Bent u bekend met de verklaring van de Amerikaanse Director of National Intelligence (DNI) Tulsi Gabbard van 12 juni 2026 en het bijbehorende persbericht van de Office of the Director of National Intelligence (ODNI), waarin openbaar is gemaakt dat de Verenigde Staten, en specifiek het Amerikaanse Ministerie van Oorlog, sinds 2005 meer dan veertig biolaboratoria in Oekraïne hebben gefinancierd en ondersteund?1, 2
Ja.
Was het kabinet eerder op de hoogte van de omvang en de aard van deze investeringen van het Amerikaanse Ministerie van Oorlog in Oekraïense biolaboratoria?
Het kabinet is op de hoogte van het Amerikaanse Biological Threat Reduction Programme.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u toelichten sinds wanneer u deze kennis had?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het denkbaar dat de aanwezigheid van door de Verenigde Staten en het Ministerie van Oorlog gefinancierde biolaboratoria met gevaarlijke pathogenen, dicht bij de Russische grens, door Rusland als een bedreiging is opgevat?
Nee.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, hoe duidt u dit provocerende handelen door de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het denkbaar dat de Amerikaanse activiteiten in de ogen van Rusland een reden kunnen zijn geweest om in 2022 Oekraïne binnen te vallen?
Nee. Het is volstrekt duidelijk dat Rusland een illegale agressie oorlog tegen Oekraïne voert waar geen enkele rechtvaardiging voor bestaat.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u deze activiteiten niet relevant acht voor de duiding van de aanloop naar de oorlog in Oekraïne?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van de stelling van DNI Gabbard dat de volledige omvang van deze financiering destijds bewust verzwegen is gebleven voor het publiek?
Het kabinet recenseert dergelijke stellingen niet.
Hoe beoordeelt u het feit dat eerdere signalen over biolabs in Oekraïne destijds door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn afgedaan als desinformatie en zelfs als een door Rusland geënsceneerde complottheorie?3
Het kabinet ziet geen reden om de eerdere classificatie aan te passen, namelijk dat deze berichtgeving over biolabs in Oekraïne desinformatie betreft.
Kunt u uiteenzetten welke gevolgen deze onthulling volgens u heeft voor de voortzetting van EU- en Nederlandse steun aan Oekraïne?
De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne is en blijft illegaal. Rusland dient de oorlog te stoppen. Nederland steunt Oekraïne in de strijd tegen Russische agressie.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Ja.
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Ieder kind verdient het om veilig op te groeien en de juiste zorg te ontvangen. Wanneer een kinderrechter heeft besloten tot een kinderbeschermingsmaatregel, is het aan de gecertificeerde instelling om vervolgens uitvoering daaraan te geven. Het is de verantwoordelijkheid van de gecertificeerde instelling om een plan van aanpak op te stellen, jeugdhulp in te zetten en zicht te houden op de veiligheid van het kind. Het is niet mijn rol om te oordelen over of te controleren hoe de uitvoering van specifieke kinderbeschermingsmaatregelen plaatsvindt.
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het zicht op de veiligheid van het kind.
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 3 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 3. Aanvullend daarop wijs ik erop dat de onafhankelijke kinderrechter zich over deze zaak heeft gebogen en een beslissing heeft genomen. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie Justitie en Veiligheid om te beoordelen of en welk onderzoek nodig is. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht. Het is niet aan mij om onderzoek op te dragen.
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
De bescherming en begeleiding van kinderen op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. Dit is ook in dit geval aan de orde. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Het is aan de betrokken uitvoeringsorganisaties om zorg te dragen voor het adviseren over, het besluiten over en het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen. Als stelselverantwoordelijke is het niet mijn rol om in casuïstiek te oordelen of te controleren.
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Ik verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en vraag 10.
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Het is aan de inspecties om dit al dan niet mee te nemen in hun onderzoek naar de gebeurtenissen in Stadskanaal.
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen 3, 10 en 12.
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Het is aan de betrokken gecertificeerde instelling om hiervoor zorg te dragen.
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Het opstellen van het overzicht waar om wordt gevraagd is onderdeel van het onderzoekstraject dat SZW en UWV ingaan met de betrokken beroepsgroepen. Het doel van het onderzoekstraject is om, in samenwerking met professionals zoals verzekeringsartsen, sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdeskundigen en eventueel proces- of re-integratiebegeleiders, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de sociaal-medische dienstverlening.
De inzet is om het onderzoekstraject direct na de zomer 2026 op te starten. Het traject start met een inventariserend basisonderzoek. De resultaten van dit basisonderzoek moet in Q4 2026 worden opgeleverd.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Ja dat kan. Het vaststellen van het recht, de hoogte en de duur van een uitkering is een multidisciplinair proces. Binnen dit proces werken verschillende professionals samen.
Het doel van het onderzoekstraject (zoals ook omschreven in het antwoord op vraag 1) is om in samenwerking met professionals, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Daarbij wordt in beeld gebracht welke taken nu in de praktijk door welke professional worden uitgevoerd én welke taken binnen de huidige wet- en regelgeving door welke professional mogen worden uitgevoerd. Vanuit die basis onderzoeken we naar welke situatie we willen groeien en wat hiervoor nodig is.
In het kader van de kwaliteit van de beoordeling is het essentieel om helder vast te leggen waar de (eind)verantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt, met bijzondere aandacht voor het borgen van de verantwoordelijkheden van de betrokken professionals. Ten aanzien van de sociaal-medische beoordeling wordt onderzocht welke taken zijn voorbehouden aan de arts en welke taken door andere professionals kunnen worden uitgevoerd. Dit onderscheid maakt onderdeel uit van het onderzoekstraject.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Per wet zal het gehele beoordelingsproces in beeld worden gebracht, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welke specifieke taken door welke professional worden uitgevoerd. Dit is onderdeel van het onderzoekstraject.
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Alle taken in het proces van de sociaal-medische beoordeling en dienstverlening worden in het onderzoekstraject geduid, waarna moet worden bepaald welke professional welke taken in de toekomstige situatie mag verrichten. Dit moet vervolgens een plaats krijgen in wet- en regelgeving. Naast de wet WIA bepalen ook het schattingsbesluit, jurisprudentie, professionele handreikingen en beroepsrichtlijnen welke taken wel of niet door andere professionals kunnen worden uitgevoerd.
Voor de dienstverlening in de Ziektewet geldt dat er nu al mogelijkheden zijn binnen de huidige wet- en regelgeving om andere professionals, zoals de sociaal-medische verpleegkundige, zelfstandiger in te zetten. Het werken met taakdelegatie is nu voor de verzekerarts nog steeds op vrijwillige basis en wordt op verschillende manieren uitgevoerd. UWV zet in de dienstverlening van de Ziektewet daarom reeds stappen richting verzelfstandiging van de sociaal-medisch verpleegkundige en werkt daarbij toe naar een meer uniforme uitvoering, binnen de huidige wet- en regelgeving. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn een duidelijke taakafbakening, borging van de voor de taken benodigde competenties, passende opleiding en scholing, heldere professionele kaders, goede werkafspraken, juridische borging en een structurele verankering in processen, protocollen en de HRM-inrichting.
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
De uiteindelijke verdeling van taken en bevoegdheden moet uiteindelijk een plaats krijgen in wet- en regelgeving, professionele richtlijnen, opleidingen, protocollen en de werkprocessen binnen UWV. Wet- en regelgeving wordt vastgesteld door de Tweede Kamer, de richtlijnen worden ontwikkeld door de professionals, en de protocollen en werkinstructies door UWV in samenwerking met de professionals.
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Van oudsher zijn alleen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige opgenomen in de wetgeving omtrent de WIA. In het onderzoekstraject wordt onderzocht welke professional welke taken mag uitvoeren onder welke bevoegdheid. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien of, en op welke wijze, wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Dit moet in de loop van het onderzoekstraject duidelijk worden. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd over informeren. De mate van productiviteit is ook afhankelijk van andere factoren waar nu al hard aan wordt gewerkt binnen UWV. Ik verwijs hiervoor naar de kamerbrief
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Advocaten hebben dezelfde vrijheden als eenieder in Nederland. Daarbij hebben zij zich te houden aan de wet die geldt voor alle Nederlanders en, vanwege hun functie als advocaat, de beroepsspecifieke wet- en regelgeving voor de advocatuur. Het staat advocaten vrij om cursussen en trainingen te volgen die hun interesse wekken of die zij relevant achten voor hun beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor deze cursusdag.
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Zie het antwoord op vraag 2. Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten stelt bij verordening regels vast die betrekking hebben op de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.2 De wijze waarop dat gebeurt is vastgelegd in door het college van afgevaardigden vastgestelde Verordening op de advocatuur.3 Het is daarmee dus aan de Nederlandse orde van advocaten om als regelgevende bevoegdheid voor de advocatuur de educatie voor advocaten in te richten. Als bewindspersoon heb ik daar geen bemoeienis mee.
De Nederlandse orde van advocaten heeft mij laten weten dat de organisatie die de betreffende cursus organiseert een niet door de Nederlandse orde van advocaten erkende opleidingsinstelling is en bijgevolg niet bevoegd is tot het zelfstandig toekennen van erkende PO-punten. Na deelname aan de cursus kan een advocaat aan de lokale deken verzoeken om toekenning van PO-punten. Het is aan de lokale deken om deze punten wel of niet toe te kennen.
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat Stichting Muslim Rights Watch Nederland de ANBI-status heeft vanaf 7 juli 2020. Omdat de Belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën4 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig.
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Uit artikel 5b AWR volgt dat de beoordeling inzake de ANBI-status uitsluitend aan de inspecteur van de Belastingdienst is en dat de inspecteur voor de beslissing om een ANBI-status in te trekken is gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Vanwege het eerder genoemde neutrale karakter van de ANBI-regeling zijn gedragingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut geen reden om de ANBI-status in te trekken.
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De woonquote van starters |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Huurders veel groter deel inkomen kwijt aan woonlasten» van de Volkskrant en de onderliggende CBS-cijfers?1
Hoe ziet u de relatie tussen het schaarse aanbod in de koopsector en de private huursector en de oplopende woonlasten?
Hoe ziet u de relatie tussen de hoge inkomstenbelastingen en de woonquote?
Volgens het onderzoek zijn de absolute woonlasten met ruim 22% gestegen tussen 2018 en 2023, wat gaat u doen om de absolute lasten terug te dringen?
In hoeverre heeft de invoering van de Wet betaalbare huur bijgedragen aan het verder verkrappen van het aanbod en in hoeverre heeft dit geleid tot een netto uitstroom van huurwoningen uit de private sector?
In hoeverre zorgen fiscale prikkels als de overdrachtsbelasting voor een stagnerende doorstroom?
Bent u bereid dit fiscale instrument te heroverwegen?
In hoeverre heeft de toegenomen regulering van de huurmarkt particuliere beleggers ontmoedigd te investeren in nieuwe huurwoningen?
Hoeveel private huurwoningen zijn er de afgelopen drie jaar uit de markt gehaald als gevolg van de gewijzigde regelgeving rondom huurprijsregulering en de box 3-belasting?
Kunt u onderzoeken of een verlaging van de inkomstenbelasting, specifiek op werkenden, kan bijdragen aan het vergroten van de financiële ruimte?
Overweegt u een verhoging van de arbeidskorting of algemene heffingskorting als instrument om het netto besteedbaar inkomen van huurders reëel te vergroten?
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, welke alternatieven ziet u dan?
Het artikel ‘Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?»1
Klopt het dat bestuurders van auto’s met een buitenlands kenteken de wegenbelasting, BPM én APK-verplichtingen ontlopen?
Hoeveel boetes zijn de afgelopen vijf jaar uitgeschreven met betrekking tot voertuigen die te lang zijn blijven rijden met een buitenlands kenteken?
Heeft u zicht op het aantal langdurig in Nederland verblijvende arbeidsmigranten die niet geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen?
Gelet op het feit dat volgens het rapport «Onderzoek opgave arbeidsmigratie in de provincie Zuid-Holland» het aantal niet geregistreerde arbeidsmigranten maar liefst 47% van het totaal zou kunnen zijn: is deze verhouding indicatief voor Nederland an sich?2
Welke criteria worden gebruikt om vast te stellen of er bij een auto sprake is van «duurzaam gebruik» in Nederland, waarbij een Nederlands kenteken verplicht is?
In hoeverre is handhaving op «duurzaam gebruik» realistisch aangezien het langdurig, individueel, anderszins onopvallend gedrag betreft?
In hoeverre wordt handhaving bemoeilijkt door het feit dat voertuigregistratie, fiscale afhandeling en de signalering van overtredingen allemaal bij andere instanties liggen?
Bij wie ligt de bewijslast bij een mogelijke overtreding? Wanneer is het aannemelijk genoeg dat er sprake is van een voertuig met «duurzaam gebruik» om te handhaven op het kenteken?
Heeft u zicht op hoeveel geld de overheid misloopt door gebrekkige handhaving wat betreft het langdurig gebruik van buitenlandse kentekens?
Is het mogelijk de handhavingsketen te stroomlijnen zonder extra administratieve lasten te creëren voor zowel bedrijven als overheidsinstanties?
In hoeverre ziet u kansen om met ANPR-systemen en (bestaande) verkeerscamera’s signalering en dus handhaving te vereenvoudigen?
Bent u bekend met het plan «Zo werkt arbeidsmigratie voor iedereen»?3
Bent u bereid om uitvoering te geven aan het eerste punt onder hoofdstuk 2.1 waar gevraagd wordt om een dekkend registratiesysteem voor arbeidsmigranten, gekoppeld aan het BRP?
Bent u het met ons eens dat een dergelijk systeem zou kunnen helpen bij de handhaving rondom het «duurzaam gebruik» van auto’s in Nederland die desondanks met een buitenlands kenteken blijven rijden?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Het bericht 'Gronings chemiebedrijf liet illegaal zoutafval dumpen rond Nederlands-Belgische grens' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie heeft u ontvangen over de illegale verspreiding van circa vijf miljoen kilogram afvalzout nabij de Nederlands-Belgische grens, waaronder de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, de betrokken locaties en de mogelijke gevolgen voor bodem, grond- en oppervlaktewater?1
Vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is in kader van toezicht en handhaving onderzoek gedaan. De ILT heeft in 2025 een melding ontvangen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het Openbaar Ministerie (OM) is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van het bedrijf. Zolang er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan er verder niet in detail op de zaak worden ingegaan.
Heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke gevolgen van deze afvaldumpingen voor Nederlandse KRW-oppervlaktewaterlichamen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog uit te laten voeren?
Dit ligt bij het bevoegd gezag. Voor Nederlandse regionale oppervlaktewateren is dit het waterschap, niet het Rijk.
Op welke wijze wordt momenteel in beeld gebracht welke gevolgen de verhoogde zoutbelasting kan hebben voor de kwaliteit en het gebruik van landbouwgronden, natuurgebieden en waterlichamen in het grensgebied?
Ook dit ligt bij de bevoegde gezagen. In Nederland is dat voor oppervlaktewaterkwaliteit het waterschap, voor grondwater de provincie.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van deze verontreiniging voor het behalen van de KRW-doelen en voor reeds gedane investeringen in de verbetering van de waterkwaliteit in grensoverschrijdende stroomgebieden?
Voor de KRW wordt gemonitord en getoetst volgens het voorgeschreven protocol. Indien nodig zou het bevoegd gezag aanvullend hierop extra metingen kunnen doen om mogelijke effecten te kunnen bepalen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een stof die mogelijk als afvalstof had moeten worden aangemerkt gedurende meerdere jaren als product of bodemverbeteraar kon worden verhandeld en toegepast? Welke lessen worden hieruit gehaald voor het verbeteren van het toezicht op dergelijke reststromen?
In zijn algemeenheid is het onwenselijk wanneer materialen worden toegepast die ongunstige effecten voor mens en milieu hebben. Ik kan echter niet ingaan op of hiervan sprake is in deze specifieke casus, aangezien er een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat afvalstoffen onder het mom van een product of grondstof worden verspreid? En welke maatregelen worden genomen om het toezicht op industriële afvalstromen en grensoverschrijdende afvalverwerking te verbeteren?
In Nederland geldt dat de verantwoordelijkheid voor het beoordelen of een materiaal een product/grondstof is of afval (de afvalstatus), in eerste instantie bij de bedrijven zelf ligt. Het is aan de omgevingsdiensten om die beoordeling te toetsen en erop toe te zien dat bedrijven handelen conform wet- en regelgeving. Het ministerie biedt diverse ondersteuning voor bedrijven en bevoegde gezagen bij de afvalstatusbeoordeling.
Een juiste afvalstatusbeoordeling is van belang voor de toepassing van afvalstoffenwetgeving in het geval van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) wanneer sprake is van grensoverschrijdend transport. Dan kan de Inspectie Leefomgeving en Transport, als toezichthouder voor de EVOA, toezien op het transport en controleren of de voorgestelde toepassing of verwerking van de afvalstoffen in het land van ontvangst zijn toegestaan.
Het ministerie neemt op dit moment verschillende maatregelen om de uitvoeringspraktijk nog verder te versterken. De beschikbare ondersteuning vanuit het Rijk is getoetst bij stakeholders en wordt aangescherpt om beter aan te sluiten bij wensen en behoeften van bedrijven en bevoegde gezagen. Daarnaast zorgt kennisplatform «Afval of niet» voor meer kennisopbouw en -deling tussen omgevingsdiensten.
Op 21 mei jl. is de nieuwe Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA 2024) in werking getreden. Onder deze nieuwe EVOA vinden een aantal wijzigingen en aanscherpingen plaats t.a.v. afvaltransport, waardoor het toezicht wordt verbeterd. Dankzij een centraal EU digitaal systeem (DIWASS) kan er beter toezicht worden gehouden op afvalstromen. Dankzij dit systeem krijgen de ILT en inspecteurs van omgevingsdiensten een compleet beeld van de aan- en afvoer van afvalstoffen bij (afval-)bedrijven waarop zij toezicht houden. De ILT zal ervoor zorgen dat Douane en politie direct toegang tot dit systeem kunnen krijgen en betrokkenen opleiden voor gebruik ervan. Bij hun (transport-)controles kunnen zij dan nagaan of aan alle vereisten wordt voldaan.
Is bekend of vergelijkbare afvalstromen van dit bedrijf ook op andere locaties in Nederland of andere Europese landen zijn toegepast of verspreid? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee en welke maatregelen worden genomen om eventuele verdere milieuschade te voorkomen?
Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zijn alleen gevallen van de illegale overbrenging van afvalzout naar België, Polen en Duitsland bekend. ILT heeft met de buitenlandse autoriteiten contact hierover opgenomen. Vanuit België en Polen ligt er een verzoek om het afval terug te halen. Afvalstoffen die illegaal zijn overgebracht moeten namelijk terug naar het land van herkomst (in dit geval Nederland). Daar is het betrokken bedrijf verantwoordelijk voor en de ILT houdt daar toezicht op.
Voor de afvalstoffen die reeds (voorlopig) zijn toegepast of verwerkt, bestaat niet meer de plicht van artikel 25 EVOA om het terug te halen. De ILT heeft hierover contact gehad met de Duitse en Belgische autoriteiten. In Duitsland is het zout gemengd met grit, wat gebruikt wordt om bij gladheid op de wegen te strooien. Het zout is dan zodanig gemengd, dat het niet meer als afvalzout aangemerkt kan worden.
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en ben ervan op de hoogte dat er uitdagingen zijn bij het organiseren van de huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenduren op de (Friese) Waddeneilanden. Het is bekend dat praktijkhouders zelf aangeven dat de vergoeding voor (bereikbaarheid tijdens) ANW-diensten hier een van de oorzaken van is.
Het is de inzet van het kabinet dat de continuïteit en kwaliteit van huisartsenzorg overal in Nederland, en dus ook op de (Friese) Waddeneilanden, gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de preferente zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Ja, zowel partijen uit de regio als de NZa en LHV geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de Kamerleden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland en dat hiervoor ook een andere wijze van bekostigen geldt. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor wel van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat verzekeraars passende en doelmatige financiering kunnen organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en de preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, zet het kabinet in op continuïteit van huisartsenzorg in elke regio en is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt preferente zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 aangegeven, aan partijen zelf om vanuit hun rollen en verantwoordelijkheden de hen toegereikte instrumenten in te zetten om de continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden te borgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?
Ja.
Het bericht ‘Isolatiebedrijven in nood’ |
|
Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Isolatiebedrijven in nood» van de Telegraaf1 en «Isolatiebedrijven in zwaar weer» van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?2
Ja.
Herkent u de signalen uit de isolatiesector over de gevolgen van versnipperd lokaal, regionaal en nationaal beleid?
Ja.
Herkent u tevens signalen over de gevolgen van de uit 2 augustus 2023 stammende uitspraak van de Raad van State inzake toepassing van de Wet natuurbescherming, en de zorgplicht?
Ja.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de delegatie van de voor het Nationaal Isolatieprogramma beschikbare subsidies naar gemeentelijk niveau op de voortgang van het Nationaal Isolatieoffensief?
Versnelde isolatie van woningen is voor mij een zeer belangrijke inzet. Met de middelen uit het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) die beschikbaar zijn op gemeentelijk niveau kan er gericht ondersteuning worden gegeven, tot achter de voordeur. Het gaat in totaal om 1,6 miljard euro, waarmee 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben worden geïsoleerd.
Gerichte, pro-actieve ondersteuning is voor veel doelgroepen met energiearmoede of een risico daarop van belang om tot verduurzamingsmaatregelen te komen en de energierekening omlaag te brengen.
Gemeenten weten het beste wat er in de wijk speelt en kunnen hun isolatieaanpak zo vormgeven dat de juiste ondersteuning geboden wordt die nodig is voor de bewoners. De ondersteuning gaat dan ook verder dan alleen subsidie en behelst ook advies en ondersteuning in het proces. Zo is er in de lokale isolatieaanpak 120.000 keer een energieadvies afgegeven, 6.000 keer financieel advies gegeven en is 13.000 keer ondersteund bij het aanvragen van landelijke subsidies.
Er zijn gemeenten die zo al bijna hun volledige isolatieopgave hebben voltooid3, maar er zijn ook gemeenten waar de aanpak minder snel op gang komt en versnelling nodig is. Via het Nationaal Isolatieoffensief, waar ik bij het antwoord op vraag 8 verder op in ga, zetten we in op versnelling in de wijken die achterlopen en waar de urgentie het grootst is.
Welke impact heeft de maximering van prijzen, zoals vastgelegd in de maatregelencatalogus binnen het programma Nij Begun op de mogelijkheid om maatwerk te leveren dat nodig is in verschillende situaties?
Binnen de isolatieaanpak van Nij Begun is ervoor gekozen om het beproefde model van de Nationaal Coördinator Groningen bij de versterking toe te passen en een maatregelencatalogus op te stellen met een prijzenoverzicht van alle isolatie- en ventilatiemaatregelen. Al meer dan 1.000 bedrijven in de regio en daarbuiten hebben zich bij het bedrijvennetwerk van de isolatieaanpak aangesloten en zich aan deze maatregelencatalogus gecommitteerd. Het doel is om er voor te zorgen dat uniforme prijzen gehanteerd worden en verschillen tussen woningeigenaren in de kosten van maatregelen en de uitvoering voorkomen worden. De prijzen uit de catalogus worden in nauwe samenwerking vastgesteld met verschillende belanghebbenden zoals (vertegenwoordigers van) marktpartijen. De verschillende partijen praten en denken mee over de prijzen. Zo hanteren we voor de verschillende maatregelen marktconforme prijzen.
Binnen de isolatieaanpak is het mogelijk om via de maatregelencatalogus maatwerk te leveren als dat nodig is. Er zijn verschillende categorieën, zoals de bijkomende kosten welke afhankelijk zijn van de situatie. Dit is bijvoorbeeld het plaatsen van een steiger maar ook het natuurvriendelijk werken als er spouwmuurisolatie toegepast wordt. Daarnaast is maatwerk via een offerte mogelijk als dit noodzakelijk is om de isolatie- of ventilatiemaatregel uit te voeren en de kosten niet onder de reguliere bijkomende kosten uit de maatregelencatalogus vallen. Het is en blijft dus altijd mogelijk om maatwerk te leveren.
Wat is de huidige stand van zaken in de uitvoering van de doelstelling om tot 2030 2,5 miljoen woningen te verduurzamen?
Via het NIP zijn al veel huishoudens geholpen aan een lagere energierekening dankzij isolatiemaatregelen. Een grove inschatting is dat op dit moment circa 800.000 woningen van de 2,5 miljoen woningen zijn geïsoleerd in het Nationaal Isolatieprogramma.
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en de Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) zijn sinds 2022 t/m nu in circa 550.000 woningen isolatiemaatregelen toegepast. Ruim 80.000 woningen zijn via gemeenten geholpen met isoleren. Omdat de subsidies uit de lokale aanpak en de landelijke subsidies kunnen worden gecombineerd zal er overlap tussen deze cijfers zitten. Hoeveel unieke woningen precies zijn geïsoleerd, is na de zomer bekend, wanneer de gegevens over de lokale aanpak zijn opgenomen in het dashboard energiesubsidies woningen van het CBS4.
Voor de huursector is geen volledig beeld beschikbaar van het aantal woningen dat is geïsoleerd sinds de start van het NIP in 2022. Wel blijkt uit de jaarlijkse benchmark van Aedes dat tussen medio 2023 en medio 2025 er 331.000 isolatiemaatregelen zijn genomen in de corporatiesector.5 Op energielabelniveau zien we ook dat corporaties goed op weg zijn: het aantal EFG labels bij corporaties is tussen 2022 en 2025 gedaald van ca 247.000 tot 115.000.
Voor de private huursector ontbreekt een vergelijkbare registratie van uitgevoerde maatregelen. We baseren ons daarom op de energielabels. ABF heeft tweemaal een onderzoek gedaan naar de stand van zaken van de energielabels in de private huursector. We zien daarin dat het aantal huurwoningen met een EFG-label is gedaald van circa 292.000 in 2023 naar circa 244.000 in 2025. Volgens ABF zal het aantal private huurwoningen met een E-, F- of G-label richting 2029 naar verwachting met circa 202.000 afnemen. Daarmee is de verwachting dat het grootste deel van de huidige EFG-opgave in de private huursector de komende jaren wordt uitgefaseerd.
Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk om deze doelstelling te halen?
Ja, versnelling blijft nodig om het doel van 2,5 miljoen woningen van het NIP voor 2031 te behalen. Met name in wijken waar de urgentie het grootst is, is versnelling het meest belangrijk. Via het recent aangekondigde isolatieoffensief wil ik deze versnelling creëren.
Zo ja, welke maatregelen overweegt u?
Met het Nationaal Isolatieoffensief zet ik in op versnelling van de isolatieaanpak, zoals aangekondigd in mijn brief van 22 juni 20266. Met onder andere standaardisatie en toepassing van geleerde lessen, een versnellingsteam voor wijken die achterlopen en extra inzet in de NPLV-wijken pakken we door in de isolatieaanpak en zetten we een belangrijke stap van leren en ontdekken, naar concluderen en toepassen.
Om meer eenduidigheid en handelingsperspectief te creëren rond natuurvriendelijk isoleren werkt het Rijk samen met het IPO, de provincies, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche aan een landelijke, tijdelijke gedragscode als overbrugging naar de Soorten Management Plannen (SMP’s), zoals aangegeven in de brief. De gedragscode geeft vrijstelling van de vergunningplicht bij een positieve eDNA-test voor de twee meest voorkomende vleermuissoorten indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de gedragscode. Bij een negatieve eDNA-test kan spouwmuurisolatie direct plaatsvinden. Het Rijk zet zich in om de nieuwe gedragscode dit jaar nog te consulteren.
Ziet u daarbij kansen voor het uniformeren van voorwaarden voor subsidieverstrekking binnen het Nationaal Isolatieprogramma?
Ja. Via het eerste spoor van het isolatieoffensief wordt onder andere ingezet op standaardisatie waar dat de isolatieopgave kan helpen versnellen. Met het Energiehuis zorgen we voor uniforme ondersteuning en een centraal punt voor de verduurzaming, ook op de langere termijn.
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een concreet plan1 lag om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden, maar dat deze operatie uiteindelijk niet is doorgegaan? Zo ja, waarom is hiervan afgezien?
Klopt de bewering2 dat voormalig Minister Brekelmans niet heeft ingestemd met een operatie om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid? Zo ja, welke rol hebben deze zorgen gespeeld bij de besluitvorming? Zo nee, wat is volgens u de feitelijke gang van zaken geweest?
Klopt het dat het besluit om de operatie niet uit te voeren heeft geleid tot aanzienlijke onvrede, discussie of consternatie binnen de betrokken organisaties? Zo ja, waar zag deze op? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat van bewindspersonen mag worden verwacht dat zij het algemeen belang en de veiligheid van de samenleving vooropstellen, ook wanneer besluiten mogelijk gevolgen hebben voor hun eigen veiligheid of beveiliging, en dat persoonlijke veiligheidszorgen nooit een reden mogen zijn om af te zien van de aanhouding van een van de meest gezochte criminelen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Waarom kiest u ervoor zich publiekelijk via Instagram te profileren met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten al maanden worden weggepest, bedreigd en de campus moeten mijden uit doodsangst door islamitische haat en begrijpt u dat dit de indruk wekt dat joodse zorgen totaal niet serieus worden genomen? Zo nee, waarom niet?1
Ik vind het van groot belang dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Daarom spreek ik met een brede groep studenten met verschillende achtergronden.
Ik neem de zorgen van Joodse studenten zeer serieus en zet me via de uitwerking van de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 in om de situatie voor hen te verbeteren.2
Hoeveel gesprekken heeft u sinds 7 oktober 2023 eigenlijk gevoerd met joodse studentenorganisaties over de explosie aan islamitisch antisemitisme of zijn die gesprekken op één hand te tellen omdat u de islamitische agenda prioriteit geeft boven de joodse slachtoffers?
Sinds de aanvang van mijn ambtsperiode voer ik regelmatig gesprekken met een variëteit aan vertegenwoordigers uit de Joodse gemeenschap over hun veiligheid, omdat ik dit belangrijk vind.
Waarom kiest u ervoor om de islamitische agenda voor te trekken door moslimstudenten publiekelijk in de schijnwerpers te zetten, terwijl joodse studenten de dupe worden van deze eenzijdige aanpak en dagelijks te maken hebben met antisemitisme en onveiligheid en is dit niet precies de capitulatie voor de islam die joodse studenten opoffert?
Ik zet geen enkele groep studenten boven de andere. Het is geen competitie. Elke groep studenten is belangrijk voor mij.
Deelt u de mening dat uw Instagram-bericht met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten dagelijks worden geconfronteerd met islamitische Jodenhaat, antisemitisme en intimidatie, getuigt van verraad aan joodse studenten en capitulatie voor de islamisering van ons onderwijs? Zo nee waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 1.
Een Instagrampost van de minister over een onderhoud van de minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA) |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de post op Instagram van 11 juni 2026 waarin u vertelt over uw ontmoeting met leden van de Moslim Studenten Associatie (hierna: MSA)?1
Ja.
In deze post zegt u dat «veel moslimstudenten» zich «nog niet altijd» thuis voelen op hun onderwijsinstelling, heeft u een idee hoeveel studenten dit betreft en wat hun klachten precies zijn?
Voor het onderwijs zijn er geen cijfers over thuisgevoel uitgesplitst naar religie. Breder onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2
Moslimstudenten geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête3 die zij aan één van mijn ambtsvoorgangers hebben aangeboden, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Tevens hebben zij mij en mijn ambtsvoorgangers er in gesprekken op gewezen dat zij te maken krijgen met incidenten zoals koranverscheuringen, onveiligheid tijdens stages met angst om te melden en meer beveiligingscontroles op basis van uiterlijke kenmerken (zoals het dragen van een hoofddoek). Ook noemen zij dat moslimstudenten vaak de eerste in hun familie zijn die naar het hoger onderwijs gaan. Dit brengt prestatiedruk met zich mee, vaak ook een financiële druk thuis, en vraagt om aandacht voor thuisgevoel.
Was u ervan op de hoogte dat de MSA is aangesloten bij Femyso, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations, dat volgens de inlichtingendiensten van België, Duitsland en Frankrijk en verschillende wetenschappers de officieuze jongerentak is van de Council of European Muslims, een organisatie die de strategie voor de Europese Unie coördineert van de Moslimbroederschap die streeft naar de islamisering van het Westen? Zo ja, heeft u hierover gesproken met de delegatie van MSA?2, 3, 4, 5, 6, 7
Het is openbare informatie dat MSA lid is van Femyso. Dit is tijdens het gesprek niet aan de orde gekomen. Het gesprek ging over studentenwelzijn en thuisgevoel. Daarover spreek ik met meerdere studenten. Dat vind ik belangrijk en blijf ik doen. De MSA heeft mij naar aanleiding van deze vragen laten weten dat zij is aangesloten bij Femyso, maar dat zij geen enkele verbinding heeft met de Moslimbroederschap.
Wat vindt u van de bevinding dat Femyso en de bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA strijden volgens de in vraag 3 genoemde inlichtingendiensten en wetenschappers tegen islamofobie of moslimdiscriminatie en voor «sociale veiligheid» omdat officieel erkend slachtofferschap helpt bij het behouden en verkrijgen van subsidies en het verwezenlijken van faciliteiten zoals bijvoorbeeld gebeds- of stilteruimten waarmee de «ongelovige» omgeving kan worden aangepast aan de islamitische norm?
Ik deel dit beeld niet. Discriminatie van welke groep dan ook is bij wet verboden. Dit kabinet zet zich in voor het tegengaan van discriminatie en het verbeteren van sociale veiligheid voor iedereen. Zoals ik ook in het debat over mentale gezondheid van scholieren en studenten van 24 juni jl. heb aangegeven, spreek ik met allerlei studenten over onderwerpen waar zij mee zitten, met welke achtergrond dan ook. Ik vind het enorm belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs en zie het als mijn rol om daarover in gesprek te gaan.
Er is geen subsidierelatie tussen het ministerie en de MSA. Voorts blijft het al dan niet verwezenlijken van stilteruimten een verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen zelf. Net als de toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen.
Wat vindt u van de bevinding dat volgens de Franse sociologe en kenner van de ideologie van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler en van een in mei vorig jaar verschenen onderzoek dat is verricht in opdracht van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken dat Femyso en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA opleidingsstructuren voor hooggekwalificeerde kaderleden van de Moslimbroederschap zijn die een rol moeten spelen in de strategie die entryismwordt genoemd, dat wil zeggen het ideologisch bewerken en verleiden van overheidsorganisaties om deze een «inclusieve» koers te laten varen die de islam accommodeert? Bent u bekend met het onderzoek van Florence Bergeaud-Blackler en hoe beoordeelt u de bevindingen en waarschuwingen daarin?8
Hier ben ik niet bekend mee.
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen, het rapport waarschuwt onder andere dat de organisaties van het moslimbroedernetwerk heel bedreven zijn in het exploiteren van slachtofferschap («victimisation») om de eigen agenda vooruit te helpen, herkent u het beeld? Zo nee, waarom niet?9, 10
Ik beschik niet over de informatie om dit beeld te duiden.
Meent u – in het licht van deze waarschuwing – dat het verstandig was om leden van de MSA niet alleen te ontvangen maar ook hun narratief over te nemen dat «veel moslimstudenten» zich niet thuis voelen op universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen waardoor deze klacht die draait om een niet nader omschreven gevoel wint aan legitimiteit? Graag een toelichting.
Ik vind het belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Thuisgevoel is, los van een op zichzelf staande waarde, ook van invloed op studiesucces. Ik spreek met een brede groep studenten met verschillende achtergronden, waarbij ik geen enkele groep studenten boven de andere plaats. Op die manier leer ik wat er speelt onder studenten. Ik wijs uw suggestie af dat ik door gesprekken te voeren een bepaald narratief overneem in relatie tot de uitdagingen die moslimstudenten ervaren.
Lokale afdelingen van de MSA – zoals de MSA Rotterdam (Erasmus Universiteit), de MSA UAS (Amsterdam) en de EMSA (Universiteit Twente) – zijn erkende studentenorganisaties die in aanmerking komen voor subsidies van de onderwijsinstellingen zoals «bestuursmaanden» en activiteitensubsidies, daarnaast kunnen zij een beroep doen bij gemeenten op een bijdrage uit welzijns- en diversiteitspotjes, bent u bereid met de betrokken onderwijsinstellingen en gemeenten in overleg te treden om te zien hoeveel subsidie de MSA via al deze kanalen ontvangt?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Onderwijsinstellingen en gemeenten gaan zelf over hun uitgaven, binnen de kaders die er gelden. Ik heb er vertrouwen in dat zij hun keuzes en afwegingen zorgvuldig maken.
Hoe beoordeelt u de financiering van deze organisaties, in het licht van de formele banden van MSA met Femyso en vindt u het wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 8.
Bent u bereid kennis te nemen van de actuele wetenschappelijke literatuur over de Moslimbroederschap en het zogenoemde «broederisme» alsmede het rapport van de Franse overheid dat beschrijft hoe verenigingen die zich presenteren als ngo’s voor burgerrechten en non-discriminatie in feite religieuze lobbyorganisaties zijn die de taal spreken van diversiteit en inclusie om groepsprivileges af te dwingen zoals gebedsruimten, inclusief tentamenbeleid – flexibiliteit rondom religieuze feestdagen – en halal-opties in de kantine? Graag een toelichting.11, 12
Ik neem kennis van uiteenlopende wetenschappelijke publicaties en rapporten over verschillende onderwerpen. Daarbij baseer ik mijn oordeel niet op één specifieke analyse of denkrichting, maar op een brede weging van beschikbare feiten en onderzoek.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Joost Sneller (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Ja, die opvatting deel ik. Het is zorgelijk dat minderjarigen hiermee in aanraking komen en zij moeten hiertegen worden beschermd. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 3, zijn online platforms, zoals Snapchat, ook verplicht om minderjarigen op hun dienst doeltreffend te beschermen.
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Snapchat is aangewezen als «zeer groot online platform» onder de digitaledienstenverordening (de Digital Services Act, hierna de DSA). Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Artikel 28 van de DSA schrijft voor dat online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen passende en evenredige maatregelen dienen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Welke maatregelen vereist zijn verschilt per dienst, afhankelijk van de specifieke risico’s die er spelen. Deze risicobeoordeling is nader toegelicht in de Richtsnoeren inzake maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen online te waarborgen, gepubliceerd door de Europese Commissie.2
Als zeer groot online platform moet Snapchat daarnaast ten minste jaarlijks de zogenaamde systeemrisico’s beoordelen die voortvloeien uit de werking van haar dienst en de daaraan verbonden systemen – met inbegrip van algoritmische systemen – en uit het gebruik van haar dienst (artikel 34 DSA) en vervolgens passende maatregelen treffen om die risico’s te beperken (artikel 35 DSA). Deze systeemrisico’s omvatten onder meer eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten met betrekking tot de bescherming van minderjarigen. De getroffen maatregelen dienen redelijk, evenredig en doeltreffend te zijn.
In maart 2026 is de Europese Commissie, als primaire toezichthouder op de zeer grote online platformen onder de DSA, een onderzoek gestart naar kinderbescherming bij Snapchat.3 De Commissie werkt voor dat onderzoek samen met de ACM als digitaledienstencoördinator van het land waar Snapchat haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen.4 Dit onderzoek richt zich onder meer op de blootstelling van minderjarigen aan schadelijke inhoud en verkoop van illegale producten op Snapchat. Dit onderzoek loopt nog.
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Voor wat betreft de DSA, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3. In aanvulling daarop, bevat artikel 16 van de DSA de verplichting voor hostingdiensten, waaronder online platforms, om te voorzien in kennisgevings- en actiemechanismen via welke personen of entiteiten illegale inhoud bij hen kunnen melden. Binnengekomen meldingen moeten op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze worden verwerkt. Ook de Politie en het OM maken gebruik van deze mechanismen om verwijderverzoeken in te dienen.
Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een verwijderbevel uitvaardigen om content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. Het OM kent verregaande zelfstandigheid en maakt per concreet geval een afweging over het instellen van strafrechtelijk onderzoek en de eventuele inzet van bevoegdheden.
Complicerende factor bij het aanpakken van deze problematiek, is dat de drugs- en wapenhandel op haar platform volgens Snapchat grotendeels plaatsvindt in privécommunicatie tussen gebruikers en niet op de publiek zichtbare onderdelen van het platform. Dit is relevant, omdat EU-(privacy)wetgeving en het communicatiegeheim zich verzetten tegen het proactief scannen van privécommunicatie van gebruikers.
Het optreden tegen schadelijke, wapen-, drugs- of vapegerelateerde inhoud in privécommunicatie wordt daardoor deels afhankelijk van meldingen. Immers, communicatie over strafbare feiten komt meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon door handhavingsinstanties in beslag kan worden genomen tijdens een onderzoek én kan worden gekraakt. Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan, indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat, communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft hierover gecommuniceerd aan uw Kamer op 29 augustus 2025.5
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in illegale middelen zoals drugs en wapens, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken.
Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Wel ziet de Minister van Justitie en Veiligheid ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten (zie ook het antwoord op vraag 4), de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders.
Daarom zijn wetgeving en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden alleen niet voldoende effectief. Om de aanpak te versterken, zet het kabinet dus in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De berichtgeving over de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten via Snapchat vind ik zeer zorgelijk. Ik beschik echter over onvoldoende informatie om te beoordelen of Snapchat voldoet aan haar verplichting om minderjarigen doeltreffend te beschermen. Het vergaren van die informatie en het oordelen daarover is aan de Europese Commissie en de ACM, als toezichthouders op de DSA. Het onderzoek naar Snapchat loopt nog. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen.
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) maakt deel uit van het onderzoeksteam dat door de Europese Commissie wordt geleid.6 De ACM is de digitaledienstencoördinator en voornaamste toezichthouder op de DSA in Nederland. De betrokkenheid van de ACM vloeit voort uit het feit dat Snapchat in Nederland haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen voor de DSA.
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Op grond van artikel 15 van de DSA zijn tussenhandeldiensten verplicht om ten minste jaarlijks transparantierapportages te publiceren over inhoudsmoderatie die zij toepassen, waaronder informatie over verwijderde inhoud en accounts.7 Ook moeten zij desgevraagd informatie verstrekken aan de bevoegde toezichthouders. Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van de DSA handelen de toezichthouders volledig onafhankelijk. Ik heb dus geen zicht op eventuele eisen die zij stellen aan de controleerbaarheid van de door Snapchat verstrekte cijfers. Het spreekt echter voor zich dat de door Snapchat verstrekte informatie wel juist en controleerbaar moet zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Het is aan de Europese Commissie en de ACM, als bevoegde toezichthouders op grond van de DSA, om te beoordelen of Snapchat haar verplichtingen naleeft en zo nodig handhavend op te treden. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8, zijn de toezichthouders hierin volledig onafhankelijk. Op grond van de DSA blijven zij vrij van enige directe dan wel indirecte invloed en vragen of aanvaarden zij geen instructies van enige overheidsinstantie of particulier. Wel heb ik recent gesproken met Snapchat, waarbij ook deze casus ter sprake is gekomen. In dat gesprek heb ik het belang van de bescherming van minderjarigen benadrukt.
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Online platforms zijn verplicht om meldingen van illegale inhoud of accounts op tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken op grond van de in de beantwoording van vraag 4 genoemde kennisgevings- en actiemechanismen. Dit kan betekenen dat zij gerapporteerde accounts schorsen of beëindigen. Een dergelijke schorsing is op grond van artikel 23 van de DSA ook verplicht in het geval van gebruikers die frequent illegale inhoud verstrekken. Meldingen van zogenaamde betrouwbare flaggers moeten met prioriteit worden afgehandeld.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
De Minister van Justitie en Veiligheid houdt de Kamer periodiek op de hoogte over de aanpak van illegale content zoals drugshandel. Verdere operationele informatie over de specifieke aanpak kan niet gedeeld worden.
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Ja, dit zijn herkenbare knelpunten voor ondernemers.
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Ja, ik ga opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zet mij samen met de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid in om knelpunten voor ondernemers structureel aan te pakken. De komende tijd zullen we intensief gaan samenwerken met werkgeversorganisaties, waaronder FME, om regeldruk gericht te verminderen – niet alleen in aantallen, maar met focus op impact. Uw Kamer wordt hier verder over geïnformeerd in een Kamerbrief over de bredere vereenvoudingsaanpak die dit jaar wordt verstuurd.
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Het kabinet heeft zichzelf het ambitieuze doel gesteld om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor concrete reductiedoelstellingen, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid, die vóór 1 oktober zullen worden vastgesteld. Met de installatie van het nieuwe kabinet is de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de vereenvoudigingsopgave overgegaan naar de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, en daarmee ook voor de coördinatie van deze jaarlijkse doelstelling. Uw Kamer wordt hier verder over geïnformeerd in een Kamerbrief over de bredere vereenvoudigingsaanpak die dit jaar wordt verstuurd.
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Nee. Hierover loopt nog overleg met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. U wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Op 29 januari jl. heeft het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) advies uitgebracht over een regeldruksignaal ten aanzien van de bijschrijfplicht voor dagleidinggevenden in de horeca dat ATR heeft ontvangen van MKB-Nederland. Op 10 april jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat het kabinet het advies zorgvuldig bekijkt en werkt aan een reactie.3 Recent heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat de Minister van JenV, samen met gemeenten verkent, of de bijschrijfplicht voor dagleidinggevenden lokaal kan worden georganiseerd.
Zodra deze verkenning is afgerond zal het kabinet u zo spoedig mogelijk (uiterlijk voor oktober 2026) een beleidsreactie op het ATR-advies doen toekomen.
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Hilde Wendel (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?