Het bericht dat QatarEnergy zich beroept op overmacht. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld door QatarEnergy dat zij zich beroepen op overmacht en daarom op dit moment hun contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen?1
Ja.
Kunt u aangeven of er sprake is van contractbreuk met QatarEnergy (27-jarig contract)?
De Staat heeft geen contracten met (markt)partijen, zoals QatarEnergy, over gasleveringen. Het leveren van gas wordt gedaan door energiebedrijven die hiervoor leveringscontracten sluiten. Marktpartijen hebben in deze contracten vaak clausules opgenomen waardoor het toegestaan is geen gas te leveren onder extreme omstandigheden, zoals door oorlog (force majeur/overmacht). Deze clausules zijn zeer gebruikelijk. Zonder dit soort clausules zouden de contracten veel duurder zijn. Het staat marktpartijen vrij om indien zij zich benadeeld achten en het contract geschonden is een schadevergoeding te vorderen.
Zijn er passages in het contract waarop Nederland zich in dit soort situaties zich kan beroepen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een schadeclaim in te dienen bij QatarEnergy?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om (al dan niet vertrouwelijk) het contract met QatarEnergy ter inzage aan de Kamer te leggen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven heeft de Staat geen leveringscontracten.
Wat zijn de gevolgen voor Nederland nu QatarEnergy zich beroept op overmacht en de productie van LNG stopt?
Ik kan aangeven dat Nederland in 2025 geen LNG-volumes rechtstreeks uit Qatar heeft ontvangen via de LNG-terminals in Rotterdam en de Eemshaven. Het heeft daarom geen directe consequenties op de LNG-volumes die naar Nederland stromen. Wel zien we op de wereldmarkt dat de prijs van gas stijgt en daarmee ook op de prijs die men in Nederland hiervoor betaalt. Voor wat betreft de stopzetting van de LNG-productie door QatarEnergy en de bijbehorende leveringscontracten, daar heb ik geen kennis over.
Vindt u het niet ongelofelijk dom dat wij de gasvoorraad van Nederlandse bodem, de grootste van Europa, gaan dichtmetselen terwijl we zien dat onze leverancier van LNG in één keer de toevoer kan stoppen, om welke reden dan ook?
Nee. Zoals onder meer op 5 maart jl. aangegeven in het Commissiedebat over de Energieraad zijn er duidelijke beloftes gedaan aan Groningen en de Groningers na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Het verbod op winning uit het Groningenveld is in 2024 vastgelegd in een wet die met overgrote meerderheid in beide Kamers is aangenomen. Op dat moment was bekend dat de geopolitieke situatie veranderd was. Rusland was de Oekraïne al binnengevallen.
Het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld voor enkel nationaal gebruik is niet mogelijk. Nederland is immers onderdeel van een Europese gasmarkt. Dit is vastgelegd in Europese wetgeving. Op grond van deze wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen binnen de interne markt beperken.
Uiteraard is het essentieel dat onze gasvoorziening op orde is. Er dreigen echter geen fysieke tekorten en het openhouden van Groningen verlaagt de prijzen op de internationale gasmarkt niet. De prijzen zullen ook dan dus hoog blijven voor huishoudens. Wel zal staatsbedrijf EBN deze zomer opnieuw de gasopslagen vullen voor zover de markt het niet doet. Daar is eerder al geld voor vrijgemaakt. Daarnaast houden we de gaswinning op de Noordzee op peil, is de importcapaciteit van LNG sinds 2022 fors uitgebreid en blijven we inzetten op duurzame energie zodat we minder afhankelijk worden van import van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid om het Groninger gasveld opnieuw in gebruik te nemen, exclusief voor nationaal gebruik, mits u de Groningers ruimhartig en zonder bureaucratische hobbels compenseert, om zo de komende 20 jaar voor vaste (goedkope) prijzen gas aan alle Nederlanders te leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld goed is voor de Nederlandse economie en dus zorgt voor meer rust in de portemonnee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om deze vragen voor dinsdag 15:00 uur te beantwoorden en in de tussentijd direct te beginnen met het winnen van gas van Nederlandse bodem? Zo nee, waarom niet?
Beantwoording voor dinsdag 15.00 is niet mogelijk gebleken, de vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Het bericht 'Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking' |
|
Daan de Kort (VVD), Björn Schutz (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat bushaltes voor iedereen toegankelijk moeten zijn, mede gelet op het feit dat Nederland tien jaar geleden het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft geratificeerd?
Ja, bushaltes zouden voor iedereen toegankelijk moeten zijn.
Bent u zich ervan bewust dat veel mensen met een beperking volledig afhankelijk zijn van het Openbaar vervoer en dat toegankelijke mobiliteit een essentiële voorwaarde vormt om volwaardig te kunnen deelnemen aan andere maatschappelijke domeinen, zoals onderwijs, werk en sport?
Ja, toegankelijke mobiliteit is voor mensen met een beperking van groot belang om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de toegankelijkheid van het Openbaar vervoer te verbeteren, in het bijzonder voor mensen met een visuele beperking en voor mensen met een mobiliteitsbeperking?
Het Rijk heeft in 2022 het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 (verder te noemen Bestuursakkoord) gesloten met de decentrale ov-autoriteiten, dat zijn de provincies en vervoersregio’s, ProRail, en vervoerders.2 In het akkoord zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer verder te verbeteren voor reizigers met een beperking. De afspraken hebben onder andere betrekking op de toegankelijkheid van reisinformatie, stations, voertuigen, en bus- en tramhaltes. Alle partijen hebben een eigen rol in het realiseren hiervan. Het Rijk heeft € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de afspraken en volgt de uitvoering ervan.
Bent u van mening dat bij de aanbesteding van nieuwe Openbaarvervoerlocaties expliciete en afdwingbare toegankelijkheidseisen moeten worden opgenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes en stations toegankelijk moeten zijn.
Deelt u de opvatting dat bij renovatie of herinrichting van bestaande ov-locaties de toegankelijkheid aantoonbaar moet worden verbeterd? Zo ja, hoe gaat u dit waarborgen?
Ja, de regelgeving verplicht provincies en gemeentes als wegbeheerders, haltes die dat nog niet zijn toegankelijk te maken wanneer er reconstructie of groot onderhoud plaatsvindt.
In lijn met de afspraken in het Bestuursakkoord hebben de decentrale ov-autoriteiten uitvoeringsprogramma’s opgesteld waarin zij aangeven hoe zij uitvoering geven aan afspraken uit het akkoord, waaronder het toegankelijk maken van haltes. Het Rijk heeft € 28 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de programma’s. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bewaakt de voortgang van de afspraken in het Bestuursakkoord en bespreekt het periodiek met de decentrale ov-autoriteiten.
In het Bestuursakkoord is verder afgesproken dat het Rijk wegbeheerders stimuleert en motiveert om meer haltes toegankelijk te maken door kennisdeling te bevorderen, goede voorbeelden te delen en de samenhang te bevorderen met andere verbeteringen van toegankelijkheid in het fysieke domein. In 2023 zijn de totale kosten voor het toegankelijk maken van de resterende bus- en tramhaltes geraamd op circa € 760 miljoen.3 Dit maakt het een lange termijnopgave.
Over de toegankelijkheid van treinstations heeft het Rijk afspraken gemaakt met ProRail. Via het Implementatieplan Toegankelijkheid wordt gewerkt aan het toegankelijk maken van treinstations. Daarnaast zijn er EU-verordeningen van toepassing op de toegankelijkheid van treinstations en rijdend treinmaterieel.
Op welke wijze bent u voornemens ervaringsdeskundigen structureel te betrekken bij het verbeteren van de toegankelijkheid van bushaltes en andere Openbaarvervoerlocaties?
In de Wet Personenvervoer 2000 is bepaald dat concessieverleners, dat zijn het Rijk en decentrale ov-autoriteiten, consumentenorganisaties betrekken. Dit gebeurt onder andere in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (LOCOV) en de Regionale Overleggen Consumentenorganisaties Openbaar Vervoer (ROCOV’s). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overlegt daarnaast regelmatig over de uitvoering van het Bestuursakkoord met consumentenorganisaties die over ervaringsdeskundigheid beschikken. Ook wordt, in het kader van de motie Paulusma, met hen gesproken over de ondersteuning van ervaringsdeskundigen die betrokken zijn bij het realiseren van toegankelijk openbaar vervoer.4
Bent u bereid om in overleg te treden met het Interprovinciaal Overleg (IPO) om provinciebesturen te bewegen bij de verlening en herziening van ov-concessies nadrukkelijker en bindender toegankelijkheidseisen op te nemen? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde voertuigen, haltes, stations en reisinformatie toegankelijk moeten zijn. De provincies en vervoersregio’s zijn hier bij de verlenging en herziening van ov-concessies aan gehouden. Met de ondertekening van het Bestuursakkoord hebben zij het belang van toegankelijkheid opnieuw onderkend. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft periodiek overleg met DOVA, het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten, over de uitvoering van de afspraken in het Bestuursakkoord.
Gelet op het feit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de inrichting van bushaltes, bent u bereid om tevens in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te bevorderen dat bij aanleg, herinrichting en onderhoud van bushaltes toegankelijkheid structureel wordt verbeterd en conform het VN-verdrag handicap wordt geborgd? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven?
In het Bestuursakkoord is afgesproken dat de decentrale ov-autoriteiten met de wegbeheerders werken aan het verder toegankelijk maken van bushaltes. Zij bekijken samen in welk tempo en met welke prioritering haltes toegankelijk gemaakt kunnen worden, gegeven de daarvoor beschikbare middelen. Het ministerie voert zoals gezegd periodiek overleg met het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten waarbij ook wordt gesproken over het verder toegankelijk maken van bushaltes.
Het bericht dat wanbetalende Oekraïners lastig aan te pakken zijn door maas in de wet. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanbetalende Oekraïners zijn lastig aan te pakken door maas in de wet: Kostbaar en omslachtig»?1
Hoeveel Oekraïense ontheemden die een eigen bijdrage moeten betalen hebben dit geweigerd? Hoeveel van deze wanbetalers zijn er tot nu toe mee weggekomen zonder enige serieuze consequentie? Hoe hoog is het totale bedrag dat daardoor niet is ingevorderd?
Deelt u de mening dat het schandalig is dat Oekraïners, die al geen zorgpremie en eigen risico hoeven te betalen, zelfs weigeren hun minimale eigen bijdrage voor opvang te betalen, terwijl de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler voor alles opdraait? Zo nee, waarom vindt u voorkeursbehandeling voor wanbetalende Oekraïners acceptabel?
Waarom is er nog geen wetsvoorstel ingediend om het vorderen van de eigen bijdrage van Oekraïners door gemeenten makkelijker te maken, zoals de PVV al een jaar geleden heeft voorgesteld onder andere via een dwangbevel? Bent u bereid alsnog met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen om dit te regelen?
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Het bericht ‘Bijna helft van docenten heeft te maken met fysiek geweld door leerlingen en ouders: Tijdens zwangerschap in mijn buik getrapt’ |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat uit het onderzoek van EenVandaag en CNV blijkt dat bijna de helft van de docenten te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat dit dus geen uitzondering meer is maar een structureel probleem?1
Hoe verklaart u dat leraren in Nederland, één van de rijkste en best georganiseerde landen ter wereld, niet eens veilig hun werk kunnen doen?
Deelt u de mening dat geweld tegen docenten automatisch moet leiden tot aangifte en stevige sancties, in plaats van interne afhandeling of het bagatelliseren van incidenten? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u concreet en aantoonbaar doen tegen schoolbesturen die geweldsincidenten in de doofpot stoppen of hun docenten na bedreiging en mishandeling in de steek laten en welke sancties volgen als zij hun wettelijke zorgplicht niet nakomen?
Hoe kan het dat docenten die aangifte willen doen, soms worden afgeremd door hun eigen schoolbestuur uit angst voor imagoschade of minder aanmeldingen en vindt u dat acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of definitieve verwijdering van gewelddadige leerlingen sneller en consequenter moet worden toegepast, zodat de veiligheid van personeel voorop komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Bent u zich ervan bewust dat in een tijd van historisch lerarentekort bijna een kwart van de docenten overweegt het onderwijs te verlaten, mede door geweld en bedreigingen en begrijpt u dat het huidige, halfzachte optreden direct bijdraagt aan het verder leeglopen van onze scholen? Zo nee, hoe kunt u dit falen nog langer ontkennen? Zo ja, welke harde, concrete maatregelen worden op zeer korte termijn genomen om leraren daadwerkelijk te beschermen en wanneer zien we daar resultaat van?
De raming van tienduizenden extra asielopvangoplekken. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er bijna 38.000 extra opvangplekken voor asielzoekers gerealiseerd moeten worden vóór halverwege 2027?1
Hoe verhoudt deze enorme uitbreiding van asielopvang zich tot de belofte van het nieuwe kabinet om de asielinstroom te beperken?
Waarom worden gemeenten gedwongen opvangplekken te realiseren, terwijl veel gemeenten al kampen met een groot tekort aan woningen voor de eigen inwoners?
Bent u bereid de spreidingswet in te trekken, nu blijkt dat deze wet leidt tot een verdere toename van de druk op gemeenten en de samenleving?
Deelt u de mening dat Nederland de grenzen moet sluiten zolang er geen oplossing is voor de huidige opvangcrisis?
Hoe verklaart u dat zijn voorganger weigerde deze ramingen te publiceren?
Hoeveel van de huidige 77.500 opvangplekken worden bezet door mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen zo snel mogelijk uit Nederland worden gezet?
Bent u het eens met de stelling dat de spreidingswet een ondemocratisch instrument is dat gemeenten en haar inwoners verplicht tot iets waar zij niet om hebben gevraagd?
Bent u het eens met de stelling dat Nederland haar eigen burgers – met name daklozen, mensen op de wachtlijst voor sociale huurwoningen, spoedgevallen door scheiding, maar ook starters – voorrang moet geven boven asielzoekers?
Bent u bereid het Nederlandse asielbeleid volledig te herzien en in lijn te brengen met de wens van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, die volgens meerdere peilingen een strenger asielbeleid wenst?
Het bericht 'Geheime tunnels aangetroffen tussen Wit-Rusland en Polen: ‘Het Westen overspoelen met migranten’' |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1
Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?
Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?
Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?
Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?
Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?
Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?
Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?
De financiële envelop voor onderwijs |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat de verdeling van de envelop voor onderwijs al klaar is, zoals valt te lezen in de beslisnota horende bij de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord «Aan de slag», maar dat deze van de Minister van Financiën niet mag worden gedeeld met de Kamer? Zo ja, waarom mag deze informatie niet met de Kamer worden gedeeld? Kunt u deze verdeling alsnog aan de Kamer doen toekomen?1
Bureau Kabinetsformatie heeft op 30 januari 2026 de verdeling van de investeringen op het terrein van OCW gedeeld met de Ministeries van OCW en Financiën. In de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord is toegezegd dat wij uw Kamer nog verder informeren over deze verdeling, omdat de precieze invulling van deze envelop nog extra uitwerking vereist. Er wordt onder andere nog gekeken naar de uitvoerbaarheid, de randvoorwaarden, de kosten van de uitvoering van de maatregelen die niet in de budgettaire tabel staan, de doelmatigheid, de verdeling tussen sectoren en instrumenten en de financiële doorrekening. Daarmee kan het uiteindelijke voorstel zoals wij dat aan uw Kamer zullen sturen met onze beleidsbrief afwijken van de tabel zoals die door Bureau Kabinetsformatie is verstrekt. Deze beleidsbrief bevat informatie van het kabinet over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord, de brief ontvangt uw Kamer in april.
De tabel zoals deze is opgesteld door Bureau Kabinetsformatie is hieronder toegevoegd. Deze tabel is in lijn met de ambities van het coalitieakkoord. Het gaat hier deels om het een-op-een volledig terugdraaien van de bezuinigingen van kabinet Schoof. Daarbij is het mogelijk dat sommige teruggedraaide bezuinigingen terugkeren in een nieuwe vorm met een ander instrument. Daarnaast gaat het om nieuwe investeringen op de OCW-begroting voor het onderwijs, wetenschap en media.
Terugdraaien bezuiniging beperken school en omgeving
120.615
120.615
120.615
120.615
120.615
Herstellen en hervormen brede brugklassubsidie
57.686
57.686
57.686
57.686
57.686
Terugdraaien SPUK-korting (oa GOAB en VSV/RMC)
85.296
85.296
85.296
85.296
85.296
Doorzetten regionaal investeringsfonds mbo
14.600
34.609
33.667
28.526
28.526
Meer tijd voor schoolontwikkeling op teamniveau
350.000
350.000
350.000
350.000
350.000
Verhogen uitwonende basisbeurs met 110 mln.
5.000
25.000
45.000
110.000
Maximeren rente studiefinanciering op 2,5%
40.000
Bevordering zij-instroom
79.324
88.074
88.074
88.074
88.074
Beter en regelmatig inspectietoezicht
5.000
11.000
21.000
30.000
Intensivering Fonds onderzoek en wetenschap via bestaand instrumentarium (sectorplannen, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksinfrastructuur en Europese samenwerking)
224.479
332.720
370.662
447.803
433.803
Taakstellende intensivering lumpsum internationalisering (verhoging bedrag per student)
68.000
121.000
158.000
156.000
156.000
Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep
45
45
45
45
45
Versterking van persveiligheid en -vrijheid
5
5
5
5
5
Klopt het dat het geld dat naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gaat in de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 de bezuinigingen van kabinet Schoof niet dekken? Klopt het dat er de facto dan alsnog bezuinigd wordt op de begroting van OCW gezien er sprake is van een netto-krimp? Klopt het dat de uitspraak «we gaan investeren in onderwijs» van het lid Paternotte dan feitelijk onjuist is?2, 3, 4
Een deel van de bezuinigingen van kabinet Schoof is eerder teruggedraaid met de amendementen Bontenbal c.s.5 en Eerdmans c.s.6 Zoals in de tabel met de verdeling van de envelop bij vraag 1 te lezen is, heeft kabinet Jetten ervoor gekozen om naast het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen ook nieuwe investeringen te doen. In totaal wordt structureel € 1,55 miljard geïnvesteerd door kabinet Jetten op de OCW-begroting. In onderstaande tabel is te zien dat het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter is dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof. Dat geldt voor de jaren 2027 t/m 2030 en structureel. De reeksen van kabinet Schoof zijn de nettoreeksen na de verwerking van de eerdergenoemde amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.
Bij de hoogte van de prijsbijstelling in 2025 zij aangetekend dat de prijsbijstelling bij Voorjaarsnota 2025 met de helft is gekort vóórdat deze werd toegevoegd aan de departementale begrotingen. Deze korting is niet verwerkt in onderstaande tabel. Ook met deze korting is het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof.
– 1.126.000
– 1.265.000
– 1.357.000
– 1.373.000
– 1.278.000
1.437.000
187.500
168.000
156.000
141.000
– 25.000
– 30.000
– 64.000
– 112.000
– 112.000
1.050.000
1.250.000
1.350.000
1.450.000
1.550.000
Bedragen x € 1.000
De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting, deze was bij Voorjaarsnota 2025 structureel € 2,1 miljard. Voor de vergelijking van intensiveringen en bezuinigingen door twee kabinetten zijn deze factoren niet meegenomen in bovenstaande vergelijking tussen de kabinetten Schoof en Jetten.
Gezien er te weinig geld gaat naar de begroting van OCW om alle bezuinigingen van het kabinet Schoof terug te draaien, kunt u puntsgewijs per bezuiniging aangeven of deze helemaal, gedeeltelijk of niet wordt teruggedraaid:
Zoals af te lezen is uit de tabel bij vraag 1 draait het kabinet een aantal bezuinigingen terug (zowel uit het Hoofdlijnenakkoord als de verwerking van de ingediende amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.). Daarnaast is ervoor gekozen om ook nieuwe investeringen te doen. Over de invulling en verdeling wordt u geïnformeerd bij de beleidsbrief.
Wanneer er bij de vorige vraag sprake is van gedeeltelijk of niet terugdraaien van de voorgenomen bezuiniging, kunt u motiveren waarom u hiervoor kiest?
Het wel of niet (geheel) terugdraaien van bezuinigingen en de keuze voor nieuwe investeringen, zoals weergegeven in de tabel bij vraag 1, zijn de uitkomst van keuzes tijdens de formatie. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de specifiekere uitwerking van de investeringsenvelop met de beleidsbrief.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor het verhogen van de uitwonende basisbeurs? Met welk bedrag gaat de uitwonende beurs per maand omhoog en per wanneer?
Zoals in de tabel bij vraag 1 te zien is wordt er structureel een bedrag van € 110 miljoen gereserveerd voor het verhogen van de uitwonendenbeurs. Momenteel wordt de precieze invulling nog uitgewerkt.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor nieuwe beleidsposten op de OCW-begroting? Welke nieuwe beleidsposten zullen dit zijn?
De volgende posten uit de tabel bij vraag 1 bevatten (deels) nieuwe beleidsposten:
Kunt u deze vragen met spoed maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden zodat de Kamer goed geïnformeerd het debat kan voeren?
Ja.
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het bestraffen van frequente verkeersovertreders bij het veroorzaken van ernstige ongelukken |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Abdalla valt in slaap en rijdt voetganger dood, rechter geeft hem celstraf»?1
Ja.
Hoe wordt op dit moment in de vervolging en berechting rekening gehouden met de persoonlijke geschiedenis van het aantal en type verkeersovertredingen van de verdachte? Is deze praktijk volgens u toereikend?
Eerder opgelegde strafbeschikkingen en veroordelingen (met boetes boven de 130 euro) staan in de justitiële documentatie. Bij het bepalen van de strafeis door het Openbaar Ministerie en de oplegging van de straf door de rechter, wordt hier rekening mee gehouden. In de praktijk leidt recidive veelal tot hogere straffen. Artikel 179, vierde lid, van de Wegenverkeerswet bepaalt bijvoorbeeld dat als iemand binnen vijf jaar wederom een rijontzegging krijgt opgelegd, de rijontzegging in plaats van maximaal vijf jaar maximaal tien jaar bedraagt. Daarnaast vallen de misdrijven uit de Wegenverkeerswet 1994 onder de recidiveregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (artikelen 43a en 43b). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand zich schuldig maakt aan een verkeersmisdrijf terwijl er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een veroordeling voor een soortgelijk misdrijf, het strafmaximum met een derde kan worden verhoogd. Overtredingen die onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vallen, staan niet in de justitiële documentatie omdat het uitgangspunt van deze wet is dat de overtredingen die hieronder vallen, ethisch neutraal zijn.
Kunt u toelichten waarop in de huidige praktijk de gedachte berust dat een gevangenisstraf en rij-ontzegging van één of enkele jaren voldoende is om recht te doen aan verkeerssituaties met dodelijke afloop waarin verdachten reeds herhaaldelijk gevaarzettend gedrag hebben vertoond in het verkeer?
De rechter moet bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de verschillende omstandigheden van het geval. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen van het gedrag, maar vooral ook naar de mate van schuld. Dit kan in verkeerszaken erg uiteenlopen. Zo kan een kort moment van onoplettendheid fatale gevolgen hebben, terwijl zeer onvoorzichtig gedrag soms zonder gevolgen blijft. Hoe verwijtbaar het gedrag ook is, het gaat bij verkeersongevallen wel altijd om een bepaalde mate van schuld. Dit maakt dat de bovengrens van de straf lager is dan bij delicten die met opzet gepleegd worden. Indien een bestuurder iemand opzettelijk aanrijdt, is er geen sprake meer van een verkeersmisdrijf maar van (poging tot) doodslag. Daar gelden andere maximumstraffen voor.
De strafeisen in de richtlijn van het Openbaar Ministerie (OM) in geval van een dodelijke aanrijding lopen dan ook uiteen. Het wegenverkeersrecht kent vier oplopende gradaties van schuld.
Voor de lichtste vorm van schuld, aanmerkelijke schuld, geldt in de meeste gevallen een strafeis van een taakstraf van 240 uur in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. In geval van ernstige schuld volgt een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. Als er sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan de kant van de verdachte is de strafeis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar. De vierde en zwaarste mate van schuld vormt roekeloosheid, waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid – die ingaat na de gevangenisstraf – kan worden opgelegd. Voor deze zwaarste categorie is in de OM richtlijn geen strafeis geformuleerd, maar er wordt altijd een hogere straf geëist dan bij de in de hiervoor beschreven gradaties.
Wanneer er bij de verdachte ook sprake is van alcohol- of drugsgebruik liggen de strafeisen in de richtlijn hoger, evenals de mogelijke maximumstraffen. Zo is de maximale straf bij roekeloosheid dan op negen jaar gevangenisstraf gesteld.
Vindt u dat sommige bestuurders definitief de rijbevoegdheid moet kunnen worden ontzegd? In hoeverre wordt die mogelijkheid nu geboden en gebruikt?
Op dit moment kan een rijontzegging oplopen tot tien jaar, afhankelijk van het strafbare feit. Dit kan zelfs langer zijn als voor verschillende feiten meerdere rijontzeggingen zijn opgelegd. De duur van een eventueel opgelegde gevangenisstraf wordt bij de termijn van de rijontzegging opgeteld. Ik acht de mogelijkheden die de wet daarmee biedt, toereikend. Een rijontzegging van tien jaar wordt in praktijk maar enkele keren per jaar opgelegd. Van de mogelijkheid om een langere rijontzegging op te leggen, zal daarom in de praktijk naar verwachting ook maar weinig gebruik worden gemaakt.
Op welke wijze wordt toegezien of een veroordeelde zich houdt aan de rij-ontzegging? Hoeveel personen zijn in de afgelopen jaren aangetroffen als bestuurder terwijl sprake was van een rij-ontzegging?
De politie handhaaft op het rijden zonder geldig rijbewijs. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. ANPR-camera’s kunnen kentekens automatisch lezen en deze vervolgens vergelijken met lijsten van kentekens waarmee iets aan de hand is. De politie kan dan de bestuurder van het gelokaliseerde voertuig vervolgens controleren. De eigenaar van het voertuig van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard, kan immers zijn voertuig ook hebben uitgeleend aan of laten besturen door iemand die wel over een geldig rijbewijs beschikt.
In 2025 zijn er in totaal ruim 10.000 bestuurders staande gehouden voor het rijden met een ongeldig rijbewijs. Het ging in 689 gevallen om het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het merendeel van de gevallen betreft het rijden met een rijbewijs dat op grond van het bestuursrecht ongeldig is verklaard.
Vindt u het passen bij de ernst van de veroordeling tot rij-ontzegging na ernstige of zelfs dodelijke ongelukken dat volgens de richtlijn van het Openbaar Ministerie enkele weken gevangenisstraf wordt gevorderd bij niet-naleving?2 Waarop berusten de gekozen normen in de richtlijn?
Er is bij het schenden van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet noodzakelijk sprake van het veroorzaken van gevaar, het gaat hierbij het negeren van een opgelegde maatregel. Wanneer er geen gevaarlijk rijgedrag is vastgesteld en er geen slachtoffers zijn gevallen, zou een veel langere gevangenisstraf niet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste. De duur van de eerder opgelegde rijontzegging wordt met de duur van de gevangenisstraf verlengd. Na de gevangenisstraf geldt dus nog steeds de resterende duur van de rijontzegging. Ook kan voor het schenden van een rijontzegging naast de gevangenisstraf nog een aanvullende ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
Bent u bereid te verkennen of en hoe aanscherping van bestraffing nodig is bij ernstige verkeersongevallen door personen met gebleken risicovol gedrag in het verkeer, waaronder in ieder geval begrepen de bestraffing van het niet naleven van de rij-ontzegging?
Met de wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten zijn de strafmaxima voor een aantal ernstige verkeersdelicten reeds verhoogd. De wet is op 1 januari 2020 in werking getreden en wordt momenteel geëvalueerd. De uitkomsten worden in het najaar verwacht. Ik wil de uitkomsten van deze evaluatie afwachten en op basis van de bevindingen bekijken of de straffen verder moeten worden aangescherpt.
Het artikel ‘KLM beschuldigd van onwettig straffen’ |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KLM beschuldigd van onwettig straffen»?1
Ja.
Klopt het dat KLM meer dan alleen loon inhoudt over gestaakte uren? Klopt het dat er «boetes» worden opgelegd?
Op grond van artikel 6, vierde lid van het Europees Sociaal Handvest (ESH) is het staken een recht van werknemers. In beginsel is een werkgever niet verplicht loon te betalen wanneer een werknemer staakt. Het niet verrichten van arbeid komt voor rekening van de werknemers. Naast loon kan de werkgever ook loongerelateerde arbeidsvoorwaarden inhouden. Daarbij kan worden gedacht aan overwerk- en ploegentoeslagen, maar ook aan pensioenopbouw over de stakingsuren. De werkgever mag in beginsel geen boete opleggen wegens het meedoen aan een staking. Over de praktijk bij KLM kan ik geen uitspraken doen. Het is aan de rechter om te beoordelen of die wettelijk is toegestaan.
Zo ja, hoe kwalificeert u deze praktijk? Is dit volgens u wettelijk toegestaan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit volgens u wettelijk toegestaan is, bent u dan bereid te kijken hoe de wet aangepast kan worden om dit in de toekomst te voorkomen?
In beginsel mogen er geen boetes worden opgelegd door de werkgever aan de werknemer omdat deze mee heeft gedaan aan een staking. Wel kunnen het loon én loongerelateerde arbeidsvoorwaarden worden ingehouden. Uiteindelijk is het aan de rechter om te beoordelen per situatie of de inhoudingen wettelijk zijn toegestaan. Daarbij zie ik geen aanleiding om de wet aan te passen. In de huidige wetgeving is gezocht naar een balans tussen het stakingsrecht en de bescherming van werknemers.
Wat voor gevolgen heeft dit voor het stakingsrecht? Deelt u onze zorgen dat het stakingsrecht hiermee in de weg kan worden gezeten?
Het stakingsrecht is verankerd in artikel 6, vierde lid van het ESH. Dit recht kan niet zomaar worden beperkt of bestraft. Het is aan de rechter om een oordeel te geven of daarvan sprake is in deze situatie.
Deelt u de opvatting dat deze praktijk geen vervolg mag krijgen?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs is naar de antwoorden op vragen 2 en 3.
Het dwingen tot het dragen van een mondkapje |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Mogen verpleeghuizen, gelet op ontvangen signalen dat bijvoorbeeld de Clariane Group dit beleid in Nederland al heeft ingevoerd of wil gaan invoeren, verplegers dwingen een mondkapje te dragen tijdens hun werk?
Er is op dit moment geen wettelijke verplichting voor het dragen van mondkapjes. Voor het gebruik van mondneusmaskers in de zorg zijn professionele richtlijnen opgesteld. Werkgevers hebben volgens de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor het gezond en veilig werken van hun werknemers en dienen op basis van een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie beleid te formuleren dat is afgestemd op de lokale omstandigheden.
Vanuit de STOP-strategie1 (zie art. 3 lid 1 onder b Arbowet) kan het ter beschikking stellen van een persoonlijk beschermingsmiddel aan werknemers, zoals een mondkapje, een laatste redmiddel zijn. De werkgever mag vanuit de zorgplicht en op basis van het instructierecht een mondkapjesplicht invoeren, om een veilige en gezonde werkomgeving te garanderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
Het artikel ‘Boeteregen voor fatbikes en e-steps blijft uit: veel ellende en overlast, maar minder bekeuringen en inbeslagnames’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Telegraaf-artikel «Boeteregen voor fatbikes en e-steps blijft uit: veel ellende en overlast, maar minder bekeuringen en inbeslagnames»?1
Klopt het beeld uit het artikel dat er inderdaad minder boetes met de relevante CJIB-feitcodes voor illegale fatbikes en e-steps zijn uitgegeven in 2025 ten opzichte van 2024?
Hoe beoordeelt u de verwachting dat hier ook een daling van inbeslagnames mee gepaard gaat?
Hoe verhoudt de investering, sinds 2024, in 250 nieuwe rollerbanken voor de handhaving rondom fatbikes, zich tot de daling van het aantal boetes? Worden de nieuwe rollerbanken ten volle benut?
Hoeveel inbeslagnames van illegale fatbikes hebben er plaatsgevonden in 2024 en 2025, en kunt u deze uitsplitsen over de douane, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de politie en/of gezamenlijke inbeslagnames?
Beoordeelt u de verwachting van de ILT dat alle import van fatbikes vanuit EU-landen voldoet aan bestaande regelgeving voor elektrische fietsen als een realistisch uitgangspunt?
In hoeverre speelt foutieve informatie over de specificaties van fatbikes aangeschaft via e-commerce platformen, ten opzichte van waar de fatbikes werkelijk technisch toe in staat zijn, een rol bij de verspreiding van illegale fatbikes?
Deelt u de mening, gezien het feit dat de NVWA in principe reactief handelt op basis van signalen van onveiligheid, dat een meer pro-actieve werkwijze logischer zou zijn in het kader van handhaving tegen illegale fatbikes?
Welke concrete cijfers en indicatoren gebruikt u om te beoordelen of de versterkte samenwerking tussen de vier relevante handhavingsinstanties (ILT, NVWA, douane, politie), toen zij eind vorig jaar gezamenlijke afspraken hebben gemaakt over de versterking van onderlinge samenwerking ten behoeve van het toezicht en de handhaving op illegale fatbikes, het gewenste effect heeft in de praktijk?2
Is sinds deze afspraken de rolverdeling in de handhaving op illegale fatbikes voldoende duidelijk?
Zijn er, naast dat er afspraken zijn met de handhavingsinstellingen, ook afspraken gemaakt met e-commerce platformen over het terugdringen van het aanbod van illegale fatbikes? Zo nee, bent u bereid om met de sector hierover het gesprek aan te gaan?
Is het van de ILT en de NVWA te verwachten dat zij in staat zijn adequaat te handhaven op illegale fatbikes gezien de omvang van het probleem en gelet op het feit dat de NVWA en de ILT belast zijn met het houden van toezicht op een veel breder scala aan producten en regelgeving dan alleen elektrische voertuigen?
Hoe denkt u over het uitbreiden van de NVWA en de ILT zodat zij beschikken over voldoende capaciteit om op een meer proactieve wijze te handhaven op de import en verkoop van illegale fatbikes?
Denkt u dat de bestaande capaciteit van de vier relevante handhavingsinstanties (ILT, NVWA, douane, politie) voldoende is om het fatbike-probleem het hoofd te bieden gezien de maatschappelijke urgentie en het stagnerende aantal boetes?
Het (af)bouwen van de functie van Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld |
|
Sarah Dobbe (SP), Marjolein Moorman (PvdA), Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt), Songül Mutluer (PvdA), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
van Bruggen , Letschert , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
De ongewenste vreemdeling S.A. (34) uit Hoorn die verdacht wordt van huiselijk geweld en verkrachting en mogelijk snel vrijkomt |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ongewenste vreemdeling (34), verdacht van huiselijk geweld en verkrachting, komt mogelijk snel vrij: «Meerdere vrouwen zijn Hoorn ontvlucht en elders gaan wonen»»?1
Hoe is het mogelijk dat deze 34-jarige S.A. uit Irak al sinds 2023 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is aangemerkt als ongewenste vreemdeling, maar al die tijd gewoon vrij in Nederland heeft kunnen rondlopen en nu zelfs terechtstaat voor meerdere gevallen van huiselijk geweld en verkrachting? Waarom is deze man na de ongewenstverklaring in 2023 niet onmiddellijk uitgezet?
Wat gaat u concreet doen om S.A. zo snel mogelijk uit Nederland te verwijderen?
Klopt het dat meerdere vrouwen uit Hoorn hun woonplaats hebben moeten ontvluchten en elders in Nederland zijn gaan wonen uit angst voor deze verdachte? Hoeveel vrouwen hebben aangifte gedaan?
Wat is uw reactie op de angst en onveiligheid onder de vrouwen in Hoorn en omstreken?
Bent u het eens met de stelling dat Nederlandse vrouwen niet langer de dupe mogen worden van het falende vreemdelingenbeleid waarbij seksuele roofdieren jarenlang vrij kunnen rondlopen?
Hoeveel ongewenste vreemdelingen met een strafblad of serieuze verdenkingen van zedendelicten lopen er op dit moment vrij rond in Nederland? Kunt u dit per jaar en per nationaliteit specificeren?
Bent u bereid om per direct een volledige asielstop in te voeren, zodat er geen nieuwe seksuele roofdieren meer ons land worden binnen gelaten en Nederlandse vrouwen en meisjes eindelijk weer veilig kunnen zijn?
Ernstig geweld tegen gevangenispersoneel in PI Heerhugowaard |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een cipier in de PI Heerhugowaard is gestoken en gegijzeld door een gedetineerde, waarna een arrestatieteam moest ingrijpen?1
Erkent u dat dit incident voor de zoveelste keer laat zien dat gevangenispersoneel onvoldoende wordt beschermd tegen extreem gewelddadige gedetineerden binnen Nederlandse penitentiaire inrichtingen?
Kunt u aangeven welk voorwerp of wapen bij deze steekpartij is gebruikt en of hierbij sprake was van contrabande of een zelfgemaakt steekwapen (shank)?
Indien sprake was van contrabande, hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting onder verantwoordelijkheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen over een steekwapen kon beschikken?
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid aangetroffen contrabande (zoals steekwapens, drugs en telefoons) in de PI Heerhugowaard in de afgelopen drie jaar en hoe deze cijfers zich verhouden tot andere penitentiaire inrichtingen?
Hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting die onder verantwoordelijkheid valt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, wederom in staat is personeel te verwonden en langdurig te gijzelen?
Waarom worden gedetineerden met een bekend agressief, instabiel of gevaarlijk profiel kennelijk niet structureel gescheiden of onder een zwaarder beveiligingsregime geplaatst?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat geweld tegen gevangenispersoneel steeds opnieuw plaatsvindt zonder dat dit leidt tot zichtbare aanscherping van regime, toezicht en sancties?
Welke concrete maatregelen gaat u per direct nemen om te waarborgen dat personeel in gevangenissen veilig zijn werk kan doen en kunt u garanderen dat dit niet opnieuw wordt afgedaan met onderzoek en woorden zonder gevolgen?
Meerdere talen in de schoolklas |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meerdere talen in de klas is goed voor de leerling. Maar gaat dat niet ten koste van het Nederlands»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Hoe verzoent u dit beleid met het fundamentele belang dat alle leerlingen het Nederlands volledig leren beheersen?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen goed leren lezen, schrijven en rekenen in het Nederlands. Dit is de basis die nodig is om mee te kunnen doen in de samenleving. Tegelijkertijd hebben alle leraren één of meer leerlingen in de klas die thuis een andere taal dan het Nederlands spreken. Dit stelt leraren voor een extra uitdaging. Om die reden heeft de voormalig Minister van OCW de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over hoe leraren kunnen omgaan met talige diversiteit in de klas. De Onderwijsraad adviseert op basis van wetenschappelijk onderzoek om kennis en vaardigheden in een eerder geleerde taal te benutten om de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen te versterken.2 Dit sluit aan bij de nieuwe kerndoelen en eindtermen Nederlands, waarin is opgenomen dat er ruimte moet zijn voor thuistalen, waaronder ook streektalen en dialecten.3 Onderzoekers en experts op het gebied van meertaligheid onderschrijven dat dit een effectieve interventie kan zijn.4 Een voorwaarde is wel dat de school dit evidence-informed doet.5 De Onderwijsraad adviseert om scholen hierbij te ondersteunen met professionalisering, expertise en handreikingen. In de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad staat beschreven hoe het Masterplan basisvaardigheden en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) hierin voorzien.6
«Ruimte bieden aan thuistalen» betekent voor leraren dat ze gewoon onderwijs in de Nederlandse taal geven. Het gaat erom dat leraren een thuistaal niet als een belemmering zien, maar als een mogelijk hulpmiddel voor het leren van en in het Nederlands. Onderzoek laat zien dat dit een positieve invloed heeft op de leerresultaten en het welbevinden van leerlingen.7 Uiteraard is het aan schoolleiders en leraren zelf om hiervoor een evidence-informed aanpak te kiezen. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het benutten van een eerder geleerde taal in het onderwijs het risico op onderwijsachterstanden vergroot.8
Bent u bereid toe te geven dat het stimuleren van thuistalen het risico op onderwijsachterstanden kan vergroten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat uw beleid het gedrag van ouders, die stelselmatig thuis Nederlands weigeren te spreken, beloont en dat kinderen op school niet voldoende Nederlands leren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waarborgt u dat dit beleid de werkdruk van leraren niet onacceptabel verhoogt en de kwaliteit van het onderwijs niet schaadt?
Op bijna alle scholen zitten kinderen die van huis uit (ook) een andere taal dan het Nederlands spreken. Leraren zijn op zoek naar manieren om deze leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden in hun ontwikkeling. Het is effectief gebleken om de thuistaal van leerlingen als hulpmiddel in te zetten om een leerling op weg te helpen. Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat hiervoor geen ingewikkelde interventies nodig zijn.9 Er zijn laagdrempelige manieren die al een positief effect hebben. Voorbeelden hiervan zijn om vertaalapps te gebruiken of om een meertalige bibliotheek in te richten, zodat leerlingen het boek dat op school wordt voorgelezen, in de thuistaal mee naar huis kunnen nemen. Leerlingen doen op die manier thuis voorkennis op van het verhaal. Op school kunnen ze zich dan focussen op de Nederlandse taal. Dit helpt de leerling bij het leren van en in het Nederlands.
Hoe voorkomt u dat dit beleid bijdraagt aan een gefragmenteerde multiculturele samenleving?
Het kan juist positief bijdragen aan integratie als leerlingen hun thuistaal als hulpmiddel mogen gebruiken om nieuwe lesstof te leren in de Nederlandse taal. De Onderwijsraad geeft hier twee redenen voor. Ten eerste leren leerlingen de Nederlandse taal sneller als zij hun thuistaal als opstapje mogen gebruiken. Dit is belangrijk om segregatie tegen te gaan. Ten tweede voelen leerlingen zich meer verbonden met de school als hun thuistaal wordt gewaardeerd. Dit zorgt ervoor dat leerlingen zich eerder openstellen voor hun klasgenoten in plaats van dat zij zich terugtrekken in groepjes.10
Is het, volgens u, verantwoord dat leerlingen minder tijd besteden aan kernvakken zoals Nederlands en rekenen, omdat scholen verplicht worden aandacht te geven aan meerdere thuistalen? Zo nee, welke alternatieve richtlijnen gaat u geven aan scholen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het Nederlands de hoofdtaal blijft en dat alle kinderen voldoende taalvaardigheid ontwikkelen, ongeacht hun thuistaal?
Het is wettelijk bepaald dat Nederlands de hoofdtaal van het onderwijs is. Scholen moeten de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen optimaal bevorderen. Het Masterplan basisvaardigheden heeft als doel zowel de Nederlandse taal, als rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid van alle leerlingen te verbeteren. Scholen ontvangen structurele bekostiging en krijgen inhoudelijke begeleiding van onderwijscoördinatoren. Het programma ondersteunt scholen daarnaast om evidence-informed te werken, zodat zij een onderbouwde aanpak kiezen waarmee zij resultaten kunnen boeken. In lijn hiermee geef ik prioriteit aan de implementatie van het nieuwe curriculum voor het funderend onderwijs, waarin de basisvaardigheden een centrale plek hebben. Leerlingen lezen, schrijven en rekenen niet meer alleen tijdens de les begrijpend lezen of wiskunde, maar bij alle vakken.
Natuurvriendelijk isoleren |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Erkent u dat er in de sector veel onduidelijkheid heerst over de geldende regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Toezicht en handhaving rondom natuurwetgeving en soortenbescherming zijn grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat provincies ruimte hebben om zelf uitvoeringsbeleid te maken binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. Vanuit het bedrijfsleven en gemeenten krijg ik signalen dat de diversiteit van provinciaal beleid lastig wordt gevonden. Daarom ben ik met provincies, gemeenten, soortenorganisaties en de sector in gesprek over oplossingen.
Klopt het dat de Ministeries van LVVN en VRO, het IPO, de provincies, de VNG en de soortenorganisaties aan een gedragscode werken, zodat er voor bepaalde activiteiten geen vergunningplicht meer geldt?
Het klopt dat momenteel aan een gedragscode wordt gewerkt. Dat doe ik samen met de Minister van LVVN, provincies, het IPO, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche. Op basis van een gedragscode is vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten in verband met isolatiewerkzaamheden mogelijk, mits aan de eisen van de gedragscode wordt voldaan.
Wanneer is deze gedragscode afgerond en kan ermee worden gewerkt?
Het streven is om de gedragscode uiterlijk 1 januari 2027 in werking te laten treden.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er zo snel mogelijk meer ruimte komt voor innovatieve onderzoeksmethoden, zoals eDNA?
Innovatie wordt door verschillende trajecten vanuit de overheid gestimuleerd, bijvoorbeeld via de Challenge Startup in Residence Intergov. Daarnaast komt de markt zelf ook met innovatieve oplossingen. Ten aanzien van de eDNA-methode heeft het Rijk verschillende onderzoeken laten doen om de betrouwbaarheid van de methode te borgen. Inmiddels is een nieuw onderzoek gepubliceerd naar de betrouwbaarheid van de eDNA methode: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/11/24/edna-als-methode-voor-detectie-van-vleermuisverblijven-in-woningen
Op welke manier wordt bewerkstelligd dat er meer uniformiteit komt in de regelgeving rond natuurvriendelijk isoleren?
Het beleid rondom soortenbescherming is zoals gezegd grotendeels gedecentraliseerd. Dat betekent dat de provincies het bevoegd gezag voor onder andere vergunningverlening, toezicht en handhaving in relatie tot soortenbescherming, voor zover deze taken niet expliciet aan het Rijk zijn voorbehouden. Als bevoegd gezag bepalen zij zelf hun beleid in deze binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie.
Om landelijke tot meer uniformiteit en duidelijkheid te komen wordt gewerkt aan een gedragscode. Dit doen we samen met de belangrijkste stakeholders op dit onderwerp. De gedragscode zal via een ministeriële regeling worden aangewezen. De gedragscode zal dan dus, net als de eDNA-regeling, landelijk gelden.
Erkent u dat de onduidelijkheden rond het natuurvriendelijk isoleren negatieve effecten hebben op de bereidheid van particuliere huiseigenaren om hun woningen te isoleren?
Dat erken ik en daarom werken we met grote urgentie aan oplossingen zoals de gedragscode. Ondertussen kunnen isolatiewerkzaamheden gewoon doorgaan, op basis van de huidige eDNA regeling en provinciaal beleid. Dat betekent dat als uit onderzoek (bijvoorbeeld een negatieve test afkomstig uit eDNA-onderzoek) blijkt er geen sprake is van het verstoren of doden van beschermde soorten en het vernielen van nesten of verblijfplaatsen, er direct geïsoleerd mag worden, omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Als er sprake is van een positieve test, dan moet op dit moment een initiatiefnemer contact opnemen met de provincie en checken of een vergunning nodig is.
In de gedragscode willen we het handelingsperspectief na een positieve test verbeteren.
Hoe kunnen particuliere woningeigenaren meer gestimuleerd worden om hun woningen natuurvriendelijk te isoleren?
Hiervoor is vooral eenduidige en heldere communicatie nodig. Zowel vanuit het Rijk, vanuit de medeoverheden, als vanuit de isolatiebedrijven. Ook dit neem ik mee in de lopende gesprekken.
De lage vulgraad van de gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gasvoorraad zakt naar een schamele 11,7 procent, maar «er komen warmere dagen aan»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op het feit dat de Nederlandse gasvoorraden volgens genoemd bericht nog maar voor 11,7% – en inmiddels zelfs 11,1% (!) – gevuld zijn?2 Klopt het dat de vulgraad nog niet eerder zo laag is geweest? Deelt u de conclusie dat Nederland met een te lage vulgraad de winter in is gegaan?
Gasunie Transport Services (GTS) heeft het kabinet aan de start van het stookseizoen laten weten dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt om op een koude dag te voldoen aan de piekvraag. De vulgraad toentertijd was conform de vuldoelstellingen opgelegd door de Europese Commissie. Er was ook genoeg volume om de winter door te komen.
De inzet van de gasopslagen in de winter is normaal en conform de functie van gasopslagen om meer gas te leveren in de winter. Dit gebeurt ook in de rest van de Europese Unie. Het exacte moment waarop het gas in de winter door marktpartijen aan de opslagen wordt onttrokken, is van meerdere factoren afhankelijk. Bepalend hierin is o.a. de gasprijs, die wordt beïnvloed door onder meer de temperatuur die van invloed is op de vraag.
Een bijzondere omstandigheid dit jaar is de beëindiging van de operationele activiteiten van GasTerra. Hierdoor wordt voorzien dat de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk door GasTerra uiterlijk per 1 april 2026 leeg zullen worden opgeleverd. Hierover heeft het kabinet de Kamer in september 2025 geïnformeerd.3 Mede gelet op deze omstandigheid ligt de huidige vulgraad in de lijn der verwachting. Op basis van de huidige inzichten, ook met inachtneming van de huidige geopolitieke situatie, zijn er op dit moment geen zorgen ten aanzien van de leveringszekerheid. Wel zien we dat de prijzen op de groothandelsmarkt voor gas sterk oplopen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, wat betekent dat ook in Nederland gas duurder wordt. Dit wil niet direct zeggen dat er ook minder gas wordt opgeslagen. Of het commercieel interessant is om gas op te slaan hangt namelijk af van het verschil tussen de prijs waartegen gas tijdens het vulseizoen kan worden ingekocht en de prijs waartegen het (tegelijkertijd) forward voor de winter kan worden verkocht (de zomer/winterspread). Wanneer deze voldoende positief is, is het commercieel aantrekkelijk om gas op te slaan. Op dit moment is de spread negatief en is opslag niet aantrekkelijk, maar ook in 2022, toen de gasprijzen historisch hoog waren ontwikkelde de spread zich gedurende het vulseizoen uiteindelijk zodanig dat de opslagen (hoofdzakelijk door marktpartijen) maximaal gevuld werden. Het kabinet is daarbij de situatie constant en nauwlettend aan het monitoren en houdt rekening met alle scenario’s.
Wat vindt u van de reactie van de Gasunie: «De voorraad is historisch laag, maar dat is voor ons geen reden tot zorg»? Is er voor u reden tot zorg? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment maakt het kabinet zich geen zorgen over de fysieke leveringszekerheid. Wel houdt het kabinet de gasmarkt nauwlettend in de gaten gezien het voortdurende conflict in het Midden-Oosten en het prijsopdrijvende effect daarvan.
De vulgraad is lager dan in recente jaren maar niet historisch laag. De gasopslagen waar in de media veel aandacht voor is zijn seizoensopslagen voor de winter. Die worden doorgaans tot 1 april gebruikt, daarna begint het vulseizoen weer. Dat de vulgraad in deze tijd van het jaar relatief laag is, is dan ook normaal.
Daarnaast hebben door relatief lagere temperaturen dan voorgaande jaren (die effect hebben gehad op de prijs) er afgelopen winter meer onttrekkingen uit de gasopslagen plaatsgevonden. Ook dit is conform de functie en het gebruik van de gasopslagen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Mede gezien de huidige weersomstandigheden verwacht het kabinet niet dat de gasopslagen volledig leeg zullen raken. Ook omdat de gasopslag Bergermeer op 24 maart met 6,89 TWh nog voor 13,83% was gevuld. Overigens zijn we in eerdere jaren wel eens met een lagere vulgraad de winter uit gekomen. Zo waren op 1 april 2018 de opslagen slechts voor 6,29% gevuld. Daarnaast ligt de gemiddelde vulgraad van de EU momenteel nog rond de 28% en is Nederland onderdeel van de interne Europese gasmarkt. Nederlandse afnemers kunnen daarom ook gas uit de gasopslagen van andere lidstaten benutten, zoals andersom ook.
Het is van belang te noemen dat deze opslagen niet de enige bron van gas zijn. In een deel van de nationale vraag wordt voorzien door eigen productie uit kleine gasvelden op land en gasvelden op zee. Gezien de huidige omstandigheden op de wereldwijde gasmarkt als gevolg van het Midden-Oosten conflict heeft Nederland in dat kader recent opnieuw afspraken gemaakt met Duitsland om de gaswinning op de Noordzee uit kleine velden versneld op te schroeven.
In het overige deel van de vraag wordt voorzien door import per pijpleiding (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en België) en import van vloeibaar gas (LNG), waarvan het grootste deel uit de Verenigde Staten afkomstig is. In totaal is er in 2025 20,9 bcm aan LNG geïmporteerd, het overige gas werd via pijpleiding geïmporteerd. De totale import bedroeg 42,2 bcm. De geïmporteerde volumes zijn gebruikt voor export van gas naar andere landen in de EU en voor binnenlands gebruik, waaronder voor het vullen van de gasopslagen voor deze winter.
Wat betreft het Bescherm- en Herstelplan Gas is er geen reden om nu terug te vallen op de maatregelen die daarin zijn vastgelegd. Het BH-G bevat maatregelen die de maatschappelijke en economische gevolgen van een fysiek tekort zoveel mogelijk beperken. Sinds de energiecrisis van 2022 zitten we in het eerste crisisniveau: de vroegtijdige waarschuwingsfase. Momenteel is er geen aanleiding om een volgend crisisniveau af te kondigen. Ondanks de recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten is de aanvoer van gas naar Nederland nog steeds stabiel, zowel in de vorm van LNG als via pijpleidingen. Daarnaast is er zoals genoemd nog de gaswinning uit eigen bodem waarmee in de vraag wordt voorzien. Belangrijk om hierbij te noemen is dat het ontstaan van een daadwerkelijk fysiek tekort een zeer uitzonderlijke situatie zou zijn. Ter context, tijdens de gascrisis in 2022 was er geen fysiek tekort.
Verwacht u dat – en zo ja: wanneer – de gasvoorraden volledig leeg zullen raken? Wat betekent dat voor de leveringszekerheid? Kunt u uitsluiten dat het Bescherm- en Herstelplan Gas in werking zal treden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel vloeibaar gemaakt aardgas (lng) wordt geïmporteerd? Is dat voldoende? Kunt u garanderen dat de Nederlanders níét in de kou komen te zitten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u ervan dat elektriciteitscentrales méér gas zijn gaan verbruiken doordat zonnepanelen en windturbines onvoldoende elektriciteit opwekken? Hoeveel gas precies? Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig is dat Nederland – conform de klimaatgekte – enerzijds van het gas áf gaat, maar anderzijds door «duurzame» alternatieven juist méér gas verbruikt? Gaat u deze gekte stoppen?
Uit de cijfers van het CBS4 van 9 maart jl. blijkt dat in 2025 zonnepanelen en windmolens in Nederland samen meer elektriciteit geproduceerd hebben dan in 2024. Ook de elektriciteitsproductie uit aardgas in Nederland is toegenomen van 43,2 TWh in 2024 naar 48,0 TWh in 2025. Nederland is onderdeel van een geïntegreerde Europese elektriciteitsmarkt en exporteerde in 2025 14,0 TWh vergeleken met 4,2 TWh in 2024. De belangrijkste redenen hiervoor zijn een verminderde productie uit wind voor de Duitse kust, een verminderde productie in Zwitserland en Oostenrijk door een lager waterpeil en de verminderde elektriciteitsproductie in Belgische kerncentrales.
Hoeveel gas uit onze voorraden wordt momenteel geëxporteerd, onder meer naar Duitsland? Klopt de berichtgeving dat de Duitsers «azen op onze reserves»?3 Deelt u de mening dat óns gas van óns is? Gaat u de export stoppen?
Nederland is als netto-importeur in de eerste plaats zelf afhankelijk van de internationale gasstromen op de interne gasmarkt. Ter illustratie: in 2025 is er 42,2 bcm aan gas geïmporteerd in Nederland (waarbij ongeveer de helft via pijpleidingen en de helft in de vorm van LNG); daarvan is 28,1 bcm doorgevoerd naar buurlanden (Duitsland, Verenigd Koninkrijk en België).6 Daarbij geldt dat het gas in de gasopslagen niet in eigendom is van de Nederlandse Staat, maar van marktpartijen die dit gas vorige zomer hebben gekocht en opgeslagen om in het stookseizoen te voldoen aan hun verkoop- en leveringsverplichtingen. Met gas uit de gasopslag kunnen afnemers op de gehele Noordwest-Europese markt beleverd worden, waaronder Nederland, België, het Verenigd Koninkrijk of Duitsland. In verhouding tot de vraag heeft Nederland relatief veel gasopslagcapaciteit vergeleken met andere lidstaten.
Nederland
48,1%
Duitsland
27,78%
Frankrijk
34,16%
België
5,87%
Andersom kunnen marktpartijen gas dat is opgeslagen in Duitsland, België of het Verenigd Koninkrijk ook vervoeren naar Nederland ten einde afnemers in Nederland te voorzien van gas.
Op grond van Europese wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen in de interne markt beperken of de gasleveringszekerheid in een andere lidstaat in gevaar brengen. Ook moet de grensoverschrijdende toegang tot infrastructuur (zoals gasopslagen) gehandhaafd blijven. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende gas naar Nederland en andere lidstaten kan stromen om te voorzien in de vraag van bedrijven en huishoudens. Daarnaast is in de verordening gasleveringszekerheid een solidariteitsmechanisme opgenomen voor het geval er een echt gasleveringstekort is7. Op grond van die bepalingen kan een lidstaat die in het gascrisisniveau van een noodsituatie zit8 en te weinig gas heeft om te voorzien in de behoefte van hun «door solidariteit beschermde afnemers» (eerst en vooral huishoudens, maar in Nederland bijvoorbeeld ook ziekenhuizen) aangrenzende lidstaten om solidariteit vragen. De verzoekende lidstaat moet voor het een verzoek mag doen alle maatregelen uit haar noodplan (tot het beperken van de vraag van door solidariteit beschermde afnemers) al getroffen hebben. Lidstaten die worden gevraagd om solidariteit te leveren zijn verplicht om aan zo’n verzoek te voldoen, maar het leveren van solidariteit mag niet ten koste gaan van de levering aan hun eigen door solidariteit beschermde afnemers. De lidstaat die wordt gevraagd om gas te leveren moet ervoor zorgen dat dit gas beschikbaar komt, bijvoorbeeld door het te kopen van marktpartijen die nog wel gas hebben of – indien beschikbaar – uit haar strategische opslag te halen, om door te verkopen aan de lidstaat die om solidariteit heeft gevraagd.
Wat doet u om te voorkomen dat Nederland in de toekomst opnieuw met te lage gasvoorraden te maken krijgt? Maakt u onder andere werk van een (strategische) noodvoorraad gas? Gaat u er tevens voor zorgen dat ónze gasvoorraad louter ónze leveringszekerheid zal dienen?
GTS heeft de wettelijke taak om jaarlijks een overzicht op te stellen van de leveringszekerheid van gas en het kabinet te adviseren over de volumes die moeten worden opgeslagen in de seizoensopslagen voor de volgende winter. Op basis van het overzicht dat GTS in september 2025 heeft uitgebracht heeft het kabinet een nationaal vuldoel van 115 TWh op 1 november 2026 vastgesteld.9 Dit zou in combinatie met overige infrastructuur, zoals LNG-importcapaciteit, volgens GTS voldoende moeten zijn om een koude winter zonder tekorten door te komen, ook bij een uitval van de grootste bron van volume gedurende de winter of de grootste bron van capaciteit. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Om het vuldoel voor 2026 te halen zijn er verschillende maatregelen getroffen. Ten eerste heeft EBN opnieuw instemming gekregen om gas op te slaan indien de markt dat niet voldoende doet. Eerder heeft het kabinet al aangegeven dat de activiteiten van EBN om, indien de markt dat niet voldoende doet, gas op te slaan in de gasoplagen Bergermeer, Norg en Grijpskerk in het opslagjaar 2026–2027 verruimd worden naar maximaal 80 TWh. Deze uitbreiding komt voort uit de beëindiging van de activiteiten van GasTerra waardoor gasopslagen Norg en Grijpskerk volgend jaar niet door GasTerra worden gebruikt. Daarnaast lopen er gesprekken met NAM en haar aandeelhouders over de inzet en toekomst van de gasopslagen Norg en Grijpskerk na beëindiging van GasTerra. Hierover informeer ik uw Kamer op separaat. Daarbij is het belangrijk te vermelden dat het opslaan van gas in gasopslagen komend vulseizoen door de volatiliteit van de prijzen op de gasmarkt als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten kostbaarder kan zijn dan in eerdere jaren (zie hieromtrent ook het antwoord op vraag 2).
Wat betreft een noodvoorraad heeft het vorige kabinet EBN voor het opslagjaar 2026/27 instemming verleend om te starten met het aanleggen van een tijdelijke noodvoorraad van 5 TWh in PGI Alkmaar. Deze noodvoorraad mag alleen ingezet worden in situaties met fysieke tekorten die niet meer door de markt kunnen worden opgevangen en wanneer er in lijn met de desbetreffende EU-verordening een noodsituatie is afgekondigd. Een dergelijke voorraad kan niet gebruikt worden om bijvoorbeeld de gasprijs te dempen. De omvang van de noodvoorraad geeft tijd voor het – indien noodzakelijk – zorgvuldig voorbereiden van het afschakelen van niet-beschermde afnemers.
Daarnaast werkt het kabinet – zoals gevraagd in de motie Grinwis c.s.10 -aan het strategisch gasbeleid, waaronder aan een afwegingskader om de wenselijkheid van verschillende overheidsinterventies in de gasmarkt te beoordelen. Het voornemen is om rond de zomer van 2026 de Tweede Kamer te informeren over de stand van zaken van dit traject. Voor wat betreft de aanwending van de voorraden verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 7.
Hoe is het trouwens mogelijk dat het Nationaal Energie Dashboard eerst meldde dat de vulgraad 1,1% zou zijn – nota bene bevestigd door de Gasunie – maar dit later 11,7% bleek te zijn? Hoe kunnen zulke fouten gebeuren en voortaan worden voorkomen?
Het Nationaal Energie Dashboard wordt niet direct beheerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Gasunie Transport Services heeft via social media gereageerd op dit voorval.11