De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Het bericht ‘Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen’ |
|
Bente Becker (VVD), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze groep wordt weggenomen?
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale verminking?
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke genitale verminking?
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes tegen vrouwelijke genitale verminking?
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker op 22 mei 2025?
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Het bericht 'Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt twintig jaar cel in Hongkong' |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving dat de Hongkongse autoriteiten democratie-activist Jimmy Lai hebben veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, hetgeen, gelet op zijn leeftijd, in de praktijk kan neerkomen op een feitelijk levenslange straf?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een veroordeling op basis van het vermeende «collusion with foreign forces» geen grond heeft in de werkelijkheid en in belangrijke mate lijkt te zijn gericht op het neutraliseren van de pro-democratische oppositie in Hongkong? Zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze arbitraire veroordeling aan te kaarten bij uw Chinese ambtgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat uitvoering van de Nationale Veiligheidswet een negatief effect heeft op het democratisch proces en de rechtsstaat in Hongkong. De rechtszaak tegen Jimmy Lai maakt onderdeel uit van een bredere campagne van beperking van vrijheid van meningsuiting in Hongkong.
Onze serieuze zorgen over de veroordeling van de heer Lai en de hoge opgelegde strafmaat zijn in diplomatieke contacten overgebracht aan de Chinese autoriteiten. Daarbij is gewezen op het feit dat dit vonnis haaks staat op de verantwoordelijkheden die de Hongkongse autoriteiten hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bent u bereid om in contacten met Chinese ambtgenoten het lot van Jimmy Lai en dat van de honderden andere politieke gevangenen in Hongkong structureel en expliciet aan de orde te blijven stellen? Zo ja, bent u bereid om in publieke (online) verslaglegging of via sociale media te refereren aan de inhoud van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Hongkong wordt op verschillende niveaus in gesprekken met Chinese gesprekspartners opgebracht, zowel bilateraal en in EU-verband als in multilaterale fora. Als het mogelijk is om de inhoud van deze gesprekken te delen, dan zal ik dat doen, maar daarbij merk ik op dat veel van deze gesprekken een vertrouwelijk, diplomatiek karakter hebben. Publieke verslaglegging daarvan, al dan niet via sociale media, is niet altijd mogelijk, omdat het de vertrouwelijkheid kan schaden en niet bijdraagt aan een openhartige uitwisseling van standpunten.
Bent u bereid om verontwaardiging over deze arbitraire veroordeling publiek kenbaar te maken door nationaal of in multilateraal verband een veroordelend statement uit te brengen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland samen met EU -en gelijkgestemde landen verschillende keren zorgen uitgesproken over de voortgaande beperkingen van de persvrijheid in Hongkong en de onderdrukking van lokale media, waaronder de gedwongen sluiting van de krant Apple Daily en de arrestatie van eigenaar Jimmy Lai. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf via sociale media een verklaring af op de dag dat de strafmaat bekend werd gemaakt. Daarin betreurde EDEO de hoge strafmaat, kwalificeerde de Dienst de rechtszaak tegen hem als politiek gemotiveerd en riep hij op tot vrijlating van de heer Lai. Nederland heeft deze verklaring ondersteund.
Welke concrete acties onderneemt Nederland momenteel om de persvrijheid in China en de regio te beschermen en te bevorderen, en welke ruimte ziet u om deze inzet verder te versterken of op te schalen?
Vrijheid van meningsuiting online en offline is een van de prioriteiten binnen ons Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daardoor wereldwijd in voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van persvrijheid. Dit doen we concreet, ook met betrekking tot China en Azië, door onze steun te verlenen aan cross-regionale verklaringen en coalities, zoals de Media Freedom Coalition (MFC) en de Freedom Online Coalition (FOC). Daarnaast investeert Nederland 20 miljoen euro in de veiligheid van journalisten en mediawerkers via het centrale Mensenrechtenfondskader via het Safety for Voices programma (2023–2027). Vanuit het gedelegeerde Mensenrechtenfonds worden via ambassades projecten en evenementen georganiseerd ter bevordering van persvrijheid en veiligheid voor journalisten. Nederland blijft doorlopend samen met partners kijken hoe deze inzet, ook in China en Azië, nog meer effect kan sorteren. Vanwege de veiligheid van partners ter plekke kan het kabinet niet in detail treden over welke organisaties Nederland exact steunt.
Acht u deze veroordeling van invloed op het investeringsklimaat en de rechtszekerheid in Hongkong, en wordt dit betrokken bij het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van China en Hongkong?
Het kabinet is van mening dat handhaving van de rechtsstaat en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, belangrijke factoren vormen voor een aantrekkelijk investeringsklimaat. Bedrijven nemen dergelijke factoren in overweging bij het uitvoeren van hun investeringsplannen. De veroordeling van Jimmy Lai kan in die zin van invloed zijn op het vertrouwen in het investeringsklimaat in Hongkong. Nederland en de Europese Unie benadrukken in gesprekken met de autoriteiten van China en Hongkong de cruciale rol die rechtszekerheid speelt bij het aantrekken van investeringen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Israël: Artsen zonder Grenzen moet 28 februari uit Gaza weg zijn' |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Artsen zonder Grenzen Gaza moet verlaten, omdat Israël nieuwe eisen stelt aan humanitaire organisaties, waaronder het aanleveren van persoonsgegevens van medewerkers?1
Ja.
Bent u het eens dat het vertrek van Artsen zonder Grenzen uit Gaza desastreuze gevolgen kan hebben voor de medische situatie in de Gazastrook, gezien het feit dat de organisatie een aanzienlijk deel van de medische zorg, geboortezorg en de levering van schoon drinkwater verzorgt in een reeds zwaar getroffen gezondheidsstelsel?
Het kabinet maakt zich zorgen over het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren. Professionele hulporganisaties, waaronder internationale ngo’s, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN-agentschappen, leveren cruciale humanitaire hulp in de Gazastrook. Artsen zonder Grenzen speelt bijvoorbeeld evident een belangrijke rol in de humanitaire en medische respons in Gaza. Het kabinet steunt deze organisaties volledig.
Heeft u, gezien het doelgericht aanvallen van hulpverleners in eerdere fasen van deze oorlog, begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om persoonsgegevens van lokale staf niet te delen met Israëlische autoriteiten, en acht u dit besluit gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet?
We hebben begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om de gegevens niet te delen. Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Erkent u dat deze arbitraire vereisten van Israël bijdragen aan verdere ontwrichting van de al ernstig afgeknepen humanitaire hulpverlening in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, naast de Israëlische herregistratieplicht, waaronder de beperkte opening van grensovergangen en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, waaronder onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om internationale ngo’s de toegang te ontzeggen niet als de juiste weg voorwaarts. Israël heeft daarbij de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen en de levering van deze goederen door derden niet te belemmeren.
Het Israëlische constitutionele hof deed op 27 februari jl. een voorlopige uitspraak in de zaak die was aangespannen door 17 van de getroffen internationale ngo’s. Het hof heeft besloten dat de 17 petitiepartijen niet mogen worden geweigerd uit de Palestijnse Gebieden tot het hof hier een definitieve uitspraak over heeft gedaan. De voorlopige voorziening heeft echter geen impact op reeds bestaande beperkingen voor hulporganisaties. Daarmee neemt het de zorgen over deze kwestie – en over humanitaire toegang tot de Palestijnse gebieden in den brede – niet weg.
Heeft u deze arbitraire vereisten en de gevolgen daarvan al bij uw Israëlische collega’s bekritiseerd? Zo ja, wat was hun reactie en welke concrete toezeggingen zijn daarbij gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de zorgen over de herregistratieplicht afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten aangekaart.
Zo nam voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Van Weel op 31 december jl. telefonisch contact op met zijn Israëlische collega toen bekend werd dat Israël had besloten om 37 internationale ngo’s de toegang te ontzeggen. Voormalig Minister-President Schoof riep de Israëlische president Herzog medio februari op de herregistratiewet niet te implementeren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie bovendien aangekaart bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 25 februari jl.
Bent u bereid om in EU-verband en andere internationale fora te pleiten voor aanvullende diplomatieke druk om deze maatregelen ongedaan te maken en humanitaire toegang tot Gaza te herstellen? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich in EU- en multilateraal verband inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse Gebieden, zoals ook is gebeurd tijdens de Europese Raad van december vorig jaar. Tevens heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. zorgen uitgesproken over de implementatie van de ngo-registratiewetgeving en opgeroepen tot een gecoördineerd EU-optreden.
Welke concrete diplomatieke actie onderneemt de regering richting Israël om humanitaire toegang voor Nederlandse hulporganisaties te herstellen en om blijvende druk uit te oefenen ten behoeve van de algemene humanitaire voorzieningen in Gaza?
Nederland benadrukt richting Israël dat het de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde toegang moet verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden en dringt erop aan dat Israël de herregistratieplicht, in de vorm die door Israël nu wordt beoogd, van tafel haalt. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inspannen. Daarbij onderstreept Nederland dat door de maatregelen ook vertrouwde, onafhankelijke en professionele partners van Nederland worden geraakt. Het kabinet steunt het werk van de Nederlandse ngo’s onvoorwaardelijk. Het kabinet verzoekt de Israëlische autoriteiten om het gesprek met de betreffende hulporganisaties aan te gaan. Nederland onderhoudt voorts nauw contact met partnerorganisaties en met gelijkgestemde landen over mogelijke handelingsopties. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 24 februari jl. met directeuren van diverse Nederlandse hulporganisaties op het kantoor van UNICEF NL over de herregistratieplicht.
De brief ' Stand van Zaken Aanpak Schaduwvloot' |
|
Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Tieman , David van Weel (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat, gelet op de snel veranderende veiligheidssituatie, lopende vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen via de schaduwvloot, de in de brief genoemde urgentie zich niet verhoudt tot het voorgenomen tijdpad tot de zomer voor het indienen van aanvullende wetgeving?1
De door u aangehaalde veiligheidssituatie, vredesonderhandelingen en de voortdurende financiering van de Russische oorlogsinspanningen vereisen grote urgentie voor het maken van wetgeving. Het voorbereiden van wetgeving vraagt echter tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben. Nederland blijft in de tussentijd op alle mogelijke manieren werken aan de aanpak van de schaduwvloot.
Betekent dit tijdpad dat daadwerkelijke inspectie, aanhouding of het dwingen tot uitwijken van schepen die onder een valse vlag varen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ) in de praktijk pas mogelijk zal zijn na inwerkingtreding van deze wetgeving?
Het kabinet kijkt naar manieren om zo snel mogelijk actie te kunnen ondernemen tegen de schaduwvloot en zal uw kamer hierover in de nabije toekomst nader informeren.
Ook bestaat de mogelijkheid u in een technische briefing nader te informeren.
Betekent dit tevens dat het handelingsperspectief ten aanzien van vermoedelijk vals gevlagde schepen zich tot die tijd beperkt tot het benaderen van schepen en het registreren daarvan in systemen als SafeSeaNet en Thetis?
Zie antwoord vraag 2.
Kan actievere fysieke handhaving van vals gevlagde schepen plaatsvinden zonder inwerkingtreding van aanvullende nationale wetgeving? Zo ja, op welke termijn verwacht u hiermee aan te kunnen vangen? Zo nee, waarin schiet de huidige juridische ruimte precies tekort?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het aangekondigde wetgevingsproces worden versneld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1. Het voorbereiden van wetgeving vraagt tijd. Zorgvuldigheid is een vereiste en het kabinet stelt alles in het werk zo snel mogelijk wetgeving gereed te hebben.
Waarin verschilt de Nederlandse opvatting hierover van die van bijvoorbeeld Frankrijk, dat – voor zover uit openbare bronnen blijkt – lijkt te hebben gehandeld zonder zich te baseren op aanvullende nationale wetgeving?
Voor zover bekend is het Franse optreden gebaseerd op bestaande Franse wetgeving.
Betreft de door de u aangekondigde wetgeving nieuwe wetgeving of een aanvulling op bestaande (sanctie-)wetgeving?
De aangekondigde wetgeving betreft geen wetgeving ter uitvoering of naleving van sancties. Er wordt met spoed gewerkt aan het robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden. Ook wordt wetgeving opgesteld voor het systematisch kunnen inspecteren van schepen met een valse vlag. Hierin wordt de mogelijkheid meegenomen schepen aan te houden en verplicht te laten uitwijken naar aangewezen ankerplaatsen voor inspectie en, in het uiterste geval, de inbeslagname van een vals gevlagd schip.
Kan Nederland in de tussentijd (fysieke) ondersteuning leveren bij handhaving buiten de eigen EEZ, bijvoorbeeld in nabijgelegen MRS-gebieden (Mandatory Reporting of Ships) van bondgenoten, zoals in samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het Kanaal?
Zonder op details te kunnen ingaan, wordt deze optie verkend.
De militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale blokkade van de stad Kobani?1
Het kabinet is bekend met berichtgeving over de recente gevechten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in noordoost-Syrië en ook met de meldingen over beperkingen van toegang tot de stad Kobani. Door de gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit beperkt geweest.
Op 30 januari jl. tekenden de Syrische overgangsregering en de SDF een overeenkomst, waarin onder andere een permanent staakt-het-vuren is vastgelegd. Het kabinet verwelkomt deze ontwikkeling en stelt vast dat de situatie in noordoost-Syrië sindsdien relatief stabiel is.
Specifiek ten aanzien van Kobani beschikt het kabinet niet over indicaties dat er nu sprake is van een totale blokkade. Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties, internationale- en lokale- ngo’s Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Volgens de VN zijn op 25 januari en 2 februari jl. respectievelijk 24 en 23 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Het is wel van belang dat de hulp verder wordt opgeschaald; de beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt het uithongeren van burgers en het collectief straffen van de burgerbevolking. Het opzettelijk onthouden van essentiële goederen kan, afhankelijk van de context een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht vormen.
Het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door deze voorzieningen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève, is een oorlogsmisdrijf.
Voor een beoordeling of er sprake is van schending van het humanitair oorlogsrecht óf een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie (EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag één, stelt het kabinet op dit moment niet vast dat sprake is van een volledige blokkade. De beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er echter voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Het kabinet heeft de recente ontwikkelingen tussen de Syrische overgangsregering en de SDF nauwgezet en met zorg gevolgd. Duidelijk is dat de twee partijen, na het tekenen van de overeenkomst van 10 maart 2025 waarin een inclusieve en duurzame integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat is overeengekomen, het niet eens konden worden over de praktische implementatie van deze overeenkomst op een aantal punten. Sinds die tijd is regelmatig sprake geweest van vijandelijkheden tussen de twee partijen. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie hierbij welke verantwoordelijkheid draagt. Uit berichtgeving komt het beeld naar voren dat sprake is van schendingen van het internationaal recht door beide partijen, waarvan ernst en schaal vooralsnog onduidelijk blijven, afgezien van niet geverifieerde berichten over individuele gevallen.
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat sprake is van een reëel risico op systematisch of grootschalig geweld gericht op de Koerdische bevolking. In de eerste plaats omdat ook bij de recente gevechten in Aleppo en andere delen van noordoost Syrië hier geen sprake van is geweest. Anderzijds omdat van een gewapend conflict op dit moment geen sprake is en, sinds de overeenkomst van 30 januari jl., de eerste stappen worden gezet naar een duurzame en vreedzame oplossing en integratie van het noordoosten in de Syrische staat. Onderdeel hiervan is dat beide partijen zich hebben teruggetrokken van militaire posities en alleen sprake is van beperkte aanwezigheid van politie- en veiligheidsdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Syrische overgangsregering in steden als Hasakeh en Qamishli.
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen van diplomatieke druk?
In algemene zin is bekend dat de Syrische overgangsregering en Turkse autoriteiten nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten de twee landen in augustus 2025 een defensieovereenkomst, gericht op onder meer training en capaciteitsopbouw. Het kabinet heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië later die maand. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië kan het kabinet in dit kader niet bevestigen.
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen, voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Het kabinet is zich bewust van de achtergrond van verschillende groepen en individuen die actief zijn in Syrië en van zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen, zoals bijvoorbeeld begaan in maart 2025 in Latakia en in juli 2025 in Sweida. Ten aanzien van het geweld in Latakia hebben zowel het nationale, Syrische onderzoeks-comité als de Commission of Inquiry (CoI) vastgesteld dat sprake is geweest van mensenrechtenschendingen door zowel groeperingen gelinkt aan voormalig president Assad, als van zijde van het leger van de Syrische overgangsautoriteiten en daaraan gelieerde gewapende groeperingen. Het nationale onderzoeks-comité heeft hierbij 563 verdachten vastgesteld. Sinds november lopen de eerste rechtszaken naar aanleiding van de bevindingen. De onderzoeken van een nationaal onderzoek comité en de CoI naar de gewelddadigheden in Sweida lopen op dit moment nog. Het kabinet volgt de ontwikkelingen ten aanzien van de onderzoeksuitkomsten en de opvolging van de aanbevelingen daaruit nauwgezet.
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van 9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden bij te staan?
Het kabinet erkent de belangrijke rol die de SDF heeft gespeeld in de strijd tegen IS en bij het beveiligen van detentiefaciliteiten. Deze inzet heeft bijgedragen aan de internationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een stabiel en veilig Syrië, waarin de rechten van alle Syrische gemeenschappen, waaronder die van de Koerden, geborgd zijn. Eveneens ondersteunt het kabinet de inclusieve, politieke transitie en integratie van de SDF en de SDF-gebieden in de Syrische staat, waartoe de SDF zich op 10 maart 2025 – en opnieuw op 30 januari jl. – heeft gecommitteerd.
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd? Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Het is bekend dat er individuen uit kampen en detentiefaciliteiten zijn ontsnapt waarin zich aan IS-gelieerde personen bevinden en dat een deel van hen inmiddels ook opnieuw opgepakt is. Gezien de onoverzichtelijke situatie in noordoost-Syrië en de grote hoeveelheid aan tegenstrijdige berichten kan er geen zekerheid gegeven worden over exacte aantallen.
Met alle betrokken nationale en internationale partners houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. In het bijzonder gaat het om de situatie in de opvangkampen en detentiecentra en welke gevolgen de recente gebeurtenissen kunnen hebben voor de nationale veiligheid. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen te treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat duurzame vrede in Syrië alleen mogelijk is via een inclusieve politieke transitie waarin de rechten, veiligheid en vertegenwoordiging van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd.
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Nederland zet zich wereldwijd in voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer via het FOCUS-instrument en steun aan maatschappelijke organisaties. Deze inzet geldt ook voor Syrië, waarbij specifiek aandacht is voor de positie van vrouwen in conflict- en postconflictsituaties.
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
De mate waarin de Syrische overgangsautoriteiten hun beloften blijken na te komen ten aanzien van een inclusieve politieke transitie en borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, vormen een belangrijk onderdeel in de eventuele normalisatie van relaties.
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het Syrische regime voldoende worden nageleefd?
In EU-verband onderstreept het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder2, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat voorwaarden voor steun streng nageleefd moeten worden. Bij de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. heeft het kabinet dit punt wederom uitgedragen.3 Ook blijft het essentieel dat financiële EU-steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen, iets waar het kabinet consequent voor pleit, ook ten aanzien van programmering in Syrië.
Op dit moment ziet het kabinet de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda presenteren die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president al-Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zal worden.
Op basis hiervan concludeert het kabinet op dit moment dat de Syrische overgangsregering de vastgestelde voorwaarden ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen voldoende naleeft. Tegelijkertijd blijft het kabinet het handelen van de Syrische overgangsregering nauwgezet monitoren, ook in het kader van EU-steun. Het gaat dan ook om belangrijke eerste stappen. Het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan ook nauwgezet gevolgd.
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?2
Het kabinet heeft in bilaterale en multilaterale contacten consequent aangedrongen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdrijven en bescherming van alle Syrische gemeenschappen. Daarnaast ondersteunt Nederland actief VN-mechanismen die zich hierop richten, waaronder het OHCHR-landenkantoor in Damascus, de Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM). Ook zet Nederland zich gericht in op de bescherming van religieuze minderheden, waaronder in Syrië. via het beleidskader FOCUS binnen het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» (2026–2031)
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten, waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?3 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet maakt bij financiering afwegingen op basis van effectiviteit, complementariteit en aansluiting bij bestaande internationale mechanismen. Nederland levert reeds een substantiële bijdrage aan VN- en andere internationale onderzoeksmechanismen. Momenteel worden mogelijkheden verkend om de inzet verder te versterken, waarbij de focus ligt op het voortzetten en verdiepen van bestaande, langdurige partnerschappen, in het bijzonder met de VN-bewijzenbank IIIM, en niet op het aangaan van nieuwe partnerschappen met Ngo’s. Gezien de beperkte financiële ruimte is er, naast de lopende steun aan mensenrechtenorganisaties, op dit moment geen ruimte voor aanvullende Nederlandse financiële steun aan het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding het besluit te herzien.
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Het is aan de Verenigde Staten om hun buitenlands beleid vorm te geven. Het kabinet onderstreept het belang van internationale betrokkenheid bij stabiliteit in noordoost-Syrië en blijft hierover in gesprek met partners.
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Het ministerie onderhoudt doorlopend contact met Syrische gemeenschappen en diaspora in Nederland, waaronder vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap. Het kabinet blijft bereid deze zorgen aan te horen en mee te nemen in beleidsvorming.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De Gazaraad van Trump |
|
Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Sarah Dobbe (SP), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Eric van der Burg (VVD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden' |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Elon Musks AI-chatbot Grok onder vuur door seksueel getinte beelden»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het incident waarbij AI-chatbot Grok door gebruikers werd aangespoord om seksuele deepfakes van minderjarige meisjes te genereren, en dat deze beelden tot wel 12 uur online hebben gestaan voordat ze werden verwijderd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident in het licht van de Digital Services Act (DSA) verplichtingen ten aanzien van bescherming van minderjarigen?
Ja, daarvan zijn we op de hoogte. Het bericht dat zoveel mensen slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen, of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Als aangewezen zeer groot online platform zal X moeten voldoen aan de verplichtingen uit de Digitale Dienstenverordening (DSA). In die hoedanigheid is X verplicht om de systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit de verspreiding van illegale content, zoals illegale deepnudes, te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden, welke meldingen zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze moeten beoordelen.
Het primaat van het DSA-toezicht op X als zeer groot online platform ligt bij de Europese Commissie (EC). Daarbij wordt zij ondersteund door de Ierse toezichthouder, als toezichthouder van de lidstaat waar X zijn hoofdvestiging heeft. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of bijvoorbeeld bovenstaande meldingsmechanismes van platforms voldoen aan de DSA en of het platform de melding netjes en op tijd onderzoekt en melder over de beslissing informeert. Op 26 januari werd bekend dat de EC een nieuw, officieel onderzoek is gestart naar (de functies van) Grok en X onder de DSA. In dit nieuwe onderzoek zal worden beoordeeld of X de risico’s in verband met de verspreiding van illegale inhoud, waaronder gemanipuleerde seksuele afbeeldingen en inhoud die kwalificeert als seksueel misbruik van kinderen, in verband met de uitrol van Grok in de EU naar behoren heeft beoordeeld en beperkt.
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Raad en richting de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat DSA-verplichtingen met betrekking tot bescherming van minderjarigen en voorkomen van AI-malafide content effectief worden nageleefd door grote platforms?
Op de DSA wordt toezicht gehouden door onafhankelijke toezichthouders en Nederland kan dienaangaande geen instructies geven. Wel kan Nederland signalen afgeven aan de EC of de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, in het geval risico’s worden gezien die om aandacht vragen. Zo heeft Nederland de uitkomsten van de kinderrechtenimpactassessments met de EC gedeeld.
Bent u op de hoogte van de lopende onderzoeken van meerdere landen (o.a. Frankrijk, Zweden, Australië) tegen X over de stroom aan deepfakes en seksueel expliciete AI-beelden? Zo ja, wat is de Nederlandse positie en rol hierin?
Ja, daarvan zijn wij op de hoogte. Het is mede aan de toezichthouder van de DSA, in dit geval de EC, om te beoordelen of X aan de wettelijke verplichtingen heeft voldaan. Daarnaast hebben wij vernomen dat Frankrijk een strafrechtelijk onderzoek is gestart.2 Nederland heeft in de lopende onderzoeken tegen X geen specifieke rol. Uiteraard volgen wij de ontwikkelingen met belangstelling.
Onder DSA zijn grote platformen verplicht om duidelijke, gebruiksvriendelijke mechanismen voor het rapporteren van illegale content te hebben en deze snel te behandelen, hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige mechanismen van X, mede gezien het feit dat sommige beelden pas na journalistieke publiciteit werden verwijderd?
Het niet adequaat en of snel handelen van een zeer groot online platform wordt gesanctioneerd in het derde lid van artikel 16 DSA. Dit artikel verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet een zeer groot online platform prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Het is aan de toezichthouder, in dit geval de EC, om te beoordelen of aan bovengenoemd kader is voldaan. De EC onderzoekt dit momenteel.
Hoeveel meldingen van AI-gegenereerde illegale content, waaronder deepfakes en beelden met minderjarigen, zijn via het DSA-transparantiesysteem aan de Europese Commissie en nationale autoriteiten gerapporteerd, en wat is daarvan de uitkomst?
De ACM heeft geen inzicht in meldingen die door andere lidstaten worden gedaan bij de EC en/of de Ierse toezichthouder Coimisiún na Meán (CNAM; toezichthouder van de lidstaat waar X zijn hoofdvestiging heeft). Dit is in principe vertrouwelijk tussen de melder en de EC. Meldingen over systeemrisico’s zijn vaak beschrijvend over een bepaalde functionaliteit of risico, aangevuld met enkele voorbeelden van het betreffende onderwerp.
Kunt u duidelijkheid geven over hoe momenteel toezicht en handhaving is ingericht op het gebied van deepfake incidenten in Nederland? En is dit alleen meldings-gedreven of ook door middel van actieve detectie?
Handhaving en toezicht op illegaal deepfake-beeldmateriaal gebeurt primair op basis van meldingen bij de bevoegde handhavingsautoriteiten over de online platforms waar deze worden verspreid.
De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA geen bevoegdheid om verwijderbevelen op te leggen. Wel bevat de DSA verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de onlinedienst in kwestie. In het geval van de kwestie X/Grok is bijvoorbeeld de Europese Commissie primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van de DSA en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepfakes. Als deepfakes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen voor wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes, op basis van de artikelen 252, 254ba en art. 285d van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het Openbaar Ministerie ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de zelfregulerings-mogelijkheden. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (54a Sr).
Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr. In Nederland is dan ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die seksueel beeldmateriaal van kinderen op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van minderjarigen dat is vervaardigd door middel van AI, zoals bij deepnudes. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10% van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Hoe verhoudt de handhaving van de AVG zich tot de handhaving van de DSA in dit soort gevallen, en ziet u mogelijkheden om deze instrumenten gezamenlijk effectiever in te zetten?
Er kan in dit soort gevallen zowel op basis van de AVG als de DSA worden gehandhaafd. De ACM werkt momenteel nauw samen met de AP en andere betrokken instanties aan mogelijkheden om elkaar hierin te versterken.
De ACM heeft op grond van de DSA geen bevoegdheid om verwijderbevelen op te leggen. Wel bevat de DSA verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers. Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. In het geval van de kwestie X/Grok is bijvoorbeeld de Europese Commissie primair bevoegd.
De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van materiaal dat in strijd is met de AVG. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan verder zo zijn dat niet de AP maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Hierin verschilt de handhavingsmogelijkheden op de AVG ten aanzien van de mogelijkheden onder de DSA. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat «nudify»-apps en dergelijke functies van AI-chatbots überhaupt bestaansrecht hebben? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijk probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Bent u bereid om aan te dringen op effectieve handhaving tegen X in de kwestie van AI-gegenereerde beelden van minderjarigen en zo ja, welke nationale en Europese maatregelen kunnen er genomen worden of welke sancties kunnen er worden opgelegd?
Effectieve handhaving van Europees recht is onverminderd van belang. De Europese Commissie is op 26 januari jl. een nieuw onderzoek gestart naar X dat specifiek ziet op Grok. Als de Commissie concludeert dat X de DSA heeft overtreden, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
Het verbieden van hulporganisaties in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, waarin wordt gemeld dat Israël tientallen internationale hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen, Save the Children, CARE en Oxfam Novib, per 1 januari de toegang tot Gaza en de Westelijke Jordaanoever ontzegt? Wat is uw beoordeling van deze ontwikkeling?
Ja. Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus en heeft meermaals verzocht of de Israëlische autoriteiten in gesprek kunnen gaan met de ngo’s hierover. Het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen, zonder hierover met hen in gesprek te gaan, ziet het kabinet niet als de juiste weg voorwaarts. Het Israëlische besluit raakt onder meer Nederlandse partners van de Dutch Relief Alliance. Nederland onderhoudt nauw contact met deze organisaties om de consequenties voor de humanitaire hulpverlening zo goed mogelijk in kaart te brengen.
Deelt u de kwalificatie van landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Canada, Noorwegen en Japan dat de humanitaire situatie in Gaza opnieuw is verslechterd en inmiddels als catastrofaal moet worden aangemerkt? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van voedselhulp verbeterd waardoor een hongersnood kon worden afgewend. Tegelijkertijd blijft de situatie fragiel, ook qua voedselzekerheid, en zien we nog steeds tekorten op gebieden als gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen. Er is een tekort aan onderdak en mensen zijn onvoldoende beschermd tegen voorkomende hevige regenval en dalende temperaturen. Nederland blijft Israël, zowel op bilateraal als multilateraal vlak, oproepen tot volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele en gemandateerde organisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s.
Bent u bekend met de open brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken van onder meer Frankrijk, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, waarin Israël wordt opgeroepen het besluit terug te draaien om humanitaire hulporganisaties te weren uit Gaza? Waarom heeft Nederland zich tot op heden niet bij deze verklaring aangesloten en bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp sprak publiekelijk haar zorgen uit over dit specifieke Israëlische besluit. Het kabinet spant zich in om hulporganisaties zo goed mogelijk te ondersteunen. Dat doet het zowel voor als achter de schermen. Hierbij weegt het kabinet voortdurend wat de meest effectieve wijze is om boodschappen over te brengen. Deze afweging is dan ook gemaakt met betrekking tot het wel of niet ondertekenen van de open brief.
Zoals tevens toegelicht in de Kamerbrief van 30 januari jl. over de stand van zaken omtrent de medische capaciteit in de Gazastrook en de regio, nam de Minister van Buitenlandse Zaken na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël.1 Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers’statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.2
Het kabinet zal er bij Israël op blijven aandringen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, waaronder de vertrouwde humanitaire partners van Nederland, ongehinderde toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse gebieden.
Acht u het aanvaardbaar dat hulporganisaties die levensreddende medische zorg, voedselhulp en onderdak bieden, hun werkzaamheden moeten staken terwijl miljoenen Palestijnen, met name in de winterperiode, afhankelijk zijn van deze hulp? Welke risico’s ziet u hierbij voor ondervoeding, ziekte, hongersnood en onderkoeling, gezien het feit dat veel mensen in provisorische tentenkampen leven die al meerdere overstromingen en noodweer hebben moeten doorstaan?
Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend. Hierover onderhoudt Nederland contact met de betreffende hulporganisaties. Gezien de hoge humanitaire noden zijn alle professionele hulporganisaties op dit moment hard nodig. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts, en roept Israël op het besluit terug te draaien om professionele en gemandateerde hulporganisaties, waaronder vertrouwde Nederlandse humanitaire partnerorganisaties, te weigeren. Daarbij blijft Nederland oproepen tot naleving van het humanitair oorlogsrecht.
Deelt u de zorg dat deze Israëlische maatregelen tot gevolg kunnen hebben dat naar schatting één op de drie zorginstellingen in Gaza moet sluiten en dat de humanitaire hulpverlening grotendeels kan instorten? Zo ja, welke stappen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete stappen zet u op dit moment, bilateraal of in EU-verband, om te voorkomen dat de toegang van hulporganisaties per 1 januari daadwerkelijk wordt stopgezet en om ervoor te zorgen dat levensreddende humanitaire hulp doorgang kan blijven vinden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u het nieuwe Israëlische registratieproces voor humanitaire ngo’s, waarbij organisaties uitgebreide personeels- en familiegegevens moeten aanleveren en kunnen worden afgewezen op basis van politieke uitingen van individuele medewerkers?
Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts.
Deelt u de opvatting dat deze registratie-eisen de humanitaire hulp politiseren en daarmee strijdig zijn met de humanitaire beginselen van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen van de herregistratieplicht voor de humanitaire hulpverlening baart het kabinet zorgen. Nationale wetgeving ontheft staten niet van hun verplichtingen onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, zoals de verantwoordelijkheid om de burgerbevolking in bezet gebied toegang te bieden tot essentiële goederen en de levering daarvan door derden niet onnodig te belemmeren.
Hoe beoordeelt u de nieuwe Israëlische wetgeving tegen de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in het licht van de bindende uitspraken van het Internationaal Gerechtshof, waarin expliciet is vastgesteld dat Israël verplicht is de werkzaamheden van UNRWA te faciliteren en niet te belemmeren? Acht u deze wetgeving verenigbaar met het internationaal recht?
Adviezen van het IGH zijn niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend omdat het voornaamste gerechtelijke orgaan van de VN daarin een uiteenzetting geeft van het geldend internationaal recht. Nederland volgt het advies van het IGH, en hiermee de conclusie van het Hof dat de twee door Israël aangenomen wetten in oktober 2024 niet verenigbaar zijn met de verplichtingen van Israël ten aanzien van de bezette Palestijnse gebieden, waaronder zijn verplichtingen onder het VN-Handvest. Ook de recent aangenomen wetgeving (2025) in het verlengde hiervan strookt niet met het advies van het IGH.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van UNRWA van de VN-Conventie inzake Privileges en Immuniteiten, het afsluiten van water, elektriciteit en communicatie en het dreigen met onteigening van VN-eigendom een ernstige schending vormt van de verplichtingen van Israël als VN-lidstaat en een gevaarlijk precedent schept voor de bescherming van VN-organisaties wereldwijd?
In het kader van een bezetting oefent een bezettende macht rechtsmacht en controle uit over het bezette gebied. Het International Gerechtshof benoemt in zijn advies van 22 oktober 2025 in dit kader ook de verplichting om de privileges en immuniteiten van de VN in bezet gebied te respecteren (art. 105 VN Handvest). Dit ziet ook op UNRWA. Op grond van deze verplichtingen is het Israël niet toegestaan om dergelijke beperkende maatregelen te nemen tegen VN eigendom, inclusief de gebouwen in de bezette Palestijnse Gebieden. Zie de kabinetsreactie van 21 januari jl. op de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor in Oost-Jeruzalem door Israël.3
Bent u bereid deze kwestie met urgentie te agenderen binnen Europa en in VN-verband om gezamenlijk druk uit te oefenen, opdat humanitaire hulp niet verder wordt belemmerd? Welke concrete stappen heeft u hiertoe reeds ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Welke gevolgen heeft het weren van een aanzienlijk deel van de hulporganisaties volgens u voor de naleving door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal humanitair recht, waaronder de plicht van een bezettende macht om humanitaire hulp toe te laten?
In het IGH-advies van 22 oktober 2025 over de verplichtingen van Israël ten aanzien van de aanwezigheid en activiteiten van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties in de bezette Palestijnse Gebieden oordeelt het Hof dat Israël, als bezettende macht, zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht moet naleven. Indien het gevolg is dat de burgerbevolking in de bezette Palestijnse gebieden onvoldoende voorzien is van essentiële levensbehoeften, dan schendt Israël verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht.
Kunt u toezeggen de Kamer op zeer korte termijn te informeren over de inzet van Nederland in de komende dagen en weken, gezien de acute deadline van 1 januari en de directe gevolgen voor honderdduizenden mensen die afhankelijk zijn van humanitaire hulp?
De keuze over het verder informeren van de Kamer wordt overgelaten aan het inkomende kabinet.
De situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «In Gaza, another winter of despair»?1 Waarom wordt beschreven dat de winteromstandigheden in de Gazastrook opnieuw hebben geleid tot zeer moeilijke leefomstandigheden, inclusief overstromingen en sterfgevallen als gevolg van onderkoeling? Wat is uw beoordeling van deze situatie?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht. Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van basale voedselhulp verbeterd, maar de humanitaire noden blijven hoog.
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza op te voeren in het licht van deze berichtgeving?
De Nederlandse financiële inzet voor humanitaire hulp in 2026 is op 12 januari jl. aan de Kamer bekendgemaakt.2 Middels aanzienlijke, flexibel inzetbare bijdragen aan de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance helpt Nederland deze organisaties ook in 2026 om te reageren op humanitaire crises wereldwijd. Dat geldt ook voor hun werk in de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de regio. Nederland maakt in 2026 tevens EUR 16 miljoen beschikbaar voor het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden. In 2025 werd dit fonds ondersteund met een bedrag van EUR 14,7 miljoen. Daarnaast zal, net als in voorgaande jaren, gedurende 2026 worden gekeken waar ter wereld eventuele additionele humanitaire bijdragen het hardst nodig zijn.
Bent u het eens dat de regering-Netanyahu bijdraagt aan deze omstandigheden door nog steeds humanitaire hulpgoederen zoals winterbescherming en noodzakelijke spullen voor medische zorg tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, waaronder de beperkte opening van grensovergangen, de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, zoals onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Israël voert hiervoor veiligheidsoverwegingen aan. Israël heeft de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen. Als bezettende macht is Israël verplicht om hulpacties van derde staten of onpartijdige humanitaire organisaties toe te staan en deze met alle haar ten dienste staande middelen te faciliteren. Dit volgt ook uit het IGH advies van 22 oktober 2025 over Israëls verplichtingen ten aanzien van VN-hulpverlening in de bezette Palestijnse Gebieden. Nederland blijft onderstrepen dat volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang cruciaal is, en spreekt Israël hier consequent in bilateraal en multilateraal verband op aan.
Welke maatregelen heeft Nederland, zelf of in EU-verband, genomen om te bevorderen dat humanitaire hulp wél in voldoende mate de Gazastrook bereikt? Welk resultaat heeft dat geleverd?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Nederland blijft zich ervoor inspannen dat professionele hulporganisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang hebben om hun werk uit te kunnen voeren. Dit alles doet Nederland zowel bilateraal in contacten met de Israëlische autoriteiten, als in EU verband. Dit heeft het kabinet recent gedaan naar aanleiding van de herregistratieplicht. De Minister van Buitenlandse Zaken nam na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël. Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers» Statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.3 In eerdere Kamerbrieven bent u geïnformeerd over de wijzen waarop Nederland ten tijde van de humanitaire blokkade de druk heeft opgevoerd.4
Hoe beoordeelt u de recente Israëlische goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever? Deelt u de mening dat de regering-Netanyahu hiermee een tweestatenoplossing ondermijnt?
Het kabinet acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig en veroordeelt het Israëlisch nederzettingenbeleid, waarvan de goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever deel uitmaakt. Het kabinet roept Israël op dit besluit terug te draaien en geen verdere stappen te zetten die een tweestatenoplossing onder druk zetten. Deze boodschap heeft Nederland ook onderstreept in een gezamenlijke verklaring met gelijkgezinden.5 Daarnaast gaat het kabinet door met het voorbereiden van nationale maatregelen om producten uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren.
Welke stappen heeft u naar aanleiding van dit besluit gezet, zelf of in EU-verband? Bent u van plan verdere actie te ondernemen, bijvoorbeeld binnen de VN?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het bericht «Israëlische checkpoints verstikken Palestijnen op bezette Westoever» waarin wordt beschreven dat Palestijnen door checkpoints gehinderd worden in het bereiken van bijvoorbeeld school, werk of medische behandelingen?2 Bent u het eens dat het Israëlische leger hiermee onrechtmatig en disproportioneel handelt en bent u bereid dit te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet roept Israël consequent op het internationaal recht te eerbiedigen, waaronder in de Palestijnse Gebieden. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in.
Bent u bekend met het bericht «Israël foltert en verkracht Palestijnse gevangenen – en bijna niemand mag hen bezoeken»?3 Wat is uw reactie op dit bericht?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen de detentieomstandigheden zelf, het aantal arbitraire detenties, en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, specifiek het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten, waaronder tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Deelt u de opvatting dat deze praktijken een schending van mensenrechten betekenen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december jl. en waar het NRC-artikel naar refereert. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht, bovenstaand rapport is hiervoor van belang. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om in internationale fora te pleiten voor onafhankelijke, transparante onderzoeken naar alle meldingen van marteling en mishandeling van Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht groot belang aan het tegengaan van straffeloosheid. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in en brengt dit ook op in internationale fora zoals de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN. Tijdens het Open Debat over het Midden-Oosten van de VN-Veiligheidsraad van 27 oktober jl. riep Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het internationaal recht in de Palestijnse Gebieden. Daarnaast loopt er bij het Internationaal Strafhof (ISH) al een actief onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. Het is aan het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven binnen de grenzen van het Statuut van Rome. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de aanklagers van het ISH en mengt zich derhalve niet in hun onderzoeks- en vervolgingsbeleid.
Nederland draagt ook in 2026 bij aan de onderzoekscapaciteit van het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden (OHCHR), middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. De OHCHR in de Palestijnse Gebieden monitort de mensenrechtensituatie en rapporteert daar publiekelijk over.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna: FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt, de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot 1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv geen afstel van belastingheffing.
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke verzoek?
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek naar de vuurwerkramp?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden, bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders, waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen, gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit individuele geval.
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024 drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid en werknemer?
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt. Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals deze?
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen. Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast buiten bestaande standaardregelingen?
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance. Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing persoonlijk als onbillijk ervaart.
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid, billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een andere toepassing van de fiscale regelgeving.
De brief van de staatsecretaris van Financiën aan de kamer ‘Overstap kantoorautomatisering naar M365’ |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
van Marum , Heijnen |
|
|
|
|
In de brief wordt gesteld dat Europese alternatieven binnen afzienbare termijn niet voldoen aan het niveau van Microsoft 365; welke Europese alternatieven zijn onderzocht voordat de keuze gemaakt is voor Microsoft?
De Belastingdienst is sinds 2021 bezig met het vervangen van de werkplekken bij de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. De (geo)politieke situatie was destijds anders, omdat het versterken van de autonomie in de afwegingen een beperktere rol speelde. Daarom heeft destijds geen uitgebreide verkenning naar Europese alternatieven plaatsgevonden en is er uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365.
De uitrol van de nieuwe werkplekken, in de vorm van nieuwe laptops die zijn ingericht op het gebruik van M365, is inmiddels afgerond. De huidige situatie is dat er vanaf de nieuwe 40.000 werkplekken wordt doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving omdat M365 nog niet is geïmplementeerd. Dit terwijl er bij de inrichting van de nieuwe werkplekken rekening is gehouden met de implementatie van M365. Doordat M365 nog niet is geïmplementeerd bestaan er nu inefficiënte manieren om vanaf de nieuwe werkplekken met de beperkingen van de oude werkomgeving om te gaan. Deze workarounds resulteren in een geschat productiviteitsverlies van 15 tot 30 minuten per medewerker per dag.
Gezien de recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen heeft de Belastingdienst de overstap naar M365 op de nieuwe werkomgeving getemporiseerd en een aantal alternatieve scenario’s zorgvuldig uitgewerkt en afgewogen, zie daarvoor bijlage 1. Echter, op korte termijn is geen Europees alternatief beschikbaar dat geschikt is voor de situatie waar de Belastingdienst zich momenteel in bevindt.
In het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt zou zijn voor de Belastingdienst, dan kost het nog twee tot drie jaar om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van productiviteitsverlies.
Welke tekortkomingen zijn vastgesteld bij deze Europese aanbieders die ertoe hebben geleid dat zij niet als toereikend alternatief zijn aangemerkt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten aan welke vereisten en prestatienormen Europese aanbieders moeten voldoen om wel als een toereikend alternatief te kunnen gelden voor Microsoft 365?
Om als volwaardig alternatief te kunnen dienen, moeten de voorgestelde oplossingen kunnen voldoen aan strikte eisen op het gebied van integratie, continuïteit, geïntegreerde gebruikerservaring plus naleving van o.a. ISO-standaarden, DUTO, BIO, NIS 2 en Archiefwet. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende functionaliteiten zijn voor medewerkers om goed, flexibel en effectief (samen) te kunnen werken.
Is er perspectief op een Europees alternatief dat wel kan dienen als een alternatief voor Microsoft 365? Zo ja, welke aanbieder(s) worden dan als kansrijk beschouwd?
De Belastingdienst volgt de bewegingen in de buitenwereld en kijkt ook naar mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen.
Zoals u heeft kunnen lezen in de antwoorden op vraag 1 en 2 zou het in het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt wordt bevonden voor de Belastingdienst, nog steeds twee tot drie jaar kosten om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van een productiviteitsverlies.
In dit kader volgt de Belastingdienst onder andere de ontwikkelingen bij BZK rondom «Mijn Bureau». Mijn Bureau is een open source samenwerkingsplatform voor de overheid, publieke sector en bedrijven dat wordt ontwikkeld onder regie van het Rijksbrede programma Beter Samen Werken (OpenBSW). De Belastingdienst neemt actief deel aan de ontwikkelingen rond dit platform. Momenteel bevindt dit platform zich echter nog in een vroege testfase.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om de ontwikkeling en verbetering van Europese cloud- en software-alternatieven te stimuleren en te versnellen, zodat deze in de toekomst als volwaardig alternatief voor Microsoft 365 kunnen dienen?
In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is cloud als een van de hoofdthema’s opgenomen. Hierbij zijn specifiek twee strategische doelen benoemd, met als overkoepelende uitkomst minder afhankelijk te worden van een klein aantal externe leveranciers. Er wordt gewerkt aan een verkenning van het realiseren van een overheidsbrede soevereine clouddienst in samenwerking met bestaande overheidsdienstverleners en de markt. Daarnaast wordt er gestreefd naar een centrale overheidsmarktplaats voor cloudtechnologieën. Ten aanzien van een federatief Europees cloudecosysteem is immers ook van belang hoe dit aan afnemers wordt aangeboden. Afnemers hebben over het algemeen geen belang bij contracten met meerdere marktpartijen, aangezien dit een bijzonder ingewikkelde kwestie kan worden in het kader van aansprakelijkheid. Eén van de primaire redenen waarom er vaak van de hyperscalers als one-stop-shop gebruik gemaakt wordt. Zoals in de NDS opgenomen, kan een marktplaats voor clouddiensten (als een – hopelijk – meer geavanceerde versie van een cloudbroker) hier aan bijdragen om een dergelijk ecosysteem tot een succes te maken.
Het laatst benoemde doel weergeeft de al bestaande behoefte aan een marktplaats voor clouddiensten, in plaats van de opzet van een Bijenkorf Megascaler cloud aan de hand van de verworpen motie Bruyning.1 Hierin wordt het verzoek gedaan tot het bevorderen van de cloudautonomie middels het Bijenkorf Megascaler Cloudmodel van Instituut Clingendael.2
De Europese Commissie vindt tevens voldoende datacapaciteit voor cloud- en AI-diensten essentieel voor het verdienvermogen en de economische veiligheid van de EU. De Commissie heeft daarom een Cloud & AI Development Act (CADA) aangekondigd, met als doel private duurzame datacentercapaciteit in de EU in 5 tot 7 jaar te verdriedubbelen. Verder wil de Commissie met de CADA de Europese industrie stimuleren om zelfstandige cloudalternatieven te ontwikkelen en vermarkten, en wil ze mogelijk instrumenten opnemen ter bevordering van Europese alternatieven voor de meest strategische en kritische use cases van cloudgebruik. Nederland is actief betrokken bij de ontwikkeling van de CADA.
In berichtgeving van NRC wordt gesteld dat een van de redenen dat het gebruik van Microsoft 365 toch is doorgezet, is dat er al een aanbetaling was gedaan. In hoeverre heeft dit een rol gespeeld in de uiteindelijke besluitvorming?1
Nee, dit heeft geen rol gespeeld in de besluitvorming. De Belastingdienst heeft sinds 2020 een contract met Microsoft voor verschillende diensten. M365 is één van de onderdelen in dit bredere pakket. Bij de uiteindelijke besluitvorming zijn verschillende scenario’s zorgvuldig onderzocht, waarbij is geconcludeerd dat de overstap naar M365 de enige uitvoerbare optie is gezien de situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt.
Welke technische en contractuele maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de Amerikaanse overheid niet zomaar toegang heeft tot Nederlandse overheidsdata?
De Amerikaanse cloudwetgeving kan de leverancier die gevestigd is in de Verenigde Staten verplichten om data te leveren, daarom is dit niet 100% uit te sluiten. Zie in dit verband ook de analyse van de Cloud Act die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is gepubliceerd, waaruit blijkt dat het risico zeer beperkt is4. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Greenberg Traurig dat: «[...]het risico dat de Amerikaanse overheid toegang krijgt tot Europese (persoons)gegevens, specifiek op basis van de CLOUD-act, weliswaar voorstelbaar, maar in de praktijk ook (heel) klein is». Dit beeld komt ook terug uit de door de Belastingdienst opgestelde risico-analyse en de DPIA’s op M365.
Bovendien zijn er door SLM Rijk5 in het framework agreement met Microsoft uitgebreide technische, organisatorische en contractuele afspraken met Microsoft gemaakt die toegang tot Nederlandse overheidsdata beperken. Voorbeelden van deze afspraken zijn het opslaan van data op servers in de EER (hoewel dit de toegang door de VS niet volledig belet kan dit het wel bemoeilijken) en afspraken over encryptie van data in transit. Microsoft committeert zich dat het zich waar mogelijk (juridisch) zal verzetten tegen bevelen tot afgifte van data en geeft aan nog nooit data van een EU-overheidsklant verstrekt te hebben aan enige overheid (inclusief de Amerikaanse overheid).
Bent u bekend met de publiekscampagne «Waar Ben Je» waarbij omstanders en potentiële slachtoffers zich kunnen melden bij de 24/7 chatlijn van Veilig Thuis?
Ja.
Bent u het eens dat deze campagne ontzettend goed is en dat het van groot belang is dat meisjes en vrouwen en omstanders die bellen voor hulp bij signalen van femicide, ook echt goed en direct geholpen worden?
ook van belang dat wanneer iemand aan de bel trekt, direct de juiste hulp en ondersteuning geboden wordt. Bij Veilig Thuis kan iedereen terecht voor advies of voor het doen van een melding. Veilig Thuis beschikt over veel expertise en deskundigheid om mee te denken over specifieke situaties. Bij acute onveiligheid is het van belang dat de politie wordt ingeschakeld.
Op welke wijze wordt gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan naar aanleiding van de campagne of sinds het live gaan van de campagne «Waar Ben Je» en hoe deze worden opgepakt? Bent u bereid de Kamer periodiek over de ontwikkeling van meldingen te informeren?
Er wordt niet landelijk gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan specifiek naar aanleiding van de campagne. Wel geven individuele Veilig Thuis organisaties aan dat er sprake lijkt te zijn van een toename in het aantal telefoontjes en chatberichten dat zij ontvangen, al kan niet met zekerheid worden gesteld dat dit een direct gevolg is van de campagne. Wel kan gezegd worden dat het online platform van Veilig Thuis 4 dagen voor de lancering van de campagne in werking is getreden. Van dit platform wordt, uiteraard anoniem en onherleidbaar, bijgehouden welke bezoekersaantallen het platform bezoeken. Daarnaast wordt ook het aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt altijd nauwgezet geregistreerd en via de reguliere wijze twee maal per jaar bekend gemaakt via het CBS. Wanneer er vanaf de start van de campagne een toename te zien is, kan dat wijzen op een gevolg van de campagne.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen er momenteel voor kiezen om richting Veilig Thuis te communiceren de 24/7 chatfunctie gedeeltelijk, of zelfs helemaal uit te zetten?
Op dit moment bestaat er nog geen 24/7 chatfunctie bij Veilig Thuis. Het verbeteren van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van Veilig Thuis is belangrijk. Om deze reden wordt vanuit het Landelijk Netwerk Veilig Thuis momenteel hard gewerkt om de mogelijkheden voor een 24/7 chatfunctie en de daarbij benodigde randvoorwaarden uit te werken. Wel is er nu, door de komst van het recent gelanceerde digitale platform op www.veiligthuis.nl, een online hulpmiddel waar mensen met behulp van AI snel geholpen worden de juiste informatie te vinden. Dit platform is 24/7 bereikbaar en telefonisch is Veilig Thuis dat ook.
Aanvullend heb ik inderdaad signalen gekregen dat diverse Veilig Thuis organisaties moeite hebben de huidige chatfunctie te bemensen, waardoor in sommige gemeenten de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis is, samen met de VNG en met mij, hard aan het werk om hier een landelijke oplossing voor de realiseren.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen ervoor kiezen om geen 24/7 beschikbaarheid te hebben bij Veilig Thuis en daardoor Politie en Veilig Thuis niet op ieder moment van de dag samen kunnen optrekken in acute situaties?
Ik herken dat beeld niet. Het klopt dat Veilig Thuis niet 24/7 bereikbaar is via de chat, zie ook het antwoord op vraag 4. Wel heeft Veilig Thuis de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Op dit vlak is er geen beleidsvrijheid voor gemeenten om hier van af te wijken. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat Veilig Thuis daarmee in acute situaties altijd bereikbaar en beschikbaar is, ook om met de politie op te trekken wanneer de situatie daar om vraagt.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de 24/7 chatfunctie van Veilig Thuis ook werkelijk 24/7 bereikbaar is en waar niet?
Zoals al aangegeven is er op dit moment nog geen 24/7 chatfunctie, maar is de chat veelal tussen 9 en 17 bereikbaar. Voor zover bij mij bekend zijn er op dit moment enkele regio’s waar de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. De redenen daarvoor zijn wisselend. Zo zijn er gemeenten die in deze regio’s hebben aangegeven dat de chat daar onvoldoende werd gebruikt en er zodoende voor is gekozen om de capaciteit in plaats daarvan in te zetten om meldingen op te pakken. Bij andere regio’s gaat het om specifieke momenten waarop er geen bemensing is. Veilig Thuis organisaties maken onderling, waar mogelijk, afspraken om een achtervang in te richten zodat chatberichten eventueel door een Veilig Thuis uit een andere regio beantwoord kunnen worden.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de beschikbaarheid van Veilig Thuis 24 uur per dag geldt?
Er is momenteel nog geen enkele gemeente waar Veilig Thuis 24/7 per chatfunctie bereikbaar is. Hier wordt landelijk aan gewerkt om dit z.s.m. te realiseren. Wel zijn alle Veilig Thuis organisaties 24/7 telefonisch bereikbaar.
Is het kabinet bereid te inventariseren wat het zou betekenen als de wettelijke taak van Veilig Thuis wordt uitgebreid naar 24 uur beschikbaarheid voor acute hulpvragen rond veiligheid? Zo ja, heeft u hier nog iets nodig vanuit de Kamer? Zo niet, waarom niet?
Veilig Thuis heeft nu al de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Het is aan Veilig Thuis om bij deze hulpvragen een inschatting te maken van de directe onveiligheid en te bepalen wat er nodig is om directe onveiligheid op te heffen en structurele veiligheid te realiseren. Belangrijk blijft om te noemen dat Veilig Thuis zelf geen hulpverlening biedt: Veilig Thuis kijkt waar de specifieke zorgen over gaan, welke hulpverlening nodig is en verwijst vervolgens door. De taak van Veilig Thuis richt zich specifiek op huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik zie geen reden om dat te veranderen. Uiteraard helpt Veilig Thuis mensen die bellen over andere veiligheidsvraagstukken de juiste plek te vinden voor die signalen.
Kunt u gelet op de urgentie van de beschikbaarheid van hulp, deze set schriftelijk binnen vier weken beantwoorden?
Ja.
De beveiliging van de Israëlische delegatie door een voormalig legerofficier met illegale wapens |
|
Hanneke van der Werf (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland spreekt Israël aan op beveiliging Israëlische delegatie door voormalig legerofficier met illegale wapens»?1
Ja.
Klopt het dat buitenlandse delegaties die beveiligers met wapens meenemen verplicht zijn dit vooraf te melden bij de Nederlandse autoriteiten, waaronder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)? Kunt u uiteenzetten hoe deze procedure normaliter verloopt en welke diensten hierbij betrokken zijn?
Ja, buitenlandse delegaties die bewapende beveiliging willen meenemen zijn verplicht vooraf een verzoek bij de Nederlandse autoriteiten in te dienen. Voor het verlenen van toestemming voor bewapende beveiliging bij bezoeken van buitenlandse delegaties geldt in Nederland een strikt afwegingskader. Het betreffende land kan via het Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek indienen. Dat verzoek wordt ter beoordeling voorgelegd aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De uitkomst van deze beoordeling wordt teruggekoppeld aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Pas na expliciete toestemming van deze bevoegde instanties mag er gewapende beveiliging mee tijdens het bezoek naar Nederland. Voor delegaties waar geen expliciete toestemming is verleend of waar voor het verzoek niet is gedaan, is het niet toegestaan om bewapende beveiliging te voeren. Voor het bezoek waar u naar refereert is door de bevoegde Nederlandse instanties geen verzoek uit het desbetreffende land ontvangen.
Was bij het bezoek van de Israëlische delegatie in november 2024 tijdig melding gemaakt van de aanwezigheid van bewapende beveiliging? Zo ja, welke instanties zijn toen geïnformeerd en welke actie is daarop ondernomen? Zo nee, hoe is het mogelijk dat een dergelijke omissie heeft kunnen plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat een ingehuurde beveiliger, een voormalig Israëlisch legerofficier, bij aankomst op Schiphol werd betrapt met twee pistolen afkomstig uit het illegale circuit en dat bij hem thuis bovendien een AR-15 werd aangetroffen? Wat is uw oordeel over deze constatering?
Ik kan bevestigen dat bij een op 14 november 2024 op luchthaven Schiphol aangehouden persoon, zowel bij fouillering ter plaatse als bij een latere doorzoeking van diens woning, verschillende vuurwapens werden aangetroffen. Wanneer verboden wapenbezit geconstateerd wordt, is het aan het Openbaar Ministerie om iemand hier al dan niet strafrechtelijk voor te vervolgen en aan de rechter om hier zijn of haar oordeel over uit te spreken. Dat is in deze casus ook gebeurd.
Welke achtergrondcontroles en toezichtmechanismen bestaan er voor ingehuurde beveiligers die buitenlandse delegaties in Nederland beschermen? Hoe kon het gebeuren dat iemand met illegale wapens werd ingezet bij de beveiliging van een officiële delegatie?
Beveiligingsorganisaties die in Nederland beveiligingswerkzaamheden willen uitvoeren, dienen op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) te beschikken over een vergunning van de Minister. Wanneer deze beveiligingsorganisaties personen willen inzetten ten behoeve van particuliere beveiliging behoren zij hiervoor op grond van de Wpbr toestemming te verkrijgen van de Korpschef voor de betreffende persoon. De Korpschef toetst hierbij de bekwaamheid en betrouwbaarheid van betrokkene. Nadat toestemming is verleend controleert de Korpschef dagelijks of er aanleiding is om het oordeel over de betrouwbaarheid van betrokkene te herzien. Indien wordt vastgesteld dat de betrouwbaarheid niet langer boven elke twijfel is verheven, kan de verleende toestemming worden ingetrokken. Het dragen van (vuur)wapens is ten alle tijden verboden voor particuliere beveiligers.
Kunt u uitsluiten dat de betreffende beveiliger, ondanks het bezit van illegale wapens, trainingen heeft verzorgd voor Nederlandse politie- of veiligheidsdiensten? Indien dit niet kan worden uitgesloten, bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn te informeren?
Het is aan de Nederlandse politie- of veiligheidsdiensten om te bepalen wie zij inhuren. Beide organisaties hebben een eigen beleid ten aanzien van het afnemen van diensten van derden. Uit navraag blijkt dat de politie en de Landmacht in het verleden, dus in de periode vóór de aanhouding, incidenteel diensten hebben afgenomen van het bedrijf waar de aangehouden persoon eigenaar van is. Het ging onder andere om trainingen waarbij zelfverdedigingstechnieken werden aangeleerd. Over trainingen bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden nooit uitspraken gedaan.
Zijn er signalen dat vergelijkbare incidenten (het gebruik van beveiligers met wapens uit het illegale circuit) vaker voorkomen bij buitenlandse delegaties in Nederland? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren en aangeven welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er zijn mij op dit moment geen signalen of aanwijzingen bekend dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan bij inkomende buitenlandse delegaties in Nederland.
Kunt u ingaan op de stelling van deze man in het NRC dat hij aanwijzingen had voor een aanslag? Kunt u aangeven of hij zulke informatie gedeeld heeft met de overheid?
Ik doe in het openbaar nooit uitspraken over individuele gevallen. Wel kan ik u verzekeren dat indien daartoe aanleiding is de benodigde maatregelen worden getroffen waar dat nodig wordt geacht, bijvoorbeeld op basis van actuele dreigingsinformatie.
Kunt u aangeven of de inzet van de Rijksoverheid momenteel voldoet voor de beveiliging van Joodse instellingen en objecten, mede gegeven de toename van het aantal antisemitische incidenten?
De beveiliging van Joodse instellingen in Nederland heeft de aandacht van het kabinet en de lokaal bevoegde gezagen. Waar nodig worden door het lokaal bevoegd gezag veiligheidsmaatregelen getroffen. Deze maatregelen worden zowel zichtbaar als onzichtbaar genomen en op basis van actuele dreigingsinschattingen, waarbij volledige uitsluiting van risico’s niet gegarandeerd kan worden. Het is schrijnend dat deze maatregelen in Nederland nodig zijn, maar we zullen deze inspanningen onverminderd blijven voortzetten zolang de situatie daarom vraagt.
Bent u bereid de Kamer per brief te informeren over de lessen die uit deze zaak worden getrokken, en welke organisatorische en juridische maatregelen u zult nemen om herhaling te voorkomen?
Ik heb er vertrouwen in dat de beantwoording van deze vragen voldoende helderheid geven over de zorgvuldige procedures die in Nederland worden gehanteerd in dit kader.
De mobilisatie in Venezuela en de veiligheidsontwikkelingen nabij Curaçao, Aruba en Bonaire |
|
Jan Paternotte (D66), Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde Amerikaanse maritieme inzet in de Cariben rondom Venezuela (waaronder het uitzenden van drie Aegis-destroyers), en wat is het officiële feitenbeeld dat het Koninkrijk hierover van de Verenigde Staten (VS) heeft ontvangen (doel, duur, inzetprofiel, operatiegebied)?1, 2
Het kabinet is op de hoogte van de aanwezigheid van Amerikaanse marineschepen in het Caribisch gebied. Het betreft nationaal aangestuurde inzet door de VS. Het Koninkrijk is niet bij de inzet betrokken. Volgens Amerikaanse media worden de marineschepen ingezet voor de intensivering van drugsbestrijdingsoperaties in het gebied, gefocust op Zuid-Amerikaanse drugskartels, en zullen deze opereren in internationale wateren en luchtruim. Defensie en Buitenlandse Zaken houden contact met de VS.
Heeft voorafgaand of direct na deze aankondiging diplomatiek en/of militair overleg plaatsgevonden tussen het Koninkrijk en de VS? Zo ja, wat was de strekking daarvan?
De VS is een van de belangrijkste partners voor het Koninkrijk op het gebied van counterdrugsoperaties. Deze aangekondigde inzet is echter nationaal aangestuurd door de VS. Het Koninkrijk is hier niet bij betrokken. Op het moment houden Defensie en Buitenlandse Zaken contact met de VS.
In hoeverre raakt deze inzet de Cooperative Security Location Aruba–Curaçao (voorheen FOL) qua overvlieg- en stagingrechten, data-uitwisseling en aanwezigheid van personeel? Welke verdrags-/SOFA-afspraken en beperkingen gelden hierbij, en zijn deze recent geactualiseerd?
De inzet raakt de Cooperative Security Location slechts indien het gaat om inzet in het luchtruim boven Curaçao. Hierover zijn in het Verdrag inzake samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Verenigde Staten van Amerika betreffende toegang tot en gebruik van faciliteiten in de Nederlandse Antillen en Aruba voor drugsbestrijding vanuit de lucht (Trb. 2000, nr. 34, Trb. 2001, nr. 184, Trb. 2011, nr. 71, Trb. 2016, nr. 186 en Trb. 2021, nr. 89) afspraken gemaakt. Het verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten.
De status van Amerikaans personeel wordt geregeld in de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de status van personeel van de Verenigde Staten in het Caribische deel van het Koninkrijk (Trb. 2012, nr. 226, Trb. 2018, nr. 216 en Trb. 2019, nr. 12).
Over welke direct inzetbare middelen beschikt het Koninkrijk in het Caribisch deel met marine en kustwacht, en over welke opschalingsopties beschikt u?
Defensie heeft voor militaire- en politietaken een permanente militaire presentie in het Caribisch deel van het Koninkrijk van ruim 1.000 medewerkers van meerdere Defensieonderdelen, bestaande uit militairen en burgermedewerkers, met een zwaartepunt in maritiem optreden. Met deze aanwezigheid draagt Defensie bij aan de veiligheid op land, vanaf zee en in de lucht en geeft Defensie invulling aan de primaire taak, namelijk de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Daarnaast draagt Defensie bij aan het bevorderen van de internationale rechtsorde en het ondersteunen van civiele autoriteiten. De Kustwacht Caribisch Gebied is een Koninkrijksorganisatie. Naast dienstverlenende taken, zoals search and rescue, voert de Kustwacht opsporings- en toezichthoudende taken uit. Voor de uitoefening van haar taken beschikt de Kustwacht over varende, vliegende en rijdende eenheden die worden ingezet rond/op zowel de Boven- als Benedenwindse eilanden.
Indien noodzakelijk kunnen Defensiecapaciteiten vanuit Europees Nederland worden ingezet.
Hoe wordt de inzet van de Kustwacht afgestemd met Amerikaanse en regionale partners en zijn, gegeven de actuele situatie, extra personele of materiële maatregelen noodzakelijk?
De inzet van de Kustwacht Caribisch Gebied beperkt zich tot het verantwoordelijkheidsgebied van het Koninkrijk (territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone). Daarvoor vindt normaliter geen afstemming met internationale partners plaats. Defensie voert in nauwe samenwerking met de VS drugsbestrijdingsoperaties uit op volle zee (internationale wateren). Hiervoor vindt intensieve samenwerking plaats onder de coördinatie van de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S). Op dit moment is er geen aanleiding voor wijzigingen van reguliere operaties in het gebied.
Bent u voornemens een Notice to Airmen en/of Navigational Warning af te geven voor de burgerluchtvaart respectievelijk scheepvaart rondom de ABC-eilanden? Zo nee, welke andere maatregelen neemt u om de veiligheid van burgerluchtvaart en scheepvaart rond de ABC-eilanden te borgen, mede gezien cruise- en tankervaart en kritieke haven- en kabelinfrastructuur?
Binnen het Koninkrijk is Nederland verantwoordelijk voor het luchtruim boven Caribisch Nederland. Luchtverkeerdienstverleners uit Curaçao en Sint-Maarten zijn door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen om de luchtverkeersdienstverlening in het Nederlandse luchtruim boven Bonaire, Sint-Eustatius en Saba te verzorgen. Er is op dit moment geen aanleiding om vanwege veiligheidsontwikkelingen een NOTAM3 te publiceren voor het luchtruim van Bonaire, Sint-Eustatius of Saba. Aruba en Curaçao zijn autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden en hebben daarmee eigen bevoegdheden. Het is dan ook aan Aruba en Curaçao om te bepalen of zij voor hun luchtruim een NOTAM publiceren.
Zoals gebruikelijk bij dergelijke ontwikkelingen wordt de Nederlandse burgerluchtvaart ook via de Expertgroep Dreigingsinformatie Burgerluchtvaart op de hoogte gehouden. De luchtvaartmaatschappijen maken hierbij hun eigen risicoanalyse om al dan niet van/naar, over of nabij de regio te vliegen. Verder is, voor wat betreft de waarborging van veiligheid voor de burgerluchtvaart, de Tweede Kamer op 16 september 2024 geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid 10 jaar na het neerhalen van vlucht MH17.4
Op 15 augustus jl. heeft de Minister van IenW een aangescherpte waarschuwing voor de Nederlandse commerciële zeescheepvaart afgegeven voor de territoriale zee, de aangrenzende zone en de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Venezuela, alsook voor de wateren grenzend aan de door Venezuela geclaimde Esequibo-regio van Guyana. Reden hiervoor was de verslechterde veiligheidssituatie op zee en op land, met name de onderschepping van een aantal kleine buitenlandse vaartuigen door de Venezolaanse marine/kustwacht gevolgd door arbitraire detenties van crewleden en/of oplegging van hoge boetes. Er is op dit moment geen aanleiding om deze zeescheepvaartwaarschuwing verder aan te scherpen. Ook wordt in het reisadvies voor Venezuela (zie antwoord vraag 7) de pleziervaart geadviseerd om niet te varen in de territoriale zee, de aangrenzende zone en de EEZ van Venezuela, alsook de wateren ten noorden van de Esequibo-regio van Guyana.
Worden reisadviezen en calamiteitenplannen voor bewoners en bezoekers van de ABC-eilanden geactualiseerd in het licht van deze ontwikkelingen en zo ja, hoe wordt hierover gecommuniceerd met bewoners, bedrijven en de toeristische sector?
Het reisadvies voor Venezuela is op 18 juli 2025 gewijzigd van grotendeels rood en deels oranje (alleen noodzakelijke reizen) naar geheel rood (niet reizen), vanwege willekeurige arrestaties door het regime en de zeer beperkte mogelijkheden om Nederlandse burgers te helpen wanneer die worden aangehouden. Deze wijziging van het reisadvies is actief gecommuniceerd met de autoriteiten en de toeristische sector in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Er is nu geen aanleiding om de huidige crisisplanvorming te actualiseren in het licht van de huidige ontwikkelingen.
Op welke wijze worden de regeringen en Staten van Aruba en Curaçao betrokken bij besluitvorming over defensie en buitenlandse betrekkingen die de situatie in en relatie met Venezuela aan gaan?
De handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk en de buitenlandse betrekkingen zijn conform artikel 3 van het Statuut Koninkrijksaangelegenheden. De Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken treden voor deze onderwerpen feitelijk altijd op als Minister van het Koninkrijk. De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten zijn als vertegenwoordiger van respectievelijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten lid van de Rijksministerraad en maken op die wijze deel uit van de besluitvorming van de Koninkrijksregering. Daarnaast vindt voortdurend bilateraal contact plaats tussen de autoriteiten in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en de Koninkrijksministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. De Commandant der Zeemacht in het Caribisch Gebied (C-ZMCARIB) is als regionale commandant het primaire aanspreekpunt voor Defensie-aanwezigheid en -activiteiten in de regio voor lokale autoriteiten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt in het Caribisch deel van het Koninkrijk vertegenwoordigd door de Speciaal Gezant voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Tevens onderhouden Defensie en Buitenlandse Zaken contact met de Gezaghebber van Bonaire.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn, en zo nodig periodiek, te informeren over de verdere ontwikkelingen en de gevolgen voor het Koninkrijk, inclusief, waar passend, een vertrouwelijke technische briefing over paraatheid, conflictbeheersing en scenario’s?
Indien de situatie in de regio leidt tot een andere veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk zal de regering uw Kamer daarover onverwijld informeren.
Kunt u deze vragen, elk afzonderlijk, beantwoorden voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie?
Ja.