Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Bertram , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
Het bericht 'Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw valt van trap in gebouw waar liften maanden stuk zijn en moet via raam naar buiten, bewoners klagen over onveilige situaties»?1
Is het u bekend dat Holland2Stay landelijk op grote schaal woningen verhuurt en beheert, en dat in meerdere steden vergelijkbare klachten bestaan over kapotte liften, defecte toegangssystemen, gebrekkig onderhoud en veiligheidsproblemen?
Acht u het aanvaardbaar dat bewoners maandenlang in een aantoonbaar onveilige situatie verkeren voordat een verhuurder tot een structurele oplossing overgaat, en welke termijn acht u bij een veiligheidsgebrek van deze aard nog acceptabel?
Hoe beoordeelt u het dat de huren worden verhoogd terwijl een basisvoorziening als een werkende lift al maanden niet toegankelijk is, en acht u de mogelijkheden voor huurders om hier iets aan te doen toereikend en toegankelijk?
Herkent u het bredere signaal dat juist kwetsbare of minder mondige huurdersgroepen, zoals expats, extra risico lopen op uitbuiting door grote verhuurders, en welke stappen zet u om ook deze groep effectief te beschermen?
Hoe beoordeelt u het dat de oprichter en een directeur van Holland2Stay in 2021 ieder een taakstraf hebben aanvaard wegens het manipuleren van tijdelijke huurcontracten, en welke consequenties verbindt de overheid aan zo'n veroordeling voor een partij die vervolgens op grote schaal actief blijft op de gereguleerde woningmarkt?
Hoe verhoudt het door Sikkom bevestigde feit dat Holland2Stay meer dan 280 huurders in Groningen tussen € 150 en € 200 aan verboden bemiddelingskosten heeft gerekend en weigerde proactief terug te betalen, zich tot het wettelijke verbod op bemiddelingskosten, en welke mogelijkheden hebben gedupeerde huurders om hun geld terug te krijgen?2
Deelt u, gelet op signalen dat Holland2Stay gebruikmaakt van een vennootschapsstructuur waarbij het bedrijf zich in juridische procedures op het standpunt stelt slechts «beheerder» en niet «verhuurder» te zijn met als gevolg dat huurders bij de rechter bot vangen, de zorg dat ondoorzichtige vennootschapsstructuren huurders het effectief uitoefenen van hun rechten kunnen ontnemen, en welke mogelijkheden ziet u om de werkelijke verhuurder voor huurders kenbaar en aanspreekbaar te maken?
Hoe beoordeelt u het dat Holland2Stay een voormalig student van de Technische Universiteit Eindhoven na een bedwantsenplaag aanvankelijk ruim € 12.000 in rekening bracht, een bedrag dat na protest stapsgewijs werd verlaagd tot € 5.083,21, terwijl een onafhankelijk kenniscentrum aangeeft dat de kosten van een dergelijke bestrijding doorgaans veel lager liggen? Deelt u de zorg dat grote verhuurders onderhouds- en bestrijdingskosten op ondoorzichtige wijze en mogelijk bovenmatig op individuele huurders afwentelen?3
Acht u, mede gelet op de oproep van meerdere partijen in de Groningse gemeenteraad in februari 2025 om de verhuurdersvergunning van Holland2Stay te heroverwegen wegens veiligheidsovertredingen en aanhoudend wangedrag, de instrumenten die gemeenten met de Wet goed verhuurderschap hebben gekregen toereikend om landelijk opererende verhuurders met een aantoonbaar patroon van misstanden aan te pakken, en op welke wijze faciliteert het Rijk de uitwisseling van handhavingsinformatie over zulke verhuurders tussen gemeenten?4
Deelt u de opvatting dat een verhuurder die in de ene stad misstanden begaat of een vergunning verliest, niet ongehinderd in een andere stad zou moeten kunnen doorgaan, en bent u bereid te onderzoeken of een landelijk register van verhuurders met herhaalde overtredingen wenselijk en mogelijk is?
Bent u, gelet op dit incident en het bredere patroon van fraude, illegale kosten, gebrekkig onderhoud en het ontwijken van aansprakelijkheid, bereid de handelwijze van Holland2Stay te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om huurders beter te beschermen tegen grote, landelijk opererende verhuurders die een structureel patroon van misstanden laten zien?
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Het besluit van het CBR om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond te centraliseren naar één locatie in Sittard-Geleen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om de praktijkexamens in Maastricht, Kerkrade en Urmond per 1 januari 2027 te centraliseren in Sittard-Geleen?
Ja.
Klopt het dat het CBR dit besluit tot centralisatie intern heeft genomen zonder overleg met de actiegroep van ruim 100 rijschoolhouders uit Zuid-Limburg? Zo ja, waarom heeft hierover geen overleg plaatsgevonden?
Het CBR stelt dat het besluit onderdeel is van een bredere herziening van de huisvesting en exameninfrastructuur. Het is aan het CBR zelf, als zelfstandig bestuursorgaan, om invulling te geven aan de wijze waarop stakeholders worden betrokken bij voorgenomen wijzigingen. In het gehele traject heeft het CBR gesprekken gevoerd met verschillende betrokken partijen in de regio.
Vertegenwoordigers van de Rijscholen zijn eerder geïnformeerd over de huisvestingsstrategie van het CBR. Daarbij is niet expliciet de situatie in Zuid-Limburg besproken. Na het indienen van de vergunningaanvraag voor de nieuwe locatie in Sittard/Geleen zijn informatiebijeenkomsten voor rijscholen georganiseerd. De afgelopen maanden is meermaals gesproken met een actiegroep van rijschoolhouders uit Limburg, die is opgericht na de bekendmaking van de huisvestingsplannen van het CBR in Zuid-Limburg.
Heeft het CBR onderzocht of alternatieve examenlocaties binnen de gemeenten Maastricht, Kerkrade en Urmond beschikbaar waren? Zo nee, waarom niet?
Het CBR heeft verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van alternatieve locaties. Daarbij zijn onder meer goede bereikbaarheid, voldoende parkeergelegenheid en de mogelijkheid om voldoende valide examenroutes te rijden belangrijke criteria. Het CBR heeft uiteindelijk gekozen voor Sittard-Geleen vanwege de centrale ligging en omdat deze locatie voldeed aan de criteria voor huisvesting van het CBR. Centraal daarbij staat dat de reistijden binnen de landelijk norm blijven die voor alle huisvesting van het CBR geldt. Voor een praktijklocatie betekent dit dat 95% van de kandidaten en rijscholen – onder normale omstandigheden – binnen 30 minuten op een praktijklocatie moet kunnen zijn. Die norm wordt gehaald met de nieuwe locatie.
Erkent u dat het sluiten van deze examenlocaties kan leiden tot hogere kosten voor zowel rijschoolhouders als examenkandidaten, onder meer door extra brandstofkosten en hogere lesprijzen? Welke maatregelen bent u bereid te nemen om deze gevolgen te beperken?
Wijzigingen in examenlocaties kunnen (negatieve) gevolgen hebben voor de reistijd en kosten voor sommige rijschoolhouders en kandidaten. Aan de andere kant, zal dit voor andere rijschoolhouders en kandidaten weer positieve gevolgen hebben.
Het CBR is verantwoordelijk voor de organisatie van examens en dient daarbij een zorgvuldige afweging te maken tussen bereikbaarheid, kwaliteit en doelmatigheid. Dit besluit voldoet aan de landelijke normen die het CBR stelt om zijn dienstverlening te waarborgen en levert ook voordelen op voor de dienstverlening door het CBR in Limburg. Zo leidt één examenlocatie tot een efficiëntere inzet van examinatoren, een breder aanbod van alle type examens op één locatie en ruimere openingstijden. Ook zijn de afstanden in Zuid-Limburg vergelijkbaar met de bereikbaarheid van andere (centrale) CBR-locaties in het land. Het besluit draagt bij aan het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening van het CBR, wat de examenkandidaten ten goede komt. Ik zie daarom voor het CBR geen reden tot maatregelen om de gevolgen te beperken.
Deelt u de opvatting dat deze centralisatie in een regio als Zuid-Limburg extra nadelige gevolgen kan hebben, mede gezien de kwetsbare sociaaleconomische positie van een deel van de inwoners?
Het is van belang dat publieke dienstverlening voor inwoners toegankelijk blijft, ook in regio’s waar bereikbaarheid en sociaaleconomische omstandigheden extra aandacht vragen. Het CBR weegt de regionale effecten zorgvuldig mee in de afweging over de inrichting van de dienstverlening.
In dit geval heeft het CBR door (externe) analyses laten zien dat zij binnen de transparante en aanvaardbare normen blijven zoals deze gelden voor de CBR locaties in heel Nederland (zie ook het antwoord op vraag 3). In het geval van Zuid-Limburg blijft de dienstverlening van CBR op hetzelfde niveau en is er geen sprake van krimp voor wat betreft het aantal medewerkers of het aantal examens dat wordt afgenomen.
Hoe verhoudt deze keuze van het CBR zich tot het kabinetsbeleid om publieke voorzieningen en rijksdiensten regionaal toegankelijk en gespreid te houden, zoals verwoord in onder meer het rapport «Elke Regio Telt!»?
Het niveau van dienstverlening van het CBR blijft gelijk in Zuid-Limburg (zie ook het antwoord op vraag 5). Door verplaatsing krijgen kandidaten en opleiders meer keuzemogelijkheid voor de dag en het tijdstip waarop zij examen willen doen. Het CBR kan elke dag alle specialisaties aanbieden. Daarnaast blijft het CBR binnen de norm voor wat betreft reisafstanden de in heel Nederland geldt.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere vragen van lid Wijen-Nass1 door de Minister van BZK, is er geen sprake van verschraling van de dienstverlening. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u als Minister om hierop te sturen, en bent u bereid die in dit geval in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Het CBR is een zelfstandig bestuursorgaan met een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en de inrichting van de bedrijfsvoering. Zolang het CBR binnen de aanvaarbare normen blijft voor huisvestinglocaties, zie ik geen noodzaak om hier op bij te sturen. Dat is hier ook het geval.
Klopt het dat het CBR voornemens is om op termijn ook de examenlocaties in Venlo en Weert te concentreren in Roermond? Zo ja, op welke termijn en waarom?
Het CBR heeft aangegeven dat voortdurend wordt gekeken naar de toekomstbestendigheid van het locatiebestand. Ook voor de regio Venlo, Weert en Roermond geldt dat CBR kijkt naar lopende huurcontracten en toekomstbestendige huisvesting in de regio waarbij ook overleg met de regio plaatsvindt. Over eventuele toekomstige wijzigingen ten aanzien van Venlo, Weert en Roermond zijn op dit moment door het CBR nog geen definitieve besluiten genomen.
Bent u bereid zich in te spannen om ten minste één van de huidige examenlocaties in Maastricht of Kerkrade te behouden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 6. Dit is de verantwoordelijkheid van het CBR en zolang zij zich houden aan de criteria, zie ik geen rol voor IenW.
Hoeveel praktijk- en theorie-examenlocaties heeft het CBR momenteel in Nederland? Hoeveel locaties zijn de afgelopen tien jaar gesloten, en hoeveel locaties zullen volgens de huidige plannen nog sluiten?
Het CBR heeft op dit moment 53 praktijklocaties, waarvan 17 in combinatie met een theorie-examencentrum en 3 zelfstandige theorie-examenlocaties (Roermond, Breda en Arnhem). Tien jaar geleden betrof het aantal praktijklocaties 54 en het aantal theorie-examencentra 20. Het CBR kijkt voortdurend naar de toekomstbestendigheid van de huisvesting, over verdere ontwikkelingen zijn nog geen definitieve besluiten genomen (zie ook het antwoord op vraag 8)
Erkent u dat verdere concentratie van examenlocaties negatieve gevolgen kan hebben voor de kwaliteit en toegankelijkheid van rijopleidingen, bijvoorbeeld door minder vertrouwdheid met examenroutes en extra druk op kandidaten en rijscholen? Hoe weegt u daarbij mee dat Zuid-Limburg juist relatief hoge slagingspercentages kent ten opzichte van sterk gecentraliseerde stedelijke regio’s?
Ik ben blij met de hoge slagingspercentages in Zuid-Limburg. Dat geeft aan dat daar goede rijscholen zijn die hun vak verstaan en het geven van rijles zeer serieus nemen. Dat verandert niet door een concentratie van CBR-locaties. Ik begrijp de zorgen die leven onder rijschoolhouders en kandidaten over de mogelijke effecten van verdere concentratie van examenlocaties. Echter, daarbij dienen zowel de belangen van kandidaten alsook de uitvoerbaarheid voor het CBR zorgvuldig te worden gewogen. Het is uiteraard wel belangrijk een evenredige spreiding van examenlocaties door het land te houden.
Bent u bekend met de berichten over Naomi Janssen (26) uit Rotterdam, die na afloop van haar jongerenhuurcontract dreigt dakloos te worden omdat zij ondanks jarenlange inschrijving en actieve zoektocht geen vervangende woning kan vinden?1, 2
Ja, ik ben met dat bericht bekend. Het raakt me dat jongeren in Nederland in onzekerheid verkeren over hun huurwoonruimte. Ook ben ik mij bewust van de motie van het lid-Beckerman (Kamerstukken II, 2025–2026, 32 847, nr. 1484) die de regering verzoekt onderzoek te doen naar de omvang van het probleem van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Deelt u de mening dat het jongerenhuurcontract, dat oorspronkelijk bedoeld was als oplossing voor jongeren op de woningmarkt, door de vastgelopen woningmarkt is veranderd in een instrument dat jongeren na vijf jaar feitelijk op straat kan zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik maak mij zorgen over de onzekere woonsituatie van jongeren en het feit dat de krappe woning- en huurmarkt van invloed is op de wijze waarop zijn hun leven kunnen inrichten. De mening dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren op straat zet, deel ik echter niet. Het huurrecht kent verschillende van dit soort «doelgroepcontracten». Uitgangspunt bij deze contractvorm is dat de huur kan worden beëindigd als de huurder niet meer tot de doelgroep behoort waarvoor de woning bedoeld is. Voor jongeren die een woning huren die speciaal voor jongeren is bedoeld, kan de verhuurder ervoor kiezen om een speciaal jongerenhuurcontract aan te bieden.
Het doelgroepcontract voor jongeren is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. In de kern gaat het om een vast huurcontract, met huurbescherming voor onbepaalde tijd, waaraan bijzondere opzeggingsgronden zijn verbonden. Voor een jongerencontract geldt dat dit contract door de verhuurder kan worden opgezegd als:
Een door de verhuurder opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder schriftelijk met de huurbeëindiging heeft toegestemd, van kracht. Wanneer de huurder niet binnen zes weken schriftelijk met de huurbeëindiging instemt, kan alleen de rechter de huur beëindigen. Het is dan aan de verhuurder om de rechter om beëindiging van de huurovereenkomst te vragen. De rechter weegt bij het oordeel of de huur moet eindigen alle omstandigheden mee.
Voorts is ook specifiek wettelijk bepaald dat de huurder diens inschrijfduur als woningzoekende behoudt als hij een jongerencontract aangaat, waardoor de huurder niet opnieuw inschrijfduur hoeft op te bouwen.
Tot slot merk ik op dat aan de opzeggingsgrond «dringend eigen gebruik» in het Burgerlijk Wetboek expliciet de voorwaarde is verbonden dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is. Maar aan het kunnen opzeggen van een jongerencontract, met het weer aan de doelgroep (jongere/student/ promovendus) kunnen verhuren als dringend eigen gebruik, is deze wettelijke voorwaarde niet verbonden. Deze keuze is door de wetgever in 2015 gemaakt vanuit de overtuiging dat jongeren weten dat hun huurcontract na 5 jaar (of na verlenging maximaal 7 jaar) eindigt en daarmee voldoende tijd hebben om op zoek te gaan naar een volgende woning.
Doelgroepencontracten waaronder het jongerencontract zijn bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 geïntroduceerd. De wet is in 2021 geëvalueerd.3 Ik heb niet eerder signalen ontvangen over dat deze specifieke contractvorm problemen oplevert. Daarmee wil ik zeker niet voorbij gaan aan de moeite die vele jongeren hebben om passende en betaalbare huisvesting te vinden en de onzekere situatie waarin zij zitten.
Hoeveel jongeren in Nederland hebben op dit moment een aflopend of reeds verlopen jongerenhuurcontract en lopen daarmee het risico op dakloosheid? Is dit bij uw ministerie in beeld?
Een huurcontract, waaronder een doelgroepcontract voor jongeren, is een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder. De overheid beschikt niet over cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van huurcontracten zoals opgenomen in het Burgerlijk wetboek.
Bent u het eens met advocaat Jennifer Alspeer dat je mensen niet zomaar de dakloosheid of illegaliteit kunt induwen omdat een contracttermijn is verstreken, zeker gezien de huidige staat van de woningmarkt? Zo nee, wat is uw rechtvaardiging voor het handhaven van deze contractvorm onder de huidige omstandigheden?
Ja, ik deel uiteraard het uitgangspunt dat dakloosheid en illegaliteit voorkomen moeten worden. De belangrijkste manier om dit te voorkomen is om te zorgen dat we snel meer woningen toevoegen, zowel met nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Dan is er voor meer mensen een plek en dus ook een plek om naar door te stromen.
Welke concrete verplichtingen hebben woningcorporaties naar uw mening richting jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt, mede gelet op de zorgplicht die corporaties hebben ten aanzien van hun huurders? Acht u de huidige verplichtingen afdoende?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op wettelijke bepalingen waaraan de verhuurder gehouden is. Deze acht ik afdoende. Bovendien mag een verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar verlengen. En wanneer de verhuurder de huurovereenkomst niet na vijf jaar (of na de verlengde termijn van maximaal 7 jaar) opzegt om de woning weer aan een jongere (of student/promovendus) te kunnen verhuren, loopt het huurcontract voor onbepaalde tijd door («vast huurcontract»). Daarnaast verwacht ik van verhuurders, en corporaties in het bijzonder, dat zij zich verantwoordelijk voelen voor de woonsituatie van hun huurder, in het bijzonder in gevallen van dreigende dakloosheid. Op basis van de genoemde krantenartikelen heb ik geen aanleiding te concluderen dat de betrokken verhuurder in deze te kort schiet.
Is het u bekend dat jongeren in wanhoop honderden euro's betalen aan dubieuze tussenpersonen die woonruimte aanbieden via sociale media zoals TikTok, en dat dit leidt tot oplichting? Welke maatregelen neemt u om deze praktijken te bestrijden en kwetsbare woningzoekenden te beschermen?
De problematiek van dubieuze tussenpersonen en woonfraude is niet een direct gevolg van een jongerencontract, maar speelt breder. Ik ben in het antwoord op Kamervragen over woonfraude ingegaan op deze problematiek.4 Ik roep huurders of woningzoekenden die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit, bijvoorbeeld van huurbemiddelaars, op om aangifte te doen bij de politie en om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Voorts heb ik op een voorstel voor een huurregister in internetconsultatie gebracht.5 Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Bent u bereid om woningcorporaties via wet- of regelgeving te verplichten dat zij jongeren van wie het jongerenhuurcontract afloopt niet uit hun woning mogen zetten zolang er geen passend alternatief beschikbaar is? Zo nee, welke andere maatregelen overweegt u?
Zoals in het antwoord op vraag 4 uiteen is gezet is de aanvullende voorwaarde dat voor de huurder andere passende woonruimte beschikbaar is, in het Burgerlijk wetboek niet verbonden aan het kunnen opzeggen van een specifiek doelgroepcontract. Ik heb geen voornemen de wet op dit punt aan te passen. Ik wijs er nogmaals op dat de verhuurder een jongerencontract met maximaal twee jaar kan verlengen. En de inschrijfduur als woningzoekende loopt voor de huurder gedurende de looptijd van het (verlengde) jongerencontract door. Bovendien zet ik in op het vergroten van het aanbod, zodat er meer mogelijkheden zijn voor jongeren om door te stromen en plek te maken voor anderen die tot de doelgroep behoren.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en jongerenorganisaties om een landelijke noodprocedure in te stellen voor jongeren die bij het aflopen van hun jongerenhuurcontract geen vervangende woning kunnen vinden? Zo nee, waarom niet?
De aangehaalde krantenartikelen betreffen het geval van één specifieke huurder, die in de voor haar persoonlijk in de zeer vervelende onzekerheid verkeert over haar woonruimte. Uit de berichtgeving komt ook naar voren dat de betreffende woningcorporatie in gesprek is met de betreffende huurder. Ik zie daarom geen aanleiding om een landelijke noodprocedure in het leven te roepen.
Welke lessen trekt u uit de situatie van Naomi Janssen en andere jongeren in vergelijkbare omstandigheden voor het toekomstige beleid rondom tijdelijke huurcontracten in het algemeen?
Ik ben blij dat deze casus onder mijn aandacht wordt gebracht. Deze casus, net als de vele andere verhalen van woningzoekenden, raken mij. Het motiveert mij om mij iedere dag weer vol in te zetten, samen met alle partners in de volkshuisvesting, om snel meer betaalbare woningen te realiseren.
Ziet u, gezien deze berichtgeving, aanleiding om het voorstel tot uitbreiding van flexibele huurcontracten uit het pakket voor de versoepeling van de Wet betaalbare huur te halen? Zo nee, waarom wilt u de woonsituatie van meer jongeren onzekerder maken?
Het voorstel waar in deze vraag op gedoeld wordt, beoogt een omissie te herstellen waarbij aan studenten die buiten de eigen woonplaats gaan studeren wel een tijdelijk huurcontract aangeboden mag worden en aan studenten die binnen de eigen woonplaats gaan studeren niet. Dit creëert een gelijk speelveld onder studenten en moet ervoor zorgen dat er voor deze groep meer woningen beschikbaar komen, waardoor het dus ook voor méér studenten mogelijk moet worden om in de eigen woonplaats een woonruimte te vinden.
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Ja, het artikel is bekend. Het totaalaanbod van recreatiewoningen groeit en de vraag groeit niet of nauwelijks. De prijzen stagneren. Er is sprake van een stabiliserende markt.
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Ja, het aantal te koop staande vakantiewoningen groeit. Deze trend zet zich voort in 2026. Kopers hebben meer keuze en bieden vaker en ruimer onder de vraagprijs. De afgelopen vijf jaar zijn de prijzen van recreatiewoningen met 40% gestegen. Deze groei is nu voorbij. De gemiddelde verkoopprijs van in 2025 verkochte recreatiewoningen komt uit op 247 duizend euro. Dat is vrijwel even hoog als het jaar ervoor, de stijging bedraagt slechts 0,1%, zo blijkt uit cijfers van de NVM2, vraag en aanbod komen meer in balans.
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
Er is sprake van een normalisatie van de markt voor vakantiewoningen. Het aantal transacties groeit nog licht, maar niet spectaculair. In 2025 werden 4.273 vakantiewoningen verkocht, een stijging van 2,9% ten opzichte van 2024. Dat is volgens het eerdergenoemde NVM-rapport een gematigde stijging. Daarmee beweegt de markt zich van een krappe verkopersmarkt naar een meer evenwichtige marktsituatie. Daar past een duiding als «grote verkoopgolf» niet bij.
De rendementen staan vaker onder druk door hogere belastingen, btw-verhogingen en stijgende lasten. Dat 75% van de vakantiehuizen geen rendement meer zouden opleveren lijkt mij een hele hoge inschatting, die ook nergens bevestigd wordt door data. De vraag naar de huur van vakantiewoningen blijft relatief sterk. Ondernemers en particuliere beleggers zullen wel steeds kritischer en professioneler moeten kijken naar hun investeringen.
Daarnaast zijn de verschillen per regio groot. Het is daarom lastig alles te vervatten in een landelijk rendementsbeeld. In bijvoorbeeld Zeeland, in Limburg of op de Veluwe bestaan veel verschillen. Het aantal vakantiehuizen dat in de verkoop gaat zal sterk verschillen per regio. Met name particuliere beleggers zullen waarschijnlijk eerder uit deze markt stappen vanwege lagere rendementen en fiscale druk.
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
De koopmarkt koelt af, maar de huurvraag naar vakantiewoningen houdt aan, mede door de groei van buitenlands en binnenlands toerisme. Degene die kortgeleden hebben gekocht zullen wel scherper moeten zijn op hun rendementen. Daarnaast zien we in Nederland geen opvallende prijsbewegingen in deze markt.
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Hoewel de verkoopmarkt voor vakantiehuizen momenteel stabiliseert, blijft de vraag onverminderd aanwezig. Het opkopen en herstructureren van campings kan bijdragen aan een toekomstbestendig recreatieaanbod. Het geeft vernieuwing in het aanbod, het versterkt de toeristische aantrekkingskracht van een regio, draagt bij aan de lokale economie en werkgelegenheid.
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Het is mij bekend dat er gevallen zijn waarbij recreanten hun vaste kampeerplek verliezen doordat het huurcontract wordt opgezegd. Ik beschik op dit moment niet over signalen waaruit blijkt dat sprake is van een landelijke ontwikkeling. Dit is een ontwikkeling die ik zeer spijtig vind voor de betrokken recreanten. Echter, ik erken ook het belang van ondernemers om hun bedrijfsvoering rendabel en concurrerend te houden in een markt die voortdurend in beweging is.
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Ja.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Ik trek me de zorgen aan van de Veluwse gemeenten over de overnames van vakantieparken door grote ketens. Op landelijk niveau zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat overnames structureel leiden tot hogere prijzen, tot marktdominantie of tot een uniforme inrichting van vakantieparken die recreatie ontoegankelijk maakt voor brede groepen. De Autoriteit Consumenten & Markt (ACM) houdt hierop toezicht en bewaakt de markt hierop. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor marktdominante posities.
Overnames door grotere partijen zie ik niet allereerst als problematisch. Ik kan me ook niet vinden in de vrees voor een uniforme inrichting. Integendeel, het versterkt vaak juist professionalisering, modernisering en veranderingen gericht op nieuwe doelgroepen. Daarmee blijft een vakantiepark ook dynamisch en in staat om met nieuwe impulsen te blijven concurreren en te blijven bestaan. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om te sturen op de gewenste lokale invulling. Lokaal doen zich wel prijsstijgingen voor en wisselingen in het aanbod, maar dit hangt vaak nauw samen met het aansluiten op veranderende doelgroepen en de regionale marktcontext.
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
Zie antwoord vraag 8.
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Het staat eigenaren van parken vrij om privaatrechtelijk hun park te verkopen aan andere partijen. Dat kan natuurlijk ook een overheid zijn. De gemeente kan in het omgevingsplan publiekrechtelijk regels stellen over de toegelaten kampeermiddelen, een maximaal aantal recreatiewoningen of een maximaal bebouwd oppervlakte. Op deze manier kan door de gemeente actief gestuurd worden op de ontwikkeling van een park.
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Ik kan mij goed voorstellen dat recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen dit als zeer ingrijpend ervaren en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Afhankelijk van de situatie zal hun juridische positie ten aanzien van de nieuwe eigenaar verschillen. Huurders van een vaste standplaats kunnen zich bijvoorbeeld beroepen op het algemeen huurrecht waarin de plichten van zowel de verhuurder als de huurder zijn geregeld.
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Ik kan daar in algemeenheid geen antwoord op geven. Gemeenten en provincie maken beleid en regels over recreatie. Dat kan ook gaan over de vitalisering van vakantieparken of recreatieparken. Gemeenten kunnen uiteindelijk concreet op de ontwikkeling van een recreatiefunctie op een bepaalde locatie sturen via het omgevingsplan of de verlening van een vergunning om daarvan af te wijken.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Het is in beginsel aan de gemeenten en daarna aan de provincie om ruimtelijk beleid te maken over recreatie. In dat kader kunnen zij ook beoordelen of het recreatief gebruik van gronden binnen hun grondgebied afneemt en een afweging te maken over de gevolgen daarvan voor de beschikbaarheid van betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme. De gemeente en daarna de provincie kunnen de lokale en regionale situatie het beste beoordelen en in dat kader ook de ruimtelijke afweging het beste maken. Als het gaat om concrete lokale of regionale ontwikkelingen heb ik daar in beginsel vanuit het Rijk geen rol in.
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Ik herken me niet in de stelling dat recreanten momenteel niet of nauwelijks beschermd zijn. Recreanten kunnen met een vaste standplaats zich beroepen op het algemeen huurrecht, waarin de rechten en plichten van verhuurder en huurder zijn geregeld.4 Daarnaast zijn herstructureringen die buiten het geldende omgevingsplan vallen onderworpen aan planologische toetsing op grond van de Omgevingswet, waarbij de effecten op de fysieke leefomgeving moeten worden onderzocht. Bovendien bieden de HISWA-RECRON-voorwaarden recreanten op aangesloten parken aanvullende bescherming boven op de wettelijke kaders. Deze voorwaarden zijn recent aangescherpt in samenwerking met de ANWB en zijn consumentvriendelijker geworden. Zo geldt bij herstructurering zonder vervangende plaats een minimale opzegtermijn van 18 maanden en zijn de verplaatsingsvergoedingen verhoogd. Geschillen kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Recreatie en Watersport, waarbij HISWA-RECRON de nakoming van bindende uitspraken garandeert.
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Er is geen officiële telling van alle overnames in Nederland. Er is wel sprake van een beweging van de markt van een situatie met veel individuele eigenaren naar een situatie waarin een groeiend deel van de vakantieparken wordt beheerd door professionele partijen. Dit draagt bij aan kwaliteitsverbetering, meer comfort, meer veiligheid en goed beheer.
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Onder vaste kampeerplaats wordt doorgaans verstaan een plek waar een kampeermiddel het gehele jaar mag blijven staan doordat de huurder de grond huurt voor een jaar met stilzwijgende verlenging. Het gaat dan veelal om specifieke huurafspraken tussen de eigenaar van de grond en de huurder. Vanuit het kabinet is hier geen zicht op.
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Ik heb geen gegevens over het aantal vergunde luxe recreatiewoningen die de afgelopen vijf jaar vergund zijn en het aantal betaalbare kampeerplaatsen. In dit kader is ook van belang dat er geen vastomlijnde definitie is van betaalbare kampeerplaatsen. Dat maakt dat het aantal verdwenen betaalbare kampeerplaatsen überhaupt niet concreet te bepalen is. Hetzelfde geldt voor luxe recreatiewoningen.
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van campings en vakantieparken. Hierdoor heb ik ook geen inzicht in hoeverre de overnames gepaard gaan met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen. Ik wil toch graag nog het volgende toelichten over de marktsituatie. Het beeld dat overnames vooral door grote concerns worden gedreven, is te eenzijdig. De markt bestaat voor een belangrijk deel uit mkb’ers, familiebedrijven en kleinere investeerders. Bovendien investeren sommige buitenlandse concerns juist gericht in het behoud en de verbetering van vaste standplaatsen.
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Een onderzoek naar het enkel verdwijnen van vaste kampeerplaatsen en de reden daarvan acht ik niet noodzakelijk. Vanuit het Rijk zet ik in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag. Dit vergt een breder perspectief dan alleen de ontwikkeling in het aantal vaste kampeerplaatsen.
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatiewoningen en vakantieparken. Het is aan de gemeente om te beoordelen in hoeverre activiteiten zoals de huisvesting van arbeidsmigranten op een vakantiepark of in een recreatiewoning past binnen de regels voor die locatie het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is.
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Zie het antwoord op vraag 22.
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Dat kan ik in algemeenheid zo niet zeggen. Zoals eerder aangegeven zet ik mij vanuit het Rijk in op een vitale recreatiesector waarbij het aanbod aansluit op de vraag.
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Zoals eerder aangegeven heb ik geen inzicht in de eigendomssituatie van vakantieparken en de mate waarin deze parken gebruikt worden voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Ik kan dan ook niet aangeven of de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen.
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
De kaders zijn voor alle projecten gelijk, woningbouw noch recreatie krijgt een voorkeursbehandeling in wet- en regelgeving. De toetsing en vergunningverlening blijft altijd liggen bij gemeenten en provincies als bevoegde gezagen. Zij beschikken over voldoende instrumentarium om hier zorgvuldig op te sturen. Wanneer een project significante effecten heeft op een Natura 2000-gebied, is een natuurvergunning verplicht.
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Het Kabinet begrijpt die spanning, maar deelt de conclusie niet dat er sprake is van een ongelijk speelveld. Zie eerder toelichting bij het antwoord van vraag 26.
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Ja. Het is gebruikelijk dat initiatiefnemers zelf de benodigde berekeningen en onderzoeksgegevens aanleveren. Overigens geldt dat voor alle sectoren, niet alleen voor recreatie.
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Zoals eerder omschreven ligt de toetsing van aangeleverde berekeningen en onderzoeken bij de bevoegde gezagen (gemeenten en provincie). Zij beoordelen of de onderbouwing volledig en realistisch is voordat een vergunning wordt verleend.
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Dit is vooral een juridisch en planologisch vraagstuk. Gefaseerde ontwikkelingen zijn meestal zichtbaar. De discussie gaat daarom doorgaans niet over de zichtbaarheid van een project, maar over de manier waarop het juridisch wordt beoordeeld. Dit speelt met name bij provincies en gemeenten.
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Het is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag om te bepalen of een project een geheel vormt of juridisch sprake is van losse projecten. Op basis van deze beoordeling moet ook bepaald worden welke stikstofberekening nodig is.
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Zie het antwoord op vraag 31.
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Ik erken dat de reactie op de motie langer op zich heeft laat wachten dan ik had voorzien. De motie vroeg om een zorgvuldige afweging en dat vergde de nodige tijd.
Ik realiseer mij dat het verlies van een jaarplaats op een kampeerterrein voor recreanten ingrijpend kan zijn en dat hierbij ook persoonlijke en emotionele belangen meespelen. De verhalen over het verliezen van een plaats waar sommige families soms tientallen jaren hebben gestaan, en die voelen als een tweede thuis, heb ik gezien en gehoord. Die zorgen neem ik serieus en heb ik meegewogen in mijn overwegingen.
Om verschillende redenen ben ik echter tot de conclusie gekomen dat een nieuwe Kampeerwet niet leidt tot een betere situatie voor recreanten en ondernemers. Ik zie dan ook geen aanleiding voor aanvullende landelijke wetgeving. Hierin heb ik een zorgvuldige afweging gemaakt waaruit blijkt dat meer wettelijke bescherming niet leidt tot meer beschikbare plaatsen, maar wel tot meer regeldruk en hogere kosten voor zowel ondernemers als voor recreanten.
In de Kamerbrief Toerisme, die ik vandaag naar de Kamer heb gestuurd, ga ik uitgebreider in op de verschillende redenen die hieraan ten grondslag liggen.
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Zie antwoord vraag 33.
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 33.
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Ruimte voor recreatie is belangrijk voor complete en prettige leefomgevingen. Voor de Nota Ruimte bezie ik hoe er meer dan in de Ontwerp-Nota Ruimte aandacht kan zijn voor reactie, welke vaak goed samengaat bij ontwikkelingen van bijvoorbeeld woningbouw of natuurontwikkeling. Dit betreft dan de ruimtelijke aspecten daar waar het Rijk een rol heeft. Vaak liggen verantwoordelijkheden rondom recreatie bij de medeoverheden en het bedrijfsleven, zo ook waar dat de mogelijkheden voor elk budget betreft.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Door de zorgvuldige afweging die ik gemaakt heb over deze motie, is het helaas niet gelukt de vragen tijdig te beantwoorden.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van de bewoners van de flat Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee, die door woningcorporatie Kennemerwonen worden geconfronteerd met een plotselinge omslag van renovatieplannen naar sloopplannen?
Ik ben bekend met de situatie van enkele complexen aan het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee waarbij woningcorporatie Kennemer Wonen overweegt deze te slopen of te renoveren.
Kunt u bevestigen dat Kennemerwonen tot en met januari 2025 heeft gesproken en geschreven over verbetering, duurzaamheidswerkzaamheden en renovatie, en dat in mei 2025 plotseling sloop als enige optie op tafel is gelegd, terwijl er geen aantoonbare nieuwe feiten zijn die deze radicale koerswijziging rechtvaardigen?
Dit kan ik niet bevestigen. Ik heb na contact met Aedes begrepen dat er nog geen beslissing is genomen over sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie. Kennemer Wonen heeft aangegeven de opties voor sloop en vervangende nieuwbouw of renovatie nog te zullen onderzoeken. Ik ga ervanuit dat elke woningcorporatie, en in dit geval Kennemer Wonen, alvorens zij tot de beslissing komt tot slopen of renovatie onderbouwd een afweging maakt.
Erkent u dat het onacceptabel is dat woningcorporaties bewoners jarenlang een renovatieperspectief bieden, om vervolgens zonder gedegen participatieproces over te gaan op sloop?
Het moeten verlaten van je woning voor sloop en nieuwbouw is voor bewoners heel ingrijpend. Een tijdige en duidelijke communicatie over de voornemens is daarom essentieel om ook bewoners zo goed mogelijk mee te nemen in een afweging. Hiervoor is door Aedes en de Woonbond in 2024 het Nationaal sloop- en renovatiestatuut opgesteld. Hiermee wordt het belang van vroegtijdige betrokkenheid van bewoners erkend en gewaarborgd. In dit geval begrijp ik dat er nog geen besluit is genomen.
Deelt u de mening dat dit een sloopoverval is die bewoners in grote onzekerheid en stress achterlaat, zoals ook de Nationale ombudsman heeft gesignaleerd in zijn rapport uit 2024?1
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het onbegrijpelijk is om toch voor sloop te kiezen, terwijl Kennemerwonen zelf heeft verklaard dat de bouwkundige staat van het gebouw redelijk is en bouwkundigen de geconstateerde gebreken beschouwen als herstelbaar binnen regulier groot onderhoud? Erkent u dat dit patroon structureel voorkomt bij Nederlandse woningcorporaties?
Het is in beginsel aan woningcorporaties om, met alle betrokken partners op lokaal niveau, te bepalen wat in een specifieke situatie de beste optie is. Er wordt hierbij van woningcorporaties verwacht dat zij, in overleg met die partners, bij het realiseren van de opgave alle belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen: van bewoners, maar ook van toekomstige huurders, de leefbaarheid in de wijk, het gemeentelijk beleid, de eigen portefeuillestrategie en de financiële consequenties. Ik heb geen signalen dat woningcorporaties structureel voor sloop kiezen als regulier onderhoud een meer wenselijke optie is.
Erkent u dat aan het complex Dorus Rijkersplein al substantiële investeringen zijn gedaan en dat sloop in dat licht niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook economisch onverantwoord en kapitaalvernietigend is?
Over het algemeen is renovatie duurzamer dan sloop met vervangende nieuwbouw, maar is dit niet altijd goedkoper en hangt van verschillende eigenschappen van het gebouw af. Een voordeel van renovatie is dat de levensduur van bestaande gebouwen wordt verlengd. Het is echter niet altijd mogelijk om te bestaande gebouwen te kunnen renoveren. Het bestaande gebouw moet zich hiervoor lenen en dat is niet altijd het geval. Het is aan de woningcorporatie om hierin de eigen afweging te maken, waarbij ook het totale financiële plaatje een rol speelt. Woningcorporaties hebben in totaal bijna 2,2 miljoen sociale huurwoningen, het is niet aan mij om een oordeel te hebben over of in een individueel geval renovatie of sloop/nieuwbouw logischer is. Dat is aan de corporatie, in samenspraak met de lokale partners.
Bent u bekend met het gegeven dat renovatie in de meeste gevallen aanzienlijk goedkoper is dan sloop-nieuwbouw, en zo ja, waarom wordt naar uw mening hier dan zo vaak toch niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat sloop van huurwoningen niet alleen fysieke gebouwen maar ook hechte gemeenschappen vernietigt, en bent u bereid te bewerkstelligen dat corporaties de sociale cohesie van bewoners expliciet meewegen als factor in de afweging tussen sloop en renovatie?
Ik kan mij heel goed voorstellen dat voor bewoners de sociale cohesie en de hechte gemeenschappen die zijn opgebouwd belangrijk zijn. Bij de afweging tussen sloop en nieuwbouw of renovatie spelen deze factoren en bijvoorbeeld ook het behoud van de identiteit van de wijk een rol. Het is echter ook in dit geval aan de woningcorporatie om te bepalen welk gewicht zij geven aan het mogelijk verbreken van de sociale cohesie en hechte gemeenschappen die zijn ontstaan in de afweging die zij maken voor sloop met vervangende nieuwbouw of renovatie.
Bent u op de hoogte van het feit dat de bewonerscommissie van het Dorus Rijkersplein stelselmatig wordt belemmerd in haar werk, doordat Kennemerwonen gevraagde technische rapporten niet of slechts deels verstrekt, communicatie via derden laat lopen in plaats van rechtstreeks met de bewonerscommissie te communiceren, en notulen van overleggen worden betwist? Deelt u de mening dat dit in strijd is met de verplichtingen die de Woningwet en de Wet op het overleg huurders verhuurder aan corporaties opleggen?
De woningcorporaties zijn verplicht om, op grond van artikel 55b van de Woningwet, een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De wet stelt – met uitzondering van een regeling voor de verhuiskostenvergoeding – echter geen specifieke eisen aan de inhoud van zo’n reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kan verschillen. Mocht de corporatie zich hier niet aan houden dan kunnen bewoners stappen naar de huurcommissie of de civiele rechter. Het is niet aan mij om in een individueel geval te oordelen of er sprake is van schending van de Wet op het overleg huurders en verhuurder.
Erkent u dat de enorme psychische druk die bewoners ervaren als gevolg van sloopplannen een ernstig maatschappelijk probleem is, dat al eerder door de Nationale ombudsman is gesignaleerd? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin als Minister?
Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 3. Verder wil ik hier nog aan toevoegen dat ik momenteel een onderzoek uitvoer naar de effecten van sloop en nieuwbouw op onder andere de bewoners, verduurzaming (waaronder het klimaat en de CO2 uitstoot) en de woningvoorraad. In het onderzoek wordt ook een afwegingskader geschetst, waarbij transparanter wordt hoe een afweging tot sloop- nieuwbouw tot stand kan komen. Hierdoor wordt meer inzichtelijk hoe een woningcorporatie tot haar keus kan komen. Ik verwacht de Kamer hier voor de zomer over te informeren.
Erkent u dat het risico onverantwoord groot is dat als gevolg van stikstofproblematiek en de nabijheid van Natura 2000-gebieden nieuwbouw helemaal niet mogelijk blijkt, zoals ook al gebleken is bij het nabijgelegen plan Delversduin? Erkent u dat bewoners worden opgezadeld met de consequenties van een onrealistisch bouwplan?
Het is niet aan mij om dit te beoordelen. De optie voor sloop en vervangende nieuwbouw wordt momenteel nog onderzocht. Hierbij zal ook worden onderzocht of bij dit project stikstof vrijkomt. Als blijkt dat er stikstof vrijkomt, zal moeten worden aangetoond dat het niet leidt tot verslechtering van de staat van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Ten slotte is het aan de provincie Noord-Holland om als bevoegd gezag te beoordelen of een natuurvergunning kan worden verleend of niet. Het kabinet werkt verder aan een pakket aan maatregelen voor generieke stikstofreductie, zodat de stikstofdruk op Natura 2000-gebieden wordt verlaagd en Nederland van het stikstofslot af kan.
Erkent u dat sloop-nieuwbouw leidt tot een hogere uitstoot van broeikasgassen en stikstof dan renovatie, en dat dit haaks staat op de klimaatdoelstellingen en stikstofdoelstellingen van Nederland? Deelt u de mening dat de CO2- en stikstofuitstoot van sloop altijd integraal meegewogen moet worden in de afweging tussen sloop en renovatie?
Hergebruik, renovatie en transformatie van bestaande gebouwen is veelal duurzamer dan nieuwbouw, maar niet elk gebouw leent zich daarvoor, zeker daar waar de energetische schil lastig is te verbeteren. Maar ook een wens om te verdichten of een wijk meer divers te maken kan een reden zijn om over te gaan tot sloop. Ik ben van mening dat per gebouw moet worden gekeken wat de beste circulaire strategie is als het gaat om hergebruik, renovatie en/of transformatie dan wel nieuwbouw. Daarbij zouden inderdaad de CO2-uitstoot en andere milieuaspecten moeten worden meegewogen. Als wel tot sloop wordt besloten dan verdient het de voorkeur om circulair te slopen. Dit houdt in dat wordt gekeken welke bouwelementen, -producten en -materialen uit het pand kunnen worden gedemonteerd om vervolgens in een nieuw gebouw of bij renovatie te worden hergebruikt. Ik ondersteun deze werkwijze met de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik.2
Bent u bereid het democratische tekort te herstellen door bewoners een gelijkwaardig instemmingsrecht te geven bij sloopbeslissingen? Bij renovatie geldt namelijk een instemmingsrecht van 70% van de huurders, maar bij sloop niet.
Nee, ik acht het niet noodzakelijk om een instemmingsrecht van 70% te geven bij sloopbeslissingen. Op grond van huidige wet- en regelgeving is het voor de bewoner die niet instemt met sloop (en daarmee geen instemming geeft over het beëindigen van zijn of haar huurovereenkomst), mogelijk om zonder actie van zijn of haar kant te bewerkstelligen dat de rechter zich zal buigen over de vraag of de huurovereenkomst eenzijdig door de verhuurder kan worden beëindigd. De mogelijkheid dat de rechter zich hierover buigt acht ik voldoende.
Bent u bereid om de situatie van de bewoners van het Dorus Rijkersplein in Egmond aan Zee actief onder de aandacht te brengen bij Kennemerwonen, en er bij de corporatie op aan te dringen het sloopplan te heroverwegen en alsnog een volwaardige renovatieoptie uit te werken in echte samenspraak met de bewoners?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, worden de opties op sloop en renovatie nog onderzocht en zal woningcorporatie Kennemer Wonen hierover met bewoners in gesprek gaan. Ik kan mij heel goed voorstellen dat, als wordt besloten tot sloop, dit een grote impact heeft op de wijk en de gemeenschap. Het blijft echter een afweging van de corporatie, in overleg met lokale partijen. Bij die afweging en het lokale gesprek kan ook de gemeente en de lokale politiek een rol spelen.
Het artikel ‘Hoe corporaties huurders passeren bij ingrijpende verbouwingen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat woningcorporaties grootschalige verduurzamingsprojecten classificeren als «groot onderhoud» in plaats van «renovatie», waardoor huurders geen instemmingsrecht hebben en de werkzaamheden moeten gedogen?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven situaties. Ik neem de berichten dat bewoners ervaren dat zij onvoldoende zeggenschap hebben, doordat woningcorporaties ingrijpende verduurzamingswerkzaamheden als «groot onderhoud» classificeren in plaats van «renovatie», serieus. De primaire verantwoordelijkheid voor een zorgvuldig proces ligt echter bij de corporatie zelf. Of werkzaamheden groot onderhoud of renovatie betreffen hangt af van de aard van de werkzaamheden en maatregelen. De woningcorporatie is aanspreekbaar op de wijze waarop bewoners daarin worden betrokken. De wet maakt onderscheid tussen «dringende werkzaamheden» en «renovatie»: bij «renovatie» worden voorheen niet aanwezige voorzieningen aangebracht waardoor het wooncomfort geacht wordt te zijn gestegen. Wanneer slechts sprake is van vervanging van kapotte of versleten onderdelen of voorzieningen is er sprake van onderhoud. Voor renovatiewerkzaamheden is instemming van de huurder vereist2, voor onderhoudswerkzaamheden niet. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter.
Is dit een fenomeen dat bij u al bekend was? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen of onderneemt u om dit recht te zetten? Zo nee, hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat u sneller op de hoogte kan komen van vergelijkbare problematiek onder kwetsbare huurders?
Dat dit onderwerp van gesprek is, is bij mij bekend. De Woonbond heeft eind januari 2026 een brandbrief gepubliceerd over signalen van huurders die zich onvoldoende betrokken voelen bij verduurzamings- en renovatietrajecten, mede in relatie tot betaalbaarheid, draagvlak en de ervaren gevolgen voor hun woonlasten en woongenot.3
De verantwoordelijkheid voor een juiste classificatie van werkzaamheden ligt in eerste instantie bij de woningcorporaties zelf. Bij geschillen over de vraag of werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden of renovatie zijn, is de uiteindelijke kwalificatie in individuele gevallen voorbehouden aan de rechter. Ook kunnen huurders zich onder omstandigheden melden bij de huurcommissie en is het mogelijk om een klacht in te dienen bij de corporatie. Corporaties zijn verplicht een onafhankelijke klachtencommissie in te richten. Corporaties hebben 2,2 miljoen sociale huurwoningen in eigendom en een investeringsopgave van 115 miljard euro. Ik kan niet in individuele gevallen beoordelen of er sprake is van renovatie of onderhoud.
Bent u bereid om te reageren op het Trendbeeld 2025 van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) waarin zij zich kritisch uitten over de handelwijze van corporaties met betrekking tot bewonersparticipatie?2
De signalen in het Trendbeeld over bewonersparticipatie die door SVWN in de in 2025 uitgevoerde visitaties bij 36 corporaties zijn gesignaleerd zijn door mij met belangstelling ontvangen.5 Deze signalen zijn voor mij mede aanleiding geweest om een onderzoek te laten doen naar de stand van zaken ten aanzien van huurdersparticipatie bij corporaties in Nederland. In 2016 vond een eerste onderzoek plaats naar hoe huurdersorganisaties bij corporaties invulling geven aan belangenbehartiging van huurders op basis van de Woningwet 2015. Reden was de invoering van de Woningwet 2015 en de rol die huurders op basis van de wet kregen. Tien jaar na dit onderzoek is het zinvol om dit onderzoek weer te laten plaatsvinden. Ik zal op basis van een tweede onderzoek over meer input beschikken om een onderbouwde reactie te kunnen geven en hierbij naast een vergelijking met het eerste onderzoek ook signalen uit het Trendbeeld 2015 meenemen. In de eerste helft van 2027 verwacht ik de uitkomsten van het onderzoek.
Deelt u de mening dat het financiële belang van corporaties er in de praktijk toe leidt dat corporaties bewust kiezen voor de kwalificatie «groot onderhoud» om kosten te drukken, ten koste van kwetsbare huurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dat deel ik niet. Zoals aangeven in vraag 1 zijn de aard van de maatregelen en werkzaamheden leidend. Woningcorporaties staan voor een zeer omvangrijke verduurzamings- en renovatieopgave: op basis van de Nationale Prestatieafspraken (NPA) moeten zij honderdduizenden woningen verbeteren, wat leidt tot lagere energierekeningen en meer wooncomfort voor huurders. Corporaties pakken die opgave voortvarend op. Uiteraard betrekken zij daarbij ook de financiële gevolgen, maar de kwalificatie moet wel in alle gevallen in lijn zijn met de juridische definitie en de geest van de wet.
Kunt u aangeven hoeveel sociale huurwoningen de afgelopen drie jaar zijn verduurzaamd onder de noemer «groot onderhoud» of «dringende werkzaamheden», terwijl er naar het oordeel van huurders of hun juridisch vertegenwoordigers sprake was van renovatie? Beschikt u over deze cijfers, en zo nee, bent u bereid deze te laten inventariseren?
Ik beschik niet over deze cijfers. Er bestaat geen centrale registratie die bijhoudt hoe verduurzamingswerkzaamheden zijn geclassificeerd en in hoeveel gevallen huurders of hun vertegenwoordigers daar anders over oordeelden. Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 2 is het niet aan mij om individuele gevallen te beoordelen. Er zijn andere mogelijkheden die huurders hebben als zij de beoordeling van de corporatie in twijfel trekken.
In het aangekondigde Wetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht wordt het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie niet scherper omschreven. Waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het ontwerpwetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht, gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl, richt zich specifiek op verduurzaming in de vorm van energiebesparende of energieleverende voorzieningen, en niet op renovaties in algemene zin. Het ontwerp gaat uit van een scherpere rol voor de huurdersvertegenwoordiging. Dit ontwerp biedt de mogelijkheid om via een algemene maatregel van bestuur nader te definiëren welke maatregelen vallen onder het begrip verduurzaming.
Daarnaast is de voorgenomen aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving van belang met het oog op het uitfaseren van EFG-labels bij huur. Deze aanpassing is erop gericht dat huurwoningen aan energetische minimumeisen moeten voldoen per 1 januari 2029. Een ontwerp hiervoor is eveneens gepubliceerd via www.internetconsultatie.nl. Om de verhuurder in staat te stellen om tijdig aan de eis voldoen, moet de huurder op enig moment vóór 2029 meewerken wanneer de verhuurder de woning wil aanpassen voor het bouwvoorschrift.
In het licht van de hiervoor genoemde ontwerpen zal ik bezien of het noodzakelijk is om het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie scherper te beschrijven met het oog op de positie van de huurder.
De komende jaren zullen meer huurders te maken krijgen met de komst van warmtenetten, deelt u de mening dat initiatiefrecht van huurders daarin verankerd moet zijn?
Ik deel de mening dat de positie van huurders van belang is bij warmtenetten.
Met het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt deze positie geborgd. Zo borgt de Wgiw goede participatie en een helder democratisch proces bij aansluiting op een warmtenet. Huurders hebben hierdoor, net als andere bewoners, en gebouweigenaren, de mogelijkheid inbreng te leveren bij de totstandkoming van het warmteprogramma en vervolgens de wijziging van het omgevingsplan.
De prioritering van verduurzaming, waaronder de aanleg van warmtenetten, is een gezamenlijke zaak van corporaties, gemeenten en huurdersorganisaties. Gemeenten, woningcorporaties en huurdersorganisaties maken samen lokale prestatieafspraken. Huurdersorganisaties kunnen ook op die manier invloed uitoefenen op lokale afspraken over warmtenetten.
Hoe vaak zijn warmtenetten aangelegd waarbij deze werden gepresenteerd als «dringende werkzaamheden»? Hoe vaak als «groot onderhoud»? Deelt u onze mening dat dit onwenselijk is omdat het rechten van huurders kan schaden?
Exacte aantallen zijn mij niet bekend; zie ook het antwoord op vraag 5. Bekend is dat rechters in een aantal gevallen hebben geoordeeld dat de aansluiting op een warmtenet als dringende werkzaamheden kan worden aangemerkt. Meest recent heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 10 april 2026 geoordeeld dat huurders van corporatie Woonwaard in Alkmaar moesten meewerken aan aansluiting op het warmtenet, omdat het mislopen van subsidie en gemeentelijke afspraken de werkzaamheden dringend maakten.6 Van corporaties verwacht ik dat zij, ook als zij juridisch geen instemming hoeven te vragen, huurders tijdig en transparant informeren en betrekken bij de plannen. Dit vloeit ook voort uit Wet overleg huurders en verhuurder.
Bent u van mening dat huurders die maandenlang worden blootgesteld aan geluidsoverlast van meer dan 100 decibel, lekkages en schade aan hun inboedel, zoals beschreven in de projecten in Monnickendam, De Westereen en Huizen, recht hebben op een wisselwoning en adequate schadevergoeding, ongeacht de juridische kwalificatie van de werkzaamheden? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Niemand zou maandenlang onder dergelijke omstandigheden moeten hoeven wonen. Een woning moet een veilige en leefbare plek zijn. Corporaties hebben in dergelijke situaties een belangrijke verantwoordelijkheid om hun zorgplicht als verhuurder volledig na te komen. Huurders hebben de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of de rechter te wenden inzake de huurprijs. In een dergelijke procedure kan worden beoordeeld of sprake is van (geluids)overlast of gebreken die aanleiding geven tot huurverlaging. Daarnaast kunnen huurders bij de rechter vorderen dat maatregelen worden genomen om de overlast te beperken, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van een wisselwoning, en kunnen zij een schadevergoeding eisen voor geleden schade. Het is uiteindelijk aan de rechter om hierover een oordeel te geven. Los van de juridische kwalificatie van de werkzaamheden verwacht ik van corporaties dat zij oog hebben voor de positie van huurders en actief zoeken naar passende oplossingen wanneer bewoners langdurig met ernstige overlast of schade worden geconfronteerd. Dat kan, afhankelijk van de omstandigheden, betekenen dat een wisselwoning beschikbaar wordt gesteld of dat schade aan de inboedel wordt vergoed.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de sociale huursector eenzijdig op de schouders van de meest kwetsbare huurders terechtkomt, en dat draagvlak voor verduurzaming wordt ondermijnd?
In de NPA en de wet zijn kaders opgenomen: verduurzaming gaat gepaard met betaalbare woonlasten, huurders worden na verduurzaming niet geconfronteerd met onredelijke huurverhogingen en de isolatie van woningen bij zittende huurders mag niet leiden tot huurverhoging. Daarnaast leidt verduurzaming van sociale huurwoningen tot meer wooncomfort en meer grip op de energierekening.
Is er een toezichthouder bevoegd en toegerust om te handhaven op de juiste kwalificatie van verduurzamingswerkzaamheden door corporaties? Zo nee, bent u van plan een toezichter deze taak te geven?
Nee, de beoordeling of sprake is van «dringende werkzaamheden» dan wel «renovatie» is aan de rechter, de Hoge Raad heeft dit ook bevestigd.7
Deelt u de mening dat er sprake is van een fundamentele machtsongelijkheid tussen woningcorporaties en sociale huurders, nu corporaties eenzijdig kunnen bepalen hoe ingrijpende werkzaamheden worden geclassificeerd, huurders juridisch en financieel nauwelijks in staat zijn om hiertegen op te komen, en de toegang tot de rechter in de praktijk onbetaalbaar is voor de betrokken bewoners?
Ik erken dat er een structureel verschil bestaat in de positie van corporaties en individuele huurders. De drempel om naar de rechter te stappen is voor veel huurders hoog. De wet biedt echter ook andere wegen. De Overlegwet regelt het recht op informatie van huurdersorganisaties en bewonerscommissies. Woningcorporaties zijn verantwoordelijk voor het delen van informatie met bewoners en het faciliteren van een bewonerscommissie; zij kunnen een bewonerscommissie ook een vergoeding verstrekken om deskundige ondersteuning in te huren. Ook kunnen huurders een klacht indienen bij de onafhankelijke klachtencommissie.
In de NPA 2025–2035 is daarnaast afgesproken dat woningcorporaties en bewoners periodiek evaluaties uitvoeren over de kwaliteit van verrichte renovaties en waar nodig verbeteringen aanbrengen. Dit zijn bestaande instrumenten die de ongelijkheid kunnen verminderen zonder dat de rechter eraan te pas hoeft te komen.
Bewoners in Monnickendam zeggen dat zij de regie over hun eigen leven zijn kwijtgeraakt. Deelt u de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is, en dat de huidige wetgeving dit recht voor sociale huurders in de praktijk onvoldoende waarborgt?
Ja ik deel de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is. Daarom kent de huidige wetgeving ook veel waarborgen voor die zeggenschap. Uiteraard werkt deze waarborg, net als elk systeem, niet feilloos. Om die reden worden huurdersorganisaties betrokken, bestaat de huurcommissie, kunnen huurders een klacht indienen of naar de rechter.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Ja, de verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda er huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart mij zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
Uit cijfers van Kadaster blijkt dat er in de afgelopen 5 jaar ca. 114.000 woningen zijn uitgepond, oftewel door private investeerders zijn verkocht aan eigenaar-bewoners. Van deze woningen waren ca. 52.000 woningen in bezit van een particuliere investeerder en ca. 62.000 woningen in voormalig bezit van een bedrijfsmatige/institutionele investeerder. Desalniettemin is de totale huurwoningvoorraad in handen van private investeerders in de periode 2021–2025 toegenomen van ca. 679.000 naar 752.000 woningen omdat investeerders ook woningen toevoegen via nieuwbouw.
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Vesteda bezit circa 28.000 woningen, verspreid over ruim 80 Nederlandse gemeenten. De grootste concentraties bevinden zich in en rond de grote steden, met name: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere en Amstelveen. Daarnaast is Vesteda ook actief in diverse andere steden buiten de Randstad, waaronder onder meer Arnhem, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Maastricht en Deventer, zij het met kleinere portefeuilles per gemeente.
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
De exacte cijfers per categorie zijn mij niet bekend. Vesteda verhuurt voornamelijk in het middensegment. Daarnaast verhuurt Vesteda ook woningen in de vrije sector. Sociale huur maakt slechts een marginaal onderdeel uit van de portefeuille van Vesteda.
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Ja, vanuit het ministerie is verschillende malen contact geweest over de gevolgen van de redemptieverzoeken met Vesteda en met (vertegenwoordigers van) institutionele beleggers, zoals APG.
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Nee, de volkshuisvesting in Nederland is deels belegd bij corporaties en deels bij marktpartijen. Corporaties spelen een belangrijke rol in het sociale segment. Private investeerders zijn essentieel voor voldoende huurwoningen in het midden- en vrije segment. Het midden- en vrije segment zijn naast de sociale huursector belangrijk voor een goed functionerende woningmarkt. De huurmarkt is op diverse wijze gereguleerd om huurders te beschermen, bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur of de begrenzing van de jaarlijkse huurverhoging. Op deze wijze wordt zowel de kracht van publieke als private partijen benut.
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Het is niet zo dat het woonrecht van de huurders van Vesteda volledig afhankelijk is van diens interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen. Eén van de grondbeginselen van het Nederlandse huurrecht is namelijk dat de huurovereenkomst die een huurder heeft, gewoon blijft bestaan wanneer de woning door de verhuurder wordt verkocht aan een andere investeerder. Wanneer de verhuurder de woning wil verkopen aan een eigenaar-bewoner, kan dit pas als de (tijdelijke) huurovereenkomst van de huurder afloopt, of als de huurder zelf wenst te vertrekken. Vanaf 1 juli 2024 mogen – behoudens enkele uitzonderingen – alleen nog vaste huurcontracten worden afgesloten. Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is daarmee weer de norm geworden. Hiermee hebben huurders meer zekerheid gekregen over hun woonsituatie.
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Institutionele beleggers spelen traditioneel een belangrijke rol bij de financiering van vooral huurwoningen, gezien hun lange beleggingshorizon en behoefte aan stabiele, inflatiebestendige rendementen. Gezien de grote woningbouw opgave zijn investeringen van (buitenlandse) institutionele investeerders onmisbaar.
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Nee, zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 6.
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Zoals toegelicht bij vraag 7 borgt het Nederlandse huurrecht dat huurders niet hun woning kunnen worden uitgezet, indien de investeerder de woning wenst te verkopen. Naast het huurrecht heeft het kabinet beperkt instrumenten om uitponding te voorkomen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het kabinet zet wel in op een verbetering van het investeringsklimaat zodanig dat het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Er bestaat geen wet die private verhuurders verplicht om eerst aan woningcorporaties te verkopen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het is niet aan mij als Minister aan wie private investeerders hun woningen doorverkopen en door wie huurwoningen worden verhuurd. Het gaat erom dat de verhuurder voldoende zorg draagt voor de leefbaarheid van diens woningen en zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur. Zowel een corporatie als een private verhuurder kan dit invullen. Uiteindelijk zijn zowel corporaties als private verhuurders noodzakelijk voor een goed functionerende huurwoningmarkt.
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 11.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren.
Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, bijvoorbeeld binnen de fiscaliteit. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen.
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Zowel private partijen als woningcorporaties zijn nodig voor een gezonde en goed functionerende huurmarkt. Voorop staat dat verhuurders voldoende zorg dragen voor de leefbaarheid van hun woningen en zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Woningcorporaties voeren hun eigen aan- en verkoopbeleid en kunnen hier in lokaal verband afspraken over maken met gemeenten en huurdersverenigingen. Het staat woningcorporaties dus altijd vrij om woningen over te nemen van investeerders als zij hiermee een bijdrage denken te kunnen leveren aan de lokale volkshuisvesting en de aankoop ook vanuit financieel oogpunt te verantwoorden is. Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de financiële positie van woningcorporaties te verbeteren. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van deze maatregelen en hoe zij doorwerken in de investeringsruimte van de corporatiesector.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
Bent u bekend met het bericht dat er opnieuw asbest gevonden is in speelzand dat online te koop was?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat asbesthoudend speelzand alsnog te koop was, ook nadat verschillende producenten en verkopers aangaven dat ze de verkoop ervan hadden opgeschort?
Het is onwenselijk dat er alsnog asbesthoudend speelzand te koop was. De verantwoordelijkheid om veilige producten op de markt te brengen ligt bij de marktdeelnemers (zoals fabrikanten, importeurs en distributeurs). Uit het krantenartikel blijkt dat de betreffende marktdeelnemers die speelzand hebben aangeboden waarin asbest is aangetroffen, direct actie hebben ondernomen om het betreffende product van de markt te halen. Daarmee handelden zij conform de Europese wet- en regelgeving voor speelgoed, waarin is geregeld dat marktdeelnemers direct maatregelen treffen zodra zij informatie ontvangen dat er iets mis is met het speelgoed dat zij verkopen.
Hoe gaat u bovenstaande in de toekomst voorkomen?
In de speelgoedwetgeving is vastgelegd welke taken en verantwoordelijkheden marktdeelnemers hebben, om te voorkomen dat zij niet-conform speelgoed op de markt aanbieden.
De NVWA zal asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht. Afhankelijk van het risico zal de toezichtintensiteit daar op worden aangepast. Daarbij gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Het kabinet zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de huidige wettelijke limiet.
Ziet u met licht op het bovenstaande de tot nu toe genomen acties als voldoende om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand?
Het kabinet heeft de nodige en mogelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat kinderen in aanraking komen met (potentieel) gevaarlijk speelzand.
Aan (onder andere) ouders en kinderopvangorganisaties is meteen geadviseerd om het speelzand voorlopig even niet te gebruiken totdat het RIVM haar gezondheidskundige risicobeoordeling heeft afgerond.
Kinderopvangorganisaties zijn daarop gestopt met het aanbieden van dit type speelgoed aan kinderen tijdens hun verblijf op de opvanglocatie. Nu de resultaten van de risicobeoordeling bekend zijn geworden, adviseren de brancheverenigingen in de kinderopvang hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken. Het kabinet heeft daar begrip voor.
Fabrikanten, webshops en winkeliers hebben vrijwillig, of op verzoek van de NVWA, speelzand van de markt gehaald. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico zal, zoals eerder genoemd, de NVWA asbest in speelzand opnemen in het reguliere toezicht en zal het kabinet zich inzetten voor aanscherping van de wettelijke limiet.
Ziet u ook dat terugroepacties op eigen verantwoordelijkheid van bedrijven geen garantie bieden dat potentieel gevaarlijke producten niet langer verkocht worden? Zo ja, hoe ziet u in dit licht de reactie van de voormalige Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport waarin vooral verwezen werd naar de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven?
In Europese wetgeving is de verantwoordelijkheid voor productveiligheid duidelijk geregeld: marktdeelnemers moeten kunnen aantonen dat hun producten veilig zijn en de NVWA houdt daarop streng toezicht. Wanneer sprake is van een ernstig risico kan de NVWA een publiekswaarschuwing of verplichte terugroepactie opleggen. Terugroepacties blijven een belangrijk instrument, maar toezicht blijft uiteraard noodzakelijk om de veiligheid van producten op de markt te borgen. Het is niet volledig te garanderen dat alleen conforme producten op de markt komen.
Deelt u de mening dat de resultaten van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) zelf laat uitvoeren te lang op zich laten wachten? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze mening niet. Het kabinet vindt het van groot belang dat dergelijk onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd onderkent het kabinet dat er vanaf het begin grote behoefte was aan informatie over asbest in speelzand. Daarom heeft de NVWA op 13 maart een tussenrapportage van onderzoeksresultaten naar buiten gebracht. Hieruit bleek dat in 5 producten meer asbest was aangetroffen dan de wettelijke limiet. Deze producten zijn toen direct van de markt gehaald.
Daarnaast is ook een gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door het RIVM. Ook dit onderzoek moest zorgvuldig gebeuren en was tijdrovend. De resultaten van de beoordeling zijn inmiddels openbaar gemaakt via de website van het RIVM.
Ziet u het als een beperking dat de NVWA niet handhavend kan optreden op basis van externe resultaten van geaccrediteerde laboratoria wanneer sprake is van een risico voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is van groot belang dat de monstername (het in bewaring stellen van het product) onder toeziend oog van een inspecteur gebeurt, die de eed of belofte heeft afgelegd. Hiermee kan in juridische zin worden gegarandeerd dat er geen fraude is gepleegd ten tijden van de monstername. De NVWA heeft geaccrediteerde laboratoria benaderd om hun testuitslagen te ontvangen, om op die manier een breder beeld te krijgen van de situatie.
Deelt u de mening dat het lange wachten op onderzoeksresultaten van de NVWA en het uitblijven van aangekondigde instructies voor kinderdagopvangorganisaties kunnen leiden tot een afwachtende houding bij sommige van deze organisaties?
Het onderzoek naar en de risicobeoordeling van asbest in speelzand was erg complex. Het was noodzakelijk om dit zorgvuldig te doen. De brancheverenigingen in de kinderopvangsector hadden al proactief opgeroepen om speelzand op te bergen en voorlopig niet meer te gebruiken. Het beeld van het kabinet is dat de sector gehoor heeft gegeven aan dit signaal. Op basis van de risicobeoordeling door het RIVM en het Buro-advies kan de sector bepalen of zij speelzand willen blijven gebruiken. Zoals eerder aangegeven adviseren de brancheverenigingen hun leden om uit voorzorg het speelzand ook nu niet meer te gebruiken.
Wat vindt u van signalen dat sommige scholen het speelzand nog steeds of weer gebruiken, omdat leveranciers zelf zeggen dat het asbestvrij is?
Een leverancier is ervoor verantwoordelijk dat zijn product aan de wet- en regelgeving voldoet. Zoals aangetoond in het onderzoek van de NVWA bevat het meeste speelzand geen of hele kleine hoeveelheden asbest. Maar het kabinet heeft er begrip voor als ouders of kinderdagverblijven liever het zekere voor het onzekere nemen en voor alternatief speelgoed kiezen.
Wat vindt u van het gegeven dat sommige leveranciers hiervoor buitenlandse laboratoria gebruiken die niet in Nederland geaccrediteerd zijn en die bovendien geen elektronenmicroscopie gebruiken, maar lichtmicroscopie waarmee asbest niet altijd aangetoond kan worden?
Het is van belang dat de juiste methoden op een goede manier wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van gehaltes aan asbest in speelzand is een methode nodig met een voldoende lage detectiegrens. Lichtmicroscopie heeft een detectiegrens gelijk aan de wettelijke limiet van 0,1% asbest. Elektronenmicroscopie kan asbest in speelzand tot veel lagere concentraties vaststellen. De combinatie van NEN 5896 en VDI 3866-5 is daarbij de meest geschikte aanpak om een indicatie te geven
van het asbestgehalte in speelzand volgens de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)2. Laboratoria hoeven niet in Nederland geaccrediteerd te zijn om een dergelijke methode goed uit te voeren.
Kunt u bevestigen dat de resultaten afkomstig van laboratoria die niet in Nederland geaccrediteerd zijn in Nederland niet rechtsgeldig zijn?
Nee, als een onderzoek is uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium met de juiste methoden, dan is dat conform wet- en regelgeving acceptabel.
Laat de NVWA naast onderzoek naar asbest in het speelzand zelf ook onderzoek doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderdagverblijven en scholen waar dit speelzand gebruikt is, zoals ook in Australië en Nieuw-Zeeland gedaan is?
Nee, er is geen sprake van geweest dat de NVWA zelf onderzoek zou gaan doen naar mogelijk vrijgekomen asbest in de ruimten van kinderopvangcentra en scholen.
De lucht in een klaslokaal wordt continu ververst door mechanische ventilatie. Op basisscholen en kinderopvangcentra houdt het schoonmaakprotocol in dat alle oppervlakken dagelijks nat worden gereinigd, waardoor elke keer veel van de neergeslagen vezels worden verwijderd. Aangezien de bron van de verontreiniging is weggenomen en de klaslokalen meerdere malen nat zijn gereinigd, is professionele sanering van de klaslokalen niet nodig.
Deelt u de mening dat zolang dit probleem niet aan de bron aangepakt wordt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen?
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die ver onder de grenswaarde van 0,1% blijft. Daarnaast heeft het RIVM aangetoond dat het gezondheidsrisico van spelen met verschillende soorten speelzand, waarin minder dan 0,1% asbest is aangetroffen, verwaarloosbaar is.
Desondanks zal het kabinet zich binnen Europa inzetten voor een lagere wettelijke eis voor het asbestgehalte in speelzand. Het kabinet heeft hierover advies gevraagd aan het RIVM.
Deelt u de mening dat de NVWA voldoende capaciteit moet hebben om zelf slagvaardig op te kunnen treden rondom productveiligheid in plaats van de verantwoordelijkheid vrijwel geheel bij de markt te leggen en dat daar een passende bekostiging bij hoort? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Producenten en handelaren zijn zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via onder andere de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om zijn toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS jaarlijks 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Welke vormen van bekostiging voor de NVWA worden onderzocht, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd en op welke manier wordt daarmee voldoende slagkracht voor de NVWA gewaarborgd?
Naar aanleiding van de agentschapsdoorlichting van de NVWA door PricewaterhouseCoopers uit 2024, kijken de departementen met de NVWA naar andere vormen van bekostiging om het risicogericht toezicht door de NVWA beter te waarborgen. Hierover is de Kamer ook geïnformeerd (Kamerstuk 33 835, nr. 257).
Bij deze analyse wordt gekeken welke knelpunten en belemmeringen worden ervaren door de NVWA en welke oplossingen mogelijk zijn, waaronder verschillende bekostigingsvormen. Het is geen doel op zich om tot een andere bekostigingswijze te komen.
De Kamer zal uiterlijk einde van dit jaar worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
De naleving van de verplichting tot het registreren van nevenfuncties van hoogleraren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit Leiden noemt niet-gemeld nevenwerk van hoogleraar Kinneging voor pro-Orbán denktanks «uit hoofde van zijn functie»»?1
Ja.
Bent u van mening dat alle nevenfuncties, waaronder activiteiten voor denktanks in Hongarije, een docentschap in Polen en een voorzitterschap van een ANBI-stichting, opgenomen hadden moeten worden in het register voor nevenfuncties? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse Universiteiten beschrijft welke nevenwerkzaamheden meldingsplichtig zijn.2 Daarin staat dat hoogleraren transparant moeten zijn over hun nevenfuncties en hun betaalde nevenfuncties en daarnaast onbetaalde nevenfuncties waarbij sprake is van belangenverstrengeling moeten melden bij hun universiteit. Deze regeling nevenwerkzaamheden maakt deel uit van de cao Nederlandse Universiteiten als zelfstandige bijlage. De verantwoordelijkheid ligt dus primair bij de werknemers én werkgevers en ik verwacht dan ook dat zij zich aan deze regeling houden. Het is belangrijk dat het register nevenfuncties volledig, kloppend, vindbaar en actueel is.
Wat vindt u van de uitspraak van de rector magnificus van de Universiteit Leiden dat de nevenfuncties bij denktanks en als docent «uit hoofde van zijn functie zijn» en derhalve niet in het register hoeven te worden opgenomen? Wordt deze route om het register te omzeilen vaker genomen?
Werkzaamheden die behoren bij de functie van een wetenschapper worden binnen universiteiten bepaald op basis van de indeling in het functieprofiel van het Universitair Functie-Ordeningsysteem (UFO), het takenpakket zoals opgesteld door de universiteit en/of andere gemaakte afspraken. Het is dus aan de instelling om te beoordelen of werkzaamheden tot het reguliere takenpakket van de universiteit behoren. Omdat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de werkgever ligt, doe ik geen inhoudelijke uitspraken over een specifieke casus.
Signalen dat het register via deze route omzeild wordt, zijn bij mij niet bekend.
De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren meermalen aandacht gevraagd voor casussen waarin nevenfuncties niet of onvolledig werden geregistreerd, welke stappen zijn gezet om uitvoering te geven aan de aangenomen motie Heite c.s.?2
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer in december jl. geïnformeerd over deze stappen.4 UNL geeft aan dat zij de actuele registratie van nevenfuncties in november jl. heeft besproken met de HR-directeuren van de universiteiten en in januari jl. met de dossierhouders die de opdracht hebben om dit bestand en de publieke gegevens actueel te houden. In deze gesprekken werd het belang van een zorgvuldige registratie van nevenfuncties benadrukt. Ook geeft UNL aan dat er in 2025 aanvullende afspraken zijn gemaakt met de universiteiten. Dat waren de volgende afspraken: de universiteiten publiceren vier keer per jaar een bijgewerkt overzicht van nevenwerkzaamheden hoogleraren; de nevenwerkzaamheden van hoogleraren in het medische domein worden ook gepubliceerd; de universiteiten blijven inzetten op verbetering van het register nevenwerkzaamheden, en zullen ten minste één keer per jaar daarvoor samenkomen.
Daarnaast verwacht ik eind 2026 de vernieuwde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit waarbij mijn voorganger extra aandacht heeft gevraagd voor transparantie, onafhankelijkheid en het vermelden van het register nevenfuncties.
Heeft de toegezegde agendering door Universiteiten van Nederland (UNL) van een actuele registratie van nevenfuncties tijdens het jaarlijkse evaluatiemoment reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hebben de toegezegde gesprekken door UNL met alle HR-directeuren van universiteiten over de actuele registratie van nevenfuncties reeds plaatsgevonden en zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er cijfers te noemen hoe vaak overtredingen de afgelopen jaren zijn geconstateerd en hoe vaak zijn er maatregelen genomen in navolging van de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024, waarin is opgenomen dat bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen van nevenfuncties, het aan de universiteit is wetenschappers hierop aan te spreken.
UNL geeft aan dat deze specifieke cijfers over overtredingen of maatregelen niet bekend zijn. Mocht er een (vermeende) schending zijn van wetenschappelijke integriteit, dan is het aan de instelling om de wetenschapper hierop aan te spreken. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er op basis van artikel 1.14 van de cao Nederlandse Universiteiten maatregelen genomen worden door de werkgever. Dit artikel verplicht werknemers om nevenwerkzaamheden te melden bij de werkgever.
Welke extra aandachtspunten aangaande de registratie van nevenfuncties worden opgenomen in de dit jaar te verschijnen nieuwe Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI)?
De NGWI is een code die wordt opgesteld en onderschreven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenshappen (KNAW), Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek (TO2-federatie), de Universitair Medische Centra van Nederland (UMCNL), Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH). Mijn ambtsvoorganger heeft de schrijfcommissie verzocht om bij de herziening van de vernieuwde NGWI extra aandacht te besteden aan de principes transparantie en onafhankelijkheid en hierbij ook het register nevenfuncties te vermelden. Op basis van de internetconsultatie, in 2025, over de NGWI door genoemde partijen heb ik vernomen dat de schrijfcommissie het voornemen heeft om dit ook te doen.
Transparantie en onafhankelijkheid zijn cruciaal voor de wetenschap, herkent u dat het het vertrouwen in de wetenschap kan schaden wanneer nevenfuncties onvermeld blijven?
Ja, ik vind het belangrijk dat hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties en onafhankelijk hun werk kunnen doen, omdat deze transparantie bijdraagt aan het vertrouwen van de samenleving in de wetenschap.
Acht u het nodig dat de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten 2024 moet worden aangescherpt en kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet nodig. De regeling biedt in combinatie met de NGWI als toetsingskader voldoende handvatten voor de instellingen om onder andere de principes onafhankelijkheid en transparantie van het wetenschappelijk integer handelen te waarborgen.
Het gebrek aan passende leermiddelen in het speciaal onderwijs |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat leerlingen in het speciaal onderwijs les krijgen uit schoolboeken die niet geschikt voor hen zijn, omdat commerciële uitgevers van schoolboeken het financieel niet interessant genoeg vinden passende schoolboeken uit te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat commercialisering er nooit toe mag leiden dat leerlingen afhankelijk zijn van lesmateriaal dat niet geschikt voor hen is en zelfs averechtse gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en zelfbeeld? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling toegang heeft tot kwalitatief goed en toegankelijk lesmateriaal dat aansluit bij zijn of haar ontwikkelbehoefte.
Ziet u dit als een voorbeeld van het falen van marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het gespecialiseerd onderwijs kent een heel diverse populatie aan leerlingen, met specifieke behoeften. Daardoor zijn leermiddelen vaak alleen geschikt voor een kleine groep en is soms tot op leerlingniveau maatwerk nodig. Ik zie dat marktpartijen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bieden die aansluiten bij wat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs nodig hebben. Daarom zet ik voor deze groepen extra stappen om het bieden van maatwerk te ondersteunen.
Ik ondersteun bijvoorbeeld Dedicon, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie.
Via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) realiseer ik met vele partners een brede kwaliteitsimpuls in het hele funderend onderwijs voor het effectief gebruiken van open leermiddelen. Het voordeel van open leermateriaal is dat leraren dit zelf kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen, om zo meer maatwerk mogelijk te maken, maar het niet helemaal zelf te hoeven doen.
Het project GOpen wordt binnen het programma Impuls Open Leermateriaal ondersteund met als doel om open leermiddelen voor het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren en toegankelijk te maken. Leraren kunnen dit materiaal hierdoor eenvoudig vinden, hergebruiken en aanpassen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Het combineren en arrangeren met open en methodisch materiaal kan leiden tot kwalitatief goed en passend materiaal, juist ook voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats, onder andere tussen IOL, de sectorraad GO en Neon. Ik volg deze ontwikkeling om te zien of dit nu voldoende impact heeft.
Daarnaast vind ik het belangrijk om structurele verbeteringen in de toegankelijkheid van leermiddelen voor alle leerlingen met diverse ondersteuningsbehoeften te realiseren. Daarom onderzoekt OCW via een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen wat er nog meer nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijk te maken. Zoals verzocht in de motie Ceder (ChristenUnie)2, wordt daarbij ook gekeken naar het oplossen van één van de bestaande knelpunten: het ontbreken van standaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen.
Wat vindt u ervan dat docenten nu in hun vrije tijd zelf geschikt lesmateriaal maken om alsnog te zorgen dat deze leerlingen op een passende manier les kunnen krijgen?
Ik waardeer alle inzet van leraren in het gespecialiseerd onderwijs die er veel tijd en energie in steken om hun leerlingen het beste en meest passende te bieden. Tegelijkertijd vind ik het niet wenselijk als het passend maken van lesmateriaal structureel in de vrije tijd van leraren plaatsvindt. Daarom is GOpen een belangrijk initiatief. Dit geeft scholen en leraren de mogelijkheid om gezamenlijk lesmateriaal te ontwikkelen op een professionele manier. Krachten worden gebundeld en leraren houden regie over hun eigen leermateriaal, wat tijd kan besparen en de kwaliteit kan verhogen.
Bent u in gesprek gegaan met het onderwijsveld om na te gaan hoeveel docenten dergelijke taken bovenop hun functie uitvoeren? Zo nee, waar wordt de uitspraak dat dit geen structureel probleem is op gebaseerd en bent u bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?
Ik ben in gesprek met de sectorraad GO. Uit onderzoek van de sectorraad GO blijkt dat leraren veelal materiaal aanpassen of ontwikkelen voor hun eigen leerlingen. Leraren geven aan structureel bezig zijn met lesmateriaal geschikt maken voor hun lessen. Exacte aantallen ontbreken. Ook is onbekend of leraren dat als een structureel probleem ervaren3. Uit de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO) blijkt dat het aandeel leraren dat zelf materiaal ontwikkelt gelijk is aan leraren in het po. Ook blijkt uit de MDO dat de tevredenheid over de leermiddelenmarkt in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan in het vo.4
Deelt u de mening dat structurele problemen om een structurele oplossing vragen?
Ik vind het belangrijk om problemen te helpen oplossen.
Deelt u de mening dat een tijdelijke subsidie van nog onbekende hoogte onvoldoende en te onzeker is om het initiatief van scholen voor een eigen landelijk platform met passend lesmateriaal goed te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het programma Impuls Open Leermateriaal en het project GOpen zijn ingericht om een kwaliteitsimpuls te geven aan open leermateriaal via bestaande initiatieven en organisaties. Er is voldoende budget beschikbaar om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren, aanvullend op bestaande middelen van initiatieven en organisaties. Het is in eerste instantie aan deze partijen zelf om te voorzien in borging van de kwaliteitsimpuls na afloop van het programma. Recent heeft de Minister van EZK aangekondigd € 38 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het programma Impuls Open Leermateriaal t/m 2030. Dat biedt meerjarig financiële zekerheid. Het programma werkt momenteel aan een verdere concretisering van de plannen. Dat betekent dat ook GOpen kan rekenen op voortgezette ondersteuning binnen deze programmaperiode, mits passend binnen de programmadoelen.
Heeft u contact gehad met de sectorraad GO om te kijken wat zij nodig hebben om een dergelijk platform structureel te kunnen laten voortbestaan? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Het programma Impuls Open Leermateriaal en de sectorraad GO zijn in constructief overleg over de plannen voor GOpen tot en met 2030. Omdat het programma als een tijdelijke kwaliteitsimpuls is ingericht, is daarbij ook aandacht voor de borging van de opbrengsten na afloop van deze periode.
Wat is de hoogte van het subsidiebedrag dat de sectorraad GO kan verwachten of, indien dit nog niet bekend is, wanneer kan de sectorraad GO hier meer informatie over verwachten?
De plannen en bijbehorende budgetten worden uitgewerkt in het gesprek tussen Impuls Open Leermateriaal en GOpen. In de loop van 2026 zal daar meer over bekend worden.
Deelt u de mening dat een subsidie voor een kwaliteitsimpuls voor een structureel en wezenlijk onderdeel van het speciaal onderwijs de werkdruk voor de desbetreffende docenten die de leermiddelen ontwikkelen niet vermindert en te weinig is om een structurele tekortkoming op te lossen?
Nee, zoals hierboven toegelicht deel ik deze mening niet.
Wordt in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat doen naar marktwerking rondom leermiddelen ook specifiek gekeken naar het aanbod van leermiddelen voor het speciaal onderwijs? Zo nee, kan dit nog meegenomen worden?
Ja, in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat uitvoeren, wordt ook het gespecialiseerd onderwijs meegenomen. De onderzoekers van Dialogic, Oberon en eConomics zijn gevraagd om de marktwerking van het gehele funderend onderwijs, inclusief gespecialiseerd onderwijs, in beeld te brengen.
Wat gaat u naast de subsidie voor een kwaliteitsimpuls doen om te garanderen dat elke leerling op het speciaal onderwijs in de toekomst les kan krijgen op basis van voor hen geschikte leermiddelen?
Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Het is daarmee in eerste instantie aan leraren en scholen om te voorzien in passende leermiddelen. Schoolbesturen ontvangen hiervoor een bekostiging waarmee zij het onderwijs kunnen organiseren. Hier valt ook de aanschaf van leermiddelen onder. In het antwoord op vraag 3 is toegelicht op welke wijze ik het onderwijs ondersteun om leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van passende leermiddelen te voorzien.
Het bericht 'Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550 per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder diens instemming.
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei 20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten. Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn: de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging? Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E, F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E, F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar vanaf 2026.
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief. Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet, en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk. Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd. Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa € 370 per jaar extra kan kosten?
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen, zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor verduurzaming onder huurders?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven. Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel noodzakelijk is.
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële voordelen hebben ontvangen?
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten, ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder. Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag. Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting. Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming, en niet van druk of financiële dwang?
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet, dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders, en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie. Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd, acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig blijft.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht. In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende maatregelen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling (Kamerstuk 36 725 XXII, nr. 14)?
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee afgehandeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over onderzoek doen naar hoe huurders met bestaande zonnepanelen beschermd kunnen worden tegen hogere prijzen dan ze zouden hebben zonder zonnepanelen (Kamerstuk 36 378, nr. 79)?