Achterstallig onderhoud van onze kritieke infrastructuur. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Algemeen Dagblad waaruit blijkt – op basis van informatie van Rijkswaterstaat en ProRail – dat er sprake is van circa 54 miljard euro aan achterstallig onderhoud aan onder meer bruggen, wegen, tunnels, sluizen en spoorlijnen?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse dat de huidige onderhoudsachterstand is opgelopen tot circa 54 miljard euro?
Het genoemde bedrag wordt niet herkend als de omvang van de huidige onderhoudsachterstand, maar als het verschil tussen de budgetbehoefte en het beschikbare budget voor Rijkswaterstaat en ProRail in de periode 2024 t/m 2038. Voor Rijkswaterstaat (RWS) gaat het daarbij om een verschil van circa € 34,5 miljard voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem, zoals vastgesteld door de Algemene Rekenkamer (ARK)2. Voor ProRail bedraagt het verschil tussen de budgetbehoefte en het begrotingsartikel voor de instandhouding van het spoor circa € 1,8 miljard. In een brief aan de Kamer van afgelopen zomer3 met het bijgewerkte beeld van de financiële opgaven is aangegeven dat de totale financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds optellen tot een veel groter bedrag. Zo is er onder meer ca. € 18 mld. nodig voor belangrijke opgaven zoals de invoering van ERTMS, het herstel en de inbeheername van de HSL, het onderhoud van de Nedersaksenlijn en TEN-T. Deze bedragen zijn nog niet formeel gevalideerd. Gezamenlijk met de door de ARK-gevalideerde bedragen is dit te relateren aan het in het artikel genoemde tekort van € 54 miljard.
Kunt u inzichtelijk maken welke objecten – zoals bruggen, tunnels, sluizen, sporen, wegen – momenteel in een staat verkeren die acuut of middellang onderhoud vereist, inclusief veiligheidsrisico, resterende levensduur en kostenraming?
Op 8 december jl. zijn de rapportages over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail met de Kamer gedeeld4. In deze rapportages wordt per netwerk inzicht gegeven in de resterende levensduur en veiligheidsrisico's. Kostenramingen worden i.v.m. marktgevoelige informatie niet openbaar gemaakt.
In de RWS-rapportage wordt door middel van het kaartmateriaal een overzicht gegeven van de infrastructuur waar beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer zijn ingesteld, grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland, onderhoud is uitgesteld of waar een verhoogd inspectieregime van kracht is.
Specifieke informatie over aan te pakken objecten bij ProRail is te vinden op de website www.spoorwerkinmijnbuurt.nl5. Hierop is te zien waar en wanneer er aan het spoor wordt gewerkt, en welke werkzaamheden er plaatsvinden. Deze informatie is beschikbaar vanaf één jaar terug tot één jaar vooruit vanaf het moment waarop de website wordt bezocht. Een verdere vooruitblik is te vinden in het jaarlijks geactualiseerde Masterplan ProRail6. Mede op basis van de staat van de infrastructuur ziet ProRail de komende tien tot vijftien jaar een stijging in de opgave voor vooral (beweegbare) bruggen, bovenleiding systemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (samenhang met ERTMS-programma). Deze vervangingsopgave is in het Masterplan ProRail opgenomen.
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk opstellen en delen met de Tweede Kamer?
Dit overzicht is op 8 december jl. gedeeld met de Kamer door middel van de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail.
Welke oorzaken hebben volgens u ertoe geleid dat onderhoud jarenlang onvoldoende is uitgevoerd?
Aan het oplopen van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Veel infrastructuur die aan het eind van de jaren ’50 en ’60 is gebouwd, is aan vervanging toe en slijt sneller door intensiever gebruik en toename van zwaar verkeer. Daarnaast worden er vanuit klimaat, duurzaamheid en weerbaarheid nieuwe eisen gesteld aan de infrastructuur. Ook spelen wijzigende marktomstandigheden, onvoorziene gebeurtenissen die met hoge prioriteit moeten worden opgepakt, een beperkte beschikbaarheid van capaciteit bij Rijkswaterstaat en marktpartijen, evenals een tekort aan beschikbare middelen een belangrijke rol.
Op dit moment is er voor ProRail, op enkele plekken op de Havenspoorlijn na, geen achterstand op de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing.
Gelet op het feit dat deze week bekend is geworden dat er – vanwege financiële meevallers bij verschillende ministeries – circa 700 miljoen euro extra wordt overgemaakt aan Oekraïne: acht u het dan niet verstandiger om dit belastinggeld in te zetten voor het wegwerken van het achterstallig onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur, zodat Nederlands belastinggeld direct ten goede komt aan Nederland?
Het kabinet maakt hierin een andere afweging en erkent de wens van de Tweede Kamer om snel extra militaire steun aan Oekraïne te leveren. Voor een verdere toelichting over de invulling van de motie van de Tweede Kamer voor militaire steun aan Oekraïne en de reden waarom dit kabinet de wens van de Tweede Kamer erkent, verwijs ik naar de Kamerbrief van 8 december 20257.
Deelt u de mening dat de overheid de komende jaren minder royaal om dient te gaan met belastinggeld bij uitgaven die niet direct het Nederlands belang dienen – zoals diversiteitssubsidies en ontwikkelingshulp – om zo financiële ruimte te creëren voor het dichten van de onderhoudsachterstand?
Het is aan een nieuw kabinet om de integrale weging te maken tussen verschillende beleidswensen en opgaven binnen de Rijksbegroting waaronder de opgave voor het beheer en onderhoud van onze hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdwatersysteem en ons spoorwegennetwerk.
Het bericht dat steeds meer tbs’ers wachten op plek in een kliniek en hiervoor schadevergoeding ontvangen |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer tbs’ers wachten op plek in kliniek en krijgen schadevergoeding» van de NOS van 6 december 2025?1
Ja.
Hoe lang blijft u nog vasthouden aan het falende tbs-stelsel dat inmiddels structureel vastgelopen is, terwijl de samenleving wél opdraait voor de fors oplopende kosten, wachttijden, capaciteitstekorten en bureaucratische chaos? Erkent u dat dit stelsel niet meer te verdedigen is en dat we het gewoon moeten afschaffen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het behandelen van ter beschikking gestelden in een hoog beveiligde kliniek draagt bij aan een veilige samenleving. Na een tbs-behandeling ligt de zeer ernstige recidive laag, op 3% na twee jaar en op 9% na tien jaar (tbs-gestelden uitgestroomd met voorwaardelijke beëindiging tussen 2008 en 2021).2 Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) heeft dit onderzocht. Het afschaffen van tbs zou leiden tot meer recidive omdat deze groep justitiabelen dan onbehandeld vrij komt na een gevangenisstraf, met mogelijk nieuwe strafbare feiten met nieuwe slachtoffers tot gevolg. Kortom, ik sta achter het tbs-stelsel en wil het juist versterken zodat het ook op de lange termijn goed blijft functioneren (zie mijn antwoord op vraag 6).
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze de huidige krankzinnige schadevergoedingen aan tbs-veroordeelden, die bij het grote publiek volstrekt onbegrijpelijk zijn, in zijn geheel kunnen worden afgeschaft?
Nee. Het betalen van een passantenvergoeding is verplicht volgens jurisprudentie van de Hoge Raad en van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Het Europese Hof stelt dat de wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek niet te lang mag zijn, omdat het een serieuze uitholling zou zijn van het recht op vrijheid (artikel 5, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Op basis van deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verblijf in een gevangenis langer dan vier maanden in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek, onrechtmatig is. De norm van vier maanden is daarna bij wet bepaald in artikel 6.3. Wet Forensische Zorg. Indien plaatsing binnen vier maanden niet lukt, kan de tbs-gestelde aanspraak maken op een passantenvergoeding. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming stelt de hoogte van de vergoeding vast.3
Deelt u de mening dat het tijd wordt te erkennen dat het onhoudbaar is dat daders zich kunnen onttrekken aan een gewone gevangenisstraf door een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid en dat het hoog tijd is om deze schulduitsluitingsgrond af te schaffen zodat ook deze daders simpelweg worden gestraft in plaats van te worden beloond met een tbs-maatregel?
Nee, deze mening deel ik niet. De tbs-maatregel is een combinatie van straf en zorg voor daders met complexe problematiek, die door de rechter geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. Met de tbs-maatregel onttrekken daders zich niet aan een gewone gevangenisstraf, maar kunnen zij intensief voor hun stoornis worden behandeld. Bovendien hebben rechters de mogelijkheid om een combinatievonnis op te leggen, waarbij een gevangenisstraf en een tbs-maatregel worden gecombineerd.
Deelt u de mening dat de tbs-maatregel in de praktijk is verworden tot een strategisch instrument van tbs-advocaten, dat wordt ingezet wanneer vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet binnen bereik ligt en dat dit strategisch gebruik ertoe bijdraagt dat rechters de tbs-maatregel steeds vaker opleggen?
Nee, deze mening deel ik niet. Ik heb veel vertrouwen in het vermogen van rechters om zich eigenstandig een oordeel te vormen, op basis van objectieve deskundigenadviezen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) over een mogelijke ernstige stoornis of gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte.
Wat bent u op korte termijn van plan om te voorkomen dat de kosten fors blijven oplopen?
De huidige situatie waarin ruim 260 tbs-gestelden in een gevangenis wachten op een plek in een tbs kliniek en een passantenvergoeding ontvangen is onwenselijk. Het aantal passanten is het afgelopen jaar toegenomen, evenals de wachttijd. Hierdoor is ook de hoogte van de schadevergoedingen gestegen omdat passanten langer moeten wachten op een plek in een tbs kliniek. Voor de veiligheid van de samenleving en een goede behandeling is het van belang dat tbs-gestelden tijdig in een tbs kliniek worden geplaatst.
Hiermee worden rechterlijke uitspraken adequaat uitgevoerd, en kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk worden behandeld.
Om de capaciteitsdruk binnen de tbs het hoofd te bieden, wordt de komende jaren ingezet op uitbreiden van circa 200 extra plekken op het hoogste beveiligingsniveau. Hiervoor zijn de benodigde middelen gereserveerd.4 De realisatie van deze uitbreidingen is wel afhankelijk van onder meer vergunningen, maatschappelijk draagvlak, en voldoende personeel. Daarnaast zet ik in op het verbeteren van de doorstroom zodat dat tbs-gestelden niet langer dan nodig op de hoog beveiligde plekken verblijven. Ondanks deze inspanningen zal de capaciteitsdruk in de tbs niet op korte termijn worden opgelost.
Het NGO Monitor-rapport |
|
Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het NGO Monitor-rapport (hierna: rapport)1, waaruit blijkt dat de internationaal en nationaal geïndiceerde Palestijns-Islamitische terreurgroep Hamas vóór 7 oktober een uitgebreid systeem heeft opgebouwd om humanitaire organisaties te controleren, te infiltreren en te manipuleren, inhoudende dat vertrouwelingen bij met EU-geld gefinancierde ngo’s in Gaza op sleutelposities (bijvoorbeeld bestuursvoorzitter, directeur, onderdirecteur, etc.) werden gestationeerd?2
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de in het rapport bij naam genoemde organisaties? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse Gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza en NGO’s actief in de Palestijnse Gebieden? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Hoeveel geld heeft Nederland, na wijziging van de begrotingsstaat samenhangende met de najaarsnota, in totaal begroot aan uitgaven en verplichtingen, zowel voor wat betreft de BHO-begroting alsmede de ODA-gelden op andere begrotingen, voor de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza? Graag een totaal, gespecificeerd en gedetailleerd overzicht.
Wat is het Nederlandse aandeel, via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen, in deze mede door de EU-gefinancierde en door Hamas geïnfiltreerde NGO’s?
In hoeverre zijn er signalen bij u bekend dat de betrokken NGO’s op de hoogte waren van het feit dat zij werden gecontroleerd en/of geïnfiltreerd dan wel op andere wijze dienstig waren aan de terreuractiviteiten van Hamas?
Bent u bereid om een strafrechtelijke onderzoek naar de betrokken NGO’s te entameren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de betrokken NGO’s, nu zij in Gaza dusdanig onder controle blijken te staan van Hamas, als terroristische organisatie aan te merken en op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen heeft dit kabinet inmiddels genomen om te voorkomen dat met Nederlands belastinggeld een terreurorganisatie als Hamas via de EU wordt gesteund? Welke maatregelen heeft dit kabinet genomen om er voor zorg te dragen dat de EU hiermee stopt?
Is dit kabinet voornemens om de aan de betrokken NGO’s overgemaakte gelden terug te vorderen en deze organisaties uit te sluiten voor toekomstige subsidies? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat de NAVO een Israëlisch defensiebedrijf in de ban doet vanwege een smeergeldzaak |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NAVO doet Israëlisch defensiebedrijf in de ban vanwege smeergeldzaak»?1
Klopt het dat het Israëlische defensiebedrijf Elbit Systems sinds 31 juli niet meer mee mag doen met aanbestedingsprocedures van de NAVO vanwege mogelijke corruptie?
Klopt het ook dat de lopende samenwerkingen tussen de NAVO en het Israëlische bedrijf zijn stilgelegd?
Klopt het dat het gaat om ernstige beschuldigingen waaruit blijkt dat Elbit zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan strafbare praktijken, waaronder onregelmatigheden bij de toekenning van contracten?
Op welk precies moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van beschuldigingen dan wel vraagtekens aan het adres van Elbit inzake mogelijke corruptie?
Wat heeft de Nederlandse overheid gedaan met deze informatie?
Heeft u deze informatie onderzocht en meegewogen in het inkoopbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de strekking en de uitkomsten van het onderzoek delen en aangeven hoe u dit meeweegt?
Hoe beoordeelt u deze informatie in relatie tot uw beleid en uw inkoopkader?
Op welk moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van de opschorting van onderdelen van de relatie met Elbit door de NAVO?
Heeft de Nederlandse overheid deze opschorting laten meewegen in het beleid en in het bijzonder in het inkoopbeleid? Zo neen, waarom niet?
Zijn er aankopen gedaan door Nederland bij Elbit nadat de Nederlandse overheid informatie had over mogelijke verdenkingen omtrent corruptie? Zo ja, welke en hoe kunt u dit verantwoorden?
Acht u het inkopen bij een defensiebedrijf dat verwikkeld is in een corruptieschandaal verantwoord?
Bent u zich ervan bewust dat door het inkopen bij Elbit Nederlands belastinggeld terecht kan komen in de zakken van corruptieplegers?
Bent u zich ervan bewust dat de beschuldigingen over corruptie bovenop het feit komen dat Elbit, samen met andere Israëlische defensiebedrijven, hun wapentuig in de praktijk test op Palestijnen en hiermee schuldig zijn aan oorlogsmisdaden?
Bent u bereid om alle samenwerking met en inkopen bij Elbit te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'Kabinet trekt toch 700 miljoen euro extra uit voor Oekraïne' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Het kabinet gebruikt 700 miljoen aan onderuitputting in de begroting voor extra steun aan Oekraïne, is deze gang van zaken niet in strijd met de begrotingsregels, aangezien onderuitputting niet gebruikt mag worden voor nieuw beleid?1
Het kabinet kan besluiten om de onderuitputting anders aan te wenden. In dit geval gebruikt het kabinet de onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne en zet daarmee een eerste stap in de opvolging aan de motie van de Kamer. Het aanwenden van de onderuitputting betekent wel dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan.
Hoe verhoudt het toch vrijmaken van extra geld zich tot de stellingname van het kabinet tegen de motie Klaver cs. waar de Minister-President nog duidelijk was in zijn boodschap dat er geen onmiddellijke ruimte was voor extra steun aan Oekraïne? (Kamerstuk 36 045, nr. 243)
Het kabinet ziet de noodzaak voor onverminderde steun aan Oekraïne en kijkt daarbij wat Oekraïne nodig heeft en wat Nederland kan bieden. Het kabinet erkent de wens van de Kamer om op korte termijn extra militaire steun te leveren en heeft daartoe bezien wat er mogelijk is. Met het aanwenden van onderuitputting zet het kabinet een eerste stap in de opvolging aan de motie van de Kamer. Het kabinet beziet vervolgens in het begin van het nieuwe jaar hoe verdere opvolging aan de motie gegeven kan worden.
Kunt u een actueel overzicht geven van alle bilaterale steun (giften) van Nederland aan Oekraïne tot nu toe, waarbij inzichtelijk is gemaakt wanneer welk bedrag is geschonken en voor welk doel (militair/civiel)?
Sinds de Russische invasie in Oekraïne in 2022 is er tot aan Miljoenennota 2026 13,4 miljard euro via Defensie2, 3,4 miljard euro via BZ/BHO en 442 miljoen euro via Financiën aan steun voor Oekraïne toegezegd. 3,4 miljard euro aan militair- en niet-militaire steun valt in 2026. Daarnaast is er 700 miljoen euro vrijgemaakt in 2025 in reactie op de Tweede Kamermotie voor aanvullende militaire Oekraïnesteun3. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de totale internationale steun door Nederland. De tabel is inclusief de additionele 700 miljoen euro in 2025.
De militaire steun ziet met name op munitieleveringen en wapensystemen zoals F-16 toestellen, tanks en luchtverdediging. Met de niet-militaire steun draagt het kabinet onder andere bij aan acute noodhulp, herstel van (energie-)infrastructuur, huizen en drinkwatervoorzieningen.
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Militaire steun2
171
965
2.482
5.522
2.563
965
597
145
40
Niet-militaire steun (incl. macro-financiële bijstand)
457
546
807
772
856
445
9
4
5
Bedragen t/m 2024 volgen uit Financieel Jaarverslag Rijk. Bedragen 2025–2030 volgen uit de Oekraïne bijlage bij Miljoenennota 2026 en zijn geactualiseerd voor de nota van wijziging bij Najaarsnota 2025.
De getoonde reeks voor militaire steun wijkt enigszins af t.o.v. de laatste update Kamerbrief leveringen aan Oekraïne. Waar de Kamerbrief kijkt naar leveringen uit eigen voorraad, ziet deze reeks op netto-kasuitgaven in de begroting. De bedragen aan militaire steun in de tabel hebben vanaf 2028 volledig betrekking op compensatie voor in het verleden geleverd materieel uit eigen voorraad. Door deze compensatie kan dit materieel worden vervangen ten bate van de eigen krijgsmacht.
Kunt u een actueel overzicht geven van bilaterale steun in de vorm van leningen aan Oekraïne tot nu toe, waarbij inzichtelijk is gemaakt wanneer welk bedrag is verstrekt en voor welk doel?
Nederland heeft in 2022 één specifieke bilaterale lening van 200 miljoen euro aan Oekraïne, verstrekt via een kredietlijn van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Deze lening was bedoeld als begrotingssteun aan Oekraïne om de dagelijkse uitgaven te financieren en de economie draaiende te houden.4
Kunt u een actueel overzicht geven van de bilaterale steun tot nu toe van alle andere Europese lidstaten in de vorm van leningen én giften aan Oekraïne?
Volgens de meest recente beschikbare cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten in totaal tot en met 2025 circa 170 miljard euro steun geleverd aan Oekraïne (waaronder 66 miljard euro in militaire steun en 100,6 miljard euro in niet-militaire steun). Deze cijfers zijn mogelijk niet volledig. Het aandeel van lidstaten in de steun van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de bni-sleutel, maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig om de totale steun terug te voeren op individuele lidstaten.
Elke lidstaat maakt individuele afwegingen over de omvang van de steun evenals de mate waarin publieke informatie over deze steun verstrekt wordt. Het kabinet doet daarom geen uitspraken over de steun verleend door andere lidstaten.
Kunt u een actueel overzicht geven van steun in Europees verband uitgesplitst in giften, leningen en garanties waarbij tevens inzichtelijk is gemaakt wat het Nederlandse aandeel is per categorie?
Via verschillende instrumenten heeft de EU steun geleverd aan Oekraïne. Hieronder worden de verschillende steunpakketten uiteengezet:
Naast hierboven genoemde niet-militaire steun is er in EU-verband ook militaire steun verstrekt aan Oekraïne. Volgens de Europese Commissie is er door de EU en lidstaten 66 miljard euro aan militaire steun geleverd, waaronder 6,1 miljard euro onder de Europese vredesfaciliteit (EPF) en 362 miljoen euro voor de EU Military Assistance Mission in support of Ukraine (EUMAM). Vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken is in de periode 2023 tot en met 2025 171,5 miljoen euro bijgedragen aan het EPF voor Oekraïne. Hieruit wordt ook het niet-operationele deel van EUMAM betaald. Vanuit het Ministerie van Defensie is circa 35 miljoen euro uitgegeven tot en met 1 april 2025 aan het operationele deel van EUMAM. Zoals aangegeven in de recent verstuurde Kamerbrief5 komt het grootste deel van het EPF nog niet tot besteding door een veto van Hongarije.
Wat heeft de opvang van Oekraïners in Nederland tot nu toe gekost per jaar voor de nationale overheid, inclusief kosten voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid? Kunt u deze kosten uitsplitsen per genoemde categorie?
Een overzicht van de gerealiseerde geoormerkte uitgaven voor Oekraïense ontheemden van voorgaande jaren zijn terug te vinden in het Financieel Jaarverslag Rijk van het desbetreffende jaar. In deze overzichten wordt voor 2024, 2023 en 2022 het onderscheid gemaakt tussen opvang ontheemden, zorg en onderwijs.
2022
2023
2024
Opvang ontheemden
1.079
3.436
2.598
Zorg
54
170
223
Onderwijs
200
222
75
Wat heeft de opvang van Oekraïners tot nu toe gekost per jaar voor decentrale overheden, inclusief kosten voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid? Kunt u deze kosten uitsplitsen per genoemde categorie?
Zie antwoord op vraag 7.
Het verder uitsplitsen van de kosten voor de opvang tussen nationale overheid en de decentrale overheden is niet mogelijk. Daarbij zijn de kosten van de nationale overheid vaak een vergoeding aan decentrale overheden voor de gemaakte kosten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de opvang van ontheemden. Zo maken de veiligheidsregio’s onder andere kosten voor de eerste opvang en maken gemeenten kosten voor de gemeentelijke opvang (GOO) en de particuliere opvang (POO). Voor zover beschikbaar worden de gemaakte kosten per begroting gepresenteerd in de departementale jaarverslagen.
Is Nederlandse steun in welke vorm dan ook betrokken bij het onlangs gemelde corruptieschandaal in Oekraïne of eerder betrokken geweest bij corruptie in Oekraïne op welk niveau dan ook?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat met Nederlandse steun malversaties zouden hebben plaatsgevonden. Nederland heeft geen bijdrages gedaan aan het Oekraïense staatsenergiebedrijf Energoatom. Het grootste deel van de Nederlandse energiesteun aan Oekraïne loopt via internationale instellingen, zoals de Wereldbank en de EBRD. Deze banken hebben langjarige ervaring met het verlenen van steun en hebben sterke controlemechanismen om corruptie te voorkomen. Nederland ondersteunt Oekraïne actief bij het versterken van anti-corruptie-instanties, zowel bilateraal als in Europees verband.
Welke garanties heeft het kabinet dat Nederlandse steun doelmatig wordt besteed?
De Nederlandse procedures en auditing regels zien toe op de rechtmatige en doelmatige besteding van de beschikbaar gestelde middelen voor steun aan Oekraïne.
Het toetsen van militaire doelmatigheid vindt plaats aan de voorkant, waarbij de behoefte vanuit Oekraïne (centraal gecoördineerd door NATO Security Assistance and Training for Ukraine (NSATU)) al dan niet wordt gekoppeld aan het aanbod. Dit kan commercieel of eigen voorraad betreffen. De informatie over doelmatigheid van het militair vermogen komt terug via NSATU en Oekraïne.
Welke controlemechanismen heeft de Nederlandse regering tot haar beschikking om na te gaan of Nederlandse steun voldoende doelmatig wordt besteed?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
De Nederlandse niet-militaire steun loopt voor het grootste deel via de internationale financiële instellingen, zoals de Wereldbank en de EBRD. Deze banken hebben ervaring met steunprogramma’s in Oekraïne en passen audit- en controlemechanismen toe om corruptie zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast loopt een deel van de Nederlandse bijdragen via de EU en VN-organisaties, die alle bijdragen toetsen op risico’s rondom fraude en corruptie. In geval van bilaterale steunprogramma’s wordt gewerkt met Nederlandse uitvoerende organisaties met een bewezen track record. Bij nieuwe bijdragen doorlopen uitvoerende organisaties een integriteitsanalyse en is er op reguliere basis contact over de stand van zaken m.b.t. hun werkzaamheden in Oekraïne.
Kunt u deze vragen vóór het plenaire debat over de Europese top van 18 en 19 december beantwoorden?
Ja.
De additionele kosten voor Tata Steel aangaande de maatwerkafspraak. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Laurens Dassen (Volt), Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de analyse van SOMO1 waaruit blijkt dat de voorwaarden in de intentieverklaring met Tata Steel jaarlijks 375 tot 580 miljoen euro aan additionele kosten kunnen meebrengen boven op de eenmalige subsidie van 2 miljard euro?
Kunt u per voorwaarde in de intentieverklaring aangeven wat de verwachte meerkosten voor de Staat zijn, uitgesplitst naar:
Indien u geen ramingen kunt geven voor bovenstaande kostenposten, bent u dan bereid deze ramingen alsnog te laten opstellen voordat een definitieve maatwerkafspraak wordt gesloten, aangezien het gaat om geld van burgers? Zo nee, waarom niet?
Kunt u precies aangeven welke delen van de SOMO-analyse volgens u onjuist zijn, en wat volgens u wel de correcte ramingen zijn gezien uw reactie op het ESB stuk, dat het «onduidelijk is waar de aanvullende subsidies en bedragen op gebaseerd zijn.»?2
Welke drempelwaarde in euro’s of percentages hanteert de Staat bij de beoordeling of een kostenstijging «significant» of «aanzienlijk» is in de zin van artikel 15, vierde lid 4, van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Indien u geen drempelwaarde kunt geven (vanwege de huidige onderhandeling), kunt u dan aangeven of überhaupt een drempelwaarde is vastgesteld, zonder deze te specificeren?
Welke oplossingen voor de drie opzeggronden (netwerkkosten, CO2-heffing, staalslakken) worden momenteel besproken met Tata Steel, gegeven de uitspraak van het bedrijf dat er «(zicht op) een oplossing moet zijn»3 om tot een maatwerkovereenkomst te komen?
Welke voorwaarden, garanties of risicoverdelingsmechanismen uit de JLoI worden naar verwachting overgenomen in de definitieve maatwerkafspraak? Welke komen te vervallen? Indien dit nog niet bekend is, per wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Welke factoren weegt u mee bij een besluit over het instellen van een kolenverbod? Behoren de geïnvesteerde 2 miljard euro en het risico op opzegging door Tata Steel tot die factoren?
Kan Tata Steel bij deze formulering (artikel 11, tweede lid, van de JLoI) na ondertekening van een definitieve maatwerkafspraak een schadeclaim indienen tegen de Nederlandse staat indien de staat een kolenverbod instelt? Zo ja, wat is de maximale omvang van zo’n claim?
Geldt het instellen van een verbod op kolen in Nederland als opzeggrond voor de JLOI? Zo nee, waarom geeft de CFO van Tata Steel India dan aan dat dit een voorwaarde is om te komen tot maatwerkafspraken4?
Welke argumenten heeft Tata Steel aangevoerd voor het opnemen van de opzeggronden bij hogere netwerkkosten, een nationale CO2-heffing, of nieuwe milieuregels voor staalslakken? Welke alternatieven zijn overwogen?
Klopt het dat de intentieverklaring Tata het recht geeft de deal op te zeggen als «nationaal beleid voor staalslakken de financiële positie aanzienlijk negatief beïnvloedt»? Betekent dit dat de overheid moet compenseren als staalslakken permanent verboden worden in de wegenbouw of andere toepassingen?
Wat zijn de totale maatschappelijke kosten van staalslakken die Tata jaarlijks produceert (650.000 ton)? Kunt u een overzicht geven van alle saneringen en vervuiling schade, inclusief de situatie in Spijk (670.000 ton, geschatte sanering 100 miljoen euro), en aangeven wie voor deze kosten opdraait?
Zijn de kosten van staalslakkenverwerking en -sanering meegenomen in de totale businesscase van Tata Steel? Zo nee, wat is de reden hiervoor en wat is de omvang van deze kosten?
Welke andere maatschappelijke kosten van Tata Steel’s operatie erkent u naast staalslakken, zoals gezondheidsschade door luchtvervuiling, stikstofuitstoot, en milieuschade? Kunt u deze kosten kwantificeren en aangeven in hoeverre deze worden meegewogen in de afweging over de subsidiedeal?
Welke mechanismen voorziet u op te nemen in de definitieve maatwerkafspraak om te voorkomen dat de Staat gedwongen wordt tot aanvullende investeringen om eerder geïnvesteerd kapitaal te beschermen?
Wat betekent de formulering «as it currently stands» in Artikel 7 van de JLoI? Onder welke omstandigheden zou deze formulering niet meer gelden en zou vervolgfinanciering alsnog worden overwogen? Erkent u dat dit ruimte biedt voor toekomstige subsidieverzoeken?
Welke garanties (naast het terugbetalen van 200 miljoen euro) heeft de Staat dat de klimaatdoelstellingen daadwerkelijk worden behaald indien biomethaan niet beschikbaar of betaalbaar blijkt, gezien de analyse door SOMO dat als de biomethaanmarkt niet van de grond komt, Tata Steel afhankelijk blijft van LNG-import, waardoor de CO2-besparing grotendeels teniet wordt gedaan?
Zullen de CO2-reductiedoelstellingen via CCS (Carbon Capture and Storage) en biomethaan in de JLoI in de maatwerkafspraak worden omgezet in resultaatverplichtingen, of blijven het inspanningsverplichtingen?
Hoeveel kubieke meter aardgas moet worden vervangen door biomethaan om de uitstoot van Tata Steel tussen 2032 en 2037 jaarlijks met 1,2 megaton omlaag te brengen?
Welke analyse heeft het kabinet gemaakt van het risico dat biomethaansubsidies de transitie naar een landbouwsysteem met minder dieren vertragen, gegeven dat mest als grondstof een economische prikkel vormt voor het in stand houden van de huidige veestapel?
Welk percentage van de productiekosten van biomethaan wordt momenteel gedekt door subsidies? Welke exitstrategie hanteert het kabinet om te voorkomen dat publieke middelen langdurig worden ingezet voor een sector die zonder subsidie niet rendabel is?
Hebt u kennisgenomen van de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)5 dat «verlies van biodiversiteit een reëel risico» is bij grootschalige biomassaproductie? Welke maximale hoeveelheid biomethaan acht het kabinet duurzaam produceerbaar in Nederland zonder negatieve effecten op biodiversiteit en landgebruik?
Hoeveel hectare landbouwgrond of organisch restmateriaal is nodig voor de productie van 0,5 miljard m3 biomethaan per jaar die Tata Steel beoogt af te nemen?
Onder welke omstandigheden zou het kabinet overwegen om voor fase 2 van het verduurzamingsplan alsnog subsidie te verstrekken, hetzij via maatwerk, hetzij via generieke instrumenten, zoals SDE++ of NIKI? Welk maximumbedrag is hiervoor denkbaar?
Bent u bekend met de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de kwartaalcijferpresentatie6, waarin hij stelt: «We did not want to go that hydrogen route. Hydrogen is uncertain on availability and economics, so we are focused on natural gas with an optionality of the auctioning of biomethane»? Komen deze uitspraken overeen met de aannames in de JLoI over de toekomstige energiedragers?
Heeft u er kennis van genomen dat de CFO van Tata Steel Limited stelt dat biomethaan pas «much later, post 2035» relevant wordt voor Tata Steel Nederland7, terwijl de JLoI uigaat van overschakeling naar biomethaan vanaf 2032? Welke van deze twee tijdlijnen is correct?
Hoe interpreteert u de uitspraak van de CFO die stelt dat het «possible [is] to buy it on paper, as a hedge, if the physical does not flow»8? Betekent dit dat Tata Steel voornemens is biomethaan slechts administratief in te kopen via certificaten, zonder daadwerkelijk fysiek biomethaan te gebruiken?
Welke consequenties heeft het voor de daadwerkelijke CO2-reductie als Tata Steel inderdaad biomethaan «op papier» zou inkopen in plaats van fysiek? En welke consequenties heeft dit voor de gezondheidswinst van omwonenden die met deze deal beoogd worden?
Wanneer is het idee van het gebruik van biomethaan precies op tafel gekomen, wie heeft dat precies ingebracht (Tata Steel Nederland, Tata Steel India, de Nederlandse Staat, of anders) en welke afwegingen lagen hieraan ten grondslag? Kunt u daar een tijdlijn van schetsen? Kunt u ons alle correspondentie sturen die te maken heeft met biomethaan en Tata Steel tussen het ministerie en externen en ook de interne correspondentie hierover sinds de onderhandelingen zijn begonnen (conform informatieplicht)?
Hoe strookt de timing van deze verandering van het idee om waterstof te gebruiken naar het idee om biomethaan te gebruiken met het feit dat de technische review van het groen staalplan mid 2024 is uitgevoerd, en de economische review begin 2025 al is afgerond9? Heeft Mott Macdonald daarmee de meest recente plannen beoordeeld?
Heeft u de uitspraken van de CFO van Tata Steel Limited tijdens de earnings call van 6 november 2025 voorgelegd aan Tata Steel Nederland met het verzoek om opheldering? Zo ja, wat was de reactie? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Is het een voorwaarde voor de uitkering van de maatwerksubsidie van 200 miljoen euro dat Tata Steel biomethaan of groene waterstof fysiek bijmengt in de installaties? Is het ook toegestaan dat Tata Steel met die subsidie groencertificaten inkoopt uit het buitenland? Zo ja, hoe draagt dit dan bij aan het behalen van de Nederlandse klimaat- en biodiversiteitsdoelen?
Kan Tata Steel aanspraak maken op de SDE++ of andere subsidieregelingen voor het eventueel inkopen van groencertificaten voor biomethaan of groene waterstof?
Hoe beoordeelt u dit risico op precedentwerking, zoals gesteld in het ESB artikel: «Als Tata bijvoorbeeld een uitzondering krijgt op de nationale CO2-heffing, hoe kan een nieuw kabinet dan andere bedrijven een nationale heffing opleggen?»
Overweegt u een tegemoetkoming voor alleen Tata van netwerkkosten en de CO2-heffing, of zou dit altijd voor alle bedrijven gelden?
Heeft het kabinet een impactanalyse gemaakt van de precedentwerking van de Tata-deal voor andere maatwerkafspraken? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Op welke gronden kunt u een verzoek van een ander bedrijf om dezelfde opzeggronden als Tata Steel (netwerkkosten, CO2-heffing) afwijzen zonder in strijd te handelen met het gelijkheidsbeginsel?
Waarom is, gegeven de autonome prikkel vanuit het ETS (vanaf 2031 verdwijnen 78% van de gratis emissierechten voor Tata Steel, en vanaf 2034 vervallen deze volledig), een aanvullende maatwerksubsidie van 2 miljard euro noodzakelijk?
Hoeveel jaar eerder dan de ETS-verplichting (netto-nul in 2040) bereikt Tata Steel met dit plan netto-nul uitstoot? Wat zijn de kosten per jaar versnelling?
Bent u bereid om, alvorens een definitieve maatwerkafspraak te sluiten, de Kamer een integrale kosten-batenanalyse te doen toekomen waarin alle directe en indirecte kosten van de deal zijn opgenomen, inclusief de kosten van de zes voorwaarden uit de intentieverklaring?
Bent u bereid de Kamer vooraf te informeren over de risicoverdeling in de definitieve maatwerkafspraak, zodat de Kamer kan beoordelen in hoeverre publieke middelen worden ingezet om private risico’s af te dekken?
Kunt u toezeggen dat een definitieve maatwerkafspraak niet wordt gesloten zonder expliciete instemming van de Kamer, gegeven de omvang van de publieke middelen en de structurele aard van de verplichtingen?
Gezien het feit dat de commissies die ingesteld zijn om te adviseren over de maatwerkafspraken (AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond) in hun advies aangeven dat onder andere de financiële modellen en bijbehorende aannames rondom het Groen Staalplan «nog niet in een finale fase» waren ten tijde van hun advies10, bent u bereid een volgende versie inclusief de relevante aannames alsnog aan hen voor te leggen voor advies? Zo nee, hoe beoordeelt u dan het feit dat deze commissies advies hebben moeten geven terwijl nog grote (financiële) aannames niet transparant waren en dus niet getoetst konden worden?
Welke due diligence heeft de Staat gaat de op de financiële modellen van Tata Steel voordat de JLoI werd getekend om de businesscase te toetsen? Welke externe financiële adviseur heeft de Staat hierbij betrokken en wat waren de conclusies van dit advies?
Bent u bereid volledige transparantie te bieden over alle financiële implicaties, inclusief maatschappelijke kosten zoals staalslakkenverwerking, een onafhankelijke second opinion op de businesscase en alle structurele kostenposten, voordat u de Kamer om instemming met de definitieve overeenkomst vraagt?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de JLoI met Tata Steel?
Onderzoek naar nieuwe behandeloptie voor long-COVID |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met een recente studie waarin een nieuwe behandelstrategie voor long-COVID is onderzocht en waarin aanzienlijke verbeteringen bij deelnemers werden gerapporteerd?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u deze studie? En hoe beoordeelt u de veelbelovende resultaten die de studie laat zien?
Het is niet aan mij om (resultaten van) studies inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Deelt u de opvatting dat long-COVID een groot maatschappelijk en economisch probleem is, onder meer door arbeidsverzuim, uitval en stijgende zorgkosten, en dat elk onderzoek naar mogelijke behandelopties daarom maatschappelijk relevant is?
Onderzoek naar behandeling van post-covid vind ik relevant. Er is nog veel onbekend over de aandoening. Langzaam leren we meer, bijvoorbeeld over het voorkomen van PEM (post-exertionele malaise) en POTS (posturaal orthostatisch tachycardie syndroom).
Ik vind het belangrijk dat patiënten met post-covid en andere PAIS (post-acuut infectieus syndroom) erkend en herkend worden in de zorg en in het welzijnsdomein. Voldoende kennis opdoen en delen is daarvoor van belang. Wat betreft post-covid financieren we daarom vanuit het Ministerie van VWS via ZonMw biomedisch en klinisch onderzoek naar post-covid en subsidiëren we de kennisinfrastructuur rondom onderzoek en zorg (Post-Covid Netwerk Nederland). Verder subsidiëren we nazorgorganisatie stichting C-support en ondersteunen we expertisecentra voor post-covid. Langdurige financiering is aan het nieuwe Kabinet.
Hoe beoordeelt u, in het licht van de maatschappelijke relevantie en de betrokkenheid van academische centra als Amsterdam UMC, het feit dat deze studie grotendeels met eigen middelen van een zelfstandige kliniek is uitgevoerd, zonder publieke of externe steun?
Ik waardeer het zeer dat onderzoekers zich inzetten voor het ontwikkelen en onderzoeken van nieuwe therapieën voor post-covid. Ik heb daarom ook budget beschikbaar gesteld voor een subsidieprogramma via ZonMw en deze onderzoekers daar eerder ook op gewezen.
Hoe beoordeelt u het feit dat zorgverzekeraars tot op heden geen gehoor geven aan verzoeken tot vergoeding van deze behandeling, ondanks de positieve signalen uit het onderzoek?
Ik heb begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.2 Het gaat hier om een niet-geregistreerd middel, namelijk een apotheekbereiding. Het is daarom aan de zorgverzekeraars om een vergoedingsaanvraag te beoordelen. Zij beoordelen dan gezamenlijk of sprake is van zogenoemde rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie is een behandeling met een geneesmiddel in een voor de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid en effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld en die ook het meest economisch is voor de zorgverzekering. Dit is een voorwaarde om in het basispakket opgenomen te kunnen worden.
Deelt u de mening dat onderzoek met een grotere patiëntengroep wenselijk is? En zo ja, kunt u toezeggen om onderzoeksfinanciering beschikbaar te stellen voor vervolgonderzoek naar deze en andere kansrijke behandelstrategieën voor long-COVID?
Ik kan geen uitspraak doen over de benodigde data, dat is aan de partijen die daarover gaan.
Bent u bereid een tijdelijke voorziening te treffen waarmee long-COVID-patiënten met een dringende hulpvraag toegang krijgen tot deze nieuwe behandelstrategie?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik de wens om zo snel mogelijk toegang te krijgen goed.
Tegelijkertijd hecht ik er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding altijd, en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Wilt u toezeggen de Kamer te informeren over de bereidheid tot financiering en de beleidsmatige inbedding van eventuele vervolgstudies?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangeven is een besluit over langdurige financiering aan het nieuwe Kabinet. Daarnaast wil ik de uitkomsten van lopende onderzoekstrajecten afwachten, voordat ik u kan informeren over eventuele vervolgstudies. Uiteraard ben ik bereid uw Kamer over deze uitkomsten informeren.
Het intrekken van een wetenschappelijk stuk na mogelijke betaling door glyfosaatproducent |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel van 3 december 2025, waarin wordt beschreven dat een invloedrijk wetenschappelijk artikel over het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat na 25 jaar is ingetrokken?1
Kunt u uiteenzetten welke grondslag dit wetenschappelijk artikel heeft of heeft gehad in het beleid dat Nederland, en breder gezien, Europa voert bij het gebruik van glyfosaat?
Bent u verder bekend met wetenschappelijke studies over pesticiden, glyfosaat in het bijzonder, waarbij aanleiding bestaat om te twijfelen aan de legitimiteit van het onderzoek, wat de invloed was van dergelijke onderzoeken was en hoe zowel positieve als negatieve uitkomsten van deze onderzoeken gewogen en getoetst worden aan bronnen en belangen?
In hoeverre acht u deze berichtgeving, over rectificatie van wetenschappelijke onderzoeken en mogelijke inmenging van de fabrikant om gevaren en risico’s van het bestrijdingsmiddel te bagatelliseren, als een belangrijk moment voor herziening van onze omgangsnormen met betrekking tot glyfosaat, variërend van bijvoorbeeld toelatingsprocedures tot aan subsidies?
Welke waarborgen bestaan er momenteel om niet gedegen wetenschappelijke onderzoeken te weren uit de certificering en besluitvorming en daaropvolgende onderzoeken te herzien als deze op dergelijke onderzoeken zijn gebaseerd?
In hoeverre bent u bereid om het Europees vastgestelde toetsingskader ter discussie te stellen nu de legitimiteit van invloedrijke wetenschappelijke onderbouwingen die mogelijk ten grondslag liggen aan onze opvattingen over glyfosaat in twijfel wordt getrokken of zelfs wordt gerectificeerd?
In aanvulling daarop, bent u bereid om bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) aan te dringen op herziening van het toetsingskader voor het gebruik van glyfosaat, wellicht in afwachting van herziening van het Europese toetsingskader?
Deelt u de mening dat Montsano geen gesprekspartner moet zijn van Nederland of via andere manieren de mogelijkheid moet hebben om de sterke lobby voor de gifindustrie voort te zetten? Ziet u dus de wenselijkheid van een lobbyverbod voor de gifindustrie in?
Is er naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State op de Wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een onderzoek ingesteld naar de reikwijdte van de verplichtstelling van alternatieven voor glyfosaat?
Hoe gaat u waarborgen dat dit onderzoek onafhankelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd, waarbij scherp wordt gelet op mogelijke belangenverstrenging of illegitimiteit van aangehaalde onderzoeken, helemaal gelet op recente berichtgevingen?
Kunt u uiteenzetten in hoeverre de effecten van glyfosaat onafhankelijk worden onderzocht en de basis vormen voor het toetsingskader voor de verplichtstelling van alternatieven?
Bent u bereid om naar aanleiding van deze en eerdere negatieve berichtgeving over de schadelijke effecten van glyfosaat concrete vervolgstappen te geven aan het aanpassen van het glyfosaatbeleid in Nederland?
Bent u bereid om, indien onderzoeken deze uitkomst aanbevelen, de verplichting tot het gebruik van alternatieven aan te scherpen en voor eenieder te codificeren in de Wijzigingen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden?
Het bericht ‘Veelgebruikt verdovingsmiddel lijkt effectief bij long covid: 80 procent van patiënten knapt op’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veelgebruikt verdovingsmiddel lijkt effectief bij long covid: 80 procent van patiënten knapt op» en het gepubliceerde onderzoek in eClinicalMedicine?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u dit onderzoek?
Het is niet aan mij om (resultaten van) onderzoeken inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Leveren de behandelingen in de PAIS-expertisecentra resultaten op die in aanmerking komen voor vergoeding?
Zie antwoord vraag 2.
Welke procedure geldt er om een veelbelovend medicijn of behandeling te laten vergoeden? Wat is gemiddeld de tijdspanne van deze procedure tussen start en toelating?
Indien het een geregistreerd geneesmiddel betreft, zijn er twee routes mogelijk voor vergoeding vanuit het basispakket:
Als uitzondering op de open instroom bestaat er voor geneesmiddelen met onevenredig hoge kosten per jaar of per behandeling de zogenoemde geneesmiddelensluis. Hierbij plaatst de Minister van VWS het geneesmiddel in deze tijdelijke sluis (en dus buiten het basispakket), zodat Zorginstituut Nederland zich eerst kan uitspreken over de pakketwaardigheid. Het gaat hierbij om een beoordeling van, naast stand wetenschap en praktijk, de vaste pakketcriteria kosteneffectiviteit, uitvoerbaarheid en noodzakelijkheid. Na een positief advies van het Zorginstituut en, indien nodig, een onderhandeling door de Minister van VWS over een verlaagde prijs, kan het geneesmiddel dan uit de sluis gehaald worden en instromen in het basispakket.
Op deze procedures bestaan twee uitzonderingen.
Het is lastig om in het algemeen aan te geven hoeveel tijd een vergoedingsprocedure kost, omdat dit sterk varieert per geneesmiddel en route. Het proces neemt doorgaans enkele weken tot enkele maanden in beslag. Voor inzicht in de doorlooptijden van sluisgeneesmiddelen en extramurale geneesmiddelen met een onderhandeladvies, die gemiddeld het langst duren, is het Dashboard Doorlooptijden Geneesmiddelen beschikbaar.2
Is er nog een verschil tussen al langer bestaande ziektes en nieuwe ziektes als het gaat om voldoende bewijs om een behandeling te vergoeden?
Het onderscheid tussen al langer bestaande (of gediagnosticeerde) aandoeningen en nieuwere aandoeningen is voor de beoordeling van het bewijs niet relevant. Wel kan in de maatschappelijke weging van het Zorginstituut (als onderdeel van een pakketadvies) worden meegenomen of sprake is van een zogenoemde onvervulde behandelbehoefte (unmet medical need).
Hoe beoordeelt u de lengte van procedures voor een nieuwe ziekte met veel patiënten, aangezien de vrees bestaat voor een langdurig proces van toelating en vergoeding?
De duur van procedures voor toelating en vergoeding verschilt per situatie en is afhankelijk van onder meer de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-Covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik goed de wens om de beoordeling zo snel mogelijk te laten verlopen. Maar ik hecht er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding, altijd en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Ik heb overigens begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.3
Zijn er momenteel manieren om de procedure naar vergoeding te versnellen? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, bent u van mening dat voor sommige nieuwe ziektes het gewenst is dat er vaart wordt gemaakt met toelating tot het basispakket, als er nog helemaal geen effectieve behandeling voorhanden is?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over postcovid (en andere PAIS) dat begin januari gepland staat?
Ik heb getracht deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Zorgen over PFAS-lozingen. |
|
Dion Huidekooper (D66), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Ernstige zorgen over PFAS-lozingen Limburgs afvalbedrijf, maar tóch vergunning»1 en «Te veel PFAS gevonden bij Metaalrecycling Sneek: «Wij zijn hier het afvoerputje van de maatschappij»»?2
Ja.
Bent u het met de aangehaalde experts eens dat PFAS-lozingen een gevaar vormen voor de gezondheid van mens en dier en dat PFAS niet meer in het milieu moet worden gebracht? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
We weten de laatste jaren steeds meer over de schadelijkheid van PFAS. Ook weten we dat PFAS wijdverspreid is. Daarom werkt het kabinet op meerdere manieren aan de vermindering van PFAS. PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Daarbij is het uitgangspunt dat emissies zoveel mogelijk worden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot een minimum worden beperkt. Dit uitgangspunt is vastgelegd in de zogenoemde minimalisatieverplichting binnen het bestaande vergunningen- en toezichtkader.
In algemene zin kan niet worden gesteld dat iedere PFAS-emissie per definitie leidt tot onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu. Dit is afhankelijk van factoren zoals de schadelijkheid van een stof, de omvang van de emissie, de ontvangende omgeving en de cumulatie met andere lozingen of bovenstroomse aanvoer. Daarom zal het bevoegd gezag elke vergunningaanvraag individueel beoordelen.
Op basis van welke concrete overwegingen wordt voorgesorteerd om – ondanks eerdere illegale lozingen, onvolledige of onbetrouwbare data, en waarschuwingen van o.a. het waterschap en drinkwaterbedrijven – een vergunning te verlenen aan CFS voor het lozen van 5 kg PFAS per jaar?
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg is bevoegd gezag voor de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS. Bij deze beoordeling wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving voor zeer zorgwekkende stoffen, waaronder de verplichting tot minimalisatie van emissies en de toepassing van de beste beschikbare technieken. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen lozing binnen de wettelijke kaders kan plaatsvinden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de immissietoets. Op basis van deze toetsing is door de provincie Limburg in het ontwerpbesluit geoordeeld dat binnen de huidige wettelijke kaders een vergunning niet kan worden geweigerd.
Hoe beoordeelt u het gevaar voor de gezondheid van milieu, mens en dier als het bedrijf CFS straks zeker 5 kg PFAS per jaar mag lozen, wetende dat water uit de Maas wordt gebruikt voor drinkwatervoorziening van huishoudens en uit recent onderzoek van het RIVM al is gebleken dat bijna iedereen in Nederland ongezond hoge waardes van PFAS in het bloed heeft?
De provincie Limburg beoordeelt als bevoegd gezag het risico van een lozing voor de functies van het oppervlaktewater (zoals drinkwater) via de immissietoets. Daarbij wordt getoetst of de verwachte PFAS-concentraties in het oppervlaktewater, binnen de geldende gezondheids- en milieugrenswaarden blijven en of rekening is gehouden met cumulatieve achtergrondbelasting. Deze toets geldt ook voor de drinkwaterinnamepunten, zoals deze bijvoorbeeld aanwezig zijn in het stroomgebied van de Maas.
Indien op basis van deze toetsing door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Dit past binnen het ZZS-beleid waarin minimalisatie centraal staat, maar waarbij vergunningverlening mogelijk blijft indien aan alle wettelijke eisen wordt voldaan. Ik ga ervan uit dat het bevoegd gezag de beoordeling van de aanvraag op de juiste manier uitvoert en dat daarbij de signalen van de ILT worden meegenomen.
Hoe is bij de beoordeling van de vergunningaanvraag van CFS precies rekening gehouden met de uiteindelijke gevolgen voor oppervlaktewater en grondwater, en hoe wegen de conclusies die daaruit zijn gekomen op tegen de negatieve adviezen van het waterschap en de waterbedrijven?
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt de invloed op oppervlaktewater en grondwater betrokken via een uitgebreide immissietoets, conform het geldende wettelijke kader en het Handboek Immissietoets.
In deze toets wordt beoordeeld of de verwachte concentraties van stoffen in het ontvangende watersysteem, inclusief de Zuid-Willemsvaart en de doorwerking richting de Maas, verenigbaar is met het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Daarbij wordt rekening gehouden met hydrologische omstandigheden, mengzones, cumulatieve achtergrondbelasting en de mogelijke effecten op huidige en potentiële drinkwaterinnamepunten.
De immissietoets is in mei 2024 beoordeeld door Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Uit de toets volgt dat er geen sprake is van blijvende achteruitgang van de chemische of ecologische toestand van het oppervlaktewater en dat ook grondwater- en drinkwaterbelangen afdoende zijn beschermd.
Daarnaast zullen de adviezen het waterschap en drinkwaterbedrijf worden betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. In reactie op het ontwerpbesluit hebben verschillende partijen een zienswijze ingediend. De Provincie Limburg heeft gesprekken gevoerd met een groot deel van deze partijen. Het laatste gesprek heeft in de tweede helft van december 2025 plaatsgevonden. Begin januari 2026 is CFS in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de ingediende zienswijzen en de toelichting daarop.
Mede aan de hand van deze informatie zal de Provincie Limburg beoordelen of aan CFS definitief een vergunning kan worden verleend voor het innemen en bewerken van PFAS-houdende afvalstromen en, zo ja, onder welke voorwaarden.
Tot slot heeft het bevoegd gezag aangegeven dat voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit de immissietoets voor deze afweging nogmaals uitvoerig zal worden beoordeeld.
Kunt u een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die de PFAS-lozingen van CFS en bedrijven zoals Metaalrecycling Sneek veroorzaken, bijvoorbeeld voor goede zuivering voor drinkwater? Welke extra kosten voor de maatschappij zijn te verwachten en wie gaat daarvoor betalen? Hoe gaat u beter borgen dat bedrijven zelf gaan betalen voor de schade die ze hebben veroorzaakt, conform de aangenomen motie-Kostic/Soepboer (Kamerstuk 27 625, nr. 694), in plaats dat de rekening steeds bij burgers terechtkomt?
Het principe dat de vervuiler betaalt is het uitgangspunt voor zowel de Nederlandse als de Europese wetgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de motie van de leden Kostić en Soepboer.3
Voor waterzuivering is dit verankerd in de zuiveringsheffingen die waterschappen opleggen bij indirecte lozingen (op een rioolwaterzuiveringsinstallatie, RWZI), en de verontreinigingsheffing die opgelegd wordt bij directe lozingen op het oppervlaktewater. Voor zowel de verontreinigingsheffing als de zuiveringsheffing is het beginsel «de vervuiler betaalt» leidend. De vervuiler betaalt naar rato van de vervuilingswaarde van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Op het moment dat een waterzuiveraar extra kosten moet maken voor zuivering van het afvalwater van een bedrijf, dan kan een waterzuiveraar de extra kosten in rekening brengen bij dat bedrijf. Los daarvan draaien bedrijven zelf op voor de kosten die ze moeten maken om hun lozingen zoveel als mogelijk te minimaliseren, hetgeen vereist is om voor de (rest)lozingen vergunning te kunnen verkrijgen.
Indien er sprake is van een illegale lozing, en daaruit ontstaat schade, dan kan degene bij wie de schade veroorzaakt wordt, de schade verhalen bij degene die dat veroorzaakt of kan deze eisen dat de schade wordt opgeruimd door de veroorzaker. Gebruikmaking van de daartoe bestaande civielrechtelijke en bestuursrechtelijke mogelijkheden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er kan nu geen inschatting gemaakt worden of en zo ja welke extra maatschappelijke kosten aan de orde zijn in de situaties zoals geschetst in de vraag.
Welke normen gelden momenteel voor bedrijven die PFAS moeten terugdringen (waaronder bedrijven aan het einde van de keten), wie is verantwoordelijk voor de regie en communicatie hierover, en wanneer krijgen bedrijven helderheid over de maatregelen die van hen worden verwacht, gezien het feit dat bedrijven aan het einde van de keten aangeven weinig mogelijkheden te hebben om de PFAS-uitstoot terug te dringen en onduidelijkheid ervaren over de toegestane normen (zie artikel Leeuwarder Courant)?
Het streven is om ZZS zoals PFAS uit de leefomgeving te weren. De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen regels aan emissies van ZZS die kunnen vrijkomen bij bedrijfsmatige activiteiten. Bedrijven moeten emissies van PFAS zoveel mogelijk voorkomen. Als dat niet mogelijk is, moeten zij deze emissies tot een minimum beperken. Deze verplichting geldt ook voor bedrijven aan het einde van de keten. Het is aan het bevoegd gezag om deze regels toe te passen in een specifieke situatie in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bedrijven kunnen informatie over de algemene regels vinden via het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) en hun omgevingsdienst.
Hoe beoordeelt u het risico waar ILT voor waarschuwt, namelijk dat de vergunning voor CFS een precedent schept waardoor toekomstige PFAS-lozingen moeilijker te weigeren worden, en welke mogelijkheden heeft u om dergelijke onwenselijke precedentwerking te voorkomen?
Vergunningverlening vindt plaats op basis van de geldende wet- en regelgeving en een individuele beoordeling van de specifieke situatie. Een verleende vergunning schept daarmee geen precedent voor toekomstige vergunningaanvragen. Elke aanvraag wordt afzonderlijk getoetst aan de op dat moment geldende feitelijke situatie, zoals de toestand van het ontvangende waterlichaam, de stoffen of de hoeveelheden.
Klopt het dat de Omgevingswet het bevoegd gezag in principe meer mogelijkheden biedt om (ook uit voorzorg) maatschappelijke belangen, zoals schoon water en gezondheid, zwaarder te laten wegen?
De Omgevingswet biedt op zichzelf geen fundamenteel nieuw of ruimer beoordelingskader voor vergunningverlening ten opzichte van het eerdere stelsel, maar brengt de bestaande mogelijkheden voor het integraal afwegen van belangen samen en verduidelijkt deze.
Binnen de geldende wet- en regelgeving kan het bevoegd gezag maatschappelijke belangen, zoals de bescherming van de waterkwaliteit en de gezondheid van mensen, betrekken bij vergunningverlening, waaronder de toepassing van het voorzorgsbeginsel. In de voortgangsbrief Industrie en Omwonenden van april 2025 zijn verschillende concrete sporen benoemd om de bevoegd gezagen hierin te ondersteunen4.
Kan de provincie het feit dat gezond water van groot openbaar belang is en de stevige adviezen van de ILT, gemeenten, waterschappen en waterbedrijven ook gebruiken om juridisch toch hard te maken dat het afgeven van de huidige vergunning voor de PFAS-lozingen door CFS onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling van de vergunningaanvraag vindt plaats binnen de strikte grenzen van het geldende wettelijke kader. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, wordt daarbij via de wettelijke toetsingscriteria ook beoordeeld of de bescherming van functies zoals drinkwater voldoende is geborgd. Als uit die toetsing volgt dat aan alle eisen wordt voldaan, is het niet mogelijk om de vergunning te weigeren. Het is aan de rechter om in het kader van een tegen de vergunning ingesteld beroep te beoordelen of deze toetsing op juridisch juiste wijze heeft plaatsgevonden.
Staat u achter de conclusie van uw eigen toezichthouder ILT dat een PFAS-vergunning voor CFS in de praktijk neerkomt op een «blanco cheque», dat CFS niet de vereiste beste beschikbare technieken (BBT) toepast en dat de vergunning niet afgegeven zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft als onafhankelijk toezichthouder haar bevindingen en aandachtspunten naar voren gebracht. Deze signalen komen voort uit de terechte zorg dat er teveel PFAS in de leefomgeving aanwezig is. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat emissies van PFAS zoveel als mogelijk moeten worden voorkomen en waar dat niet kan tot een minimum moeten worden beperkt.
Het is echter niet aan het ministerie om een inhoudelijk oordeel te vellen over de beoordeling van een individuele vergunning of om te bepalen welk advies doorslaggevend is. De provincie Limburg is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de vergunningverlening en dient daarbij te handelen binnen het geldende wettelijke kader. Op dit moment verloopt dit proces zorgvuldig en binnen dat kader. De provincie betrekt de signalen van de ILT, net als die van andere betrokken partijen, bij de verdere beoordeling en weegt deze mee bij het definitieve besluit.
Herkent u de signalen dat het ZZS-beleid onvoldoende werkt, doordat regelgeving voor lagere overheden complex en onduidelijk is en doordat kennis en capaciteit bij toezichthouders soms ontbreken, met extra risico’s voor mens, dier en milieu3? Welke stappen gaat u nemen om dit te verbeteren, en wat is de bijbehorende tijdlijn?
In de evaluatie van het ZZS-beleid die in 2021–2022 heeft plaatsgevonden, is een aantal problemen in de uitwerking van dit beleid naar voren gekomen6. Mede in reactie hierop is het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023–2026 opgezet7. In dit programma wordt samen met andere overheden en het bedrijfsleven gewerkt aan verduidelijking van bepalingen en verbetering van de uitvoering op verschillende onderwerpen. Concreet werkt men aan de Uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, Omgevingsdiensten, brancheverenigingen en ILT gezamenlijk aan tafel zitten, en werken aan concrete oplossingen voor knelpunten in de praktijk. Hierbij is dus niet alleen het Ministerie van IenW aan zet, maar ook de andere betrokken partijen zetten zich in voor hun deel van de oplossing. Er zijn onder andere Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS» en de «Vermijdings- en ReductieProgramma’s (VRP’s)», De resultaten worden in 2026 opgeleverd. Sinds de start van dit programma is de Kamer geregeld geïnformeerd over de voortgang van dit programma, meest recent in de brief van 22 september jl.8
Als de provincie in dit geval toch blijkt haar taken bij de bescherming van water, milieu en gezondheid onvoldoende uit te voeren, welke theoretische mogelijkheden (bijvoorbeeld met een instructie) heeft u als hogere overheid en eindverantwoordelijke voor o.a. milieu en water om in te grijpen?
De uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving is in dit geval belegd bij de provincie als bevoegd gezag. Dit is conform het uitgangspunt «decentraal, tenzij» dat ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Het is dus niet juist dat de Rijksoverheid als «hogere overheid» eindverantwoordelijk is. Alleen als het met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer noodzakelijk is, kan de Minister van IenW, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, van de Omgevingswet, in het uiterste geval gebruik maken van de instructiebevoegdheid over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer op grond van artikel 2.34 van de Omgevingswet. Dat is echter geen instrument dat lichtvaardig wordt ingezet.
Bij taakverwaarlozing bestaat er op grond van artikel 261 van de Provinciewet ook de mogelijkheid om via interbestuurlijk toezicht in te grijpen door het vernietigen of schorsen van een provinciaal besluit. Dit instrument van interbestuurlijk toezicht is uitdrukkelijk als ultimum remedium bedoeld en kan dus eveneens niet lichtvaardig worden ingezet. Vooralsnog is er geen enkele aanleiding om van deze theoretische wettelijke mogelijkheden gebruik te maken. De reguliere weg om te beoordelen of de vergunning is verleend in overeenstemming met de daaraan gestelde wettelijke vereisten is de mogelijkheid van het instellen van beroep bij de bestuursrechter.
Kunt u toezeggen dat u binnen drie maanden de verantwoordelijkheden in de PFAS-keten expliciet vastlegt – inclusief wie op welk punt moet ingrijpen – en in de tussentijd voorkomt dat nieuwe vergunningen of vergunningswijzigingen worden verleend die als precedent kunnen werken, zolang er wordt toegewerkt naar een Europees en/of nationaal lozingsverbod?
De verantwoordelijkheden in keten zijn al duidelijk belegd, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7. De verschillende bevoegd gezagen dienen de bestaande wettelijke kaders toe te passen in de vergunningverlening. Het is met vergunningverlening juridisch niet mogelijk om vooruit te lopen op wetgeving die er nu nog niet is.
Bent u, gezien uw toezegging te willen werken aan een nationaal PFAS-verbod, bereid om een nationaal (gedeeltelijk) lozingsverbod en/of productverbod met spoed naar de Kamer te sturen, gezien de grote hoeveelheden PFAS die waarschijnlijk elke dag nog worden geloosd en de schade die dat met zich meebrengt? Zo ja, wanneer kunnen we dit precies verwachten?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vorige vragen moet een bevoegd gezag bij een individuele vergunningaanvraag werken binnen de huidige wettelijke kaders. Deze zijn, zoals alle wetgeving, gebaseerd op algemene principes zoals rechtszekerheid en proportionaliteit. De uitkomst in specifieke gevallen geeft niet altijd voor alle partijen een bevredigend resultaat. Daarom is er de mogelijkheid tot bezwaar bij bevoegd gezag en beroep bij de rechter.
De vraag die deze vergunningsaanvraag – en vergelijkbare andere aanvragen – oproept is natuurlijk of het niet mogelijk is de lozing van stoffen zoals PFAS verder te beperken of wellicht te verbieden. Dit vraagt om aanpassing van de regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van juni 20259 is dit niet eenvoudig omdat PFAS alomtegenwoordig in het leefmilieu aanwezig zijn. Een verbod of drastische aanscherping van de normen leidt dan snel tot praktische problemen met mogelijk grote maatschappelijke consequenties. Dit vraagt om zorgvuldig handelen. Zoals toegezegd worden de mogelijkheden van een gedeeltelijk lozingsverbod nader verkend. Hierover wordt u dit voorjaar nader geïnformeerd.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden, het liefst nog voor het Kerstreces?
Beantwoording voor het Kerstreces is helaas niet haalbaar gebleken.
Het verschijnen van de Amerikaanse National Security Strategy |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de in november 2025 opgestelde Amerikaanse National Security Strategy?1
Wat is uw algemene oordeel over het hoofdstuk «Promoting European Greatness», het gedeelte dat gaat over de Amerikaanse veiligheidsstrategie vis-à-vis Europa? Welke conclusies trekt u uit dit hoofdstuk over de koers die de Amerikanen inzetten richting Europa?
Hoe beoordeelt u het Amerikaanse standpunt dat er sprake zou zijn van «civilizational erasure», ofwel «uitwissing van [onze] beschaving» (pag. 25)? Bent u bereid dit tegen te spreken?
Ziet u de volgende passages ook als (impliciete) verwijzingen zijn naar de extreemrechtse Great Replacement Theory: «But this economic decline is eclipsed by the real and more stark prospect of civilizational erasure. The larger issues facing Europe include activities of the European Union and other transnational bodies that undermine political liberty and sovereignty, migration policies that are transforming the continent and creating strife, censorship of free speech and suppression of political opposition, cratering birthrates, and loss of national identities and self-confidence. Should present trends continue, the continent will be unrecognizable in 20 years or less.» (pag. 25); «Over the long term, it is more than plausible that within a few decades at the latest, certain NATO members will become majority non-European.» (pag. 27)? Zo ja, wat zegt dit u over de koers van de Amerikanen en welke gevolgen heeft dit voor toekomstige samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Hoe interpreteert u het Amerikaanse standpunt dat Europese landen over enkele decennia mogelijk niet langer als betrouwbare partners van de VS gezien kunnen worden als gevolg van (volgens de VS) onwenselijke demografische veranderingen (pag. 25)? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Duidt de volgende passage in uw ogen op mogelijke ongewenste buitenlandse beïnvloeding en/of inmenging vanuit de VS in Europese landen, met name gericht op het versterken van uiterst rechtse politieke partijen: «American diplomacy should continue to stand up for genuine democracy, freedom of expression, and unapologetic celebrations of European nations» individual character and history. America encourages its political allies in Europe to promote this revival of spirit, and the growing influence of patriotic European parties indeed gives cause for great optimism. Our goal should be to help Europe correct its current trajectory» (pag. 26)? Zo ja, op welke manier gaat u dit monitoren en welke stappen bent u bereidt om te nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Hoe interpreteert u het beleidsdoel van de VS om strategische stabiliteit tussen Europa en Rusland te bewerkstelligen, oftewel een normalisering van onze relaties met Poetins Rusland (pag. 27)? Welke mogelijke risico’s ziet u hierin en welke noodzakelijke stappen bent u bereid om te nemen?
Hoe interpreteert u het beleidsdoel van de VS om een einde te maken aan de perceptie dat de NAVO een «voortdurend uitbreidend» bondgenootschap is (pag. 27)? Kunt u aangeven wat dit volgens u betekent voor het onomkeerbare pad van Oekraïens NAVO-lidmaatschap?
Hoe interpreteert u de volgende passage in relatie tot de Amerikaanse militaire aanwezigheid op het Europese continent: «The United States must reconsider our military presence in the Western Hemisphere. This means four obvious things: A readjustment of our global military presence to address urgent threats in our Hemisphere, especially the missions identified in this strategy, and away from theaters whose relative import to American national security has declined in recent decades or years; [...]»?
Klopt het dat de VS erop aanstuurt dat Europa zich in 2027 al grotendeels zelf moet kunnen verdedigen? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor de snelheid van herbewapening van Europa?
Deelt u de algemene opvatting dat het Amerikaanse veiligheidsbeleid, zoals uiteengezet in deze National Security Strategy, er onder andere op uit is om de EU zoals wij deze nu kennen te ontmantelen? Kunt u dit toelichten?
Hoe staat het met de ontwikkeling van de Amerikastrategie? Bent u van plan de inhoud van deze National Security Strategy mee te laten wegen?
Bent u bereid om de Kamer, eventueel in een vertrouwelijke setting, te informeren over de manier(en) waarop met buitenlandse beïnvloeding vanuit de VS wordt omgegaan en mogelijk wordt tegengegaan?
Bent u bereid om de ambassadeur van de Verenigde Staten aan te spreken op dit stuk en de inhoud te veroordelen?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden en vóór het plenaire debat over de aanstaande Europese top naar de Kamer te sturen?
De mogelijkheid niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare zone in het kader van de Nitraatrichtlijn |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland ervoor heeft gekozen om geen specifieke kwetsbare zones aan te wijzen, maar het gehele grondgebied als kwetsbaar te beschouwen in het kader van de Nitraatrichtlijn?1
In lijn met de Nitraatrichtlijn heeft Nederland de keuze gemaakt om het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (verder 7e actieprogramma) en voorgaande actieprogramma’s van toepassing te laten zijn op het gehele Nederlandse grondgebied. Daarom heeft Nederland geen kwetsbare zones aangewezen.
Kunt u bevestigen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, zoals vastgelegd in het Actieprogramma Nitraatrichtlijn, enkel van toepassing zijn op kwetsbare zones?2
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. De verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn zijn in Nederland van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Artikel 3, vijfde lid, Nitraatrichtlijn geeft aan dat een lidstaat is ontheven van de verplichting kwetsbare zones aan te wijzen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Nitraatrichtlijn, als het zijn actieprogramma’s op zijn hele grondgebied van toepassing laat zijn.
Kunt u bevestigen dat ook de maximale hoeveelheid uit te rijden mest van 170 kilogram per hectare per jaar, zoals per 1 januari 2026 geldig vanwege de afschaffing van de derogatie, enkel van toepassing is op kwetsbare zones?
De norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar is opgenomen in bijlage III, onder 2, van de Nitraatrichtlijn. De verplichtingen opgenomen in bijlage III zijn volgens artikel 5, vierde lid, een verplicht onderdeel van actieprogramma’s. Afhankelijk van de keuze die een lidstaat heeft gemaakt over het grondgebied waarop een actieprogramma ziet, geldt de norm van 170 kg stikstof uit dierlijke mest.
Kunt u bevestigen dat Nederland de lijst van kwetsbare zones kan herzien, zodat niet langer het gehele grondgebied, maar slechts een deel daarvan als kwetsbare zone geldt?3
De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten die een lijst van kwetsbare zones hanteren om die ten minste iedere vier jaar te herzien. Lidstaten die hun actieprogramma’s toepassen op het gehele grondgebied zijn ontheven van deze verplichting. Aangezien in Nederland actieprogramma’s van toepassing zijn op het gehele Nederlandse grondgebied is er geen lijst van kwetsbare zones die herzien kan worden. De motie Flach en Grinwis4 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied. In lijn met de motie en conform het Hoofdlijnenakkoord is aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) gevraagd om hierover te adviseren.
Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten aan een nieuw kabinet. In voornoemde brief is aangegeven dat de onderliggende informatie over de besluitvorming over het 8e actieprogramma voor het einde van het kerstreces aan uw Kamer zal worden gestuurd. Hierbij zal ook het voornoemde CDM advies gevoegd worden.
Kunt u bevestigen dat Nederland dit herzieningsbesluit eenzijdig kan nemen, dit enkel aan de Europese Commissie (EC) hoeft te melden en hiervoor dus geen toestemming nodig heeft van de EC?
Het is de bevoegdheid van een lidstaat om kwetsbare zones aan te wijzen of het actieprogramma op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing te laten zijn. In het geval dat Nederland overgaat tot het aanwijzen van kwetsbare zones, zal Nederland dit afdoende moeten onderbouwen en zal de Europese Commissie daarvan in kennis moeten worden gesteld. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn. Dat betekent overigens niet dat de Europese Commissie in die situatie geen rol heeft ten aanzien van een aanwijzing van kwetsbare zones. Indien een lidstaat een aanwijzing van kwetsbare zones onvoldoende kan onderbouwen, heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om vanwege niet naleving van de Nitraatrichtlijn een infractieprocedure te starten bij het Europees Hof van Justitie. In de loop van de tijd heeft het Europese Hof van Justitie in verschillende uitspraken lidstaten in het ongelijk gesteld vanwege het niet adequaat aanwijzen van kwetsbare zones conform de Nitraatrichtlijn. Dit heeft in de betreffende lidstaten geleid tot uitbreiding van het areaal aangewezen kwetsbare zones, dan wel aanwijzing van het gehele grondgebied.5
Kunt u bevestigen dat Nederland dus de mogelijkheid heeft om de strengere mestnormen die per 1 januari 2026 zullen gelden, evenals andere verplichtingen voortvloeiende uit de Nitraatrichtlijn, van toepassing te laten zijn op een kleiner grondgebied dan momenteel het geval is? Deelt u de mening dat dit de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk zou kunnen verlichten?
Het 7e actieprogramma is van toepassing op het gehele Nederlandse grondgebied. Bij het vaststellen van een volgend actieprogramma kan Nederland de reikwijdte van het actieprogramma opnieuw wegen.
Klopt het dat u over een eventuele wijziging van de Nederlandse lijst met kwetsbare zones advies heeft gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)?
Aan de CDM is advies gevraagd over de mogelijkheid om de actieprogramma’s onder Nitraatrichtlijn niet langer van toepassing te laten op het gehele Nederlandse grondgebied, maar enkel op kwetsbare zones. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Kunt u dit advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen, indien dit antwoord bevestigend luidt?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid de Nederlandse lijst met kwetsbare zones zo spoedig mogelijk te herzien, om zo de problemen van veel Nederlandse boeren aanzienlijk te verlichten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u dit bewerkstelligen?
In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangeven dat in Nederland op basis van de Nitraatrichtlijn de keuze is gemaakt om het actieprogramma van toepassing te laten zijn op het hele Nederlandse grondgebied. Er is derhalve geen lijst met kwetsbare zones.
Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de nieuwe mestnormen per 1 januari 2026 ingaan, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één week beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Geheime detentiefaciliteiten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 over de mysterieuze gevangenhouding van een strafadvocaat? Zo ja, klopt dit bericht?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Justitie en Veiligheid als toezichthouder op het gevangeniswezen geen weet had van een detentielocatie, die pas «na héél lang aandringen» bezocht kon worden, waarvan onduidelijk is wie de eindverantwoordelijke locatiedirecteur is en waarvan niet helder is wie uitvoering aan de bewaring geeft?
Ik acht het van belang dat er onafhankelijk toezicht moet kunnen worden uitgeoefend op alle vormen van detentie, ook wanneer het om zeer uitzonderlijke situaties gaat en er sprake is van afgeschermde detentie. Ik vind dan ook dat de Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJenV) op de hoogte had moeten zijn van het bestaan van de afgeschermde detentielocatie en van het moment dat deze in gebruik werd genomen. Bij andere vormen van detentie wordt de IJenV niet over een individuele plaatsing geïnformeerd. Gelet op de uitzonderlijkheid van het gebruik van de afgeschermde locatie had het voor de hand gelegen om de IJenV daarvan proactief op de hoogte te stellen. Gezien het feit dat het vanuit veiligheidsoverwegingen een afgeschermde locatie betreft, hadden hier aanvullende afspraken over gemaakt moeten worden tussen de partijen. Door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de IJenV zijn eind 2024 werkafspraken gemaakt die onder andere zien op de wijze waarop een afgeschermde detentielocatie bezocht kan worden door de IJenV. Dergelijke afspraken lagen er op het moment dat de IJenV DJI verzocht de locatie te bezoeken nog niet. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik u naar de eerdere Kamerbrieven van 7 april 2025 en 9 december 2025 en de beantwoording van de vragen van het lid van Nispen.2
Klopt het dat er meermaals van alles aan gedaan is om informatie over deze mysterieuze geheime detentiefaciliteiten buiten de openbaarheid te houden? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, waarom? Klopt het dat Dienst Justitiële Inrichtingen heeft geweigerd om vragen van de Inspectie Justitie en Veiligheid schriftelijk te beantwoorden? Zo ja, wat was hiervoor de reden en is dat een gebruikelijke gang van zaken?
De ingebruikname van een afgeschermde detentielocatie vindt enkel plaats in uitzonderlijke situaties. Voorbeelden hiervan zijn situaties waarbij het met het oog op de veiligheid en/of het welzijn van de gedetineerden, de veiligheid van de maatschappij, andere gedetineerden en/of DJI-medewerkers het niet gewenst is dat in de openbaarheid bekend is waar de gedetineerde zich in detentie bevindt. Voorafgaand aan de plaatsing in afgeschermde detentie vindt er een afweging door DJI plaats, op basis van de op dat moment beschikbare informatie van bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie of de politie, omtrent de mate van afscherming. Ook gedurende de detentie wordt doorlopend bezien of plaatsing in afgeschermde detentie noodzakelijk is. Indien mogelijk wordt er afgeschaald.
Er gaat een groot belang uit van het niet bekend worden van locaties waar de afgeschermde detentie zich bevindt. Als dergelijke locaties van de afgeschermde detentie bekend raken, zijn deze locaties in beginsel niet meer inzetbaar als afgeschermde detentielocatie. Om deze reden heeft DJI de locatie voor afgeschermde detentie niet schriftelijk met andere partijen, waaronder de IJenV, gedeeld. Dit is een uitzondering, andere detentielocaties worden wel schriftelijk met de IJenV gedeeld. Door DJI is volledige medewerking verleend aan de IJenV. Indien vragen van de IJenV niet schriftelijke konden worden beantwoord heeft beantwoording mondeling plaatsgevonden. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven zijn er werkafspraken gemaakt tussen de IJenV en DJI.
Hoeveel tijd zat tussen het verzoek van de Inspectie ustitie en Veiligheid om de gewraakte locatie te bezoeken en het daadwerkelijke inspectieverzoek? Waarom wordt informatie daarover in de geopenbaarde documenten weggelakt? En waarom wordt geheimzinnig gedaan over wie precies de vestigingsdirecteur is?
Er zaten 17 dagen tussen het eerste gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen de IJenV en DJI omtrent de afgeschermde detentie en het eerste fysieke bezoek aan de locatie. Omdat er op het moment van het eerste fysieke bezoek nog geen werkafspraken lagen tussen de IJenV en DJI dienden er aanvullende veiligheidsmaatregelen te worden getroffen. Aangezien er nu er werkafspraken liggen, is de verwachting dat een fysiek bezoek van de IJenV aan een afgeschermde detentielocatie in het vervolg binnen een korter tijdsbestek kan plaatsvinden. De veiligheid staat in alle gevallen voorop, voor gedetineerden, voor personeel en ook voor de inspecteurs. Dat kan er in resulteren dat bij verzoeken van de IJenV maatwerk wordt toegepast vanwege veiligheidsrisico’s. Zoals reeds aangegeven bij de beantwoording van vraag 3 wordt er enkel van afgeschermde detentie gebruik gemaakt in uitzonderlijke situaties wanneer er een veiligheidsbelang is dat niet op andere wijze gewaarborgd kan worden. In het kader van de veiligheid van de betrokken DJI-medewerkers (waaronder de vestigingsdirecteur) is het van belang dat niet bekend wordt waar de afgeschermde detentie daadwerkelijk plaatsvindt en wie daarbij zijn betrokken.
Vindt u dat in dit geval voldaan wordt aan alle wettelijke en verdragsrechtelijke eisen die aan detentie moeten worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om een nauwgezette weergave hoe deze detentierechten precies geëerbiedigd zijn? Zijn er andere gevallen waarin geheime detentie is toegepast?
Ook in de situatie van afgeschermde detentie moeten en kunnen gedetineerden erop vertrouwen dat hun detentie veilig, zorgvuldig en humaan ten uitvoer wordt gelegd met toepassing van geldende wet- en regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van 9 december 2025 zijn inmiddels alle aanbevelingen van de IJenV omtrent afgeschermde detentie opgevolgd en wordt hiermee naar mijn oordeel voldaan aan de vereisten uit de Penitentiaire beginselenwet en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning. Zo zijn er sinds eind 2024 werkafspraken met de IJenV zodat er onafhankelijk toezicht door hen kan worden gehouden op deze vorm van detentie. Naast deze werkafspraken is er ook een Commissie van Toezicht ingesteld voor afgeschermde detentie. Ook door hen kan onafhankelijk toezicht worden uitgeoefend. Tot slot zijn per 1 januari 2026 huisregels in werking getreden voor afgeschermde detentie. Hierdoor is het voor een gedetineerde in deze vorm van detentie inzichtelijk wat diens rechten en plichten zijn en op welke wijze er bijvoorbeeld een klacht kan worden ingediend. Afgeschermde detentie vindt enkel in uitzonderlijke situaties plaats. In de afgelopen decennia is er slechts een enkele keer sprake geweest van een dergelijke plaatsing.
Bent u het met mij eens dat detentie in beginsel niet onder staatsgeheim geschaard mag worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hiervan de reden en hoe wordt voorzien in onafhankelijk toezicht om misbruik en excessen te voorkomen?
In beginsel dient detentie niet onder staatsgeheim geschaard te worden. Het kan in het kader van de nationale veiligheid echter noodzakelijk zijn dat informatie gerubriceerd kan worden als staatsgeheim. Dit kan in uitzonderlijke gevallen ook gelden voor informatie met betrekking tot detentie. Hiermee wordt gewaarborgd dat een locatie waar afgeschermde detentie plaats kan vinden geheim blijft, evenals degene die bij deze vorm van detentie betrokken zijn. Dit mag echter nooit ertoe leiden dat personen volledig afgesloten van de buitenwereld in detentie worden gehouden.
Ten aanzien van het toezicht dat gehouden wordt op afgeschermde detentie verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Aukje de Vries (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het bericht dat Israëlische agenten Palestijnen doden ondanks overgave |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht waarin wordt gemeld dat Israëlische undercoveragenten in Jenin drie Palestijnse mannen zouden hebben doodgeschoten, ondanks dat zij hun handen in de lucht zouden hebben gestoken in een teken van overgave?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht waarin wordt beschreven dat twee Palestijnen zijn doodgeschoten door de Israëlische grenspolitie. Het kabinet kan dit specifieke incident niet eigenstandig verifiëren en heeft daarom Israël om opheldering gevraagd. Israël heeft bevestigd dat de Israëlische krijgsmacht het incident onderzoekt. Dit wacht het kabinet af.
Kunt u bevestigen of laten verifiëren of deze gebeurtenis daadwerkelijk heeft plaatsgevonden?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat ook bevriende democratische staten zoals Israël, gehouden zijn aan het internationaal recht en dat Nederland, als voorvechter daarvan, dit nadrukkelijk moet uitdragen?
Ja. Alle staten zijn gebonden aan het internationaal recht.
Hoe verhoudt dit optreden van Israël zich tot het internationaal humanitair recht?
Zie antwoord op vraag 1. Op basis van de berichtgeving in de media lijkt het relevante rechtsregime voor dit optreden niet dat van het humanitair oorlogsrecht, maar was er sprake van rechtshandhaving door Israëlische grenspolitie. Daardoor moet op basis van mensenrechten worden beoordeeld hoe dit optreden zich verhoudt tot het internationaal recht.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar deze en vergelijkbare incidenten op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig. Het is in eerste instantie aan de meest betrokken staat of staten die terzake rechtsmacht hebben om onderzoek te doen. In dit geval heeft Israël aan het kabinet bevestigd dat de Israëlische krijgsmacht het incident onderzoekt. Dit wacht het kabinet af. Nederland roept Israël op, en zal Israël blijven oproepen, het internationaal recht te respecteren, na te leven, en vermeende schendingen te onderzoeken en berechten. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan, ook in EU-verband.
Deelt u de mening dat het associatieverdrag met Israël moet worden heroverwogen als er ernstige mensenrechtenschendingen plaatsvinden door Israël? Valt dit incident daar wat u betreft onder?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 5.
Zo ja, bent u bereid om het opschorten van het associatieverdrag bespreekbaar te maken binnen de eerstvolgende EU-Raad Buitenlandse Zaken van 15 december? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook de antwoorden op de vragen 1 en 5.
De berichten dat Taiwan een initiatief heeft gelanceerd ter verdediging van onderzeese kabels. |
|
Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over het Taiwanese initiatief ter verdediging van onderzeese kabels genaamd RISK?1
Ja.
Ziet u ook de risico’s van deze onderzeese kabels in het kader van ongelukken met scheepsvaart en/of sabotage in het kader van hybride oorlogsvoering?
Ja, het kabinet erkent de risico’s van het beschadigen van onderzeese kabels. Ongelukken met scheepvaart vormen een belangrijke oorzaak voor dergelijke beschadigingen. Tegelijkertijd is er sprake van een aanhoudende sabotagedreiging, onder andere gericht op maritieme kritieke infrastructuur zoals onderzeese kabels.
Deelt u de mening dat de vrijheden van de internationale wateren niet in het geding mogen komen en dat het doelbewust beschadigen van internationale onderzeese kabels mogelijk hierop een inbreuk maakt? Zo niet, waarom niet?
Ja, Nederland hecht groot belang aan de vrijheden van de volle zee, waaronder de vrijheid van navigatie en de vrijheid om kabels en pijpleidingen te leggen, gecodificeerd in het VN-Zeerechtverdrag. Deze vrijheden gelden onder de voorwaarden die het zeerecht daaraan stelt ook in de exclusieve economische zone. In overeenstemming met het zeerecht, dienen deze vrijheden te worden uitgeoefend en beschermd op een wijze die terdege rekening houdt met rechten en plichten van de kuststaat in de EEZ en de belangen van andere staten op volle zee.
Zijn er overeenkomsten te vinden tussen de Chinese dreiging aan het adres van Taiwan en de Russische dreiging richting Europa wat betreft hybride oorlogsvoering, in het bijzonder als het onderwaterinfrastructuur betreft?
In algemene zin is er zowel in Europa als in de Indo-Pacific sprake van hybride dreigingen en werken landen aan het verbeteren van hun weerbaarheid hiertegen. Sabotage vormt een onderdeel van de dreiging in beide regio’s. Sabotage heeft verschillende verschijningsvormen en kan zich onder meer richten op vitale maritieme infrastructuur zoals data- en elektriciteitskabels.
Deelt u de mening dat in het kader van het beschermen van internationale onderzeese kabels, het zowel in het belang van Nederland is als dat van Taiwan als er meer wordt gewerkt aan het delen van informatie en het samen opbouwen van kennis om zo de kans op beschadigingen of sabotage aan onderzeese kabels in de Noordzee en de wateren rondom Taiwan te verkleinen?
Het beschermen van internationale onderzeese kabels is een gedeeld wereldwijd belang. Internationale samenwerking is dan ook belangrijk en noodzakelijk. Dit doen we binnen de EU en de NAVO en daarbuiten waar nodig en mogelijk.
Bent u bereid zich aan te sluiten bij de vier initiatieven zoals deze worden beschreven in het Taiwanese RISK-initiatief? Zo niet, zou u kunnen uitweiden waarom niet?
Gezien het belang van het beschermen van onderzeese kabels neemt Nederland deel aan verschillende internationale gremia waarin deze thematiek wordt geadresseerd. Nederland is bijvoorbeeld lid van de International Telecommunication Union (ITU) en via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangesloten bij het International Cable Protection Committee (ICPC). Hierbinnen wordt al in breed internationaal verband gewerkt aan versterking van de weerbaarheid van de onderzeese kritieke infrastructuur door het delen van best practices tussen overheden, de industrie en bedrijven. Nederland ziet derhalve op dit moment geen noodzaak om zich aan te sluiten bij het Taiwanese initiatief, maar zal het belang van internationale samenwerking op dit thema, waar in mondiaal belang ook met Taiwan, blijven voorstaan en de noodzaak van deelname aan verscheidene initiatieven doorlopend blijven wegen.
Zijn er andere staten waarmee u de banden zou willen verstevigen in het kader van het beschermen van onze cruciale infrastructuur en dus onder andere internationale onderzeese kabels?
Ter bescherming van de kritieke onderzeese infrastructuur en maritieme veiligheid in brede zin richt Nederland zich primair op de nabije regio, en werkt daarom actief met de Noordzeelanden, de Scandinavische en Baltische staten.
Daarnaast is in het kader van het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) ook met andere landen kennis uitgewisseld op het gebied van kritieke onderzeese infrastructuur, zoals met Singapore en ASEAN (Association of Southeast Asian Nations). Verder heeft Nederland in het kader van het Indo-Pacific Ministerial Forum op 21 november jl. met diverse andere Europese lidstaten een samenwerking van de EU met de regio op dit terrein voorgesteld, waarbij de EU inzet op samenwerking met partners in de Indo-Pacific regio gericht op uitwisseling van kennis en expertise op het gebied van beschermen van kritieke infrastructuur op zee.
Op welke manieren bent u bereid zich in te zetten voor een betere bescherming, internationaal, van de onderzeese kabelinfrastructuur?
Van belang is een goede informatie-uitwisseling en het delen van best practices. Niet alleen tussen landen onderling maar ook in samenwerking met de industrie die over veel kennis en ervaring beschikt. Zo is samenwerking, nationaal en internationaal, publiek en privaat, een belangrijke actielijn binnen het PBNI. In dit kader is in 2024 een Joint Declaration of Intent ondertekend door de verschillende Noordzeelanden (België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland) om samen te werken aan verbeterde informatie-uitwisseling en het nemen van coherente en gecoördineerde weerbaarheidsmaatregelen.
Steeds drukker wordende sinterklaasstichtingen door stijgende armoede |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sinterklaasstichtingen hebben het steeds drukker, stijgende armoede speelt rol»1?
Ja.
Deelt u de mening dat de ervaringen van sinterklaasstichtingen, die het ieder jaar drukker krijgen en dit jaar zelfs een «stop» op het aantal verzoeken hebben om het aantal aanvragen behapbaar te houden, haaks staan op de cijfers waaruit zou blijken dat de kinderarmoede de afgelopen jaren meer dan gehalveerd is?
Ik deel de mening dat sinterklaasstichtingen de ontwikkeling van armoede anders kunnen ervaren dan blijkt uit de cijfers.
Hoe verklaart u dit verschil?
Ik zie een aantal mogelijke verklaringen voor dit verschil. Een eerste mogelijke verklaring is dat de doelgroep van hulporganisaties groter is geworden. Een grotere doelgroep kan enerzijds het gevolg zijn van een toename van het aantal mensen met een laag inkomen, en anderzijds het gevolg zijn van ruimere voorwaarden bij hulporganisaties. Een tweede mogelijke verklaring is dat de armoedeproblematiek onder de bestaande doelgroep groter is geworden. Anders gezegd, dat de intensiteit van armoede groter is geworden. Een derde mogelijke verklaring is dat hulporganisaties en de doelgroep elkaar beter weten te vinden.
Deelt u de zorg dat het feit dat ouders bij sinterklaasstichtingen steeds vaker om basisvoorzieningen in plaats van om speelgoed voor hun kinderen vragen, mogelijk aantoont dat de armoede in Nederland zich verdiept?
Het is zorgelijk dat er ouders in Nederland zijn die voor basisvoorzieningen aankloppen bij fondsen en stichtingen. Voor een klein deel van de huishoudens zou dat kunnen komen doordat de armoede zich verdiept, maar in algemene zin blijkt niet uit de cijfers dat armoede in Nederland zich verdiept. Een recente analyse over de toereikendheid van het sociaal minimum laat zien dat de inkomenspositie van veel huishoudens op sociaal minimum in de afgelopen jaren is verbeterd. Deze analyse is voor de zomer van 2025 verzonden aan de Tweede Kamer, als bijlage bij de routekaart Hervormingsagenda Inkomensondersteuning. De analyse laat zien dat het totale inkomen op sociaal minimum-niveau in principe toereikend is voor minimaal noodzakelijke uitgaven, terwijl dat bij verschijning van het rapport van de Commissie sociaal minimum in 2023 niet het geval was. Daaruit blijkt dat de inkomenspositie van huishoudens op het sociaal minimum in de afgelopen jaren is verbeterd, met name door verhogingen van het kindgebonden budget en de huurtoeslag.
Hoewel er voor sommige individuele huishoudens sprake kan zijn van verdieping van armoede, blijkt niet uit de cijfers dat het aantal mensen in diepe armoede is toegenomen (zie ook het antwoord op vraag 5). Het kabinet blijft zich inspannen voor het beter bereiken van mensen en het voorkomen van hoge onvermijdelijke uitgaven.
Zijn er cijfers van de afgelopen vijf jaar die dit aantonen en zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Het CPB heeft in de publicatie De armoede-intensiteit: een raming van de diepte van armoede een figuur opgenomen die de (verwachte) ontwikkeling van het aantal mensen in armoede laat zien in de periode 2018–2026, uitgesplitst naar armoede-intensiteit (hieronder toegevoegd). Dit figuur laat zien dat het aantal personen die diep in de armoede zitten (dus een hoge armoede-intensiteit) afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven.
Deelt u de opvatting dat het voorzien van kinderen in hun basisbehoeften, zoals een bril, warme kleding of menstruatieproducten, primair een taak is van de overheid en niet van (sinterklaas)stichtingen en fondsen wanneer ouders hier financieel niet voor kunnen zorgen? Waarom wel of niet?
Het Rijk heeft de kerntaak om te zorgen voor bestaanszekerheid en werkgelegenheid en doet dit onder andere middels inkomensondersteuning, zoals kinderbijslag en kindgebonden budget. Het kan zijn dat mensen door onzeker inkomen, hoge onvermijdbare uitgaven of een ingrijpende gebeurtenis, zoals een scheiding, zich tijdelijk in een financieel kwetsbare positie bevinden. De gemeente kan dan de inwoner ondersteunen. Ook zijn er verschillende partijen in het maatschappelijk middenveld, zoals bijvoorbeeld de kerken of particuliere fondsen, die mensen ondersteunen.
Bent u op de hoogte van de gevolgen voor kinderen wanneer ouders niet voor hun basisvoorzieningen kunnen betalen, zoals schaamte, kans op pesten en verminderde sociale interactie?2
Ja.
Deelt u de opvatting dat elk kind een gelijke start verdient maar dat van een gelijke start geen sprake is bij een gebrek aan basisvoorzieningen?
Ja.
Wat heeft u gedaan met het rapport «Armoedestress voor kinderen en jongeren in Nederland: basisvoorzieningen onder druk» van het Nationaal Fonds Kinderhulp dat in april aan u is aangeboden?3
Ik heb kennisgenomen van de inzichten uit dit rapport. Kinderhulp signaleert met name een stijging op het aantal aanvragen van basisvoorzieningen zoals brillen, beugels, bed/kamerinrichting en persoonlijke hygiëne4. Het is nog onduidelijk wat hiervan precies de oorzaak is, maar zoals eerder genoemd is een mogelijke verklaring dat gezinnen, inclusief werkenden met een laag inkomen, organisaties als Kinderhulp ook beter weten te vinden. In de eerste helft van 2026 zal de inzet van de fondsen verenigd binnen het samenwerkingsverband SAM& geëvalueerd worden.
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet en dat is het nog steeds. Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben.
Zo heeft het Rijk een aantal maatregelen genomen die het inkomen van mensen direct verhogen. Er is bijvoorbeeld een extra belastingschijf geïntroduceerd met een verlaagd tarief, waardoor mensen minder belasting betalen. Daarnaast wordt de arbeidskorting vanaf 2026 aangepast, waardoor werkenden met een laag inkomen recht krijgen op meer arbeidskorting. Het kindgebonden budget wordt in de jaren 2025–2028 stapsgewijs verhoogd, bovenop reguliere indexatie. De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand is bevroren in de jaren 2025–2027, waardoor de bijstand niet daalt in deze jaren. Ook de huurtoeslag is vereenvoudigd en verhoogd. Vanaf 2026 krijgen de laagste inkomens € 7,50 per maand extra huurtoeslag, en bovendien wordt de huurtoeslag minder snel afgebouwd. Daarnaast krijgen ook huurders met een hogere huur en een lager inkomen recht op huurtoeslag. En vanaf 2027 gaat het jeugdminimumloon omhoog voor jongeren van 16 t/m 20 jaar.
Naast directe inkomensmaatregelen werkt het kabinet met het Nationaal Programma Armoede en Schulden aan het voorkomen van armoede en het tegengaan van de langetermijneffecten van armoede. Hierbij zet het kabinet in op de aanpak van kinderarmoede (voortzetten schoolmaaltijden, financiële ondersteuning aan SAM&-partijen, start interdepartementale aanpak om gezinnen in kwetsbare positie beter te ondersteunen), voorkomen van geldzorgen door o.m. de subsidieregeling financiële educatie, inzet op beter bereiken van werkenden met een laag inkomen en vereenvoudigen van (gemeentelijk) armoedebeleid.
Welke lessen heeft u uit het rapport getrokken?
De ontwikkelingen van maatschappelijke organisaties en fondsen zoals Kinderhulp zijn belangrijk om te volgen. Door vinger aan de pols te houden kunnen we tijdig schakelen met fondsen en gemeenten over wat er nodig is om alle kinderen in Nederland goed te kunnen blijven ondersteunen.
Heeft u naar aanleiding van het rapport concrete stappen gezet om de kinderarmoede in Nederland omlaag te brengen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet en dat is het nog steeds. Dit rapport sterkt mij in de overtuiging dat we met onze inzet de goede weg in zijn geslagen en dat we dit door moeten zetten zodat elk kind mee kan doen en zich kansrijk kan ontwikkelen.
Gelukkig is de financiële armoede onder gezinnen, en ook de kinderarmoede, in de laatste vijf jaar meer dan gehalveerd. Door onder meer een hoger kindgebonden budget en een hogere en vereenvoudigere huurtoeslag. Maar omdat het in deze gezinnen vaak niet enkel om weinig geld gaat, hebben deze gezinnen ook tijdige hulp en ondersteuning nodig vanuit meerdere aandachtsgebieden. Ik werk dan ook samen met verschillende ministeries, en met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere partijen om te komen tot een meer preventieve en integrale ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare positie. Daarnaast kunnen gezinnen die minder te besteden hebben ook ondersteuning krijgen, via de gemeente of via school, voor bijvoorbeeld een lidmaatschap bij de voetbalclub, of een fiets. En als je een lege maag hebt, is leren lastiger. Daarom krijgen dagelijks ook 350.000 leerlingen een maaltijd van school.
Welke maatregelen neemt u om de zorgwekkende stijging van 40% sinds 2021 in aanvragen voor basisvoorzieningen voor kinderen als een warme jas, een bril of een bed om in te slapen terug te dringen?
Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben. Zie hiervoor de beantwoording van vraag 9.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bedreigingen en intimidatie van bestuurders |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten over de bedreigingen en intimidaties van lokale bestuurders in onder andere Limburg, in het bijzonder in Venlo, naar aanleiding van de plannen voor asielopvang?1
Ja.
Herkent u het beeld dat lokale bestuurders vaker het gevoel hebben dat zij zich niet gesteund voelen door de landelijke politiek?
Ik wil nogmaals onderstrepen dat het onacceptabel is dat bestuurders en volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. Zij zetten zich in voor ons allemaal en voor onze democratie. Zij verdienen daarvoor alle steun. Bestuurders en volksvertegenwoordigers liggen onder vuur, zo geven bestuurders aan in gesprekken die ik met hen voer over intimidaties en bedreigingen. Zij verwachten hierbij terecht steun vanuit de landelijke politiek.
Wat is uw reactie op de signalen van bestuurders, onder wie gouverneur Roemer, dat de emmer aan het overlopen is en dat het maatschappelijk draagvlak voor lokaal bestuur ernstig onder druk staat door aanhoudende agressie en intimidatie?2
Net als de heer Roemer maak ik me grote zorgen over de ernst en de intensiteit van de agressie en intimidatie richting het lokaal bestuur. Het is een grondrecht in Nederland om als burger je onvrede kenbaar te maken, maar dreigementen en geweld gaan een grens over.
Deelt u de zorgen dat lokale bestuurders steeds vaker tussen twee vuren zitten: enerzijds de wettelijke opvangplicht en anderzijds de vaak felle lokale weerstand?
Ik zie de worsteling van lokale bestuurders die op dit moment nog een besluit moeten nemen over de wettelijke opvangplicht. Zoals ik eerder heb aangegeven, is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet) nog steeds van toepassing en zal daarom door gemeenten moeten worden uitgevoerd. Tegelijk probeer ik bestuurders vanuit Den Haag zo goed mogelijk te ondersteunen bij deze lastige opgave.
Kunt u zich voorstellen dat lokale bestuurders zich door Den Haag in de steek gelaten voelen bij besluiten rond asielopvang?
Het kabinet steunt het lokale bestuur bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Zolang de Spreidingswet van kracht is, dient deze uitgevoerd te worden. Daar staat dit kabinet voor.
Hoe zorgt u ervoor dat democratisch genomen besluiten, op welk bestuursniveau dan ook, actief worden gesteund door het kabinet, om daarmee te voorkomen dat lokale politici in de problemen komen door verwarrende dubbele boodschappen?
Besluiten die volgens de democratische spelregels tot stand zijn gekomen, moeten worden gerespecteerd en uitgevoerd. Daar staat dit kabinet voor en daar zet ik mij als Minister voor in.
Kunt u een overzicht geven van hoe vaak de afgelopen twee jaar meldingen zijn gedaan van bedreigingen of intimidatie aan het adres van gemeentelijke bestuurders? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen per provincie?
Eens per twee jaar laat ik de Monitor Integriteit en Veiligheid uitvoeren. Dit onderzoek rapporteert onder meer over de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en geweld. In de meest recente Monitor uit 2024 geeft 45% van alle decentrale politieke ambtsdragers aan in het afgelopen jaar te maken te hebben gehad met een vorm van agressie. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 2014, toen dit aantal nog 22% was. Het aantal zeer ernstige incidenten is in die tijd ook verdubbeld, van 8% naar 15% van het totaal aantal gevallen van agressie.
Van de politieke ambtsdragers die te maken hebben gehad met agressie of intimidatie, deed slechts zes procent aangifte. Van ernstige incidenten wordt vaker aangifte gedaan (14%).
Deze cijfers zijn op basis van de Monitor niet uit te splitsen per provincie.
Op welke manier wordt de drie miljoen euro ingezet die het kabinet eerder al heeft uitgetrokken om raadsvergaderingen veiliger te laten verlopen?3
De middelen kunnen door gemeenten en provincies worden besteed aan een veiligheidsprotocol, het uitvoeren van een veiligheidsscan of het aanpassen van de vergaderzaal. De gemeenten en provincies gaan er zelf over hoe ze deze middelen besteden. Er is een leernetwerk opgezet om ervaringen uit te wisselen over het verbeteren van de veiligheid en toegankelijkheid van vergaderingen en bijeenkomsten.
Kunt u toelichten welke maatregelen verder worden overwogen of voorbereid om verdere escalatie te voorkomen, ook in andere delen van het land waar gemeenten worstelen met de opvangopgave en maatschappelijke spanningen?
BZK werkt samen met de Ministeries van J&V, AenM en SZW, de VNG, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de nationale politie aan het programma Maatschappelijke onrust en ongenoegen. Dit programma heeft tot doel gemeenten te ondersteunen bij maatschappelijke spanningen, ongenoegen en onrust. Vanwege de spanningen die gepaard gaan met huisvesting van asielzoekers en statushouders wordt samen met bijvoorbeeld SZW en de VNG, actief ondersteuning aan gemeenten op dit thema geboden.
Gezien de huidige ontwikkelingen moet ik constateren dat de huidige inzet niet afdoende is. Verdere investeringen in bijvoorbeeld de veiligheid van vergaderingen en het tegengaan van escalatie zijn noodzakelijk. Het is aan een volgend kabinet om hier keuzes in te maken.
In hoeverre heeft u zicht op extremistische of georganiseerde groepen die bewust inspelen op onrust rond asielopvanglocaties? Worden gemeenten hierover actief geïnformeerd?
De NCTV heeft door middel van de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid de bevoegdheid om trends en fenomenen te duiden, maar kan geen onderzoek doen naar personen en groepen. In algemene zin waarschuwt de NCTV al een langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme en dat onder andere de normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed in uiterste gevallen kan leiden tot geweld. Gemeenten worden door de NCTV over de trendmatige ontwikkelingen in de dreiging geïnformeerd, bijvoorbeeld door middel van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). In het DTN van december 20254 schrijft de NCTV dat rechts-extremisten aanwezig zijn bij protesten tegen opvanglocaties voor asielzoekers en anti-immigratieprotesten en zich voorafgaand aan dergelijke protesten actief mengen in het online debat.
Het doodschieten van een wolf. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u kennisnam van het bericht van provincie Utrecht dat op de Utrechtse Heuvelrug een wolf is doodgeschoten?1
Van de provincie Utrecht heb ik vernomen dat de houder van de afschotvergunning voor probleemwolf GW3237m de provincie heeft geïnformeerd dat er een wolf is afgeschoten op de Utrechtse Heuvelrug, waarvan werd aangenomen dat het probleemwolf GW3237m was. Ik ben blij dat de provincie en houder van de afschotvergunning adequaat hebben kunnen optreden, omdat er grote zorgen leefden in de omgeving over deze probleemwolf.
Kunt u bevestigen dat de jager op het moment van schieten niet met zekerheid kon vaststellen of het om wolf Bram, het dier waarvoor een afschotvergunning is verleend, ging?
Of het hier de probleemwolf GW3237m betrof moest DNA-onderzoek uitwijzen. Op 12 december jongstleden werd bevestigd dat het hier inderdaad probleemwolf GW3237m betrof.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om een beschermd dier te doden wanneer op het moment van schieten onduidelijk is of voor dat specifieke dier een afschotvergunning is afgegeven? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat beschermde dieren onnodig worden gedood?
Het doden van een wolf is door de wijziging van de beschermingsstatus onder de Habitatrichtlijn in Nederland niet langer vergunningplichtig. Om het doden van een wolf weer vergunningplichtig te maken, is nodig dat het ontwerp-Besluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en goudjakhals van kracht wordt. De behandeling in uw Kamer van het voorgehangen ontwerpbesluit is evenwel nog niet afgerond, nu uw Kamer op 18 juni 2025 heeft verzocht ter zake geen onomkeerbare stappen te zetten (Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 295).
Het doden van een wolf kan in strijd zijn met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan provincies om erop toe te zien en eventueel bij maatwerkvoorschrift te verzekeren dat binnen de kaders van de specifieke zorgplicht wordt gehandeld. Dit betekent dat alle zorgvuldigheid in acht moet worden genomen om te voorkomen dat een wolf wordt gedood waarvoor dat niet gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid deel ik u mee dat de afschotvergunning betreffende wolf GW3237m is afgegeven onder het eerdere beschermingsregime voor wolven.
Welke sancties staan op het doden van beschermde wolven, waarvoor geen afschotvergunning is verleend?
Handelen in strijd met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving – dat zijn grondslag vindt in artikel 4.3 van de Omgevingswet – kan een strafbaar feit opleveren op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet economische delicten. Als sprake is van opzettelijk handelen dan geldt het strafbaar feit als een misdrijf en kan een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Is geen sprake van opzet, dan geldt het strafbaar feit als een overtreding waarvoor hechtenis van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Kunt u bevestigen dat handhavend zal worden opgetreden, omdat op het moment van schieten onduidelijk was of voor de wolf een afschotvergunning is verleend? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de provincie Utrecht. De provincie Utrecht geeft aan dat voor wolf GW3237m een afschotvergunning is verleend. De provincie Utrecht geeft aan dat er op dit moment geen aanleiding is tot handhaving.
Kunt u bevestigen dat tevens handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat niet wolf Bram, maar een andere wolf is doodgeschoten? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dit met de wet?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 5.
Bent u bereid om provincie Gelderland per direct op te roepen om de afschotvergunning voor wolf Hubertus in te trekken om te voorkomen dat meer wolven worden doodgeschoten, terwijl blijkbaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om het juiste dier gaat? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid ligt hier bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, niet bij mij. Ik kan en ga mij niet mengen in de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. En ik doe er alles aan om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en om te verzekeren dat – als deze zich toch voordoen – er daadkrachtig kan worden opgetreden. Daar strekt ook het in het antwoord op vraag 3 genoemde ontwerpbesluit toe, dat voor de zomer 2025 bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is voorgehangen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is helaas niet binnen één week gelukt.
De behandeling van patiënten met Ehlers-Dantos. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten die het Ministerie van VWS en de Kamer vragen om zo spoedig mogelijk in actie te komen voor duizenden patiënten die geen, of onvoldoende hulp krijgen? Zo ja, herkent u de signalen en wat heeft u tot nu toe gedaan?
Ik ben bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten en ik neem hun zorgen serieus. De toegankelijkheid van zorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen vind ik belangrijk. In het kader van deze oproep heb ik bij verschillende partijen navraag gedaan naar de actuele situatie.
Is bekend hoeveel mensen in Nederland het (hypermobiele) Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben? Hoe is de verdeling naar geslacht?
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben, noch wat de verdeling naar geslacht is. Er bestaat geen landelijke registratie en er zijn geen betrouwbare nationale prevalentiegegevens beschikbaar.
In de internationale literatuur lopen prevalentieschattingen sterk uiteen, variërend van ongeveer 1 op de 500 tot 1 op de 5.000 personen. Deze verschillen hangen samen met methodologische keuzes, variatie in gebruikte databronnen en verschillen in gehanteerde diagnostische criteria. Hierdoor zijn deze cijfers beperkt vergelijkbaar en niet zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie.
Hoeveel van hen hebben geen of onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend welk aandeel van de mensen met het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) momenteel geen of onvoldoende zorg ontvangt. Voor deze specifieke doelgroep worden geen landelijke wachtlijsten bijgehouden en er zijn geen systematische gegevens beschikbaar over zorggebruik of zorgtoegang.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) en Zorgverzekeraars Nederland geven bij navraag aan dat bij hen geen signalen bekend zijn van onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg voor deze patiëntengroep.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC, aan dat hoewel exacte aantallen ontbreken, zowel klinische ervaring als signalen uit patiëntenorganisaties erop wijzen dat een deel van de patiënten in de praktijk onvoldoende toegang heeft tot passende zorg. Deze signalen betreffen met name tijdige diagnostiek, doorverwijzing naar gespecialiseerde zorg en de beschikbaarheid van multidisciplinaire behandeling.
Klopt het dat er nauwelijks artsen zijn met specifieke expertise op het gebied van hEDS en HSD? Hoe kan dit?
Er is in Nederland een beperkt aantal artsen die zich via onderzoek en wetenschappelijke expertise specifiek hebben toegelegd op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). Het betreft aandoeningen met een relatief beperkte patiëntengroep; uitgaande van een prevalentie van circa 1 op de 5.000 personen gaat het naar schatting om ongeveer 3.600 patiënten in Nederland. In Nederland zijn meer dan 7.000 zeldzame aandoeningen erkend. Hierdoor is de beschikbare onderzoeks- en expertisecapaciteit per afzonderlijke aandoening beperkt en bestaan slechts voor een deel van deze aandoeningen gespecialiseerde expertisecentra of onderzoeksgroepen.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan dat voor behandeling specifieke expertise in veel gevallen niet nodig is. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen patiënten, op verwijzing van de huisarts of medisch specialist, bij reguliere revalidatie-instellingen terecht voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen.
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC geeft desondanks dat er behoefte is aan meer specifieke expertise. Zij stelt daarbij dat dit samenhangt met het ontbreken van duidelijke afspraken over waar de zorg voor hEDS en HSD structureel is belegd binnen de zorgketen. De zorg bevindt zich op het snijvlak van meerdere disciplines, zonder eenduidige verantwoordelijkheid, wat leidt tot versnippering en belemmeringen in de borging van expertise.
De door het expertisecentrum genoemde onduidelijkheid acht ik onwenselijk. Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Klopt het dat het Erasmus MC het enige academische expertisecentrum is dat zich op hEDS en HSD richt? Klopt het ook dat de wachtlijsten langer zijn dan een jaar en het academische expertisecentrum uitsluitend is voor diagnostiek in de derdelijnszorg? En dat er slechts enkele revalidatieartsen zijn, maar zij wachtlijsten hebben van soms meer dan vijf jaar?
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC is momenteel het enige academische expertisecentrum in Nederland dat zich specifiek richt op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). De zorg binnen dit centrum betreft derdelijnszorg en is primair diagnostisch van aard, aangevuld met advisering richting vervolgzorg in de eerste en tweede lijn.
Het expertisecentrum geeft aan dat de wachttijden voor deze specialistische diagnostiek langer dan een jaar bedragen.
Voor revalidatieartsen met specifieke expertise gericht op hEDS en HSD geldt eveneens dat het om een beperkt aantal zorgverleners gaat en dat wachttijden per regio en instelling sterk kunnen verschillen. Uitspraken over exacte wachttijden, waaronder wachttijden van meerdere jaren, zijn bij het ontbreken van landelijke gegevens niet te onderbouwen.
Niet alle mensen met hEDS of HSD hebben specialistische zorg nodig. Een deel kan volstaan met zelfzorg of begeleiding in de eerste lijn. Indien nodig kunnen patiënten, op verwijzing, terecht bij reguliere revalidatie-instellingen voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen, aldus de VRA.
Bent u het eens met de analyse van de Ehlers-Dantos-patiëntenvereniging dat er in Nederland geen multidisciplinaire aanpak is en ondanks dat internationaal de kennis en ontwikkeling toenemen, patiënten in Nederland hier nauwelijks profijt van hebben? Herkent u hun zorgen dat de problemen alleen maar groter worden?
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de zorg voor deze patiëntengroep niet wordt georganiseerd. Vanuit de revalidatiegeneeskunde wordt aangegeven dat multidisciplinaire zorg binnen bestaande zorgstructuren mogelijk is.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC aan de analyse van de patiëntenvereniging te delen dat er geen structureel ingerichte multidisciplinaire aanpak bestaat voor hEDS en HSD. Het expertisecentrum herkent tevens de zorg dat de problematiek zonder structurele oplossingen kan toenemen.
Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Bent u ermee bekend dat revalidatiezorg vanaf 2026 niet meer wordt vergoed door (de meeste) zorgverzekeraars? Kunt u schetsen welke gevolgen dat heeft voor deze groep patiënten?
Ik heb hierover navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland. Zij geven aan dit beeld niet te herkennen. De zorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden blijft onderdeel van het vergoede pakket.
In uw vraag wordt vermoedelijk verwezen naar berichtgeving van zorgverzekeraar CZ. CZ heeft aangegeven vanaf 2026 medisch specialistische revalidatie alleen te vergoeden indien deze plaatsvindt in een revalidatiecentrum of ziekenhuis waar minimaal twee revalidatieartsen werkzaam zijn. CZ geeft aan dit van belang te vinden om intake en behandeling op één plek te laten plaatsvinden binnen een multidisciplinaire setting.
Kunt u verklaren waarom de zorg en hulp aan deze patiënten zo slecht toegankelijk is? Wat is uw verantwoordelijkheid hierin en welke verantwoordelijkheid hebben zorgverzekeraars?
Uit het contact met Zorgverzekeraars Nederland blijkt dat bij hen geen signalen bekend zijn dat de zorg voor patiënten met een indicatie voor revalidatiezorg slecht toegankelijk is.
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en zijn verplicht ervoor te zorgen dat verzekerde zorg in voldoende mate beschikbaar is.
Bent u bereid om voor het einde van 2025 samen met zorgverzekeraars te zorgen voor duidelijkheid over de vergoedingen?
De onderhandelingen over inkoopcontracten lopen momenteel. Zorgverzekeraars zijn op grond van beleidsregels van de NZa verplicht hun verzekerden te informeren over de gevolgen hiervan voor de vergoedingen. Er moet altijd duidelijkheid zijn over de vergoeding van verzekerde zorg. Verzekerden kunnen daarnaast contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor nadere informatie.
Deelt u de mening dat de andere problemen zoals wachtlijsten, gebrek aan expertise en kennis ook dienen te worden opgelost? Bent u bereid samen met de patiëntenvereniging, revalidatieartsen en andere deskundigen om tafel te gaan en een plan te maken voor een multidisciplinaire aanpak met oplossingen voor de korte en de lange termijn? Zo ja, op welke termijn gaat u hiermee beginnen? Zo nee, waarom niet?
Passende zorg moet voor alle patiënten toegankelijk zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is.
Vanuit het ministerie zal naar aanleiding van de gestelde vragen contact opgenomen worden met de patiëntenorganisatie om te bespreken welke belemmeringen bestaan om tot afspraken te komen over taken en verantwoordelijkheden binnen het zorgpad.
Kunt u deze vragen met spoed behandelen en uiterlijk in de week van 15 december 2025 de antwoorden aan de Kamer sturen?
Dit is helaas niet gelukt. De afstemming met verschillende partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen en Zorgverzekeraars Nederland, heeft meer tijd in beslag genomen.