Het bericht dat de bestuurderssalarissen bij bloedbank Sanquin weer zijn toegenomen |
|
Nine Kooiman , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het feit dat de beloning van de Raad van Bestuur van bloedbank Sanquin vorig jaar opnieuw is verhoogd? Kunt u uw antwoord toelichten?1
In het jaarverslag is vermeld dat de salarissen van de Raad van Bestuur op dezelfde wijze zijn verhoogd als de salarissen van het personeel dat onder de CAO Sanquin valt. Zo te zien gaat het om een verhoging van 1%. Gelet op de gebleken gevoeligheid van de beloning van de Raad van Bestuur had ik mij kunnen voorstellen dat zij die verhoging achterwege hadden gelaten.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de voorzitter van het bestuur en een ander bestuurslid zich wederom een salarisverhoging hebben toebedeeld, ondanks de ophef van verschillende jaren hiervoor en het verzoek tot matiging? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op het feit dat de individuele bestuurders salarissen kregen tot 263 000 euro, zonder sociale lasten en pensioenpremies 229 000 euro, wat nog steeds ver boven de Balkenendenorm ligt?
De beloning van de leden van de Raad van Bestuur van Sanquin is vele malen het onderwerp geweest van schriftelijke Kamervragen. De constante in de antwoorden was de boodschap dat de beloning van nieuwe bestuurders wordt gebaseerd op de BBZ (beloningscode voor bestuurders in de zorg) en dat Sanquin onder de werking komt van de WNT (Wet Normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semi-publieke sector).
De WNT is recentelijk door de Tweede Kamer aangenomen en ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Zoals u bekend is, is in het wetsvoorstel voorzien in een overgangsregime voor bestaande arbeidscontracten.
De bestaande arbeidscontracten worden, zoals ook in de WNT opgenomen, gerespecteerd, in ieder geval tijdelijk. Deze sluiten bij het thans vertrekkende bestuurslid inderdaad niet aan bij BBZ. Ik zal Sanquin hierop aanspreken.
Per wanneer en hoe gaat u ervoor zorgen dat de salarissen van de leden van de Raad van Bestuur zo snel mogelijk ten minste voldoen aan de Wet Normering Topinkomens, en niet meer boven de Balkenendenorm uitkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat salarissen van de leden van de Raad van Bestuur niet «aansluiten» bij de Beloningscode Bestuurders in de Zorg (BBZ), zoals in hun jaarverslag wordt gesteld, omdat een salaris van 263 000 euro deze code tart? Zo ja, hoe gaat u nu optreden tegen deze hoge salarissen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat heeft het vertrekkende bestuurslid meegekregen, en wat zal de vertrekkende voorzitter meekrijgen, aan bonussen of premies? Passen deze bonussen of premies binnen alle regels van de BBZ? Kunt u uw antwoord toelichten?
Sanquin heeft mij meegedeeld dat de vertrekkende voorzitter van de Raad van Bestuur geen recht heeft op bonussen of premies. Hij vertrekt in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Er is mij geen ander vertrekkend bestuurslid bekend.
Deelt u de mening dat mensen, werkzaam in de (semi) publieke sector, niet meer zouden moeten verdienen dan de minister of minister-president, namelijk een jaarsalaris van 144 000 euro? Zo nee, waarom niet?
Over de normering en maximering van de inkomens van bestuurders in de publieke en semi-publieke sector heeft de vorige minister van BZK veelvuldig met de Kamer overlegd en gecorrespondeerd. Dit heeft geresulteerd in het voorstel voor een Wet normering topinkomens publieke en semi-publieke sector. Dit wetsvoorstel ligt inmiddels ter behandeling in de Eerste Kamer.
Kunt u zich voorstellen dat vrijwillige bloed- en plasmadonoren zich vervreemd voelen van het onbaatzuchtige doneren wanneer de bestuurders van bloedbank Sanquin deze salarissen krijgen? Wat heeft u ondernomen om dit te herstellen?3
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord van 6 september 2011 op vraag 4 van de leden Kooiman en Leijten (beiden SP) 4 over het bericht dat de beloning van de Raad van Bestuur van de bloedbank Sanquin vorig jaar opnieuw fors is toegenomen .
Hoe verhouden de hoge salarissen zich tot de reorganisatie die Sanquin aan het begin van het jaar voor ogen had?4
Voor beantwoording van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoorden van 29 februari 2012 op de vragen van het Kamerlid Leijten (SP) 6 over de voorgenomen concentratie van Sanquin en het daardoor dreigende banenverlies.
Hoeveel banen of fte's zijn er verdwenen door de reorganisatie?
Na afronding van de reorganisatie in 2015 zal het personeelsbestand van Sanquin Bloedbank Divisie met 120 tot 130 fte’s zijn afgenomen, op een totaal van 2 195 fte (stand 2011). De betrokken medewerkers komen wel mogelijk in aanmerking voor de vervulling van vacatures bij de uitbreidende divisies van Sanquin.
Onder welke arbeidsvoorwaarden is de nieuwe voorzitter van de Raad van Bestuur aangenomen, en wat is het jaarsalaris van de nieuw aangestelde voorzitter van Sanquin?5
De arbeidsvoorwaarden, met uitzondering van de hoogte van het salaris, van de nieuwe voorzitter van de Raad van Bestuur van Sanquin volgen de CAO Sanquin. De nadere invulling hiervan is een taak van de Raad van Toezicht. Het salaris van de nieuwe voorzitter voldoet volgens Sanquin aan de bepalingen van de WNT zoals goedgekeurd door de Tweede Kamer.
Kent u het bericht «VVD-raadslid: politie Noordwijk was agressief»?1
Ja.
Kunt u de Kamer een feitenrelaas doen toekomen over deze rellen, in het bijzonder over het optreden van de politie daarbij?
Ik heb hiervoor informatie opgevraagd bij de korpsbeheerder van het korps Hollands-Midden. Hij heeft mij het volgende gemeld over de gebeurtenissen in de nacht van zaterdag op zondag 12 augustus 2012 in Noordwijk.
Omstreeks 2:00 uur hebben agenten van politie Hollands-Midden iemand staande gehouden op de Grent. Vlak daarna vond ook een aanrijding plaats tussen een bromfiets en een voetganger. Omdat de bestuurder van de bromfiets niet aanspreekbaar was is om een ambulance gevraagd. Op het ongeval kwam veel uitgaanspubliek af, ook omdat de horecagelegenheden net op dat moment werden gesloten. Om voor het ambulancepersoneel een vrije werkruimte te creëren, heeft de politie getracht het slachtoffer af te schermen. Omdat zich toen inmiddels veel mensen daar verzameld hadden en er wat opstootjes tussen het uitgaanspubliek plaatsvonden, heeft de politie om extra agenten gevraagd. Uiteindelijk is het gelukt een vrije werkruimte voor de inmiddels gearriveerde ambulancemedewerkers te creëren. Zij zijn tijdens hun werk daardoor niet lastig gevallen of belaagd. Sommige mensen gedroegen zich echter agressief en wilden niet weg gaan. Toen er met flessen werd gegooid en er meerdere vechtpartijen tussen groepen uitgaanspubliek uitbraken heeft de politie enkele charges uitgevoerd. Hierna vertrokken de meeste mensen van de Grent en is de linie teruggetrokken. Hierop is het de rest van de nacht rustig gebleven op de Grent.
Deelt u de mening dat de politie medeverantwoordelijk voor de agressie was die zich tegen ambulancemedewerkers richtte? Zo ja, waarom deelt u die mening? Zo nee, deelt u dan de mening van het VVD-raadslid de wereld op zijn kop zet door te stellen dat de politie medeverantwoordelijk was?
Ik deel die mening niet.
Deelt u de mening dat, mede gezien het aantal incidenten tegen ambulancemedewerkers, de bescherming van ambulancemedewerkers hoge prioriteit van de politie verdient? Zo ja, hoe oordeelt u in dat licht over het optreden van de politie ten tijde van het genoemde incident in Noordwijk? Zo nee, waarom niet?
Het is ontoelaatbaar dat hulpverleners in hun werkzaamheden worden belaagd en belemmerd. De politie heeft in Noordwijk tot drie keer toe het publiek moeten vragen om ruimte te maken voor de hulpverleners. Hierdoor is het de politie gelukt een vrije werkruimte voor de hulpverleners te creëren. Zij zijn tijdens hun werk niet lastig gevallen of belaagd.
Het optreden van de politie is inmiddels in de lokale driehoek waar de verantwoordelijkheid ligt voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid besproken.
Zijn er naar aanleiding van het optreden van de politie tijdens de genoemde rellen klachten tegen de politie ingediend?
Er is bij de politie Hollands-Midden één klacht ingediend omtrent het politieoptreden op de Grent. Deze klacht wordt behandeld conform de klachtenprocedure.
De "diaspora-belasting" voor Eritrese Nederlanders |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eritrese Nederlanders betalen onder dwang oorlogsgeld»?1
Ja.
Kunt u aangeven of het klopt dat het Eritrese consulaat Eritrese Nederlanders dwingt om 2 % van hun inkomen af te staan?
De Eritrese overheid int sinds 1994 via de ambassades en consulaten een 2% «Development and Rehabilitation» inkomensbelasting onder Eritrese burgers in het buitenland. Het heffen van een dergelijke belasting is in Nederland niet illegaal, evenmin het onthouden van overheidsdiensten bij weigering om te betalen. Volgens een rapport van 13 juli jl. van de VN Monitoring Group on Somalia and Eritrea zou dergelijke belastingheffing door ambassades en consulaten gepaard gaan met intimidatie, bedreiging en dwang.
Voor het vaststellen of misdrijven als afpersing en soortgelijke delicten aan de orde zijn, zijn politie en het openbaar ministerie (OM) in belangrijke mate afhankelijk van aangifte en melding door de slachtoffers. Zodra er aangifte is gedaan zal de politie onder leiding van het OM daar onderzoek naar doen. Lopende een onderzoek worden geen mededelingen daarover gedaan.
Zo ja, dient deze zogenaamde «diaspora-belasting» – zoals een VN-rapport2 deze praktijken duidde – te worden overgemaakt aan de Eritrese overheid of familieleden in Eritrea?
Deze belasting wordt via Eritrese ambassades of consulaten overgemaakt aan de Eritrese overheid.
Kunt u aangeven of deze financiële middelen inderdaad worden aangewend voor de financiering van terroristische activiteiten door al-Shabaab, waarmee wellicht ook de piraterij in Somalië ondersteund wordt, zoals het genoemde artikel stelt?
De UN Monitoring Groupdoet onderzoek naar onder andere deze kwestie. In haar meest recente rapport van 13 juli jl. heeft de groep geen bewijs kunnen vinden van steun door Eritrea aan Al-Shabaab.
Als deze berichten kloppen, bent u dan bereid om de Eritrese afgevaardigde in Nederland hierop aan te spreken?
De Eritrese tijdelijk zaakgelastigde is op 16 augustus op het ministerie van Buitenlandse Zaken ontboden om opheldering te geven over de inning van belasting en fondsenwerving onder de Eritrese diaspora in Nederland.
Kunt u aangeven of andere landen soortgelijke activiteiten bezigen, en zo ja, welke landen?
Vergelijkbare activiteiten van andere landen zijn mij niet bekend.
De constitutionele wijzigingen in Egypte |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Egypt President Mursi explains army chief replacement»?1
Denkt u dat het ontslag van veldmaarschalk Tantawi en chef-staf Annan een eerste stap zou kunnen zijn naar afschaffing van de militaire heerschappij in Egypte? Hoe groot schat u de mogelijkheid in dat dit tot verdere instabiliteit zal leiden in Egypte in het algemeen, en de Sinaï in het bijzonder?
De aanslag op de Egyptische grenspost van zondag 5 augustus wordt gezien als een blamage voor de Egyptische legertop; in hoeverre ziet u een connectie met deze aanslag en het ontslag van de twee hoogste militairen?
Kunt u aangeven wat momenteel de rol van het Egyptische parlement is in deze kwestie?
Bent u voorts bereid om in EU-verband aan te dringen op het normaliseren van het parlementaire proces, daar het parlement nu nog ontbonden is?
De praktijken van het consulaat van Eritrea |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Consulaat perst al 20 jaar Eritrese Nederlanders af»?1
Ja.
Kloppen de aantijgingen dat het Eritrese consulaat in Den Haag al bijna 20 jaar Eritrese Nederlanders afperst door maandelijks 2 procent van hun inkomen te innen?
De Eritrese overheid int sinds 1994 via de ambassades en consulaten een 2% «Development and Rehabilitation» inkomensbelasting onder Eritrese burgers in het buitenland. Het heffen van een dergelijke belasting is in Nederland niet illegaal, evenmin het onthouden van overheidsdiensten bij weigering om te betalen. Volgens een rapport van 13 juli jl. van de VN Monitoring Group on Somalia and Eritrea zou dergelijke belastingheffing door ambassades en consulaten gepaard gaan met intimidatie, bedreiging en dwang.
Voor het vaststellen of misdrijven als afpersing en soortgelijke delicten aan de orde zijn, zijn politie en het openbaar ministerie (OM) in belangrijke mate afhankelijk van aangifte en melding door de slachtoffers. Zodra er aangifte is gedaan zal de politie onder leiding van het OM daar onderzoek naar doen. Lopende een onderzoek worden geen mededelingen daarover gedaan.
Worden mensen die weigeren te betalen bedreigd, geïntimideerd en wordt heb consulaire diensten onthouden, zoals slachtoffers melden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de aantijgingen te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Indien zou blijken dat de aantijgingen kloppen, bent u dan bereid onverwijld hier helder protest tegen aan te tekenen bij de Eritrese overheid?
Ja.
Indien dit niet leidt tot beëindiging van de praktijken, bent u dan bereid het aan de consul verleende agrement in te trekken en deze functionaris Nederland uit te wijzen? Zo nee, waarom niet?
Het heffen van de belasting als zodanig is niet strafbaar. Indien blijkt dat de Eritrese ambassade zich schuldig maakt aan afpersing, intimidatie of fraude zullen stappen worden genomen. Daar kan ik niet op vooruitlopen.
Kunt u, indien de praktijken niet onmiddellijk worden beëindigd, overgaan tot sluiting van het consulaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke andere maatregelen kunt u bilateraal, in EU verband of in ander internationaal verband tegen Eritrea nemen om deze praktijken te laten stoppen?
Nederland overlegt met lidstaten die in het verleden maatregelen hebben genomen in deze kwestie en zet dit onderwerp in EU-kader op de agenda.
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden El Fassed en Dibi (GroenLinks), ingezonden 8 augustus 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 199).
Agressie op de ggz-werkvloer (geestelijke gezondheidszorg) |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onlangs gestarte petitie www.handenafvanggzverpleegkundigen.nl?
Ja.
Doet de Arbeidsinspectie onderzoek naar de veiligheid van ggz-verpleegkundigen op de werkvloer? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo nee, vindt u dat de Arbeidsinspectie hierop moet toezien? Zo nee, wie dan wel?
De Inspectie SZW, de toenmalige Arbeidsinspectie, inspecteerde van april 2010 tot en met december 2011 in totaal 639 locaties van 200 zorginstellingen, inclusief de ggz. Het onderwerp agressie en geweld is meegenomen. Er is nagegaan of de werkgever voldoende maatregelen had genomen om de medewerkers te beschermen. De resultaten zijn aan sociale partners in de zorg en de Tweede Kamer teruggekoppeld1. Voor wat betreft de ggz oordeelt de Inspectie SZW dat de instellingen hun anti-agressiebeleid redelijk tot goed op orde hebben. Toch komen er nog steeds incidenten voor en lijkt het risico, ondanks de maatregelen, nog niet overal voldoende beheerst.
In de «Sectoraanpak Zorg en Welzijn 2012–2015» is psychosociale arbeidsbelasting (werkdruk, werkstress, agressie en werktijden) één van de belangrijkste risico’s waar de Inspectie SZW de aandacht op zal richten2. Voor 2012 zijn er 750 inspecties gepland gericht op psychosociale arbeidsbelasting. Ook in 2013 is psychosociale arbeidsbelasting onderwerp van inspectie. Instellingen die achter blijven, zullen opnieuw bezocht worden.
Daarnaast is er specifiek voor de sector zorg en welzijn een campagne ontwikkeld: «Gezond en veilig werken, dat maakt zorg beter». Deze bestaat uit brochures, flyers, factsheets met inspectieresultaten, testimonials, presentaties en animaties.
Bent u bekend met uitspraken van ggz-verpleegkundigen dat ze agressie met 50% kunnen terugdringen, indien ze de bevoegdheid krijgen om tijdig mensen over te plaatsen naar een passende setting? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat ze deze bevoegdheid krijgen?
In de media heb ik vernomen dat de initiatiefnemers van de petitie graag zien dat het aantal agressie-incidenten tegen ggz-verpleegkundigen in vijf jaar tijd met de helft vermindert. Eén van de maatregelen die volgens hen kan helpen om dit te bewerkstelligen, is om verpleegkundigen te kunnen laten beslissen over (over)plaatsing van een patiënt als de veiligheid van medewerkers of andere patiënten in het geding is. Ik vind het belangrijk om agressie in de zorg te verminderen, maar ik hecht er ook aan dat dit punt wordt gedragen door sociale partners. Vandaar dat ik dit punt bij hen inbreng en met hen zal bespreken of en hoe dit vorm kan krijgen. Het Actieplan «Veilig werken in de zorg» hebben we immers samen opgesteld en werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor een gezonde en veilige werkomgeving voor hun werknemers.
Bent u bekend met uitspraken van ggz-verpleegkundigen waaruit blijkt dat ggz-patiënten niet altijd op de goede plek terecht komen, waardoor ze niet veilig begeleid kunnen worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Ik ben niet bekend met uitspraken van ggz-verpleegkundigen waaruit blijkt dat ggz-patiënten niet altijd op de goede plek terecht komen en zodoende de veiligheid van hulpverleners in het gedrang kan komen. Ik kan me evenwel voorstellen dat dit een reden kan zijn waarom ggz-verpleegkundigen nog te vaak met agressie te maken hebben. Dit raakt overigens aan het bij vraag vier genoemde voorstel om ggz-verpleegkundigen te kunnen laten beslissen over (over)plaatsing van een patiënt. Om die reden moet het volgens mij door sociale partners worden meegenomen bij het beraden van hun standpunt over de voorgestelde maatregel.
Zijn er voldoende behandelplekken voor psychiatrische patiënten met agressieproblematiek, zodat ze indien nodig ook doorgeplaatst kunnen worden? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja, er zijn voldoende behandelplekken beschikbaar voor psychiatrische patiënten met agressieproblematiek. Deze patiënten kunnen behandeld worden op – of overgeplaatst worden naar – een forensisch psychiatrische afdeling, een forensisch psychiatrische kliniek of een kliniek intensieve behandeling. De forensisch psychiatrische klinieken worden in voorkomende gevallen ingeschakeld, aangezien de patiënten daartoe vrijwel allemaal in aanmerking komen op grond van de Wet «Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen».
Het bericht ‘Nederland moet 'terughacken''. |
|
Gerard Schouw (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland moet «terughacken»»?1
Ja.
Welke acties onderneemt u precies als buitenlandse servers virussen in ons land verspreiden?
In eerste instantie is het niet een verantwoordelijkheid van de overheid, maar van een ieder die met een computer het internet op gaat of op andere wijze met computers werkt om zijn eigendommen te beschermen. Hiervoor is een groot aantal computertools beschikbaar. Ook internetserviceproviders ondersteunen gebruikers bij het voorkomen van virusuitbraken.
Voor de overheid geldt dat zij, mede gezien haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de dienstverlening aan burgers, de nodige maatregelen moet treffen om haar eigen infrastructuur vrij te houden van virussen. Daarnaast verstrekt de overheid op diverse manieren voorlichting. Bij bijzondere dreigingen en incidenten, zoals bij de aanpak van het Dorifel-virus, kan een grotere inzet van de overheid aan de orde zijn. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) speelt dan een rol door het bijeenbrengen en uitdragen van informatie en expertise, en door het bieden van handelingsperspectieven. Wanneer sprake is van een acute dreiging, kan worden voorzien in tijdige en adequate alertering, zodat partijen zelf hun voorbereidingen kunnen treffen en verantwoordelijkheid kunnen nemen.
Wat houdt «terughacken» precies in?
De term terughacken is niet afkomstig van de overheid. Door het NCSC wordt hacken gedefinieerd als het intrekken in computersystemen. Vanuit deze redenering is terughacken het inbreken in computersystemen van waaruit gehackt wordt met als doel om de oorspronkelijke dreiging te doen stoppen.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat Nederland te soft optreedt en dat Nederland moet «terughacken»?
Nederland handelt binnen de eigen wettelijke kaders. Via de samenwerking met andere landen, die mede is vormgegeven door het Cybercrimeverdrag, zijn in veel gevallen bedreigingen af te wenden. Wel constateer ik dat in de snel veranderende digitale wereld de wetgeving en internationale afspraken zijn achter gebleven. Om die reden heb ik uw Kamer laten weten dat ik met voorstellen zal komen met als doel het juridisch kader voor de opsporing en vervolging van cybercrime meer toe te snijden op de behoeften van de diensten die zijn belast met de opsporing en vervolging van cybercrime. In het kader van dat wetstraject zal ik ook uitgebreider ingaan op de consequenties en risico’s van terughacken. Tot slot verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Recourt over de bestrijding van cybercrime (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 578).
Behoort volgens u «terughacken» tot de mogelijkheden om servers die virussen verspreiden uit te schakelen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke consequenties heeft het «terughacken»?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn de risico's van het «terughacken» zowel op korte als op lange termijn?
Zie antwoord vraag 4.
Welke (juridische) waarborgen zijn volgens u noodzakelijk om het «terughacken» van landen mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het voorstel om te pleiten voor internationale afspraken voor internet, vergelijkbaar met het internationale zeerecht? Welke juridische consequenties heeft dit?
Het is duidelijk dat er behoefte is aan nieuwe regels voor de grensoverschrijdende bestrijding en voorkoming van cybercrime. Daarover vindt wereldwijd volop discussie plaats. Ook op Europees niveau wordt gezocht naar oplossingen. Een fundamenteel onderdeel van deze discussie is het territorialiteitsbeginsel en het uitgangspunt van nationale soevereiniteit. Dat ligt in veel landen erg gevoelig. De lopende discussies overziend constateer ik dat we inhoudelijk nog niet zo ver zijn dat concrete oplossingen in zicht komen. Het voorstel dat de oplossing is gelegen in de mogelijke vergelijking met het internationale zeerecht is dan ook interessant, maar prematuur.
De handelwijze van Achmea en apothekers bij het verstrekken van incontentinentiemateriaal aan patiënten |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het persbericht van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie ( KNMP) die stelt dat de nieuwe eisen van de zorgverzekeraars het de apothekers onmogelijk maakt op een adequate wijze incontinentiemateriaal te verstrekken? Heeft zij gelijk? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?1
Het is niet aan mij om te oordelen over onderhandelingen die tussen partijen plaatsvinden. In het algemeen merk ik op dat bij het afsluiten van overeenkomsten altijd twee partijen zijn betrokken. Wanneer beide partijen akkoord gaan met de gemaakte afspraken dan ga ik ervan uit dat beide partijen deze afspraken vervolgens kunnen nakomen.
Wat is uw reactie op mevrouw B., die zich geschoffeerd voelt en onder druk gezet (gechanteerd) om haar privésituatie aan onbekende personen/ leveranciers toe te lichten, omdat ze anders geen incontinentiemateriaal vergoed krijgt?2
Het valt natuurlijk niet goed te praten dat patiënten op deze wijze worden benaderd. De Zorgverzekeringswet (Zvw) biedt apothekers en verzekeraars de ruimte om een contract af te sluiten over de wijze waarop de geleverde incontinentiematerialen worden bekostigd. Alle betrokken partijen hebben echter een verantwoordelijkheid in het zorgvuldig uitvoeren van de gemaakte afspraken. De patiënt moet op een begrijpelijke manier uitgelegd krijgen waarom de apotheker doet wat die doet. Onder het zorgvuldig handelen valt mijns inziens ook het aanbieden van een alternatief wanneer de patiënt in kwestie niet door een onbekende benaderd wil worden voor het verstrekken van allerlei persoonlijke gegevens.
Ik betreur het dat mevrouw B. op een oneigenlijke manier schrik is aangejaagd. Wanneer zij op grond van de Zvw aanspraak heeft op incontinentiemateriaal, kan natuurlijk niet gedreigd worden dat deze vergoeding stopt omdat zij weigert mee te werken aan het kenbaar maken van haar privésituatie aan onbekenden. Naast het feit dat dit dreigement geen juridische gronden heeft, lijkt mij dit niet de gewenste omgang met patiënten. Haar persoonsgegevens mogen bovendien niet zomaar aan een derde worden afgestaan, zonder dat zij daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Dit is vastgelegd in de in Nederland geldende privacywetgeving. Ik heb inmiddels vernomen dat het College bescherming persoonsgegevens (CBP) Tena vragen heeft gesteld over het onderwerp.
Wat gebeurt er met de privégegevens die telefonisch worden afgenomen door de leveranciers van incontinentiematerialen?
De gegevens zijn alleen in te zien door degene die ze heeft afgenomen. Deze persoon is bovendien gebonden aan geheimhouding. De KNMP (Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie), de beroepsorganisatie van apothekers, laat weten dat contractueel is vastgelegd dat leveranciers de gegevens aan de apotheker retourneert en er zelf geen gebruik van maakt bij opzegging van het contract.
Wat is het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens over deze gang van zaken en bijvoorbeeld ook in de situatie van mevrouw B.?
Ik weet niet wat het oordeel is of zal zijn van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) omdat het CBP een zelfstandig bestuursorgaan is. Ik weet wel dat het CBP Tena inmiddels vragen heeft gesteld over het onderwerp.
Wat vindt u van het feit dat patiënten, als ze hun oorspronkelijke incontinentiemateriaal en broekjes willen behouden, nu van de apotheker te horen krijgen dat ze moeten bijbetalen? Is dit niet ongewenst? Wordt hier niet ten onrechte de rekening bij de patiënt neergelegd door de apotheker en/of Achmea?3
Als een bepaald type incontinentiemateriaal voor de verzekerde adequaat en doelmatig is, dan heeft hij daar aanspraak op. Dan is een eigen bijdrage niet aan de orde. Wil de verzekerde een product dat duurder is dan het adequate en doelmatige product, dan zou de verzekeraar tegemoet kunnen komen aan de voorkeur van de verzekerde door de verzekerde de meerkosten te laten bijbetalen. Op die manier is er toch sprake van doelmatige zorg.
Hoe gaat u voorkomen dat patiënten voor incontinentiemateriaal dat is afgestemd op de persoonlijke situatie van de patiënt, moeten bijbetalen?
Zie antwoord vraag 5.
Griekse acties tegen illegaal in Griekenland verblijvende vreemdelingen |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Leers |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Griekse autoriteiten massaal illegalen oppakt, waarbij ook rechtmatig in Griekenland verblijvende vreemdelingen worden gearresteerd?1
Ja. De afgelopen weken heeft de Griekse politie een nieuw operationeel plan gelanceerd, met als doel meer illegale immigranten op termijn terug te laten keren naar hun land van herkomst. In dat kader zijn in de maand augustus ruim 1 600 illegale immigranten opgepakt gedurende controles.
Deelt u de mening dat dergelijke acties afbreuk doen aan het draagvlak voor een streng, maar rechtvaardig Europees vreemdelingenbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wanneer het illegaal in Griekenland verblijvende vreemdelingen betreft deel ik die mening niet. Terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale vreemdelingen is een integraal onderdeel van het migratiebeleid en is essentieel voor het draagvlak voor de geloofwaardigheid van het toelatingsbeleid. Mede in deze context is de operatie in gang gezet. De Griekse politie heeft benadrukt dat immigranten met geldige documenten gecontroleerd worden, maar niet gearresteerd worden. Slechts immigranten zonder enige documentatie worden gearresteerd en vastgehouden ter fine van hun uitzetting. Bij vastgehouden vreemdelingen die kenbaar maken wel legaal verblijf te hebben, wordt de verblijfspositie nagetrokken. Indien blijkt van een rechtmatig verblijf wordt de detentie opgeheven.
Ik deel wel de zorg die enkele organisaties, waaronder de UNHCR, hebben uitgesproken dat zich onder de arrestanten eventueel ook potentiële asielzoekers zouden kunnen bevinden, die vanwege de (nog) gebrekkig functionerende Griekse asielprocedure nog niet de kans hebben gehad om asiel aan te vragen.
Deelt u de conclusie dat Nederland geen gebruik moet maken van de Dublinclaim om asielzoekers terug te sturen naar Griekenland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid Dublin-eisers in procedure te laten gaan in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 10 februari 2011 (19 637, nr. 1397) heb ik uw Kamer laten weten dat er vanuit Nederland geen overdrachten van asielzaken aan Griekenland meer plaatsvinden.
In hoeverre geeft u, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van kennis en mankracht, steun aan Griekenland om migratiestromen het hoofd te bieden?
De Europese Commissie en de lidstaten bieden Griekenland de nodige assistentie voor een zo snel en effectief mogelijke implementatie van het nationaal actieplan. Deze assistentie wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor Asielondersteuning (EASO). Via Frontex wordt samengewerkt tussen de lidstaten op het gebied van grensbewaking en terugkeer. Nederland draagt via deze agentschappen het nodige bij. Ook de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en UNHCR ondersteunen de Griekse autoriteiten waar mogelijk. Daarbij moet bedacht worden dat Griekenland uiteindelijk zelf eindverantwoordelijk is voor het op orde brengen van de eigen organisatiestructuur op het terrein van grensbewaking, asiel en migratie.
Bent u bereid om, zo mogelijk te samen met de overige lidstaten van de Europese Unie, er bij de Griekse autoriteiten op aan te dringen dat afgezien wordt van dit soort op klopjachten lijkende acties? Zo nee, waarom niet?
Ik zal het belang van een menswaardige behandeling van de vreemdeling blijven benadrukken, zowel in EU-verband als bilateraal. Daarbij zal ik ook blijven aangeven dat de verbetering van de situatie op het gebied van asiel en migratie in Griekenland essentieel is en dat Nederland Griekenland via Frontex en EASO steun blijft aanbieden bij de implementatie van het nationale actieplan. Tegelijkertijd geldt, als gezegd, dat de primaire verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van de verbeteringen bij de Griekse autoriteiten ligt, en dat van hen voortvarendheid wordt verwacht.
Het correct uitvoeren van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u met de landsadvocaat van mening dat de huishoudelijke verzorging meer taken en verantwoordelijkheden omvat dan alleen schoonmaken, andere vaardigheden vergt van het personeel en gericht is op mensen en niet, zoals bij schoonmaken, op het gebouw?1
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bepaalt dat gemeenten een burger met een beperking in staat moeten stellen om een huishouden te voeren. Bovendien schrijft de Wmo maatwerk voor. De geboden ondersteuning dient met andere woorden aan te sluiten bij de behoeften van de ontvanger van de ondersteuning en kan dus diverse taken en verantwoordelijkheden vergen, juist omdat ze gericht is op mensen.
Indien een gemeente, zoals bijvoorbeeld Emmen, in plaats van een individuele voorziening huishoudelijke zorg een algemene schoonmaakondersteuning biedt, voldoet zo'n gemeente dan nog aan de Wmo? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Een gemeente dient te allen tijde te voldoen aan de compensatieplicht. Hierbij zijn maatwerk en beleidsvrijheid van de gemeente uitgangspunt. Een algemene voorziening kan een doelmatige manier zijn om te bereiken dat een persoon in staat wordt gesteld om een huishouden te voeren. Indien deze algemene voorziening echter – gezien de persoonskenmerken en behoefte van een persoon – niet toereikend is (niet in voldoende mate compenseert), dan ligt een individuele voorziening voor de hand.
Wat moet een gemeente minimaal bieden aan huishoudelijke voorziening om te voldoen aan de wet?
De gemeente dient een burger met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem in staat te stellen om een huishouden te voeren.
Erkent u dat, indien huishoudelijke verzorging gericht is op mensen en volgens het kwaliteitsdocument ook vaardigheden om te signaleren omvat, dit minimaal gaat om FWG 15 (Functiewaarderingsschaal) volgens de functiewaardering zorg?
De inschaling van personeel dat huishoudelijke verzorging verleent betreft een zaak van sociale partners. Werkgevers en werknemers maken hierover afspraken in de cao. Ik vind dat partijen zich aan deze afspraken moeten houden.
De gemeenten dienen volgens het Kwaliteitsdocument verantwoorde Hulp bij het Huishouden aan te bieden met medewerkers met een deskundigheidsniveau dat past bij de beschikking. Dit benodigde deskundigheidsniveau kan per situatie verschillen.
Deelt u de mening dat vaardigheden die passen bij het leveren van huishoudelijke zorg overeenkomen met minimaal functiewaardering 15? Zo nee, kunt u toelichten hoe je huishoudelijke zorg kan leveren zonder gericht te zijn op de mensen om wie het gaat?
Zie antwoord vraag 4.
Indien het gaat om mensen in opleiding, die nog niet op FWG15 ingeschaald zijn, bent u dan van mening dat zij begeleid moeten worden en na opleiding op minimaal FWG 15 moeten worden ingeschaald?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de huishoudelijke voorziening en dus kwaliteits- en opleidingseisen moeten stellen aan het personeel en zich moeten houden aan het kwaliteitsdocument voor verantwoorde huishoudelijke zorg? Zo ja, hoe ziet u hier op toe? Is het acceptabel dat voor het uitvoeren van werkzaamheden die zich beperken tot HH categorie 1 (Hulp bij het Huishouden) geen specifieke opleidingseisen nodig zijn zoals de 19 gemeenten in Noord-Holland stellen?
Huishoudelijke zorg moet inderdaad zowel voldoen aan de eisen die de Wmo stelt als aan de eisen die volgen uit de Kwaliteitswet zorginstellingen. Dat wil zeggen dat de huishoudelijke zorg voldoende dient te zijn om de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te compenseren. Verder dienen aanbieders van huishoudelijke zorg te voldoen aan de eisen van verantwoorde zorg uit de Kwaliteitswet zoals uitgewerkt in het Kwaliteitsdocument. De kwaliteitseisen in het Kwaliteitsdocument zijn landelijke eisen, opgesteld door branche-, beroeps- en cliëntenorganisaties en vormen het toezichtkader voor de IGZ. Via het toezichtskader van de IGZ wordt toegezien op de aanbieders van huishoudelijke zorg. Aanvullend op de landelijke kwaliteitseisen van het Kwaliteitsdocument kunnen gemeenten eigen kwaliteitseisen stellen; deze moeten tenminste aansluiten op de kwaliteitseisen in het toezichtkader en daarmee niet strijdig zijn.
Indien gemeenten (zoals Rotterdam en 19 gemeenten in Noord-Holland) in hun bestek2 opnemen dat bij HH1 hoort het signaleren van veranderingen in zorgbehoeften of van veranderingen in gezondheidssituatie, leefomstandigheden en sociale omgeving van de cliënt, hoort dit dan overeen te komen met personeel op minimaal FWG 15?
Werkgevers en werknemers gaan over functiewaardering van het personeel en maken hierover afspraken in de cao. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het stellen van kwaliteitseisen (waaronder eisen aan het in te zetten personeel) aan de door hen gewenste huishoudelijke verzorging. Bij de vaststelling van het basistarief dient de gemeente uit te gaan van de arbeidsvoorwaarden die passen bij deze door de gemeente geëiste vaardigheden.
Wat is een reëel basistarief als dat gebaseerd moet zijn op personeel op minimaal functiewaardering 15? Klopt het dat je dan uitkomt op tarieven tussen 21 en ruim 25 euro, afhankelijk van hoe lang personeel in dienst is?3 Zo nee, wat is volgens u een reëel basistarief?
De hoogte van het reëel basistarief is afhankelijk van de wijze waarop een gemeente de huishoudelijke verzorging heeft gedefinieerd en georganiseerd. Bovendien is het reëel basistarief afhankelijk van verschillende kostencomponenten (kosten personeel, reiskosten, overhead, etc.) en de lokale omstandigheden (zoals stad of plattelandsgemeente). Uit een eerder onderzoek naar de kostenstructuur van huishoudelijke verzorging (TK 29 538, nr. 91) bleek dat de verschillen in kostprijs hierdoor vrij fors kunnen zijn.
Kunt u een overzicht geven van de gehanteerde tarieven huishoudelijke zorg in Nederland? Hoe gaat u er op toezien dat in elk geval vanaf 1 september gewerkt wordt met tarieven op basis van reële kostprijzen?
Uit onderzoek van het SCP blijkt dat in 2010 het (gewogen) gemiddelde tarief voor eenvoudige hulp bij het huishouden (hh1) € 20,94 en voor complexe hulp bij het huishouden (hh2) € 23,21 bedraagt.
Tijdens het AO Wmo van 28 juni jl. heb ik reeds toegezegd om de vaststelling van de vereiste basistarieven te monitoren.
Wat moeten gemeenten doen waar nog oude contracten lopen, waarin tarieven worden gehanteerd die onder de reële kostprijs liggen?
De wet schrijft voor dat de gemeente bij het aangaan van overeenkomsten met derden over het verlenen van huishoudelijke verzorging de door de gemeenteraad vastgestelde basistarieven in acht neemt. Oude contracten die reeds lopen hoeven dus niet te worden aangepast.
Bent u van mening dat bij het vaststellen van basistarieven op grond van reële kostprijzen jaarlijks geïndexeerd hoort te worden om de tarieven aan te kunnen passen aan de eventueel gewijzigde arbeidsvoorwaarden? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen indien een gemeente nu al vaststelt dat ze tot en met 2016 niet gaat indexeren zoals 19 gemeenten in Noord-Holland? (2, bijlage)
De gemeente dient het door de gemeenteraad vastgestelde basistarief in acht te nemen bij het aangaan van een overeenkomst met een aanbieder. In deze overeenkomst wordt opgenomen hoe omgegaan wordt met de indexering van de daadwerkelijk afgesproken tarieven. Het ligt hierbij in de rede om daarbij ondermeer rekening te houden met de (jaarlijkse) ontwikkeling van de onderliggende reële kostprijzen.
Erkent u dat door te lage tarieven instellingen zijn gaan bezuinigingen op personeel, met name door het terugzetten van personeel van FWG 15 of meer naar FWG 10?
Tarieven zijn het resultaat van afspraken die aanbieders en gemeenten gezamenlijk maken. De hoogte van deze tarieven is onder meer afhankelijk van de gemeentelijke invulling van de voorziening, de lokale omstandigheden en de wijze van prijsstelling door de aanbieder.
De afspraken over de juiste inschaling van het personeel worden door sociale partners gemaakt. Deze cao-afspraken dienen door partijen te worden nageleefd. In het arbeidsrecht zijn regels gesteld waardoor werknemers in staat worden gesteld om (individueel dan wel collectief) hun belang veilig te stellen.
Kunt u, of het Sociaal en Cultureel Planbureau, een overzicht of een schatting geven van het huishoudelijk personeel dat momenteel werkt in FWG 10?
Ik heb geen inzicht in de huidige inschaling van het huishoudelijk personeel.
Wanneer kunnen de gemeenten uw handleiding verwachten over het toepassen van de wet inzake basistarieven en aanbestedingsregels? Is deze uiterlijk 1 september 2012 beschikbaar?
Ik ben op dit moment met betrokken partijen in gesprek en verwacht dat de handreiking in de loop van dit najaar beschikbaar is.
Wat is het macrobudget Wmo huishoudelijke zorg voor 2011, 2012 en 2013? Op welke wijze is dat vastgesteld? Is er nog sprake van onderbesteding of inmiddels van overbesteding? Wordt dit in de toekomst nog gemonitord en, zo ja, op welke wijze?
(in € mln.)
2011
2012
2013
Macrobudget huishoudelijke verzorging
1 184
1 235
1 231
Volgens het laatste voorlopig advies van de onafhankelijke derde (SCP) was er in 2010 sprake van een zeer beperkte onderbesteding van € 7 mln. Sinds dit advies is de systematiek met de onafhankelijke derde beëindigd. De uitgaven van gemeenten aan huishoudelijke verzorging worden nu jaarlijks – als onderdeel van het cluster maatschappelijke zorg – gemonitord in het Periodiek Onderhoudsrapport van het Gemeentefonds.
Kunt u deze vragen voor 1 september aanstaande beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Ondeugdelijke politiecellen |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten en het rapport van de Raad van Europa, waaruit blijkt dat niet alle Nederlandse politiecellen voldoen aan de daaraan gestelde criteria?1
Ja.
Waarom voldoet een recent opgeleverd arrestantencomplex in Apeldoorn niet aan de gestelde Europese normen, zoals het daglicht in een politiecel?
De politiecellen in Apeldoorn zijn volgens de richtlijnen gebouwd. De richtlijn verplicht dat arrestanten de dag- en nachtcyclus moeten kunnen waarnemen.
In het dak van het politiecellencomplex zijn glasopeningen aanwezig waardoor licht kan toetreden tot de cellengang. Boven de celdeuren zijn lichtopeningen van melkglas aangebracht, een verandering van nacht / dag is goed waarneembaar.
Hoe is gewaarborgd dat dit soort Europese normen voor justitiële complexen vanaf het begin worden nageleefd? Deelt u de mening dat de gang van zaken rond het Apeldoornse arrestantencomplex aantoont dat de huidige waarborgen tekortschieten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om naleving van de normen te verzekeren?
Bij de bouw van justitiële gebouwen worden de voorschriften uit Europese en Nederlandse regelgeving standaard meegenomen. Daarnaast is in elke regio een Commissie van Toezicht Politiecellen ingesteld, conform het Besluit beheer regionale politiekorpsen.
Bovendien is in het kader van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing van de Verenigde Naties de Inspectie Veiligheid en Justitie aangewezen als coördinerend nationaal toezichthouder.
Vindt u ook niet dat kinderen überhaupt niet in vreemdelingendetentie thuishoren, zelfs niet als ultimum remedium? Vindt u, net als de Raad van Europa, het niet wat overdreven om vreemdelingen standaard te boeien als ze het detentiecentrum verlaten? Bent u bereid ogenblikkelijk de aanbevelingen van de Raad van Europa voor de behandeling van opgepakte immigranten in vreemdelingendetentie door te voeren? Zo nee, waarom niet?
Kinderen horen in beginsel niet in vreemdelingenbewaring thuis. Het is om die reden dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vreemdelingenbewaring voor kinderen in het afgelopen jaar aanmerkelijk heeft beperkt. Alleen wanneer er zwaarwegende belangen zijn om de beschikbaarheid van de alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) zeker te stellen kunnen amv’s in bewaring worden gesteld. Omdat bewaring zeer ingrijpend is, wordt een amv niet in een vreemdelingenbewaringlocatie geplaatst, maar in een justitiële jeugdinrichting.
Ook voor gezinnen met minderjarige kinderen is de mogelijkheid om tot inbewaringstelling over te gaan eerder aanzienlijk beperkt. Gezinnen met minderjarige kinderen kunnen maximaal 2 weken voordat zij vertrekken in vreemdelingenbewaring worden geplaatst. Meestal komt het erop neer dat ze er niet langer dan een week verblijven. In het centrum zijn speciale faciliteiten en verblijven de gezinnen gescheiden van andere mensen in vreemdelingenbewaring.
Ten aanzien van vreemdelingen heb ik – mede naar aanleiding van inspectieaanbevelingen – bezien of het mogelijk is om vervoer plaats te laten vinden zonder het standaard toepassen van vrijheidsbeperkende middelen. Deze verkenning heeft geresulteerd in een gewijzigde instructie, met het niet boeien tenzij principe als uitgangspunt.
De gezondheidszorg in penitentiaire inrichting Nieuwegein |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de reportage van RTV Utrecht waarin aandacht wordt besteed aan de ernstige misstanden bij de medische dienst van Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwegein?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat niet alleen de betrokken ex-gedetineerde P. zelf, maar ook zijn voormalig behandelend arts van oordeel zijn dat P. tijdens zijn detentie niet of niet adequaat medisch is verzorgd, met verzwakking en mogelijke resistentie als gevolg? Klopt het dat de rechter hierin aanleiding heeft gezien om zijn detentie hiervoor te schorsen?
Tijdens de detentie is de door de behandelend arts van betrokkene voorgeschreven behandeling voortgezet door de medische dienst van de penitentiaire inrichting (PI) Nieuwegein. Over de behandeling van betrokkene is vervolgens veelvuldig overleg gepleegd tussen de medische dienst en de behandelend arts. De behandelend arts heeft geen signaal aan de PI afgegeven dat betrokkene tijdens zijn detentie niet adequaat medisch is verzorgd. De rechter heeft op 18 april 2012 de voorlopige hechtenis voor een maand geschorst om de betrokkene in de gelegenheid te stellen een geëigende behandeling te ondergaan tegen zijn chronische ziekten. De (motivering bij) deze beslissing bevat geen oordeel over beweerdelijk niet of niet adequate medische verzorging in de PI.
Betrokkene heeft over zijn behandeling een klacht bij de medisch adviseur van het Ministerie V&J ingediend. Deze heeft de klachten van de gedetineerde beoordeeld en geconcludeerd dat er geen sprake van medisch onverantwoord handelen was. Betrokkene heeft zijn klachten in beroep voorgelegd aan de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De RSJ is in zijn uitspraak van 10 augustus 2012 van mening dat de medische dienst van de PI Nieuwegein op geen van de vier door betrokkene aangedragen gronden onzorgvuldig danwel verwijtbaar heeft gehandeld, en verklaart het beroep derhalve ongegrond. Voor een uitgebreidere versie van deze uitspraak verwijs ik naar de website van de RSJ (http://asp-c1.ithos.nl/indexDB.html, zaakskenmerk 12/1329/GM).
Voldoet de medische zorg in PI Nieuwegein aan uw criteria voor verantwoorde medische zorg in detentie? Bent u bereid om de Inspectie Veiligheid en Justitie, de Nationale Ombudsman en de Inspectie voor de Gezondheidszorg te vragen een onderzoek in te stellen naar de kwaliteit van de medische zorg in deze inrichting en in hoeverre eerdere aanbevelingen van de Inspectie voor de Sanctietoepassing zijn opgevolgd? Zo nee, waarom niet?
In juni 2009 heeft de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) een rapport uitgebracht over de medische zorg in penitentiaire inrichtingen: «Achter tralies nu veiliger zorg, maar verbetering nog nodig». Dit rapport is opgesteld naar aanleiding van toezichtrondes bij 16 medische diensten in het gevangeniswezen, waaronder de medische dienst van PI Nieuwegein. In dit rapport spreekt de IGZ zich overwegend positief uit over de bereikte resultaten van het verbetertraject en de inzet van artsen en verpleegkundigen. Wel geeft de IGZ in dit rapport aan dat er nog verbetering mogelijk is en zij formuleert hiertoe een aantal aanbevelingen voor onder andere de PI’s, het ministerie van V&J en DJI. De toenmalige minister van Justitie heeft de Tweede Kamer in juli 2009 over zijn beleidsreactie geïnformeerd2.
In januari 2011 heeft de IGZ in een follow-up ronde – waarbij acht medische diensten van penitentiaire inrichtingen zijn bezocht – gekeken in hoeverre de aanbevelingen ter hand waren genomen en of er verbetering zichtbaar was. Tijdens die ronde is ook de PI Nieuwegein bezocht. De algemene conclusie van deze toezichtbezoeken van de IGZ is dat er sprake is van verbetering en dat de medische zorg in de bezochte penitentiaire inrichtingen voldoet aan de normen van verantwoorde zorg. Ten aanzien van de PI Nieuwegein concludeert de IGZ dat «de medische zorg voldoende goed is toegerust om tijdige en efficiënte zorg aan gedetineerden te kunnen bieden».
In 2012 zijn tot nu toe zes klachten over de medische zorg in PI Nieuwegein ingediend bij de medisch adviseur van het Ministerie V&J. Deze klachten zijn door een onafhankelijke commissie beoordeeld en zijn allemaal ongegrond verklaard.
Gelet op het voorgaande, en mijn antwoord op vraag 2, acht ik nader onderzoek en het treffen van noodvoorzieningen niet noodzakelijk.
Bent u, met het oog op de tientallen verklaringen van gedetineerden over de medische zorg in PI Nieuwegein, bereid om acute noodvoorzieningen te treffen om te kunnen voldoen aan de normen voor verantwoorde medische zorg? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel “Tena beoordeelt incontinente patient” |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Tena beoordeelt incontinente patiënt»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een fabrikant beoordeelt welk incontinentiemateriaal een patiënt nodig heeft? Kunt u zich voorstellen dat dit juist een kostenopdrijvend effect heeft? Wat is volgens u het effect op de onafhankelijkheid van het oordeel? Deelt u de mening dat het een kwestie tussen zorgaanbieder en cliënt moet zijn welk materiaal het best past bij de cliënt?
Voor de uitvoering van de verzekerde aanspraak op incontinentiezorg heeft Achmea, vanuit doelmatigheidsoverwegingen, met apothekers en andere afleveraars afgesproken de apothekers/andere afleveraars niet meer te vergoeden uitgaande van een prijs per stuk, maar van een prijs per dag. Niet iedere patiënt heeft evenveel incontinentiemateriaal nodig. De hoeveelheid hangt af van de persoonlijke situatie van de patiënt, waaronder de mate van incontinentie. Om tot een goede prijs per dag te komen heeft Achmea patiëntprofielen opgesteld. De prijs per dag hangt af van het patiëntprofiel waarin de betrokkene past. In welk patiëntprofiel de patiënt het beste past wordt bepaald op basis van een intakegesprek. Een aantal apothekers heeft dat uitbesteed aan leveranciers als Tena. Dit is mogelijk, maar de apothekers blijven te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de overeenkomst die ze met Achmea hebben gesloten.
Ik ben het met u eens dat het een zaak tussen de zorgaanbieder (apotheker of medisch speciaalzaak) en patiënt is wanneer het gaat om welk materiaal het beste past bij een patiënt, gegeven zijn persoonlijke situatie. Dit laat onverlet dat de zorgaanbieder zich kan laten adviseren door een leverancier, aangezien de leverancier een voor de hand liggende partij is die informatie kan verstrekken over beschikbare producten. In de praktijk blijkt het gebruikelijk te zijn dat zorgverleners, waaronder apothekers, gebruik maken van de kennis en inzichten van leveranciers en fabrikanten. Het is aan de zorgverlener om uiteindelijk de keuzes te maken ten aanzien van de te verlenen zorg.
Wat vindt u ervan dat contactgegevens van patiënten bij een fabrikant terecht komen via de zorgaanbieder? Waar ligt voor u de grens als het gaat om fabrikanten die cliënten benaderen?
Elke organisatie in Nederland dient zich te houden aan de in Nederland geldende privacywetgeving. Voor mij ligt daar de grens. Ik weet dat het College bescherming persoonsgegevens (CBP) Tena vragen heeft gesteld over het onderwerp.
Hoe wordt voorkomen dat Tena de contactgegevens van patiënten gaat gebruiken voor marketingdoeleinden?
Tena laat weten dat patiënten alleen informatie over incontinentie en Tena producten krijgen toegestuurd mits hiervoor uitdrukkelijk toestemming is verleend. Dit gebeurt relatief weinig. Op basis van deze gesprekken lijkt me dit overigens al helemaal niet aan de orde.
Kunt u zich voorstellen dat patiënten zich in hun privacy voelen aangetast wanneer zij door iemand anders dan hun behandelaar benaderd worden over hun aandoening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe dienen volgens u zorgaanbieders en verzekeraars om te gaan met de privacy van cliënten?
Ja, als ze hierover niet vooraf zijn geïnformeerd door hun zorgverlener en hiervoor geen uitdrukkelijke toestemming hebben verleend, kan ik me dit heel goed voorstellen. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik uitgelegd hoe de privacy van patiënten gewaarborgd is. Wat zorgverzekeraars betreft zijn hier ook regels over opgenomen in de Zorgverzekeringswet en de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Zorgverzekeraars. Het CBP heeft voor deze gedragscode een goedkeurende verklaring afgegeven.
Wat vindt u van de bewering van het Farmaceutisch Bureau Amsterdam dat verzekeraars eenzijdig zouden opleggen dat voortaan nog maar aan 40% van de patiënten duurdere incontinentiebroekjes mogen worden aangeboden, waar dat nu 90% is? Zijn er geen betere manieren om te komen tot doelmatiger voorschrijven? Zou het niet beter zijn als de verzekeraar gaat onderhandelen met de fabrikant over de prijs van de producten?
Ik heb geen inzage in de contracten die zijn afgesloten tussen verzekeraar en apotheker. Dit blijft een zaak tussen deze beide partijen. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven behoren incontinentiematerialen tot het basispakket en de patiënt heeft daarmee aanspraak op incontinentiematerialen voor zover hij daarop naar inhoud en omvang is aangewezen. Als de incontinentiebroekjes voor de verzekerde adequaat en doelmatig zijn dan heeft hij daar recht op.
Een verzekeraar handelt niet in strijd met de Zvw wanneer hij met de zorgverlener (in dit geval de apotheker of medisch speciaalzaak) onderhandelt over de prijs en de wijze van bekostiging. De Zvw biedt juist de ruimte voor de verzekeraars om met partijen te onderhandelen over het zo doelmatig mogelijk leveren van zorg. Het is aan de verzekeraar met welke partijen hij de onderhandelingen voert.
De bemoeienis van fabrikant Tena met incontinente patiënten |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht Tena beoordeelt incontinente patiënt?1
Voor de uitvoering van de verzekerde aanspraak op incontinentiezorg heeft Achmea met apothekers en andere afleveraars afgesproken de apothekers/andere afleveraars niet meer te vergoeden uitgaande van een prijs per stuk, maar van een prijs per dag. Niet iedere patiënt heeft evenveel incontinentiemateriaal nodig. De hoeveelheid hangt af van de persoonlijke situatie van de patiënt, waaronder de mate van incontinentie. Om tot een goede prijs per dag te komen heeft Achmea patiëntprofielen opgesteld. De prijs per dag hangt af van het patiëntprofiel waarin de betrokkene past. In welk patiëntprofiel de patiënt het beste past wordt bepaald op basis van een intakegesprek. Een aantal apothekers heeft dat uitbesteed aan leveranciers als Tena. Dit is mogelijk, maar de apothekers blijven te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de overeenkomst die ze met Achmea hebben gesloten.
Deelt u de mening dat apothekers geen patiëntgegevens behoren te verstrekken aan fabrikanten?
Het is de vraag of de verstrekking van persoonsgegevens in overeenstemming is met de in Nederland geldende privacywetgeving. Ik heb inmiddels vernomen dat het College bescherming persoonsgegevens (CBP) Tena vragen heeft gesteld over het onderwerp.
Wilt u het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) vragen om naar deze procedure te kijken en hier een oordeel over uit te spreken?
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) is een zelfstandig bestuursorgaan en maakt zelf de afweging of een werkwijze onderzocht wordt. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, heb ik vernomen dat het CBP Tena vragen heeft gesteld over het onderwerp.
Vindt u een fabrikant de meest geschikte instantie om te bepalen hoeveel en welk incontinentiemateriaal een patiënt nodig heeft?
In de praktijk is het de behandelaar die beoordeelt of incontinentiemateriaal noodzakelijk is. Vervolgens volgt er een gesprek tussen de patiënt en degene die het materiaal aflevert. Dit kan een apotheker of medisch speciaalzaak zijn. Dit gesprek is noodzakelijk om te beoordelen welk materiaal het meest geschikt is en hoeveel er nodig is, gegeven de persoonlijke situatie van de patiënt.
Om te komen tot een adequate incontinentiezorg is kennis over de incontinentiezorg nodig. Er is in principe niets mis mee dat de apotheker (of medisch speciaalzaak) zich hiervoor wendt tot een fabrikant. Die is immers het best op de hoogte van de mogelijkheden van zijn materialen. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de apotheker (of medisch speciaalzaak) om de afweging te maken, in overleg met de patiënt, wat de meest adequate zorg is.
Indien de apotheker ervoor kiest om een deel van zijn werkzaamheden door een derde te laten uitvoeren, dan heeft hij zich natuurlijk te houden aan de wet- en regelgeving wanneer het bijvoorbeeld gaat om het ter beschikking stellen van persoonsgegevens. Bovendien blijft de apotheker te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de goede uitvoering.
Is het waar dat Achmea de apothekers eenzijdig heeft opgelegd dat zij nog maar maximaal 40% van de patiënten de duurdere incontinentiebroekjes mogen aanbieden? Zo ja, wat vindt u van deze bezuinigingsmaatregel?
Ik heb geen inzage in de contracten die zijn afgesloten tussen verzekeraar en apotheker. Dit blijft een zaak tussen deze beide partijen. Incontinentiemateriaal behoort tot het basispakket en de patiënt heeft daarmee aanspraak op incontinentiemateriaal voor zover hij daarop naar inhoud en omvang is aangewezen. Als de incontinentiebroekjes voor de verzekerde adequaat en doelmatig zijn dan heeft hij daar recht op.
De Zvw biedt een verzekeraar de ruimte om te onderhandelen met de zorgverlener (in dit geval de apotheker of medisch speciaalzaak) over de prijs en de wijze van bekostiging. De verzekeraar kan op deze wijze zijn verantwoordelijkheid nemen in het zo doelmatig mogelijk leveren van zorg. Achmea is op de hoogte van zijn zorgplicht, op grond van de Zvw.
Wilt u Achmea erop wijzen dat incontinentiemateriaal in het basispakket zit, en patiënten dus recht hebben op net zoveel materiaal als nodig is?
Zie antwoord vraag 5.
Het systematisch onbestraft blijven van VN’ers na verkrachtingen |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving – en onderliggende onderzoeken – inzake het vrijwel systematisch onbestraft blijven van VN-soldaten na verkrachting van minderjarige meisjes in onder meer Congo?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving en onderzoeken, in het bijzonder met betrekking tot het gegeven dat de verkrachtingen en het seksueel geweld vrijwel altijd onbestraft blijven en verantwoordelijke VN-functionarissen passief blijven? Berust deze berichtgeving op juiste informatie?
De regering is van mening dat beschuldigingen van seksueel misbruik door VN-personeel uiterst serieus moeten worden genomen. Elk incident van wangedrag door diegenen die geacht worden burgers te beschermen, dient te worden gemeld en onderzocht.
MONUSCO heeft kritische kanttekening bij de recente berichtgeving en heeft aangegeven met een officiële reactie te komen.
Hoe verklaart u dat dergelijke misdrijven kunnen plaatsvinden binnen een VN-organisatie, terwijl de VN formeel een beleid van zero tolerance voert op dit terrein? Geeft de VN naar uw mening voldoende prioriteit aan ingrijpende wandaden als deze?
De VN voert een beleid van zero tolerance jegens personeel dat zich schuldig maakt aan ernstige misdragingen.
De VN heeft een eigen systeem opgezet voor preventie, registratie, onderzoek naar misdragingen, als ook passende maatregelen. Daarnaast zijn procedures vastgelegd voor het inschakelen van de (nationale) autoriteiten bij het onderzoeken van gemelde gevallen van seksueel misbruik.
Binnen het Hoofdkantoor in NY en in elke VN-vredesmissie bestaat een speciale Conduct and Discipline Unit. De eenheden hebben de taak troepenleverende landen te wijzen op het zero tolerance beleid ten aanzien van seksueel geweld. Troepen moeten hierop worden gewezen in voorafgaande trainingen in het veld. Indien misstanden toch voorkomen worden deze doorgeleid naar het onafhankelijke VN-agentschap OIOS (Office of Internal Oversight Services).
Troepenleverende landen dragen een speciale verantwoordelijkheid om aanwijzingen van wangedrag te (helpen) onderzoeken en verdachten te vervolgen. Alle Memoranda of Understanding met troepenleverende landen van de VN schenken expliciet aandacht aan de gedragsregels waaraan VN personeel, dus ook militairen van een contingent, zich dient te houden. Nederland heeft zich voor deze gedragsregels en hun verankering in de memoranda ingezet.
Wat is er binnen de VN gebeurd na eerdere onderzoeken en studies (onder meer van Unicef) waaruit bleek dat zodra een vredesmacht van de VN in een land opduikt, het aantal gevallen van seksueel geweld dramatisch toeneemt? Welke acties zijn als gevolg hiervan ondernomen? Bent u tevreden over de inzet van de VN op dit gebied?
De Conduct and Discipline Unit publiceert statistieken over misdragingen van civiele en militaire deelnemers aan VN-vredesmissies. Deze laten een dalende trend zien van het aantal meldingen van seksuele exploitatie en misbruik. Hierbij geldt dat ieder geval er één te veel is. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Op welke wijze heeft Nederland zich in de afgelopen jaren ingezet om deze problematiek aan te kaarten? Met welk resultaat?
De VN en (waaronder Westerse en EU-) lidstaten hebben veel aandacht aan deze problematiek geschonken, met name in het Special Committee on Peacekeeping Operations (C34) en bij de uitvoering van Veiligheidsraadresolutie 1 325 over vrouwen, vrede en veiligheid.
Nederland heeft samen met Spanje een cursus opgezet om bredere gender problematiek in vredesoperaties op de kaart te zetten en de kennis en ervaring van militair en civiel personeel van VN-missies op dit punt te verbeteren
Bent u bereid om u ervoor in te zetten dat het streng bestraffen van VN’ers die zich schuldig maken aan verkrachting zeer hoge prioriteit van de VN krijgt? Wilt u de Kamer op de hoogte houden van de voortgang daarvan?
De SGVN rapporteert jaarlijks openbaar over vredesmissies waarbij specifiek wordt ingegaan op de voortgang met betrekking tot onderhavige problematiek.
De handelwijze van Achmea en apothekers bij het verstrekken van incontinentiemateriaal aan patiënten |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het nieuws dat de fabrikant Tena bepaalt hoeveel luiers patiënten vergoed krijgen?1
Vindt u niet dat de apotheker op basis van een voorschrift van de behandelaar moet bepalen welk incontinentiemateriaal voor de patiënt het beste is, en dat dit niet moet worden uitbesteed aan een fabrikant met commerciële belangen?
Is hier sprake van een aantasting van de privacy van patiënten?
Is de verzekeraar Achmea hier in gebreke? Is het niet in strijd met de Zorgverzekeringswet dat de verzekeraar aan de hand van een profiel bepaalt hoeveel incontinentiemateriaal iemand krijgt?
In hoeverre belemmert de huidige wet- en regelgeving dat patiënten incontinentiemateriaal krijgen dat nodig is voor hun behoefte, en dat de privacy gewaarborgd blijven?
Is er sprake van een bezuinigingsoperatie van Achmea en andere verzekeraars die ook het Achmeamodel willen volgen?
Gaat u nog stappen ondernemen tegen de handelwijze van betrokken apothekers en verzekeraar? Zo neen, waarom niet?
De onrust naar aanleiding van plannen van wethouder Florijn te Rotterdam om bijstandsgerechtigden in de thuiszorg te laten werken |
|
Sadet Karabulut , Renske Leijten |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
Wat is uw reactie op de plannen van wethouder Florijn in de gemeente Rotterdam om bijstandsgerechtigden in de thuiszorg te laten werken nu zijn kassenproject finaal mislukt is? Op welke manier denkt u de werkloosheid meer algemeen en specifiek in Rotterdam te kunnen bestrijden?1 2
Rotterdam vraagt van aanbieders 10% van de contractwaarde in te zetten voor social return. Doel hiervan is om mensen die behoren tot de doelgroep van social return zoveel mogelijk toe te leiden naar werk. Social return creëert extra werk(ervaring)plaatsen en kan daarmee de uitstroom uit een uitkeringssituatie van mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt ondersteunen. De Tweede Kamer heeft de afgelopen jaren aangedrongen op brede toepassing van social return door overheden. Effectieve bestrijding van werkloosheid op lokaal niveau is een taak van gemeenten zelf.
Is het waar dat de bijstandsgerechtigden alleen «nieuwe klusjes» mogen doen en niet worden ingezet om de primaire thuiszorgtaken te vervullen? Welke klussen zijn dit? Welke criteria worden gehanteerd en welke banen en functies zullen worden vervuld?
Werk in het kader van social return hoeft niet uitsluitend werk in het primaire proces van de thuiszorgaanbieder te zijn, maar mag ook werk zijn in andere functies die een aanbieder aanbiedt (bijvoorbeeld werk in een verzorgingshuis of het rondbrengen van post binnen de organisatie). Daarnaast kunnen aanbieders social return ook (gedeeltelijk) invullen door compensatieorders te plaatsen, bijvoorbeeld bij het sociaal werkbedrijf van de gemeente Rotterdam.
Welke lessen trekt u uit het mislukte kassenproject in Rotterdam? Wat zijn de oorzaken? Op welke wijze gaat u wel bijdragen aan het terugdringen in plaats van het laten oplopen van de werkloosheid?
Het project «Westland heeft werk» is een initiatief van twee Westlandse uitzendbureaus en de gemeente Westland. In samenwerking met de gemeenten Den Haag, Delft en Rotterdam is het doel om meer uitkeringsontvangers aan het werk te krijgen in de tuinbouw. Ik vind het te vroeg voor een eindoordeel over het project. Ik heb reeds toegezegd om uw Kamer in het najaar de evaluatie van het project «Westland heeft werk» toe te sturen.
Deelt u de mening dat bijstandsgerechtigden die aan het werk gaan een volwaardig arbeidscontract met daarbij horend cao-functieloon behoren te krijgen? In alle sectoren, voor al het werk dus ook in de sector Welzijn en Zorg? Zo ja, kunt u dit garanderen voor het Rotterdamse beleid? Zo nee, wanneer en onder welke voorwaarden mag hier dan volgens u van afgeweken worden? Hoe verhoudt dit zich tot verdringing en versnippering van bestaande banen en contracten?
Het beleid in het kader van de Wet werk en bijstand is de verantwoordelijkheid van de gemeente Rotterdam. In principe verschillen bijstandontvangers van wie de uitkering eindigt omdat ze regulier werk krijgen bij een werkgever, arbeidsrechtelijk niet van andere werknemers in dezelfde functie. Onder regulier werk wordt verstaan werk dat op de reguliere arbeidsmarkt wordt verricht en waarvoor loon wordt betaald. Bijstandontvangers kunnen in het kader van een re-integratietraject ook met behoud van uitkering bij een werkgever geplaatst worden op bijvoorbeeld een proefplaatsing, work firsttraject of een leerwerktraject.
Deelt u de mening dat werklozen die aan het werk gaan in het welzijn of de zorg gekwalificeerd moeten zijn? Zo ja, krijgen bijstandsgerechtigden de nodige opleiding en scholing? Zo nee, vindt u dat belangrijke taken zoals zorg, welzijn en schoonmaak door ongekwalificeerd personeel gedaan mogen worden met als gevolg uitholling van mooie beroepen en immense druk op toch al niet te hoge lonen en andere arbeidsvoorwaarden ?
Kwaliteitseisen die de gemeenten stellen aan de hulp bij het huishouden uit hoofde van de Wet maatschappelijke ondersteuning, onder andere aan het in te zetten personeel, gelden ook voor eventuele bijstandontvangers die ingezet worden. Bijstandontvangers kunnen evenwel met de juiste begeleiding prima in staat zijn om de geëiste kwaliteit van de hulp bij het huishouden te leveren. De gemeente kan zorgen voor (bij)scholing. Zie tevens mijn antwoord op vraag 2 en 11.
In hoeverre vormt de inschakeling van onvoldoende of ongeschoold personeel een risico voor patiënten? Kunt u garanderen dat wat wethouder Florijn wil niet ten koste gaat van patiënten en patiënten onterechte risico’s lopen?
Zie antwoord vraag 5.
Kent u voorbeelden en projecten in den lande waarbij op een succesvolle wijze bijstandsgerechtigden in de zorg zijn ingestroomd? Kunt u dit toelichten?
De ministeries van SZW en VWS maken zich sterk voor regionale samenwerking tussen UWV, gemeenten en werkgevers van zorginstellingen gericht op instroom, doorstroom en behoud van mensen in de zorgsector. De laatste jaren is de infrastructuur voor samenwerking versterkt. Er zijn zogenoemde servicepunten zorg en welzijn ingericht. In verschillende arbeidsmarktregio’s zijn met ondersteuning vanuit het servicepunt zorg en welzijn onder meer activiteiten ingezet op het werven bijstandontvangers in de zorg. Als concreet voorbeeld noem ik het project «Welslagen» in Zeeland, Drechtsteden en Brabant: het gaat om een BBL – traject voor mensen met een bijstand – of WW uitkering (langer dan een jaar) die vooraf met behoud van uitkering 20 weken stagelopen bij een zorginstelling.
Deelt u de mening dat de wijze waarop wethouder Florijn de thuiszorgorganisaties onder druk wil zetten door de aanbesteding van de thuiszorg gepaard te laten gaan met een bezuiniging van 5 miljoen euro om zo samenwerking af te dwingen perverse effecten kan hebben gezien de tekorten en grote werkdruk in de zorg en stijgende werkloosheid? Zo nee, kunt u garanderen dat huidige thuiszorgmedewerkers niet hun baan verliezen of inkomen moeten inleveren?
De gemeente is verantwoordelijk voor de hulp bij het huishouden en vanuit die verantwoordelijkheid wil de gemeente, uit oogpunt van de betaalbaarheid van de maatschappelijke ondersteuning, dat deze hulp zo doelmatig mogelijk georganiseerd wordt. Samenwerking tussen thuiszorgorganisaties kan een bijdrage aan deze doelmatige wijze van organiseren leveren. Thuiszorgorganisaties zullen hun eigen afweging maken of het bedrijfsmatig verantwoord is een aanbod te formuleren op de door gemeente geformuleerde vraag. Het kabinet geeft geen baan- of inkomensgarantie.
Deelt u de mening dat het hanteren van het kwaliteitsdocument voor verantwoorde hulp bij het huishouden en het signaleren van veranderingen in zorgbehoeften minimaal functiewaardering 15 vereist volgens de functiewaardering in de zorg?
De afspraken over de juiste inschaling van het personeel worden door sociale partners gemaakt. Deze cao-afspraken dienen door partijen te worden nageleefd. In het arbeidsrecht zijn regels gesteld waardoor werknemers in staat worden gesteld om (individueel dan wel collectief) hun belang veilig te stellen.
Is het waar dat de functiewaardering voor huishoudelijke werkzaamheden (HH1) door de gemeente Rotterdam per april 2013 wordt verlaagd van 15 naar 10 en hoe valt dat te rijmen met de landelijke functiewaardering zorg? Betekent dit dat de huidige thuishulpen bij ingang van het nieuwe contract een flink deel van het salaris moet gaan inleveren? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de aangenomen wet Leijten over basistarieven die uitgaan van inzet van personeel dat past bij de vereiste vaardigheden voor huishoudelijke zorg?3
De gemeente gaat niet over de functiewaardering of feitelijke beloning van thuishulpen. Dit is een zaak van werkgevers en werknemers. Zie antwoord 9. De Wmo draagt gemeenten wel op basistarieven voor onderscheidenlijke vormen van huishoudelijke verzorging vast te stellen en daarbij uit te gaan van de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden die benodigd zijn. De precieze invulling hiervan is afhankelijk van de lokale omstandigheden en de wijze waarop de gemeente de dienst heeft omschreven.
Wat is de doelstelling van het project van wethouder Florijn om bijstandsgerechtigden in de thuiszorg aan het werk te krijgen? Klopt het dat de instellingen aan wie de opdracht wordt gegund minimaal 10 procent van de feitelijke waarde van de te verkrijgen opdracht in moet zetten voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en dat de hoofdaanbieder die hieraan niet voldoet een forse boete te wachten staat?4 Zo ja, wat is uw mening hierover? Hoe wordt de kwaliteit gewaarborgd?
De inkoop van huishoudelijke verzorging is door Rotterdam aangewezen om een bijdrage te leveren aan social return. Zie ook mijn antwoord op vraag 1. De werkgever is uiteindelijk verantwoordelijk voor het aannemen van de geschikte persoon op een functie en voor de kwaliteit van het werk. Rotterdam heeft in het bestek voor de uitvoeringseis social return de mogelijkheid geboden om compensatieorders aan te bieden, waarbij mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt van de gemeente Rotterdam ingezet kunnen worden. Mochten er dus onvoldoende geschikte mensen voor werk in de thuiszorg voorhanden zijn in de social return doelgroep om de geëiste 10% te halen, dan kan dit percentage ook gehaald worden door mensen uit de doelgroep te plaatsen op andere functies.
Is het waar dat minimaal twee (bij vaste contracten) of drie (bij raamcontracten) aanbieders voor de huishoudelijke zorg dienen te worden gecontracteerd?5 Hoe valt dit te rijmen met het feit dat in Rotterdam een aanbieder per gebied wordt gecontracteerd?4
Het is toegestaan om één aanbieder per gebied te contracteren.
Wat is uw mening over het contracteren van één aanbieder per gebied in het licht van keuzevrijheid van de thuiszorggebruikers? Deelt u de mening dat dit ernstige gevolgen kan hebben voor de continuïteit van zorg ofwel het behoud van de vertrouwde thuiszorg?
Het is aan de gemeente om een en ander te bepalen.
De gigantische verhoging van de tarieven van het openbaar vervoer in Haaglanden |
|
Farshad Bashir |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat vindt u van de forse stijging van 11,6% van de kilometerprijs van bus en tram in Haaglanden en de gigantische stijging van 15,7 procent van de kilometerprijs van de Randstadrail?1
Zoals ik uw Kamer eerder al heb aangegeven, acht ik tariefsverhoging in het stad- en streekvervoer in beginsel gerechtvaardigd in het licht van de op lange termijn gewenste verhoging van de kostendekkingsgraad. De invulling hiervan moet uiteraard wel passen binnen de gezamenlijk gemaakte afspraken, zoals een jaar tariefrust (afgesproken in het Aanvalsplan OV-chipkaart) en de wettelijke adviesplicht van consumentenorganisaties.
Bij brieven van 16 december 2010 (Kamerstukken II, 23 645, nr. 397) en van 20 april 2011 (Kamerstukken II, 23 645, nr. 435) heb ik uw Kamer geïnformeerd dat het Stadsgewest Haaglanden aan het criterium van «opbrengstneutraliteit bij gelijkblijvend reizigersvolume» heeft voldaan. Nadat het systeem van Nationale VervoerBewijzen (NVB) op 19 mei 2011 was uitgezet, heeft het Stadsgewest het jaar tariefrust in acht genomen; dit eindigde op 19 mei 2012. Vervolgens zijn per 1 juli 2012 de kilometertarieven verhoogd.
Het Stadsgewest Haaglanden heeft tariefvrijheid als opgenomen in de Wet personenvervoer 2000 en het staat haar vrij, met inachtneming van de wettelijke adviesplicht van consumentenorganisaties, om besluiten te nemen over de tarieven.
Hoe verklaart u dat in de regio's Amsterdam en Rotterdam de tarieven niet zijn gestegen en dat er alleen in Haaglanden sprake is van tegenvallende opbrengsten uit de OV-chipkaart?
Naar aanleiding van vragen van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd over de ontwikkelingen in de regio’s Amsterdam en Rotterdam (Kamerstukken II, 23 645, nr 494). In beide regio’s zijn de tarieven ook gestegen. In overeenstemming met haar bevoegdheid om de eigen tarieven te bepalen heeft het Stadsgewest Haaglanden het kilometertarief voor bus en tram per 1 juli 2012 vastgesteld op € 0,139 per kilometer en voor het buitengebied van RandstadRail op € 0,162 per kilometer. Circa 80% van de reizigers betalen het kilometertarief van € 0,139 dat tussen het kilometertarief van de Stadsregio Amsterdam (€ 0,142 per kilometer in de stad) en de Stadsregio Rotterdam (€ 0,127 per kilometer in stad en streek) in ligt.
Het Stadsgewest Haaglanden heeft mij gemeld dat in de overeenkomst tussen Haaglanden en haar concessiehouders rekening was gehouden met een hoger kilometertarief dan gedurende het jaar tariefrust gehanteerd is. Volgens het Stadsgewest lopen de vervoerders hierdoor naar schatting € 3 miljoen op jaarbasis aan vervoersopbrengsten mis. Haaglanden geeft aan dat er in die zin gesproken kan worden van tegenvallende opbrengsten.
Deelt u de mening dat het openbaar vervoer in grote steden juist goedkoper zou moeten worden zodat meer mensen het openbaar vervoer gebruiken? En dat zo de steden ontlast worden van veel verkeer en luchtvervuiling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op de vragen 1, 2 en 5.
Deelt u de mening dat een kilometerprijs van 13,4 cent per kilometer voor een tram en bus wel erg hoog is en 16,2 cent per kilometer voor de Randstadrail schandalig hoog is? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat de tarieven weer dalen? Zo nee, waarom niet?
Neen, die mening deel ik niet. Kortheidshalve verwijs ik naar het antwoord op vraag 1 en 2.
Kunt u uitgebreid de relatie beschrijven van uw bezuinigingsbeleid op het openbaar vervoer en deze gigantische en uit de hand gelopen prijsverhogingen?
Over de ombuigingen in het regionale stads- en streekvervoer heb ik op 23 juni 2011 uitvoerig gedebatteerd met de Tweede Kamer op basis van mijn brief van 6 juni 2011 (TK 23 645, nr. 452).
De hoofdlijn uit deze brief is, dat het mogelijk is om de bezuinigingstaakstelling voor de stadsregio’s Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden verregaand te realiseren door een andere inrichting van het OV-netwerk en een andere organisatie van de exploitatie.
Dit vereist een kritische herbezinning op dun bezette ontsluitingslijnen (in de grote steden vaak buslijnen) ten gunste van het versterken van belangrijke verbindingen of hoofdassen (in de grote steden vaak tram of metro). Hiervan zullen grote groepen reizigers profiteren die dagelijks van huis naar werk en terug gaan. Ervaringen in het buitenland met deze aanpak laten zien dat dit kan leiden tot een toename van het gebruik van het openbaar vervoer. Hiermee zijn ook de bereikbaarheid van en de luchtkwaliteit in de stad gediend.
In dit verband wijs ik u ook op mijn antwoorden op vragen van het Kamerlid Van Gent (Kamervragen (Aanhangsel) 2011–2012, 54) van 22 september 2011 waarin ik in ga op de effecten van de ombuigingen op de bereikbaarheid en de luchtkwaliteit in de steden.
Het rijk gaat niet over de invulling van de ombuigingen door de stadsregio’s. Hiervoor zijn de stadsregio’s verantwoordelijk. Dit geldt voor de inrichting en exploitatie van het lijnennet, de kwaliteit die zij nastreven en de prijs die zij daarvoor van de klant vragen.
Is het waar dat de prijsverhogingen stiekem doorgevoerd zijn? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen zodat de reiziger alsnog geïnformeerd wordt? Zo nee, wat heeft de vervoerder en de stadsregio dan concreet gedaan om de reiziger te informeren?
Het Stadsgewest Haaglanden heeft mij laten weten dat de voorgeschreven procedures bij tussentijdse verhoging van de kilometertarieven zijn gevolgd.
Het voorstel is conform de wettelijk adviesplicht aan de consumentenorganisaties (ROCOV Haaglanden) voorgelegd. Het advies van het ROCOV Haaglanden is op 26 maart 2012 ontvangen. Het besluit van het dagelijks bestuur van het Stadsgewest Haaglanden van 25 april 2012 is daarna in de regionale dag- en weekbladen gepubliceerd en heeft vanaf 3 mei 2012 ter inzage gelegen.
Het Stadsgewest Haaglanden heeft mij daarnaast aangegeven dat HTM de nieuwe kilometertarieven in de folder «De zomerdienstregeling komt er weer aan» heeft gepubliceerd. Deze folder hing enkele dagen voor de ingangsdatum in alle trams en bussen van HTM. Op de site van HTM zijn door technische problemen niet tijdig de correcte kilometertarieven gehanteerd. Enkele dagen later is dit hersteld. Op de site van 9292ov.nl werden wel vanaf 30 juni 2012 de correcte kilometertarieven gepubliceerd.
Veolia heeft de aanpassing van de kilometertarieven gepubliceerd met een A3-poster in alle bussen. Volgens het stadsgewest Haaglanden zijn reizigers tijdig en adequaat geïnformeerd over de veranderingen.
De klussendienst in de gemeente Bergen op Zoom waarbij bijstandsgerechtigden vrijwillig werk moeten doen dat normaal door betaalde krachten van thuiszorgorganisaties wordt gedaan |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het plan van de gemeente Bergen op Zoom om bijstandsgerechtigden gratis te laten inhuren om hen taken in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) te laten verrichten?1
Volgens informatie van de gemeente Bergen op Zoom is een pilot opgezet voor een boodschappendienst en een was- en strijkservice als algemene voorziening voor mensen die niet zelfstandig deze taken kunnen doen en daarvoor via de Wmo gecompenseerd worden. De gemeente Bergen op Zoom zoekt met deze pilot een manier om haar burgers met een beperking op een doelmatige wijze te compenseren. De gemeente ziet zich daartoe genoodzaakt met het oog op de vergrijzing en de toenemende vraag naar individuele voorzieningen. Naast de inzet van vrijwilligers worden ook mensen met een bijstandsuitkering gestimuleerd om actief aan de pilot deel te nemen als onderdeel van hun traject gericht op re-integratie.
Bent u van mening dat taken als strijken, wassen en boodschappen doen – zoals deze via de WMO worden uitgevoerd voor mensen die daartoe zelf niet in staat zijn – reguliere werkzaamheden zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het wenselijk en toelaatbaar dat bijstandsgerechtigden niet volgens het geldende arbeidsrecht worden uitbetaald?
Onder regulier werk wordt verstaan werk dat op de reguliere arbeidsmarkt wordt verricht en waarvoor loon wordt betaald. Strijken, wassen en boodschappen doen in het kader van de thuiszorg, zijn taken die voorkomen op de reguliere arbeidsmarkt, maar deze taken worden ook onbetaald verricht door vrijwilligers of mantelzorgers. Ik vind het van belang dat werk boven uitkering gaat. Mensen met een bijstandsuitkering, voor zover ze daartoe in staat zijn, hebben de verplichting om zich in te spannen om zo snel mogelijk regulier werk te vinden en te aanvaarden. Het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van deze pilot kan zeker een bijdrage leveren aan de vergroting van de kans op re-integratie in regulier werk.
Kunt u garanderen dat het werk van thuiszorgmedewerkers, schoonmakers, welzijnswerkers niet wordt verdrongen en/of opgeknipt in kleinere, slecht betaalde baantjes? Kunt u ook garanderen dat deze beroepen niet worden uitgehold en dat de kwaliteit en veiligheid gewaarborgd blijven?
De precieze invulling van deze beroepen is niet aan mij. Gemeenten stellen in het kader van de Wmo kwaliteitseisen aan de hulp bij het huishouden. Deze eisen hebben onder andere betrekking op het in te zetten personeel. Bovendien dienen aanbieders van hulp bij het huishouden te voldoen aan de eisen die volgen uit de Kwaliteitswet zorginstellingen. Verder kan de inhoud van de functie worden beïnvloed door CAO onderhandelingen of overleg tussen werkgever en werknemer.
Een gemeente dient te allen tijde te voldoen aan de compensatieplicht. De daadwerkelijk geboden hulp bij het huishouden dient een burger met een beperking derhalve in staat te stellen om een huishouden te voeren.
Hoe draagt desbetreffende pilot bij aan het uit de uitkering geraken van werkloze bijstandsgerechtigden? Wat is de doelstelling van de pilot? Welke kosten zijn met de pilot gemoeid?
Volgens de gemeente Bergen op Zoom worden naast de inzet van vrijwilligers ook mensen met een bijstandsuitkering gestimuleerd om deel te nemen aan de pilot. Doel hiervan is de bevordering van de re-integratie. Artikel 9, eerste lid onder b Wwb biedt hiertoe ook de mogelijkheid. De begeleiding vindt plaats door de stichting Welzijn Ouderen. De ervaring wijst uit dat de mensen die actief participeren meer kans hebben om uit te stromen naar regulier werk.
De gemeente heeft voor deze pilot gekozen omdat het een manier is om hun burgers met een beperking op een doelmatige wijze te compenseren en ook de mogelijkheid biedt ontvangers van een bijstandsuitkering vrijwilligerswerk te laten verrichten dat bijdraagt aan hun kansen op re-integratie. Het mes snijdt aan twee kanten. De gemeente Bergen op Zoom subsidieert de pilot met ca. € 200 000.
Kunt u toelichten hoe in bovengenoemde pilot het wettelijk minimumloon wordt gegarandeerd?
Zoals aangegeven is er geen sprake van een dienstverband en daarom ook niet van een wettelijk minimumloon.
Kent u de berichten over uitlatingen van de scheidend Nederlandse ambassadeur te Rwanda, dhr. Makken, dat Nederland de hulp aan Rwanda niet zou hebben opgeschort en dat het verweer van Rwanda tegen de aantijgingen uit het VN-rapport Nederland tevreden zou stellen?1
Ja.
Is het waar dat scheidend ambassadeur Makken zich op deze manier heeft uitgelaten? Heeft de ambassadeur hiermee namens de Nederlandse regering gesproken of zijn deze uitspraken op persoonlijke titel gedaan?
Ambassadeur Makken heeft in een interview met de Rwandese pers aangegeven dat het tot tevredenheid stemt dat de Rwandese regering serieus is ingegaan op de beschuldigingen uit het VN-rapport. Dit blijkt uit de uitgebreide reactie die de Rwandese regering op 27 juli aan de VN stuurde. Anders dan de journalist in het genoemde artikel suggereert, geeft de ambassadeur uitdrukkelijk geen oordeel over de inhoud van de Rwandese reactie.
Hoe beoordeelt de Nederlandse regering het tegenrapport van Kagame/Rwanda? Bent u het met ambassadeur Makken eens dat de reactie van Rwanda op de aantijgingen uit het VN-rapport van 27 juni «very serious and satisfactory» is? Is hiermee voor Nederland het zeer gedegen VN-rapport en de bevindingen van de onafhankelijke experts weerlegd en afgehandeld? Wat is de reactie van deze onafhankelijke experts op het Rwandese rapport?
De regering zal de Rwandese reactie meenemen in de verdere beoordeling van de situatie en trekt hierin op met gelijkgezinde internationale partners. Daarbij spelen het eindoordeel van de VN Group of Experts, maar vooral de actuele ontwikkelingen in Oost-Congo zelf een belangrijke rol. De groep heeft nog niet inhoudelijk gereageerd op het Rwandese rapport.
Wat betekenen de uitlatingen van de ambassadeur voor het geweld in de regio en voor de Congolese burgers, gezien de relativering die ervan uit lijkt te gaan met betrekking tot betrokkenheid van buurlanden bij het conflict? Welke gevolgen zou een overhaaste Nederlandse conclusie dat Rwanda niet bijdraagt aan het gewapend geweld in Congo hebben voor partijen en burgers in de regio?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, heeft de Nederlandse ambassadeur geen oordeel gegeven over de inhoud van het Rwandese tegenrapport.
Nederland heeft de beslissing over het verlenen van bilaterale sectorale begrotingssteun aan de Rwandese overheid aangehouden. De publicatie van de Rwandese reactie vormt geen aanleiding over te gaan tot uitbetaling van de aangehouden steun aan Rwanda.
Belangrijke aandachtspunten bij de verdere beoordeling zijn voor Nederland enerzijds een constructieve Rwandese opstelling bij het zoeken naar een oplossing voor het conflict in Oost-Congo en anderzijds de constatering dat er geen sprake (meer) is van steun vanuit Rwandees grondgebied aan rebellengroepen in de DRC. Hierin zullen de bevindingen in het eindrapport van de Group of Experts ook worden meegewogen.
Wat betekent het Rwandese tegenrapport voor de relatie van Nederland met Rwanda en het opschorten van de hulp na het verschijnen van het VN-rapport en addendum van 27 juni?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke manier heeft het opschorten van de hulp aan Rwanda, zoals recent besloten is, vorm gekregen? Heeft dit daadwerkelijk geleid tot het opschorten van betalingen, of zoals ambasseur Makken zegt: «There were no payments due, so we have not suspended aid, we are delaying any decisions on aid payments pending the reply of Rwanda to the UN report of Group of Experts»?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de reactie op het Rwandese tegenrapport van andere EU-landen en de Verenigde Staten die hulp hebben opgeschort na het verschijnen van het VN-rapport?
De EU-partners en de VS beraden zich nog op het Rwandese tegenrapport en de ontwikkelingen in het veld. Vooralsnog heeft geen van hen aangekondigd hun maatregelen in te trekken naar aanleiding van het Rwandese rapport.
Is er alleen sprake van (mogelijke) betrokkenheid van Rwanda bij het geweld in Oost-Congo of is ook Oeganda betrokken bij het conflict, onder andere door fysieke aanwezigheid van militairen in het gebied? Zo ja, wat betekent dit voor de relatie van Nederland met Oeganda? Worden er consequenties verbonden aan inmenging van Oeganda in het conflict? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De rapportage van de Group of Experts bevat geen aanwijzingen dat Oegandese troepen bij het geweld betrokken zouden zijn of in het betreffende gebied zouden zijn ontplooid. Nederland volgt samen met de internationale partners de ontwikkelingen in het gebied op de voet. Vooralsnog is er geen aanleiding om de Nederlandse relatie met Oeganda te herzien.