De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
De nominatie van Iran en de verkiezing van China, Cuba, Nicaragua, Saudi-Arabië en Soedan tot commissies van de Verenigde Naties |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Klopt het dat de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) op 8 april Iran heeft genomineerd voor de Commissie voor Programma en Coördinatie (CPC) en China, Cuba, Nicaragua, Saudi-Arabië en Soedan heeft verkozen tot lid van de Commissie voor Niet-Gouvernementele Organisaties? Klopt het dat Nederland deze besluiten heeft gesteund, of althans zich niet heeft gedistantieerd van de consensus? Welke overwegingen speelden hierbij een rol?
Klopt het dat het CPC zich onder andere buigt over thema’s als gendergelijkheid, mensenrechten en voorkomen van terrorisme? Acht Nederland het passend en geloofwaardig dat Iran als onderdeel van de CPC programma’s over dergelijke en andere thema’s gaat beoordelen? Zo, waarom?
Klopt het dat meer dan zeventig maatschappelijke organisaties van tevoren regionale groepen hebben opgeroepen om meer kandidaten aan te leveren voor lidmaatschap van de Commissie over NGO’s?1 Is er opvolging gegeven aan deze oproep? Zo ja, op welke manier?
Hoe beoordeelt u dat landen waarin het maatschappelijk middenveld onder druk staat, via de Commissie mogen bepalen welke maatschappelijke organisaties toegang krijgen tot de Verenigde Naties? Kunt u toelichten waarom u lidmaatschap van dergelijke landen passend vindt en waarom u er bijvoorbeeld vertrouwen in heeft dat deze landen niet tegen de accreditatie van legitieme NGO’s zullen stemmen?
Klopt het dat de Verenigde Staten zich van de besluiten hebben gedistantieerd?2 Waarom heeft Nederland hier niet voor gekozen?
Kunt u in algemene zin schetsen hoe Nederland zich verhoudt tot de deelname van landen die structureel mensenrechten schenden aan commissies die zich bezighouden met het bevorderen van mensenrechten, mede in het licht van Artikel 90 Grondwet? Bent u het eens dat deelname van dergelijke landen niet passend is en bijdraagt aan erosie van de internationale rechtsorde, waar de Verenigde Naties één van de belangrijkste organisaties van is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven op welke momenten Nederland zich in het verleden heeft uitgesproken tegen deelname van landen die structureel mensenrechten schenden aan dergelijke commissies?
Meent u dat extra inzet vanuit Nederland, eventueel met gelijkgezinde landen, nodig is om te voorkomen dat landen die structureel mensenrechten schenden steeds worden verkozen voor commissies die zich bezighouden met mensenrechtengerelateerde onderwerpen? Zo ja, welke inzet kunt u toezeggen? Zo nee, waarom niet?
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Ja.
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Graag verwijst het kabinet u naar de recent verstuurde Kamerbrief over dit onderwerp.2
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Dit is strijdig met internationaal recht. Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarbij zowel Nederland als Israël partij zijn, schrijft voor dat eenieder die ter dood veroordeeld is het recht heeft om gratie of verzachting van het vonnis te vragen. Ten aanzien van het recht om beroep in te kunnen stellen, heeft het VN-Mensenrechtencomité verduidelijkt dat dit onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Een schending van het recht om beroep in te kunnen stellen tegen een veroordelend vonnis waarbij de doodstraf is opgelegd, moet er volgens het VN-Mensenrechtencomité toe leiden dat de opgelegde doodstraf wordt beschouwd als willekeurig en daarmee als een schending van het recht op leven.3
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Nu de wet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Conform het afschaffingsbeleid zet het kabinet zich in tot het instellen van een moratorium als een eerste stap naar afschaffing.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Het wetsvoorstel past binnen de bredere zorgen die het kabinet heeft over de rechtstatelijke ontwikkelingen in Israël. Hierover blijft het kabinet met de Israëlische regering in gesprek.
De exacte gevolgen zijn momenteel niet te voorspellen en zal afhangen van de wijze waarop er daadwerkelijk invulling aan de wet zal worden gegeven. Bovendien ligt er ook een zaak voor bij het Israëlisch hooggerechtshof over de wet. Israël kende altijd al de doodstraf, echter dit is een heel grote stap in de verkeerde richting. Begrijpelijkerwijs leidt tot grote bezorgdheid onder Palestijnen en tot verdere ongelijkheid tussen Israëliërs en Palestijnen. Zie verder het antwoord op vragen 2, 5 en 11.
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Ook het dorp Taybeh is sinds de eerder gestelde Kamervragen opnieuw doelwit geweest van aanvallen. Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld, waaronder geweld tegen christelijke gemeenschappen. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. Zoals bekend zet Nederland zich in EU-verband in voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. De Israëlische autoriteiten hebben aan gegeven steviger te willen gaan optreden tegen gewelddadige kolonisten. Het kabinet moet echter constateren dat dit vooralsnog bij woorden is gebleven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
In het advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof dat Israël systematisch faalt om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat Israël zelf buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen.
In gevallen waar Israëlische autoriteiten wel optreden tegen het geweld, leidt dit vrijwel nooit tot een aanklacht, en daarmee een veroordeling. Uit cijfers van de Israëlische ngo Yesh Din blijkt dat in de periode van 2005–2025 3% van de onderzoeken naar kolonistengeweld tot een veroordeling leidde. Sinds 7 oktober 2023 is het aantal veroordelingen voor kolonistengeweld volgens diezelfde cijfers 0; wel heeft een aantal kolonisten tijdelijk in administratieve detentie gezeten. Het uitblijven van effectieve handhaving werkt straffeloosheid in de hand en draagt bij aan verdere escalatie. Het kabinet blijft dit benadrukken richting de Israëlische regering.
Zowel het Internationaal Strafhof als diverse onderzoeksmechanismen ingesteld door de VN(-Mensrechtenraad) doen reeds onderzoek naar de situatie. Nederland deed de afgelopen jaren een extra vrijwillige bijdrage van in totaal EUR 6 mln. aan het Internationaal Strafhof voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden speelt een belangrijke rol waar het onderzoek naar mensenrechtenschendingen betreft.
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Nederland veroordeelt kolonistengeweld en geweld tegen Palestijnse burgers. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten.
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Het is van belang vanuit verschillende invalshoeken hier een bijdrage aan te leveren. Ten eerste door het beëindigen van de onrechtmatige Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Nederland schaart zich achter de oproep om de onrechtmatige bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van Israëls legitieme veiligheidsbelangen. Het kabinet benadrukt dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor bescherming van de lokale bevolking en voor het vervolgen van daders van misdrijven. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Daarnaast werkt het kabinet aan nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen te weren van de Nederlandse markt.
Nederland zet zich ook actief in via steun aan de Palestijnse Autoriteit en via verschillende ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, met name op het gebied van water, rechtstaat en private sector ontwikkeling, die bijdragen aan de rechtsbescherming en leefbaarheid in de Westelijke Jordaanoever. Lokaal onderhoudt de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden ook contact met Palestijnse gemeenschappen. Nederland draagt bij aan projecten die het tegengaan van straffeloosheid promoten en projecten die Palestijnen, die bedreigd worden door kolonisten, steunen, onder door middel van juridische hulp en weerbaarheidstrainingen.
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Ja. De nabijgelegen buitenpost is verder uitgebreid in de richting van het land van Tent of Nations. Daarnaast is er een toename van intimidaties en incursies door kolonisten.
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Ja. De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden, de nederzettingen aldaar en de daarmee gepaarde infrastructuur zijn onrechtmatig – dus ook de door kolonisten aangelegde infrastructuur nabij en op het land van Tent of Nations. Daar komt bovenop dat ook de Israëlische rechter meermaals heeft geoordeeld dat de aangelegde infrastructuur op het land van Tent of Nations illegaal is en moet worden verwijderd. De Israëlische autoriteiten hebben tot op heden geen actie ondernomen naar aanleiding van deze uitspraken, hetgeen het kabinet afkeurt. Het kabinet kan niet speculeren over waarom deze rechterlijke uitspraken niet nageleefd worden.
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Ja.
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Zie het antwoord op vragen 11, 12 en 13. Er wordt nog altijd gewacht op een (datum voor) uitspraak in de landregistratiezaak van Tent of Nations. Nederland blijft de zaak van Tent of Nations met regelmaat onder de aandacht brengen van de Israëlische autoriteiten, en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheid om de familie Nassar, hun land en hun gasten te beschermen. Dit gebeurt op politiek en ambtelijk niveau, zowel vanuit Den Haag als via de ambassade in Tel Aviv en vertegenwoordiging in Ramallah.
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
Zie antwoord vraag 15.
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Het kabinet heeft de berichten voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Er zijn verschillende theorieën over de etymologische geschiedenis van de benaming van Jeruzalem.
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat er in de conceptgrondwet geen referentie wordt gemaakt naar de bescherming van Joodse heilige plekken in Jerusalem, maar wel naar Islamitische en Christelijke heiligdommen. Het kabinet is van mening dat vrije, veilige en niet-discriminerende toegang tot heilige plaatsen van alle religies – waaronder de Joodse heiligdommen in Jeruzalem – een essentieel onderdeel is van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het kabinet zal de ontwikkelingen omtrent de Grondwet nauwkeurig blijven volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Jeruzalem heeft historisch gezien en vandaag de dag een speciale status in het jodendom, de islam, en het christendom. Het respecteren van verschillende religieuze plaatsen in Jeruzalem is ook vastgelegd in de al lang bestaande Status Quo-overeenkomst. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht en een prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland draagt dit uit en zet zich in om dit recht te beschermen, ook in Israël en de Palestijnse Gebieden. Deze conceptgrondwet is wat het kabinet betreft geen bewijs van ontkenning van de geschiedenis van Jeruzalem door de Palestijnse Autoriteit (PA). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Nederland geeft uitvoering aan deze motie. Het standpunt van het kabinet is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke keuze te maken, en dit in vrijheid en veiligheid te doen. Dat geldt wereldwijd, en daarmee ook in Jeruzalem.
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
De conceptgrondwet voorziet geen directe implementatie van de sharia. Wel wordt in de conceptgrondwet aangegeven dat bepaalde principes van de sharia als inspiratiebronnen gelden voor wetgeving. Dit is gebruikelijk in islamitische landen en heeft geen invloed op de betrekkingen die het kabinet onderhoudt met de PA.
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Daar ben ik mee bekend.
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Er staat dat «rechten van gevangenen zullen worden bewaard». Er wordt in de conceptgrondwet niet gerefereerd aan het sociale zekerheidssysteem waar betalingen aan achterblijvende families van gevangenen onderdeel van zijn op basis van financiële behoeften. Zie ook het antwoord op vraag 10 en 11.
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
De Palestijnse president Abbas ondertekende op 11 februari 2025 een decreet waarin dit systeem werd vervangen door een nieuw sociaal systeem. Het decreet stelt dat deze families in aanmerking komen voor uitkeringen op basis van hun financiële behoeften, net zoals andere Palestijnen die steun behoeven. De hervorming op dit vlak is doorgevoerd en wordt gehandhaafd. President Abbas ontsloeg op 10 november 2025 zijn Minister van Financiën, die volgens berichtgeving goedkeuring had gegeven voor een beperkt aantal betalingen volgens het oude systeem. Daaropvolgend publiceerde president Abbas een verklaring waarin hij de hervormingen t.a.v. het sociale zekerheidssysteem nogmaals bevestigde en waarin hij benadrukte dat alle betalingen volgens dit hervormde systeem zullen plaatsvinden. Het kabinet heeft geen recente signalen ontvangen dat de PA het eerdere systeem van uitkeringen voortzet. Het hervormde systeem wordt momenteel in opdracht van de Palestijnse Autoriteit door een onafhankelijk auditbureau beoordeeld. Daarnaast wordt een onafhankelijke audit uitgevoerd in opdracht van de EU.
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 10.
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend zijn de uitbetalingen in het kader van het meerjarensteunprogramma van de EU aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk van de voortgang op de implementatie van de hervormingen van het sociale systeem, waaronder op het gebied van betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood. Het kabinet dringt er bij de Commissie op aan dat deze afspraken nauwgezet worden gemonitord.
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet informeert de Kamer geregeld over de voortgang van de hervormingen van de PA en zal dit blijven doen.
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.
Het bericht ‘Pakistan court gives Muslim kidnapper custody of Christian girl’. |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Pakistan court gives Muslim kidnapper custody of Christian girl»?1
De precieze details uit het artikel kunnen niet door het kabinet worden geverifieerd. Tegelijk wijst het kabinet elke vorm van huwelijksdwang, gedwongen bekering en (kind)ontvoering ten zeerste af.
Hoe beoordeelt u de rechtsgang bij deze zaak? Bent u van mening dat van eerlijke rechtsgang geen sprake was? Bent u bereid om deze specifieke zaak aan te kaarten in bilateraal verband?
Het kabinet laat zich niet uit over de rechtsgang in derde staten en doet dat in dit geval ook niet.
Nederland spreekt regelmatig met zowel vertegenwoordigers van religieuze minderheden als de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging. Dit gebeurt bilateraal, in Den Haag alsook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, in EU-verband en via diverse multilaterale fora.
Deelt u de conclusie van mensenrechtenadvocaten, zoals gesteld in het artikel, dat dergelijke zaken een terugkerend patroon volgen, waar jonge meisjes «worden ontvoerd, gedwongen bekeerd en seksueel misbruikt onder het mom van islamitische «huwelijken»»?
Ja, dit betreft geen unieke casus.
Bent u bereid om vanuit Nederland actiever op te komen voor deze meisjes en hun families, onder meer door Nederlandse diplomaten dergelijke rechtszaken te laten bijwonen en om de Pakistaanse autoriteiten hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Pakistan (7–10 februari 2026) zijn zorgen over vrijheid van godsdienst en levensovertuiging overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten. Nederland doet dit ook in EU-verband, om meer gewicht aan de boodschap te geven en om met gelijkgezinde landen per zaak de juiste aanpak te vinden met stille diplomatie en publiekelijke verklaringen. In enkele gevallen wonen Nederlandse diplomaten rechtszaken bij.
Ziet u dat het vaak minderjarige meisjes uit minderheidsgroepen zijn, zoals christenen, die worden gedwongen tot islamitische «huwelijken»? Welke rol kan de Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensovertuiging spelen in het aanpakken van deze kwestie?
De praktijk van gedwongen islamitische «huwelijken» komt regelmatig naar voren in rapportages van maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan. Deze rapportages wijzen erop dat met name minderjarige meisjes uit religieuze minderheden een verhoogd risico lopen op ontvoering, gedwongen bekering en daaropvolgende huwelijken. Dit past in het bredere beeld dat de vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan onder druk staat.
In Pakistan worden zorgen over de positie van religieuze minderheden en de toepassing van religiegerelateerde wetgeving zowel bilateraal als in EU-kader besproken. Tijdens het recente bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Pakistan (7–10 februari jl.) zijn deze zorgen specifiek opgebracht. De EU brengt regelmatig zorgen over gedwongen huwelijken op bij de Pakistaanse autoriteiten. De Nederlandse Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging vult deze inzet aan en kan de problematiek structureel agenderen in bilaterale, EU- en multilaterale contacten. Daarbij brengt de gezant signalen samen van maatschappelijke organisaties en diasporagemeenschappen en draagt zo bij aan een gecoördineerde internationale inzet ter bescherming van religieuze minderheden.
Erkent u dat de EU-Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging ook een diplomatieke rol had kunnen spelen, mits we er één hadden gehad? Blijft u aandringen op het aanstellen van deze gezant? Welke concrete stappen kunt u toezeggen hier de komende tijd op te zetten?
Het kabinet erkent dat een EU-Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging een aanvullende diplomatieke rol had kunnen spelen bij het adresseren van deze problematiek, onder meer door deze bilateraal te agenderen en de EU-inzet te versterken. Mede daarom heeft Nederland zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief ingezet voor de benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie in relevante EU-fora te benadrukken. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. Op 26 maart 2026 heeft de Europese Commissie aangekondigd dat mevr. Mairead McGuinness deze functie zal gaan vervullen.
Wat waren de bevindingen van de Europese Commissie bij het bezoek aan Pakistan in het kader van de tweejaarlijkse GSP+ (Generalised Scheme of Preferences Plus) monitoringscyclus over de voortgang op mensenrechten van religieuze minderheden? Is naar het oordeel van de Commissie voldoende voortgang geboekt dat verlenging van de GSP+-status van Pakistan gerechtvaardigd zou zijn? Hoe kijkt u hiernaar?
De volledige rapportage van de monitoringsmissie van de Europese Commissie van december 2025 wordt in de zomer van 2026 verwacht.
In algemene zin kan gesteld worden dat de voortgang op mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, een punt van aandacht blijft voor Pakistan. Zorgen hierover zijn ook recent tijdens het bezoek van de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur in februari 2026 overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang blijven benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Bent u bereid om met de (christelijke) Pakistaanse gemeenschap in Nederland in gesprek te gaan over deze en andere vormen van christenvervolging in het land en welke rol Nederland heeft in de aanpak hiervan?
De vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, zeker in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Pakistan. De Nederlandse mensenrechteninzet en resultaten inclusief voor de vrijheid van religie en levensovertuiging worden periodiek via de mensenrechtenrapportage openbaar gedeeld. Het kabinet ziet nu geen aanleiding om specifiek met de (christelijke) Pakistaanse gemeenschap in gesprek te treden.
Het bericht dat het COA-bewoners van het azc Hardenberg niet elders kan onderbrengen terwijl contracten aflopen |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sluiting azc Hardenberg op de tocht, Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan bewoners niet elders onderbrengen»?1
Ja.
Klopt het dat het asielzoekerscentrum (azc) en de noodopvang in Hardenberg op 8 maart 2026 zouden sluiten omdat contracten en vergunningen aflopen?
Ja.
Hoe kan het dat het Rijk en het COA, ondanks een lang aangekondigde sluitingsdatum, er niet in zijn geslaagd tijdig vervangende opvangplekken te organiseren? Wanneer wist het COA dit en klopt het dat recent nog een persbericht is uitgegaan over het vertrek op 8 maart?
Landelijk is er een tekort aan opvangplekken. Dit heeft meerdere redenen. Zo zijn bijvoorbeeld niet alle plekken uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet gerealiseerd en daarnaast is er sprake van een achterstand op de taakstelling huisvesting statushouders van ongeveer 9.760 personen (d.d. 20 maart 2026). Daar komt bij dat er momenteel meer (tijdelijke) opvanglocaties sluiten dan dat erbij komen. Tot slot is de uitstroom uit COA locaties lager dan de instroom. In de communicatie vanuit het COA richting de omliggende wijk is destijds aangegeven dat dat het azc tijdig zal sluiten. Ondanks alle inspanningen om extra opvangplekken te realiseren, zag het COA zich toch genoodzaakt de asielzoekers langer te laten verblijven in Hardenberg. Het COA is immers verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers en mensen op straat zetten is nooit een oplossing. Hierover is uitvoerig contact geweest tussen het COA en de gemeente Hardenberg.
Deelt u de opvatting dat het Rijk een betrouwbare partner moet zijn voor gemeenten en gemaakte afspraken moet nakomen, zeker wanneer contracten en vergunningen een duidelijke einddatum hebben?
Ik begrijp dat deze gang van zaken het vertrouwen kan schaden. Dat is uiterst ongewenst. Door met gemeenten en provincies in gesprek te blijven wil ik ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt en de samenwerking verbeterd. Gezamenlijk hebben we een opgave te realiseren en iedereen heeft daar zijn rol in te vervullen. Het werken aan structurele oplossingen waarin zowel een rol voor het kabinet als medeoverheden ligt, is hierin ook van belang.
Begrijpt u dat het niet nakomen van dergelijke afspraken het vertrouwen van gemeenten in de Rijksoverheid kan schaden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de situatie? Kunt u alsnog ervoor zorgen dat de afspraak wordt nagekomen? En hoe voorkomt u dat dergelijke situaties zich met het doorvoeren van de Spreidingswet gaan voordoen?
De druk op de opvang is hoog. Er is een bezettingsgraad van 103% en alle bedden zijn bezet. Het COA werkt er hard aan om de bewoners van de locaties in Hardenberg zo snel mogelijk een nieuwe opvangplek te geven. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen is de inzet van het kabinet om een stabiel opvanglandschap te realiseren. In het coalitieakkoord en de voorjaarsnota is stabiele financiering voor het COA gerealiseerd. Daarnaast zal het kabinet de Spreidingswet onverkort uitvoeren, inclusief de toepassing van het interbestuurlijk toezicht. Hierom zijn op 9 april de brieven in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van wet aan gemeenten verzonden. Dit met als doel het realiseren van een goede spreiding door het land. Tot slot zet het kabinet in op het beperken van de instroom en het versnellen van terugkeer zodat in de toekomst minder opvangplekken nodig zijn. Op de korte termijn zijn er nog opvangplekken nodig. Hierover is Uw Kamer op 26 maart jl. geïnformeerd.
Deelt u de zorg dat situaties zoals in Hardenberg het draagvlak voor asielopvang onder inwoners ondermijnen, juist wanneer gemeenten zich jarenlang hebben ingezet voor opvang?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 4 en 5 hecht het kabinet er veel belang aan een betrouwbare partner te zijn. Dit komt ook het draagvlak binnen gemeenten ten goede. Bij de komst van een nieuw azc is het belangrijk om omwonenden daarin tijdig te betrekken. Ik ben gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen op het gebied van asielopvang dankbaar. Ik roep gemeenten die nog niet voldoen op om snel hun verantwoordelijkheid te nemen en solidair te zijn met gemeenten die al wel hun bijdrage leveren. Het is een gemeenschappelijke opgave om voldoende opvangplekken te realiseren. Hiervoor staat het COA en de rijksoverheid samen met gemeenten en provincies aan de lat.
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat gemeenten opnieuw geconfronteerd worden met het verlengen van opvanglocaties terwijl afspraken over sluiting zijn gemaakt?
Ik verwijs naar het antwoord onder vraag 6.
Kunt u deze vragen met spoed uiterlijk op 7 maart 2026 beantwoorden?
Het is niet gelukt om deze vragen voor 7 maart 2026 te beantwoorden.
Het bericht ‘Kerk mag de Grote Kerk van Alkmaar niet huren voor paasdienst. ‘Geen religieuze samenkomsten’' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over het weigeren van de verhuur van de Grote Kerk in Alkmaar voor een gezamenlijke paasdienst van de Protestantse gemeente van Alkmaar, terwijl het gebouw wel wordt verhuurd voor andere bijeenkomsten zoals culturele evenementen en bijvoorbeeld whiskyproeverijen?1
Ja
Hoe verhoudt het weigeren van religieuze samenkomsten zich volgens u tot het uitgangspunt van inclusiviteit dat veel culturele instellingen, mede met steun van de overheid, nastreven en in hoeverre verhoudt dit zich specifiek tot een historisch kerkgebouw (met een beschermde rijksmonumentale status)?
Uit de status van rijksmonument vloeit niet voort dat het gebouw opengesteld moet zijn. Er zijn heel veel rijksmonumenten die niet of zeer beperkt opengesteld zijn. Eigenaren en exploitanten van rijksmonumenten maken daarin hun eigen keuzes, binnen wettelijke kaders. Zie ook vraag 4. In dit specifieke geval is de Stichting Behoud Grote kerk Alkmaar eigenaar van het kerkgebouw. De exploitatie wordt verzorgd door de Stichting Theater De Vest & Grote Kerk Alkmaar (TDVGKA). Het gebouw is niet meer in gebruik als kerk.
Deelt u de opvatting dat religieuze bijeenkomsten, waaronder gebedsdiensten, onderdeel zijn van het immaterieel cultureel erfgoed en van oudsher verbonden zijn met kerkgebouwen die een cultuurhistorische functie hebben?
Het klopt dat er een sterke verbinding is tussen religieuze bijeenkomsten en de plekken waar deze plaatsvinden. Gebedsdiensten in algemene zin zijn echter geen onderdeel van de definitie van «immaterieel erfgoed» in het kader van het Unesco-verdrag ter bescherming van het immaterieel erfgoed. Wel zijn specifieke gebruiken die voortkomen uit en verbonden zijn aan het Christendom op de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland ingeschreven door gemeenschappen die deze gebruiken uitoefenen. Dit gaat bijvoorbeeld om het bovenstemzingen bij psalmen in Genemuiden, de Heiligdomsvaart in Maastricht of de Passiespelen in Tegelen.
Hoe verhoudt deze opstelling zich tot de Algemene wet gelijke behandeling?
Culturele instellingen, zoals als TDVGKA, zijn vrij om op basis van een eigen profielkeuzes te maken ten aanzien van hun programmering en verhuur. Daarbij mogen zij niet discrimineren.
Krijgt de stichting behoud Grote Kerk direct of indirect subsidie van het Ministerie van OCW voor beheer of instandhouding van het kerkgebouw? Zo ja, hoeveel?
De Stichting Behoud Grote kerk Alkmaar heeft van het Ministerie van OCW in 2023 een subsidie van in totaal € 240.998 ontvangen in het kader van de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (Sim). Via de restauratieregeling van de provincie Noord-Holland (die voor ongeveer 50% wordt gefinancierd door het Rijk) heeft de stichting in de laatste ronde (2025) een subsidie van € 85.000,– ontvangen.
Kunt u toelichten welke voorwaarden uw ministerie verbindt aan subsidies voor het behoud en de exploitatie van religieus erfgoed en of daarbij aandacht is voor non-discriminatie en gelijke toegang voor verschillende vormen van gebruik, waaronder religieus gebruik?
Vanuit het rijk zijn er voor rijksmonumenten geen exploitatiesubsidies. Voor de instandhouding van niet-woonhuis rijksmonumenten (onderhoud en restauratie) zijn de Sim en de provinciale restauratieregelingen beschikbaar. De Sim kent geen eisen ten aanzien van het gebruik en de toegankelijkheid. De provincie Noord-Holland stelt als eis dat het monument tenminste 24 dagen per jaar voor publiek toegankelijk is.
Acht u het wenselijk dat een gebouw met een eeuwenlange religieuze functie, dat tegenwoordig mede met publieke middelen in stand wordt gehouden, expliciet wordt uitgesloten van religieus gebruik, terwijl andere vormen van samenkomst wel zijn toegestaan?
Ik snap de teleurstelling van de Protestantse gemeente van Alkmaar. Ik heb vernomen dat de gemeente Alkmaar voornemens is om met partijen in gesprek te gaan.
Vindt u het verenigbaar met het doel van deze subsidies dat religieuze gemeenschappen worden uitgesloten van gebruik van religieus erfgoed, terwijl zij historisch en inhoudelijk nauw met dat erfgoed verbonden zijn?
Het doel van de subsidies is de instandhouding van het cultureel erfgoed. Voortgezet gebruik is doorgaans de beste manier om dit behoud te realiseren, maar als dat niet langer mogelijk is draagt herbestemming hier ook aan bij. Van geval tot geval moet dan worden bekeken welke mogelijkheden er zijn.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiebeleid van uw ministerie voldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat met publieke middelen ondersteunde instellingen bepaalde levensbeschouwelijke groepen structureel uitsluiten?
Ik zie hier geen noodzaak toe aangezien de waarborgen tegen uitsluiting reeds in andere wetgeving vastliggen. Zie antwoord 4.
Ziet u mogelijkheden om, in overleg met gemeenten en gesubsidieerde erfgoedinstellingen, richtlijnen te bevorderen waarin recht wordt gedaan aan zowel de culturele als de religieuze betekenis van voormalige kerkgebouwen?
Het programma Toekomst Religieus Erfgoed, waarin kerken, overheden en erfgoedinstellingen samenwerken, richt zich op zowel de culturele als de religieuze betekenis van kerkgebouwen. Dat vraagt altijd om maatwerk. Er zijn diverse handreikingen ontwikkeld die hier ondersteunend aan zijn, zoals de «Handreiking religieus erfgoed voor burgerlijke en kerkelijke gemeenten».2
Zijn er meerdere gevallen bekend waarbij subsidie wordt verstrekt aan eigenaren danwel beheerstichtingen van een historische kerk, maar waarbij kerkactiviteiten expliciet verboden zijn? Zo ja, hoeveel en in hoeveel gevallen subsidieert het Ministerie van OCW deze?
Nee, hiervan zijn mij geen gevallen bekend. Overigens is een verbod ook in dit specifieke geval niet aan de orde.
Hoe verhoudt zich dit tot de bedoeling van de opgestelde handreiking kerkenvisie?
De handreiking kerkenvisie is gericht op de totstandkoming van een kerkenvisie langs de lijnen van dialoog en overleg. Een kerkenvisie is een document aan de hand waarvan vervolgens keuzes gemaakt kunnen worden ten aanzien van de toekomst van kerkgebouwen. Die keuzes moeten zich houden aan geldende wet en regelgeving.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de motie Ceder die de regering verzoekt in samenspraak met Toekomst Religieus Erfgoed te verkennen op welke manier belemmeringen bij functiebehoud kunnen worden weggenomen om zo veel mogelijk kerkgebouwen een goede herbestemming te geven?2
In de Kamerbrief van 2 juni 2025 heeft mijn voorganger aangekondigd het programma Toekomst Religieus Erfgoed te zullen voortzetten en daarbij specifiek aandacht te hebben voor het nevengebruik van kerkgebouwen door (christelijke) migrantengemeenschappen en de mogelijke belemmeringen daarbij.4
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen en erfgoedorganisaties om te voorkomen dat religieus erfgoed vervreemdt van de gemeenschappen waarvoor het nog altijd een levende betekenis heeft?
Gesprekken over de relatie tussen religieuze gemeenschappen en het behoud van religieus erfgoed vinden doorlopend plaats binnen het Programma Toekomst Religieus Erfgoed.
Wilt u deze vragen uiterlijk voor de behandeling van de OCW-begroting beantwoorden?
Ja.
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
De situatie in Syrië |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het staakt-het-vuren dat zou zijn overeengekomen tussen het Syrische regeringsleger en de SDF?
In de afgelopen periode is de situatie in noordoost-Syrië zeer complex geweest, waarbij de ontwikkelingen elkaar snel opvolgden. Na het staakt-het-vuren van 20 januari, dat op 24 januari verlengd werd, kwamen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) op 30 januari een permanent staakt-het-vuren overeen. Onderdeel van deze overeenkomst is ook de integratie van de SDF en de gebieden in het noordoosten in de Syrische staat. Het kabinet verwelkomt deze overeenkomst. Van belang is dat er een vreedzame en duurzame oplossing tussen de twee partijen wordt gevonden, dat de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd en dat ontheemden veilig en verantwoord terug kunnen keren. Het kabinet blijft de situatie op basis hiervan nauwgezet volgen.
Op basis van welke actuele informatie concludeert u dat er geen risico bestaat op escalatie met Koerdische actoren in Irak, en acht u deze inschatting nog houdbaar in het licht van de gebeurtenissen sinds het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken gehouden op 13 januari jl.?
Het kabinet baseert zijn inschatting op informatie van het postennetwerk in de regio, internationale partners en veiligheidsdiensten. Daarbij wordt onderkend dat de situatie in Syrië en de bredere regio voortdurend in beweging is en dat ontwikkelingen in Syrië kunnen doorwerken in buurlanden, waaronder Irak. In het licht van de ontwikkelingen in noordoost-Syrië is het inderdaad zaak om deze inschatting continu te herijken. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en stemt hierover af met internationale partners.
Bent u bereid zich in te zetten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de toedracht en verantwoordelijkheden rond het vrijlaten van IS-terroristen uit de gevangenis van Al-Shaddadi, en te pleiten voor gerichte EU-sancties tegen personen of entiteiten die hiervoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden?
Het tegengaan van straffeloosheid is een prioriteit voor het kabinet. Het is zodoende van belang dat er duidelijkheid komt ten aanzien van de berichten dat IS-terroristen bewust zouden zijn vrijgelaten. Dit belang brengt het kabinet, ook via de EU, over aan de Syrische overgangsregering.
Duidelijkheid ten aanzien van wat er precies is voorgevallen en wie eventueel verantwoordelijk is geweest, kan op verschillende manieren worden bereikt. Het kabinet zet zich, ook in EU-verband, actief in voor het tegengaan van straffeloosheid en draagt hiertoe bij aan verscheidene organisaties die actief zijn op het gebied van monitoring en onderzoek. Het gaat dan onder meer om het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Mocht blijken dat individuen of entiteiten verantwoordelijk zijn voor het vrijlaten van IS-terroristen, dan zal Nederland dit in EU-verband agenderen en bezien welke vervolgstappen binnen de geldende EU-kaders passend zijn. Het sanctie instrumentarium is daarbij één van de opties.
Bent u bereid om in EU-verband financiële en politieke steun aan de Syrische overgangsregering ter discussie te stellen, als vastgesteld wordt dat de autoriteiten ook maar enige verantwoordelijkheid dragen voor het ontsnappen van IS-terroristen?
De inzet van het kabinet ten aanzien van Syrië vraagt om een voortdurende en zorgvuldige afweging. Veiligheid en stabiliteit in Syrië zijn van groot belang voor Nederland en voor alle Syrische gemeenschappen. Vanuit dit perspectief zet het kabinet zich in voor humanitaire hulp, economische ontwikkeling, wederopbouw en het tegengaan van straffeloosheid.
Mede daartoe onderhoudt het kabinet contact met de Syrische overgangsregering, waarbij het kabinet zich nadrukkelijk bewust is van de achtergrond van de huidige machthebbers in Damascus en van zorgwekkende ontwikkelingen in het afgelopen jaar, waaronder de geweldsescalaties in Latakia en Sweida. Gelet op bovengenoemde inzet en met het oog op het beperken van de invloed van landen als Iran en Rusland, acht het kabinet het noodzakelijk om te blijven engageren met de Syrische overgangsregering.
Het kabinet spreekt de overgangsregering daarbij consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen en het bevorderen van een inclusieve politieke transitie. In EU-verband zet het kabinet zich in voor een voorwaardelijke benadering van financiële en politieke steun, waarbij deze gekoppeld is aan de concrete stappen die de overgangsregering zet op deze terreinen. Recentelijk heeft het kabinet dit, volgend ook op de motie Stoffer en Ceder1, onder meer opgebracht in de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl.2
Indien wordt vastgesteld dat de autoriteiten verantwoordelijkheid dragen voor ernstige misstanden, waaronder betrokkenheid bij ontsnappingen van aan IS-gelieerde personen of aanhoudend geweld tegen minderheden, dan zal het kabinet zich ervoor inzetten om de steun opnieuw te wegen en, waar nodig, ter discussie te stellen.
Deelt u de conclusie dat de in de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 32 623, nr. 334) gestelde voorwaarden voor normalisatie van de betrekkingen met Damascus door het aanhoudende geweld tegen minderheden niet worden nageleefd? Zo ja, welke consequenties verbindt het kabinet hieraan voor de Nederlandse en Europese steun aan regering van Al-Sharaa?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland en de EU de Koerden in Syrië politiek, diplomatiek en strategisch steunen, onder meer via partners in de Koerdische autonome regio in Noord-Irak? Ziet u mogelijkheden om deze steun uit te breiden?
Nederland en de EU steunen Syrië via een breed pakket aan humanitaire hulp, steun voor vroeg herstel en sociaaleconomische stabilisatie, waaronder een EU-steunpakket van circa EUR 620 miljoen voor 2026–2027. Deze inzet is gericht op een vreedzame en inclusieve transitie en komt ten goede aan de Syrische bevolking als geheel, waaronder ook Koerdische gemeenschappen.
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een stabiel Syrië waarin de rechten van alle burgers worden gerespecteerd. Daarin maken Nederland en de EU geen onderscheid tussen bevolkingsgroepen.
Klopt het dat de Syrische interim-regering de aanvallen op de SDF op religieuze gronden legitimeert?1 Hoe beoordeelt u dit? Welke consequenties verbindt het kabinet aan religieuze rechtvaardiging van geweld door autoriteiten voor Nederlandse en Europese steun aan Syrië?
Het kabinet is bekend met berichtgeving dat (individuen binnen) de Syrische overgangsautoriteiten religieuze taal zouden gebruiken om optreden tegen de SDF te ondersteunen. Deze berichten zijn echter moeilijk onafhankelijk te verifiëren. In zijn algemeenheid geldt dat het kabinet religieuze rechtvaardiging van geweld, als ook het typeren van groepen op basis van religieuze identiteit, onaanvaardbaar acht.
Acht u het waarschijnlijk dat ontsnapte IS-strijders terugkeren op Europese bodem? Erkent u dat er dan sprake is van een risico voor de nationale en Europese veiligheid? Liggen er concrete protocollen klaar? Zo nee, bent u bereid deze in Europees verband te laten opstellen?
De acute situatie rond Selibon |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat heeft het Rijk ondernomen naar aanleiding van de recente gebeurtenissen op Bonaire?1
Op 20 november heeft de Staatssecretaris van BZK met het Bestuurscollege van Bonaire de bestuursovereenkomst «Samenwerking Aanpak Selibon Lagun» gesloten. Deze bestuursovereenkomst is toegevoegd aan het Bestuursakkoord Bonaire 2024–2027. Monitoring van de voortgang vindt plaats tijdens de periodieke «Stuurgroep Bestuursakkoord Bonaire» met deelneming van het Bestuurscollege, vertegenwoordigers van BZK en waar relevant betrokken departementen.
In de bestuursovereenkomst zijn korte termijn maatregelen opgenomen die mede door BZK gefinancierd worden en die de omstandigheden voor de omwonenden van de stortplaats op korte termijn zichtbaar en merkbaar zullen verbeteren. Daarnaast ziet de bestuursovereenkomst op een langetermijnperspectief voor afvalverwerking, inclusief sluiting van de stortplaats op uiterlijk 31 december 2028.
Naar aanleiding van de recente gebeurtenissen is geconstateerd dat een aantal maatregelen rond het stortplaatsbeheer moeten worden geherprioriteerd. Hierover is de Staatssecretaris van BZK momenteel in gesprek met het bestuurscollege.
Hoe is de brand ontstaan?
Op basis van de momenteel beschikbare informatie kan nog geen uitspraak worden gedaan over de wijze waarop de brand van 17 tot en met 19 januari jl. is ontstaan. Selibon heeft inmiddels conform het bedrijfsnoodplan een onderzoeksteam ingesteld die mogelijke oorzaken in beeld zal brengen waarbij zoveel mogelijk aspecten in het onderzoek zullen worden meegenomen waaronder een reconstructie van de gebeurtenissen en mogelijk forensisch onderzoek. Een onderzoeksteam is inmiddels gestart en zal naar verwachting medio februari 2026 met conclusies en aanbevelingen komen.
Welke acties heeft het kabinet ondernomen naar aanleiding van de aangenomen motie Ceder c.s. over het structureel oplossen van de problematiek rondom Selibon (Kamerstuk 22 343, nr. 422) waarin werd verzocht om het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de noodzakelijke coördinerende rol te laten nemen in het oplossen van de problemen? Voert het ministerie inmiddels de regie? Zo nee, waarom niet? Heeft u vertrouwen in de aansturing van lokale overheid?
De regie voor afvalbeheer ligt primair bij het Openbaar Lichaam Bonaire, afvalbeheer is immers een eilandelijke taak. BZK en IenW ondersteunen en faciliteren het bestuurscollege daarbij. In de door de Staatssecretaris op van BZK op 20 november 2025 gesloten bestuursovereenkomst is opgenomen dat partijen gezamenlijk streven naar sluiting van Selibon Lagun uiterlijk op 31 december 2028. Het Bestuurscollege besluit uiterlijk 1 juli 2026 over een alternatieve locatie voor afvalverwerking. In de bestuursovereenkomst is verder opgenomen dat de uitwerking van aanvullende afspraken over de uitvoering en governance ook voor 1 juli 2026 gezamenlijk door BZK, IenW en LVVN uitgewerkt moeten zijn.
Wat is er in de tussentijd geprobeerd om de problemen structureel op te lossen en de ramp die er nu plaatsvindt te voorkomen?
In de periode voorafgaand aan het incident zijn binnen de reguliere bedrijfsvoering van Selibon maatregelen genomen die gericht zijn op toezicht, signalering en beheersing van operationele risico’s op de stortplaats. Deze maatregelen hebben voornamelijk een beheersmatig karakter. Voor het structureel oplossen van het afvalvraagstuk op Bonaire is meer nodig. In de bestuursovereenkomst is opgenomen dat het Bestuurscollege, BZK, IenW en LVVN onder regie van het Bestuurscollege gezamenlijk voor 1 juli 2026 met een plan van aanpak voor structurele oplossing zullen komen.
Wat doet het ministerie nu om de acute situatie op te lossen en de lokale autoriteiten te helpen?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 1. In de bestuursovereenkomst zijn onder andere korte termijn maatregelen en financiering opgenomen die op korte termijn tot merkbare en zichtbare verbeteringen moeten leiden.
Is er, als gevolg van de recente branden, sprake van gezondheidsrisico’s voor bewoners?
Het is niet bekend of er sprake is gezondheidsrisico’s als gevolg van de brand van 17 januari 2026. Er zijn tijdens de brand geen (lucht)metingen verricht.
Wel is bekend dat er 55 meldingen waren van omwonenden vanwege onder andere rookoverlast en deze omwonenden elders zijn onder gebracht in hotels.
Bent u in gesprek met de stichting Pro Lagun? Bent u bereid structureel in gesprek te gaan en te blijven over de ontwikkelingen?
Ja, ik ben in gesprek met de stichting Pro Lagun. Tijdens mijn bezoek in oktober 2025 heb ik uitgebreid met hen gesproken, wat mede heeft geleid tot de bestuursovereenkomst die ik in november heb ondertekend.
Ik vind het van belang dat omwonenden een structurele plek krijgen bij deze hersteloperatie. Hierover hebben Bonaire, BZK en ProLagun nadere werkafspraken gemaakt. Daarbij ben ik in gesprek met de stichting Pro Lagun over de manier waarop ik hen kan ondersteunen.
Past de huidige manier van afvalstorten binnen de geldende veiligheidsvoorschriften? Zo nee, kan het kabinet zo specifiek mogelijk zijn op welke onderdelen in strijd met geldende wet- en regelgeving wordt gehandeld?
Tijdens de inspectie in augustus 2024 constateerde de ILT bij Selibon dat sprake was van een zorgwekkende, complexe en urgente situatie. De stortplaats heeft momenteel nog geen vergunning, wel is een vergunningsaanvraag ingediend en heeft het OLB een gedoogverklaring afgegeven.
Hoe staat het kabinet tegenover afvalscheiding aan de bron waarbij groente-, fruit- en tuinafval en bouwpuin apart worden verwerkt, waardoor een deel lokaal kan worden hergebruikt en minder afval hoeft te worden afgevoerd?
Het aan de bron scheiden van deze twee grote stromen is een zeer positieve ontwikkeling waarvoor het OLB inmiddels al de nodige initiatieven heeft genomen.
Wat vindt het kabinet van de uitspraak van Pro Lagun dat doorgaan met storten op termijn alleen maar leidt tot hogere kosten door branden, gezondheidsrisico’s en milieuschade?
Om te voorkomen dat verdere milieuschade kan ontstaan streven partijen er gezamenlijk naar Selibon Lagun uiterlijk op 31 december 2028 te sluiten. Het storten van afval op Lagun zal per die datum worden gestopt.
Acht het kabinet het plan van het college om over 2 jaar over te gaan naar een nieuw systeem een verantwoord plan en kan het kabinet instaan voor de veiligheid en gezondheid van omwonenden? Zo ja, bent u bereid om hier extern onderzoek naar te laten doen?
Het besluit over een alternatieve locatie voor afvalverwerking en de daaraan verbonden maatregelen zal uiterlijk 1 juli 2026 door het Bestuurscollege genomen worden om uiterlijk op 31 december 2028 de stortplaats te kunnen sluiten. Partijen zullen de voortgang en uitvoering periodiek monitoren in bestuurlijke overleggen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over een extern en onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren (Kamerstuk 22 343, nr. 423) naar het ontstaan en verloop van de situatie rondom Selibon?
Ik vind het van belang om nu prioriteit te geven aan de uitvoering van de korte termijn maatregelen. Zodra er besluitvorming heeft plaatsgevonden over de structurele oplossing, ben ik voornemens een onderzoek uit te laten voeren naar het ontstaan van de situatie.
Kunt u toelichten hoe de motie Ceder/Van der Burg over voor 1 juli 2026 een gedragen (financieel) plan voor een structurele oplossing van Selibon Lagun (Kamerstuk 36 800 IV, nr. 38) wordt uitgevoerd?
Onder regie van het Bestuurscollege en met ondersteuning van BZK, IenW en LVVN, wordt gewerkt aan de uitwerking van structurele scenario’s. Daarbij wordt tevens bezien of het bestaande juridische instrumentarium toereikend is, of dat aanvullende wettelijke regels noodzakelijk zijn om uitvoering en naleving te borgen.
De Kamer zal vóór de zomer van 2026 worden geïnformeerd over de voortgang en de contouren van deze structurele aanpak.
Is het kabinet bereid om deze vragen, gezien de acute situatie, zo snel mogelijk maar uiterlijk voor 23 januari 2026 beantwoorden?
Voor de afstemming van de antwoorden was enige tijd nodig, ik heb de antwoorden zo spoedig mogelijk als mogelijk was aan u toegezonden.
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Ja, deze artikelen zijn ons bekend.
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Het kabinet is ermee bekend dat er verschillende standpunten bestaan ten aanzien van het gebruik van het vrij te laten bedrag (vtlb) voor het vaststellen van de afloscapaciteit in buitengerechtelijke schuldregelingen. Het gebruik van het vtlb heeft als mogelijke uitkomst het zogenoemde «nulaanbod» als er geen afloscapaciteit is. Een buitengerechtelijke schuldregeling komt vrijwillig tot stand tussen de schuldenaar en de schuldeisers, waarbij contractsvrijheid het uitgangspunt is. Vanwege de vrijwilligheid is er weinig in wetgeving vastgelegd over de wijze van uitvoering. Het is aan schuldenaren en schuldeisers om tot afspraken over het aflossen van de schuldenlast te komen. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van een schuldhulpverlener.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) is in artikel 4a, vijfde lid opgenomen dat tenminste de beslagvrije voet (bvv) in acht moet worden genomen in het plan van aanpak, waar een schuldregeling onderdeel van kan zijn. Het vtlb ligt in de meeste gevallen niet onder de bvv en het gebruik ervan is daarmee als zodanig niet onrechtmatig in het licht van artikel 4a, vijfde lid van de Wgs.
Het kabinet realiseert zich dat de memories van toelichting bij de Wgs (2012 en 2021) tegenstrijdige informatie bevatten ten aanzien van het gebruik van het vtlb en de bvv. Het kabinet is hierover in gesprek, ook met betrokken partijen uit de praktijk, om te bezien hoe deze onduidelijkheid weggenomen kan worden. We komen over de uitkomsten uiterlijk in het tweede deel van 2026 terug bij uw Kamer.
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
De branchevereniging NVVK vertegenwoordigt een groot deel van schuldhulpverlenende instanties in Nederland. Dit doet zij onder andere door het opstellen van standaarden voor de schuldhulpverlening waar haar leden zich aan verbinden en het maken van collectieve afspraken met (koepels van) schuldeisers. Het staat de branche vrij om, binnen de kaders van geldende wet- en regelgeving, invulling te geven aan werkwijzen met betrekking tot de schuldhulpverlening. Het is voor de schuldhulpverleningspraktijk wenselijk dat dat de NVVK haar leden een uniform kader biedt waardoor zowel schuldeisers, schuldenaren en schuldhulpverleners weten waar ze aan toe zijn.
Het is van belang dat een schuldenaar zich inspant om een zo groot mogelijk deel van de schuld af te lossen binnen de mogelijkheden van zijn persoonlijke financiële situatie. Het kabinet vindt het belangrijk dat niemand in een uitzichtloze schuldensituatie belandt. Het kabinet hecht er ook aan dat de kwaliteit van schuldhulpverlening wordt vergroot en de uitvoering meer wordt geüniformeerd. Daarom heeft het kabinet een basisdienstverlening schuldhulpverlening afgesproken met VNG, NVVK en Divosa.4 Daarnaast heeft de NVVK een keuzehulp5 ontwikkeld waarmee de schuldhulpverlener kan beoordelen wat het best passende instrument is voor de schuldeisers en schuldenaar. Hierin is vermeld dat als de verwachting bestaat dat gedurende de looptijd van 18 maanden de afloscapaciteit kan toenemen, niet gekozen wordt voor een saneringskrediet maar voor schuldbemiddeling.
Het is belangrijk om te benadrukken dat zowel het vtlb als de bvv niet hetzelfde zijn als het bestaansminimum. Wel zijn beide berekeningswijzen erop gericht om te borgen dat mensen met problematische schulden een minimumbedrag overhouden om van te leven en af te lossen.
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Het kabinet herkent de zorg dat het ontbreken van afloscapaciteit via de vtlb-berekening grote consequenties kan hebben voor schuldeisers. Het uitgangspunt bij het aflossen van schulden is wederkerigheid en draagkracht, waarbij er altijd ruimte moet zijn voor individuele gevallen waarbij blijkt dat niet kan worden afgelost. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat schuldenaren tijdens een schuldregeling voldoende financiële middelen overhouden om te voorzien in hun levensonderhoud. Dit uitgangspunt staat op gespannen voet met het belang van schuldeisers. Het is daarom belangrijk dat er kritisch wordt gekeken naar wat iemand kan afdragen. Los daarvan houdt het kabinet aandacht voor passende begeleiding en nazorg voor schuldenaren die zich melden voor schuldhulpverlening. Het doel van begeleiding en nazorg is om de financiële redzaamheid te versterken en te voorkomen dat mensen opnieuw in een situatie van problematische schulden terecht komen. Gemeenten kennen de wettelijke verplichting om nazorg te bieden. Op welke manier financiële begeleiding en nazorg kan worden geboden is uitgewerkt in de basisdienstverlening. In lijn met de motie Van Eijk (VVD) en Inge van Dijk (CDA)6 is opgenomen dat de nazorgperiode 12 maanden duurt. Hiermee blijft de inwoner nog in ieder geval 12 maanden na finale kwijting van de schulden in beeld, ook wanneer er sprake is geweest van een «nulaanbod».
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is in de Wgs opgenomen dat tenminste de beslagvrije voet in acht moet worden genomen, waarbij, zoals toegelicht in de memorie van toelichting op pagina 17, ten minste 5% van het inkomen gebruikt kan worden voor aflossing van schulden. In de memorie van toelichting staat ook dat het ophogen van de beslagvrije voet is toegestaan, het verminderen niet. Daarmee is het toepassen van het vrij te laten bedrag niet strijdig met de Wgs. De Wgs gaat over de gemeentelijke schuldhulpverlening in den brede, niet specifiek over schuldregelingen.
De Faillissementswet biedt de mogelijkheid om, bij het ontbreken van afloscapaciteit, de rechtbank direct om toegang tot de Wsnp te verzoeken, zonder daarvoor eerst een buitengerechtelijke poging te hebben gedaan. Het is daarmee voor schuldhulpverleners mogelijk om bij het ontbreken van afloscapaciteit toch een voorstel voor een buitengerechtelijke schuldregeling voor te leggen aan de schuldeisers of om namens de schuldenaar een verzoek tot toelating tot de Wsnp in te dienen. Juist doordat een buitengerechtelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen staat het hen vrij om de voorwaarden van de schuldregeling met elkaar af te stemmen. Wanneer partijen er onderling niet uitkomen, is er een mogelijkheid om een dwangakkoord aan te vragen. De rechter beoordeelt bij een dwangakkoord alleen of een schuldeiser op redelijke gronden heeft geweigerd. Dit wordt gedaan op basis van de door de schuldeiser aangedragen argumenten.
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
In december 2024 heeft de NVVK gepubliceerd dat uit dossieronderzoek blijkt dat er bij een derde van de dossiers geen aflossingscapaciteit is.7 Bij dit onderzoek is tevens gekeken naar de kenmerken van de schuldenaren die geen mogelijkheid hebben tot aflossing. Het betreft met name schuldenaren die leven van een uitkering (84%), de grootste groep is alleenstaand (57%) en in 23% betreft het een alleenstaande ouder met kind(eren). Dit dossieronderzoek is echter uitgevoerd onder een deel van de NVVK leden en betreft dus niet een volledige weergaven van alle leden. In de loop van het tweede kwartaal van 2026 zal de NVVK het jaarverslag van 2025 publiceren, hierin zullen recentere cijfers worden weergeven die betrekking hebben op alle leden. In afwachting van deze cijfers wordt nader onderzoek daarom op dit moment niet noodzakelijk geacht.
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Enkel het maandelijks aflossen van een deel van de totale schuldenlast leidt niet direct tot gedragsverandering. Begeleiding kan wel leiden tot een gedragsverandering. Daarom is begeleiding passend bij de situatie van de schuldenaar nodig. Middels de basisdienstverlening worden handvatten geboden voor het bieden van begeleiding en nazorg.
Uit recent onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam blijkt dat schuldeisers sinds de halvering van de aflosperiode per 1 juli 2023 niet minder akkoord gaan met schuldregelingen. In dit onderzoek was het lastig om de wijzigingen per 1 juli 2023 (halvering aflosperiode) en 1 juli 2024 (toepassen vtlb met mogelijk gevolg «nulaanbod») los van elkaar te zien. In het onderzoek gaven schuldeisers wel aan zorgen te hebben over de uitvoering van financiële begeleiding en nazorg voor mensen in een schuldregeling. Om terugval in schuldenproblematiek te voorkomen, is goede begeleiding en nazorg noodzakelijk. Voor grotere schuldeisers kan het financieel-administratief aantrekkelijker zijn om een schuld direct af te boeken in plaats van een relatief klein deel van de schuld, of niets, terug te ontvangen. Voor kleinere schuldeisers kan dit anders liggen, omdat de impact van het afboeken van een schuld voor hen groter is op de financiële situatie van het bedrijf. Dit beeld wordt ook ondersteund door de bevindingen die voortkomen uit het onderzoek dat heeft plaatsgevonden binnen de verkorting minnelijke schuldregelingen en Wet schuldsanering natuurlijke personen.8
Op dit moment achten wij onderzoek naar gedragsverandering in relatie tot terugval niet opportuun. Dit komt met name door het gebrek aan landelijke data over terugval. Door middel van het project Data Delen Armoede en Schulden (DDAS9) wordt data op een uniforme wijze vergaard, waardoor er meer inzicht komt in onder andere terugvalcijfers. De verwachting is dat in 2027 de eerste cijfers worden gepubliceerd. Op basis van deze gegevens zal ik bezien of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wij voeren regelmatig overleg met schuldeisers, schuldhulpverleners en mensen met schulden om de gewenste en ongewenste effecten van het beleid in de gaten te houden. Dit blijven we doen. In recent onderzoek dat door de Hogeschool van Amsterdam is uitgevoerd zijn de ervaringen van schuldeisers, schuldhulpverleners en schuldenaren opgehaald met betrekking tot de verkorting van het buitengerechtelijke traject.10 De onderzoekers gaven hierbij aan dat het moeilijk was om de verkorting geïsoleerd van de ontwikkelingen rond het toepassen van de vtlb-berekening te onderzoeken. Daarmee is in het onderzoek ook deels gekeken naar de ervaringen met het «nulaanbod». De conclusie van het onderzoek was dat er, na enige initiële weerstand, nu overwegend wordt meegewerkt aan schuldregelingen door schuldeisers. Wel gaven zowel schuldeisers als schuldhulpverleners aan zorgen te hebben over het risico op terugval nu de duur van schuldregelingen is verkort en er vaker sprake is van ontbrekende afloscapaciteit.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om voor schuldregelingen een herijking uit te voeren van het beleid. Het uitgangspunt is dat er sprake is van een buitengerechtelijke schuldregeling en deze vrijwillig tot stand komt tussen de schuldenaar en de schuldeisers waarbij contractsvrijheid het uitgangspunt is. Leidend hierin is dat tenminste de beslagvrije voet in acht moet worden genomen en dat daar enkel naar boven toe van mag worden afgeweken.
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Een schuldhulpverlener bepaalt, op basis van de situatie van de schuldenaar, welk instrument passend is voor het oplossen van de schuldenlast. Als de verwachting is dat er nog mogelijkheden zijn voor de schuldenaar om een (hoger) inkomen te vergaren gedurende de looptijd van de schuldregeling ligt een schuldregeling met een spaarprognose-aanbieding (schuldbemiddeling) meer voor de hand dan een saneringskrediet waarbij de schuld direct wordt afgeboekt en de schuldenaar een maandelijks (vast) bedrag terugbetaalt aan een gemeentelijke kredietbank. Als blijkt dat er geen aflossingsmogelijkheden zijn, dan kan de schuldhulpverlening een «nulaanbod» doen. Het staat een schuldhulpverlener vrij om, ook bij een «nulaanbod», een schuldbemiddelingstraject aan te bieden. De schuldregelaar motiveert zijn beslissing bij het aanbod aan de schuldeisers.
Bij alle vormen van schuldregelingen staat voorop dat het bieden van passende financiële begeleiding noodzakelijk is. Wanneer een inwoner zich meldt bij de gemeentelijke schuldhulpverlening wordt er naast een plan van aanpak ook een begeleidingsplan opgesteld. Hierin staat vermeld welke vorm van begeleiding de schuldenaar ontvangt en welke doelen behaald dienen te worden met die begeleiding. Dit alles heeft als doel om terugval in een schuldensituatie te voorkomen.
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Het past het kabinet niet om in te gaan op het rechterlijk oordeel in een individuele zaak. Het is aan de rechter om te oordelen of sprake is van onredelijke weigering van de schuldeiser(s). Wel blijft het kabinet de jurisprudentie over schuldregelen zonder afloscapaciteit op de voet volgen.
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Gelijk aan het antwoord op vraag 10, gaat het kabinet niet in op individuele gerechtelijke uitspraken.
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Het klopt dat in Wsnp-zaken wordt gerekend met het vrij te laten bedrag. Dit is op basis van de door Recofa (Rechters-commissaris Faillissementen en surseances van betaling) ontwikkelde methode. Dit past binnen het wettelijk kader van de Wsnp, waarbij artikel 295 van de Faillissementswet een grondslag kent voor het vtlb. Het vtlb bestaat uit de bvv en een door de Recofa vastgesteld nominaal bedrag. In het nominaal bedrag worden correcties opgenomen voor noodzakelijke en onvermijdelijke kosten waar de bvv geen rekening mee houdt. Het criterium daarbij is minimaal maar toereikend, zodat er enerzijds zoveel mogelijk gespaard wordt voor schuldeisers en er anderzijds geen nieuwe schulden hoeven te ontstaan tijdens de schuldregeling. Bij een negatieve correctie kan het nominaal bedrag op nihil uitkomen en is het vtlb gelijk aan de beslagvrije voet. De richtlijnen voor de nominale correcties zijn vastgelegd in het vtlb-rapport, dat halfjaarlijks wordt geactualiseerd. De wet laat het immers aan de rechter-commissaris om dit nominaal bedrag vast te stellen.
Aan het einde van een Wsnp-traject wordt pas bezien wat er daadwerkelijk gereserveerd kon worden gedurende de schuldregeling. De uitkomst van de berekening van het vtlb kan ertoe leiden dat er minder dan 5% van het inkomen wordt afgelost of zelfs helemaal niet kan worden afgelost. Hier staat tegenover dat de Wsnp diverse wettelijke waarborgen voor schuldeisers biedt, zoals een informatie- en inspanningsplicht voor de schuldenaar. Voldoet de schuldenaar daar niet aan, dan kan het Wsnp-traject worden beëindigd. Bovendien is er sprake van toezicht door de Wsnp-bewindvoerder en de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelt aan het einde van het traject of de schuldenaar alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling (waaronder de afdracht aan de boedelrekening) is nagekomen en of de schuldenaar de schone lei krijgt.
Beleidsmatig gezien ziet het kabinet vooral voordelen in deze Recofa-richtlijnen. Deze zijn namelijk door gespecialiseerde rechters opgesteld, zijn relatief snel aan te passen en bieden ruimte aan rechters om in concrete gevallen maatwerk te bieden
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Wie schulden aangaat moet deze in beginsel terugbetalen. Een verhoging van het sociaal minimum leidt maar in beperkte mate tot meer afloscapaciteit. Op basis van de berekening van de beslagvrije voet is de aflossingsruimte ten minste 5 procent van het inkomen. Bij een verhoging van het sociaal minimum komt 5 procent van de verhoging ten goede aan de schuldeiser. Bij toepassing van het vtlb hangt dit van persoonlijke omstandigheden af of in die situatie meer aflossingscapaciteit overblijft. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 vermeld, is het vtlb en de bvv niet hetzelfde als het bestaansminimum.
De Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors |
|
Derk Boswijk (CDA), Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors, die stelt dat ruim 388 miljoen christenen wereldwijd te maken hebben met discriminatie en zware vervolging vanwege hun geloofsovertuiging?1
Ja. Op 19 januari jl. heb ik de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors persoonlijk in ontvangst genomen.
Herkent u de trends, namelijk dat het aantal Christen dat te maken heeft met discriminatie en zware vervolging voor hun geloof toeneemt, die Open Doors in haar onderzoek laat zien?
Het kabinet herkent de zorgelijke trends die in het rapport van Open Doors worden geschetst en ziet eveneens dat christenen in verschillende delen van de wereld in toenemende mate te maken hebben met discriminatie, vervolging en geweld. Dit is, helaas, onderdeel van een bredere ontwikkeling waarin mensenrechten wereldwijd onder toenemende druk staan. De oorzaken zijn divers en omvatten onder meer de opkomst van autoritaire regimes, verslechterende socio-economische omstandigheden, de impact van gewapende conflicten, instabiliteit en escalerend geweld, onder andere in delen van Sub-Sahara Afrika. In deze context worden vaak ook andere religieuze en etnische minderheden getroffen. Vrijheid van religie en levensovertuiging is daarom al jaren één van de kernprioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van christenen en andere religieuze minderheden wereldwijd.
Heeft u zicht op de veiligheidssituatie in Syrië voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime, en kunt u daarbij specifiek ingaan op de situatie voor Christenen?
De veiligheidssituatie in Syrië is complex en volatiel. Het kabinet onderkent dat minderheden, onder wie christenen, zich hierbij in een kwetsbare positie bevinden. Meldingen van maatschappelijke organisaties, waaronder Open Doors, onderschrijven deze kwetsbaarheid. Tegelijkertijd geldt dat onafhankelijke informatie over de positie van religieuze en etnische minderheden, waaronder christenen, beperkt beschikbaar is en er veel nepnieuws rondgaat op het internet. Het is daarom soms moeilijk te achterhalen wat de precieze feiten zijn.
De Syrische overgangsregering, onder leiding van interim-president al-Sharaa, presenteert tot op heden een hervormingsagenda gericht op een inclusieve politieke transitie, herstel van basisvoorzieningen, wederopbouw en gerechtigheid voor misdaden. In zijn uitlatingen het afgelopen jaar benadrukt Al-Sharaa regelmatig verzoening, inclusiviteit en hervormingen. Tegelijkertijd tonen ernstige geweldsincidenten in onder meer Suweida en de kustregio aan dat de overgangsregering meer concrete stappen moet zetten om de veiligheid en rechten van alle Syrische etnische- en religieuze gemeenschappen te borgen.
Het kabinet spreekt zich in contacten met de Syrische overgangsregering consequent uit over het belang van een inclusieve politieke transitie en bescherming van alle Syrische gemeenschappen, en blijft de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Hoe waardeert u de veranderingen in de veiligheidssituatie voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime? Kunt u in uw antwoord de bevindingen van Open Doors meenemen die een forse toename van het aantal vervolgde Christenen in Syrië laat zien?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden ziet u om via de Syrië-gezant en andere bilaterale of multilaterale contacten met de Syrische regering te pleiten voor grondwetsherzieningen die volledig en gelijk burgerschap garanderen voor alle Syrische burgers, ongeacht religie, etniciteit of geslacht?
Het kabinet zet zich bilateraal en multilateraal in voor een inclusieve politieke transitie in Syrië, gebaseerd op mensenrechten, rechtsstatelijkheid en gelijk burgerschap. Dit gebeurt via diplomatieke kanalen, multilaterale fora en internationale samenwerking.
Wat zijn de mogelijkheden om op nationaal en EU-verband de Syrische regering te stimuleren op te treden bij geweldsincidenten, discriminerende en intimiderende uitingen naar religieuze gemeenschappen en de verantwoordelijken te laten arresteren en vervolgen?
Nederland blijft dit thema zowel nationaal als in EU-verband agenderen via diplomatieke kanalen, multilaterale fora en Europese mensenrechteninzet, met nadruk op bescherming van alle gemeenschappen, naleving van mensenrechten en het bestrijden van straffeloosheid.
Een concreet voorbeeld is het Nederlands lidmaatschap van de Syria Core Group in de VN Mensenrechtenraad. Als lid van deze groep zet Nederland zich in voor een mandaatverlenging van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (CoI), zodat deze gedegen en onafhankelijk onderzoek kan blijven doen naar mensenrechtenschendingen in Syrië – waaronder tegen religieuze gemeenschappen.
Hoe is uw zicht op de door Open Doors geconstateerde verdere verslechtering van de situatie in veertien landen in Sub-Sahara Afrika, waarbij in Nigeria wederom de meeste moorden op christenen werden gepleegd?
Het kabinet veroordeelt het geweld in Sub-Sahara Afrika en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, onder wie christenen. Nederland bekijkt voortdurend hoe onze diplomatieke en programmatische inzet te verbeteren op conflictpreventie, stabiliteit en vrijheid van religie en levensovertuiging binnen de beschikbare middelen, en volgt de situatie in de verschillende landen nauwlettend.
Welke kansen ziet u om gebruik te maken van de aankomende Universal Periodic Reviews van de VN-mensenrechtenraad om aandacht te vragen voor mensenrechtenschendingen en misstanden op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging in bijvoorbeeld Niger, Mozambique, Syrië, Somalië en Soedan?
Vrijheid van Religie en Levensovertuiging is een van de prioriteiten waarop Nederland regelmatig aanbevelingen formuleert in Universal Periodic Reviews (UPRs) van andere lidstaten2; het kabinet zal dit ook blijven doen. Wanneer het betreffende land op de agenda van de UPR staat zal gekeken worden naar concrete aandachtspunten om de mensenrechtensituatie aldaar te verbeteren. Waar relevant zullen aanbevelingen op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging daar onderdeel van uitmaken (zie ook het antwoord op vraag 9).
Bent u bereid om het geweld tegen Christenen in Nigeria onder de aandacht te brengen tijdens bilaterale en multilaterale contacten, met een nadruk op de religieuze component van deze grootschalige moorden, zoals wordt aangetoond door Open Doors?
Ja. Nederland zet zich zowel bilateraal als multilateraal in voor conflictpreventie en de bescherming van religieuze minderheden in Nigeria en zal dat blijven doen. Deze zorgen zijn in 2025 consistent overgebracht aan de Nigeriaanse overheid, onder meer tijdens de jaarlijkse bilaterale consultaties in november jl., in het gesprek tussen de Minister-President en de President van Nigeria in augustus jl., en tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Nigeria in mei jl.
Daarnaast brengt Nederland de positie van christenen en andere religieuze minderheden actief onder de aandacht in multilaterale fora, waaronder de EU en de Verenigde Naties. Zo heeft Nederland binnen de VN Mensenrechtenraad aandacht gevraagd voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nigeria en is dit onderwerp ingebracht tijdens de Universal Periodic Review (UPR) van Nigeria. Ook werkt Nederland samen met gelijkgezinde landen om vrijheid van religie en levensovertuiging te agenderen, onder meer binnen de EU en internationale coalities gericht op geloofsvrijheid.
Welke mogelijkheden ziet u om diplomatieke druk op de Nigeriaanse overheid uit te oefenen, en mogelijk Nederlandse of Europese assistentie te verlenen, om zorg te dragen voor bescherming van christelijke gemeenschappen, ondersteuning bij en veilige terugkeer en accurate vervolging van daders?
Nederland pleit binnen de EU voor het verhogen van veiligheidssteun en conflictpreventieprojecten in Nigeria en krijgt hiervoor steun van andere lidstaten. De EU heeft toegezegd hierop in te zetten, onder andere via een ministeriële conferentie en een vredes- en veiligheidsdialoog gepland in de eerste helft van dit jaar. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren in Nigeria op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. In de periode 2021–2025 is via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA) circa EUR 7 miljoen ingezet in Nigeria.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich op meerdere landen die voorkomen op de Ranglijst Christenvervolging, waaronder Nigeria, en heeft als doel de vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken, religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Welke gelegenheden ziet u om opvolging te geven aan de bilaterale contacten met Algerije om aan te dringen op opening van kerken en andere gebouwen waar christenen samen willen komen, gevallen van strafvervolging tegen predikanten in te trekken en registratieprocedures te vereenvoudigen?
De Nederlandse ambassade in Algiers spreekt regelmatig met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. De ervaring leert dat het uitdagend zal blijven om op korte termijn de gewenste resultaten te behalen. Het is daarnaast vaak niet productief voor de religieuze minderheden om ter plaatse al te vocaal te zijn op dit thema. Waar mogelijk deelt de ambassade echter de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin.
Bent u bereid om zich in de EU hard te maken om de benoeming van een speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging, die al eerder door de voorzitter van de Europese Commissie aangekondigd is, in de EU te bespoedigen?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling. Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in relevante EU-fora. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Heeft het kabinet een actieve benadering om digitale controle en vervolging zoals die bijvoorbeeld plaatsvindt in China en ook India bespreekbaar te maken in contacten met deze landen? Zo niet, bent u bereid hieraan te werken?
Toenemende digitale controle en repressie zijn voor het kabinet een punt van zorg. Nederland spant zich internationaal en bilateraal in om dit onderwerp te adresseren. De digitale repressie van religieuze groepen, inclusief christenen, is onderdeel van deze inzet. Nederland was tot voor kort voorzitter van de Freedom Online Coalitie en gebruikt dit platform om verantwoordelijk gebruik van surveillancetechnologie wereldwijd te promoten, bijvoorbeeld via de Guiding Principles on Government Use of Surveillance Technologies. Nederland is tevens actief in de International Freedom of Religion or Belief Alliance, waar het zich specifiek inzet voor de bescherming van religieuze minderheden. De jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en China (heropgestart in 2025) fungeert als een vast instrument om deze thema’s in EU-verband te adresseren. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten.
Heeft u er zicht op of mogelijk Europese of zelfs Nederlandse technologie gebruikt wordt voor digitale controle en vervolging in China en India? Bent u bereid om zich in te zetten dat Europese en Nederlandse technologie hier niet toe gebruikt kan worden in deze landen?
Het kabinet acht het van groot belang dat Europese en Nederlandse technologie niet wordt ingezet voor digitale controle en vervolging in strijd met mensenrechten. Een van de instrumenten hiertoe is het exportcontrolebeleid. De Europese Dual-Use Verordening is het wettelijk kader waartoe Nederland zich verhoudt als het gaat om goederen voor tweeërlei gebruik. De vergunningplicht geldt daarbij voor bepaalde goederen, is niet gericht op specifieke landen en heeft tot doel om via controle voorafgaand aan de export ongewenst eindgebruik tegen te gaan. Het beleid is daarmee landenneutraal. Deze verordening voorziet in de mogelijkheid om te toetsen op het risico dat bepaalde goederen en technologie op ongewenste wijze worden ingezet met mensenrechtenschendingen als gevolg. Met de introductie van de cybersurveillance-bepaling in de herziene verordening van 2021 zijn mensenrechten een meer centrale rol gaan spelen in exportcontrole.
Bij vergunningaanvragen voor export van gecontroleerde goederen, programmatuur en technologie toetst het kabinet dan ook expliciet op het risico op mensenrechtenschendingen. Bij zorgen over het eindgebruik of de eindgebruiker in relatie tot mensenrechtenschendingen, wordt een vergunningaanvraag in principe afgewezen. Daarnaast verwijst de verordening expliciet naar de verantwoordelijkheid van bedrijven om internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen.
Het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden en berichtgeving over het beëindigen van een kerkdienst en de arrestatie van voorganger Tom de Wal in Tilburg?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke wettelijke bevoegdheden het voor lokale autoriteiten mogelijk is om lopende kerkdiensten te beëindigen en de voorganger te arresteren? Kunt u toelichten of deze wettelijke bevoegdheden afgelopen vrijdag, 9 januari 2026, juist zijn toegepast?
Het is aan de bevoegde autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester, en niet aan mij als Minister om te beoordelen wanneer zij hun bevoegdheden correct kunnen toepassen. De burgemeester legt voor zijn handelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg geeft in zijn raadsbrief2 van 13 januari 2026 aan dat op grond van de evenementenregeling in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Tilburg is gehandeld. Op grond van de APV is aan de organisator medegedeeld dat er volgens het oordeel van de burgemeester sprake is van een onvergund evenement, en dat deze daarom op grond van de APV niet is toegestaan.
Hierna richt ik mij in de antwoorden op de gestelde vragen op de uitleg van de relevante wet- en regelgeving als zodanig en zal ik niet ingaan op de casuïstiek in de gemeente Tilburg.
Op grond van artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden mag de politie tijdens godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten slechts bij een ontdekking op heterdaad of na toestemming een ruimte bestemd voor dergelijke bijeenkomsten binnentreden. Voor de toepasselijkheid van deze norm is het dus van belang dat de eredienst bezig is en dat de ruimte bestemd is godsdienstoefeningen of levensbeschouwelijke samenkomsten.
Binnen een gebouw of besloten ruimte kan het belijden van een godsdienst op grond van artikel 6, eerste lid, Grondwet alleen in specifieke gevallen worden beperkt, die in een wet in formele zin worden bepaald. Denk daarbij aan bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die op grond van de hiervoor genoemde Algemene wet op het binnentreden in uiterste gevallen ook tijdens een godsdienstoefening kunnen worden gehandhaafd. Ook moeten kerken zich houden aan bepaalde algemene regels niet specifiek gericht zijn op het beperken van de vrijheid van godsdienst, zoals brandveiligheidsnormen of regels uit het omgevingsplan, ook als die in lagere regelgeving zijn vastgelegd.
De Wet openbare manifestaties (Wom) geeft het lokale bestuur in lijn met artikel 6, tweede lid, Grondwet, bevoegdheden om religieuze manifestaties en betogingen buiten gebouwen of besloten plaatsen te reguleren, op een wijze die in overeenstemming is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vereniging en vergadering. Van belang is dat de inhoudelijke (religieuze) boodschap van een manifestatie nooit reden kan zijn om over te gaan tot regulering (enkel ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden). In het uiterste geval kan een eredienst buiten een gebouw of besloten ruimte worden beëindigd, indien een van bovengenoemde gronden daar aanleiding toe geeft.
Deelt u de opvatting dat er sprake was van een kerkdienst, in plaats van van een evenement, die niet als vergunningsplichtig kan worden aangemerkt onder het evenementenbeleid van gemeenten? Zo nee, op welke wettelijke basis baseert u dat oordeel? Hoe wordt voorkomen dat via het evenementenbeleid de grondwettelijke vrijheid van godsdienst wordt uitgehold?
Het is aan een gemeente en niet aan mij als Minister om in een concreet geval te bepalen, in overeenstemming met toepasselijke regelgeving, of een bijeenkomst binnen een gebouw als te vergunnen evenement moet worden beschouwd of het karakter heeft van een eredienst. Daarbij geldt in algemene zin het uitgangspunt dat de overheid zich terughoudend opstelt ten aanzien van het oordeel dat een bepaalde situatie geen bescherming geniet onder de vrijheid van godsdienst. Verder geldt dat een reguliere kerkdienst in een gebouw of besloten ruimte niet geldt als evenement in de zin van een vergunningenstelsel uit een gemeenteverordening. Dergelijke beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging kunnen op grond van de Grondwet immers slechts bij wet in formele zin worden gesteld.
Hoe beoordeelt u de besluitvorming van de gemeente en de politie in het licht van de scheiding van kerk en staat en de grondwettelijke vrijheden van godsdienst, meningsuiting en vergadering? Hoe beoordeelt u de uitspraak van de gemeente dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst niet meegenomen is in de afweging?2
Het is aan de bevoegde organen van een gemeente om te beoordelen of een specifieke bijeenkomst in een gemeente bescherming geniet onder een van de genoemde grondwettelijk vrijheidsrechten. Burgemeester en wethouders leggen over de omgang met deze belangrijke grondrechten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Als daar aanleiding toe is, zijn de bevoegde organen van een gemeente bij de beoordeling van de aard van een bijeenkomst gehouden rekening te houden met mogelijke gelding van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van vergadering en betoging. Het principe van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting brengen met zich mee dat de (religieuze) boodschap die bij een bijeenkomst wordt uitgedragen op zich geen reden mag zijn om een bijeenkomst te normeren.
Bent u het eens met diverse rechtsgeleerden die zeer kritisch zijn op de gang van zaken en deze «miskleun» een «unicum in de Nederlandse geschiedenis» noemen?3 Zo nee, waarom niet?
In Nederland is het recht om de godsdienst of levensovertuiging gezamenlijk te belijden een groot goed. Dit grondrecht om te kunnen leven volgens de diepste overtuigingen is een fundamentele pijler van de democratische rechtsstaat en wordt gewaarborgd door de Grondwet en mensenrechtenverdragen. Gelovigen kunnen erop vertrouwen dat dit recht wordt beschermd en dat zij hierbij kunnen rekenen op de overheid. Mocht in een concrete situatie sprake blijken van een handelwijze door de overheid die op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst, dan zijn er verschillende manieren om dit te adresseren of te repareren. Denk hierbij aan het stelsel van checks and balances in de lokale democratie en aan de toegang tot een onafhankelijke rechter die het openbaar bestuur kan corrigeren.
Deelt u de opvatting dat de overheid bij religieuze bijeenkomsten een bijzondere terughoudendheid dient te betrachten en dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is? Was ingrijpen in deze situatie gerechtvaardigd conform vaste rechtsopvattingen dat binnentreding slechts bij hoge uitzondering is toegestaan? In hoeverre was er een risico voor de handhaving van de openbare orde waardoor eventuele stillegging van de bijeenkomst gerechtvaardigd zou kunnen zijn?
Ja, wanneer een bijeenkomst onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst valt, moet de overheid bijzonder terughoudend optreden. Onder andere betekent deze terughoudendheid dat ingrijpen slechts gerechtvaardigd is indien dit noodzakelijk en evenredig is en er geen minder verstrekkende alternatieven zijn. Het voorkomen van wanordelijkheden kan in bepaalde gevallen een reden zijn voor een burgemeester om in te grijpen bij een godsdienstige bijeenkomst in de openbare ruimte. Bij bijeenkomsten binnen gebouwen geldt een nog hogere drempel voor binnentreden en eventuele interventie, zoals ik hierboven heb aangegeven. Of deze bevoegdheid in een specifieke lokale context juist is toegepast, en of bijvoorbeeld een juiste risico-inschatting is gemaakt, is niet aan mij om te beoordelen.
Welke richtlijnen en instructies gelden er momenteel voor politie en lokale overheden bij handhaving rond religieuze bijeenkomsten en acht u deze richtlijnen voldoende duidelijk om dit soort situaties te voorkomen?
Het is niet aan mij als Minister om me uit te spreken over hoe lokale overheden gemeentelijke normen handhaven. Het eventueel opstellen van richtlijnen en instructies daarbij is een kwestie van lokale autonomie. De gemeenteraad en in het uiterste geval de rechter controleren en beoordelen of deze bevoegdheden juist zijn toegepast.
Hoe beoordeelt u het standpunt van de gemeente Tilburg dat het gebruik van een pand voor religieuze bijeenkomsten mogelijk in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en deelt u de opvatting dat het juridisch vergezocht is om op die grond een kerkdienst te beëindigen?
Het opstellen en handhaven van een omgevingsplan is aan het gemeentebestuur. Wat precies mogelijk is onder een bestemming of functie in het omgevingsplan, is afhankelijk van de gebruiksregels die in een specifiek omgevingsplan aan de functie zijn gekoppeld. Functies in een omgevingsplan worden gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wat binnen een functie wel of niet mogelijk is moet gemotiveerd zijn door de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Dat betekent dat wordt gekeken naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van een bepaald gebruik, zoals de toestroom van bezoekers en de geluidsproductie. Enkel het religieuze karakter van een activiteit kan geen reden zijn dat deze niet past binnen een bepaalde functie. Het kan wel zo zijn dat een bepaalde functie het houden van bijeenkomsten zoals een eredienst uitsluit, maar ook andere gebruiken met vergelijkbare gevolgen. In het algemeen geldt verder dat met een beroep op de godsdienstvrijheid niet zomaar aanspraak kan worden gemaakt op vrijstelling van een omgevingsplan.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeente Tilburg om te onderzoeken welke panden en locaties zonder vergunning worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten en de handhaving hierop te intensiveren? Ziet u hierin het risico dat een precedent wordt geschapen voor verdere inperking van religieuze vrijheden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de interpretatie dat maatschappelijke of onderwijsbestemmingen religieuze bijeenkomsten uitsluiten onjuist is, zeker gezien het feit dat veel kerken in Nederland samenkomen in dergelijke gebouwen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe voorkomt u dat religieus analfabetisme bij lokale overheden leidt tot onbegrip, escalatie en onrechtmatige inperking van grondwettelijke vrijheden? Ziet u aanleiding om de handreiking die door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is opgesteld opnieuw onder de aandacht te brengen bij gemeenten en bestuurders om religiestress te voorkomen en adequaat optreden van gemeenten te realiseren?4
Zonder een oordeel te vellen over deze kwestie, kan ik vaststellen dat zich in Nederland nauwelijks situaties voordoen waarbij een dienst wordt beperkt door het lokale bestuur of politieoptreden. Zoals ik hierboven heb aangegeven is het normenkader ten aanzien van de vrijheid van godsdienst van hoog niveau, en zijn er voldoende correctiemogelijkheden, mocht dit in uitzonderlijke gevallen niet juist worden toegepast. Ik zie dan ook op dit moment geen reden om, als verantwoordelijke Minister voor het stelsel van grondrechten in de Grondwet, stappen te ondernemen. De vrijheid van godsdienst is goed gewaarborgd.
Wel kan ik wijzen op de – ook door de Kamerleden aangehaalde – handreiking Tweeluik religie en publiek domein, dat in 2019 is gepubliceerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG. In 2023 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer door middel van een brief uitgelegd hoe deze handreiking blijvend onder de aandacht wordt gebracht van de gemeentebesturen.6
Welke stappen bent u bereid te zetten om de ontstane onrust onder kerken en gelovigen weg te nemen en te waarborgen dat kerkdiensten en andere religieuze bijeenkomsten niet onnodig of lichtvaardig worden beperkt door het lokaal bestuur of politieoptreden?
Zie antwoord vraag 11.
De protesten in Iran |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op de protesten tegen het regime van Iran, waar onder meer Euronews over bericht?1
Het kabinet staat pal achter het Iraanse volk en diens recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzaam protest. De situatie in Iran is ernstig: vreedzame demonstranten worden met harde hand onderdrukt en er zijn al vele dodelijke slachtoffers gevallen. Het kabinet roept het Iraanse regime dan ook dringend op het geweld te staken, alle onterecht gevangengenomen personen vrij te laten en de toegang tot het internet volledig te herstellen.
Deelt u de mening dat deze protesten steun verdienen van de Nederlandse regering? Is de premier bereid om per direct steun uit te spreken voor het Iraanse volk en alle pogingen om de vreedzame protesten te onderdrukken te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de protesten steun verdienen van de Europese Unie (EU)? Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk statement? Zo nee, waarom niet?
Op 9 januari jl. is een verklaring uitgegaan waarin de EU haar solidariteit uitspreekt met het Iraanse volk in hun legitieme streven naar een beter leven, vrijheid en waardigheid. In de verklaring veroordeelt de EU het gebruik van geweld, willekeurige arrestaties en intimidatie door veiligheidstroepen tegen demonstranten, en roept op tot de onmiddellijke vrijlating van allen die onterecht zijn vastgehouden. Daarnaast dringt de EU er bij de Iraanse autoriteiten op aan hun internationale verplichtingen na te komen, fundamentele vrijheden te respecteren en de toegang tot informatie, inclusief internettoegang, te herstellen.
Daarenboven zet het kabinet zich in voor verdere mensenrechtensancties tegen Iran en voor de terrorisme-listing van de Islamitische Revolutionaire Garde.
Op welke manier zet u zich er voor in, ook in EU-verband, dat Iraniërs hun grondrechten, zoals het recht op vrije meningsuiting en vergadering, kunnen uitoefenen? Bent u bereid om uw inzet hierop te vergroten? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Iran is al lange tijd zorgwekkend. Nederland zet zich actief en structureel in voor de mensenrechten in Iran, zowel vóór als achter de schermen. Nederland is bovendien al langer van mening dat de Islamitische Revolutionaire Garde op de EU-terreurlijst thuishoort en dat er sancties moeten worden opgelegd aan personen en organisaties die mensenrechten schenden en de bevolking onderdrukken, onder meer door communicatiekanalen af te sluiten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat op 13 januari 2026 van de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari 2026?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in Koerdische wijken in Aleppo |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op berichten, onder meer van Reuters, over gevechten tussen het Syrische leger en de Syrian Democratic Forces (SDF)?1
In dit stadium is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welk geweld, en hoe de situatie tussen de Syrische overgangsregering en de SDF zich verder zal ontwikkelen. Wel is helder dat sprake is van meerdere dodelijke burgerslachtoffers en tientallen gewonden en dat duizenden burgers hun huis door het geweld hebben moeten ontvluchten. Het kabinet is bezorgd over het geweld in Aleppo en monitort de situatie, die inmiddels gestabiliseerd lijkt, nauwgezet.
Voor de stabiliteit van Syrië en de veiligheid en het welzijn van alle Syrische burgers is het cruciaal dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek blijven en niet over gaan tot geweld. In rechtstreeks contact, en ook via de EU, roepen wij hiertoe expliciet op. De EU riep via een verklaring op 10 januari jl. op tot een eind aan de vijandelijkheden, bescherming van burgers en toegang van humanitaire hulp.3
In de Kamerbrief van 19 september 20254 heeft het kabinet de inzet ten behoeve van een veilig en stabiel Syrië nader uiteen gezet.
Meent u dat een militaire operatie tegen de SDF in deze wijken gerechtvaardigd is? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is, in EU-verband, uw inzet om het vechten zo snel mogelijk te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat deze gevechten de veiligheid en gelijke rechten van de Koerden in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan, mede in het licht van de aangenomen motie-Ceder c.s.?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans op verdere escalatie? Wat is uw inzet voor een vrij en democratisch Syrië waarin alle minderheden, inclusief de Koerden, veilig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad op vrijdag 9 januari een bezoek brengen aan Syrië en de interim president ontmoeten? Acht u dit bezoek wenselijk in het licht van deze berichten? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid dit in EU-verband aan de orde te stellen?
Ja, de voorzitter van de Europese Commissie, mevrouw Von der Leyen, en de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, bezochten de Syrische overgangsregering op 9 januari in Damascus. Bij dit bezoek is het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie expliciet benoemd.
Syrië bevindt zich in een uitzonderlijke en fragiele situatie. Juist in deze overgangsfase is het van belang dat sprake is van directe contacten met de overgangsautoriteiten. Deze contacten stellen ons immers in staat om onze verwachtingen, waaronder ten aanzien van inclusiviteit, bescherming van burgers en mensenrechten, consequent onder de aandacht te brengen van de Syrische overgangsregering.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat van 13 januari aanstaande over de Raad Buitenlandse Zaken 29 januari 2026?
De Kamervragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Bedreigingen van kardinaal Sako in Irak |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Cardinal Sako Targeted After Christmas Homily Misinterpreted as Political «Normalization»»1 en op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten?2
Ik deel de zorgen over de bedreigingen, net als de zorgen over de positie van verschillende etnische en religieuze gemeenschappen, waaronder christenen, in Irak. In reactie op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten heeft de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing de Beweging uitgenodigd om over de oproep in gesprek te gaan.
Bent u bereid deze bedreigingen publiekelijk te veroordelen en de Iraakse regering te vragen hetzelfde te doen?
Voorop staat dat kardinaal Sako zijn werk moet kunnen blijven doen. Onze ambassade in Bagdad staat in contact met hem. Na publiekelijke toelichting van de kardinaal op de uitspraken in zijn Kersttoespraak is de aandacht in de media en de maatschappij significant afgenomen. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren. Het kabinet vraagt ook in de doorlopende contacten met de Iraakse autoriteiten aandacht voor religieuze gemeenschappen en benadrukt hierbij het belang van behoud van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog.
Bent u bereid om, eventueel in EU-verband, de Iraakse regering te vragen om alles te doen om de veiligheid van kardinaal Sako en zijn omgeving te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen over de onveiligheid en kwetsbare positie van Aramese christenen en andere christelijke bevolkingsgroepen in Irak? Op welke manieren stelt u hun veiligheid en positie aan de orde in bilateraal en multilateraal verband? Wat kan daarnaast de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing hierin betekenen?
Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf Nederlandse prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid. Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbare positie van minderheden, waaronder christenen, in Irak en agendeert deze zorgen in bilaterale contacten en in VN- en EU-verband, onder meer tijdens de EU-Iraq Cooperation Council. De bescherming van kwetsbare gemeenschappen en het bevorderen van sociale cohesie maken integraal onderdeel uit van de Nederlandse inzet, waarbij in contacten met de Iraakse autoriteiten het belang van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog wordt benadrukt.
Ook via projecten zet Nederland zich in voor vrijheid van religie en levensovertuiging. In de afgelopen vijf jaar is Nederland in Irak actief geweest via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA), dat zich richtte op interreligieuze dialoog, sociale cohesie en de positie van religieuze minderheden, onder wie christenen. Daarnaast financiert Nederland wereldwijd projecten uit het Mensenrechtenfonds. Voor de periode 2026–2031 wordt via het FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» EUR 35 miljoen gealloceerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Aangezien de voorstellen voor de aanbesteding nog niet zijn ontvangen, kan op dit moment nog niet worden aangegeven in welke landen deze programmering actief zal zijn.
De Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ondersteunt de inzet in Irak door het thema internationaal te agenderen, met specifieke aandacht voor de positie van religieuze minderheden. Daarnaast onderhoudt de Speciaal Gezant contact met relevante maatschappelijke en religieuze actoren en draagt hij bij aan de diplomatieke inzet van Nederland binnen EU- en VN-verband.
Wanneer wordt er eindelijk een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid aangesteld? Bent u bereid om opnieuw hiertoe aan te dringen, samen met gelijkgezinde landen? Zo nee, waarom niet?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling.
Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in EU-verband. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant noodzakelijk voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Het bericht ‘Pakistaanse voorganger doodgeschoten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Pakistaanse voorganger doodgeschoten»?1 Kunt u het bericht op basis van uw informatie bevestigen?
Betrouwbare contacten van de ambassade in Islamabad bevestigen het bericht. Geweld tegen Christenen en mensen in het algemeen vanwege hun levensovertuiging en religie keurt het kabinet te allen tijde af. Vrijheid van religie en vrijheid van meningsuiting zijn fundamentele mensenrechten die voor iedereen gelden, ongeacht achtergrond of overtuiging.
Begrijpt u dat de Pakistaanse christelijke gemeenschap zeker ook weer de komende kerstdagen vreest voor mogelijk geweld en dat zij zelf onvoldoende veiligheidsmaatregelen kan treffen? Bent u van oordeel dat Pakistaanse christenen voldoende worden beschermd en zo nodig beveiligd? Zo nee, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband, om te pleiten voor betere bescherming?
Het kabinet deelt de zorgen dat de veiligheid van Christenen en andere religieuze minderheden in Pakistan onder druk staat. Nederland spreekt daarom regelmatig met de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging en het belang van de bescherming van Christenen en andere religieuze minderheden. Dit gebeurt zowel bilateraal, in Den Haag alsook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, als via diverse multilaterale fora. Ook de EU ambassadeur in Islamabad brengt het onderwerp regelmatig op in gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten. Ook ondersteunt de Nederlandse ambassade in Islamabad diverse maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan.
Herkent u de conclusies van mensenrechtenorganisaties en christelijke leiders dat aanvallen op religieuze minderheden in Pakistan vaak ongestraft blijven en autoriteiten vaak niet voor hen opkomen, bijvoorbeeld in het geval van de ontvoering en gedwongen bekering van christelijke meisjes? Zo ja, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband om ervoor te zorgen dat de Pakistaanse rechtsstaat óók geldt voor religieuze minderheden?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de blasfemiewetten in Pakistan worden misbruikt, door christenen valselijk aan te klagen vanwege godslastering? Wat is uw huidige inzet op dit punt? Bent u bereid om zich harder in te zetten tegen misbruik, danwel afschaffing van deze wetten?
Blasfemiewetten zijn diepgeworteld in de Pakistaanse samenleving en politiek. Het beschermen van moslims en de islam in Zuid-Azië is een kernreden voor de oprichting van het land. Pakistan is weinig ontvankelijk voor pogingen van andere landen of organisaties om deze wetten aan te passen. Nederland zet zich zowel bilateraal als via diverse multilaterale kanalen in om landen, waaronder Pakistan, aan te sporen tot het afschalen en afschaffen van blasfemiewetgeving. Tijdens de Universal Periodic Review (UPR) in de Mensenrechtenraad in 2023 – het peer reviewmechanisme over mensenrechten waar alle VN-landen aan kunnen deelnemen – heeft Nederland Pakistan aanbevolen juridische en praktische maatregelen te nemen om misbruik van blasfemiewetten te voorkomen en religieuze intolerantie aan te pakken. Daarnaast pleit Nederland ook in andere internationale fora, zoals de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA), voor het afschaffen van de doodstraf voor blasfemie en afvalligheid.
Hoe rijmt u de onveiligheid van christenen in Pakistan met de GSP+ (Generalized Scheme of Preferences)-status die Pakistan heeft, waardoor het land profiteert van preferentiële toegang tot de markt van de EU? Wanneer zou er reden zijn voor het intrekken van deze status, als mensenrechten van religieuze minderheden structureel worden geschonden?
Pakistan is sinds 2014 een begunstigd land onder het GSP+ schema van het Generalized Scheme of Preferences (GSP). Als voorwaarde voor het verkrijgen van GSP+ status, heeft Pakistan 27 internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu en goed bestuur geratificeerd.2 De effectieve implementatie van die verdragen door GSP+ begunstigde landen wordt door de Europese Commissie (EC) gemonitord. Er is in december 2025 een monitoringsmissie van de EC geweest, de rapportage wordt in februari 2026 verwacht. Tijdens de monitoringsmissie zijn ook de rechten van (religieuze) minderheden en (valse) beschuldigingen van blasfemie onder de loep genomen. Het monitoringsregime biedt de Europese Commissie en EU-lidstaten een instrument om onvoldoende naleving van die verdragen aan de orde te stellen in dialoog met begunstigde landen.
Indien sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen, is de Europese Commissie bevoegd een voorstel te doen om tariefpreferenties tijdelijk op te schorten. Op dit moment acht de Commissie dat voor Pakistan niet aan de orde. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Bent u bereid om de Kamer periodiek op de hoogte te houden van uw inzet op de vrijheid en veiligheid van religieuze minderheden, zoals christenen in Pakistan? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, zeker in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Pakistan. De Kamer wordt periodiek over de Nederlandse mensenrechteninzet en resultaten inclusief voor de vrijheid van religie en levensovertuiging in de jaarlijkse mensenrechtenrapportage geïnformeerd.3
De positie van Palestijnse christenen |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat een aantal Israëlische kolonisten voorbereidingen treffen voor een nieuwe nederzetting in het overwegend christelijke Beit Sahour, in de omgeving van Bethlehem?1 Hoe luidt uw reactie op deze berichten?
Ja. Het standpunt van het kabinet ten aanzien van nederzettingen is bekend: die zijn onrechtmatig. Het bericht over de ontwikkelingen in Beit Sahour is daarom zorgelijk.
Klopt het dat het land al was bestemd voor publieke voorzieningen, zoals een kinderziekenhuis? Klopt het dat door dergelijke activiteiten van kolonisten er steeds minder plaats is voor de bevolking, die voornamelijk bestaat uit Palestijnse christenen? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat dit gebied initieel was bedoeld om een kinderziekenhuis te bouwen. Het kabinet veroordeelt het Israëlische nederzettingenbeleid alsook dergelijke acties van kolonisten.
Is deze onteigening op grond van de onderlinge Oslo-Akkoorden of Israëlisch recht te onderbouwen? Zo ja, op welke wijze?
Nee. Dergelijke onteigeningen kunnen niet gerechtvaardigd worden. Zoals het Internationaal Gerechtshof ook aangeeft in zijn advies van 19 juli 2024 moet privéeigendom worden gerespecteerd en mag het niet worden geconfisqueerd. Het Hof merkt op dat dit verbod op confiscatie van privéeigendom onvoorwaardelijk is: het staat geen uitzonderingen toe, niet in geval van militaire noodzaak, noch op enige andere grond. Nederland respecteert het oordeel van het IGH.
Bent u bereid om specifiek deze casus ter sprake te brengen in uw gesprekken met Israëlische autoriteiten en hun antwoord met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet, net als de EU, veroordeelt het nederzettingenbeleid in algemene zin, draagt deze boodschap publiekelijk uit en brengt deze ook stelselmatig over aan Israël. Dit heb ik tijdens mijn reis aan Israël in november jl. gedaan. Ook heeft Nederland, middels een verklaring met andere landen, de recente goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen door Israël veroordeeld als schending van het internationaal recht en ondermijnend voor een gedragen tweestatenoplossing.
Wat is uw reactie op berichtgeving dat Israëlische kolonisten systematische aanvallen uitvoeren gericht op Palestijnse christenen, bijvoorbeeld door inbreuk te maken op het klooster van St. Gerasimos in de buurt van Jericho?2
Berichten over aanvallen op Palestijnen, onder wie Palestijnse christenen, en het verder onder druk zetten van christelijke instituties in de Palestijnse Gebieden, zijn zorgelijk. Dat ondermijnt de vrijheid van religie en levensovertuiging aldaar. Cultureel erfgoed, waaronder religieuze gebouwen, dient te worden beschermd onder het bezettingsrecht. Het kabinet veroordeelt het geweldgebruik van kolonisten en blijft zich in EU-verband onverminderd inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om richting de Israëlische regering de boodschap over te brengen dat deze kolonisten ter verantwoording moeten worden geroepen en dat religieus erfgoed moet worden beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat sinds 7 oktober 2023 Israëlische autoriteiten Palestijnse christenen slechts beperkt toegang geven tot de Oude Stad in Jeruzalem? Hoe beoordeelt u dat? Bent u bereid om de Israëlische autoriteiten te vragen om te borgen dat alle christenen, ongeacht hun achtergrond, toegang krijgen tot de Oude Stad om christelijke feesten te kunnen vieren?
De druk op christelijke instituties en christenen in de Palestijnse Gebieden, waaronder Oost-Jeruzalem, is zorgelijk, gezien het recht op vrijheid van godsdienst en de speciale status die Jeruzalem zowel binnen het jodendom, het christendom en de islam inneemt. Nederland zet zich wereldwijd actief in voor de bescherming van de vrijheid van religie en levensovertuiging als een fundamenteel mensenrecht. Dit doet Nederland onder andere via het Mensenrechtenfonds, het werk van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Mensenrechtenambassadeur, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Daarbij komt Nederland op voor de rechten van alle religieuze groepen, waaronder christenen, met speciale aandacht voor kleine en kwetsbare geloofsgemeenschappen. Verder steunt Nederland verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie in Israël en de Palestijnse Gebieden. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november jl. is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem. In dat kader is onder meer gesproken met de Grieks-Orthodoxe Kerk.
Welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat de komende kerstdagen door Palestijnse christenen ongehinderd, met eerbied en veilig gevierd kunnen worden, zeker in het licht van bovenstaande berichten?
Er zijn geen incidenten gerapporteerd rondom de afgelopen Kerst.
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen en antwoorden ten aanzien van de Tent of Nations?3 Wat is nu het vooruitzicht ten aanzien van de juridische kwestie en de onrechtmatige stappen op grond van de familie Nassar?
De omstandigheden zijn onveranderd ten opzichte van de situatie zoals geschetst in de antwoorden van het kabinet op eerdere schriftelijke vragen. De familie Nassar wacht nu al meer dan een jaar op een uitspraak in de zaak over hun landregistratie. De familie Nassar heeft geen andere pressiemiddelen dan de lopende juridische processen en hun internationale contacten. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en brengt de zaak van Tent of Nations waar mogelijk onder de aandacht bij de Israëlische autoriteiten.
Herinnert u zich de eerdere vragen en antwoorden ten aanzien van «arnona», het belasting heffen op kerkelijk bezit in Jerusalem?4 Kunt u een update geven over de stand van zaken?
Er zijn sinds de beantwoording van deze vragen geen nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het beleid rondom belastingen op kerkelijke eigendommen in Jeruzalem.
Erkent u dat dergelijke acties van meerdere Israëlische kolonisten stappen richting duurzame vrede tussen Israël en de Palestijnen verder weg brengen? Welke stappen onderneemt u richting het bereiken van duurzame vrede?
Zoals bekend zet het kabinet zich in voor een duurzame oplossing voor het conflict, waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Het nederzettingenbeleid en kolonistengeweld ondermijnen dit doel. Daarom blijft Nederland zich in EU-verband onverminderd inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. Nederland blijft zich naar vermogen en met partners inzetten voor verbetering van de situatie, bilateraal en via multilaterale fora zoals de EU en de VN.
De oproep voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Don Ceder (CU), Pieter Grinwis (CU), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de G4 voor effectievere ondersteuning van mensen met hoge energiekosten via het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE)?1
Ja.
Wat is uw reactie op de brief, waarin de vier grote steden waarschuwen dat ondersteuning via gemeenten deze winter niet tijdig en niet effectief kan worden ingezet voor huishoudens met acute betalingsproblemen, waardoor inwoners «uiteindelijk de dupe worden»?
We zijn de G4 erkentelijk voor hun betrokkenheid bij dit onderwerp. Wij delen de urgentie om huishoudens die leven in energiearmoede ook aankomende winter te ondersteunen. Daarom is de afgelopen periode nagegaan welke scenario’s mogelijk zijn, en of deze haalbaar zijn. In de Kamerbrief van 7 november jl. worden twee scenario’s inclusief de resultaten en conclusies gedeeld. Deze scenario’s worden hieronder toegelicht.
Er is geconstateerd dat het niet haalbaar is om aankomende winter een publiek-private constructie te realiseren. Een belangrijke randvoorwaarde dat private partijen meer dan één derde van het benodigde bedrag bijdragen, wordt momenteel niet gehaald. Het uitblijven van inleg van derde partijen resulteert in aanzienlijke financiële, juridische en maatschappelijke risico’s waar uw Kamer eerder over is geïnformeerd.
Na bestuurlijk overleg hebben de VNG en SZW gezamenlijk besloten € 30 miljoen via het Gemeentefonds beschikbaar te stellen, om een impuls te geven aan bestaande lokale gemeentelijke dienstverlening. De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen bij het verlagen van hun energierekening. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is door de VNG, Stichting TNE en SZW gewerkt aan een veilige datadeling van gegevens van huishoudens die expliciet toestemming hebben gegeven om hun gegevens te delen met de eigen gemeente om hulp te ontvangen. Hiertoe heeft de Stichting TNE, in opdracht van SZW, een portaal gebouwd. Huishoudens die een aanvraag hebben gedaan bij het Tijdelijk Noodfonds Energie en expliciet toestemming hebben gegeven voor het delen van hun gegevens, kunnen op basis hiervan worden doorverwezen naar het lokale hulpaanbod in de eigen gemeente. Huishoudens worden persoonlijk benaderd voor hulp bij het verlagen van hun energierekening. Dit kan gaan om voorzieningen die zien op de verduurzaming van de woning en om hulp bij het aanvragen van landelijke en lokale voorzieningen, bijvoorbeeld via de Voorzieningenwijzer. Huishoudens kunnen daarnaast hierbuiten ook altijd bij hun gemeente terecht om te bespreken wat de mogelijkheden zijn voor ondersteuning. Indien door de bewoner gewenst kan bredere hulp worden geboden.
Met deze keuze kan vanuit het Rijk een cofinanciering van € 30 miljoen extra worden ingezet voor het publieke energiefonds, deze middelen komen uit het amendement Grinwis. Door het inzetten van in totaal € 90 miljoen aan Rijksmiddelen als cofinanciering, kan met behulp van middelen uit het SCF bijna een viervoudig bedrag voor het energiefonds beschikbaar komen.
Hoe beoordeelt u de constatering van de G4 dat gemeenten de uitvoeringscapaciteit voor inkomenssteun deze winter grotendeels nog moeten opbouwen, terwijl de infrastructuur van het TNE volgens hen volledig klaarstaat om direct ingezet te worden?
Er is door SZW en VNG gezamenlijk gekozen voor de aanpak om inwoners voor de winter van 2025–2026 te ondersteunen via de bestaande gemeentelijke dienstverlening. Daartoe is € 30 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten via het Gemeentefonds. De middelen dienen als impuls voor de bestaande dienstverlening van gemeenten en zijn niet bedoeld ter vervanging van de rol die het Tijdelijk Noodfonds Energie heeft vervuld bij het bieden van directe inkomensondersteuning. Er is gekozen om aan te sluiten bij bestaande lokale dienstverlening. Gemeenten kunnen, afhankelijk van de lokale situatie, het beste inschatten op welke wijze deze ondersteuning het meest effectief kan worden ingezet om bij te dragen aan het verlagen van de energierekening van inwoners.
Zoals ook is vermeld in het antwoord onder vraag twee wordt er niet voldaan aan de randvoorwaarde van voldoende private financiering. Daarmee is de route van een publiek-privaat construct niet verantwoord.
Hoe beziet u de waarschuwingen van de G4 dat gemeenten door beperkte wettelijke mogelijkheden vooral zullen inzetten op verduurzamingsmaatregelen en niet of minder op directe inkomenssteun, terwijl ook die inkomenssteun deze winter voor huishoudens met acute betalingsproblemen dringend nodig is, en het verzoek was in motie Timmermans c.s.2? Hoe waarborgt u dat de beschikbare middelen ook worden benut voor acute financiële ondersteuning van huishoudens met betalingsproblemen, naast de nodige maatregelen op het gebied van verduurzaming die echter pas op langere termijn effect hebben?
De middelen die via het Gemeentefonds aan gemeenten beschikbaar worden gesteld kunnen door gemeenten worden ingezet om huishoudens te ondersteunen binnen het bestaande aanbod van de lokale dienstverlening. Gemeenten kennen beleidsvrijheid wat betreft de invulling van dit bestaande hulpaanbod. Het is niet mogelijk om directe inkomensondersteuning te bieden aan huishoudens vanuit deze middelen. Gemeenten kunnen deze middelen wel aanwenden om huishoudens te bereiken en te wijzen op bestaande voorzieningen zoals toeslagen en/of minimaregelingen. Daarnaast kan bijzondere bijstand worden verleend wanneer de hoge energiekosten het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, zoals een chronische ziekte of beperking.
Hoe weegt u de juridische en financiële risico’s die u schetst3 bij het inzetten van TNE zonder private inleg, waaronder risico op onrechtmatigheid en staatssteun, ten opzichte van de door TNO en de G4 geschetste gezondheidsproblemen, stress en leerachterstanden die ontstaan wanneer kinderen opgroeien in energiearmoede?
Het is onwenselijk dat kinderen in Nederland opgroeien in energiearmoede en daarbij negatieve gevolgen ondervinden voor hun gezondheid, ontwikkeling en gelijke kansen. Het kabinet zet daarom in op het ondersteunen van huishoudens met hoge energiekosten door deze huishoudens door te werken aan de realisatie van een publiek energiefonds, en met de inzet op het verbeteren van de energetische kwaliteit van de woning, zodat zij structureel grip kunnen krijgen op hun energierekening. Echter, zoals geschetst in de Kamerbrief van 7 november jl. leidt een publiek-private constructie zonder private bijdrage tot forse financiële, juridische en maatschappelijke risico’s.
Met het uitblijven van de benodigde financiering door derde partijen bestaat de mogelijkheid dat de constructie wordt aangemerkt als een buitenwettelijk bestuursorgaan, waardoor uitkeringen onrechtmatig kunnen zijn en sprake kan zijn van een open einde-regeling met grote financiële gevolgen voor het Rijk. Daarnaast is er een reëel risico op staatssteun, wat kan leiden tot onderzoek door de Europese Commissie en mogelijke terugvordering van middelen. In de Kamerbrief van 30 september jl.4 vindt u een nadere toelichting op deze risico’s.
Bent u bereid de optie om de ondersteuning deze winter alsnog via het TNE te organiseren opnieuw te bezien, nu de G4 hier expliciet een oproep toe doet? Waarom wel of niet?
Op basis van de geschetste risico’s in het antwoord op vraag 5 en de conclusie in de Kamerbrief van 7 november jl. is de mogelijkheid om inkomensondersteuning te realiseren in de vorm van een publiek-private constructie niet haalbaar is. Met het uitblijven van een private bijdrage van meer dan één derde van het totale bedrag is deze mogelijkheid niet verantwoord.
Kunt u bovenstaande vragen een voor een beantwoorden voor het tweeminutendebat over Energiebesparing en betaalbare energierekening voor huishoudens?
Ja.