Het anonimiseren van vermogen via een commanditaire vennootschap (CV) |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Anonimisering door de CV: een leeuwenvennootschap»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik ken het artikel «Anonimisering door de CV: een leeuwenvennootschap» van W.R. Kooiman en F.M. Witpeerd. Dit artikel is gepubliceerd in het Weekblad voor Fiscaalrecht (WFR). Het WFR is een van de fiscale tijdschriften om fiscaal wetenschappelijke artikelen te publiceren. Er wordt in het WFR op persoonlijke titel door de auteurs geschreven. In hun artikel beschrijven zij een aantal in hun optiek civielrechtelijke risico’s en gebreken2 van de commanditaire vennootschap (hierna cv) bij het opzetten van anonimiseringsstructuren en geven vervolgens aan wat naar hun mening de fiscale gevolgen daarvan zouden kunnen zijn.
In andere fiscale publicaties3 is inmiddels op dit artikel gereageerd, waarbij er ook andere fiscale invalshoeken genoemd worden. Die auteurs nemen afstand van voormeld artikel en plaatsen kanttekeningen en nuanceringen bij de opvattingen van Kooiman en Witpeerd.
Ik ben van mening dat deze meningsvorming voor het fiscale recht een goede zaak is en wil dan ook slechts aangeven dat de suggestie – die in het WFR artikel te lezen valt – dat de Belastingdienst zekerheid verschaft over anonimiseringsstructuren niet juist is. In de loop van 2015 is de zogenoemde vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen. Anonimiseren staat op gespannen voet met de gedachte achter deze richtlijn. De Belastingdienst pleegt al bijna drie jaar geen vooroverleg over deze structuren. Dit laat onverlet dat op verzoek de wettelijk verplicht af te geven beschikking bij een fiscaal geruisloze aandelenfusie wordt afgegeven.4 Bij zo’n aandelenfusie blijft de inkomstenbelastingclaim (i.c. de aanmerkelijkbelangclaim) juist behouden. Deze anonimiseringsstructuren zijn niet opgezet om minder inkomstenbelasting te betalen, noch om het vermogen buiten het zicht van de Belastingdienst te krijgen. De structuur is veelal slechts gericht op het beschermen van de privacy van de vermogende(n) en zijn (hun) familie.
In het WFR artikel wordt de volgende manier van anonimiseren beschreven. De directeur-grootaandeelhouder (dga) ruilt zijn aandelen van zijn houdstervennootschap voor aandelen in een open cv, waarvan de beherend vennoot een stichting is met één bestuurder, namelijk de dga zelf. De dga is tevens de commanditair vennoot in de cv. Doordat de cv de naam van haar commandiet niet hoeft te publiceren in het handelsregister – dit in tegenstelling tot de dga als directe aandeelhouder van de bv – bereikt de dga de bedoelde privacy voor hem en zijn familie. Bij de verdere beantwoording ga ik uit van dit voorbeeld.
Hoe vaak komen casussen zoals die beschreven in het artikel, of daarmee vergelijkbare situaties, voor? Hoeveel geld is gestald in dergelijke structuren?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangeven wordt er geen vooroverleg over dergelijke structuren gevoerd en wordt er geen vermogen aan het zicht van de Belastingdienst onttrokken. Er is dan ook geen reden, noch een belang om bij te houden hoe vaak deze situaties voorkomen en om hoeveel vermogen het gaat.
Bent u het eens met de auteurs dat de publicatieplicht van artikel 18 van het Handelsregisterbesluit 2008 ook geldt voor het vermogen dat na het overeenkomen van de commanditaire vennootschap (CV) wordt ingebracht? Kunt u aangeven in hoeverre dit voorschrift in de praktijk wordt nageleefd?
Op grond van artikel 18 van het Handelsregisterbesluit 2008 worden over een commanditaire vennootschap a) het aantal commanditaire vennoten opgenomen en b) het geldbedrag en de waarde van de goederen die de commanditaire vennoten gezamenlijk aan de vennootschap ter beschikking hebben gesteld of overeengekomen zijn ter beschikking te zullen stellen. Artikel 18 geldt ook voor het vermogen dat na het overeenkomen van de cv wordt ingebracht. Conform artikel 18, onderdeel b, wordt het ingebrachte vermogen van commanditaire vennoten bij inschrijving in het handelsregister opgenomen. Als er nieuwe commanditaire vennoten bij komen, of als de bestaande commanditaire vennoten afspreken extra geld of goederen aan de vennootschap ter beschikking te stellen, moeten deze wijzigingen worden doorgegeven aan de Kamer van Koophandel.
Artikel 19, eerste lid, Handelsregisterwet 2007 verplicht ertoe gegevens zodanig bij te werken dat zij te allen tijde juist en volledig zijn. De Kamer van Koophandel is daarvoor afhankelijk van de opgave door de vennootschap zelf. Indien hier niet aan voldaan wordt, vormt dit een economisch delict.5 Het ligt echter niet voor de hand dat in de in het WFR beschreven situatie de geregistreerde gegevens aanpassing behoeven. De dga brengt namelijk direct via de aandelenruil de waarde van zijn aandelen in het vermogen van de cv en deze waarde zal opgegeven worden.
Wordt in de in het artikel beschreven casus, of in daarmee vergelijkbare situaties, recht gedaan aan het principe dat de deelnemers de wil hebben op basis van een zekere mate van gelijkwaardigheid met elkaar samen te werken teneinde een bepaald doel te bereiken en het gemeenschappelijk behaalde voordeel met elkaar te delen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In algemene zin geldt bij een cv dat vennoten zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen.6 Vennoten zijn vrij om onderling afspraken te maken over wat zij inbrengen en op hoeveel winst zij recht hebben. De wet stelt wel een grens aan die vrijheid: een beding waarbij het voordeel geheel aan één vennoot wordt toegekend, is nietig.7 In voorkomende gevallen, zoals de casus die in het WFR artikel wordt geschetst, is het aan de rechter om te beoordelen of en in hoeverre is voldaan aan de wettelijke eisen.
Hoe luidt uw antwoord op de voorgaande vraag wanneer er sprake is van een maximeren van het winstaandeel van één van de vennoten dan wel het beperken ervan tot 0,1 of 0,01% van de winst?
Zie antwoord vraag 4.
Indien aan deze voorwaarde (zoals beschreven in vraag 3) niet wordt voldaan, wat betekent dit in de praktijk? Kunt u zo helder mogelijk omschrijven welke gevolgen het voor de vennoten heeft wanneer niet aan de voorwaarde wordt voldaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is de CV naar uw mening bedoeld om vermogen te anonimiseren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals bij het antwoord op vraag 5 is aangegeven, is de cv een overeenkomst die is gericht op samenwerking tot een gemeenschappelijk doel om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen en waarbij geld, genot van goederen en arbeid wordt ingebracht. Een stille vennoot levert inbreng aan de vennootschap, maar treedt niet naar buiten toe en is niet verbonden voor de schulden van de vennootschap. Bij een cv is de beherend vennoot volledig aansprakelijk en daarom hoeft uitsluitend de beherend vennoot bekend te zijn voor derden door middel van inschrijving in het Handelsregister; de stille (commanditaire) vennoot blijft naar buiten toe «stil». De cv is vooral bedoeld om een investeerder de mogelijkheid te bieden te investeren in een bedrijf dat door een andere vennoot wordt geleid, zonder dat de investeerder meer kan verliezen dan zijn inbreng. In de praktijk wordt een cv bijvoorbeeld gebruikt om het bedrijf over te dragen aan de volgende generatie. Ook de cv als investeringsfonds of als joint venture van bedrijven is een praktische toepassing.8 Waarvoor de cv wordt gebruikt is, binnen de hiervoor gegeven omschrijving en binnen de grenzen van de wet, aan de vennoten zelf om te bepalen. Ik zie geen reden om de wet te wijzigen om de door de auteurs van het artikel geschetste situatie aan te pakken, temeer omdat transparantie van vermogensbestanddelen al wordt bereikt door de invoering van het zogenoemde UBO-register.
In relatie tot de Belastingdienst kan de cv niet worden gebruikt om vermogen te anonimiseren. Op grond van de fiscale regelgeving dient de beheers- en eigendomsstructuur van de cv alsook de omvang van het vermogen aan de Belastingdienst bekend te worden gemaakt. Mocht dit naar het oordeel van de inspecteur bij de behandeling van de aangifte onvoldoende uit de aangifte of andere aan hem overgelegde informatie blijken, dan kan de inspecteur op basis van de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing, zoals opgenomen in de Algemene wet rijksbelastingen (artikelen 47 tot en met 56 AWR), op verzoek nadere informatie verkrijgen, mits deze informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van de cv, de vennoten dan wel zakelijk daarbij betrokken derden.
Civielrechtelijk bestaat de verplichting voor de cv om informatie over de beherende vennoten te registreren in het Handelsregister (artikel 17 Handelsregisterbesluit 2008). Deze informatie is openbaar.
Verdergaande transparantie inzake de zeggenschapsstructuur en eigendomsbelangen binnen de cv zal worden bewerkstelligd door het inrichten van een register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owner, UBO) van in Nederland opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten. Dit register van uiteindelijk belanghebbenden moet elke EU-lidstaat inrichten op grond van de – recent gewijzigde – vierde anti-witwasrichtlijn9. Deze richtlijn beoogt onder meer te voorkomen dat natuurlijke personen zichzelf of hun vermogen kunnen verschuilen achter juridische entiteiten en juridische constructies. Het vergroten van de transparantie over wie bij een juridische entiteit of juridische constructie aan de touwtjes trekt, draagt bij aan het voorkomen van misdrijven zoals witwassen, onderliggende delicten zoals drugshandel, fraude en belastingontduiking, en het financieren van terrorisme.
Op dit moment wordt als onderdeel van de implementatie van de (gewijzigde) vierde anti-witwasrichtlijn gewerkt aan een wetsvoorstel dat voorziet in de totstandkoming van een UBO-register van vennootschappen en andere juridische entiteiten, waaronder personenvennootschappen zoals de cv. Dit UBO-register wordt een openbaar toegankelijk register voor de gegevens die ten minste op grond van de richtlijn dienen te worden bijgehouden. Dit betreft de naam, geboortemaand en -jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang. Het register dient uiterlijk medio januari 2020 te zijn geïmplementeerd.
De definitie van wie als UBO wordt beschouwd, is voor de te onderscheiden juridische entiteiten, zoals de cv, uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wwft 201810. In de wet- en regelgeving met betrekking tot het inwinnen en bijhouden alsmede het centraal registeren van UBO-informatie zal bij dit besluit worden aangesloten.
Op basis van dit besluit zullen de natuurlijke personen die direct of indirect meer dan 25% van het eigendomsbelang11 houden in een cv of meer dan 25% van de stemmen of de feitelijke zeggenschap in een cv kunnen uitoefenen, als UBO worden aangemerkt. Indien commanditaire vennoten aan één van deze criteria voldoen, dienen van die commanditaire vennoten de UBO-gegevens te worden ingewonnen en bijgehouden alsmede centraal te worden geregistreerd. Als op basis van voormelde criteria geen natuurlijke personen als UBO kunnen worden aangemerkt, zullen bij wijze van uiterste terugvaloptie de beherend vennoot of vennoten van de cv als UBO worden aangemerkt.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de CV niet meer kan worden gebruikt om vermogen te anonimiseren?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid CV’s te verplichten jaarrekeningen op te stellen en deze bij de Kamer van Koophandel te deponeren? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden waarom het nodig zou zijn alle cv’s te verplichten een jaarrekening op te stellen. In anonimiseringsstructuren, zoals genoemd in het WFR artikel gaat het om een open cv. De open cv is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting en stelt in die hoedanigheid jaarstukken op voor de aangifte vennootschapsbelasting.
Hoe vaak wordt de CV gebruikt om de aanmerkelijkbelangheffing te ontlopen? Hoe gaat u dit lek dichten?
Of het beheersverbod wordt overtreden is aan de rechter om te beoordelen. Deze zal dan in een individuele casus op grond van de feiten en omstandigheden hierover oordelen.
Artikel 20 lid 2 WvK bepaalt «Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht eener volmagt, (het «beheersverbod»). Bij overtreding van dit beheersverbod, is de commanditaire vennoot hoofdelijk verbonden voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap.12 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit verbod en bijbehorende sanctie beogen te voorkomen dat een commanditaire vennoot aan het handelsverkeer deelneemt als ware hij beherend vennoot en aldus misbruik maakt van het rechtsgevolg dat is verbonden aan de hoedanigheid van commanditaire vennoot. Daarnaast kunnen derden door het optreden van een commanditaire vennoot in de veronderstelling worden gebracht dat zij van doen hebben met een beherend vennoot die verbonden is voor nakoming van de verbintenissen van de vennootschap.13
Deze verboden staan er volgens de Hoge Raad niet aan in de weg dat de vennootschapsovereenkomst de commanditaire vennoten bepaalde (interne) zeggenschapsrechten toekent waarmee de commanditaire vennoot invloed kan uitoefenen op het beleid van de cv.14
De achterliggende gedachte bij deze vraag is kennelijk dat een overtreding van het civielrechtelijke beheersverbod door de commanditaire vennoot gevolgen heeft voor de aanmerkelijkbelangheffing. Het overtreden van het civielrechtelijke beheersverbod door de commanditaire vennoot leidt er niet toe dat de (fiscaal niet-transparante) open cv wordt geherkwalificeerd tot een (fiscaal transparante) besloten cv. Of een cv in fiscale zin open dan wel besloten is, wordt beantwoord aan de hand van de (formele) criteria van artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de AWR. Dit betekent dat bij een overtreding van voormeld beheersverbod de open cv belastingplichtig blijft voor de vennootschapsbelasting en dat gerechtigdheid tot het kapitaal als een aanmerkelijk belang (box15 blijft kwalificeren. Van een afrekenmoment voor het aanmerkelijk belang is geen sprake, laat staan van het ontlopen van de aanmerkelijkbelangheffing. Van een lek, zoals in de vraag gesuggereerd, is derhalve ook geen sprake.
De vraag kan nog opkomen of de commanditaire vennoot die het beheersverbod heeft overtreden als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt. Wil daaraan zijn voldaan dan moet eerst worden geconstateerd dat sprake is van een (materiële) onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001. Het (louter) houden van aandelen door de open cv zal veelal wel kwalificeren als het uitoefenen van een bedrijf, maar in zijn algemeenheid niet tot het drijven van een onderneming in vorenbedoelde zin. Maar ook ondernemerschap in vorenbedoelde zin leidt niet tot fiscale transparantie van de open cv. Zelfs al zou sprake zijn van een onderneming die voor rekening en risico van de voorheen commanditair vennoot wordt gedreven en de aandelen worden verplicht tot het ondernemingsvermogen gerekend, dan voorziet de Wet IB 2001 in een fictieve vervreemding die tot afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim leidt. Ook in zoverre is geen sprake van een heffingslek.
Wordt in de besproken casus naar uw mening voldaan aan de zogenaamde bedrijfseis uit artikel 16 van het Wetboek van Koophandel (Wvk)? Kunt u uw antwoord toelichten? Wat zijn de consequenties wanneer aan deze eis niet wordt voldaan?
Ik kan in zijn algemeenheid niet zeggen of in de beschreven anonimiseringscasus aan artikel 16 WvK is voldaan. Ook hier is het aan de rechter om dit in een voorkomend geval op basis van de feiten en de omstandigheden te beoordelen. Artikel 16 WvK bepaalt «De vennootschap onder eene firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder eenen gemeenschappelijken naam aangegaan.» Het gaat dan om het met winstoogmerk naar buiten treden ter verkrijging van inkomsten door handel in goederen, aangaan van handelstransacties en soortgelijke handelingen. Bij beroepshandelingen gaat het daarentegen om persoonsgebonden handelingen, zoals werk van intellectuele of kunstzinnige aard zonder grote investeringen.16 Een cv die voldoet aan de hiervoor genoemde omschrijving van bedrijfsactiviteiten is bijvoorbeeld een cv die investeert in de aankoop van bouwgrond, om deze bouwgrond vervolgens verder te (laten) ontwikkelen.17 Indien niet aan de eisen wordt voldaan, is geen sprake van een geldige commanditaire vennootschap. Afhankelijk van de omstandigheden kan sprake zijn van een maatschap of van een (andere) overeenkomst van eigen aard, zoals een overeenkomst van aanneming van werk.18
Wordt in de besproken casus naar uw mening het beheersverbod van artikel 20, tweede lid, Wvk overtreden? Zo ja, bent u het eens met de auteurs van voornoemd artikel dat deze overtreding leidt tot afrekening over de aanmerkelijk belang claim?
Zie antwoord vraag 10.
Is de stichting beherend vennoot in de besproken casus naar uw mening fiscaal transparant? Zo ja, wat zijn de consequenties van deze fiscale transparantie? Hoe vaak heeft de Belastingdienst constructies als deze als fiscaal transparant beoordeeld?
Een stichting beschikt over rechtspersoonlijkheid. Voor de fiscaliteit is het uitgangspunt dat het zelfstandige karakter van de stichting wordt geëerbiedigd. Volgens fiscale jurisprudentie kan onder specifieke omstandigheden sprake zijn van transparantie van een stichting als de oprichter/bestuurder gelet op de statutaire bepalingen van de stichting kan beschikken over het vermogen als ware het zijn eigen vermogen. Bij een onafhankelijk bestuur van de stichting zal fiscale transparantie niet aan de orde zijn. In de praktijk komt fiscale transparantie van stichtingen niet vaak voor.
Hoeveel belasting is of wordt misgelopen als gevolg van de beschreven constructie? Bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 1 heb ik aangeven dat er geen inkomstenbelasting wordt misgelopen bij de beschreven structuur. Er is dan ook geen reden om dit te onderzoeken.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat alle belastinginkomsten die mogelijkerwijs zijn misgelopen als gevolg van de beschreven constructie, alsnog worden geïnd?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze constructie onmogelijk wordt gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 bewerkstelligt de implementatie van de (gewijzigde) vierde anti-witwasrichtlijn – in het bijzonder de door de richtlijn vereiste inrichting van een verplicht openbaar toegankelijk UBO-register met accurate en actuele informatie over uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) in een juridische entiteit en het door hen in die juridische entiteit direct of indirect gehouden economisch belang –, een grotere transparantie inzake zeggenschapsstructuren en eigendomsbelangen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat natuurlijke personen zichzelf of hun vermogen kunnen verschuilen achter juridische entiteiten (zoals cv’s, stichtingen of bv’s) of juridische constructies. De te registreren UBO’s zijn altijd natuurlijke personen.
In de casus zoals die beschreven is in het onder vraag 1 vermelde artikel gaat het om een commanditaire vennoot die voor meer dan 25% gerechtigd is tot de winst van de cv en uit dien hoofde via het eigendomsbelang onder de reikwijdte van het UBO-begrip valt. Verder is de beherend vennoot van de cv een stichting waarvan diezelfde commanditaire vennoot persoon bestuurder is. Als enig bestuurder van de stichting heeft hij als zodanig de feitelijke zeggenschap over de stichting. Dit maakt hem tot UBO van de stichting en daarmee indirect tevens tot UBO van de via de stichting beheerde cv. In beide gevallen dienen van die commanditaire vennoot UBO-gegevens te worden ingewonnen en bijgehouden alsook centraal te worden geregistreerd door de cv.
Klopt de bewering dat het belangrijkste product in de adviespraktijk momenteel het opzetten van structuren is om de omvang van vermogen verborgen te houden? Zo ja, wat vindt u hiervan en welke actie gaat u hiertegen ondernemen?2
Ik heb geen inzicht in de «producten» van dienstverlening en advisering van de pluriforme adviespraktijk. Daarom kan ik daar geen uitlatingen over doen. De bewering dat het opzetten van cv-structuren het belangrijkste adviesproduct zou zijn, komt volledig voor rekening van degenen die die uitlating hebben gedaan.
In hoeverre maakt de komst van het register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (het UBO-register) de besproken structuur zinloos? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 16.
Is het waar dat de meeste van deze structuren zijn opgezet met medeweten van de Belastingdienst? Zo ja, hoe verklaart u dit?2
In het antwoord op vraag 1 heb ik aangegeven dat de Belastingdienst al bijna drie jaar geen vooroverleg aangaat over deze structuren die gericht zijn op anonimiseren. Onderdeel van een anonimiseringsstructuur is veelal een aandelenfusie. De wet biedt echter de belastingplichtige expliciet de mogelijkheid om zekerheid vooraf te verkrijgen over het al dan niet van toepassing zijn van de aandelenfusiefaciliteit.21 Indien de belastingplichtige hiervoor kiest, moet de Inspecteur, op basis van de wet, beslissen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Er is geen aanleiding hier een wijziging in aan te brengen. Temeer omdat deze wettelijke bepaling is gebaseerd op de fusierichtlijn.
Deelt u de mening dat de Belastingdienst nimmer mag meewerken aan het opzetten van structuren die tot doel hebben vermogen te anonimiseren en/of belasting te ontwijken? Zo ja, hoe gaat u hier zorg voor dragen?
Zie antwoord vraag 19.
Welke andere manieren of structuren zijn u of uw ministerie bekend die tot doel hebben vermogen te anonimiseren? Kunt u een beschrijving geven van de bekende structuren?
In het antwoord op de eerste vraag heb ik het voorbeeld uit het betreffende WFR artikel aangehaald. Dit is in essentie hoe de structuur doorgaans wordt opgezet. In de varianten op deze structuur wordt in plaats van een stichting als beherend vennoot ook wel een besloten vennootschap met een paar aandeelhouders (meestal familieleden) opgericht. En in plaats van de beschreven open cv, kan ook gebruik gemaakt worden van het zogenoemde open fonds voor gemene rekening of in Nederland gevestigde naar buitenlands recht opgerichte rechtsfiguren die vergelijkbaar zijn met de cv of het open fonds voor gemene rekening.
Bent u bereid de Kamer actief te informeren wanneer het ministerie of de Belastingdienst een nieuwe structuur die het anonimiseren van vermogen en/of het ontwijken van belasting faciliteert ontdekt alsmede de Kamer actief te informeren over de reparatie die u zult toepassen om deze structuren te stoppen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het hiervoor gegeven antwoord heb ik de essentie van de structuren die gericht zijn op anonimiseren beschreven. Ik heb in de voorgaande antwoorden ook aangegeven dat de Belastingdienst niet in vooroverleg treedt over anonimiseringsstructuren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van ondernemingen en rechtspersonen zal deze structuur naar mijn mening haar aantrekkelijkheid verliezen. Ook over andere of nieuwe anonimiseringsstructuren zal de Belastingdienst geen vooroverleg voeren. Informeren van de Tweede Kamer hierover is dan ook niet aan de orde.
Terreurvlaggen Hezbollah bij de Tweede Kamer |
|
Arno Rutte (VVD), Han ten Broeke (VVD), Martijn van Helvert (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat zaterdag 9 juni 2018 een demonstratie van moslimfundamentalisten heeft plaatsgevonden voor het gebouw van de Tweede Kamer, in het kader van «International Quds Day»?
Er vond op 9 juni in Den Haag een demonstratie plaats in het kader van International Quds Day.
Is deze demonstratie (mede) georganiseerd door het Iraanse regime, dat openlijk oproept tot vernietiging van Israël? Zo nee, wie was dan de organisator?
De demonstratie werd georganiseerd door de Stichting Maukeb Shabbab Al Abbas, gevestigd te Zoetermeer.
Klopt het dat er tijdens deze demonstratie vlaggen van de terroristische organisatie Hezbollah werden getoond?1 Zo ja, zijn deze vlaggen te duiden als strafbare uitingen, vallend onder de Nederlandse strafwet? Zo ja, waarom is hier niet tegen opgetreden?
Ja, de politie heeft tijdens de demonstratie een vlag waargenomen, die achteraf de Hezbollah-vlag bleek te zijn. De interpretatie van de vlag heeft achteraf plaatsgevonden. De Nederlandse overheid heeft ten aanzien van Hezbollah het standpunt ingenomen Hezbollah als geheel als een terroristische organisatie te beschouwen. Met het tonen van de Hezbollah-vlag tijdens een demonstratie wordt de terroristische ideologie van deze organisatie uitgedragen. Het tonen van de Hezbollah-vlag zal in beginsel strafbaarheid op grond van artikel 131 Sr, opruiing, opleveren, een misdrijf tegen de openbare orde. Vanwege het ontbreken van harde opsporingsindicaties die konden leiden tot een concrete verdachte is in dit geval niemand aangehouden.
Is het waar dat er bij dezelfde demonstratie in de afgelopen jaren ook al gezwaaid is met terreurvlaggen, waarbij de politie niet ingreep en desgevraagd aangaf dat dit gewoon mocht?2
Deze demonstratie heeft drie keer eerder plaatsgevonden in Den Haag. Tijdens twee demonstraties, in 2013 en 2016, is de betreffende vlag getoond.
Deelt u de opvatting dat het demonstreren met terreurvlaggen van Hezbollah en andere jihadistische organisaties niet thuishoort in Nederland en al helemaal niet in Den Haag als stad van vrede en recht?
Met het tonen van de vlag van een terroristische groepering tijdens een demonstratie, wordt de terroristische ideologie van deze organisatie uitgedragen. Het tonen van een dergelijke vlag is strafbaar op grond van artikel 131 Sr. Het betreft een misdrijf tegen de openbare orde. Indien er harde opsporingsindicaties zijn, treden politie en OM op.
Herinnert u zich het kabinetsstandpunt3 in 2014 dat in een context van extremisme tonen van vlaggen of symbolen van organisaties die het plegen van geweld tegen bepaalde groepen andersdenkenden of mensen van een andere afkomst propageren, strafbaar is als het aanzetten tot haat en geweld tegen bepaalde groepen mensen wegens hun afkomst, dan wel groepsbelediging (artikelen 137c tot en met 137e Sr), en dat het tonen van vlaggen van gewelddadige organisaties in een demonstratie of andere publieke samenkomst zorgt voor een element van opruiing tot geweld of opruiing tegen het openbaar gezag (artikel 131 Sr), hetgeen ook strafbaar is?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich het kabinetsstandpunt dat met deze bestaande strafbepalingen voldoende kan worden opgetreden tegen het tonen van vlaggen van gewelddadige terroristische organisaties? Zo ja, waarom gebeurt dit kennelijk wel als het gaat om ISIS, maar al jaren niet als het gaat om Hezbollah?
Ik merk op dat elke zaak op zichzelf staat en dat in toekomstige zaken met inachtneming van het beoordelingskader van het Openbaar Ministerie steeds opnieuw zal worden geoordeeld. Er zal ook strafrechtelijk worden opgetreden indien de context daartoe aanleiding geeft. In dit geval is er niet opgetreden omdat er geen harde opsporingsindicaties waren.
Is aanpassing van het handhavingskader van het openbaar ministerie (OM) nodig om optreden tegen terreurvlaggen van Hezbollah mogelijk te maken? Zo ja, bent u bereid daartoe in overleg te treden met het OM?
Het kabinet is van mening dat het handhavingskader van het OM voldoet. Het is reeds mogelijk om op te treden tegen schending van artikel 131 Sr.
Bent u bereid zo snel mogelijk in overleg te treden met de lokale driehoek in Den Haag om voortaan wél op te treden tegen het tonen van Hezbollah-vlaggen?
Er zijn voldoende contacten met politie en OM in Den Haag. Optreden is mogelijk, echter staat elke zaak op zichzelf.
Bent u op de hoogte van het artikel over het uitbannen van Hezbollah in het Verenigd Koninkrijk?4
Ja, ik ben op de hoogte van dit artikel.
Klopt het dat het Verenigd Koninkrijk voornemens zou zijn om als organisatie Hezbollah te verbieden en of dat nog gevolgen heeft voor de Nederlandse pogingen Hezbollah op de EU-sanctielijst te plaatsen?
In het Verenigd Koninkrijk is enkel de militaire tak verboden en vooralsnog is er geen beleidswijziging aangekondigd.
De stijgende christenvervolging in China onder Xi Jinping |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de Rooms-Katholieke bisschop Guo Xijin die door de Chinese overheid gevangen werd gehouden tijdens Pasen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het nieuws dat Guo waarschijnlijk door de Chinese overheid gevangen gezet werd en plaats moest maken voor een bisschop (Zhan Silu) die wél door de Communistische Partij wordt goedgekeurd?2
Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Bovendien is vrijheid van religie en levensovertuiging verankerd in verschillende internationale instrumenten zoals Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Dit recht is universeel en geldt dus voor iedereen, overal – ook voor Guo Xijin. Over de officiële benoeming en goedkeuring van bisschoppen doet het kabinet geen uitspraken – dit is een kwestie die speelt tussen China en het Vaticaan.
Bent u er tevens van op de hoogte dat er op 1 februari nieuwe wetgeving is aangenomen die meer beperkingen oplegt aan de ongereguleerde activiteiten3, waarmee de greep van de Communistische Partij op Chinese christenvrijheid sterker wordt?
Ja.
Deelt u de zorgen van de Commissie voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties over de vrijheid van godsdienst in China?4
De vrijheid van religie en levensovertuiging in China staat steeds meer onder druk. In september 2017 werd een aantal maatregelen afgekondigd om ongeautoriseerde activiteiten van religieuze groepen harder aan te pakken en de toch al grote mate van controle ten aanzien van christelijke groeperingen, moslimgemeenschappen en andere religieuze groepen aan te scherpen. Deze regelgeving ging per februari 2018 van kracht. Hiermee zal naar verwachting de nu nog aanwezige relatieve bewegingsruimte van ongeregistreerde (huis)kerken drastisch worden ingeperkt. Ook wil de Chinese overheid met deze regelgeving de buitenlandse invloed op religieuze aangelegenheden in China aan banden leggen en terrorisme en extremisme tegengaan.
Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over deze ontwikkelingen. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een prioriteit binnen het mensenrechtenbeleid. De Chinese pogingen om onofficiële religies aan banden te leggen en officiële religies te beheersen zijn in strijd met internationale mensenrechtenverdragen.
Heeft u daarnaast kennisgenomen van het feit dat China voornemens is het belijden van het autonome christendom verder in te kapselen, zoals geuit tijdens de Nationale Conferentie over Religieuze Zaken, waar autoriteiten verklaarden dat religies moeten dienen als een instrument van «nationale eenheid» en «maatschappelijke stabiliteit»?5
Zie antwoord vraag 4.
Hoe plaatst u toenemende beïnvloeding van religies in China in de «Sinificatie»-politiek zoals geambieerd door Xi Jinping?6
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid China aan te spreken op deze zorgwekkende ontwikkelingen, alsmede de verantwoordelijkheid om universele mensenrechten, in het bijzonder godsdienstvrijheid van christenen en andere minderheden te respecteren? Zo ja, op welke wijze?
De door het kabinet recent ondernomen stappen in bilateraal verband zijn als volgt. Op 20 juni jl. vond voor de 11e keer de bilaterale mensenrechtendialoog met China plaats. Tijdens de dialoog stelde de Mensenrechtenambassadeur de zorgwekkende ontwikkelingen in China met betrekking tot vrijheid van religie en levensovertuiging aan de orde. Specifiek ging hij in op een recent verbod op de online verkoop van bijbels, berichten over het vervangen van afbeeldingen van Jezus door die van president Xi Jinping en het door de Chinese autoriteiten monitoren en verhinderen van religieuze bijeenkomsten. Op 7 februari jl. heeft toenmalig Minister Zijlstra het onderwerp vrijheid van religie en levensovertuiging aangekaart in zijn gesprek met Minister Wang Yi van Buitenlandse Zaken. Ook premier Rutte heeft in zijn gesprek met premier Li Keqiang op 12 april jl. het belang van de mensenrechten onderstreept, inclusief de vrijheid van religie en levensovertuiging. De mensenrechten zijn ook op 20 mei jl. ter sprake gekomen in mijn gesprek met Minister Wang Yi en marge van de G20 bijeenkomst voor ministers van Buitenlandse Zaken.
In multilateraal verband zet Nederland zich actief in voor gemeenschappelijke EU-verklaringen. In de VN mensenrechtenraad kunnen onder item 4 van de agenda specifieke landensituaties worden aangekaart. Tijdens de laatste drie zittingen van de mensenrechtenraad (september 2017, maart 2018 en juni 2018) sprak de EU zich onder dit agenda item uit over de mensenrechtensituatie in China met specifieke aandacht voor vrijheid van religie en levensovertuiging. In november vindt er een Universal Periodic Review (UPR) van China plaats. Dit biedt tevens een gelegenheid om aanbevelingen te doen aan China op het gebied van mensenrechten.
Bent u bereid binnen nu en een maand de Kamer een overzicht te doen toekomen van de door u ondernomen en te nemen stappen, zowel bilateraal als multilateraal?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat een chauffeur 34 uur onderweg was zonder fatsoenlijke pauze |
|
Jasper van Dijk (SP), Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederlandse trucker 34 uur onderweg zonder fatsoenlijke pauze»?1 Wat is uw reactie op het bericht?
Ja, ik heb het bericht gelezen. Dit is ontoelaatbaar.
Deelt u de mening dat het sjoemelen met de rijtijdenkaart en de digitale tachograaf tot levensgevaarlijke situaties kan leiden? Zo ja, acht u het beleid om dit te voorkomen voldoende uitgewerkt en bekend?
Gesjoemel met de rijtijdenkaart en tachografen kan de veiligheid, gezondheid en het welzijn van chauffeurs én de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar brengen. Dat is ernstig, daarom treedt de overheid hiertegen op. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) werken nauw samen bij wegcontroles (objectinspecties) en bedrijfscontroles (administratie inspecties) om eerlijk, gezond en veilig werk in de Transportsector te bevorderen. Met omringende landen wordt over zowel het boetebeleid als de handhavingspraktijk afgestemd, met als doel te zorgen dat de hoogte van de boete en pakkans in Nederland in lijn zijn met die in omringende landen. De handhaving van de rij- en rusttijden is een van de onderwerpen waarover Nederland regelmatig in overleg is met andere lidstaten, waaronder Duitsland en België. Dit onderwerp wordt besproken in Euro Control Route2 (ECR) en in de Confederation of Organisations in Road Transport Enforcement3 (CORTE). Nederland werkt binnen EU-verband actief mee aan regelgeving rondom de tachograaf, onder andere gericht op het verminderen van de fraudegevoeligheid ervan.
Vindt u dit een incident of een toevalstreffer binnen een veel groter probleem? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ILT handhaaft risicogericht op de naleving van de rij- en rusttijden. Op deze manier wordt de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk ingezet om ervoor te zorgen dat transportondernemingen en vrachtwagenchauffeurs geen overtredingen begaan en als dat wel gebeurt deze te beboeten. Overschrijdingen van de rij- en rusttijden komen vaker voor, maar een chauffeur die 34 uur onderweg is zonder fatsoenlijke pauze, is de ILT nog niet eerder tegengekomen.
Deelt u de mening dat, aangezien de werkgever verantwoordelijk is voor het naleven van rij- en rusttijden, deze ook de verantwoordelijkheid draagt voor de overtreding? Zo nee, denkt u dat de chauffeur deze overtreding gemaakt heeft, omdat hij zelf graag zo lang achtereen wil rijden?
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever en de chauffeur om te voldoen aan wet- en regelgeving van de rij- en rusttijden en het juist gebruik van de rijtijdenkaart en tachograaf. De werkgever heeft de verantwoordelijkheid om de chauffeurs preventief in te lichten over de risico’s voor henzelf en derden in het verkeer. Bij een overtreding legt de ILT en de ISZW de sanctie op bij de werkgever.
Welke redenen liggen er volgens u ten grondslag aan het feit dat de chauffeur zich aan de regels heeft onttrokken?
Iedere chauffeur moet zich aan de bestaande wet- en regelgeving houden. Het is ontoelaatbaar wanneer een chauffeur zich onttrekt aan de regels, ongeacht welke redenen hieraan ten grondslag liggen.
Deelt u de mening dat de druk op vrachtwagenchauffeurs sterk vergroot wordt door de concurrentie op de arbeidsmarkt als gevolg van Europese regelgeving?
Iedere chauffeur dient zich aan Europese regelgeving te houden. De regelgeving zorgt juist voor een gelijk speelveld, zodat concurrentie tussen transportbedrijven mogelijk is, zonder dat dit leidt tot een verslechtering van de arbeidsomstandigheden waardoor de veiligheid en de gezondheid van de chauffeur en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht.
De dreigende terugloop van het aantal kinderen met een (leer)achterstand in de voorschoolse opvang. |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Voorschool mist 20 tot 25 procent van de doelgroep»?1
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat de directeur van stichting Peuter & Co schetst? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Rotterdam geeft aan op dit moment geen terugloop in de deelnamecijfers te zien. Wel lijkt er een terugloop in het aantal nieuwe aanmeldingen voor de toekomst. De gemeente is in overleg met stichting Peuter&Co om dit signaal te onderzoeken en eventuele oorzaken hiervan te achterhalen.
In het rapport «Monitor bereik van voorschoolse voorzieningen in NL 2017» van Bureau Buitenhek is het landelijke bereik onderzocht. Daarin zijn ook gemeenten onderzocht waar ouders toentertijd al kinderopvangtoeslag konden aanvragen. Uit het monitorrapport blijkt geen landelijke trend van ouders die afhaken vanwege de inkomensafhankelijke toeslagaanvraag.
Hoe kijkt u aan tegen het verband dat de directeur legt tussen de inkomensafhankelijke bijdrage en de teruglopende aanmeldingen van kinderen uit achterstandsgezinnen? Indien u dit verband niet ziet, hoe verklaart u de terugloop in Rotterdam?
Zoals ook in het antwoord op vraag 2 vermeld, blijkt de terugloop in deelnamecijfers niet uit de informatie die ik van de gemeente Rotterdam heb ontvangen. Ook zijn er tot nu toe geen gegevens die duiden op een verband tussen de inkomensafhankelijke bijdrage en eventuele teruglopende aanmeldingen van kinderen uit achterstandsgezinnen. Het is uiteraard belangrijk dat gemeenten dit goed in de gaten houden. De Staatssecretaris van SZW informeert de Kamer binnenkort over het harmonisatiebeleid van gemeenten en eventuele effecten op deelname.
Deelt u de mening dat het samenbrengen van commerciële en publieke opvang juist tot doel heeft om kinderen met verschillende achtergronden bij elkaar te brengen en gelijke kansen te bieden? Zo nee, wat is volgens u het doel?
Met de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk werd een gelijke financiële toegankelijkheid van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk voor werkende ouders beoogd. Werkende ouders krijgen sinds 1 januari 2018 ook kinderopvangtoeslag voor het gebruik van peuterspeelzaalwerk. Voor peuterspeelzaalwerk zijn ook de kwaliteitseisen gelijk getrokken aan die voor kinderopvang. De harmonisatie is daarmee vooral gericht op financiële en kwalitatieve gelijkschakeling van verschillende voorschoolse voorzieningen voor werkende ouders en niet om kinderen uit verschillende achtergronden bij elkaar te brengen. Het is voor gemeenten wel mogelijk om zowel kinderen met een risico op een onderwijsachterstand als andere kinderen een voorschools aanbod te doen. De kinderen kunnen allemaal op dezelfde opvang zitten.
Acht u zichzelf verantwoordelijk voor een juiste uitwerking van de landelijk opgelegde verplichting om commerciële en publieke opvang samen te laten gaan en daarmee twee dagdelen inkomensafhankelijk te maken? Wat is in dit licht uw reactie op de wens van de directeur richting de gemeente Rotterdam om terug te keren naar het oude systeem van vijf dagdelen vrijwel gratis opvang?
Gemeenten bepalen zelf op welke wijze het voorschoolse aanbod wordt vormgegeven. De harmonisatie van het peuterspeelzaalwerk is voor sommige gemeenten aanleiding geweest om het beleid voor voorschoolse educatie aan te passen. Gemeente Rotterdam heeft ervoor gekozen werkende ouders van doelgroeppeuters kinderopvangtoeslag aan te laten vragen voor voorschoolse educatie. Dit is geen verplichting vanuit het Rijk. Bij kinderopvangtoeslag hoort een landelijk vastgestelde inkomensafhankelijke bijdrage.
Een gemeente kan ervoor kiezen het aanbod voor ouders van doelgroepkinderen op andere wijze te organiseren en te bekostigen, waarbij bijvoorbeeld geen gebruik wordt gemaakt van kinderopvangtoeslag. In dat geval kunnen zij ervoor kiezen om wel of geen ouderbijdrage te vragen. Het merendeel van de gemeenten kiest ervoor wel een ouderbijdrage te vragen.
Overigens zijn de kosten van deelname aan de voorschool in Rotterdam voor ouders in de laagste inkomenscategorie nauwelijks toegenomen.
Staat de Rotterdamse situatie op zichzelf, of kent u andere voorbeelden van gemeenten waar onlangs een terugloop van kinderen met een achterstand wordt gesignaleerd? Bent u bereid dit in kaart te brengen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat kinderen ongeacht hun achtergrond gezamenlijk naar de voorschoolse opvang gaan en daarmee gelijke kansen krijgen? Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de gemeenten en voorschoolse opvangorganisaties?
Het kabinet kiest voor een gerichte en doelmatige investering in kinderen met risico’s op onderwijsachterstanden, dus voor kinderen die het echt nodig hebben. Het staat gemeenten vrij om zelf hun doelgroep voor voorschoolse educatie te bepalen. Ook kunnen zij beslissen kinderen die niet tot de doelgroep behoren vanuit de eigen middelen een aanbod te doen in dezelfde voorziening.
Het bericht 'News: Open letter for the release of Human Rights Defenders in Niger' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «News: Open letter for the release of Human Rights Defenders in Niger»?1
Ja.
Wat gaat u doen met de bevindingen van Publish What You Pay, die concludeert dat mensenrechtenactivisten sinds 25 maart onterecht worden vastgehouden in gevangenissen in Niger, verspreid door heel het land?
De arrestatie van een aantal activisten van het maatschappelijk middenveld in Niger is in de hoofdstad Niamey onderwerp geweest van overleg tussen de EU-ambassades op 17 april jl. Ook heeft het Hoofd van de EU-delegatie op 26 april jl. in Niamey de Nigerijnse Minister van Justitie uitgenodigd voor een overleg met alle Europese ambassadeurs en hem daar van de zorgen van de Europese lidstaten op de hoogte gebracht. De Minister zegde daarbij toe dat de afhandeling van de betreffende rechtszaken geheel volgens de regels van het Nigerijnse recht zou verlopen. Hij zegde eveneens toe zich niet met de rechtsgang te zullen bemoeien omdat de scheiding der machten hem daartoe geen ruimte bood. Op 14 mei jl. zijn de rechtszaken begonnen. Inmiddels zijn 4 arrestanten in voorlopige vrijheid gesteld; sommige anderen hebben er, in overleg met hun advocaten, voor gekozen om geen verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen. Op 21 juni jl. is de kwestie wederom door de EU-ambassadeurs besproken. Naar verwachting wordt er op 10 juli een gerechtelijke uitspraak gedaan. Nederland en de verschillende EU-vertegenwoordigingen blijven de ontwikkelingen van deze zaak op de voet volgen.
Bent u bekend met de ontwikkelingen die vooraf zijn gegaan aan de arrestaties, waarin de zogenoemde «Days of citizen action» protesten plaatsvonden, waarin geprotesteerd werd tegen de ontransparante Finance Law van 2018? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de arrestaties die op 25 maart en 15 april plaatsvonden en de sluiting van het Labari Televisiestation?2
Er zijn meerdere demonstraties voorafgegaan aan de bewuste (verboden) mars van 25 maart, die de aanleiding vormde voor de arrestaties. Voor die eerdere demonstraties werd steeds toestemming gevraagd en verkregen. Voor die van 25 maart werd geen toestemming gegeven, naar verluidt omdat deze plaatsvond kort na een terreuraanslag op slechts 40 km buiten Niamey. Deze aanslag leidde tot een periode van verhoogde waakzaamheid in de stad. De begrotingswet of de «Loi de Finances 2018» was onderwerp van onvrede bij de deelnemers van deze manifestaties. Activisten protesteerden onder andere uit angst tegen een verhoging in de prijzen van diverse primaire levensbehoeften. De wet zelf was al via parlementaire goedkeuring aangenomen in november 2017. Het televisiestation Labari dat de activisten had geïnterviewd werd op last van de politie gesloten, maar werd na een aantal dagen weer geopend als gevolg van een gerechtelijke uitspraak waarbij de sluiting als onwettig werd verklaard.
Welke mogelijkheden ziet u om het welzijn van de arrestanten te waarborgen die gevangen zitten in de Nigerese gevangenissen?
De gevangenissen in Niger hebben te kampen met overbevolking, slecht voedsel en slechte hygiënische omstandigheden. De EU en Frankrijk hebben projecten waarbij algehele verbeteringen van de gevangenisomstandigheden worden beoogd. Hiermee kan er eveneens meer aandacht gevraagd worden voor deze omstandigheden. In 2016 heeft UNODC met financiële steun van Nederland gewerkt aan het verbeteren van de veiligheid in een aantal gevangenissen in Niger. Nederland bekijkt tevens de optie om de programma’s die op het gebied van Veiligheid en Rechtsorde in Mali worden uitgevoerd uit te breiden en deze kwestie daarmee te adresseren.
In Niger is het overigens gebruikelijk dat gevangenen worden bijgestaan door familieleden die extra voedsel, zeep of schone kleding komen brengen. Het staat familie en sympathisanten van de betreffende arrestanten vrij om eveneens op deze wijze aan hun welzijn bij te dragen.
Bent u bekend met de «uranium-gate» van 2011 aangaande Niger en het Franse bedrijf Areva (nu bekend als Orena)? Zo ja, hoe beoordeelt u deze deal ten aanzien van het welzijn van de Nigerese bevolking en de economische welvaart van de Nigerese staat?3 4
Ja. «Uranium-gate» betreft een serie gecompliceerde financiële transacties met betrekking tot één bepaalde partij uranium(-erts). Het is onduidelijk wat de gevolgen van deze specifieke zaak zijn voor de volksgezondheid in Niger. Dit geldt eveneens voor de gevolgen voor de inkomsten van Niger uit de uraniumwinning of de rol van uranium als exportproduct voor de welvaart in Niger. Een enquêtecommissie van het Nigerijnse parlement concludeerde dat aan de Nigerijnse zijde van «uranium-gate» geen onregelmatigheden hebben plaatsgevonden. De Nigerijnse staat zou aan de transacties 800.000 dollar hebben verdiend.
Heeft u deze problematiek met uw Franse ambtsgenoot besproken? Zo nee, op welke termijn gaat u dat wel doen?
Nederland is hier geen direct belanghebbende en had ten tijde van deze zaak geen diplomatieke vertegenwoordiging in Niger. Sinds de opening van het ambassadekantoor begin 2018 heeft Nederland regelmatig overleg met de diverse EU-lidstaten in Niger. Eventuele onregelmatigheden worden in EU-verband besproken.
Bent u bereid de negatieve ontwikkelingen omtrent het recht op persvrijheid, het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van demonstratie te bespreken met uw Nigerese ambtsgenoot?
Nederland heeft begin 2018 een ambassadekantoor geopend in de hoofdstad Niamey. Dit kantoor opereert onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse ambassade in Mali. In zijn algemeenheid geldt dat conform het Nederlandse mensenrechtenbeleid altijd aandacht kan en moet worden gevraagd voor mensenrechtenkwesties, ook in Niger.
Met het vooruitzicht dat Nederland een ambassade gaat openen in Niger, bent u van plan om u uit te spreken tegen de mensenrechtenschendingen die plaatsvinden in Niger?
Zie antwoord vraag 7.
Met het vooruitzicht dat Nederland een ambassade gaat openen in Niger, bent u van plan om u in te zetten voor een verbetering van de werkomstandigheden voor de Nigerezen in de mijnen, en om de volksgezondheid in met name de gebieden dichtbij de mijnen beter te waarborgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Nederland is voornemens om de inzet in Niger vooral te intensiveren op de beleidsterreinen die zijn opgenomen in de nota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de integrale migratieagenda en de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie. Deze inzet wordt momenteel nader uitgewerkt in de Meerjaren Landenstrategie voor Niger (2019–2022). Voor de intensivering zoekt Nederland ook aansluiting bij het werk van andere donoren, zoals EU-lidstaten, die al langer actief zijn in Niger. Concrete opties om een bijdrage te leveren aan de verbetering van werkomstandigheden en de volksgezondheid worden daarbij onderzocht.
Herinnert u zich uw antwoorden van 25 april 2018 op Kamervragen van 4 april 2018 over het bericht «Gehandicapten slachtoffer van ruziënde politiek en bedrijfsleven»?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in antwoord op de vragen twee tot en met zes heeft gezegd dat «voor de hoogte van de loonkostensubsidie artikel 10d vierde lid heel duidelijk is. De hoogte van de loonkostensubsidie is wettelijk bepaald op het verschil tussen het wettelijk minimumloon en de vastgestelde loonwaarde en evenredig aan de overeengekomen arbeidsduur. Het is gezien deze wettelijke bepaling voor de gemeente niet mogelijk om slechts voor een deel van de tussen werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsuren loonkostensubsidie te verstrekken en voor een ander deel niet» en dat u, in antwoord op de vragen acht tot en met tien, heeft gesteld dat «gezien de conclusie die ik hiervoor heb getrokken over de ruimte die de Participatiewet geeft bij het vaststellen van het recht op loonkostensubsidie en de hoogte daarvan ik verwacht dat de betrokken gemeenten hun verordening aan zullen aanpassen»?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat op 30 april 2018 door vertegenwoordigers van uw ministerie in een overleg met een vertegenwoordiging van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek door hen is gezegd «dat er beperkingen zijn gesteld in het gewijzigde ISD Bollenstreek-beleid die niet passen bij de geest van de Participatiewet en de wettelijke bepalingen» en «de Participatiewet voor gemeenten geen opening biedt om voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie om het aantal uren waarvoor loonkostensubsidie wordt verstrekt te beperken (...)»?2
Zie antwoord vraag 1.
Is het u bekend dat het bestuur van de gemeente Teylingen desondanks (vooralsnog) weigert de met de wet strijdige bepalingen van haar verordening Re-integratie en loonkostensubsidie, waar het betreft de beperking van het aantal uren van de doelgroep voor loonkostensubsidie, in overeenstemming te brengen met de Participatiewet?
Ik was hiermee bekend, maar heb inmiddels via een persbericht (zie bijlage bij deze antwoorden) begrepen dat het bestuur van de ISD Bollenstreek besloten heeft om – via de colleges – aangepaste verordeningen voor te leggen aan de gemeenteraden om het beleid weer in overeenstemming te brengen met de Participatiewet. De verwachting is dat de gemeenteraden na de zomerperiode hierover een besluit zullen nemen. Tot die tijd handelt de ISD, bij zowel bestaande als nieuwe aanvragen op basis van het beleid, zoals dat voor 1 januari 2018 van toepassing was.
Wat vindt u, getuige het antwoord van het college van burgemeester & wethouders (B&W) van de gemeente Teylingen op schriftelijke vragen uit de gemeenteraad, van de opvatting van dit college dat «de wetsartikelen door de Staatssecretaris anders worden geïnterpreteerd en de Staatssecretaris de Tweede Kamer overeenkomstig de eigen interpretatie heeft geïnformeerd»?3
Allereerst merk ik nogmaals op dat het bestuur van de ISD inmiddels besloten heeft om via de colleges van B&W de gemeenteraden voor te stellen het beleid terug te draaien. Omwille van duidelijkheid richting uw Kamer en alle gemeenten geef ik hier nogmaals mijn visie op deze kwestie.
In artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet is vastgelegd dat de gemeenteraad in een verordening regels stelt over de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde. Deze regels dienen in elk geval te bepalen de wijze waarop wordt bepaald wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort en de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld. Dit betreft dus regels over het proces. Wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort staat voorgeschreven in de Participatiewet. Nergens in de wet staat dat de gemeenteraad daarvan kan afwijken.
In artikel 10d, het vierde tot en met het zevende lid, van de Participatiewet wordt de hoogte van de loonkostensubsidie geregeld. Ook hiervan kan niet worden afgeweken.
Recent ben ik bevestigd in dit standpunt door een uitspraak van 25 april4 van de Rechtbank Midden-Nederland in een vergelijkbare zaak tegen de gemeente Utrecht. In die zaak had de gemeente Utrecht bij verordening – kort samengevat – de doelgroep loonkostensubsidie beperkt tot mensen met een loonwaarde tussen 50% en 80%. En ook had de gemeente Utrecht bij verordening geregeld dat alleen in individuele gevallen voor mensen met een lagere loonwaarde dan 50% loonkostensubsidie kan worden toegekend. De gemeente had besloten in het aan de orde zijnde geval (met een loonwaarde van 39%) de hoogte van de loonkostensubsidie te beperken tot 50% van het wettelijk minimumloon.
De rechtbank is van oordeel dat de wetgever de doelgroep voor loonkostensubsidie heeft vastgelegd en dat gemeenten de ruimte hebben om (proces)regels te stellen over de wijze waarop wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep behoort. De Participatiewet geeft volgens de rechter echter niet de bevoegdheid om in een verordening beperkingen te stellen aan de definitie van de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid Participatiewet). In het verlengde daarvan stelt de rechtbank dat de loonkostensubsidie in het onderhavige geval op onjuiste gronden is vastgesteld op 50% van het minimumloon.
De gemeente Utrecht is niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. Deze uitspraak zal ik middels de Nieuwsbrief SZW ook onder de aandacht brengen van gemeenten.
Kunt u aangeven of hier sprake is van uw interpretatie van de artikelen van de Participatiewet of van die van de formele wetgever? Hoe beoordeelt u in dat licht gezien de opvatting van het college van B&W van de gemeente Teylingen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u de Tweede Kamer in uw antwoorden van 25 april 2018 op Kamervragen over het bericht «Gehandicapten slachtoffer van ruziënde politiek en bedrijfsleven» juist en volledig heeft geïnformeerd? Zo nee, wilt u dan uw antwoord motiveren?
Ik tracht uw Kamer altijd juist te informeren. De antwoorden die ik u nu geef zijn in lijn met de eerder gegeven antwoorden van 25 april op vragen van de heer Jasper van Dijk. In deze eerdere antwoorden op uw Kamervragen heb ik toegezegd de betrokken wethouders te informeren over mijn standpunt inzake de juiste interpretatie van de Participatiewet. Hier is invulling aan gegeven door op 30 april op ambtelijk niveau in gesprek te gaan met een afvaardiging van de ISD Bollenstreek. Via een gespreksverslag zijn de betrokken bestuurders van de ISD hiervan op de hoogte gesteld. Het bestuur van de ISD Bollenstreek heeft vervolgens op 14 juni een persbericht uitgebracht waarin zij melding maakt dat de ingevoerde regeling juridisch niet houdbaar lijkt en zij een voorstel voor het terugdraaien van het beleid zullen voorleggen aan de gemeenteraden.
Is het u bekend dat het college van B&W van de gemeente Teylingen in de vergadering van de gemeenteraad van 30 mei 2018, daarin gesteund door een meerderheid van de gemeenteraad, heeft gezegd dat in haar ogen alleen de rechter een juiste interpretatie kan geven van de bedoeling van de Participatiewet in relatie tot de betwiste onderdelen van de verordening Re-integratie en loonkostensubsidie en dat het college van B&W tot die tijd niet bereid is een voorstel aan de gemeenteraad te doen die er op gericht is de strijdige bepalingen van de verordening in overeenstemming te brengen met de Participatiewet?4
Ik heb kennis genomen van de antwoorden van het college van B&W van de gemeente Teylingen op de vragen van enkele leden van de Teylingse raadsfracties CDA, PvdA, GroenLinks en ChristenUnie van 4 mei en 7 mei. In het antwoord op vraag 9 – gesteld op 4 mei – stelt het college van B&W: «Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in afwachting van de eerste jurisprudentie over de loonkostensubsidie. Daarna is meer duidelijkheid over wat de juiste interpretatie is van de wetsartikelen betreffende loonkostensubsidie».
Hier wordt gerefereerd aan de zaak van de gemeente Utrecht bij de rechtbank Midden-Nederland waarop ik in de antwoorden op de vragen 5 en 6 ben ingegaan.
Vindt ook u het onwenselijk dat arbeidsgehandicapten en hun (huidige en toekomstige) werkgevers door deze opvattingen van het bestuur van de gemeente Teylingen, in afwachting van een mogelijke uitspraak van de bestuursrechter, nog langer in onzekerheid moeten verkeren over de interpretatie van de Participatiewet, mede ook gelet op uw vaststelling dat de verordening Re-integratie en loonkostensubsidie van de gemeente niet in overeenstemming is met de Participatiewet? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is daarom goed dat de ISD Bollenstreek via de colleges van B&W de gemeenteraden zal voorstellen het gemeentelijk beleid weer in overstemming met de Participatiewet te brengen.
Wat zijn de mogelijkheden in het kader van het interbestuurlijk toezicht om op een zo kort mogelijke termijn het gemeentebestuur van Teylingen en de andere ISD Bollenstreek-gemeenten te bewegen de verordening en de uitvoering daarvan aan te passen en ten nauwste in lijn te brengen met de Participatiewet?
In z’n algemeenheid geldt dat wanneer sprake is van een niet met de wet in overeenstemming zijnde verordening, de Gemeentewet mogelijkheden biedt om corrigerend op te treden via de zogeheten indeplaatsstelling en de vernietiging.
Inzet van dit zware instrumentarium vergt een zorgvuldige afweging. Alvorens tot inzet van deze instrumenten te besluiten, wordt langs de treden van de escalatieladder eerst een bestuurlijk traject bewandeld, met als doel dat de gemeenteraad zelf besluit om zijn verordening in overeenstemming te brengen met de in de wet vastgelegde vereisten. Gezien de recente ontwikkelingen bij de ISD Bollenstreek verwacht ik dat dit na de zomer het geval zal zijn.
Bent u bereid, gelet op het feit dat in een rechtsstaat een ieder, waaronder ook gemeentebesturen, zich aan de wet dienen te houden en mede met het oog op de bestaande onzekerheid bij arbeidsgehandicapten en hun werkgevers, per direct gebruik maken van dit interbestuurlijk toezicht? Zo nee, waarom niet?
Gezien de hierboven beschreven recente ontwikkelingen is inzet van de in het antwoord op vraag 10 genoemde zware instrumenten nu niet aan de orde.
Op welke uiterste datum vindt u dat het gemeentebestuur van de gemeente Teylingen en die van de andere ISD Bollenstreek-gemeenten hun verordening Re-integratie en loonkostensubsidie en de uitvoering daarvan moeten hebben aangepast en in lijn hebben gebracht met de letter en geest van de Participatiewet en op welke wijze zult u daarop toezien?
Zie antwoord vraag 11.
Wilt u de Tweede Kamer over het verder verloop van de ontwikkelingen rondom de aanpassing door het gemeentebestuur van Teylingen en de andere ISD Bollenstreek-gemeenten van de verordening Re-integratie en loonkostensubsidie en de uitvoering daarvan op de hoogte houden?
Ik ga ervan uit dat u met deze antwoorden voldoende geïnformeerd bent over de recente ontwikkelingen en ik ga ervan uit dat de gemeenteraden binnen de ISD Bollenstreek na de zomerperiode in zullen stemmen met de voorgenomen beleidswijziging, waarop nu reeds wordt geanticipeerd.
De spanning tussen oude en nieuwe schades |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het hypothetische verhaal van «een Groningse scheur met twee levens»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van de woordvoerder van de Commissie Mijnbouwschade Groningen, die stelt dat het een realistisch scenario is dat één scheur door twee instanties beoordeeld moet worden?
Schademeldingen die voor 31 maart 2017 zijn gedaan worden afgehandeld door NAM. Schademeldingen na 31 maart 2017 worden beoordeeld door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna: TCMG). Denkbaar is dat een eigenaar met beide organisaties te maken krijgt. Dat zal aan de orde zijn wanneer de eigenaar over een oude schademelding beschikt en na 31 maart 2017 nieuwe schade heeft gemeld. Bij de nieuwe schade kan het om additionele schade gaan, maar ook om schade die is verergerd. Als deze situatie zich daadwerkelijk voordoet spannen TCMG en NAM zich in om hiermee pragmatisch om te gaan en de bewoner zo min mogelijk lastig te vallen.
Zijn er gevallen bekend dat er inderdaad gedupeerden zijn die op deze wijze van het kastje naar de muur worden gestuurd?
Mij zijn geen gevallen bekend waarbij gedupeerden van het kastje naar de muur worden gestuurd. Wel kan het zo zijn dat een bewoner merkt dat een instantie niet alle schade behandelt, maar alleen die schade waar de melding betrekking op had.
Kunt u aangeven wat er gebeurt met de oude dossiers? Blijven deze beschikbaar voor de gedupeerden?
De dossiers van reeds afgehandelde meldingen worden gedeeltelijk bewaard. Conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vernietigen NAM en CVW «bovenmatig» geworden data. Ten aanzien van de beschikbaarheid voor bewoners geldt dat de dossiers in ieder geval nog tot het einde van het jaar online via MijnCVW opvraagbaar zijn. Bewoners kunnen met een beroep op de AVG altijd bij NAM om inzage in hun persoonsgegevens vragen.
Is er sprake van het delen van dossiers tussen instanties? Zo ja, op welke wijze wordt de privacy geborgd? Wordt er vooraf aan het delen toestemming gevraagd aan de gedupeerde?
Openstaande meldingen die na 31 maart 2017 bij NAM of CVW zijn gedaan, zijn naar de TCMG overgeheveld. Eigenaren zijn hierover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om desgewenst deze overdracht te stoppen.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat het behandelen van schades die vóór 31 maart 2017 zijn ontstaan, maar daarna zijn verergerd door nieuwe bevingen, eindeloos door of de ene of de andere instantie wordt afgehouden? Hoe gaat u er zorg voor dragen dat deze zaken als één volledig dossier worden gezien en als zodanig worden behandeld?
Er is een duidelijke verdeling van schademeldingen tussen NAM en de TCMG. Schademeldingen die tot 31 maart 2017, 12.00 uur zijn gedaan, worden afgehandeld door NAM; schademeldingen die daarna zijn gedaan door de TCMG. Er mag sowieso geen sprake van zijn dat bewoners eindeloos van de ene naar de andere instantie worden gestuurd. Indien een schade niet wordt betrokken in het aanbod van NAM omdat deze geen onderdeel is van de «oude» schademelding, kan voor deze schade een beroep worden gedaan op de TCMG. Als deze situatie zich daadwerkelijk voordoet spannen TCMG en NAM zich in om hiermee pragmatisch om te gaan en de bewoner zo min mogelijk lastig te vallen.
Voor de eventuele overdracht van dossiers om dit mogelijk te maken zal echter eerst toestemming van de bewoner moeten worden verkregen. Het gaat sowieso om een tijdelijke overgangssituatie. Zodra de oude schademeldingen door NAM zijn afgehandeld, worden schademeldingen alleen nog door de TCMG behandeld.
Het bericht ‘Meisjes zwijgen liever’ |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Meisjes zwijgen liever»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat slachtoffers van mensenhandel en zedendelicten aangifte doen?
Ja, seksuele uitbuiting is een zeer ernstig misdrijf met vaak indringende en langdurige gevolgen voor het slachtoffer. Dit geldt des te meer als het slachtoffer minderjarig is.
Deelt u de mening dat de lage aangiftebereidheid in zeden- en mensenhandel zaken problematisch is, te meer daar het ook vaak om minderjarige kinderen gaat?
Drempels om aangifte te doen moeten zoveel mogelijk worden weggenomen. Het rapport «Aangifte doe je niet» van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) constateert dat er veel goed gaat, maar dat er ruimte is voor verbetering, met name in beïnvloeden van de aangiftebereidheid. Het rapport geeft aan dat slachtoffers van seksuele uitbuiting verschillende drempels ervaren en kunnen ervaren binnen en buiten de strafrechtsketen die van invloed kunnen zijn op hun aangiftebereidheid. Met diverse maatregelen zet het kabinet in op het verhogen van de aangiftebereidheid van seksuele uitbuiting. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar minderjarige slachtoffers. Voor het overzicht van deze maatregelen verwijs ik u naar mijn brief d.d. 19 juni 20182. Het voorgaande laat onverlet dat het ambtshalve onderzoek naar dit soort zaken, als er (nog) geen aangifte is, ook belangrijk is.
Klopt het dat de aangiftebereidheid terugloopt?
Allereerst wil ik opmerken dat dé aangiftebereidheid niet bestaat. Slachtoffers maken per type delict een eigen kosten-baten afweging in hun keuzeproces tot het doen van aangifte. Het is van belang dat de meldingsbereidheid toeneemt, zodat het slachtoffer na een gesprek een keus kan maken. Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat de bereidheid tot aangifte terugloopt.
Deelt u de mening dat als een slachtoffer aangifte doet, alles in het werk moet worden gesteld om hier werk van te maken en dat het onacceptabel is als deze zaken op de plank belanden?
Ik deel deze mening en dit is ook het uitgangspunt van het beleid: seksuele uitbuiting van minderjarigen heeft prioriteit. Dit laat onverlet dat er keuzes gemaakt moeten worden door openbaar ministerie en politie in het opwerken van signalen tot verdenkingen en de omvangen van opsporingsonderzoeken. Ernst, aard, omvang en opsporingsindicaties zijn dan van belang; net als het totale werkaanbod op dat moment.
Wat vindt u, in het licht van de vorige vraag, van de ervaringen van in bovengenoemd artikel genoemde Merel van Groningen, Richard Körver en het Centrum Kindermishandeling (CKM)?
Deze ervaringen ondersteunen het belang van de maatregelen om drempels weg te nemen voor het doen van aangifte van seksuele uitbuiting. De overheid zet al geruime tijd in op het wegnemen van onnodige drempels bij het doen van aangifte of het melden van seksuele uitbuiting. Zie hiervoor ook mijn brief van 19 juni 2018. Ook heeft het kabinet aanzienlijk geïnvesteerd in een laagdrempelige toegang tot het recht en de zorg voor slachtoffers van seksueel misbruik en seksueel geweld.
Welke prioriteit heeft de aanpak van zeden- en mensenhandelzaken bij de politie? Hoe heeft de capaciteit en de expertise zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
Zedendelicten en mensenhandel zijn onacceptabel en wordt door de politie zo goed en snel mogelijk opgepakt. Wel merk ik daarbij op dat het gezag de prioriteiten bepaalt binnen de kaders van de wet. Zaken waarbij sprake is van seksuele uitbuiting van minderjarige slachtoffers hebben prioriteit. De reorganisatie bij politie, alsmede de grote vluchtelingeninstroom heeft geleid tot kwantitatieve en kwalitatieve onderbezetting in mensenhandel capaciteit binnen de strafrechtketen. Zoals u weet heeft mijn voorganger diverse investeringsmaatregelen3 in gang gezet om de mensenhandel capaciteit weer op peil te krijgen.
Wat gaat u doen om te zorgen dat slachtoffers laagdrempelig aangifte kunnen doen, de aangiftes van slachtoffers in zeden- en mensenhandelzaken serieus genomen worden en de aangiftebereidheid in dit soort zaken niet daalt, maar stijgt?
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd in mijn brief van 19 juni 20184 zet de overheid al geruime tijd in op het wegnemen van onnodige drempels bij het doen van aangifte of het melden van seksuele uitbuiting. Ook heeft de overheid aanzienlijk geïnvesteerd in een laagdrempelige toegang tot het recht en de zorg voor slachtoffers van seksueel misbruik en seksueel geweld. Er zijn diverse aanwijzingen dat voor het doen van aangifte of het melden van mensenhandel en zedendelicten diverse en uiteenlopende persoonlijke overwegingen van het slachtoffer een rol spelen. Zedenzaken doen zich vaak voor in de directe (familie)kring. Dat maakt de stap naar de politie niet eenvoudiger. Politie zal zich tot het uiterste inspannen om die drempel zo laag mogelijk te laten zijn, maar het melden bij politie blijft uiteindelijk een persoonlijke afweging van het slachtoffer.
De diverse maatregelen die zijn genomen binnen het zeden- en mensenhandeldomein sluiten goed aan op de aanbevelingen uit het eerdergenoemde rapport van het CKM. Na de zomer zal ik uw Kamer het plan van aanpak voor mensenhandel toesturen. Ik betrek daarbij ook de relevante ontwikkelingen op het gebied van zeden en de bevindingen uit het CKM-rapport.
Werknemers van umc’s die gaan actievoeren |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat werknemers van universitair medische centra (umc's) actie gaan voeren omdat de onderhandelingen over een nieuwe cao zijn vastgelopen?1
Afspraken over arbeidsvoorwaarden in zorg en welzijn zijn het resultaat van de uitkomst van onderhandelingen tussen private partijen in de zorg. Behoudens het beschikbaar stellen van een marktconforme arbeidsvoorwaardenruimte middels de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova) heeft VWS daar geen bemoeienis mee.
Met het verloop en de inhoud van de onderhandelingen heb ik geen bemoeienis.
Deelt u de mening dat het voor werknemers zwaar teleurstellend is dat de Nederlandse Federatie van Universitair medische Centra (NFU) niet tegemoet wil komen aan marktconforme loonsverhogingen en afspraken over de aanpak van de werkdruk?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat de arbeidsvoorwaarden van verpleegkundigen stelselmatig uitgekleed worden, dat terwijl de zorg aantrekkelijker gemaakt moet worden om de grote tekorten aan zorgverleners op te vullen?
Uitkleden van arbeidsvoorwaarden is niet aan de orde. De discussie richt zich op de mate waarin verbeteringen in arbeidsvoorwaarden thans mogelijk zijn.
Vindt u het acceptabel dat de voorzitter van de NFU-delegatie, tevens bestuursvoorzitter van het VUmc, de heer W. Bos, stelt dat NFU «serieuze en financieel verantwoorde voorstellen hebben gedaan», terwijl vakbonden aangeven dat de NFU niet tegemoet wil komen aan eisen voor onder meer loonsverhogingen en aanpak van de werkdruk?2
Cao-onderhandelingen zijn een zaak tussen de private partijen in de zorg. Ik wil en kan daar geen bemoeienis mee hebben en invloed uitoefenen op de onderhandelingen. Beide partijen mogen elkaars inzet duiden. Het is niet aan mij om daar inhoudelijk op te reageren.
Bent u bereid steun uit te spreken aan de werknemers nu u meerdere malen hebt benadrukt dat werken in de zorg aantrekkelijker moet worden en dat goede arbeidsvoorwaarden, hogere lonen en minder flexcontracten daar een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren?3
De inhoud van cao’s wordt na onderhandelingen door de private partijen in de zorg overeengekomen. Op grond van internationale regelgeving zoals verdrag 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie kan en wil ik me niet mengen in deze collectieve onderhandelingen.
Op welke wijze gaat u uw invloed uitoefenen op de werkgevers in de zorg om verdere uitholling van cao’s – bijvoorbeeld als het gaat om nachtdiensten en toeslagen – te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Het artikel ‘Zorgtop verdient aanzienlijk minder dan vijf jaar geleden’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgtop verdient aanzienlijk minder dan vijf jaar geleden»?1
Ja.
Vindt u ook dat het een goede zaak is dat de onder het vorige kabinet aangenomen Wet Normering Topinkomens in de praktijk leidt tot een aanzienlijke verlaging van de topinkomens in de zorg?
Het kabinet streeft naar maatschappelijke verantwoorde inkomens en ontslagvergoedingen voor topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Wat daarbij aanvaardbaar is, is vastgelegd in de WNT. Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ikzelf in de brief van 22 februari 2018 aan de Tweede Kamer uiteen hebben gezet, wordt de WNT als zodanig goed nageleefd. Dit blijkt uit de eerste wetsevaluatie en de opeenvolgende WNT-jaarrapportages. Het kabinet ziet onverminderd toe op de naleving van de wet en pakt eventuele problemen bij de uitvoering aan. Daarnaast heeft het kabinet aandacht voor het tegengaan van mogelijke constructies om de WNT te ontwijken.
Bent u ook van mening dat niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van voornoemde wet dient te worden gehandeld en schijnconstructies en trucs dus uit den boze zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de Kamervragen van 11 juli 2017 over de buitensporige ontslagvergoedingen van ruim een kwart miljoen euro elk aan twee directeuren van ziekenhuis Nij Smellinghe in Drachten als ook de antwoorden van uw voorganger hierop van 22 augustus 2017 dat die vergoedingen openbaar zouden worden in de jaarrekening over 2017?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat anders dan uw voorganger destijds stelde in de jaarrekening van Nij Smellinghe over 2017 toch geen openheid van zaken wordt gegeven over de hiervoor bedoelde buitensporige ontslagvergoedingen? Wat is er misgegaan? Bent u bereid een en ander te herstellen?
De beantwoording van 22 augustus 2017 was abusievelijk gebaseerd op de situatie die gold voor inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT. Met de inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT per 1 juli 2017 is de openbaarmakingsplicht inzake de WNT gewijzigd. Met het oog op een reductie van de administratieve lasten is de openbaarmakingsplicht voor ontslagvergoedingen voor niet-topfunctionarissen komen te vervallen. De openbaarmakingsplicht geldt thans nog wel indien de bezoldiging van niet-topfunctionarissen het WNT-maximum overschrijdt. Dit houdt verband met het feit dat een bezoldiging structureel van aard is en daarbij inzicht geeft in de opbouw van het loongebouw. Dit is anders bij een ontslagvergoeding. Een dergelijke vergoeding staat los van het loongebouw.
Wat vindt u van de volgende (geparafraseerde) redenering van Nij Smellinghe:»wij zijn niet verplicht transparant te zijn, dus dan zijn we het ook niet»?
Zoals gezegd, bestaat sinds de inwerkingtreding van de Evaluatiewet WNT in 2017 niet langer de verplichting om ontslagvergoedingen van niet-topfunctionarissen openbaar te maken. Binnen de grenzen die de wet stelt, is het aan de instellingen zelf om te bepalen wat een passende mate van openbaarmaking is. Ik constateer dat instellingen daarbij overwegend niet enkel naar de letter van de wet kijken, maar een maatschappelijke afweging maken die recht doet aan de specifieke omstandigheden.
Bent u ook van mening dat in zaken als deze, waarmee veel zorggeld is gemoeid, sprake moet zijn van maximale transparantie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat waarborgen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van de redenering van Nij Smellinghe dat nu de beide directeuren in kwestie formeel geen «topfunctionaris» zijn de daarvoor geldende regels omtrent bijvoorbeeld de maximale hoogte van een ontslagvergoeding niet toegepast hoeven te worden? Is hier wat u betreft sprake van een truc? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u ook dat die de pas moet worden afgesneden en hoe gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 6.
Meer dan 1 miljard euro voor het Europees solidariteitskorps |
|
Danai van Weerdenburg (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese Commissie wil Solidariteitskorps uitbreiden naar 350.000 jongeren»?1
Ja.
Kunt u een lijst verstrekken van de organisaties waaraan leden van het huidige Europees Solidariteitskorps deelnemen en/of deelgenomen hebben?
Op de website https://europa.eu/youth/volunteering/evs-organisation_en is een complete lijst beschikbaar van organisaties die een accreditatie hebben om jongeren te ontvangen en/ of jongeren uit te zenden. Dit zijn er in totaal ruim 6.200. Hiervan komen 82 organisaties uit Nederland. Het betreft accreditaties die verstrekt zijn voor deelname aan de «European Voluntary Service (EVS)», de voorloper van het Europees Solidariteitskorps. Deze accreditaties zijn ook geldig voor deelname aan het Solidariteitskorps. Er is geen lijst beschikbaar van organisaties waar jongeren op dit moment aan deelnemen of aan deelgenomen hebben.
Hoeveel Nederlanders hebben zich tot nu toe aangemeld voor het Europees Solidariteitskorps en aan welke projecten hebben zij gewerkt?
Op dit moment hebben zich ruim 1.500 Nederlandse jongeren geregistreerd op het online portal. Hiervan nemen op dit moment ruim 90 jongeren deel aan een project. Dit aantal zal de komende maanden verder stijgen. Bovengenoemde aantallen liggen in werkelijkheid naar verwachting hoger omdat (nog) niet alle plaatsingen online worden geregistreerd.
Op de website https://europa.eu/youth/volunteering/project_en staat het huidige aanbod van beschikbare vrijwilligersprojecten. Er is geen lijst beschikbaar van projecten waaraan Nederlandse jongeren hebben gewerkt
Hoeveel belastinggeld heeft het Europees Solidariteitskorps tot nu toe gekost en hoeveel daarvan kwam uit Nederland?
Onder het huidige MFK 2014–2020 is in totaal 378 miljoen euro (in vastleggingen, lopende prijzen) begroot voor het Europees Solidariteitskorps dat in 2017 van start is gegaan. Dit budget is grotendeels beschikbaar gesteld door overheveling van middelen uit andere programma’s binnen de EU-begroting en voor het overige deel vanuit ruimte binnen de onbenutte marges van het MFK. De Nederlandse BNI-sleutel voor de financiering van de EU-begroting bedraagt ongeveer 5%.
Vindt u het een taak van de Europese Unie om vrijwilligerswerk te sponsoren en mee te betalen aan de verspreiding van de ideologie van de linkse kerk? Zo ja, waarom?
Het Commissievoorstel voor het Solidariteitsfonds onder het nieuwe MFK is gepubliceerd op 11 juni jl. Binnen daarvoor afgesproken termijn ontvangt het parlement een kabinetsappreciatie van dit voorstel in de vorm van een BNC-fiche.
Deelt u de mening dat het uittrekken van meer dan een miljard euro voor dit EU-zendelingenkorps een volslagen idioot idee is? Zo ja, hoe gaat u dit plan tegenhouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat de EU 15.000 Interrailpassen weggeeft |
|
Roy van Aalst (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «DiscoverEU: EU geeft 15.000 Interrailpassen weg om deze zomer de EU te gaan verkennen»?1
Ja.
Was Nederland voorstander van het project DiscoverEU? Zo nee, op welke manier is hierover besloten en heeft u hier dan tegen gestemd?
Het huidige DiscoverEU is een pilotprogramma van het Europees parlement. Het programma maakte onderdeel uit van het totaalpakket van de EU begroting voor 2018, die door de Raad en het Europees parlement is vastgesteld op 17 november 2017. Uw Kamer is over deze begroting geïnformeerd per brief van 4 december 20172.
Bent u voorstander van het verder ontwikkelen van dit idee, zoals de Europese Commissie wil, zodat in de periode tussen 2021 en 2027 nog eens 1,5 miljoen jongeren hun «Europese identiteit» kunnen ontdekken op kosten van de Nederlandse belastingbetaler? Hoeveel zal dit project tussen 2021 en 2027 gaan kosten?
Het voorstel van de Europese Commissie voor het toekomstige Erasmus+ programma, waarbinnen het DiscoverEU programma valt, is op 30 mei jl. gepubliceerd. Voor de kabinetsappreciatie van dit voorstel verwijs ik u graag naar het op 10 juli jl. aan uw Kamer verzonden BNC-fiche over Erasmus3.
Deelt u de mening dat het uitdelen van «gratis» treinkaartjes aan een groep geselecteerde jongeren, die daarvoor eerst onder andere een quiz moeten maken over het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 en de verkiezingen voor het Europees parlement, gewoon een verkapt staaltje EU-propaganda is met ons belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De CPB notitie ‘Effectieve interventies leerachterstanden in het primair onderwijs’ |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op elk van de belangrijkste tips voor effectieve interventie die het Centraal Planbureau (CPB) beschrijft in zijn notitie? Onderschrijft u deze? Zo ja, op welke manier brengt u deze tips stuk voor stuk tot uitvoering? Zo nee, waarom niet?1
Ja, ik onderschrijf deze tips. Schoolbesturen, schoolleiders en leraren voeren de interventies uit. Als stelselverantwoordelijke vind ik het belangrijk dat zij geïnformeerd zijn over de effectiviteit van interventies. Zo kunnen zij bewuste keuzes maken. De CPB-notitie van 6 juni 2018 biedt daarvoor handvatten.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat achterstandsscholen meer leraren kunnen aantrekken van hoge kwaliteit, aangezien deze scholen daar meer moeite mee hebben, zodat collega’s van hen kunnen leren en leerlingen een eerlijkere kans krijgen?
Schoolbesturen kunnen geld uit de lumpsum en het onderwijsachterstandenbudget inzetten voor het aantrekken van goede leraren en het bijscholen van zittend personeel. Op 24 april jl. informeerde ik de Tweede Kamer over de nieuwe verdeling van de middelen onderwijskansenbeleid voor scholen en gemeenten. Het geld komt terecht op de plekken waar de achterstanden het grootst zijn. Voor de schooljaren 2017–2018 en 2018–2019 stel ik aanvullend € 5.816.000 beschikbaar voor een pilot voor het vrijroosteren van leraren. Leraren werken in de vrijgekomen uren aan de versterking van hun pedagogisch-didactisch handelen of geven extra begeleiding aan leerlingen met veel achterstanden en gebrekkige studievaardigheden. Het effect van deze tijdelijke impuls wordt gemonitord. Ook wordt er vanuit de Gelijke Kansen Alliantie, via een lokale netwerkaanpak, op verschillende plaatsen in Nederland met cofinanciering van OCW gewerkt aan de professionalisering van leraren om beter les te geven in grootstedelijke contexten (Urban Teaching).
Hoe verhoudt uw uitspraak in het algemeen overleg Groepsgrootte in het basisonderwijs en het werkdrukakkoord po, namelijk dat je niet kunt zeggen dat groepsgrootteverkleining gelijk is aan kwaliteitsverhoging, zich tot de notitie van het CPB waarin wordt gesteld dat hoe kleiner de klas is, hoe beter de leerprestaties zijn?2
Het CPB stelt dat het verkleinen van de klas een positieve uitwerking heeft op de leerprestaties. Dat is echter alleen zo bij een aanzienlijke vermindering van het aantal leerlingen. Het CPB haalt verschillende experimenten aan met zeven leerlingen minder in de klas. Scholen die extra geld ontvangen voor onderwijsachterstanden kunnen besluiten om klassenverkleining als interventie in te zetten.
Hoe verhoudt uw uitspraak in het algemeen overleg Achterstandenbeleid, namelijk dat u zich laat leiden door het pre-COOL-onderzoek waaruit blijkt dat gerichte interventies voor kinderen met een risico op een achterstand effectief zijn, zich tot de notitie van het CPB waarin wordt gesteld dat doelgroepkinderen meer baat hebben bij universele voor- en vroegschoolse educatie (vve) dan doelgroep vve?3
Het CPB baseert zich op onderzoek uit de Verenigde Staten. Het CPB geeft echter ook aan dat de effecten in de Verenigde Staten niet alleen het gevolg hoeven te zijn van het universele karakter. Zo waren de universele groepen schoolser en was de groepsgrootte kleiner. De doelgroep-vve had betere docenten. Het vertalen van internationale onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie is per definitie niet eenvoudig. Daarom baseer ik mij liever op het grootschalige longitudinale cohortonderzoek pre-COOL, dat gericht is op de Nederlandse situatie. Het onderzoek toont dat kinderen met een achterstand tijdens voorschoolse educatie een substantieel deel van hun achterstand inlopen voordat zij naar de basisschool gaan.
Het niet publiceren van de namen van geslaagde leerlingen |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de vele berichten over schoolbesturen die hebben besloten de namen van leerlingen die geslaagd zijn voor hun eindexamen niet meer te publiceren, als gevolg van de nieuwe Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)?1
Ja.
Deelt u de mening dat we totaal doorslaan met het beschermen van persoonsgegevens, op het moment dat scholen de namen van hun leerlingen niet eens meer mogen publiceren bij zo’n feestelijke mijlpaal als het behalen van een eindexamen?
Ik heb er begrip voor dat scholen in eerste instantie moeten wennen aan het naleven van de nieuwe AVG-regels, die soms ver strekken. De AVG beoogt bepaalde fundamentele waarden in onze samenleving te beschermen, zoals de privacy van kinderen. Dat belang kan botsen met andere belangen, zoals de wens van scholen om hun geslaagde leerlingen te feliciteren en in het zonnetje te zetten. De AVG maakt hen dat ook niet onmogelijk. Wel geldt er een belangrijke voorwaarde: zij hebben daarvoor toestemming nodig. Als leerlingen niet genoemd willen worden, kunnen zij ook «nee» zeggen. Ik begrijp dat dit voor scholen een extra administratieve last met zich brengt.
Deelt u de opvatting dat in het verleden publicaties van geslaagde eindexamenkandidaten ook niet werden beschouwd als een datalek?
Het klopt dat de Autoriteit Persoonsgegevens (voorheen: CBP) hier nog niet eerder op heeft gehandhaafd. De regels over datalekken en het verwerken van persoonsgegevens bestonden echter ook al onder de Wet bescherming persoonsgegevens, die tot 25 mei 2018 van toepassing was. Door de komst van de AVG en de uitgebreidere bevoegdheden van de Autoriteit Persoonsgegevens is er nu meer aandacht voor naleving van de regels.
Wilt u en kunt u bevorderen dat de Autoriteit Persoonsgegevens schoolbesturen, die er voor kiezen de namen van leerlingen die geslaagd zijn wel te publiceren, niet beboet?
Nee. De Autoriteit Persoonsgegevens is een onafhankelijk toezichthouder. Het past mij daarom niet om me met het toezicht op de AVG te bemoeien.
Deelt u de opvatting dat het nooit de bedoeling kan zijn geweest van de AVG om dit soort feestelijke publicaties uit te bannen, en dat deze traditie gewoon kan worden voortgezet?
De AVG verbiedt scholen niet om een lijst van geslaagde leerlingen te publiceren, maar verbindt daar wel voorwaarden aan. Als scholen vooraf toestemming vragen kan deze traditie gewoon worden voortgezet. (Zie mijn antwoord op vraag 2.)
Het mogelijk gebruik van Chroom-6 in de PI Ter Apel |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over het mogelijke gebruik van Chroom-6 in de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel?1 Zijn er gevallen bekend van gezondheidsklachten die gerelateerd kunnen worden aan blootstelling aan Chroom-6, zowel onder (oud-)medewerkers als onder de (ex-)gedetineerden van de PI Ter Apel?
Het artikel over het mogelijke gebruik van Chroom-6 bij de arbeid in de PI Ter Apel is mij bekend. In verschillende penitentiaire inrichtingen wordt bij de arbeid hout bewerkt, zoals het in elkaar zetten van tuinschermen en tuinpoorten. Hout dat bewerkt wordt voor gebruik in de buitenlucht moet worden verduurzaamd om het bestand te maken tegen de invloeden van weer en wind. In sommige gevallen gebeurt dat met chroombestanddelen. De werkzaamheden betreffen onder meer het aan elkaar schroeven van houtdelen en in beperkte mate het verzagen ervan. Voor die laatste categorie bewerkingen van met chroombestanddelen verduurzaamd hout worden met het oog op de risico’s voor de gezondheid veiligheidseisen gesteld.
Ik kan mij goed voorstellen dat personeelsleden en gedetineerden die mogelijk betrokken zijn (geweest) bij de verwerking van met chroom verduurzaamd hout zich zorgen maken. Personeel en gedetineerden hebben recht op een veilige werkplek. Ik realiseer mij dat dit voor een extra onzekerheid zorgt bij het personeel dat in een vorig dienstverband in aanraking is gekomen met Chroom-6. Onzekerheid over de vraag of er eventuele gezondheidsrisico’s zijn geweest, en zo ja in welke mate, vind ik onwenselijk. Ik wil die onzekerheid dan ook zo snel mogelijk wegnemen.
Er zijn mij op dit moment geen gevallen bekend van gezondheidsklachten van (oud-)medewerkers of (ex-)gedetineerden van de PI Ter Apel specifiek met betrekking tot Chroom-6. Tot nu toe heeft één oud-medewerker uit de inmiddels gesloten PI Hoogeveen zich met gezondheidsklachten gemeld. Op dit moment is nog niet duidelijk of die klachten verband houden met blootstelling aan Chroom-6. Deze zaak is momenteel in behandeling. Ik kan daar geen nadere mededelingen over doen.
Behalve in de PI Ter Apel werd ook in de PI’s Vught, Leeuwarden en Middelburg gewerkt met hout dat is verduurzaamd met chroomhoudende bestanddelen. Uit voorzorg is inmiddels met de leveranciers afgesproken dat alleen hout wordt geleverd dat niet is verduurzaamd met chroombestanddelen. Verder is gebleken dat ook in de inmiddels gesloten penitentiaire inrichtingen in Hoogeveen en Breda in het verleden is gewerkt met verduurzaamd hout.
Deelt u de mening dat het extra wrang is dat er veel oud-defensiepersoneel werkt of werkte in de PI Ter Apel, mensen die in een vorig dienstverband al in aanraking zijn gekomen met Chroom-6, die hier nu nogmaals mee geconfronteerd lijken te worden?
Zie antwoord vraag 1.
Is van deze groep gedetineerden wel in de gaten te houden of mensen gezondheidsklachten krijgen, gelet op het feit dat het hier «Vreemdelingen in het Strafrecht (VRIS)» betreft? Hoe worden deze mensen die na hun straf uitgezet worden in de gaten gehouden?
Zoals aangegeven in het antwoord hierboven zijn mij geen gezondheidsklachten bekend met betrekking tot Chroom-6 van vreemdelingen die in de PI Ter Apel zijn of waren gedetineerd. Indien vreemdelingen zich alsnog melden met gezondheidsklachten die mogelijk het gevolg zijn van blootstelling aan Chroom-6, worden deze klachten onderzocht. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid volgt in zijn algemeenheid niet of vreemdelingen die inmiddels zijn teruggekeerd naar het land van herkomst of naar een ander land zijn vertrokken gezondheidsklachten krijgen.
Wordt er vandaag de dag nog steeds met hout gewerkt dat is verduurzaamd met Chroom-6? Zo ja, waarom? Welke gezondheidsrisico’s levert dat op voor de werknemers die in het buitenland dit hout moeten impregneren?
Uit voorzorg is inmiddels met de leveranciers afgesproken dat alleen hout wordt geleverd dat niet is verduurzaamd met chroombestanddelen. Op het verduurzamen van hout is de Europese Verordening «REACH» van toepassing.2 Deze verordening geldt voor alle bij de EU aangesloten landen en heeft tot doel de gezondheid van de mens en het milieu beter te beschermen tegen de risico's die chemische stoffen kunnen opleveren. Op grond van deze verordening zijn bedrijven verplicht de risico's die zijn verbonden aan de stoffen die zij in de EU vervaardigen of in de handel brengen te identificeren en te beheersen.
In een veiligheidsinformatieblad dienen bedrijven die het verduurzaamde hout leveren aan te geven hoe het hout veilig kan worden verwerkt en welke risicobeperkende maatregelen dienen te worden getroffen. Daarnaast zijn leveranciers van verduurzaamd hout in Nederland verplicht bij elke lading een KOMO-certificaat te verstrekken. Het KOMO-certificaat betekent dat een certificerende instelling bij het bedrijf dat het hout verduurzaamt, heeft getoetst of het betreffende bedrijf zich houdt aan wettelijke regels en milieunormen ten aanzien van het productieproces en de gebruikte verduurzamingsmiddelen.
Kunt u aangeven hoe wordt gecontroleerd of Chroom-6 aanwezig is in het hout dat gebruikt wordt tijdens de dagbesteding? Wordt elke lading hout op Chroom-6 gecontroleerd of gebeurt dit slechts steekproefsgewijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij binnenkomst van elke lading verduurzaamd hout in een PI dient te worden gecontroleerd of een vrachtbrief en een KOMO-certificaat zijn bijgevoegd. Het verduurzaamde hout wordt tevens steekproefsgewijs gecontroleerd op de aanwezigheid van Chroom-totaal, niet specifiek op Chroom-6. Het bewerken van hout dat verduurzaamd is met chroomhoudende bestanddelen is aan regels gebonden met het oog op het beperken van de gezondheidsrisico’s. Bij deze werkzaamheden wordt waar voorgeschreven gebruik gemaakt van afzuigingsinstallaties om blootstelling aan risicovolle stoffen te beperken. Daarnaast is het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen en mondkapjes, verplicht.
Kloppen de resultaten uit het rapport dat in bovengenoemd artikel wordt genoemd, namelijk dat er te hoge doses Chroom-6 zijn aangetroffen in de PI Ter Apel? Zo ja, waarom is dit rapport nooit openbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
In 2014 is in opdracht van de PI Ter Apel een zogeheten Aanvullende risico-inventarisatie- en evaluatie (RI&E) uitgevoerd naar aanleiding van wijzigingen in de wijze van houtbewerking in de PI Ter Apel. Dit is het rapport waarnaar in het artikel van De Telegraaf wordt verwezen. Onderdeel van deze RI&E was een onderzoek naar gezondheidsrisico’s die het gevolg kunnen zijn van het bewerken van met chroombestanddelen verduurzaamd hout. Uit de metingen bleek dat de blootstelling aan Chroom-totaal beneden de toenmalige grenswaarde van Chroom-6 lag. Niettemin heeft de PI Ter Apel op 18 november 2014 met de leverancier afgesproken dat voortaan geen hout meer zou worden geleverd dat is verduurzaamd met chroomhoudende bestanddelen. Op verzoek van de leverancier is de PI Ter Apel eind 2015 evenwel akkoord gegaan met het weer bewerken van hout dat is verduurzaamd met een chroomhoudend middel. Het ging hier om een verduurzamingsmiddel dat volgens de bijgeleverde «Geschiktheidsverklaring Houtverduurzamingsmiddel» in Nederland was toegestaan.
Op 18 november 2016 werd de PI Ter Apel geïnformeerd over de resultaten van een tweede Aanvullende RI&E die op grond van de arboregelgeving is uitgevoerd. Als onderdeel van deze RI&E zijn vier metingen gedaan naar de blootstelling aan Chroom-6 in de ademzone. Deze vier metingen waren lager dan de toen geldende grenswaarde voor Chroom-6 (10 microgram per m3), maar wel hoger dan de grenswaarde voor Chroom-6 die later – op 1 maart 2017 – van kracht zou worden (1 microgram per m3). Tevens bleek uit dit rapport dat adembeschermingsmiddelen en handschoenen niet in alle gevallen volgens voorschrift werden gebruikt. In aanvulling op dit rapport is ook een meting uitgevoerd naar de mate waarin chroomhoudende bestanddelen in het verduurzaamde hout voorkwamen. Omdat een te hoge concentratie Chroom in het hout werd aangetroffen, zijn de werkzaamheden tijdelijk opgeschort. Daarop is met de leverancier afgesproken om voortaan geen hout meer te leveren dat verduurzaamd is met chroomhoudende bestanddelen. Op 26 juni 2018 is evenwel bij een controlemeting gebleken dat het geleverde hout toch verduurzaamd was met chroomhoudende bestanddelen. Daarop heeft de PI Ter Apel de werkzaamheden opgeschort.
Gelet op de risico’s die kunnen voortvloeien uit het verwerken van met chroombestanddelen verduurzaamd hout, heeft DJI uit voorzorg besloten dat voortaan in geen enkele PI meer gewerkt zal worden met dit type hout. Hierover zullen scherpe afspraken worden gemaakt met leveranciers. De frequentie waarmee houtladingen worden gecontroleerd, zal voorlopig fors worden verhoogd. Indien blijkt dat een leverancier niet in staat is de verscherpte afspraken na te komen, zal ik in het uiterste geval de samenwerking beëindigen.
Een RI&E is een intern rapport dat bedoeld is om na te gaan in hoeverre voldaan wordt aan de arboregelgeving en welke verbetermaatregelen dienen te worden getroffen. Het is niet gebruikelijk om een dergelijk rapport actief openbaar te maken.
Begrijpt u de zorgen van het gevangenispersoneel, onder andere vanwege het feit dat de productie eerder ook al is stilgelegd, omdat er een gevaarlijke partij hout zou zijn aangetroffen? Hoe zit dit precies, om welke risico’s ging het hier?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, 2 en 11 kan ik mij goed voorstellen dat personeelsleden en gedetineerden die mogelijk betrokken zijn (geweest) bij de verwerking van met chroom verduurzaamd hout zich zorgen maken. Uit voorzorg is met de leveranciers afgesproken dat voortaan geen hout meer wordt geleverd dat is verduurzaamd met chroomhoudende bestanddelen. Desalniettemin kan ik niet uitsluiten dat het personeel en gedetineerden in het verleden zijn blootgesteld aan hogere doses Chroom-6 dan de hiervoor geldende norm. Ik vind het belangrijk om hierover duidelijkheid te verschaffen voor (oud-)medewerkers en (ex-)gedetineerden. Ik heb daarom het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) verzocht na te gaan of, en zo ja hoe, hier meer duidelijkheid over kan worden verschaft. Het RIVM heeft aangegeven dit onderzoek in september 2018 te kunnen beginnen. Het onderzoek zal naar verwachting van het RIVM een doorlooptijd hebben van circa zes maanden, waarna kan worden bepaald of een vervolgonderzoek mogelijk en noodzakelijk is. Zodra de uitkomsten bekend zijn zal ik uw Kamer hierover informeren.
Goede communicatie met medewerkers en gedetineerden acht ik van groot belang. Medewerkers kunnen met hun vragen in de eerste plaats terecht bij hun vestigingsdirecteur en bij arbodeskundigen binnen DJI. Daarnaast worden er voorlichtingsbijeenkomsten gehouden voor medewerkers en gedetineerden als daar behoefte aan is.
Is het waar dat het geïmporteerde hout vlak naast de gevangenis wordt bewaard, omdat dan het impregneermiddel goed zou kunnen opdrogen, zodat het later tijdens het zagen niet meer schadelijk is? Kunt u zich voorstellen dat hierover grote zorgen bestaan? Hoe zit dit precies?
In de PI Ter Apel wordt het aangevoerde verduurzaamde hout buiten opgeslagen en afgedekt. Dat is onderdeel van de veiligheidsvoorschriften. Gelet op de gezondheidsrisico’s van de blootstelling aan Chroom-6, kan ik mij voorstellen dat men zich zorgen maakt over de opslag van met Chroom verduurzaamd hout. De opslag van verduurzaamd hout zorgt echter niet voor gezondheidsrisico’s, omdat Chroom-6 niet verdampt, waardoor er geen Chroom-6 vrij komt tijdens de opslag. Chroom-6 wordt in hout grotendeels omgezet in Chroom-3. In met chroomverbindingen verduurzaamd hout is daarom voornamelijk Chroom-3 aanwezig. Anders dan Chroom-6 is Chroom-3 niet schadelijk voor de gezondheid.3
Kunt u het gevangenispersoneel en de gedetineerden geruststellen dat zij op dit moment niet blootgesteld worden aan hogere doses Chroom-6 dan uit gezondheidsoverwegingen veilig is? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het (oud-)gevangenispersoneel en de (ex-)gedetineerden geruststellen dat zij in het verleden niet blootgesteld zijn aan hogere doses Chroom-6 dan uit gezondheidsoverwegingen veilig is? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid grondig en onafhankelijk te laten onderzoeken of in het verleden personeel en gedetineerden blootgesteld zijn aan te hoge doses Chroom-6?
Zie antwoord vraag 7.
Wordt of werd er ook in andere penitentiaire inrichtingen gewerkt met Chroom-6?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Jumbojet op waterstof |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kilometers vreten met waterstofauto»?1
Ja.
Wat is uw visie op hetgeen geschreven wordt in de laatste alinea over een jumbojet op waterstof?
In het kader van het terugdringen van de CO2-emissies door de luchtvaart moeten de verschillende potentieel interessante alternatieven nader worden onderzocht. Daarbij zou het accent moeten liggen op zero-emissie technologie.
Deelt u de conclusie dat het thans aan de politiek is om keuzes te maken? Zo ja, in welk Europees verband zou dat idealiter moeten plaatsvinden?
Op basis van een gedegen analyse van de haalbaarheid moeten uiteindelijk keuzes gemaakt worden. ACARE (Advisory Council for Aviation Research and Innovation in Europe) zou hier een rol in kunnen spelen, evenals het programma CleanSky.
Ik zal de ontwikkeling van waterstoftechnologie nationaal meenemen bij de besprekingen aan de deeltafel duurzame luchtvaart, waar nadrukkelijk ook naar alternatieve duurzame brandstoffen wordt gekeken.
Hoe hoog staat het gebruik van waterstof voor de vliegtuigindustrie op de Europese (innovatie)agenda?
Op dit moment behoort dit niet tot de prioriteiten op de Europese innovatie-agenda.
Welke programma’s lopen er allemaal op het gebied van waterstofontwikkelingen voor de luchtvaart?
Het NLR werkt in Nederland aan de opbouw van waterstofexpertise (onder andere in samenwerking met de Technische Universiteit Delft) en testfaciliteiten (ten behoeve van laboratoriumtesten van brandstofcellen op waterstof). Het NLR wil bijvoorbeeld volgend jaar een vliegende demonstrator op waterstof realiseren op basis van een 40kg drone. Het NLR analyseert daarnaast de mogelijkheden om het recent verkregen elektrische vliegtuig te voorzien van een «range extender» op waterstof, waarmee de vliegduur van dit toestel kan worden verlengd.
Voor de ontwikkeling van deze waterstoftechnologie werkt het NLR aan een aantal nieuwe samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven en met onderzoeksinstituten, zowel nationaal als internationaal. Ook in het buitenland loopt een aantal onderzoeksprogramma’s gericht op kleine toestellen, onder andere bij NASA en het Deutsches Zentrum für Luft- und Raumfahrt (DLR).
Bent u bereid om dit met uw Europese collega’s te bespreken en daarbij in te zetten op een versnelling?
Ik ben bereid om Europees te bespreken op welke wijze deze ontwikkeling kan worden ondersteund en een plaats zou kunnen krijgen op de Europese innovatie-agenda.
In hoeverre bent u in overleg met onder andere KLM om de ontwikkelingen van het gebruik van waterstof in de luchtvaart te bevorderen?
Op dit moment is er met Nederlandse carriers geen overleg dat specifiek is gericht op het gebruik van waterstof, gezien de fase van de ontwikkeling en de schaal waarop er op dit moment mee wordt geëxperimenteerd. Wel zijn we met de sector en maatschappelijke partijen in overleg waar en hoe we de verduurzaming van de luchtvaart nationaal en internationaal zo snel mogelijk vorm kunnen geven onder meer in het kader van de deeltafel duurzame luchtvaart.
De situatie in Nicaragua |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent het bericht dat er grof geweld wordt gebruikt tegen demonstranten in Nicaragua? Wat is uw reactie daarop?1
Ja. De berichten over geweld jegens demonstranten door de politie en door aan de overheid gelieerde gewapende groeperingen zijn zeer zorgelijk. Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vreedzaam protest zijn onmisbaar in een democratische samenleving en de overheid heeft de verantwoordelijkheid burgers te beschermen. Om tot een duurzame en vreedzame oplossing te komen is een inclusieve nationale dialoog nodig.
Wat is uw reactie op het rapport van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens over de situatie in Nicaragua, waarin het onder andere melding maakt van serieuze mensenrechtenschendingen, excessief geweld door de staat, illegale en arbitraire detentie, martelingen en censuur?2 Bent u bereid er bij de Nicaraguaanse overheid op aan te dringen dat zij de vijftien aanbevelingen uit dit rapport overneemt en implementeert?
Het is goed dat de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten onderzoek heeft kunnen doen naar deze misstanden. De bevindingen zijn zorgwekkend en het is belangrijk dat er opvolging wordt gegeven aan de aanbevelingen. Eén van deze aanbevelingen is het optuigen van een onafhankelijke expertmissie die onderzoek doet naar de misstanden gepleegd sinds 18 april jl.
Nederland en de EU hebben Nicaragua via een verklaring opgeroepen de aanbevelingen uit het rapport van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten na te leven. Daarnaast heeft de Nederlandse ambassadeur in Costa Rica, mede geaccrediteerd voor Nicaragua, publiekelijk zijn steun geuit voor deze aanbevelingen en bij de regering aangedrongen op volledige implementatie.
Deelt u de mening dat er zo snel mogelijk een onafhankelijk onderzoek naar de moorden en aanhoudende mensenrechtenschendingen moet plaatsvinden? Zo ja, bent u bereid hierop aan te dringen in EU- en VN-verband?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Nicaraguaanse overheid op te roepen de VN-Mensenrechtencommissie toe te laten in het land, zodat zij daar onderzoek kan doen?
De Nicaraguaanse regering heeft op 20 juni jl. de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten, de EU en VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Zeid Ra'ad Al Hussein uitgenodigd voor een bezoek aan het land en deelname aan de waarheids- en veiligheidscommissie. Daarnaast heeft de Nicaraguaanse overheid de Inter-Amerikaanse Commissie voor Mensenrechten verzocht om een expertmissie op te tuigen om onafhankelijk onderzoek te doen naar het geweld sinds 18 april jl. De Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten bevindt zich sinds 24 juni jl. met een delegatie in Nicaragua om voorbereidingen te treffen voor deze expertmissie.
Wat is uw oordeel over het geweld en de repressie door de Nicaraguaanse overheid?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) compenseert in de normering bij examens |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Rene Kneyber over het feit dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) correctiemodellen niet aanpast, maar dat er gecompenseerd wordt in de normering? Klopt het wat hij schetst?1
Het CvTE is verantwoordelijk voor de inhoud en beoordeling van de centrale examens in het voortgezet onderwijs. Door het inhoudelijke karakter van deze vraag, alsmede de vragen 2 en 3, heb ik het CvTE gevraagd om mij de benodigde informatie te verstrekken bij de beantwoording.
Het beeld dat de heer Kneyber met zijn blog schetst, klopt niet. Indien nodig worden de correctievoorschriften van de centrale examens zo veel mogelijk binnen vier werkdagen aangevuld. Er zijn dit jaar ongeveer vijftig aanvullingen op het correctievoorschrift verzonden. Het CvTE vindt het van belang om zo lang mogelijk met docenten in gesprek te blijven. Dat kan als gevolg hebben dat er alsnog een onvolkomenheid gecompenseerd moet worden terwijl alle examens al zijn nagekeken. In zo’n geval is de compensatie via de N-term de mogelijkheid om leerlingen te geven waar ze recht op hebben.
Wat is uw specifieke reactie op de vragen die Kneyber stelt in zijn artikel? Kunt u het CvTE verzoeken een antwoord op deze vragen te formuleren en deze met de Kamer delen?
Ik heb het CvTE gevraagd om een reactie te geven op de blog van de heer Kneyber, waarbij ook wordt ingegaan op de door hem gestelde vragen. U vindt de reactie in de bijlage.2
Het CvTE begrijpt dat de informatie over de normeringstechniek vragen kan oproepen. Om die reden is het CvTE voornemens om ook komend schooljaar weer in gesprek te gaan met geïnteresseerde docenten over de normeringssystematiek. Ik moedig dit gesprek van harte aan.
Wat is uw specifieke reactie op de rekenvoorbeelden in het artikel van Kneyber? Kloppen deze voorbeelden? Zo ja, vindt u deze uitkomsten wenselijk?
Het CvTE geeft aan dat de door de heer Kneyber gebruikte rekenvoorbeelden niet kloppen. Voor een toelichting op deze conclusie, verwijs ik u naar de bijgevoegde reactie van het CvTE.
Bent u het eens met de mening van Kneyber dat deze methodiek moreel volstrekt ongeloofwaardig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Rapporten van verschillende experts – zoals bijvoorbeeld op 6 september 2017 naar uw Kamer verzonden Adviesrapport RCEC – bevestigen dat de normeringsystematiek die het CvTE hanteert inhoudelijk en procedureel correct is.3
Mogen correctoren van examens zich beroepen op artikel 32e lid 2 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs indien een juist antwoord als fout wordt bestempeld in het correctievoorschrift van het CvTE?2
Nee, dit mag niet. Het tweede lid van artikel 32 e stelt dat leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid hebben als het gaat om het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen. Dit lid laat zich echter niet los lezen van het eerste lid van hetzelfde artikel en daarnaast zowel artikel 32 als artikel 41, derde lid van het Eindexamenbesluit.5 Deze artikelen geven aan dat er ruimte is voor zelfstandige verantwoordelijkheid van de docent binnen het onderwijskundig kader van de eigen school, en het schoolexamen. Die ruimte wordt voor wat betreft het centraal eindexamen beperkt door geldende wettelijke kaders, zoals die landelijk zijn bepaald. Doel van dit deel van de wetgeving is een gelijke beoordeling over de jaren van leerlingen in dezelfde schoolsoort. Het correctievoorschrift -dat onderdeel is van de beoordelingsnormen zoals genoemd in art. 41.3 van het Eindexamenbesluit- heeft de status van algemeen verbindend voorschrift.
Binnen het correctievoorschrift biedt artikel 3.3 ruimte aan docenten bij open vragen. De meeste eerst en tweede correctoren vinden daarin dan ook de ruimte om voor hun leerlingen tot de beste oplossing te komen.
Een beroep op artikel 32 e lid 2 slaagt niet. Voor in de ogen van docenten foutieve vragen bestaat binnen het algemeen deel van het correctievoorschrift een aangewezen route. Die is te vinden in hoofdstuk 2, algemene regels; en vervolgens daar in artikel 7. Dat – en alleen dat – is de route die voor docenten openstaat.
Het uitsluiten van vrachtwagenchauffeurs van gelijk loon voor gelijk werk en de verkeersveiligheid op de Nederlandse wegen |
|
Jasper van Dijk (SP), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitslag van de stemmingen in de Commissie Vervoer en Toerisme (TRAN-commissie) van het Europees parlement over het Mobiliteitspakket I?1
Ja
Klopt het dat de TRAN-commissie van het Europees parlement vrachtwagenchauffeurs uitsluit van de herziene detacheringsrichtlijn?
In haar rapport over het voorstel over de toepassing van de detacheringsrichtlijn op het wegvervoer van het EU-mobiliteitspakket I heeft de TRAN-commissie van het Europees parlement bepaald dat de detacheringsrichtlijn niet van toepassing is bij internationaal wegvervoer. Overigens heeft het Europees parlement tijdens de plenaire zitting van 14 juni jl. dit rapport afgewezen als basis voor toekomstige onderhandelingen over dit voorstel met de Raad. Het Europees parlement zal tijdens de plenaire zitting in de week van 2 juli a.s. opnieuw over amendementen voor dit voorstel stemmen.
Deelt u de mening dat Europese vrachtwagenchauffeurs gelijk loon voor gelijk werk moeten verdienen? Zo ja, wat vindt u van het standpunt van de TRAN-commissie? Zo nee, waarom niet?
Overeenkomstig het regeerakkoord is mijn inzet dat er in Europa een gelijk speelveld ontstaat voor bedrijven en werknemers om te voorkomen dat op arbeidsvoorwaarden wordt geconcurreerd. Ik ben daarom van mening dat, anders dan het standpunt van de TRAN-commissie, de uitzondering op de toepassing van de detacheringsrichtlijn bij internationaal wegvervoer beperkt moet zijn.
Heeft u tijdens de Transportraad van 7 juni 2018 ervoor gepleit dat de herziene Detacheringsrichtlijn ook moet gelden voor de transportsector? Zo ja, kunt u toelichten wat de reacties waren op uw pleidooi? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft gemeld dat de voorgestelde uitzonderingen op de toepassing van de detacheringsrichtlijn bij wegvervoer zo beperkt mogelijk moeten zijn. Een groot deel van de West-Europese lidstaten is dezelfde mening toegedaan. Veel lidstaten uit Midden- en Oost-Europa wensen langdurige uitzonderingen op de toepassing van de detacheringsrichtlijn bij het wegvervoer.
Is het waar dat door de stemmingen in de TRAN-Commissie truckers extreem veel lange dagen achter elkaar mogen werken? Zo ja, deelt u de mening dat dit de verkeersveiligheid op de Nederlandse wegen niet ten goede komt? Zo nee, waarom niet?
Het rapport van de TRAN-commissie brengt meer flexibiliteit in de organisatie van rij- en rusttijden zonder daarbij overigens de geldende maximum wekelijkse en tweewekelijkse rijtijd te amenderen. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft steeds gewezen op het feit dat te veel flexibilisering de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen. Overigens geldt ook hier dat het Europees parlement tijdens de plenaire zitting van 14 juni jl. dit rapport heeft afgewezen als basis voor toekomstige onderhandelingen over het voorstel over rij- en rusttijden met de Raad. Het Europees parlement zal tijdens de plenaire zitting in de week van 2 juli a.s. opnieuw over amendementen voor dit voorstel stemmen.
Klopt het dat het standpunt van de TRAN-Commissie ertoe leidt dat er in Nederland niet op detachering gehandhaafd kan worden in voertuigen? Zo ja, hoe gaat u handhaven op detachering wat betreft het wegtransport? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. Het Europees parlement gaat in de week van 2 juli a.s. opnieuw stemmen over de amendementen voor dit voorstel. Het standpunt van de TRAN-commissie heeft derhalve geen invloed op de Nederlandse handhavingsprakrijk. De Raad heeft overigens ook nog geen besluit over dit voorstel genomen, pas als er een besluit van de Raad ligt kunnen onderhandelingen met het Europees parlement over een definitieve tekst van dit voorstel starten.