De berichtgeving over discriminatie bij de afdeling Handhaving van UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Dagblad en EenVandaag die wijst op discriminatie, racisme en etnisch profileren bij de afdeling Handhaving van UWV?
Deelt u de mening dat selecteren op «land van herkomst» en zwangerschap discriminatie is?
Sinds wanneer stonden de risicokenmerken «land van herkomst» en zwangerschap in de werkinstructie van de afdeling Handhaving en wanneer zijn deze definitief verwijderd?
Heeft u eerder signalen of klachten ontvangen over discriminatie in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard en omvang van deze signalen of klachten waren, welke maatregelen heeft u daarop getroffen, en in hoeverre deze naar tevredenheid van de melder waren?
Heeft u signalen of klachten ontvangen over discriminatie op andere gronden dan land van herkomst of zwangerschap in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving?
Deelt u de mening dat signalen van mogelijke discriminatie, zoals de uitkomst van de interne analyse van UWV, direct bij de Minister dienen te worden gemeld, ook als vervolgonderzoek nog plaatsvindt?
Welke afspraken gelden momenteel binnen de rijksoverheid voor de omgang met ambtelijke signalen van mogelijke discriminatie als gevolg van beleid en/of op de werkvloer?
Acht u deze afspraken voldoende, gelet op het feit dat de signalen u pas laat hebben bereikt en gelet op de stelling in de berichtgeving dat niets is gedaan met signalen over de werkcultuur?
Kunt u aangeven wanneer de maatregelen gericht op de werkcultuur bij de afdeling, zoals door u geschetst in uw Kamerbrief (2026D48782), wat u betreft voldoende effectief zijn? Welke doelen stelt u hierbij?
Welke maatregelen treft u om slachtoffers van discriminatie op de werkvloer van de afdeling te beschermen, daders aan te pakken en bewustwording te creëren?
Kunt u aangeven waarom aanvankelijk door UWV is gekozen voor een interne analyse na vermoedens van mogelijke discriminatie, in plaats van direct een onafhankelijk extern onderzoek?
Hoe beoordeelt u de stelling in het Algemeen Dagblad dat het KPMG-onderzoek niet primair gericht is op het onderzoeken van discriminatie, maar op verschillen in de werkwijze per kantoor?
Met welke onderzoeksvraag is het KPMG-onderzoek in januari 2026 van start gegaan? Was het onderzoeken van discriminatie daar expliciet onderdeel van?
Is de richting van het KPMG-onderzoek gaandeweg aangepast? Zo ja, waarom?
Heeft de afdeling Handhaving van UWV de discriminatietoets voor publieke dienstverlening gebruikt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u bereid de gehanteerde algoritmes en risicoprofielen van het UWV door te lichten op mogelijke (indirecte) discriminatie en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Maakt UWV gebruik van geautomatiseerde selecties van uitkeringsgerechtigden voor controles op fraude? Zo ja, worden historische gegevens, waaronder uitkomsten van oudere fraudecontroles, gebruikt om dergelijke systemen te trainen?
Is door de afdeling Handhaving overwogen om over te gaan tot aselecte controles? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Op basis van welke risicokenmerken worden de controles door de afdeling Handhaving op dit moment uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke maatregelen UWV heeft getroffen sinds het kinderopvangtoeslagenschandaal om discriminatie en etnisch profileren in de eigen dienstverlening te voorkomen en bestrijden?
Kunt u aangeven op welke manier UWV de uitspraak in de zaak aangespannen door Amnesty c.s. tegen de Staat1 heeft geïmplementeerd?
Kunt u aangeven of en op welke manier UWV het toetsingskader voor risicoprofielen, ontwikkeld door het College voor de Rechten van de Mens, heeft geïmplementeerd?
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen indien het onderzoeksresultaat wijst op discriminerend handelen?
Welke lessen neemt u in een eventuele hersteloperatie voor gedupeerden mee uit de handelwijze bij de hersteloperatie na discriminerende risicoprofilering bij DUO, waaronder de informatievoorziening aan burgers, dossierherbeoordeling en compensatie?
Het bericht ‘Discriminatie en racisme binnen afdeling handhaving bij UWV' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racisme en discriminatie bij afdeling handhaving UWV, nieuwe hoogste baas biedt excuses aan»?1
Hoeveel mensen met een migratieachtergrond hebben vanwege hun migratieachtergrond te maken gekregen met een strenger controleregime bij het UWV dan mensen zonder migratieachtergrond?
Bent u bereid de beslissingen binnen de afgelopen vijf jaar opnieuw te controleren om zo vast te kunnen stellen of mensen met een migratieachtergrond in bepaalde regio’s inderdaad te maken hebben gekregen met een strenger controleregime vanwege hun achtergrond en waar nodig beslissingen opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u pas na vragen van het Algemeen Dagblad (AD) over het onderzoek hoorde terwijl deze informatie al in januari bij uw ministerie bekend was? Zo ja, waarom zit hier zoveel tijd tussen?
Hoe ziet de tijdlijn tussen de start van het onderzoek en bekendmaking bij u eruit? Welke stappen werden wanneer gezet, en wie werd wanneer geïnformeerd?
Waarom is het advies om op basis van de uitkomsten van het eerdere interne onderzoek een nader specifiek onderzoek te doen naar mogelijk racisme en discriminatie bij het uitdelen van boetes eerder niet opgevolgd, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek al bijna een jaar op de plank liggen?
Welke stappen heeft u genomen toen u bekend werd met de uitkomsten van het interne onderzoek bij het UWV?
Klopt het dat er een extern onderzoek loopt naar het UWV? Klopt het dat er in dit onderzoek vooral gekeken wordt naar verschillen per kantoor van het UWV?
Welke andere aspecten binnen het UWV worden in dit externe onderzoek meegenomen?
Welke afdelingen binnen het UWV vallen onder dit externe onderzoek?
Worden de verschillen in het controleregime bij verschillende regio’s en eventuele racistische of discriminerende aspecten bij de controle ook meegenomen binnen dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Worden discriminerende en racistische uitingen bij de werving, selectie en het behoud van personeel ook meegenomen in dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Kunt u de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek verwachten?
Wat vindt u van het verhaal van Minke van den Berg bij EenVandaag? Wat vindt u ervan dat zij intern werd aangepakt toen ze de vermeende discriminatie aankaartte bij haar manager?
Welke maatregelen worden er binnen het UWV genomen om te voorkomen dat niet de melder, maar de dader in het vervolg wordt aangepakt?
Kunt u reflecteren op de in de media geschetste voorbeelden en daarbij in elk geval meenemen of u racisme en discriminatie binnen het UWV ziet als een probleem van individuen of als een cultureel en organisatie breed probleem binnen de werkorganisatie van het UWV?
Welke andere stappen neemt u om ervoor te zorgen dat racisme en discriminatie in de organisatie en bij handhaving direct worden aangepakt zolang het onderzoek loopt?
Welke stappen neemt het UWV tegen de in het artikel genoemde medewerkers die personeel bewust afwijzen gebaseerd op afkomst?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Kinderen die in Nederland moeten integreren en Nederlands moeten leren, geen Turks of Arabisch |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Vindt u het ook onbestaanbaar dat prinses Laurentien ouders in Nederland oproept om met hun kinderen de «taal van het hart» te spreken, waaronder Turks1, terwijl deze kinderen juist zo vroeg mogelijk de Nederlandse taal zouden moeten leren? Zo nee, waarom niet?
Waarom financiert de Nederlandse overheid het programma Taalschatten2, waarin het gebruik van de zogenoemde «taal van het hart» wordt aangemoedigd, terwijl prinses Laurentien daaronder expliciet ook niet-Nederlandse talen zoals het Turks verstaat, en waarom wordt dit belastinggeld niet volledig ingezet voor het zo vroeg mogelijk leren van de Nederlandse taal?
Hoeveel belastinggeld is de afgelopen vijf jaar besteed aan Taalschatten en andere projecten3 die het gebruik van Turks en Arabisch onder kinderen stimuleren?
Bent u bereid onmiddellijk te stoppen met het uitgeven van belastinggeld aan projecten die het spreken van Turks en Arabisch onder kinderen stimuleren en dit geld voortaan te besteden aan het leren van de Nederlandse taal? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat wanneer Turks of Arabisch werkelijk de «taal van je hart» is en je ervoor kiest je kinderen in die taal op te voeden, je beter in Turkije of een Arabisch land kunt wonen dan in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Opnieuw wordt een Leidse bewindvoerder ontslagen in alle zaken: 'Hij dacht makkelijk geld te kunnen verdienen'' |
|
Anouschka Biekman (D66) |
|
van Bruggen , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bewindvoerderskantoor in de regio Leiden door de kantonrechter in alle 146 zaken is ontslagen en dat dit het derde grootschalige ontslag van een bewindvoerderskantoor in die regio binnen een jaar is?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat kwetsbare gedupeerden in zulke onzekerheid worden gestort?
Hoe beoordeelt u dat de betrokken bestuurder in 2025 bij een eerder kantoor al in alle zaken was ontslagen, vervolgens een tweede kantoor kon blijven voeren en ruim een jaar later opnieuw in alle zaken is ontslagen?
Klopt het dat het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren geen grondslag biedt om een bestuurder te weigeren die eerder in alle zaken is ontslagen? Wordt naast de benoembaarheid van het kantoor gekeken naar de bestuurder, opdat ontslagen bestuurders niet zonder meer een nieuw kantoor kunnen oprichten? Zo nee, zou dit bijdragen aan het voorkomen van dergelijke casussen?
Klopt het dat in de brief van 16 april 2025 niet wordt ingegaan op het voorstel uit de initiatiefnota van voormalig Tweede Kamerlid Kat, dat een ontslagen bewindvoerder niet langer benoembaar is en dat er een openbaar register komt waarin schorsingen, waarschuwingen, ontslagen en de overige functies van een bewindvoerder zichtbaar zijn? Wat is uw standpunt hierover, mede gelet op het feit dat cliënten van het betrokken kantoor moesten terugvallen op een recensieplatform om elkaar te waarschuwen?2 3
Heeft het kantoor in 2024 en 2025 de jaarlijkse toets van het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM en de verplichte accountantscontrole doorlopen en zijn daarbij signalen naar voren gekomen, gelet op het feit dat volgens de kantonrechter de rekeningen en verantwoordingen van het kantoor structureel niet op tijd en incompleet werden ingediend? Hoe verhoudt dit zich tot de constatering in de beslisnota bij de brief van 16 april 2025 dat de accountantscontrole volgens het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM niet naar behoren werkt? Wat is de stand van zaken van de daarin aangekondigde verbetering van de accountantscontrole en de kwaliteitseisen?4
Welke mogelijkheden hebben cliënten en gemeenten om dubbel geïnde bedragen terug te vorderen en wie draagt het verlies als terugbetaling uitblijft? Hoe kijkt u in deze context aan tegen het voorstel in de bovengenoemde initiatiefnota van voormalig lid Kat rondom de aansprakelijkheidsprocedure?
Welke juridische belemmeringen bestaan er voor het vroegtijdig delen van klachten en meldingen met de gemeente en andere relevante partijen, gelet op het feit dat de gemeente Leiden aangeeft eerder op de hoogte gesteld te willen worden van klachten en meldingen bij de rechtbank? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen en de samenwerking tussen kantoren, gemeente en rechtbank verder kan worden bevorderd?
Hoe is het gesteld met de algemene beschikbaarheid van bewindvoerders, gelet op het feit dat na ontslag van een bewindvoerder een nieuwe bewindvoerder moet worden aangesteld? Heeft u signalen dat het op nationaal dan wel regionaal niveau het uitdagend kan zijn om bewindvoerders te vinden?
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie van de leden Van Kent en Kat over onderzoeken of er voor het toezicht op bewindvoerders toereikende financiering, capaciteit en middelen zijn?5
Gelet op het feit dat zowel het nu ontslagen kantoor als een eerder ontslagen kantoor in 2021 een overeenkomst tekende met de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude en Oegstgeest, ziet u mogelijkheden om de doeltreffendheid van kwaliteitsborgingsconvenanten verder te verbeteren, bijvoorbeeld door samenwerkingsafspraken landelijk uniformer vorm te geven?
Welke aanvullende stappen gaat u nemen of verkennen om de kwaliteit bij bewindvoerders beter te borgen?
Hoe kijkt u aan tegen de oproep van branchevereniging Aegis om strengere eisen te stellen aan het toelaten van bewindvoerders? Welke mogelijkheden ziet u bijvoorbeeld om praktijkervaring te vereisen bij een gevestigd bewindvoeringskantoor voordat een bewindvoerder zelfstandig aan de slag kan? Welke mogelijkheden ziet u in collegiaal toezicht, zodat niet alle druk van aanvullend toezicht bij rechtbanken wordt gelegd?6
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen van branchevereniging NVVK om de kwaliteit beter te borgen, bijvoorbeeld door een uniforme werkwijze van rechtbanken te bevorderen, het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM wettelijk beter uit te rusten en strenger te controlen op het vierogenprincipe?7
De brief aan de Tweede Kamer m.b.t. analyses van additionele koopkrachtinstrumenten (Kamerstuk 32043, nr. 710) |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de eerste twee doelstellingen die worden genoemd in het begin van de brief1, de laatste doelstelling kunnen versterken en welke afruilen er tussen de eerste twee doelstellingen en de laatste kunnen plaatsvinden?
Kunt u bevestigen dat het feit dat «de varianten in overleg met experts zijn vastgesteld» ook betekent dat deze experts de uitgangspunten en de conclusies hebben geaccordeerd?
Klopt het dat op pagina twee wordt geschreven over zeven randvoorwaarden, waarbij de vierde randvoorwaarde de koopkracht van de deelnemers betreft? Wordt met de deelnemers hier (ook) gepensioneerden bedoeld? Is de vierde randvoorwaarde niet de primaire doelstelling van het onderzoek, in plaats van één van de randvoorwaarden?
Het klopt toch dat in de resultatenanalyse op pagina twee staat dat de basisvariant reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel? Is deze conclusie ook onderbouwd? Indien ja, hoe?
Wat is volgens u precies het verschil tussen «meer perspectief» en «eerder perspectief», zoals in het pensioenakkoord en de memorie van toelichting op de Wet toekomst pensioenen (Wtp) gehanteerd wordt? En waarom wordt dit resultaat überhaupt vermeld, want het doel van het onderzoek was toch het verbeteren van de koopkracht in het nieuwe stelsel (meer perspectief), niet per se eerder ten opzichte van het oude stelsel (eerder perspectief)?
Op grond van welke criteria is geconcludeerd dat er geen eenduidige voorkeur kan worden uitgesproken voor één van de vier varianten?
Aangezien er wordt geschreven dat «een grotere ex ante herverdeling met andere generaties het risico heeft van hernieuwde generatie discussies», kan dus geconcludeerd worden dat u de mate van ex ante herverdeling bij de basisvariant maximaal passend vindt?
Kan meer ex ante herverdeling ook wenselijk zijn, als daar iets anders tegenover staat? Bijvoorbeeld het afstaan van rendement voor meer reële zekerheid?
Het klopt toch dat in een van de varianten het spreiden van resultaten via een spreidingsreserve niet meer nodig is en zelfs ongewenst is? Ziet u het kunnen laten vervallen van de spreidingsreserve ook als een voordeel voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid?
Het klopt toch dat uw voorganger in het debat van 21 november 2024 heeft gezegd dat hij met het nieuwe stelsel de koopkracht van ouderen op langere termijn daadwerkelijk wil veiligstellen en dat we iets bedacht hebben wat mensen koopkracht en zekerheid moet bieden voor de toekomst? Het klopt toch ook dat op pagina drie van de Kamerbrief staat dat het voor de hand ligt dat de pensioensector het initiatief neemt? Is het dan niet vreemd dat u, die stelselverantwoordelijk is, de regie en het initiatief uit handen geeft en niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor de verdere uitwerking? En geldt dat niet des te meer als die andere partij de komende jaren geen tijd heeft voor extra werkzaamheden en bovendien geen plan van aanpak, stappenplan en tijdslijn met u heeft afgestemd?
Het klopt toch ook dat vervolgens wordt gesteld dat «de Pensioenfederatie hierbij het initiatief neemt»? Waarom is hierbij gekozen voor de Pensioenfederatie? De Pensioenfederatie is toch immers geen uitvoerder?
In de Kamerbrief staat toch correct dat de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp? Wordt dan de evaluatie bedoeld, die gepland staat voor 2032? Betekent dit dat een eerste voorstel voor wetswijzigingen waarschijnlijk tot 2034 op zich zal laten wachten? Kunt u concreet aangeven welke planning u in gedachten heeft?
Bent u bereid om de belangrijkste koopkrachtvarianten nu samen met de groep van experts en betrokken partijen (o.a. Pensioenfederatie, Verbond van Verzekeraars en SZW), verder te analyseren en in de vorm van concrete voorstellen uit te werken in wetswijzigingen, zodat direct nadat het laatste fonds is ingevaren in 2028, er voldoende wettelijke mogelijkheden liggen om koopkrachtbehoud te realiseren? Deelt u onze visie, dat dit zorgt voor tijdige duidelijkheid voor sociale partners en dat het verdere vertraging voorkomt?
Het klopt toch dat in de brief wordt gesteld dat het nog een open vraag is hoe de communicatie kan plaatsvinden aan actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat er sprake is van een reële doelstelling? Bedoelt u hier een reële doelstelling of een reële garantie?
Het pensioenakkoord en de Wtp hadden toch een reële doelstelling, te weten eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen? Kunt u aangeven wat er mis is met een reële doelstelling in de uitkeringsfase voor pensioenfondsen?
Is de huidige pensioendoelstelling voor actieven (de vervangingsratio) niet ook een reële doelstelling?
Ziet u ook het belang van koopkrachtbehoud voor andere pensioenonderwerpen? En dan specifiek voor: De verdeling van de bestuurszetels en het afleggen van verantwoording over het behaalde resultaat door het bestuur aan deelnemers en gepensioneerden?
Het klopt toch dat in hoofdstuk twee van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten»2 staat: «Zo wordt van de afslag op het projectierendement weinig gebruik gemaakt omdat dit gepaard gaat met een lagere startuitkering.»? Als dit niet of nauwelijks gebruikt wordt, waarom wordt dit koopkrachtinstrument dan wel gebruikt als uniek verschil voor de tweede basisvariant?
Het is toch juist dat de meeste transitieplannen op het moment van schrijven al bekend waren en in al deze plannen een bescherming van de nominale uitkering is opgenomen? Hoe moeten wij dat beschouwen in relatie tot de opmerking dat: «De mogelijkheden binnen het huidige wettelijk kader zal in de praktijk door pensioenfondsen nader worden ingevuld, elk op hun eigen manier. Hoe deze invulling zal zijn zal duidelijk worden na de transitieperiode. Dit betekent dat in een vervolgstap nader zou moeten worden gekeken naar de invulling van het wettelijk kader zoals deze in de praktijk plaatsvindt. Zo is in de basisvarianten nu geen bescherming voor de nominale uitkering meegenomen».Waarom is hiervoor gekozen?
Het klopt toch dat in hoofdstuk drie van de bijlage staat dat«De eerste jaren is dit effect nog niet zo stabiel wegens de transitie en dat het model zich nog niet in een evenwichtstoestand bevindt.»? Het klopt toch eveneens dat in het rapport van DNB op pagina vijf staat «dat het koopkrachtverlies bepaald wordt in het 20ste jaar, omdat de simulaties van de vermogensverdeling dan enigszins gestabiliseerd zijn»? Is dit een modelmatig probleem of kunnen we dit in de praktijk ook verwachten? Klopt het dat dit probleem vooral wordt veroorzaakt door de spreidingsreserve? Betekent dit dat dit rapport niet geschikt is om de varianten die gebruik maken van spreiding te beoordelen voor de eerstkomende twintig jaar? Graag een toelichting op dit punt.
Op welke manier komt het volgende punt uit hoofdstuk vier van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten», terug in de verdere beoordeling? «Herverdeling hoeft niet per definitie slecht te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»
In de beschrijving van de basisvariant van hoofdstuk drie staat toch dat: «In de collectieve uitkeringsfase schokken dakpansgewijs binnen vijf jaar worden verwerkt.»? Waarom is hier niet conform de praktijk gekozen voor asymptotische spreiding?
In de beschrijving van de basisvariant met vaste afslag in hoofdstuk drie staat toch dat: «In de praktijk lijkt de vaste afslag nog weinig gebruikt te worden omdat in de afweging tussen lage startuitkering en koopkracht veel deelnemers een hogere startuitkering meer waarderen.»? Is er bewijs voor deze stelling? Of ligt de oorzaak misschien meer in het feit dat bij een afslag van 2% om dezelfde pensioendoelstelling (vervangingsratio) te halen de premie met ongeveer 40% omhoog moet?
In hoofdstuk 3.1 staat bij uitvoerbaarheid toch geschreven dat:«Aanspraken worden niet gewijzigd, maar uitkeringen wel omdat deze voor gepensioneerden afhankelijk worden van de reële rentetermijnstructuur»? Wordt hier met «aanspraken» de «pensioenvermogens» bedoeld? Betekent dit dat invoering van dit systeem na de transitie leidt tot verlaging van de pensioenuitkeringen met percentages oplopend tot ongeveer 40%?
Bij variant vijf staat toch in de omschrijving: «In deze variant wordt het beleggingsrisico zo gekozen dat in een mediaan scenario het beleggingsrisico gelijk is aan de verwachte inflatie»? Moet dat niet zijn: «In deze variant wordt de beleggingsmix zo gekozen dat in een mediaan scenario het verwachte overrendement iets groter is dan de verwachte inflatie»?
Kan aangegeven worden wat de grens is tussen «fors» en «niet fors» bij de analyse van variant vijf «Dit gaat gepaard met een forse ex-ante herverdeling van gepensioneerden naar actieven in vergelijking tot de basisvariant.»? Deze herverdeling van oud naar jong is de beloning die oud geeft voor de reële stabiliteit die ze krijgt. Het betreft dus een onderbouwde herverdeling. Waarom neemt u dit punt helemaal niet mee in uw analyse?
Bij variant vijf staat toch dat «Deze ex-ante herverdeling wordt verklaard door zowel de initiële vulling van de solidariteitsreserve (waar gepensioneerden in deze variant fors aan bijdragen) en dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming»? De initiële vulling van de solidariteitsreserve is echter toch gelijk aan die van de basisvariant? Dit stuk van de conclusie zou toch moeten worden aangepast?
Het klopt toch dat wordt geconcludeerd dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming? Dit is toch een vreemde conclusie? De gepensioneerden geven toch immers een vergoeding voor een aanzienlijk betere inflatiebescherming? Deze conclusie zou toch alleen getrokken kunnen worden indien aangetoond wordt dat deze vergoeding méér dan marktconform is? Dat wordt toch nergens onderzocht of aangetoond? Kunt u deze conclusie aanpassen?
Het klopt toch dat de volatiliteit van variant vijf het grootste is, maar dat gaat wel samen met een beter resultaat in het pessimistisch scenario en een aanzienlijk veel beter resultaat in het mediane scenario?
Deelt u de conclusie dat er niet veel koopkracht winst is te behalen in een pessimistisch scenario zonder ongewenste herverdeling? Deelt u de conclusie dat dit in de mediaan wel mogelijk en ook noodzakelijk is? Bent u het er mee eens dat de grotere volatiliteit hier geen nadeel is, maar een groot voordeel in lijn met de doelstelling van het onderzoek? Indien nee, waarom niet?
Bij variant vijf krijgen jongere deelnemers toch een beloning die naar verwachting groter is dan hun nadeel en ze profiteren later, net als gepensioneerden, ook van een koopkrachtiger en stabieler pensioen? Waarom zou deze variant dan niet eenvoudig uitlegbaar zijn aan jongeren?
40-jarige deelnemers krijgen toch volgens de tabel op pagina 31 van het rapport van DNB, zowel in de mediaan als in het pessimistisch scenario een hoger pensioen? Waarom zou dit lastig uitlegbaar zijn?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging staat dat:«Deze variant is complex met veel geldstromen van en naar de reserve»? Maar er zijn toch helemaal niet meer of minder geldstromen naar de solidariteitsreserve en er zijn geen geldstromen naar de spreidingsreserve? Dan zijn er toch per saldo minder geldstromen en deze variant is daarom toch ook minder complex? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging van variant vijf staat: «Daarmee moet nader worden bekeken of de variant nog in lijn is met lifecycle beleggen. Bij lifecycle beleggen wordt het beleggingsrisico over het algemeen voor oudere deelnemers verkleind»? Voor lifecycles wordt normaal gesproken gekeken naar enerzijds de uitkomst in de mediaan en anderzijds naar de uitkomst in het pessimistisch scenario, dus als beide uitkomsten beter zijn, wat is dan de aanleiding om te veronderstellen dat de lifecycles niet passend zouden zijn? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Bij de rechtvaardiging van variant vijf staat toch dat:«Het pensioencontract kan moeilijker uitlegbaar zijn bij een life-event zoals bij uitdiensttreding.»?Kunt u aangeven of dit ook speelt als de deelnemer kan kiezen voor waardeoverdracht?
Bij de uitvoerbaarheid van variant vijf staat toch dat: «Deze variant kan relatief ten opzichte van de basisvariant tot grotere herverdelingseffecten leiden»?In het rapport staat toch ook dat herverdelingseffecten gerechtvaardigd kunnen zijn? Kunt u aangeven welk deel van deze grotere herverdelingseffecten u gerechtvaardigd vindt en welk deel niet?
In het rapport staat toch ook dat «Bij de operationele uitvoerbaarheid staat niet vermeld dat deze variant eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komt te vervallen. Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Het klopt toch dat bij de operationele uitvoerbaarheid niet vermeld wordt dat variant vijf eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komen te vervallen? Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Kunt u, na op pagina één van de Kamerbrief «Additionele instrumenten koopkracht en koopkrachtambitie» te hebben aangegeven welke instrumenten er zijn om de inflatie beter te volgen, ook aangeven bij hoeveel pensioenfondsen de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve, een vaste afslag van het projectierendement en het directe beschermingsrendement met inflatie-gerelateerde beleggingsproducten ook daadwerkelijk gebruikt worden? Graag in aantallen per instrument.
Mochten bepaalde instrumenten niet of nauwelijks gebruikt worden, dan komt dat toch doordat de theoretische opzet van de Wtp niet voldoet aan de praktijk of doordat de eerste doelstelling van de Wtp niet gedeeld wordt door de sociale partners? Graag een uitgebreide toelichting op dit punt.
De Wereld Suïcide Preventie Week |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er elke dag gemiddeld vijf mensen in Nederland overlijden door zelfdoding, van wie gemiddeld de helft1 (ex-)werknemers?2
Op welke manier bevordert u het kabinetsbeleid inzake mentale gezondheid op het terrein van werk? Welke inzet pleegt u, als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangaande de Wet integrale suïcidepreventie? In hoeverre worden werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en preventiemedewerkers momenteel ondersteund bij het herkennen van signalen van suïcidaliteit en het voeren van het gesprek daarover? Acht u het bestaande aanbod voldoende?
In hoeverre maakt mentale gezondheid, met suïcidepreventie als onderdeel daarvan, al regulier onderdeel uit van goed werkgeverschap, bijvoorbeeld via gezondheids- en vitaliteitsbeleid en beleid gericht op duurzame inzetbaarheid? Bent u bereid hierover met de Sociaal-Economische Raad (SER) en de sociale partners in gesprek te gaan om meer aandacht te schenken aan suïcidepreventie en signalering op de werkvloer?
Zijn de economische gevolgen van uitval door psychische oorzaken uitgedrukt in euro’s en fte bekend?
Bent u bekend met het Jaarverslag 2025 van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin staat dat in 2024 twee slachtoffers door zelfdoding en één slachtoffer van een ongeval buiten de werksfeer als dodelijk arbeidsongeval zijn meegerekend, en dat zelfdodingen vanaf 2025 niet meer als arbeidsongeval worden aangemerkt, maar apart worden gerapporteerd?3 Kunt u aangeven waar en over wat er apart wordt gerapporteerd?
Worden deze gevallen, ook wanneer zij niet als arbeidsongeval worden aangemerkt, onderzocht op mogelijke arbeidsgerelateerde factoren of omstandigheden, zodat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor de preventie van zelfdoding?
Bent u bereid om in samenwerking met de Arbeidsinspectie, sociale partners en 113 Zelfmoordpreventie, de relatie tussen werk, arbeidsomstandigheden en suïcide nader in kaart te brengen, zodat beter kan worden vastgesteld welke arbeidsgerelateerde factoren een rol spelen en waar preventieve maatregelen het meest effectief kunnen worden ingezet?
Zijn er verklaringen voor de regionale verschillen in suïcidecijfers?4 Acht u nader onderzoek naar de oorzaken voor deze verschillen wenselijk? Welke regio's vragen volgens u nadere aandacht, gezien de opmerkelijke verschillen (ook ten aanzien van het regionale suïcidepercentage specifiek voor tieners5)?
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Buitenhof van zondag 30 augustus jongstleden waarin de burgemeester van Amsterdam de noodklok luidde over dakloosheid in de grote steden?
Hebt u er kennis van genomen dat ten minste Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Groningen en Almere nu de oproep van burgemeester Halsema hebben gesteund?
Wat is uw reactie op de constatering van de burgemeester van Amsterdam dat de leefbaarheid in de vier grote steden steeds verder onder druk komt te staan door de combinatie van toenemende dakloosheid, verloedering, crackgebruik en mensen met verward gedrag?
Kunt u reageren op de vaststelling van de burgemeester dat zij «al een aantal keer de noodklok richting Den Haag» heeft geluid, maar dat dit «te weinig beantwoord» wordt? Is het kabinet bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de burgemeesters van de vier grote steden om te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van dakloosheid en drugsoverlast? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de analyse van de burgemeester dat het Rijk medeverantwoordelijk is voor deze problematiek en dat er ook vanuit het Rijk «grote maatregelen» nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden er al genomen of bent u van plan te nemen?
In welke mate zijn wat u betreft werkgevers verantwoordelijk voor het feit dat arbeidsmigranten massaal op straat belanden? Wat bent u bereid hieraan te doen?
Hebt u kennisgenomen van de vorige maand aangekondigde maatregelen tegen dakloosheid van de Britse premier Burnham, waaronder nieuwe opvangmogelijkheden, praktische hulp voor mensen bij huisvesting, gezondheidszorg en andere behoeften, en een nationale top met verschillende actoren? Wat is het Nederlandse kabinet bereid te leren van deze aanpak?
Ziet het kabinet ook dat arbeidsmigranten een groot deel vormen van het aantal dakloze mensen (circa 1500 van de 3644 in beeld gebrachte dakloze mensen in Amsterdam)? Deelt het kabinet de constatering van de Amsterdamse burgemeester dat het toenemende aantal dakloze arbeidsmigranten samenhangt met gebrekkige huurbescherming, doordat arbeidsmigranten bij ontslag dakloos worden? Zo nee, waarom niet en waardoor komt dit dan wel volgens het kabinet?
Herinnert u zich het voorstel van eind vorig jaar om in de wet een nieuwe opzeggingsgrond op te nemen dat een werkgever de huurovereenkomst mag opzeggen indien de arbeidsrelatie is beëindigd? Kunt u reageren op de kritiek van de Amsterdamse burgemeester en tal van maatschappelijke organisaties (waaronder de Woonbond, Dakloosheid Voorbij!, Valente, het Leger des Heils en de FNV) dat deze maatregel, die in strijd is met de aanbevelingen van de commissie-Roemer, zal leiden tot meer dakloosheid onder arbeidsmigranten?
Is het kabinet het eens dat het toestaan van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten – zoals het kabinet momenteel voorstelt in het wetsvoorstel passende huurcontracten – het risico met zich meebrengt dat arbeidsmigranten sneller dakloos raken? En is het kabinet bereid om – mede naar aanleiding van de oproep van de burgemeester van Amsterdam – dit voorstel te herzien?
Op welke wijze is het kabinet voornemens om de problemen van dakloze arbeidsmigranten op te lossen? Is het kabinet bereid om de aanbevelingen van de commissie-Roemer uit te voeren, ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten dezelfde rechtspositie krijgen als andere werknemers, en de afhankelijkheid tussen arbeid en huisvesting te verminderen?
Is het kabinet bereid om de regeling waarmee werkgevers tot 25 procent van het minimumloon van arbeidsmigranten inhouden in ruil voor huisvesting alsnog zo snel mogelijk – zonder eerst het beperken van short stay af te wachten – af te bouwen, zoals was voorzien?
Wat is volgens u de relatie tussen de massale short stayhuisvesting van arbeidsmigranten en de toegenomen dakloosheid van arbeidsmigranten?
Heeft Amsterdam het kabinet gevraagd om als pilot containerwoningen te mogen plaatsen voor dakloze moeders en kinderen? Bent u bereid deze ruimte te bieden, en zo ja, op welke termijn kan hierover duidelijkheid komen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
De gezondheidszorg voor arbeidsmigranten |
|
Jimmy Dijk (SP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek rond de toegang tot gezondheidszorg van arbeidsmigranten, zoals onder andere geschetst door de artsenwerkgroep Arbeidsmigranten Veilig en Gezond?1
Hoeveel arbeidsmigranten zijn er op dit moment onverzekerd aan het werk in Nederland? Als u dit niet weet, welke stappen gaat u nemen om hier wel achter te komen?
Klopt het dat veel arbeidsmigranten een zorgverzekering krijgen aangeboden door het uitzendbureau waar ze in dienst zijn, maar dat deze regelmatig stopt zodra ze uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat dit voor veel problemen zorgt omdat arbeidsmigranten onverzekerd zijn zodra zij ziek uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat arbeidsmigranten die niet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) zich meestal niet kunnen inschrijven bij een huisarts en daardoor zijn overgeleverd aan de spoedeisende hulp? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Waarom is er geen opvolging gegeven aan het advies van de commissie Roemer om arbeidsmigranten die uit dienst treden de toegang tot zorg te laten behouden? Wat gaat u doen om dit advies alsnog uit te voeren?
Wat doet u, en vraagt u van uitzendbureaus, om arbeidsmigranten zo goed mogelijk te informeren over hun rechten en plichten rond de toegang tot gezondheidszorg?
Welke stappen neemt u om het informeren van arbeidsmigranten rond hun toegang tot gezondheidszorg te verbeteren? Wat vraagt u daarbij van uitzendbureaus?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat arbeidsmigranten de weg naar goede gezondheidszorg in Nederland zo weinig weten te vinden en onderweg zoveel hobbels tegenkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het kabinet dat het onnodig moeilijk wil maken om arme mensen in Nederland aan de bijstand te helpen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money «Kabinet wil het onnodig moeilijk maken om arme mensen aan bijstand te helpen1»?
Ja, het artikel is bekend en samen met de reactie van het Ministerie van SZW gepubliceerd. In de reactie heb ik aangegeven dat proactieve dienstverlening een goede manier is om mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben bij werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Ik heb bewust gekozen het wetsvoorstel eenvoudig te houden voor een snelle, eerste stap. Later kunnen we de mogelijkheden voor proactieve dienstverlening uitbreiden.
Wat vindt u ervan dat ongeveer 200.000 huishoudens in Nederland niet weten dat zij recht hebben op een algemene bijstandsuitkering?
Uit data-analyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)2 blijkt dat in december 2021 naar schatting 160.000 huishoudens potentieel recht hadden op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering omdat het eigen inkomen in die maand december onder het sociaal minimum lag. Ruim een derde van al deze potentiële niet-gebruikers (d.w.z. 58.000 huishoudens) had volgens de NLA ook in de voorgaande 12 maanden recht op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering maar deed daar geen beroep op.
Voor de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)3 en de Toeslagenwet (TW)4 zijn de schattingen over het niet-gebruik vergelijkbaar. Daarom zet het kabinet in op het tegengaan van het niet-gebruik met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.
Deelt u de mening dat mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben, ook in het geval zij daar zelf niet van op de hoogte zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat uitkeringen en voorzieningen toegankelijk zijn voor de mensen die het nodig hebben. Het voorkomt dat hun inkomen onder het sociaal minimum belandt. En het helpt hen naar werk, opleiding en meedoen in de samenleving.
«Als er door de Nederlandse overheid – lees: de Belastingdienst – iets te halen valt, dan kunnen gegevens moeiteloos worden gedeeld. Maar als de overheid iets moet brengen zoals een uitkering waar iemand recht op heeft, dan is informatie delen opeens erg ingewikkeld». Herkent u deze ervaring en begrijpt u dat dit door mensen zo wordt ervaren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat meer gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganisaties kan bijdragen aan een verbetering van de dienstverlening. Tegelijkertijd is het belangrijk dat uitvoeringsorganisaties zorgvuldig omgaan met gegevens van burgers. Hier is dus wel een goede wettelijke basis voor nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht staat in beginsel in de weg aan wat de Belastingdienst deelt voor niet-fiscale doeleinden. Gegevens die de Belastingdienst heeft voor de uitvoering van haar taken mogen niet zomaar gedeeld worden. Om de belastingwetgeving te kunnen uitvoeren beschikt de inspecteur – de Belastingdienst – over bevoegdheden om informatie (onder dwang) in te winnen. Dit brengt mee dat de inspecteur ertoe is gehouden om zorgvuldig met die fiscale gegevens om te gaan. Die asymmetrie dient juist ter bescherming van burgers en bedrijven, en complementeert het systeem van heffing en inning. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of de gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld.
Kiest u er bewust voor mensen die hier recht op hebben, niet aan een bijstandsuitkering te helpen? Zo ja, waarom? Zo nee, leg uit waarom niet.
Integendeel, het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW zet in op het bereiken van mensen die recht hebben op ondersteuning, maar daarvan nog geen gebruikmaken.
In welke mate heeft uw antwoord op de vorige vraag te maken met het mensbeeld dat elk individu zelf verantwoordelijk is om op de hoogte te zijn van alle regelingen waar iemand potentieel recht op heeft?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW is gebaseerd op onderzoek naar de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen die ondersteuning nodig hebben.5 Die oorzaken worden verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Proactieve dienstverlening richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen.
Bent u het met de SP eens dat juist de proactieve benadering maakt dat de kloof tussen overheid en burger wat verder gedicht kan worden? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Bijvoorbeeld het onderzoek «Burgerperspectief proactieve dienstverlening» laat zien dat respondenten positief staan tegenover het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen door de overheid. Wanneer de overheid de burger de hand reikt en tegemoetkomt, bevordert dit een gevoel van vertrouwen. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.6
Deelt u de mening dat óók de Belastingdienst de relevantie informatie moet delen met de gemeenten om de wet Proactieve Dienstverlening goed te laten functioneren? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet in op betere uitwisseling van gegevens om de dienstverlening te verbeteren. Voor fiscale gegevens is het daarnaast van belang dat deze niet zomaar gebruikt en gedeeld mogen worden vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4. De Belastingdienst staat positief tegenover de verlening van medewerking aan proactieve dienstverlening, mits goed geregeld en indien verder is voldaan aan hetgeen wat verder onder vraag 4 is vermeld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten wel de benodigde informatie krijgen zodat zij mensen die recht hebben op verschillende vormen van bijstand en inkomensondersteuning wel proactief kunnen benaderen?
Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW geven gemeenten nieuwe mogelijkheden om inwoners te bereiken die mogelijk recht hebben op uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand. Mede afhankelijk van het verloop van de Kamerbehandeling kunnen die mogelijkheden worden uitgebreid.7 Zo kan aan dit wetsvoorstel een deugdelijke juridische grondslag worden toegevoegd voor gegevens van de Belastingdienst met een aanvulling op het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW.
De Nederlandse overheid bespaart op dit moment naar schatting 1 miljard euro vanwege het niet uitkeren van de algemene bijstandsuitkering. Waar gebruikt het kabinet dit geld voor? Kunt u dit specifiek uiteenzetten?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen zijn er daarom niet.
Welk belang weegt volgens u zwaarder, dat van fiscale geheimhouding of bestaanszekerheid? Leg uit waarom u dit vindt.
Fiscale geheimhouding en bestaanszekerheid sluiten elkaar niet uit. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, en daarnaast of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld. Meer in het algemeen: zowel eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bestaanszekerheid zijn grondrechten en worden niet tegen elkaar afgewogen.
Door het niet mogelijk maken van het delen van informatie door de Belastingdienst aan de gemeenten, wordt zeer sterk de indruk gewekt dat u liever niet heeft dat mensen de bijstandsuitkering aanvragen. Erkent u dit? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw argumentatie om Nederlanders ervan te overtuigen dat hier geen sprake van is?
Voor nu is gekozen voor eenvoud, zodat mensen snel geholpen kunnen worden. Uitbreiding in de toekomst is mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Afgelopen week diende ik tevens schriftelijke vragen in naar aanleiding van de verborgen datakluis met 64 miljoen dossiers. Ook in dit dossier houdt de Belastingdienst structureel relevante informatie achter. Wat maakt dat de Belastingdienst zoveel transparantie eist van haar burgers en dit zelf niet doet als dit onwelgevallig uit lijkt te komen?
Voor gedetailleerde informatie over de datakluis verwijst de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane naar de Kamerbrief van 15 april 2026 over het onderwerp8 en naar de antwoorden op de genoemde schriftelijke vragen.9 Dit staat los van de fiscale geheimhouding en van de fiscale informatieverplichtingen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De grote verschillen binnen en tussen gemeenten als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Mensen die bijstand aanvragen worden ongelijk behandeld» van Binnenlands Bestuur op 6 juli 2026?1
Ja.
Deelt u de mening dat grote verschillen in de behandeling van bijstandsaanvragen binnen dezelfde gemeente en tussen gemeenten onwenselijk zijn?
Gemeenten zijn in medebewind verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en in dat kader verantwoordelijk voor de vormgeving van de aanvraagprocedure om het recht op bijstand vast te stellen. In de wet is daarbij ruimte voor de menselijke maat en om uit te gaan van wat iemand nodig heeft. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat mensen die daar recht op hebben kunnen rekenen op een bepaald niveau van ondersteuning en dat ze zekerheid over hun inkomen hebben. Het is aan de gemeenteraad om hierop toe te zien.
Met de wetswijzigingen van spoor 1 van het programma Participatiewet in balans wordt de uitvoering door gemeenten op bepaalde punten meer geharmoniseerd en is op andere punten meer ruimte gecreëerd voor het toepassen van de menselijke maat. Zo mogen op individuele basis gemeenten afzien van de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar in een kwetsbare situatie. Ook is er sprake van een verkorte aanvraagprocedure voor herintreders in de bijstand en voor alle aanvragers een eenvoudigere aanvraag. De genoemde wijzigingen gelden vanaf 1 januari 2026 en helpen de aanvraagprocedure meer te harmoniseren tussen gemeenten.
Welke instructies krijgen ambtenaren van gemeenten om hun taken betreffende de behandeling van bijstandsaanvragen uit te voeren en hun bevoegdheden en beleidsvrijheid correct in te zetten? Hoe houdt u zicht op de kwaliteit, onderlinge gelijkenissen, en op de eenduidigheid?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet. SZW heeft een faciliterende rol in het ondersteunen van de uitvoering door gemeenten. Bij de wijzigingen van Participatiewet in balans is voor een aantal onderdelen een duidelijker kader neergezet voor gemeenten waarin de bewegingsruimte explicieter is gemaakt.
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van de uitvoering, en worden daarbij ondersteund door onder meer de VNG en Divosa. SZW houdt geen toezicht op de uitvoering van individuele gemeenten. Dat is aan de gemeenteraad.
Welke verbeteringen denkt u dat er in de bestaande gemeentelijke instructies betreffende het behandelen van de aanvragen mogelijk zijn? Welke rol ziet u hierbij voor de nationale overheid?
Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de werkinstructies aan hun medewerkers. Deze zijn en worden aangepast op basis van de wijzigingen van de Participatiewet in balans. Deze wijzigingen zijn deels al ingegaan en een deel gaat in per 1 januari 2027. In 2028 wordt een invoeringstoets uitgevoerd, waaruit eventuele knelpunten naar voren kunnen komen. Mocht uit de invoeringstoets blijken dat er knelpunten zijn in de uitvoering van de wijzigingen van de Participatiewet, dan zal ik daar met gemeenten het gesprek over aangaan. De Kamer wordt hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn er vanuit de nationale overheid op dit moment initiatieven of beleid om gemeenten kennis en ervaringen met elkaar te laten delen?
Naast de leeragenda en de andere activiteiten die in het kader van het programma Participatiewet in balans zijn uitgevoerd met ondersteuning van SZW zijn er verschillende initiatieven waarin wordt gewerkt aan kennisdeling. Op basis van de leeragenda heeft de VNG dit jaar handelingsperspectieven gepubliceerd voor en door gemeenten op het gebied van handhaving, domeinoverstijgend werken en sturen op vakmanschap. Beroepsvereniging SAM werkt samen met hogescholen en private opleiders aan een kwalificerende beroepsopleiding op hbo-niveau. Divosa heeft bovendien een werkatelier voor gemeenten georganiseerd over de maatwerkondersteuning van jongeren. Dit werkatelier organiseerde zij in het verlengde van de handreiking over ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie2. De lessen uit deze handreiking kunnen breder worden ingezet dan enkel voor jongeren.
Wat gaat u doen met het signaal er bij ambtenaren van gemeenten te weinig kennis is over hun handelingsruimte binnen de Participatiewet? Welke mogelijkheden ziet u hier voor digitale kennisoverdracht, zoals bijvoorbeeld een chatbot die alle relevante en actuele SZW-regelgeving en kennisdocumenten kan inlezen en doorzoeken, en ambtenaren van op hun verzoek van eenduidige correcte kennis en advies kan voorzien?
Het kabinet neemt het signaal mee dat kennis over de handelingsruimte binnen de Participatiewet niet overal in gelijke mate aanwezig is. Tegelijkertijd ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het op peil houden van de vakkennis en deskundigheid bij gemeenten als uitvoerders van de Participatiewet. Zij zijn verantwoordelijk voor het opleiden en ondersteunen van hun medewerkers. In hoeverre daarbij gebruik wordt gemaakt van chatbots e.d. is aan gemeenten.
Vanuit de systeemverantwoordelijkheid ondersteunt het Rijk de gemeenten door te zorgen voor duidelijke wet- en regelgeving, handreikingen, toelichtingen en kennisproducten. Daarnaast werken we samen met verschillende partijen zoals de VNG en Divosa om kenniswisseling en de eenduidige uitvoering te bevorderen. Daarnaast wil ik wijzen op meerdere digitale databanken met alle relevante en actuele wet- en regelgeving, inclusief jurisprudentie, die beschikbaar is op nationaal niveau3 4.
Wat gaat u doen met het signaal dat er te weinig tijd en ruimte is om genoeg persoonlijke aandacht te besteden aan de individuele bijstandsaanvrager waardoor maatwerk soms tekortschiet?
Met de recente wetswijzigingen uit Participatiewet in balans komt er meer ruimte voor maatwerk door gemeenten. Ook is het streven om de uitvoering eenvoudiger te maken. Een deel van de maatregelen is geïmplementeerd per januari 2026, de overige maatregelen volgen vanaf januari 2027. Het resultaat van die wetswijzigingen, maar ook van eerdergenoemde handreikingen wordt dus nog zichtbaar. De gemeenten hebben immers tijd nodig om de veranderingen door te voeren. De eerste signalen zullen bij de invoeringstoets in 2028 actief worden opgehaald. In de tussentijd sta ik open voor signalen vanuit de uitvoering en de doelgroep.
Komt u met een kabinetsreactie op het rapport «(On)benutte ruimte in de bijstand» van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin u aangeeft welke stappen u zet op basis van het rapport?
Het kabinet heeft op het rapport gereageerd in de verzamelbrief Participatiewet van 3 juli 20265, waarmee het rapport aan de Kamer is aangeboden. In de beantwoording van de vragen 2 tot en met 7 is al genoemd welke activiteiten momenteel lopen en hoe de uitvoering ondersteund wordt. Een verdere kabinetsreactie is niet voorzien.
Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
Het artikel uit de Volkskrant: ‘Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1050 euro’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Volkskrant: «Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1.050 euro»?1
Ja.
Deelt u de mening dat in Nederland de bestaanszekerheid van mensen niet postcode-afhankelijk mag zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja waarom wel?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat mensen kunnen rondkomen ongeacht hun postcode. In de voortgangsbrief over de hervormingsagenda inkomensondersteuning die op 9 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden, is toegelicht dat het kabinet streeft naar een toereikend en toegankelijk stelsel voor het sociaal minimum dat naadloos aansluit op alle andere regelingen in de sociale zekerheid.
De individuele Inkomenstoeslag kan tussen gemeenten honderden euro’s per maand per persoon schelen. Is dit volgens u acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat zou volgens u wel een acceptabel verschil zijn?
Het is een bewuste keuze geweest om gemeenten binnen de kaders van de wet ruimte te geven voor een eigen invulling van hun minimabeleid. Het is daarmee onvermijdelijk dat verschillen optreden tussen gemeenten. Deze verschillen zitten zowel in de verschillende regelingen die gemeenten aanbieden als in de voorwaarden die aan deze regelingen verbonden zijn. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker.
Omdat de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uitmaakt van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid is het niet wenselijk om uitspraken te doen over acceptabele verschillen tussen gemeenten op basis van één regeling, zonder het bredere minimabeleid te kennen waarin de verschillen tot stand zijn gekomen. Zo wordt in het artikel gesproken over de gemeente Amsterdam die een lage Individuele Inkomenstoeslag toekent, maar bijvoorbeeld een uitgebreide Stadspas kent en de gemeente Diemen die een hoge Individuele Inkomenstoeslag verstrekt, maar geen Stadspas heeft.
Bent u het eens met de voorzitter van de Commissie Sociaal Minimum dat minima gelijk behandeld moeten worden, ongeacht hun woonplaats? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals is aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat er een basisniveau komt van aanvullende gemeentelijke regelingen. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn hierbij niet wenselijk. Bij het vormgeven van het basisniveau wil het kabinet wel nadrukkelijk oog houden voor gemeentelijke beleidsvrijheid en de mogelijkheden voor maatwerk op lokaal niveau.
Waarom heeft u sinds het advies van deze Commissie drie jaar geleden, nog geen concrete stappen gezet hierop?
Het kabinet heeft in de afgelopen periode stappen gezet om het gemeentelijk armoedebeleid te verbeteren en te vereenvoudigen, in lijn met de aanbevelingen van de commissie Sociaal Minimum. In de eerste voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die de Minister van SZW op 10 maart jl. aan uw Kamer heeft aangeboden, is beschreven welke stappen in de afgelopen periode zijn gezet om te komen tot beter en eenvoudiger armoedebeleid. Zo heeft Divosa op verzoek van de VNG een verkenning gedaan om te komen tot toegankelijker en effectiever gemeentelijk armoedebeleid, heeft SZW in een ambtelijke exercitie verkend welke regelingen beter landelijk kunnen worden uitgevoerd of worden geharmoniseerd en hebben Nibud en KWIZ een analyse gemaakt van de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid. Deze verkenningen worden betrokken bij de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om te komen tot vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Met de VNG wordt gesproken over verbetering en vereenvoudiging van het armoedebeleid, inclusief de lokale basisdienstverlening. De intentie is om hierover bestuurlijke afspraken te maken.
Bent u het met de SP en de onderzoekers van het Instituut voor Publieke Economie eens dat deze inkomenstoeslag landelijk en uniform verstrekt zou moeten worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. Een landelijke en uniforme verstrekking van de individuele inkomenstoeslag past echter op dit moment niet bij de ruimte die gemeenten hebben bij de invulling van hun minimabeleid.
De Individuele Inkomenstoeslag vormt bij uitstek het instrument om op individueel niveau iets te betekenen voor mensen die langdurig niet kunnen werken. Dit zijn vaak mensen zonder of met een beperkt arbeidsvermogen. Zij zijn niet in staat om een inkomen te verdienen waarmee zij onafhankelijk worden van de bijstand en hebben daarmee geen perspectief op een betere situatie.2 Ik ben aan het onderzoeken hoe ik deze groep mensen binnen de kaders van de Participatiewet tegemoet kan komen in de inkomensondersteuning. Ik verken of en op welke wijze de Individuele Inkomenstoeslag daarbij een passende rol kan spelen.
Deelt u ook de mening dat de duur voordat de inkomenstoeslag toegekend wordt, die tevens enorm kan verschillen per gemeente, overal gelijk zou moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoe kan het volgens u dat de verschillen tussen gemeenten dermate groot kunnen zijn terwijl de duur en laagte van het inkomensniveau van mensen hetzelfde zijn? Heeft dit volgens u te maken met de onvoldoende middelen en geld die sommige gemeenten hebben om meer of eerder inkomenstoeslag toe te kennen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de eerdere antwoorden ook is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Gemeenten worden niet apart gefinancierd voor de Individuele Inkomenstoeslag. Ze worden via het gemeentefonds gefinancierd voor een breed takenpakket en ze kunnen daarbinnen keuzes maken over hoe ze de beschikbare middelen willen inzetten. Ook kan een gemeente ervoor kiezen om eigen middelen in te zetten voor het beleid dat ze voert.
Bent u het met de SP en de onderzoekers eens dat deze grote verschillen tussen gemeenten het vertrouwen in de overheid schaadt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn niet wenselijk. Ook is het niet wenselijk dat het ondersteunende stelsel erg ingewikkeld is waardoor mensen niet weten waar ze aan toe zijn. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Deelt u de mening dat inwoners van gemeenten die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag, automatisch benaderd moeten worden door de betreffende gemeente dat zij hier recht op hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bij de wetsbehandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans is een amendement van de leden Lahlah en Van Kent aangenomen dat ambtshalve toekenning van de Individuele Inkomenstoeslag mogelijk maakt. Dit onderdeel treedt op 1 januari 2027 in werking. Dit betekent dat gemeenten, als alle benodigde gegevens aanwezig zijn, de toeslag kunnen verstrekken zonder dat er een aanvraag nodig is. Dit helpt om het niet-gebruik van de Individuele Inkomenstoeslag terug te dringen.
Welke concrete maatregelen gaat u binnen de komende drie maanden nemen om de verschillen tussen gemeenten te verkleinen en het recht op inkomensondersteuning voor mensen met een laag inkomen te verbeteren?
In de Kamerbrief over de voortgang van de hervormingsagenda inkomensondersteuning van 9 juli jl. is aangegeven welke stappen het kabinet wil zetten om te komen tot vereenvoudiging van het stelsel van inkomensondersteuning. Hierbij is onder meer het wetsvoorstel proactieve dienstverlening van belang dat bijdraagt aan het tegengaan van niet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen. Het kabinet kijkt uit naar de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.
Daarnaast gaat het kabinet, mede op basis van de eerdergenoemde verkenningen, in gesprek met VNG en Divosa om invulling te geven aan het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Inzet is om te komen tot bestuurlijke afspraken over het vereenvoudigen en verbeteren van het gemeentelijk armoedebeleid. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden (eind 2026) zal het kabinet nader ingaan op de stand van zaken.
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Ja, op dit moment is het beeld dat er in veel gevallen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de benodigde huisvesting voor arbeidsmigranten bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, zoals distributiecentra.
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Het is niet precies bekend welk deel van de extra werkgelegenheid die voortkomt uit nieuwe distributiecentra wordt ingevuld door arbeidsmigranten. CBS-data laten wel zien dat ongeveer een kwart van de arbeidsmigranten uit de EU in de sector handel, vervoer en horeca werkzaam is2, en dat ruim een derde van de arbeidsmigranten die in de uitzendsector werken te werk gesteld wordt in de logistieke sector.3
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers. Uit gesprekken die onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voert met gemeenten ontstaat het beeld dat sommige gemeenten de handreiking effectrapportage toepassen om inzicht te krijgen in de effecten op de huisvestingsbehoefte, maar dat dit nog niet structureel in de werkwijze van alle gemeenten is verankerd. Ik heb doorlopend contact met de VNG om de ontwikkelingen op dit gebied bij gemeenten te monitoren.
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Gemeenten maken afwegingen rondom distributiecentra op basis van de lokale situatie. Ik vind het belangrijk dat zij hierbij structureel aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten en ondernemers zouden hierover samen het gesprek moeten voeren en tot oplossingen moeten komen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages wil zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn, voordat extra werknemers worden aangetrokken. Dit beleidsvoornemen wordt op dit moment uitgewerkt. Het kabinet zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ook hulpmiddelen van de VNG kunnen ondersteunen bij dit gesprek, bijvoorbeeld de handreiking «Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid». Deze handreiking is in mei 2024 ontwikkeld door de VNG in samenwerking met verschillende ministeries in navolging van een van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. De handreiking kan gemeenten helpen om zo vroeg mogelijk zicht te hebben op de gebruiker van een locatie, de werkgelegenheidseffecten en daaraan gekoppelde effecten op huisvesting. De VNG stimuleert gemeenten om deze handreiking te gebruiken, maar heeft geen zicht op welke gemeenten deze handreiking daadwerkelijk toepassen. Het is voorstelbaar dat de implementatie van een dergelijke nieuwe werkwijze tijd kost. De VNG werkt op dit moment aan de doorontwikkeling van deze handreiking naar een bredere werkwijze voor wonen en werken voor gemeenten. Ook ondersteunen zij de komende periode een aantal gemeenten intensiever bij het tot stand komen van integraal beleid en uitvoering omtrent arbeidsmigratie, waar de implementatie van de handreiking effectrapportage onderdeel van is.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven zal het kabinet uw Kamer in het najaar informeren over het beleidsvoornemen uit het coalitieakkoord dat ervoor moet zorgen dat met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages de huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid beter op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken. Hierbij zal ook worden gereageerd op de aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak.
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel passende huurcontracten is op 2 juli jl. in internetconsultatie gebracht. Partijen hebben tot en met 28 augustus de tijd om op het voorstel te reageren. Voorgesteld wordt de uitzondering voor korte-duur-verhuur (short-stay) te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten (en andere huurders) een passende huurovereenkomst met huur(prijs)bescherming krijgen als zij ergens langer dan 30 nachten verblijven. Onderdeel van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat arbeidsmigranten een tijdelijk huurcontract kunnen krijgen en dat er bij huisvesting op het eigen terrein van de werkgever een doelgroepencontract kan worden afgegeven. In beide gevallen is er sprake van huur(prijs)bescherming, maar geldt er een einddatum of mogelijkheid tot beëindiging, aansluitend bij de vaak tijdelijke situatie van arbeidsmigranten.
In een toekomstige situatie waarin de Wet passende huurcontracten van kracht is, betekent dit dat arbeidsmigranten die in genoemde accommodaties voor een periode langer dan 30 nachten verblijven, huur(prijs)bescherming hebben. Gemeenten zien op basis van de Wet goed verhuurderschap toe op het naleven van de huur(prijs)bescherming. De publiekrechtelijke functie van een gebouw of locatie heeft geen invloed op de huurbescherming. Het wetsvoorstel verandert dan ook niets aan de publiekrechtelijke functie van een locatie; het is aan de gemeente om in het omgevingsplan te bepalen of op een locatie huisvesting is toegestaan.
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Ja
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben. Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.2
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Voorkomen is beter dan genezen. Ik streef naar preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen. In 100 gemeenten worden lokale netwerken rond vindplaatsen ontwikkeld of verstevigd. Doel is om geldzorgen te signaleren en door te verwijzen naar laagdrempelige hulp. De pilot Gezond met geld van SchuldHulpmaatje ondersteunt de doorverwijzing van huisarts naar vrijwillige schuldhulp. Ook wordt in samenwerking met andere departementen gewerkt aan overheidsbrede dienstverlening en een landelijk dekkend netwerk van sociaaljuridische en laagdrempelige financiële dienstverlening.4
Ook richt ik mij op de groeiende groep werkenden met geldzorgen. Via een gerichte werkgeversaanpak streef ik naar vroege bereikbaarheid en passende ondersteuning. Ik creëer bewustzijn bij werkgevers over hun signaleringsrol en bij werknemers over financiële fitheid. Een voorbeeld hiervan is de pilot bij de Rijksschoonmaakorganisatie waarbij werkenden met geldzorgen naar de juiste hulp worden verwezen en het niet-gebruik van regelingen wordt tegengegaan.5
Bij (problematische) schulden waar mensen niet uit eigen kracht uitkomen, moet adequate en snelle hulpverlening beschikbaar zijn. Ik neem maatregelen om mensen met schulden eerder bij de hulpverlening in beeld te brengen. Zo zet ik mij in om vroegsignalering doeltreffender te maken door diverse verbetermaatregelen door te voeren met als doel om het bereik van vroegsignalering te verdubbelen en het aantal onterechte signalen te halveren. Ik verwacht hierover op korte termijn bestuurlijke afspraken te kunnen maken met betrokken partijen, waaronder de VNG, NVVK en vastelastenpartijen.
Ook binnen de basisdienstverlening schuldhulpverlening is er aandacht voor doorverwijzing door een derde, zoals vrijwilligers en hulpverleners naar de gemeentelijke schuldhulpverlening. We brengen in kaart welke privacy-belemmeringen door potentiële verwijzers worden ervaren en hoe deze kunnen worden opgelost. Dit wordt opgenomen in het actieplan van de basisdienstverlening.6 Ook wordt een landelijke pauzeknop met centraal aanmeldpunt voor de schuldhulpverlening ontwikkeld. Deze moedigt mensen met schulden aan eerder hulp te zoeken. Door het versturen van de kennisgeving worden schuldeisers verzocht om de schulden te pauzeren.
In de komende voortgangsrapportage bij het Nationaal programma Armoede en schulden zal ik ingaan op de aangenomen motie Hamstra c.s. over de mogelijkheden voor banken om klanten door te verwijzen.7
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Ik heb een onderzoek laten uitvoeren naar de praktische mogelijkheden om betaalmomenten in de inkomensondersteuning samen te voegen tot één betaaldag, met aansluiting op incasso’s van vaste lasten. Dit vergroot de grip op het inkomen voor mensen. Momenteel ben ik in gesprek met relevante ketenpartners om de voor- en nadelen van deze maatregel op een rij te zetten. Kort na het zomerreces ontvangt u de uitkomsten van dit onderzoek, voorzien van een kabinetsreactie waarin ik de vervolgstappen uiteenzet.
Naast een veelheid aan betaalmomenten, kan ook de hoogte van het inkomen voor mensen onvoorspelbaar zijn. Samen met de Staatssecretaris van Financiën werk ik aan meer inkomenszekerheid vanuit de inkomensondersteuning. In het zesde spoor van de Voortgangsbrief Routekaart Hervormingsagenda8 ga ik in op hoe we de voorspelbaarheid van het inkomen kunnen vergroten, door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen. Recent heeft ook de Staatssecretaris van Financiën in een verkenning uiteengezet hoe het kabinet werkt aan een zeker en actueel toeslagenstelsel.9
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Ik deel het belang van het terugdringen van het niet-gebruik van inkomensondersteuning. De Wet proactieve dienstverlening kan hieraan bijdragen en zal waarschijnlijk ook helpen bij de bestaande mogelijkheden voor ambtshalve toekenning, bijvoorbeeld bij de recent door de Kamer aangenomen wijziging van de Participatiewet om de individuele inkomenstoeslag automatisch toe te kennen (het gewijzigde artikel 36 van de Participatiewet).
Zoals aangegeven in de routekaart voor de hervormingsagenda inkomensondersteuning is het kabinet bereid om op middellange termijn te verkennen waar automatische toekenning mogelijk en wenselijk is en zal hierbij de aanvaarde motie Hamstra over het in kaart brengen wat er precies nodig is voor het automatisch uitkeren van inkomensondersteuning betrekken.10 Het is van belang om hierbij te realiseren dat niet alle uitkeringen en voorzieningen zich lenen voor automatische toekenning, omdat bij uitkeringen ook verplichtingen kunnen horen (zoals de verplichting om te solliciteren en participeren).
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Ik onderschrijf het belang dat mensen, ook als zij geldzorgen hebben, kunnen deelnemen aan het sociale leven. Veel gemeenten bieden voor mensen met een laag inkomen via het lokale minimabeleid voorzieningen aan (bijvoorbeeld in de vorm van een stadspas) die bijdragen aan maatschappelijke participatie. Veel gemeenten bieden ook dergelijke ondersteuning, al dan niet in natura, voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. In aanvulling hierop geeft het kabinet als onderdeel van het Nationaal Programma Armoede en Schulden financiële ondersteuning aan het samenwerkingsverband «Sam& voor alle kinderen» die voorzieningen verstrekken waardoor kinderen kunnen meedoen met onder andere schoolactiviteiten, de sportvereniging of muziekles ondanks de financiële situatie van het gezin.
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Koop-nu-betaal-later-diensten en creditcards worden gereguleerd met de implementatiewet herziening richtlijn consumentenkrediet, zoals op 2 april jl. aangeboden aan uw Kamer.11 Onderdeel van het wetsvoorstel is de verplichting om voorafgaand aan elke vorm van kredietovereenkomst de kredietwaardigheid te beoordelen, onder meer door het raadplegen van het Bureau Krediet Registratie (BKR).
Als een aanbieder van krediet problemen signaleert, zal hij op basis van de voorschriften uit de implementatiewet in het geval van financiële problemen bij de consument ook actie moeten ondernemen om verdere problemen te voorkomen, door bijvoorbeeld contact op te nemen met de consument en/of respijtmaatregelen aan te bieden. Zo verplicht de implementatiewet de aanbieder om de consument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten, zoals de gemeentelijke schuldhulpverlening. In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en de consument doorverwijst naar de gemeente waarin de consument woont. Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op te nemen met de schuldhulpverlening voor hulp. Daarnaast dient de aanbieder in het geval van achterstallige betaling een redelijke mate van respijt te bieden aan de consument, bijvoorbeeld een met een gehele of gedeeltelijke herfinanciering van de kredietovereenkomst, een wijziging van de bestaande voorwaarden van de kredietovereenkomst of uitstel van betaling voor de volledige of een deel van de aflossing van krediettermijnen gedurende een bepaalde periode.
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het Nibud rapport doet onderzoek naar hoe mensen hun financiële situatie ervaren. Hoe mensen hun financiële situatie ervaren hangt samen met verschillende ontwikkelingen en dus niet alleen of iemands koopkracht op papier is verbeterd of verslechterd. Het Nibud geeft in het rapport zelf aan dat meer mensen zich zorgen maken over hun financiële situatie door maatschappelijke ontwikkelingen en geopolitieke spanningen. Daarnaast is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen.
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Ja. Ik ben het hierover eens met de FNV.
De Arbeidsinspectie heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar hittestress. In deze verkenning wijst de Arbeidsinspectie erop dat artikel 6.1 van het Arbobesluit alleen de factor temperatuur benoemt en niet ingaat op factoren als luchtvochtigheid, luchtverplaatsing en straling. Dit kan ertoe leiden dat bij werkgevers andere relevante (bron)maatregelen niet of minder snel in beeld komen. In de reactie hierop in de Verzamelbrief van 18 juni 20242 wordt dit bevestigd. Het gaat hier om onderliggende factoren die beïnvloeden wat het effect is van de temperatuur op de werkplek op de gezondheid. Een werkgever moet deze factoren wel in beschouwing nemen. De regelgeving zal daarom op dit punt worden verduidelijkt, door in artikel 6.1 op te nemen dat werkgevers bij het nemen van (bron)maatregelen ook rekening moeten houden met factoren als de luchttemperatuur, de luchtvochtigheid, de stralingstemperatuur en de luchtsnelheid. Hieraan wordt momenteel gewerkt.
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie voerde in 2023 een verkenning uit naar hittestress. Deze verkenning was op basis van 28 inspecties in risicosectoren. Het onderzoek geeft als indicatief beeld dat werkgevers en werknemers zich grotendeels bewust zijn van de negatieve gevolgen van werken onder hoge buitentemperaturen en van de blootstelling aan Uv-straling. Ongeveer twee derde van de werkgevers geeft aan beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of een hitteprotocol, met maatregelen als drinkpauzes en tropenroosters. Wel ontbreekt het soms aan kennis om het risico op hittestress goed vast te stellen of is er sprake van een verouderde of onvolledige Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
Arbo in Bedrijf 2024–20253 kijkt breder naar alle bedrijven, dus niet alleen naar risicosectoren. Daarin wordt geconstateerd dat het risico «werken in warme omstandigheden» buiten bij 10 procent van de bedrijven aanwezig is en binnen bij 13%. Bij 16% van de bedrijven waar het risico aanwezig is, is dit niet adequaat beheerst. Als het risico aanwezig is, hebben werkgevers in 95% van de gevallen wel één of meer maatregelen getroffen, waarvan 49% aan de bron, 53% technisch, 72% organisatorisch en 67% persoonlijk.
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Op grond van de Arbowet moeten werkgevers zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Daarbij mag de temperatuur op de werkplek niet nadelig zijn voor de gezondheid van de werknemer. Het is niet voorgeschreven dat werkgevers een hitteplan moeten hebben. Als hitte of kou een risico is in het bedrijf, moeten werkgevers dit opnemen in de RI&E en in het plan van aanpak aangeven welke maatregelen ze gaan nemen. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de tips en adviezen op het Arboportaal. Andere nuttige bronnen van tips en informatie zijn bijvoorbeeld de website van Volandis, het kennis- en adviescentrum voor de bouw en infrasector; het SER-dossier werken bij hitte, de FNV Werkklimaat app en de CNV weerverlet app. Verder kunnen sectoren de aanpak van hittestress opnemen in hun Arbocatalogi of afspraken opnemen in een cao. Uit de verkenning van de Arbeidsinspectie in 2023 in een beperkt aantal bedrijven in risicosectoren, komt dat ongeveer twee-derde van de werkgevers aangeeft beleid of afspraken te hebben, meestal in de vorm van een hitteplan of hitteprotocol.
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
De Arbeidsinspectie krijg regelmatig meldingen over werkzaamheden in de hitte. In 2025 waren dat ca. 150 meldingen. Eind juni 2026 heeft de Arbeidsinspectie al meer meldingen ontvangen dan in heel 2025.
Bij een melding over werken bij hitte, stelt de Arbeidsinspectie extra vragen om te kunnen beoordelen of er een kans op hittestress is door een te hoge temperatuur in combinatie met de aard van de werkzaamheden. Met behulp van een objectief weeginstrument gaat de Inspectie na of er een verhoogde kans is op gezondheidsschade. Daarbij kijkt de Inspectie naar drie factoren: of er gezondheidsklachten zijn; of het gaat om risicovolle werkzaamheden en of er risicogroepen werkzaam zijn. Bij een kans op hittestress met een verhoogde kans op gezondheidsschade neemt een inspecteur de melding in behandeling. In het onderzoek wordt beoordeeld of de getroffen maatregelen doeltreffend zijn en of de risico-inventarisatie voldoende aandacht besteedt aan dit onderwerp en aan risicogroepen.
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Als de temperatuur in een bedrijf een risico vormt voor de gezondheid van de werknemers, moeten werkgevers dit risico opnemen in de RI&E. In het plan van aanpak geven ze dan aan welke maatregelen ze gaan nemen. Als met andere (bron)maatregelen het risico niet voldoende kan worden weggenomen, kan de werkgever het werk volledig stilleggen. Dit kan al worden bereikt op basis van de huidige wetgeving. Deze is daarvoor dus al toereikend. De ervaring bij de hittegolf van eind juni 2026 laat zien dat diverse werkgevers hiervoor hebben gekozen, als dat in hun bedrijf een optie was. Bedrijven gingen dicht, winkels sloten eerder of helemaal, bezorgtijden werden aangepast en er werd gewerkt volgens tropenroosters. Wel zal, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, de regelgeving worden verduidelijkt. Het doel hiervan is dat werkgevers bij het bepalen van maatregelen ook rekening houden met onderliggende factoren die van invloed zijn op het effect op de gezondheid van de temperatuur op de werkplek, zoals de impact van een hoge luchtvochtigheid.
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, zal de regelgeving worden verduidelijkt zodat duidelijker is welke factoren in beschouwing moeten worden genomen bij het bepalen van maatregelen. Daarnaast zal ik het tweede lid van artikel 6.1 van het Arbobesluit intrekken. Dit lid is strijdig met de arbeidshygiënische strategie uit artikel 3 van de Arbowet. Het lid noemt als eerst te nemen maatregelen het bieden van persoonlijke beschermingsmiddelen aan werknemers. Pas daarna worden andere maatregelen, hoger in de arbeidshygiënische strategie, genoemd. Ook dit is een verduidelijking; werkgevers kunnen niet gelijktijdig aan beide regels voldoen.
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Ik ben daar geen voorstander van. Werkgevers moeten op grond van de Arbowet rekening houden met de specifieke omstandigheden. Dat bereik je niet met zo’n norm. Verder heeft de Gezondheidsraad in 2011 een Briefadvies over hittestress uitgebracht.4 Daarin geeft de Raad aan dat een gezondheidskundige grenswaarde in de vorm van een lichaamskerntemperatuur op individueel niveau niet mogelijk is. Daarvoor fluctueert de lichaamskerntemperatuur binnen een persoon en tussen personen te veel. Bovendien is inwendige vaststelling van de lichaamskerntemperatuur in het rectum, de slokdarm en het maagdarmstelsel te prefereren boven metingen onder de tong, in de oksel of in het oor. Maar inwendige metingen zijn lastig, gevoelig voor de inname van koude of warme dranken en gaan gepaard met ongemak voor de werknemer. Inwendig vaststellen is overigens ook in strijd met artikel 11 van de Grondwet, het recht op de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit terrein niet voor normen of grenswaarden. Er zijn geen normen die voor iedere persoon en voor elke situatie gelden. De invloed van temperatuur op het lichaam verschilt onder meer door luchtvochtigheid, zonnekracht, wind, kleding, de zwaarte van het werk, de gezondheid. Dit is niet te vertalen in een algemene norm, die in alle gevallen geldt. Er zijn diverse landen die wel zo’n systeem hanteren. Daarbij gaat het veelal om systemen die over een enkele situatie gaan zoals buiten werken, of er zijn complexe systemen met meerdere normen. Als sprake is van een hoge hitte moeten werkgevers en werknemers er samen voor zorgen dat er gezond en veilig kan worden gewerkt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Het opstellen van het overzicht waar om wordt gevraagd is onderdeel van het onderzoekstraject dat SZW en UWV ingaan met de betrokken beroepsgroepen. Het doel van het onderzoekstraject is om, in samenwerking met professionals zoals verzekeringsartsen, sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdeskundigen en eventueel proces- of re-integratiebegeleiders, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de sociaal-medische dienstverlening.
De inzet is om het onderzoekstraject direct na de zomer 2026 op te starten. Het traject start met een inventariserend basisonderzoek. De resultaten van dit basisonderzoek moet in Q4 2026 worden opgeleverd.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Ja dat kan. Het vaststellen van het recht, de hoogte en de duur van een uitkering is een multidisciplinair proces. Binnen dit proces werken verschillende professionals samen.
Het doel van het onderzoekstraject (zoals ook omschreven in het antwoord op vraag 1) is om in samenwerking met professionals, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Daarbij wordt in beeld gebracht welke taken nu in de praktijk door welke professional worden uitgevoerd én welke taken binnen de huidige wet- en regelgeving door welke professional mogen worden uitgevoerd. Vanuit die basis onderzoeken we naar welke situatie we willen groeien en wat hiervoor nodig is.
In het kader van de kwaliteit van de beoordeling is het essentieel om helder vast te leggen waar de (eind)verantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt, met bijzondere aandacht voor het borgen van de verantwoordelijkheden van de betrokken professionals. Ten aanzien van de sociaal-medische beoordeling wordt onderzocht welke taken zijn voorbehouden aan de arts en welke taken door andere professionals kunnen worden uitgevoerd. Dit onderscheid maakt onderdeel uit van het onderzoekstraject.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Per wet zal het gehele beoordelingsproces in beeld worden gebracht, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welke specifieke taken door welke professional worden uitgevoerd. Dit is onderdeel van het onderzoekstraject.
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Alle taken in het proces van de sociaal-medische beoordeling en dienstverlening worden in het onderzoekstraject geduid, waarna moet worden bepaald welke professional welke taken in de toekomstige situatie mag verrichten. Dit moet vervolgens een plaats krijgen in wet- en regelgeving. Naast de wet WIA bepalen ook het schattingsbesluit, jurisprudentie, professionele handreikingen en beroepsrichtlijnen welke taken wel of niet door andere professionals kunnen worden uitgevoerd.
Voor de dienstverlening in de Ziektewet geldt dat er nu al mogelijkheden zijn binnen de huidige wet- en regelgeving om andere professionals, zoals de sociaal-medische verpleegkundige, zelfstandiger in te zetten. Het werken met taakdelegatie is nu voor de verzekerarts nog steeds op vrijwillige basis en wordt op verschillende manieren uitgevoerd. UWV zet in de dienstverlening van de Ziektewet daarom reeds stappen richting verzelfstandiging van de sociaal-medisch verpleegkundige en werkt daarbij toe naar een meer uniforme uitvoering, binnen de huidige wet- en regelgeving. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn een duidelijke taakafbakening, borging van de voor de taken benodigde competenties, passende opleiding en scholing, heldere professionele kaders, goede werkafspraken, juridische borging en een structurele verankering in processen, protocollen en de HRM-inrichting.
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
De uiteindelijke verdeling van taken en bevoegdheden moet uiteindelijk een plaats krijgen in wet- en regelgeving, professionele richtlijnen, opleidingen, protocollen en de werkprocessen binnen UWV. Wet- en regelgeving wordt vastgesteld door de Tweede Kamer, de richtlijnen worden ontwikkeld door de professionals, en de protocollen en werkinstructies door UWV in samenwerking met de professionals.
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Van oudsher zijn alleen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige opgenomen in de wetgeving omtrent de WIA. In het onderzoekstraject wordt onderzocht welke professional welke taken mag uitvoeren onder welke bevoegdheid. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien of, en op welke wijze, wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Dit moet in de loop van het onderzoekstraject duidelijk worden. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd over informeren. De mate van productiviteit is ook afhankelijk van andere factoren waar nu al hard aan wordt gewerkt binnen UWV. Ik verwijs hiervoor naar de kamerbrief
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?