Het niet uitnodigen van zzp-vertegenwoordigers bij het Catshuis-overleg met de sociale partners van 21 november jl. |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van het lid Aartsen van 20 september jl. over het niet betrekken van zelfstandigen zonder personeel (zzp-)organisaties bij de totstandkoming van het regeerprogramma?1
Ja.
Welke organisaties waren er uitgenodigd voor het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl.? Klopt het dat zzp-organisaties niet zijn uitgenodigd voor dit overleg met sociale partners?
21 november jl. heeft op het Catshuis een overleg plaatsgevonden met de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER) en de voorzitters van de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties (FNV, CNV, VCP, VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland), verenigd in de Stichting van de Arbeid (StvdA). Deze organisaties hebben onder hun leden ook zelfstandigen. Er zijn voor dit overleg echter geen organisaties uitgenodigd die enkel zelfstandigen vertegenwoordigen.
Wat is de reden dat zzp-organisaties niet zijn uitgenodigd voor het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. ondanks de eerdere vragen van de VVD-fractie over het standaard betrekken en volwaardig erkennen van zzp-organisaties als onderdeel van de sociale partners?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de stem van zelfstandigen goed vertegenwoordigd is in de contacten van het kabinet met de polder. De Minister van SZW voert daarom regelmatig gesprekken met zelfstandigenorganisaties over beleid dat hun raakt, zoals de wetsvoorstellen Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz) en Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en de handhaving op schijnzelfstandigheid. Ook vanuit de StvdA worden zelfstandigenorganisaties betrokken bij voor hen relevante vraagstukken. Evenzo worden bijvoorbeeld jongeren- of ouderenorganisaties, brancheorganisaties, of pensioenuitvoerders betrokken als zij belanghebbenden zijn.
Tegelijkertijd zijn er ook overleggen in de polder waarbij de onderwerpen van meer algemeen sociaaleconomische aard zijn en het aangewezen is centrale organisaties uit te nodigen. Het Catshuisoverleg op 21 november jl. was daar een voorbeeld van.
Deelt u de mening dat zzp’ers en hun vertegenwoordigers een volwaardig onderdeel zijn van de sociale partners? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Is het kabinet bereid om bij ieder overleg dat zij voert met «de polder» en «de sociale partners» ook vertegenwoordigers van zzp’ers uit te nodigen voor deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Beleid dat raakt aan zelfstandigen kan niet tot stand komen zonder dat zelfstandigen, als volwaardige gesprekspartners, hierbij betrokken worden. Zoals bij vraag 3 is aangegeven gebeurt dit in de praktijk ook.
Wat het kabinet betreft maakt dat het echter niet noodzakelijk dat zelfstandigen altijd, en ongeacht de agenda, bij ieder gesprek met de sociale partners worden uitgenodigd. Een breed sociaaleconomisch overleg op hoofdlijnen van beleid – zoals het recente Catshuisoverleg – voert het kabinet in principe met de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties. Zoals gezegd hebben deze organisaties ook zelfstandigen in hun achterban.
Is het kabinet ermee eens dat het door het kabinet gebruikte argument, dat zzp’ers onderdeel zijn van de SER en in die hoedanigheid door de SER worden vertegenwoordigd, een zeer zwak en oneerlijk argument is aangezien werkgeversorganisaties en vakbonden óók in de SER zitten en zij wel standaard separaat worden uitgenodigd? Zo nee, waarom niet?
Wat het kabinet betreft is de redenering andersom. Het kabinet voert breed sociaaleconomisch overleg primair met de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties. In sommige gevallen is het handig en verstandig als hierbij ook de SER-voorzitter aansluit.
Dat neemt niet weg dat het goed is dat zzp-organisaties binnen de SER een duidelijker gemarkeerde positie hebben gekregen, ondermeer via het aanwijzen van zetels in de Raad voor zzp-organisaties.
Welke onderwerpen zijn er zoal besproken tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl.? Was er van tevoren een agenda opgesteld? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zijn er notulen of verslagen gemaakt van dit overleg? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer?
Het kabinet hecht waarde aan een goede relatie met de Stichting van de Arbeid en de SER, voor advisering over, en afstemming van sociaaleconomisch beleid, ook vanwege de vertaling naar cao-afspraken op sectoraal- en bedrijfsniveau. In sommige gevallen, zoals bij de afspraken over de vroegpensioenregeling leiden dit soort overleggen tot concrete uitkomsten, waar het kabinet de Kamer in dat geval uiteraard over informeert. In dit geval betrof het een informele uitwisseling, zonder specifieke agenda, noch formeel verslag, die vooral gericht was op het bouwen aan een constructieve relatie richting de verdere regeerperiode van dit kabinet.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. gesproken over het arbeidsmarktpakket van het kabinet en het SER-MLT advies? Zo ja, wat is hierover gewisseld? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
In het kader van de informele uitwisseling van aandachtspunten is stilgestaan bij de stand van zaken van het arbeidsmarktpakket, waar uw Kamer bij brief van 22 november jl. over geïnformeerd is2. Er is afgesproken hierover in 2025 verder te spreken.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. gesproken over het opheffen van het handhavingsmoratorium van de Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA)? Zo ja, wat is hierover gewisseld? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Er is in algemene zin stilgestaan bij de opheffing van het handhavingsmoratorium en de vragen die leven over de (mate van) handhaving per 1 januari a.s. Er zijn geen afspraken gemaakt met betrekking tot dit onderwerp. Het is goed hierbij op te merken dat de Minister van SZW vertegenwoordigers van zelfstandigen in oktober apart gesproken heeft over de wet Vbar en de opheffing van het handhavingsmoratorium.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. gesproken over het wetsvoorstel Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ) en een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering van zelfstandigen? Zo ja, wat is hierover gewisseld? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Er is kort stilgestaan bij de uitvoeringsproblemen van de BAZ, waar uw Kamer ook over geïnformeerd is bij de brief van 22 november jl.3 Er zijn geen afspraken gemaakt met betrekking tot dit onderwerp. Het is goed hierbij op te merken dat op 7 november jl. apart bij de uitvoeringsproblematiek is stilgestaan in een overleg van de Minister van SZW met de Stichting van de Arbeid en vertegenwoordigers van zelfstandigen.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. gesproken over de wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) en wetgeving over de positie van zelfstandigen op de arbeidsmarkt? Zo ja, wat is hierover gewisseld? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Er is in algemene zin stilgestaan bij de stand van zaken van het wetsvoorstel Vbar, mede in relatie tot het bredere arbeidsmarktpakket. Er zijn geen afspraken gemaakt met betrekking tot dit onderwerp. Het is goed hierbij op te merken dat de Minister van SZW vertegenwoordigers van zelfstandigen in oktober apart gesproken heeft over de wet Vbar en de opheffing van het handhavingsmoratorium.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. gesproken over pensioenonderwerpen die raken aan de positie van zelfstandigen? Zo ja, wat is hierover gewisseld? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Nee, dit is niet aan de orde geweest.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. gesproken over de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in het Uber versus FNV-arrest? Zo ja, wat is hierover gewisseld? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Nee, dit is niet aan de orde geweest.
Is er tijdens het Catshuisoverleg met de sociale partners van 21 november jl. vanuit het kabinet uitvoering gegeven aan de motie Smals/Van Beukering-Huijbregts2 om zzp’ers ook onderdeel uit te laten maken van de Stichting van de Arbeid? Zo nee, waarom niet?
Het overleg van 21 november jl. betrof een overleg met de Stichting van de Arbeid, niet over de Stichting van de Arbeid.
De StvdA is een privaatrechtelijke organisatie, waarbij het bestuur zelf bepaalt welke organisaties aangesloten (kunnen) zijn. Overigens heeft de StvdA eerder (naar aanleiding van de motie Smals / Van Beukering-Huijbregts) laten weten zichtbaarder te zullen maken langs welke wegen de belangen van zelfstandigen worden meegenomen en te bezien of een meer structureel overleg met zelfstandigenorganisaties een meerwaarde kan hebben5. In dit kader heeft de StvdA onder meer aangegeven samen met enkele zelfstandigenorganisaties themabijeenkomsten te organiseren, bijvoorbeeld over het thema duurzame inzetbaarheid. Daarnaast hebben de bij de Stichting aangesloten organisaties met regelmaat overleg met zelfstandigenorganisaties. Tegelijkertijd blijft de positie van zelfstandigen in de polder wel een aandachtspunt voor het kabinet, ook in de contacten met de Stichting en de SER.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Wachtlijsten voor genderzorg |
|
Lisa Westerveld (GL), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mutsaersstichting beperkt genderzorg tot Limburg: honderden cliënten raken wachtlijstpositie kwijt»?1
Ja.
Kunt u samen met gemeenten inventariseren hoeveel personen per regio en uitgesplitst naar volwassen of minderjarig op dit moment op de wachtlijst staan voor genderzorg? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp, dus ook genderzorg. Cijfers over aantallen wachttijden en gemiddelde wachttijden worden daarom niet landelijk bijgehouden. De landelijke Aanpak Wachttijden ondersteunt in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Vereniging Nederlandse Gemeenten jeugdzorgregio's bij het aanpakken van onderliggende oorzaken van wachttijden in de instroom, doorstroom en uitstroom van jeugdzorg. Hierbij wordt breed gekeken naar de hele jeugdzorg.
Alhoewel de decentralisatie van genderzorg de afgelopen jaren heeft gezorgd voor een aanbod verspreid over het land, zijn transpersonen die een medische transitie wensen afhankelijk van een beperkt aantal centra en klinieken. Dit betekent dat de wachtlijst per regio beperkte informatie biedt, omdat mensen zorg zoeken door het hele land.
Voor wat betreft de hulp aan volwassenen met gendervraagstukken zijn er lange wachttijden tot de intake van psychologische transgenderzorg. Samen met de voormalig Kwartiermaker Transgenderzorg hebben de zorgverzekeraars de afgelopen jaren inspanningen geleverd ten aanzien van de wachttijden in de transgenderzorg, maar blijft meer nodig om de wachttijden te laten dalen. Vanwege de toename van toegankelijkheidsvraagstukken blijft de zorgplicht van de zorgverzekeraar aandacht vragen.
De Transgender Wegwijzer (een samenwerking van Transvisie en Transgender Netwerk)2 geeft een overzicht van de plekken waar vormen van (specialistische) genderzorg en ondersteuning worden verleend en hier staan, voor zover die bekend zijn, ook de wachttijden voor hulp aan volwassenen op.
Kunt u samen met gemeenten inventariseren wat de gemiddelde wachttijd per regio is voor (specialistische) genderzorg? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt de constatering van de Mutsaersstichting dat de aangekondigde kabinetsbezuinigingen op de jeugdzorg ook transgenderzorg zullen treffen? Zo ja, hoe rijmt dit met de uitspraak dat «kwetsbare jeugdigen moeten kunnen rekenen op tijdige en passende hulp»?2
Binnen de jeugdhulp zijn geen specifieke middelen voor genderzorg gealloceerd. De middelen voor deze zorg lopen, net zoals de middelen voor jeugdhulp in brede zin, via de algemene uitkering van het Gemeentefonds naar gemeenten. Zij bepalen vervolgens hoe deze middelen het best ingezet kunnen worden kijkende naar de inwoners in hun gemeente. Over het totaal van de uitgaven aan jeugdhulp heb ik afspraken gemaakt met gemeenten in de Hervormingsagenda. In deze agenda is er structureel extra geld voor jeugdhulp bijgekomen, maar hebben we ook afgesproken maatregelen te nemen om te zorgen dat de uitgaven afnemen en het stelsel houdbaar wordt. In de Hervormingsagenda heb ik ook met cliënten, aanbieders, professionals en gemeenten afgesproken dat waar jeugdhulp nodig is, deze toegankelijk en beschikbaar moet zijn voor de meest kwetsbare jeugdigen en gezinnen. In dat kader nemen we diverse maatregelen. Zo is het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg dit voorjaar bij uw Kamer ingediend.
Welke concrete maatregelen zou u kunnen nemen om de Mutsaersstichting te ondersteunen? Bent u ook bereid hiervoor maatregelen te treffen? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor voldoende zorgaanbod voor jeugdigen en maken hierover afspraken met zorgaanbieders. In het geval van de Mutsaersstichting stond de financiële positie dusdanig onder druk dat de stichting en de Limburgse gemeenten onder begeleiding van de Jeugdautoriteit en conform het draaiboek «Continuïteit Jeugdhulp» een continuïteitsplan hebben opgesteld. Onderdeel van dit continuïteitsplan is dat de Mutsaersstichting zich meer gaat concentreren op haar kerntaken voor de gemeenten waar zij een contract mee heeft afgesloten. De gemeenten hebben daarnaast extra financiële middelen beschikbaar gesteld aan de Mutsaersstichting.
Het Ministerie van VWS heeft een subsidieregeling «continuïteit cruciale jeugdhulp» die gefinancierd wordt door gemeenten. Dit voorjaar heeft het Ministerie van VWS via deze subsidieregeling middelen toegekend na een aanvraag door de Mutsaersstichting.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om erop toe te zien dat de cliënten die op de wachtlijst stonden bij de Mutsaersstichting en niet terecht kunnen bij Genderhealthcare toch zo snel mogelijk passende hulp krijgen?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp, dus ook genderzorg voor cliënten die nu niet meer terecht kunnen bij de Mutsaersstichting en ook niet bij Genderhealthcare. De Mutsaersstichting geeft aan dat ze de jeugdigen die ze door deze keuze geen zorg meer kan verlenen, heeft verwezen naar een alternatief in de eigen regio of naar de gemeente in de eigen regio. De betreffende jeugdigen en/of ouders zijn door de Mutsaersstichting geïnformeerd. De cliënten die het betreft kunnen contact opnemen met hun eigen gemeente om na te gaan welke partij gecontracteerd is om deze hulp aan te bieden. Bij hulpvragen die hierin vastlopen kunnen ouders, jongeren, gemeenten en zorgverleners terecht bij het regionaal expertteam. Dit expertteam heeft als doel om voor elke jeugdige passende hulp te organiseren, ongeacht de complexiteit van de zorgvraag.
Kunt u reflecteren op de mate waarin de huidige financiering voor genderzorg afdoende is voor het verlenen van deze zorg?
Voor financiering van jeugdhulp zijn gemeenten verantwoordelijk. Binnen de jeugdhulp zijn geen specifieke middelen geoormerkt voor genderzorg. De middelen voor jeugdhulp in brede zin, lopen via de algemene uitkering van het Gemeentefonds naar gemeenten. Zij bepalen vervolgens hoe deze middelen het best ingezet kunnen worden. De AMvB reële prijzen Jeugdwet4 is sinds 1 juli van kracht. Deze helpt gemeenten en aanbieders om bij het opstellen van een contract tot een reële prijs te komen voor jeugdhulp.
Met name de capaciteit voor hulp aan jeugdigen met genderproblematiek is beperkt. Daarom is het, zoals ik ook in de beantwoording van uw eerdere vragen over dit onderwerp 5 heb genoemd, van belang dat meer kennis en expertise op het gebied van genderdiversiteit in de reguliere zorg en de bredere maatschappij beschikbaar komt, zodat jeugdigen ook bij anderen (zoals huisarts, POH of lokaal team) terecht kunnen met hun vragen. Dit vermindert de druk op de specialistische jeugdhulp.
Gelet op de recente problemen met bureauJIJ3, kunt u nader toelichten waar jongeren uit het zuiden van Nederland momenteel terecht kunnen voor genderzorg?
Jeugdigen met een hulpvraag op het gebied van genderproblematiek kunnen zich melden bij hun gemeente, die verantwoordelijk is voor het toe leiden naar passende hulp.
Kunt u een concreet en helder tijdsplan aanleveren van de oprichting van het Landelijk Platform Transgenderzorg en per wanneer verwacht u dat deze van start zal gaan?
Onderdeel van de door het Ministerie van VWS ingezette koers voor transgenderzorg voor zowel jeugdigen als volwassenen, is de oprichting van een coördinerend gremium transgenderzorg (Landelijk Platform Transgenderzorg). Het doel van dit platform is de samenwerking en coördinatie tussen partijen in de transgenderzorg en daarmee ook toegankelijkheid tot zorg structureel te verbeteren. Bij dit platform is zowel de eerste, tweede als derde lijn betrokken. De verwachting is dat dit platform nog dit jaar met de werkzaamheden kan gaan starten. Op dit moment worden de voorbereidingen getroffen voor de oprichting van een stichting en het afronden van de notariële akte en statuten.
Kunt u nader toelichten wanneer de Kamer de door het Landelijk Platform Transgenderzorg te ontwikkelen werkagenda kan verwachten?
De voorbereiding voor de totstandkoming van het Landelijk Platform Transgenderzorg is op dit moment in volle gang. Prioriteit is het oprichten van een stichting. Zodra de stichting is opgericht wordt er zo spoedig mogelijk een werkagenda opgesteld. Verwachting is dat deze werkagenda in het eerste kwartaal van 2025 kan worden vastgesteld.
De uitspraken van de minister van Infrastructuur en Waterstaat in het wetgevingsoverleg Water van 18 november 2024 |
|
Geert Gabriëls (GL), Suzanne Kröger (GL), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de volgende uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de overstromingen in Valencia in het wetgevingsoverleg Water van maandag 18 november 2024? «Kijk, de wetenschap is interessant en belangrijk, maar de wetenschap over het weer of het klimaat is ook nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Vandaar dat we allerlei scenario's hebben, die enorm uit elkaar lopen want ook de wetenschap weet dit niet precies.» «Het weer is wat er op een bepaald aantal dagen gebeurt. Dat is niet het klimaat. Dat is een weerfenomeen. Vandaar dat ik zeg dat je het weerfenomeen dat gezorgd heeft voor de overstromingen, die we ook in Nederland kunnen krijgen, niet per se «klimaatverandering» kunt noemen. Daarbij ken ik de situatie in Valencia niet. Ik weet niet of daar in de bouw of in de ruimtelijke ordening iets gebeurd is wat niet had moeten gebeuren. Je ziet wel dat er op heel veel plekken in de wereld gebouwd wordt op een manier waarop risico's op overstroming bewust worden genomen. Dat heeft ook niet per se met klimaatverandering te maken, want dat zijn risico's die altijd kunnen voorkomen.»
Ja.
Deed de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze uitspraken namens het hele kabinet en dus ook namens u?
Uitspraken gedaan door bewindspersonen zijn altijd namens het kabinet, tenzij expliciet aangegeven.
Bent u bekend met het feit dat het radicaalrechtse Vox in Spanje de watersnoodramp in Valencia gebruikt om desinformatie te verspreiden, onder meer door een hoax te verspreiden over vermeende sloop van dammen in de regio Valencia op bevel van de Europese Unie, terwijl er in werkelijkheid geen enkele dam is afgebroken die de watersnoodramp in Valencia had kunnen voorkomen?1
Ja.
Onderschrijft u dat u met bovenstaande uitspraken ook twijfel zaait over de rol van klimaatverandering bij de overstromingen in Valencia?
Nee. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft aan de situatie in Valencia niet te kennen en doet geen specifieke uitspraken over de situatie en de mogelijke verklaringen. Wel wil het kabinet bevestigen dat het belang van de wetenschap wordt ondersteund, juist ook rondom maatschappelijke opgaven zoals klimaatverandering.
Bent u bekend met onderzoeken, onder meer van de Universiteit van Oxford, die concluderen dat het verspreiden van desinformatie een beproefde techniek is van «klimaatobstructie», omdat het creëren van onzekerheid zorgt voor minder bereidheid tot ingrijpen?
Ja.
Bent u het ermee eens dat u met deze uitspraken ook bijdraagt aan het creëren van onzekerheid en dus klimaatobstructie?
Nee. De positie van het kabinet ten aanzien van klimaatverandering is duidelijk.
In het Regeerprogramma staat dat er wordt vastgehouden aan de bestaande klimaatafspraken en het kabinet zich committeert aan de verplichtingen die volgen uit (inter)nationale wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en biodiversiteit en klimaat.
Het kabinet staat daarnaast pal voor de waarde van wetenschap als aanjager van kennis en innovatie en met grote waarde in de aanpak van maatschappelijke uitdagingen zoals de klimaatproblematiek. Het Intergovernemental Panel on Climate Change (IPCC) bevestigt op basis van veel verschillende onderzoeken dat de frequentie en zwaarte van zware weersomstandigheden worden beïnvloed door klimaatverandering. Ook de Nederlanse IPCC-auteurs bevestigen dit in hun open brief van 20 oktober 2023. Daarnaast geeft het kabinet in het Regeerprogramma aan dat de wetenschap een belangrijke pilaar is van onze democratische rechtsstaat en het kabinet zich er daarom voor blijft inzetten dat wetenschappers onafhankelijk en onpartijdig onderzoek kunnen verrichten en houdt de academische vrijheid hoog in het vaandel.2
Onderschrijft u dat het onwenselijk is als kabinetsleden desinformatie verspreiden of desinformatie desgevraagd niet ontkrachten?
Ja. Het kabinet geeft in het Regeerprogramma aan dat het zich inzet voor de bescherming van de kwaliteit van het publieke debat door het bestrijden van de effecten van desinformatie.3 Daarbij zijn feiten en wetenschappelijk onderzoek cruciaal.
Gaat u actie ondernemen om complottheorieën en desinformatie over klimaatverandering tegen te gaan? Zo ja, wat gaat u doen?
Het kabinet zet zich in om de burger te voorzien van betrouwbare informatie over klimaatverandering en tijdig te waarschuwen bij extreme weersvoorvallen via onafhankelijke kennisinstellingen zoals het KNMI, de Wetenschappelijke Klimaat Raad en PBL en tijdig te waarschuwen bij extreme weersvoorvallen door de nationale weerdienst KNMI.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en voor eind volgende week beantwoorden?
De gevolgen voor veiligheid van de aangekondigde grenscontroles |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) , Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel personeelstekort is er momenteel bij de Koninklijke Marechaussee (KMar)? Hoeveel extra fulltime-equivalent (fte) zijn er nodig om effectieve grenscontroles in te voeren? Denkt u dat het realistisch is om zoveel fte aan te trekken voor 9 december?
De Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft op dit moment, mede vanwege de huidige groei van de taken, te maken met een tekort aan personeel. Het kost tijd om nieuw personeel te werven, selecteren en op te leiden. Het huidige tekort is een momentopname en sterk onderhevig aan verandering. Daarom kan het benoemen van exacte aantallen een vertekend beeld geven. De uitvoering van de binnengrenscontroles zullen plaatsvinden op basis van de bestaande capaciteit van de KMar. Door het anders clusteren van personeel1 zet de KMar erop in om, binnen de bestaande capaciteit, effectief meer gerichte binnengrenscontroles uit te voeren. Het kabinet heeft voor de nabije toekomst financiële middelen vrijgemaakt ten behoeve van het versterken van het grenstoezicht. Dit betekent dat de KMar de komende jaren de middelen krijgt om de capaciteit te versterken. Deze versterking staat los van de recent aangekondigde binnengrenscontroles. Dit laat onverlet dat versterking van de KMar ten behoeve van grenstoezicht op termijn ook effect kan hebben op de capaciteit die beschikbaar is voor toezicht aan de binnengrenzen.
Waar zal de KMar minder moeten doen om personeel te kunnen leveren voor deze grenscontroles? Welk effect heeft dat op andere prioriteiten van dit kabinet met betrekking tot veiligheid? Op welke plekken zal bijvoorbeeld minder moeten worden beveiligd?
De KMar zal de binnengrenscontroles binnen de bestaande capaciteit uitvoeren, waardoor de impact naar verwachting beperkt zal zijn wat betreft verdringingseffecten voor andere taken van de KMar. Wel zet de KMar erop in om effectief meer gerichte controles uit te voeren door het anders clusteren van personeel1.
Zullen er in de praktijk meer of andere grenscontroles zijn dan normaliter in de decemberperiode, als grenscontroles worden opgevoerd vanwege de invoer van illegaal vuurwerk vanuit België en Duitsland?
Grenscontroles zullen zich conform de Schengengrenscode en het mandaat van de KMar primair richten op controle van personen die de grens passeren waarbij getoetst wordt of zij voldoen aan de toegangsvoorwaarden. De KMar plant controles niet in omwille van vuurwerkcontroles. Tegelijkertijd, als de KMar bij grenscontroles stuit op signalen die duiden op een strafbaar feit waar een andere handhavingsorganisatie mee belast is, bijvoorbeeld als het gaat om verboden invoer van goederen, kan de KMar doorpakken. Dit kan onder meer door de zaak over te dragen aan de desbetreffende organisatie.
Klopt het dat er bij de KMar zorgen bestaan over de aangekondigde grenscontroles vanwege het personele capaciteitsgebrek?
De binnengrenscontroles vinden plaats binnen de bestaande capaciteit.
Klopt het dat het extra geld dat wordt vrijgemaakt voor de KMar waarschijnlijk weinig soelaas zal bieden, aangezien het probleem vooral zit bij het vinden van voldoende mensen en niet zozeer bij een tekort aan financiële middelen?
De aanwending van extra financiële middelen die ter beschikking zijn gesteld door het kabinet, wordt momenteel uitgewerkt door de Ministeries van Defensie en AenM. Hierbij wordt ingezet op zowel extra personele KMar-capaciteit als inzet van technische en innovatieve middelen hetgeen kan bijdragen aan het bieden van soelaas. Er wordt hierbij rekening gehouden met het realisatie- en absorptievermogen van de KMar en de krapte op de arbeidsmarkt.
Klopt het dat er nog met geen enkele grensgemeente contact is geweest over de aangekondigde grenscontroles? Zo ja, hoe denkt u dan de uitvoerbaarheid van grenscontroles te waarborgen? En hoe kunt u voldoen aan uw belofte dat er geen onbedoelde gevolgen voor de economie zullen optreden als u de lokale input niet heeft meegenomen?
Nee, ik verwijs u hierbij naar mijn brief van 5 december jl. Zoals in de deze brief is aangegeven heeft de Minister van Asiel en Migratie de Tweede Kamer op 11 november jl. geïnformeerd over de herinvoering van binnengrenstoezicht. Graag verwijs ik u ook naar de antwoorden die ik heb gegeven op de vragen die door de leden Post en Sneller zijn gesteld ten aanzien van zorgen over de impact op de economie.2 Er zijn diverse contacten geweest met grensregio’s waaronder provincies en gemeenten, onder meer via een bestuurlijk overleg d.d. 3 december 2025. Daarnaast neemt het kabinet maatregelen om de impact van grenscontroles op de economie en de (grens)regio’s zo veel mogelijk te beperken en is het kabinet scherp op signalen vanuit de praktijk. Zoals aan uw Kamer eerder is medegedeeld, zullen de Nederlandse grenscontroles niet systematisch uitgevoerd worden. Bij de controles worden geen snelheidsbeperkende maatregelen genomen, tenzij strikt noodzakelijk. Ook heeft Nederland ervoor gekozen om geen doorlaatposten aan te wijzen wat inhoudt dat grensoverschrijdend verkeer gebruik kan blijven maken van de reguliere wegen van en naar onze buurlanden. Het kabinet verwacht daarom dat de huidige maatregelen voldoende zijn om de impact op de economie en grensregio tot een minimum te beperken.
Het bericht ‘Ommelander Ziekenhuis vraagt uitstel rente tot 2027, provincie weigert’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ommelander Ziekenhuis vraagt uitstel rente tot 2027, provincie weigert»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht en vind dit een zorgelijke ontwikkeling. Het is de verantwoordelijkheid van het ziekenhuis om samen met de zorgverzekeraar en andere betrokkenen een passende oplossing te zoeken. Via de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) volg ik deze ontwikkelingen.
Wat vindt u ervan dat de provincie het ziekenhuis nu te hulp schiet in plaats van uw kabinet?
Uit de berichtgeving maak ik op dat het hier een lening betreft voor de bouw van het ziekenhuis dat in 2018 is geopend. Deze nieuwbouw is betaald met leningen van onder meer de provincie, banken, zorgverzekeraar Menzis en het UMCG. Het ziekenhuis hoeft tot begin 2025 geen rente hoeven te betalen over de lening die het ziekenhuis van de provincie heeft gekregen, voor de bouw van de nieuwe locatie in Scheemda. Het betekent niet dat de provincie dit bedrag kwijtscheldt.
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven zet ik mij in om de randvoorwaarden voor het zorglandschap in Nederland aan te passen. Het kabinet werkt aan minder marktwerking in de zorg en toegankelijkere zorg in de regio.
Bent u bereid zelf de portemonnee te trekken om dit ziekenhuis te helpen zodat voorkomen wordt dat er straks nog een ziekenhuis onder uw verantwoordelijkheid wordt uitgekleed of zelfs verdwijnt?
Het ziekenhuis draagt allereerst zelf verantwoordelijkheid voor de financiële situatie en bedrijfsvoering. Als een zorgaanbieder financiële problemen heeft, moet hij samen met de zorgverzekeraar en andere betrokkenen een passende oplossing zoeken. Wanneer ziekenhuizen in financiële problemen (dreigen) te komen, en de continuïteit van de zorg in het geding dreigt te komen, gelden de Early Warning System (EWS)-afspraken. Op basis van deze afspraken doet een zorgverzekeraar een Early Warning Melding bij de NZa als zij risico’s ziet voor de continuïteit van zorg op de korte termijn. De NZa meldt dit vervolgens aan het Ministerie van VWS. Deze vroegsignaleringsafspraken hebben tot doel om tijdig te kunnen handelen en de continuïteit van zorg te waarborgen.
Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. Ik heb over Ommelander Ziekenhuis geen EWS-melding gehad. En van het Ommelander Ziekenhuis heb ik begrepen dat zij intensief en constructief overleg voert met de grootste zorgverzekeraar in de regio, Menzis.
Heeft u al contact gehad met het Ommelander Ziekenhuis? Zo ja, kunt u alle stukken ter voorbereiding van dit gesprek en de notulen van dit gesprek aan de Tweede Kamer sturen?
Naar aanleiding van de huidige Kamervragen heb ik contact opgenomen met het Ommelander Ziekenhuis en hun input is verwerkt in de beantwoording van deze vragen. Dat is ook gebeurd naar aanleiding van eerdere Kamervragen en daarover is in de zomer van 2024 telefonisch contact geweest met het Ommelander Ziekenhuis, over de financiële situatie waar zij zich in bevinden. Er zijn toen en ook nu geen onderliggende stukken uitgewisseld.
Welk plan heeft u klaarliggen om te voorkomen dat deze financiële situatie gevolgen gaat hebben voor patiënten en het personeel van het Ommelander Ziekenhuis in Scheemda?
Als een zorgaanbieder financiële problemen heeft, moet hij samen met de zorgverzekeraar en andere betrokkenen een passende oplossing zoeken. Zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg. Mochten zij risico’s zien die zij niet zelf tegemoet kunnen treden, dan melden zij dat bij de NZa op grond van het zogenoemde Early Warning Systeem. Dit systeem is er op gericht om ongecontroleerde faillissementen in de zorg te voorkomen.
De raad van bestuur van het Ommelander Ziekenhuis heeft mij laten weten dat het Ommelander Ziekenhuis met alle zorgverzekeraars goede contracten heeft afgesloten voor 2025. De patiënten van het Ommelander Ziekenhuis blijven daardoor verzekerd van toegankelijke en kwalitatief goede zorg in de regio. Daarnaast heeft Menzis het initiatief genomen om concreet samen met het Ommelander Ziekenhuis naar een duurzame, financiële oplossing toe te werken. In samenwerking met Menzis wordt een plan opgesteld, om op de lange termijn de toegankelijkheid van de medisch specialistische zorg in de regio te borgen. Dit plan zal ook worden afgestemd met de andere zorgverzekeraars en stakeholders van het Ommelander Ziekenhuis. Het gezamenlijke streven is dat het plan, voor een stabiele toekomst van het ziekenhuis, in het voorjaar van 2025 gereed is.
Wat heeft u geleerd van de situatie in Heerlen met betrekking tot uw houding richting inwoners en personeel dat tot veel woede heeft geleid?
Mijn houding richting de inwoners en personeel in Heerlen is zeer betrokken. Ik ben er tweemaal op werkbezoek geweest en heb met het ziekenhuis en de zorgverzekeraar CZ afgesproken dat als de personeelstekorten worden ingelost er zowel in Heerlen als Sittard-Geleen een ziekenhuis operationeel zal zijn met op beide locaties een SEH, IC, acute verloskunde en operatiekamers. Dit wordt meegenomen in het programma van eisen voor de nieuwbouw en bouwgrond in Heerlen. Zorgverzekeraar CZ is in dat geval bereid hiervoor de rekening op te pakken. Het ziekenhuis, de regio en ikzelf doen er alles aan de personele tekorten op te lossen. Het ziekenhuis stelt het op prijs als de politiek positiever over het ziekenhuis praat, zodat vestiging in de regio aantrekkelijker wordt. Ik zal dat doen. Er komt een prachtig, splinternieuw topklinisch ziekenhuis in Heerlen. Als meer artsen en verpleegkundigen zich in deze omgeving vestigen en de personele tekorten worden ingelost, dan zal er zowel in Heerlen als in Sittard-Geleen een ziekenhuis met een uitgebreide SEH, IC, acute verloskunde en operatiekamers zijn.
Ik wil kleinere ziekenhuizen in de stad en streekziekenhuizen in de regio relevant maken. Dat wil zeggen dat voor iedereen in Nederland zorg dichtbij beschikbaar is. Mocht er op enig moment een complexe operatie nodig zijn, dan wordt doorverwezen naar een hooggespecialiseerd ziekenhuis. De patiënt gaat zodra het kan weer terug naar het eigen ziekenhuis, waar de eigen specialist de zorg overneemt en naasten gemakkelijker op bezoek kunnen komen. Dit komt de toegankelijkheid van zorg voor patiënten ten goede. Om deze beweging te ondersteunen neem ik – binnen het zorgstelsel – verregaande stappen om het klimaat en de randvoorwaarden voor het zorglandschap in Nederland te veranderen. Ik ben de eerste Minister die onderdelen uit de marktwerking gaat halen. Met de maatregelen in het regeerprogramma zet ik in op een andere inrichting van het zorglandschap, waarbij streekziekenhuizen het uitgangspunt van beleid worden.
Bestuurders en zorgprofessionals van een ziekenhuis moeten altijd de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor het leveren van veilige zorg. Dat hierover bij wijzigingen in het aanbod, of bijvoorbeeld nieuwbouw van ziekenhuizen goed overleg plaatsvindt met personeel, inwoners en lokaal bestuur vind ik zeer belangrijk. Dit leggen we ook vast in de handreiking die we opstellen.
Deelt u de mening dat de verslechterde financiële situatie van ziekenhuizen een gevolg is van ons zorgsysteem waarin concurrentie in plaats van samenwerking tussen ziekenhuizen wordt aangemoedigd?
De financiële situatie van ziekenhuizen wordt door veel verschillende factoren bepaald. Het is te kort door de bocht om te zeggen dat concurrentie de oorzaak van een slechte financiële situatie is. Dat neemt niet weg dat ik vind dat concurrentie op sommige onderdelen niet bijdraagt aan een toekomstbestendig ziekenhuiszorglandschap. Daarbij staat gelijkwaardigere toegang tot goede en betaalbare ziekenhuiszorg, ongeacht hoeveel geld je hebt en waar je woont, voor mij centraal. Daarom werk ik onder andere aan budgetbekostiging van de acute zorg en zet ik in op meerjarige financiële afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Op die manier krijgen aanbieders een beter inhoudelijk en financieel perspectief voor de lange termijn.
Wat vindt u van het volledig ontbreken van democratische controle over particuliere instellingen die fungeren als publieke voorzieningen, zoals ziekenhuizen?
Ziekenhuizen zijn particuliere instellingen die een belangrijke rol vervullen in ons land. Zij leveren zorg aan mensen die dat nodig hebben en bieden werkgelegenheid, en daarmee inkomen. Zij moeten daarbij voldoen aan wetgeving die democratisch tot stand is gekomen. Dat is hoe het stelsel in Nederland is ingericht. Het is mijn verantwoordelijkheid om, via aanpassing van de randvoorwaarden, te sturen op een betere borging van de publieke belangen bij de inrichting van het zorglandschap. Zo zorg ik met de acties uit het regeerprogramma voor belangrijke aanpassingen in de regels voor de bekostiging van de acute zorg, en de regels voor spreiding van acute zorg en de verantwoordelijkheden die partijen daarbij hebben. Ik vind het daarbij belangrijk dat ziekenhuizen zich ervan bewust zijn dat zij in hun regio of stad een belangrijke functie hebben en dat zij in contact staan met lokaal bestuur en inwoners.
Welke plannen heeft u om te organiseren dat personeel, patiënten en de gemeentes democratische zeggenschap krijgen over onze ziekenhuizen?
Ik begrijp niet goed waar u op doelt. Zoals ik in het antwoord op vraag 8 heb aangegeven, moeten ziekenhuizen voldoen aan democratisch tot stand gekomen wetgeving. Misschien bedoelt u dat de politiek in ons stelsel niet gaat over het aanbod van ziekenhuizen en de politiek het maken van kwaliteitsstandaarden belegt bij zorgpartijen? Stel dat de politiek wel kon beslissen dat een ziekenhuis op een bepaalde locatie een uitgebreide SEH, afdeling acute verloskunde of IC moet open houden, maar er is niet voldoende personeel. Wat gebeurt er dan in het geval van een bevalling die uitloopt op een keizersnede en er is geen anesthesist? Dat zou leiden tot grote ongelukken en de politiek zou willen dat we overgaan tot het systeem dat we hebben.
Ik werk intussen aan een handreiking voor het overleg in de regio voor als een ziekenhuis nadenkt over het aanbod van zorg. Verder zal ik de regelgeving aanpassen die moet worden gevolgd als een ziekenhuis overweegt het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie in te perken. Dit alles moet leiden tot meer betrokkenheid van personeel, patiënten en gemeenten bij het maken van plannen voor, en bij besluitvorming over aanbod van (acute) zorg, en tot een goede weging van de belangen van betrokken partijen. Tegelijkertijd blijft het ziekenhuis, in overleg met de zorgverzekeraars, verantwoordelijk voor de zorg die het levert.
Het bericht dat de Mutsaersstichting genderzorg beperkt tot Limburg |
|
Patrick Crijns (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mutsaersstichting beperkt genderzorg tot Limburg: honderden cliënten raken wachtlijstpositie kwijt», en hoe beoordeelt u de gevolgen van dit besluit?1
Ja. Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is contact opgenomen met de Mutsaersstichting. De Mutsaersstichting geeft aan in haar continuïteitsplan te hebben opgenomen zich te gaan concentreren op zorg voor de populatie jeugdigen in Limburg. Dat betekent volgens de Mutsaersstichting dat jongeren van buiten de regio worden verwezen naar een alternatief in de eigen regio. De betreffende jongeren en/of ouders zijn hier door de Mutsaersstichting over geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het schrappen van genderzorg voor cliënten buiten Limburg een goede stap is en dat andere instellingen maatregelen zouden kunnen overwegen om de wachttijden in de jeugdzorg te verkorten? Zo nee, waarom niet?
Het besluit dat de Mutsaersstichting heeft genomen is onderdeel van haar continuïteitsplan. Hierin hebben meerdere redenen een rol gespeeld, verkorten van de wachttijden was daar een van.
Elke jeugdige verdient de juiste en passende zorg, ongeacht de hulpvraag. Er is een tekort aan hulp voor jeugdigen die vragen hebben over of die worstelen met hun genderidentiteit. Ik zet in op de verbetering van beschikbaarheid van jeugdzorg in het algemeen, onder andere door het wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid jeugdzorg en de aanpak wachttijden. Ik ben op mijn inzet op genderzorg ingegaan in mijn antwoorden op Kamervragen2 van 8 november jl., gesteld door de leden Westerveld en Slagt-Tichelman (beiden GroenLinks-PvdA). Daarin heb ik ook genoemd dat wordt gewerkt aan de totstandkoming van een Landelijk Platform Transgenderzorg. In dit platform wordt ook de toegankelijkheidsproblematiek geagendeerd. Tevens zijn in opdracht van het Ministerie van VWS webinars voor professionals georganiseerd om meer bekendheid te krijgen met deze vraagstukken, om zo druk op de specialistische genderzorg te verlichten.
Hoe gaat u voorkomen dat genderzorg, aangestuurd door ideologische keuzes, een onevenredig groot beslag legt op de beperkte capaciteit en middelen binnen de jeugdzorg?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak genderzorg wordt verleend zonder dat eerst een uitgebreide psychologische diagnostiek is uitgevoerd? En zo ja, welke maatregelen zal u nemen om te garanderen dat deze diagnostiek voortaan altijd zorgvuldig plaatsvindt?
Nee. Het is aan het zorgveld zelf om in professionele standaarden en richtlijnen invulling te geven aan de kwaliteit van zorg, ook voor transgenderzorg. Het is de IGJ die toezicht houdt op de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van zorg.
Voor transgenderzorg bestaan verschillende kwaliteitsstandaarden. Zo is er een Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch3 die recent is geëvalueerd en op dit moment wordt herzien. In deze kwaliteitsstandaard worden voorwaarden voor indicatiestelling beschreven, die per voorwaarde ook uitgebreid zijn toegelicht. Ook de Kwaliteitsstandaard Psychische Transgenderzorg4 benadrukt het belang van probleemverkenning als eerste stap bij personen die zich melden bij een GGZ-hulpverlener voor transgenderzorg. Hierin wordt expliciet benoemd dat het belangrijk is om te beseffen dat er een grote variatie aan hulpvragen is en dat wanneer psychische problemen een goede beoordeling in de weg staan, het van belang is dit eerst goed uit te zoeken voordat tot behandeling wordt overgegaan.
Deelt u de mening dat kinderen met problemen, zoals mishandeling en psychische klachten, voorrang moeten krijgen in de jeugdzorg boven genderzorg, en hoe gaat u dit waarborgen?
Het is aan professionals en gemeenten om te bepalen wie in welke volgorde hulp krijgt op basis van de zorgvraag. Jeugdigen met vraagstukken over hun gender ondervinden overigens vaak extra problemen in de maatschappij, zo is uit eerdere onderzoeken waarover uw Kamer geïnformeerd is5, naar voren gekomen. Door onder andere de soms beperkte acceptatie in hun omgeving (bijvoorbeeld door ouders of op school) hebben zij juist meer te maken met mishandeling en psychische klachten dan de gemiddelde populatie.
Welke maatregelen gaat u nemen om kinderen beter te beschermen tegen de groeiende invloed van genderideologie, zodat de focus weer komt te liggen op hulp aan kinderen met acute zorgvragen?
Ik ben van mening dat alle kinderen met acute zorgvragen, ongeacht hun gender of hun worsteling hiermee, moeten kunnen rekenen op tijdige en passende hulp.
Doorstroomlocaties |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Hoeveel doorstroomlocaties zijn er in 2025, 2026 en 2027 naar verwachting nodig voor het huisvesten van statushouders die niet kunnen uitstromen naar een woning? Hoe onderbouwt u deze cijfers?
Momenteel verblijven er 17.960 statushouders in de COA-opvang. De taakstelling 2025-I is vastgesteld op 17.700 te huisvesten statushouders. Dit aantal is berekend door te kijken naar de te verwachten inwilligingen in de periode 1 april 2024 tot en met 31 september 2024. Naar verwachting is op 1 januari 2026 circa 1 op de 2 COA-bewoners statushouder, bij ongewijzigd beleid. Het is de ambitie om voor een deel van deze groep een oplossing te vinden in de vorm van een doorstroomlocatie. Het precieze aantal doorstroomlocaties hangt af van de grootte van de locaties die in gebruik worden genomen en is op voorhand moeilijk te preciseren. Het kabinet is voornemens om de Huisvestingswet 2014 te wijzigen en onder andere een verbod op voorrang op sociale huurwoningen voor statushouders in te stellen, op grond van het feit dat zij statushouder zijn.
Op welke wijze gaan de nieuwe doorstroomlocaties («sobere, grootschalige locaties») verschillen van de bestaande doorstroomlocaties en de locaties waarover eerder met de VNG is gesproken? Wat wordt het verschil in grootte? En op welke wijze worden ze meer sober?
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en ik zullen, in overleg met de medeoverheden, tot een uitwerking komen van de plannen zoals genoemd in de brief Nadere afspraken ten aanzien van de uitvoering van hoofdstuk 2 van het Hoofdlijnenakkoord van 25 oktober jl.1 De opgedane ervaringen ten aanzien van de bestaande doorstroomlocaties worden benut bij de verdere uitwerking.
Met welke partijen heeft u reeds gesproken over deze doorstroomlocaties nieuwe stijl? Wat waren de reacties?
Er hebben reeds verkennende gesprekken plaatsgevonden met zowel de andere betrokken leden van het kabinet als met stakeholders en medeoverheden. De inbreng van betrokkenen worden in de verdere uitwerking meegenomen.
Per wanneer moeten de eerste doorstroomlocaties nieuwe stijl er komen? Is dat voorafgaand aan het schrappen van de taakstelling?
Het realiseren van doorstroomlocaties wordt, vanuit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van gemeenten en rijk, bevorderd. Hiervoor zullen de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in overleg met de medeoverheden met een samenhangend pakket komen.
Wat zijn de te verwachten kosten voor de benodigde locaties?
De financiering van de locaties en welke partij daarvoor verantwoordelijk is, is onderdeel van de nadere uitwerking. Indien hiervoor extra aanvullende middelen benodigd zijn dan zal besluitvorming hierover onderdeel zijn van politieke besluitvorming op passende momenten in aansluiting op de begrotingscyclus.
Is het de bedoeling dat deze kosten terecht komen bij het Rijk of bij gemeenten?
Zie antwoord vraag 5.
Als het antwoord op vraag 6 (deels) «het Rijk» is, hoe kan het dan dat deze kosten nog niet zijn opgenomen op de begroting van het Ministerie van Asiel en Migratie, noch op die van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening?
Zie antwoord vraag 5.
Als het antwoord op vraag 6 (deels) «gemeenten» is, heeft u hier dan al met gemeenten/de VNG over gesproken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe lang is de verwachting dat statushouders zullen verblijven op een doorstroomlocatie, ook in het licht van de plannen ten aanzien van het schrappen van de urgentieverklaring en de taakstelling voor huisvesting van statushouders?
De verwachte verblijfsduur van een statushouder op een doorstroomlocatie is op dit moment moeilijk te voorspellen. Deze is afhankelijk van het moment van het inwerking treden van het asielnoodmaatregelenpakket en de inhoud en timing van de voorgenomen wetswijzigingen.
Wat is uw verwachting ten aanzien van de integratie van statushouders wanneer mensen langdurig op een doorstroomlocatie verblijven?
Zoals ook aangegeven in het regeerprogramma vindt het kabinet het belangrijk dat statushouders snel participeren in de maatschappij. Werk is de basis van integratie en het deelnemen van statushouders aan de arbeidsmarkt vermindert krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit uitgangspunt wordt in de nadere uitwerking van de sobere voorziening dan ook expliciet meegenomen.
Als de doorstroomlocaties zo’n cruciale faciliteit worden in uw beleid, gezien uw eerdere uitspraken hierover en gezien het geprognotiseerde aantal statushouders dat moet worden opgevangen versus de begroting voor asiel de komende jaren, hoe kan het dan dat de uitwerking en bekostiging van deze doorstroomlocaties nog zo in mist gehuld is?
Zoals ook genoemd in het antwoord op de vragen 5, 6, 7 en 8 is de financiering onderdeel van de nadere uitwerking. Indien hiervoor extra aanvullende middelen benodigd zijn dan zal besluitvorming hierover onderdeel zijn van politieke besluitvorming op passende momenten in aansluiting op de begrotingscyclus.
Wilt u bovenstaande vragen een voor een beantwoorden?
De eerdere vragen 2024Z18293 |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een limitatieve lijst verstrekken van de Nederlandse normen en waarden zoals genoemd in uw eerdere antwoorden?1
De democratische rechtstaat is de basis van onze samenleving, vastgelegd in de Grondwet. Artikel 1, gelijke behandeling van iedereen en een verbod op discriminatie, artikel 6 waarin is opgenomen dat ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, en artikel 7, vrijheid van meningsuiting, zijn slechts een aantal voorbeelden van vastgelegde grondrechten in de Nederlandse Grondwet. Zaken die door iedereen onderschreven moeten worden.
In het Regeerprogramma heeft het kabinet aangegeven wat de belangrijkste waarden zijn. Het kabinet staat voor een open en vrije samenleving waarin waarden als vrijheid en gelijkheid door iedereen gedeeld worden. Deze waarden vormen de basis voor een tolerante en respectvolle omgang met elkaar, een samenleving waarin iedereen de kans krijgt om zich te ontplooien en waar je kunt zijn wie je bent. Maar ook een samenleving waar mensen opstaan als vrijheden onder druk komen te staan.
Kunt u een limitatieve lijst verstrekken van de «groepen mensen» én «diverse groepen» die volgens u de Nederlandse normen en waarden niet accepteren en/of respecteren, zoals genoemd in uw eerdere antwoorden?
Het is niet mogelijk om hier een limitatieve opsomming van te geven, want de samenleving is continue in beweging en integratie is niet statisch. Zie ook de recente cijfers in de Rapportage Integratie en Samenleving van het CBS, die over de tijd enorme ontwikkelingen laten zien.
De meeste mensen doen mee en zetten zich volop in voor de samenleving. Daarvoor heeft het kabinet veel waardering. Een deel van de mensen houdt zich niet aan de regels van de democratische rechtsstaat, met intolerante of onverdraagzame gedragingen of zet anderen daartoe aan. Dat accepteert dit kabinet niet. Zoals ook in eerdere beantwoording aangegeven komen deze gedragingen, zoals antisemitisme, helaas breed voor in de samenleving.
Hoe verklaart u de discrepantie tussen uw verwijt dat islamitische jongeren voor een «heel groot deel» de Nederlandse normen en waarden niet onderschrijven en uw eerdere stelling dat «een groot deel van de Nederlandse moslims» volop meedoet en «goed [is] geïntegreerd»? Bent u het eens dat allebei niet waar kan zijn?
Zoals ik eerder ook gesteld heb, doet het overgrote deel van de islamitische jongeren in Nederland gewoon mee. Ze volgen een opleiding of werken en doen mee aan het sociale leven. Het kabinet vindt dat we tegelijkertijd niet moeten wegkijken bij misdragingen en intolerant gedrag, dat net als binnen andere groepen, ook binnen deze groep voorkomt. Dat heb ik benoemd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang op maandag 25 november?
Ja.
De noodklok van de Wethoudersvereniging over onuitvoerbaar beleid |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat wethouders een cruciale rol vervullen in het bestuur van een gemeente?
Ja, tezamen met de leden van de gemeenteraad en de burgemeester vervullen de wethouders een cruciale rol in het bestuur van een gemeente.
Kunt u zich het gevoel van wethouders voorstellen die aangeven «Den Haag stelt zich steeds meer op als «alleenheerser» en daardoor zitten wij met onuitvoerbaar beleid»?1
Ik heb kennis genomen van de zorgen van de wethouders. Het is gebruikelijk bij de start van een nieuwe regeerperiode dat door de coalitiepartijen een regeerprogramma of regeerakkoord wordt opgesteld met ambities voor de komende jaren. Bij de totstandkoming van dit kabinet is gekozen voor een andere werkwijze dan gebruikelijk. Daarbij is eerst een hoofdlijnenakkoord tot stand gekomen en daarna een regeerprogramma. Teneinde deze plannen ook daadwerkelijk om te zetten in uitvoerbaar beleid, is het kabinet momenteel samen met de medeoverheden intensief in gesprek in onder andere het Overhedenoverleg. De intentie van het kabinet is gericht op de continuering van een goede samenwerking tussen partijen.
Ik heb uw kamer per brief geïnformeerd over de uitkomsten van dit Overhedenoverleg en over het proces richting Voorjaarsnota (Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 B, nr. 22). Daarnaast vind ik het van belang dat bij nieuwe wetsvoorstellen (organisaties van) decentrale overheden worden uitgenodigd om door middel van een formele consultatie hun inbreng te leveren. Voorafgaand daaraan wordt sinds 2023 als verplichte kwaliteitseis in het Beleidskompas een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden uitgevoerd (UDO), waarbij de decentrale overheden zo vroeg mogelijk in het beleidsproces meedenken over de vormgeving van het nieuwe beleid dat hen raakt.
Kunt u invoelen dat het richting wethouders lastig uitlegbaar is dat zij eerst op tal van inwonersavonden vol in de wind hebben gestaan omdat zij hebben moeten pleiten voor de opvang van asielzoekers als gevolg van de spreidingswet, maar dat zij nu de opdracht vanuit het Rijk krijgen om weer terug te gaan en te zeggen dat het allemaal toch niet nodig is?
Dat wethouders de koerswijziging lastig vinden, is mij bekend. Tegelijkertijd zullen wethouders, als politieke ambtsdragers, zich ook bewust zijn van het feit dat de landelijke verkiezingen en gewijzigde politieke verhoudingen consequenties kunnen hebben voor eerder gevoerd beleid.
Bent u van mening dat dit gedrag van de Rijksoverheid naar haar decentrale overheden getuigt van een betrouwbare overheid?
Decentrale overheden hebben altijd te maken met wetgeving die verandert op basis van voortschrijdend inzicht of andere politieke keuzes. Het kabinet is zich er van bewust dat het inspelen op die veranderende omstandigheden niet altijd makkelijk is en dat het een groot beroep doet op de veerkracht van decentrale bestuurders zoals wethouders.
Deelt u de zorgen van de Wethoudersvereniging dat lokale bestuurders onvoldoende betrokken worden bij beslissingen en dat deze beslissingen nu vaak genomen worden zonder grondige kennis over de problemen die dit oplevert in de lokale bestuurspraktijk?
Voor zover de Wethoudersvereniging het belang benadrukt van een voldoende betrokkenheid van de decentrale overheden bij de totstandkoming van rijksbeleid, deel ik dat belang zonder meer. Om die reden worden de mede-overheden ook actief betrokken bij de maatregelen die consequenties kunnen hebben voor decentrale overheden onder meer via de UDO en consultaties bij concept-wetsvoorstellen. Het kabinet staat open voor signalen die voortkomen uit de specifieke beroepsgroep van wethouders, zoals de brief van de Wethoudersvereniging. In overleg met onder andere de Wethoudersvereniging, wil ik verder verkennen hoe ik het overleg tussen het collectief van wethouders en het Ministerie van BZK wat structureler vorm kan geven, zodat de zorgen van wethouders in de toekomst nog beter in Den Haag op het netvlies staan.
Wat vindt u van de signalen dat de actiebereidheid onder wethouders groeit? Hoe wilt u voorkomen dat deze onvrede leidt tot verdere verslechtering van de relatie tussen het Rijk en de gemeenten?
Samen met de Wethoudersvereniging verken ik op welke manier tegemoet kan worden gekomen aan de zorgen uit de brandbrief. Als onderdeel van de actieagenda Sterk Bestuur2 werk ik tezamen met de verschillende beroepsgroepen, waaronder de Wethoudersvereniging, aan verdere versterking van decentrale volksvertegenwoordigingen en besturen. Tegen de achtergrond van de hoeveelheid wethouders die voortijdig stopt, heb ik bij brief van 4 september 2023 onder meer aangekondigd dat zal worden bezien of de wettelijke bepaling omtrent het maximumaantal wethouders en gedeputeerden aanpassing behoeft.3 Daarbij betrek ik tevens het fenomeen van deeltijd-wethouders.
Wat betreft de zorgen die nu zijn uitgedrukt in de brandbrief, overlappen zij deels met de zorgen over rechtspositie, waardering en werkdruk zoals die leven bij andere politieke ambtsdragers, zoals bijvoorbeeld raads- en Statenleden. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen in de specifieke rol en positie van de wethouder die zorgen dat de werkdruk toeneemt.4 Er zijn in 2024 225 wethouders teruggetreden.5 Ook kan het samenspel tussen de ambten extra complexiteit creëren. Daarom vind ik het van belang dat in samenhang wordt gekeken naar een waardevolle invulling van het politieke ambt, het samenspel, en de wethouder in het bijzonder. Mijn voornemen is medio 2025 de Tweede Kamer hier verder over te informeren.
Een tweede voornemen is in te zetten op een meer regulier overleg met afgevaardigden van wethouders, zodat de samenwerking wordt verbeterd en zorgen sneller gesignaleerd worden. Dit wil ik tezamen met de Wethoudersvereniging en de Vereniging Nederlandse Gemeenten gaan oppakken. Een eerste stap daarbij is het consequent en regulier organiseren van een Overhedenoverleg.
Ten derde wil ik onverminderd inzetten op de uitvoerbaarheid van beleid door gemeenten. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is daar de afgelopen jaar al veel werk verricht. Zo is begin 2023 de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) ingevoerd. Ik wil de komende jaren met medeoverheden het brede gesprek voeren over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht en gezamenlijk met hen sturen op een aantal bepalende gezamenlijke maatschappelijke opgaven.
Bent u het eens met de stelling van de Wethoudersvereniging dat gemeenten de laatste jaren steeds meer taken hebben gekregen, maar niet genoeg geld hebben om deze goed uit te voeren?
Ik ben bekend met de zorgen van gemeenten, met name op het terrein van de grote decentralisaties in het sociaal domein. We voeren als kabinet ook het gesprek met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), onder meer over de Hervormingsagenda Jeugd en de houdbaarheid van de Wmo.
In zijn algemeenheid is dit een complex vraagstuk. Ik begrijp de zorgen over de financiën; daarnaast ben ik ermee bekend dat bij gemeenten ook zorgen zijn over de arbeidsmarkt en de uitvoeringskracht. Naar aanleiding van het Overhedenoverleg heb ik aangegeven dat ik veel waarde hecht aan de balans tussen de ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarbij is bij het Overhedenoverleg van kabinetszijde erkend dat deze onder druk staat. Het gesprek daarover moet wel zorgvuldig en precies worden gevoerd en daartoe zijn ook concrete afspraken gemaakt. Het vraagstuk is ook complex omdat de middelen die gemeenten ontvangen voor hun takenpakket beleids- en bestedingsvrij zijn. Dit betekent dat gemeenten zelf besluiten over de allocatie van deze middelen en dat er geen 1-op-1 vergelijking kan worden gemaakt tussen de inkomsten voor en de uitgaven aan een specifieke decentrale taak. Bovendien is het vaststellen van het budget dat gemeenten nodig hebben voor het adequaat uitvoeren van taken geen exacte wetenschap, die op basis van een simpele rekensom kan worden vastgesteld.
Voor nieuw beleid geldt artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en in geval van medebewind gelden artikel 108 Gemeentewet en artikel 112 Provinciewet. Bij artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet geldt dat bij toekenning van een nieuwe taak ook gesproken moet worden over de dekking van de bijbehorende uitgaven. In geval van medebewind geldt dat de kosten, verbonden aan de uitvoering, voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten dan wel provincies blijven, door het Rijk aan hen worden vergoed.
Het kabinet streeft er naar om gedurende de regeerperiode met medeoverheden het brede gesprek te voeren over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht en om gezamenlijk met hen te sturen op een aantal bepalende gezamenlijke maatschappelijke opgaven.
Vindt u het verstandig de noodkreten van wethouders over het «ravijnjaar» 2026 naast u neer te blijven leggen, aangezien dit het zoveelste signaal is dat de nood heel hoog is en we aan de vooravond staan van de grootste bezuinigingen?
Het is zeker verstandig oor te hebben voor deze signalen. Gemeenten hebben de afgelopen jaren een grote rol gespeeld en spelen nog steeds een grote rol bij belangrijke maatschappelijke opgaven.
Het kabinet geeft gehoor aan dit signaal door als kabinet in gesprek te zijn en te blijven met de medeoverheden. Dit kabinet heeft als doel om gedurende de regeerperiode met hen het brede gesprek te voeren over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht en gezamenlijk met hen te sturen op een aantal bepalende gezamenlijke maatschappelijke opgaven. Zo heeft er op 21 november weer een Overhedenoverleg plaats gevonden en op 26 november een Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv).
In het Overhedenoverleg van augustus jl. is afgesproken om, waar het Regeerprogramma medeoverheden raakt, ambities en beleidsvoornemens gezamenlijk met medeoverheden uit te werken.
In het Overhedenoverleg van 21 november jl. is gesproken over de gevolgen van het regeerprogramma voor de medeoverheden en over de knelpunten in het huidige takenpakket en de werkwijze bij nieuwe taken of het wijzigen van bestaande taken. Voorts is gesproken over de mogelijkheid van een interbestuurlijke samenwerkingsagenda en over de stappen die we gezamenlijk kunnen zetten in de richting van het volgende Overhedenoverleg in februari.
Ik heb uw kamer per brief geïnformeerd over de uitkomsten van dit Overhedenoverleg en over het proces richting Voorjaarsnota.6
Beseft u dat gemeenten decentrale taken namens de Rijksoverheid uitvoeren en dat er op dit moment meer uitgaven worden gedaan dan het Rijk aan middelen daarvoor vergoedt, terwijl gemeenten bij dergelijke openeinderegelingen geen mogelijkheid hebben om deze kosten te beheersen?
Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven ben ik bekend met de zorgen van gemeenten. Het kabinet heeft als doel om gedurende de regeerperiode met de medeoverheden het brede gesprek te voeren over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht en om gezamenlijk met hen te sturen op een aantal bepalende gezamenlijke maatschappelijke opgaven.
Er lopen onder verantwoordelijkheid van de collega bewindspersonen van VWS trajecten met gemeenten op de WMO en de jeugdzorg om de beheersbaarheid en houdbaarheid te verbeteren. In het bijzonder wordt hierbij gekeken hoe de open-eind regeling van de WMO te beëindigen en naar de reikwijdte van de jeugdzorg.
Er geldt in zijn algemeenheid dat gemeenten onder andere via het gemeentefonds middelen ontvangen voor het uitvoeren van hun takenpakket. Deze middelen zijn beleids- en bestedingsvrij. Dit betekent dat gemeenten zelf besluiten over de allocatie hiervan en dat er geen 1-op-1 vergelijking kan worden gemaakt tussen de inkomsten voor en de uitgaven aan een specifieke decentrale taak.
Hoe staat dit in verhouding tot artikel 108 van de Financiële-verhoudingswet? Kunt u duidelijkheid geven wat de gevolgen zijn voor de Rijksbegroting indien deze tekorten alsnog bij het Rijk worden geclaimd?
De in de wet opgenomen uitgangspunten staan buiten kijf. In geval van medebewind gelden artikel 108 Gemeentewet en artikel 112 Provinciewet, waaruit volgt dat de kosten, verbonden aan de uitvoering, voor zover zij ten laste van de betrokken gemeenten dan wel provincies blijven, door het Rijk aan hen worden vergoed.
Zoals bij vraag 7 aangegeven gaat het om de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht en is het kabinet hierover in gesprek met medeoverheden.
Herkent u het signaal dat de gesprekken met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) over de gemeentefinanciën stroef lopen met weinig perspectief voor gemeenten? Zo ja, waarom wordt er niet meer gehoor gegeven aan de brede zorgen van onze decentrale overheden?
Het Kabinet voert constructief overleg met de VNG en ook met het Interprovinciaal overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW). Neem bijvoorbeeld het Overhedenoverleg op 21 november jl, met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen. Dat was geen gemakkelijk gesprek, maar het was wel een goed gesprek. Bij dat overleg was de wil aanwezig om er samen uit te komen. In maart volgt een nieuw Overhedenoverleg. Naast dit Overhedenoverleg vond in november ook een Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen plaats. Ik heb uw kamer over de uitkomsten van beide overleggen per brief geïnformeerd.7
Het bericht '‘Fuck de regels’: hoe spotgoedkope Chinese fatbikes Nederland worden binnengesmokkeld' |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid) , Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Fuck de regels»: hoe spotgoedkope Chinese fatbikes Nederland worden binnengesmokkeld»1?
De regering maakt zich vanuit verkeersveiligheidsoogpunt zorgen over het gebruik van illegale fatbikes op de openbare weg. Daarbij is het beeld dat geschetst wordt van de negatieve impact op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten van fatbikes, verontrustend.
Kunt u bevestigen dat illegale fatbikes, uitgerust met gashendels en te sterke motoren, op grote schaal worden geïmporteerd en verkocht in Nederland en dat deze voertuigen zowel gevaarlijk als verboden zijn op de openbare weg (zoals een gashendel met motorondersteuning boven de zes kilometer per uur)?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) vermoedt wel dat er ongekeurde bromfietsen worden geïmporteerd. Op dit moment worden door de ILT de handelsstromen in kaart gebracht. Er is te zien dat internethandel toeneemt en producten op korte termijn worden geleverd. Er is geen zicht op via welke lidstaat de ongekeurde bromfietsen Europa binnen komen.
Het is een elektrische fiets als de fatbike:
Het is een bromfiets als de fatbike:
Hoe verklaart u dat frauduleuze importpraktijken, zoals het opgeven van fatbikes als andere goederen, al jaren ook in Nederland mogelijk zijn terwijl douanecontroles in Nederlandse havens plaats zouden moeten vinden? Hoe gaat u hier tegen optreden?
Fatbikes moeten volgens de douane wet- en regelgeving bij invoer in de EU worden aangegeven met de goederencode voor elektrische fietsen. Over elektrische fietsen zijn invoerrechten en antidumpingheffingen verschuldigd. In het algemeen controleert de Douane douaneaangiften en de daarbij behorende goederen risicogericht op juistheid en volledigheid. Dat wil zeggen dat de Douane aan de hand van actuele risico-informatie aangiften en goederen selecteert voor controle. Daarnaast vinden er ook steekproefsgewijs controles plaats.
Als onderdeel van deze algemene controlestrategie, heeft de Douane profielen op aangiften die specifiek zien op het risico van het niet afdragen van invoerrechten en antidumpingheffingen bij invoer in de EU van elektrische fietsen, waaronder fatbikes. Als bij een douanecontrole blijkt dat een fatbike onjuist is aangegeven, dan moet de aangever alsnog het juiste bedrag aan invoerrechten en antidumpingheffing betalen. Bij fraude vindt overleg plaats met het Openbaar Ministerie over eventuele strafrechtelijke stappen.
Welk deel van de middelen en capaciteit wordt er momenteel specifiek ingezet op het controleren van de import van fatbikes, en welk percentage van de illegale handel weet u hiermee te onderscheppen?
De douane hanteert een integrale aanpak als uitgangspunt bij controles. Dit houdt in dat de douanier wanneer goederen worden gecontroleerd let op de naleving van alle wet- en regelgeving waarvoor de Douane is aangewezen als toezichthouder, ongeacht het risico dat aanleiding was voor de controleopdracht. Het is daardoor niet te zeggen hoeveel capaciteit de Douane inzet op de controles van fatbikes. Dit wordt niet afzonderlijk geregistreerd. Welk percentage van de illegale handel hiermee onderschept wordt, is op basis van douanedata evenmin te bepalen.
Bent u van mening dat de huidige capaciteit van de douane en van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) voldoende is om de grootschalige import en verspreiding van illegale fatbikes effectief tegen te gaan? Zo nee, hoe gaat u dit verbeteren?
De douanecontroles op de invoer van fatbikes in de EU via Nederland zijn onderdeel van de algemene risicogerichte controlestrategie op omzeiling van invoerrechten en antidumpingheffingen. De Douane maakt daarbij een inschatting waar de grootste risico’s zich voordoen – op basis van een risicoanalyse – en zet daar handhavingsinterventies in. Antidumpheffingen in het algemeen brengen grote risico’s met zich mee vanwege de grote bedragen die ermee zijn gemoeid. Zij vormen dan ook een prioriteit bij de Douane. De mate waarin wordt gecontroleerd specifiek op fatbikes is onderdeel van de controlestrategie. Deze controlestrategie wordt regelmatig geactualiseerd.
De Douane zet zich niet alleen in voor de fiscale belangen, maar ook voor de belangen van Nederland en Europa op het gebied van veiligheid, gezondheid, economie en milieu. Dit gebeurt in opdracht van tien ministeries, voor de handhaving van verschillende verdragen, verordeningen en nationale wet- en regelgeving. Prioriteiten in beleid en uitvoering worden dan ook samen met de opdrachtgevende departementen bepaald. Zo wordt de beschikbare capaciteit aan mensen en middelen verdeeld over de verschillende taken die de Douane uitvoert. Binnen deze structuur voeren het Ministerie van IenW en het Ministerie van Financiën gesprekken over verdere inzet van de Douane voor het toezicht op fatbikes die niet voldoen aan Europese producteisen, waaronder veiligheidseisen.
Vanuit de huidige capaciteit bij de ILT wordt intensief ingezet op het markttoezicht van ongekeurde bromfietsen. De vraag is of met extra inzet op dezelfde soort capaciteit meer wordt bereikt.
Kunt u uiteenzetten wat de gevolgen en consequenties zijn van de Europese waarschuwing dat de Ouxi V8 fatbike niet voldoet aan de Europese regelgeving en daarom van de markt gehaald moet worden?2
De ILT maakt zich als markttoezichthouder sterk voor een veilige, eerlijke en duurzame markt. Onderdeel van ons werk is om meldingen te maken richting de EU als de ILT ziet dat een product niet aan de voorwaarden voldoet. De Safety Gate is het Europees meldingen systeem voor gevaarlijke non-food producten. In dit systeem worden door de markttoezichtautoriteiten meldingen gedaan om andere lidstaten te informeren over gevaarlijke producten en opgelegde handelsbelemmeringen. Hoe een lidstaat hier opvolging aangeeft is verschillend. Maar in principe geldt dat het genoemde product (merk, type en batchcode) niet aan de gestelde veiligheidseisen voldoet en binnen heel de EU niet meer op de markt mag worden aangeboden. Het betekent voor Nederland dat dit product niet meer in de handel gebracht mag worden. Dus het product mag niet meer worden verkocht.
Bent u, met oog op deze Europese waarschuwing, van mening dat alle Ouxi V8 modellen niet langer op de Nederlandse openbare weg mogen rijden? Zo ja, hoe gaat u hier op handhaven en wat zijn de gevolgen voor consumenten?
Voor elektrische fietsen (fiets met trapondersteuning) gelden bepaalde voorwaarden om zonder goedkeuring op de openbare weg geplaatst of gebruikt te mogen worden. Het is in de eerste plaats van belang dat in het voortraject zoveel mogelijk wordt ingezet op toezicht om te voorkomen dat elektrische fietsen op de openbare weg komen die niet voldoen aan deze voorwaarden. Het is de taak van de ILT om illegale en ongekeurde voertuigen van de markt te weren. De ILT kan bijvoorbeeld constateren dat een hulpmotor een vermogen heeft van meer dan 250 watt. Indien dat het geval is, kunnen de voertuigen in beslag worden genomen voordat ze op de Nederlandse markt terecht komen. In het geval van de Ouxi V8 gaat het om een specifiek merk en typenummer waarvoor door de Safety Gate melding is gemaakt.
Indien een elektrische fiets die niet voldoet aan de voorwaarden toch op de openbare weg terecht komt, kan de politie handhavend optreden. De politie beschikt hiertoe over een rollenbanktest en kan een rijtest uitvoeren om te controleren of de trapondersteuning wel ophoudt bij 25 km/ u en of er geen mogelijkheid aanwezig is om zonder te trappen harder te rijden dan 6 km/u (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gashendel).
Bij een eerste constatering van overtreding volgt een boete met daarbij een waarschuwing dat bij een volgende constatering de elektrische fiets in beslag wordt genomen. Indien de overtreder zijn elektrische fiets op de openbare weg wenst te blijven gebruiken dan heeft hij de gelegenheid om ervoor te zorgen dat de elektrische fiets aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet. Indien dat niet gebeurt wordt bij een tweede constatering van de overtreding de elektrische fiets in beslag genomen.
Bent u voornemens om meer (vergelijkbare) fatbike modellen aan te dragen voor een Europees verkoopverbod? Zo ja, hoe gaat u om met nieuwe modellen die de markt nu betreden? Bent u bereid om al deze fatbike modellen te toetsen op de bestaande regelgeving?
De ILT is op dit moment niet voornemens andere modellen aan te dragen. Nieuwe modellen moeten steeds opnieuw worden beoordeeld.
Klopt het dat Nederlandse opsporingsdiensten slechts beperkte mogelijkheden hebben om online aanbieders van illegale fatbikes aan te pakken? Welke knelpunten heeft u geïdentificeerd en hoe wilt u deze aanpakken? Ziet u intensievere samenwerkingen met online marktplaatsen als een effectieve manier om deze handelaren effectief te kunnen vervolgen? Hoe kunt u dit vormgeven?
Voor markttoezicht in het algemeen geldt dat de plaatsen van aanbieden (zowel fysiek als online) steeds vaker niet te herleiden zijn tot een bedrijf of persoon. Uitzoeken wie verantwoordelijk is voor dit aanbieden is zeer arbeidsintensief en vereist vaak specialistische opsporings- en internettechnieken. Ook vindt het aanbieden steeds vaker plaats vanuit het buitenland, waar de Nederlandse toezichthouders geen bevoegdheden hebben. In dergelijke gevallen kan ILT hulp inroepen van de autoriteiten in de desbetreffende lidstaat. Ook heeft de ILT met bijvoorbeeld Marktplaats afspraken gemaakt om illegale producten van hun site te weren. De ILT breidt deze vorm van samenwerking steeds uit met andere platvormen.
In de samenwerking met platformen informeert ILT bijvoorbeeld over kenmerken van illegale producten. Hiermee zijn platformen beter in staat om aanbod van illegale fatbikes te weren. Evengoed hebben online platformen hier ook zelf een maatschappelijke verantwoordelijkheid in en moeten ze voldoen aan de Digital Service Act (EU-verordening).
Het zijn met name de kleinere websites waar moeilijk grip op te krijgen is. Dit zijn veelal dropshippers (rechtstreeks leveren aan klanten). Op het moment dat ILT zo’n soort website benadert om aan te geven dat het aanbod illegaal is, dan wordt het product of de website snel verwijderd om korte tijd later weer ergens anders op te duiken onder een andere naam.
Erkent u het groeiende probleem van handel in illegale fatbikes via sociale media, waardoor opsporing en handhaving complexer worden? Zo ja, overweegt u om de controle en aanpak van illegale handel op platforms zoals Instagram en TikTok te versterken, en hoe bent u dat van plan?
Het algemene beeld is dat het aanbieden van producten op steeds meer manieren plaats vindt, zoals ook via de sociale media. Het aanbieden van producten via deze media houdt niet direct in dat dit een product is dat niet aan de eisen voldoet. Om te beoordelen of een fatbike illegaal is en gezien moet worden als ongekeurde bromfiets zal het voertuig in feite fysiek beoordeeld moeten worden. Ervaring leert dat veel aanbieders op de website aanduidingen gebruiken die gelden voor een «fiets met trapondersteuning» en dat op afstand niet te beoordelen is of het voertuig als ongekeurde bromfiets gezien moet worden.
De ILT ervaart inderdaad dat opsporing en handhaving complexer worden. Bij platforms zoals Instagram en TikTok is de vluchtigheid van aanbod nog sterker dan bij reguliere websites. Accounts zijn zeer snel aangemaakt en weer verwijderd en dat maakt handhaving ingewikkeld. Voor het versterken van de handhaving en opsporing via social media platforms zijn naast het reguliere toezicht ook andere middelen en capaciteiten nodig.
Welke stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat antidumpingheffingen op fatbikes beter worden gehandhaafd en legale Nederlandse fabrikanten worden beschermd tegen oneerlijke concurrentie?
De douanecontroles op de invoer van fatbikes in de EU via Nederland zijn onderdeel van de algemene risicogerichte controlestrategie op omzeiling van invoerrechten en antidumpingheffingen. De Douane maakt daarbij een inschatting waar de grootste risico’s zich voordoen – op basis van een risicoanalyse – en zet daar handhavingsinterventies in. Antidumpheffingen in het algemeen brengen grote risico’s met zich mee vanwege de grote bedragen die ermee zijn gemoeid. Zij vormen dan ook een prioriteit bij de Douane. De mate waarin wordt gecontroleerd specifiek op fatbikes is onderdeel van de controlestrategie. Deze controlestrategie wordt regelmatig geactualiseerd.
Welke acties gaat u nemen om ervoor te zorgen dat consumenten zich bewust worden van de risico’s van illegale fatbikes, zowel op het gebied van veiligheid als mogelijke juridische consequenties?
Op 5 september heeft het Ministerie van IenW de campagne «’t kan hard gaan» gelanceerd, specifiek gericht op consumenten en gebruikers. Met deze campagne worden jongeren en hun ouders gewezen op de mogelijke juridische consequenties en de risico’s van opgevoerde e-bikes, waaronder fatbikes. Het Ministerie van IenW heeft zich samen met de campagnepartners (gemeenten, provincies en andere belanghebbende partijen) ingezet om deze communicatieboodschappen door het hele land heen te verspreiden. Via de verschillende kanalen zijn hiermee al meer dan drie miljoen mensen bereikt. Het voornemen is om deze communicatie inzet voor de zomer te herhalen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Verkeersveiligheid op 18 december a.s.?
Ja.
De gevolgen van de aangekondigde grenscontroles voor het vrachtverkeer |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV) |
|
|
|
|
Op welke wijze bent u door de Minister van Asiel en Migratie geraadpleegd bij het besluit over de invoering van grenscontroles? Kunt u aangeven op welke wijze en waar deze controles worden ingericht? Worden de controles op vaste plekken ingericht of worden er mobiele controles gehouden of een combinatie van beide?
Het kabinet heeft besloten tot het tijdelijk herinvoeren van de binnengrenscontroles als onderdeel van de nadere afspraken ten aanzien van de uitvoering van hoofdstuk 2 van het Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 van PVV, VVD, NSC en BBB. De Kamer is hierover geïnformeerd per brief op 25 oktober 20241. De relevante departementen, decentrale overheden en de KMAR hebben bestuurlijke afspraken gemaakt over de uitvoering.
Het is vanwege de doelmatigheid van de controles onwenselijk te publiceren waar de controles worden ingericht. De heringevoerde binnengrenscontroles focussen zich met name op de Nederlandse grens met België en Duitsland. Op de luchthavens worden alleen grenscontroles uitgevoerd op specifieke vluchten waarbij risico bestaat voor irreguliere migratie of grensoverschrijdende criminaliteit. De grenscontroles worden informatie- en risicogestuurd uitgevoerd om de economie en het woon-werkverkeer in de grensregio’s zo min mogelijk te hinderen. De grenscontroles worden dus niet systematisch ingevuld.
Kunt u bevestigen dat controles aan de grens met België steekproefsgewijs en zonder vaste controleplaatsen zullen plaatsvinden?1 Geldt hetzelfde beleid voor de grenzen met Duitsland? Wordt een verschil qua handhavingsintensiteit gemaakt tussen Duitsland en België?
De grenscontroles worden informatie- en risicogestuurd uitgevoerd. Dit betekent o.a. dat de locaties en intensiteit van de controles zullen afhangen van de risicoanalyses en de informatie van de KMar. Deze aanpak geldt zowel voor de Belgische als voor de Duitse grens.
Kunt u de financiële en logistieke gevolgen van grenscontroles voor het vrachtverkeer schetsen? Kunt u aangeven met welke vertraging vrachtbedrijven rekening moeten houden? Kunt u aangeven wat u een acceptabele wachttijd per grenspassage vindt?
Het kabinet beoogt wachttijden te voorkomen en neemt maatregelen om de economie en het woon-werkveer in de grensregio’s zo min mogelijk te hinderen. Grenscontroles kunnen desondanks gepaard gaan met wacht- en verwerkingstijden. Denk hierbij aan verwerkingstijden voor vervoersmiddelen met veel passagiers, zoals bussen. Nederland heeft kennis opgedaan door de Duitse grenscontroles en heeft dit meegenomen in het vormgeven van de eigen controles. Er worden in Nederland geen systematische controles uitgevoerd en de controles worden informatie- en risicogestuurd ingevuld. De Rijksoverheid onderhoudt hierover contact met de sector en de grensregio’s. Uit ervaring van de afgelopen periode blijkt dat de wachttijden zeer beperkt zijn.
Bent u bereid «Green Lanes» voor het vrachtverkeer in te richten om de wachttijd voor het vrachtverkeer tot een minimum te beperken? Zo ja, op welke wijze wilt u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Specifieke uitzonderingen doen af aan de effectiviteit en doelmatigheid van de controles. Het kabinet neemt maatregelen om de verwerkings- en wachttijden zoveel mogelijk te beperken. Dat geldt ook voor het vrachtverkeer om de economie zo min mogelijk te hinderen.
Kunt u garanderen dat het inrichten van grenscontroles niet ten koste gaat van het aantal beschikbare vrachtautoparkeerplaatsen aan grensovergangen?
De controle van geselecteerde voertuigen zal op verzorgingsplaatsen worden uitgevoerd. Deze verzorgingsplaatsen werden voor de heringevoerde binnengrenscontroles reeds gebruikt voor Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV). Er wordt voorzien dat de uitvoering van de heringevoerde controles beperkte invloed zal hebben op het aantal beschikbare parkeerplaatsen.
Kunt u bevestigen dat de Duitse grenscontroles tot kosten aan inrichtingsmaatregelen aan Nederlandse kant heeft geleid? Welk bedrag is hiermee gemoeid geweest? Op welke begroting zijn deze kosten verantwoord?
De Nederlandse staat heeft kosten gemaakt door maatregelen te nemen om het verkeer in goede banen te leiden. Tot op heden heeft dat Rijkswaterstaat circa 1,5 miljoen euro gekost. De controles zijn vooralsnog voor een half jaar aangevraagd waardoor deze kosten nog zullen oplopen. Het kabinet is over deze kosten in overleg met de Duitse overheid waarbij het tevens de inzet is te voorkomen dat deze kosten teveel oplopen. Het Ministerie van Asiel en Migratie heeft het voortouw in deze overleggen. De andere betrokken Ministeries: Binnenlandse zaken, Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en Infrastructuur en Waterstraat dragen hier aan bij.
Kunt u aangeven wat de kosten gaan zijn voor het fysiek inrichten van de grenscontroles aan Nederlandse kant? Kunt u garanderen dat deze kosten voor rekening van het Ministerie van Asiel en Migratie komen en niet ten koste gaan van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en/of het Mobiliteitsfonds?
In Nederland komen geen vaste controleposten, maar werkt de KMar met flexibele controles. Kosten volgen uit de inzet van KMar personeel en materieel zoals voertuigen en controleapparatuur. Om de controles doelmatig en veilig uit te voeren worden door Rijkswaterstaat op verzoek van de KMar aanvullende maatregelen geïmplementeerd. Ook daar zijn kosten mee gemoeid. De betrokken overheidspartijen maken onderling afspraken over de dekking van deze kosten.
Kunt u aangeven wat de procedure is als een illegale migrant in een vrachtwagen wordt aangetroffen en wat de consequenties voor chauffeur en het transportbedrijf zijn?
Dat kan per geval verschillen en is mede afhankelijk van de mate van betrokkenheid van de chauffeur of het bedrijf. In nader onderzoek zal bepaald worden of, en zo ja welke, strafbare feiten ten laste gelegd worden.
Hoe luidt uw reactie op het bericht dat door de Duitse grenscontroles twee dodelijke ongevallen te betreuren zijn, die een duidelijke relatie hebben met stilstaand verkeer op de snelweg als gevolg van deze controles?2 Hoe draagt u er zorg voor dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt door grenscontroles?
Ik heb met verdriet kennisgenomen van de twee dodelijke ongevallen. Elk ongeval is er één teveel en het is mijn inzet om met goede verkeersmaatregelen en informatieborden langs de weg ongevallen te voorkomen. Van langzaam rijdend verkeer is het bekend dat er een verhoogde kans op ongelukken bestaat. Of dit de enige oorzaak is zullen de lopende politieonderzoeken nog moeten uitwijzen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Verkeersveiligheid op 18 december aanstaande?
Dat is niet gelukt.
Vergunningverlening aan escortbureaus |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Berucht escortbureau Nirvana kreeg vergunning ondanks voor mensenhandel veroordeelde oprichter»?1
Ja.
Deelt u de mening dat veroordelingen voor mensenhandel in Nederland dan wel in een ander land moeten kunnen meewegen bij de beoordeling of een aanvraag voor een vergunning voor een escortbureau moet worden gehonoreerd? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit in de praktijk? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Uit onderzoek blijkt dat in zo goed als alle gemeenten seksbedrijven en escortbureaus vergunningplichtig zijn (respectievelijk 98,5 procent en 86,6 procent van de gemeenten).2 Gemeenten kunnen zelf bepalen, op basis van de openbare orde en veiligheid en bestemmingsplannen, welke eisen zij stellen aan seksbedrijven en escortbureaus bij een vergunningsaanvraag.
De praktijk leert dat gemeenten vaak in hun beleid opnemen dat bij een vergunningaanvraag van dergelijke bedrijven een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) wordt uitgevoerd. De Wet Bibob biedt de mogelijkheid om een vergunning te weigeren of in te trekken. Dat kan als uit het Bibob-onderzoek blijkt dat er een risico op misbruik van de vergunning bestaat, oftewel een ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt om strafbare feiten mee te plegen om crimineel voordeel mee te gebruiken. Het gevaar moet blijken uit feiten en omstandigheden die op zijn minst doen vermoeden dat de aanvrager of houder van de vergunning strafbare feiten heeft gepleegd. Ook informatie over zakelijke relaties wordt meegenomen. Veroordelingen voor mensenhandel of feiten en omstandigheden die doen vermoeden dat iemand zich schuldig maakt aan mensenhandel zijn bij dit type vergunningen in principe altijd relevant. Dit geldt ook voor veroordelingen in het buitenland.
Op welke wijze worden buitenlandse veroordelingen meegewogen bij de aanvraag van vergunningen waarvoor een Bibob-toets wordt gevraagd? Hoe worden deze veroordelingen gedeeld met de Nederlandse autoriteiten die betrokken zijn bij een Bibob-toets?
Informatie over buitenlandse veroordelingen kan worden meegewogen bij een Bibob-toets. Op dit moment bestaat de mogelijkheid om buitenlandse informatie op te vragen alleen voor het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Dit betekent dat een gemeente na het afronden van het eigen onderzoek aanleiding moet hebben om een adviesaanvraag te doen bij het LBB, bijvoorbeeld omdat een subject in het onderzoek in het buitenland heeft gewoond of een niet-Nederlandse nationaliteit heeft en er aanwijzingen zijn dat het betreffende subject in relatie staat tot strafbare feiten. Het LBB kan door tussenkomst van de officier van justitie de bevoegde buitenlandse autoriteiten verzoeken om strafrechtelijke gegevens over subjecten in het onderzoek te verstrekken.
In uw Kamer ligt momenteel een wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) voor, zodat het LBB ook het Europees strafregisterinformatiesysteem (ECRIS) en ECRIS TCN (Third Country National) kan raadplegen. ECRIS is een decentraal informatiesysteem voor de wederzijdse doorgifte van informatie over veroordelingen tussen de autoriteiten van de lidstaten van de EU. ECRIS TCN is een informatiesysteem om vast te stellen welke lidstaten over informatie over veroordelingen van burgers van derde landen beschikken. Gemeenten zullen met de wijziging van de Wjsg zelf geen toegang krijgen tot deze systemen en zullen dus altijd naar het LBB moeten voor een advies waarin het LBB eventuele internationale informatie kan betrekken.
Op welke wijze kan informatie over een vergunningaanvraag voor een seksbedrijf in de ene gemeente bekend worden bij een andere gemeente dan wel meegenomen worden in een Bibob-toets?
Er zijn verschillende manieren waarop gemeenten onder de Wet Bibob informatie met elkaar kunnen delen. Allereerst kan een gemeente het Bibob-register raadplegen. In het Bibob-register staan subjecten geregistreerd die in de afgelopen vijf jaar hebben bijgedragen aan een gevaarsconclusie van het LBB of van een gemeente. Als een gemeente vermoedt dat een vergunningaanvrager zich vanwege een Bibob-toets heeft teruggetrokken uit de procedure dan moet dit ook worden geregistreerd. Daarnaast kunnen gemeenten elkaar tippen als zij over informatie beschikken die erop duidt dat een subject in relatie staat tot strafbare feiten, en dat dit subject een vergunning heeft of -aanvraag wil doen.
Een hit in het Bibob-register of een ontvangen tip kunnen aanleiding zijn om een Bibob-onderzoek te starten, waarbij de beschikbare Bibob-informatie ook kan worden opgevraagd bij de gemeente die het eerdere onderzoek heeft gedaan.
Was tijdens de vergunningsaanvraag voor de in bericht genoemde escortbedrijf bekend dat er sprake was van een eerdere veroordeling wegens mensenhandel? Zo ja, waarom was dat geen weigeringsgrond voor de vergunningverlening? Zo nee, hoe komt het dat dat niet bekend was?
De gemeente Tilburg heeft aangegeven dat het op basis van het eigen beleid een Bibob-onderzoek heeft uitgevoerd bij de vergunningaanvraag, maar dat daarbij geen informatie naar voren is gekomen om de vergunning te weigeren. Evenmin was er aanleiding om een adviesaanvraag bij het LBB te doen. Wel wordt relevante, nu beschikbare informatie, meegenomen in een eventueel vervolgtraject. In dat kader verwijs ik naar de beantwoording van raadvragen over dit onderwerp door de burgemeester van Tilburg van 18 november 2024.3
Deelt u de mening van de Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven (VER) dat het in het bericht genoemde escortbureau niet meer actief zou mogen zijn in de escortbranche? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het verlenen van vergunningen aan seksbedrijven betreft een lokale aangelegenheid. Het past mij niet om in te gaan op een specifieke casus.
De gepresenteerde Agenda voor Werkend Nederland |
|
Thierry Aartsen (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de politiek meer moet opkomen voor mensen met een middeninkomen? Bent u ermee bekend dat recent onderzoek van I&O Research laat zien dat ook veel Nederlanders vinden dat de politiek meer moet opkomen voor mensen met een middeninkomen?1
Dit kabinet is er voor alle Nederlanders, en zeker voor werkenden met een middeninkomen. We zijn inderdaad bekend met het onderzoek van Ipsos I&O, waaruit blijkt dat 27% van de respondenten aangeeft dat de politiek meer moet opkomen voor mensen met een middeninkomen. Overigens geeft 37% van de respondenten in datzelfde onderzoek aan dat de politiek meer moet opkomen voor lage inkomens. Dat onderstreept dat het kabinet er moet zijn voor alle Nederlanders en dat het belangrijk is dat er in beleid sprake is van een gezonde balans tussen verschillende groepen, bijvoorbeeld met een evenwichtig koopkrachtbeeld.
Kunt u toelichten waarom u in uw Agenda geen hoofdstuk aan middeninkomens heeft gewijd? Op welke manier zorgt u ervoor dat bij (nieuw) beleid aandacht is voor werkende middeninkomens?
De Agenda voor werkend Nederland is ingedeeld naar beleidsdomeinen, juist omdat het kabinet een agenda voert die gaat over alle werkenden. De maatregelen die het kabinet neemt ondersteunen middeninkomens direct. Het gaat bijvoorbeeld over de herziening van het financieringsstelsel van de kinderopvangtoeslag, de hervormingsagenda vereenvoudiging inkomensondersteuning, de vereenvoudiging van het verlof en lastenverlichting door de introductie van een extra schijf in de inkomstenbelasting met een verlaagd tarief. Maar ook over leven lang ontwikkelen en mobiliteit.
Kunt u aangeven welke maatregelen uit uw Agenda voor werkend Nederland nieuwe maatregelen zijn die anders zijn dan reeds ingezet beleid?
Bij de schriftelijke vragen bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW2 is reeds op deze vraag ingegaan: «De Agenda voor werkend Nederland gaat in op de plannen van het kabinet voor werkenden. Het kabinet zet hier vol op in. Daarbij gaat het erom dat werken loont. Maar ook over dat mensen die werken zekerheid hebben en een goede combinatie van werk en privé. Het kabinet heeft een groot aantal acties in gang gezet voor werkend Nederland, zoals ook blijkt uit de brief aan uw Kamer.3 Denk bijvoorbeeld aan het arbeidsmarktpakket, de hervormingsagenda vereenvoudiging inkomensondersteuning en de vereenvoudiging van het verlofstelsel. De focus ligt nu op het uitwerken van die voorstellen, daar wil het kabinet de beschikbare capaciteit vol op inzetten. Het kabinet staat uiteraard open voor aanvullende suggesties. Daarbij geldt wel dat achter nieuwe beleid vaak uitruilen – bijvoorbeeld als het gaat om de inkomensverdeling – of budgettaire consequenties schuilgaan.»
Hoe geeft uw ministerie vorm aan de afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord dat alle genomen maatregelen «niet verder nivelleren»? Kijkt u hierbij ook naar staand beleid wat een nivellerend effect heeft?
In het hoofdlijnenakkoord (HLA) staan verschillende doelen genoemd. Zo wordt genoemd: «Er zijn nu maatregelen nodig die mensen direct merken in de portemonnee, waardoor ze meer loon naar werken krijgen. Maatregelen die gericht zijn op zekerheid en meedoen op de arbeidsmarkt, die niet verder nivelleren en tegelijkertijd (kinder-)armoede in Nederland voorkomen.»
Er is sprake van spanning tussen verschillende doelen. Daarom hebben deze doelen geen absoluut karakter, maar zoekt het kabinet bij al haar beleid een balans tussen de HLA-doelen.
Overigens heeft een groot deel van de uitgaven op de SZW-begroting een nivellerend karakter. Veel regelingen in de sociale zekerheid zijn immers bedoeld als ondersteuning bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom of het overlijden van een partner of ouder. Zonder die regelingen zouden mensen geen inkomen of een lager inkomen hebben. De SZW-begroting draagt daarmee bij aan het verkleinen van inkomensongelijkheid.
Kunt u alsnog ingaan op de werken-moet-lonennorm, waarbij werkenden er altijd meer op vooruit gaan dan niet-werkenden?
Het kabinet is gemotiveerd om werken lonender te maken en heeft hier ook concreet beleid voor aangekondigd. Zo introduceert het kabinet een extra schijf in de inkomstenbelasting met een verlaagd tarief, waardoor werken meer gaat lonen, en vereenvoudigt het kabinet de huurtoeslag. Daarnaast worden pieken in deze marginale druk weggenomen. Bovendien is werken moet lonen een belangrijk doel in de hervormingsagenda inkomensondersteuning.
Het kabinet volgt echter geen norm dat werkenden er altijd meer op vooruitgaan dan niet-werkenden. Dat laat te weinig ruimte om bij het opstellen van de begroting verschillende doelen te wegen. Een dergelijke weging heeft het kabinet ook afgelopen augustus gemaakt. Daarbij is het kabinet gekomen tot een evenwichtig koopkrachtbeeld. Daarom is ook op voorhand niet te zeggen welke kant het in de toekomst op bijgestuurd moet worden. Het kabinet beziet wel elk jaar de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen, en besluit vervolgens over eventuele maatregelen om ervoor te zorgen dat de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen in balans is.
Deelt u de mening dat stijgende prijzen de koopkracht van werkenden onder druk zetten? Op welke manier houdt dit kabinet de brandstof, energie en boodschappen betaalbaar?
Stijgende prijzen zetten de koopkracht van alle Nederlanders onder druk, zowel werkenden als niet-werkenden. Stijgende prijzen vormen een belangrijke reden voor het kabinet om beleid te voeren dat mensen direct merken in hun portemonnee. Zo introduceert het kabinet een extra schijf in de inkomstenbelasting met een verlaagd tarief, verhoogt en vereenvoudigt het kabinet de huurtoeslag, gaat het kindgebonden budget omhoog, is de verlaagde brandstofaccijns met een jaar verlengd, en wordt het eigen risico in de zorg meer dan gehalveerd. Ook werkenden hebben veel baat bij deze maatregelen.
Hoe past het in uw brief aanhalen van de meerurenbonus als voorbeeld om werken meer te laten lonen bij het feit dat er geen verdere stappen op dit dossier worden gezet? Klopt het dat alleen de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) hier nu serieus werk van maakt?
Het kabinet stimuleert meer uren werk en moedigt werkgevers aan om maatwerk hiervoor aan te bieden. Werkgevers kunnen hun personeel belonen voor voltijdwerk of het uitbreiden van uren. Een voltijd- of meerurenbonus moet rekening houden met (inter)nationale rechtsbeginselen zoals gelijke behandeling. Er moet sprake zijn van objectieve rechtvaardigheidsgrond, zoals beschreven in de beantwoording van de schriftelijke vragen bij de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW.4 Zo moet er een legitiem doel zijn en moet de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn om dat doel te bereiken. Het opnemen van afspraken in een cao kan bijdragen aan de objectieve rechtvaardiging van een voltijdsbonus of andere instrumenten die onderscheid naar arbeidsduur maken om meer uren werken te stimuleren. Bijvoorbeeld door te specificeren voor welke functies er krapte op de arbeidsmarkt is.
De mate van effectiviteit van het onderscheid naar arbeidsduur is daarnaast relevant voor de juridische legitimiteit. Daarom is het van belang om meer praktijkervaring op te doen om te zien wat het effect op de werktijdfactor is van zo’n bonus. In het primair onderwijs zijn er aanknopingspunten voor de objectieve rechtvaardiging vanwege de hoge tekorten en het maatschappelijk belang van de sector. De Staatssecretaris van OCW werkt daarom toe naar meer kennis over wat bewezen effectief is in het bieden van meerurenmaatwerk, inclusief een bonus. Mede daarom kijkt het kabinet met interesse naar de ontwikkelingen in het onderwijs, zodat andere sectoren hier mogelijk lessen uit kunnen trekken. Of een meerurenbonus gerechtvaardigd is, moet overigens van geval tot geval worden beoordeeld. Dat compliceert het om voor meerdere sectoren in één keer te onderzoeken, of in een brede hervorming mee te nemen, of een algemene voltijds- of meerurenbonus mogelijk is.
Tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW vroeg het lid Aartsen op 28 november hoe de Wet onderscheid arbeidsduur zich verhoudt tot andere onderscheiden die we maken in bijvoorbeeld het belasting- en toeslagenstelsel. Bij dit soort regelingen, zoals de algemene heffingskorting die het lid Aartsen noemde, wordt echter geen onderscheid gemaakt naar arbeidsduur, maar naar inkomen. De bepaling in het Burgerlijk Wetboek dat over onderscheid naar arbeidsduur gaat (artikel. 7:648 BW), gaat hier dus niet op. Een ander duidelijk verschil is dat belasting- en toeslagenwetgeving geldt voor álle belastingplichtigen/toeslaggerechtigden, en er bijvoorbeeld geen groep «voltijdwerkers» en «deeltijdwerkers» is zoals in de casus van een meerurenbonus. Maar net als bij een meerurenbonus, moet er ook binnen de belastingwetgeving een zekere ratio zitten achter het maken van onderscheid – in dit geval vaak naar inkomen. In bijvoorbeeld het antwoord op vragen van de leden van de fractie van D66 over de begroting van SZW5 en in de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 20256 is uitgebreider ingegaan op de voor- en nadelen van het inzetten van fiscale regelingen om meer uren werken te stimuleren.
Bent u bereid uzelf in te zetten om de meerurenbonus in heel Nederland te faciliteren? Deelt u de mening dat het wenselijk is dat werkgevers die hun personeel willen belonen voor fulltime werk dat moeten kunnen doen?
Zie antwoord vraag 7.
Gezien u schrijft dat het kabinet werkt aan een hervorming van het inkomens- en fiscale domein en dat «werken moet lonen» hier een uitgangspunt van wordt, bent u bereid een voltijdbonus mee te nemen in deze hervorming? Zo nee, waarom niet?
Het is al mogelijk om een voltijd- of meerurenbonus als werkgever te geven wanneer wordt voldaan aan de gestelde kaders. Of aan die kaders wordt voldaan, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Dat compliceert het om voor meerdere sectoren in één keer te onderzoeken, of in een brede hervorming mee te nemen, of een algemene voltijds- of meerurenbonus mogelijk is.
Werken moet lonen is inderdaad een van de hoofddoelen van de hervorming van de inkomensondersteuning. We zien dat o.a. door de hoge marginale druk meer werken minder loont dan we wenselijk vinden. Maar we streven ook naar meer eenvoud, dus minder instrumenten en fiscale regelingen. De mogelijke voor- en nadelen van het inzetten van fiscale regelingen om een algemene voltijds- of meerurenbonus te creëren, zijn uitgebreid beschreven in de Kamerbrief Agenda voor werkend Nederland. En in de reacties op het voorstel van D66 om een algemene bonus in de vorm van een aftrekpost te introduceren.7
Gezien u de WerkUrenBerekenaar van het Nibud noemt als een handig middel om te berekenen of meer werken loont, wat vindt u ervan dat dit hulpmiddel überhaupt bestaat en nodig is? Hoe ziet u een voltijdbonus als middel om de WerkUrenBerekenaar zo snel mogelijk overbodig te maken?
Het is een wenkend perspectief dat de rekensom zo eenvoudig wordt, dat werkenden snel kunnen inschatten wat een uur extra werken financieel oplevert, zodat een hulpmiddel niet meer nodig is. Het kabinet zet stappen in de richting van zo’n perspectief met de hervormingsagenda vereenvoudiging inkomensondersteuning, waarover met uw Kamer wordt gesproken.
Toch blijft de WerkUrenBerekenaar een handig en toegankelijk hulpmiddel om op individueel niveau financieel inzicht te krijgen. Dat is vaak een aanvulling op hulpmiddelen die werkgevers zelf bieden aan hun werknemers om dit uit te rekenen. Je kunt bijvoorbeeld eenvoudig rekening houden met vakantiegeld of een eindejaarsuitkering, die niet (altijd) op het maandelijkse loonstrookje zijn te vinden. Het Groeifondsprogramma Meer Uren Werkt! Zet ook in op het vergroten van financieel inzicht als één van de interventies.
In hoeverre neemt u de kosten voor kinderopvang, het bedrag wat niet wordt vergoed door de kinderopvangtoeslag, mee in de berekening van de marginale druk van huishoudens? Deelt u de mening dat juist dit component zorgt voor een zware marginale druk bij gezinnen waarvan beide ouders werken of willen werken?
Op dit moment wordt in de reguliere berekeningen van de marginale druk gedeeltelijk rekening gehouden met de kosten van kinderopvang. Voor huishoudens die kinderopvangtoeslag ontvangen, wordt namelijk rekening gehouden met de eventueel lagere kinderopvangtoeslag als gevolg van een lager vergoedingspercentage bij een hoger inkomen. In reguliere berekeningen wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van extra uren afgenomen kinderopvang (resulterend in een hogere factuur van de kinderopvangorganisatie). Dit hangt samen met het feit dat reguliere berekeningen van marginale druk zijn gebaseerd op de aanname dat het inkomen met 3% stijgt, wat neerkomt op een kleine inkomensschok, zoals een loonsverhoging. Meestal gaan mensen dan geen extra dag(deel) werken, waardoor het niet nodig is om extra uren kinderopvang af te nemen en er dus ook geen meerkosten zijn.8
Het is mogelijk om – in aanvulling op de reguliere berekeningen van marginale druk, gebaseerd op een inkomensstijging van 3% – de marginale druk inzichtelijk te maken bij een extra dag(deel) werken, waarbij rekening wordt gehouden met meerkosten door een hoger aantal uur kinderopvang. Het ligt dan wel voor de hand om deze berekeningen te maken voor een specifieke groep (bijvoorbeeld: huishoudens die gebruik maken van kinderopvang), gelet op het feit dat minder dan 1 op de 10 huishoudens gebruik maakt van kinderopvang. Dergelijke berekeningen zijn bijvoorbeeld gemaakt voor het rapport Marginale druk: op het randje van de mogelijkheden (figuur 11).9 En ook in recent onderzoek gepubliceerd in Economisch Statistische Berichten (ESB) zijn berekeningen gemaakt over de marginale druk van een dagdeel meer werken voor verschillende categorieën deeltijdwerkers, rekening houdend met kinderopvang.10 Kanttekening daarbij is dat dergelijke berekeningen aannames vereisen over het aantal uren kinderopvang dat ouders extra gaan afnemen bij een dag(deel) meer werken, het opvangtype (dagopvang, BSO of gastouderopvang) en het feitelijke uurtarief dat ouders betalen voor kinderopvang.
Verder is het bij berekeningen van marginale druk in specifieke voorbeeldberekeningen (over individuele situaties) uiteraard ook mogelijk om rekening te houden met meerkosten door een hoger aantal uur kinderopvang, gebaseerd op aannames over de individuele situatie. Dat doen we op dit moment overigens al. Bijvoorbeeld bij de berekeningen over de prikkels om te werken in de SZW-begroting (tabel 134 en 135 in de SZW-begroting 2025): daarin wordt bij de werkloosheidsval voor alleenstaande ouders rekening gehouden met netto-kosten van kinderopvang. Ook voor het besluitvormingsproces over de eerste tranche van het ingroeipad naar het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang is een set rekenvoorbeelden opgesteld, waarbij rekening is gehouden met netto-kosten van kinderopvang.11 Een derde voorbeeld is de brief over de voltijds- en meerurenbonus in het primair onderwijs, waarin een aantal rekenvoorbeelden is opgenomen over de mate waarin meer werken financieel gezien loont, rekening houdend met netto-kosten van kinderopvang.12
Het kabinet deelt overigens de mening dat kinderopvangkosten een forse bijdrage kunnen leveren aan de marginale druk van huishoudens die gebruik maken van kinderopvang. Dat is een van de redenen waarom het kabinet werkt aan de introductie van een nieuw financieringsstelsel voor kinderopvang met een hoge, inkomensonafhankelijke vergoeding voor alle werkende ouders.
Naar aanleiding van de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW heeft de Tweede Kamer de motie Aartsen aangenomen, die de regering verzoekt om bij de berekening van de marginale druk van werkenden ook de kosten van kinderopvang mee te nemen. Zoals hierboven aangegeven doet het kabinet dat al in specifieke voorbeeldberekeningen, en gedeeltelijk in reguliere berekeningen van marginale druk. Dit laatste geldt ook voor de tabellen over marginale druk in een van de bijlages bij het Belastingplan, waar het lid Aartsen naar verwees tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW. In die tabellen wordt wel rekening gehouden met de eventueel lagere kinderopvangtoeslag als gevolg van een lager vergoedingspercentage bij een hoger inkomen, maar geen rekening gehouden met de eventuele extra kosten van extra uren afgenomen kinderopvang (ook weer omdat de berekeningen zijn gebaseerd op een inkomensstijging van 3%). Het kabinet is niet voornemens om deze default aan te passen, gelet op de haken en ogen die eerder zijn genoemd, maar gaat wel na of het mogelijk is om in berekeningen voor specifieke voorbeeldsituaties vaker of beter rekening te houden met netto-kosten van kinderopvang, zoals in de SZW-begroting, Kamerbrieven of in reactie op Kamervragen.
Denkt u dat het oplossen van niet-gebruik van inkomensondersteuning voor werkenden armen een structurele oplossing is voor het probleem dat werkenden niet voldoende kunnen rondkomen? Welke structurele maatregelen gaat u nemen in de lastendruk specifiek voor deze groep?
Voor huishoudens die langdurig geen gebruik maken van regelingen, kan het oplossen van niet-gebruik een structurele oplossing zijn. Maar niet-gebruik is niet voor alle huishoudens de oorzaak van armoede. Er zijn ook andere mogelijke oorzaken, bijvoorbeeld het feit dat veel werkenden in armoede slechts weinig uren werken. De maatregelen die het kabinet heeft om meer uren werk te stimuleren, zoals uiteengezet in de Agenda voor werkend Nederland, hebben ook tot doel te bevorderen dat werkenden in armoede meer uren gaan werken. Het kabinet neemt verschillende maatregelen om werkenden met een lager inkomen te ondersteunen, zoals de introductie van een extra schijf in de inkomstenbelasting met een verlaagd tarief, de vereenvoudiging van de huurtoeslag en de verhoging van het kindgebonden budget. Een deel van deze maatregelen maakt meer uren werken ook financieel lonender, zoals de extra schijf in de inkomstenbelasting en de vereenvoudiging van de huurtoeslag.
Vindt u het feit dat de Rijksoverheid tot 20:00 uur bereikbaar is, voldoende handvatten biedt voor werkende mensen om publieke organisaties goed te kunnen bereiken?
De bereikbaarheid tot 20:00 uur geldt voor het centrale telefoonnummer van de overheid, 1400. De Rijksoverheid is via de digitale kanalen ook te benaderen na 20:00 uur. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) kijkt momenteel ook naar alternatieven zoals AI om altijd zoveel mogelijk informatie te kunnen geven gebaseerd op vragen van (werkende) burgers en ondernemers. In 2025 zullen hiertoe pilots worden uitgevoerd.
Uit onderzoek over de ervaren kwaliteit overheidsdienstverlening door burgers en ondernemers blijkt dat de tevredenheid over het contact met de overheid toenam in 2022 ten opzichte van 2020.13 Het gaat hierbij om contact met een overheidsdienst.
Hoeveel gemeentes en andere overheidsorganisaties zijn op dit moment bijvoorbeeld niet fysiek of telefonisch bereikbaar buiten reguliere werktijden? Deelt u de mening dat de extra middelen voor bereikbaarheid van de overheid ook voor werkenden ingezet moeten worden?
Overheidsorganisaties zijn zelf verantwoordelijk om hun dienstverlening dusdanig aan te passen zodat hun doelgroep hier gebruik van kan maken. Dit hangt af van het soort dienst dat geleverd wordt. Uit het naar hierboven verwezen onderzoek blijkt dat de tevredenheid over het contact van burgers en ondernemers met de overheid toenam in 2022 ten opzichte van 2020.
Gemeenten hebben over het algemeen avondopenstelling en sommige gemeenten zijn ook op zaterdag open. De dienstverlening voor burgers die digitaal plaatsvindt gaat altijd door in die zin dat aanvragen, afspraken en mails die worden gestuurd gedurende de openingstijden worden afgehandeld.
De middelen die beschikbaar komen voor onder andere de bereikbaarheid van de overheid worden ingezet voor onder meer doordacht gebruik van AI, zoals met de hierboven genoemde pilots. Hiermee wordt de bereikbaarheid van de overheid, ook die van uitvoeringsorganisaties, voor zowel burgers als ondernemers op alle tijdstippen vergoot.
Herinnert u zich uw toezegging aan het lid Aartsen gedaan bij de behandeling van het Belastingplan op 14 november 2024 waarbij u aangeeft dat ook de positie van zelfstandigen terugkomt in de Agenda voor werkend Nederland? Hoe heeft u hieraan invulling gegeven?
Het kabinet heeft veel aandacht voor zelfstandig ondernemers in Nederland. Ze voegen waarde toe aan onze economie. Het kabinet heeft zichzelf de opdracht gesteld om de balans op de arbeidsmarkt te herstellen. Dit vertaalt zich in een aanpak om het werken met en als zelfstandige toekomstbestendiger te maken. Die aanpak is gericht op duidelijkheid en meedoen op de arbeidsmarkt. Het kabinet werkt dit uit langs drie lijnen:
Dit is ook beschreven in de Agenda voor werkend Nederland.
Daarnaast staan er maatregelen in de Agenda voor werkend Nederland die voor alle werkenden gelden, dus uiteraard ook voor zelfstandigen. Zoals de koopkrachtmaatregelen, de hervormingsagenda vereenvoudiging inkomensondersteuning en de herziening van het financieringsstelsel van de kinderopvang.
Klopt het dat u in uw Agenda slechts verwijst naar reeds ingezet beleid rondom zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zoals de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) en het wetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR)? Deelt u de mening dat de verplichte AOV voor alle IB-ondernemers juist zorgt voor een verslechtering van de koopkrachtpositie van zelfstandigen? Deelt u de mening dat de huidige vorm van de wet VBAR juist zorgt voor onzekerheid bij zelfstandigen?
Zie voor de eerste vraag het antwoord op vraag 15.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of het kabinet de mening deelt dat de verplichte AOV voor alle IB-ondernemers juist zorgt voor een verslechtering van de koopkrachtpositie van zelfstandigen. Door de premiebetaling voor de AOV voor zelfstandigen is inderdaad sprake van een inkomensachteruitgang, indien het niet lukt om de premie (volledig) door te berekenen in tarieven. De inkomensachteruitgang door de premiebetaling wordt deels verzacht doordat de premie aftrekbaar is van het belastbaar inkomen. Tegenover de premiebetaling staat verder dat in het geval van arbeidsongeschiktheid zelfstandigen een uitkering ontvangen. Die uitkering voorziet in een inkomen op het moment dat iemand minder, of helemaal niet meer, door arbeidsongeschiktheid kan voorzien in zijn eigen inkomen. Daarom kan de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet worden gezien als enkel lastenverhogend voor een zelfstandige. Immers, met het betalen van de premie ontstaat recht op een uitkering en afhankelijk van vooral de concurrentiepositie en de marktmacht kan de premie mogelijk (deels) worden verrekend in de tarieven. Het verplichtende karakter van het wetsvoorstel BAZ draagt eraan bij dat IB-ondernemers hun premiekosten kunnen doorberekenen. IB-ondernemers kunnen namelijk hun concurrentiepositie op tarief niet meer verbeteren door zich niet te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid.
De Raad van State heeft het wetsvoorstel VBAR het oordeel «dictum B» gegeven. De Raad van State heeft uitgesproken dat er bij het onderdeel verduidelijking sprake is van codificatie van de huidige jurisprudentie. Het kabinet deelt dus niet de mening dat de huidige versie van het wetsvoorstel VBAR zorgt voor onzekerheid bij zelfstandigen. Er wordt juist beoogd een hanteerbaar toetsingskader op basis van de huidige jurisprudentie te introduceren. Het kabinet is voornemens de uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van prejudiciële vragen over de beoordeling van de werkrelaties van Uber-chauffeurs af te wachten. Als die uitspraak er ligt, zal de Kamer worden geïnformeerd over de gevolgen daarvan voor het wetsvoorstel, vooral voor het verduidelijkingsonderdeel.
Zelfstandig ondernemers gaan er komend jaar in koopkracht op achteruit, waarom heeft u de inkomenspositie van zelfstandigen niet nadrukkelijk meegenomen in uw Agenda voor werkend Nederland? Vindt u dat de overheid er ook moet zijn voor mensen die bewust kiezen om als zelfstandige te werken en hun bijdrage te leveren? Zo ja, wat doet u voor deze groep werkenden? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet heeft veel aandacht voor zelfstandig ondernemers. Voor zelfstandigen geldt dat zij relatief veel fiscale voordelen hebben, zoals de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Enkele jaren geleden is besloten om de zelfstandigenaftrek stapsgewijs af te bouwen tot € 900 in 2027, bedoeld om een gelijkere fiscale behandeling te bewerkstelligen voor mensen die werken als zelfstandige en mensen die werken in loondienst. Door de afbouw van de zelfstandigenaftrek gaat een deel van de zelfstandigen erop achteruit. Per saldo blijft echter nog steeds een fiscaal voordeel over voor zelfstandigen. Daarnaast hebben zelfstandigen ook veel baat bij de koopkrachtmaatregelen van dit kabinet, zoals de introductie van een extra schijf in de inkomstenbelasting met een verlaagd tarief en – indien zij daarvoor in aanmerking komen – de verhogingen van de huurtoeslag en het kindgebonden budget.
We richten ons als kabinet niet enkel op (de koopkracht van) zelfstandigen. We zoeken een balans tussen verschillende doelstellingen, waarbij we bijvoorbeeld ook rekening houden met kwetsbare zelfstandigen, onderlinge solidariteit en een gelijk speelveld tussen werknemers en zelfstandigen, en tussen zelfstandigen onderling. Het arbeidsmarktpakket draagt hieraan bij.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid?
In de beantwoording wordt waar relevant verwezen naar wat is gewisseld tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van SZW op 27 en 28 november 2024.
Het bericht 'Een derde van de schoolbestuurders laat zich maximaal belonen' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Een derde van de schoolbestuurders laat zich maximaal belonen»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel schoolbestuurders worden beloond tot vlak onder het wettelijke maximum van de Wet normering topinkomens en hoe beoordeelt u voorts dat in 51 gevallen de maximale norm werd overgeschreden?
Ik vind het belangrijk dat er zuinig wordt omgegaan met onderwijsgeld en dat bestuurders niet bovenmatig worden betaald. We hebben daarom ook een wet om dit te regelen. De WNT bevat voor het onderwijs verlaagde maxima die gebaseerd zijn op een uitgebalanceerde systematiek, waarbij een lager maximum geldt als de onderwijsinstelling wat aansturing en besturing betreft minder complex is.2 Onder dit maximum heeft de Raad van Toezicht (RvT) zelf de verantwoordelijkheid om de bezoldiging van de bestuurders vast te stellen. Dit mag vlak onder het toepasselijk maximum zijn. Ik ga ervanuit dat de RvT hierin een zorgvuldige afweging maakt. Consequentie van een bezoldiging op of vlak onder het maximum is echter wel dat de instelling voortdurend alert moet zijn op het niet overschrijden van het maximum.
Op basis van de gegeven motiveringen voor overschrijdingen zie ik dat er in de genoemde gevallen sprake is van zogenaamde «optische overschrijdingen». Dit zijn bijvoorbeeld nabetalingen van vakantiegeld of andere kosten die aan een eerder kalenderjaar toegerekend kunnen worden. In dat geval is dat volgens de wet, onder voorwaarden, toegestaan. Indien er wel sprake is van een overtreding dan kan de Inspectie van het Onderwijs handhavend optreden.
Klopt het dat er sinds 2022 een cao voor schoolbestuurders in het funderend onderwijs geldt en is u bekend welk effect dit heeft gehad op de salarissen van schoolbestuurders in het funderend onderwijs?
Het klopt dat er sinds 2022 een cao voor schoolbestuurders in het funderend onderwijs is. Voor die tijd waren er twee aparte bestuurderscao’s voor het po en het vo. De bestuurderscao vo is in 2011 in werking getreden en de bestuurderscao po in 2013. Omdat de bestuurderscao’s en de WNT in dezelfde periode in werking zijn getreden en er in deze periode ook andere ontwikkelingen zijn geweest, is er geen causale relatie vast te stellen tussen de inwerkingtreding van de bestuurderscao’s en de ontwikkeling van de bezoldiging van bestuurders.
Sinds invoering van de WNT en cao’s zien we dat het aandeel bestuurders met een bezoldiging boven het individueel toepasselijk maximum van de WNT is afgenomen. Tegelijkertijd is het aandeel bestuurders met een bezoldiging tussen 80–100% van het toepasselijk maximum toegenomen. De bezoldigingen van bestuurders in het funderend onderwijs lopen hierdoor minder uiteen dan daarvoor.
Trad deze cao, toen deze werd afgesloten, direct in werking voor alle schoolbestuurders in het funderend onderwijs of pas na het afsluiten van nieuwe arbeidscontracten?
De cao bestuurders funderend onderwijs hanteert een overgangsrecht dat vergelijkbaar is met het overgangsrecht van de WNT. In de meeste gevallen zal de bezoldiging gedurende vier jaar in stand gehouden mogen worden, waarna deze in drie jaar afgebouwd moet worden tot het voor de bestuurder geldende maximum volgens de cao.
In het geval dat de bestuurder de bezoldiging volgens de WNT al eerder moet verlagen, dan is de WNT leidend ten opzichte van de cao.
Kunt u aangeven wie bepaalt hoeveel salaris een bestuurder krijgt en wie toeziet of een schoolbestuurder hier ook daadwerkelijk recht op heeft?
De RvT bepaalt de bezoldiging van een bestuurder en zorgt daarbij voor naleving van de WNT. De RvT houdt daarbij rekening met de zwaarte van de functie en individuele kenmerken van de bestuurder en kan bij de bepaling van de bezoldiging gebruikmaken van de Handreiking Remuneratiebeleid uit de cao voor bestuurders funderend onderwijs. Deze handreiking biedt de RvT handvatten bij het bepalen van een passende bezoldiging.
De accountant (eerstelijns) en Inspectie van het Onderwijs (tweedelijns) zien toe of de bezoldiging voldoet aan de WNT. Indien de bezoldiging het WNT-maximum overschrijdt kan de Inspectie van het Onderwijs handhavend optreden.
Klopt het dat het salaris van schoolbestuurders wordt betaald vanuit de lumpsumpvergoeding en klopt het voorts dat hieruit ook leermiddelen, onderhouds- en schoonmaakkosten moeten worden betaald?
Ja, dat klopt.
Is het mogelijk dat het uitbetalen van een maximale beloning aan een schoolbestuurder ten koste gaat van investeringen in deze andere middelen en deelt u de mening dat dat onwenselijk is?
Ik vind het belangrijk dat middelen goed landen in de klas. Ik ga ervanuit dat de RvT een gedegen afweging maakt bij het vaststellen van de bezoldiging van de bestuurder. In het Regeerprogramma is het voornemen aangekondigd om een norm in te voeren voor de hoeveelheid middelen voor het primaire proces. Op deze manier moet het transparanter worden in welke mate middelen in de klas landen en kan daar binnen de schoolorganisatie ook het goede gesprek over worden gevoerd.
Kunt u aangeven of nevenfuncties inmiddels deel uitmaken van de publieke bezoldigingsnorm van de Wet normering topinkomens en hoe is dat vormgegeven?
De WNT maximeert de totale bezoldiging als iemand bestuursfuncties bij meerdere WNT-instellingen vervult. Dit is de anticumulatiebepaling, die sinds 2018 van toepassing is. Deze maximering geldt niet als een topfunctionaris een functie als leidinggevende topfunctionaris (in dienstbetrekking) combineert met een functie als toezichthouder bij een andere WNT-instelling of een nevenfunctie bij een instelling die niet onder de WNT valt.
In antwoord op vragen van leden Westerveld/Bromet3 (GroenLinks/PvdA) heeft voormalig Minister van Binnenlandse Zaken aangegeven de voor- en tegens van het verder aanscherpen van de anticumulatiebepaling naar toezichthoudende topfuncties bij WNT-instellingen uit te laten zoeken4. Deze informatie zal door de Minister van BZK met uw Kamer worden gedeeld als onderdeel van het aangekondigde wetgevingstraject naar aanleiding van de tweede evaluatie van de WNT.
Bent u het ermee eens dat schoolbestuurders onder de wettelijke norm van het beloningsplafond moeten blijven en hoe voorkomt u dat zij hier door het nemen van zogeheten geitenpaadjes de norm overschrijden?
De wettelijke norm is er niet voor niets, en ik vind het belangrijk dat de bezoldiging van bestuurders onder het maximum blijft. Uit het artikel blijkt ook dat schoolbestuurders zich aan de WNT houden. Er is hier dus geen sprake van zogeheten geitenpaadjes om de WNT te ontlopen.
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarin nadere eisen worden gesteld aan het bestuur en intern toezicht dat naar verwachting in de eerste helft van 2025 in internetconsultatie gaat. Daarin stel ik aanvullende eisen aan het bestuur en intern toezicht in het funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de kwaliteit van onderwijsbesturen en intern toezicht te verhogen. Ook worden hier nadere integriteitseisen in vastgelegd. Deze eisen worden nog nader uitgewerkt. Dit wetsvoorstel ziet echter niet op de bezoldiging van bestuurders, omdat deze al via de WNT wetgeving geregeld is.
Het bericht ‘Crisis UWV nog groter, ook missers bij mogelijk duizenden jonggehandicapten: ‘Kommer en kwel’’ |
|
Hans Vijlbrief (D66), Inge van Dijk (CDA), Don Ceder (CU), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u in de brief die u deze week naar de Kamer stuurt over de problemen bij het UWV1 ook op de volgende vragen antwoord geven:
Het is buitengewoon vervelend dat dit onrust veroorzaakt bij mensen die afhankelijk zijn van UWV voor een uitkering. Samen met UWV doe ik er alles aan om hier op korte termijn meer concreet inzicht in te bieden.
Vrijdag jl. heb ik u een brief gestuurd over de verbeteraanpak WIA-kwaliteit. In deze brief schets ik de situatie rond de Wajong, in aanvulling op mijn brief van 23 oktober jl.2. Het is verontrustend dat we over de Wajong veel niet weten en is er nader onderzoek nodig.
Zoals in mijn brief van vrijdag jl. aangegeven is er al aandacht geweest voor de problemen met de Wajong in de jaren 2016–2019, hier zijn destijds ook Kamervragen over beantwoord3. UWV werkte daarna verder aan verbetering. Helaas zijn de kwaliteitsmetingen vanaf 2020 afgeschaald en is het nu onvoldoende duidelijk hoe het is gesteld met de kwaliteit van de Wajong-beoordelingen, omdat dit niet navolgbaar is.
Daarom is het van groot belang dat er meer duidelijkheid komt over de kwaliteit van de beoordeling van Wajong aanvragen. In de brief heb ik geschetst welke onderzoeken er lopen en nog worden gestart. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van deze onderzoeken.
Waren in september al signalen bij het ministerie bekend dat ook met betrekking tot de Wajong zaken goed mis waren? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet, aangezien er al verschillende rapporten over bleken te zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de problemen binnen het UWV al jaren bekend waren, maar bij het ministerie niet? Zo ja, wat zegt dit dan over de samenwerking met UWV en de betrouwbaarheid van UWV als uitvoeringsorganisatie van het ministerie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u in de brief ook beschrijven hoe u maatregelen wil gaan nemen om de fouten bij de Wajong te herstellen, en te zorgen dat de verkeerde werkwijze bij het UWV ook ten aanzien van de Wajong richting de toekomst anders wordt?
Ja, dit maakt onderdeel uit van de brief.
Bent u bereid de problematiek rond de Wajong toe te voegen aan het verzoek tot uitvoeren van onderzoek naar aanleiding van de eerder vastgestelde
In de brief heb ik aangegeven welke onderzoeken er lopen en nog worden gestart bij de Wajong. Als deze zijn afgerond, kan worden bezien of nader (onafhankelijk) onderzoek nodig is.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-)problematiek door de Algemene Rekenkamer?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt er nog nader onderzoek gedaan naar signalen dat er ook problemen zijn bij de Werkloosheidswet (WW) en Ziektewet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hier meer informatie over verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit maakt onderdeel uit van de brief.
Kunt u de genoemde rapporten van het UWV als bijlage bij de brief met de Kamer delen? Zo niet, waarom niet?
Het genoemde rapport is de evaluatie SMC 20244 en is bijgevoegd bij de beantwoording van deze vragen.
De situatie van Oeigoeren in Thailand |
|
Eric van der Burg (VVD), Jan Paternotte (D66), Tom van der Lee (GL) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het artikel «He Made a Daring Escape From China. Then His Real Troubles Began»?1
Ja.
Bent u bekend met de berichten dat er meer dan 48 Oeigoeren al jarenlang, onder zorgwekkende omstandigheden, vastzitten in Thailand na hun vlucht voor de internatie, marteling en gedwongen sterilisatie van Oeigoeren in de Chinese provincie Xinjiang?
Ja.
Wat is uw beleid ten aanzien van de uitlevering van Oeigoerse vluchtelingen aan China door derde landen, gelet op de «blijvende aandacht voor de verslechterende situatie van Oeigoeren, ook buiten China», die u in de Nederland-China strategie zegt te hebben?
Nederland roept derde landen, inclusief Thailand, op om het principe van non-refoulement van Oeigoerse vluchtelingen te respecteren. Dit principe is juridisch verankerd in het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing en in het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning. Thailand en Nederland zijn beide partij bij beide verdragen. Ook dringt het kabinet bij landen die partij zijn bij het VN-vluchtelingenverdrag aan op naleving van dit verdrag, ook in het geval van Oeigoerse vluchtelingen. Thailand is echter geen partij bij dit laatste verdrag of bij het protocol van dit verdrag. Thailand kent bovendien geen vluchtelingen- of asielstatus in de nationale wetgeving.
Hoe beoordeelt u de huidige mensenrechtensituatie in Xinjiang, in het bijzonder voor Oeigoeren?
De negatieve trend in de mensenrechtensituatie in China blijft reden geven tot zorg. De druk op de rechten van minderheden neemt verder toe. De situatie van de Oeigoerse gemeenschap in China blijft zorgelijk. Nederland dringt bij de Chinese autoriteiten aan op de implementatie van de aanbevelingen van het rapport van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten uit 20222, dat sprak van mogelijke internationale misdaden, in het bijzonder misdaden tegen de menselijkheid. Het beleid en het juridische kader dat hieraan ten grondslag ligt is nog altijd van kracht, bevestigde het kantoor van de VN Hoge Commissaris onlangs nog in augustus 20243.
Bent u bereid om in verband met deze dreigende uitzettingen de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) te vragen zich actief in te zetten voor de zaak van Oeigoerse vluchtelingen in Thaise hechtenis? Zo ja, bent u bereid dit publiekelijk te doen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade in Bangkok staat in nauw contact met UNHCR in Thailand en kaart de situatie van de Oeigoeren die vastzitten regelmatig aan. Daarbij wordt geïnformeerd naar de situatie van de groep en naar welke stappen UNHCR zet om de situatie te verbeteren, bijvoorbeeld richting de Thaise overheid. De ambassade staat tevens in contact met gelijkgestemde ambassades in Bangkok, en waar mogelijk en opportuun wordt gezamenlijk opgetrokken. In deze contacten zijn de verschillende manieren om aandacht voor deze kwestie te vragen, al dan niet publiekelijk, onderwerp van gesprek. Vooralsnog is de afweging om UNHCR niet publiekelijk aan te spreken en in te blijven zetten op de regelmatige contacten met UNHCR hierover.
Bent u tevens bereid uw Thaise ambtgenoot aan te spreken op deze situatie en aan te dringen op het voorkomen van uitzettingen en hun vrijlating, in lijn met het Nederlandse beleid om de positie van Oeigoeren buiten China te beschermen?
In bilaterale contacten met de Thaise autoriteiten wordt regelmatig en op verschillende niveaus over mensenrechtenkwesties gesproken, waaronder het principe van non-refoulement. Nederland zal dit blijven doen, ook in EU- en gelijkgezindenverband.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Zie de antwoorden op vraag 1 tot en met 6.
De Ontbossingswet |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Hoe kijkt u naar de amendementen die door de christendemocraten zijn ingediend op de Ontbossingswet (Verordening (EU) 2023/1115)), waar het Europees parlement (EP) op 14 november 2024 mee heeft ingestemd?
Inmiddels zijn de onderhandelingen grotendeels afgerond en is er een voorlopig akkoord bereikt in de triloog over het uitstellen van de toepassingsdatum van de Europese verordening ontbossingsvrije producten (EUDR) met één jaar (30 december 2025).
Het kabinet steunt het uitstellen van de toepassingsdatum met één jaar. Hoewel het kabinet begrip had voor een aantal van de overwegingen die ten grondslag lagen aan de voorgestelde amendementen van het EP, heeft Nederland in de Raad aangegeven de amendementen niet te steunen. Dit werd met name gedaan om een spoedig akkoord over uitstel niet te riskeren. Onverlet is het kabinet voor een evenwichtige benadering met betrekking tot de implementatie van de verordening, waarbij ook rekening wordt gehouden met de uitvoerbaarheid en het beperken van administratieve lasten voor bedrijven.
Deelt u de mening dat deze wijzigingen ondermijnend werken tegenover de bescherming van de natuur en de voorspelbaarheid waarop Europese bedrijven rekenen?
Zie antwoord vraag 1.
Onderschrijft u dat deze amendementen de wet afzwakken en de voorspelbaarheid voor Europese bedrijven in gevaar brengen?
Zie antwoord vraag 1.
Staat het kabinet nog steeds pal achter het op 27 juni door parlement en kabinet gezamenlijk ingenomen standpunt, gezien het feit dat de «Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten» op 27 juni is aangenomen met een overweldigende meerderheid van 147 stemmen voor?1
Ja.
Bent u bekend met de oproep van bedrijven zoals Albert Heijn en Unilever, die wetgevers oproepen om de verzwakking van de verordening tegen te gaan?
Ja.
Zal u in de Raad een duidelijke en sterke positie innemen door amendementen vanuit het EP die deze verordening verzwakken te verwerpen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen voor de start van de trilogen beantwoorden?
De eerste triloog vond plaats op 21 november jl., het mandaat voor deze triloog was al vastgesteld op het moment van ontvangst van de vragen van het lid Podt.
Het bericht 'Israël saboteert stelselmatig Nederlandse ontwikkelingsprojecten voor Palestijnen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel «Israël saboteert stelselmatig Nederlandse ontwikkelingsprojecten voor Palestijnen»?1
Ja.
Klopt het dat er een Israëlische inval heeft plaatsgevonden in Wadi al-Seeq waarbij huizen zijn verwoest, inwoners zijn geslagen en aanwezige goederen zijn gesloopt en meegenomen? Klopt het dat de dorpelingen afhankelijk waren van zonnepanelen en generatoren voor een (groot) deel gefinancierd door Nederland en dat deze door de overvallers zijn meegenomen?
Het dorp Wadi al-Seeq op de bezette Westelijke Jordaanoever is al jaren het slachtoffer van onacceptabel geweld door kolonisten. Dit geweld leidde in de eerste dagen na 7 oktober 2023 ertoe dat de Palestijnse bewoners van Wadi al-Seeq hun dorp moesten ontvluchten. Het ophalen van hun achtergelaten eigendommen is hen op gewelddadige wijze belet. Onder deze eigendommen vallen onder meer de 25 energiesystemen, evenals zonnepanelen en bevestigingen, gefinancierd door Nederland. Naar aanleiding van dit incident heeft de Nederlandse ambassadeur in Tel Aviv een tweetal brieven gestuurd naar de Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT).
Deelt u de mening dat het totaal onacceptabel is dat Israëlische kolonisten op deze manier huishouden op de Westelijke Jordaanoever en dat zij daar niets te zoeken hebben? Deelt u tevens de mening dat het onacceptabel is dat het Israëlische leger Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprojecten sloopt of anderszins in de weg zit? Zo ja, hoe zien we dit terug in beleid?
Het geweld van Israëlische kolonisten is onacceptabel. Het kabinet veroordeelt zowel bilateraal als in EU-verband met klem het optreden van gewelddadige kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, en spreekt Israël aan op diens verantwoordelijkheden onder het bezettingsrecht om de Palestijnse burgerbevolking te beschermen en om de daders van het geweld tot verantwoording te roepen. Daarnaast pleit Nederland binnen Europees verband actief voor sancties tegen gewelddadige kolonisten in lijn met de moties van het lid Piri c.s. (21 501-02, nr. 2870, en 36 600 V, nr. 22). Op basis van de motie van Piri/Paternotte (21 501-02, nr. 2945) is het de inzet van het kabinet om verdere maatregelen te nemen tegen kolonistengeweld, in lijn met het ambitieniveau van gelijkgezinde landen. Op 19 april jl. heeft de Raad van de EU een eerste sanctiepakket aangenomen tegen vier personen en twee entiteiten, gevolgd door een tweede pakket op 15 juli jl. tegen vijf personen en drie entiteiten.
Vernieling van door Nederland gefinancierde projecten op de bezette Westelijke Jordaanoever is onacceptabel. Deze vernielingen worden opgebracht bij de Israëlische autoriteiten, op zowel diplomatiek als op politiek niveau in lijn met motie Knops (23 432, nr. 435).
Kunt u een overzicht geven van alle Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprojecten op de westelijke Jordaanoever van de afgelopen 10 jaar?
Over de afgelopen tien jaar heeft Nederland ruim EUR 284 miljoen aan ontwikkelingshulpmiddelen uitgegeven in de Palestijnse Gebieden aan 193 verschillende ODA activiteiten. Deze budgetten zijn voor projecten op zowel de Westelijke Jordaanoever als de Gazastrook.
Nederland verstrekt geen bilaterale directe begrotingssteun aan de Palestijnse Autoriteit. Zowel de resultaten als de gesteunde organisaties zijn te vinden op www.nlontwikkelingshulp.nl.
Hoe vaak is het in de afgelopen 10 jaar voorgekomen dat ontwikkelingssamenwerkingsprojecten op de westelijke Jordaanoever, die betaald zijn met Nederlands geld, zijn verwoest, beschadigd of anderszins onbruikbaar zijn gemaakt door Israëlische kolonisten en/of het Israëlische leger? Klopt het dat dit sinds 2017 al meer dan 59 keer is gebeurd? Kunt u een overzicht geven van alle voorvallen van de afgelopen 10 jaar?
Het klopt dat er sinds 2017 tientallen incidenten zijn geweest. Niet alle schade wordt gemeld door projectorganisaties aan Nederland, bijvoorbeeld omdat deze redelijk eenvoudig kan worden hersteld. Ook kan het zijn dat door een succesvolle gang naar de rechter goederen worden teruggegeven. Dit was bijvoorbeeld het geval in Jub Jubbet ad-Dib, waar de 96 zonnepanelen werden geconfisqueerd op 28 juni 2017 later zijn geretourneerd door de Israëlische autoriteiten. Het is dus niet mogelijk om een overzicht van alle voorvallen van de afgelopen tien jaar te delen.
Wat is het totale financiële gevolg van de verwoestingen van door Nederland gefinancierde ontwikkelingssamenwerkingsprojecten op de westelijke Jordaanoever door het Israëlische leger/ Israëlische kolonisten?
Het is niet mogelijk om de totale financiële gevolgen in kaart te brengen. Het gaat om veel verschillende schadegevallen, vaak met meer donoren met elk hun eigen financiële bijdrage. In sommige gevallen is het wel duidelijk. Zo bedroeg de schade van de eerder genoemde geconfisqueerde energiesystemen die ontvreemd zijn bij Wadi al-Seeq ruim EUR 130.000.
Welke humanitaire gevolgen hebben deze verwoestingen gehad voor de lokale bevolking van de Westelijke Jordaanoever?
Deze verwoestingen hebben directe gevolgen voor de lokale bevolking. Veel van de projecten waarin schade geleden wordt, hebben betrekking op het leveren van basisvoorzieningen aan kwetsbare Palestijnse gemeenschappen in Area C van de bezette Westelijke Jordaanoever. Voor deze gemeenschappen zijn zonnepanelen of watertanks essentieel om te kunnen overleven.
Klopt het dat Israël in veel gevallen niet ter verantwoording wordt geroepen en dat er geen compensatie plaatsvindt? Zo ja, waarom kiest u ervoor Israël niet aan te spreken en is het eerlijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de door de Israëlische staat aangerichte schade?
Wanneer er vernielingen plaatsvinden, en deze onder onze aandacht komen, brengt Nederland deze op bij de Israëlische autoriteiten en spant zich daarbij in om de schade vergoed te krijgen in lijn met de motie Knops (23 432, nr. 435). Dit gebeurt niet alleen op (hoog)politiek niveau maar ook via de Nederlandse ambassade in Tel Aviv, en in samenwerking met andere donoren via het West Bank Protection Consortium (WBPC). Daarnaast heeft Nederland recentelijk ernstige zorgen geuit over het kolonistengeweld en vernielingen die plaatsvinden op de bezette Westelijke Jordaanoever in de vierde commissie van de Verenigde Naties. Tot op heden heeft Israël geen compensatie betaald aan Nederland voor de veroorzaakte schade.
Niet in alle gevallen van vernielingen wordt om compensatie gevraagd. Het kan voorkomen dat een uitvoerende organisatie een klacht indient of een rechtszaak aanspant. Gedurende deze periode wordt niet om schadevergoeding gevraagd, omdat het mogelijk is dat de schade alsnog wordt hersteld. De wensen van de uitvoerende organisatie, evenals die van de getroffen gemeenschappen, spelen hierbij ook een rol. Daarnaast kan de schade zo gering zijn dat er een afweging wordt gemaakt om geen formeel schadevergoedingsverzoek aan de Israëlische overheid te doen.
Welk contact is er met Israël geweest en op welk niveau in de afgelopen 10 jaar naar aanleiding van deze verwoestingen?
Zie antwoord vraag 8.
Is er contact geweest met andere donorlanden met vergelijkbare ervaringen op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, wat is er overlegd met welke donoren? Op welke manier vindt hier Europese afstemming over plaats?
De Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah heeft regelmatig contact met andere donorlanden met vergelijkbare ervaringen. Zo is Nederland in januari 2024 lid geworden van het West Bank Protection Consortium (WBPC), een samenwerkingsverband van 13 donoren en 5 internationale NGO’s dat is opgericht om gedwongen verplaatsing van Palestijnen in de bezette Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, te voorkomen. Ook het WBPC heeft te maken met vernielingen van door donoren gefinancierde goederen waarvoor gezamenlijk om compensatie wordt gevraagd bij de Israëlische autoriteiten.
Op welke manier is er tot op heden opvolging gegeven en op welke manier gaat u opvolging blijven geven aan de aangenomen Motie Knops c.s. 2over schadevergoeding door Israël voor sloop van Nederlandse en Europese projecten?
Nederland heeft in verschillende gevallen opvolging gegeven aan motie Knops (23 432, nr. 435) door schadevergoeding van Israël te eisen in het geval van schade aan door Nederland gefinancierde projecten. Zo heeft de Nederlandse ambassade in Tel Aviv regelmatig contact opgenomen met COGAT en heeft het ministerie in verschillende gevallen de Israëlische ambassade in Den Haag gecontacteerd. Daarnaast zijn er verscheidene gevallen waarin organisaties zelf contact opnemen met de Israëlische autoriteiten.
Welke actie bent u nog van plan te nemen tegen Israël naar aanleiding van de nieuwe verwoestingen van door Nederland betaalde ontwikkelingssamenwerkingsprojecten?
Nederland blijft in lijn handelen met motie Knops (23 432, nr. 435). Nederland zal dan ook, onder andere in WBPC-verband, de schade blijven melden bij de Israëlische autoriteiten en zal blijven aandringen op schadevergoeding. Daarnaast blijft Nederland zich, zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten die onder andere deze vernielingen aanrichten.
Wanneer Israël geen gehoor geeft aan een Nederlands verzoek tot schadevergoeding, welke escalatie mogelijkheden heeft u? En welke bent u van plan in te zetten?
Israël heeft tot op heden geen gehoor geven aan de Nederlandse verzoeken tot schadevergoeding. Het kabinet zal zich blijven inspannen voor het verkrijgen van schadevergoedingen en zal vernielingsincidenten, wanneer deze onder onze aandacht komen, opbrengen bij Israël.
Het bericht 'Geboortezorg voor asielzoekers van 'onacceptabel' niveau, concluderen onderzoekers' |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Geboortezorg voor asielzoekers van «onacceptabel» niveau, concluderen onderzoekers»?1 Zo ja, vindt u dit reden tot grote zorg en kunt u de Kamer van een uitgebreide reactie voorzien?
Ja, ik ben bekend met het rapport en het NOS-bericht en heb kennisgenomen van de aanbevelingen die in het rapport worden gedaan. Voor een reactie op het rapport verwijs ik graag naar de antwoorden op onderstaande vragen van uw Kamer.
Welke verklaringen zijn er en wat gaat u doen met het feit dat de geboortesterfte bij baby’s van asielzoekers ten minste anderhalf keer zo hoog is en een laag geboortegewicht twee keer zo vaak voorkomt, wat een significant verschil betreft ten opzichte van vrouwen zonder vluchtelingenachtergrond?
De constatering dat geboorte-uitkomsten bij vrouwen met een vluchtachtergrond significant slechter zijn dan bij andere bevolkingsgroepen bleek al uit een eerder onderzoek, waar het voorliggende EGALITE rapport op voortborduurt. Mijn ambtsvoorganger is schriftelijk ingegaan op dit eerdere onderzoek en ik sluit mij volledig bij hem aan dat wij deze cijfers betreuren.2 Ook ben ik bekend met het feit dat er bij baby’s van asielzoekers vaker sprake is van een lager geboortegewicht en dat dit van invloed is op een kansrijke start.
Zoals ook in het rapport wordt aangegeven, is ongeveer de helft van de zwangere vrouwen in de opvang reeds zwanger op het moment dat ze in Nederland aankomen. Dat betekent dat zij in de eerste periode van hun zwangerschap mogelijk niet dezelfde zorg hebben gehad als wij in Nederland gewend zijn. Daarbij komt dat deze vrouwen vaak een zware reis achter de rug hebben op het moment dat zij in Nederland aankomen. Dit kan ook effect hebben op de ontwikkeling van het nog ongeboren kind en daarmee het geboortegewicht of geboorte-uitkomsten. Daarnaast herken en erken ik dat de huidige opvangsituatie en de noodgedwongen inzet van noodopvang uitdagingen met zich meebrengt ten aanzien van de leefomstandigheden en toegang tot zorg voor o.a. zwangere vrouwen.
Het staat buiten kijf dat ernstige geboorte-gerelateerde complicaties onder zwangere vrouwen in opvanglocaties voorkomen moeten worden en zwangere vrouwen in opvanglocaties moeten kunnen rekenen op volwaardige geboortezorg. Hier is reeds veel voor georganiseerd. Zo heeft elke locatie een aandachtsfunctionaris zwangeren. Deze COA-medewerker is het aanspreekpunt voor de betrokken zorgverleners en weet wie de zwangeren zijn op de locatie. De aandachtsfunctionarissen wijzen de zwangere asielzoeksters de weg naar de verloskundige zorg door te informeren, ondersteunen en signaleren. Ook geven zij informatie over de organisatie van de verloskundige zorg en over de faciliteiten die het COA biedt.
Desalniettemin leidt het gebruik van noodopvang, die vaak voor korte duur wordt opgetuigd en weer moet worden afgebouwd, tot uitdagingen om dit alles goed te organiseren. De in het Regeerprogramma opgenomen ambitie om noodopvang zo veel mogelijk te beperken en duurzame opvangplekken te realiseren is hiervoor belangrijk. Deze ambitie wordt momenteel verder uitgewerkt door het Ministerie van Asiel en Migratie.
Ook bieden de aanbevelingen uit het EGALITE rapport mijn departement, het Ministerie van VWS en het COA handvatten om verbeteringsmogelijkheden te bezien en nader uit te werken, zowel op beleidsniveau als ook praktijkgerichte aanbevelingen voor zorgverleners en medewerkers van het COA. De aanbevelingen uit dit onderzoek worden ook besproken in de ketenwerkgroep geboortezorg asielzoeksters met vertegenwoordigers van alle betrokken (zorg)organisaties.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om zwangere vrouwen in asielzoekerscentra voor een afspraak met een verloskundige een lange reis te laten maken via het openbaar vervoer? Bent u bekend met de problemen omtrent vervoer van zwangere vluchtelingen door gecontracteerde taxibedrijven, zoals weigering van vrouwen met weeën, te lange aanrijtijden en het niet op komen dagen van taxi’s? Wat gaat u doen om deze problemen op te lossen?
Het bieden van volwaardige gezondheidszorg en geboortezorg houdt in dat deze zorg toegankelijk moet zijn. Voor alle locaties van het COA geldt daarom dat er afspraken zijn gemaakt met verloskundepraktijken in de omgeving om goede zorg en begeleiding te kunnen waarborgen. Voor zwangere asielzoeksters geldt dat ze vanaf week 36 standaard gebruik kunnen maken van taxivervoer van en naar zorgbestemmingen. Daarnaast kan de verloskundig zorgverlener tot de conclusie komen dat de zwangere al voor de 36 weken om medische redenen niet in staat is zelfstandig te reizen naar een zorgbestemming (zoals de verloskundige of het ziekenhuis). Buiten de termijnen van het zorgtaxivervoer kunnen COA locatiemanagers alternatief vervoer voor zwangere asielzoekers faciliteren, zoals beschreven in de ketenrichtlijn. Wanneer de verloskundige inschat dat de termijn van een uur aanrijtijd van een taxi te lang is voor de zwangere bij een naderende bevalling moet de verloskundige om die reden een ambulance inschakelen.
Hoe spant u zich in om geboortezorg te concentreren op de asielzoekerscentra zelf? Wat zijn de «haken en ogen» aan het concentreren van de geboortezorg bij asielzoekerscentra waar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) over spreekt, kunt u de Kamer hier nader over informeren?
Voor elke opvanglocatie is momenteel een verloskundige praktijk gecontracteerd en de toegang tot geboortezorg gegarandeerd. Een van de genoemde randvoorwaarden in het EGALITE rapport is het concentreren van zorg voor zwangere asielzoekers en statushouders verblijvend in opvanglocaties. In de praktijk gebeurt dit in sommige gevallen al. Sinds de zomer van 2023 plaatst het COA zwangere vrouwen die bij hun aankomst in Ter Apel 34 weken of langer zwanger zijn namelijk in de locatie Musselkanaal. Alle betrokken organisaties (COA, verloskundige praktijk, kraamzorg) op de locatie Musselkanaal zijn hier goed op voorbereid. Door een specifieke locatie in te richten voor deze specifieke doelgroep, kan kennis en ervaring op een nog efficiëntere manier opgedaan en ingezet worden.
Bij het proces van het verplaatsen van zwangere asielzoekers naar Musselkanaal (wat gezien kan worden als een vorm van concentratie van specifieke begeleiding en expertise) moet echter een aantal kanttekeningen geplaatst worden. Zwangere vrouwen hebben gezondheidszorg gericht op zwangerschap, bevalling en kraamperiode binnen een specifiek tijdsframe nodig. Om deze specifieke begeleiding aan elke zwangere vrouw in een opvanglocatie te kunnen bieden, zouden de bevallen vrouwen na de geboorte en kraamperiode weer moeten verhuizen om ruimte te maken voor andere zwangere vrouwen.
Dit heeft ten eerste als consequentie dat er extra verhuisbewegingen gemaakt moeten worden. Daarbij dient een goede afweging te worden gemaakt tussen de toegevoegde waarde die deze specifieke locatie en bijbehorende begeleiding heeft, ten opzichte van het negatieve effect van de verhuizing náár, en van de locatie. Daarbij speelt ook mee dat oudere broers en zussen in de schoolgaande leeftijd mee zouden moeten verhuizen, wat nadelig kan zijn voor deze kinderen. Ten tweede vormt de huidige opvangsituatie nog geen passende context voor het concentreren van geboortezorg. Door een tekort aan opvangplekken stagneert de doorstroom van bevallen vrouwen vanuit Musselkanaal naar andere locaties, waardoor er niet altijd voldoende plekken vrijkomen voor nieuwe zwangere vrouwen.
Het concentreren van geboortezorg zou zorgen voor meer specialiteit en ervaring van specifieke geboortezorgverleners met de doelgroep. Dit zou uiteraard een positieve ontwikkeling zijn. Met het oog op de huidige stokkende doorstroom van asielzoekers zou dit echter als consequentie kunnen hebben dat niet alle zwangere vrouwen toegang zouden hebben tot deze selecte groep gespecialiseerde verloskundigen en er een verschil in zorgkwaliteit voor deze doelgroep kan ontstaan. Om deze reden is het allereerst van belang dat elke geboortezorgverlener bekend is met de Ketenrichtlijn Geboortezorg Asielzoekers en deze implementeert in zijn/haar behandeling van asielzoekers – in lijn met één van de drie randvoorwaarden die in het EGALITE rapport genoemd worden. Het concentreren van geboortezorg, bijvoorbeeld door het uitbreiden van het initiatief in Musselkanaal, zou alleen onderzocht en uitgelopen kunnen worden op het moment dat de doorstroom vanuit dergelijke locaties gegarandeerd kan worden door het COA.
Wat vindt u ervan dat overplaatsingen door het COA veelal gebeuren zonder overleg met zorgverleners?
In principe delen locaties dagelijks een overzicht van alle vertrekkende bewoners met de lokale GZA-praktijk. Om de continuïteit van zorg rondom verhuizingen zoveel mogelijk te waarborgen zijn hierover afspraken gemaakt en vastgelegd in de ketenrichtlijn geboortezorg. Daarnaast is er ook een «Ketenrichtlijn continuïteit van zorg bij verhuizingen». Deze is samen met de zorgpartners GZA en JGZ tot stand gekomen. Deze richtlijn beschrijft de algemene stappen die COA-medewerkers moeten zetten bij de verhuizing van bewoners zodat medische risico's zoveel mogelijk voorkomen worden, zeker als het gaat om risicogroepen (zoals zwangeren).
Wat gaat u doen om voortaan te voorkomen dat er gevallen ontstaan waarbij er geen medische overdracht bij overplaatsing van zwangere vrouwen plaatsvindt? In hoeverre acht u het van belang om op elke (nood)opvanglocatie aanwezigheid van de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) te faciliteren voor een gedegen gegevensoverdracht bij overplaatsing en adequate medische screening?
Zie ook het antwoord op vraag 5.
Op elke opvanglocatie is toegang tot de huisartsenzorg georganiseerd, grotendeels door GZA. De medische screening door GZA gebeurt bij instroom (de dag na de registratie bij het COA), in de col in Ter Apel, Budel en Zevenaar. Op basis van de informatie die is opgehaald in de medische intake, informeert GZA het COA over de faciliteiten die noodzakelijk zijn voor de vervolgopvang. Personen die niet via de centrale ontvangstlocatie Ter Apel instromen, ontvangen de medische intake op de eerste locatie waar zij verblijven. De gegevensoverdracht gebeurt automatisch via het centrale huisartsensysteem van GZA. Indien nodig verzorgt GZA de overdracht.
Welke maatregelen zijn er in het verleden al genomen rondom de overdracht van medische gegevens naar aanleiding van eerdere incidenten bij de medische zorg voor asielzoekers?2 Hoe staat het met de uitvoering van die maatregelen? Blijken eerder genomen maatregelen onvoldoende gezien de conclusie van de onderzoekers3, of worden ze in de praktijk niet uitgevoerd? Indien dat laatste het geval is, kunt u aangeven hoe dit komt en wat u kunt doen om dit te verbeteren?
Zie ook het antwoord op vraag 5.
Naar aanleiding van de signalen in het verleden zijn nadere afspraken gemaakt met en tussen de verschillende partijen die de huisartsenzorg verzorgen op de opvanglocaties. Deze afspraken hebben er toe geleid dat de informatieoverdracht bij verhuizingen op dit moment goed verloopt. Een belangrijk aandachtspunt hierbij was het zo snel registreren van de asielzoekers en het uitvoeren van de medische intake. Zowel de achterstanden in de registratie als ook in de medische intake zijn toen weggewerkt. Tijdens de medische intake wordt ook gelijk een medisch dossier aangelegd waardoor in principe iedere asielzoeker vrijwel direct na aankomst beschikt over een medisch dossier dat ook bij verhuizingen wordt overgedragen. Ook met GGD-GHOR zijn afspraken gemaakt ten aanzien van het in beeld krijgen en houden van kinderen met het oog op de jeugdgezondheidszorg. Door het inrichten van een zogeheten registratieschil zijn de asielzoekerskinderen in beeld en lukt het in de regel om tijdig, binnen zes weken, de kinderen te zien.
Verder is er een «Ketenrichtlijn continuïteit van zorg rondom verhuizingen» opgesteld. Hierin is opgenomen welke partij welke rol speelt in de continuïteit van zorg rondom verhuizingen van zwangeren. Het COA gaat de aanbeveling met betrekking tot de continuïteit van zorg bij overplaatsingen, net als de andere aanbevelingen uit het EGALITE rapport, nader onderzoeken in samenwerking met de betrokken partijen uit de keten, waaronder GZA, KNOV, NVOG, KCKZ en GGD GHOR.
Deelt u de mening dat het aantal overplaatsingen van zwangere vrouwen omlaag moet, zeker nu uit onderzoek blijkt dat overplaatsingen nog met regelmaat na 34 weken zwangerschap plaatsvinden, wat in strijd is met de ketenrichtlijn Geboortezorg Asielzoekers? Zo ja, hoe spant u zich in om het aantal overplaatsingen te verlagen?
Ik ben het eens met de aanbeveling uit het EGALITE rapport dat het aantal verhuizingen zo veel mogelijk gereduceerd moet worden. Dit geldt niet alleen voor zwangere asielzoekers. Verhuisbewegingen tijdens het asielproces moeten tot een minimum beperkt worden, zeker voor kwetsbaren, aangezien deze kunnen leiden tot stress of problemen met onderwijs- of zorgcontinuïteit. Helaas komen verhuizingen momenteel om diverse redenen veelvuldig voor, bijvoorbeeld vanwege het sluiten van (nood)opvanglocaties, het kortstondig moeten onderbrengen van asielzoekers voor wie geen plek is in Ter Apel, op aangeven van asielzoekers zelf of als gevolg van de asielprocedure. Ik streef er dan ook naar het aantal verhuisbewegingen terug te brengen. Momenteel wordt de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielsysteem uitgewerkt en geïmplementeerd. Dit toekomstbeeld van het asielopvanglandschap is gestoeld op het uitgangspunt om het aantal verhuisbewegingen tot een minimum te beperken.
Zwangere asielzoeksters worden normaal gesproken en in algemene zin 6 weken voor de uitgerekende datum tot 6 weken na de bevalling niet meer verhuisd of overgeplaatst. Zoals u ook aankaart in uw vraag, komt het desondanks toch voor dat zwangere asielzoekers ook na 34 weken zwangerschap overgeplaatst worden (bijvoorbeeld om te verhuizen van een centrale opvanglocatie naar een regulier azc). Dit gebeurt alleen in overeenstemming met GZA, de verloskundig zorgverlener en de asielzoekster en na uitsluiting van medische risico’s.
In hoeverre bent u bekend met omstandigheden van zwangere vrouwen op noodopvanglocaties, waarbij het voorkomt dat vrouwen te maken krijgen met bijvoorbeeld ongedierte, onvoldoende privacy en hygiëne? Hoe verhoudt dit zich tot het voornemen uit het regeerprogramma om opvang verder gedifferentieerd te versoberen?
Zoals ik in mijn reactiebrief5 aan uw Kamer van 4 november jl. over asielkinderen in de noodopvang in o.a. Assen al aangaf, wordt het punt ten aanzien van de hygiëne niet herkend. Ik erken wel dat de inzet van noodopvang om de druk op de opvang te verlichten effect heeft op de mogelijkheden die het COA heeft om te allen tijde passende begeleiding en omstandigheden te realiseren voor kwetsbare doelgroepen, waaronder zwangere vrouwen. Het uitgangspunt is dat in de noodopvang zo min mogelijk kwetsbare personen worden opgevangen. Helaas is het gezien de grote druk op de opvang noodzakelijk om soms ook kwetsbaren zoals zwangere vrouwen op te vangen in de noodopvang. Daarom blijft het ook in de noodopvang van groot belang dat er aandacht is en blijft voor de kwetsbare situatie van zwangere vrouwen. Benadrukt moet worden dat medewerkers van onder andere het COA en GZA zich dagelijks inspannen om de opvang en zorg zo goed mogelijk te laten verlopen.
In het Regeerprogramma en de regeringsbrief van 25 oktober jl. beschrijft het kabinet haar plannen om in te zetten op het (gedifferentieerd) versoberen van de asielopvang en sobere voorzieningen voor statushouders. Deze plannen worden momenteel uitgewerkt door het Ministerie van Asiel en Migratie. Het Ministerie houdt zich in de uitwerking van de kabinetsplannen te allen tijde aan de in de (herziene) Opvangrichtlijn vastgestelde normen voor de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers en kwetsbare groepen, inclusief zwangere vrouwen, als ook aan de in de Kwalificatieverordening gestelde normen voor de toegang tot zorg voor statushouders, inclusief zwangere vrouwen. Hierbij wil ik nogmaals onderstrepen dat zwangere vrouwen in opvanglocaties moeten kunnen rekenen op volwaardige geboortezorg. Dit sluit ook aan bij de in het Regeerprogramma genoemde doelen om gelijkwaardige toegang tot zorg te waarborgen en in te zetten op een kansrijke start, een maatregel die niet alleen een preventief werkt om latere zorgkosten te besparen maar ook goede geboortezorg omvat.
In hoeverre is inzichtelijk wat het voorgenomen besluit om de spreidingswet in te trekken voor gevolgen heeft in deze kwestie van zorg voor zwangere vluchtelingen? Kunt u toezeggen dat de zorg voor zwangere vluchtelingen ook dan niet zal verslechteren, maar verbeteren?
Uw Kamer is door de Minister-President bij brief van 25 oktober 2024 geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om de spreidingswet in te trekken, zo mogelijk nog dit jaar. Dit laat onverlet dat het COA zich onverminderd blijft inzetten om voldoende opvangplekken te creëren in bestaande en nieuwe azc’s. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 al aangaf, houdt het Ministerie van Asiel en Migratie zich in de uitwerking van de kabinetsplannen te allen tijde aan de vastgestelde normen voor de toegang tot gezondheidszorg voor asielzoekers en statushouders. Ik zeg toe dat mijn departement samen met betrokken organisaties de aanbevelingen uit het EGALITE rapport ter harte neemt en in gezamenlijkheid uitwerkt op welke wijze deze aanbevelingen meegenomen kunnen worden.
Zijn er extra middelen nodig om deze misstanden te voorkomen en zo ja, hoeveel? Zo nee, op welke termijn zijn deze misstanden opgelost?
Medische zorg voor asielzoekers is vastgelegd en gewaarborgd in de Opvangrichtlijn als ook in de Regeling Medische Zorg Asielzoekers (RMA). De toegang tot zorg is in Nederland goed geregeld en asielzoekers kunnen rekenen op professionele en toegankelijke zorg. De term «misstanden» vind ik om die reden dan ook geen recht doen aan de organisatie en kwaliteit van- en toegang tot zorg voor asielzoekers. Dit betekent niet dat er geen verbeterpunten zijn, dit laten de constateringen en aanbevelingen uit het EGALITE rapport duidelijk zien. Alle betrokken departementen en organisaties zullen deze aanbevelingen verder bestuderen en uitwerken hoe hier invulling aan gegeven kan worden. Het is daarom te vroeg om nu al aan te geven of er mogelijk extra kosten of middelen nodig zijn om aanbevelingen uit het rapport op te volgen.
In relatie tot de ambities uit het Regeerprogramma kan wel gesteld worden dat het beperken van dure noodopvanglocaties en het realiseren van meer duurzame opvangplekken kostenbesparend kan werken. Dit draagt naar verwachting bij aan de leefomstandigheden voor asielzoekers, die op reguliere plekken over het algemeen beter zijn dan op noodopvanglocaties die zijn ingericht op zeer kortdurend verblijf.
De uitspraken van de minister van Infrastructuur en Waterstaat in het wetgevingsoverleg Water van 18 november 2024 |
|
Suzanne Kröger (GL), Geert Gabriëls (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de volgende uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in het wetgevingsoverleg Water van maandag 18 november 2024; «Kijk, je kunt zo'n overstroming ook niet een-op-een koppelen aan klimaatverandering. Het is een weersituatie, een weerfenomeen dat misschien vaker voor zou kunnen komen, en dan druk ik me voorzichtig uit. Om dat te koppelen aan klimaatverandering lijkt me ook al ver gaan. En dat is geen complottheorie, meneer Bamenga. Kijk, de wetenschap is interessant en belangrijk, maar de wetenschap over het weer of het klimaat is ook nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Vandaar dat we allerlei scenario's hebben, die enorm uit elkaar lopen want ook de wetenschap weet dit niet precies»?
Ja.
Onderschrijft u deze uitspraak?
Deze uitspraak refereert zowel aan een extreem weersvoorval – extreme neerslag – als aan klimaatscenario’s. Door klimaatverandering kunnen weersextremen zich vaker voordoen en/of kunnen ze gemiddeld extremer worden. Volgens het KNMI is de neerslag in Valencia extremer geweest dan voorheen door klimaatverandering. Dat betekent niet dat klimaatverandering dan de enige oorzaak van het extreme weer was; het weerverschijnsel bekend onder de naam Depresión Aislada en Niveles Altos (DANA) komt in Spanje immers wel vaker voor. De effecten van de extreme neerslag zijn afhankelijk van meerdere factoren, zoals landgebruik en ontbossing, inrichting en onderhoud van watersystemen, waarschuwingssystemen e.d. Zoals de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangeeft is daardoor de relatie tussen klimaatverandering en overstromingsschade niet 1 op 1 te leggen. Wat klimaatscenario’s betreft lopen deze inderdaad enorm uit elkaar. Dat is een logisch gevolg van het feit dat het ene scenario uitgaat van een zeer hoge uitstoot, en het andere juist van een forse verlaging van de uitstoot, beide zijn mogelijk, afhankelijk van maatregelen. Daarnaast zijn er bandbreedtes door wetenschappelijke onzekerheden.
Hoe verhoudt de uitspraak dat de wetenschap over het klimaat «niet helemaal is uitgekristalliseerd» zich volgens u tot het laatste rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarin op basis van honderden wetenschappelijke onderzoeken wordt geconcludeerd dat het een feit is dat menselijke invloed het klimaat verandert?
Het klopt dat IPCC heeft geconcludeerd dat klimaatverandering door menselijke uitstoot van broeikasgassen een feit is. Dat betekent nog niet dat de klimaatwetenschap alle lokale effecten van klimaatverandering in Nederland exact kan voorspellen. We werken met scenario’s om de gevolgen van mogelijke keuzes in kaart te brengen en om zo tot weloverwogen en zorgvuldige besluiten te komen over hoe we ons hierop voorbereiden.
Onderschrijft u de conclusies van wetenschappers en experts, zoals van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)1 en het zeer toonaangevende World Weather Attribution2, dat klimaatverandering invloed heeft gehad op de hoeveelheid neerslag die in Valencia is gevallen?
Ja.
Onderschrijft u dat de overstromingen in Valencia dus wel één-op-één te koppelen zijn aan klimaatverandering?
De hoeveelheid neerslag is te koppelen aan klimaatverandering. Dat klimaatverandering invloed heeft gehad op de hoeveelheid neerslag die in Valencia is gevallen betekent niet dat dat ook zonder meer geldt voor het optreden en de impact van de overstromingen. Ook zonder klimaatverandering hadden die kunnen optreden, maar minder ernstig, zoals gesteld onder antwoord 2.
Gaat u uw collega bewindspersoon aanspreken op deze uitspraken? Hoe passen deze uitspraken bij het idee van eenheid van het kabinetsbeleid, een kernwaarde in het staatsbestel?
Nee. Uitspraken gedaan door bewindspersonen zijn altijd namens het kabinet, tenzij expliciet aangegeven.
Gaat u actie ondernemen om complottheorieën en desinformatie over klimaatverandering tegen te gaan? Zo ja, wat gaat u doen?
Het kabinet zet zich in om de burger te voorzien van betrouwbare informatie over klimaatverandering via onafhankelijke kennisinstellingen zoals het KNMI, de Wetenschappelijke Klimaat Raad en PBL en tijdig te waarschuwen bij extreme weersvoorvallen door de nationale weerdienst KNMI.
Kunt u deze vragen elk individueel en voor het einde van de week beantwoorden?
Door aanwezigheid bij de klimaattop van de Minister van Klimaat en Groene Groei was het helaas niet mogelijk de vragen in dezelfde week te beantwoorden.