Uitstroom van beleggers uit woningfondsen |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vesteda poogt massale uitstroom beleggers uit woningfonds te beperken»?1
Hoe beoordeelt u de signalen dat (internationale) beleggers op grote schaal kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen?
Kunt u in kaart brengen wat de omvang is van de (verwachte) uitstroom van kapitaal uit Nederlandse woningfondsen in de afgelopen jaren en op dit moment met daarbij een onderscheidt tussen nationaal en internationaal kapitaal?
Welke gevolgen heeft deze uitstroom voor investeringen in de Nederlandse woningmarkt, in het bijzonder voor de bouw van (midden)huurwoningen en het aantal beschikbare huurwoningen?
Kunt u daarnaast in kaart brengen wat het effect is van de uitstroom van institutioneel kapitaal op het behalen van de 70% voorverkoopeis bij gemengde woningbouwprojecten en hoeveel woningen hierdoor geraakt worden?
Kunt u in kaart brengen hoe breed de problematiek van redemptieverzoeken speelt onder (internationale) pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, en wat dit betekent voor de investeringscapaciteit in de Nederlandse woningmarkt?
Welke rol speelt de fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen bij hun bereidheid om in Nederland te investeren in woningbouw?
Deelt u de opvatting dat ongunstige fiscale behandeling van buitenlandse pensioenfondsen ertoe kan leiden dat Nederland investeringen in de woningmarkt misloopt? Zo ja, hoe groot acht u dit effect?
Bent u bereid in kaart te brengen welke fiscale knelpunten buitenlandse pensioenfondsen ervaren bij investeringen in de Nederlandse woningmarkt en welke mogelijkheden er zijn om deze knelpunten weg te nemen?
Zou u in de hiervoor genoemde verkenning naar fiscale knelpunten de in het nieuwsartikel genoemde afschaffing van de fiscale beleggingsinstelling (FBI)-status en de renteaftrekbeperking en de pensioenfondsvrijstelling willen meenemen?
Bent u hierover in gesprek met (internationale) beleggers en pensioenfondsen, en zo ja, wat zijn de belangrijkste signalen die u uit deze gesprekken ontvangt?
Waarom is er nog geen kabinetsreactie op het onderzoek naar het Investeringsklimaat middenhuur dat SEO Economisch Onderzoek heeft verricht in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Financiën, terwijl dit samenhangt met belangrijke trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, en een belangrijke basis moet vormen voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Zou u in kaart willen brengen welke impact deze vertraging van de kabinetsreactie heeft op trajecten rondom middenhuur, investeringsklimaat en versnellen van de woningbouwproductie, maar ook voor realisatie van de afspraken uit de Woontop en concrete afspraken met investeerders?
Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak om de verruimde staatssteunruimte voor middenhuur te benutten, zoals verzocht in de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 36 600-XXII, nr. 35)?
Welke kansen ziet u om via publiek-private samenwerking (PPE-constructies), garantstellingen of andere instrumenten de investeringsbereidheid van (institutionele) beleggers in de middenhuur te vergroten, en hoe gaat u deze kansen concreet benutten?
Het bericht ‘Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld’ |
|
Bart Bikkers (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat informatie van vrouwen over vruchtbaarheid, hun menstruatiecyclus en (het afbreken van) een eventuele zwangerschap wordt doorverkocht en gedeeld met bedrijven?
Dergelijke informatie zal in de regel kwalificeren als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Als in de hier genoemde gevallen sprake is van een dergelijke doorverkoop zonder expliciete toestemming, en van een onrechtmatige verwerking van dergelijke bijzondere persoonsgegevens, dan vind ik dat verontrustend. Het verwerken van deze persoonsgegevens is immers verboden, tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld2 dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen, zijn naar het oordeel van het HvJEU in beginsel gezondheidsgegevens. De verkoop daarvan aan derde partijen, zonder dat er een mechanisme bestaat dat de klant hiervoor vooraf uitdrukkelijke toestemming laat geven, is in strijd met de AVG.
Het beoordelen van een specifieke situatie is echter aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP is bij uitstek bevoegd om stappen te ondernemen wanneer sprake is van een overtreding van de regels die zijn neergelegd in de AVG. Het kabinet beschikt niet over bevoegdheden om daarover uitspraken te doen en zou op de stoel van de toezichthouder gaan zitten als het dat deed.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze data lijkt te worden gedeeld met landen of bedrijven die zich buiten Europa bevinden en waar vrouwenrechten, zoals het recht op abortus, onder druk staan?
Persoonsgegevens mogen alleen naar zogeheten derde landen (landen buiten de Europese Economische Ruimte) worden doorgegeven als een van de in de AVG genoemde specifieke uitzonderingen van toepassing is. Dat kan het geval zijn als de Europese Commissie (EC) heeft vastgesteld dat dit land een passend beschermingsniveau biedt, of als de doorgifte is voorzien van passende waarborgen en de betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken. De beoordeling hiervan in specifieke gevallen vereist een juridische en feitelijke oordeelsvorming door de onafhankelijke toezichthouder.
Klopt het dat gegevens over onder andere menstruatie, miskramen, zwangerschapstesten en het gebruik van morning-afterpillen volgens de privacywetgeving als bijzondere persoonsgegevens gelden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, klopt het dat deze bijzondere persoonsgegevens niet zonder medeweten van degene waar het om gaat verkocht mogen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u onze zorg dat bedrijven die zichzelf profileren als vóór de vrouwengezondheid en als een betrouwbare partij, terwijl zij zonder uitdrukkelijke toestemming bijzondere persoonsgegevens van gebruikers doorverkopen, misleidend te werk gaan? Zo ja, welke rol ziet u hierbij voor de Autoriteit Consument & Markt of de Autoriteit Persoonsgegevens?
Deze zorg deel ik. Wanneer inderdaad sprake is van onrechtmatige verwerkingen van dergelijke bijzondere persoonsgegevens, dan vind ik dat verontrustend. Voor mogelijke schending van consumenten- en gegevensbeschermingsrecht kunnen gebruikers zich tot de toezichthoudende autoriteit wenden. Voor zover het de naleving betreft van de AVG is dat de AP. De AP kan onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, kan boetes en dwangsommen opleggen alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Met betrekking tot de naleving van het consumentenrecht kan een melding worden gedaan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de toezichthouders, en waar nodig partners op Europees niveau, om zo snel mogelijk de lichamelijke integriteit van vrouwen en mensen ook digitaal te beschermen zodat voorkomen wordt dat hormonale kwetsbaarheden worden geëxploiteerd voor commercieel gewin, zonder dat vrouwen dat weten? Zo nee, waarom niet?
Het arrest van het HvJEU d.d. 4 oktober 2024 waaraan ik heb gerefereerd in de antwoorden op de vragen 2 en 4, heeft de brede werkingssfeer van de AVG bevestigd door een ruime interpretatie van het begrip «gezondheidsgegevens», door ook online aankopen van receptvrije geneesmiddelen daaronder (en daarmee onder de strikte regels voor bijzondere persoonsgegevens) te brengen. Ik zou niet willen concluderen dat er sprake is van lacunes in de wetgeving; veeleer wringt het bij de naleving daarvan door verwerkingsverantwoordelijken. Het doen van onderzoek daarnaar is als gezegd een taak van de onafhankelijke toezichthouder. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP daarbij volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van al dan niet rechtstreekse externe invloed en vragen, noch aanvaardt zij instructies van wie dan ook. Deze onafhankelijkheid vind ik belangrijk en ik wil deze dan ook niet doorkruisen.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wetgeving afdoende is, of dat er nog aanvullende wetgeving of beleid nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Varkenshouder baalt van vele Woo-verzoeken»?1
Herkent u de zorgen van de sector waar het bedrijfsadres van boeren en agrarische bedrijven zoals transporteurs en verzamelcentra ook vaak het woonadres is? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Klopt het dat er binnen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn die toezien op de beoordeling van Wet open overheid (Woo)-verzoeken bij binnenkomst, de afweging om al dan niet gebruik te maken van de verdagingsmogelijkheid van artikel 4.4 Woo of beoordelingscriteria of afwegingskaders die door de RVO worden gehanteerd om te bepalen of een Woo-verzoek «omvangrijk» of «complex» is? Zo nee, op welke gronden vindt de beoordeling van Woo-verzoeken dan plaats?
Kunt u aangeven of deze interne protocollen, richtlijnen en of handreikingen (formeel of informeel) wel aanwezig zijn binnen het Ministerie van LVVN en/of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor de beoordeling van Woo-verzoeken die aan deze organisaties zijn gericht?
Kunt u aangeven hoe de beoordeling van Woo-verzoeken plaatsvindt indien er geen interne protocollen, richtlijnen of handreikingen (formeel of informeel) zijn?
Bent u zich bewust van het feit dat het ontbreken van interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies (formeel of informeel) de schijn van willekeur kan ontstaan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven of en hoe vaak termijnen worden overschreden omdat de beoordeling van Woo-verzoeken te lang op zich laat wachten en kunt u dit inzichtelijk maken voor het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA?
Kunt u aangeven hoeveel kosten er in de afgelopen vijf jaar (per jaar en per organisatie) zijn gemaakt omdat de behandeling van het Woo-verzoek te lang op zich liet wachten?
Kunt u alle documenten, interne protocollen, richtlijnen, handreikingen of instructies per organisatie (het Ministerie van LVVN, de RVO en de NVWA) per ommegaande met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen voor het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en NVWA op 23 april 2026 te beantwoorden?
Het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te gaan?
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december 2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Bent u bekend met het bericht «Gescheiden ingang jongens en meisjes bij middelbare school Heemstede in verband met iftar, leerlingen verzocht schouders en knieën te bedekken»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeeld u de situatie als geschetst in het nieuwsbicht?
Dit bericht doet verslag over een iftar die op initiatief van een aantal leerlingen georganiseerd zou worden op het HBM, een christelijke school voor voortgezet onderwijs. De school heeft ruimte willen bieden aan dit initiatief. Dat kan passen bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze kennis en respect bevorderen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging. Zo’n initiatief moet dan echter niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een veilige schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Scholen kunnen er ook voor kiezen om op andere manieren invulling te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht.
Kunt u bevestigen wat er feitelijk is gebeurd en zijn er u andere voorbeelden bekend, bijvoorbeeld op openbare scholen, waar dit op deze manier gebeurd is?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het HBM. Het schoolbestuur van het HBM geeft aan niet op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de uitnodiging en niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan. Hierover is ook door verschillende media gerapporteerd. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen, volgend jaar wil de school de iftarviering wel weer organiseren. De school wil de iftarviering dan laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften.
De inspectie geeft aan dat iftarvieringen geregeld voorkomen in het voortgezet onderwijs, zowel bij openbare scholen als bij christelijke scholen. Het is voor de inspectie onbekend of daarbij scholen vragen om bepaalde voorschriften te respecteren.
Deelt u de mening dat juist het onderwijs en daarmee scholen verschillen tussen kinderen moeten verkleinen en segregatie niet moeten faciliteren?
Ja die mening deel ik. Daarom hecht ik ook veel waarde aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze aan leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder in ieder geval vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt specifiek van scholen dat ze onder leerlingen kennis en respect bijbrengen voor verschillen, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Daarbij past het sowieso dat kinderen leren om elkaars opvattingen te respecteren, ook als deze afwijken van de eigen opvatting of van die van de ouders. Zo wordt ingezet op het bevorderen van sociale cohesie.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze school er voor kiest jongens en meisjes niet gelijkwaardig te behandelen, maar via aparte ingangen het gebouw binnen te laten komen?
Zoals in antwoord 3 aangegeven, heeft deze school aangegeven niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan en heeft de school zelf niet de keuze gemaakt om jongens en meisjes gescheiden het gebouw binnen te laten komen. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen. De school wil de iftarviering volgend jaar laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften
Hoe verhoudt het gescheiden binnen laten komen van jongens en meisjes zich tot de wettelijke zorgplicht voor een veilig en inclusief leerklimaat?
De school mag bij het aanbieden van het onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht. Een uitzondering geldt, op grond van artikel 7, lid 2, van de Algemene wet gelijke behandeling, voor bijzondere scholen die jongens en meisjes scheiden als onderdeel van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school.
In dit geval ging het om een christelijke school die de iftar heeft willen faciliteren. Daar ziet de uitzondering in de Algemene wet gelijke behandeling niet op. Tegelijkertijd maakt het enkele feit dat de school deze activiteit – op initiatief van leerlingen – faciliteert, niet dat de school daarmee in strijd handelt met de wettelijke zorgplicht en de verantwoordelijkheden van de school ten aanzien van gelijke behandeling. Daarbij hecht ik er wel aan nogmaals te benadrukken dat op de school altijd de verplichting rust om te zorgen voor een veilige schoolcultuur.
Hoe verhoudt het organiseren van gescheiden activiteiten zich tot de wettelijke verplichte burgerschapsvorming in het onderwijs en ziet u het risico dat dit leidt tot segregatie op school?
Gescheiden activiteiten mogen niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten. Dat betekent dat gescheiden activiteiten ook niet mogen leiden tot segregatie in de school, noch tot ongelijkwaardigheid.
Dit risico zie ik wel, zelfs als de activiteiten buiten schooltijd plaatsvinden en dus optioneel zijn. Dat betekent dat scholen heel bewust moeten nadenken over welke en hoe dergelijke activiteiten aansluiten op de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en burgerschapsvorming vanuit de verantwoordelijkheid als school. De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op de school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Het bericht ‘Gegijzeld tijdens de nachtdienst’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemde uitzending?1
Ja, ik ben bekend met bovengenoemde uitzending.
Hoe oordeelt u over het bericht dat drie van de vier zorgverleners te maken krijgt met agressie op het werk?
Elk incident van agressie tegen een zorgverlener is er één te veel. Ik vind het zorgwekkend dat een aanzienlijk deel van de professionals in de sector hiermee geconfronteerd wordt. Zorgverleners moeten hun werk te allen tijde veilig kunnen doen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat veel zorgverleners, die een incident hebben meegemaakt, zich in de steek gelaten voelen door hun werkgever?
Het signaal dat zorgverleners zich na een incident onvoldoende gesteund voelen door hun werkgever vind ik zorgelijk. Incidenten kunnen een grote fysieke en emotionele impact hebben op zorgverleners, waardoor goede opvang en nazorg van groot belang zijn.
Werkgevers hebben op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. Dit betekent dat zij beleid moeten voeren om arbeidsrisico’s, zoals agressie en psychosociale arbeidsbelasting, te voorkomen of te beperken. Werkgevers zijn verplicht maatregelen te nemen om deze risico’s te verminderen. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet erop toe dat werkgevers de Arbowet naleven.
Hoe oordeelt u over het bericht dat goede nazorg vaak uitblijft en afhankelijk lijkt van de werkgever, of zelfs de leidinggevende?
Zoals hierboven gezegd, goede opvang en nazorg zijn cruciaal. Het is zeer onwenselijk als dit uitblijft of als een werkgever hier onvoldoende aandacht voor heeft.
In de sector zie ik gelukkig goede voorbeelden van werkgevers die aandacht hebben voor de opvang en nazorg bij agressie en hier passend beleid op voeren. Voor werkgevers zijn materialen beschikbaar die hen helpen bij het opstellen van goed beleid op dit gebied. Bijvoorbeeld het Handboek Veilige zorg (te vinden op de websites van de O&O-fondsen van de ziekenhuizen, UMC’s, VVT en GGZ) of De complete agressie-aanpak (te vinden op de websites van de arbeidsmarktplatforms voor jeugdzorg en sociaal werk).
Hoe oordeelt u over het bericht dat ook financiële steun voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt vaak uitblijft?
Welke maatregelen worden nu genomen om trauma bij zorgverleners te voorkomen?
De maatregelen die worden genomen verschillen per werkgever. In grote lijnen begint de zorg na een incident met intercollegiale opvang en/of opvang door de leidinggevende. Een tweede stap is een nazorgteam, een bedrijfsopvangteam (BOT), opvang door bedrijfsmaatschappelijk werk of de arbo-arts. Dit kan zowel intern als extern belegd zijn. De laatste stap is de gespecialiseerde opvang. Soms kiest een slachtoffer ook voor een andere route, bijvoorbeeld voor lotgenotencontact.
Bent u bekend met de anti-PTSS-programma’s, zoals die bij de politie bestaan?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het absoluut nodig is dat er dergelijke uniforme afspraken worden gemaakt voor werknemers in de zorg die slachtoffer worden van een incident? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is van groot belang dat werkgevers medewerkers beschermen tegen het oplopen van PTSS op het werk. Behalve preventie van agressie zijn daarbij ook opvang en nazorg van belang. Het is daarbij ook van belang dat werkgevers oog hebben voor de risico’s voor het ontwikkelen van PTSS. Ik laat het aan de werkgevers en hun brancheorganisaties om te bepalen in hoeverre het daarvoor noodzakelijk is dat er uniforme afspraken worden gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat werknemers in de zorg extra risico lopen, omdat zij bijvoorbeeld ook meer in aanraking komen met het toenemend aantal verwarde personen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In bepaalde delen van zorg en welzijn komt (fysieke) agressie vaker voor, bijvoorbeeld voortkomend uit het ziektebeeld van patiënten. Dit kan ervoor zorgen dat medewerkers in specifieke branches risico lopen op het meemaken van agressie en het ontwikkelen van psychosociale klachten.
Zou de expertise van ARQ ingezet kunnen worden voor de zorgsector?2
Ja, dat kan. Werkgevers kunnen ARQ inschakelen voor diverse diensten. In 2023 heeft ARQ de Richtlijn psychosociale ondersteuning zorgprofessionals gepubliceerd.
Welke maatregelen gaat u nemen om de nazorg voor zorgverleners die een incident hebben meegemaakt, te verbeteren en te borgen?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 hebben werkgevers op basis van de Arbowet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers.
Ik ondersteun werkgevers hierbij door:
Het bericht dat een eeuwenoude paasvuurtraditie stopt door regeldruk |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Einde van een eeuwenoude traditie: organisatie stopt met paasvuur door regeldruk» van Omroep Gelderland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een bijna honderd jaar oude paasvuurtraditie in Huissen moet stoppen omdat vrijwilligers achter de organisatie niet langer kunnen voldoen aan de stapeling van regelgeving, vergunningseisen en bijkomende kosten?
In de media verschenen berichten dat een eeuwoude traditie, georganiseerd door een kleine groep vrijwilligers, niet kan worden voortgezet. De oorzaak? Een opeenstapeling van regels van verschillende overheden. Dit is een treffend voorbeeld van hoe regelgeving de concrete praktijk – zoals bij een paasvuur – zeer complex maakt.
Dit is precies het soort onbegrijpelijke ingewikkeldheid dat wij als kabinet willen aanpakken. Een traditie van bijna honderd jaar, gedragen door vrijwilligers met hart voor hun dorp of stad, zou niet mogen stranden op regels die afzonderlijk misschien redelijk lijken, maar alles bijeen geheel onhaalbaar lijken te zijn voor kleine organisaties. Dit probleem speelt niet alleen in Huissen – het is een landelijk patroon.
Als Staatssecretaris voor de Slagvaardige Overheid is het mijn taak dit, samen met vele anderen, structureel op te lossen. Niet alleen door regels één voor één te laten schrappen of te vereenvoudigen, maar ook door de overheid anders te laten nadenken: Is deze regel proportioneel? Is hij ook uitvoerbaar voor een clubje vrijwilligers? Dit vraagt ook om een mentaliteitsverandering: regels moeten nodig zijn – niet meer dan nodig, en niet onnodig ingewikkeld. Ik ben ervan overtuigd dat heel veel zaken veel simpeler kunnen, zonder afbreuk te doen aan breed gedeelde publieke waarden.
Als Staatssecretaris wil ik het derhalve breed en structureel aanpakken en zal ik geen oordeel uitspreken over de feiten en omstandigheden van deze specifieke casus of de concreet toepasselijke regels. Wel illustreert deze casus op indringende wijze de klem waarin mensen belanden door de aard en opeenstapeling van regels. De regels leiden in de praktijk, ook door de combinatie van regels, tot een blokkade van activiteiten die wellicht helemaal niet schadelijk, gevaarlijk of anderszins maatschappelijk ongewenst zouden hoeven zijn.
Kunt u uiteenzetten met welke landelijke regelgeving en vergunningseisen organisatoren van paasvuren te maken krijgen, waaronder regels op het gebied van evenementenvergunningen, stikstof, natuurwetgeving en veiligheid?
Uit de mij bekende informatie over deze casus blijkt dat het gaat om een combinatie van regelgeving en eisen van gemeentelijke en provinciale overheden op het gebied van veiligheid en natuurbescherming. Ook spelen nationale wetten, zoals de Gemeentewet, Omgevingswet en Waterwet, een rol die de basis vormen van veel decentrale regulering.
Dat blijkt ook af te hangen van de lokale situatie en bijvoorbeeld of het een nieuwe locatie betreft. Genoemd kunnen worden een evenementenvergunning en verkeersontheffing en eventueel een omgevingsvergunning, de daarbij behorende voorwaarden en daarvoor in rekening te brengen leges. De concrete omstandigheden, wat men waar precies wil doen bepalen de toepasselijke regels, waarbij de desbetreffende gemeente een belangrijke rol speelt in het bepalen van de regels en de wijze waarop deze concreet worden toegepast en ook het beleid binnen de desbetreffende veiligheidsregio een rol speelt. De toepasselijke regels hangen dus van de concrete casus af.
Deelt u de zorg dat de stapeling van regels en administratieve verplichtingen voor vrijwilligersorganisaties steeds moeilijker uitvoerbaar wordt, waardoor lokale tradities en gemeenschapsactiviteiten onder druk komen te staan?
Ja, die zorg deel ik. Vrijwilligersorganisaties vervullen een belangrijke rol in onze samenleving. Grote, professionele, organisaties hebben tegenwoordig al vaak met een hoop regels en bureaucratie te maken, maar voor een kleine groep vrijwilligers is het al snel ondoenlijk. Wanneer de regeldruk zo is gegroeid dat de uitvoering van maatschappelijk gedragen activiteiten onhaalbaar wordt, heeft dat een onwenselijke uitholling van het maatschappelijk leven tot gevolg. Dit is ook een onderbouwing van het beleid van dit kabinet om de regeldruk voor burgers merkbaar te verminderen.
In hoeverre wordt bij het opstellen en toepassen van regelgeving rekening gehouden met de uitvoerbaarheid voor vrijwilligersorganisaties die evenementen organiseren die gedragen worden door lokale gemeenschappen? Is hier procesmatig iets voor ingeregeld?
Bij de voorbereiding van nationale wetgeving moet binnen de Rijksoverheid allereerst het Beleidskompas goed worden toegepast. Dit is de centrale werkwijze die vraagt om een analyse van de gevolgen voor de relevante doelgroep(en), waaronder in voorkomende gevallen ook vrijwilligersorganisaties. Ook de zogenoemde doenvermogentoets is een instrument en werkwijze die analyseert of het voorgenomen beleid uitgaat van een realistisch mensbeeld en aansluit bij het gedrag en de leefsituatie van de relevante doelgroep(en). Daarbij zal zo mogelijk ook aandacht moeten worden besteed aan de opstapelende effecten voor burgers en wat nationale en lokale regels samen betekenen voor een kleine vrijwilligersorganisatie.
Naast deze instrumenten hebben burgers en bedrijven ook de zelf mogelijkheid om te reageren op nationale conceptregelgeving – bijvoorbeeld door te reageren op een consultatie. De praktische mogelijkheden voor ongeorganiseerde burgers zijn echter zeer beperkt. Het vraagt aan de andere kant ook veel van de makers van beleid en wetgeving om daar oog voor te hebben. Wat betreft lokale en regionale regelgeving bieden gemeenten vaak ruimte voor inspraak en participatie van burgers en (vrijwilligers-)organisaties.
Bent u, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, bereid om specifiek te kijken naar regelgeving die initiatieven uit de samenleving onevenredig hard raakt? Bent u ook van plan hier een subdoel voor te nemen om een minimumaantal regels te schrappen die vrijwilligersorganisaties in de weg zitten?
Deze maand vindt de internetconsultatie plaats voor vereenvoudigingen die worden opgenomen in de eerste editie van de in het coalitieakkoord genoemde Vereenvoudigingswet. Daarin zullen naar verwachting nog geen specifieke vereenvoudigingen voor vrijwilligersorganisaties onderdeel van zijn. Daarnaast zal ik wel binnen enkele weken een groot aantal organisaties oproepen om samen met de meest betrokken ministeries vereenvoudigingsvoorstellen te ontwikkelen voor de eerstvolgende ronde in 2027. Mogelijk bevat die ronde ook regels die het werk van vrijwilligers(organisaties) makkelijker maakt. Ik hoop namelijk op een rijke oogst voor de tweede en volgende edities. Eind juni zal ik de Kamer nader over deze vereenvoudigingswet en de bredere aanpak informeren.
Specifiek voor maatschappelijke organisaties en vrijwilligers staan in het coalitieakkoord bovendien enkele gerichte maatregelen aangekondigd om de regeldruk te verminderen. Maar er is dus meer nodig. De inzet van het gehele kabinet is om een aanpak te ontwikkelen die zich richt op het maatschappelijk effect en merkbaar is voor de professionals, burgers en ondernemers. Deze aanpak moet ook bijdragen aan de slagvaardigheid van de overheid zelf en de ambtelijke dienst.
Het schrappen of vereenvoudigen van regels is daarbij geen doel op zich. Waar het om gaat, is dat mensen hun leven kunnen leiden en inrichten, individueel of in georganiseerd verband, zonder de overheid als obstakel te ervaren. En een overheid die ook eenvoudiger werkt. Dat uitvoerders en vakmensen hun werk kunnen doen zonder onnodige regels en formulieren. En dat mensen de overheid weer als begrijpelijk en betrouwbaar ervaren. Hierin is het van belang dat er ook wordt gekeken naar het geheel aan regels waar bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie aan moet voldoen.
De kwestie van de paasvuren illustreert dat het ook bij vrijwilligersorganisaties niet om een denkbeeldige problematiek gaat. De wijze waarop het kabinet de zeer stevige ambities uit het coalitieakkoord op dit onderdeel zal gaan uitvoeren, wordt op dit moment verkend, in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat en binnen de Tasforce Slagvaardige Overheid. Casuïstiek als de Paasvuren zal daarin ook besproken worden.
Op de korte termijn valt al veel te winnen door de administratieve zaken te vereenvoudigen, voor alle ondernemers en burgers, ook vrijwilligersorganisaties, – dat is echte vereenvoudiging zonder dat een publiek belang wezenlijk tekort wordt gedaan. Maar de ambitie is om ook op brede domeinen zoals het fiscale, sociale en fysieke domein de stelsels meer ingrijpend te vereenvoudigen.
Het bericht 'Verkeerscongestie bruggen Zwartewaterland' |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie rond de openstelling van de Meppelerdiepbrug in Zwartsluis en de Zwartewaterbrug in Hasselt, waar brugopeningen tijdens de spits regelmatig leiden tot langdurige verkeersopstoppingen op de N331?1
Ja.
Bent u tevens bekend met de situatie rond de oude brug van in Zwartsluis die niet langer voor scheepvaart wordt gebruikt, waar Rijkswaterstaat geen schoonmaakwerkzaamheden meer uitvoert? Hoe kijkt u aan tegen het beheer en onderhoud van deze brug?2
De Zwartewaterbrug is niet in beheer bij Rijkswaterstaat, maar bij de provincie Overijssel. Rijkswaterstaat beheert wel de verkeersbrug over de Grote Kolksluis
Heeft u contact gehad met betrokken partijen, zoals gemeente Zwartewaterland, provincie Overijssel, uitvoerende aannemers en Rijkswaterstaat als beheerder van de bruggen? Zo ja, wat is daaruit naar voren gekomen?
Rijkswaterstaat heeft op reguliere basis overleg met de gemeente Zwartewaterland om zaken met betrekking tot de bruggen van Rijkswaterstaat te bespreken. Schoonmaakwerkzaamheden en verkeershinder zijn tot op heden niet ingebracht door de gemeente Zwartewaterland in deze gesprekken.
Rijkswaterstaat heeft daarnaast werkafspraken met de Provincie Overijssel. Onder andere over het geplande onderhoud om zo de verkeershinder te beperken.
Zou u in kaart willen brengen hoeveel verkeershinder jaarlijks ontstaat op de N331 als gevolg van brugopeningen tijdens de spits, en welke gevolgen dit heeft voor de bereikbaarheid van Zwartsluis, Hasselt en de regio?
De N331 is een provinciale weg en eventuele maatregelen voor de weg zijn daarom aan de provincie Overijssel.
Rijkswaterstaat doet vanuit het uitgangspunt «veilig en vlot» zoveel mogelijk om wachttijden voor zowel de scheepvaart als het wegeverkeer te beperken. Dat wordt bijvoorbeeld gedaan door (a) te werken met vaste bedientijden van bruggen, (b) brugopeningen zoveel mogelijk buiten de spitsuren te doen en (c) door via konvooivaart zoveel mogelijk schepen tegelijk in één keer te laten passeren. Per locatie kijkt RWS naar de aard, omvang en dynamiek van het wegverkeer en waterverkeer om op basis daarvan een zorgvuldige afweging te maken voor de bedientijden van de brug.
Voor meer informatie over de vraag hoe Rijkswaterstaat met brugopeningen omgaat verwijs ik u naar brief van 15 september 2025 over de balans tussen wegverkeer en scheepvaart bij brugopeningen.3
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat de N331, een belangrijke regionale verbindingsweg en uitwijkroute bij files op de A28, tijdens de spits blijvend vastloopt door brugopeningen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u in kaart brengen in hoeverre de huidige regelgeving, waarbij scheepvaart doorgaans voorrang krijgt op wegverkeer bij brugopeningen, nog passend is in situaties waar dit structureel tot grote verkeersproblemen leidt rondom de omgeving Zwartsluis?
Het beeld dat de scheepvaart voorrang zou krijgen is onjuist. Zie ook de eerdergenoemde brief aan de Tweede Kamer van 15 september 2025 waarin de staande praktijk van Rijkswaterstaat wordt toegelicht. In de omgeving van Zwartewaterland bevinden zich ook bruggen die in beheer zijn bij de regionale overheden, zoals de Zwartewaterbrug. Hier is de praktijk uit de bovengenoemde brief niet op van toepassing.
Bent u bereid om samen met Rijkswaterstaat, de provincie Overijssel en de gemeente Zwartewaterland te onderzoeken welke oplossingen mogelijk zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u tevens bereid hierover actief in overleg te treden met de gemeente Zwartewaterland om te bezien of er tot een oplossing kan worden gekomen voor het onderhoud, beheer of een eventuele herbestemming van deze brug?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat een failliete ggz-aanbieder mogelijk wordt overgenomen door een private equity investeerder |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de failliete ggz-aanbieder Phitaal GGZ mogelijk wordt overgenomen door private equity investeerder Apax Partners SAS?1
Het is aan de curator om, in samenspraak met zorgverzekeraars, een afweging te maken over een eventuele overname. Voor mij staat daarbij voorop dat de continuïteit, kwaliteit en toegankelijkheid van zorg voor cliënten geborgd zijn. Een nieuwe eigenaar dient te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en staat onder toezicht van onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die toezicht houdt op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Mentaal Beter, de overnemende partij die een doorstart maakt met Phitaal onder de naam Mentaal Beter Vitaalpunt, is al langer actief in de Nederlandse ggz en bekend met het wettelijk kader waaraan zij moeten voldoen.
Deelt u de mening dat er grote risico’s kleven aan de verdere groei van private equity binnen de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Uit onderzoek blijkt ook niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Ook niet in de ggz2. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Zorgaanbieders die de zorg uitsluitend als verdienmodel zien, horen niet thuis in de zorg. Bijvoorbeeld doordat er aan het realiseren van (uitkeerbare) winst een groter belang wordt gehecht dan aan de kwaliteit of toegankelijkheid van zorg. Daarnaast heeft het kabinet eerder ook aangegeven dat de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg ook positieve effecten kan hebben. Private equity partijen zorgen voor een alternatieve manier van financiering (anders dan bijvoorbeeld een lening van de bank) voor zorgaanbieders en kunnen daardoor bijdragen aan onder andere innovatie en het optimaliseren van bedrijfsprocessen. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Deelt u de zorgen over het feit dat private equity partijen als Apax Partners primair gericht zijn op het maken van zoveel mogelijk winst? Deelt u de mening dat dit onverenigbaar is met het oplossen van de problemen waar de ggz momenteel mee te maken heeft?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag twee, vindt het kabinet dat zorgaanbieders die enkel de zorg als verdienmodel zien niet thuis horen in de zorg, en dus ook niet in de ggz. Zorgaanbieders dienen zich te houden aan de regels, verantwoord om te gaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Dit geldt voor alle zorgaanbieders, ongeacht de betrokkenheid van private equity financiering. Het kabinet wil daarom de voordelen van alternatieve financiering in de zorg behouden, in combinatie met strengere regels om risico’s te voorkomen. Daarom zorgt het kabinet voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Met het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) is het mogelijk voorwaarden te verbinden aan winstuitkeringen. Dit ziet onder andere op het op orde hebben van de kwaliteit van zorg en het voldoen aan financiële ratio’s voorafgaand en na het voldoen van een winstuitkering. Op dit moment is het kabinet bezig met aanscherpingen op het wetsvoorstel, specifiek gericht op winstuitkeringen en de risico’s van private equity partijen. Daarnaast werkt het kabinet ook aan een wetsvoorstel om de zorgspecifieke fusietoets van de NZa aan te scherpen. Met dit wetsvoorstel kan de NZa fusies en overnames meer inhoudelijk toetsen.
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag twee blijkt niet dat private equity-partijen structureel slechter presteren op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg, ook niet in de ggz3. Het aanbod van allerlei partijen is dan ook van belang: er wachten veel mensen op een behandeling in de ggz.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is vorig jaar afgesproken dat er meer behandelcapaciteit moet komen voor patiënten met een complexe zorgvraag. Dit gebeurt door binnen het bestaande kader te schuiven met menskracht en middelen, waarbij het zwaartepunt verschuift van de behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen Dit vraagt iets van de hele ggz-sector, inclusief de ggz-aanbieders die in handen zijn van private equity investeerders.
Weet u hoeveel zorggeld er de afgelopen jaren uit de zorg is geroofd door private equity partijen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom bent u niet geïnteresseerd in hoeveel zorggeld weglekt naar op winst beluste investeerders, maar kiest u er wel voor om € 10,3 miljard extra op de zorg te bezuinigen, omdat de zorgkosten anders te hoog zouden worden?
Het kabinet herkent zich niet in de woorden uit deze vraag. Zoals eerder aangegeven kan de aanwezigheid van private equity partijen in de zorg onder de juiste voorwaarden ook positieve effecten hebben. Maar het kabinet vindt ook dat zorgaanbieders met enkel een financieel motief niet thuis horen in de zorg en dat uitwassen en misbruik moeten worden aangepakt.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft op 25 maart j.l. een Informatiekaart gepubliceerd over dividenduitkeringen in de zorg. Het kabinet is erg blij met het inzicht dat de NZa in deze publicatie verschaft over gerapporteerde dividenduitkeringen in de zorg. Het geeft inzicht in de dividenduitkeringen die gedaan zijn door zorgaanbieders. Hierin wordt ook ingegaan op de rol van private equity. De NZa heeft aangegeven dat het niet mogelijk is om de
dividenduitkeringen te specificeren naar private equity partijen. Het is niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is dat zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met collectieve middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Het kabinet vindt het daarom niet nodig en bovendien onhaalbaar om hier nog aanvullend onderzoek naar te doen en wil zicht richten op het aanpakken van onwenselijk gedrag.
De inzichten uit deze informatiekaart gebruikt het kabinet dan ook bij de aanscherpingen van de Wibz. De Kamer wordt hier voor de zomer over geïnformeerd.
Zijn er nog andere mogelijkheden om de mensen die onder behandeling waren bij Phitaal GGZ een voortzetting van hun behandeling te bieden?
Het faillissement van Phitaal betekent niet dat de zorg voor cliënten stopt. Lopende behandeltrajecten kunnen op dit moment bij Phitaal worden voortgezet en zorgvuldig worden afgerond. Dit kan onder andere doordat zorgverzekeraars de zorg blijven vergoeden en hiervoor bevoorschotting hebben verstrekt. Daarnaast hebben zorgverzekeraars ook een boedelkrediet ter beschikking gesteld aan de curator. Hierdoor kan de curator blijven voldoen aan de betalingsverplichtingen die nodig zijn om de zorg te continueren.
De curator heeft, in samenspraak met zorgverzekeraars, onderzocht of Phitaal overgenomen kan worden door een andere partij of dat cliënten overgeplaatst kunnen worden naar omliggende zorgaanbieders. Belangrijke aspecten bij die overweging zijn de continuïteit van zorg, het belang van de patiënt en de belangen van schuldeisers. Zij hebben daarbij de beschikbare alternatieven beoordeeld en de keuze gemaakt voor Mentaal Beter.
Overigens staat het individuele patiënten vrij om zich in te schrijven bij een andere zorgaanbieder dan de overnemende partij.
Hoe gaat u waarborgen dat de zorg voor de cliënten van Phitaal GGZ voortgezet wordt met hun eigen zorgverlener en hoe gaat u ervoor zorgen dat de wachtlijsten niet langer worden, zonder dat zij worden overgeleverd aan private equity?
Gestreefd wordt naar continuïteit van zorg voor patiënten. Een belangrijk onderdeel van effectieve behandeling, en daarmee ook de continuïteit van zorg, in de geestelijke gezondheidszorg is de vertrouwensrelatie tussen cliënt en behandelaar. De curator heeft aangegeven ernaar te streven om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Onder het belang van de continuïteit van zorg valt ook het voorkomen van oplopende wachtlijsten.
Bij de doorstart van Phitaal naar Mentaal Beter Vitaalpunt worden zeven behandellocaties voortgezet4, net als de zorg voor alle cliënten die in deze locaties onder behandeling zijn. De specialistische behandelcapaciteit van Phitaal blijft met
de doorstart behouden op deze locaties. Voor de satelliet-locatie in Capelle aan den IJssel zijn zorgverzekeraars bezig om de huidige cliënten door te middelen naar andere zorgaanbieders. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de transfertafel in deze regio.
In algemene zin kan worden gesteld dat veel mensen nu te lang op een passende behandeling in de ggz moeten wachten, ook mensen die zorg hard nodig hebben. In het IZA en AZWA zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de ggz te verbeteren. Zo zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit, het realiseren van pro-actieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor behandeling van mensen met complexe zorgvragen.
Overigens is het niet zo dat één type investeerder per definitie goed of slecht is. Waar het om gaat, is of zorgaanbieders zich houden aan de regels, verantwoord omgaan met publieke middelen en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.
Wat gebeurt er met het de zorgverleners van Phitaal GGZ? Welke garanties zijn er dat zij hun baan en hun arbeidsvoorwaarden kunnen behouden?
Het streven van de curator is om zoveel mogelijk behandelaren mee te nemen naar de nieuwe organisatie. Na een faillissement zijn daarvoor echter geen garanties. Het is aan de curator om afspraken te maken met zorgverleners en de overnemende partij over arbeidsvoorwaarden.
Bent u bereid om alle vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'En weer bombardeert Israël zorgverleners: het draaiboek van Gaza wordt nu ook in Libanon gevolgd' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat er al tientallen hulpverleners zijn vermoord door Israël in Libanon, waarbij twaalf hulpverleners zijn gedood afgelopen vrijdag?1
Het kabinet is ernstig bezorgd over de impact van de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten in Libanon, en over de dood van de hulpverleners in het bijzonder. Het kabinet onderstreept dat hulpverleners nooit doelwit mogen zijn en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Bent u bereid het doden van deze hulpverleners ondubbelzinnig te veroordelen? Kunt u dit toelichten?
Volgens het humanitair oorlogsecht moeten humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door de strijdende partijen worden ontzien en beschermd. Het kabinet onderstreept dit uitgangspunt en veroordeelt dan ook de doelbewuste aanvallen op hulpverleners en medische faciliteiten.
Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd direct worden vastgesteld wat de precieze omstandigheden zijn. Het is daarom van groot belang om zorgvuldig en op basis van verifieerbare feiten te handelen. Onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht, zoals in dit geval, is uiterst belangrijk.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar de dood van deze hulpverleners en te zorgen dat de conclusies van dit onderzoek openbaar worden gemaakt? Kunt u dit toelichten?
Nederland dringt waar nodig en mogelijk aan op dergelijk onderzoek en roept betrokken partijen op daar volle medewerking aan te verlenen. Vermeende internationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval waar het humanitaire hulpverleners betreft. Het is in eerste instantie aan de meest betrokken staat of staten die rechtsmacht hebben om internationale misdrijven te onderzoeken en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten. De internationale gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op te treden.
De VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) kan de situatie in Libanon reeds monitoren en hierover rapporteren. Het OHCHR landenkantoor in Libanon richt zich onder andere op het rapporteren over mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah. Nederland steunt het OHCHR landenkantoor met een bedrag van USD 1,5 miljoen over de jaren 2025–2026, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Libanon kan worden voortgezet.
Nederland staat momenteel in nauw contact met de Libanese autoriteiten over de vraag of zij het voornemen hebben een feitenonderzoek te starten.
Sluit u zich aan bij de aanbevelingen van het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) dat ingaat op de bescherming van hulpverleners, zoals recent gepubliceerd? Wat betekent dat voor de reactie van de Nederlandse regering op het recent doden van hulpverleners in Libanon?2
Voor een volledige reactie op het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), verwijzen wij u naar de kabinetsreactie die vandaag aan uw Kamer is gestuurd. Het kabinet zet in op normhandhaving en bestrijding van straffeloosheid door onderzoek en versterkte uitwisseling van informatie en bewijsmateriaal, door versterking van internationale, bestaande onderzoeksmechanismen, en door gerichte humanitaire diplomatie. Ook in de context van Libanon zet Nederland zich hier voor in. Graag verwijzen wij naar de volledige kabinetsreactie. Deze antwoorden zijn in lijn daarmee.
Zijn de resultaten van het onderzoek bekend en openbaar naar de dood van de 15 hulpverleners op 23 maart 2025 in de Gazastrook en het wegmaken van de lichamen en de ambulance door het Israëlische leger?
Zoals bekend in uw Kamer vormde de aanval op het humanitaire hulpkonvooi op 23 maart 2025 de hoofdaanleiding voor het ontbieden van de Israëlische ambassadeur in Den Haag. Nederland heeft meermaals bij Israël om opheldering gevraagd over de aanval op het humanitaire hulpkonvooi, ook tijdens de ontbieding van de Israëlische ambassadeur in april 2025 en ook heel recent tijdens het contact van de Nederlandse ambassadeur met het Israëlisch Ministerie van Buitenlandse Zaken op 24 maart jongstleden. De verantwoordelijkheid om de aanval te onderzoeken ligt in eerste instantie bij Israël zelf. De Israëlische krijgsmacht (IDF) publiceerde op 20 april 2025 een verklaring over het onderzoek dat is uitgevoerd. Volgens de laatst beschikbare informatie ligt het onderzoek nu bij de militaire aanklager voor opvolging.
Het kabinet constateert dat er tot op heden beperkt publiek inzicht is in de bevindingen van dit onderzoek. Tegelijkertijd is het van belang dat lopende onderzoeken zorgvuldig worden afgerond en dat relevante informatie, waar mogelijk, wordt gedeeld. De relevante VN Commission of Inquiry heeft eveneens onderzoek gedaan naar deze aanval en in haar juridische analyse van september jl. noemt de Commission of Inquiry de Israëlische respons ontoereikend, onjuist en misleidend.3
Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande onafhankelijke internationale organisaties en onderzoeksmechanismen die zich richten op waarheidsvinding en verantwoording in dergelijke situaties.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Humanitaire hulp op 1 april 2026?
Ja.
Het bezoek van de ILT-IOD aan Tata Steel in het kader van een strafrechtelijk onderzoek |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het opsporingsteam van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) deze week op het terrein van Tata Steel is geweest in het kader van een strafrechtelijk onderzoek?1
Ja.
Kunt u toelichten op welke wijze u door de ILT-IOD of andere betrokken instanties op de hoogte bent gesteld en op welk moment? Kunt u vertellen wat de aard en reikwijdte van het onderzoek nu is? Zo nee, waarom niet?
In de loop van de ochtend van 12 maart jl. is de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat geïnformeerd door de Inspecteur-Generaal van de ILT, na het moment van de instap.
De ILT heeft medegedeeld2 dat de ILT-IOD strafrechtelijk onderzoek doet naar het productieproces van staal en de werking van de kooksgasfabrieken van Tata Steel. Het onderzoek richt zich op de vraag of het bedrijf verweten kan worden dat zij opzettelijk en onrechtmatig schadelijke stoffen in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater heeft gebracht of laten brengen, met een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen. De aanleiding voor het onderzoek is de aangifte van mr. Bénédicte Ficq namens ruim 800 omwonenden van het bedrijf. Het onderzoek vindt plaats onder leiding van het Functioneel Parket (FP) en met belangrijke inbreng van de politie en DCMR Milieudienst Rijnmond.
Klopt het dat artikel 15, derde lid, punt b, van de Joint Letter of Intent (JLoI) tussen de Staat en Tata Steel Nederland bepaalt dat een onderzoek, zoals dat van de ILT-IOD, een mogelijke opzeggingsgrond voor de Staat vormt? Zo ja, wordt opzegging overwogen? Zo nee, waarom niet?
In de JLoI tussen de Staat en Tata Steel Nederland is afgesproken dat de Staat de overeenkomst in bepaalde gevallen mag opzeggen. Uitkomsten van een onderzoek zoals dat van de ILT-IOD kunnen een mogelijke grond tot opzegging van de JLoI vormen, als de uitkomsten van het onderzoek daar reden toe zouden geven. Zoals gebruikelijk bij strafrechtelijke onderzoeken is de inhoud van het onderzoeksdossier niet bekend bij het kabinet. Het kabinet wacht de uitkomst van dit onderzoek af.
Kunt u toelichten of een eventuele maatwerksubsidie voor Tata Steel de Europese staatssteuntoets doorstaat nu de ILT-IOD deze stap in het strafrechtelijk onderzoek heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of de steun verenigbaar is met de interne markt. Het kabinet kan daar niet op vooruit lopen. Een lopend onderzoek is op zichzelf geen reden dat staatssteun niet goedgekeurd kan worden.
Kunt u toelichten of Nederland van de Europese Commissie een eventuele maatwerksubsidie terug moet vorderen als het tot een veroordeling komt? Zo nee, waarom niet?
Staatssteun kan niet met de interne markt verenigbaar worden verklaard als de gesteunde activiteit, de steunmaatregel zelf of de daaraan gekoppelde voorwaarden leiden tot een schending van relevante bepalingen van het Unierecht. Als na goedkeuring blijkt dat er sprake was van schending van bepaalde toepasselijke Europese regels bij de activiteit, steunmaatregel of de voorwaarden daarvan, dan kan de Europese Commissie een onderzoek starten om te bezien of zij het noodzakelijk acht om de staatssteun terug te vorderen.
Kunt u toelichten hoe deze situatie zich verhoudt tot eerdere toezeggingen aan de Kamer over de zorgvuldige omgang met publiek geld en de naleving van milieu- en strafrechtelijke normen door Tata Steel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht zeer aan de zorgvuldige omgang met publiek geld en aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven.
Is er op dit moment een interne of interdepartementale risicoanalyse (risk assessment) opgesteld of in voorbereiding waarin dit onderzoek, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de afspraken met Tata Steel, wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet, en bent u dan bereid om een dergelijke risicoanalyse uiterlijk vóór het komende debat over JLoI met Tata Steel aan de Kamer te doen toekomen, zodat de Kamer een actueel beeld heeft van de juridische en financiële risico’s die dit onderzoek voor de Staat met zich meebrengt? Zo nee waarom niet?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 3 en 6 hecht het kabinet zeer aan de zorgvuldige omgang met publiek geld en aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Mede daarom gelden bepaalde onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier net als bij de JLoI rekening mee gehouden. De borging van de risico’s in de bindende maatwerkafspraak wordt momenteel nader uitgewerkt.
Kunt u deze vragen ruim voor het plenaire debat over de Joint Letter of Intent beantwoorden?
Ja.
Het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek. Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek kon schaden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of organisaties?
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1 van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed mogelijk onvolledig is gebleven?
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter, ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als onvolledig kan worden gezien.
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van – in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of ideologische afwegingen handelen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie.
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Verouderde schoolgebouwen en het binnenklimaat op scholen |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat meer dan de helft van de Nederlandse schoolgebouwen ouder is dan 45 jaar en dat veel gemeenten moeite hebben om nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen te financieren?
De meeste schoolgebouwen binnen het funderend onderwijs zijn gebouwd in de wederopbouwperiode 1946 tot 1978 (32,2%). Daarnaast zijn 12,8% van de schoolgebouwen gebouwd voor 1946. Nog 20,4% is gebouwd tussen 1978 tot 1992.1 Er zijn geen concrete aanwijzingen dat gemeenten moeite hebben met het aantrekken van financiering voor nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen. Wel is, zoals eerder met uw Kamer gedeeld, in het IBO onderwijshuisvesting geconcludeerd dat er tot 2050 een grote opgave ligt om aan de klimaatdoelen te voldoen, waarvoor aanvullende middelen nodig zijn.2
Hoeveel scholen voldoen momenteel niet aan de geldende ventilatie- en binnenklimaatnormen, mede in het licht van steeds warmere zomers en de gevolgen van klimaatverandering?
Verschillende onderdelen samen vormen het binnenklimaat van een gebouw, zoals bijvoorbeeld ventilatie en CO2-waarden, temperatuur en luchtvochtigheid. Er zijn meerdere onderzoeken gedaan naar onderdelen van het binnenklimaat op scholen. Het beeld (2021) is dat in het primair onderwijs gebouwen uit de wederopbouwvoorraad het slechtst presteren. Bij 34% voldoet de ventilatie niet aan de door het RIVM gehanteerde eisen. In het voortgezet onderwijs presteren gebouwen gebouwd in de periode 1978–1992 het slechtst. Bij 42% voldoet de ventilatie niet aan de door het RIVM gehanteerde eisen.3
Om het binnenklimaat in scholen te verbeteren, zijn meerdere acties ondernomen vanuit de rijksoverheid. Het kabinet heeft sinds Covid in totaal € 360,– miljoen beschikbaar gesteld voor verbetering van het binnenklimaat. Onder andere via Specifieke Uitkering Ventilatie in Scholen (2021), Maatwerkregeling Ventilatie op Scholen (2022–2023) en het beschikbaar stellen van middelen voor de aanschaf van CO2-meters voor ieder klaslokaal (2022). Sinds 1 juli 2025 zijn alle scholen in het hele funderend onderwijs verplicht om een CO2-meter te hebben in iedere ruimte met een onderwijsfunctie.
Deelt u de zorg dat een slecht binnenklimaat en gebrekkige ventilatie kunnen leiden tot concentratieproblemen en verminderde leerprestaties bij leerlingen en een ongezonde werkomgeving voor leraren en onderwijspersoneel?
Het kabinet onderschrijft het belang van een gezond binnenklimaat voor leerlingen en onderwijspersoneel. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de fysieke kwaliteit van schoolgebouwen bepalend is voor concentratie, gezondheid, en leerresultaten.4 Ook de Inspectie van het Onderwijs bevestigt de relatie tussen temperatuur en schoolprestaties.5
Deelt u de zorg dat de huidige verdeling van verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten ertoe kan leiden dat noodzakelijke renovatie of vervanging van schoolgebouwen wordt uitgesteld?
Het huidige systeem voor onderwijshuisvesting gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten en schoolbesturen. Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting verduidelijkt de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en schoolbestuur op het gebied van renovatie. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en gemeenten staat niet in de weg van renovatie of vervanging. Gemeenten ontvangen middelen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds en geven deze uit op basis van hun eigen prioritering.
Bent u bekend met de aanpak in Vlaanderen waarbij via publiek-private samenwerking schoolgebouwen worden gerealiseerd met investeringen van institutionele beleggers en investeringsfondsen?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Ziet u mogelijkheden om ook in Nederland te onderzoeken of investeringen van institutionele beleggers, pensioenfondsen en investeringsfondsen kunnen bijdragen aan de versnelling van de bouw en renovatie van schoolgebouwen?
Eerder heeft de Taskforce Financiering Onderwijshuisvesting de institutionele financiering van onderwijshuisvesting onderzocht.6 De taskforce concludeerde dat dit een keuze kan zijn om een investeringspiek of kapitaalbehoefte mee te overbruggen, maar dat de aflossing uiteindelijk uit de bekostiging komt. Het is alleen een oplossing als er een probleem is met het aantrekken van financiering. Anders dan in Vlaanderen zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden voor gemeenten om financiering aan te trekken. Gemeenten kunnen goedkoop geld lenen bij de Bank Nederlandse Gemeenten. Geld lenen bij institutionele beleggers, pensioenfondsen en investeringsfondsen is duurder. Vanwege het feit dat er momenteel al goedkoper geld geleend kan worden, is het niet de verwachting dat er extra middelen vrij zullen komen door samenwerking met beleggers en fondsen.
Bent u bereid om samen met gemeenten, onderwijsorganisaties en mogelijke investeerders te verkennen hoe dergelijke publiek-private investeringsconstructies kunnen bijdragen aan de vernieuwing van schoolgebouwen en de Kamer hierover te informeren?
Zoals in het Coalitieakkoord aangekondigd, zal ik de mogelijkheden van publiek-private samenwerking naar Vlaams voorbeeld nader verkennen. Zoals hun aanpak in standaardisatie van met name bouw- en onderhoudscontracten. Na de zomer informeer ik uw Kamer hierover nader.
Ziet u daarnaast mogelijkheden voor meer standaardisatie van schoolontwerpen en vermindering van regels om de bouw en renovatie van scholen te versnellen en goedkoper te maken?
Ja, die zie ik. Het programma onderwijshuisvesting (POHV) en het innovatieprogramma onderwijshuisvesting (IPOHV) richten zich op standaardisatie en innovatie op bouwprocessen en procedures. Beide programma’s hebben een eigen aanpak en versterken elkaar daarin. Binnen het POHV wordt een integrale aanpak voor scholenbouw ontwikkeld. Het is gericht op standaardisatie, professionalisering en kennisdeling. Binnen het IPOHV, gefinancierd door het Nationaal Groeifonds, wordt innovatie onderzocht binnen scholenbouwprojecten. Deze innovaties worden vervolgens vanuit het POHV landelijk beschikbaar gesteld. Beide programma’s hebben de doelstelling om renovatie en nieuwbouw te versnellen, kostenefficiënter en toekomstbestendiger te maken.
Bent u bereid om, aangezien op 19 maart in gemeenten de collegeonderhandelingen starten waarin ook besluiten worden voorbereid over investeringen in onder meer onderwijshuisvesting, op korte termijn een brief en concreet actieplan naar gemeenten te sturen over de uitvoering van de afspraken uit het coalitieakkoord met betrekking tot schoolgebouwen, zodat zij dit kunnen betrekken bij hun lokale plannen en investeringsbesluiten?
In het coalitieakkoord wordt gewezen op de aanpak van het programma onderwijshuisvesting en het innovatieprogramma onderwijshuisvesting, die samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de PO- en VO-Raad worden uitgevoerd. Gemeenten en scholen worden hierover regelmatig geïnformeerd. Een separate brief aan gemeenten is daarom niet nodig. Het verkennen van de publiek-private mogelijkheden wordt ook in gezamenlijkheid met de VNG opgepakt.
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Spanje is minder afhankelijk van gas voor de elektriciteitsvoorziening, waarbij gascentrales maar een klein deel van de tijd de elektriciteitsprijs bepalen. Dit leidt onder andere tot goedkopere energierekeningen dan in andere Europese landen die minder hernieuwbare energie tot hun beschikking hebben. In Nederland bepalen gascentrales steeds minder vaak, maar nog wel het grootste deel van de tijd de elektriciteitsprijs. Hoe meer wind, zon en kernenergie er is in Nederland, hoe minder in de toekomst schokken in de internationale gasmarkt leiden tot hogere elektriciteitsprijzen in Nederland.
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Deze berichtgeving laat onder meer zien dat afhankelijkheid van de import van fossiele energie, in tijden van crises, direct raakt aan de betaalbaarheid van energie en gevolgen heeft voor de economie. Dit geldt ook voor Nederland. Afhankelijk blijven van fossiele energie heeft niet alleen gevolgen voor het klimaat, maar ook voor onze economie door onzekerheid over energieprijzen en prijsschokken. De les die Nederland hieruit kan trekken is dat energie van eigen bodem deze risico’s en effecten op de economie aanzienlijk verkleint.
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Op dit moment vindt binnen het kabinet een inventarisatie plaats van maatregelen om de gevolgen van de huidige situatie in het Midden-Oosten tegen te gaan. Daar worden de voorstellen van de NVDE (zie ook de antwoorden op vragen 9 t/m 12) in meegenomen.
Hernieuwbare energie van eigen bodem en energiebesparing zijn essentieel voor een weerbaar energiesysteem met minder strategische afhankelijkheden. Het kabinet zet daarom, zoals ook in voorgaand antwoord beschreven, in op het opschalen van schone energie. Daarnaast is het belangrijk dat we het voor onze industrie, die internationaal moet concurreren, aantrekkelijk maken om ook de overstap te maken naar elektrificatie. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een versnelling ingezet door gericht middelen uit te trekken voor zowel wind op zee als ondersteuning voor de elektrificatie van de industrie.
Specifiek voor hernieuwbare energie op land heeft het kabinet daarnaast onderzoek laten doen naar doorgroei, waarde en potentie van hernieuwbare energie op land na 2030. Dit onderzoek wordt binnenkort met de Kamer gedeeld. In de actualisatie van het NPE zal ik nader ingaan op de ambitie voor de verdere groei van hernieuwbaar op land. Hierover ga ik uiteraard ook met medeoverheden in gesprek om te bezien hoe we deze doorgroei mogelijk kunnen maken.
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
In navolging van de motie van het lid Van Oosterhout c.s., die aanspoort tot versnelde uitrol van wind op zee, voert het kabinet deze uit door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW. Hierover heb ik de Kamer inmiddels geïnformeerd. De motie draagt hiermee bij aan de opschaling van hernieuwbare energie, waarbij het coalitieakkoord inzet op 40GW windenergie op zee.
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Hernieuwbare energie van eigen bodem realiseren heeft hoge prioriteit voor het kabinet. Het coalitieakkoord stelt een aantal ambitieuze doelstellingen om versneld te vergroenen en weerbaarder te worden. Dit is een flinke opgave en vraagt volledige inspanning van het kabinet om tijdig te realiseren, want er zijn ook maakbaarheidsuitdagingen zoals netcongestie, die om maximale creativiteit en samenwerking vragen.
Specifiek kiest het kabinet ervoor om wind op zee te stimuleren via contracts for difference en is budget gereserveerd om de SDE++ regeling de komende 6 jaar open te stellen, waardoor initiatiefnemers worden ondersteund om te verduurzamen. Dit betreft zowel de productie van hernieuwbare energie alsook elektrificatie en CO2-reductie. Hiermee draagt het kabinet bij aan de vraagontwikkeling van elektriciteit. Daarnaast voert het kabinet, zoals ook benoemd in het antwoord op vraag 6, de motie om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen uit. Dit doet het kabinet door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW.3
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Ja, ik ben op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE).
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Ik verwelkom alle ideeën van partijen uit de praktijk die bijdragen aan energiebesparing en het versnellen van de transitie naar meer energie van eigen bodem. In dat kader is er regelmatig contact tussen de NVDE en mijn ministerie.
Het spoedplan bevat interessante aanknopingspunten. Op andere punten roept het plan vragen op. Beide zal ik binnenkort met de NVDE bespreken en betrek ik bij de actualisering van het NPE.
Om te beginnen roept het spoedplan op om onverminderd in te zetten op het oplossen van netcongestie en het verkorten van doorlooptijden van projecten. Beide zijn prioriteit voor dit kabinet. Daarnaast noemt het plan een aantal maatregelen voor de verduurzaming van woningen. Ook daar wil het kabinet verder op doorpakken, door het verplicht uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en het normeren van slimme (hybride) warmtepompen waar dit de beste oplossing is. Met een Nationaal Isolatie Offensief wil het kabinet de ingezette lokale isolatieaanpakken versnellen en versterken. Ook heeft het kabinet dit voorjaar extra middelen (77 miljoen) uitgetrokken voor warmtenetten.
De lopende publiekscampagne «zet ook de knop om» wordt voortgezet. Daarnaast loopt momenteel het Interdepartementaal Beleidsonderzoek energietransitie van de woningvoorraad. Dit zal rond de zomer een rapport opleveren, met daarin wat nodig is om de woningvoorraad tijdig aardgasvrij te maken.
Verder gaat het spoedplan van de NVDE in op het voortvarend uitrollen van hernieuwbare energie en het versnellen van elektrificatie van fossiele energievraag. Hier zet het kabinet vol op in.
Ook onderschrijft het kabinet het belang van opschaling van groen gas, onder andere via het programma groen gas.
In lijn met het coalitieakkoord gaat het kabinet door met de bestaande maatwerkafspraken en richten nieuwe maatwerkafspraken zich op clusters of gebieden. Hiermee kan verdere reductie in gasverbruik behaald worden.
Tot slot maken thermische isolatie en het beter inregelen van installaties onderdeel uit van de energiebesparingsplicht.
Sommige maatregelen zijn echter niet voldoende gespecificeerd om concreet aan te geven of ze wenselijk zijn en welke blokkades er potentieel nog zijn. Of ze zijn lastig uitvoerbaar, zoals de energiebesparingsplicht als voorwaarde voor de subsidies. Zoals aangegeven zal ik in gesprek gaan met de NVDE om hierover nader van gedachten te wisselen.
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De vragen zijn beantwoord voor het commissiedebat Hernieuwbare energie, dat is verplaatst naar 15 april 2026.
Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes (IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering – bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege de optelling van eerdere IBS-periodes?
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond, omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk kunnen worden uitgezet?
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders, al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus, en reden voor opheffing van de bewaring?
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht? Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Een snelle oplossing voor het Noodfonds energie |
|
Suzanne Kröger (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Essent vraagt snelle oplossing Noodfonds energie: «Er is geen vangnet voor kwetsbare huishoudens»»?1
Klopt het dat er op dit moment geen publieke uitvoerder is die het Publieke Energiefonds op zich wil nemen?
Klopt het dat het kabinet wel naar uitvoering door vier instanties zoals de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank heeft gekeken, maar die alle vier niet geschikt bleken? Zo ja, waarom bleken deze niet geschikt?
Kunt u aangeven met welke andere organisaties nog meer gesproken is en waarom deze allen niet geschikt bleken als uitvoerder?
Per wanneer verwacht u dat de publieke uitvoerder operationeel kan zijn en steun kan uitkeren aan huishoudens?
Wat zijn de verwachte uitvoeringskosten van het Publieke Energiefonds op jaarbasis?
Wat zijn de uitvoeringskosten van het Tijdelijke Noodfonds Energie op jaarbasis? waarbij bij alle varianten wordt berekend wat de budgettaire gevolgen zijn bij 1) een maandelijkse bijdrage van € 80,– per huishouden voor de periode van 6 maanden, 2) een maandelijkse bijdrage van € 90,– per huishouden voor de periode van 6 maanden en 3) een maandelijkse bijdrage van € 100,– per huishouden voor de periode van 6 maanden?
Kunt u aangeven wat de actuele inkomensgrenzen zijn voor huishoudens met inkomens tot 130%, 200%, 300% en 350% van het sociaal minimum voor zowel alleenstaanden als samenwonenden? Kunt u voor elke inkomensgrens aangeven om hoeveel huishoudens het gaat?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aanvang van de tweede termijn van de SZW-begroting op 19 maart of, indien eerder ingepland, voor het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland?
Het bericht 'Pijnlijke conclusie: peperdure maatregelen tegen witwassen niet effectief en oneerlijk' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL en het achterliggende rapport van de Algemene Rekenkamer «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Deelt u de hoofdconclusie van de Algemene Rekenkamer dat de huidige anti-witwasaanpak onvoldoende effectief en efficiënt is?
De Algemene Rekenkamer (AR) richtte zich in haar onderzoek op de periode 2020–2024. Ik ben het met de AR eens dat de antiwitwasaanpak in die jaren in de praktijk beter kon. Na afloop van die onderzoeksperiode heb ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid onze nieuwe antiwitwasaanpak met de Tweede Kamer gedeeld.2 Deze nieuwe antiwitwasaanpak adresseert veel van de conclusies van de AR. In deze nieuwe antiwitwasaanpak benoemen wij twee hoofddoelen: 1) verlagen van lasten voor bonafide burgers en bedrijven; en 2) barrières verhogen voor criminelen. Door deze doelen centraal te stellen zetten we in op een antiwitwasaanpak die zowel effectief is als efficiënt.
Kun u een inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet ter bestrijding van witwassen en hoe deze kosten doorberekend worden aan klanten?
Ik kan geen inschatting maken van de jaarlijkse kosten die banken maken als gevolg van de personele inzet, of de gevolgen van de hogere compliancekosten voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen.
Banken bepalen zelf hun eigen inzet op het antiwitwasdossier. Er is sinds de publicatie van «Herstel naar balans» door De Nederlandsche Bank (DNB) nadrukkelijk ingezet op een verbeterde risicogebaseerde toepassing van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zowel door de toezichthouder als door banken.3 Dit betekent dat de inzet hoger moet zijn als de risico’s hoger zijn. Als de risico’s lager zijn moeten de maatregelen beperkt worden. De Wwft geeft hier ook de ruimte voor. Ook in de nieuwe antiwitwasaanpak is dit een belangrijke pijler aangezien is gebleken dat banken in de praktijk de risicogebaseerde aanpak nog steeds onvoldoende toepassen. Banken stellen hierdoor nog steeds soms onnodige vragen aan bepaalde klanten, en sommige burgers ervaren zelfs discriminatie. Een verbetering van de risicogebaseerde aanpak zorgt ervoor dat banken minder onnodige vragen stellen, en minder maatregelen nemen wanneer de risico’s lager zijn. Dit kan er toe leiden dat banken minder kosten maken. De uitvoering van de risicogebaseerde benadering ligt primair bij de banken, zij dienen ervoor te zorgen dat de maatregelen die zij nemen proportioneel zijn aan het geconstateerde risico. DNB houdt toezicht op deze risicogebaseerde benadering.
Daarnaast hebben veel banken de afgelopen jaren grootschalige hersteltrajecten moeten uitvoeren, omdat zij de basis van de antiwitwasaanpak niet op orde hadden.4 Deze hersteltrajecten waren nodig om onder andere een goede basis te leggen voor de risicogebaseerde aanpak.
De problematiek rondom discriminatie bij banken speelt breder dan enkel de toepassing van de Wwft. Het is onacceptabel dat burgers discriminatie ervaren in de interactie met banken. De afgelopen jaren hebben we zelf ook onderzoeken gedaan naar (ervaren) discriminatie. De Minister van Financiën heeft naar aanleiding van deze onderzoeken diverse acties opgesteld om (ervaren) discriminatie aan te pakken. Dat geldt ook voor de banken zelf en voor DNB. Hierover is de Tweede Kamer in mei 20245, december 20246 en september 20257 geïnformeerd.
In hoeverre acht u de genoemde kosten proportioneel in verhouding tot de effectiviteit van het beoogde doel van witwasbestrijding, mede gelet op neveneffecten zoals het risico op discriminatie, de toegenomen regeldruk voor bedrijven en verenigingen en het mogelijke afhaken van vrijwilligers waardoor maatschappelijk initiatief onder druk kan komen te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom in het rapport wel de effecten van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) op (oud-)politici (Politically Exposed Persons, PEP’s) zijn onderzocht, maar bijvoorbeeld niet is gekeken naar de effecten op maatschappelijke organisaties zoals (sport)verenigingen, terwijl deze laatste groep ook signalen van administratieve lasten en belemmeringen meldt?2
De AR bepaalt zelf hoe zij hun onderzoek vormgeven. In het rapport benoemt de AR dat zij drie groepen hebben geselecteerd om te onderzoeken hoe verschillend de ervaren controles door banken zijn. Ze hebben niet enkel groepen geselecteerd op signalen van lasten. Daarnaast is het zo dat er voor PEP’s specifieke onderzoeksverplichtingen zijn voor poortwachters.9
Bent u bereid deze effecten op maatschappelijke organisaties alsnog te laten onderzoeken om zo een volledig beeld te krijgen van de neveneffecten?
In 2023 heeft SIRA in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een onderzoek gedaan naar regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen.10 Daar is vervolgens ook een kabinetsreactie op gestuurd in 2024, mede namens mij.11 In het onderzoek is genoemd dat de Wwft-verplichtingen maatschappelijke organisaties voornamelijk tijd kosten.
Het Ministerie van Financiën is ook regelmatig in gesprek met een brede groep aan organisaties om de impact van de antiwitwascontroles te bespreken, onder andere in hetMaatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) de-risking. In het MOB de-risking zitten vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), DNB, betaalinstellingen, goede doelen en ondernemers- en consumentenverenigingen samen om de voortgang op de aanpak van de-risking te bespreken en aan te pakken. Zo heeft de NVB standaarden opgesteld om banken te helpen in hun klantonderzoek. In haar proportionaliteitsverkenning onderstreept DNB de positieve vooruitgang die er op dit gebied heeft plaatsgevonden.12 Daarnaast spreekt het Ministerie van Financiën ook regelmatig met onder andere banken en maatschappelijke organisaties, waarbij de neveneffecten van de Wwft regelmatig onderwerp van gesprek zijn.
SIRA noemde enkele mogelijkheden tot verbetering, waaronder inzetten op de risicogebaseerde benadering. Daar ben ik nu mee bezig, maar dit staat en valt met de inzet vanuit banken zelf. Zij staan primair aan de lat om hier werk van te maken. Ik zie geen reden voor aanvullend onderzoek.
Vindt u de huidige personele inzet bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) proportioneel ten opzichte van de zeer grote personele inzet bij banken voor het verzamelen en melden van ongebruikelijke transacties, mede gelet op signalen dat de opvolging van deze meldingen niet altijd inzichtelijk is?
De personele inzet bij DNB kan wat mij betreft niet vergeleken worden met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties totaal verschillende rollen hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Banken vullen een centrale rol in ons financiële stelsel en dienen risicogebaseerd onderzoek te doen naar klanten en hun transacties te monitoren.
DNB controleert of financiële ondernemingen, waaronder banken, voldoen aan hun wettelijke verplichtingen. De taken die hierbij komen kijken zijn anders dan die van banken, en dus is het logisch dat de personele inzet van een andere orde is. Ik ben van mening dat de huidige inzet van DNB daarom proportioneel is.
De personele inzet bij FIU-Nederland laat zich moeilijk vergelijken met de inzet bij banken aangezien deze twee organisaties verschillende rollen en verantwoordelijkheden hebben op basis van de wet in de antiwitwasketen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het analyseren van alle ongebruikelijke transacties geen doel op zich is. De FIU-Nederland analyseert meldingen risicogebaseerd, waarbij het zich richt op de grootste risico’s en op de prioriteiten van de ketenpartners. Dit past binnen de risicogebaseerde aanpak van witwassen.
De FIU-Nederland ziet in de aanbevelingen in het rapport tevens een aansporing van de huidige inzet op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering, zoals aanbevolen door de AR, verder mogelijk. De data gedreven benadering maakt het vervolgens mogelijk om beter inzicht te krijgen en geven in de meest risicovolle meldingen en de opvolging hierop.
Hoe beoordeelt u de signalen dat de huidige werkwijze van de FIU ertoe leidt dat niet alle ongebruikelijke transacties worden opgepakt, dat de aanpak onvoldoende risico- en datagedreven is en dat er weinig wordt gedaan aan kwaliteitsverbetering en structurele terugkoppeling richting banken en bent u bereid hier concrete stappen op te zetten?
De focus van de FIU-Nederland ligt op het verder versterken van de risicogebaseerde aanpak, waarbij de grootste witwasrisico’s prioriteit krijgen. In de praktijk betekent dit dat de FIU-Nederland meldingen risicogebaseerd analyseert en zich richt op de belangrijkste risico’s en de prioriteiten van ketenpartners. Het oppakken van alle ongebruikelijke transacties is daarbij geen doel op zich.
Bovendien neemt de FIU-Nederland de conclusies en aanbevelingen ter harte om meer risico- en datagedreven te werken. De FIU-Nederland zet daarom ten eerste in op het verbeteren van de datakwaliteit. Het verbeteren van de datakwaliteit maakt vervolgens een meer data-gedreven benadering verder mogelijk. De versterkte datapositie zal de FIU-Nederland ook de mogelijkheid geven om risico’s, trends en fenomenen beter te identificeren en te duiden. Daarnaast zal de FIU-Nederland verkennen in hoeverre IT-oplossingen kunnen ondersteunen in een meer data-gedreven benadering. De afgelopen jaren zijn al een aantal belangrijke stappen gezet ten behoeve van het objectief prioriteren van belangrijke meldingen.
De FIU-Nederland onderstreept het belang dat de AR geeft aan kwalitatief goede meldingen door meldingsplichtige instellingen. Binnen de huidige wettelijke mogelijkheden werkt de FIU-Nederland momenteel al concreet aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen, bijvoorbeeld door middel van een aanstaande update van de meldformulieren. Gedurende het jaar publiceert de FIU-Nederland bovendien op diens website over witwasmethoden, zoals bijvoorbeeld het «cash compensatie model», zodat poortwachters en andere partijen die inzichten kunnen benutten in hun werk. Het nieuwe Europese antiwitwaspakket biedt de FIU-Nederland vanaf juli 2027 meer mogelijkheden om informatie te verstrekken aan toezichthouders en feedback te geven aan poortwachters. Dit zal een verdere impuls geven aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen. De FIU-Nederland bereidt zich momenteel voor op de implementatie van deze wetgeving.
Klopt het dat DNB een strengere toezichtfilosofie hanteert dan toezichthouders in andere landen en dat Nederland de Europese anti-witwasregels strikter toepast, waardoor de administratieve lasten voor Nederlandse financiële instellingen hoger uitvallen?
De Europese antiwitwasrichtlijn schrijft voor wat poortwachters moeten doen, de toezichthouder houdt hier toezicht op. De afgelopen jaren heb ik in verschillende gesprekken signalen ontvangen van verschillende poortwachters waarin zij aangaven dat Nederland, dan wel DNB strenger zou zijn op bepaalde onderdelen. Dit bleek telkens om een Europese verplichting te gaan en niet om een nationale interpretatie. Bovendien zie ik dat in andere EU-landen toezichthouders ook optreden richting poortwachters die de antiwitwasverplichtingen niet op orde hebben.
In haar toezicht benadrukt DNB dat poortwachters de verplichtingen uit de Wwft risicogebaseerd moeten uitvoeren, zoals onder meer blijkt uit haar leidraad (de Q&A en Good Practices Wwft).13 Voorts hebben DNB en het ministerie bijgedragen aan de totstandkoming van de eerder genoemde risicogebaseerde sectorstandaarden van de NVB, en heeft DNB in 2025 onderzoeken gedaan naar het tegengaan van discriminatie14 en de proportionele toepassing van de Wwft door banken.15 De FATF heeft ook in haar richtsnoeren over financiële inclusie (juni 2025) Nederland diverse malen genoemd als positief voorbeeld.16 Nederland blijft ook in Europees, waaronder in AMLA-verband, aandacht houden voor de versterking van de risicogebaseerde aanpak.
In hoeverre hebben deze hogere compliancekosten gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse banken ten opzichte van banken in andere landen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op uw rol en die van uw ministerie ten aanzien van de beperkte inhoudelijke betrokkenheid bij de effectiviteit van het toezicht van DNB en bent u bereid om het gesprek over de effectiviteit en de gevolgen van de anti-witwasaanpak structureel te verankeren in de toekomstige overlegstructuur met DNB?
De uitvoering van de opgedragen taken is primair de verantwoordelijkheid van DNB zelf. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken.
Tegelijkertijd ben ik systeemverantwoordelijk voor het functioneren van het toezichtsysteem en de toezichthouders. Hierbij moet ik kunnen beoordelen of DNB haar taken op doeltreffende en doelmatige wijze uitvoert. Ik oefen hiertoe zogenaamd «toezicht op afstand» uit op DNB. Dat doe ik conform de visie Toezicht op afstand17 en de Kaderwet zbo’s, op basis waarvan vijfjaarlijks het doeltreffend en doelmatig functioneren van DNB als zelfstandig bestuursorgaan wordt geëvalueerd.
Het is wenselijk om over de taakuitvoering van de Wwft meer inzicht te krijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het integriteitstoezicht van DNB. Ik ga dan ook met DNB in gesprek over hoe dit opgepakt kan worden. Hierbij geef ik de voorkeur om dit structureel te verankeren in bestaande publicaties of kanalen.
Wanneer kunnen we de integrale kabinetsreactie ontvangen op het Algemene Rekenkamerrapport «Gevolgen Groot, opbrengsten onbekend», inclusief een verbeterplan hoe de anti-witwasaanpak concreet meer risicogestuurd ingericht kan worden om zo de efficiëntie te verhogen?
De reactie van de Minister van Justitie en Veiligheid en mijzelf is opgenomen in het rapport van de AR. In die reactie gaan wij in op de conclusie en aanbevelingen van het AR rapport. Deze is ook te vinden op de site van de AR.18
In de tweede helft van 2026 zullen wij een voortgangsbrief sturen waarin de Kamer wordt geïnformeerd over de nieuwe antiwitwasaanpak. In de voortgangsbrief zullen wij verder inzage geven in de voortgang van de risicogebaseerde benadering. Ik merk hierbij op, net als wij richting de AR in onze reactie hebben opgemerkt dat de risicogebaseerde aanpak primair bij de banken ligt: zij dienen ervoor te zorgen dat ze zich op hoge risico’s richten en minder op lage risico’s.
Kan de Minister erop toezien dat bovengenoemde vragen meegenomen worden in de aanstaande kabinetsreactie?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.