sent, heeft UWV onderzoek gedaan naar de wijze waarop de beoordeling arbeidsvermogen in de praktijk loopt. Mijn ambtsvoorganger heeft op 27 juni 2017 de Eerste en Tweede Kamer reeds over de uitvoerbaarheid van het nieuwe beoordelingscriterium «arbeidsvermogen» geïnformeerd en het betreffende rapport aan beide Kamers aangeboden.
Hoe en wanneer geeft u uitvoering aan de breed aangenomen motie (Kamerstuk 31 497, nr. 188) uit april 2016 over een Wajong-uitkering voor ernstig, meervoudig gehandicapte kinderen?
Met de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting Wajong ga ik in op de motie van het lid Siderius, waarbij uw Kamer mij oproept om in de Wajong een voorziening te treffen waarbij ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen, die op een cluster 3-onderwijsinstelling ingeschreven staan, aanspraak op een Wajong-uitkering kunnen maken. Ik ben voornemens de beleidsdoorlichting, voorzien van een kabinetsreactie voor de zomer aan uw Kamer aan te bieden.
Bent u bereid een einde te maken aan het dumpen van gehandicapten en chronisch zieken in de bijstand en in plaats daarvan de Wajong in ere te herstellen?
Met de Participatiewet heeft het kabinet ervoor gekozen om te komen tot een inclusieve arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat als gevolg van de Participatiewet meer jonggehandicapten aan het werk zijn, ze vaker voor een vervolgopleiding kiezen en minder in contact komen met justitie. Dit zijn positieve uitkomsten. De werking van de Participatiewet wordt uitvoerig gemonitord. De Kamer wordt jaarlijks over de uitkomsten daarvan geïnformeerd.7 De eindevaluatie van de Participatiewet is voorzien eind 2019.
Ik neem overigens afstand van het begrip «dumpen van gehandicapten». Ik streef naar een situatie waarin gehandicapten kunnen meedoen, een inclusieve samenleving. Daar past dat begrip niet bij.
De Tweede Kamer aangaande de agenda van de informele Ecofinraad van 27 en 28 april 2018 te Sofia |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom de Kamer de agendastukken van de informele Ecofinraad van 27 en 28 april 2018 pas vrijdag 27 april om 9.21 uur ontving, terwijl de Ecofinraad al om 8.00 uur begon?1 2
De informele Ecofin begon op 27 april om 13:00 lokale tijd in Sofia, Bulgarije, met een informele lunch.3 De Eurogroep begon die dag om 9:00.
Nederland zet zich in voor het vergroten van transparantie in Europese besluitvorming. In het geval van de informele Ecofin is het uiteindelijk aan het voorzitterschap om te bepalen wanneer de stukken die het hiervoor opstelt openbaar worden gemaakt. Zo zijn bij de informele Ecofin die door Nederland was georganiseerd onder Nederlands voorzitterschap in de eerste helft van 2016 de stukken van tevoren openbaar gemaakt. In de aanloop naar deze informele Ecofin heeft Nederland meerdere malen bij het huidige Bulgaarse voorzitterschap aangedrongen op vroege publicatie van de stukken. Hierbij heeft het Bulgaarse voorzitterschap gekozen voor publicatie op de dag dat de informele Ecofin in de middag startte. Bij andere informele bijeenkomsten van ministers van de EU onder dit voorzitterschap lijkt publicatie van voorbereidende papers niet de praktijk geweest te zijn. Informele bijeenkomsten zijn geen besluitvormende of wetgevende lichamen van de EU en dienen ter gedachtewisseling.
Ontving u de agendastukken eerder dan het moment van publicatie van het Bulgaars voorzitterschap? Zo ja, wanneer precies?
De volledige set aan stukken voor de vergadering zijn op de dag van het algemeen overleg woensdag 18 april in de middag aan de lidstaten verstuurd. Bij een normale, wetgevende, Ecofinraad worden de voorliggende stukken ook verspreid via het delegates portal waartoe de Kamer ook toegang heeft. Voor informele Ecofins wordt hier in de regel geen gebruik van gemaakt omdat dit geen formele overleggen zijn.
Kunt u aangeven hoe u deze bijeenkomst voorbereidt wanneer de stukken pas na start van de bijeenkomst beschikbaar zijn?
De agenda en de te bespreken onderwerpen zijn over het algemeen vroegtijdig bekend en zijn vaak ook geen verassing omdat in de Ecofinraad de actuele relevante onderwerpen besproken worden. Ook zonder de uiteindelijke stukken verdiept Nederland zich in de verschillende onderwerpen en bepaalt haar inzet. De discussievragen die door het voorzitterschap bij de informele Ecofin worden opgesteld dienen vooral om de discussie te voeden.
Welke ambtelijke voorbereiding en afstemming over de agenda is er tussen het algemeen overleg over de Eurogroep/Ecofinraad/IMF van 18 april 2018 en de uiteindelijke informele raad geweest? Kunt u de Kamer een overzicht sturen? Zo nee, waarom niet?
Er is na het algemeen overleg met de Kamer geen overleg of afstemming geweest gericht op de agenda van de informele Ecofin.
Op welke wijze heeft u de vragen beantwoord die bij de «questions for discussion» van de vijf issue notes door het Bulgaars voorzitterschap waren geformuleerd? Kunt u aangeven waarom u die inzet niet heeft toegezonden aan de Kamer?
De discussievragen die door het voorzitterschap bij de informele Ecofin worden opgesteld dienen om de discussie te voeden en worden niet stelselmatig afgelopen tijdens de vergadering zelf. Een weergave van de Nederlandse inbreng tijdens de Informele Ecofin vindt u terug in het verslag van de informele Ecofin.
Waarom zijn de stukken over de Capital Markets Union (CMU) en van het Centre for European Policy Studies (CEPS), respectievelijk met publicatiedata van 10 april en 9 april 2018, niet eerder met de Kamer gedeeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook hier geldt dat het uiteindelijk aan het Bulgaarse voorzitterschap is om te bepalen wanneer de stukken die worden opgesteld voor de informele Ecofin openbaar worden gemaakt. Nederland heeft in de aanloop naar de informele Ecofin meerdere malen aangedrongen bij het voorzitterschap op vroege publicatie van de stukken. Hierbij heeft het voorzitterschap gekozen voor publicatie op de dag dat de informele Ecofin in de middag startte.
Erkent u dat de Kamer op deze wijze geen goed gesprek met u en de regering over Europese raden kan hebben, omdat zij onvoldoende op de hoogte wordt gesteld over de inhoudelijke vragen die voorliggen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en vooral wanneer is dit democratische tekort opgeheven?
Via de geannoteerde agenda voor Europese vergaderingen wordt voorafgaand aan de Eurogroep en Ecofinraad de agenda gedeeld, een inzicht gegeven in de te bespreken onderwerpen en waar mogelijk een weergave gegeven van de stukken, voor zover die reeds zijn ontvangen. Daarnaast is elke keer voorafgaand aan de Eurogroep en Ecofinraad een Algemeen Overleg (AO) met de Kamer. Ook ontvangt de Kamer elke keer na afloop een verslag. Nederland is wat dat betreft een van de lidstaten die zich inzet voor het vergroten van transparantie in Europese besluitvorming en democratische verantwoording.
Komen de stukken voor Ecofinraden – al dan niet informeel – sinds de nieuwe voorzitter de heer Centeno later of eerder dan onder het voorzitterschap van de heer Dijsselbloem? Kunt u een overzicht geven?
De heer Centeno is de voorzitter van de Eurogroep en niet de Ecofinraad. De Ecofinraad wordt, net als elke andere Raad, voorgezeten door de Minister uit het land dat voorzitter is van de Raad van de Europese Unie (EU). Dit wisselt elk half jaar en op dit moment is dat Bulgarije. De Minister van Financiën van Bulgarije is zodoende de voorzitter van de Ecofinraad.
Toen Nederland in de eerste helft van 2016 voorzitter was van de Raad van de EU is er speciale aandacht besteed aan het vergroten van transparantie. Zo zijn bij de informele Ecofin die door Nederland was georganiseerd wel de stukken van tevoren openbaar gemaakt.
Ten aanzien van de Eurogroep heeft Nederland zich altijd hard gemaakt voor meer transparantie en zal dit ook blijven doen. Om transparantie van de Eurogroep te vergroten zijn de afgelopen jaren in de Eurogroep verschillende afspraken gemaakt.4 Zo worden geannoteerde agenda’s van Eurogroepen vooraf gepubliceerd, wordt na afloop van een Eurogroep een samenvattende brief gepubliceerd, en worden documenten ter voorbereiding op thematische discussies in principe voor de Eurogroep en na bespreking in de Eurogroup Working Group (EWG) gepubliceerd.
Wat zijn de mooie woorden over de wil tot transparantie waard als de Kamer pas de agendastukken ontvangt als een Ecofinraad al begonnen is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet deelt het belang dat het parlement hecht aan de versterking van transparantie van de Europese besluitvorming. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om de Kamer altijd tijdig en zo volledig mogelijk te informeren over Europese besluitvorming binnen de juridische kaders waaraan alle EU-lidstaten en instellingen gebonden. Zo ontvangt de Kamer voorafgaand aan de Eurogroep en Ecofinraad een geannoteerde agenda waarmee getracht wordt de Kamer zo goed en volledig mogelijk te informeren over wat er tijdens de vergaderingen wordt besproken. Daarnaast heeft de Kamer de gelegenheid om met de Minister en Staatssecretaris van Financiën voorafgaand aan de Eurogroep en Ecofinraad via een openbaar AO over de Nederlandse inzet van gedachte te wisselen en vragen te stellen. Ook ontvangt de Kamer elke keer na afloop een verslag.
Nederland heeft zich altijd hard gemaakt voor meer transparantie in Europese besluitvorming en zal deze proactieve agenda blijven voeren in de Raad.
Het ETS in het kader van het rapport Groene groei van het CBS |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Groene groei van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?1
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland in 2016 ten opzichte van 2005 een reductie van slechts 4,3% in de ETS2 (Emissions Trading System)-sectoren heeft behaald, ver onder het Europese gemiddelde van 27%?
De prikkels vanuit het ETS om bij te dragen aan CO2-reductie zijn voor Nederlandse energieproducenten en de energie-intensieve industrie beperkt. Dit komt doordat de energiecentrales en bedrijven in Nederland op Europese schaal erg efficiënt zijn en in sterke mate exportgeoriënteerd zijn.
Botst de Europese ETS-richtlijn (2021–2030) waarin bepaald wordt om emissierechten (bij een te groot overschot) op te kopen en toe te voegen aan de markstabilisatiereserve (MSR) of vanuit het MSR terug naar de markt te laten vloeien (bij een te klein overschot) met het Nederlandse voornemen uit de Fiscale Beleidsagenda om vanaf 2020 een minimum CO2-prijs te hanteren voor bepaalde sectoren? Zo nee, waarom niet?3
De maatregelen botsen niet. Met de MSR wordt het overschot aan emissierechten op de markt teruggedrongen, door ze niet te verkopen maar in een reserve op te nemen. Het doel daarvan is het stabieler maken van de markt. Daarnaast wordt vanaf 2023 een deel van de emissierechten in de MSR vernietigd. De nationale minimum CO2-prijs voor elektriciteitsopwekking moet gezien worden als maatregel specifiek gericht op het bieden van zekerheid over de CO2-kosten van de emissies van elektriciteitsopwekking binnen het ETS. De maatregel beprijst CO2-uitstoot in Nederland in aanvulling op het ETS. De minimumprijs bestaat uit een combinatie van de CO2-prijs die volgt uit het ETS en een aanvullende nationale CO2-heffing. De minimumprijs is vooraf vastgesteld waardoor, naarmate de ETS-prijs toeneemt, de nationale heffing zal dalen.
Hoe wordt bepaald hoe groot het jaarlijkse overschot aan emissierechten is, waarvan een gedeelte in de MSR wordt opgenomen (2021–2030)?4
Het overschot aan emissierechten wordt bepaald door het verschil tussen de totale hoeveelheid emissierechten die in circulatie zijn gebracht en de totale hoeveelheid emissies gemeten vanaf 2013.
Leiden de transacties van de MSR (2021–2030) tot een vaste Europese ETS-prijs of een prijs met een bepaalde vastgestelde groeiontwikkeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is die prijs, dan wel de vastgestelde groeiontwikkeling?
Met de MSR wordt gestuurd op de hoeveelheid emissierechten in circulatie en niet op een bepaalde CO2-prijs.
Deelt u de mening dat een bindende reductiedoelstelling (dus niet gebaseerd op een prijsmechanisme) veel effectiever en daarmee wenselijker is dan systemen die uitgaan van een prijsmechanisme (zoals het ETS of zoals het invoeren van minimumprijzen)? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Het ETS werkt weliswaar met een CO2-prijs die op de markt tot stand komt, maar haalt op effectieve wijze de bindende reductiedoelstelling: 21% emissiereductie in 2020 ten opzichte van 2005 en 43% in 2030 ten opzichte van 2005 voor de bedrijven gezamenlijk die onder de reikwijdte van het ETS vallen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de Fiscale Beleidsagenda op 17 mei 2018?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De Nederlandse deelname aan de Iran Oil Show |
|
Sadet Karabulut (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de deelname van Nederlandse bedrijven aan het Holland-Paviljoen op de Iran Oil Show?1
Ja.
Deelt u de mening dat deelname van Nederlandse bedrijven haaks staat op een klimaatbeleid waarin afscheid wordt genomen van fossiele energieopwekking?
In het Parijs Akkoord hebben we internationale klimaatdoelen voor de lange termijn vastgelegd. Het bereiken van deze doelen vergt een ambitieus klimaatbeleid. Internationaal hebben landen met elkaar afgesproken dat elk land een eigen invulling geeft aan de benodigde transitie. Tijdens de transitie zullen fossiele brandstoffen nog een belangrijke, maar steeds verder afnemende rol spelen om te voorzien in de mondiale energiebehoefte. Het is aan individuele bedrijven om te bepalen aan welke internationale bijeenkomsten zij willen deelnemen.
Nederlandse bedrijven dragen bij aan de Nederlandse ambitie op klimaatgebied en de energietransitie, onder meer door deelname aan de gesprekken over het nationaal klimaatakkoord.
Deelt u de mening dat om klimaatverandering tegen te gaan steun vanuit Nederland bij de exploitatie van Iraanse gasvelden ongewenst is in het kader van het Nederlands klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van Nederlandse overheidssteun aan de exploitatie van Iraanse gasvelden. Het is aan Iran om te bepalen hoe het de doelen van Parijs wil bereiken en hoe het de benodigde transitie vormgeeft. Voor bedrijven geldt dat zij er verstandig aan doen om in hun hele bedrijfsmodel te anticiperen op de benodigde transitie, zonder dat dit overigens betekent dat er niet meer geïnvesteerd kan worden in de winning van fossiele brandstoffen
Op welke wijze ondersteunt u bedrijven op deze beurs? Kunt u een overzicht geven van bedrijven die directe financiële ondersteuning ontvangen indien directe financiële ondersteuning wordt geboden?
De Nederlandse overheid biedt geen directe financiële steun aan individuele bedrijven.
Vanuit de overheid wordt via de lokale ambassade de beurs gesteund door middel van het organiseren van een netwerk event. De ambassade verleent soortgelijke assistentie aan Nederlandse bedrijven die oplossingen bieden op het gebied van o.m. duurzame energie en water.
Bent u bereid om in het kader van een coherent en effectief klimaatbeleid uw steun en dat van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan Dutch Energy Solutions en het FME-programma dat gericht is op het veroveren van de Iraanse gasmarkt2, stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Nederlandse energiesector is een belangrijke economische sector die innovatieve producten en diensten biedt waarmee kan worden bijgedragen aan een duurzame(re) exploitatie en productie van energie, zowel op het terrein van hernieuwbare energie als fossiele brandstoffen.
Onderdeel van het programma Partners International Business (PIB) van Dutch Energy Solutions voor Iran is het onderzoeken van mogelijkheden tot vermindering van CO2-uitstoot, onder meer door toepassing van wind- en zonne-energie op installaties.
Kunt u een overzicht geven van directe en indirecte ondersteuning aan de internationale promotie van de Nederlandse olie- en gassector?
Nederland biedt actieve ondersteuning aan de internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland, waaronder bedrijven in de energiesector. Daarbij wordt onder meer in beperkte mate gebruik gemaakt van het economisch instrumentarium binnen de ontwikkelingssamenwerking-portefeuille en het handelsinstrumentarium.
Bij verschillende handelsinstrumenten vindt een IMVO-beoordeling plaats. Zo maakt bijvoorbeeld bij het Dutch Trade and Investment Fund een (I)MVO-beoordeling integraal onderdeel van de financieringsaanvraag. Deze toetsing werkt ondersteunend aan projecten op het terrein van hernieuwbare energie. Voorts kan het voorkomen dat bij handelsmissies aandacht uitgaat naar zakelijke mogelijkheden binnen de energiesector.
Ook binnen de ontwikkelingssamenwerking-portefeuille zijn verschillende instrumenten beperkt inzetbaar voor de ontwikkelingen van de olie- en gassector, zoals het programma voor ontwikkelingsrelevante infrastructuurontwikkeling ORIO (inmiddels Develop2Build en Drive), de Private Sector Development Apps, het Dutch Good Growth Fund, de financiering van fossiele energieprojecten door ontwikkelingsbank FMO en de subsidieregeling voor demonstratieprojecten, haalbaarheids- en investeringsvoorbereidingsstudies. Het merendeel van deze projecten is gericht op training, verbeterde wet- en regelgeving bij de ontwikkeling van de energiesector en veelal ook ondersteuning van een energietransitie op langere termijn.
De failliet verklaarde Ipadscholen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending «Ondernemer in het onderwijs» van 25 april jl. gezien?1
Ja.
Klopt de bewering dat de Ipadscholen met het concept van Onderwijs 4 Nieuwe Tijd een voorkeursbehandeling kregen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Hebben zich in de aanvraagprocedure bijzonderheden voorgedaan?2
Van een voorkeursbehandeling is geen sprake. De onderhavige scholen zijn gesticht met inachtneming van de wettelijke bepalingen voor schoolstichting (artikel 73 e.v. van de Wet op het primair onderwijs). Conform die bepalingen zijn de scholen op het plan van scholen van de gemeente Amsterdam geplaatst nadat die gemeente op grond van de bij de aanvraag overgelegde gegevens had vastgesteld dat aannemelijk was te achten dat de voor de gemeente geldende stichtingsnorm zou worden gehaald. Dit plan van scholen is vervolgens door mijn ambtsvoorganger beoordeeld en goedgekeurd. Dit vond plaats op grond van artikel 79 van de Wet op het primair onderwijs waarin limitatief is opgesomd wanneer goedkeuring moet worden onthouden. Er was op basis van deze wettelijke bepaling geen grond aanwezig om goedkeuring te weigeren.
Van de zijde van het Ministerie van OCW, de PO-Raad, de VO-raad en het Ministerie van EZ bestond interesse voor de scholen in het kader van het zogenoemde doorbraakproject. Het betreft hier een breed onderzoek naar gepersonaliseerd leren met ICT waarmee het ministerie kennis wil opdoen over de werking van uitgangspunten uit innovatieve onderwijsconcepten zoals gebruik van adaptieve software, inzet van tablets en leerlinggestuurd leren3. Een van de onderhavige scholen is meegenomen in dat onderzoek.
Verder is, mede in overleg met uw Kamer, bezien of het wenselijk zou zijn om, in het kader van gepersonaliseerd leren met ICT, experimenten toe te staan waarbij de wettelijk voorgeschreven onderwijstijd flexibeler kan worden ingevuld4. Hiervan is uiteindelijk op advies van de Raad van State afgezien.
Bent u voornemens om bij de oprichting van nieuwe scholen, beter vooraf te toetsen of het onderwijsconcept is gebaseerd op deugdelijk onderzoek, zodat er garanties zijn dat het onderwijs kwalitatief gezien op orde is? Kunnen er lessen getrokken worden uit deze casus voor het wetsvoorstel Nieuwe ruimte voor nieuwe scholen?
Het voornemen is om in het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen een kwaliteitstoets te introduceren. Volgens dat wetsvoorstel wordt een aanvraag tot het starten van een nieuwe school nog voor de start getoetst op deugdelijkheidseisen die inzicht geven in de te verwachten kwaliteit van een school.
Kent u het artikel «Schoolstichting Maurice de Hond failliet verklaard»? Hoe kan het dat de Stichting Onderwijs 4 Nieuwe Tijd na oktober 2016 negen maanden lang onderwijsgeld heeft gekregen voor Ipadschool De Voorsprong zonder daar onderwijs te verzorgen?
Ja, het aangehaalde artikel is mij bekend. Alvorens de bekostiging in te trekken of te verlagen, wordt in gevallen als het onderhavige eerst een onderzoek ingesteld naar de financiële rechtmatigheid en de naleving van bij of krachtens onderwijswetten gegeven voorschriften (zie artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht). Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de inspectie van het onderwijs. In het onderhavige geval is dat onderzoek ingesteld naar aanleiding van de mededeling van het bestuur dat op de onderhavige school – iPadschool De Voorsprong – nog slechts één leerling stond ingeschreven die tijdelijk elders onderwijs volgde. Deze mededeling is gedaan tijdens een gesprek in het kader van het aangepast financieel toezicht op 15 februari 2017. Desgevraagd heeft het bestuur op 1 maart 2017 een nadere toelichting gegeven welke voor de inspectie aanleiding vormde nog diezelfde maand een onderzoek in te stellen.
Na het doorlopen van de hoor- en wederhoorprocedure is het rapport van het onderzoek op 1 juni 2017 vastgesteld en op 4 juli 2017 openbaar gemaakt. Rond dezelfde tijd maakte het bestuur door middel van een 29 juni 2017 gedateerd formulier zelf melding van de opheffing van de school per 1 augustus 2017. In de tussentijd was de procedure voor intrekking en terugvordering van bekostiging in gang gezet, maar de voorgeschreven stappen in die procedure lieten geen ruimte voor stopzetting van de bekostiging vóór 1 augustus 2017, de datum die het bestuur zelf al had opgegeven als datum van opheffing van de school. Conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de procedure namelijk ingeleid met het voornemen tot het nemen van een besluit waarop het schoolbestuur een zienswijze kan geven. Daarvoor laat DUO schoolbesturen een termijn van vier weken. Gevoegd bij de voorbereidingstijd van het voorgenomen en het definitieve besluit, liet de procedure daarmee geen ruimte voor stopzetting van de bekostiging vóór 1 augustus 2017. In het kader van die procedure is vervolgens de bekostiging teruggevorderd over de 9 maanden dat de school geen onderwijs had verzorgd. Hiertegen heeft het bestuur een bezwaarschrift ingediend dat nog in behandeling is.
Wist de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dat er sinds oktober 2016 op de betreffende school nog maar één leerling stond ingeschreven? Zo nee, hoe kan dat? Zo ja, heeft DUO hierover contact gezocht met het schoolbestuur en de Inspectie van het Onderwijs? Wat is er vervolgens gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 4. Alvorens de bekostiging in een geval als het onderhavige te kunnen intrekken, dient eerst een onderzoek van de inspectie plaats te vinden als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht.
Waarom wist de inspectie pas half februari 2017 dat de school gesloten was en dat er nog één leerling ingeschreven stond, terwijl het schoolbestuur al maanden onder aangepast financieel toezicht stond? Waarom heeft de inspectie vervolgens pas eind maart een onderzoek ingesteld naar de bekostiging?
Het schoolbestuur stond sinds september 2016 onder aangepast financieel toezicht. Van de onderhavige school was bij de inspectie bekend dat deze in afbouw was. Op teldatum 1 oktober 2016 stonden nog vijf leerlingen ingeschreven, zodat geen aanleiding bestond voor een onderzoek naar de bekostiging. Die aanleiding diende zich pas aan toen het bestuur de inspectie op 15 februari 2017 meedeelde dat nog slechts één leerling stond ingeschreven die tijdelijk elders onderwijs volgde. Naar aanleiding daarvan heeft de inspectie opheldering gevraagd. Omdat er onvoldoende duidelijkheid kwam, heeft de inspectie vervolgens op 21 maart 2017 besloten niet langer te wachten en per direct een onderzoek in te stellen naar de beëindiging van de onderwijsactiviteiten en naar de bekostiging van de school. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4 is het rapport van dat onderzoek, na het doorlopen van de hoor- en wederhoorprocedure, op 1 juni 2017 vastgesteld en op 4 juli 2017 openbaar gemaakt.
Waarom liet DUO de bekostiging voor De Voorsprong nog tot en met juli 2017 doorlopen in afwachting van het inspectierapport, terwijl in februari/maart al duidelijk was dat de school gesloten was? Bent u bereid de procedures rondom het terugvorderen van middelen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 4 en 5. De handelwijze van DUO was in overeenstemming met de hier toepasselijke procedure.
Kent u het artikel «Failliete schoolbestuur De Hond laat lege boedel achter?»3 Is het mogelijk om nog een deel van de 196 duizend euro schuld aan DUO terug te vorderen, zodat het bedrag weer in het onderwijs gestoken kan worden?
Onder verwijzing naar het besluit waarbij het genoemde bedrag is teruggevorderd bij het bestuur, heeft DUO inmiddels een vordering ingediend bij de curator. Of een deel van het bedrag kan worden terugontvangen is afhankelijk van het verdere verloop van het faillissement.
Het bericht 'Streep door 2500 studentenwoningen na ‘verraad’ ministerie' |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend het artikel «Streep door 2500 studentenwoningen na «verraad» ministerie»?1
Ja.
Is het waar dat de plannen voor uitbreiding van Uilenstede zijn vormgegeven samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (later Infrastructuur en Waterstaat)? Wat was de inbreng van het ministerie?
Nee. In de voorbereidingsfase heeft enkele keren overleg plaatsgevonden tussen het toenmalige Ministerie van IenM en de gemeente Amstelveen. Door IenM is tijdens deze overleggen aangegeven aan welke aspecten in een vvgb-aanvraag aandacht moet worden besteed om te komen tot een volledige aanvraag, zodat de afweging van de vvgb-aanvraag goed zou kunnen worden gemaakt. Daarnaast is bij ieder overleg expliciet aangegeven dat pas een standpunt over de vvgb-aanvraag inzake het plan Kronenburg zou worden ingenomen op grond van een ingediende en complete vvgb-aanvraag.
Klopt het dat de plannen voor uitbreiding van Uilenstede nu door datzelfde ministerie zijn afgewezen? Zo ja, op welke gronden? Hoe kan het dat het ministerie plannen mee ontwikkelde waarover de eigen Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) stelt: «Het aantal woningen, ook al zijn het tijdelijke studentenkamers, is zo buiten proportie van wat is toegestaan dat zowel wat betreft veiligheid als gezondheid van toekomstige bewoners risico’s ontstaan»?
Ja. De Minister van IenW heeft haar bevoegdheid om vvgb-aanvragen te beoordelen gemandateerd aan de ILT. Voor dit plan moest een vvgb worden aangevraagd omdat niet werd voldaan aan het maximale aantal woningen toegestaan in dit gebied. Het plan behelst namelijk een uitbreiding van Uilenstede met maximaal 2.500 studentenwoningen waar er op basis van het wijzigingsbesluit LIB maximaal 25 zijn toegestaan. De ILT heeft de vvgb-aanvraag beoordeeld. Vanwege het beroep op bijzondere omstandigheden, en het besef dat het een complexe opgave betreft, heeft de ILT een bredere belangenafweging gemaakt. De ILT heeft besloten de verklaring niet af te geven op grond van risico’s voor veiligheid (groepsrisico) en gezondheid (geluidhinder) als gevolg van het vliegverkeer van- en naar Schiphol. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Vindt u dat de rijksoverheid zich met deze gang van zaken een betrouwbare partner heeft getoond?
Ja.
Deelt u de observatie dat er sprake is van woningnood in de regio Amsterdam, zowel in het algemeen als meer specifiek voor studenten? Wat vindt u ervan dat een belangrijk bouwproject na jarenlange voorbereiding wordt gefrustreerd door een weifelende rijksoverheid?
Ja, de regio Amsterdam kent een grote behoefte aan woningen, voor alle doelgroepen. De wens om zoveel mogelijk woningen bij te bouwen zal steeds moeten worden afgewogen tegen andere belangen. Voor een beoordeling van bouwprojecten zijn de criteria zoals opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) het uitgangspunt. Daarin is ook opgenomen dat in geval van bijzondere omstandigheden een verklaring van geen bezwaar kan worden aangevraagd. Er is geen sprake van een weifelende rijksoverheid, maar het toepassen van regelgeving en het maken van een nadere afweging of er redenen zijn die het toestaan van het project rechtvaardigen. Dit in het besef dat het een complexe opgave betreft. In de beoordeling van de vvgb voor Kronenburg is in het bijzonder het belang van studentenhuisvesting afgewogen tegen het belang van gezondheid (geluidhinder) en veiligheid (groepsrisico) als gevolg van het vliegverkeer van- en naar Schiphol. Bij deze beoordeling heeft het belang van gezondheid en veiligheid zwaarder gewogen dan het belang van woningbouw. De gemeente Amstelveen heeft hier bij het opstellen van de vvgb-aanvraag een andere weging in gemaakt. Momenteel is het bezwaar van de gemeente Amstelveen tegen de weigering een vvgb te verlenen in behandeling. Dit zal conform het LIB en de Awb-regels worden afgehandeld.
Hoe beoordeelt u de kwalificatie «verraad» van de gemeente Amstelveen? Snapt u dat de gemeente teleurgesteld is?
Deze kwalificatie laat ik bij de gemeente Amstelveen. Uiteraard is er begrip voor de teleurstelling van de gemeente; het tegengaan van kantorenleegstand, het in stand houden van de leefbaarheid en het toevoegen van studentenhuisvesting in een gebied zo dichtbij Schiphol leiden tot een complexe opgave. De Minister van IenW en de Minister van BZK hebben gegeven de grote vraagstukken die er in het gebied spelen daarom samen met de gemeente Amstelveen gesproken. Door de Minister van IenW is vervolgens aan de gemeente Amstelveen voorgesteld in ORS-verband aandacht te vragen voor de wens meer variatie in soorten woonbestemmingen mogelijk te maken, zodat de ORS zich hierover ook kan uitspreken in het advies inzake de middellang termijn oplossing voor het vraagstuk wonen en vliegen.
Wat gaat u doen om te zorgen dat er alsnog voldoende studentenwoningen in de regio Amsterdam worden gebouwd?
De Minister van BZK werkt samen met de Minister van OCW en met gemeenten, onderwijsinstellingen, studentenhuisvesters en studentenvertegenwoordigers aan een nieuw actieplan en convenant studentenhuisvesting, waartoe ook is opgeroepen via de motie Futselaar/Ozdil. Een regionale/lokale benadering staat hierin voorop; de verantwoordelijkheid voor het zorgdragen voor voldoende huisvesting is daar neergelegd. Vanuit BZK en OCW zal onder andere worden ingezet op het verbeteren van de cijfermatige inzichten, zodat alle partijen over een gedeeld beeld beschikken van de opgaven en de mogelijkheden in het aanbod. Uw Kamer wordt hierover voor de zomer 2018 nader geïnformeerd.
Verwaarloosde veiligheidsmaatregelen in en om munitieopslagplaatsen van Defensie |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer, op welke datum, hebt u het besluit genomen alle munitieopslagen langs de strengste norm te gaan controleren en indien nodig aan te passen?1
De eisen waaraan de bliksembeveiligingsinstallatie op de munitiecomplexen van Defensie moet voldoen, zijn vastgelegd in het «Voorschrift opslag en behandeling ontplofbare stoffen en voorwerpen MP 40-21». Dit voorschrift is in 2015 zodanig aangepast dat deze eisen naast nieuwbouw ook van toepassing zijn op bestaande munitiemagazijnen. In de praktijk is er daarna onduidelijkheid ontstaan over de interpretatie van de eisen over de wijze waarop de bliksembeveiliging mag worden uitgevoerd bij bestaande bouw. Om hieraan een einde te maken is op 23 april jl. besloten dat alle munitiemagazijnen aan de nieuwste norm moeten voldoen.
Welke bevindingen van de 89 tekortkomingen zijn nog niet verholpen, en van de grotendeels al verholpen bevindingen? Kunt u dat toelichten?
De geconstateerde tekortkomingen betreffen voornamelijk infrastructurele voorzieningen, keuringen van gereedschappen en apparatuur, aanwezige kennis van regelgeving en correcte opslag. De belangrijkste geconstateerde tekortkoming betreft de bliksembeveiligingsinstallaties.
De tekortkomingen die de lokale verantwoordelijken van Defensie zelf konden aanpakken zijn opgelost. Zo zijn reparaties uitgevoerd aan luchtbehandelingsinstallaties, markeringsborden vervangen of geplaatst, drempelplaten voorzien van aardkabels en is een calamiteitencentrum verplaatst. Voor het oplossen van de infrastructurele tekortkomingen op onder meer keuringen en bliksembeveiliging (overspanningsbeveiliging) is Defensie afhankelijk van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). De aanpassing van de bliksembeveiliging betreft een groot aantal oude bunkers waarvan de complexe bliksembeveiligingsinstallaties moeten worden aangepast of vervangen. Dit vereist ingrijpende verbouwingen die zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Op dit moment wordt hiervoor, in nauwe samenwerking met het RVB, een plan van aanpak opgesteld en voorgelegd aan de I-SZW.
Daarnaast inventariseert het RVB momenteel of de tekortkomingen in de bliksembeveiliging zich ook op andere munitiecomplexen voordoen. Deze inventarisatie zal naar verwachting in juli 2018 worden voltooid. Tot die tijd worden, in nauw overleg met I-SZW, voorzorgs- en herstelmaatregelen genomen, zodat het werk op een veilige manier kan worden uitgevoerd. Dit uitgangspunt staat uiteraard altijd voorop.
Naast de verbetertrajecten per locatie wordt een defensiebreed verbetertraject opgestart die zich onder meer richt op regelgeving, opleidingen en kennis. Gezien de omvang van dit traject zal dit enige tijd in beslag nemen.
Wanneer denkt u alle geconstateerde problemen verholpen zijn? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Defensie Materieel Organisatie (DMO) de boetes doorgestuurd aan het Rijksvastgoedbedrijf? Zo ja, zijn deze boetes door het Rijksvastgoedbedrijf voldaan? Zo nee, waarom niet en wie heeft ze uiteindelijk betaald?2
Nee, het vorige Nadere Uitwerking Opdrachtgeversconvenant Defensie (NUOD) met het RVB voorzag niet in het kunnen doorsturen van boetes, derhalve heeft Defensie deze voldaan. Het NUOD is recent aangepast, waardoor boetes nu wel worden verrekend.
Deelt u de constateringen van de Volkskrant dat de samenwerking tussen relevante onderdelen van Defensie (met namen de DMO) en het Rijksvastgoedbedrijf niet goed genoeg is om het veiligheidsvraagstuk op het hoogste niveau te kunnen behandelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt de samenwerking van DMO met het Rijksvastgoedbedrijf vormgegeven? Denkt u dat die samenwerking kan zonder overleg met Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en IL&T? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het Defensie Ondersteuningscommando is namens Defensie de reguliere gesprekspartner van het RVB. Er is voldoende ruimte om elkaar aan te spreken op verantwoordelijkheden. Veiligheidsvraagstukken worden dan ook zonder belemmeringen besproken. Overleg tussen Defensie, het RVB en de inspecteurs van I-SZW en IL&T vindt plaats op basis van de resultaten van de inspecties. Daarnaast vindt er periodiek op hoog ambtelijk niveau overleg plaats over de samenwerking.
Acht u het op basis van deze ervaringen wenselijk de coördinatie van de onderhoudsverantwoordelijkheid (thans bij het Rijksvastgoedbedrijf) en aansprakelijkheid voor ongelukken (DMO) anders te gaan organiseren? Zo ja, hoe en wanneer wilt u dat geregeld hebben? Zo nee, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Defensie moet invulling geven aan de verantwoordelijkheden van werkgever en objectvergunninghouder zoals wettelijk vastgelegd. Het RVB is verantwoordelijk voor de instandhouding van de infrastructuur. Aan beide zijden is er tot op het hoogste niveau het volle besef dat de samenwerking en de prestaties beter moeten en daaraan wordt hard gewerkt.
Gebrekkige veiligheid in gevangenissen door bezuinigingen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht: «FNV wil snel structurele afspraken over veiligheid gevangenissen»1, en de wens van de FNV met de Overheid en de hoofddirecteur Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) snel om tafel te gaan en extra afspraken te maken ten behoeve van de veiligheid in de penitentiaire inrichtingen? Wat is daarop uw reactie?
Ik heb kennisgenomen van de genoemde berichten en oproep. Ik neem de bevindingen van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) zeer serieus net zoals de eerdere signalen van de medewerkers, de Centrale Ondernemingsraad (COR) en de FNV. De bestuurder van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de COR en de vakbonden hebben eind vorig jaar een convenant gesloten waarin afspraken zijn opgenomen ten behoeve van de personele bezetting, de veiligheid en de werkzekerheid. Ook zijn afspraken gemaakt over het investeren in het vakmanschap van de medewerkers. Over dit convenant heb ik u bij brief van 28 november 2017 bericht.3
In mijn beleidsreactie op het Inspectierapport «Uit Balans» heb ik u geinformeerd over aanvullende maatregelen. 4 Zo wordt een onderzoek naar de kwaliteit van de taakuitvoering in zes locaties binnen het Gevangeniswezen uitgevoerd. Verder heb ik aangegeven dat onder meer de wervingscampagne wordt voortgezet, de toename in PAS- en ouderschapsverlof wordt gecompenseerd en voor de bestrijding van contrabande experimenten en onderzoeken naar het gebruik van nieuwe technologie worden uitgevoerd.
Herinnert u zich dat op 2 februari jl. ook al aandacht is gevraagd aangaande de oproep van de FNV voor meer geld voor het gevangeniswezen teneinde de veiligheid te garanderen2 Hoe vaak moeten FNV, werknemers en de Centrale Ondernemingsraad nog de noodklok luiden voordat u concrete maatregelen gaat treffen teneinde de veiligheid in gevangenissen te waarborgen?
Zie antwoord vraag 1.
U schrijft in uw reactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid: «Uit Balans», dat u het door de inspectie geconstateerde zeer serieus neemt, welke serieuze maatregelen gaat u per direct nemen teneinde de geconstateerde, ernstige problemen structureel het hoofd te bieden?
Zie antwoord vraag 1.
Personeel klaagt al langer dat er te veel bezuinigd zou zijn en dat daardoor de veiligheid in de gevangenissen achteruit ging, erkent u dat het personeel gelijk had? Zo ja, had er dan wellicht niet eerder ingegrepen kunnen dan wel moeten worden?
De onzekerheid rondom de aanpak van de dalende behoefte aan capaciteit en de aantrekkende economie hebben geleid tot een versnelde uitstroom van personeel. Op het moment dat duidelijk werd dat krapte in het personeelsbestand ontstond en daarmee de veiligheid in sommige inrichtingen onder druk kwam te staan, is meteen ingegrepen. U bent hierover geïnformeerd per brief van de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 29 mei 2017.5 Deze druk was niet het gevolg van bezuinigingen.
Heeft het hoge ziekteverzuim onder het personeel volgens u te maken met de hoge werkdruk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete, structurele maatregelen mag het personeel op dit vlak van u verwachten?
Het ziekteverzuim wordt beïnvloed door verschillende factoren, die per inrichting kunnen verschillen. Belangrijke factoren die van invloed zijn op het ziekteverzuimpercentage zijn onder meer de leeftijdsopbouw van het personeel, de zwaarte van de doelgroep, maar ook externe omstandigheden zoals een griepgolf. Daarnaast kunnen incidenten, baanonzekerheid en werkdruk van invloed zijn op het ziekteverzuim Het ziekteverzuim binnen DJI schommelt rond de 7% en is meerjarig gezien stabiel. In 2017 was sprake van een lichte stijging naar 7,4%. Voor de cijfers en de structurele aanpak van ziekteverzuim verwijs ik uw Kamer naar de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 oktober 2016 en de antwoorden op de Kamervragen het lid Van Nispen van 25 oktober 2017.6
Klopt het dat u in uw reactie op het rapport «Uit Balans» schrijft u dat op dit moment met de bonden en de Centrale Ondernemingsraad overlegd wordt hoe de afspraken in het convenant over Netto Personele Inzet kunnen worden geconcretiseerd en welke financiële middelen vanuit het convenant hiervoor beschikbaar zijn? Geeft u daarmee aan dat er reeds een bedrag gekoppeld is aan het convenant? Hoe is dit bedrag tot stand gekomen en kan de hoogte van dit bedrag nog aangepast worden?
Voor de uitvoering van het convenant is voor vier jaren een bedrag van € 100 miljoen in totaal vrijgemaakt. Hierover heb ik uw Kamer bij eerdergenoemde brief van 28 november 2017 geïnformeerd. Het bedrag is gebaseerd op een inschatting van de extra investeringen die op relatief korte termijn nodig zijn om de werkdruk te verlichten, voor invulling van het programma Vakmanschap en ten behoeve van het vergroten van de veiligheid. Het in november 2017 beschikbaar gestelde bedrag staat vast en op dit moment bestaat geen aanleiding om dit bedrag te verhogen. Hierbij is van belang dat maatregelen ten behoeve van een solide personeelsplan, dan wel het bevorderen van de veiligheid in detentie die niet zijn opgenomen in het convenant maar wel worden genomen, niet door middel van extra geld hoeven te worden gefinancierd. Gedacht kan hierbij worden aan het ondersteunen van inrichtingen in een goede sturing op het plan- en roosterproces in hun inrichtingen.
Bent u van mening dat, naar aanleiding van het rapport «Uit Balans», de afgesproken maatregelen in het DJI convenant 2018–2021 voldoende zijn of moet er meer geld beschikbaar gesteld worden vanuit uw ministerie en moeten er dus aanvullende maatregelen getroffen worden?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat mbo- en hbo-studenten onvoldoende cybersecurity kennis en vaardigheden aanleren |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ICT-studenten: wat wij leren is verouderd en leidt tot problemen»?1
Ja.
Herkent u dit beeld? Weet u of dit alleen bij Hanzehogeschool speelt of ook bij andere vergelijkbare opleidingen?
Van de Hanzehogeschool begrijp ik dat cybersecurity een belangrijke rol in de ICT-opleiding speelt. De praktijk is echter dat technologische ontwikkelingen razendsnel gaan. Van de stichting HBO-i, het samenwerkingsverband van hbo ICT-opleidingen, begrijp ik dat er door ICT-opleidingen hard wordt gewerkt om deze ontwikkelingen zo snel mogelijk een plek te geven in de opleiding. Voor meerdere ICT-opleidingen vormt dit een uitdaging. In het mbo geldt dat de keuzedelen mogelijkheden bieden om deze ontwikkelingen te incorporeren in de opleiding.
Wordt dit meegenomen bij een heraccreditatie binnen het hoger beroepsonderwijs? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen? Zo nee, waarom wordt dit niet meegewogen?
Bij de accreditatie van zowel nieuwe als bestaande opleidingen wordt de mate waarin opleidingen aansluiten bij actuele ontwikkelingen in het veld in meerdere standaarden meegewogen. Dit is vastgelegd in het accreditatiekader. Zo moeten de beoogde leerresultaten en het programma van de opleiding aansluiten bij actuele (internationale) ontwikkelingen, eisen en verwachtingen in het beroepenveld en in het vakgebied. Deze toets kan plaatsvinden doordat het panel bestaande uit peers dat de opleidingsbeoordeling verricht, altijd over actuele kennis van het desbetreffende vakgebied beschikt. Deze toets, eens in de zes jaar, is slechts een momentopname. Ik vind het de taak van instellingen om voortdurend in te spelen op nieuwe ontwikkelingen in de sector en in contact te staan met het beroepenveld.
Wordt in het middelbaar beroepsonderwijs door de Inspectie van het Onderwijs hiernaar gekeken in het licht van de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs? Zo ja hoe wordt dit meegewogen? Zo nee, waarom wordt dit niet meegewogen?
In het middelbaar beroepsonderwijs vormen de kwalificatie en de keuzedelen de basis voor de opleiding. Deze worden ontwikkeld door het gezamenlijke onderwijs en bedrijfsleven via de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) en door mij vastgesteld. Om snel in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen bieden met name de keuzedelen een goede mogelijkheid. Deze kunnen snel worden ontwikkeld en vastgesteld, waarna ze door de school kunnen worden aangeboden en door studenten worden gekozen. Voor het bepalen welke opleidingen, waaronder de keuzedelen, in het mbo worden aangeboden voeren de scholen overleg met de werkgevers in hun regio. Hierdoor is het mogelijk om goed aan te kunnen sluiten bij de behoefte die er is op de arbeidsmarkt.
De Inspectie van het Onderwijs bekijkt in haar toezicht op de kwaliteit van het onderwijs in het mbo of het programma is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier en de keuzedelen. Dit wordt meegewogen in het oordeel over de kwaliteit van het onderwijsproces. Verder kijkt de inspectie in haar toezicht op de kwaliteit van de examinering ook of de examens voldoende aansluiten bij de eisen van de kwalificatie en de keuzedelen.
Wat is uw mening over dit signaal? Hoe kijkt u aan tegen het opleiden voor cybersecurity?
Ik neem dit signaal zeer serieus en vind het erg vervelend dat deze studenten het gevoel hebben dat ze kennis en vaardigheden leren die verouderd zijn. Ik hecht zeer aan het responsief en actueel houden van opleidingen. Zoals ook aangegeven in de op 20-4-2018 jl. door het kabinet aan de kamer toegezonden Nederlandse Cybersecurity Agenda2 is er een groeiende vraag naar goed opgeleid cybersecurity personeel. Het mede door mij opgerichte Dcypher heeft recent de cybersecurity opleidingen binnen het hoger onderwijs in Nederland in kaart gebracht, waardoor onderlinge vergelijking van opleidingen en beoordeling van vaardigheden van pas afgestudeerden mogelijk is. Een volgende stap is het onderzoeken in hoeverre de onderwijscurricula ook voldoende aansluiten bij de behoefte aan goed opgeleid personeel. Daarbij vraagt ook het hebben van voldoende docenten bijzondere aandacht.
Herkent u het signaal van Hanzehogeschool dat het lastig is om goede ICT-docenten te vinden en het signaal van Cyberveilig Nederland dat de kennis bij docenten op dit gebied ontoereikend is?
Ja, dit signaal herken ik. De roep om geschikte docenten te vinden is bij vrijwel alle ICT-opleidingen erg groot. Cijfers van het ROA (Research Centrum Onderwijs en Arbeidsmarkt) laten zien dat er in algemene zin een tekort is aan hbo-informatici. Dit maakt ook het vinden van ICT-docenten uitdagend. Verder voltrekken de technologische ontwikkelingen zich, zoals gezegd, razendsnel. Het is een uitdaging voor docenten om goed op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in het vakgebied. Gelukkig zijn er tal van bevlogen docenten die hun studenten dagelijks inspireren. Ook in dit opzicht is een goede samenwerking met het bedrijfsleven cruciaal.
Acht u het wenselijk dat onderwijs en bedrijfsleven intensiever met elkaar gaan samenwerken, zodat studenten uit alle jaren hier profijt van kunnen hebben en het onderwijs goed aansluit op de behoefte van de arbeidsmarkt? Zo ja, kunt u hierover met desbetreffende partijen in gesprek gaan om dit te bevorderen?
Zoals ik eerder aangaf is goed contact tussen onderwijs en bedrijfsleven essentieel om beroepsonderwijs te verzorgen dat studenten goed voorbereidt op de eisen van de arbeidsmarkt. Deze samenwerking vindt in de praktijk ook al veelvuldig plaats. Binnen bijvoorbeeld de centra voor innovatief vakmanschap (CiV’s) in het mbo en de Centers of Excellence in het ho (CoE’s) vinden onderzoek, bedrijfsleven en onderwijs elkaar en vindt vernieuwing plaats. Ook initiatieven binnen het Techniekpact dragen hieraan bij. Verder wordt in de kwaliteitsafspraken in het mbo aandacht besteed aan een goede aansluiting op de arbeidsmarkteisen in de regio.
Het lot van Nederlandse IS-kinderen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Coalitie oneens over ophalen IS-kinderen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de actuele verblijfplaats van de naar schatting 175 Nederlandse kinderen die in voormalig IS-gebied verblijven of hebt u daar tenminste een indicatie van? Zo ja, waar verblijven deze kinderen? Zo nee, waarom bent u hiervan niet op de hoogte?
Op dit moment verblijven er ten minste 145 kinderen met een Nederlandse link in het overgebleven strijdgebied in Syrië en Irak. Daarnaast bevinden zich ten minste 30 kinderen met een Nederlandse link (in de regio) buiten het strijdgebied, waaronder in de opvangkampen in Noord-Syrië. Het gaat om kinderen met de Nederlandse nationaliteit of kinderen die hierop aanspraak kunnen maken.
Beschikt u over signalen dat er kinderen van relatief veilige Koerdische gebieden naar IS-gebieden worden overgebracht? Zo ja, waar bestaan die signalen uit? Zo nee, komt dat omdat u geen actueel beeld hebt van de verblijfplaats van deze kinderen of zijn er andere redenen waarom u dat niet weet?
Deze berichten zijn vanuit meerdere kanalen tot mij gekomen, onder meer vanuit familieleden van uitreizigers. Hen bereikte het bericht dat men mogelijk bezig zou zijn om vrouwen en kinderen uit een vluchtelingenkamp terug naar IS gebied te brengen. Vooralsnog kunnen deze berichten niet bevestigd worden.
Heeft u actief contact gezocht met de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio of gaat Nederland dat nog doen, om u op de hoogte te stellen van de situatie waarin de Nederlandse IS-kinderen zich bevinden en of er sprake is van een verplaatsing naar IS-gebied? Zo ja, wat is de uitkomst van dat contact? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft, via haar Consulaat Generaal in Erbil, structureel contact met de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio in Irak over uiteenlopende onderwerpen. In Noord Syrië is er geen formeel contact met de lokale groepering die de leiding hebben over de kampen, zoals de Syrian Democratic Forces/ Partiya Yekîtiya Demokrat. Wel hebben er recentelijk in Nederland met medewerkers van het Ministerie van BZ en JenV gesprekken plaatsgevonden met deze groepering.
Deelt u de mening dat als blijkt dat er Nederlandse kinderen naar IS-gebied worden overgebracht, dat een groter gevaar voor die kinderen oplevert en er ook toe kan leiden dat zij nog verder van de Nederlandse samenleving komen af te staan? Zo ja, wat verandert dat aan het kabinetsstandpunt ten aanzien van het naar Nederland terugbrengen van IS-kinderen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in mijn reactie op het standpunt van de Kinderombudsman die tegelijkertijd met deze beantwoording naar uw Kamer is gezonden, zie ik deze kinderen in de eerste plaats als slachtoffer van de door hun ouders gemaakte, gevaarlijke keuzes en de als gevolg daarvan ontstane victimisatie. In de belangenafweging worden naast de belangen van de kinderen, diplomatieke verhoudingen, de veiligheid van de betrokkene en nationale veiligheidsbelangen afgewogen. Deze weging leidt ertoe dat dat het kabinet niet actief inzet op het terughalen van volwassen uitreizigers en hun minderjarige kinderen uit Syrië en Irak. Dit laat onverlet dat de situatie voortdurend wordt gemonitord.
Een lek in het nucleaire gedeelte van kernreactor Doel 1 |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Belgische kernreactor Doel 1 ligt stil tot oktober», waaruit blijkt dat de reactor van de kerncentrale Doel 1 is stilgelegd vanwege een lek in het nucleaire gedeelte?1
Ja.
Kunt u aangeven wanneer u door de Belgische autoriteiten op de hoogte bent gebracht van deze lekkage en met welke risicobeoordeling? Bent u tevreden over de communicatie? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft op 23 april 2018 contact gezocht met het Federaal Agentschap Nucleaire Controle (FANC) naar aanleiding van de berichtgeving over deze kwestie in de media. Door een administratieve vergissing was de ANVS, tegen de afspraken in, niet actief door de Belgische autoriteiten geïnformeerd over het opgetreden lek in de kerncentrale Doel-1. Het FANC gaf aan dat er geen gevolgen waren voor de veiligheid van de installatie of de omgeving en de bevolking in Nederland.
Nu er naar het oordeel van FANC geen gevolgen waren voor veiligheid en milieu heeft de melding mij op dat moment niet bereikt. Dit is wel gebeurd naar aanleiding van vragen vanuit de regio en aandacht in de media, op 28 april 2018.
De voorlopige INES-inschaling als INES-0 (geen impact voor de veiligheid) is door het FANC op 2 mei 2018 vastgesteld en gecommuniceerd. Vanaf 23 april 2018 is juist en consequent door alle betrokkenen meegedeeld dat er geen gevolgen waren voor de veiligheid. Dat is goed gegaan. Waar ik niet tevreden over ben is dat de ANVS niet meteen is geïnformeerd. Ook constateer ik dat uit de eerste publiekscommunicatie vanuit ENGIE onvoldoende duidelijk was wat de aard en locatie van de gebeurtenis was.
Kunt u beoordelen of de Belgische autoriteiten adequaat hebben gereageerd op de lekkage? Zo ja, wat is uw oordeel? Zo nee, waarom niet?
Het FANC heeft bevestigd dat de vergunninghouder ENGIE (als primair verantwoordelijke) de juiste acties heeft ondernomen in reactie op de constatering van de lekkage zoals deze zijn vastgelegd in de technische specificaties van de installatie. Er was dus tijdens het voorval geen noodzaak voor het FANC om vanuit zijn rol als toezichthouder in te grijpen. Wel is geconstateerd dat de Belgische autoriteiten ten onrechte de ANVS niet hebben geïnformeerd.
Ook heeft Minister Jambon aangegeven dat ENGIE 5 dagen te laat (op 30 april 2018) pas een voorstel heeft ingediend voor een INES-inschaling van de gebeurtenis. Het FANC heeft op 2 mei 2018 deze gebeurtenis voorlopig vastgesteld als INES-0, een afwijking zonder gevolgen voor de veiligheid, en deze gecommuniceerd. Het FANC geeft aan dat dit incident geen enkele impact heeft op de veiligheid van de personeelsleden, de bevolking of het leefmilieu.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse burgers gevaar hebben gelopen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of het lek te maken heeft met de ouderdom van de kerncentrale? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek moet uitwijzen wat de oorzaak is van het lek. Daarna pas kunnen er door het FANC als toezichthouder conclusies worden getrokken. Vooralsnog heeft het FANC de gebeurtenis ingeschaald als INES-0. Dat wil zeggen dat het een afwijking was zonder impact op de veiligheid, maar ik vind het belangrijk dat er bij het onderzoeken van dit incident, maar ook in het algemeen, wordt gekeken naar risico’s door veroudering.
Bent u bereid om u, in het belang van de veiligheid van inwoners en in het belang van het milieu, uit te spreken tegen de levensduurverlenging van de kerncentrales in Doel en Tihange? Zo nee, waarom niet?
Levensduurverlenging van de Belgische kerncentrales en keuzes op het gebied van het Belgische energiebeleid zijn beslissingen die vallen onder de bevoegdheid van de Belgische overheid. Dat neemt niet weg dat ik de besluitvorming over levensduurverlenging van de kerncentrales in België, waartoe onlangs een principebesluit is genomen door het Belgische kabinet, de komende tijd nauwlettend zal volgen en mij zal laten informeren over de veiligheidsaspecten hiervan, voor zover gerelateerd aan de veiligheid van de bevolking in Nederland. Daarbij vormen verouderingsaspecten een bijzonder aandachtspunt, zoals ik hierboven eerder heb aangegeven. Indien hierover twijfel zal ontstaan zal ik niet aarzelen hierover in overleg te treden met de regering van België. Op dit moment vindt een Europese peer review-sessie plaats in Luxemburg door de Europese toezichthouders, specifiek gericht op veroudering in kernreactoren. Nederland zal hierbij specifiek aandacht besteden aan de presentatie en toelichting van België hieromtrent.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het algemeen overleg Nucleaire Veiligheid, dat plaatsvindt op 17 mei 2018?
Ja.
Het bericht “Veiligheid schiet tekort bij veel munitiedepots” |
|
Emiel van Dijk (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veiligheid schiet tekort bij veel munitiedepots»?1
Ja.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de tekortkomingen bij de munitiedepots, wat er inmiddels is gedaan om de veiligheid te herstellen en hoe u gaat voorkomen dat dit in de toekomst niet meer zal voorvallen? Kunt u een overzicht geven, uitgesplitst naar locatie, situatie, veiligheidsrisico’s, ondernomen acties en te ondernemen acties met tijdspad?
De geconstateerde tekortkomingen betreffen voornamelijk infrastructurele voorzieningen, keuringen van gereedschappen en apparatuur, aanwezige kennis van regelgeving en correcte opslag. De belangrijkste geconstateerde tekortkoming betreft de bliksembeveiligingsinstallaties.
De tekortkomingen die de lokale verantwoordelijken van Defensie zelf konden aanpakken zijn opgelost. Zo zijn reparaties uitgevoerd aan luchtbehandelingsinstallaties, markeringsborden vervangen of geplaatst, drempelplaten voorzien van aardkabels en is een calamiteitencentrum verplaatst. Voor het oplossen van de infrastructurele tekortkomingen op onder meer keuringen en bliksembeveiliging (overspanningsbeveiliging) is Defensie afhankelijk van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). De aanpassing van de bliksembeveiliging betreft een groot aantal oude bunkers waarvan de complexe bliksembeveiligingsinstallaties moeten worden aangepast of vervangen. Dit vereist ingrijpende verbouwingen die zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Op dit moment wordt hiervoor, in nauwe samenwerking met het RVB, een plan van aanpak opgesteld en voorgelegd aan de I-SZW.
Daarnaast inventariseert het RVB momenteel of de tekortkomingen in de bliksembeveiliging zich ook op andere munitiecomplexen voordoen. Deze inventarisatie zal naar verwachting in juli 2018 worden voltooid. Tot die tijd worden, in nauw overleg met I-SZW, voorzorgs- en herstelmaatregelen genomen, zodat het werk op een veilige manier kan worden uitgevoerd. Dit uitgangspunt staat uiteraard altijd voorop.
Naast de verbetertrajecten per locatie wordt een defensiebreed verbetertraject opgestart die zich onder meer richt op regelgeving, opleidingen en kennis. Gezien de omvang van dit traject zal dit enige tijd in beslag nemen.
Deelt u de mening dat dit het zoveelste brevet van onvermogen is van de Defensie Materieel Organisatie, om de veiligheid van ons defensiepersoneel en omwonenden te garanderen, en dat het hoog tijd is om de bezem grondig door deze organisatie te halen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Om Defensie een organisatie te laten zijn waar veiligheid de norm is, is de gezamenlijke inzet van alle medewerkers, zowel militairen als burgers, op elk niveau nodig. Zoals verwoord in het plan van aanpak «Een veilige defensieorganisatie» dat op 28 maart 2018 is verzonden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk 34 919, nr. 4) is het veiliger maken van de werkomgeving een topprioriteit voor de komende jaren.
Het bericht ‘Proefverlof ophanden voor vader die zijn zes kinderen de dood injoeg.’ |
|
Geert Wilders (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Proefverlof ophanden voor vader die zijn zes kinderen de dood injoeg»? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Deelt u de mening dat een man die zes kinderen in 2002 heeft vermoord en volgens het vonnis nu in tbs had moeten zitten, geen proefverlof mag krijgen?
De rechter heeft de verdachte in deze zaak in 2003 een gevangenisstraf van 15 jaar en tbs met verpleging opgelegd. De tbs-maatregel is erop gericht mensen veilig terug te laten keren in de samenleving. Het proefverlof is een cruciaal onderdeel van de resocialisatie van tbs-gestelden en de laatste fase van een stapsgewijze uitbreiding van vrijheden binnen de behandeling. Voordat een tbs-gestelde met proefverlof kan moet hij eerst de stappen van begeleid verlof, onbegeleid en transmuraal verlof (betrokkene verblijft buiten de tbs-kliniek in een instelling voor Beschermd Wonen (RIBW) of een psychiatrische instelling) succesvol hebben doorlopen. Hierdoor wordt op een verantwoorde wijze toegewerkt naar terugkeer van de tbs-gestelde in de samenleving.
De verlofprocedure vindt zorgvuldig plaats en is alleen mogelijk na uitvoerige beoordeling door verschillende partijen, waaronder het onafhankelijke Adviescollege verloftoetsing tbs (Avt). Ook een slachtofferonderzoek, waarin een analyse van mogelijke gevolgen en veiligheidsrisico’s van het verlenen van verlof voor het slachtoffer of zijn of haar omgeving wordt gemaakt, maakt onderdeel uit van de verlofaanvraag.
Proefverlof betekent overigens niet dat de tbs-maatregel eindigt. Bij proefverlof houdt de reclassering toezicht en blijft de tbs-kliniek verantwoordelijk voor de tbs-gestelde. Na deze laatste verloffase kan de rechter de tbs voorwaardelijk beëindigen. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging houdt de reclassering toezicht. De rechter kan de voorwaardelijke beëindiging telkens met één of twee jaar verlengen, zolang hij dit nodig acht.
Deelt u de mening dat van het jarenlang in de watten leggen van deze gruwelijke crimineel, die zijn zes kinderen heeft vermoord, geen enkel afschrikwekkend effect uit gaat? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter om te bepalen welke straf en/of maatregel past bij het gepleegde delict. De rechter houdt daarbij onder andere rekening met de aard en de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden van het individuele geval en het advies van gedragswetenschappers. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de strafmaat in deze zaak.
Wanneer gaat u eens logisch nadenken en komt u tot het heldere inzicht dat het invoeren van hoge minimumstraffen voor dit soort misdaden de enige oplossing is om criminelen ècht rechtvaardig te straffen?
Met het aantreden van het vorige kabinet in 2012 is het wetsvoorstel omtrent het invoeren van minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven ingetrokken. Uw Kamer is hierover bij brief van 12 februari 20132 op de hoogte gesteld. Ik zie op dit moment geen aanleiding voor de invoering van minimumstraffen.
Bent u bereid gebruik te maken van de mogelijkheid dit proefverlof tegen te houden? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u dit aan de (nabestaanden van) de slachtoffers uitleggen?
Verloven van tbs-gestelden kunnen als ingrijpend worden ervaren door slachtoffers en nabestaanden. Ik hecht er dan ook aan dat slachtoffers en nabestaanden tijdig geïnformeerd worden over verloven en dat de slachtofferbelangen worden meegewogen bij de verlofaanvraag, zoals ook als vereiste is gesteld in de Verlofregeling tbs. Slachtoffers en nabestaanden worden over verlof geïnformeerd door het Informatiepunt Detentieverloop van het OM.3
Ik ga hier niet verder in op de besluitvorming en de details van deze specifieke zaak.
De uitnodiging voor een Defensie Iftar op donderdag 24 mei 2018 |
|
Geert Wilders (PVV), Emiel van Dijk (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitnodiging door Defensie voor een Defensie Iftar op 24 mei in de Marinekazerne Den Helder?1
Ja.
Deelt u de mening dat de islam een totalitaire ideologie is, die haaks staat op de normen en waarden waar wij als samenleving voor staan en die wij met onze militairen wereldwijd ook proberen uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van godsdienst of levensovertuiging is één van de klassieke grondrechten die eenieder in Nederland heeft behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Deze vrijheid beschouw ik als een kernwaarde van de Nederlandse samenleving.
De Nederlandse krijgsmacht kent al meer dan 100 jaar een in de krijgsmacht geïntegreerde Diensten Geestelijke Verzorging (DGV). Deze organisatie bestaat uit zes diensten van verschillende religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen.2
De Diensten Geestelijke Verzorging dragen bij aan het (geestelijk) welbevinden van militairen, veteranen, het thuisfront en overig defensiepersoneel. De kerntaken van de DGV zijn het organiseren van bijeenkomsten en activiteiten en het bieden van een vertrouwelijke plaats voor defensiepersoneel om hun verhaal te doen.
Zou het niet beter zijn om in plaats van deze totalitaire ideologie, die vrouwenhaat, Jodenhaat, homohaat en discriminatie voorstaat, te bestrijden in plaats van daarvoor te capituleren en binnen Defensie te faciliteren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om dit door de belastingbetaler betaalde bewieroken van een gewelddadige ideologie per direct af te blazen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er binnen onze seculiere krijgsmacht geen plaats is voor extremistische uitingen, zoals die van een totalitaire ideologie zoals de islam dat is? Zo nee, waarom niet?
Binnen de krijgsmacht is geen plaats voor extremistische uitingen op welke grond dan ook. Verder wijs ik u naar het antwoord op de vragen 2, 3 en 4.
Veiligheidshuizen en het delen van informatie tussen de ketenpartners |
|
Foort van Oosten (VVD), Leendert de Lange (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van opnamewet naar behandelwet»?1
Ja.
Klopt het dat het Veiligheidshuis geen eigen wettelijke taak heeft, waardoor geen rechtsgrond bestaat gegevens te delen die nodig zijn bij de besluitvorming over verplichte zorg, juist ten behoeve van de bescherming van de samenleving? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Een zorg- en veiligheidshuis is een samenwerkingsverband van verschillende partijen uit het zorg- en veiligheidsdomein. Een zorg- en veiligheidshuis heeft geen eigenstandige wettelijke basis om persoonsgegevens te verwerken. De partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband hebben wel ieder separate rechtsgronden voor de verwerking van persoonsgegevens, op basis waarvan ook gegevens kunnen worden gedeeld. Op deze wijze kunnen er door partijen gegevens worden gedeeld over verplichte zorg ten behoeve van de bescherming van de samenleving.
Voor een rechtmatige gegevensdeling moet aan een aantal juridische randvoorwaarden zijn voldaan. Deze zijn door alle samenwerkende partijen in het zorg- en veiligheidsdomein uitgewerkt in het handvat gegevensuitwisseling in het zorg- en veiligheidsdomein2. Uitgangspunt is dat het zorg- en veiligheidshuis de juridische basis om gegevens te verwerken en uit te vragen bij ketenpartners uitsluitend kan ontlenen aan de bevoegdheid van de ketenpartner die de casus aanbrengt.
Binnenkort gaat het wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden in consultatie. Dit wetsvoorstel heeft tot doel de mogelijkheden te verbeteren tot gezamenlijke verwerking van persoonsgegevens binnen samenwerkingsverbanden.
Voor wat betreft de verplichte geestelijke gezondheidszorg biedt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), die op 1 januari 2020 in werking treedt, mogelijkheden voor ketenpartners om gegevens te delen ten behoeve van de besluitvorming over verplichte zorg. In de Wvggz zijn voor alle voorzienbare noodzakelijke gegevensverstrekkingen grondslagen in de wet opgenomen die aangeven welke informatie onder welke voorwaarden mag worden uitgewisseld.
Voor ons staat centraal dat de praktijk met het genoemde handvat uit te voeten moet kunnen en professionals gegevens delen die nodig zijn om de samenleving te beschermen. Het genoemde handvat en de trainingen die momenteel aan professionals worden gegeven moeten hierbij helpen.
Om in kaart te brengen welke belemmerende dan wel onnodig complicerende wet- en regelgeving aangepast moet worden lopen verschillende trajecten, bijvoorbeeld in het kader van het programma Sociaal Domein3. Er worden binnen dit programma momenteel drie complexe vraagstukken uitgewerkt waar het mogelijk ontbreken van wettelijke grondslagen centraal staat: 1. gemeentelijke regie, 2. vroegsignalering en 3. integraal werken. Op basis van de uitwerking wordt bezien of en welke wet- en regelgeving moet worden aangepast.
Bent u voornemens een wettelijke grondslag voor het Veiligheidshuis te creëren zodat het uitwisselen van informatie tussen alle cruciale ketenpartners bij het bieden van verplichte zorg mogelijk wordt? In het bijzonder ter bescherming van de samenleving en ter voorkoming van slachtoffers? Zo ja, op welke termijn bent u voornemens een wetsvoorstel hiervoor in te dienen? Zo nee, waarom niet? Is het mogelijk hetzelfde resultaat te bereiken zonder wetswijziging? Kunt u dat uiteenzetten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het medisch beroepsgeheim als reden opgevoerd kan worden teneinde cruciale informatie, die nodig is om adequate inschattingen te maken betreffende noodzakelijk ingrijpen, niet te delen met ketenpartners?
Van belang is voor ogen te houden dat het medisch beroepsgeheim cq. de zwijgplicht van de arts cruciaal is voor de toegankelijkheid van de zorg: een ieder moet ervan uit kunnen gaan dat hetgeen hij deelt met zijn arts ook tussen de arts en patiënt blijft. De hoofdregel is dat informatie gedeeld in de behandelrelatie tussen arts en patiënt alleen met toestemming van de patiënt met anderen gedeeld kan worden. Op die hoofdregel zijn wel uitzonderingen. In bepaalde gevallen mag een zorgverlener – ook zonder toestemming van de patiënt – informatie met anderen delen. Dit is het geval als er sprake is van een wettelijk(e) meldplicht of meldrecht of er een conflict van plichten bestaat. Een dergelijk conflict van plichten kan een rechtvaardiging bieden om de zwijgplicht te doorbreken en informatie over een patiënt te verstrekken aan derden, zoals betrokkenen in een zorg- en veiligheidshuis.
Van een conflict van plichten is sprake als het niet doorbreken van de zwijgplicht, voor de patiënt of cliënt zelf of voor een ander ernstige schade oplevert en de hulpverlener in gewetensnood verkeert door het handhaven van de zwijgplicht. Er geldt een aantal voorwaarden: zo moet geprobeerd zijn om toestemming van de betrokkene te verkrijgen, is het doorbreken van het beroepsgeheim de enige mogelijkheid en moet het duidelijk zijn dat de ernstige schade voorkomen kan worden door het doorbreken van het beroepsgeheim. Of aan deze voorwaarden voldaan is, is een afweging die alleen de betrokken zorgprofessional kan maken op grond van de situatie. Binnen de regels van het medisch beroepsgeheim zijn er dus – zeker als het gaat om cruciale informatie – mogelijkheden om die informatie te delen.
In hoeverre verandert de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming iets aan de uitwisseling van informatie tussen ketenpartners in dit kader?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft aan dat bij gezamenlijke gegevensverwerkingen, zoals bij de zorg- en veiligheidshuizen, de partijen duidelijke en transparante afspraken moeten maken over wie invulling geeft aan diverse rechten en plichten die voortvloeien uit de AVG. Om hier goed aan te kunnen voldoen zijn op landelijk niveau recentelijk een modelconvenant en een protocol voor de zorg- en veiligheidshuizen opgesteld4.