De voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba, Zuid-Soedan |
|
Sarah Dobbe (SP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Dutch Relief Alliance (DRA) van 2 maart 2026 over de voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba?
Kunt u inhoudelijk reageren op de zorgen en argumenten die in deze brief worden genoemd, in het bijzonder ten aanzien van humanitaire toegang, diplomatieke aanwezigheid en veiligheid van hulpverleners?
Deelt u de analyse dat Zuid-Soedan structureel te maken heeft met samenlopende crises – waaronder gewapend conflict, klimaatgerelateerde overstromingen, regionale instabiliteit en grootschalige vluchtelingenstromen uit Soedan – en dat juist in een dergelijke context fysieke diplomatieke aanwezigheid essentieel is voor effectieve hulp en vroegtijdige signalering? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete, zwaarwegende argumenten liggen ten grondslag aan het voornemen om de ambassade in Juba te sluiten, en hoe zijn deze argumenten afgewogen tegen de uitzonderlijk kwetsbare situatie in Zuid-Soedan, waar naar schatting circa 10 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben?
Welke alternatieven voor volledige sluiting zijn onderzocht, zoals behoud van een afgeslankte post of versterkte regionale ondersteuning, en waarom zijn deze opties wel of niet haalbaar geacht?
Kunt u toelichten hoe de voorgenomen sluiting zich verhoudt tot de investering van 35 miljoen euro voor het wereldwijde Nederlandse ambassadenetwerk vanaf 2027, terwijl de jaarlijkse kosten van de ambassade in Juba circa 4 miljoen euro bedragen? Acht u deze bezuiniging proportioneel in het licht van de Nederlandse belangen in Zuid-Soedan en de uitgesproken ambities in het coalitieakkoord over het vergroten van perspectief van de meest kwetsbare doelgroepen in fragiele regio’s?
Bent u bereid om, mede gezien het lopende adviestraject van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over het Nederlandse postennetwerk, definitieve besluiten over sluiting van de ambassade in Juba aan te houden totdat dit advies is verschenen? Zo nee, waarom niet, en op welke gronden acht u vooruitlopen op dit advies gerechtvaardigd?
Deelt u de zorg dat sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba het signaal afgeeft dat Nederland zijn betrokkenheid bij een van de meest kwetsbare landen ter wereld vermindert, en dat dit ruimte kan laten voor andere internationale actoren die minder prioriteit geven aan mensenrechten en multilateralisme? Hoe weegt u de geopolitieke effecten van sluiting van de post in Juba?
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Kunt u de Kamer de beantwoording zo snel mogelijk doen toekomen, idealiter voor het commissiedebat Humanitaire Hulp van woensdag 1 april?
Bent u bekend met het bericht «Extinction Rebellion lijmt deuren van meer dan dertig scholen in Amsterdam dicht: «Dit heeft niets meer met demonstratievrijheid te maken»»?1
Wat vindt u ervan dat dit soort misstanden blijft voortduren en zich uitbreidt naar nieuwe maatschappelijke sectoren en dat overheden er kennelijk niet in slagen om zulke misstanden te verijdelen of zo snel mogelijk te beëindigen voordat maatschappelijke overlast ontstaat?
In hoeverre was de gemeente vooraf op de hoogte van de plannen om scholen te blokkeren en wat is verricht om deze misstanden te voorkomen of zo snel mogelijk te beëindigen?
Hoe reageert u op de aankondiging van Extinction Rebellion (XR) dat er noodzaak zou zijn de strijd te intensiveren? Welke inspanningen verricht u om te voorkomen dat meer scholen met deze overlast te maken krijgen?
Hebben alle scholen inmiddels aangifte gedaan tegen XR? Stimuleert u scholen dit te doen en hoe bevordert u dat de kosten zoveel mogelijk verhaald worden op XR?
Onderkent u dat gezien de aanhoudende, intensieve en brede inzet van XR om de maatschappij te ontwrichten door belangrijke locaties zoals snelwegen, stations en scholen te bezetten en te blokkeren, specifieke landelijke regie en ondersteuning van gemeenten nodig is om deze organisatie de kop in te drukken en misstanden vaker te kunnen voorkomen? Wil u hierbij uitdrukkelijk aandacht besteden aan scholen?
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie een onderzoek in voorbereiding heeft om de rechter te verzoeken XR te verbieden, gezien het feit dat XR daadwerkelijk op allerlei terreinen uitwerking geeft aan de uitdrukkelijke doelstelling om de maatschappij te ontwrichten?
Hoe verhoudt de kennelijke doelstelling van XR om te maatschappij te ontwrichten zich tot de fiscale ondersteuning van de ANBI-regeling die gericht is op het bevorderen van maatschappelijk nut? Vindt u ook dat organisaties die blijkens eigen uitingen een doelstelling nastreven die in strijd is met het algemeen nut niet voor de ANBI-status in aanmerking mogen komen?
De geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de financiële knelpunten bij de financiering van vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor, omdat het studentenreisproduct bij deze vormen van publiek vervoer niet geldig is en door overheden geld bijgelegd moet worden om studenten alsnog gratis te laten reizen met een ov-studentenkaart?1, 2
Ja.
Hoe waardeert u het feit dat het studentenreisproduct niet geldig is bij de genoemde vormen van publiek vervoer?
Voor het studentenreisproduct heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven. Of binnenlands open toegang-treinvervoer en de personenauto’s/taxibusjes van de Flex3 in Zeeland binnen de afgesproken reikwijdte van het gecontracteerde vervoer valt, is onderwerp van gesprek in de contractrelatie tussen het ministerie en de ov-bedrijven. Ik informeer uw Kamer na de zomer over de voortgang van dit gesprek.
Hoe waardeert u het feit dat de provincie Zeeland nu de financiering van het studentenreisproduct in het daar geldende vraaggestuurd publiek vervoer verzorgt, terwijl de uitrol van vraaggestuurd vervoer in Zeeland als nationale pilot publiek vervoer is benoemd?
Ik snap dat de wijze waarop binnen de provincie Zeeland het publieke vervoer is georganiseerd de vraag oproept hoe zich dit verhoudt tot de geldigheid van het studentenreisproduct. Dit wordt dan ook zoals aangegeven meegenomen bij de gesprekken zoals bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Wat is het beoogde tijdpad voor opvolging van de Verkenning publieke mobiliteit?
Momenteel werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) samen met de Ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en OCW, aan de verbredingsfase, welke als basis zal dienen voor een op te stellen Kabinetsstandpunt Publieke Mobiliteit. De Staatssecretaris van IenW zal de Kamer eind 2026 informeren over de resultaten van de verbredingsfase en nader inzicht geven in de voortgang van het Kabinetsstandpunt dat de Staatssecretaris van IenW in 2027 naar de Kamer zal sturen.
Deelt u de mening dat aanpassing van de geldigheid van het studentenreisproduct bij de genoemde vormen van publiek vervoer noodzakelijk en urgent is, omdat het een bepalende factor is voor de rendabiliteit van deze vormen van publiek vervoer en vraaggestuurd vervoer noodzakelijk is om verschraling van het openbaar vervoer in het landelijk gebied tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor de financiële toegankelijkheid van het vervolgonderwijs voor studenten en daaraan levert het studentenreisproduct een belangrijke bijdrage. Het Ministerie van OCW heeft hiertoe een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven afgesloten. Ik ben en wil in mijn rol niet verantwoordelijk zijn voor de rendabiliteit van publiek gefinancierd vervoer. Het budget van de onderwijsbegroting dient zo doelmatig mogelijk te worden besteed aan de beleidsdoelen van OCW.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het studentenreisproduct in open toegang ritten op het spoor?3
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens op korte termijn ruimte te geven voor toepassing van het studentenreisproduct bij genoemde vormen van publiek vervoer, zo nodig in de vorm van experimenteerruimte?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid met regionale opdrachtverleners en vervoerders om tafel te gaan om uit te werken hoe ervoor gezorgd kan worden dat conform het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil de bereikbaarheid van voorzieningen centraal staat, in dit geval voor studenten, en niet via welk contract het vervoer is vastgelegd?4
Via de privaatrechtelijke overeenkomst die ik heb met de ov-bedrijven, zorgen we ervoor dat studenten hun onderwijsinstelling of stageadres kunnen bereiken door ov-bedrijven te vergoeden voor de reizen die studenten met het studentenreisproduct maken.6 Het contract is voor mij een middel waarmee we de bereikbaarheid van voorzieningen voor studenten mogelijk maken.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat vraaggestuurd publiek vervoer wettelijk gedefinieerd wordt als vorm van openbaar vervoer, met bepalingen ten aanzien van onder meer CAO, geldende vervoerbewijzen en de toepassing van het studentenreisproduct?
In de huidige verbredingsfase besteedt de Staatssecretaris van IenW in samenspraak met betrokken departementen ook aandacht aan de vraag of er een wettelijke definitie voor publieke mobiliteit dient te komen. De Staatssecretaris van IenW is geen partij in eventuele discussies ten aanzien van CAO’s. De Staatssecretaris van IenW realiseert zich echter dat het voor het vaststellen van de toe te passen CAO van belang is om over een heldere definitie van het begrip publieke mobiliteit te beschikken.
Verder is het goed om te melden dat de eerder genoemde privaatrechtelijke overeenkomst regelt voor welk type vervoer de ov-bedrijven een vergoeding van OCW kunnen krijgen voor reizen van studenten met het studentenreisproduct.
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Gemeenten hebben na de Tweede Wereldoorlog op grond van artikel 24 van de toenmalige Begraafwet (Stb 1869,2 in overleg met de Joodse gemeenschap enkele tientallen Joodse begraafplaatsen gesloten en hebben daartoe de overledenen na de opgraving – en voor zover bekend onder rabbinaal toezicht – herbegraven op een andere (Joodse) begraafplaats. Dat Joodse begraafplaatsen ruimte maakten voor de aanleg van nieuwe voorzieningen of infrastructuur voor uitbreidende stedelijke gebieden was niet uniek, ook andere begraafplaatsen moesten hiervoor wijken.
Ik vind het pijnlijk dat uitgerekend de Joodse gemeenschap zo vlak na de Holocaust getroffen werd door de sluiting van hun begraafplaatsen, waarmee de eeuwigdurende grafrust van vele overleden dierbaren is verstoord, ook gelet op de kille behandeling vanuit de overheid die hen op veel andere terreinen ten deel viel. Ik heb begrip voor de reacties die dit nu oproept.
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Tot 1991 was er geen wettelijke verplichting voor begraafplaatsen om een register bij te houden met een nauwkeurige aanduiding van waar de graven zich bevonden. Veel begraafplaatsen hielden voor 1991 wel een register bij van degenen die op de begraafplaats begraven lagen, bijvoorbeeld om kosten in rekening te kunnen brengen. Veel van deze registers zijn helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Ook is er veel kennis verloren gegaan doordat de houder van de begraafplaats ten tijde van de opgravingen niet meer in leven was.
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
Participatie van VN-rapporteur Albanese aan Al Jazeera conferentie met vertegenwoordigers van Hamas en Iran |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat VN Speciaal Rapporteur Francesca Albanese afgelopen weekend spreker was op een Al Jazeera-forum in Qatar en daar het podium deelde met Hamasvoorman Khaled Meshaal en de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi?1
In hoeverre brengt dit optreden de onafhankelijkheid en effectiviteit van het mensenrechtenonderzoek van Albanese in gevaar?
Hoe duidt u Albaneses uitspraak dat de mensheid in Israël «een gemeenschappelijke vijand» heeft?2 Zijn deze en andere uitingen van Albanese op het Al Jazeera Forum in strijd met de VN-gedragscode? Welke consequenties verbindt u daaraan?
Wat heeft Nederland tot nu toe bereikt door de Speciale VN-rapporteur voor de Palestijnse Gebieden te wijzen op (social media) uitingen die volgens Nederland haaks staan op de VN-gedragscode?3
Bent u bereid in voorkomende gevallen af te wijken van het zogeheten standing invitation beleid voor Speciaal Rapporteurs, als volhard wordt in het schenden van de gedragscode en overgebrachte zorgen naast zich neergelegd worden?
Bent u bereid om een formele klacht in te dienen over het functioneren van Speciaal Rapporteur Albanese bij het coördinatiecomité van VN-mandaathouders?
Welke mogelijkheden heeft u om samen met gelijkgezinde landen als Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en Italië op te trekken om ervoor te zorgen dat Albanese in lijn handelt met de VN-gedragscode?
Klopt het dat de Speciaal Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden aan haar tweede en laatste mandaat bezig is?
Wat heeft Nederland als lid van de VN-Mensenrechtenraad gedaan om de herbenoeming van mevrouw Francesca Albanese vorig jaar te voorkomen? Onder welke voorwaarden is Nederland uiteindelijk, bij consensus, akkoord gegaan met haar herbenoeming?
Veiligheid van Joodse studenten en isolatie van dissidente academici |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Onderzoeker Amanda Kluveld: Er zijn Joodse studenten die met studie stopten om onveiligheid»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak dat actiegroep Free Palestine Maastricht een eigen «kantoortje» heeft op de Maastricht University?
Instellingen gaan – binnen de kaders van wet- en regelgeving – zelf over wie zij gebruik laten maken van de ruimtes op hun instelling. Binnen deze kaders staat het instellingen vrij om hun eigen criteria te hanteren. Van de Universiteit Maastricht heb ik begrepen dat zij bepaalde ruimtes beschikbaar stelt aan studentorganisaties, Free Palestine Maastricht is er daar een van. Het criterium dat de Universiteit Maastricht hanteert voor het gebruik maken van deze ruimtes is dat een organisatie een studentorganisatie moet zijn die bij de universiteit bekend is en geregistreerd staat. In het geval van Free Palestine Maastricht is dit zo.
Het is aan de instelling, die de verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving draagt, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt.
Mag een politieke actiegroep als Free Palestine Maastricht volgens het bestaande universiteits- en onderwijsbeleid gebruikmaken van permanente kantoorruimtes op universiteiten? Zo ja, welke criteria gelden daarvoor en wie beslist hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met de onderzoeker in kwestie eens dat de oproep «Kill All Zionists» als profielnaam op Instagram in feite een directe oproep tot geweld is tegen Joodse studenten en medewerkers? Hoe verhouden zulke uitingen zich tot een veilige en inclusieve leeromgeving?
Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk van de hand wijst. Daarbij passen dergelijke uitingen uiteraard ook niet in een veilige en inclusieve leeromgeving. Het is niet aan mij als Minister om te oordelen of er sprake is van een directe oproep tot geweld. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit. In het algemeen kan ik wel met uw Kamer delen dat het rapport «Gevangen in vrijheden»2 van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ons leert dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël.
Bent u bekend met het artikel «Zwijg, zionist! Hoe universiteiten dissidenten monddood maken»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat academici die afwijkende opvattingen hebben over Israël en Gaza zich beperkt voelen in hun vrijheid van meningsuiting?
Ik ben ervan op de hoogte dat het open debat over Israël en Gaza aan universiteiten al enige tijd onder grote druk staat. Het signaal dat academici zich beperkt voelen in het uiten van hun opvattingen hierover vind ik zorgelijk. Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek de plaats voor open debat en dialoog, waarin er ruimte moet zijn voor ieders geluid, ook wanneer dit soms schuurt.
In hoeverre bereiken signalen over sociale en professionele isolatie van academici aan Nederlandse universiteiten het Ministerie van OCW, en welke acties of maatregelen acht u nodig om de academische vrijheid in dit soort kwesties te waarborgen?
Laat ik vooropstellen dat het sociaal en professioneel isoleren van onderzoekers, evenals andere vormen van sociale onveiligheid, ontoelaatbaar is. Signalen over vormen van (sociale) onveiligheid van wetenschappers bereiken mij onder andere via het platform WetenschapVeilig dat op initiatief van UNL, de KNAW en NWO en met ondersteuning van mijn ministerie eind 2022 is gelanceerd. Op de website is informatie beschikbaar voor wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe om te gaan met bedreigingen, intimidatie en haatreacties. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en bedreiging gepubliceerd4. In 2026 zal deze worden herhaald.
Er is een veilige, open en inclusieve cultuur nodig om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs en een veilige leer- en werkomgeving te borgen. Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om hier zorg voor te dragen. Voor het handelingsperspectief is het van belang om een onderscheid te maken tussen academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het verschil is dat academici in functie een beroep kunnen doen op academische vrijheid, met inachtneming van de waarden waar academische vrijheid op berust. Vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe. Meer inzicht in dit onderscheid is nodig. Daarom werkt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) op verzoek van mijn ministerie aan een advies over vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Ik verwacht dit advies in de zomer. Ook verwacht ik in de zomer een advies van de KNAW over de juridische borging van academische vrijheid. Daarnaast start ik dit najaar een inventarisatie naar pluriformiteit in de wetenschap.5 Op basis van deze adviezen en inventarisatie bekijk ik of, en zo ja, welke acties of maatregelen nodig zijn om de academische vrijheid te waarborgen.
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Ja.
Zoals onderstreept in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) blijven de zorgen over het jihadistische online milieu onverminderd groot.2 Met name de snelle online radicalisering van een nieuwe generatie jongeren wordt daarin als zorgwekkend aangemerkt.
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen nadere uitspraken doen.
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
De aanhoudingen kunnen passen in het beeld zoals onder meer geschetst in het meest recente DTN. Op openbare sociale media, in besloten chatgroepen en op gaming-platformen komen individuen buiten het zicht van ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten gemakkelijker en op jongere leeftijd dan voorheen in aanraking met extremistisch gedachtegoed. Door sociale media hoeven gebruikers niet altijd naar extremistische content te zoeken, maar kunnen zij ook onbedoeld en zonder ideologische motivatie met deze content in aanraking komen. Daarnaast kunnen zij onderdeel worden van online netwerken van gelijkgestemden, waar zij soms zelf extremistische content produceren en verspreiden, hetgeen weer bijdraagt aan de radicalisering van anderen.
De jonge leeftijd van een aantal verdachten past in het bredere beeld dat steeds meer terrorismeverdachten minderjarig zijn en (online) geïnspireerd raken door onder andere de Islamitische staat (ISIS). De geografische spreiding van de verdachten laat verder zien dat fysieke nabijheid geen vereiste is voor samenwerking. Online platformen maken het mogelijk dat terroristische netwerken ontstaan die gemeente- en regiogrenzen overstijgen.
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Het gedachtegoed van ISIS is online eenvoudig toegankelijk en wijdverspreid. Jihadistische propaganda, jihadistische groepen en netwerken bevinden zich op verscheidene online platformen. Deze online aanwezigheid zorgt ervoor dat het jihadistische gedachtegoed in stand blijft, hetgeen leidt tot nieuwe aanwas van jihadisten en het mogelijk vergroten van de actiebereidheid bij hen. Bovendien is de omvang van jihadistische online propaganda de laatste jaren sterk toegenomen. Het is lastig om zicht krijgen op de totale omvang van deze propaganda, omdat zij soms verstopt is op minder toegankelijke kanalen zoals besloten chatgroepen.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) heeft in de open publicatie «Een web van haat» uit 2025 eerder benoemd dat de brede online beschikbaarheid en toegankelijkheid van extremistische en terroristische propaganda zeer waarschijnlijk bijdraagt aan een blijvende jihadistische dreiging.3 Daarnaast onderschrijft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat online radicalisering onder jihadistische jongeren een groeiend probleem is in Nederland en in Europa.4 In de afgelopen jaren heeft deze radicalisering van jonge jihadisten in Nederland echter nog niet geleid tot een daadwerkelijke geweldsdaad in Nederland: aanslagplannen kwamen niet tot uitvoer of autoriteiten wisten voornemens tot een aanslag tijdig te onderkennen. Desondanks kunnen uit online contacten op termijn ook jihadistische netwerken ontstaan die een terroristische dreiging kunnen vormen.
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
Terroristische en extremistische groepen en netwerken maken in hun online propaganda vaak gebruik van verhullende communicatie om detectie door opsporingsdiensten en online platformen te omzeilen. Ze gebruiken daarbij codetaal, symboliek, zogenoemde «hondenfluitjes» of humor, verwerkt in memes, afbeeldingen, video’s en games. Op deze manier kunnen extremistische boodschappen op grote platformen worden verspreid en een breder publiek bereiken. Naarmate contentmoderatie strenger wordt, neemt ook de mate van verhulling toe.
Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van detectiemechanismen en het in kaart brengen van nieuwe uitingsvormen van terroristische online content.
Daarnaast zijn hostingbedrijven en online platformen verplicht zorgvuldig om te gaan met de content die zij aanbieden. Zo legt de Digital Services Act (DSA) voor zeer grote online platformen (VLOPs) zorgvuldigheidsverplichtingen op met betrekking tot de inrichting van hun platform en de content die daarop wordt gehost of verspreid. De DSA verplicht platformen om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht en de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platformen hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de structurele dialoog met de online platformen hiervoor aandacht te vragen.
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Sociale mediaplatformen kunnen problemen ondervinden bij het tijdig detecteren en verwijderen van terroristische propaganda wanneer omzeilingstechnieken worden gebruikt. Zoals aangegeven in antwoord 4 maken terroristische en extremistische groepen en netwerken vaak gebruik van verhullende communicatie om moderatie-inspanningen te omzeilen. Het blijft dan ook van belang dat sociale mediaplatformen oog houden voor nieuwe omzeilingstechnieken en investeren in moderatie kwaliteit en in kennis. Hoewel platformen zoals TikTok en de Meta-diensten (Instagram) geavanceerde AI inzetten voor de detectie van ernstige schendingen, blijkt de handhaving in de praktijk vaak inconsistent en traag. Dit is omdat deze geautomatiseerde systemen nog steeds moeite hebben met de contextuele en culturele nuances van de steeds veranderende codetaal. Bovendien belemmert de architectuur van gepersonaliseerde-algoritmen de moderatie, omdat gebruikers content te zien krijgen die aansluit bij hun interesses, waardoor zij minder snel geneigd zijn om propaganda te rapporteren.
In Nederland geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) uitvoering aan de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en is bevoegd om terroristische content te detecteren en deze te laten verwijderen of ontoegankelijk te laten maken. De ATKM streeft ernaar om in samenwerking met de platformen moderatie van terroristische online content verder te verbeteren en spreekt hen aan wanneer zij naar haar oordeel meer kunnen doen. Waar nodig zet zij hierbij verwijderingsbevelen en haar handhavingsinstrumentarium in.
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf. Zo bevat het huidige wettelijke instrumentarium, zoals de TOI-verordening en de DSA, duidelijke verplichtingen voor de bestrijding van terroristische en andere illegale content op online platformen.
De ATKM heeft op grond van de TOI-verordening primair tot taak terroristische online-inhoud te identificeren en het ontoegankelijk maken van online terroristische online-inhoud af te dwingen.
Indien terroristische online-inhoud is geïdentificeerd, vaardigt de ATKM een verwijderingsbevel uit aan de aanbieder van hostingdiensten waar de terroristische online-inhoud wordt gehost. De ATKM kan een verwijderingsbevel uitvaardigen aan alle aanbieders van hostingdiensten die hun diensten aanbieden in de Europese Unie. Hierop heeft de aanbieder van hostingdiensten één uur de tijd om deze inhoud te verwijderen óf de toegang daartoe in alle EU-lidstaten te blokkeren. De ATKM houdt scherp toezicht op deze 1-uurs termijn. In vrijwel alle gevallen hebben internetbedrijven hieraan opvolging gegeven.5
Wanneer een verwijderingsbevel niet (tijdig) door een aanbieder van hostingdiensten wordt nageleefd, kan de ATKM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Indien een aanbieder systematisch of aanhoudend de verwijderingsbevelen niet naleeft, is het wettelijk maximum boetebedrag € 1.100.000 of, indien dat meer is, ten hoogste 4% van de mondiale omzet van de onderneming.
Wanneer een in Nederland gevestigde aanbieder van hostingdiensten twee of meer definitieve verwijderingsbevelen heeft ontvangen kan de ATKM besluiten dat deze aanbieder is blootgesteld aan terroristisch online inhoud. De aanbieder dient dan onder andere aanvullende specifieke maatregelen te nemen om zijn diensten te beschermen tegen de verspreiding van terroristisch online inhoud. De aanbieder kiest zelf welke specifieke maatregelen hij hiervoor treft en rapporteert hierover aan de ATKM.6
De verplichtingen onder de DSA zijn gelaagd en afhankelijk van de omvang van de dienst. Online platformen moeten op grond van artikel 16 beschikken over een gebruiksvriendelijk meldsysteem voor illegale inhoud. Bij een vermoeden van een strafbaar feit dat het leven of de veiligheid van een persoon bedreigt, moeten zij volgens artikel 18 de opsporingsdiensten informeren. Daarnaast moeten meldingen van trusted flaggers op basis van artikel 22 met voorrang worden behandeld.
Voor VLOPs gelden strengere eisen. Zij moeten volgens artikel 34 systemische risico’s rond de verspreiding van illegale content analyseren en op grond van artikel 35 passende maatregelen nemen. Bij ernstige nalatigheid kunnen op grond van artikel 52 boetes tot 6% van de wereldwijde jaaromzet worden opgelegd. Ook moeten VLOPs de mogelijke risico’s voor bijvoorbeeld de openbare veiligheid analyseren en beperken, bijvoorbeeld door algoritmische versterking te verminderen of gebruikers naar hulpinstanties te verwijzen. De Europese Commissie houdt toezicht op deze verplichtingen.
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Het wettelijk instrumentarium, zoals de DSA en de TOI-verordening, biedt mogelijkheden om op te treden tegen onveilige online omgevingen. Zo is in het kader van voorgenoemde wetten een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien.
Wat betreft de manier waarop er gehandhaafd kan worden onder de TOI-verordening door de ATKM verwijs ik u graag naar het uitgebreide antwoord op vraag 6. Om de doeltreffendheid en praktische effecten van de Uitvoeringswet TOI en de bevoegdheden van de ATKM te beoordelen, is in 2025 de evaluatie van deze wet gestart. Daarin wordt de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. In het najaar van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de resultaten hiervan.
Daarnaast heeft Nederland in december 2025, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie opgeroepen om in samenspraak met onder andere online platformen een vrijwillige gedragscode op te stellen ter bestrijding van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme.7 De voorstellen voor de gedragscode richten zich op de bescherming van gebruikers van online platformen, het delen van signalen van online radicalisering, en het tegengaan van zogeheten «platform migratie» waarbij (geblokkeerde) gebruikers (telkens) naar andere platformen uitwijken (en accounts op nieuwe platformen openen).
De DSA biedt ruimte voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse toezichthouder, en de Europese Commissie om handhavend op te treden bij niet-naleving van de verplichtingen uit de verordening. De verordening laat in een uiterst geval en onder voorwaarden ruimte voor de toezichthouder om de rechter te verzoeken de toegang tot een dienst tijdelijk te beperken wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk die neerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd. De Europese Commissie kan VLOPs dwingende maatregelen opleggen en boetes uitdelen wanneer zij systemische risico's onvoldoende mitigeren.
In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Om dit instrumentarium verder te versterken, zal Nederland een actieve rol spelen in deze evaluatie en ons inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk en mogelijk is. Daarbij richten wij ons niet alleen op de aanpak van illegale en schadelijke content, maar nadrukkelijk ook op het gebrek aan transparantie en de werking van schadelijke algoritmen. Deze inzet sluit aan bij de doelstellingen uit het coalitieakkoord. Zo zal het kabinet zich inzetten om sociale media veiliger te maken door middel van strenger toezicht op platformen en transparantie over algoritmen, en effectieve handhaving tegen illegale content. In de komende periode zal worden bezien op welke wijze hier nadere invulling aan kan worden gegeven.
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Zoals het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, zijn er verspreid over negen politie-eenheden in totaal zestien verdachten aangehouden. Volgens het Openbaar Ministerie hebben dertien verdachten de Syrische nationaliteit en drie verdachten de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet doet geen uitspraken over individuele verblijfsstatussen of andere persoonsgegevens van de verdachten.
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
De NCTV houdt de ontwikkelingen omtrent de jihadistische dreiging nauwlettend in de gaten en rapporteert daarover in het DTN. Ook wordt voortdurend bezien of de huidige aanpak voldoende handvatten biedt of dat aanscherping van maatregelen nodig is.
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
De lokale aanpak vormt een essentieel onderdeel van de kabinetsinzet tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, waarbij altijd sprake is van maatwerk. Met name waar het jongeren betreft is het belang van effectieve vroegsignalering groot en dergelijk maatwerk vereist – een noodzaak die ook door de AIVD is benadrukt in haar publicatie «Een web van haat».8 Hierbij is een grote rol weggelegd voor preventie, bijvoorbeeld door het bevorderen van digitale weerbaarheid van jongeren, het ondersteunen van ouders en het trainen van (lokale) professionals zoals jeugdwerkers en leerkrachten om mogelijke signalen van (online) radicalisering vroegtijdig te herkennen.
Het versterken van digitale weerbaarheid is een belangrijke pijler binnen de preventieve aanpak van online radicalisering9, waarbij passende en effectieve interventies op lokaal niveau van groot belang zijn. Op dit gebied werk ik intensief samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), waaronder bij het toekennen van de Versterkingsgelden aan gemeenten. Vanuit de Versterkingsgelden worden diverse lokale interventies ondersteund die bijdragen aan het versterken van de digitale weerbaarheid van jongeren, zoals lessen op school over mediawijsheid en online jongerenwerk. SZW zet daarnaast ook op lokaal niveau preventief in op het versterken van bewustwording, kennisontwikkeling en -deling en samenwerking van professionals op het thema online radicalisering.10 De NCTV heeft de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit in 2025 en 2026 gevraagd met regionale advisering de lokale aanpak te ondersteunen, met als doel duurzame netwerken tussen lokale professionals op te bouwen ter bevordering van lokale preventie en deskundigheidsbevordering. Tevens is de aansluiting tussen zorg- en veiligheidspartners een aandachtspunt. Daarbij is een extra focus aangebracht voor de aanpak van snelle online radicalisering van jongeren door jongerenwerkers, onderwijzers, ouders en jongeren, en hoe deze aanpak zelf kan worden vormgegeven door inzet op online veiligheid en digitale weerbaarheid.
Tot slot is het van groot belang dat (lokale) professionals uit het sociaal-, onderwijs-, zorg- en veiligheidsdomein over de juiste kennis en handvatten beschikken om signalen vroegtijdig te herkennen zodat hierop effectief kan worden gehandeld. Het Rijksopleidingsinstituut tegen Radicalisering (ROR) werkt samen met gemeentes aan de deskundigheid van professionals door middel van kennisverspreiding en het versterken van vaardigheden en biedt diverse trainingen en workshops aan professionals, zoals een workshop «Online Radicalisering» of de serious game voor docenten genaamd «Botsende ideeën». Daarnaast biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en mensen die in hun privé omgeving te maken krijgen met (mogelijke) radicalisering of extremisme.
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
In algemene zin kunnen uitingen die online worden gedaan direct of indirect effect hebben in de fysieke wereld. Intolerante en gewelddadige boodschappen worden, met name door de komst van sociale media, razendsnel verspreid om de geesten van anderen ontvankelijk te maken voor terroristische denkbeelden. Als mensen online propaganda van terroristische organisaties voorgeschoteld krijgen, kan dat radicalisering in de hand werken en van invloed zijn op de wijze waarop deze personen zich gedragen in onze maatschappij, niet alleen online maar ook op straat, bijvoorbeeld bij bijeenkomsten of demonstraties.
Personen die online radicaliseren door veelvuldige blootstelling aan terroristische boodschappen kunnen hun intolerante gedachtegoed in de openbare ruimte uitdragen, bijvoorbeeld door terroristische misdrijven te verheerlijken of door steun te betuigen aan terroristische organisaties. Om deze verheerlijkende propaganda nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Uiteraard kan er op dit moment ook al strafrechtelijk worden opgetreden tegen strafbare uitingen die online of offline in het openbaar worden gedaan.
Op het moment dat er strafbare uitlatingen worden gedaan tijdens een demonstratie is het aan het Openbaar Ministerie als gezag om een afweging te maken of de politie moet ingrijpen. Het Openbaar Ministerie kan eveneens na een demonstratie ingrijpen door dan tot strafvervolging over te gaan. Deze afweging is aan het Openbaar Ministerie.
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme en terrorisme aan te pakken – in het bijzonder waar het jongeren betreft. Er wordt voortdurend bezien of de huidige wet- en regelgeving toereikend is en er wordt stevig ingezet op preventie, bewustwording en samenwerking met lokale en internationale partners. In het voorjaar van 2026 zal ik in de volgende voortgangsbrief van de Versterkte Aanpak Online nader ingaan op de verdere ontwikkelingen in het tegengaan van online extremisme en terrorisme.
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn lastig exact kwantitatief inzichtelijk te maken, maar zijn waarschijnlijk slechts beperkt. Ten eerste geldt dat voor activiteiten die een lozingsvergunning nodig hebben op grond van de huidige wetgeving al sinds vele jaren een actualiseringsplicht bestaat.4 Mede naar aanleiding van de naderende deadline van 2027 om de KRW-doelen te bereiken, zijn alle bevoegde gezagen inmiddels bezig om hier invulling aan te geven en is aan de Kamer toegezegd om de voortgang hiervan middels een dashboard inzichtelijk te maken.5
Ten tweede is voor vergunningen voor onttrekkingen weliswaar geen specifieke actualiseringsplicht opgenomen in de wetgeving, maar staat ook voorop dat het bevoegd gezag gehouden is aan het tijdig bereiken van de doelen van de KRW en dat er daarmee – zij het impliciet – een verplichting bestaat om vergunningen die dit doelbereik zouden belemmeren, te actualiseren. De Europese Commissie wil met de inbreukprocedure bereiken dat in de wetgeving een specifieke frequentie voor deze herbeoordeling wordt bepaald, zodat dit niet wordt overgelaten aan de keuzevrijheid van het bevoegd gezag.
Ten derde geldt dat bij een dergelijke actualisering van vergunningen voor lozingen en onttrekkingen alleen sprake kan zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de doelen van het waterbeheer (waaronder de KRW-doelen begrepen zijn) en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit in betekenisvolle mate zal leiden tot wijziging van bestaande vergunningen voor warmteprojecten (zoals voor warmte-/koudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)), omdat de gevolgen van die warmteprojecten al goed in beeld zijn gebracht bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning en het niet aannemelijk is dat die omstandigheden intussen in belangrijke mate zijn gewijzigd.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving specificeert dat voor lozingen en onttrekkingen een dergelijke actualisering minstens elke 10 jaar plaatsvindt. De gevolgen hiervan voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn naar verwachting erg beperkt. In de praktijk zal dit namelijk niet leiden tot een betekenisvolle verandering in de situatie dat bevoegde gezagen (moeten) zorgen dat de vergunningen in hun beheer actueel zijn en passend zijn binnen de doelen van de KRW.
Tot slot wordt benadrukt dat de voorstellen niets veranderen aan de inhoudelijke beoordeling van nieuwe vergunningaanvragen en alleen zien op het herbeoordelen van bestaande vergunningen.
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Naast de actualiseringsplicht bevat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving naar aanleiding van de inbreukprocedure ook een aanscherping van de vergunningplicht voor wateronttrekkingen, dit om te voldoen aan de KRW.6 Naar aanleiding van de motie Van Ginneken/Tjeerd de Groot7 bevat de voorgenomen wijziging ook de introductie van een landelijke meldplicht voor onttrekkingen.
Bij het onderzoek naar de afbakening van deze meldplicht en naar de gevolgen daarvan en van de aangescherpte vergunningplicht voor de uitvoerbaarheid, is de betrokken stakeholders gevraagd naar de effecten voor alle wateronttrekkingen. Onttrekkingen voor warmteprojecten zijn daarbij dus niet specifiek uitgelicht, maar ook niet van de scope uitgezonderd.8
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Het klopt dat niet altijd precies bekend is wat de effecten zijn van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit.9 Die onzekerheid kan projecten met name parten spelen als voor de eerste keer een vergunning wordt aangevraagd. Bij onzekerheid over de effecten van een project op de doelstellingen van het waterbeheer, is het niet altijd eenvoudig om een vergunning te verlenen.
Als eenmaal een vergunning verleend is, speelt deze onzekerheid in veel mindere mate een rol. Wanneer het bevoegd gezag op basis van de actualiseringsplicht opnieuw beziet of de activiteit nog ongewijzigd doorgang kan vinden, wordt specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.10
Ten aanzien van deze nieuw te beschouwen ontwikkelingen zal in de regel de onzekerheid niet toenemen ten opzichte van de onzekerheid die speelde bij het oorspronkelijke verlenen van de vergunning. In die zin brengt de actualiseringsplicht dan ook geen extra investeringsrisico’s met zich mee.
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deze analyse wordt gedeeld. Deze geldt voor alle investeringen en niet alleen voor warmteprojecten: een definitieve investeringsbeslissing wordt in de regel niet genomen zonder voldoende vertrouwen dat de investering terugverdiend kan worden met een redelijk rendement. De terugverdientijd voor warmteprojecten varieert per project, maar warmteprojecten zijn in het algemeen qua investering kapitaalintensieve infrastructuurprojecten. Door de lange technisch-economische levensduur van vaak tientallen jaren is het ook mogelijk om een succesvol project met een lange terugverdientijd te realiseren.
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Er is bij het ministerie geen analyse bekend waaruit dit zou volgen. Een dergelijke uitkomst van een analyse wordt ook erg onwaarschijnlijk bevonden, zie het antwoord op de vorige vragen. Er heeft nooit een zekerheid bestaan dat activiteiten decennialang ongewijzigd voortgezet zouden kunnen worden. Het huidige wettelijke kader verplicht namelijk al tot een regelmatige actualisatie van vergunningen en die is momenteel – voor lozingen – ook in volle gang. Bij een dergelijke actualisering kan alleen sprake zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de waterdoelen en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit op grote schaal zal leiden tot het moeten wijzigen van de bestaande vergunningen voor warmteprojecten. Ook leidt dit niet tot een andere wijze van beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwe warmteprojecten.
De nu in voorbereiding zijnde actualiseringsplicht maakt alleen expliciet dat deze actualisering in het vervolg minstens elke 10 jaar plaatsvindt. Overigens is de voorgenomen actualiseringsplicht onvermijdelijk gezien de inbreukprocedure van de Europese Commissie en speelt dit in alle landen waar een dergelijke inbreukprocedure loopt.
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
De KRW biedt een uitzonderingsmogelijkheid voor bepaalde projecten.13 Wanneer het gaat om een project dat bestaat uit nieuwe veranderingen van de fysieke kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand en dat project komt in strijd met de ecologische KRW-doelen, dan kan het project toch worden toegestaan als – kort gezegd – het project van «hoger openbaar belang» is, voor dat project geen alternatieven bestaan, en de negatieve effecten van het project zo klein mogelijk zijn.
Per project zal onderbouwd moeten worden of aan deze randvoorwaarden voldaan is, maar het is aannemelijk dat projecten die plaatsvinden in het kader van de energietransitie in de regel gekwalificeerd kunnen worden als van «hoger openbaar belang».
Als een project aan deze randvoorwaarden voldoet, betekent het dat hiervoor een vergunning verleend kan worden ook al komt het project in strijd met de KRW-doelen. Deze uitzonderingsmogelijkheid heeft dus invloed op de uitkomst van een weging tussen enerzijds het waterkwaliteitsbelang en anderzijds het belang van de energietransitie. Het voorgaande betekent echter niet dat voor dergelijke projecten in het geheel geen weging meer hoeft plaats te vinden tussen beide belangen en dus geen periodieke actualiseringsplicht nodig zou zijn.
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
In de nieuwe Wet collectieve warmte is leveringszekerheid een expliciete taak van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf wordt geacht een gedegen plan te hebben om de structurele beschikbaarheid van voldoende warmte op de lange termijn zeker te stellen. Onderdeel daarvan zal zijn om risico’s vooraf te inventariseren en mitigerende maatregelen te nemen, zodat de consument niet zonder warmte komt te zitten, bijvoorbeeld door een divers portfolio aan warmtebronnen op te stellen en hulp- en noodvoorzieningen te plaatsen. Dat plan wordt beoordeeld en bekrachtigd door het college van burgemeester en wethouders en zo nodig in overleg met het college gewijzigd. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op het nakomen van de taak en is bevoegd om interventies te plegen. In gevallen waarin het (uitzonderlijke) wijzigen of intrekken van een vergunning ertoe leidt dat het warmtenet niet meer aan de duurzaamheidsnormen voldoet, is er in de wet de mogelijkheid opgenomen om een tijdelijke ontheffing van de duurzaamheidsnormen aan te vragen bij de ACM. In die periode kan de levering van warmte dan worden voortgezet met een tijdelijk minder duurzame bron totdat een toekomstbestendig duurzaam alternatief is ontwikkeld.
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Nee, de KRW biedt die ruimte niet. Zie ook de eerdere antwoorden hierboven.
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet mogelijk gezien de vereisten van de KRW. De Europese Commissie ziet hierop toe middels de inbreukprocedure. Het is ook niet nodig om voor warmteprojecten een uitzonderingspositie te creëren nu het niet de verwachting is dat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving warmteprojecten in betekenisvolle mate negatief zal beïnvloeden, niet voor bestaande vergunningen en niet voor nieuw aan te vragen vergunningen.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijzigingen van wet- en regelgeving zullen veeleer positieve gevolgen hebben voor projecten die samenhangen met de energietransitie en specifiek warmteprojecten. De wijzigingen leiden namelijk tot meer grip op bestaande activiteiten die ook met nieuwe warmteprojecten kunnen concurreren en bieden voor de toekomst meer mogelijkheden tot herverdeling van schaarse milieugebruiksruimte, waarbij een weging kan worden gemaakt tussen concurrerende gebruiksvormen en waarbij prioriteit gegeven kan worden aan ontwikkelingen die maatschappelijk gezien van groter belang zijn.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Femke Wiersma (BBB), Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgevingen over zwerfstroom bij veehouderijen in Ooltgensplaat.
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Ik heb op dit moment geen kennis van situaties op veehouderijbedrijven elders in Nederland waar soortgelijke problemen worden ervaren zoals die in berichtgeving is beschreven. Indien onbegrepen problemen bestaan op een veehouderij zal normaliter de eigen dierenarts hierover geconsulteerd worden. Ook kunnen veehouders en dierenartsen contact opnemen met de Gezondheidsdienst voor Dieren, via de Veekijker2, voor advies. De Veekijker is onderdeel van de basismonitoring diergezondheid, een instrument om trends en ontwikkelingen in de diergezondheid bij landbouwhuisdieren te volgen.
In het verleden is, naar aanleiding van meldingen van onbegrepen gedrag, door sectorpartijen geïnventariseerd in welke mate onbegrepen gedrag van dieren door veehouders wordt gezien, waar geen duidelijke verklaring (binnen of buiten het bedrijf) voor aan te wijzen was. Er is een oproep gedaan voor bedrijven om zich te melden. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2018 een onderzoek gedaan, waaraan 31 bedrijven die zich gemeld hadden, hebben deelgenomen3. Er is geconcludeerd dat veel factoren een rol kunnen spelen, er is niet één specifieke oorzaak gevonden. Mogelijk was de oorzaak per bedrijf ook verschillend. Associaties met zonnepanelen, of zendmasten en hoogspanningskabels in de omgeving zijn in dit onderzoek niet gevonden.
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Toenemende elektrificatie brengt in zichzelf geen risico op zwerfstroom. Zwerfstroom ontstaat wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels.
Indien een bestaande elektrische installatie van een bedrijf wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een zonnepaneel-installatie, een batterij of een kleine windturbine is het zaak dat deze installatie blijft voldoen aan de elektrotechnische veiligheidseisen zoals beschreven in de NEN1010. Onoordeelkundige uitbreidingen kunnen tot problemen leiden. Het is daarom belangrijk dat elektrische installaties altijd aangelegd, onderhouden en gecontroleerd worden door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
De provincie Zuid-Holland heeft inderdaad per brief verzocht om het uitvoeren van multidisciplinair onderzoek door het Rijk. De provincie gaf aan dat de casuïstiek de mogelijkheden en het kennisveld van de provincie oversteeg. Nadat de veehouder eerst zelf onderzoek heeft laten uitvoeren, heeft de provincie een second opinion laten uitvoeren.
Dit second opinion-onderzoek concludeert dat er geen externe oorzaken zijn aan te wijzen voor de problemen op het bedrijf. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de metingen uit het onderzoek dat de veehouder heeft laten uitvoeren, ongeschikt waren om zwerfstromen te detecteren en dat er aanwijzingen waren dat de elektrische installatie op het bedrijf verbetering behoeft.
Tevens staat de veehouder onder verscherpt toezicht van de NVWA en is veroordeeld door de rechter vanwege het onthouden van de nodige zorg en het hebben van onvoldoende capaciteit voor het aantal gehouden dieren. Overwogen is dat deze situatie nog altijd niet volledig is verbeterd en dat de problematiek op het bedrijf toe te schrijven is aan de omstandigheden waaronder de dieren worden of werden gehouden. De houder is tevens gewezen op het bestaan van het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren voor hulp en ondersteuning.
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Ik kan mij goed voorstellen dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Het gevraagde multidisciplinair onderzoek is echter pas zinvol als er in de monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen worden gevonden. In dit geval zijn er geen externe oorzaken gevonden, zijn er wel zorgen over het dierenwelzijn en diergezondheid bij de veehouderij en waren er verbeteringen mogelijk in de elektrische installatie. Tevens ken ik geen voorbeelden van onderling vergelijkbare casuïstiek die op externe oorzaken wijzen.
Uiteraard blijf ik alert op eventuele ongewenste gevolgen die samen zouden kunnen hangen met de energie-transitie en de (elektrische) infrastructuur die in de omgeving wordt geplaatst.
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
Ontvoeringen bij kerkdiensten in Nigeria |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen mensen ontvoerd bij kerkdiensten in Nigeria»?1
Wat is uw beeld van het motief van deze ontvoeringen? Waren de bandieten in Kaduna primair uit op losgeld of speelde religie hier ook een belangrijke rol? Worden de ontvoerders in verband gebracht met Boko Haram?
In hoeverre wordt in de bilaterale relatie met onze belangrijkste handelspartner in Afrika aandacht besteed aan de straffeloosheid van daders van geweld en intimidatie tegen christenen?
Nederland zet zich in bilateraal verband steevast in tegen straffeloosheid en voor de bescherming van religieuze minderheden in Nigeria en zal dat blijven doen. Deze zorgen zijn in 2025 meermaals overgebracht aan de Nigeriaanse overheid, onder meer tijdens de jaarlijkse bilaterale consultaties in november, in het gesprek tussen de Minister-President en de president van Nigeria in augustus en tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Nigeria in mei. Ook in een recent bezoek van de Sahelgezant in januari 2026 werd hier met meerdere partners over gesproken. Nigeria geeft aan dat het werk maakt van de opsporing en vervolging van daders. Recente succesvolle acties van het leger tegen Boko Haram getuigen hiervan. Ook geeft het Nigeriaanse Nationale Centrum voor Antiterrorisme aan dat 5000 terroristen in voorarrest zitten, en rechtszaken in 84 procent van de gevallen tot veroordelingen leiden.
Ziet u mogelijkheden om daarbij expliciet te bevorderen dat de overheid, getroffen gemeenschappen en maatschappelijke organisaties in Nigeria de ruimte ervaren om een beroep te doen op Nederlandse ondersteuning en beschikbare middelen?
Nederland is een van de grootste donoren in Nigeria op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging en heeft tussen 2021 en 2025 op dit thema ruim EUR 7 miljoen ingezet in Nigeria. Middels interreligieuze dialoog en samenwerking zijn er binnen deze programmering duurzame resultaten behaald op gebied van conflictpreventie. Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich onder meer op Nigeria en heeft als doel de vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken, religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen. Ook ondersteunt Nederland Nigeria in het beschermen van burgers en bestrijden van terrorisme met de Regional Stabilisation Facility (RSF), en via de EU Multinational Joint Task Force, beide actief in onder andere de Tsjaad-meer regio waar Boko Haram actief is. Nederland droeg tussen 2019 en 2.025 EUR 15,5 mln bij aan de RSF.
Hoe wordt Nederlandse steun (via multilaterale kanalen) aan Nigeria zodanig ingezet dat kwetsbare groepen beschermd worden en humanitaire hulp veilig kan worden geleverd, ook in gebieden waar terroristische groeperingen actief zijn?
Nederland ondersteunt humanitaire partnerorganisaties – VN-organisaties en fondsen, het Rode Kruis en de Rode Halve Maan, en de Dutch Relief Alliance – met meerjarige flexibele financiering. Dit geeft hen de ruimte om op een veilige manier middelen in te zetten waar en wanneer ze het meest nodig zijn. UNICEF, UNHCR en het Rode Kruis, in samenwerking met lokale hulpdiensten, waren onder meer betrokken bij het verlenen van humanitaire hulp na recente aanvallen in noord en centraal Nigeria.
Via de EU worden meerdere programma’s op conflictresolutie en -preventie in het midden en noordoosten en westen van het land gefinancierd ter waarde van EUR 150 miljoen tussen 2021–2027.3 Het verbeteren van toegang tot rechtspraak voor kwetsbare groepen is een van de pijlers. Daarnaast heeft de EU onlangs een bedrag van EUR 557 miljoen toegezegd aan humanitaire hulp voor West- en Centraal Afrika voor 2026, met noordwest-Nigeria als een van de focusregio’s.
Ziet u mogelijkheden om bij te dragen aan veilige terugkeer van getroffen gemeenschappen?
Zie antwoorden op vraag 4 en 5. Nederland draagt hieraan bij binnen de bestaande programma’s en humanitaire fondsen.
Deelt u de opvatting dat Nigeriaanse deelstaten voor hun veiligheid grotendeels afhankelijk zijn van federale inzet, en hoe beoordeelt u de gevolgen van deze centrale aansturing voor de effectieve aanpak van geweld en vervolging van christenen?
De Nigeriaanse veiligheidsdiensten zijn inderdaad centraal georganiseerd. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de Nigeriaanse staatsinrichting. Nederland en andere EU-lidstaten ondersteunen Nigeria waar nodig en mogelijk bij de aanpak van geweld en vervolging van christenen.
De situatie in Syrië |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het staakt-het-vuren dat zou zijn overeengekomen tussen het Syrische regeringsleger en de SDF?
In de afgelopen periode is de situatie in noordoost-Syrië zeer complex geweest, waarbij de ontwikkelingen elkaar snel opvolgden. Na het staakt-het-vuren van 20 januari, dat op 24 januari verlengd werd, kwamen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) op 30 januari een permanent staakt-het-vuren overeen. Onderdeel van deze overeenkomst is ook de integratie van de SDF en de gebieden in het noordoosten in de Syrische staat. Het kabinet verwelkomt deze overeenkomst. Van belang is dat er een vreedzame en duurzame oplossing tussen de twee partijen wordt gevonden, dat de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd en dat ontheemden veilig en verantwoord terug kunnen keren. Het kabinet blijft de situatie op basis hiervan nauwgezet volgen.
Op basis van welke actuele informatie concludeert u dat er geen risico bestaat op escalatie met Koerdische actoren in Irak, en acht u deze inschatting nog houdbaar in het licht van de gebeurtenissen sinds het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken gehouden op 13 januari jl.?
Het kabinet baseert zijn inschatting op informatie van het postennetwerk in de regio, internationale partners en veiligheidsdiensten. Daarbij wordt onderkend dat de situatie in Syrië en de bredere regio voortdurend in beweging is en dat ontwikkelingen in Syrië kunnen doorwerken in buurlanden, waaronder Irak. In het licht van de ontwikkelingen in noordoost-Syrië is het inderdaad zaak om deze inschatting continu te herijken. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en stemt hierover af met internationale partners.
Bent u bereid zich in te zetten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de toedracht en verantwoordelijkheden rond het vrijlaten van IS-terroristen uit de gevangenis van Al-Shaddadi, en te pleiten voor gerichte EU-sancties tegen personen of entiteiten die hiervoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden?
Het tegengaan van straffeloosheid is een prioriteit voor het kabinet. Het is zodoende van belang dat er duidelijkheid komt ten aanzien van de berichten dat IS-terroristen bewust zouden zijn vrijgelaten. Dit belang brengt het kabinet, ook via de EU, over aan de Syrische overgangsregering.
Duidelijkheid ten aanzien van wat er precies is voorgevallen en wie eventueel verantwoordelijk is geweest, kan op verschillende manieren worden bereikt. Het kabinet zet zich, ook in EU-verband, actief in voor het tegengaan van straffeloosheid en draagt hiertoe bij aan verscheidene organisaties die actief zijn op het gebied van monitoring en onderzoek. Het gaat dan onder meer om het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Mocht blijken dat individuen of entiteiten verantwoordelijk zijn voor het vrijlaten van IS-terroristen, dan zal Nederland dit in EU-verband agenderen en bezien welke vervolgstappen binnen de geldende EU-kaders passend zijn. Het sanctie instrumentarium is daarbij één van de opties.
Bent u bereid om in EU-verband financiële en politieke steun aan de Syrische overgangsregering ter discussie te stellen, als vastgesteld wordt dat de autoriteiten ook maar enige verantwoordelijkheid dragen voor het ontsnappen van IS-terroristen?
De inzet van het kabinet ten aanzien van Syrië vraagt om een voortdurende en zorgvuldige afweging. Veiligheid en stabiliteit in Syrië zijn van groot belang voor Nederland en voor alle Syrische gemeenschappen. Vanuit dit perspectief zet het kabinet zich in voor humanitaire hulp, economische ontwikkeling, wederopbouw en het tegengaan van straffeloosheid.
Mede daartoe onderhoudt het kabinet contact met de Syrische overgangsregering, waarbij het kabinet zich nadrukkelijk bewust is van de achtergrond van de huidige machthebbers in Damascus en van zorgwekkende ontwikkelingen in het afgelopen jaar, waaronder de geweldsescalaties in Latakia en Sweida. Gelet op bovengenoemde inzet en met het oog op het beperken van de invloed van landen als Iran en Rusland, acht het kabinet het noodzakelijk om te blijven engageren met de Syrische overgangsregering.
Het kabinet spreekt de overgangsregering daarbij consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen en het bevorderen van een inclusieve politieke transitie. In EU-verband zet het kabinet zich in voor een voorwaardelijke benadering van financiële en politieke steun, waarbij deze gekoppeld is aan de concrete stappen die de overgangsregering zet op deze terreinen. Recentelijk heeft het kabinet dit, volgend ook op de motie Stoffer en Ceder1, onder meer opgebracht in de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl.2
Indien wordt vastgesteld dat de autoriteiten verantwoordelijkheid dragen voor ernstige misstanden, waaronder betrokkenheid bij ontsnappingen van aan IS-gelieerde personen of aanhoudend geweld tegen minderheden, dan zal het kabinet zich ervoor inzetten om de steun opnieuw te wegen en, waar nodig, ter discussie te stellen.
Deelt u de conclusie dat de in de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 32 623, nr. 334) gestelde voorwaarden voor normalisatie van de betrekkingen met Damascus door het aanhoudende geweld tegen minderheden niet worden nageleefd? Zo ja, welke consequenties verbindt het kabinet hieraan voor de Nederlandse en Europese steun aan regering van Al-Sharaa?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland en de EU de Koerden in Syrië politiek, diplomatiek en strategisch steunen, onder meer via partners in de Koerdische autonome regio in Noord-Irak? Ziet u mogelijkheden om deze steun uit te breiden?
Nederland en de EU steunen Syrië via een breed pakket aan humanitaire hulp, steun voor vroeg herstel en sociaaleconomische stabilisatie, waaronder een EU-steunpakket van circa EUR 620 miljoen voor 2026–2027. Deze inzet is gericht op een vreedzame en inclusieve transitie en komt ten goede aan de Syrische bevolking als geheel, waaronder ook Koerdische gemeenschappen.
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een stabiel Syrië waarin de rechten van alle burgers worden gerespecteerd. Daarin maken Nederland en de EU geen onderscheid tussen bevolkingsgroepen.
Klopt het dat de Syrische interim-regering de aanvallen op de SDF op religieuze gronden legitimeert?1 Hoe beoordeelt u dit? Welke consequenties verbindt het kabinet aan religieuze rechtvaardiging van geweld door autoriteiten voor Nederlandse en Europese steun aan Syrië?
Het kabinet is bekend met berichtgeving dat (individuen binnen) de Syrische overgangsautoriteiten religieuze taal zouden gebruiken om optreden tegen de SDF te ondersteunen. Deze berichten zijn echter moeilijk onafhankelijk te verifiëren. In zijn algemeenheid geldt dat het kabinet religieuze rechtvaardiging van geweld, als ook het typeren van groepen op basis van religieuze identiteit, onaanvaardbaar acht.
Acht u het waarschijnlijk dat ontsnapte IS-strijders terugkeren op Europese bodem? Erkent u dat er dan sprake is van een risico voor de nationale en Europese veiligheid? Liggen er concrete protocollen klaar? Zo nee, bent u bereid deze in Europees verband te laten opstellen?
De afsluiting van de A30 in verband met groot onderhoud |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de lokale weerstand tegen de voorgenomen afsluiting van een groot deel van de A30 in verband met groot onderhoud?1, 2
Ja, ik heb kennisgenomen van het feit dat een aantal lokale ondernemers en andere belanghebbenden zorgen hebben geuit over de voorgenomen verkeersmaatregelen en de daarmee gepaard gaande hinder.
Op welke wijze is het participatietraject vormgegeven? In hoeverre zijn lokale ondernemers daarbij betrokken?
Rijkswaterstaat heeft de voorbereiding van de voorgenomen verkeersmaatregelen ingericht volgens de reguliere Hinderaanpak Wegen. In dat kader zijn onder andere de provincies Gelderland en Utrecht, de gemeenten Barneveld en Ede, alsmede nood- en hulpdiensten structureel betrokken tijdens zogeheten GGB-sessies (Gebieds Gericht Benutten). Via deze bestuurlijke partners zijn de belangen van inwoners en het lokale bedrijfsleven vertegenwoordigd, waarmee invulling is gegeven aan de gebruikelijke wijze waarop belangen van inwoners en ondernemers worden betrokken bij groot onderhoud aan rijkswegen.
Bedrijven zijn en worden verder geïnformeerd via de algemene publiekscommunicatie, zoals persberichten, de projectpagina, advertenties, radiocommercials en berichtgeving via social media. Daarnaast hebben diverse grote bedrijven en overige stakeholders informatie ontvangen middels een persoonlijk gesprek en/of per mail met daarin de relevante en benodigde informatie over het project.
Ook is de mogelijkheid geboden aan alle betrokken stakeholders om een informatiebijeenkomst aan te vragen, zodat onder andere lokale ondernemers direct vragen kunnen stellen en toelichting kunnen krijgen op het project. Hier is niet in alle gevallen gebruik van gemaakt.
Is de veronderstelling juist dat: lokaal verkeer nu ook veel gebruik maakt van de A30/A1, dat omrijden via Utrecht of Arnhem voor deze groep verkeersdeelnemers geen optie is en dat volledige afsluiting van een groot deel van de A30 derhalve tot grote druk op het lokale wegennet zal leiden?
Nee, het uitgangspunt van Rijkswaterstaat is om het doorgaande verkeer via omleidingsroutes over het hoofdwegennet te leiden, zodat het onderliggende wegennet zoveel mogelijk beschikbaar blijft voor lokaal verkeer, waaronder inwoners en bedrijven.
Op een gemiddelde werkdag bestaat het verkeer op de A30 voor ongeveer 50% uit doorgaand verkeer en voor ongeveer 50% uit lokaal verkeer. Uit verkeersmodelanalyses blijkt dat het doorgaande verkeer juist bij grootschalige afsluitingen gebruik blijft maken van het hoofdwegennet. Bij een kortere afsluiting, bijvoorbeeld tot aan Lunteren, blijkt een aanzienlijk deel van het doorgaande verkeer juist uit te wijken naar het onderliggende wegennet. Dit leidt tot nog veel meer extra verkeer op lokale wegen en zal naar verwachting leiden tot ernstige verkeershinder en onveilige situaties.
Kunt u aangeven, ook richting betrokken gemeenten, wat de verwachte verkeersintensiteit is op de verschillende lokale (gebiedsontsluitings)wegen bij volledige wegafsluiting en bij een meer gefaseerde afsluiting (zoals voorgesteld door ondernemers)? Kunt u enig inzicht geven in de bijbehorende gevolgen voor doorstroming en verkeersveiligheid?
In onderstaande tabel staat de intensiteit in motorvoertuigen per etmaal op twee van deze lokale wegen weergegeven (de Hessenweg en de Postweg). In alle gevallen neemt de totale verkeersintensiteit toe op de lokale wegen. De toename is bij een afsluiting tussen de A1 en Lunteren en bij een gefaseerde afsluiting echter fors hoger dan bij een hele afsluiting.
Hessenweg
Postweg
Situatie zonder werkzaamheden
7.500
1.400
Hele afsluiting tussen A1 en Ede-Noord
+4.500 extra
+2.600 extra
A30 dicht tussen A1 en Lunteren
+4.600 extra
+8.200 extra
Gefaseerde afsluiting: A30 dicht tussen Scherpenzeel en Lunteren
+0
+14.300 extra
Hoe waardeert u de keuze voor een volledige wegafsluiting in plaats van een meer gefaseerde afsluiting?
Het gefaseerd uitvoeren van werkzaamheden zou de verkeersdrukte op het onderliggende wegennet sterk vergroten, met zeer onveilige en onwenselijke situaties tot gevolg. Deze overlast zou bij een gefaseerde afsluiting ook over een langere periode aanhouden dan bij een volledige afsluiting het geval zou zijn. Een volledige afsluiting heeft ook de voorkeur van de nood- en hulpdiensten vanwege de duidelijke aanrijdroutes en het beschikbaar zijn van een rijstrook voor eventuele nood- en hulpdiensten. Ten slotte blijft bij een volledige afsluiting het onderliggend wegennetwerk beter beschikbaar voor bestemmingsverkeer en daarmee ook voor de te bereiken bestemmingen in Voorthuizen, Barneveld en de gemeente Ede.
Welke maatregelen worden genomen voor een zo vlot en veilig mogelijke doorstroming op lokale wegen tijdens de afsluiting, bijvoorbeeld van en naar de op- en afrit op de A1 bij Voorthuizen en ook aan de zuidkant van Barneveld en in de gemeente Ede?
In overleg met gemeenten, de provincie Gelderland en Utrecht en nood- en hulpdiensten zijn beheersmaatregelen getroffen om de doorstroming op het onderliggend wegennet te optimaliseren. Het gaat dan om het aanpassen van cyclustijden van verkeersregelinstallaties, het inzetten van adviesroutes, het monitoren per motor van sluipverkeer en de inzet van verkeersregelaars. Gedurende de werkzaamheden wordt de situatie gemonitord en waar nodig en mogelijk bijgestuurd binnen een operationeel doorstromingsteam. Dit team bestaat uit Rijkswaterstaat, de aannemer en de betrokken stakeholders.
De Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors |
|
Derk Boswijk (CDA), Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors, die stelt dat ruim 388 miljoen christenen wereldwijd te maken hebben met discriminatie en zware vervolging vanwege hun geloofsovertuiging?1
Ja. Op 19 januari jl. heb ik de Ranglijst Christenvervolging 2026 van Open Doors persoonlijk in ontvangst genomen.
Herkent u de trends, namelijk dat het aantal Christen dat te maken heeft met discriminatie en zware vervolging voor hun geloof toeneemt, die Open Doors in haar onderzoek laat zien?
Het kabinet herkent de zorgelijke trends die in het rapport van Open Doors worden geschetst en ziet eveneens dat christenen in verschillende delen van de wereld in toenemende mate te maken hebben met discriminatie, vervolging en geweld. Dit is, helaas, onderdeel van een bredere ontwikkeling waarin mensenrechten wereldwijd onder toenemende druk staan. De oorzaken zijn divers en omvatten onder meer de opkomst van autoritaire regimes, verslechterende socio-economische omstandigheden, de impact van gewapende conflicten, instabiliteit en escalerend geweld, onder andere in delen van Sub-Sahara Afrika. In deze context worden vaak ook andere religieuze en etnische minderheden getroffen. Vrijheid van religie en levensovertuiging is daarom al jaren één van de kernprioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van christenen en andere religieuze minderheden wereldwijd.
Heeft u zicht op de veiligheidssituatie in Syrië voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime, en kunt u daarbij specifiek ingaan op de situatie voor Christenen?
De veiligheidssituatie in Syrië is complex en volatiel. Het kabinet onderkent dat minderheden, onder wie christenen, zich hierbij in een kwetsbare positie bevinden. Meldingen van maatschappelijke organisaties, waaronder Open Doors, onderschrijven deze kwetsbaarheid. Tegelijkertijd geldt dat onafhankelijke informatie over de positie van religieuze en etnische minderheden, waaronder christenen, beperkt beschikbaar is en er veel nepnieuws rondgaat op het internet. Het is daarom soms moeilijk te achterhalen wat de precieze feiten zijn.
De Syrische overgangsregering, onder leiding van interim-president al-Sharaa, presenteert tot op heden een hervormingsagenda gericht op een inclusieve politieke transitie, herstel van basisvoorzieningen, wederopbouw en gerechtigheid voor misdaden. In zijn uitlatingen het afgelopen jaar benadrukt Al-Sharaa regelmatig verzoening, inclusiviteit en hervormingen. Tegelijkertijd tonen ernstige geweldsincidenten in onder meer Suweida en de kustregio aan dat de overgangsregering meer concrete stappen moet zetten om de veiligheid en rechten van alle Syrische etnische- en religieuze gemeenschappen te borgen.
Het kabinet spreekt zich in contacten met de Syrische overgangsregering consequent uit over het belang van een inclusieve politieke transitie en bescherming van alle Syrische gemeenschappen, en blijft de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Hoe waardeert u de veranderingen in de veiligheidssituatie voor religieuze en etnische minderheden sinds de val van het Assad-regime? Kunt u in uw antwoord de bevindingen van Open Doors meenemen die een forse toename van het aantal vervolgde Christenen in Syrië laat zien?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden ziet u om via de Syrië-gezant en andere bilaterale of multilaterale contacten met de Syrische regering te pleiten voor grondwetsherzieningen die volledig en gelijk burgerschap garanderen voor alle Syrische burgers, ongeacht religie, etniciteit of geslacht?
Het kabinet zet zich bilateraal en multilateraal in voor een inclusieve politieke transitie in Syrië, gebaseerd op mensenrechten, rechtsstatelijkheid en gelijk burgerschap. Dit gebeurt via diplomatieke kanalen, multilaterale fora en internationale samenwerking.
Wat zijn de mogelijkheden om op nationaal en EU-verband de Syrische regering te stimuleren op te treden bij geweldsincidenten, discriminerende en intimiderende uitingen naar religieuze gemeenschappen en de verantwoordelijken te laten arresteren en vervolgen?
Nederland blijft dit thema zowel nationaal als in EU-verband agenderen via diplomatieke kanalen, multilaterale fora en Europese mensenrechteninzet, met nadruk op bescherming van alle gemeenschappen, naleving van mensenrechten en het bestrijden van straffeloosheid.
Een concreet voorbeeld is het Nederlands lidmaatschap van de Syria Core Group in de VN Mensenrechtenraad. Als lid van deze groep zet Nederland zich in voor een mandaatverlenging van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (CoI), zodat deze gedegen en onafhankelijk onderzoek kan blijven doen naar mensenrechtenschendingen in Syrië – waaronder tegen religieuze gemeenschappen.
Hoe is uw zicht op de door Open Doors geconstateerde verdere verslechtering van de situatie in veertien landen in Sub-Sahara Afrika, waarbij in Nigeria wederom de meeste moorden op christenen werden gepleegd?
Het kabinet veroordeelt het geweld in Sub-Sahara Afrika en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, onder wie christenen. Nederland bekijkt voortdurend hoe onze diplomatieke en programmatische inzet te verbeteren op conflictpreventie, stabiliteit en vrijheid van religie en levensovertuiging binnen de beschikbare middelen, en volgt de situatie in de verschillende landen nauwlettend.
Welke kansen ziet u om gebruik te maken van de aankomende Universal Periodic Reviews van de VN-mensenrechtenraad om aandacht te vragen voor mensenrechtenschendingen en misstanden op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging in bijvoorbeeld Niger, Mozambique, Syrië, Somalië en Soedan?
Vrijheid van Religie en Levensovertuiging is een van de prioriteiten waarop Nederland regelmatig aanbevelingen formuleert in Universal Periodic Reviews (UPRs) van andere lidstaten2; het kabinet zal dit ook blijven doen. Wanneer het betreffende land op de agenda van de UPR staat zal gekeken worden naar concrete aandachtspunten om de mensenrechtensituatie aldaar te verbeteren. Waar relevant zullen aanbevelingen op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging daar onderdeel van uitmaken (zie ook het antwoord op vraag 9).
Bent u bereid om het geweld tegen Christenen in Nigeria onder de aandacht te brengen tijdens bilaterale en multilaterale contacten, met een nadruk op de religieuze component van deze grootschalige moorden, zoals wordt aangetoond door Open Doors?
Ja. Nederland zet zich zowel bilateraal als multilateraal in voor conflictpreventie en de bescherming van religieuze minderheden in Nigeria en zal dat blijven doen. Deze zorgen zijn in 2025 consistent overgebracht aan de Nigeriaanse overheid, onder meer tijdens de jaarlijkse bilaterale consultaties in november jl., in het gesprek tussen de Minister-President en de President van Nigeria in augustus jl., en tijdens het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Nigeria in mei jl.
Daarnaast brengt Nederland de positie van christenen en andere religieuze minderheden actief onder de aandacht in multilaterale fora, waaronder de EU en de Verenigde Naties. Zo heeft Nederland binnen de VN Mensenrechtenraad aandacht gevraagd voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nigeria en is dit onderwerp ingebracht tijdens de Universal Periodic Review (UPR) van Nigeria. Ook werkt Nederland samen met gelijkgezinde landen om vrijheid van religie en levensovertuiging te agenderen, onder meer binnen de EU en internationale coalities gericht op geloofsvrijheid.
Welke mogelijkheden ziet u om diplomatieke druk op de Nigeriaanse overheid uit te oefenen, en mogelijk Nederlandse of Europese assistentie te verlenen, om zorg te dragen voor bescherming van christelijke gemeenschappen, ondersteuning bij en veilige terugkeer en accurate vervolging van daders?
Nederland pleit binnen de EU voor het verhogen van veiligheidssteun en conflictpreventieprojecten in Nigeria en krijgt hiervoor steun van andere lidstaten. De EU heeft toegezegd hierop in te zetten, onder andere via een ministeriële conferentie en een vredes- en veiligheidsdialoog gepland in de eerste helft van dit jaar. Daarnaast is Nederland een van de grootste donoren in Nigeria op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. In de periode 2021–2025 is via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA) circa EUR 7 miljoen ingezet in Nigeria.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich op meerdere landen die voorkomen op de Ranglijst Christenvervolging, waaronder Nigeria, en heeft als doel de vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken, religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Welke gelegenheden ziet u om opvolging te geven aan de bilaterale contacten met Algerije om aan te dringen op opening van kerken en andere gebouwen waar christenen samen willen komen, gevallen van strafvervolging tegen predikanten in te trekken en registratieprocedures te vereenvoudigen?
De Nederlandse ambassade in Algiers spreekt regelmatig met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. De ervaring leert dat het uitdagend zal blijven om op korte termijn de gewenste resultaten te behalen. Het is daarnaast vaak niet productief voor de religieuze minderheden om ter plaatse al te vocaal te zijn op dit thema. Waar mogelijk deelt de ambassade echter de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin.
Bent u bereid om zich in de EU hard te maken om de benoeming van een speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging, die al eerder door de voorzitter van de Europese Commissie aangekondigd is, in de EU te bespoedigen?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling. Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in relevante EU-fora. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Heeft het kabinet een actieve benadering om digitale controle en vervolging zoals die bijvoorbeeld plaatsvindt in China en ook India bespreekbaar te maken in contacten met deze landen? Zo niet, bent u bereid hieraan te werken?
Toenemende digitale controle en repressie zijn voor het kabinet een punt van zorg. Nederland spant zich internationaal en bilateraal in om dit onderwerp te adresseren. De digitale repressie van religieuze groepen, inclusief christenen, is onderdeel van deze inzet. Nederland was tot voor kort voorzitter van de Freedom Online Coalitie en gebruikt dit platform om verantwoordelijk gebruik van surveillancetechnologie wereldwijd te promoten, bijvoorbeeld via de Guiding Principles on Government Use of Surveillance Technologies. Nederland is tevens actief in de International Freedom of Religion or Belief Alliance, waar het zich specifiek inzet voor de bescherming van religieuze minderheden. De jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en China (heropgestart in 2025) fungeert als een vast instrument om deze thema’s in EU-verband te adresseren. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten.
Heeft u er zicht op of mogelijk Europese of zelfs Nederlandse technologie gebruikt wordt voor digitale controle en vervolging in China en India? Bent u bereid om zich in te zetten dat Europese en Nederlandse technologie hier niet toe gebruikt kan worden in deze landen?
Het kabinet acht het van groot belang dat Europese en Nederlandse technologie niet wordt ingezet voor digitale controle en vervolging in strijd met mensenrechten. Een van de instrumenten hiertoe is het exportcontrolebeleid. De Europese Dual-Use Verordening is het wettelijk kader waartoe Nederland zich verhoudt als het gaat om goederen voor tweeërlei gebruik. De vergunningplicht geldt daarbij voor bepaalde goederen, is niet gericht op specifieke landen en heeft tot doel om via controle voorafgaand aan de export ongewenst eindgebruik tegen te gaan. Het beleid is daarmee landenneutraal. Deze verordening voorziet in de mogelijkheid om te toetsen op het risico dat bepaalde goederen en technologie op ongewenste wijze worden ingezet met mensenrechtenschendingen als gevolg. Met de introductie van de cybersurveillance-bepaling in de herziene verordening van 2021 zijn mensenrechten een meer centrale rol gaan spelen in exportcontrole.
Bij vergunningaanvragen voor export van gecontroleerde goederen, programmatuur en technologie toetst het kabinet dan ook expliciet op het risico op mensenrechtenschendingen. Bij zorgen over het eindgebruik of de eindgebruiker in relatie tot mensenrechtenschendingen, wordt een vergunningaanvraag in principe afgewezen. Daarnaast verwijst de verordening expliciet naar de verantwoordelijkheid van bedrijven om internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen.
Het bericht ‘Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel of niet naar school met deze sneeuw? Sommige tentamens gaan gewoon door»?1
Ja.
Vindt u het redelijk dat tentamens voor studenten gewoon doorgaan wanneer Rijkswaterstaat en de NS adviseren het reizen uit te stellen en het openbaar vervoer in de regio rond instellingen niet rijdt?
Omdat de lokale weeromstandigheden en bereikbaarheid als gevolg hiervan enorm kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van instellingen. Het uitgangspunt is dat het onderwijs zoveel mogelijk wordt gecontinueerd. Dit is ook in het belang van studenten. Daarom zijn de onderwijsinstellingen aan zet om zelf een afgewogen besluit te nemen over de wijze waarop het onderwijs en de tentaminering zijn georganiseerd en daarbij rekening te houden met de lokale omstandigheden.
Welke verplichtingen rusten op instellingen om te voorkomen dat studenten met studievertraging en extra kosten te maken krijgen vanwege dit soort situaties van overmacht?
In het geval dat een instelling besluit een tentamen op te schorten vanwege weersomstandigheden, hebben instellingen de plicht om studenten een ander examenmoment aan te bieden.
In de Onderwijs- en examenregeling wordt onder meer het aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens opgenomen alsmede de momenten waarop deze afgelegd kunnen worden. Ook mogelijkheden tot herkansing worden hierin opgenomen. Op deze wijze wordt rekening gehouden met (persoonlijke) omstandigheden die het deelnemen aan een tentamen in de weg staan. Het is hierbij goed om op te merken dat het missen van een tentamen niet per definitie leidt tot studievertraging en extra kosten. Vaak zijn er mogelijkheden om binnen de nominale studieduur te herkansen.
Vindt u het wenselijk dat in dit soort situaties landelijk grote verschillen tussen instellingen ontstaan terwijl de omstandigheden voor alle studenten hetzelfde zijn?
Onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor een goede organisatie van hun onderwijs. Begin januari hebben de weersomstandigheden ertoe geleid dat onderwijsinstellingen minder goed bereikbaar waren. Hierbij waren er op lokaal niveau grote verschillen. In sommige regio’s gold dat er geen regionaal vervoer meer beschikbaar was; in andere regio’s reed het regionale of lokale vervoer gewoon (al dan niet met een aangepaste dienstregeling). Daarom vind ik het van belang dat onderwijsinstellingen zelf een afgewogen besluit nemen over de organisatie van het onderwijs gebaseerd op de lokale omstandigheden.
Bent u bereid hierover het gesprek aan te gaan met de koepelorganisaties?
Omdat de weersomstandigheden en bereikbaarheid per regio kunnen verschillen, vraagt dit om maatwerk van de onderwijsinstelling. Wel zal ik steeds blijven uitdragen dat ik het van belang vind dat het onderwijs zoveel mogelijk doorgang blijft vinden en wanneer de omstandigheden dat niet toe laten dat instellingen – conform hun bestaande verantwoordelijkheid – studenten op de hoogte te stellen van mogelijkheden voor het inhalen van onderwijs of het herkansen van tentamens of examens.
Het Landbouwbesluit |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Femke Wiersma (BBB), Heijnen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Ja, wij onderschrijven het belang van noodzakelijke vruchtwisseling en, zoals in het bericht genoemd, omarmen wij de kringloopgedachte. Gezien het verdere verloop van de vragen willen we hieronder alvast een toelichting geven op de fiscale gevolgen bij vruchtwisseling. We benadrukken graag dat vruchtwisseling zowel voor toepassing van de landbouwvrijstelling als de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) relevant is. Het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten is echter verschillend.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing als de grond ter beschikking wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd in het geval van vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar (of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het recent gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Het ter beschikking stellen van grond in het kader van bijvoorbeeld derogatie kwalificeert dus niet voor de landbouwvrijstelling.
Vruchtwisseling heeft een ander effect voor de BOR en DSR ab. Onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in Titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving, omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. Momenteel wordt onderzocht hoe een verruiming van de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer6 en de motie Grinwis c.s.7 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd).
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014 met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit, maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?2
In het verleden heeft de Belastingdienst een werkafspraak gemaakt met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO Nederland). In de bijlage bij de beantwoording van de vragen is een kopie van die werkafspraak uit 2014 opgenomen.9 De afspraken uit deze werkafspraak zijn het vertrekpunt geweest voor de invulling van het onderdeel over vruchtwisseling in het beleidsbesluit. De kern van die werkafspraak is geweest dat gevallen waarbij de grond voor één jaar ter beschikking wordt gesteld of voor één jaar wordt verpacht als vruchtwisseling is aan te merken. Dit wel onder de strikte voorwaarde dat uit de feiten niet blijkt dat de grond om andere redenen dan vruchtwisseling ter beschikking wordt gesteld (zoals dat het geval is bij derogatie). In de werkafspraak is door de Belastingdienst aangegeven dat duidelijk uit de feiten moet blijken dat het perceel in beginsel om het jaar in gebruik moet zijn geweest in het kader van de eigen landbouwonderneming. De invulling die in het recent gepubliceerde beleidsbesluit aan het begrip vruchtwisseling wordt gegeven, is op hoofdlijnen hieraan gelijk. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft verschilt dus niet wezenlijk van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. Zoals hiervoor benoemd, is de werkafspraak met één van de vertegenwoordigers van de agrarische sector afgesloten. Op bepaalde onderdelen bestond verschil van inzicht tussen LTO Nederland en de Belastingdienst. Omdat behoefte bestaat aan duidelijkheid en transparantie over het standpunt van de Belastingdienst over de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling, is dit standpunt opgenomen in deze actualisatie van het beleidsbesluit. Op de website van de Belastingdienst zal een verwijzing worden opgenomen naar de vindplaats van het beleidsbesluit. Een beleidsbesluit heeft een bredere werking dan een werkafspraak. De verschillen tussen de werkafspraak en het beleidsbesluit komen tot uitdrukking in de vormgeving van de voorwaarden in het beleidsbesluit. Een aantal van deze voorwaarden lijkt op het eerste gezicht strikter dan die in de werkafspraak, maar hoeven dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – niet te zijn. Zoals hiervoor aangegeven, is in de werkafspraak opgenomen dat bij een periode van ter beschikking stellen van de grond aangesloten wordt bij een periode van één jaar. In het beleidsbesluit geldt echter als uitgangspunt dat de periode van ter beschikking stellen vanuit het perspectief van de grondeigenaar niet langer mag zijn dan één teeltseizoen (in één jaar kan sprake zijn van meerdere teeltseizoenen). Op dit punt lijkt het beleidsbesluit dus strikter. Vervolgens geldt dit uitgangspunt niet als de teeltduur van het in het kader van vruchtwisseling geteelde gewas bij de gebruiker van de grond langer is dan één jaar (dus soepeler dan de werkafspraak). Daarbij geldt verder nog de uitzondering dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar. Daarmee kan de termijn dus ook langer zijn dan één jaar. Verder wordt, om onduidelijkheid tussen partijen te voorkomen en om de bewijspositie van de agrariërs te verbeteren in het beleidsbesluit tot uitdrukking gebracht dat de onderhandse overeenkomst tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker, die vereist is voor toepassing van de landbouwvrijstelling, schriftelijk moet zijn vastgelegd. De voorwaarden in het beleidsbesluit bieden de inspecteur meer ruimte om met de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke geval rekening te houden. Op die manier wordt naar onze mening meer recht aan de praktijk gedaan dan eerder in de werkafspraak het geval was.
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
Het beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 23 november 201810 en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische sector. Beleidsbesluiten worden regelmatig geactualiseerd. Een beleidsbesluit geeft een invulling van de zienswijze die de Staatssecretaris van Financiën heeft als uitvoerder van belastingwetgeving over – in dit geval – landbouwgerelateerde vraagstukken. Meer specifiek is het een leidraad voor de belastinginspecteur hoe om te gaan met de genoemde vraagstukken. Dit beleidsbesluit biedt de praktijk onder andere de gewenste duidelijkheid over de standpunten van de Belastingdienst bij de toepassing van de landbouwvrijstelling als sprake is van vruchtwisseling. Bovendien wordt met het beleidsbesluit concrete invulling gegeven aan de eerdere niet-gepubliceerde werkafspraak uit 2014 met LTO Nederland. Het beleidsbesluit geeft belastingplichtigen nog steeds de mogelijkheid om een andersluidend standpunt in te nemen en dat te laten toetsen door de rechter. Binnen de bestaande wet en jurisprudentie geeft dit beleidsbesluit een zo ruim mogelijke uitleg van het begrip vruchtwisseling voor toepassing van de landbouwvrijstelling.
Een conceptversie van het beleidsbesluit is in de zomer van 2025 voorgelegd aan de Werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB). Namens de Werkgroep FUB hebben fiscale vertegenwoordigers van de agrarische sector (belastingadviseurs) gereageerd. Het commentaar vanuit de Werkgroep FUB is dat een aantal voorwaarden uit het besluit te beperkend wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dat commentaar is het besluit op een aantal punten aangepast (verduidelijkt en versoepeld). Gelet op de wettekst, jurisprudentie en de doelstelling van de landbouwvrijstelling kon niet aan alle punten tegemoet worden gekomen.
Het beleidsbesluit is in nauw overleg met de inspecteurs tot stand gekomen die in hun dagelijkse praktijk te maken hebben met de landbouwgerelateerde vraagstukken. Het beleidsbesluit blijft binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie. Aan het beleid – dat grotendeels een codificatie is van de bestaande werkafspraak met LTO Nederland – werd voor publicatie van dit beleidsbesluit ook al uitvoering gegeven door de Belastingdienst. Er zijn geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst, omdat het beleidsbesluit binnen de bestaande kaders van wetgeving en jurisprudentie past. Wanneer eventueel sprake is van aanpassing van wetgeving zal in de regel een uitvoeringstoets plaatsvinden.
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier meer inzicht in geven?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten geldt?
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling aan een ander ter beschikking is gesteld, is vereist dat tussen de gebruiker en de terbeschikkingsteller van de grond een onderhandse overeenkomst is gesloten. Daarbij moet ook aan de overige voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn voldaan. Een onderhandse overeenkomst vereenvoudigt de beoordeling voor de betrokken partijen en de inspecteur. In de werkafspraak met LTO Nederland is destijds niets opgenomen over de wijze van vastlegging van de overeenkomst. In het beleidsbesluit is een overgangsbepaling opgenomen voor (vaststellings)overeenkomsten tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker met inachtneming van de werkafspraak. Voor aantoonbare bestaande (vaststellings)overeenkomsten geldt onder meer dat deze ongemoeid blijven als deze beschikken over een einddatum tot en met twee jaar na datum van de publicatie van het beleidsbesluit. Dat kunnen ook mondelinge overeenkomsten zijn. In de praktijk is het complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als geen schriftelijke overeenkomst is opgesteld. Echter, als de aanwezigheid van een mondelinge overeenkomst aannemelijk kan worden gemaakt dan is het overgangsrecht uiteraard ook van toepassing op die mondelinge overeenkomst. De overgangsbepaling zal in de praktijk in alle redelijkheid worden toegepast door de inspecteur.
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de landbouwvrijstelling te verliezen?
In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren. Als de terbeschikkingsteller van de grond om hem moverende redenen zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond. Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
In het beleidsbesluit is als toelichting op de voorwaarden opgenomen dat de terbeschikkingsteller de noodzaak van het ter beschikking stellen van de grond of de toepassing van een uitzondering aannemelijk moet maken. In het beleidsbesluit is als voorbeeld genoemd dat dit kan door middel van (vak)studies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming. De manier waarop bewijs kan worden aangeleverd is vormvrij. Een andere manier dan met (vak)studies is ook mogelijk. Gedacht kan worden aan het overleggen van het bouwplan, mits daaruit blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling. De inspecteur neemt alle feiten van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond moet worden?
Het vereiste dat sprake moet zijn van een onderhandse (schriftelijke) overeenkomst heeft een praktische achtergrond. Zoals aangegeven, is het in de praktijk complexer om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als er geen schriftelijke overeenkomst is. Een schriftelijke overeenkomst is voor de inspecteur eenvoudig te toetsen. Het betekent ook dat de belastingplichtige beter kan aantonen dat de grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling. Daarmee heeft de belastingplichtige een sterkere positie om aan zijn bewijslast te voldoen. Daarnaast geeft deze voorwaarde duidelijkheid voor alle partijen. Wij realiseren ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst opstellen. Er gelden, naast schriftelijke vastlegging, geen bijzondere vereisten voor deze overeenkomst. Ter vergelijking: voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling is een onderhandse overeenkomst al voldoende. Bij bedrijfsoverdracht spelen echter de BOR en DSR ab een rol (zie het antwoord op vraag 1). In dat geval zal de overdrager van het landbouwbedrijf moeten voldoen aan de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen in het BW om de zogenoemde vastgoedmaatregel achterwege te laten. Achtergrond van die maatregel is dat een dergelijke uitzondering op de zogenoemde vastgoedmaatregel voor de Belastingdienst goed is te toetsen door aan te sluiten bij de bestaande teeltpachtwetgeving.11
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht, omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Zoals aangegeven, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing voor de periode dat de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander zonder noodzaak tot vruchtwisseling. Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, wordt beoordeeld vanuit de positie van de eigenaar van de grond. Het beleidsbesluit geeft daarover naar onze mening duidelijkheid binnen de geschetste kaders en is inhoudelijk niet wezenlijk anders dan de uitgangspunten uit de werkafspraak die sinds 2014 door de Belastingdienst worden gehanteerd. Het ligt niet voor de hand om deze uitzondering op de reikwijdte van de landbouwvrijstelling verder uit te breiden voor situaties waarbij de grond ook ter beschikking wordt gesteld maar waarin geen sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de agrariër die de grond bezit.12 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan (zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer13 en de motie Grinwis c.s.14 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd). Tot slot hechten we er aan op te merken dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling bij uitgebruikgevingen?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling in overleg met de sector te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Aukje de Vries (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
De dreigende uittocht van specialisten bij Rijkwaterstaat |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Uittocht van specialisten bij Rijkswaterstaat dreigt: houden we nog droge voeten?»?1
Ja, het bericht is bekend. Eveneens heeft Rijkswaterstaat voorafgaand aan de publicatie vragen van de betrokken journalist beantwoord.
Herkent u het beeld zoals in het artikel geschetst wordt? Zo nee, waarom niet?
Herkend wordt dat er contracten met zzp’ers worden beëindigd om conform de Wet DBA te handelen. Dit kan niet geheel zonder impact op het werk, ook al is die impact nog niet precies te duiden. De ruimte is geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen. De ingezette middelen die zijn beoogd voor externe inhuur, worden dan toegevoegd aan de reguliere personele budgetten, zodat er ook dekking is voor deze functies. Met het in vaste dienst nemen van zzp’ers die dat willen en door te zoeken naar interne oplossingen wordt geprobeerd de impact te beperken. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld.
Hoeveel zzp’ers zullen per 31 december a.s. naar verwachting hun opdracht bij Rijkswaterstaat verliezen?
Op 27 november is voor circa tweehonderd van de ruim zevenhonderd zzp’ers die voor Rijkswaterstaat werken het contract opgezegd op basis van mogelijke schijnzelfstandigheid. Het is mogelijk dat daar nog enkele gevallen bijkomen tot 31 december.
Hoeveel van deze zzp’ers zijn actief bij belangrijke taakonderdelen zoals verkeersmanagement, inspectie, beheer en onderhoud?
Binnen de organisatie wordt dit onderscheid niet gemaakt. Hierdoor is een aantal noemen niet mogelijk. Per casus wordt bekeken op welke wijze schijnzelfstandigheid, met zo klein mogelijke impact op het werk, kan worden voorkomen.
Kunt u schetsen wat het vertrek van deze zzp’ers zou betekenen qua verlies van deskundigheid en expertise?
Het vertrek van deze groep zzp’ers betekent niet dat Rijkswaterstaat alle beschikbare deskundigheid en expertise op de diverse vakgebieden verliest. Het is zaak de beschikbare capaciteit slim te verdelen over de opgave, zodat er zo min mogelijk merkbare effecten zijn. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in het proces van omzetting van contractvormen en verkennen van interne schuifmogelijkheden. Geprobeerd wordt de gevolgen en impact te minimaliseren door mensen in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen waar nodig dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, inhuurovereenkomsten gesloten worden.
Wat betekent het vertrek van deze zzp’ers voor veiligheid, projectduur en doorstroming?
Zoals hierboven reeds beschreven. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in de omzetting van contractvormen en het verkennen van interne schuifmogelijkheden. Daarbij wordt uiteraard ook de gebruikelijke wijze van prioriteren van werkzaamheden gehanteerd, zodat de veiligheid altijd gewaarborgd wordt en de overige effecten zo klein mogelijk zijn. Dit proces is nog niet klaar en het is daarom ook nog niet duidelijk welke precieze gevolgen er zijn voor lopende projecten waar op dit moment zzp’ers worden ingezet. Verwacht wordt dat het uiteindelijk een tijdelijk, vertragend effect zal blijken, omdat er vooruitkijkend mogelijkheden blijven bestaan om de capaciteit weer aan de organisatie te binden. De organisatie heeft enkel tijd nodig om dit op passende wijze te realiseren.
Hoe wordt dit opgevangen?
Geprobeerd wordt de impact te beperken door zzp’ers in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. De verwachting is dat via werving en selectie resterende plekken uiteindelijk weer vervuld kunnen worden. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen, waar nodig, dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, overeenkomsten gesloten worden.
Wat is het afgelopen jaar gedaan om bedoelde zzp’ers in vaste dienst te nemen, dan wel via een detacherings- of uitzendconstructie te laten werken?
Rijkswaterstaat werkt in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Wanneer na analyse van de inhuurrelatie met een zzp’er risico op schijnzelfstandigheid is geconstateerd, waren verschillende scenario’s denkbaar. Het gaat dan om beëindiging van de overeenkomst, aanpassing van de constructie (bijvoorbeeld detachering), aanpassing van de opdracht of verambtelijking (in dienst nemen). Om conform de Wet DBA te handelen, is de ruimte geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen dan wel de opdracht aan te passen of de constructie te veranderen. De betrokken managers zijn zoveel mogelijk in gesprek gegaan met de zzp’ers waarvoor risico’s zijn geconstateerd en hebben de verschillende mogelijkheden toegelicht. In nauw overleg met brokers/intermediairs, zzp’ers en interne betrokkenen is zoveel mogelijk getracht de impact op de productie te minimaliseren, wel altijd in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Dat is voor het merendeel van de cases ook gelukt.
Waarom hebben veel zzp’ers nog steeds geen duidelijkheid?
Dit signaal wordt niet herkend. Rijkswaterstaat heeft in de communicatie aangegeven dat er vier mogelijke scenario’s zijn indien sprake is van (mogelijke) schijnzelfstandigheid. Namelijk verambtelijking (in dienst nemen), aanpassing van de constructie, aanpassing van de opdracht en beëindiging van de overeenkomst. Het kan zijn dat in specifieke gevallen nog geen exacte duidelijkheid was, omdat de analyse van inhuurrelatie en de mogelijkheid op schijnzelfstandigheid nog gaande was. Dit zou echter gaan over enkele situaties.
Hoeveel zzp’ers die werkten in opdracht van Rijkswaterstaat zijn alsnog aan de slag gegaan voor Rijkswaterstaat via een detacherings- of uitzendconstructie, dan wel zijn in vaste dienst aangenomen?
Er is (t/m 21/11) voor 150,6 fte verambtelijking (in dienst nemen) aangevraagd en toegekend. Niet in al die gevallen heeft de mogelijkheid ook daadwerkelijkheid tot verambtelijking geleid; meestal omdat de zzp’er zelf niet in dienst wilde treden. In de gevallen dat het arbeidsvoorwaardengesprek niet heeft geleid tot verambtelijking, wordt een vacature uitgezet. Het aantal zzp’ers dat via een detacherings- of uitzendconstructie aan de slag gaat bij Rijkswaterstaat is nog niet exact te geven. De contractvorming is op dit moment nog gaande en een exact aantal aangeven is daarom nog prematuur.
Wat zijn de budgettaire consequenties van het op peil houden van de bezetting?
De budgettaire consequenties zijn op dit moment nog lastig aan te geven. In de regel geldt dat het werken met eigen personeel per saldo voordeliger is dan externe inhuur. De uitstroom van zzp’ers leidt daarmee niet zozeer tot een budgettair vraagstuk.
De NPO en Hamas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Na het BBC-schandaal: waarom ook onderzoek naar NOS noodzakelijk is»1 en «Anti-Israël indoctrinatie van scholieren is wel degelijk zaak van de Minister»2 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van 2 oktober 2025 over SchoolTV?3
Ja.
Welke lessen trekt de NOS uit zorgen die leven over de rol van de BBC bij de berichtgeving over Gaza? In hoeverre ziet de NOS ten dienste van de kwaliteitsverbetering aanleiding om een onderzoek uit te voeren over de eigen berichtgeving?
Onafhankelijke en betrouwbare journalistiek is een groot goed. Journalistiek draagt bij aan een goed functionerende democratie. Bij deze belangrijke rol hoort ook transparantie. Dit doet de NOS door openbaar verantwoording af te leggen over hun journalistieke berichtgeving, onder andere op basis van reacties die zij ontvangen van het publiek.4 Specifiek over de oorlog in Gaza geeft de NOS ook blijk van de gevoeligheid en risico’s rondom de betrouwbaarheid van bronnengebruik bij berichtgeving daarover. De NOS legt openbaar verantwoording af over de wijze waarop ze de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van hun berichtgeving borgen. Dit doen zij onder andere door artikelen en onderzoeken te publiceren over de eigen berichtgeving over de oorlog Gaza.5 Ook de Ombudsman publieke omroep heeft een belangrijke functie in de zelfregulering van de journalistiek bij de publieke omroep en heeft eerder inzicht geboden in het journalistiek handelen in deze thematiek.6
Als stelselverantwoordelijke sta ik voor een breed en pluriform medialandschap. Van journalistieke organisaties in dit landschap verwacht ik dat zij hun journalistieke keuzes verantwoorden en daarbij hun berichtgeving kritisch beoordelen en factchecken. Als er twijfels leven rondom de objectiviteit van berichtgeving is het aan journalistieke organisaties dit gegeven af te wegen en hier iets in hun journalistieke verantwoording mee te doen. Het is niet aan mij als Minister om nader in te gaan op de wijze waarop zij hun journalistieke verantwoording verder vormgeven.
Hoeveel specifieke berichten, reportages en andere producties heeft de NOS in de afgelopen twee jaar gewijd aan de structuur en werkwijze van de terreurorganisatie Hamas? Hoe is de betrouwbaarheid van lokale verslaggevers door de NOS getoetst en welke standaarden zijn gehanteerd voor het gebruik van informatie die afkomstig is van Hamas?
Het kabinet gaat niet over de inhoudelijke invulling van de programmering van de NOS. Ik beschik derhalve niet over aantallen producties over een bepaald thema.
De NOS reflecteert op de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen uit Gaza. Ook de Ombudsman speelt hierbij een rol zoals blijkt uit de beantwoording op vraag 2. Dit systeem van zelfregulering moet de kwaliteit van de berichtgeving van de NOS waarborgen. De NOS is onafhankelijk in zijn werkzaamheden. Het kabinet gaat niet over de journalistieke werkwijze die de NOS in specifieke casussen hanteert. Wel ben ik voornemens het systeem van zelfregulering van de journalistiek binnen de publieke omroep te versterken. De plannen hiervoor zijn afgelopen voorjaar met de Kamer gedeeld en de uitwerking neem ik mee in de hervorming van de landelijke publieke omroep.7
Vindt u dat Hamas een politieke groepering is die ook mensen heeft die vechten of onderschrijft u het breed erkende uitgangspunt dat Hamas een terroristische organisatie is?
De EU en Nederland beschouwen Hamas als een terroristische organisatie, die in 2003 op de EU-terrorismelijst werd geplaatst. Nederland speelt in Europees verband een voortrekkersrol op het sanctioneren van Hamas, in lijn met motie Ceder c.s.,8 en heeft recent samen met gelijkgezinde partners voorstellen gedaan voor het sanctioneren van de politieke top van Hamas.
Welke ruimte heeft de landelijke publieke omroep volgens u om binnen de vereiste kwalitatief hoogwaardige nieuwsvoorziening een eigen duiding te geven van organisaties die internationaal breed als terroristisch worden aangemerkt? In hoeverre bestaan voor zulke keuzes standaarden binnen de publieke omroep?
De landelijke publieke omroep voert zijn werkzaamheden onafhankelijk uit en heeft daarbij redactionele vrijheid, die onder andere in de Mediawet is vastgelegd. Dat is een fundamenteel rechtsstatelijk uitgangspunt dat we met elkaar moeten beschermen. Het is niet aan de overheid of politiek om zich te mengen in journalistieke inhoud.
Persvrijheid is een groot goed. Dat wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich niet zouden hoeven verantwoorden over hun keuzes (zie daarover ook mijn antwoord op vraag9. Bij onvrede over de duiding gegeven aan specifieke berichtgeving kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Waarom vindt u het behoren tot de taak van de NPO om lesmateriaal te ontwikkelen voor scholen? Hoe beoordeelt u het feit dat het materiaal dat de NPO met belastinggeld produceert een verstoring vormt van de markt van leermiddelen, waarmee de NPO ook inhoudelijk meer sturend kan zijn in de beeldvorming dan andere ontwikkelaars?
Conform artikel 2.1 van de Mediawet 2008, is Educatie één van de onderdelen uit de publieke mediaopdracht. Dit wordt onder andere gedaan via het aanbodkanaal Schooltv. Opgenomen in de beschrijving van dit kanaal is het aanbieden van samenhangend educatief media-aanbod waar ook scholen gebruik van kunnen maken. De keuze voor daadwerkelijk gebruik van bepaalde leermiddelen is altijd aan de school zelf. Die vrijheid is opgenomen in artikel 23 van de Grondwet.