Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Het klopt dat het kabinet bij de voorjaarsnota 2026 om budgettaire redenen heeft gekozen om vooralsnog minder te investeren in proactieve dienstverlening. Het voornemen om gegevensdeling mogelijk te maken voor de algemene bijstand zou dan niet in werking treden. Dit leidt tot een besparing oplopend naar structureel € 30 miljoen per jaar.1 De Kamer is hierover per brief van 2 april 2026 geïnformeerd.2 In deze brief heb ik aangegeven dat op het moment dat er weer financiële middelen beschikbaar zijn, het mogelijk is om dit onderdeel wel in werking te laten treden.
Inmiddels heb ik besloten om de benodigde financiële middelen voor het mogelijk maken van gegevensdeling voor de algemene bijstand vrij te maken door het tweede knikpunt in het kindgebonden budget te leggen bij € 57.950 (prijspeil 2024). Dit doe ik via een nota van wijziging op het recent bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel.3 Hiermee kan het gedeelte van het wetsvoorstel dat ziet op de algemene bijstand alsnog tegelijk met de rest van het wetsvoorstel in werking treden.
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Het klopt dat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht. De volgende analyse lag hieraan ten grondslag: Naar schatting 37% van de mensen die recht hebben op algemene bijstand maken daar geen gebruik van. De inschatting is dat het inkomen van niet-gebruikers onder het sociaal minimum ligt. Verder missen zij de beschikbare ondersteuning bij werk, opleiding en meedoen in de samenleving. We zetten in op het terugdringen van niet-gebruik met algemene communicatie (zoals pr-campagnes en benutten van bestaande contactmomenten met mensen), vereenvoudigingen (zoals P-wet in Balans) en automatische uitkeren (bijvoorbeeld van de individuele inkomenstoeslag uit de Participatiewet). Om het niet-gebruik verder terug te dringen is de persoonsgerichte aanpak van proactieve dienstverlening nodig met meer mogelijkheden voor hergebruik en deling van persoonsgegevens. Gebaseerd op empirische resultaten wordt verwacht dat met de voorgenomen gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening 2,5% van deze groep wel gebruik zal gaan maken van hun recht op algemene bijstand. Deze raming van de benodigde uitkeringslasten en uitvoeringskosten is opgenomen in de Voorjaarsnota 20244 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.5
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Het kabinet deelt de genoemde analyse. Uitkeringen en voorzieningen helpen mensen naar werk, beter werk of opleiding, voorkomen dat het inkomen onder het minimum zakt en ondersteunen bij meedoen in de samenleving. Zoals aangegeven bij vraag 1, heb ik gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden.
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Ik bespreek het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW graag snel met uw Kamer. Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling.
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening. Ik heb gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden. De motie van het lid Hamstra c.s. verzoekt in kaart te brengen wat er precies nodig is voor het werken naar automatisch uitkeren. Bij automatisch uitkeren hoeven mensen geen aanvraag meer te doen. Zij krijgen een uitkering of andere sociale voorziening automatisch als zij daarop recht hebben. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW schrapt of wijzigt geen aanvraagprocedures. Het richt zich op het informeren van mensen over de ondersteuning die er voor hen is en hulp bij het aanvragen. Wel kan het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW mensen bereiken die nog niet eerder een aanvraag hebben gedaan en in dat opzicht is het ondersteunend aan automatisch kunnen uitkeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen, waarop een claim kan worden gelegd, zijn er daarom niet.
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel en het besluit proactieve dienstverlening SZW zijn verschillende budgetten gereserveerd:
0,8
4,8
8,1
11,3
12,9
12,9
12,9
0,2
0,5
0,9
1,2
1,4
1,4
1,4
0,2
1,0
1,6
2,3
2,6
2,6
2,6
0,0
0,0
0,0
0,1
0,1
0,1
0,1
2,0
2,1
2,0
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken te investeren in armoedebeleid en in het verkleinen van het niet-gebruik door proactieve dienstverlening. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW speelt een belangrijke rol in het terugdringen van niet-gebruik, omdat het erop gericht is om burgers actief te informeren en te ondersteunen bij het benutten van hun recht op uitkeringen en voorzieningen.
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen. In de memorie van toelichting worden de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Het wetsvoorstel richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het kabinet wil zoveel mogelijk oorzaken van niet-gebruik aanpakken door het stelsel van inkomensondersteuning te vereenvoudigen, de dienstverlening te verbeteren en de samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties te versterken. De focus ligt op het wegnemen van belemmeringen in de uitvoering, het vergroten van het vertrouwen en het beter informeren en ondersteunen van burgers. De precieze invulling daarvan zal de komende tijd verder worden uitgewerkt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Het wetstraject wordt zo ingericht dat de grondslag voor gegevensdeling voor de algemene bijstand in zowel het wetsvoorstel als de conceptbesluit proactieve dienstverlening SZW wordt opgenomen.
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
We willen het niet-gebruik verkleinen onder andere door proactieve dienstverlening.
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Deze kritiek heb ik mij ter harte genomen en om die reden heb ik gezocht naar een mogelijkheid om financiële middelen vrij te maken.
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Volgens onderzoek van de NLA maakten in 2021 naar schatting 160.000 mensen geen gebruik van de algemene bijstand, terwijl zij mogelijk wel recht hadden op een bijstandsuitkering of een gedeeltelijke bijstandsuitkering.7
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel mensen onder het bestaansminimum leven als gevolg van niet-gebruik. Er zijn wel schattingen van het aantal mensen dat mogelijk onterecht geen gebruik maakt van een uitkering of voorziening. Zij lopen daardoor het risico op een inkomen onder het bestaansminimum. De uitkeringen en voorzieningen met het grootste niet-gebruik zijn de Toeslagenwet, de AIO en de algemene bijstand. Deze uitkeringen vullen, als ze gebruikt worden, aan tot het bestaansminimum. De tabel geeft een overzicht van het niet-gebruik van deze uitkeringen en een schatting van het aantal betrokkenen.
33%-68%
136.200
Nederlandse Arbeidsinspectie, Onderzoeksrapport niet-gebruik van de Toeslagenwet, 23 oktober 2023, p.16
30%
73.500
CBS, Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023
37%
160.000
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Het kabinet wil met proactieve dienstverlening het niet-gebruik verkleinen. In hoeverre dat lukt bij de bijstand monitoren we door de ontwikkeling van het gebruik en het niet-gebruik van de bijstand te volgen.
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Het is mijn inzet om het onderdeel algemene bijstand gelijk met andere onderdelen van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW in werking te laten treden.
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals aangekondigd bij vraag 1 ik ben bereid om de aangekondigde bezuiniging uit de voorjaarsnota 2026 terug te draaien.
Het stopzetten van Q- en C-support |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.2 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen. Het kabinet hecht eraan om stil te staan bij het dilemma dat hieraan ten grondslag ligt.
In 2013 is stichting Q-support opgericht om mensen met Q-koorts te ondersteunen en adviseren en om actuele kennis over deze ziekte te delen met zorgverleners en andere professionals. In 2020 is C-support opgericht bij dezelfde organisatie om datzelfde te doen met betrekking tot post-COVID. De reden voor oprichting van Q- en C-support is dat mensen met deze ziekten niet werden herkend en erkend, door onbekendheid met de aandoeningen bij professionals. Er was behoefte aan een ondersteuningspunt voor patiënten, en ook voor professionals. Het uitgangspunt is daarbij altijd geweest dat de ondersteuning van Q- en C-support tijdelijk was, omdat mensen uiteindelijk het beste af zijn in het reguliere veld van zorg en welzijn. Nederland beschikt namelijk over een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg waarin professionals zich elke dag inzetten om patiënten zo goed mogelijk te helpen. Q- en C-support biedt patiënten tijdelijke ondersteuning buiten het reguliere veld van zorg en ondersteuning, in de wetenschap dat de professionals binnen het veld uiteindelijk het beste in staat zijn om de nodige zorg en ondersteuning te verlenen. Direct vanaf de oprichting was het doel van Q- en C-support dan ook kennisoverdracht naar de reguliere zorg en welzijnsinstanties. Daartoe heeft zij onder meer nascholingen georganiseerd, handreikingen voor professionals opgesteld en dergelijke. Het kabinet heeft grote waardering voor deze inzet, maar moet ook constateren dat Q- en C-support tegen beperkingen aanloopt. Ten eerste omdat het werk van Q- en C-support geen formele status heeft binnen de reguliere zorg. Zo werken artsen op basis van officiële medische richtlijnen vanuit de beroepsgroep en heeft Q- en C-support niet de positie om richtlijnen op te leggen of af te dwingen. Ten tweede omdat, ondanks alle inzet, nog steeds geen effectieve, wetenschappelijk onderbouwde diagnose- en behandelmogelijkheden beschikbaar zijn. Op beide punten heeft Q- en C-support beperkte tot geen invloed. Het is dan ook niet reëel om te verwachten dat met een eventuele verlenging van de subsidie aan Q- en C-support hierin de komende jaren een doorbraak bereikt kan worden. Tegelijkertijd beseft het kabinet dat het voor patiënten moeilijk te verteren is dat de individuele ondersteuning vanuit Q- en C-support gaat stoppen, terwijl zij in de reguliere zorg nog niet kunnen rekenen op een effectieve behandeling. Dat laatste is een verdrietig feit, waar echter eventuele verlenging van de subsidie geen verandering in zal brengen. Tegelijkertijd resteren er nog zeven maanden voor Q- en C-support om de kennis die zij hebben opgedaan over te dragen aan het reguliere veld. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten ten behoeve van de patiënt. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.
De inzet van het kabinet is erop gericht om PAIS3-patiënten zo goed mogelijk te helpen binnen het reguliere veld van zorg en ondersteuning. Zoals eerder toegezegd, zal het kabinet de Kamer voor de zomer informeren over de inzet ten aanzien van het PAIS-beleid.
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?
De individuele nazorg die C-support biedt aan patiënten met Q-koorts stopt per 2027. Er blijven, óók na 2026, wel middelen voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven. Voor individuele zorg aan patiënten zijn de reguliere zorgverleners verantwoordelijk. Het uitgangspunt is ook altijd geweest dat patiënten de zorg waar zij recht op hebben behoren te krijgen in het reguliere zorgveld. De subsidies aan Q- en C-support zijn om die reden altijd tijdelijk geweest, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1. Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten die tot nu toe niet goed terecht konden bij reguliere zorgverleners hierover. Daarom is ook aan Q- en C-support gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg, zodat patiënten daar beter geholpen worden.
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het bieden van een luisterend oor en advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Dat is heel waardevol, maar wat patiënten vooral nodig hebben is passende zorg vanuit bijvoorbeeld de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Daarom vraagt het kabinet Q- en C-support nadrukkelijk om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg.
Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de post-COVID expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hard gewerkt aan de verspreiding van kennis, onder andere via richtlijnen. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid, die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking4 voor professionals, ontwikkeld binnen het PCNN, waarin wetenschappelijke kennis en praktijkervaring is gebundeld. Daarin is ook aandacht voor nazorg, zoals de begeleiding bij rouw en zingeving bij patiënten met post-COVID.
Daarnaast is voor 2027 specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen in de begroting van VWS. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid, mede naar aanleiding van de drie rapporten over Q-koorts van de Nationale ombudsman. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten.
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?
Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten hierover. Het is inderdaad belangrijk dat alle opgedane kennis rondom onder andere Q-koorts en post-COVID goed wordt ingebed in de reguliere zorg. Daarom is Q- en C-support nadrukkelijk gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg. Daarnaast wordt momenteel aan een herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 gewerkt door de FMS en het NHG. De geleerde lessen uit de post-COVID expertisecentra en de verschillende ZonMw onderzoeken worden ook in de herziening meegenomen. Ook stimuleert de Q-koorts ambassadeur dat kennis, bijvoorbeeld best-practices, tussen gemeenten of instanties gedeeld wordt. Het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het landelijk samenwerkingsnetwerk dat in 2024 uit het ZonMw programma Post-COVID is voortgekomen, zorgt ook voor kennisdeling over post-COVID. De inzichten die nu worden opgedaan over zorg voor patiënten met post-COVID, kunnen van grote meerwaarde zijn voor patiënten met andere post-acute infectieuze aandoeningen.
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren veel betekend in de nazorg voor patiënten met post-COVID en Q-koorts en hebben daarmee inderdaad veel ervaringskennis opgebouwd. De zorgen over het afbouwen van Q- en C-Support zijn daarom begrijpelijk. Zoals reeds toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20255 blijven middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum. De focus ligt vanaf 2027 dan ook op het scholen en informeren van zorgprofessionals, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen. Q- en C-support is gevraagd alle kennis die zij in de afgelopen jaren heeft opgedaan, breed toegankelijk te maken en te verspreiden, zodat professionals daar gebruik van kunnen maken. Naast Q- en C-support wordt ook veel kennis opgebouwd binnen bijvoorbeeld het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de onderzoeksprogramma’s van ZonMw en de expertisecentra. Het kabinet beseft daarbij dat we er nog niet zijn en dat de bekendheid bij zorgverleners over PAIS nog beter moet. Daarom is het van groot belang dat artsen en onderzoekers, onder meer via de programma’s die door het Ministerie van VWS worden gefinancierd, alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat die kennis ook zijn weg vindt naar, onder andere, de spreekkamers.
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De rol van stichting C-support was de afgelopen jaren meerledig: het bieden van patiënten nazorg en het dissemineren van opgedane kennis over post-COVID. Hierbij heeft zij altijd al een rol gehad als het gaat om het vergroten van de bekendheid over post-COVID. Daarbij is het doel altijd geweest om PAIS-patiënten op te vangen binnen de reguliere zorg. De bekendheid rondom post-COVID en andere PAIS groeit daarnaast door de diverse ZonMW-onderzoeken, herziening van de richtlijnen door medisch specialisten en huisartsen, gemeenten en andere instanties, en doordat patiënten zelf actief de eerstelijnszorg benaderen met vragen over zorg.
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de expertisecentra, maar ook over welke ondersteuning vereist is binnen het sociaal domein leren we steeds meer over deze aandoeningen, mede met dank aan het werk van Q- en C-support. Nu is het zaak dat de lessen die tot nu toe zijn opgedaan zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit PCNN, de expertisecentra, de FMS en de NHG wordt er hard gewerkt om (biomedische) inzichten te verspreiden. Daar moet de komende periode zoveel mogelijk op worden ingezet.
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Er zijn geen afspraken gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie
voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen
ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties
al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?
Zoals eerder toegelicht blijven na 2026 middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum dat zich juist gaat richten op kennisoverdracht aan (zorg)professionals, bijvoorbeeld door het organiseren van nascholingen voor huisartsen en het opstellen van een handreiking voor gemeentes.
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?
Vanaf 2027 zullen de activiteiten vooral betrekking hebben op het scholen en informeren van de zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten. Q- en C-support heeft over de jaren heen veel kennis en ervaring over dit type aandoeningen en daarbij passende nazorg voor deze specifieke patiënten opgedaan. Het is belangrijk deze kennis en ervaring te behouden voor een potentiële toekomstige epidemie. Daarom is Q- en C-support gevraagd met een plan te komen voor een waakvlamconstructie op basis waarvan, in geval van een nieuwe infectieziekte-uitbraak, snel, grootschalige nazorg georganiseerd kan worden.
Het ligt voor de hand om met de middelen die na 2026 nog beschikbaar blijven, een waakvlamconstructie en kennis- en informatiefunctie in gezamenlijkheid te organiseren, omdat deze twee taken in elkaars verlengde liggen en dezelfde kennis vereisen. Het kabinet ziet dan ook geen meerwaarde om deze zaken los te trekken.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn, dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden hebben dan direct aangestelde collega’s?
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Voor Nederland is het goed nieuws dat is bevestigd dat het internationale hoofdkwartier (Rotterdam) en de wereldwijde R&D (Wageningen) van de voedingsdivisie in Nederland blijven. Dit toont aan dat continue aandacht voor het ondernemings- en vestigingsklimaat belangrijk maar ook lonend is. Het kabinet heeft over de ontwikkelingen bij de voedingstak met Unilever gesproken en gaat ook in gesprek met de nieuwe eigenaar.
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
De Nederlandse economie is mede sterk vanwege toonaangevende, hoogproductieve en innovatieve grote bedrijven, die kiezen voor groei en een duurzame toekomst in Nederland. Hoe beter deze bedrijven ingebed raken in Nederlandse ecosystemen, hoe groter de spillover effecten. De Netherlands Foreign Investment Agency en de regionale partners in het Invest in Holland netwerk voeren regelmatig gesprekken met in Nederland gevestigde grote bedrijven en verbinden deze waar mogelijk aan relevante ecosysteem partners.
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Het kabinet zal de kwaliteit van het Nederlandse vestigingsklimaat onder de aandacht brengen om de voedingsactiviteiten zoveel mogelijk in Nederland te versterken en te verankeren. Hierbij focussen we op voorspelbaar beleid en (fiscale) stabiliteit, omdat bedrijven investeringsbesluiten voor de lange termijn nemen. We werken aan een internationaal krachtige, innovatieve en duurzame Nederlandse agrifood-sector. Om te zorgen dat bedrijven betere toegang krijgen tot financiering werken we aan een Nationale Investeringsinstelling en in Europa aan een kapitaalmarktunie. Ook heeft Nederland een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland zet mede daarom in op een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Eén van mijn grootste prioriteiten is het versterken van het ondernemings-en vestigingsklimaat. Het kabinet streeft naar een sterk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat, waarbij bedrijven optimaal kunnen ondernemen, investeren en innoveren. Voor internationale bedrijven zijn voorspelbaar beleid, concurrerende fiscaliteit, toegang tot talent en goede fysieke randvoorwaarden zoals netaansluiting en ruimte, doorslaggevend bij de keuze waar zij zich vestigen.
Verder werkt het kabinet aan het versterken van het financieringsecosysteem over de volle breedte: van start-up en scale-up tot beursgang. Dat vraagt om voldoende beschikbaar kapitaal, actieve betrokkenheid van private en institutionele investeerders en een goed functionerende kapitaalmarkt.
Ook werkt het kabinet aan het vergroten van de internationale aantrekkingskracht van de Nederlandse en Europese kapitaalmarkt. Nederland heeft een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland pakt mede daarom een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Deze lijnen versterken elkaar: een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat trekt bedrijven aan, een goed financieringsecosysteem laat ze groeien en een krachtige kapitaalmarkt biedt ze perspectief op verdere opschaling en notering.
Daarnaast zetten we met de Netherlands Foreign Investment Agency in op het gericht aantrekken van buitenlandse bedrijven, die toegevoegde waarde hebben voor Nederland, doordat zij impact realiseren op (i) verdienvermogen, door hoogproductieve en innovatieve activiteiten te ontplooien, (ii) economische weerbaarheid, door bij te dragen aan strategische autonomie, het versterken van ecosystemen en de internationale relevantie van Nederland, (iii) maatschappelijke opgaven, bijvoorbeeld activiteiten ontplooien die ons helpen in de energietransitie of digitalisering.
Ik houd de staat van het ondernemings- en vestigingsklimaat goed in de gaten. Zo behoort Nederland tot de top-10 van de World Competitiveness Ranking van het IMD (International Institute for Management Development), waarin 69 landen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen. Uit de Monitor Ondernemingsklimaat blijkt tegelijkertijd dat het Nederlandse ondernemingsklimaat, inclusief het vestigingsklimaat, de laatste jaren voor toenemende uitdagingen staat, zoals de onvoorspelbaarheid van beleid of regeldruk.2
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
Ik stel het aanbod van de helpende hand vanuit de Kamer zeer op prijs. In aanvulling op het antwoord op vraag 5 begint het bij het versterken van het verdienvermogen van Nederland: Bedrijven – van startup tot multinational – vormen de motor van onze economie en samenleving.
De Kamer kan hieraan bijdragen door te sturen op een aantrekkelijk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat. De keuze voor een beursnotering hangt vaak samen met de keuze voor vestiging. Dat vraagt om stabiel en consistent beleid, concurrerende fiscaliteit, voldoende aandacht voor talent en goede randvoorwaarden.
Daarnaast kan de Kamer het kabinet ondersteunen bij het versterken van de kapitaalmarkt, onder meer via de Europese kapitaalmarktunie. De beurs speelt een cruciale rol in de groei van volwassen bedrijven en trekt internationaal kapitaal aan. Grote bedrijven hebben daarbij een aanzuigende werking: zij verbeteren de toegang tot kapitaal en verlagen financieringskosten voor kleinere bedrijven. Door op deze punten gericht te sturen, draagt de Kamer bij aan zowel meer vestigingen als meer beursnoteringen in Nederland.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Ja, de verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda er huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart mij zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
Uit cijfers van Kadaster blijkt dat er in de afgelopen 5 jaar ca. 114.000 woningen zijn uitgepond, oftewel door private investeerders zijn verkocht aan eigenaar-bewoners. Van deze woningen waren ca. 52.000 woningen in bezit van een particuliere investeerder en ca. 62.000 woningen in voormalig bezit van een bedrijfsmatige/institutionele investeerder. Desalniettemin is de totale huurwoningvoorraad in handen van private investeerders in de periode 2021–2025 toegenomen van ca. 679.000 naar 752.000 woningen omdat investeerders ook woningen toevoegen via nieuwbouw.
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Vesteda bezit circa 28.000 woningen, verspreid over ruim 80 Nederlandse gemeenten. De grootste concentraties bevinden zich in en rond de grote steden, met name: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere en Amstelveen. Daarnaast is Vesteda ook actief in diverse andere steden buiten de Randstad, waaronder onder meer Arnhem, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Maastricht en Deventer, zij het met kleinere portefeuilles per gemeente.
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
De exacte cijfers per categorie zijn mij niet bekend. Vesteda verhuurt voornamelijk in het middensegment. Daarnaast verhuurt Vesteda ook woningen in de vrije sector. Sociale huur maakt slechts een marginaal onderdeel uit van de portefeuille van Vesteda.
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Ja, vanuit het ministerie is verschillende malen contact geweest over de gevolgen van de redemptieverzoeken met Vesteda en met (vertegenwoordigers van) institutionele beleggers, zoals APG.
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Nee, de volkshuisvesting in Nederland is deels belegd bij corporaties en deels bij marktpartijen. Corporaties spelen een belangrijke rol in het sociale segment. Private investeerders zijn essentieel voor voldoende huurwoningen in het midden- en vrije segment. Het midden- en vrije segment zijn naast de sociale huursector belangrijk voor een goed functionerende woningmarkt. De huurmarkt is op diverse wijze gereguleerd om huurders te beschermen, bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur of de begrenzing van de jaarlijkse huurverhoging. Op deze wijze wordt zowel de kracht van publieke als private partijen benut.
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Het is niet zo dat het woonrecht van de huurders van Vesteda volledig afhankelijk is van diens interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen. Eén van de grondbeginselen van het Nederlandse huurrecht is namelijk dat de huurovereenkomst die een huurder heeft, gewoon blijft bestaan wanneer de woning door de verhuurder wordt verkocht aan een andere investeerder. Wanneer de verhuurder de woning wil verkopen aan een eigenaar-bewoner, kan dit pas als de (tijdelijke) huurovereenkomst van de huurder afloopt, of als de huurder zelf wenst te vertrekken. Vanaf 1 juli 2024 mogen – behoudens enkele uitzonderingen – alleen nog vaste huurcontracten worden afgesloten. Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is daarmee weer de norm geworden. Hiermee hebben huurders meer zekerheid gekregen over hun woonsituatie.
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Institutionele beleggers spelen traditioneel een belangrijke rol bij de financiering van vooral huurwoningen, gezien hun lange beleggingshorizon en behoefte aan stabiele, inflatiebestendige rendementen. Gezien de grote woningbouw opgave zijn investeringen van (buitenlandse) institutionele investeerders onmisbaar.
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Nee, zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 6.
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Zoals toegelicht bij vraag 7 borgt het Nederlandse huurrecht dat huurders niet hun woning kunnen worden uitgezet, indien de investeerder de woning wenst te verkopen. Naast het huurrecht heeft het kabinet beperkt instrumenten om uitponding te voorkomen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het kabinet zet wel in op een verbetering van het investeringsklimaat zodanig dat het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Er bestaat geen wet die private verhuurders verplicht om eerst aan woningcorporaties te verkopen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het is niet aan mij als Minister aan wie private investeerders hun woningen doorverkopen en door wie huurwoningen worden verhuurd. Het gaat erom dat de verhuurder voldoende zorg draagt voor de leefbaarheid van diens woningen en zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur. Zowel een corporatie als een private verhuurder kan dit invullen. Uiteindelijk zijn zowel corporaties als private verhuurders noodzakelijk voor een goed functionerende huurwoningmarkt.
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 11.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren.
Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, bijvoorbeeld binnen de fiscaliteit. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen.
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Zowel private partijen als woningcorporaties zijn nodig voor een gezonde en goed functionerende huurmarkt. Voorop staat dat verhuurders voldoende zorg dragen voor de leefbaarheid van hun woningen en zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Woningcorporaties voeren hun eigen aan- en verkoopbeleid en kunnen hier in lokaal verband afspraken over maken met gemeenten en huurdersverenigingen. Het staat woningcorporaties dus altijd vrij om woningen over te nemen van investeerders als zij hiermee een bijdrage denken te kunnen leveren aan de lokale volkshuisvesting en de aankoop ook vanuit financieel oogpunt te verantwoorden is. Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de financiële positie van woningcorporaties te verbeteren. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van deze maatregelen en hoe zij doorwerken in de investeringsruimte van de corporatiesector.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.
De voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba, Zuid-Soedan |
|
Sarah Dobbe (SP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Dutch Relief Alliance (DRA) van 2 maart 2026 over de voorgenomen sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba?
Kunt u inhoudelijk reageren op de zorgen en argumenten die in deze brief worden genoemd, in het bijzonder ten aanzien van humanitaire toegang, diplomatieke aanwezigheid en veiligheid van hulpverleners?
Deelt u de analyse dat Zuid-Soedan structureel te maken heeft met samenlopende crises – waaronder gewapend conflict, klimaatgerelateerde overstromingen, regionale instabiliteit en grootschalige vluchtelingenstromen uit Soedan – en dat juist in een dergelijke context fysieke diplomatieke aanwezigheid essentieel is voor effectieve hulp en vroegtijdige signalering? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete, zwaarwegende argumenten liggen ten grondslag aan het voornemen om de ambassade in Juba te sluiten, en hoe zijn deze argumenten afgewogen tegen de uitzonderlijk kwetsbare situatie in Zuid-Soedan, waar naar schatting circa 10 miljoen mensen humanitaire hulp nodig hebben?
Welke alternatieven voor volledige sluiting zijn onderzocht, zoals behoud van een afgeslankte post of versterkte regionale ondersteuning, en waarom zijn deze opties wel of niet haalbaar geacht?
Kunt u toelichten hoe de voorgenomen sluiting zich verhoudt tot de investering van 35 miljoen euro voor het wereldwijde Nederlandse ambassadenetwerk vanaf 2027, terwijl de jaarlijkse kosten van de ambassade in Juba circa 4 miljoen euro bedragen? Acht u deze bezuiniging proportioneel in het licht van de Nederlandse belangen in Zuid-Soedan en de uitgesproken ambities in het coalitieakkoord over het vergroten van perspectief van de meest kwetsbare doelgroepen in fragiele regio’s?
Bent u bereid om, mede gezien het lopende adviestraject van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over het Nederlandse postennetwerk, definitieve besluiten over sluiting van de ambassade in Juba aan te houden totdat dit advies is verschenen? Zo nee, waarom niet, en op welke gronden acht u vooruitlopen op dit advies gerechtvaardigd?
Deelt u de zorg dat sluiting van de Nederlandse ambassade in Juba het signaal afgeeft dat Nederland zijn betrokkenheid bij een van de meest kwetsbare landen ter wereld vermindert, en dat dit ruimte kan laten voor andere internationale actoren die minder prioriteit geven aan mensenrechten en multilateralisme? Hoe weegt u de geopolitieke effecten van sluiting van de post in Juba?
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Kunt u de Kamer de beantwoording zo snel mogelijk doen toekomen, idealiter voor het commissiedebat Humanitaire Hulp van woensdag 1 april?
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
De situatie in het Midden-Oosten |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Israëlische kabinet om het zuiden van Libanon te bezetten en het standpunt van de Israëlische Minister van Financiën Smotrich dat Israël Libanees grondgebied ten zuiden van de Litani-rivier moet annexeren?1
Ja.
Veroordeelt u de bezetting en mogelijke annexatie van Libanees grondgebied? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet erkent de veiligheidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah, dat al decennialang een dreiging voor Israël vormt en aanhoudend aanvallen op Israël uitvoert.
Tegelijkertijd onderstreept het kabinet dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. De uitoefening van het recht op zelfverdediging door Israël tegen de aanvallen van Hezbollah dient binnen de grenzen van noodzakelijkheid en proportionaliteit te blijven. Bij de proportionaliteit plaats het kabinet vragen.
Annexatie is in strijd met internationaal recht. Het kabinet veroordeelt oproepen van Israëlische bewindspersonen tot annexatie van Libanees grondgebied. Het kabinet acht uitspraken van Israëlische bewindspersonen inzake bezetting van Zuid-Libanon daarnaast zorgwekkend. De soevereiniteit en de territoriale integriteit van Libanon zijn hierbij van essentieel belang, naast de leidende principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit onder het internationaal recht.
Het kabinet heeft steeds opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren in Libanon en onderstreept het belang van een diplomatieke oplossing voor het conflict tussen Israël en Hezbollah. Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, als gevolg van de directe onderhandelingen tussen deze landen onder leiding van de Verenigde Staten. Het kabinet roept, via de EU en in bilaterale contacten, alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de onderhandelingen voort te zetten om te komen tot een duurzame vrede.
Heeft u alleen begrip voor de veiligheidszorgen van Israël m.b.t. Libanon of heeft u ook begrip voor de Israëlische aanvallen op Libanon? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u begrip voor de Israëlische vernietiging van zeven waterinstallaties in Libanon deze maand, voor 64 Israëlische aanvallen op Libanese gezondheidsdiensten, en voor de verwoesting van drie rivierovergangen waardoor de bewegingsvrijheid van burgers en humanitair personeel ernstig is ingeperkt?2 Zo ja, waarom?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, moet militair optreden binnen de kaders van het internationaal recht plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, moet worden gerespecteerd. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Zijn deze aanvallen op burgerdoelen volgens u verboden onder het oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht vereist dat burgers en burgerobjecten worden ontzien en beschermd. Ook biedt het humanitair oorlogsrecht speciale bescherming voor humanitaire hulpverleners en voor objecten die onmisbaar zijn voor de overleving van de burgerbevolking. Die bescherming is niet absoluut. Wanneer hulpverleners handelingen uitvoeren die schadelijk zijn voor de vijand, of wanneer objecten worden gebruikt voor militaire doeleinden, kunnen zij hun bescherming verliezen. In die gevallen dienen alsnog de regels over voorzorgsmaatregelen en proportionaliteit te worden toegepast. Het kabinet beschikt over onvoldoende informatie om over deze specifieke gevallen te kunnen oordelen.
Bent u bereid deze aanvallen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Op 14 april jl. heeft Nederland een door Frankrijk geïnitieerde verklaring medeondertekend over de situatie in Libanon. Hierin veroordeelt het kabinet in de sterkst mogelijke bewoordingen de grootschalige Israëlische aanvallen in Libanon van 8 april jl. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de observatie dat Israël een gebrek aan water inzet als oorlogswapen? Zo nee, waarom niet?
Het is verboden om opzettelijk gebruik te maken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering, door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving. Het gebruik van uithongering als methode van oorlogsvoering is een ernstig internationaal misdrijf. Het is belangrijk dat dit wordt onderzocht en dat bewijsmateriaal van vermeende schendingen wordt verzameld, op basis waarvan een rechter kan bepalen of hier sprake van is.
Bent u bekend met de uitspraak van Minister Smotrich dat de zuidelijke wijken van Beiroet binnenkort op Khan Younis zullen lijken? Veroordeelt u deze uitspraak?
Ja, dit zijn verwerpelijke uitspraken.
Bent u bekend met het bevel van de Israëlische Minister van Defensie om Libanese huizen in het grensgebied te vernietigen «volgens het voorbeeld Beit Hanoun en Rafah»? Is dit volgens u een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van Israëlische bewindspersonen waarin parallellen worden getrokken tussen militair optreden in Gaza en Libanon. Voor het kabinet staat voorop dat burgerobjecten te allen tijde bescherming onder het humanitair oorlogsrecht genieten. Het aanvallen of vernielen van gebouwen die normaal bestemd zijn voor bewoning door burgers mag alleen onder strikte voorwaarden. Als niet aan die voorwaarden is voldaan, kan sprake zijn van een schending van het humanitair oorlogsrecht en mogelijk een oorlogsmisdrijf.
Erkent u, op basis van deze uitspraken en het bewijs dat ruimschoots voorhanden is, het risico dat Israël op dit moment in Libanon een blauwdruk van de militaire vernietigingscampagne in Gaza uitrolt?
Zie antwoord vraag 9.
Pleit u net als de Speciaal Coördinator voor Libanon Hennis-Plasschaert voor een staakt-het-vuren? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 2 en 3.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de motie-Klaver (Kamerstuk 23 432, nr. 645) om de Libanese regering te ondersteunen bij de implementatie van resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad?
Het kabinet heeft extra steun beschikbaar gesteld voor de Lebanese Armed Forces (LAF) ter ondersteuning van het herstel van het geweldsmonopolie door middel van de ontwapening van Hezbollah.3 Daarnaast heeft Nederland op 8 april jl. een verklaring ondertekend waarin wordt opgeroepen tot een einde aan de vijandelijkheden. Nederland roept in politieke contacten met Israël op tot de-escalatie en bij de Libanese regering tot extra inzet op de ontwapening van Hezbollah.
Bent u bekend met het bericht «Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: «De wereld kijkt andere kant op»» van de NOS, d.d. 23 maart 2026?3
Ja.
Deelt u de analyse dat Israël nog steeds veel te weinig humanitaire hulp binnenlaat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er komt nog altijd te weinig humanitaire hulp Gaza binnen en de humanitaire situatie is onverminderd zorgelijk, mede door de belemmeringen die internationale ngo’s en andere hulporganisaties ondervinden. Ook de herregistratieplicht bemoeilijkt hun inzet aanzienlijk.
Het kabinet roept Israël op de herregistratieplicht terug te draaien en dringt aan bij Israël om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verschaffen. Zo heeft de Minister-President in het gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moeten openstellen voor humanitaire hulp. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Europese Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. benadrukt dat de gevolgen van het Israëlische handelen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, waaronder de humanitaire situatie in Gaza, aanleiding kunnen geven om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Hoeveel kinderen zijn er sinds de aanvang van het staakt-het-vuren gedood door de Israëlische krijgsmacht in Gaza?
Volgens de meest recente cijfers van het Gazaanse Ministerie van Gezondheid en Save the Children zijn er tussen 10 oktober 2025 en 3 april jl. meer dan 700 Palestijnen, onder wie ten minste 180 kinderen, omgekomen door Israëlische aanvallen.
Hoe heeft u in uw eerste maand als Minister van Buitenlandse Zaken de druk bij Israël opgevoerd om de aanvallen op Gaza te staken en meer humanitaire hulp toe te laten?
Het kabinet weegt voortdurend welke combinatie van diplomatieke druk en dialoog het meest effectief is om invloed uit te oefenen op het beleid van Israël. Het kabinet acht het van groot belang dat het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas standhoudt en dat verdere stappen worden gezet om het vredesplan te implementeren. Deze boodschap wordt consequent en op alle niveaus overgebracht aan de Israëlische autoriteiten, recentelijk door de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie verder het antwoord op vraag 14.
Op welke manier gaat u de druk op de Israëlische autoriteiten verder opvoeren?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bekend met het artikel «No Israel prosecutions for killing Palestinian civilians in occupied West Bank since start of decade» van The Guardian, d.d. 25 maart 2026?4
Ja.
Deelt u de mening dat deze straffeloosheid onacceptabel is? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om deze straffeloosheid te bestrijden?
Het kabinet ziet momenteel te weinig onderzoek naar, en berechting van, internationale misdrijven door Israël zelf. Nederland spreekt Israël hier consistent op aan. Als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten komt de internationale gemeenschap in beeld. In het geval van Israël en de bezette Palestijnse Gebieden bestaan reeds door de VN-Mensenrechtenraad gecreëerde mandaten die onderzoek doen naar vermeende schendingen.
Nederland zet zich in voor activiteiten die het afleggen van rekenschap in brede zin (en in de toekomst) mogelijk maken, bevorderen en ondersteunen. Zo heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (Office of the High Commissioner for Human Rights, OHCHR) ontvangt in 2026 iets meer dan 2,1 miljoen euro ter ondersteuning van de onderzoekswerkzaamheden van het VN-landenkantoor in de bezette Palestijnse Gebieden.
Hoe past deze straffeloosheid volgens u in het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat er sprake is van apartheid dan wel rassendiscriminatie in de bezette Palestijnse Gebieden?
Zie het antwoord op vraag 19. In zijn advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof onder meer dat Israël systematisch tekortschiet om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat de Israëlische staat buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen. Het Hof koppelt deze schending niet rechtstreeks aan artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Wel oordeelt het Hof op basis van een analyse van Israëlische wetgeving en maatregelen, waaronder het verblijfsvergunningsbeleid in Oost-Jeruzalem en het beperken van de bewegingsvrijheid van Palestijnen, dat Israël deze verplichting schendt.
Vindt u dat het Israëlische rechtssysteem functioneert zoals het in een democratische rechtsstaat zou moeten? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dat vindt?
Israël wordt van oudsher gekenmerkt als een democratische rechtsstaat met een sterk rechtssysteem. Deze staan echter onder druk, onder meer door (voorgenomen) juridische hervormingen die de rechterlijke macht verzwakken. Het kabinet onderstreept het belang van het respecteren van de fundamenten van de democratische rechtsstaat, waaronder een onafhankelijke rechterlijke macht. Het kabinet is daarbij van mening dat het in het belang van Israël zelf is om de fundamenten van de Israëlische rechtsstaat te eerbiedigen.
Deelt u de oproep van de voormalige Israëlische premier Olmert dat het Internationaal Strafhof tegen het geweld tegen Palestijnse burgers op de Westelijke Jordaanoever zou moeten ingrijpen? Zo ja, bent u bereid het Internationaal Strafhof daartoe een financiële bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?
Het Internationaal Strafhof heeft op dit moment een lopend onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. In het kader van dit onderzoek zijn door het Hof ook arrestatiebevelen uitgevaardigd. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en bemoeit zich niet inhoudelijk met de onderzoeken die door het Hof worden uitgevoerd. Zoals eerder gesteld heeft Nederland de afgelopen jaren in totaal een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van 6 miljoen euro voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van het Hof.
Bent u bekend met het bericht «Slovenia decides not to join ICJ case against Israel as political scandals deepen» van Euronews, d.d. 20 maart 2026?5
Ja.
Heeft Israël ook druk uitgeoefend op Nederland om geen interventie te plegen in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof? Zo ja, kunt u nader toelichten hoe?
Israël heeft zijn positie over een eventuele interventie destijds kenbaar gemaakt.
Klopt het dat ook Nederlandse autoriteiten Israëlische software in gebruik heeft, zoals Pegasus? Zo ja, deelt u de mening dat dit een afhankelijkheidsrelatie creëert waarmee Israël ons kan chanteren?
Het kabinet werkt via de Taskforce Strategische Afhankelijkheden aan het mitigeren van de risico’s van strategische afhankelijkheden. Hierbij worden alle afhankelijkheden die Nederland van landen buiten de EU heeft meegewogen. De Kamer is middels de Kamerbrief (Kamerstuk 30 821, nr. 244) over de voortgang van de kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden geïnformeerd. Wegens nationale veiligheidsoverwegingen wordt er niet openbaar gecommuniceerd over de strategische afhankelijkheden die het kabinet als risicovol aanmerkt. Over de wijze waarop de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Welke stappen onderneemt u om ongewenste afhankelijkheden van Israël af te bouwen?
Zie antwoord vraag 25.
Het huidige mestbeleid en de financiële consequenties daarvan voor agrarisch ondernemers |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «geld betalen om mest af te voeren én dure kunstmest inkopen? «onverdedigbaar», vindt Eurocomissaris Hansen»?1
Deelt u de opvatting van Eurocommissaris Christophe Hansen dat het «onverdedigbaar» is dat boeren betalen voor mestafvoer en tegelijkertijd dure kunstmest moeten inkopen? Hoe beoordeelt u deze situatie specifiek voor Nederland?
Bent u bekend met de consequenties voor kleinere boeren door het mestbeleid omdat deze boeren relatief harder geraakt worden omdat zij minder schaalvoordelen en financiële ruimte hebben om stijgende kosten zoals mestafvoer en kunstmest op te vangen of zich aan te passen? Zijn er signalen dat kleinere bedrijven in Nederland relatief harder worden geraakt dan grotere bedrijven door de consequenties voor het verdienvermogen en mogelijke bedrijfsbeëindiging?
Hoe kijkt u naar innovatieve oplossingen zoals het gebruik van bewerkte dierlijke mest, bijvoorbeeld Renure, als alternatief voor kunstmest en welke belemmeringen bestaan er momenteel voor grootschalige toepassing hiervan in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt u de huidige afhankelijkheid van import van kunstmest, mede in het licht van geopolitieke ontwikkelingen? Deelt u de opvatting dat vermindering van importafhankelijkheid wenselijk is? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet?
Welke concrete verbeteringen kunnen boeren op korte termijn verwachten en bent u bereid zich actief in te zetten voor oplossingen die zowel economisch als ecologisch houdbaar zijn?
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Het kabinet heeft de berichten voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Er zijn verschillende theorieën over de etymologische geschiedenis van de benaming van Jeruzalem.
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat er in de conceptgrondwet geen referentie wordt gemaakt naar de bescherming van Joodse heilige plekken in Jerusalem, maar wel naar Islamitische en Christelijke heiligdommen. Het kabinet is van mening dat vrije, veilige en niet-discriminerende toegang tot heilige plaatsen van alle religies – waaronder de Joodse heiligdommen in Jeruzalem – een essentieel onderdeel is van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het kabinet zal de ontwikkelingen omtrent de Grondwet nauwkeurig blijven volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Jeruzalem heeft historisch gezien en vandaag de dag een speciale status in het jodendom, de islam, en het christendom. Het respecteren van verschillende religieuze plaatsen in Jeruzalem is ook vastgelegd in de al lang bestaande Status Quo-overeenkomst. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht en een prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland draagt dit uit en zet zich in om dit recht te beschermen, ook in Israël en de Palestijnse Gebieden. Deze conceptgrondwet is wat het kabinet betreft geen bewijs van ontkenning van de geschiedenis van Jeruzalem door de Palestijnse Autoriteit (PA). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Nederland geeft uitvoering aan deze motie. Het standpunt van het kabinet is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke keuze te maken, en dit in vrijheid en veiligheid te doen. Dat geldt wereldwijd, en daarmee ook in Jeruzalem.
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
De conceptgrondwet voorziet geen directe implementatie van de sharia. Wel wordt in de conceptgrondwet aangegeven dat bepaalde principes van de sharia als inspiratiebronnen gelden voor wetgeving. Dit is gebruikelijk in islamitische landen en heeft geen invloed op de betrekkingen die het kabinet onderhoudt met de PA.
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Daar ben ik mee bekend.
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Er staat dat «rechten van gevangenen zullen worden bewaard». Er wordt in de conceptgrondwet niet gerefereerd aan het sociale zekerheidssysteem waar betalingen aan achterblijvende families van gevangenen onderdeel van zijn op basis van financiële behoeften. Zie ook het antwoord op vraag 10 en 11.
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
De Palestijnse president Abbas ondertekende op 11 februari 2025 een decreet waarin dit systeem werd vervangen door een nieuw sociaal systeem. Het decreet stelt dat deze families in aanmerking komen voor uitkeringen op basis van hun financiële behoeften, net zoals andere Palestijnen die steun behoeven. De hervorming op dit vlak is doorgevoerd en wordt gehandhaafd. President Abbas ontsloeg op 10 november 2025 zijn Minister van Financiën, die volgens berichtgeving goedkeuring had gegeven voor een beperkt aantal betalingen volgens het oude systeem. Daaropvolgend publiceerde president Abbas een verklaring waarin hij de hervormingen t.a.v. het sociale zekerheidssysteem nogmaals bevestigde en waarin hij benadrukte dat alle betalingen volgens dit hervormde systeem zullen plaatsvinden. Het kabinet heeft geen recente signalen ontvangen dat de PA het eerdere systeem van uitkeringen voortzet. Het hervormde systeem wordt momenteel in opdracht van de Palestijnse Autoriteit door een onafhankelijk auditbureau beoordeeld. Daarnaast wordt een onafhankelijke audit uitgevoerd in opdracht van de EU.
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 10.
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend zijn de uitbetalingen in het kader van het meerjarensteunprogramma van de EU aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk van de voortgang op de implementatie van de hervormingen van het sociale systeem, waaronder op het gebied van betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood. Het kabinet dringt er bij de Commissie op aan dat deze afspraken nauwgezet worden gemonitord.
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet informeert de Kamer geregeld over de voortgang van de hervormingen van de PA en zal dit blijven doen.
Het bericht dat groente- en fruittelers in de knel komen door aangescherpte regels rond het T-rijbewijs voor buitenlandse werknemers |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat groente- en fruittelers in de knel komen door aangescherpte regels rond het T-rijbewijs voor buitenlandse werknemers?1
Ja.
Klopt het dat buitenlandse werknemers met een geldig T-rijbewijs uit bijvoorbeeld Polen of Roemenië niet langer met landbouwvoertuigen de openbare weg op mogen in Nederland?
T-rijbewijzen uit Polen of Roemenië zijn nooit geldig geweest in Nederland. Waarschijnlijk doelt het artikel op het aflopen van de tienjarige overgangsperiode die in 2015 was ingegaan bij de invoering van het T-rijbewijs in Nederland. In deze overgangsperiode was het nog tijdelijk toegestaan om met een ouder B-rijbewijs uit de EU – afgegeven voor 1 juli 2015 – landbouwvoertuigen te besturen. Voor 1 juli 2015 was er geen rijbewijs vereist voor het besturen van een landbouwvoertuig.
Deelt u de zorg dat deze regels leiden tot personeelstekorten tijdens cruciale zaai- en oogstperiodes, met directe gevolgen voor de voedselproductie?
Er loopt overleg met landbouworganisaties waarin gezamenlijk wordt gekeken naar de omvang van dit probleem. Het is in de eerste plaats aan de landbouwsector om binnen de kaders van de regelgeving te zorgen voor voldoende gekwalificeerd personeel. De tienjarige invoeringsperiode die hierboven is genoemd was juist bedoeld om de effecten van de invoering van het T-rijbewijs voor bedrijven en burgers te verzachten, zodat die zich goed konden voorbereiden op de nieuwe situatie. Vanuit het belang voor de verkeersveiligheid is er in 2015 voor gekozen dat na deze overgangsperiode, dus vanaf 1 juli 2025, het niet meer toegestaan is om met een Nederlands of buitenlands B-rijbewijs in Nederland een landbouwvoertuig te besturen. Een landbouwvoertuig dat met rijbewijscategorie T kan worden bestuurd kan namelijk een heel zwaar voertuig zijn met een of meerdere zwaarbeladen aanhangers.
Wetende dat door Europese regelgeving buitenlandse werknemers pas een Nederlands T-rijbewijs kunnen halen na minimaal 185 dagen verblijf in Nederland, acht u dit een realistische oplossing voor seizoensarbeid?
Het is correct dat het T-rijbewijs pas na 185 dagen verblijf in Nederland kan worden bijgeschreven. Dit heeft te maken met de aansluiting bij de EU-rijbewijsregels die bepalen dat een rijbewijs pas mag worden afgegeven als iemand een duurzame binding met Nederland heeft. De rijopleiding en het examentraject bij het CBR kunnen al eerder worden gestart.
Daarnaast kan er vermeld worden dat er bij de invoering van het T-rijbewijs in 2015 is bepaald dat het C-rijbewijs (voor vrachtwagens) gelijkwaardig is aan het T-rijbewijs. Dit kan ook een buitenlands C-rijbewijs zijn, dat de betrokken seizoenarbeiders in het land waar ze woonachtig zijn kunnen behalen. Ook is hier nog relevant dat de rijbewijsplicht niet geldt buiten de openbare weg, zoals op akkers, in boomgaarden en in kassen.
Hoe weegt u het argument van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en de RDW dat erkenning te complex en kostbaar zou zijn, tegen de praktische problemen en economische schade voor de landbouwsector?
Het CBR en de RDW hebben als betrokken uitvoeringsorganisaties een goed zicht op de (on)mogelijkheden en de risico’s van het erkennen van T-rijbewijzen uit andere EU-landen. Er is inmiddels ervaring opgedaan met de erkenning van Duitse en Belgische T-rijbewijzen, die per 1 juli 2025 van kracht is geworden. Deze ervaring heeft geleerd dat dit kostbare en langdurige trajecten zijn. Daar komt bij dat in het geval van België en Duitsland de exameneisen dicht bij de Nederlandse eisen lagen, de informatie hierover goed te vinden was en de taalverschillen overkomelijk waren. Voor landen als Polen, Bulgarije en Roemenië is dit mogelijk anders. Bovendien was voor België en Duitsland het frequente grensverkeer van landbouwvoertuigen een belangrijke economische onderbouwing om dit instrument in te zetten. Bij de andere EU-landen speelt dit niet.
Hoe verhoudt de keuze om buitenlandse werknemers met een T-rijbewijs te weren van Nederlandse wegen zich met de realiteit van een Europese interne markt?
Er is geen sprake van het «weren» van buitenlandse werknemers. Er is in Europa bewust voor gekozen om geen Europees T-rijbewijs in te voeren en het aan lidstaten zelf te laten om een nationaal T-rijbewijs in te voeren. Dat is de achtergrond van de vele verschillen tussen de EU-landen op dit vlak. Het uitgangspunt bij de invoering van het T-rijbewijs in 2015 in Nederland was dat iedere bestuurder van een landbouwvoertuig heeft aangetoond aan een minimale set rijvaardigheidseisen en theoriekennis te voldoen. Dit zijn nationale eisen die Nederland vanuit de verkeersveiligheid stelt. Het versoepelen van de rijbewijsplicht voor buitenlandse werknemers zou juist in Nederland woonachtige werknemers, die wel een T-rijbewijs moeten halen, benadelen als zij actief willen zijn op deze arbeidsmarkt.
Kan u uitleggen waarom deze beslissing hier wel noodzakelijk wordt geacht en in buurlanden niet?
Het is onduidelijk welke regels er precies voor buitenlandse werknemers gelden in de buurlanden, maar in ieder geval is tijdens het erkenningentraject met België duidelijk geworden dat België helemaal geen rijbewijs eist voor niet-ingezetenen die een landbouwvoertuig besturen. In Nederland is daar in onze wetgeving rond het T-rijbewijs – die aansluit bij de algemene regels voor de rijbewijsplicht – niet voor gekozen. Een dergelijke vrijstelling staat ook op gespannen voet met het Nederlandse beleid ten aanzien van de verkeersveiligheid. Het instrument van de erkenning, waarbij de buitenlandse eisen voor het T-rijbewijs worden onderzocht aan de hand van de exameneisen, is de enige weg die volgens de wetgeving openstaat.
Bent u bereid om op korte termijn te komen met een tijdelijke ontheffing of overgangsregeling voor arbeidsmigranten, bijvoorbeeld gekoppeld aan seizoenswerk of een aanvullende cursus, zoals voorgesteld in het artikel?
Zie het antwoord op vraag 7. Zoals in antwoord 3 gemeld vindt er overleg plaats met de landbouworganisaties over de omvang van het probleem. Eventuele aanvullende maatregelen worden daarbij beoordeeld aan de hand van de mogelijkheden in de wetgeving rond het T-rijbewijs, een verantwoorde en proportionele besteding van middelen, een gelijk speelveld voor alle bedrijven en bestuurders van landbouwvoertuigen in Nederland en het bestaan van geschikte alternatieven voor buitenlandse werknemers, zoals genoemd bij vraag 4. Deze afweging vindt uiteraard plaats tegen het hoofddoel van de rijbewijsregels: het waarborgen van de verkeersveiligheid. Er vielen in de periode 2014–2023 in Nederland gemiddeld 13 doden per jaar bij ongevallen waarbij landbouwvoertuigen waren betrokken. In bijna 90% van de gevallen betrof dit de tegenpartij van het landbouwvoertuig (bron: SWOV-factsheet landbouwverkeer).
Erkent u dat dit wederom een voorbeeld is van nationale koppen op Europese regels die de Nederlandse landbouw onnodig op achterstand zetten, en bent u bereid deze praktijk te beëindigen?
Er bestaan geen Europese regels voor T-rijbewijzen. De bevoegdheid op dit gebied ligt geheel bij de lidstaten. Er is dus geen sprake van een nationale kop.
Het bericht ‘Minister Vijlbrief: ‘Korter wachtgeld voor politici kunnen we over nadenken’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw uitspraak dat er gekeken moet worden naar een kortere wachtgeldperiode voor Ministers?1
Deelt u de mening dat het oneerlijk is wanneer het kabinet niet tornt aan de eigen wachtgeldregeling, maar wel tornt aan de Werkloosheidswet (WW-)duur?
Bent u hierover in gesprek getreden binnen het kabinet? Zo ja, welke stappen heeft u genomen? Zo nee, waarom niet?
Welke opvolging gaat u verder geven aan deze uitspraak?
Welke stappen vanuit het kabinet kan de Kamer verwachten om de wachtgeldregeling te verkorten?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De toezegging inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen over in Nederland veroordeelde Pakistanen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw gedane toezegging tijdens het debat over de regeringsverklaring van 25 februari 2026, dat u de Kamer zou informeren over of én welke stappen Nederland heeft gezet om de gerechtelijke vonnissen, waaronder die zijn opgenomen onder ECLI:NL:RBDHA:2023:13579, ECLI:NL:RBDHA:2024:14348 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14347, waarin een aantal Pakistanen zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven gericht tegen ondergetekende waaronder het uitvaardigen van fatwa’s door imams om mij te vermoorden, ten uitvoer te leggen én of de desbetreffende veroordeelden aan Nederland uitgeleverd te krijgen?
Wij kunnen bevestigen dat de Minister-President bij het debat over de regeringsverklaring op 25 februari jl. heeft toegezegd zich ertoe te zullen inspannen om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.
Kunt u de Kamer op korte termijn op de hoogte stellen van alle concrete stappen de regering sinds voornoemde vonnissen heeft genomen om de onherroepelijk veroordeelde Pakistanen hun straf te laten uitzitten respectievelijk aan Nederland te laten uitleveren? Welke stappen heeft de regering inmiddels genomen om de veroordelingen effectief ten uitvoer te leggen? Welke stappen bent u nog voornemens te nemen?
Nederland heeft Pakistan eind 2024 formeel verzocht om de uitlevering van diverse in Nederland veroordeelde personen. Het is aan Pakistan om op de uitleveringsverzoeken te reageren. We kunnen uw Kamer verzekeren dat Nederland de uitleveringsverzoeken met grote regelmaat op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij de Pakistaanse autoriteiten.
Over welke inspanningen precies zijn gepleegd, doen wij gezien de vertrouwelijke aard van het diplomatieke verkeer met buitenlandse autoriteiten, geen verdere uitspraken. Dit kan de internationale strafrechtelijke samenwerking met andere landen en het land in kwestie, zowel in het algemeen als met betrekking tot deze specifieke zaken, belemmeren.
Bij brief van 2 september 2024 is geschetst welke inspanningen worden geleverd in geval van rechtshulp- en uitleveringsverzoeken.1 Daarnaast wordt ingegaan op de diplomatieke inzet van het kabinet indien landen niet meewerken aan de opsporing, vervolging of berechting van personen die verdacht worden van, of veroordeeld zijn voor, het bedreigen van politieke ambtsdragers.
Nederland zal niet schuwen om te blijven aandringen op uitvoering. Het belang dat Nederland aan deze verzoeken hecht wordt duidelijk overgebracht en er kan aan de zijde van Pakistan geen misverstand bestaan over de noodzaak van een adequate opvolging van de Nederlandse verzoeken.
Deelt u nog steeds de mening dat het onaanvaardbaar is als personen, waaronder imams, die zijn veroordeeld door een Nederlandse rechtbank vanwege het uitbrengen van een of meerdere fatwa’s waarin moslims wordt opgeroepen mij te vermoorden, hun straf niet hoeven uit te zitten omdat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken?
We zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Het kabinet spant zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen. Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus veelvuldig en nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Welke politieke en diplomatieke stappen bent u bereid te nemen tegen Pakistan als dat land blijft weigeren mee te werken aan het effectueren van het vonnis van de Nederlandse rechtbank? Bent u bereid sancties te overwegen? Zo ja welke, zo neen waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.