Het bericht “Meer dan 3.500 postbusfirma's in Nederland overtreden de wet”. |
|
Bram van Ojik (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer dan 3.500 postbusfirma’s in Nederland overtreden de wet»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het bericht dat van de ruim achttienduizend postbusfirma's in Nederland zeker 19 procent niet tijdig een jaarplan heeft ingeleverd?
Vooropgesteld moet worden dat op basis van het artikel uit de Volkskrant niet is vast te stellen of alle rechtspersonen die volgens het Volkskrantonderzoek hun jaarrekening niet tijdig zouden hebben gepubliceerd, ook daadwerkelijk die verplichting hebben. Het moeten rechtspersonen zijn die onder het Nederlandse recht vallen en dientengevolge op basis van het Burgerlijk Wetboek deponeringsplichtig zijn (en ook niet onder enige uitzondering of vrijstelling vallen).
Hoe beoordeelt u het bericht dat van de 1.506 buitenlandse coöperaties er 397 geen recente jaarcijfers hebben ingeleverd?
Voor deze vraag geldt hetzelfde als hierboven in het antwoord op vraag 2 is opgemerkt. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of het gaat om de jaarrekening van ondernemingen die zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van een andere rechtspersoon. Het is dus niet op voorhand zeker dat alle 397 ondernemingen in overtreding zijn.
Was u hiervan al op de hoogte voorafgaand aan de verschijning van het bericht? Zo ja, welke actie heeft u hierop ondernomen?
Bekend is dat een deel van deponeringsplichtige rechtspersonen de jaarstukken niet of niet tijdig openbaar maakt. Het betreft de verplichting om uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar te maken via het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
Zo nee, waarom was u hiervan niet op de hoogte? Hoe gaat u ervoor zorgen dat u hierover in de toekomst wel tijdig geïnformeerd wordt?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie gaat u ondernemen om te voorkomen dat firma’s ook in de toekomst nalaten hun jaarrekening tijdig in te leveren?
De naleving van de inlevering van jaarrekeningen is thans reeds met verschillende waarborgen omgeven. De Kamer van Koophandel monitort de naleving van de plicht tot deponering van de jaarrekening. Indien de rechtspersoon niet op tijd deponeert, wordt zij door de Kamer van Koophandel gerappelleerd. Aan het einde van het jaar waarin de Kamer van Koophandel heeft gerappelleerd ligt het percentage van deponeringen rond de 90%. Ongeveer 5% van de rechtspersonen (ca. 35.000) heeft een achterstand in het deponeren van drie jaren of meer. Nederland loopt daarmee Europees gezien in de pas.
De Kamer van Koophandel heeft geen handhavende bevoegdheid. De regels voor het opstellen en publiceren van de jaarrekening zijn voorgeschreven uit het oogpunt van transparantie en bescherming van belanghebbenden, zoals aandeelhouders, investeerders, banken en leveranciers. In het algemeen is het aan deze belanghebbenden, en in het bijzonder de aandeelhouders en leden van de desbetreffende rechtspersonen, om te oordelen over het niet c.q. te laat publiceren en de rechtspersoon hierop aan te spreken. Daartoe kan iedere belanghebbende nakoming van de publicatieplicht vorderen (art. 2:394 lid 7 BW).
Daarnaast is het niet tijdig deponeren van de jaarrekening een economisch delict, dat kan worden bestraft met een geldboete van ten hoogste € 19.500 (art. 1 onder 4° WED jo. art. 2:394 lid 3 BW). Wanneer er sprake is van faillissement en het bestuur heeft niet voldaan aan zijn verplichting om de jaarrekening openbaar te maken (art. 2:394 BW), heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit rechtsvermoeden van onbehoorlijk bestuur heeft tot gevolg dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schulden van de rechtspersoon die niet uit de boedel kunnen worden voldaan (artikelen 2:50a, 138, 149, 248, 259 en 300a BW). Verder kan de jaarrekening een rol spelen bij het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen. Op basis van de Wet controle op rechtspersonen kan het niet deponeren van de jaarrekening worden betrokken bij het doorlopende toezicht op rechtspersonen.
Voor beursvennootschappen geldt sinds 1 januari 2009 een publiekrechtelijk handhavingsregime waar het de openbaarmaking en deponering van jaarstukken betreft. Op grond van de Wet op het financieel toezicht dienen de jaarstukken van beursvennootschappen binnen vier maanden na afloop van het boekjaar openbaar te worden gemaakt en bij de AFM te worden gedeponeerd. De AFM houdt toezicht op de naleving van deze verplichting.
Als sluitstuk geldt de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving. De buitengewoon opsporingsambtenaren van het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst zijn aangewezen voor de opsporing van het economische delict van het niet deponeren van de jaarrekening. Het Bureau Economische Handhaving maakt jaarlijks tegen circa 1.500 verzuimende rechtspersonen proces-verbaal op. De vervolgingscapaciteit van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie is daarop afgestemd.
Hoe komt het dat bestuurders van bedrijven die de wet overtreden in de praktijk zelden worden vervolgd? Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat bestuurders van bedrijven die de wet overtreden in de toekomst wel worden vervolgd?
De verplichting tot het deponeren van de jaarrekening rust op de rechtspersoon. Daarom treedt het OM in de eerste plaats op tegen rechtspersonen die niet op de voorgeschreven wijze hun jaarrekeningen deponeren. In het geval er sprake is van een structurele of principiële weigering van het indienen van de jaarstukken door een rechtspersoon, dan kan besloten worden ook de bestuurder van de rechtspersoon te vervolgen (art. 51 Wetboek van Strafrecht).
Bent u bereid de sancties op het niet tijdig indienen van de jaarrekening aan te scherpen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
De instrumenten die beschikbaar zijn voor het tijdig indienen van de jaarrekening (zie antwoord op vraag2 acht ik voldoende om tegen niet indieners op te treden. Ik zie dan ook geen aanleiding de sancties aan te scherpen.
De OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) heeft Nederland aangespoord de monitoring en de aanpak van witwassen en belastingontduiking uit te breiden; op welke wijze geeft u invulling aan deze aanbeveling?
Deze aanbeveling is – voor zover ons bekend – niet door de OESO gedaan. Wel heeft de OESO begin dit jaar een landenrapport over Nederland uitgebracht waarbij is gekeken naar de Nederlandse bestrijding van steekpenningen aan buitenlandse ambtenaren. Het gaat dus om corruptiebestrijding. De kritiek daarbij is met name dat Nederland in de strafrechtelijke sfeer deze specifieke vorm van corruptie niet hard genoeg aanpakt. De OESO-werkgroep over omkoping wil opsporing en vervolging van deze vorm van corruptie in een aantal gevallen in het bijzonder monitoren, met name ook waar zogenoemde brievenbusmaatschappijen bij zijn betrokken. In de aanbiedingsbrief van de Ministers voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Veiligheid en Justitie bij dit rapport aan uw Kamer3en in antwoord op vragen van de leden Gesthuizen en Merkies is uitgebreid beschreven in welke context de aanbevelingen in dit rapport moeten worden gezien en op welke wijze het kabinet met de uitkomsten zal omgaan.4 Opgemerkt is dat de Nederlandse wetgeving betreffende strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen en rechtsmacht voor in het buitenland gepleegde feiten in principe geen belemmeringen vormt om Nederlandse rechtspersonen te vervolgen voor strafbare gedragingen in het buitenland, ook als het gaat om zogeheten brievenbusmaatschappijen. Voor nadere details verwijs ik naar de aanbiedingsbrief en antwoorden op de Kamervragen van genoemde leden.
De motie Klaver2 heeft de regering verzocht de verplichting tot transparantie over eigendomsrelaties voor bedrijven uit te breiden en de Kamer uiterlijk in mei 2013 over haar inspanningen te rapporteren; bent u bereid bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen uitvoering te geven aan deze motie?
Het belang van transparantie in het handelsverkeer wordt op dit moment geborgd door de openbare informatie over vennootschappen en onderneming die in het Handelsregister raadpleegbaar zijn. Ook geldt dat op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme aangewezen instellingen, zoals banken of notarissen, een cliëntenonderzoek verrichten met het doel om de cliënt te identificeren en diens identiteit vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt te identificeren. Indien de cliënt een rechtspersoon is, verwerven de instellingen inzicht in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt.
In antwoord op een initiatiefvoorstel van de leden Groot en Recourt van uw Kamer is door het kabinet besloten tot de instelling van een centraal aandeelhoudersregister. Het centraal aandeelhoudersregister zal informatie bevatten over de aandeelhouders van BV’s en niet-beursgenoteerde NV’s. Het register zal toegankelijk zijn voor aangewezen (publieke) diensten in het kader van controle, toezicht en opsporingstaken en biedt aldus toegevoegde waarde bij de bestrijding van financieel- economische fraude, bijvoorbeeld fiscale of faillissementsfraude of andere vormen van misbruik van rechtspersonen.
Mogelijke prijsmanipulatie op de internationale valutamarkten. |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Traders said to rig currency rates to profit off clients»?1
Ja.
Hoe reageert u op de in het artikel opgeworpen stelling dat internationale valutamarkten het «wilde westen» van de financiële markten zijn geworden? Waarom zijn standaard internationale valutatransacties op financiële markten destijds bijvoorbeeld buiten de Europese MiFID richtlijn met regels voor best execution voor klanten gelaten?
Met de typering van de spot foreign-exchange market als het «wilde westen» verwijst het artikel naar de omstandigheid dat, afgezien van vrijwillige gedragcodes, de handel op internationale valutamarkten niet nader wordt gereguleerd. Het ontbreken van die nadere regulering houdt verband met het feit dat op de internationale valutamarkten (i) van oudsher (vrijwel) uitsluitend professionele partijen actief zijn, dat (ii) deze markten omvangrijk en zeer liquide zijn (waardoor het voor marktpartijen zeer lastig is om de wisselkoers direct te beïnvloeden) en (iii) de prijsvorming op de internationale valutamarkten in de regel op transparante wijze plaatsvindt. Het artikel richt zich echter niet zozeer op de manipulatie van de internationale valutamarkten zelf, maar op het manipuleren van de benchmarks die gebruikt worden in deze markten. De LIBOR-affaire heeft laten zien dat toonaangevende financiële benchmarks onderwerp kunnen zijn van manipulatie. Hoewel de in het artikel genoemde benchmark WM/Reuters, anders dan LIBOR, gebaseerd wordt op daadwerkelijke transacties of quotes, lijkt het artikel erop te duiden dat ook een dergelijke benchmark gemanipuleerd kan worden. Gezien het wijdverbreide gebruik van benchmarks in financiële instrumenten en contracten is het belangrijk dat benchmarks op een integere en transparante wijze tot stand komen. In dit licht steunt Nederland de verschillende initiatieven die in Europa en in internationaal verband worden genomen om de integriteit van benchmarks te verbeteren en manipulatie tegen te gaan. Bij de beantwoording van de vragen 5 tot en met 8 wordt op deze initiatieven nader ingegaan.
Met betrekking tot de vraag waarom standaard internationale valutatransacties buiten het bereik van de Europese MiFID richtlijn zijn gelaten, kan het volgende worden opgemerkt.2 Valutamarkten zijn spotmarkten net als bijvoorbeeld de markten voor goud, graan en olie. Het doel van MiFID is om de handel in financiële instrumenten te reguleren. Producten die op de spotmarkten worden verhandeld vallen zelf niet onder het bereik van MiFID omdat dergelijke producten geen financiële instrumenten zijn. Indien (spot) valutatransacties wel binnen de reikwijdte van de MiFID zouden vallen, dan nog zouden de best execution bepalingen in beperkte mate toepassing vinden omdat deze bepalingen in beperkte mate van toepassing zijn op transacties tussen professionele marktpartijen. Juist bij (spot)valutatransacties zijn met name professionele marktpartijen betrokken. MiFID reguleert echter wel de handel in derivaten van die producten. Zo kwalificeert bijvoorbeeld een valutaderivaat als financieel instrument in de zin van MiFID. In het tekstvoorstel voor zowel MiFID II als de nieuwe Verordening betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (Verordening marktmisbruik) wordt meer aandacht gegeven aan de wisselwerking tussen spotmarkten en derivatenmarkten. Bij het toezicht op derivatenmarkten dienen ook de karakteristieken, handelspatronen en ontwikkelingen op spotmarkten in ogenschouw genomen te worden.
Kunt u een inschatting maken welk deel van de handel in internationale valuta niet op openbare handelsplatformen maar in zogenaamde «dark pools» plaatsvindt? In hoeverre zullen de MiFID II richtlijn en de MIFIR verordening hier verandering in brengen?
Uit gegevens van de Bank for International Settlement (BIS) blijkt dat de (spot)handel in internationale valuta vrijwel uitsluitend plaatsvindt buiten «openbare handelsplatformen», zoals gereglementeerde markten (beurzen) en multilaterale handelsfaciliteiten. Dergelijke spothandel geschiedt voor een belangrijk deel op elektronische handelssystemen, zoals broking systems, die niet worden gereguleerd door MiFID.3 Omdat voor marktpartijen de prijsvorming op dergelijke handelssystemen gewoonlijk op transparante wijze plaatsvindt – marktpartijen die zijn aangesloten op het systeem beschikken dan over alle relevante handelsinformatie – kunnen deze systemen niet als «dark pool» aangemerkt worden.4 MiFID II en MiFIR zullen hierin geen verandering brengen, omdat zij – net als de huidige MiFID-richtlijn – wel de handel in valutaderivaten reguleren, maar niet de handel in valuta zelf.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van het «handelen voor eigen rekening» binnen een Organized Trading Facility (OTF) in MiFID II, waarmee het principe «centrale clearing» gedeeltelijk wordt verlaten en binnen een OTF een nieuwe dark pool kan ontstaan waardoor de vrije prijsvorming mogelijk negatief kan worden beïnvloed?
Met deze vraag lijkt te worden gedoeld op het bepaalde in artikel 20(1)(1a)(1aa) MiFID II van de Raadstekst.5 Op grond van artikel 20(1) MiFID II is het de exploitant van een OTF in beginsel verboden om als deelnemer van de OTF voor eigen rekening – dat wil zeggen tegen eigen kapitaal – te handelen. De reden voor dit verbod is dat een OTF een handelsplatform is waarvan de exploitant neutraal dient te zijn, in die zin dat hij niet tegelijkertijd deelnemer op en exploitant van dezelfde OTF mag zijn.
Een uitzondering op dit verbod van «proprietary trading» geldt ten aanzien van de handel in illiquide staatsleningen (artikel 20(1aa) MiFID II). Daarnaast is het de OTF-exploitant toegestaan in bepaalde situaties voor eigen rekening te handelen door middel van matched principal trading (MPT) (artikel 20(1a) MiFID II). MPT ziet op situaties waarin een OTF-exploitant of een beleggingsonderneming een transactie faciliteert tussen twee (andere) marktpartijen die ten opzichte van elkaar anoniem willen blijven. Bij een dergelijke back-to-back transactie levert de verkoper aan degene die de transactie faciliteert, die vervolgens aan de koper levert. De verschillende transacties worden gelijktijdig dan wel zo snel als technisch mogelijk is, uitgevoerd. MPT is – volgens de Raadstekst – slechts mogelijk als het gaat om bepaalde financiële instrumenten: obligaties, structured finance products, emissierechten en bepaalde derivaten. Hoewel Nederland voorstander is van een ruimer gebruik van «proprietary capital» door de OTF-exploitant, heeft Nederland in het kader van een compromis ingestemd met deze Raadstekst ten aanzien van de handel voor eigen rekening.
Omdat ten aanzien van de handel in financiële instrumenten op de OTF respectievelijk op een MTF of gereglementeerde markt dezelfde pre- en post-trade transparantie van toepassing zijn, is er op de OTF – ook indien proprietary trading plaatsvindt – geen sprake van een «dark pool».
Wat is het standpunt van het kabinet over de door ESMA en EBA geformuleerde principes over het gebruik van en toezicht op benchmarks op Europese financiële markten zoals de Liborrente of de WM/Reuters wisselkoers indices?2
De LIBOR-affaire heeft laten zien dat financiële benchmarks onderwerp kunnen zijn van manipulatie. Gezien het wijdverbreide gebruik van benchmarks in financiële instrumenten en contracten, vindt het kabinet het belangrijk dat benchmarks op een integere en transparante wijze tot stand komen. In dit licht steunt Nederland de verschillende initiatieven die in Europa en in internationaal verband worden genomen, zoals de Principles for Benchmark-Setting Processes in the EU van EBA/ESMA en de Principles for Financial Benchmarks van IOSCO.7 Deze initiatieven beogen de integriteit van financiële benchmarks te vergroten en bieden de verschillende actoren in het proces rondom de totstandkoming van benchmarks – zoals de samensteller van de benchmark, bijdragende partijen en degene die de benchmark publiceert – een gemeenschappelijk kader voor de wijze van totstandkoming. Bovengenoemde principes richten zich met name op het verbeteren van de governance (voorkomen van belangenverstrengeling), meer transparantie over de totstandkoming en het doel van de benchmark en het verbeteren van de methode om benchmarks te berekenen (meer gebruik van transactiegegevens).
In navolging van bovengenoemde initiatieven is de Europese Commissie voornemens het samenstellen en gebruik van financiële benchmarks wettelijk te reguleren middels een verordening. Zoals gezegd is Nederland voorstander van regulering van de totstandkoming van benchmarks, zodat marktpartijen meer rekenschap afleggen over de totstandkoming van benchmarks en de betrouwbaarheid van benchmarks wordt vergroot. Gezien de grote diversiteit aan benchmarks, acht Nederland het echter van belang dat eventuele regulering proportioneel is ten opzichte van het belang en de aard van de benchmark. Voor veelgebruikte benchmarks en met name benchmarks die discretionair tot stand komen op basis van inzendingen door marktpartijen zoals LIBOR en EURIBOR, lijkt strenge regulering voor de hand te liggen, terwijl dit voor andere benchmarks minder opportuun kan zijn.
Steunt de Nederlandse regering een versteviging van het toezicht op het opereren van financiële benchmarks waarbij ook aandacht is voor de risico’s die marktconcentratie kunnen hebben op manipulatie van benchmarks? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre valt de manipulatie van benchmarks – door het op gezette tijden plotsklaps vergroten of verkleinen van de omvang van de order («bang the close») – nog binnen de wettelijke grenzen van speculatie op financiële markten?3
Hoewel het genoemde marktgedrag («bang the close») een voorbeeld is van mogelijke marktmanipulatie, valt dit gedrag alleen onder de reikwijdte van de regels ter voorkoming van marktmisbruik indien het gaat om financiële instrumenten.9 Benchmarks kwalificeren niet als financiële instrumenten en zijn op dit moment ook niet op andere wijze onder de reikwijdte van de regels ter voorkoming van marktmisbruik gebracht. Met de nieuwe Verordening marktmisbruik, waarover onlangs politieke overeenstemming is bereikt tussen de Europese Raad en het Europees Parlement, zal manipulatie van benchmarks wel onder de reikwijdte van de regels ter voorkoming van marktmisbruik worden gebracht. Deze uitbreiding van de mogelijkheden om manipulatie van benchmarks aan te pakken is een welkome aanvulling op het bestaande instrumentarium van de Nederlandse toezichthouders en stelt de AFM in de toekomst in staat om manipulatie van benchmarks meer effectief aan te pakken en geeft de mogelijkheid om dergelijke manipulatie ook strafrechtelijk te vervolgen.
Op dit moment kunnen de toezichthouders tegen eventuele manipulatie van benchmarks door in Nederland onder toezicht staande instellingen bestuursrechtelijk optreden. De grondslag voor die bevoegdheden is neergelegd in de Wet op het financieel toezicht (Wft), waarin is bepaald dat onder toezicht staande instellingen moeten voldoen aan de eisen met betrekking tot integere en beheerste bedrijfsvoering. Dit laat echter onverlet dat het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie aanvullend eventuele strafbare feiten kan sanctioneren.
Welke handhavingsmechanismen bestaan er in Nederland vanuit het gedragstoezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) of vanuit het strafrecht op manipulatie van financiële benchmarks?
Zie antwoord vraag 7.
Het misbruiken van Braziliaanse ‘Moeders voor Moeders’ door MSD voor vruchtbaarheidsversnellers voor de bio-industrie |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «De spuit erin, want welke dag kost varkenshouder geld», waarin de Volkskrant uiteen zet hoe MSD Braziliaanse zwangere vrouwen heeft gebruikt voor de productie van het middel PG600 om varkens in de bioindustrie sneller vruchtbaar te krijgen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Braziliaanse zwangere vrouwen die meewerken aan het «Moeders voor Moeders»-programma nooit zijn geïnformeerd over het feit dat hun urine ook gebruikt zou worden voor de verkoop van middelen aan de varkensindustrie?
MSD heeft zelf aangegeven dat de vrouwen die meededen aan het Braziliaanse programma Moeders voor Moeders destijds niet op de hoogte zijn gebracht van het juiste gebruik van de ingezamelde HCG hormonen. In Brazilië is volgens MSD het inzamelen van urine voor veterinaire doeleinden enkele jaren geleden gestopt «mede vanwege het feit dat er onduidelijkheid was over het gebruik van de ingezamelde urine». Er werd verteld dat hun urine gebruikt werd voor de productie van geneesmiddelen, zonder onderscheid te maken tussen een humaan of veterinair geneesmiddel.
Ik ben van mening dat deelnemers altijd correct en volledig geïnformeerd moeten worden, ook in het programma Moeders voor Moeders. Het afstaan van urine voor geneesmiddelen, humaan en / of veterinair, kan alleen op vrijwillige basis gebeuren en in volledige transparantie. Omdat het programma inmiddels zelf door MSD is stopgezet hoef ik er geen consequenties aan te verbinden, maar in de toekomst, zal ik, zover mijn bevoegdheid strekt, geen vergunning meer verlenen in dergelijke gevallen.
Wat vindt u ervan dat MSD de urine van Braziliaanse «Moeders voor Moeders» (heeft) gebruikt voor een vruchtbaarheidsversneller voor de bioindustrie, zonder dat deze vrouwen daarvan op de hoogte zijn gebracht? Deelt u de mening dat hier sprake is van schaamteloze misleiding? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom vindt u dit een toelaatbare handelwijze?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat varkens in de bioindustrie die vijf dagen nadat hun biggen bij hen zijn weggehaald niet spontaan «berig» worden, een spuit met het middel PG600 krijgen om hen opnieuw vruchtbaar te maken? Kunt u uiteenzetten op hoeveel varkensbedrijven dit in Nederland gebeurt, bij hoeveel varkens jaarlijks zulke hormooninjecties worden gebruikt voor een snelle productie van nageslacht en welke hoeveelheden van PG600 in totaal worden gebruikt? Zo neen, waarom weet u dit niet?
Zeugen die vijf dagen na het spenen nog niet berig zijn, worden zeer zelden met PG 600 behandeld. Een zeugenhouder is gebaat bij zo groot mogelijke tomen (=worp) en optimale vruchtbaarheid, dus bij een optimale berigheid. Het opwekken met PG 600 geeft een slechtere berigheid, dus een lagere vruchtbaarheid en kleinere tomen. Daarom is PG 600 voor een zeugenhouder geen eerste optie. Werken aan een optimale berigheid via verzorging en verbeterde bedrijfsmanagement is een betere route.
Dat blijkt ook uit het feit dat MSD de omzet jaarlijks ziet dalen van PG 600. Exacte gegevens over het aantal bedrijven die dit middel gebruiken en bij hoeveel varkens zijn niet bekend.
Kunt u bevestigen dat er voor de productie van PG600, naast de urine van zwangere vrouwen, het bloed van drachtige paarden wordt gebruikt? Is het waar dat voor dit doel in Nederland 2.000 pony’s worden gehouden bij wie twee keer per week bloed wordt afgetapt, met een hoeveelheid van ongeveer 1 procent van het lichaamsgewicht van de drachtige pony? Zo neen, hoe zit het dan?
Uit de registratie dierproeven van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) blijkt dat voor het doel «Onderzoek t.b.v. de toepassing in het dier met betrekking tot de productie, controle of ijking van immuunsera, vaccins, of andere biologische producten» dierproeven op paarden worden verricht.
Bloedafname voor het produceren van biologische producten is een dierproef volgens de Wet op de dierproeven (Wod) en worden sinds 2000 als zodanig geregistreerd. Vóór 2000 werd het afnemen van bloed bij paarden gezien als een niet experimentele handeling in het kader van de landbouwkundige praktijk en werd dit om die reden niet als dierproef geregistreerd.
In «Zo doende», het jaaroverzicht van de nVWA over dierproeven en proefdieren, is aangegeven dat voor onderzoek ten bate van de toepassing in het dier met betrekking tot de productie, controle of ijking van immuunsera, vaccins, of andere biologische producten in 2010, 2.148 en in 2011, 2.030 dierproeven op paarden zijn verricht. De gegevens waar u naar vraagt worden niet verzameld bij de registratie dierproeven. Over gegevens die tijdens inspecties worden verkregen wordt niet gerapporteerd.
Kunt u bevestigen dat het houden van pony’s voor het aftappen van bloed voor de productie van PG600 een dierproef is volgens de Wet op de dierproeven? Is het waar dat deze dierproef al meer dan 35 jaar wordt uitgevoerd, waarbij door de jaren heen steeds nieuwe pony’s worden gebruikt en drachtig worden gemaakt voor het aftappen van bloed dat dient als grondstof voor een vruchtbaarheidsversneller voor varkens? Zo neen, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uiteenzetten: – hoeveel «producenten» van paardenbloed van drachtige pony’s er zijn in Nederland? – hoeveel pony’s zij jaarlijks gebruiken voor deze dierproef en hoeveel pony’s in totaal al zijn gebruikt voor de productie van bloed? – vanaf welke leeftijd de pony’s drachtig worden gemaakt? – hoe vaak een pony gedurende haar leven wordt gebruikt voor deze dierproef, dat wil zeggen, hoe vaak zij drachtig wordt gemaakt en hoeveel tijd er wordt gehanteerd tussen bevalling en nieuwe inseminatie? – tot welke leeftijd de pony’s worden gebruikt voor deze bloedproductie en wat er met de pony’s gebeurt als zij niet meer worden gebruikt voor deze dierproef? Zo neen, kunt u uitleggen waarom u geen antwoord heeft op deze vragen als in het kader van de Wet op de dierproeven deze gegevens hadden moeten worden aangeleverd bij (of gecontroleerd moeten kunnen worden door) de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gebeurt er met de veulens die als gevolg van deze dierproef worden geboren?
De merries zijn geen proefdier meer aan het eind van de dracht. De veulens worden niet in het kader van een dierproef of als proefdier geboren en worden dus ook niet geregistreerd als proefdier. Derhalve zijn er geen gegevens bekend.
Hoeveel controles van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit vinden er jaarlijks plaats bij producenten van paardenbloed?
De NVWA inspecteert minimaal 1 keer per jaar iedere vergunninghouder.
Is het waar dat de dierexperimentencommissie van Organon in 2011 bezwaren had tegen de productie van paardenbloed van zwangere pony’s en geen positief advies meer wilde geven over het toestaan van deze dierproef? Is het waar dat er in 2012 alsnog groen licht werd gegeven voor voortzetting van deze dierproeven door de dierexperimentencommissie van Intervet, dat onderdeel is van MSD? Hoe beoordeelt u deze verschillende uitkomsten van de aanvraag voor dezelfde dierproef?
Uit het jaarverslag van de dierexperimentencommissie (DEC) blijkt niet dat ze geen positief advies meer wilden geven maar de discussie over de alternatieven bij de andere DEC wilde laten voeren. Ik ga ervan uit dat de discussie over de alternatieven bij de andere DEC grondig is gevoerd.
Onderschrijft u de analyses van de in het Volkskrant-artikel geciteerde deskundigen, dat zeugen na hun eerste worp in menselijke termen tienermoeders zijn met relatief weinig reserves, waarop hun lichaam reageert door niet meteen weer berig te worden, en dat de dieren waarbij PG600 wordt gebruikt niet ziek zijn, maar alleen niet berig op het moment dat de varkenshouder het graag zou zien? Zo ja, deelt u de mening dat PG600 niet als een veterinair geneesmiddel mag worden gezien? Zo neen, waarom niet?
Een zeugenhouder is gebaat bij een goed volgroeide jonge zeug voor de eerste keer biggen. Als zeugjes te jong zijn, zal de biggenproductie bij de volgende worpen aanzienlijk minder zijn. En zal de zeug ook minder worpen in totaal produceren. Als ze door fouten toch te vroeg geïnsemineerd worden, wordt een varkenshouder geadviseerd om na het spenen van die worp een berigheidscyclus over te slaan in plaats van het gebruik van PG 600.
PG 600 heeft een toelating als diergeneesmiddel op de Nederlandse markt en mag als zodanig voor de in de toelating genoemde indicaties bij het varken worden voorgeschreven worden door de dierenarts.
Kunt u bevestigen dat de productie van paardenbloed van zwangere pony’s in de jaarregistraties van de NVWA «Zodoende» wordt ingedeeld onder de proeven die gericht zouden zijn op de gezondheid van dieren? Deelt u de mening dat dat een valse voorstelling van zaken is, omdat het niet gaat om een middel dat bedoeld is om zieke dieren te genezen, maar om de productie in de bioindustrie zo hoog mogelijk te houden?
Deze dierproeven worden in het jaaroverzicht over dierproeven en proefdieren van de NVWA (Zo doende) gerubriceerd onder het doel «Onderzoek ten behoeve van de toepassing in het dier met betrekking tot de productie, controle of ijking van immuunsera, vaccins, of andere biologische producten».
Kunt u duidelijk maken welke andere dierproeven die (in «Zodoende») worden geschaard onder de bevordering van de gezondheid van dieren feitelijk proeven zijn ten behoeve van vlees-, zuivel- en eierproductie? Zo neen, waarom niet?
De doelen in de Wod zijn overgenomen als doel in de registratie dierproeven. Het is aan een dierexperimentencommissie om te toetsen of het ongerief dat de dieren wordt berokkend opweegt tegen het belang van de proef.
Kunt u bevestigen dat dierproeven ten behoeve van vlees-, zuivel- en eierproductie niet zijn toegestaan krachtens de Wet op de dierproeven? Zo ja, hoe heeft het kunnen gebeuren dat de productie van paardenbloed na inwerkingtreding van deze wet gewoon is doorgegaan en tot op de dag van vandaag nog altijd plaatsvindt? Zo neen, kunt u dit toelichten? Deelt u de mening de wet geen ruimte zou moeten bieden voor proeven die gericht zijn op economische productie?
Artikel 1 van de Wet op de dierproeven bepaalt dat een dierproef met als doel de beantwoording van een wetenschappelijke vraag binnen de reikwijdte van de wet valt. De beantwoording van een wetenschappelijke vraag waardoor de productie van vlees, zuivel en eieren wordt verbeterd valt dan ook onder de Wet op de dierproeven. De wet noemt in artikel 10 twee omstandigheden waaronder een dierproef vanwege het daarmee nagestreefde doel verboden is. Het artikel verbiedt ten eerste het uitvoeren van dierproeven voor een doel dat ook kan worden bereikt op een andere manier dan door middel van een dierproef, of door middel van een dierproef waarbij minder dieren kunnen worden gebruikt of minder ongerief wordt berokkend; en ten tweede het uitvoeren van een dierproef waarvan het belang niet opweegt tegen het ongerief dat aan het proefdier wordt berokkend. De afweging of van deze omstandigheden sprake is bij dierproeven voor de verbetering van productieomstandigheden voor dieren die voor landbouwdoeleinden worden gefokt moet per geval worden gemaakt. De wet sluit dit type dierproeven in ieder geval niet categorisch uit.
Ten aanzien van de dierproeven met paardenbloed ten behoeve van het produceren van de vruchtbaarheidsversnellers laat ik onderzoeken of de vergunning voor deze proeven nog binnen deze kaders valt.
Bent u bereid de registratie van PG600 als veterinair geneesmiddel in te (laten) trekken?
Het diergeneesmiddel PG600 is toegelaten op de Nederlandse markt conform de Europese eisen gesteld in Richtlijn 2001/82 en Verordening (EU) Nr. 37/2010. Hiermee voldoet het middel aan de eisen voor werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit en vormt het gebruik van dit middel geen risico voor de voedselveiligheid. Er zijn geen gronden om op basis hiervan de marktoelating van dit middel als diergeneesmiddel door te halen.
Bent u bereid deze dierproeven onmiddellijk stop te zetten en het gebruik van paardenbloed als middel om varkens versneld vruchtbaar te maken te verbieden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Geweld in Soedan, in Zuid Soedan en de precaire situatie tussen beide landen |
|
Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sudan: Fresh Clashesin South Kordofan Between Sudanese Army and Rebels» van 25 mei jl.? Bent u ervan op de hoogte dat het conflict in Darfur nu 10 jaar gaande is zonder enig reëel perspectief op een oplossing; dat 3,4 miljoen mensen nog steeds afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de veiligheidssituatie verder aan het verslechteren is? Bent u er tevens van op de hoogte dat VN Secretaris Generaal Ban Ki-moon zijn zorgen heeft geuit over de grote toename van het aantal vluchtelingen in Darfur? Bent u ervan op de hoogte dat getuige Ali Kosheib, die gedaagd is door het Internationaal Strafhof (ICC) op verdenking van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, op de plaats van recente moorden, branden en plunderingen in Darfur gesignaleerd is? Bent u tot slot bekend met de recente uitspraak van President Bashir dat er geen onderhandelingen meer zullen plaatsvinden met de grootste rebellengroepen (JEM, SPLM-North en SRF)? Wat is uw analyse van de politieke situatie in Soedan?
Ja, we zijn op de hoogte van de genoemde ontwikkelingen. Door de gewapende conflicten en de economische malaise is de politieke situatie vrij gespannen. Voor een meer uitgebreide toelichting verwijzen wij u naar de recente Kamerbrief «Situatie in Darfur en de Nederlandse inzet in Sudan», van 7 juni jl.
Bent u bekend met het de oproep van Human Rights Watch, the Agency for Independent Media (AIM), Amnesty International en Committee to Protect Journalists (CPJ) aan Zuid-Soedan om de intimidatie van journalisten te stoppen? Bent u tevens bekend met de aanhoudende stroom aan berichten over schendingen van de mensenrechten door de Sudan People's Liberation Army (SPLA), bijvoorbeeld: «South Sudan: Army and police forcesshooting and raping civilians in Jonglei» en samengevat in «United Kingdom: Foreign andCommonwealth Office, Human Rights and Democracy: The 2012 Foreign & Commonwealth Office Report – South Sudan», 15 April 2013. Wat is uw analyse van de situatie in Zuid-Soedan?
Het beeld dat in de door u genoemde documenten wordt geschetst is zorgwekkend. Ook in UNMISS-rapporten wordt melding gemaakt van arbitraire arrestaties en detentie van individuen die kritisch zijn over de overheid alsmede van ernstige mensenrechtenschendingen door het leger, met name in conflictgebieden zoals Jonglei. Minister Ploumen heeft tijdens haar bezoek aan Zuid-Sudan in februari dit jaar bij de Zuid-Sudanese autoriteiten aangedrongen op het aanpakken van mensenrechtenschendingen door de veiligheidsdiensten. Naast het uitoefenen van brede internationale diplomatieke druk is het noodzakelijk om mensenrechtenorganisaties en andere instituties die overheid en veiligheidsdiensten ter verantwoording kunnen roepen te versterken. Tevens is een algehele versterking van de justitiesector nodig.
Bent u op de hoogte van de moord op Kuol Deng Kuol, de Paramount Chief van Abyei, door Misserya nomaden terwijl hij onder bescherming stond van de United Nations interim- Security Force for Abyei (UNISFA)? Bent u er tevens van op de hoogte dat de status van Abyei nog steeds niet overeengekomen is en dat dit bijdraagt aan de toename in de spanningen tussen beide landen? Bent u er ook van op de hoogte dat de spanningen tussen beide landen verder opgelopen zijn, nadat Soedan op 11 juni Zuid-Soedan heeft opgedragen de olie export op te schorten en opgeroepen heeft tot een «heilige oorlog»? Bent u er ook van op de hoogte dat President Kiir van Zuid-Soedan het opschorten van het olieverdrag getypeerd heeft al een oorlogsverklaring? Deelt u de mening dat dit een schending is van het olieverdrag? Bent u tevens van mening dat het opschorten van het olieverdrag grote negatieve consequenties heeft voor het uitvoeren van alle negen vredesverdragen en de relatie tussen beide landen in een buitengewoon precaire en mogelijk explosieve situatie brengt?
Het feit dat er nog geen overeenstemming is tussen Sudan en Zuid-Sudan over de definitieve status van Abyei is inderdaad een bron van spanning tussen beide landen. Er is blijvende internationale druk nodig op beide partijen om tot een duurzame vreedzame oplossing te komen.
De aankondiging van Sudan om het olietransport van Zuid-Sudanese olie te staken en de uitvoering van de Samenwerkingsakkoorden op te schorten is een zorgwekkende ontwikkeling. Zuid-Sudan heeft ontstemd maar gematigd gereageerd op de aankondiging van Sudan om het olietransport te staken. Het AU High Level Implementation Panel (AUHIP) heeft direct actie ondernomen richting president Bashir en president Kiir. Zowel Sudan als Zuid-Sudan hebben inmiddels voorzichtig positief gereageerd op nieuwe voorstellen van het AUHIP om het vredesproces op de rails te houden. Eén van de voorstellen is dat de AU Commissie en IGAD de komende weken de wederzijdse beschuldigingen van Sudan en Zuid-Sudan over steun aan rebellengroepen op elkaars territorium verder zullen onderzoeken. Ook riep AUHIP de partijen wederom op om zich te onthouden van vijandige retoriek. Momenteel is nog onduidelijk of Sudan de verklaring over het stopzetten van het olietransport zal herroepen. In het olieakkoord is afgesproken om een termijn van 60 dagen in acht te nemen voor een gecontroleerde stopzetting van de olieproductie. Een daadwerkelijke stopzetting van de olieproductie zou zeer negatieve consequenties hebben voor beide landen en dient derhalve voorkomen te worden.
Ben u bekend met het bericht van Amnesty International «Sudan: New evidence of scorched earth tactics against civilians in Blue Nile»? Beschikt u over gegevens over de humanitaire consequenties van het conflict in de Nuba Mountains inclusief aantallen burgerslachtoffers? Is het u bekend of er sprake is van oorlogsmisdaden en/of misdaden tegen de menselijkheid? Zo ja, kunt u die gegevens met de Kamer delen? Zo nee, welke stappen kan Nederland in EU- of VN-verband nemen om deze gegevens te verkrijgen?
Sinds de uitbraak van het conflict in de Nuba Mountains (Sudanese deelstaten South Kordofan en Blue Nile) is er beperkt toegang tot het gebied. De VN-gegevens over de humanitaire situatie gaan uit van de assessments van de situatie in de gebieden die onder de controle van het regeringsleger staan. Gegevens over de situatie in de gebieden onder de controle van de rebellengroepering SPLM-Noord zijn deels beschikbaar via de vertrouwelijke rapporten van lokale ngo’s en rapportages van de humanitaire afdeling van de SPLM-Noord. In deze rapporten wordt onder meer verwezen naar bombardementen op civiele doelen die mogelijk oorlogsmisdaden en/of misdaden tegen de menselijkheid inhouden. Het meest recente rapport van de lokale ngo’s zal u separaat worden toegestuurd. Om de gegevens in genoemde rapporten te kunnen verifiëren is humanitaire toegang tot deze gebieden nodig, alsmede een onafhankelijk onderzoek naar de mensenrechtensituatie in South Kordofan en Blue Nile. Nederland is hier een groot voorstander van en bepleit dit in de relevante fora, waaronder de VN Mensenrechtenraad.
Beschikt u over gegevens over de humanitaire consequenties van het conflict in Jonglei State inclusief aantallen burgerslachtoffers? Is het u bekend of er sprake is van oorlogsmisdaden en/of misdaden tegen de menselijkheid? Zo ja, kunt u die gegevens met de Kamer delen? Zo nee, welke stappen kan Nederland in EU- of VN-verband nemen om deze gegevens te verkrijgen?
Aangezien er nauwelijks humanitaire toegang is tot de conflictgebieden in Jonglei, is het vooralsnog niet mogelijk om een compleet beeld te krijgen van de omvang van de humanitaire problematiek en aantallen burgerslachtoffers. Ook de VN beschikt niet over deze gegevens. Feit is dat de burgerbevolking (met name leden van de Murle-stam) grotere plaatsen als Pibor en Boma town ontvlucht is vanwege het geweld. Een deel is uitgeweken naar de hoofdstad Juba, de deelstaat Eastern Equatoria en buurland Ethiopië. Artsen zonder Grenzen schat dat een groep van 100.000 mensen zich in de moerassen bevindt, onder primitieve omstandigheden. Andere schattingen gaan uit van lagere aantallen. Het gebrek aan humanitaire toegang is hoe dan ook zorgwekkend en niet acceptabel. Nederland dringt er, mede in EU-verband, bij de Zuid-Sudanese autoriteiten op aan om humanitaire organisaties toegang te verlenen. Ook roept Nederland de Zuid-Sudanese autoriteiten op om burgers te beschermen, ongeacht hun etnische achtergrond, en vermeende mensenrechtenschendingen door het Zuid-Sudanese leger (SPLA) een halt toe te roepen.
Bent u bereid om in VN-verband te bepleiten dat er een fact-finding missie wordt afgevaardigd om de humanitaire consequenties en eventuele oorlogsmisdaden gerelateerd aan het conflict in de Nuba Mountains in kaart te brengen?
Nederland is een actief bepleiter van het bevorderen van de zgn. cross line humanitaire toegang (over de frontlinie heen) tot de niet-overheidsgecontroleerde gebieden in de Nuba Mountains. Hiermee zouden de VN-organisaties en ngo’s de ruimte krijgen om ook in de gebieden onder de controle van de rebellengroepering humanitaire assessments uit te voeren en steun te bieden. De VN coördinerende humanitaire organisatie (OCHA) heeft onder meer naar aanleiding van het recente bezoek van de VN coördinator voor humanitaire zaken Valerie Amos aan Sudan (20–23 mei),1 de diplomatieke inzet om de humanitaire toegang te bewerkstelligen verder opgevoerd. In de VN Veiligheidsraad is er onvoldoende draagvlak voor het besluiten tot een internationale interventie ten aanzien van Sudan, zoals een fact-finding missie.
Welke stappen heeft u, al dan niet in EU-verband, genomen en kunt u nog nemen om de conflicterende partijen in Zuid-Kordofan aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om te streven naar een politieke oplossing, het bevorderen van bescherming van burgers en het verlichten van de humanitaire crisis?
Nederland steunt de inzet van de EU ten aanzien van het oplossen van de conflicten in Sudan. De EU Speciale Vertegenwoordiger voor Sudan en Zuid-Sudan, Rosalind Marsden, bepleit in haar contacten met de Sudanese regering en de rebellengroeperingen dat de partijen tot een staakt-het-vuren besluiten, humanitaire toegang verlenen en tot een politieke oplossing voor het conflict komen.
Wat is uw reactie op het artikel «Civil Society Forum on Sudan and South Sudan in Addis Ababa»? Wat is uw mening over de alarmerende geluiden over de steeds meer beperkte ruimte voor het maatschappelijk middenveld in zowel Soedan als Zuid-Soedan? Bent u van mening dat het noodzakelijk is om, in het kader van duurzame inclusieve groei en stabiliteit, hier vanuit Nederland ook op te reageren? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welken stappen gaat u nemen om dit te doen teneinde het maatschappelijk middenveld ook in staat stellen om zich uit te blijven spreken? 9. Hoe ziet u bovengenoemde zaken in relatie tot de ontwikkelingsrelatie die Nederland met Zuid-Soedan heeft? Kunt u toelichten welke criteria er zijn om de hulp aan Zuid-Soedan mogelijk op te schorten?
Zowel in Sudan als Zuid-Sudan zijn er zorgen over de ruimte die de overheid geeft aan het maatschappelijk middenveld. Aangezien het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol vervult bij het aanjagen van maatschappelijk debat en het ter verantwoording roepen van de overheid heeft dit onze expliciete aandacht.
Nederland ondersteunt het maatschappelijk middenveld in Sudan en Zuid-Sudan onder meer via het MFS-programma, het Mensenrechtenfonds en faciliteiten voor kleine ambassadeprojecten. In Zuid-Sudan wordt door de donorgemeenschap gewerkt aan de totstandkoming van een Civil Society Fund ter versterking van het lokale pleitbezorgende maatschappelijk middenveld. Nederland is voornemens hieraan bij te dragen. Ook door dialoog ondersteunt Nederland mensenrechtenverdedigers. In aanvulling op de financiële ondersteuning onderneemt Nederland, al dan niet in het EU-verband, ook diplomatieke interventies om het maatschappelijk middenveld te steunen bij haar werk.
Wat is, naar uw oordeel, de specifieke verantwoordelijkheid van Nederland als mede-ondertekenaar van het Comprehensive Peace Agreement en historisch verantwoordelijke partij voor de drie gebieden (Abyei, South Kordofan en Blue Nile)? Hoe geeft de Nederlandse regering vorm aan deze verantwoordelijkheid? Is de Nederlandse regering van plan haar betrokkenheid te intensiveren, zo ja hoe?
De bevolking van Zuid-Sudan heeft enorm geleden onder de decennialange burgeroorlog en achterstelling door het regime in Khartoum. Nederland zal de regering van Zuid-Sudan aan blijven spreken op zijn verantwoordelijkheid om een betere toekomst te creëren voor de bevolking en te werken aan de opbouw van een democratische rechtsstaat. Nederland zal de vorderingen van de Zuid-Sudanese autoriteiten inzake mensenrechten, politieke ruimte, rechtsstaatontwikkeling en persvrijheid nauwlettend blijven monitoren. Indien verbeteringen uitblijven of een verdere verslechtering optreedt, zal de aard en invulling van de bilaterale relatie opnieuw worden bezien.
Welke stappen heeft u, al dan niet in EU-verband, genomen en kunt u nog nemen om Soedan en Zuid-Soedan aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om het Cooperation Agreement volledig en onconditioneel te implementeren?
Nederland was tot juli 2011 voorzitter van de Drie Gebieden-werkgroep van het Assessment and Evaluation Commission(AEC) voor de uitvoering van het Comprehensive Peace Agreement (CPA). Met de onafhankelijkheid van Zuid-Sudan is het CPA verlopen en is de AEC ontbonden. De verantwoordelijkheid voor de nog openstaande kwesties uit het CPA is door de AU en de VN aan het AU High-level Implementation Panel (AUHIP) toebedeeld. In aanvulling op de politieke steun voor dit proces beziet Nederland de mogelijkheden om de inzet van het AUHIP te ondersteunen via een detachering en/of financiële bijdrage.
Wat is uw oordeel over het werk van de EU Speciale Vertegenwoordiger voor Soedan, Rosalind Marsden? Is er sprake van het opheffen van haar mandaat? Zo ja, kunt u toelichten wat hiervoor de redenen zijn, in de context van vragen 1, 2 en 3?
In de verklaring van Hoge Vertegenwoordiger Ashton van 10 juni jl. worden Sudan en Zuid-Sudan opgeroepen om de Samenwerkingsakkoorden onvoorwaardelijk te implementeren en de mechanismen die zijn opgericht voor de behandeling van klachten en het beslechten van conflicten in werking te stellen. Het is niet wenselijk dat één van de partijen zich plotseling onttrekt aan de uitvoering van de akkoorden. Beide landen moeten samenwerken met het AUHIP om tot een oplossing te komen. Zowel de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Sudans als de VN gezant voor de Sudans hebben deze boodschappen ook afgegeven in hun directe contacten met de Sudanese en Zuid-Sudanese autoriteiten.
Bent u bereid in EU-verband een verlenging van het mandaat van Marsden te bepleiten met minimaal een half jaar inclusief de mogelijkheid van verlenging na deze zes maanden indien daar, afhankelijk van de ontwikkelingen in Zuid-Soedan en Soedan, zoals in de Nuba Mountains, op inhoudelijke gronden aanleiding toe is?
De EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Sudans heeft sinds 2010 een belangrijke rol gespeeld bij het bevorderen van het vredesproces tussen Sudan en Zuid-Sudan en hierover gerapporteerd aan de lidstaten. Inmiddels is Zuid-Sudan een onafhankelijke staat en sloten Sudan en Zuid-Sudan op 29 september vorig jaar een omvangrijk Samenwerkingsakkoord.
Met het oog op stroomlijning van EUSV-posities wereldwijd, het voorkomen van inhoudelijke overlap en beperking van kosten, deed Hoge Vertegenwoordiger Ashton onlangs het voorstel om de taken en verantwoordelijkheden van de EUSV Sudans over te hevelen naar de EUSV voor de Hoorn van Afrika, Alexander Rondos. De EUSV voor de Hoorn van Afrika heeft Sudan en Zuid-Sudan reeds in zijn mandaat. De EU lidstaten hebben inmiddels ingestemd met een overheveling van taken en verantwoordelijkheden binnen vier maanden. Daarna zal het mandaat van de EUSV voor de Sudans worden beëindigd. In aanvulling op het werk van de EUSV voor de Hoorn van Afrika spelen de EU-delegaties in Khartoum en Juba een belangrijke rol bij de EU-dialoog met Sudan en Zuid-Sudan.
Wat is uw oordeel over het werk van het African Union High-Level Implementation Panel (AUHIP) onder voorzitterschap van Thabo Mbeki? Hoe moet het vredesproces binnen Soedan en tussen Soedan en Zuid-Soedan begeleid worden na het verlopen van de mandaat van het AUHIP? Wat zou, in uw oordeel, de rol van de EU, de Afrikaanse Unie en de VN hierbij moeten zijn?
Besluitvorming over beëindiging van het mandaat van EUSV Marsden is reeds afgerond.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg over Soedan van 3 juli a.s. beantwoorden?
Het AU High Level Implementation Panel (AUHIP) heeft naar onze mening een constructieve rol gespeeld bij het begeleiden van het vredesproces tussen Sudan en Zuid-Sudan. Het vredesproces wordt gekenmerkt door «ups-and-downs» maar het AUHIP en de AU Vrede en Veiligheidsraad zijn er toch telkenmale in geslaagd om betrokken partijen weer aan de onderhandelingstafel te krijgen en commitment af te dwingen voor de uitvoering van gesloten akkoorden, ook al vordert het proces soms langzaam. De EU en VN-vertegenwoordigers stemmen hun benadering zoveel mogelijk af met de AU om daarmee de effectiviteit van de diplomatieke inzet richting beide partijen te optimaliseren.
Het AUHIP komt in juli 2013 met een eindrapport. Dit rapport zal aanbevelingen bevatten voor opvolging van het panel. Naar verwachting zal de AU een leidende rol blijven spelen in de begeleiding van het vredesproces. Het beleggen van deze verantwoordelijkheid bij de regio heeft onze steun.
De verslechtering van de veiligheidssituatie in bepaalde gebieden in Irak |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (GL), Marit Maij (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente berichten over de toename van ernstige geweldsincidenten in Centraal Irak, met name in de regio in en rondom Bagdad en het noorden daarvan?1
Ja.
Wat is uw meest recente informatie over de verslechterde veiligheidssituatie in deze gebieden in Irak?
Naast de informatie in de ambtsberichten over de algehele situatie in Irak die de minister van Buitenlandse Zaken uitbrengt, maak ik ook gebruik van andere objectieve bronnen, zoals onder meer de actuele informatie die United Nations Assistance Mission for Iraq2 of de International Crisis Group3 de beschikbaar stelt.
Bent u bereid zo snel mogelijk een nieuw, geactualiseerd ambtsbericht over Irak te laten opstellen, waarbij de huidige veiligheidssituatie in bepaalde specifieke delen van Irak nauwkeurig worden beschreven, inclusief de positie van bepaalde etnische en religieuze groepen daar?
Ik heb reeds aan de minister van Buitenlandse Zaken een geactualiseerd ambtsbericht gevraagd over algehele situatie in Irak. In dit ambtsbericht zal ook aandacht worden besteed aan de veiligheidssituatie in Irak per gebied, inclusief de positie van etnische en religieuze groepen in deze gebieden. Naar verwachting zal dit ambtsbericht in het najaar verschijnen.
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitkomsten hiervan en over de mogelijke gevolgen voor het asielbeleid ten aanzien van uit Irak afkomstige asielzoekers?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u de veiligheidssituatie in bepaalde gebieden in Irak zodanig verslechterd dat het noodzakelijk is om een vertrekmoratorium in te stellen? Zo nee, op welk moment komt zo’n moratorium in beeld als de veiligheidssituatie verder zou verslechteren?
In het laatste ambtsbericht over Irak van november 2012 werd al melding gemaakt van een verslechterde veiligheidssituatie gedurende de periode van december 2011 tot en met oktober 2012. Tegelijk is het zo dat het geweldsniveau in die periode sterk fluctueerde en sterk varieerde per periode en per gebied.
Een vertrekmoratorium instellen acht ik op dit moment niet nodig, maar ik blijf de ontwikkelingen in Irak met betrekking tot de veiligheidssituatie nauwlettend opvolgen om te bezien of, en in welke mate, de verslechtering in de veiligheidssituatie zich blijft doorzetten.
De additionele dekking van 69 miljoen euro bedoeld om wijzigingen in het masterplan DJI 2013-2018 mee op te vangen |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat was de afgelopen vijf jaar (sinds 2008) de hoogte en ontwikkeling van de loon- en prijsbijstelling zoals uitgekeerd aan het ministerie van Veiligheid en Justitie?
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de structurele bedragen (2018) van de jaarlijks uitgedeelde tranches loon- en prijsbijstellingen aan begrotingshoofdstuk VI (Veiligheid en Justitie, voor het jaar 2010: Justitie), geen rekening houdend met departementale herindelingen. De bedragen luiden in miljoenen euro’s.
Jaar
Loonbijstelling
Prijsbijstelling
2008
130,6
15,0
2009
163,8
27,6
2010*
–
17,8
2011**
63,8
82,5
2012**
57,4
57,0
(*) In 2010 is door het kabinet besloten de loonbijstelling (tranche 2010) niet uit te keren en in te zetten ter dekking van de Rijksbrede problematiek
(**) Voor 2011 en 2012 is Rijksbreed alleen het gedeelte van de loonbijstelling uitgekeerd voor de compensatie van de gestegen sociale lastenontwikkeling.
In 2013 is door het kabinet besloten de prijsbijstelling niet uit te keren. Daarnaast is een nullijn voor de loonontwikkeling afgesproken.
De genoemde bedragen zijn, rekening houdend met het Masterplan DJI, reeds volledig aangewend en derhalve niet langer vrij beschikbaar op de VenJ-begroting.
Hoe is de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling precies opgebouwd?
Op de aanvullende posten Arbeidsvoorwaarden en Prijsbijstelling worden door het kabinet middelen gereserveerd ter compensatie van de prijsgevoelige en de loongevoelige uitgaven op de departementale begrotingen voor de loon- en prijsstijgingen (inflatie). Dit worden de loon- en prijsbijstelling genoemd.
De loonbijstelling wordt berekend door de grondslag (de loongevoelige uitgaven van de departementale begrotingen) te vermenigvuldigen met de desbetreffende geraamde contractloonontwikkeling en de geraamde stijging van de sociale lasten voor werkgevers.
De prijsbijstelling wordt berekend door de grondslag (de prijsgevoelige gedeelten van de departementale begrotingen) te vermenigvuldigen met de betreffende prijsontwikkeling. De prijsontwikkeling wordt geactualiseerd op basis van de ramingen van het Centraal Planbureau.
Besluitvorming over het uitkeren van de loon- en prijsbijstelling van de Aanvullende Posten naar de departementale begroting vindt plaats bij Voorjaarsnota.
Ten gunste van welke onderdelen van het ministerie van Veiligheid en Justitie is de jaarlijkse structurele bijstelling de afgelopen vijf jaar uitgekeerd?
Wanneer de loon- en prijsbijstelling aan de VenJ-onderdelen werd uitgekeerd, dan gebeurde dat grosso modo volgens de volgende verdeelsleutel:
loon
prijs
totaal
Nationale Politie
45,5%
29,7%
37,7%
DJI
14,2%
26,4%
20,2%
Raad voor de rechtspraak
8,7%
8,4%
8,5%
Beleid overig
7,7%
8,2%
8,0%
OM
5,9%
3,8%
4,9%
Apparaat bestuursdepartement
2,9%
5,3%
4,1%
COA
1,4%
6,7%
4,0%
Raad voor rechtsbijstand
4,6%
0,5%
2,6%
IND
1,7%
3,5%
2,6%
Bureaus Jeugdzorg
2,3%
1,6%
2,0%
Brede doeluitkering rampenbestrijding
0,8%
2,2%
1,5%
Raad voor de Kinderbescherming
1,5%
1,2%
1,3%
Reclassering Nederland
1,4%
1,0%
1,2%
NFI
0,5%
0,9%
0,7%
DT&V
0,4%
0,4%
0,4%
Hoge Raad
0,3%
0,1%
0,2%
Dienst Justis
0,1%
0,2%
0,1%
CJIB
0,1%
0,0%
0,1%
Is het ministerie van Veiligheid en Justitie ieder jaar verzekerd van een uitkering van de loon- en prijsbijstelling door het ministerie van Financiën?
Nee. Het kabinet besluit (in principe) jaarlijks de loon- en prijsbijstelling wel of niet uit te keren.
Hoeveel bedraagt de loon- en prijsbijstelling voor 2012 zoals door het ministerie van Financiën reeds aan het ministerie van Veiligheid en Justitie is uitgekeerd?
Zie het antwoord op vraag 1.
Ten gunste van welke onderdelen van het ministerie van Veiligheid en Justitie staat de bijstelling voor 2012 gereserveerd?
De loon- en prijsbijstelling die na inzet voor de wijzigingen in het Masterplan DJI resteert, is gereserveerd voor alle VenJ-onderdelen.
Kunt u toelichten hoe een eenmalige inhouding van de loon- en prijsbijstelling voor 2012 kan voorzien in structurele dekking van de herziening van het Masterplan Dienst Justitiële Inrichtingen1, hierna: het Masterplan?
Wanneer de loon- en prijsbijstelling door het Ministerie van Financiën wordt uitgekeerd, dan gebeurt dat in tranches. De tranche 2012 betreft dan ook een meerjarige, structurele reeks die in 2012 aan de begroting van VenJ is toegevoegd. Derhalve kan deze als structurele dekking dienen.
Betekent de eenmalige inhouding over 2012 dat in de opvolgende jaren geen inhouding van de loon- en prijsbijstelling wordt voorzien ten gunste van het Masterplan? Zo ja, hoe kan een eenmalige inhouding dan structureel dekking opleveren voor wijzigingen in het Masterplan?
Niet alleen voor 2012, maar structureel wordt loon- en prijsbijstelling ingezet ter dekking van de wijzigingen in het Masterplan DJI. De loon- en prijsbijstelling wordt jaarlijks in tranches, oftewel als een structurele reeks, door het Ministerie van Financiën aan de VenJ-begroting toegevoegd. Derhalve kan het eenmalig niet uitkeren van een tranche aan de VenJ-onderdelen structurele dekking opleveren.
Betekent het oplopend karakter van de 69 miljoen euro structureel, zoals beschreven in uw brief van 11 juni 2013, een gefaseerd vrijkomen van 69 miljoen euro in de komende vijf jaar? Zo ja, op welke wijze en in welk jaarlijks tempo dient de eenmalige inhouding van de bijstelling op te lopen tot structureel 69 miljoen euro dat met ingang van 2018 beschikbaar zal zijn om de aangekondigde wijzigingen in het Masterplan te financieren?
Ten aanzien van de inzet van de loon- en prijsbijstelling voor de aangekondigde wijzigingen in het Masterplan wordt het volgende ritme gehanteerd:
2013
2014
2015
2016
2017
2018
inzet
2
12
46
53
61
69
Welke onderdelen van het ministerie van Veiligheid en Justitie worden geraakt door uw besluit om de bijstelling, zijnde de gestegen prijzen en werkgeverslasten, voor 2012 niet uit te keren?
Zie het antwoord op vraag 3. De in de tabel genoemde onderdelen zijn de onderdelen die worden geraakt door het besluit de bijstelling niet uit te keren.
Welke invloed heeft het niet uitkeren van de loon- en prijsbijstelling op de budgettaire positie van de politie, die tot 2018 is uitgezonderd van iedere bezuiniging bij het ministerie van Veiligheid en Justitie?
Door het nemen van efficiencymaatregelen kan de hogere loon- en prijsontwikkeling binnen de budgetten van de nationale politie worden opgevangen zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de dienstverlening aan de burger.
Hoe zullen, uitgesplitst per onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie, de gestegen prijzen en werkgeverslasten binnen de beschikbare budgetten van de verschillende onderdelen worden opgevangen?
De gestegen prijzen en werkgeverslasten worden gecompenseerd binnen de budgetten van de betreffende dienstonderdelen. Hiertoe zullen alle onderdelen onder andere efficiencymaatregelen en versobering in de bedrijfsvoering doorvoeren.
Welke taken kunnen als gevolg van het niet uitkeren van de bijstelling waarschijnlijk niet meer worden uitgevoerd in de komende jaren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Welke invloed heeft het niet uitkeren van de bijstelling op de bestaande en toekomstige arbeidsvoorwaarden van de onderdelen van het ministerie van Veiligheid en Justitie?
Geen. De arbeidsvoorwaarden liggen vast in CAO’s. Deze worden niet opengebroken met het niet uitkeren van de loon- en prijsbijstelling.
In welke mate heeft deze additionele dekking van 69 miljoen euro structureel invloed op het wel of niet sluiten van gevangenissen?
De aanvullende dekking van structureel € 69 mln. wordt met name ingezet om het aantal extramurale plaatsen (elektronische detentie) te verlagen. Deze verlaging heeft tot gevolg dat het benodigd aantal intramurale plaatsen hoger wordt en per saldo minder inrichtingen worden gesloten.
Betekent deze additionele dekking van 69 miljoen euro structureel mogelijkerwijs ook een verlaging van de benodigde kasschuif op het vastgoed DJI?
Ja, het lager aantal sluitingen heeft namelijk naar verwachting tot gevolg dat kosten ten aanzien van het vastgoed lager zullen uitvallen.
In verband met het aangekondigde debat met de Kamer over de herziening van het Masterplan, kunt u deze vragen uiterlijk op 19 juni 2013 beantwoorden?
Ja.
Een wetsvoorstel van de Israëlische regering strekkende tot de gedwongen verplaatsing van tienduizenden bedoeïenen |
|
Désirée Bonis (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente voornemen van de Israëlische regering een wetsvoorstel in te dienen bij het parlement dat de weg moet vrijmaken voor de gedwongen verhuizing van 20 à 40.000 bedoeïenen uit hun traditionele akker- en graaslanden in de Negev naar een aantal daartoe gecreëerde «townships»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het met argumenten onderbouwde oordeel van Amnesty International dat dit voorstel een schending van het internationaal recht behelst? Zo ja, deelt u dit oordeel? Zo nee, kunt u aangeven op welke punten uw oordeel afwijkt van dat van AI en waarom?
Ik ben bekend met het oordeel van Amnesty International, dat relevante punten aanstipt. Het is niet aan het Nederlandse kabinet om een oordeel uit te spreken over een wetsvoorstel dat nog definitief door de Israëlische wetgevende macht moet worden beoordeeld.
Aannemende dat u dit oordeel onderschrijft en in aanmerking nemende dat dit voorstel een nieuw en schrijnend hoofdstuk dreigt toe te voegen aan de systematische discriminatie door de Staat Israël van de bedoeïenen van de Negev, bent u bereid er tijdens uw aankomende bezoek aan Israël bij de Israëlische regering op aan te dringen het wetsvoorstel in lijn te brengen met de verplichtingen die voortvloeien uit internationaal recht?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens bereid uw Israëlische gesprekspartners onder ogen te brengen dat niet alleen de voortgaande bouw van nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden, maar ook de discriminatoire behandeling van de Arabische minderheid binnen de grenzen van Israël zelf een hypotheek legt op de goede betrekkingen tussen Nederland en Israël? Zo nee: is dit naar uw oordeel niet het geval of acht u het minder opportuun dit feit onder de aandacht te brengen van uw Israëlische ambtgenoot? Indien het laatste van toepassing is, kunt u toelichten waarom dat minder opportuun moet worden geacht?
Het kabinet is structureel in dialoog met Israël over mensenrechten, waaronder de situatie van de Arabische minderheid, die in een structureel achtergestelde positie verkeert. De ambassade in Tel Aviv volgt deze kwestie nauwgezet en spreekt hierover met de Israëlische overheid, al dan niet in EU-verband. Waar opportuun en mogelijk ondersteunt de ambassade tevens organisaties die zich richten op het verbeteren van de sociaaleconomische situatie van Arabische Israëli’s. Mensenrechten zijn tevens besproken tijdens mijn eigen bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden van 17 tot 19 juni 2013.
Het bericht ‘Verdriet en angst in verzorgingstehuizen’ |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verdriet en angst in verzorgingstehuizen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe kan het dat honderden ouderen nu al gedwongen het verzorgingshuis moeten verlaten?
In mijn schriftelijke reactie van 13 juni 20132 op het artikel in Trouw, heb ik aangegeven dat bestaande cliënten recht behouden op verblijf in een zorginstelling (ook bij een eventuele herindicatie). Sluiting of verbouwing van een instelling kan wel betekenen dat mensen (tijdelijk) in een andere instelling gaan wonen.
Bij de uitwerking van de maatregel uit het begrotingakkoord 2013 om de lichtere zorgzwaartepakketten te extramuraliseren3 en in de maatregelen uit het regeerakkoord is altijd sprake is geweest van invoering voor nieuwe cliënten. Ook in mijn recente brief over de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning van 25 april 20134 heb ik aangegeven dat de huidige cliënten recht houden op verblijf in een instelling. Ook tijdens de debatten over de hoofdlijnen van de hervorming van de langdurige ondersteuning en zorg op 10 juni en 13 juni jongstleden, heb ik dat nogmaals benadrukt.
Hoe verhoudt dit zich tot uw toezegging dat er voor de huidige cliënten niets verandert? Hoe gaat u zich alsnog aan uw woord houden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke acties heeft u tot nu toe ondernomen om een einde te maken aan de gedwongen verhuizing van ouderen? Indien u nog niets heeft gedaan, wanneer gaat u dan eindelijk eens ingrijpen?
De NZa heeft mij – in een gezamenlijk overleg met de verzekeraars – gewezen op een brief die Achmea op 29 april 2013 naar alle aanbieders in de sector verpleging en verzorging heeft verstuurd waarin de rechten voor bestaande cliënten in de sector verpleging en verzorging slechts voor drie jaar leken te worden gerespecteerd. In een tweede brief (gedateerd 8 mei) heeft de desbetreffende verzekeraar aangegeven dat ze de rechten van bestaande cliënten op verblijf in een instelling vanzelfsprekend zullen respecten.
Er is geen sprake van dat bestaande cliënten gedwongen worden om zelfstandig te gaan wonen. Wel geldt sinds jaar en dag dat sluiting of renovatie van een instelling kan betekenen dat cliënten (tijdelijk) elders gaan wonen.
Welke acties heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) inmiddels genomen om een einde te maken aan de gedwongen verhuizing van ouderen?
Zie antwoord vraag 4.
De op 11 juni 2013 aangenomen resolutie over sociale huisvesting in de EU |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de resolutie over sociale huisvesting in de Europese Unie die het Europees Parlement op 11 juni 2013 aannam, waarin wordt benadrukt dat overheden vrij zijn de doelgroep van sociale huisvesting vast te stellen en Europees mededingingsbeleid in geen geval mag worden gebruikt als instrument om diensten van algemeen economisch belang te ondermijnen?1
Ik heb kennis genomen van de resolutie.
Deelt u de zorgen over het feit dat door de geldende inkomensgrens voor sociale huisvesting van 34.229 euro, huishoudens met een inkomen net daarboven in veel gemeenten nog steeds moeilijk aan betaalbare woonruimte kunnen komen, ondanks de 10% toewijzingsruimte aan huishoudens met een inkomen tot maximaal 38.000 euro?
Vorig jaar heeft het Planbureau voor de Leefomgeving een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de staatssteunregeling voor de middeninkomensgroepen op de woningmarkt. In mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Voortman2 over deze studie en de brief van mijn ambtsvoorganger over dat onderzoek heb ik toen aangegeven:
«(...) Zoals ook in de brief van minister Spies aan de Tweede Kamer (TK 32 847, nr. 34) is aangegeven is de wachttijd voor huishoudens met een inkomen onder de € 34.000,– echter met 20% gedaald. Huishoudens die op de sociale huursector zijn aangewezen komen dus eerder in aanmerking voor een sociale huurwoning. Voor huishoudens met een inkomen tussen de € 33.000,– en € 38.000,– neemt die toe van 2,1 naar 3,2 jaar, voor huishoudens met een inkomen tussen € 38.000,– en € 43.000,– van 2,0 naar 2,7 jaar (...)»
De wachttijd voor hogere inkomens neemt dus weliswaar toe maar hogere inkomens hebben nog steeds toegang tot de sociale huursector. Voor huishoudens die op de sociale huursector zijn aangewezen neemt de wachttijd juist af.
Deelt u de inschatting dat Nederland zelf kan besluiten tot meer flexibiliteit in het toewijzen van sociale huurwoningen aan middeninkomens en dat het besluit van de Europese Commissie van 2009 onnodig gedetailleerde afspraken maakt over de doelgroep van de Nederlandse sociale woningmarkt?
In eerdergenoemde antwoorden op Kamervragen heb ik aangegeven dat het de lidstaten vrij staat om binnen de Europese mededingingsregels de eigen grenzen te bepalen. Specifiek is het volgende aangegeven:
«(...) Woningcorporaties zijn belast met openbare dienstverlening (de zogenoemde dienst van algemeen economisch belang (DAEB)) op het terrein van de sociale huisvesting. De inrichting en afbakening van een dergelijke dienst behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de nationale overheid maar dat neemt niet weg dat de EC heeft getoetst of de gekozen grenzen in overeenstemming zijn met de mededingingsregels. Het kader daarvoor vormde de zogenoemde vrijstellingsbeschikking van de EC. Daarin is opgenomen dat staatssteun uitsluitend kan worden ingezet voor achterstandsgroepen of sociaal kansarme groepen welke, door solvabiliteitsbeperkingen, geen huisvesting tegen marktvoorwaarden kunnen vinden.
Ik deel derhalve uw conclusie dat Nederland zelf kan besluiten tot de inrichting van het stelsel. Dit sluit ook aan bij de intenties zoals deze zijn vastgelegd in de resolutie van het Europees Parlement. Ik vind echter niet dat de Europese Commissie in 2009 onnodig gedetailleerde afspraken heeft gemaakt over de doelgroep van de Nederlandse sociale huurwoningmarkt en acht de destijds gemaakte afspraken goed werkbaar.
Bent u bereid om, in het licht van de steun die het Europees Parlement daarvoor geeft, met de Europese Commissie te overleggen over het verruimen van de doelgroep voor sociale woningbouw? Zo nee, waarom niet?
De toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in haar brief van 30 oktober 2012 (TK 29 453, 277) verslag gedaan van haar verkenning bij de Europese Commissie (EC) om te komen tot een aanpassing van de inkomensgrens. Ik acht het niet noodzakelijk daarover opnieuw met de EC te overleggen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, leidt de inkomensgrens ertoe dat de wachttijd voor sociale huurwoningen voor huishoudens die tot de doelgroep behoren is afgenomen.
De benodigde aanpassingen in de wetgeving als gevolg van het besluit van de Europese Commissie van 15 december 2009 zijn vastgelegd in een tijdelijke regeling3 en worden verder op wetsniveau vormgegeven door middel van het wetsvoorstel Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (wetsvoorstel 32 769).
Het bevorderen van voedselzekerheid |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eat less meat for greater food security, British population urged»1 en heeft u kennisgenomen van het bijbehorende rapport «Global Food Security»?2
Ja.
Deelt u de mening dat vermindering van de vleesconsumptie een belangrijke bijdrage kan leveren aan lagere voedselprijzen en een eerlijker verdeling en benutting van de beschikbare voedingsmiddelen en andere grondstoffen in de wereld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze krijgt deze opvatting gestalte in het Nederlandse handels- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid?
Ja. De hoge consumptie van vlees vindt vooral plaats in de Europese Unie en de Verenigde Staten. In de minst ontwikkelde landen is de (geringe) consumptie van vlees een belangrijke bron van eiwitten, vitamines en mineralen binnen een dieet dat vaak eenzijdig bestaat uit koolhydraten. In het Nederlandse handels- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid wordt dan ook ingezet op gezonde en gevarieerde voeding, inclusief dierlijke producten.
Bent u bereid om de focus op exportbevordering van dieren en dierlijke eiwitten, geproduceerd door Nederland, te verlaten, teneinde niet bij te dragen aan het verhogen van de dierlijke eiwitproductie en -consumptie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u hieraan invulling geven?
Nee. Het generieke bedrijfsleveninstrumentarium ondersteunt door middel van leningen, subsidies en verzekeringen Nederlandse bedrijven die internationaal hoogwaardige producten en diensten leveren voor de ontwikkeling van onder andere opkomende markten en ontwikkelingslanden, voor de versterking van de Nederlandse concurrentiekracht en duurzame ontwikkeling. Bij deze ondersteuning maak ik geen onderscheid naar de sector waarin het bedrijf actief is. Daarnaast neemt de vraag naar dierlijke eiwitten in de wereld naar verwachting toe, als gevolg van groei van de wereldbevolking en welvaartstijging. De Nederlandse dierlijke productie is duurzaam. Export van producten, kennis, systemen, of wel export van de productieketen, draagt bij aan onze economische positie en, gegeven de vraag naar dierlijke eiwitten, een duurzamere productie daarvan.
Deelt u de mening dat export van houderijsystemen uit of onderdelen van de vee-industrie vanuit Nederland eerder ontmoedigd dan bevorderd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u hieraan gestalte geven?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven stijgt in ontwikkelende landen de consumptie van dierlijke eiwitten onder meer door groeiende bevolkingsaantallen, stijgende inkomens en urbanisatiepatronen. Consumptie van dierlijke eiwitten draagt in deze landen bij aan een gezonde en gevarieerde voeding. Het is belangrijk om op duurzame wijze aan deze vraag te voldoen, met aandacht voor milieu, dierenwelzijn, diergezondheid, arbeidsomstandigheden en de volksgezondheid. Nederlandse ondernemers uit de topsector Agro-Food hebben unieke expertise voor de bouw van moderne, duurzame en dierenwelzijnsvriendelijke stallen en verantwoorde intensieve veehouderij. Zij kunnen daardoor bijdragen aan het vergroten van voedselzekerheid, aan de verbetering van dierenwelzijn, diergezondheid en -veiligheid, en aan grondstoffenefficiëntie ten opzichte van oude systemen. Export van deze hoogwaardige houderijsystemen wil ik dan ook niet ontmoedigen.
Bent u bereid om een speerpunt te maken van de transitie naar een meer plantaardige productie en consumptie in het Nederlandse beleid ten aanzien van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Nee, met verwijzing naar antwoord 2, 3 en 4.
Bent u bereid een voorbeeld te stellen op uw eigen departement door bij officiële diners vlees slechts als optie op speciaal verzoek te serveren, in navolging van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in 2010? Zo nee, waarom niet?
Nee, evenwel bij de aanbesteding van de cateraars is ook rekening gehouden met de kwaliteit van de gerechten, een hoog percentage aan biologische of duurzame producten en milieuaspecten. De vegetarische optie wordt standaard aangeboden voor officiële diners.
De anti-homowet in Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de anti-homowet vrijwel unaniem door de Doema in Rusland is aangenomen?1
Ja. Indien dit wetsvoorstel wordt aangenomen door de Russische Federatieraad en ondertekend door de President kunnen er administratieve boetes worden opgelegd voor «propaganda van niet-traditionele seksuele relaties onder minderjarigen».
Hoe beoordeelt u de veiligheid van LHBT's (Lesbisch, Homo-, Bi- en Transseksueel) in Rusland na deze ontwikkeling en van de NGO’s die zich hard maken voor de rechten van LHBT’s in Rusland? Kunt u bij dit laatste ook ingaan op de zogenaamde «foreign agents» wetgeving, en de effecten hiervan op deze organisaties?
Ik heb in gesprekken met mijn collega Lavrov aangegeven dat ik mij zorgen maak over de signaalwerking van deze wetgeving. Ook al wijst de Russische regering iedere vorm van discriminatie af, implementatie van deze wetgeving zal de bestaande stigmatisering van LHBT-personen vergroten en personen en organisaties met homofobe sentimenten sterken in hun overtuiging. Dit kan een negatief effect hebben op de veiligheid van LHBT personen en NGO’s die in het openbaar opkomen voor hun rechten en/of blijk geven van hun seksuele voorkeur.
De implementatie van de wetgeving die Russische NGO’s (die financiering uit het buitenland ontvangen en die zich richten op politieke thema’s) verplicht zich als «foreign agent» te registreren heeft inmiddels geleid tot een aantal rechtszaken, inclusief tegen de LHBT-NGO’s «Bok-o-Bok (Zij aan Zij)» en «Coming Out». Deze eerstgenoemde NGO is inmiddels veroordeeld tot een boete en ook loopt er een administratieve zaak tegen de directeur van de NGO.
Zal u de komende periode arrestaties en/of gerechtelijke procedures gaan monitoren en zo ja hoe?
Ja. Het voornemen is om de rechtszaken tegen NGO’s n.a.v. de «foreign agent»-wetgeving te (blijven) volgen in EU-verband, indien de betreffende NGO dit wenst. Hiervoor is in EU-verband een rooster opgesteld, waarbij wordt getracht de monitoring te laten doen door lidstaten die niet zelf donor zijn van de betreffende NGO (om te benadrukken dat de zorgen over deze wet EU-breed leven).
Wat is de stand van zaken van de ontwikkeling van een strategische aanpak van de mensenrechtensituatie in Rusland op Europees niveau?
Er is een EU-mensenrechtenstrategie die jaarlijks wordt geactualiseerd. Ook wordt twee keer per jaar een EU-rapportage geschreven over de actuele ontwikkelingen op mensenrechtengebied in Rusland ter voorbereiding van de EU-Rusland Mensenrechtenconsultaties, recentelijk op 17 mei in Brussel. De resultaten van deze consultaties worden meegenomen door de EU tijdens de EU-Rusland Top, recentelijk 3-4 juni in Yekaterinburg. In goed overleg met de EU-Lidstaten worden tijdens de Mensenrechtenconsultaties de verschillende onderwerpen opgebracht, waaronder de NGO-wetgeving en de LHBT-wetgeving. In Moskou is er regelmatig overleg tussen de EU-delegatie en vertegenwoordigingen van EU-Lidstaten over de ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten in Rusland, inclusief afstemming tussen EU-lidstaten die het maatschappelijk middenveld in Rusland financieel steunen.
Welke specifieke stappen heeft u tot op heden genomen om het belang van gelijke behandeling van LHBT’s in Rusland onder de aandacht te brengen?
Zowel voorafgaand aan, als tijdens mijn bezoek aan Moskou op 26 februari jl. heb ik publiekelijk aangegeven dat discriminatie van LHBT-personen onaanvaardbaar is. De rechten van LHBT-personen zijn mensenrechten. Rusland moet zich aan zijn internationale verplichtingen houden. Ik heb daarbij het Russische parlement opgeroepen de wet niet aan te nemen. Vervolgens heeft premier Rutte de Nederlandse zorgen overgebracht aan president Poetin, zowel tijdens diens bezoek aan Nederland op 8 april jl. als tijdens hun gesprek en marge van het St. Petersburg International Economic Forum op 20 juni jl. in St. Petersburg.
Welke gevolgen heeft de aangenomen anti-homowet voor de resterende activiteiten tijdens het Nederland-Rusland jaar?
Zoals bij de beantwoording van uw vragen van 28 januari van dit jaar is aangegeven, besteed het kabinet in het Nederland-Ruslandjaar ook nadrukkelijk aandacht aan zowel politieke als maatschappelijke onderwerpen. Nederland vindt een dialoog met Rusland belangrijk en beschouwt het bilaterale jaar als een mogelijkheid voor een intensivering hiervan. De bevordering van LHBT-rechten is daarbij een van de onderwerpen die in het bilaterale jaar (net als in voorafgaande jaren) op Nederlandse steun kan blijven rekenen.
Bent u bereid de Russische ambassadeur aan te spreken op de recente ontwikkelingen?
Vanuit het kabinet wordt bij iedere gelegenheid met de Russische autoriteiten gesproken over de Nederlandse zorgen over de ontwikkelingen in Rusland op het gebied van maatschappelijk middenveld en democratie. In de contacten tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Russische ambassade komen deze zorgen eveneens uitvoerig aan bod.
De recordopbrengst aan boetes |
|
Nine Kooiman |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Klopt de schatting dat dit jaar waarschijnlijk 1 miljard euro aan boetes zal worden geïnd, wat een stijging is van 30% ten opzichte van vorig jaar? Wat vindt u van deze stijging?1
Onlangs is de raming voor de ontvangsten boeten en transacties geactualiseerd in de Voorjaarsnota; de raming voor 2013 bedraagt € 912 miljoen. Gedurende de uitvoering van het begrotingsjaar wordt de raming voor 2013 geactualiseerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de veelheid van factoren die van invloed zijn op de raming, zoals o.a. de verkeersintensiteit, economische situatie, gedrag van de burger en wegwerkzaamheden.
De gerealiseerde ontvangsten boeten en transacties bedroegen € 898 mln. in 2012. Op basis van de huidige inzichten is de stelling dat sprake zou zijn van een stijging van 30% dus onjuist.
Gaat u de extra opbrengsten uit boetes gebruiken om te investeren binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie, in bijvoorbeeld de politie, het openbaar Miniserie (OM) en het gevangeniswezen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven welke bezuinigingen dan kunnen komen te vervallen?
Per Voorjaarsnota, Ontwerpbegroting en Najaarsnota wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van het begrotingsjaar. Mocht tijdens de uitvoering blijken dat een meevaller op de boeteontvangsten wordt voorzien voor het begrotingsjaar 2013, dan zal in het totaal van alle mee- en tegenvallers op de begroting van mijn departement bezien worden op welke wijze de middelen aangewend zullen worden.
Klopt het dat nog slechts bij 5% van de boetes sprake is van een staandehouding, en dat het in 95% van de gevallen gaat om automatische boetes? Deelt u de opvatting van de politiebond dat hier geen opvoedend effect meer vanuit gaat, zoals wordt beoogd met het beboeten van overtredingen? Zo nee, waarom niet?
Van de 3.757.525 boetes in de eerste vier maanden van 2013 is er in 195.655 gevallen sprake geweest van een staandehouding, dit betreft dus 5,2% van de gevallen. De overige 94,8% van de overtredingen zijn op kenteken geconstateerd. Hiervan is 82,9% geconstateerd met behulp van een geautomatiseerd handhavingsmiddel en 11,9% is door de opsporingsambtenaar op kenteken bekeurd of vastgesteld door middel van een registervergelijking bij de RDW.
Anders dan de politiebond ben ik van oordeel dat ook van een boete die niet direct aan de betrokkene wordt overhandigd een opvoedend effect uitgaat. De overtreder wordt immers ook dan geconfronteerd met de gevolgen van zijn verkeersgedrag en dat men deze kosten kan vermijden door de regels na te leven.
Klopt het dat bekeuringen soms pas 5 of 6 weken na het begaan van de overtreding bij mensen op de mat vallen? Deelt u de mening dat dit, gezien het feit dat het in 95% van de gevallen gaat om een geautomatiseerde boete, sneller moet kunnen om te voorkomen dat mensen herhaaldelijk dezelfde fout maken doordat zij lang moeten wachten voordat zij zien dat ze een fout hebben begaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel dagen of weken is volgens u haalbaar en binnen welke termijn gaat u dit regelen?
Bij overtredingen geconstateerd door trajectcontrolesystemen duurt het gemiddeld 11 dagen tot dat een beschikking bij de betrokkene op de deurmat valt. Ook bij flitspalen is de gemiddelde aanlevertijd 11 dagen. Ik vind dit acceptabele termijnen omdat het versturen van boetes zorgvuldig dient te gebeuren en zie geen aanleiding dit te versnellen.
Klopt de constatering dat met name op 130 km-wegen de stijging van beboete voertuigen fors is toegenomen? Hoe verklaart u dit? Deelt u de opvatting van de ANWB dat dit vooral komt doordat de nieuwe maximumsnelheid van 130 km/u voor onduidelijkheid heeft gezorgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze onduidelijkheid weg te nemen?
Nee, die constatering klopt niet. In de laatste vier maanden van 2012 werden 15.171 overtredingen geconstateerd op 130 km-wegen. Dit aantal is in de eerste vier maanden van 2013 gedaald naar 12.096 overtredingen. De opvatting dat de nieuwe maximumsnelheid voor onduidelijkheid heeft gezorgd deel ik dan ook niet.
Deelt u de mening dat sommige boetebedragen absurd zijn in verhouding tot de aard van de overtreding? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid het boetestelsel en de vastgestelde bedragen samen met de bonden en andere experts kritisch tegen het licht te houden?
Nee, deze mening deel ik niet. Zoals ik eerder heb geantwoord op vragen naar aanleiding van het Referentiekader geldboetes, Verslag van een onderzoek naar de hoogte en wijze van berekening van geldboetes in het bestuursrecht en het strafrecht2 wordt er in de huidige systematiek rekening gehouden met de aard van de overtreding.
Bij de vaststelling van de hoogte van verkeersboetes wordt sinds 2005 gewerkt met het zogeheten Tarievenhuis van het Openbaar Ministerie. Met dit Tarievenhuis is een beoordelingskader ingevoerd waarmee de aan gedragingen gekoppelde tarieven op een eenvoudige en uniforme wijze door middel van een aantal criteria worden vastgesteld. Dit beoordelingskader zorgt ervoor dat er vaste verhoudingen bestaan tussen de sancties voor de verschillende strafbare gedragingen. Overtredingen zijn in het kader ingedeeld in verschillende rubrieken waarbij het motto geldt: hoe gevaarlijker, hoe duurder. Specifieke weegfactoren zorgen er bovendien voor dat overtredingen op gevaarlijke plekken of overtredingen die worden begaan met bijvoorbeeld grotere voertuigen, extra zwaar worden bestraft.
Daarnaast is er ter uitvoering van de motie Van der Staaij c.s. bij de invulling van de verhoging van de verkeersboetes per 1 januari 2012 nadrukkelijk gekozen voor gerichte boeteverhogingen voor in het bijzonder asociale en gevaarlijke verkeersovertredingen. En zijn specifiek de boetebedragen voor snelheidsovertredingen van meer dan 10 km/u en de snelheidsovertredingen in woonwijken verhoogd3. Met het hanteren van het beoordelingskader Tarievenhuis en de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de motie Van der Staaij c.s. komt de verhouding tussen de aard van de overtreding en de hoogte van de boete in het huidige stelsel van de verkeersboetes op een juiste manier tot zijn recht. Ik ben daarom niet voornemens het boetestelsel of de huidige verkeersboetes te herzien.
Het bericht dat Cordaan opnieuw onder toezicht is gesteld |
|
Renske Leijten |
|
Vindt u het ook niet bijzonder treurig dat een verpleeghuis van Cordaan weer onder extra toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is geplaatst?1
Het is altijd teleurstellend indien een instelling onder verscherpt toezicht van de IGZ komt te staan.
Hoe is het toch mogelijk dat een zorginstelling er zolang over doet tot dat alles voor de IGZ op orde is? Bent u bereid een analyse te maken van de dieperliggende oorzaken van de problemen bij Cordaan, die leiden tot de kwetsbare kwalitatieve situaties? Zo neen, waarom niet?
Een nadere analyse van de oorzaken van de problemen bij Cordaan acht ik niet nodig. Cordaan dient de zorg op orde te krijgen.
Vindt u het verantwoord dat de drie bestuurders van Cordaan in 2012 een salaris hebben ontvangen van € 305.450, € 559.954 en € 209.675 en in dure auto’s rijden van € 48.990, € 72.253 en € 30.655 euro? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Met het oog om de inkomens van bestuurders van instellingen in de collectieve sector op een maatschappelijk verantwoord niveau te brengen en te houden, is op 1 januari 2013 de Wet Normering Topinkomens in werking getreden. Dat heeft ook consequenties voor de salarisstructuur van Cordaan.
Hebben deze drie bestuurders naar uw mening prestaties geleverd die deze exorbitante ontslagvergoeding rechtvaardigen? Zo ja, waarom? Zo nee, gaat u deze ontslagvergoeding terugvorderen?
Ik laat de begrippen «zelfverrijking» en «gegraai» voor rekening van de vragensteller. Het gaat in casu om één ontslagvergoeding. Daarover heb ik recent tien schriftelijke vragen beantwoord van de Kamerleden Heijnen en Van Dijk (PvdA). Dit naar aanleiding van het bericht «Ophef over vergoeding zorgdirecteur» (2013Z08651). Kortheidshalve verwijs ik u naar mijn antwoorden op deze vragen.
Hoe oordeelt u over de zelfverrijking en het gegraai van de bestuurders van Cordaan, en de slechte zorg die zij bieden aan hun bewoners? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen gaat u treffen om te zorgen dat deze bestuurders hun geld steken in de zorg voor hun bewoners en personeel, in plaats van hun eigen zakken te vullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Legt Cordaan nog steeds bezoekregelingen op aan familieleden die Cordaan als «lastig» beschouwt? Zo ja, gaat u hier maatregelen tegen treffen? Zo nee, sinds wanneer niet meer?2
De aanleiding voor de ophef over een bezoekregeling betrof een aangelegenheid tussen cliënt, familie en Cordaan waarin ik niet kan en wil treden. Op dit moment is de IGZ niet bekend dat er bezoekregelingen spelen.
De wens van het Nederlandse volk de voortgaande islamisering te stoppen |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stop bouw moskeeën»1 en het achterliggende onderzoek?2
Ja.
Deelt u de mening visie van meer dan driekwart van de Nederlandse bevolking dat de islam geen verrijking is voor ons land? Zo neen, waarom vindt u de islam wel een verrijking voor Nederland?
Of het islamitische geloof wel of geen verrijking voor de Nederlandse samenleving vormt, is voor mij geen relevante vraag. In Nederland is er vrijheid van godsdienst. Het staat mensen vrij welk geloof dan ook aan te hangen en te belijden. Deze vrijheid is een essentieel element van de democratische rechtstaat die Nederland is. Ik zie dit als een groot goed.
Hoe duidt u het gegeven dat bijna 70% van de Nederlanders van mening is dat er inmiddels genoeg islam is in ons land?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief bij de Agenda Integratie (2013-0000015514) is aangegeven, is het kabinet zich ervan bewust dat veel mensen, zowel moslims als mensen met een niet-islamitische achtergrond, zich afvragen of een islamitische levenswijze wel te verenigen is met een westerse levenswijze. De toenemende zichtbaarheid van de islam in onze samenleving, de andere tradities en opvattingen, en de associatie met geweld en radicalisering hebben ertoe geleid dat een deel van de mensen de islam als een bedreiging is gaan ervaren. Dat laatste is een zorgelijke ontwikkeling omdat dit de samenhang en stabiliteit in de samenleving bedreigt. De vrijheid van godsdienst omvat alle godsdiensten, ook de islam, en omvat tevens de vrijheid om geen godsdienst aan te hangen. Uiteraard dienen bij de uitoefening hiervan de grenzen van de wet te worden gerespecteerd.
Op welke wijze gaat u gehoor geven aan de wens van een ruime meerderheid van Nederland om de bouw van nieuwe moskeeën te stoppen, een grondwettelijk verbod op de sharia in te voeren en de immigratie uit islamitische landen te stoppen?
De Nederlandse Grondwet geeft iedereen het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, inclusief het recht om in een gebedshuis of op een vergelijkbare locatie het geloof uit te oefenen. Dit geldt voor aanhangers van alle religies. Dit kabinet heeft geen principiële bezwaren tegen nieuwe moskeeën wanneer hier vanuit de samenleving behoefte aan bestaat. Het is aan gemeenten om te bepalen of er al dan niet een nieuwe moskee binnen de gemeentegrenzen komt.
Herhaald zij dat bij de uitoefening van godsdienst de Nederlandse wetten dienen te worden gerespecteerd.
De vreemdelingenwet bepaalt onder welke voorwaarden iemand in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in Nederland. Uit welk land iemand afkomstig is, is op zichzelf genomen niet relevant voor het al dan niet toekennen van een verblijfsvergunning in Nederland.
In hoeverre ziet u, evenals bijna driekwart van de bevolking, dat er een relatie bestaat tussen de islam en de walgelijke terreurdaden in Boston, Londen en Parijs? Welke relatie ziet u dan?
Het gegeven dat de vermeende daders van deze inderdaad verwerpelijke terreurdaden het Islamitische geloof aanhangen zegt mij niets over de aard van het Islamitische geloof als zodanig.
Wanneer biedt het kabinet het Nederlandse volk haar excuses aan voor de massa-immigratie en het faciliteren en bevorderen van de islamisering van Nederland?
Gelet op onder meer de fors afgenomen gezinsmigratie in de afgelopen jaren, het zorgvuldige toelatingsbeleid met betrekking tot vluchtelingen en de gedegen voorbereiding in het land van herkomst gericht op participatie die op basis van de Wet inburgering buitenland van iedere migrant verlangd wordt, herken ik het beeld van massa-immigratie in Nederland niet. Van het faciliteren en bevorderen van de islamisering in Nederland is mijns inziens geen sprake.
Het bericht ‘Europese Unie verbiedt babyfoto op verpakking babyvoeding’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese Unie verbiedt babyfoto op verpakking babyvoeding»?1 Klopt dit bericht?
Ja, dit bericht is mij bekend. Voor volledige zuigelingenvoeding gold al een Europees verbod van afbeeldingen van zuigelingen en andere idealiserende afbeeldingen op de verpakking (Richtlijn 2006/141 van de Commissie inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding). Op grond van de op 12 juni jl. vastgestelde verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, en voeding voor medisch gebruik en de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing (Verordening (EU) nr. 609/2013) gaat dit verbod nu ook gelden voor opvolgzuigelingenvoeding. Het verbod betreft dus niet alle babyvoeding.
Wat vindt het kabinet ervan dat op bepaalde babyvoeding geen foto van een baby meer mag staan?
In de praktijk is de opvolgzuigelingenvoeding lastig te onderscheiden van volledige zuigelingenvoeding. Dat is een argument om dit onderscheid op te heffen.
Bij de laatste inspectieronde van de etiketten van opvolgzuigelingenvoeding (in 2011) door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit zijn in Nederland overigens geen afbeeldingen gevonden van zuigelingen op de verpakking.
Sinds wanneer gaat het Europese schijnparlement over onze voeding? Is dit geen nationale aangelegenheid?
Al sinds 1963 worden Europese regels gesteld aan levensmiddelen om enerzijds de handel tussen de Lidstaten te bevorderen en anderzijds de volksgezondheid te beschermen. Over de samenstelling, marketing en etikettering van (opvolg)zuigelingenvoeding bestaat al tientallen jaren Europese regelgeving vanwege de kwetsbaarheid van deze groep consumenten.
Welke krankzinnige besluiten zullen nog meer volgen? Wat gaat het kabinet ondernemen om deze onzinnige bemoeienis voor eens en altijd te stoppen?
Zie de beantwoording van vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het terugsturen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) naar een andere Europese lidstaat op grond van de Dublinverordening?1
Ja.
Welke gevolgen heeft deze uitspraak voor het kunnen toepassen van de Dublinverordening ten aanzien van AMV’s door de Europese lidstaten?
Het Hof van Justitie van de Europese Unie ziet erop toe dat de EU-wetgeving in alle landen van de EU op dezelfde wijze wordt geïnterpreteerd en toegepast. In onderhavige procedure heeft een Britse rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek indien een alleenstaande minderjarige vreemdeling, die geen gezinslid heeft dat zich wettig op het grondgebied van een lidstaat ophoudt, achtereenvolgens in verschillende lidstaten een asielverzoek heeft ingediend.
Op dit moment wordt het arrest nog door mij bestudeerd. Nadat ik het arrest zorgvuldig heb geanalyseerd, waarbij ik ook de analyses van de andere lidstaten wil betrekken, zal ik uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.
In reactie op het arrest en in afwachting van de analyse is de Immigratie- en Naturalisatiedienst door mij geïnstrueerd om op grond van de Dublinverordening geen alleenstaande minderjarige vreemdelingen te claimen op andere landen wegens een aldaar eerder ingediende asielaanvraag, tenzij er sprake is van een gezinslid dat zich wettig ophoudt in een andere lidstaat en de overdracht in het belang is van de minderjarige.
Welke gevolgen heeft deze uitspraak voor het Nederlandse beleid? Deelt u de mening dat het beleid zo snel mogelijk aan de uitspraak moet worden aangepast? Wanneer verwacht u dat dit aangepaste beleid in werking treedt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u deze uitspraak? Deelt u de mening dat een positief aspect van de uitspraak is dat AMV’s in de lidstaten nu sneller een definitieve beoordeling van hun asielverzoek kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een op deze uitspraak gebaseerd aangepast beleid heeft voor de in- en uitstroom van AMV’s naar/uit Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
De openbaarheid van jachtgegevens |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gelderland moet jachtgegevens Veluwe openbaren»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de provincie Gelderland tegenover de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State ter zitting heeft toegelicht dat uit rapportages van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst volgt dat dierenactivisten gebruik maken van openbare gegevens en in dat kader heeft gesteld dat «Zodra de indeling van de jachtvelden bekend is, gerichte verstoring van faunabeheeractiviteiten kan plaatsvinden», zonder dat de provincie ondersteunend bewijs voor deze laatste stelling heeft overlegd?2
Het is niet aan mij om het handelen van de provincie Gelderland te beoordelen.
Zijn er stukken van de Algemene Inlichtingen – en Veiligheidsdienst (AIVD) die de stelling van de provincie Gelderland dat «Zodra de indeling van de jachtvelden bekend is, gerichte verstoring van faunabeheeractiviteiten kan plaatsvinden» onderbouwen? Zo ja, bent u bereid deze stukken met de Kamer te delen? Zo nee, bent u bereid de provincie Gelderland aan te spreken op het plegen van kennelijk ongegronde verdachtmakingen ten aanzien van groepen burgers, zonder onderbouwing?
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State constateert dat het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie geen rapportages van de AIVD heeft overgelegd waaruit blijkt dat dierenactivisten gebruik maken van openbare gegevens. Het is niet aan mij om hierover een oordeel te vellen. Momenteel werkt de AIVD aan een openbare publicatie over extremisme, waaronder dierenrechtenextremisme. Ik verwacht dat deze publicatie in september 2013 zal verschijnen en zal haar dan ook delen met de Kamer.
Bent u bereid naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Raad van State alle provincies te verzoeken de jachtvelden in alle gevallen openbaar te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De relevante overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zien op de specifieke situatie van de bij de uitspraak betrokken partijen. Er kan niet uit worden afgeleid dat informatie over jachtvelden altijd openbaar gemaakt zou moeten worden. De beoordeling of dergelijke informatie openbaar gemaakt kan worden of niet, is in eerste instantie aan het betrokken bestuursorgaan, dat daarbij per geval het kader van de Wob hanteert.
Uitzettingen van vreemdelingen naar Guinee |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Linda Voortman (GL), Gerard Schouw (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen?1
Ja.
Wat is uw reactie op het interview met de Guineese ambassadeur te Brussel waarin hij stelt dat hij geen laissez-passers heeft afgegeven?2
Volgens de weergave van het interview op de website GuineeNews.org heeft de ambassadeur gesteld dat hij geen reisdocumenten heeft ondertekend ten behoeve van de uitzetting van een Guineese vreemdeling. Ik constateer evenwel dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in 2013 van de Guineese autoriteiten circa 20 laissez-passers heeft verkregen, afgegeven door de Guineese diplomatieke vertegenwoordiging in Brussel. In 2013 zijn tot nu toe 2 Guineese vreemdelingen uitgezet naar Guinee. Deze uitzettingen vonden plaats op basis van een laissez-passer afgegeven door de Guineese ambassade.
Hoe komt het dan dat er in weerwil van de uitspraken van de betreffende ambassadeur dit jaar alsnog Guineese vreemdelingen zijn uitgezet naar Guinee op basis van door deze Guineese ambassade te Brussel verstrekte laissez-passers?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er een aantal vreemdelingen begin juni 2013 is uitgezet naar Guinee? Zo ja, wie heeft hun laissez-passers afgegeven?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat laissez-passers in beginsel moeten worden ondertekend door de consul? Zo ja, hoe komt het dat er volgens meldingen van advocaten, vreemdelingen en de website van de rijksoverheid zelf geen consul (meer) werkzaam is op de ambassade?3
De procedure voor de afgifte van een (vervangend) reisdocument is een verantwoordelijkheid van de autoriteiten van het betreffende land. In het geval van Guinee zijn de in 2013 verkregen reisdocumenten ondertekend door de consul van de Republiek Guinee te Brussel.
Waarom is door de Guineese diplomatieke vertegenwoordiging te Brussel in 2012 niet deelgenomen aan de taskforce?
De Guineese diplomatieke vertegenwoordiging te Brussel is over elke taskforce die in 2012 heeft plaatsgevonden van tevoren geïnformeerd en is de mogelijkheid geboden deel te nemen aan de taskforce. Hiervan heeft de diplomatieke vertegenwoordiging in 2012 geen gebruik gemaakt. De reden is mij niet bekend.
Wat waren in mei 2013 de moverende redenen van de Guineese autoriteiten om de taskforce niet door te laten gaan?
Dit is mij niet bekend.
Hoe vaak zijn Guineese vreemdelingen in 2013 gepresenteerd aan ofwel de Guineese ambassade te Brussel ofwel de taskforce? Wanneer staan nieuwe presentaties gepland?
In 2013 zijn circa 15 vreemdelingen gepresenteerd aan de Guineese ambassade te Brussel. Er hebben geen presentaties aan een taskforce plaatsgevonden.
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid op19 juni 2013 te beantwoorden en tot die tijd geen vreemdelingen naar Guinee uit te zetten, totdat duidelijkheid is over de reisdocumenten voor Guinee?
Ik heb u deze beantwoording zo spoedig als mogelijk doen toekomen. Er is op dit moment voor mij geen aanleiding om uitzettingen naar Guinee op te schorten.
Het verstrekken van een internationale huwelijksakte aan partners van hetzelfde geslacht |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere de vragen over het verstrekken van een internationale huwelijksakte aan partners van hetzelfde geslacht?1
Ja.
Is het bestaande model van het internationale uittreksel uit de huwelijksakte, dat gebaseerd is op de Overeenkomst van Wenen zoals dat is vastgesteld door de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand (ICBS), inmiddels wel geschikt om te kunnen gebruiken voor huwelijken van personen van gelijk geslacht? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om dit alsnog mogelijk te maken?
De huidige Conventie nr. 16 van de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand over de afgifte van meertalige internationale uittreksels van akten van de burgerlijke stand, gesloten op 8 september 1976 in Wenen en voor Nederland in werking sinds 26 april 1987, kent geen modelformulier voor de afgifte van een uittreksel van de huwelijksakte bij een huwelijk tussen personen van gelijk geslacht. Dat wordt verklaard door het feit dat de conventie nog dateert uit een tijd waarin huwelijken tussen personen van gelijk geslacht niet voorkwamen.
Er zijn inmiddels echter twee hoopvolle ontwikkelingen zowel binnen de ICBS als in EU-kader, waarop Nederland nadrukkelijk heeft aangedrongen. In het kader van de ICBS wordt al enige tijd gewerkt aan een revisie van Conventie nr. 16. Dat gaat Conventie nr. 34 worden, waarin geactualiseerde modelformulieren zijn opgenomen. Modelformulier nr. 3 maakt het uitdrukkelijk mogelijk om een internationaal meertalig huwelijksuittreksel ook af te kunnen geven in geval van een huwelijk tussen personen van gelijk geslacht. Het voornemen is om deze herziene conventie het komend najaar vast te stellen op de Algemene Vergadering van de ICBS. Verder is er inmiddels in EU-kader een Commissievoorstel gepresenteerd over, kort gezegd, de bevordering van een vrij verkeer van bepaalde openbare akten, waarover de Kamer onlangs via het reguliere BNC-fiche is geïnformeerd (COM 213(228) van 24 april 2013, Kamerstukken II 2012/2013, 22 112, nr. 1628). Bijlage III daarvan bevat eveneens een modelformulier voor een internationaal meertalig huwelijksuittreksel dat straks binnen de hele Unie ook bij een huwelijk tussen partners van gelijk geslacht kan worden gebruikt. De onderhandelingen over dit instrument verkeren echter, in tegenstelling tot het ICBS-overleg, nog in een zeer pril stadium.
Heeft de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) inmiddels een voor alle gemeenten uniform model ontwikkeld waarmee de burger in de gelegenheid is om het bestaan van zijn huwelijk in internationaal verband aan te tonen?
Ja, de Nederlandse Vereniging van Burgerzaken heeft inmiddels een voor alle gemeenten uniform model ontwikkeld, dat kan dienen als meertalig internationaal uittreksel waarmee partners van gelijk geslacht het bestaan van hun huwelijk kunnen aantonen. Het betreft hier een aanpassing van het huidige door de Internationale Commissie voor de Burgerlijke Stand ontwikkelde meertalige modelformulier. Bijgevolg mogen autoriteiten van derde landen daaraan bewijskracht toekennen, maar zijn zij daartoe rechtens niet verplicht. De NVvB streeft naar een landelijk gebruik van het modelformulier per 1 oktober as. De Commissie voor advies inzake aangelegenheden betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit heeft daarop omwille van de uniformiteit, laatstelijk in haar vergadering van 4 juni jl., aangedrongen. De ICBS is, conform de suggestie van de adviescommissie, inmiddels geïnformeerd over de ingebruikname van voornoemd modelformulier.
Bestaan er nog verschillen tussen paren van ongelijk en paren van gelijk geslacht als het gaat om het aantonen van hun huwelijk in internationaal verband? Zo ja, waar bestaan die verschillen uit en hoe kunt u die weg nemen?
Het belangrijkste verschil is dat er momenteel op grond van de ICBS Conventie nr. 16 uit 1976 een internationaal aanvaard meertalig modeluittreksel bestaat om huwelijken tussen personen van verschillend geslacht aan te tonen. Voor een huwelijk tussen personen van gelijk geslacht bestaat een dergelijk modelformulier momenteel echter nog niet, zij het dat daaraan zowel binnen de ICBS als in de EU hard wordt gewerkt. In afwachting daarvan moet in deze gevallen vooralsnog worden volstaan met de afgifte van het door de NVvB ontwikkelde modelformulier.
Het bericht dat een tandarts die in Duitsland uit zijn ambt is gezet in Den Haag een spoor van vernieling achterlaat |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een tandarts, die in Duitsland uit zijn ambt is gezet, in Den Haag een spoor van vernieling achterlaat?1 Klopt het dat deze man in de jaren negentig uit zijn ambt is gezet in Duitsland, en bij verstek tot negen maanden is veroordeeld?
Ik vind de berichtgeving over de praktijken van deze tandarts zorgelijk. Het klopt dat deze tandarts in de jaren negentig, voordat hij naar Nederland kwam, in Duitsland gedurende een aantal jaren zijn bevoegdheid is ontnomen en bij verstek tot negen maanden is veroordeeld.
Alleen buitenlandse bevoegdheidsbeperkende maatregelen die van kracht zijn kunnen worden overgenomen in het BIG-register. Wanneer een buitenlandse zorgverlener in Nederland een aanvraag indient voor inschrijving in het BIG-register moet hij daarbij een verklaring overleggen van de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst dat tegen hem geen bevoegdheidsbeperking van kracht is.
Toen de tandarts in 2003 werd ingeschreven in het BIG-register was er geen bevoegdheidsbeperking (meer) tegen hem van kracht in Duitsland. Daardoor kon deze tandarts in het BIG-register worden ingeschreven.
Hoeveel mensen zijn gedupeerd door onverantwoord medisch handelen van deze tandarts? Hoeveel meldingen zijn bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) binnengekomen? Hoe heeft de IGZ op deze meldingen gereageerd? Hoe lang is de IGZ van deze casus op de hoogte?
Het is niet bekend hoeveel mensen gedupeerd zijn door onverantwoord medisch handelen van deze tandarts. De IGZ heeft aangegeven tot juni 2013 in totaal 36 meldingen over de tandarts te hebben ontvangen. De eerste melding is in 2006 ontvangen. In de laatste twee maanden werden 18 meldingen ontvangen. Dit is een sterke toename. Ook constateert de IGZ dit jaar een toename van de ernst van de meldingen.
Gelet op de aard van de ontvangen signalen en meldingen en de door de IGZ geconstateerde tekortkomingen heeft de IGZ eind 2012 verbetermaatregelen aan de tandarts opgelegd. Toen bleek dat hij hier onvoldoende gevolg aan gaf heeft de IGZ bij brief van 10 juni 2013 een bevel opgelegd dat de tandarts geen tandheelkundige zorg mag verlenen, totdat hij aantoont dat hij, naar het oordeel van de IGZ, verantwoorde zorg kan aanbieden. Ik ben van mening dat de IGZ er goed aan heeft gedaan deze maatregel op te leggen om zo de veiligheid van patiënten te beschermen. Dit is in lijn met de scherpere koers die de IGZ begin 2013 heeft ingezet waarbij meer nadruk wordt gelegd op handhaving.
Hoe is het mogelijk dat deze tandarts in het BIG-register vermeld staat en dus ongehinderd aan het werk kan, als het klopt dat hij in Duitsland uit zijn ambt is gezet?2
Zie het antwoord op vraag 1.
Was de IGZ op de hoogte, als het klopt dat de desbetreffende tandarts in Duitsland uit zijn ambt is gezet? Zo ja, waarom heeft deze tandarts toch zijn werk in Nederland kunnen voortzetten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat de IGZ niet op de hoogte was van de achtergrond van deze tandarts?
Zie het antwoord op vraag 1. Het BIG-register stelt de IGZ op de hoogte van de overname van buitenlandse bevoegdheidsbeperkende maatregelen. Daarvan was hier op het moment van inschrijving in het BIG-register geen sprake waardoor zowel het BIG-register als de IGZ niet op de hoogte was van de achtergrond van deze tandarts.
Hoe lang heeft deze tandarts ongestoord zijn werk kunnen doen in Nederland? Hoe kan het dat de IGZ al die tijd niet heeft ingegrepen?
Zie de antwoorden op vraag 1 en 2.
Kunt u garanderen dat de betreffende tandarts zijn werkzaamheden niet elders kan voortzetten en ook in Nederland wordt geroyeerd zodat hij het vak van tandarts of arts niet meer kan uitoefenen, als de berichten uit Duitsland op waarheid berusten? Kunt u die garantie afgeven voor Nederland en de rest van Europa? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen?
Momenteel mag de tandarts in Nederland geen tandheelkundige zorg verrichten vanwege het bevel dat de IGZ heeft opgelegd (zie het antwoord op vraag 2). Het bevel is inmiddels aangetekend in het BIG-register en openbaar gemaakt op de online lijst «Maatregelen Wet BIG» op www.bigregister.nl. Het BIG-register stuurt die lijst periodiek aan de andere lidstaten van de Europese Unie. De Duitse autoriteiten zijn daarnaast per brief over het bevel geïnformeerd.
Of de tandarts in een ander land het beroep mag uitoefenen wordt bepaald door de nationale regelgeving van ieder land. Binnen Europa kennen slechts enkele landen een systeem zoals Nederland dat buitenlandse bevoegdheidsbeperkende maatregelen automatisch worden overgenomen. De meeste landen maken een afweging of ze die maatregelen overnemen. Op Europees niveau bepleit ik dat lidstaten elkaars bevoegdheidsbeperkende maatregelen overnemen.
Hoeveel mensen zijn financieel gedupeerd door de oplichtingspraktijken van deze tandarts? Gaat u de betreffende tandarts opsporen en vervolgen voor het oplichten van patiënten? Wordt/is het Openbaar Ministerie hierbij ingeschakeld?
Naar aanleiding van klachten heeft de Klachtencommissie van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) geconstateerd dat er sprake was van onjuiste declaraties. Het is niet bekend hoeveel mensen hierdoor zijn gedupeerd. Het Openbaar Ministerie heeft in overleg met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) besloten om geen strafrechtelijk onderzoek te starten naar mogelijke fraude met declaraties door de tandarts. Zij geven hiervoor als reden aan dat het in dit specifieke geval zeer moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn om de mogelijke fraude aan te tonen omdat dan achteraf zal moeten worden vastgesteld welke behandelingen precies hebben plaatsgevonden. Zij wijzen daarbij ook op het medisch beroepsgeheim. Daarnaast is van belang dat de tandartspraktijk inmiddels is gesloten. De NZa zal patiënten met foutieve declaraties doorverwijzen naar de curator van de failliet verklaarde praktijk in Den Haag waar de tandarts praktijkeigenaar van was.
In een komende wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) worden de mogelijkheden voor zorgverzekeraars verruimd om bij vermoedens van onjuiste declaraties formele en materiële controles uit te voeren, waaronder het inzien van individuele cliëntendossiers als dat noodzakelijk is om vast te stellen of de declaratie terecht is. Daarmee ontstaat een afdoende wettelijke regeling om praktijken van onjuiste declaraties aan te pakken.
Hoe beoordeelt u het handelen van de IGZ in deze kwestie? Heeft zij voldoende adequaat en doortastend gehandeld om zoveel mogelijk gezondheidsschade, toegebracht door deze tandarts, te voorkomen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.