Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
Het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken: wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven toepassen?
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire risico’s?
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt en bewaart van particulieren?
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart, terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld 2040?
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond deze kwestie tijdig op te lossen?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Ja.
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
De Douane heeft de volgende exacte kilo-cijfers gerapporteerd.2
Jaartal
Cocaïne (in kg)
Cannabis (in kg)
2025
24.457
65.532
2024
37.642
14.492
2023
59.141
3.832
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
De toename van cannabisonderscheppingen uit niet-Europese landen wordt al enkele jaren waargenomen. In opdracht van de politie is daarom een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport, met de titel «Het gras is groener aan de overkant. De grootschalige illegale import van en handel in niet-Europese hennep», werd op 22 januari jl. gepubliceerd.
De politie ziet de (gedeeltelijke) legalisatie van hennepteelt en recreatieve consumptie in deze landen als de oorzaak van illegale overproductie uit de legale teelt. Deze teelt is bedoeld voor de lokale markt, maar wordt door criminele netwerken met een winstoogmerk ook gebruikt voor de illegale export. Deze is lucratief, met name voor de Europese markt, door de relatief lage prijzen en het hoge THC-gehalte van deze cannabis. De internationale handel in cannabis is overeenkomstig het Enkelvoudige Verdrag van de Verenigde Naties uit 1961 niet toegestaan. Hoewel de genoemde landen export ook niet toestaan, negeren criminelen deze verboden. Thailand heeft sinds 2025 de legalisering van cannabis grotendeels weer teruggedraaid. Het is daar alleen nog mogelijk om cannabis te gebruiken wanneer hiervoor een doktersrecept is verstrekt.
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Er vindt op verschillende niveaus een dialoog plaats met Canada en de Verenigde Staten om de cannabissmokkel vanuit deze landen terug te dringen. Zo hebben Nederland en België op 29 januari jl., als uitgaand waarnemer van de North American Drug Dialogue (NADD), op hoog ambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de smokkel van cannabis vanuit Noord-Amerika. De NADD is een samenwerkingsverband tussen de VS, Canada en Mexico om drugssmokkel tegen te gaan. Op 23 april vindt in de horizontale EU-raadswerkgroep ten aanzien van drugs (HDG) de EU-VS-dialoog plaats. In de HDG hebben zowel de Ministeries van Volksgezondheid als van Binnenlandse Zaken/Veiligheid van de lidstaten zitting. De trans-Atlantische samenwerking op het gebied van cannabissmokkel staat op de agenda van de dialoog.
Op basis van het onderzoek dat in opdracht van de Nederlandse politie was uitgezet (zie antwoord3, is eind 2025 op voorspraak van de Nederlandse politie het onderwerp «cannabisimport uit Noord-Amerika» opgenomen in het operationele actieplan Cannabis, Cocaïne en Heroïne van het multidisciplinaire samenwerkingsplatform tegen georganiseerde criminaliteit (EMPACT). Nederland heeft ten aanzien van dit nieuwe actiepunt de leiding op zich genomen. Op deze manier blijft Nederland in Europees verband de komende jaren de aandacht vragen voor dit onderwerp.
De Nederlandse politie en Douane bespreken deze problematiek met hun partners. Zowel op operationeel niveau in de samenwerking vanuit het Hit and Run Cargo (HARC) Team in de haven van Rotterdam als tijdens werkbezoeken. Een politiedelegatie bracht in februari 2025 tegen deze achtergrond een bezoek aan Canada. Bij dit bezoek is gevraagd om strenger op te treden tegen de illegale export vanuit Canada.
De Douane is op dit moment bezig met het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Canadese autoriteiten, onder andere gericht op het tegengaan van cannabis die naar Europa komt. De Nederlandse Douane deelt al jaren informatie met de Amerikaanse Douane, hetgeen regelmatig tot bevindingen heeft geleid, zowel in Nederland als de VS. Daarnaast start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché op het National Targeting Centre (NTC) in Washington D.C. Deze attaché zal een belangrijke rol spelen in het verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de VS, Nederland en alle andere landen die op het NTC een analist hebben geplaatst.
Hiernaast zijn er in verschillende landen in Latijns-Amerika Douane-attachés of politie-liaisons geplaatst gericht op het tegengaan van drugssmokkel; o.a. in Brazilië, Panama en Peru. Concrete effecten hiervan zijn het sluiten van Douaneverdragen en MoU’s met verschillende prioritaire landen, waaronder uitwisseling van operationele informatie plaatsvindt.
De samenwerking met Thailand heeft minder prioriteit. In Thailand werd vorig jaar de legalisatie van cannabis uit 2022 teruggedraaid. De verwachting is dat cannabissmokkel uit Thailand zal teruglopen.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Latijns-Amerika blijft het belangrijkste herkomstgebied van cocaïne. Wel zien we een diversificatie in zowel smokkelroutes als smokkelmethodes. Twee vangsten in Amsterdam afkomstig uit Ghana wijzen erop dat de rol van West-Afrika in de internationale drugshandel groeit. De cocaïne gaat in dat geval vanuit Latijns-Amerika via West-Afrika naar Europa. Het beeld wordt verder versterkt door gegevens van het UNODC waarin te zien is dat de afgelopen jaren recordhoeveelheden cocaïne door West-Afrikaanse landen in beslag worden genomen. Daarnaast worden er minder kilo’s cocaïne per vondst aangetroffen, wat erop wijst dat criminelen mogelijk aan risicospreiding doen.
Naast een verschuiving in smokkelroutes waarschuwen Europol en European Union Drugs Agency (EUDA), maar ook het Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N), voor een verschuiving in smokkelmethodes. Europese landen zien namelijk in toenemende mate smokkel via drop-off en onderzeeboten, privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Net als Nederland zien de ons omringende landen (Duitsland, België) en ook Spanje dezelfde stijgende trend in cannabis afkomstig uit Canada, VS en Thailand. De smokkel vindt zowel maritiem als via lucht plaats.
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Zoals ook blijkt uit het rapport van Europol veranderen strategieën van criminele netwerken in de cocaïnehandel voortdurend.4 De havens van Antwerpen, Hamburg en Rotterdam zijn traditioneel de belangrijkste toegangspoorten voor grootschalige cocaïnehandel naar Europa. Dankzij de barrières die de Douane, politie en andere partners in deze havens hebben opgeworpen en de lancering van de Europese Havenalliantie, zijn de cocaïne-inbeslagnames in deze drie havens aanzienlijk gedaald (in Antwerpen is in 2025 een lichte stijging waargenomen ten opzichte van 2024, maar een grote daling ten opzichte van de vangsten cocaïne in 2023). Het is waarschijnlijk dat sommige criminele netwerken hun activiteiten naar andere Europese havens hebben verplaatst, zoals blijkt uit de toegenomen inbeslagnames in verschillende andere havens in de EU. Het is ook waarschijnlijk dat criminele netwerken steeds vaker gebruik maken van luchtvervoer, inclusief zowel luchtvracht als post en pakketten, om maritieme havens te vermijden. In vraag 8 ga ik verder in op welke nieuwe smokkelmethoden de Douane heeft waargenomen.
Tot slot merk ik op dat ondanks veranderingen in smokkelmethoden, in de haven van Rotterdam nog steeds de meeste cocaïnevangsten worden gedaan. Daarom blijven we ook daar volop inzetten om drugssmokkel tegen te gaan. In de eerste maanden van 2026 zijn in de Rotterdamse haven wederom een aantal zendingen cocaïne inbeslaggenomen, waaronder een grote vangst van 4.830 kilo.
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Het maakt criminelen niet uit welke Europese haven zij gebruiken voor de smokkel van drugs. Binnen Nederland werden in de haven van Amsterdam twee zendingen van in totaal 4.712 kilo cocaïne onderschept, afkomstig uit West-Afrika en verstopt in een lading hout. De Douane reageert hierop door in de haven van Amsterdam een vaste scan te plaatsen, en onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van een inspectieloods. In samenwerking met lokale partners wordt het cameratoezicht verder versterkt. In kleinere zeehavens is de Douane ook alert op drugssmokkel en wordt er samengewerkt met de Koninklijke Marechaussee, politie en Kustwacht.
Steeds meer Europese douanediensten signaleren een toename van het aantal drop-offs, oftewel het overboord gooien van drugs in zee of het overslaan op kleinere (vissers)schepen. In Nederland signaleerde de Douane in 2025 één drop-off, ter hoogte van Vlissingen. Begin 2026 zijn pakketten met zo’n 750 kilo hennep aangespoeld op het strand van Terschelling, mogelijk ging het om een mislukte drop-off. Douaniers worden speciaal getraind om drop-offs snel te herkennen en veilig en adequaat te handelen indien nodig.
Ook werd in Europees verband gesignaleerd dat criminelen in 2025 in toenemende mate gebruik maakten van onderzeeboten om cocaïne rechtstreeks vanuit Latijns-Amerika naar Europese landen als Spanje en Portugal te vervoeren. Elf onderzeeboten werden daar in beslag genomen. In Nederland is tot dusver nog geen smokkel via onderzeeboten gesignaleerd.
Daarnaast zijn er in Europees verband signalen van smokkel via privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Daarom voert de Nederlandse Douane in 2026 meer controles uit op de privéluchtvaart, met als belangrijkste doel de risico’s op drugssmokkel beter in kaart te brengen.
De Douane heeft diverse mogelijkheden om ingewassen cocaïne op te sporen. Dat gebeurt zowel via detectiemiddelen tijdens controles als via uitgebreide tests in het Douane-laboratorium. Bij het inwassen wordt dragermateriaal zoals textiel/kleding geweekt in een vloeistof waarin cocaïne is opgelost. Vervolgens wordt de vloeistof verdampt en blijft de cocaïne achter in het materiaal, om het er op een later moment weer uit te wassen met behulp van een oplosmiddel.
Verder zetten we in om het chemisch camoufleren van cocaïne beter te kunnen detecteren. Bij chemisch camoufleren wordt cocaïne op moleculair niveau aan een dragermateriaal gehecht en daarmee gecamoufleerd. In een extractie-lab moet de cocaïne dan worden gescheiden van het dragermateriaal. Met het Nederlands Forensisch Instituut en de politie werkt de Douane samen om de detectiemiddelen nog verder te verbeteren. Zo wordt er nieuwe apparatuur aangeschaft en getest.5
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
De politie6 geeft aan dat de betrokkenheid van Nederlandse drugscriminelen verder reikt dan niet-Europese cannabis. Het gaat veelal om polydrugshandelaren, die al langer in de drugshandel actief zijn. Naast niet-Europese cannabis handelen ze ook in Europese hennep, synthetische drugs, heroïne en cocaïne, inclusief de import. Er is hierbij geen sprake van een specialisme, maar meer van opportunisme. Criminelen zoeken immers altijd naar manieren om snel geld te verdienen. We blijven daarom inzetten op het tegengaan van drugssmokkel als geheel en onderzoeken geen beleidsopties die specifiek op cannabis gericht zijn. Daarbij worden uiteraard wel accenten gelegd als er (nieuwe) ontwikkelingen in de drugssmokkelmethodes worden geconstateerd. Zo wordt de samenwerking met Canada en de VS geïntensiveerd om cannabissmokkel tegen te gaan en start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché in Washington.
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Veel van de barrières die we opwerpen om drugssmokkel te bemoeilijken en de pakkans te vergroten, maken geen onderscheid tussen soorten drugssmokkel. Douane en politie houden de veranderingen in modus operandi van criminelen altijd in de gaten en spelen daarop in.
Op dit moment is een aanpassing van de strafmaat voor cannabissmokkel niet aan de orde. Het gelijk trekken van de strafmaat voor het smokkelen van Lijst I en II middelen zou namelijk een complete herziening van de systematiek van de Opiumwet betekenen. In mei 2024 heeft het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Drugs op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en naar aanleiding van de Motie van Nispen – waarin hij de regering verzoekt te onderzoeken of de huidige omgang met typen drugs en de indeling in lijsten nog wel objectief wetenschappelijk te rechtvaardigen is – een rapport opgeleverd. Hierin onderschrijven zij de uitkomsten van een eerder onderzoek «Drugs in lijsten: rapport Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet» dat er geen overwegende voordelen aanwijsbaar zijn voor het wijzigen van de bestaande systematiek van twee lijsten.
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Er is geen sprake van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel. In 2025 werden bijvoorbeeld (nog) meer douanecontroles uitgevoerd, mede gericht op onderschepping van cocaïne, in Rotterdam dan in 2024.
Het bericht 'Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: ‘Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht’' |
|
Peter de Groot (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
De budgettaire derving van de nieuwe voorgestelde fiscale regeling om vastgoed uit te zonderen van de vermogensaanwasbelasting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent om vastgoed uit zonderen van de vermogensaanwasbelasting in box 3 door hiervoor een vermogenswinstbelasting te hanteren?
Ja. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2028 het werkelijke rendement te belasten in box 3. De belasting wordt als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting.
Klopt het dat u in het toetsingskader fiscale regelingen aangeeft dat deze uitzondering voor vastgoed «in de eerste jaren kan oplopen tot één miljard euro per jaar» maar niet aangeeft wat de totale budgettaire derving is?
Dat klopt. Ten behoeve van het toetsingskader fiscale regelingen is een eerste indicatie gegeven voor de kosten van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken, ten opzichte van een volledige vermogensaanwasbelasting. Recent is een gedetailleerde raming gemaakt, zie onderstaande tabel. De raming voor de budgettaire derving van een vermogenswinstbelasting op aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen staat in het toetsingskader.
3.538
3.225
2.925
2.721
2.506
2.335
2.176
2.065
1.925
533
Klopt het dat u in hetzelfde toetsingskader fiscale regelingen wél aangeeft wat de totale budgettaire derving is bij de uitzondering voor startups? Waarom heeft u hier wel het totale bedrag genoemd en bij de uitzondering voor vastgoed niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eerder in het verslag over het wetsvoorstel werkelijk rendement Box 3 hebben gevraagd wat de budgettaire gevolgen zijn van deze uitzondering voor vastgoed en dat daarop uw antwoord was dat deze uitzondering voor vastgoed de komende tien jaar zo’n 23 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
In de nota naar aanleiding van het verslag is een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA beantwoord over de budgettaire gevolgen als gekozen zou worden voor een volledige vermogensaanwasbelasting in plaats van het hybride stelsel (bij gelijkblijvende parameters).1 Daaruit valt inderdaad af te leiden dat het cumulatieve budgettaire belang van een vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de eerste 10 jaar uitkomt op circa 23 miljard euro. De structurele opbrengsten van een vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting (met gelijke parameters) zullen gelijk zijn.
Klopt het dat u tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 19 januari 2026 hebt erkend dat deze uitzondering voor vastgoed de komende dertig jaar zo’n 42 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
Het klopt dat de vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de komende dertig jaar cumulatief een budgettair belang van zo’n € 42 miljard heeft. Echter, het kabinet heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt. Ook bij een volledige vermogensaanwasbelasting zou het kabinet gekozen hebben voor een budgetneutrale invoering ten opzichte van het basispad. Het basispad is in dit geval het stelsel dat gold tot en met 2022 inclusief alle structurele wijzigingen sindsdien en exclusief de kosten van de hersteloperaties. Zodoende zouden de parameters van een stelsel met volledige vermogensaanwasbelasting worden aangepast zodat de opbrengst overeenkomt met de opbrengst van het hybride stelsel dat in het huidige wetsvoorstel is opgenomen. Er kan dus niet geconcludeerd worden dat een stelsel op basis van volledige vermogenswinstbelasting € 42 miljard meer oplevert in de eerste 30 jaar dan het voorgestelde hybride stelsel.
Wat is het totale bedrag dat deze uitzondering voor vastgoed gaat kosten, dus het totale bedrag (cumulatief) totaan het moment dat de structurele opbrengsten van vermogensaanwas en vermogenswinst aan elkaar gelijk zijn?
Het moment waarop de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid ligt verder in de toekomst dan het jaar tot waar op dit moment geraamd kan worden (2060). Het is dus niet mogelijk om een reeks te presenteren tot het moment dat de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid.
Hoe is het mogelijk dat dit totale bedrag nooit eerder is gecommuniceerd richting de Kamer, terwijl het hier gaat om een nieuwe fiscale regeling die de overheid meer dan 42 miljard euro aan budgettaire derving gaat kosten?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat, in tegenstelling tot wat door sommige Kamerleden in het wetgevingsoverleg werd beweerd, deze budgettaire derving nooit wordt ingelopen omdat je bij een vermogenswinstbelasting constant (nieuwe) belastinginkomsten naar de toekomst doorschuift?
Het klopt dat bij een vermogenswinstbelasting de derving die in de eerste jaren ontstaat in latere jaren niet meer wordt ingelopen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt pas belasting geheven op het moment van vervreemding. Dit betekent dat per jaar maar over een deel van de vermogensbestandsdelen belasting wordt geheven. Stel dat de gemiddelde bezitsduur 4 jaar is (in werkelijkheid is dit bij woningen aanzienlijk langer). Dan wordt per jaar over een kwart van de vermogensbestandsdelen belasting geheven. Pas als alle vermogensbestandsdelen minimaal één keer van eigenaar zijn gewisseld is de vermogenswinstbelasting volledig ingegroeid, maar de ontstane derving niet ingelopen.
Kunt u, in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet, heel stevig onderbouwen waarom deze fiscale uitzondering voor vastgoed doelmatig zou zijn, gelet op de budgettaire derving van minstens 42 miljard euro?
Voor alle vermogensbestanddelen geldt dat het werkelijke rendement wordt belast. Voor onroerende zaken wordt een vermogenswinstbelasting voorgesteld. De waardeontwikkeling wordt daardoor in de heffing betrokken bij vervreemding. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor bezitters van onroerende zaken. Bezitters van onroerende zaken betalen in veel gevallen namelijk op een later moment belasting over hun vermogenswinst. Bij de indiening van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is als onderbouwing van de gemaakte beleidskeuzes opgemerkt dat in het wetsvoorstel een balans is gezocht tussen uitvoerbaarheid en doenlijkheid, het evenwichtig belasten van verschillende vermogensbestanddelen en het zo goed als mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement. Dit is onder andere tot uitdrukking gekomen in het vermogenswinststelsel voor onroerende zaken (en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen) en in de forfaitaire vaststelling van de vastgoedbijtelling. Het kabinet is van mening dat deze balans met het ingediende voorstel zo goed als mogelijk gevonden is en dat het voorstel daarmee ook doelmatig is.
Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zouden zijn, dan zou dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten tot uitdrukking komende) waardestijging bij een beperkt aantal belastingplichtigen kunnen leiden tot liquiditeitsproblemen. Indien belastingplichtigen in liquiditeitsproblemen komen bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid tot een betalingsregeling bij de Belastingdienst. In het geval dat dit geen soelaas biedt, zou de belastingplichtige de onroerende zaak moeten verkopen om de belastingheffing over de vermogensaanwas van die onroerende zaak te kunnen voldoen. Daarbij komt dat onroerende zaken niet altijd eenvoudig zijn te verkopen. Als gevolg hiervan zouden deze bezitters van onroerende zaken eventueel met schuldproblematiek te maken kunnen krijgen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Daarom is gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken.
Kunt u aangeven wat de totale budgettaire derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting (cumulatief, tot aan het moment dat de opbrengsten structureel gelijk zijn)?
Zoals beschreven in het antwoord op vragen 4 en 5, zouden bij gelijkblijvende parameters de opbrengsten van een volledige vermogensaanwasbelasting in de eerste 10 jaar uitkomen op circa € 23 miljard euro meer dan in het voorgestelde hybride stelsel, oplopend tot circa € 42 miljard de eerste 30 jaar. De incidentele derving van een volledige vermogenswinstbelasting hangt af van de parameters die gekozen worden. In de Kamerbrief van 8 september 2023 is een eerste inschatting gemaakt dat de derving van een volledige vermogenswinstbelasting kan oplopen tot ruim boven de € 5 miljard in de eerste 5 jaar.2 Het kabinet heeft altijd het uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt.
Kunt u deze vragen, een voor een, beantwoorden gelijktijdig met de toegezegde antwoorden op openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg?
De antwoorden op de openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg zijn op 22 januari 2026 verzonden.3 Het is helaas niet gelukt om de beantwoording op deze vragen in die brief op te nemen.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Heijnen , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Misbruik door turboliquidaties |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op»1, «Fiscus loopt in tien jaar ruim € 1,5 mrd mis door spoorloze ondernemers en plof-bv’s»2 en «Fraude en turboliquidaties in Nederland»3?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Deelt u de analyse dat turboliquidaties in Nederland steeds vaker worden misbruikt om tijd te kopen en verantwoordelijkheid te laten verdampen, waardoor schuldeisers met lege handen achterblijven?
Ik deel deze analyse niet. Waar het jaarlijks aantal turboliquidaties in 2019–2021 circa 40.000 bedroeg en in 2022 zelfs bijna 50.000, is dit aantal in 2024 gedaald tot een totaal van 33.000. Deze daling lijkt verband te houden met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidaties op 15 november 2023.4 Niet bekend is bij hoeveel turboliquidaties sprake is geweest van misbruik. Daarom is ook niet vast te stellen of misbruik is toe- of afgenomen, hoewel uit de praktijk bekend is dat misbruik plaatsvindt.
Hoe komt het volgens u dat inmiddels bijna 80 procent van de ondernemingen, die worden beëindigd, worden opgeheven via een turboliquidatie?
Niet kan worden gezegd dat 80% van de ondernemingen wordt beëindigd door de turboliquidatie. Ten eerste bestaan ondernemingen in verschillende rechtsvormen: met rechtspersoonlijkheid (zoals BV’s en stichtingen) of zonder rechtspersoonlijkheid (zoals eenmanszaken en vof’s). De turboliquidatie kan uitsluitend worden toegepast op rechtspersonen. De groep Nederlandse rechtspersonen is dus kleiner dan de groep Nederlandse ondernemingen. Het WODC-rapport over de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie, dat afgelopen zomer naar Uw Kamer is gestuurd, bevat een data-analyse hierover (hoofdstuk 6). Hieruit volgt, dat de afgelopen vijf jaar tussen de 77% en 86% van alle bedrijfsbeëindigingen van rechtspersonen door een turboliquidatie plaatsvindt. Op de vraag waarom zo’n groot aantal bedrijfsbeëindigingen door de turboliquidatie plaatsvindt, is daarom geen eenduidig antwoord te geven.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de relatieve snelheid en eenvoud waarmee de turboliquidatie kan worden toegepast een reden is waarom het instrument in de praktijk graag wordt gebruikt. De keerzijde zijn de zorgen over misbruik van de regeling, met name als er schulden achterblijven. Zoals vermeld in reactie op vraag 2, is bekend dat de regeling wordt misbruikt, maar is de omvang van dit misbruik lastig vast te stellen.
Klopt de inschatting dat de Belastingdienst de afgelopen tien jaar naar schatting 1,5 miljard euro aan inkomsten is misgelopen door ondernemers die veelal spoorloos verdwijnen na turboliquidaties? Waarom is er vanuit het kabinet niet veel meer actie ondernomen om dit tegen te gaan?
De Belastingdienst herkent de inschatting van 1,5 miljard over de afgelopen tien jaar aan misgelopen inkomsten niet.
In het (tussentijdse) onderzoeksrapport van 21 september 2021 van de Belastingdienst, dat op 11 augustus 2025 door middel van een Woo-verzoek openbaar gemaakt is,5 zijn cijfers opgenomen met betrekking tot openstaande bedragen bij de Belastingdienst ten tijde van bedrijfsbeëindigingen over de jaren 2016 tot en met 2019. Van de circa 1.9 miljard euro aan totale openstaande schuld, zag circa 525 miljoen op de turboliquidatie. De omstandigheid dat een schuld openstaat betekent niet dat sprake is van misbruik of fraude. Ook betekent dit niet dat de schuld bij een andere vorm van bedrijfsbeëindiging wel was voldaan.
Dit betekent overigens niet dat er in het geheel geen maatregelen zijn getroffen. Met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is de transparantie van de regeling vergroot en de rechtsbescherming van schuldeisers verbeterd. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Bestuurders kunnen een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld. Van dergelijke benadeling kan sprake zijn in gevallen van frauduleus handelen.6
Kunt u de interne analyses van de Belastingdienst met de Kamer delen waaruit blijkt dat ruim tweeduizend ondernemers hun bedrijf ophieven, terwijl zij nog voor enkele honderden miljoenen euro’s aan panden, boten of ander bezit hadden?
Deze interne analyses maken onderdeel uit van een onderzoek dat op eigen initiatief door de Belastingdienst is uitgevoerd. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is.7 De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor de wetgeving op het gebied van turboliquidaties. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane is verantwoordelijk voor de Belastingdienst en de gevolgen die turboliquidaties hebben voor de taken op het gebeid van heffen en innen. Vanuit die rol wordt het rapport van de Belastingdienst binnenkort ook met uw Kamer gedeeld door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Wat is er precies gebeurd met het onderzoek dat het ministerie in 2019 is gestart naar de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Waarom is dit nog niet voltooid en wanneer kan de Kamer de onderzoeksresultaten verwachten?
Door een omissie is dit rapport eerder niet openbaar gemaakt. Zie verder graag het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat misbruikers in Duitsland minder snel ongeschonden wegkomen, doordat zij eerder persoonlijke aansprakelijkheid riskeren? Wat kunnen wij hier in Nederland van leren? Zijn er andere landen die ook een «turboliquidatie»-procedure kennen, en zo ja, hoe gaan die landen om met het in de bovengenoemde artikelen geschetste risico op fraude en misbruik?
Duitsland kent een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen. Deze regel beoogt schuldeisers te beschermen tegen benadeling, maar of dit ook wordt gezien als een effectieve prikkel tegen misbruik is mij niet bekend. Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen is onderdeel van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).8 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.9 In de uiteindelijke versie van de richtlijn is een meer flexibele benadering opgenomen, mede dankzij de Nederlandse inzet.10 Tijdens de implementatie van de richtlijn zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Mij is niet bekend in hoeverre instrumenten in andere landen voor eenvoudige bedrijfsbeëindigingen overeenkomen met de turboliquidatie. Naar aanleiding van deze vraag zal ik mij hier nader op gaan oriënteren. De uitkomsten van deze oriëntatie zal ik betrekken bij het opstellen van de permanente regeling, die ik verwacht bij Uw Kamer in te dienen in de eerste helft van 2027.
Deelt u de analyse dat aanscherping van de wet onvermijdelijk is? Bijvoorbeeld voor automatische signalering van herhaald gebruik of zwaardere aansprakelijkheid bij recidive en sancties die echt afschrikken. Welke stappen gaat u zetten om misbruik tegen te gaan?
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft op 12 augustus 2025 een WODC-onderzoek naar de vraag of en zo ja in hoeverre de doelen van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie in de praktijk worden gerealiseerd aan uw Kamer aangeboden.11 In de begeleidende brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het gaat uiteindelijk om het vinden van een juiste balans tussen het faciliteren van relatief laagdrempelige bedrijfsbeëindiging en het aanbrengen van waarborgen om misbruik zoveel mogelijk te voorkomen. Het streven is om Uw Kamer in het tweede kwartaal van dit jaar te voorzien van een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek.
Hoe komt het volgens u dat informatie van de Kamer van Koophandel waar de Belastingdienst van afhankelijk is vaak niet klopt, zoals het FD schrijft? Wat gaat u doen om te zorgen dat deze informatie in de toekomst wel betrouwbaar is?
Het handelsregister is een registratie van de verplichte opgave van gegevens door de daartoe bevoegde natuurlijke personen die bij een rechtspersoon betrokken zijn (art. 19, lid 1 Handelsregisterwet 2007). Hierbij bestaat het risico dat gegevens onjuist of verouderd zijn. De KvK stimuleert ondernemers daarom door middel van campagnes om hun gegevens te controleren en actueel te houden. De KvK heeft verder de bevoegdheid om een gegeven te onderzoeken (art. 34, lid 1 Handelsregisterwet 2007) en te beslissen over wijziging van dat gegeven (art. 34, lid 2 Handelsregisterwet 2007). Voor bestuursorganen geldt bovendien een terugmeldplicht richting de Kamer van Koophandel (KvK) bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven in het handelsregister of het ontbreken daarvan.
In de bijlage bij de Halfjaarbrief aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit van 19 december 2025 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd dat hij samen met het Ministerie van EZ kijkt naar de verschillende mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KvK te versterken.12 Daarnaast zal er vanuit het Ministerie van EZ op korte termijn een voorstel tot wijziging van de Handelsregisterwet in consultatie gaan, waarin onder andere de mogelijkheid voor de KvK tot het delen van signalen wordt vastgelegd. Ook wordt de wettelijke grondslag voor de registratie en publicatie van de verschillende bestaande bestuursverboden geharmoniseerd. Een bestuursverbod leidt altijd tot weigering van nieuwe inschrijvingen voor de duur van het verbod.
Onderschrijft u de conclusie van het WODC in haar onderzoek naar de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voor rechtspersonen, namelijk dat effectievere handhaving noodzakelijk is om misbruik te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u de handhaving verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens met de in het FD aangehaalde experts die stellen dat het huidige budget van de Belastingdienst om specifiek misbruik van turboliquidaties te onderzoeken een fractie is van wat nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit budget te verhogen?
Bij de invoering van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is de strafrechtelijke handhaving van de verantwoordingsverplichting belegd bij het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst (BEH). Sinds 1 januari 2026 wordt deze taak uitgevoerd door de nieuwe Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI), onderdeel van het Ministerie van Financiën. Vanwege de tijdelijke aard van de wet en de snelheid waarmee implementatie werd verlangd, is voor de maatregelen en de handhaving ervan zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande juridische kaders en de bestaande praktijk. Om die reden is de handhaving van de verantwoordingsverplichting bij turboliquidatie ingepast in de bestaande handhavingspraktijk voor jaarverslaggevingsverplichtingen. De geschatte kosten van de tijdelijke handhavingstaak bij turboliquidatie, waar het budget op is gebaseerd, moeten tegen deze achtergrond worden bezien. Zoals in de memorie van toelichting bij de tijdelijke wet staat vermeld, werden deze geschat op ongeveer 60.000 euro incidenteel voor aanpassing ICT en ongeveer 0,1 mln. euro per jaar voor tijdelijke personele versterking. Deze kosten zijn voldaan uit het budget dat uit de COVID steun- en herstelpakketten beschikbaar is gesteld voor de tijdelijke wet. Dit budget was naar zijn aard tijdelijk, omdat de verwachte effecten van COVID-19 ook tijdelijk zijn. De duur van de wet, twee jaar, was daaraan verbonden. Om de tijdelijke wet te kunnen verlengen per 15 november 2025, is financiering beschikbaar gevonden uit het COVID steun- en herstelpakketten budget dat beschikbaar is gesteld voor de tijdelijke wet. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet tot 15 november 2027 zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien. In het wetgevingstraject om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren, zal het budget voor de uitvoering van deze wet worden betrokken. Het is niet wenselijk om hierop vooruit te lopen met een verhoging van het budget.
Waarom is het mogelijk voor een turboliquidatie te kiezen als er sprake is van schulden? Is het wat u betreft een optie om turboliquidaties alleen nog mogelijk te maken voor volledige lege rechtspersonen, dat wil zeggen zonder bezittingen én zonder schulden? Zo nee, waarom niet?
De turboliquidatieregeling biedt ruimte aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Als turboliquidatie uitsluitend zonder schulden mogelijk zou zijn, dan zou dat meebrengen dat rechtspersonen met schulden altijd in faillissement afgewikkeld moeten worden. Wanneer er niets van waarde te verdelen is, heeft een faillissement niet altijd meerwaarde. Op grond van jurisprudentie moeten bestuurders van rechtspersonen die (vrijwel) geen baten hebben, daarom de turboliquidatie toepassen als zij de rechtspersoon willen beëindigen en niet een faillissementsaanvraag indienen. Meerwaarde is er bijvoorbeeld wel als schuldeisers vermoeden dat er sprake is geweest van onrechtmatig of frauduleus handelen van de bestuurders, als gevolg waarvan zij zijn benadeeld. De curator behartigt de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en is erop toegerust de informatie te vergaren die nodig is om dergelijke vermoedens van onregelmatigheden nader te onderzoeken.
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 8, zet ik voor de permanente regeling in op het vinden van een goede balans tussen relatief laagdrempelige bedrijfsbeëindiging en het aanbrengen van voldoende waarborgen om misbruik zoveel mogelijk te voorkomen. Ik houd alle opties nog open om dat doel te bereiken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fiscaliteit?
Ja, we beantwoorden de vragen voor het genoemde commissiedebat. Voor de bevoegdheidsverdeling op dit dossier verwijs ik u graag naar de beantwoording van vraag 5 en wijs ik verder op het geplande commissiedebat Belastingdienst op 13 maart 2026, mocht u nog nadere vragen willen stellen over de specifieke verantwoordelijkheid van de Belastingdienst en de gevolgen die turboliquidaties hebben voor de taken op het gebied van heffen en innen.
Het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Ja.
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global Minimum Tax wezenlijk beperken?
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het regime blijven vallen?
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32 van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve vereenvoudiging?
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd, nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen, met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe race naar de bodem in de winstbelasting.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen opereren als Amerikaanse multinationals.
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken. Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen. Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders verdeelde belastingdruk.
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler 2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk uitpakt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken. Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd, te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen. De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde € 120 miljoen.
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem. Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig kan worden gezien.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Het artikel 'Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Heijnen , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump» van 6 januari 2026?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de OESO-minimumwinstbelasting van 15% onder andere bedoeld is om voor alle grote multinationals een gelijk minimum te creëren zodat er geen «race to the bottom» plaatsvindt en belastingontwijking wordt tegengegaan? Zo ja, kunt u reflecteren wat het effect is van de gemaakte uitzondering voor Amerikaanse multinationals hierop? Zo nee, waarom niet?
De OESO-minimumwinstbelasting, ook wel Pijler 2 genoemd, beoogt ervoor te zorgen dat multinationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Pijler 2 voorziet in een bijheffing als in een jurisdictie effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van Pijler 2 is tweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven te verminderen om winsten te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Ten tweede beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties. Hiermee wordt een race naar de bodem in de winstbelasting tegengegaan en een gelijker speelveld gecreëerd voor internationaal opererende ondernemingen. Pijler 2 zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen.
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veilige haven niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Erkent u dat het niet toepassen van het OESO-minimumtarief op Amerikaanse multinationals, terwijl deze wel van toepassing wordt op Europese en Nederlandse multinationals, het beoogde gelijke speelveld onder druk zet?
Het kabinet vindt het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehavenjurisdicties. Het is daarom van belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Welke signalen heeft u ontvangen van Nederlandse en/of Europese bedrijven over het belang van een wereldwijde minimumwinstbelasting die zonder uitzonderingen wordt toegepast met het oog op een gelijk speelveld?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.1 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven er op dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is daarom positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veilige haven-jurisdicties.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de uitzondering voor Amerikaanse multinationals ertoe leidt dat grote, zeer winstgevende Amerikaanse multinationals die actief zijn op de Nederlandse en Europese markt niet in alle gevallen een vergelijkbare minimumwinstbelasting betalen als Europese bedrijven?
De dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals in Nederland en in de meeste andere EU-lidstaten zijn onderworpen aan de binnenlandse bijheffing voor zover hun effectieve belastingdruk minder dan 15% bedraagt. In deze gevallen betalen zij over de winsten in Nederland en andere EU-lidstaten een vergelijkbare minimumwinstbelasting als Europese multinationals zouden betalen.
Deelt u de analyse dat het internationale belastingstelsel, dat nog grotendeels is gebaseerd op fysieke aanwezigheid, fundamenteel tekortschiet in een economie waarin waardecreatie steeds vaker digitaal plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De nationale wetten en bilaterale belastingverdragen binnen het huidige internationale belastingstelsel sluiten voor de verdeling van heffingsrechten over winsten inderdaad grotendeels aan bij de fysieke aanwezigheid van een bedrijf in een land. Ook het huidige Nederlandse verdragsbeleid sluit grotendeels aan bij dit uitgangspunt.2 In mijn brief over digitale diensten belastingen geef ik aan dat in internationale fora en in het publieke debat inderdaad de vraag speelt of de eis van fysieke aanwezigheid nog wel passend is in de huidige tijd van digitalisering.3 Bedrijven hebben namelijk door digitale mogelijkheden steeds minder een fysieke aanwezigheid nodig om in een land actief te zijn en omzet te genereren. Dat geldt bij uitstek voor digitale bedrijven, maar is ook bij andere bedrijven aan de orde.
Zijn er concrete alternatieven om alsnog een gelijk speelveld te creëren tussen Europese multinationals en Amerikaanse multinationals? Bijvoorbeeld door in te zetten op een Europese Digitale Dienstenbelasting?
De discussies over de digitaliserende economie lopen al langere tijd. In mijn brief over digitale dienstenbelastingen loop ik een aantal belangrijke initiatieven langs die de afgelopen jaren de revue zijn gepasseerd, waaronder Pijler 1 van het IF en eerdere richtlijnvoorstellen in de Europese Unie. Op dit moment is een akkoord op Pijler 1 op korte termijn niet realistisch en zijn de voorstellen in de Europese Unie niet aangenomen. Mede daarom wordt de discussie over een digitale dienstenbelasting in meerdere landen weer gevoerd. De invoering van een (Europese) digitaledienstenbelasting is echter complex en kent verschillende risico’s en onzekerheden. Het is onduidelijk of de mogelijke voordelen van een digitaledienstenbelasting opwegen tegen de risico’s en onzekerheden. Voor een overzicht en verdere uitwerking van deze aspecten daarvan verwijs ik naar de eerdergenoemde brief. Uiteraard neem ik nota van de aangenomen motie van het lid Dassen om te verkennen hoe een Europese digitaledienstenbelasting kan worden ingevoerd.4 Gelet op de demissionaire status van het kabinet is die verkenning aan een volgend kabinet.
Bent u bereid om samen met gelijkgezinde EU-lidstaten op te trekken om te komen tot een gecoördineerde Europese digitale dienstenbelasting? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de demissionaire status van het kabinet zijn beleidskeuzes omtrent een digitale dienstenbelasting op dit moment niet aan de orde.
Acht u het een reëel risico dat bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar de Verenigde Staten om onder het mondiale minimumtarief uit te komen? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om dit tegen te gaan?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Deelt u de opvatting dat dreigementen zoals de «revenge tax» geen reden mag zijn om af te zien van eerlijke belastingheffing en nationale fiscale soevereiniteit? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Ja, het is beoogd dat in de nieuwe fiscale regeling bij een beursgang rekening wordt gehouden met bepalingen die ervoor zorgen dat de aandelen tijdelijk nog niet verhandelbaar zijn, zoals een lock-up. Hierbij wordt ook beoogd een maximale periode te hanteren om onbedoeld gebruik en misbruik uit te sluiten.
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Het kabinet wil een aantrekkelijke en internationaal concurrerende regeling introduceren, een wens die ook door uw Kamer is geuit. Daarnaast is het belangrijk dat de Belastingdienst de fiscale regeling effectief kan handhaven. De exacte vormgeving van de fiscale regeling is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Bij de vormgeving van de fiscale regeling wordt met dit soort situaties zo veel als mogelijk rekening gehouden. Daarbij heeft het kabinet oog voor de voorkoming van liquiditeitsknelpunten.
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Het kabinet wil dit mogelijke knelpunt juist ondervangen. Door de aanbiedingsplicht is de (ex)-werkgever in staat om de aandelen terug te kopen. Dit helpt ook in het geval van een eventuele overname. Daarnaast zijn in optieplannen vaak drag-along bepalingen opgenomen waardoor minderheidsaandeelhouders worden gedwongen om mee te verkopen bij een overname.
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
In de praktijk zal het moment van de verhandelbaarheid en de verkoop van de aandelen vaak dicht bij elkaar liggen. Aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid zal dus niet vaak leiden tot een knelpunt. Bij het heffingsmoment wordt tijdsevenredig rekening gehouden met de belastingkorting. Het begrip verhandelbaarheid is uitgewerkt in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals gewijzigd per 2023, met het doel om voor startups en scale-ups zoveel mogelijk liquiditeitsknelpunten weg te nemen.
Hieruit volgt dat wordt verstaan onder het verhandelbaar worden van de bij uitoefening verkregen aandelen: het eerste moment waarop de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft deze aandelen te vervreemden. Dat is niet alleen het geval wanneer de aandelen aan een willekeurige derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer de aandelen slechts aan een selecte groep verkocht kunnen worden zoals aan andere personen die binnen de onderneming werkzaam zijn.1
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Indien de startup status vervalt, betalen medewerkers belasting op het moment dat zij ook daadwerkelijk in staat zijn om hun belasting te betalen (moment van verhandelbaarheid). In de meeste gevallen zal dit moment samenvallen met het moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Een specifieke betalingsregeling voor dergelijke gevallen acht het kabinet daarmee niet noodzakelijk.
Naheffingen verbruiksbelasting. |
|
Arend Kisteman (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ondernemers die voedingssupplementen in poedervorm produceren recent bericht hebben ontvangen van de Douane met de mededeling dat zij met terugwerkende kracht (vanaf 2020) alsnog verbruiksbelasting zijn verschuldigd1?
Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures kan ik niet op individuele gevallen ingaan, wel kan ik in het algemeen het volgende antwoorden.
De Douane is een uitvoeringsorganisatie en handhaaft de juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving, onder meer op het gebied van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Voor de handhaving kan de Douane onder andere administratieve controles inzetten. Met dergelijke administratieve controles wordt aan de hand van de administratie gecontroleerd of belanghebbende zich in een vooraf bepaalde controleperiode aan de in die periode geldende wet- en regelgeving heeft gehouden.
Uit een administratieve controle kan blijken dat in het verleden niet is voldaan aan de destijds geldende wet- en regelgeving. Wanneer dat het geval is, kan de Douane naheffingen opleggen voor de in het verleden liggende controleperiode.
Op basis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.3 Dat betekent kort gezegd dat de belasting die te weinig is afgedragen, alsnog moet worden voldaan. De bevoegdheid tot naheffing vervalt vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.4 In het jaar 2025 kan er dus een naheffing worden opgelegd over belasting die een belanghebbende was verschuldigd in het kalenderjaar 2020. Het op deze manier uitvoeren van administratieve controles is zeer gebruikelijk. Belasting wordt uiteraard alleen nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Uiteraard beschikken belanghebbenden hierbij over rechtsmiddelen. Als een belanghebbende het niet eens is met de naheffing omdat hij bijvoorbeeld van mening is wél aan wet- en regelgeving te hebben voldaan, kan hij bezwaar maken tegen de naheffingsaanslag. Uiteindelijk kunnen belanghebbenden hierover bij de belastingrechter terecht. Naast de genoemde rechtsmiddelen bestaan er ook betalingsregelingen om te voorkomen dat belanghebbenden financieel in de problemen komen. Als belanghebbenden een aanslag hebben ontvangen die niet tijdig kan worden betaald, kan bij de Douane uitstel van betaling of een betalingsregeling worden aangevraagd.
Te allen tijde is van belang dat wordt gecontroleerd op basis van de geldende wet- en regelgeving in de controleperiode zelf. Die wet- en regelgeving is leidend bij de administratieve controle. Ook wordt bij een eventuele naheffing rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Klopt het dat de Douane een aantal van deze ondernemers heeft bezocht en dat dit heeft geleid tot een sommering of gaat leiden tot een sommering om met terugwerkende kracht de verbruiksbelasting alsnog te voldoen? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dan ook dat ondernemers alleen op de hoogte konden zijn van deze verbruiksbelasting door het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken op de website van de Douane te lezen? Deelt u dan ook de mening dat dit voor ondernemers een lastige taak is om continu te volgen?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen en het is de plicht van de belastingplichtige zich hieraan te houden. In het geval een wetswijziging ophanden is, wordt dit ruim van tevoren aangekondigd en gecommuniceerd. Wat betreft producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.5 Naast wetgeving heeft de Douane ook handboeken, waarnaar de leden verwijzen. In deze handboeken wordt wet- en regelgeving uitgelegd met verwijzing naar van toepassing zijnde jurisprudentie. In een handboek worden primair instructies gegeven voor de operationele medewerkers van de Douane zodat de wet zo consistent mogelijk kan worden toegepast. Met het oog op een transparante overheid is het handboek verbruiksbelasting alcoholvrije dranken in 2017 openbaar gemaakt, waardoor externen ook het handboek kunnen raadplegen. Het handboek is in die zin een service en een verduidelijking van de wet- en regelgeving naar buiten toe.
Communicatie vindt plaats via regulier contact tussen de Douane en het bedrijfsleven, bijvoorbeeld via het Overleg Douane Bedrijfsleven (ODB), het Douane Contact Center (DCC) of bij individuele klantbehandeling.
De Douane zet zich in voor transparantie, communicatie en dienstverlening. Openbaarmaking van bijvoorbeeld handboeken, verslagen van coördinatie- of kennisgroepen en kennisgroepstandpunten dragen hier in positieve zin aan bij.
Hoe kijkt u aan tegen de kans dat deze bedrijven failliet gaan of ons land zullen verlaten door het innen van deze verbruiksbelasting met terugwerkende kracht? Wat wil hij hieraan doen?
Zoals eerder toegelicht, kan de inspecteur belasting naheffen tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. De nageheven bedragen zien op te weinig of niet betaalde belasting. Kortgezegd, de belanghebbende zou deze belasting in de vijf voorgaande jaren reeds betaald moeten hebben bij juiste toepassing van geldende wet- en regelgeving. Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat bedrijven financieel in de problemen komen of het land verlaten door de heffing en inning van belastingen. Ondernemers kunnen bij de Douane een verzoek doen om uitstel van betaling of een betalingsregeling. Uiteraard geldt wel dat belasting die is verschuldigd, dient te worden voldaan. Dit is onder andere van belang in het kader van gelijkheid tussen belastingplichtige ondernemers onderling en tussen ondernemers en burgers.
Volgens de wet zouden deze bedrijven een vergunning moeten hebben voor Inrichting voor Verbruiksbelastinggoederen (IVV): hoe kan het dat geen van deze acht producenten de vergunning heeft en hier niet van op de hoogte was?
Zoals hiervoor aangegeven kan ik niet ingaan op individuele gevallen. Op basis van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen vooraf een vergunning inrichting voor verbruiksbelastinggoederen («IVV») door de inspecteur moet zijn afgegeven. Voor goederen die zijn uitgezonderd van verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemer om aan alle geldende wet- en regelgeving te voldoen. Zoals gezegd ga ik hier niet verder in op individuele gevallen.
Waarom worden deze bedrijven nu alsnog verplicht deze vergunning aan te vragen en klopt het dat zij met sluiting worden gedwongen als zij dit niet doen?
Ik herhaal graag dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht en mogelijk lopende procedures niet in kan gaan op individuele gevallen. In het algemeen geldt het volgende. Als uit de administratieve controle blijkt dat de goederen die worden geproduceerd belast zijn met verbruiksbelasting, dan moet de betreffende belanghebbende alsnog een vergunning IVV aanvragen bij de inspecteur. Het is ter beoordeling van de inspecteur of wordt voldaan aan de voorwaarden zodat de vergunning kan worden afgegeven.
Het is wettelijk verboden om verbruiksbelastinggoederen te produceren zonder een daarvoor aangewezen vergunning. Het tot sluiting dwingen van bedrijven behoort niet tot de bevoegdheden van de Douane.
Hoe kijkt u aan tegen de interpretatie dat voedingssupplementen in poedervorm die wei bevatten, onder ranja vallen en gaat die strekking dan niet veel verder dan ooit de bedoeling was bij het opstellen van de wet?
Alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat die zijn bestemd om door aanlenging alcoholvrije dranken te maken die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, worden al sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 belast.6Dergelijke dranken worden belast aan de hand van een omrekening van het volume van het product in vaste of geconcentreerde vorm naar het volume van een alcoholvrije drank op basis van de factor 4. Dat betekent dat 1 liter concentraat wordt belast als 4 liter gereed product.
Wei of andere alcoholvrije dranken die wei bevatten, zijn expliciet niet uitgezonderd van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Ook niet als zij in vaste vorm of als concentraat worden aangeboden. De wet beschrijft dat melk of uit melk bereide dranken, «niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank», zijn vrijgesteld van de belasting. Ook deze zinsnede staat reeds sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993 in de wet.7 Er is daarbij geen grens bepaald van de hoeveelheid wei die aanwezig moet zijn om te spreken van een uit wei of weiproducten vervaardigde drank.
Dat de preparaten in poedervorm, zoals beschreven door de leden, worden belast onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is dus geen onbedoeld gevolg van de wet. Deze preparaten maken geen onderdeel uit van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze preparaten een uitzonderingspositie te geven.
Bent u het ermee eens dat ondernemen in Nederland weer leuk moet worden, dat we onze ondernemers moeten koesteren en moeten voorkomen dat zij de ons land verlaten?
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een goed ondernemingsklimaat in Nederland, met de juiste randvoorwaarden. Zoals een sterke internationale concurrentiepositie en een gelijk speelveld tussen bedrijven. Juist in het kader van een gelijk speelveld tussen bedrijven is het van belang dat belasting wordt nageheven als blijkt dat een belanghebbende niet aan wet- en regelgeving heeft voldaan waardoor te weinig of geen belasting is afgedragen.
Het Landbouwbesluit |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Heijnen , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Ja, wij onderschrijven het belang van noodzakelijke vruchtwisseling en, zoals in het bericht genoemd, omarmen wij de kringloopgedachte. Gezien het verdere verloop van de vragen willen we hieronder alvast een toelichting geven op de fiscale gevolgen bij vruchtwisseling. We benadrukken graag dat vruchtwisseling zowel voor toepassing van de landbouwvrijstelling als de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) relevant is. Het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten is echter verschillend.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing als de grond ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd in het geval van vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het recent gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Het ter beschikking stellen van grond in het kader van bijvoorbeeld derogatie kwalificeert dus niet voor de landbouwvrijstelling.
Vruchtwisseling heeft een ander effect voor de BOR en DSR ab. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in Titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. Momenteel wordt onderzocht hoe een verruiming van de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer6 en de motie Grinwis c.s.7 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd).
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014 met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit, maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?2
In het verleden heeft de Belastingdienst een werkafspraak gemaakt met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO Nederland). In de bijlage bij de beantwoording van de vragen is een kopie van die werkafspraak uit 2014 opgenomen.9 De afspraken uit deze werkafspraak zijn het vertrekpunt geweest voor de invulling van het onderdeel over vruchtwisseling in het beleidsbesluit. De kern van die werkafspraak is geweest dat gevallen waarbij de grond voor één jaar ter beschikking wordt gesteld of voor één jaar wordt verpacht als vruchtwisseling is aan te merken. Dit wel onder de strikte voorwaarde dat uit de feiten niet blijkt dat de grond om andere redenen dan vruchtwisseling ter beschikking wordt gesteld (zoals dat het geval is bij derogatie). In de werkafspraak is door de Belastingdienst aangegeven dat duidelijk uit de feiten moet blijken dat het perceel in beginsel om het jaar in gebruik moet zijn geweest in het kader van de eigen landbouwonderneming. De invulling die in het recent gepubliceerde beleidsbesluit aan het begrip vruchtwisseling wordt gegeven, is op hoofdlijnen hieraan gelijk. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft verschilt dus niet wezenlijk van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. Zoals hiervoor benoemd, is de werkafspraak met één van de vertegenwoordigers van de agrarische sector afgesloten. Op bepaalde onderdelen bestond verschil van inzicht tussen LTO Nederland en de Belastingdienst. Omdat behoefte bestaat aan duidelijkheid en transparantie over het standpunt van de Belastingdienst over de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling, is dit standpunt opgenomen in deze actualisatie van het beleidsbesluit. Op de website van de Belastingdienst zal een verwijzing worden opgenomen naar de vindplaats van het beleidsbesluit. Een beleidsbesluit heeft een bredere werking dan een werkafspraak. De verschillen tussen de werkafspraak en het beleidsbesluit komen tot uitdrukking in de vormgeving van de voorwaarden in het beleidsbesluit. Een aantal van deze voorwaarden lijkt op het eerste gezicht strikter dan die in de werkafspraak, maar hoeven dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – niet te zijn. Zoals hiervoor aangegeven, is in de werkafspraak opgenomen dat bij een periode van ter beschikking stellen van de grond aangesloten wordt bij een periode van één jaar. In het beleidsbesluit geldt echter als uitgangspunt dat de periode van ter beschikking stellen vanuit het perspectief van de grondeigenaar niet langer mag zijn dan één teeltseizoen (in één jaar kan sprake zijn van meerdere teeltseizoenen). Op dit punt lijkt het beleidsbesluit dus strikter. Vervolgens geldt dit uitgangspunt niet als de teeltduur van het in het kader van vruchtwisseling geteelde gewas bij de gebruiker van de grond langer is dan één jaar (dus soepeler dan de werkafspraak). Daarbij geldt verder nog de uitzondering dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar. Daarmee kan de termijn dus ook langer zijn dan één jaar. Verder wordt, om onduidelijkheid tussen partijen te voorkomen en om de bewijspositie van de agrariërs te verbeteren in het beleidsbesluit tot uitdrukking gebracht dat de onderhandse overeenkomst tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker, die vereist is voor toepassing van de landbouwvrijstelling, schriftelijk moet zijn vastgelegd. De voorwaarden in het beleidsbesluit bieden de inspecteur meer ruimte om met de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke geval rekening te houden. Op die manier wordt naar onze mening meer recht aan de praktijk gedaan dan eerder in de werkafspraak het geval was.
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
Het beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 23 november 201810 en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Beleidsbesluiten worden regelmatig geactualiseerd. Een beleidsbesluit geeft een invulling van de zienswijze die de Staatssecretaris van Financiën heeft als uitvoerder van belastingwetgeving over – in dit geval – landbouwgerelateerde vraagstukken. Meer specifiek is het een leidraad voor de belastinginspecteur hoe om te gaan met de genoemde vraagstukken. Dit beleidsbesluit biedt de praktijk onder andere de gewenste duidelijkheid over de standpunten van de Belastingdienst bij de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling. Bovendien wordt met het beleidsbesluit concrete invulling gegeven aan de eerdere niet-gepubliceerde werkafspraak uit 2014 met LTO Nederland. Het beleidsbesluit geeft belastingplichtigen nog steeds de mogelijkheid om een andersluidend standpunt in te nemen en dat te laten toetsen door de rechter. Binnen de bestaande wet en jurisprudentie geeft dit beleidsbesluit een zo ruim mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling voor toepassing van de landbouwvrijstelling.
Een conceptversie van het beleidsbesluit is in de zomer van 2025 voorgelegd aan de Werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB). Namens de Werkgroep FUB hebben fiscale vertegenwoordigers van de agrarische sector (belastingadviseurs) gereageerd. Het commentaar vanuit de Werkgroep FUB is dat een aantal voorwaarden uit het besluit te beperkend wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dat commentaar is het besluit op een aantal punten aangepast (verduidelijkt en versoepeld). Gelet op de wettekst, jurisprudentie en de doelstelling van de landbouwvrijstelling kon niet aan alle punten tegemoet worden gekomen.
Het beleidsbesluit is in nauw overleg met de inspecteurs tot stand gekomen die in hun dagelijkse praktijk te maken hebben met de landbouwgerelateerde vraagstukken. Het beleidsbesluit blijft binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie. Aan het beleid – dat grotendeels een codificatie is van de bestaande werkafspraak met LTO Nederland – werd voor publicatie van dit beleidsbesluit ook al uitvoering gegeven door de Belastingdienst. Er zijn geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst, omdat het beleidsbesluit binnen de bestaande kaders van wetgeving en jurisprudentie past. Wanneer eventueel sprake is van aanpassing van wetgeving zal in de regel een uitvoeringstoets plaatsvinden.
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier meer inzicht in geven?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten geldt?
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling aan een ander ter beschikking is gesteld, is vereist dat tussen de gebruiker en de terbeschikkingsteller van de grond een onderhandse overeenkomst is gesloten. Daarbij moet ook aan de overige voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn voldaan. Een onderhandse overeenkomst vereenvoudigt de beoordeling voor de betrokken partijen en de inspecteur. In de werkafspraak met LTO Nederland is destijds niets opgenomen over de wijze van vastlegging van de overeenkomst. In het beleidsbesluit is een overgangsbepaling opgenomen voor (vaststellings)overeenkomsten tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker met inachtneming van de werkafspraak. Voor aantoonbare bestaande (vaststellings)overeenkomsten geldt onder meer dat deze ongemoeid blijven als deze beschikken over een einddatum tot en met twee jaar na datum van de publicatie van het beleidsbesluit. Dat kunnen ook mondelinge overeenkomsten zijn. In de praktijk is het complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als geen schriftelijke overeenkomst is opgesteld. Echter, als de aanwezigheid van een mondelinge overeenkomst aannemelijk kan worden gemaakt dan is het overgangsrecht uiteraard ook van toepassing op die mondelinge overeenkomst. De overgangsbepaling zal in de praktijk in alle redelijkheid worden toegepast door de inspecteur.
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling te verliezen?
In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren. Als de terbeschikkingsteller van de grond om hem moverende redenen zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond. Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
In het beleidsbesluit is als toelichting op de voorwaarden opgenomen dat de terbeschikkingsteller de noodzaak van het ter beschikking stellen van de grond of de toepassing van een uitzondering aannemelijk moet maken. In het beleidsbesluit is als voorbeeld genoemd dat dit kan door middel van (vak)studies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming. De manier waarop bewijs kan worden aangeleverd is vormvrij. Een andere manier dan met (vak)studies is ook mogelijk. Gedacht kan worden aan het overleggen van het bouwplan, mits daaruit blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling. De inspecteur neemt alle feiten van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond moet worden?
Het vereiste dat sprake moet zijn van een onderhandse (schriftelijke) overeenkomst heeft een praktische achtergrond. Zoals aangegeven, is het in de praktijk complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als er geen schriftelijke overeenkomst is. Een schriftelijke overeenkomst is voor de inspecteur eenvoudig te toetsen. Het betekent ook dat de belastingplichtige beter kan aantonen dat de grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling. Daarmee heeft de belastingplichtige een sterkere positie om aan zijn bewijslast te voldoen. Daarnaast geeft deze voorwaarde duidelijkheid voor alle partijen. Wij realiseren ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst opstellen. Er gelden, naast schriftelijke vastlegging, geen bijzondere vereisten voor deze overeenkomst. Ter vergelijking: voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling is een onderhandse overeenkomst al voldoende. Bij bedrijfsoverdracht spelen echter de BOR en DSR ab een rol (zie het antwoord op vraag 1). In dat geval zal de overdrager van het landbouwbedrijf moeten voldoen aan de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in het BW om de zogenoemde vastgoedmaatregel achterwege te laten. Achtergrond van die maatregel is dat een dergelijke uitzondering op de zogenoemde vastgoedmaatregel voor de Belastingdienst goed is te toetsen door aan te sluiten bij de bestaande teeltpachtwetgeving.11
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht, omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Zoals aangegeven, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing voor de periode dat de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander zonder noodzaak tot vruchtwisseling. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, wordt beoordeeld vanuit de positie van de eigenaar van de grond. Het beleidsbesluit geeft daarover naar onze mening duidelijkheid binnen de geschetste kaders en is inhoudelijk niet wezenlijk anders dan de uitgangspunten uit de werkafspraak die sinds 2014 door de Belastingdienst worden gehanteerd. Het ligt niet voor de hand om deze uitzondering op de reikwijdte van de landbouwvrijstelling verder uit te breiden voor situaties waarbij de grond ook ter beschikking wordt gesteld maar waarin geen sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de agrariër die de grond bezit.12 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer13 en de motie Grinwis c.s.14 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd). Tot slot hechten we er aan op te merken dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgevingen?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling in overleg met de sector te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 10.
De overstap van de Belastingdienst naar Microsoft |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
van Marum , Heijnen |
|
|
|
|
Bent u nog steeds van mening dat de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft1 slechts is voorzien van «een zeer magere onderbouwing»?2
In de afgelopen periode is er intensief overleg geweest tussen de Belastingdienst, CIO Rijk en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hieruit is naar voren gekomen dat er, gezien de (technische) keuzes van de Belastingdienst in het verleden, op korte termijn geen alternatief is voor de overgang naar Microsoft 365 (M365), anders dan gebruik blijven maken van de huidige verouderde werkomgeving.
De Belastingdienst heeft aangegeven dat ze sindsdien opnieuw onderzocht hebben of er nu wel Europese alternatieven zijn. Uit verkennende gesprekken blijkt dat er op dit moment nog geen volledig geïntegreerd Europees alternatief is voor M365.
Staat u nog steeds achter uw stelling dat de Belastingdienst niet heeft onderbouwd dat er geen Europese alternatieven voor Microsoft zouden zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Voldoet de onderbouwing voor de overstap van de Belastingdienst aan het geldende cloudbeleid?3 Kunt u hard maken dat tijdig aan alle eisen is voldaan?
Ja, de overstap voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst naar M365 voldoet aan het rijksbrede cloudbeleid (2022) en het daaruit volgende cloudbeleid van het Ministerie van Financiën. Dat geldt zowel voor het besluit uit 2021 als de verkenning naar mogelijke alternatieven (terwijl de werkplek zelf al was uitgerond) in 2025. Zo heeft de Belastingdienst een cloudtoets gedaan. Er zijn een risicoanalyse en exitstrategie opgesteld. Deze zijn vertrouwelijk aan uw Kamer aangeboden. Verder is er een DPIA opgesteld en heeft de Belastingdienst voor de definitieve besluitvorming afstemming gezocht met de CIO Rijk.
Heeft de Belastingdienst, door zich in 2021 te committeren aan de overstap naar Microsoft, het onmogelijk gemaakt om alsnog af te wijken van dit besluit en tijdig een Europees alternatief te implementeren?
De Belastingdienst is in 2021 gestart met het traject om de werkplekken te vervangen en moderniseren. Hierdoor zijn de mogelijkheden om over te stappen op een alternatief beperkt. De nieuwe uitgerolde werkplek, in de vorm van laptops, is namelijk ingericht op het gebruik van M365. In het geval dat er wel een geschikt Europees alternatief zou zijn, moet er een geheel nieuwe werkomgeving worden ontworpen en geïmplementeerd. De doorlooptijd hiervan is aanzienlijk en is afhankelijk van de te configureren oplossing. De verwachting is dat dit in ieder geval enkele jaren zal kosten.
Deelt u de mening dat, gezien (geo)politieke ontwikkelingen en de duidelijke wens van de Kamer om de digitale autonomie van Nederland te bevorderen, de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft alsnog heroverwogen dient te worden?
De Belastingdienst heeft bij de aanvang van het traject in 2021 gekozen voor de implementatie van M365 bij het inrichten van de werkplekken en het vervangen en moderniseren van de werkomgeving. De (geo)politieke situatie was destijds anders dan nu en het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese partijen speelde toen een beperktere rol in de afwegingen.
In 2025 heeft de Belastingdienst gekeken of er nog mogelijkheden bestonden om af te wijken van het pad dat in 2021 is ingeslagen en zijn er mogelijke alternatieve oplossingen bekeken. Zoals uitgelegd in de technische briefing van 4 februari jl. over dit onderwerp heeft dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid.
Bent u op de hoogte van het rapport van de Cyber Safety Review Board uit 2024 over de beveiliging van Microsoft, waaruit blijkt dat het bedrijf de cyberveiligheid structureel niet op orde heeft?4, 5 Hoe beoordeelt u het argument dat Microsoft de beste beveiliging biedt in het licht van de conclusies uit dit rapport?
Ja, ik ben op de hoogte van het genoemde rapport. In reactie op het rapport heeft Microsoft onder de naam «Secure Future Initiative» (https://blogs.microsoft.com/on-the-issues/2024/06/13/microsofts-work-to-strengthen-cybersecurity-protection/) de verantwoordelijkheid voor de incidenten geaccepteerd en actie ondernomen om zowel de producten en diensten als de operatie van Microsoft 365 te verbeteren.
Bent u bereid om, in samenwerking met de Belastingdienst, duidelijk te maken welke aanvullende middelen, expertise of capaciteit nodig zijn om alsnog af te zien van de overstap naar Microsoft en zo snel mogelijk een Europees alternatief te realiseren?
Volgens de Belastingdienst is er op dit moment geen geïntegreerd Europees alternatief, met een vergelijkbaar niveau als M365, beschikbaar. Zelfs als dit alternatief er zou zijn kost het de Belastingdienst, afhankelijk van de te configureren oplossing, enkele jaren om dit te implementeren. Dit betekent dat er in de tussentijd wordt doorgewerkt op een nieuwe werkplek waarbij rekening is gehouden met de implementatie van M365. Daardoor worden medewerkers geconfronteerd met workarounds en productiviteitsverlies.
Vragen over toekomstige keuzes laat ik aan mijn opvolger.
Welke «workarounds» worden nu gebruikt door ambtenaren in hun digitale werkomgeving? Bent u bereid om te onderzoeken of deze belemmeringen weg te nemen zijn zonder de overstap naar Microsoft te maken?
De workarounds zijn ontstaan omdat medewerkers nu doorwerken in een verouderde omgeving vanaf nieuwe werkplekken die zijn ingericht op een M365-omgeving. De workarounds zijn (inefficiënte) manieren om vanaf deze nieuwe werkplekken met de beperkingen van de huidige werkomgeving om te gaan. Deze workarounds zijn vrij technisch van aard. Een voorbeeld is dat bepaalde bestanden niet worden ondersteund door de uitgerolde Digitale Brug Overheid (DBO)-werkplek. Medewerkers zijn nu genoodzaakt deze bestanden naar een postbus op te sturen zodat het handmatig in het gewenste bestandsformaat kan worden omgezet en teruggestuurd. Een ander voorbeeld is dat bepaalde applicaties die deurwaarders nodig hebben op de DBO-werkplek alleen te gebruiken zijn vanuit de fysieke kantooromgeving. Met de implementatie van M365 worden dit soort problemen opgelost. Het wegnemen van deze workarounds zonder de overstap te maken naar M365 betekent dat de Belastingdienst alsnog gaat investeren in de huidige verouderde werkomgeving.
Waarom zijn de CIO Rijk en de overige IT-dienstverleners van het Rijk «pas in een zeer laat stadium» betrokken in het proces van de Belastingdienst? Wanneer is dit gebeurd, en waarom pas op dat zeer late moment?6
Uw Kamer is reeds in het najaar van 2024 geïnformeerd over de overgang maar Microsoft 365 voor de werkplekken.7 Zoals ook aangegeven in mijn brief van 2 oktober jl. is dit voornemen ook door mijn ambtsvoorganger met u gedeeld in het Jaarplan Belastingdienst 2025. 8
In het afgelopen jaar is er contact geweest tussen de Belastingdienst, CIO Rijk en het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de overstap. In de loop van 2025 heeft de Belastingdienst ook contact gezocht met SSC-ICT om een oriënterende verkenning te laten plaatsvinden naar de mogelijkheid om de functionaliteiten voor mail en agenda onder te brengen bij SSC-ICT. Daaruit is geconcludeerd dat dit geen optie is voor de korte- of middellange termijn.
Deelt u de mening dat de Belastingdienst in 2021, door uit te gaan van Microsoft 365 en Windows 11 als «gouden standaard,» geen gedegen verkenning heeft gedaan van Europese alternatieven?
De keuze voor M365 is gemaakt in 2021. De (geo)politieke situatie was destijds anders dan nu, het versterken van de autonomie speelde destijds een beperkte rol in de afwegingen. Daarom werd destijds niet de noodzaak gevoeld voor een gedegen verkenning gedaan naar Europese alternatieven en heeft deze dus ook niet plaatsgevonden. De Belastingdienst heeft toen, net zoals veel andere overheidsorganisaties en private organisaties, de keuze gemaakt voor de standaard van Windows 11 en M365 en heeft deelgenomen aan de contractonderhandelingen met het Strategisch Leveranciersmanagement Microsoft voor de rijksoverheid (SLM Rijk).
Deelt u de mening dat de scenario’s van de Belastingdienst, zoals die in de (beslis)nota van 28 juni 2025 zijn beschreven,7 onvolledig zijn omdat ze in de basis uitgaan van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft?
Het klopt dat de nota uitgaat van een werkomgeving die is ingericht voor Microsoft, omdat de uitgerolde werkplekken hiervoor zijn ingericht en is geschreven vanuit de uitgangspositie waarin de Belastingdienst zich destijds bevond. Elk (Europees) alternatief zou hier op moeten worden aangesloten. Daarmee is geen sprake van onvolledigheid, omdat iedere andere uitgangspositie een nieuw werkplekconcept behoeft.
Wanneer heeft de Belastingdienst precies besloten om deze scenario’s uit te werken? Welke specifieke «(geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen» gaven hier aanleiding toe?8
Na onder andere de door uw Kamer ingediende moties heeft de Belastingdienst in het voorjaar besloten om de andere scenario’s nader uit te werken.
Acht u de keuze van de Belastingdienst om voor de werkomgeving over te stappen naar Microsoft inmiddels onafhankelijk en voldoende onderbouwd?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 en 2.
In het geval u de mening deelt van de indieners dat er geen degelijke onafhankelijke verkenning is uitgevoerd naar Europese alternatieven, kunt u er op toezien dat deze alsnog op korte termijn wordt uitgevoerd met als doel om een alternatieve Europese route voor de cloudmigratie van de Belastingdienst te schetsen?
Zoals aangegeven in de oplegbrief beperk ik mij tot het beantwoorden van de feitelijke vragen. Ik acht het passend de beantwoording van vragen die toezien op toekomstige keuzes aan mijn opvolger te laten.
Waarop baseert de Belastingdienst de aanname dat de onderzochte scenario’s «naar verwachting binnen het aangepaste cloudbeleid passen dat momenteel door BZK wordt herzien»?9 Kunt u duidelijk uitleggen waar dit uit blijkt, aangezien dit beleid nog niet is vastgesteld en er sindsdien ook Kamermoties10 zijn aangenomen om de eisen voor soevereiniteit verder aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u per scenario, uitgewerkt door de Belastingdienst, een realistische schatting maken van de aanvullende kosten die hier bij gemoeid zouden zijn? Welk scenario acht u vanuit het soevereiniteitsbelang het meest geschikt?
Ik ga ervan uit dat u doelt op de scenario’s zoals opgenomen in de nota «Scenario’s overstap kantoorautomatisering naar cloud» van 27 juni 2025. In deze nota zijn de kosten per scenario op hoofdlijnen uitgedrukt. Een nadere uitwerking met als doel om tot een meer precies bedrag per scenario uit te werken zou niet hebben geleid tot een andere uitkomst en heeft daarom niet plaatsgevonden. Daarnaast zijn er ook niet-financiële knelpunten zoals doorlooptijden, stroomvoorziening en datacenter capaciteit. De beantwoording van het tweede deel van de vraag laat ik, zoals aangegeven in de oplegbrief, aan mijn opvolger.
Wat bedoelt u met uw antwoord dat «de Belastingdienst de ontwikkelingen van Europese en soevereine alternatieven [volgt]» en «[actief] kijkt naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen»? Zijn er afspraken gemaakt over wat dit concreet betekent en welke verwachtingen heeft u precies van de Belastingdienst?11, 12
Zoals aangegeven in de oplegbrief beperk ik mij tot het beantwoorden van de feitelijke vragen. Ik acht het passend de beantwoording van vragen die toezien op toekomstige keuzes aan mijn opvolger te laten.
Waarom «volgt» de Belastingdienst enkel de ontwikkeling van een soeverein alternatief als MijnBureau, in plaats van dat zij dit met overtuiging afneemt? Ziet u mogelijkheden voor een schaalbare pilot binnen de Belastingdienst om een soeverein alternatief voor Microsoft op de werkvloer uit te proberen?
De Belastingdienst volgt het initiatief MijnBureau, omdat een (grootschalige) implementatie hiervan binnen de Belastingdienst op dit moment niet realistisch en uitvoerbaar is.
Een pilot van dit initiatief kan alleen plaatsvinden als het een voldoende hoog volwassenheidsniveau heeft bereikt en moet tegen die tijd gecontroleerd en zorgvuldig plaatsvinden. Dat neemt niet weg dat op termijn, zodra deze oplossing voldoende volwassen is, de Belastingdienst kan aansluiten bij een (rijksbrede) pilot van MijnBureau.
Daarnaast richt de Belastingdienst zich niet alleen op MijnBureau, maar wordt er ook actief onderzoek gedaan naar de ervaringen van andere Europese partijen die een overstap voorbereiden of dit al hebben gedaan. Hierbij wordt nauw opgetrokken met onder andere CIO Rijk.
Deelt u de mening dat meer departementen en uitvoerders MijnBureau moeten afnemen om het project levensvatbaar te maken en waardevolle inzichten op te doen voor soevereine werkplekken?
Ja, in algemene zin deel ik deze mening. De levensvatbaarheid van een soeverein initiatief als MijnBureau is daarbij gebaat en dat kan leiden tot waardevolle inzichten. Het is wel belangrijk dat dit zorgvuldig en gecontroleerd plaatsvindt. Kleinschalig starten bij kleine overheidsorganisaties is daarbij belangrijk om zodoende op basis van ervaringen te werken aan de volwassenheid als voorbereiding op een eventuele grootschalige uitrol bij grote uitvoeringsorganisaties zoals de Belastingdienst. Daarnaast geldt dat de integratie van kantoorautomatisering in een uitvoeringsorganisatie complexer is dan bij een beleidsdepartement.
Welke aanvullende afspraken zijn met Microsoft gemaakt om de risico’s in het voorkeursscenario van de Belastingdienst «zo beheersbaar mogelijk» te maken?13 Beaamt de CIO Rijk dat de risico’s zo veel als mogelijk zijn beheerst?
De aanvullende afspraken tussen de Belastingdienst en Microsoft zijn niet met CIO Rijk gedeeld, er kan daarom geen oordeel over worden geveld.
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst, waarin fiscale informatie en informatie over «rulings» wordt gecommuniceerd, straks afhankelijk wordt van Microsoft?14
De Belastingdienst werkt continu aan het creëren van meer bewustzijn bij medewerkers om nog bewuster om te gaan met het versturen van gevoelige informatie. Daarvoor worden werkinstructies opgesteld om te voorkomen dat gevoelige informatie zoals rulings in de cloud kunnen belanden. Ook na de overstap naar M365 blijft het voor de medewerkers mogelijk om (gevoelige) informatie veilig on-premises op te slaan en onderling (en met een derde) te delen via het Belastingdienst-file-transfer. Dit is een applicatie voor medewerkers van de Belastingdienst waarmee zij (grote) bestanden kunnen delen.
Acht u het acceptabel dat het mailverkeer van de Belastingdienst onder Amerikaanse surveillancewetgeving zoals de CLOUD Act, sectie 702 van de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333 komt te vallen? Hoe verhoudt dit zich tot de fiscale geheimhoudingsplicht?15
Ik ben niet naïef over de mogelijkheid dat de informatie waarover de Belastingdienst beschikt interessant kan zijn voor de Amerikaanse overheid. De Belastingdienst is zich bewust van de werking van de door u genoemde extraterritoriale Amerikaanse wetgeving. Dit risico is meegewogen in de risicoanalyse en waar mogelijk beperkt. Zoals ik ook heb aangegeven in antwoord op uw eerdere vragen betekent de overstap naar M365 een vergroting van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten.18
Deelt u de mening dat het rapport uit 2022 van GreenbergTraurig, waarin wordt gesteld dat het risico dat de VS gebruik maakt van de CLOUD Act klein is, achterhaald is door de geopolitieke ontwikkelingen nu ook de AIVD en de MIVD minder informatie met de Amerikanen delen?16
Ik erken dat de geopolitieke situatie ten opzichte van 2022 is veranderd, dat heeft een ander risicobeeld met zich meegebracht. De Belastingdienst heeft dit meegenomen in de opgestelde risicoanalyse en dit expliciet meegewogen. Deze risicoanalyse heb ik vertrouwelijk aan uw Kamer ter inzage aangeboden.
Beschikt Microsoft in het geval er «double key encryption» wordt toegepast over een sleutel naar deze data? Zo ja, hoe is het versleutelen van data dan een geschikte mitigerende maatregel?
U doelt daarmee op een maatregel zoals is voorgesteld in de nota «Scenario’s overstap kantoorautomatisering naar cloud» van 27 juni 2025 bij een specifiek product van Microsoft. De maatregel van «double key encryption» wordt niet toegepast. Door gebruik te maken van «double key encryption» zijn verschillende functionaliteiten niet meer mogelijk. Zo kunnen bijvoorbeeld verschillende bestanden dan niet langer geïndexeerd worden. Deze maatregel is tevens afgewogen in de eerdergenoemde risicoanalyse.
De Belastingdienst is continu op zoek naar nieuwe oplossingen die een betere bescherming van de data mogelijk maken en het risico van het ongeautoriseerd toegang hebben tot data mitigeren.
Klopt het dat de exitstrategie, waarin binnen negen maanden data uit de Microsoft-cloudomgeving wordt gehaald, «met hulp van Microsoft» wordt uitgevoerd?17 Is de exitstrategie om wég te komen van Microsoft daardoor niet ook afhankelijk geworden van Microsoft?
Nee, de exitstrategie bevat namelijk in algemene zin twee scenario’s. Een scenario waarbij de leverancier meewerkt en de Belastingdienst negen maanden de tijd krijgt om de bestanden te migreren naar een nieuwe gewenste omgeving. Daarnaast is er ook een scenario waarin rekening wordt gehouden met een acuut vertrek, bijvoorbeeld nadat de leverancier onder statelijke druk de diensten stopt. Voor dit scenario heeft de Belastingdienst een back-up en wordt er teruggevallen op de huidige on-premises omgeving.
Kunt u de garantie van Microsoft, dat zij zich tegen alle vormen van politieke druk vanuit de VS zullen verzetten, hard maken? Welke concrete afspraken zijn hierover gemaakt? Kunt u bijpassende documentatie met de Kamer delen?
Microsoft heeft de zogenaamde EU-commitments gepubliceerd. Dat laat niet onverlet, dat in een extreem geval, Microsoft onder statelijke druk gedwongen kan worden om te stoppen met leveren van diensten. Dit is in de recente geschiedenis alleen onder specifieke sanctiewetgeving gebeurd. Daarbij wil ik wel opmerken dat dit, tot op zekere hoogte, ook geldt voor on-premises oplossingen. Want ook daar is sprake van afhankelijkheid van Amerikaanse techleveranciers.
Zijn er nog meer nota’s of notities met betrekking tot de overstap naar Microsoft die gebruikt zijn om de afweging te maken, maar nog niet gedeeld zijn met de Kamer? Kunt u deze alsnog openbaar maken?
In de bijlage vindt u een aantal aanvullende stukken die zijn geagendeerd op het bestuursteam Belastingdienst van 27 mei 2025.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en toezeggen dat u, tot deze beantwoord zijn, zich ten volste in zal spannen om een Europees alternatief voor de kantoorautomatisering van de Belastingdienst alsnog mogelijk te maken?
Zoals ik heb aangegeven in de brief die u bij deze antwoorden heeft ontvangen heb ik mij beperkt tot het beantwoorden van de feitelijke vragen en ben ik terughoudend geweest in het beantwoorden van vragen die over de toekomst gaan. Daarom zijn niet alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoord. De Belastingdienst zet wat betreft de grootschalige uitrol van M365 geen verdere stappen tot het aantreden van een nieuw bewindspersoon.
Belastingontwijking via Nederland als gevolg van een in belastingverdragen overeengekomen verlaagde bronheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe de miljardenwinst van Starlink deels via Amsterdam wordt doorgesluisd» (Trouw, 22 november 2025)?
Ja.
Klopt het dat een brievenbusmaatschappij zonder medewerkers in Nederland, die volledig bestuurd wordt vanuit het buitenland, gebruik kan maken van Nederlandse belastingverdragen? Klopt het dat daarmee bilaterale afspraken tussen twee landen omzeild kunnen worden, doordat ook een route via Nederland mogelijk is?
Belastingverdragen hebben als doel om dubbele belasting weg te nemen en belastingontwijking- en ontduiking te voorkomen. Vennootschappen hebben recht op toepassing van een belastingverdrag als ze inwoner zijn van Nederland (of het andere land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten). Om als inwoner te kwalificeren moet een vennootschap volledig onderworpen zijn aan de Nederlandse belastingheffing. Dat is in principe niet het geval als een vennootschap bestuurd wordt vanuit een ander land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Deze vennootschap heeft dan geen recht op toepassing van Nederlandse belastingverdragen.
Klopt het dat Nederland in belastingverdragen, waaronder dat met Zambia, heeft afgesproken dat de verdragspartners een verlaagde bronheffing mogen heffen over geldstromen naar Nederland? In welke belastingverdragen heeft Nederland dit nog meer afgesproken? Kunt u toelichten waarom Nederland hierop aandringt bij verdragsonderhandelingen?
Met een belastingverdrag wordt beoogd de economische relatie tussen beide landen te bevorderen door dubbele belastingheffing weg te nemen. Een samenloop tussen bronheffingen en woonstaatheffingen kan leiden tot dubbele belasting. Zoals internationaal gebruikelijk spreekt Nederland daarom in belastingverdragen af dat de bronheffing beperkt wordt tot een bepaald maximumpercentage. Dit is ook het geval in het belastingverdrag met Zambia. Achtergrond van deze afspraak is een verdeling van heffingsrechten, waarbij enerzijds het woonland van de ontvanger de inkomsten mag belasten maar anderzijds het bronland (het woonland van de betaler) een beperkt heffingsrecht toekomt. Als het woonland van de betaler niet beperkt zou worden in zijn (bron)heffingsrechten, is er een risico dat er dubbele belasting ontstaat of de reeds bestaande dubbele heffing wordt vergroot. Om oneigenlijk gebruik van deze afspraak te voorkomen, streeft Nederland naar opname van antimisbruikmaatregelen en heeft dit ook met succes in de meeste belastingverdragen opgenomen. In het verdrag met Zambia zijn ook antimisbruikbepalingen opgenomen.
Zoals is neergelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 streeft Nederland naar een uitsluitende woonstaatheffing met betrekking tot deelnemingsdividenden, renten en royalty’s. De achtergrond van deze verdragsinzet voor zover het deelnemingsdividenden betreft is dat Nederland zo dubbele belasting op concernniveau wenst te voorkomen. Daarnaast kunnen (hoge) bronheffingen in het algemeen – zoals bronheffingen op dividenden, renten en royalty’s – een hindernis vormen voor buitenlandse investeringen, ook door mogelijke juridisch dubbele belastingheffing. Met ontwikkelingslanden1 is de Nederlandse inzet anders. Nederland is met ontwikkelingslanden bereid om in een bilateraal belastingverdrag hogere bronheffingspercentages af te spreken dan met andere landen, onder andere omdat het inhouden van bronheffingen voor ontwikkelingslanden een eenvoudige manier is om belastinginkomsten te genereren. Een bilateraal belastingverdrag is altijd het resultaat van onderhandelingen en bevat een evenwichtig compromis tussen beide landen over de verdeling van heffingsrechten.
Voor welke derde landen geldt dat winst die in Zambia wordt gemaakt beter via Nederlands uitgekeerd kan worden dan direct naar deze landen vanwege de verlaagde bronheffing?
Doordat in het verdrag met Zambia antimisbruikbepalingen zijn opgenomen, kunnen bedrijven niet willekeurig winst via Nederland uitkeren in plaats van direct naar een ander land. Voor zover de Nederlandse vennootschap wel recht heeft op verdragsvoordelen, is een vergelijking met andere landen relevant. Zambia kent een nationale bronbelasting van 20% (ten tijde van het sluiten van het verdrag 15%) op uitgekeerde winsten (dividenden). In het belastingverdrag tussen Nederland en Zambia is de volgende beperking afgesproken:
Zambia heeft in zijn verdragen vergelijkbare afspraken gemaakt met onder andere China, India, Duitsland, Finland, Italië, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. Met Japan heeft Zambia 0% bronheffing afgesproken voor dividenden (oftewel: uitsluitende woonstaatheffing). In Zambia gegenereerde winst kan daarom in beginsel met beperkte(re) of zonder belastingheffing (aan de bron) aan deze landen worden uitgekeerd.
Bent u van mening dat Zambia en eventuele andere landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten nadeel ondervinden van de afspraak om een verlaagde bronheffing toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Landen sluiten bilaterale belastingverdragen om economische relaties tussen landen te bevorderen en om administratieve samenwerking te verbeteren. Door belastingverdragen wordt dubbele belasting voorkomen en wordt belastingontwijking en -ontduiking voorkomen. In een verdrag worden de heffingsrechten verdeeld waardoor het risico op dubbele belasting sterk wordt tegengegaan. Hierdoor wordt een mogelijke drempel voor inwoners uit beide landen om economische activiteiten in het betreffende andere land te ontplooien weggenomen. Het verdrag zorgt ook voor rechtszekerheid voor de belastingplichtigen in beide landen.
Ik ben niet van mening dat landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten nadeel ondervinden van afgesproken beperkingen van heffingsrechten. Opmerking verdient dat Nederland met verdragspartners antimisbruikbepalingen wil afspreken, zodat beide landen instrumenten hebben om geen verdragsvoordelen (zoals een beperking van bronheffingen) toe te kennen in gevallen van oneigenlijk gebruik van deze belastingverdragen.
Klopt het dat de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over een belastingverdrag met Zambia was dat Zambia helemaal geen bronheffing zou mogen heffen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, waarom was dat de Nederlandse inzet?
Op basis van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020 streeft Nederland in onderhandelingen over bilaterale belastingverdragen naar een uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden, renten en royalty’s. Nederland is met ontwikkelingslanden bereid om in een bilateraal belastingverdrag hogere bronheffingspercentages af te spreken dan met andere landen, onder andere omdat het inhouden van bronheffingen voor ontwikkelingslanden een eenvoudige manier is om belastinginkomsten te genereren. Dit was ook het geval voor de onderhandelingen met Zambia.
De achtergrond voor het streven naar in beginsel een uitsluitende woonstaatheffing voor deelnemingsdividenden ligt van oudsher besloten in de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting om (economisch) dubbele belasting op concernniveau te voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat winst die al belast is met een winstbelasting nogmaals aan belasting wordt onderworpen als deze winst wordt uitgekeerd aan een ander lichaam binnen hetzelfde concern. Ook voor renten en royalty’s streeft Nederland in beginsel naar een uitsluitende woonstaatheffing, zodat deze inkomsten volledig belast kunnen worden in het woonland van de verstrekker van de lening of van degene die beschikt over de immateriële activa. Daarnaast wordt een bronheffing op renten en royalty’s vrijwel altijd geheven over de brutobetaling, terwijl in het woonland – voor het bepalen van de verschuldigde winstbelasting en de verrekening van de bronheffing op het niveau van de ontvanger van de betaling – het netto-inkomen in aanmerking wordt genomen. Hierdoor kan er in het woonland onvoldoende grondslag zijn om de bronheffingen volledig te verrekenen. Hoewel de kosten van de eventuele (resterende) dubbele belastingheffing in voorkomende gevallen worden doorberekend, zet dit de investeerder uit het buitenland op een achterstand ten opzichte van de investeerder uit de bronstaat zelf. Hierdoor kan een bronheffing op renten en royalty’s een belemmering opwerpen voor het internationale economische verkeer en het doen van investeringen.
Klopt het dat Nederland de grootste investeerder in Zambia is na het Verenigd Koninkrijk en China? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Nee, het klopt niet dat Nederland de grootste investeerder is in Zambia na het Verenigd Koninkrijk en China.
Vindt u het, alles afwegende, wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden afspreekt dat zij een verlaagde bronheffing moeten toepassen over geldstromen naar Nederland? Zo ja, kunt u toelichten waarom?
Ja ik vind het wenselijk dat Nederland in verdragen met ontwikkelingslanden een bepaald maximum voor bronheffingen afspreekt. Belastingverdragen hebben als doel om dubbele belasting weg te nemen en belastingontwijking- en ontduiking te voorkomen. Door een belastingverdrag worden heffingsrechten tussen landen verdeeld, waardoor het risico op dubbele belasting sterk wordt tegengegaan. Hierdoor wordt voor inwoners van beide landen rechtszekerheid geboden over het wegnemen van fiscale drempels om economische activiteiten te ontplooien tussen beide landen. Dit is eveneens het geval voor wat betreft de beperkingen van het heffingsrecht op uitgaande dividenden, interest en royalty’s. Beperkingen van bronheffingen op deze geldstromen hebben als doel economisch en juridisch dubbele belasting zoveel mogelijk te voorkomen. Omdat doorgaans geen (volledige) verrekening van de in het bronland ingehouden belasting kan plaatsvinden op het niveau van degene die het inkomen ontvangt, zorgt hogere bronheffing vaak voor (meer) dubbele belasting.
Bent u bereid in het vervolg tot een andere onderhandelingsinzet te komen en af te zien van afspraken die sterk nadelig uitpakken voor ontwikkelingslanden, zoals het toepassen van een verlaagde bronheffing?
Ik erken het belang dat ontwikkelingslanden onder verdragen voldoende heffingsrechten behouden. Het uitgangspunt is dan ook dat Nederland in relatie tot ontwikkelingslanden bereid is onder andere hogere bronheffingspercentages af te spreken dan in relatie tot andere landen. Deze inzet richting ontwikkelingslanden is verder verruimd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020. Nederland hanteert hiermee geen onderhandelingsinzet die sterk nadelig uitpakt voor ontwikkelingslanden. Daarom ben ik van mening dat het niet nodig is om de onderhandelingsinzet ten aanzien van verlaagde bronheffingen op dividenden, interest en royalty’s in relatie tot ontwikkelingslanden te herzien. Het onderhandelingsresultaat dient in zijn geheel te worden bezien.
Bent u zich ervan bewust dat de in het artikel omschreven ontwijkingsconstructie ook al beschreven is in het rapport Op weg naar acceptabele doorstroom (2021)? Hoe kan het dat deze constructie nog steeds bestaat, hoewel al jaren bekend is dat er sprake is van belastingontwijking op deze wijze?
Het rapport van de Commissie doorstroomvennootschappen (Op weg naar acceptabele doorstroom)2 constateerde op basis van gegevens uit 2019 dat er relatief veel doorstroom door Nederland plaatsvindt, en dat dit onwenselijk is. Het toenmalige kabinet onderschreef deze conclusie, en het huidige kabinet doet dat ook. Er zijn de afgelopen tijd veel goede maatregelen genomen in de aanpak van doorstroomvennootschappen. Een goed voorbeeld is de bronbelasting op renten en royalty’s naar laagbelastende landen die vanaf 2021 in werking is, en die vanaf 2024 ook voor dividenden geldt. Uit de meest recente cijfers van DNB blijkt dat het gewenste effect van de bronbelasting in de cijfers terug te zien is. Daaruit blijkt namelijk dat de financiële stroom naar laagbelastende landen is gedaald van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024. De gevolgen van het internationale en nationale beleid tegen internationale belastingontwijking komen ook tot uitdrukking in de cijfers over directe buitenlandse investeringen (dbi). Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directe buitenlandse investeringen ten opzichte van het bbp aanzienlijk gedaald. De aanpak van belastingontwijking is daar de vermoedelijke oorzaak van. In de recente monitoringsbrief over belastingontwijking heb ik dit nader toegelicht.3 Hoewel duidelijk dalende, blijft de voorraad van de dbi in Nederland wel relatief hoog ten opzichte van andere landen. Dit hoeft echter niet met belastingontwijking te maken te hebben. Doordat Nederland relatief veel internationale bedrijven heeft aangetrokken, bestaat een deel van de dbi bijvoorbeeld uit investeringen vanuit het buitenland in een reëel hoofdkantoor in Nederland dat vervolgens investeert in buitenlandse dochterondernemingen. Tot slot zullen sommige structuren die oorspronkelijk een belastingbesparing ten doel hadden, blijven bestaan, ondanks dat deze door de aanpak van belastingontwijking niet langer leiden tot een belastingbesparing.
Zoals de Commissie doorstroomvennootschappen al benoemde, geniet een internationale aanpak van doorstroomvennootschappen de voorkeur boven een nationale aanpak. Het kabinet onderschrijft dat er grenzen zijn aan wat unilateraal mogelijk is om belastingontwijking verder aan te pakken. Eenzijdige maatregelen kunnen ertoe leiden dat het probleem van internationale belastingontwijking zich alleen verplaatst. De Europese Commissie werkt aan het opstellen van een initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied4, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratieve samenwerking die in eind van de eerste helft van 2026 wordt gepubliceerd. Na publicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar uw Kamer versturen.
Hoe denkt u dat de antimisbruikbepaling in belastingverdragen belastingontwijking via Nederland tegen kan gaan?
In het belastingverdrag met Zambia is in het dividend-, interest- en royaltyartikel een zogenoemde «main purpose test» opgenomen. Op grond hiervan dient geen vermindering van bronbelasting te worden verleend als het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen van het aangaan van een transactie het verkrijgen van een verdragsvoordeel is. Door middel van deze antimisbruikbepaling wordt oneigenlijk gebruik van het belastingverdrag met Zambia tegengegaan.
Nederland biedt al zijn verdragspartners – ook Zambia – aan om in de belastingverdragen met Nederland een vergelijkbare antimisbruikbepaling op te nemen, de zogenaamde Principal Purposes Test (PPT). Via deze antimisbruikbepaling kunnen landen verdragsvoordelen (zoals een beperking van bronheffingen) weigeren in geval van oneigenlijk gebruik. Deze antimisbruikbepaling is onderdeel van het internationale BEPS-project tegen «Base Erosion and Profit Shifting». De PPT is daarom opgenomen in het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving, oftewel het «BEPS multilateraal instrument» (BEPS MLI) dat Nederland heeft geratificeerd. Via dit verdrag heeft Nederland aan verdragspartners voorgesteld om antimisbruikbepalingen door te laten werken in bestaande belastingverdragen. Dit BEPS MLI is in totaal door 107 landen ondertekend, maar nog niet door Zambia. Ik hoop dat Zambia – conform het voorstel van Nederland – de in het BEPS-project ontwikkelde antimisbruikbepalingen via het BEPS MLI zal laten doorwerken in het belastingverdrag tussen onze beide landen door ondertekening en ratificatie van het BEPS MLI.
Bent u zich ervan bewust dat voor ontwikkelingslanden vaak moeilijk te controleren is of sprake is van belastingontwijking? Klopt het dat Nederland daarom op basis van artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen andere landen kan waarschuwen over mogelijke belastingontwijking?
Ja, daar ben ik me van bewust. Onder meer door een gebrek aan contra-informatie is het voor belastingdiensten vaak lastig om te controleren of er sprake is van belastingontwijking. Beperkte capaciteit kan hierbij ook een belemmering vormen. 151 landen, waaronder Nederland, hebben het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken ondertekend.5 Op basis van dit verdrag kunnen landen op automatische wijze, op verzoek en spontaan inlichtingen uitwisselen die van belang zijn voor de belastingheffing. Ook nemen landen in hun bilaterale belastingverdragen doorgaans een artikel op, op basis waarvan de verdragspartners inlichtingen kunnen uitwisselen. Dit artikel is ook opgenomen in het belastingverdrag tussen Nederland en Zambia. Nederland verstrekt onder andere op basis van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en bilaterale belastingverdragen spontaan informatie aan een ander verdragsland waarvan het vermoeden bestaat dat die informatie relevant is voor de belastingheffing van het andere land. Richting Zambia maakt Nederland ook gebruik van de mogelijkheid tot spontane informatieverstrekking.
In het Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is onder meer bepaald dat zogeheten dienstverleningslichamen6 die niet voldoen aan de vereisten voor aanwezigheid (substance) in Nederland, Nederland uit eigen beweging informatie moet verstrekken.7 Nederland verstrekt die gegevens en inlichtingen vervolgens spontaan aan een ander land.
Gebeurt het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen volgens u op dit moment voldoende? Zo ja, hoe kan het dan dat nog steeds gebruik wordt gemaakt van constructies zoals beschreven in het genoemde artikel?
Ik ben van mening dat het verstrekken van inlichtingen aan andere landen over mogelijke belastingontwijking en misbruik van belastingverdragen op dit moment voldoende gebeurt. Informatie-uitwisseling gebeurt zowel automatisch, spontaan als op verzoek met andere landen. Het is aan het verdragsland dat het verdrag toepast om de voordelen van het verdrag te ontzeggen wanneer een antimisbruikbepaling in het verdrag van toepassing is. Een belastingdienst in het buitenland die twijfel heeft over de toepasselijkheid van het verdrag, kan in die gevallen dus ook vragen stellen aan Nederland. Indien de antimisbruikbepaling van toepassing is, kan een belastingplichtige geen gebruik maken van het desbetreffende voordeel in het belastingverdrag. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om spontaan informatie te verstrekken over Nederlandse brievenbusmaatschappijen waar dividenden doorheen doorstromen aan landen waarmee Nederland een belastingbedrag heeft gesloten, zoals Zambia?
In het belastingverdrag met Zambia bestaat de mogelijkheid om informatie, onder andere, op spontane basis uit te wisselen en Nederland maakt daar ook gebruik van. Zie hierover ook het antwoord op vraag 12. De Europese Commissie werkt op dit moment aan een hernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling van informatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van de huidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied8, op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwe voorstel onderdeel zijn van de bredere herziening van de Richtlijn administratieve samenwerking. Dit voorstel wordt eind van de eerste helft van 2026 gepubliceerd. Door internationaal afspraken te maken over de afbakening wordt het oneigenlijk gebruik van doorstroomvennootschappen op een integrale en uniforme wijze aangepakt. Bovendien voorkomt dit eventuele EU-rechtelijke risico’s van een unilaterale afbakening. Na publicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar de Kamer versturen. Zodra er een akkoord is over deze EU-richtlijn kan het volgend kabinet op basis daarvan overwegen of een unilaterale aanpassing in de informatie-uitwisseling met derde landen eveneens geboden is.
Het FD-artikel ‘Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarah El Boujdaini (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn en X?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder functionaliteiten ter beschikking hebben?
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden) lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële, of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van hun gebruikers krijgen?
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt. Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband» gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten, maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit 2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij «gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord 3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven. De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband» tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid. Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht. Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie. Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Zie antwoord vraag 6.