Bent u bekend met het bericht «Ervaringen ingezetenencriterium»?1
Hoe kan het dat ondanks het i-criterium, welke sinds 1 januari 2013 deel uitmaakt van de Opiumwet en gemeentes verplicht dit in het lokale beleid op te nemen, er nog steeds gemeentes zijn die deze plicht verzaken?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat gemeentes die het i-criterium wel in hun lokale beleid hebben opgenomen dit niet handhaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Is het gedogen van eerdergenoemd gedrag door gemeentes geen vorm van ondermijning van de rechtsstaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Als de overheid zich al niet houdt aan wet- en regelgeving, wat verwacht u dan van de burger? Is dit geen fout voorbeeld?
Wekt het niet uitvoeren en handhaven van het i-criterium het wiettoerisme, met de bijbehorende overlast, niet in de hand?
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Ja.
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, dit klopt. Het recht op toegang tot overheidsinformatie en het kunnen doen van een Woo-verzoek is belangrijk voor de werking van onze democratie. Vanzelfsprekend is het onacceptabel dat dit belangrijke recht uit de Woo wordt misbruikt. Misbruik maken van de Woo leidt tot verspilling van publieke middelen en levert het overheidsorganisaties een hoop extra werk op. Misbruik ondermijnt een goede werking van het openbaarheidsstelsel, bijvoorbeeld omdat dit ten koste gaat van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken.
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Transparantie van overheidshandelen en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn belangrijke waarborgen in onze democratische rechtsstaat. Misbruik van het recht om Woo-verzoeken te doen, is dan ook onacceptabel. Deze casus laat zien dat misbruik van de Woo mogelijk is.
Om misbruik tegen te gaan, bevat de Woo een antimisbruikbepaling. Van deze bepaling kunnen overheidsorganisaties gebruik maken als een Woo-verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Op dit moment heb ik geen signalen dat misbruik van de Woo op grote schaal voorkomt. Wel is het voor bestuursorganen soms lastig om te bepalen wanneer zij gebruik kunnen maken van de antimisbruikbepaling. Daarom hebben we een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen hierbij helpt.2 Daarnaast wordt dit jaar de Woo geëvalueerd, waarbij ook wordt gekeken naar de werking van de antimisbruikbepaling. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie kunnen we kijken of extra maatregelen nodig zijn om misbruik te voorkomen en te bestrijden.
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken.3 In dit onderzoek is niet specifiek gekeken naar bulkverzoeken, maar wel naar zogenaamde «zeer complexe» verzoeken,4 waar ook de hier bedoelde bulkverzoeken onder kunnen vallen. Op landelijk niveau vergen de 10% meest complexe Woo-verzoeken circa 30% van de totale tijd die wordt besteed aan de afhandeling van Woo-verzoeken. De gemiddelde tijdsbesteding voor zeer complexe Woo-verzoeken bedraagt 113 uren voor kleine gemeenten, 128 uren voor middelgrote gemeenten en 159 uren voor grote gemeenten. Dit betreffen uitdrukkelijk niet allemaal verzoeken waarmee misbruik wordt gemaakt van de Woo. In de wetsevaluatie wordt nader gekeken naar de effecten van de Woo in de praktijk en de werking van de antimisbruikbepaling. De uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten worden in de wetsevaluatie meegenomen.
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
Zoals eerder genoemd, heeft de Woo een antimisbruikbepaling (artikel 4.6) waarmee bestuursorganen een middel hebben om Woo-verzoeken die een ander doel hebben dan het verkrijgen van informatie niet in behandeling te nemen. Hier heeft de gemeente Utrecht in deze casus ook een beroep op gedaan.
Of de antimisbruikbepaling wordt ingezet, is een afweging die het bestuursorgaan zelf moet maken op basis van de relevante feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Er is dus geen standaardformule die altijd kan worden toegepast als er een vermoeden van een oneigenlijk of misbruikverzoek is. Zoals hiervoor al benoemd, is vanuit mijn ministerie – in samenwerking met een overheidsbrede werkgroep – een handreiking opgesteld met handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Zo kan met behulp van indicatoren uit de wet, jurisprudentie en de praktijk worden bepaald of in een casus toepassing van de antimisbruikbepaling passend is.
De handreiking is net gepubliceerd en moet zijn effect in de praktijk dus nog krijgen. Uiteraard herzien we zo nodig de handreiking op basis van signalen uit de praktijk en nieuwe jurisprudentie. Eventuele aanvullingen van het instrumentarium kunnen volgen naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo.
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Een goed werkend openbaarheidsstelsel is van groot belang. Binnen dit stelsel moeten zowel het recht op overheidsinformatie als mogelijkheden voor bestuursorganen om met misbruik van dit recht om te gaan, geborgd zijn. Het is daarom belangrijk om hier ook in het onderzoek van de wetsevaluatie grondig en objectief naar te laten kijken.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
Tijdens de wetsevaluatie van de Woo worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht. Hieronder vallen dus ook de doeltreffendheid van de antimisbruikbepaling en misbruik van de Woo in de praktijk. De onderzoekers zal worden gevraagd om aanbevelingen te doen voor verbetering van de uitvoering en uitvoerbaarheid van de wet.
In tussentijd zetten we al stappen om tot een betere uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te komen. Zo hebben we zeer recent een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen helpt bij het omgaan met misbruik van de Woo.5 Aan de handreiking hebben ook verschillende gemeenten meegewerkt. Ook is er een openbare internetconsultatie gedaan waarin iedereen op de concepthandreiking kon reageren. Vanuit de praktijk bleek vooral behoefte aan een handreiking met praktische handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. De handreiking is dan ook een praktisch product geworden dat helpt om misbruik van de Woo te herkennen en te bestrijden.
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Ik vind het niet noodzakelijk, en gezien de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht onwenselijk, om over deze kwestie in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Holland ook aangegeven deze kwestie hoog op te nemen en gemeld dat de betreffende rechter geen zaken meer behandelt totdat duidelijk is of het handelen gevolgen moet hebben (en zo ja, in welke vorm).6 De concrete acties die ik vanuit BZK onderneem, zoals de handreiking en het onderzoek in het kader van de wetsevaluatie, heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht.
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang, scholen springen bij»?1
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink, vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten als richting opvangorganisaties?
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en aanspraak kunnen maken op zorg?
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg ook daadwerkelijk krijgen?
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding, en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor beschikbaar is?
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen, zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging of uitstel van noodzakelijke zorg?
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg via motie Synhaeve c.s.?3
Het artikel ‘Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: ‘Verzekeraars hebben te veel macht’ |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: «Verzekeraars hebben te veel macht»»?1
Bent u het eens met de stelling dat het zorgverzekeringsstelsel de manier waarop Bernhoven passende zorg levert juist zou moeten stimuleren? Zo ja, waarom lukt dit nu niet?
Wat vindt u ervan dat het Bernhoven door deze financiële crisis nu financieel afhankelijk wordt van onder andere meer patiënten en goed moet kijken naar welke behandelingen of afdelingen meer geld opleveren? En wat zegt dit over ons zorgverzekeringsstelsel?
Op welke manieren kan passende zorg worden gerealiseerd, zonder dat het systeem van betaling per patiënt op de schop gaat?
Deelt u de opvatting dat ziekenhuizen te afhankelijk zijn van zorgverzekeraars voor het maken van langetermijnafspraken? Zo nee, waarom niet?
Wat kunt u doen om lange-termijnafspraken met ziekenhuizen te bevorderen?
Wat betekent het dat de financiële positie van het ziekenhuis Bernhoven van BDO een 2 uit 10 krijgt, voor het rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel?
Bent u het eens met de quote van de bestuursvoorzitter van Bernhoven: «De zorg wordt ook niet goedkoper van een fusie?»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de relevante scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting bij de lijst met ombuigingen 2026 (begroting 2027) aan te passen aan de huidige stand van onderzoek of hier het gesprek over aan te gaan met Minister van Financiën? Zo nee, waarom niet?
Kunt u voorafgaand aan het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel aangeven op welke manieren het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel impliciet en expliciet stuurt op volume, concentratie en schaalvergroting van basis of reguliere zorg, onder andere aan de poort of via normen bij de ambulance?
Hoe wordt «overheidsregie op spreiding», afkomstig uit het regeerakkoord, vormgegeven, zowel voor de acute of de planbare zorg? Welke nieuwe instrumenten worden hiervoor ingezet en hoe dragen die bij aan spreiding van reguliere zorg?
Het bericht 'Israëlische aanval treft journalisten in Libanon: vermiste verslaggever dood onder het puin gevonden' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger in Libanon, zoals het AD meldt?1
De gevolgen van het geweld in Libanon baren het kabinet ernstige zorgen, specifiek ook de slachtoffers die vallen onder hulpverleners en journalisten. Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd.
Herinnert u zich het AIV en CAVV rapport over geweld tegen hulpverleners? Zo ja, passen deze aanvallen in het patroon van afbraak van het humanitair recht?
Het kabinet heeft het rapport van AIV en CAVV over geweld tegen hulpverleners meteen bij ontvangst verwelkomd. Het is cruciaal dat manieren worden gevonden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het rapport deelt het kabinet de analyse van de AIV en CAVV dat er wereldwijd sprake is van afnemend respect voor humanitair oorlogsrecht en mede als gevolg daarvan toenemend geweld tegen hulpverleners. Zoals de VN Emergency Relief Coordinator, Tom Fletcher, het begin april verwoordde in de VN Veiligheidsraad is de toename aan gedode hulpverleners geen toeval, maar de teloorgang van het humanitaire uitgangspunt van bescherming.2 Helaas is sinds de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah ook in Libanon sprake van dergelijk toenemend geweld.
Herinnert u zich uw uitspraak «door stilte sterft de norm» als reactie op het rapport van de AIV en CAVV en hoe gaat u indachtig deze uitspraak reageren op deze aanvallen op journalisten en hulpverleners door het Israëlische leger?
Een van de centrale uitgangspunten van het humanitair oorlogsrecht (HOR) is dat humanitaire hulpverleners en humanitaire hulpgoederen door strijdende partijen moeten worden ontzien en beschermd. Het kabinet staat pal voor respect voor het HOR, zoals kortgeleden benadrukt in de kabinetsreactie op het rapport van de AIV en CAVV. Wereldwijd zien we dat in Oekraïne, Soedan, Gaza, Libanon of de Democratische Republiek Congo steeds meer lokale en internationale hulpverleners omkomen door een gebrek aan respect voor het HOR. Dit niet adresseren leidt tot normerosie en het kabinet zet zich daarom in om deze tegen te gaan en het werk van hulporganisaties in woord en daad te steunen.
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, met in ruimere zin veiligheid van journalisten, is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten worden beschermd onder het humanitair oorlogsrecht en moeten hun belangrijke werk in conflictgebieden in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt doelbewuste aanvallen op journalisten overal ter wereld, ook in het Midden-Oosten. Vermeende internationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek, ook waar het journalisten betreft. Nederland vraagt ook al geruime tijd om meer internationale aandacht voor de toenemende straffeloosheid voor geweld tegen journalisten wereldwijd – onder andere in de context van de Media Freedom Coalition. Vanuit het Mensenrechtenfonds heeft Nederland het Safety for Voices-programma dat ziet op fysieke, digitale, juridische en psychosociale veiligheid van journalisten en mensenrechtenverdedigers (EUR 40 miljoen voor periode 2023–2027), waarmee ook journalisten in het Midden-Oosten worden geholpen. Nederland blijft het belang van persvrijheid en veiligheid van journalisten consistent onderstrepen tegenover Israël, zowel publiek als achter de schermen, mede met het oog op het tegengaan van straffeloosheid voor dit soort misdrijven.
Deelt u de mening dat aanvallen van hulpverleners en journalisten nooit de norm mogen worden en dat hier dus actie op is vereist om het internationaal recht als norm te herstellen?
Geweld tegen hulpverleners en journalisten mag inderdaad nooit de norm worden, net zo min als straffeloosheid bij dergelijk geweld. Om straffeloosheid tegen te gaan, is bewijsmateriaal nodig op grond waarvan vervolgens doortastend gehandeld moet worden. In principe is het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke misdrijven. De internationale gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op te treden. Het kabinet roept daarom op tot transparant en onafhankelijk onderzoek naar de diverse gevallen waarbij de afgelopen tijd door het geweld tussen Israël en Hezbollah in Libanon hulpverleners en journalisten omkwamen of gewond raakten. Zie ook antwoord 7.
Deelt u de mening dat deze aanvallen door het Israëlische leger een schending zijn van het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon? Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren overeind blijft?
Het kabinet verwelkomt het staakt-het-vuren tussen Israël en Libanon, de bemiddelende rol van de VS hierin, en roept alle partijen op zich aan de gemaakte afspraken te houden en de wederzijdse aanvallen te stoppen. Deze boodschap onderstreept het kabinet onverkort, zowel in samenspraak met gelijkgezinden als bilateraal. Het is van groot belang dat de onderhandelingen tussen Israël en Libanon worden voortgezet om te komen tot een duurzame diplomatieke oplossing.
Bent u bereid om deze aanvallen op hulpverleners en journalisten door het Israëlische leger publiekelijk te veroordelen?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, inclusief journalisten en hulpverleners.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat dat er onafhankelijk onderzoek komt naar deze en andere aanvallen op hulpverleners en journalisten in Libanon, en zo ja, op welke manier gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ook in deze context dringt Nederland aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke schendingen. Het kabinet onderzoekt mogelijkheden om de Libanese autoriteiten hierin te ondersteunen en steunt Nederland het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5 mln. over de jaren 2025–2026.
Bent u bereid om de Israëlische ambassadeur te ontbieden naar aanleiding van deze aanvallen, of welke andere actie gaat u ondernemen om druk te zetten op de Israëlische regering om deze aanvallen op journalisten, hulpverleners of burgers te stoppen?
Het kabinet beziet steeds hoe het op een effectieve wijze kan bijdragen aan verbetering van de situatie ter plaatse en blijft dit consistent onderstrepen in bilaterale gesprekken met Israëli en in multilateraal verband. Dat doet het kabinet soms publiekelijk en soms achter de schermen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden en gezien de actualiteit met spoed te beantwoorden?
Ja.
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Tijs van den Brink (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
Het bericht ‘Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro’: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro»: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt»?1
Vindt u het onwenselijk dat als een ziekenhuis om niet-medisch noodzakelijke redenen een patiënt een nacht langer laat liggen en daarmee 12.000 euro extra kan declareren terwijl de nacht in werkelijkheid maar een paar honderd euro kost? Zo nee, waarom niet?
Staat u achter het principe van «passende zorg»? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de manier waarop ziekenhuizen worden gefinancierd slecht aansluit op het principe «passende zorg» en leidt tot perverse prikkels? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat de financiële zekerheid voor de regionale ziekenhuizen vergroot moet worden? Zo nee, waarom niet?
Staat het doel van de invoering van de budgetbekostiging seh nog overeind, namelijk meer financiële zekerheid voor regionale ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
Het bericht 'Pieter (61) gaat per boot naar Gaza: ‘Ik ga ervan uit dat wij ook worden gekidnapt’' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Global Sumud Flotilla woensdag 15 april is uitgevaren richting Gaza met als doel het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza door Israël en het brengen van humanitaire goederen?
Bent u ervan op de hoogte dat er in ieder geval één Nederlandse burger aan boord is van deze vloot?1
Deelt u de mening dat het doel van deze actie, namelijk het doorbreken van de illegale blokkade van Gaza en het brengen van humanitaire hulp naar de bevolking van Gaza, legitiem is en niet mag worden gehinderd? Zo ja, hoe gaat u hieraan bijdragen en bent u bereid steun uit te spreken? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Israëls handelen tegen de vorige Flotilla actie, namelijk het enteren en gevangennemen, met fysiek geweld tot gevolg, van de opvarenden van de Freedom Flotilla op internationale wateren illegaal was? Zo ja, wat gaat u doen om dit deze keer te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan de Israëlische regering te waarschuwen geen Nederlandse staatsburgers gevangen te nemen bij het brengen van humanitaire hulp aan Gaza, dat de opvarenden veilig blijven en met respect voor mensenrechten en het internationaal recht behandeld worden? Zo ja, op welke manieren? Zo nee, waarom niet?
Op welke manieren levert u (consulaire) bijstand aan de Nederlandse opvarenden van de Freedom Flotilla? Als er geen sprake is van consulaire hulpverzoeken voorafgaand aan de Flotilla, bent u bereid actief contact te zoeken met de Nederlandse staatsburgers en ze bij te staan gezien de precaire situatie?
Bent u in contact met andere landen waarvan de burgers opvarenden van de Freedom Flotilla zijn? Zo ja, bent u bereid gezamenlijk op te trekken tegen de Israëlische regering om te zorgen dat internationaal recht en toegang van humanitaire hulp wordt geborgd? Zo nee, waarom niet?
Als er opnieuw illegale kidnappings en mishandelingen plaatsvinden, is het kabinet dan bereid om eindelijk actie te ondernemen richting het Israëlische kabinet? Welke maatregelen mogen we verwachten?
Bent u bereid om voor deze missie bescherming te bieden aan de (Nederlandse) opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid contact te houden met de Global Sumud Flotilla om te zorgen dat de (Nederlandse) opvarenden veilig zijn en op bijstand kunnen rekenen? Zo ja, op welke manier bent u van plan dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de toevoer van deze humanitaire hulp door de Flotilla niet voldoende zullen is om de humanitaire noden in Gaza op te lossen? Zo ja, hoe gaat u hier dan aan concreet aan bijdragen?
Bent u het eens met het laatste AIV- en CAVV-advies over bescherming van hulpverleners, waarin zij stellen dat stille diplomatie niet voldoende is als het gaat om het tegengaan van geweld tegen hulpverleners? Welke consequenties verbindt u daaraan indien geweld tegen de hulpverleners van de Flotilla plaatsvindt?
Welke maatregelen bent u bereid om te nemen tegen de Israëlische regering om de genocide in Gaza te stoppen? Wanneer bent u bereid om de Palestijnse staat te erkennen, om de Israëlische ambassadeur te ontbieden, om de leden van de regering Netanyahu op een sanctielijst te zetten, om een handelsembargo in te stellen, of om een wapenembargo in te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het bericht ‘Grote onrust in wijk om fatbiketerreur, bewoners bewapenen zich en dreigen met ‘wijkoorlog’ in brief aan politie’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat in steeds meer gemeenten, waaronder Delfzijl, sprake is van ernstige overlast en intimidatie door groepen «jongeren» in de openbare ruimte, waarbij het lokale gezag zichtbaar moeite heeft om grip te krijgen op de situatie?1
Wat vindt u ervan dat inwoners van Delfzijl kennelijk het vertrouwen verliezen dat de overheid hen nog voldoende kan beschermen? Deelt u de opvatting dat dit buitengewoon zorgelijk en beschamend is voor een rechtsstaat?
Kunt u aangeven in hoeveel gemeenten sprake is van vergelijkbare problematiek met overlastgevende of criminele jeugdgroepen waarbij het de gemeente of een wijk compleet ontwricht?
Deelt u de opvatting dat wanneer het bevoegd gezag aantoonbaar tekortschiet, of onvoldoende capaciteit en gezag heeft om hardnekkig overlastgevend en intimiderend tuig van straat te halen, het vanuit menselijk oogpunt voorspelbaar en logisch is dat bewoners zich uiteindelijk genoodzaakt voelen hun wijk zelf te verdedigen? Kunt u hier een heldere reactie op geven?
Welke rol spelen capaciteitsproblemen bij politie, boa’s en handhaving volgens u bij het ontstaan of voortduren van dit soort situaties?
Vanaf welk punt bent u bereid het geweldsmonopolie van de staat zichtbaarder, steviger en dwingender in te zetten om de openbare orde te herstellen en inwoners weer veiligheid te bieden? Kunt u daarbij een concreet tijdspad geven?
Welke extra maatregelen bent u bereid te nemen om gemeenten sneller en effectiever te helpen bij de aanpak van dit soort overlastgevende jeugdgroepen, zoals ruimere inzet van gebiedsverboden, groepsverboden, preventief fouilleren, snelle inbeslagname van voertuigen en persoonsgerichte maatregelen?
Waarom worden gemeenten die hun inwoners willen beschermen nog te vaak tegengewerkt door regels, procedures of terughoudende instanties wanneer zij extra camera’s, handhaving of andere veiligheidsmaatregelen willen inzetten, en hoe gaat u daar per direct verandering in brengen?
Wat doet u op dit moment actief richting gemeenten met vergelijkbare problematiek, en welk aanvullend pakket aan maatregelen bent u bereid op korte termijn beschikbaar te stellen?
Het bericht 'Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van 'democraat' Pahlavi'' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Iraniërs worden van alle kanten bedreigd, ook uit naam van «democraat» Pahlavi» van Nieuwsuur, d.d. 19 april 2026?1
Bent u bekend met signalen van intimidatie tegen Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, waar bestaan die signalen uit?
Staat u direct of indirect in contact met de Iraanse diaspora in Nederland, ook met de Iraanse Nederlanders die zowel tegen het regime van de ayatollahs als tegen de terugkeer van de zoon van de sjah zijn? Zo ja, ervaren deze groepen druk vanuit het Iraanse regime dan wel vanuit kringen rondom de zoon van de sjah? Zo nee, bent u bereid met deze groepen in contact te treden?
Hoeveel aangiftes zijn er gedaan vanwege misdrijven gericht tegen Iraanse Nederlanders waaronder doxing? Wat is de stand van zaken van deze aangiftes?
Acht u het nodig dat Iraanse Nederlanders beter beschermd gaan worden tegen vormen van intimidatie waaronder strafbare feiten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Is de politie extra alert op bedreigingen van Iraniërs in Nederland? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
De Nederlandse inzet tijdens de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wie namens de Nederlandse regering aanwezig zullen zijn bij de aanstaande toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in New York en met welke inzet zij deelnemen?1
Nederland werd op hoogambtelijk en ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De Nederlandse delegatie werdt geleid door de ontwapeningsambassadeur, tevens Permanent Vertegenwoordiger bij de Ontwapeningsconferentie te Genève. Tijdens het opening (high level) segment in de eerste week was Nederland vertegenwoordigd door de directeur-generaal Politieke Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in de hoedanigheid van Vice-Minister. De delegatie bestond verder uit vertegenwoordigers van het inisterie van Buitenlandse Zaken, vanuit het departement (Den Haag), de permanente vertegenwoordigingen in New York, Genève en Wenen alsook de ambassade in Washington.
De Nederlandse inzet is uiteengezet in de Kamerbrief «De Nederlandse inzet voor de NPV Toetsingsconferentie 2026» (Kamerstuk 33 783, nr. 53), die op 17 april 2026 aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u het ermee eens dat, in tijden van hoogopgelopen spanningen, het opzeggen van wapenbeheersingsverdragen, uitbreiding van nucleaire arsenalen en agressieoorlogen door kernmachten, nucleaire ontwapening nóg belangrijker is geworden?
Zoals in voornoemde Kamerbrief (Kamerstuk 33 783, nr. 53) is beschreven, blijft een kernwapenvrije wereld het uiteindelijke doel van de NAVO en ook van Nederland. In deze veranderende wereld maakt het kabinet doorlopend een afweging tussen het streven naar een wereld zonder kernwapens en de veiligheidssituatie van het moment. Eenzijdige ontwapening door NAVO-bondgenoten maakt de wereld voor Nederland niet veiliger. Ontwapening is een complex proces van lange adem. Het bereiken van dit doel is van veel partijen afhankelijk en gekoppeld aan de mondiale veiligheidssituatie, waardoor het een proces met stapsgewijze, incrementele vooruitgang en soms – al dan niet tijdelijke – achteruitgang is.
Deelt u onze zorgen dat het NPV onder toenemende druk staat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bredere architectuur op het terrein van wapenbeheersing, non-proliferatie en ontwapening staat inderdaad onder druk. Cruciale afspraken en verdragen lopen af of worden beëindigd en de bereidheid om de dialoog aan te gaan en multilaterale compromissen te zoeken is aan erosie onderhevig. Het Non-proliferatieverdrag (NPV) geniet echter nog steeds brede steun van de internationale gemeenschap. Alleen kernwapenbezitters India, Israël, Pakistan en Noord-Korea (in 2003 uitgetreden) en Zuid-Soedan zijn geen partij bij het NPV. Bovendien waren 190 van de 191 verdragspartijen bij de tiende Toetsingsconferentie in augustus 2022 bereid de slottekst te ondersteunen, ondanks aanzienlijke compromissen die alle landen hebben moeten accepteren. Enkel Rusland was destijds tegen.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor uitvoering van artikel 6 van het verdrag, dat staten verplicht nucleair te ontwapenen? Zo ja, kunt u aangeven welke concrete stappen op dit punt worden voorgesteld?
Nederland blijft zich inzetten voor alomvattende, onomkeerbare en controleerbare nucleaire ontwapening in lijn met artikel VI van het NPV en heeft tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie benoemd dat kernwapens geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Het huidige tijdsgewricht vraagt echter om realisme ten aanzien van de ontwapeningsdoelen van het NPV. Het vertrouwen tussen kernwapenstaten is momenteel laag en dit beperkt op korte termijn het uitzicht op significante ontwapeningsstappen. Nederland hecht daarom waarde aan versterking van de non-proliferatiearchitectuur en maatregelen die de kans op gebruik van kernwapens verlagen. Hierbij valt onder meer te denken aan meer transparantie over nucleaire doctrines en uitbreidingen van arsenalen, vertrouwenwekkende maatregelen tussen kernwapenbezitters en het verder ontwikkelen van technieken om toekomstige reducties en ontwapening te monitoren en verifiëren.
Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 aangegeven, blijft gelden dat een wereld waarin NAVO-bondgenoten eenzijdig ontwapenen en andere landen niet, voor Nederland geen veiligere wereld is. Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Bent u van mening dat zogenoemde moderniseringsprogramma’s voor kernwapens, die de levensduur van deze massavernietigingswapens decennia rekken, en ook het uitbreiden van kernwapenarsenalen haaks staan op artikel 6 van het NPV? Zo nee, waarom niet?
Al geruime tijd zijn de meeste kernwapenbezitters bezig met het moderniseren van hun kernwapenarsenalen. Deze moderniseringsprogramma’s staan op zichzelf niet haaks op artikel VI van het NPV en kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het blijvend garanderen van de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van deze wapens. Dit geldt in ieder geval voor de moderniseringsprogramma’s van de arsenalen van NAVO-bondgenoten Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Tegelijkertijd breidt China op ondoorzichtige wijze zijn kernwapenarsenaal uit en ontwikkelt Rusland nieuwe overbrengingsmiddelen die de strategische balans tussen kernwapenstaten ondermijnen.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven heeft Nederland tijdens het algemene debat van de NPV Toetsingsconferentie onderstreept dat kernwapens, overeenkomstig artikel VI, geleidelijk moeten worden afgebouwd en uiteindelijk volledig geëlimineerd. Daarbij zijn kernwapenstaten opgeroepen om met prioriteit stappen te zetten op thema’s als risicoreductie en transparantie, zodat nucleair conflict voorkomen wordt en het onderlinge vertrouwen onder kernwapenbezitters zich kan herstellen, en daarmee inspanningen op het gebied van ontwapening, non-proliferatie en wapenbeheersing weer plaats kunnen vinden. Tevens heeft Nederland China opgeroepen de rappe uitbreiding van het kernwapenarsenaal te herzien en zich voor wapenbeheersing in te spannen. Tot slot heeft Nederland de drie landen met de grootste kernwapenarsenalen – de Verenigde Staten, Rusland en China – opgeroepen een nieuwe strategische wapenbeheersingsovereenkomst overeen te komen, maar daar is wel een basis van onderling vertrouwen voor nodig.
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 4 is aangegeven, is enig realisme waar het gaat om ontwapening in het huidig tijdsgewricht van belang.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen modernisering van kernwapens en uitbreiding van arsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om zich tijdens de toetsingsconferentie uit te spreken tegen uitbreiding van kernwapenarsenalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de meerderheid van lidstaten bij het NPV aankijkt tegen zogeheten nuclear sharing, waar Nederland in NAVO-verband aan deelneemt? Klopt het dat dit wordt gezien als niet in lijn met van het verdrag?
Sinds enkele jaren worden de zogeheten nuclear sharing arrangementsvan NAVO door bepaalde NPV verdragspartijen, in het bijzonder Rusland en China, bekritiseerd. Deze kritiek neemt toe, waarbij sommige landen stellen dat de NAVO-afspraken niet in lijn zouden zijn met het NPV. Deze NAVO-afspraken bestaan echter reeds decennia en zijn volledig in lijn met het NPV. Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna.
Bent u bereid om tijdens de toetsingsconferentie erop aan te dringen dat in het slotdocument stevige taal wordt opgenomen over de catastrofale gevolgen van inzet van kernwapens en daaraan te koppelen dat een kernoorlog nooit gevochten mag worden?
Nederland onderkent in algemene zin de verwoestende humanitaire en klimatologische gevolgen van kernwapens. Het valt echter niet met zekerheid vast te stellen dat het gebruik van kernwapens onder alle omstandigheden in strijd met het humanitair oorlogsrecht zou zijn, zoals werd opgemerkt in het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 1996 (Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons).
Deelt u de opvatting dat kernwapens, vanwege hun ongekende vernietigende kracht waarmee geen onderscheid gemaakt kan worden tussen burgers en militairen, niet in lijn met het oorlogsrecht ingezet kunnen worden? Zult u dit uitdragen tijdens de conferentie?
Zie antwoord vraag 9.
Is de Nederlandse delegatie voorstander van positieve woorden in het slotdocument over het verdrag inzake het verbod op kernwapens (Treaty on the Prohibition on Nuclear Weapons, TPNW), specifiek dat dit verdrag wordt verwelkomd en landen worden opgeroepen zich erbij aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet aangesloten bij het Verdrag inzake het verbod op kernwapens (TPNW) omdat het haaks staat op onze NAVO-verplichtingen. Daarnaast is Nederland van mening dat effectieve ontwapening alleen kansrijk is met betrokkenheid van kernwapenstaten en met robuuste verificatie. Nederland zet daarom in op versterking van het NPV-kader en praktische maatregelen die bijdragen aan risicoreductie, toekomstige reducties en ontwapening.
Bent u voorstander van een Midden-Oosten vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet Nederland om dit te bespoedigen?
Nederland is voorstander van zones vrij van kernwapens en andere massavernietigingswapens. Voor het Midden-Oosten is dit in lijn met de resolutie die hierover werd aangenomen door de NPV Toetsingsconferentie in 1995. De instelling van dergelijke zones kan, zoals beschreven in het actieplan van de NPV Toetsingsconferentie in 2010, alleen plaatsvinden door middel van vrijwillige overeenkomsten tussen alle staten in de regio.
De regionale veiligheidssituatie noopt tot realisme over de haalbaarheid op korte termijn van een dergelijke zone in het Midden-Oosten. In de tussentijd moedigt Nederland alle belanghebbenden, en met name de staten in de regio, aan om deel te nemen aan overleggen om tot een inclusief en op consensus gebaseerd proces te komen voor de uitvoering van de resolutie uit 1995.
Zal Nederland zich tijdens de toetsingsconferentie uitspreken voor meer transparantie over kernwapens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke maatregelen wordt dan concreet aangedrongen en wat doet Nederland zelf voor extra transparantie?
Transparantie is belangrijk om onderling vertrouwen te verbeteren, nucleaire risico’s te verminderen en op den duur stappen te zetten op het gebied van ontwapening. Het verbeteren van transparantie is daarom een langdurige Nederlandse prioriteit binnen het NPV. Middels het cross-regionale Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI) dringt Nederland bijvoorbeeld aan op transparantie over nucleaire doctrines en arsenalen; versterkte nationale rapportage over NPV-implementatie; en interactieve dialogen over nationale implementatie, met name die van kernwapenstaten, tijdens verdragsbijeenkomsten.2 Tevens financiert Nederland samen met Canada een tweetal projecten van de onafhankelijke denktank British American Security Information Council (BASIC) – nl. de NPT Monitor en de Nuclear Transparency Inventory – die erop gericht zijn de implementatie van het NPV door verdragspartijen alsmede de transparantiepraktijken van kernwapenstaten te volgen. Tenslotte heeft Nederland zoals gebruikelijk een nationaal implementatierapport ingediend voorafgaand aan de Toetsingsconferentie.3
Kunt u nader toelichten wat de precieze plannen zijn in het kader van samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens? Waarom wordt hierover relatief weinig informatie gedeeld?
Op 2 maart jl. is uw Kamer op de hoogte gesteld van de beoogde samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire en conventionele afschrikking in Europa (Kamerstuk 33 279, nr. 40). Dit betreft een strategische dialoog ter versterking van de Europese dimensie van de Franse nucleaire doctrine. Het Kabinet beziet momenteel hoe deze samenwerking wordt ingevuld.
Gezien de aard van deze onderwerpen kan het Kabinet, conform de met de Kamer overeengekomen praktijk, weinig tot geen nadere details over de beoogde samenwerking met Frankrijk openbaar maken. Wanneer wenselijk en mogelijk, zal het kabinet uw Kamer op passende wijze op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
Is uitgesloten dat samenwerking met Frankrijk het NPV schendt? Zo ja, hoe wordt dit uitgesloten? Kunt u toelichten hoe het NPV naar uw opvatting de samenwerking met Frankrijk begrenst?
Ja. De beoogde samenwerking met Frankrijk is niet in strijd met de verplichtingen van het NPV. Dit is voor zowel Nederland als Frankrijk een leidend principe. Op dit moment kunnen er geen aanvullende uitspraken worden gedaan over de beoogde samenwerking.
Heeft Nederland samenwerking met Frankrijk op het gebied van nucleaire wapens toegezegd? Wat is de status van de gesprekken hierover? Indien het kabinet voornemens is samenwerking met Frankrijk op dit gebied toe te zeggen, wordt de Kamer daar, voorafgaande aan besluitvorming, over geïnformeerd en betrokken?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is de status van nucleaire wapens van de Verenigde Staten op vliegbasis Volkel? Hoe verhoudt zich de aanwezigheid van nucleaire wapens op vliegbasis Volkel met het NPV?
Vanwege veiligheidsredenen en bondgenootschappelijke afspraken doet het kabinet geen mededelingen over aantallen of locaties van nucleaire wapens in Europa. Ten aanzien van de verhouding van de praktijk van nucleair sharing tot het NPV verwijs ik graag naar mijn antwoord op vraag 8.
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne geen zaken doet met Nederland, door 'te veel bureaucratie’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»?1
Ja.
Welke concrete regelgeving of procedures vormden volgens u de grootste knelpunten voor Fire Point om een productielijn in Nederland op te zetten en hoe werkt u eraan om deze knelpunten in de toekomst te voorkomen?
Zowel het Ministerie van Defensie als het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat waren niet op de hoogte van de interesse van deze droneproducent om productie te verplaatsen naar Nederland. Er hebben dan ook geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Om deze reden is er niet in kaart gebracht welke Nederlandse of Europese regels of vergunningsplichten belemmerend zouden zijn voor de betreffende producent.
Om te leren van Oekraïense innovaties zet het kabinet in op het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne. Nederland neemt actief deel aan het initiatief Build With Ukraine, waarmee coproductie met Oekraïense bedrijven in Nederland mogelijk gemaakt wordt. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en we krijgen toegang tot innovaties van het slagveld. Op 10 oktober jl. heeft Nederland hierover een Memorandum van Overeenstemming (MoU) getekend met Oekraïne. Op 16 april jl. is een belangrijke volgende stap gezet – VDL heeft een licentieovereenkomst getekend met het Oekraïense GreentechHarvest voor de productie van twee typen drones in Born. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. We zoeken actief naar volgende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en Nederlandse defensie-industrie elkaar kunnen versterken. Indien Oekraïense bedrijven zoals Fire Point de ambitie hebben om in Nederland te produceren staat het kabinet open om de mogelijkheden te verkennen, bijvoorbeeld door het betrekken van Nederlandse bedrijven en bestaande productiefaciliteiten.
Heeft Defensie na het besluit van Fire Point nog contact opgenomen met het bedrijf, en zo ja, welke concrete acties zijn ondernomen om alsnog (delen van) de productie naar Nederland te halen of een alternatieve samenwerking te realiseren?
Ja. Defensie heeft Fire Point uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van de berichtgeving. Dit gesprek heeft nog niet plaatsgevonden.
Hoe verhoudt de Nederlandse bureaucratische doorlooptijd zich tot die in Denemarken, waar Fire Point wél een fabriek voor raketbrandstof gaat bouwen, en welke lessen trekt het kabinet hieruit voor het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven?
De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Dit maakt in onze situatie productie sneller mogelijk gezien de grote druk op de fysieke leefomgeving.
Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat. Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Hoeveel Oekraïense of andere buitenlandse defensiebedrijven hebben de afgelopen twee jaar interesse getoond in vestiging of productie in Nederland en bij hoeveel van deze bedrijven is dit niet doorgegaan vanwege bureaucratie?
Nederland wil de industriesamenwerking met Oekraïne versterken om te leren van Oekraïense innovaties. Dit gebeurt niet alleen via coproductie. Het Ministerie van Defensie en EZK hebben, o.a. in samenwerking met de brancheorganisatie Nederlandse Industrie voor Defensie & Veiligheid (NIDV), verschillende handelsmissies naar Oekraïne georganiseerd met Nederlandse defensie bedrijven. Hieruit is een groot aantal samenwerkingsverbanden ontstaan tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven die verschillende vormen en intensiteiten kennen. Dit gaat van de levering, ontwikkeling en productie van systemen tot het gezamenlijk innoveren, moderniseren en onderhouden van systemen. Bedrijven willen zelf niet altijd over deze samenwerking in de openbaarheid treden en de contacten zijn soms alleen van bedrijf tot bedrijf in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Het is dan ook onmogelijk te zeggen hoeveel bedrijven dit exact betreft, en of regelgeving een struikelblok heeft gevormd. Wel kunnen we bevestigen dat er met meerdere bedrijven en samenwerkingsverbanden gesprekken worden gevoerd over mogelijke productie in Nederland.
Wat zijn de ambities van het kabinet betreffende langeafstandswapens en hoe wilt u dit realiseren als een fabriek op Nederlands grondgebied niet lukt?
De krijgsmacht moet in staat zijn om te vechten en te winnen. Daarom wil Defensie beschikken over de capaciteit om moeilijk bereikbare militaire doelen van een tegenstander op grote afstand uit te schakelen. Voorbeelden hiervan zijn vijandelijke luchtverdedigings- en vuursteunsystemen, logistieke opslaglocaties en hoofdkwartieren. Deze wapens kunnen al in de eerste fase van een conflict essentiële capaciteiten van de tegenstander uitschakelen en leveren een belangrijke bijdrage aan de versterking van de gezamenlijke afschrikking en de verdediging. Daarom zet Defensie in op de versterking van deze capaciteit door de aanschaf van verschillende typen langeafstandsbewapening, de aanvulling van de inzetvoorraden munitie en het versterken van de Nederlandse en Europese productiecapaciteit.
Hiervoor maakt Defensie waar mogelijk gebruik van vraagbundeling met partnerlanden of verwerving via de NATO Supply and Procurement Agency (NSPA). Daarnaast worden via het Foreign Military Sales (FMS) proces verschillende kapitale munitie-artikelen verworven waarvoor op korte en middellange termijn geen Europese alternatieven beschikbaar zijn. De verkenning van coproductie van kapitale munitie loopt momenteel nog.
Indien antwoorden op één of meer vragen vertrouwelijk zijn, is het dan mogelijk om vertrouwelijk gebrieft te worden?
Dit is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Materieel van 3 juni 2026?
Ja.
Het bericht 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel?1
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds? Zo ja, waarom? Zo nee, wat was dan de mening van het kabinet ten tijde van het debat geweest?
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndril voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?