Het bericht ‘Nieuwe tegenvaller Staat bij verkoop Vivat’ |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe tegenvaller Staat bij verkoop Vivat»?1
Ja.
Kunt u nadere informatie verschaffen over het pensioenakkoord dat gesloten is tussen Vivat, Anbang en SNS Reaal van afgelopen mei? Welke verplichtingen levert dit op voor SNS Reaal?
Klopt het dat de Staat 117 miljoen euro moet bijstorten in de pensioenpot voor medewerkers en ex-medewerkers van wat vroeger Reaal heette?
Klopt het dat Vivat nog niet alle leningen aan het vroegere moederbedrijf heeft afgelost, terwijl dat wel in eerdere instantie was afgesproken? Om welk bedrag gaat het?
Wat is de rol van de toezichthouder geweest in deze?
Zijn er meer aspecten van de overeenkomst met Anbang die nog financiële gevolgen kunnen hebben voor het Rijk? Zo ja, welke?
Met de overeenstemming over de pensioenindexatieverplichtingen is een belangrijk element van de koopovereenkomst afgewikkeld. Naast dit onderdeel zijn in de koopovereenkomst enkele garanties, vrijwaringen en andere regelingen opgenomen die gebruikelijk zijn bij dit soort transacties. De totale aansprakelijkheid van SRH jegens Anbang die voortvloeit uit deze garanties, vrijwaringen en andere regelingen is in geen geval hoger dan EUR 150 mln. Ik verwijs u hiervoor ook naar het advies van NLFI dat als bijlage is meegestuurd met de Kamerbrief update verkoopproces REAAL d.d. 10 juli 2015.2
Het schenden van mensenrechten in Brazilië in de aanloop naar de Olympische Spelen |
|
Michiel van Nispen , Harry van Bommel |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bruut politiegeweld in Olympisch Brazilië» van Amnesty International? Wat is uw reactie hierop?1
Ja. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorgen over het buitensporige politiegeweld in Brazilië? Deelt u de vaststelling dat er van de beloftes, gedaan rondom de toewijzing van de Olympische Spelen aan Rio de Janeiro, om extra maatregelen te nemen om de stad veiliger te maken niets terecht is gekomen? Wat is hierop uw reactie?
Het geweld in de grote steden van Brazilië baart het kabinet zorgen. Zo werden er in 2014 volgens het Braziliaanse Ministerie van Gezondheid 59.627 moorden in Brazilië gepleegd, voornamelijk in steden. Van de twintig meest gewelddadige steden ter wereld liggen er dertien in Brazilië, dus deze problematiek strekt veel verder dan alleen Rio de Janeiro, dat vanwege de a.s. Olympische Spelen uiteraard volop in de belangstelling staat. Bedacht dient te worden dat er, alleen al in de stad Rio de Janeiro, meer dan 1,5 miljoen mensen in 763 favela’s (sloppenwijken) wonen, en geweld in de favela’s gerelateerd is aan sociaaleconomische problemen.
In aanvulling op het pacificatiebeleid in de stad Rio de Janeiro, gericht op het terugdringen van drugscriminaliteit en misdaad in de favela’s, is in de aanloop naar het WK2014 en de OS2016 de aanwezigheid van politie, en op sommige locaties ook het leger, tijdelijk uitgebreid. De huidige economische teruggang heeft een negatief effect op de situatie, vooral ook omdat door teruglopende overheidsbudgetten veel sociale programma’s van de regering gekort zijn. Op veel locaties in Rio de Janeiro is de strijd tussen drugsbaronnen om macht en invloed verder opgelaaid. Nadat het aantal moorden in de afgelopen jaren dalende was, is helaas het aantal moorden in 2016 weer aan het stijgen, veelal vanwege drugsoorlogen om territorium tussen bendes, en tussen bendes en de politie.
Tijdens officiële ontmoetingen tussen Nederland en Brazilië worden bovenstaande zorgen opgebracht.
Deelt u eveneens de zorgen over het feit dat het politiegeweld toenam ten tijde van het vorige grote sportevenement, het WK voetbal in 2014, alsmede over het feit dat recent wetten zijn aangenomen die het recht op vreedzame protesten en vrije meningsuiting inperken?
Voorafgaand aan het WK2014 heeft, vanwege ontruimingen van sloppenwijken, een aantal gewelddadige confrontaties plaatsgevonden tussen politie en bewoners. Tijdens het WK zelf is echter geen sprake van gewelddadigheden geweest. Voorafgaand aan de Olympische Spelen van dit jaar is er weinig geweld geweest dat gerelateerd was aan de bouw van Olympische stadions e.d. Het geweld dat plaatsvindt, is geweld dat al sinds jaren in de favela’s voorkomt en nu weer oplaait. Dit baart zorgen. De anti-terrorismewetgeving die in de eerste helft van dit jaar in Brazilië werd goedgekeurd, geeft brede bevoegdheden aan autoriteiten voor mogelijke restrictie van fundamentele vrijheden. Nederland deelt het commentaar dat verschillende Speciale Rapporteurs van de VN Mensenrechtenraad op deze wetgeving hebben geuit. Indien toepassing van deze wet inderdaad leidt tot inperking van het recht op vreedzame protesten of vrijheid van meningsuiting, zal Nederland zijn zorg hierover uiten aan de Braziliaanse autoriteiten.
Bent u bereid uw zorgen hierover uit te drukken, al dan niet gezamenlijk met andere collega’s uit EU-lidstaten, bij het Olympisch Comité en de Braziliaanse autoriteiten, en aandacht te vragen voor het treffen van maatregelen die het risico op schendingen van mensenrechten kunnen beperken, en het instellen van verantwoordingsmechanismen om straffeloosheid te voorkomen? Zo niet, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Brazilië, waaronder de kwestie van politiegeweld, is vast onderwerp van gesprek tijdens de reguliere dialogen, waaronder de EU-Brazilië mensenrechtendialoog, en zal ook door Nederland worden aangekaart tijdens bilaterale politieke dialogen op alle relevante niveaus. Op lokaal niveau in de contacten van het Nederlandse Consulaat-General in Rio de Janeiro met verantwoordelijke autoriteiten, waaronder de federale politie en de deelstaatregering, wordt regelmatig gesproken over de veiligheidssituatie in Rio de Janeiro. In de aanloop naar de Olympische Spelen zijn deze contacten geïntensiveerd. De kwestie van disproportioneel politiegeweld wordt daarbij aan de orde gesteld. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Daarnaast heeft het kabinet zich tijdens het Nederlands Voorzitterschap van de Europese Unie gericht op de versterking van de integriteit binnen de sport. Tijdens de Onderwijs-, Jeugd-, Cultuur- en Sportraad (OJCS-Raad) zijn Raadsconclusies vastgesteld over integere en transparante toewijzing, uitvoering en verantwoording van grote sportevenementen met aanbevelingen aan lidstaten, Europese Commissie, lokale overheden en sportorganisaties voor het bevorderen van integriteit waaronder aandacht voor mensenrechten2.
Het artikel 'Minister aanklagen vanwege miskramen' en het uitsluiten van belangenverstrengeling |
|
Carla Dik-Faber (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Minister aanklagen vanwege miskramen»?1
Ja, ik heb het artikel gelezen.
Wat vindt u ervan dat de directeur van Gendia, die een enorm commercieel belang heeft bij de introductie van de NIP-test in Nederland, u beschuldigt van het opleggen van medische wanpraktijken, en mensen ertoe aanspoort om u aan te klagen? Deelt u de mening dat hier sprake is van belangenverstrengeling?
Ik deel de mening van de directeur van Gendia niet en leg zijn onterechte beschuldigingen naast mij neer.
Kunt u aangeven of, en zo ja op welke manier, Gendia – danwel aan Gendia gelieerde personen of organisaties – betrokken worden bij het advies van de Gezondheidsraad? Kunt u garanderen dat hier geen sprake is van belangenverstrengeling?
Gendia wordt op geen enkele manier betrokken bij het advies van de Gezondheidsraad over de NIPT. Er is geen sprake van belangenverstrengeling.
Kunt u aangeven of, en zo ja, welke banden (leden van) het NIPT-consortium (Niet Invasieve Prenatale Test), direct danwel indirect, hebben (gehad) met Gendia, andere aanbieders van de NIP-test en/of de farmaceut die de NIP-test produceert?
De vergunningen voor het onderzoek naar NIPT als tweede test, na de combinatietest (TRIDENT2, zijn verleend aan de acht universitair medische centra die het onderzoek in Nederland uitvoeren. Ook de vergunningaanvraag voor het implementatieonderzoek naar NIPT als eerste test in de prenatale screening (TRIDENT-2) is ingediend door het VUmc namens de acht universitair medische centra. De groep leden van het NIPT-consortium is groter. Er is sprake van een kerngroep en een ruime groep daar omheen, wisselend van samenstelling, die fungeert als klankbordgroep voor de acht universitair medische centra. Er zijn mij op dit moment geen banden, die belangenverstrengeling kunnen veroorzaken, van de kerngroep van het NIPT consortium met commerciële partijen bekend.
Mij is wel bekend dat, om belangenverstrengeling te voorkomen, een lid van de kerngroep van het NIPT-consortium op 1 januari 2016 uit de kerngroep is gegaan na aanvaarding van een betrekking bij een commercieel bedrijf.
Daarnaast hebben enkele leden van de kerngroep meegewerkt aan de zogenaamde NEXT studie. Zij geven aan dat zij daarvoor niet zijn betaald en geen commercieel belang hebben bij het bedrijf dat bij deze studie betrokken was. In TRIDENT 1 en 2 wordt een andere test gebruikt dan de test in de NEXT studie.
Kunt u aangeven of er een directe, danwel indirecte betrokkenheid is van het NIPT-consortium bij het advies van de Gezondheidsraad? Als die betrokkenheid er is, hoe wordt die dan vormgegeven?
Waar het gaat om het inroepen van advies van deskundigen, wordt zorgvuldig en transparant omgegaan met de belangen die een deskundige kan hebben. De procedure is te raadplegen op https://www.gezondheidsraad.nl/nl/taak-werkwijze/onafhankelijkheid.
Bij de beslissing over deelname aan een Gezondheidsraadcommissie gelden sinds november 2015 de volgende uitgangspunten:
Op 29 september 2015 heeft het VUmc namens alle acht universitair medische centra een WBO-vergunningaanvraag bij VWS ingediend voor het implementatieonderzoek naar NIPT als eerste test in de prenatale screening (TRIDENT-2). Ik heb deze vergunningaanvraag voor advies voorgelegd aan de Gezondheidsraad. Voor de samenstelling van de Gezondheidsraadcommissie die deze advisering ter hand heeft genomen gelden bovenstaande procedure en uitgangspunten. De samenstelling van deze commissie is te raadplegen op https://www.gezondheidsraad.nl/nl/over-ons/raad/vaste-commissies/commissie-bevolkingsonderzoek-bvo.
Daarnaast heb ik op 5 maart 2015 aan de Gezondheidsraad advies gevraagd over de stand van de wetenschap op het gebied van prenatale screening en de plaats die wetenschappelijke ontwikkelingen in de totale keten zouden kunnen innemen. De samenstelling van de commissie voor dit advies is te raadplegen op https://www.gezondheidsraad.nl/nl/over-ons/de-raad/adhoc-commissie/commissie-prenatale-screening. Ook voor deze commissie gelden bovenstaande procedure en uitgangspunten.
De belangenverklaringen van de leden van deze commissies zijn opnieuw bekeken en, indien nodig aangepast, na aanpassing van de belangenverklaringprocedure in november 2015.
Het bericht “Docu over haatimams schokt Denen” |
|
Barbara Visser (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Docu over haatimams schokt Denen»?1
Ja
Kunt u aangeven in hoeverre de kans aanwezig is dat (buitenlandse) imams dergelijke preken ook houden in Nederlandse moskeeën? Wat doet u om hier een beeld van te krijgen?
Het kabinet vindt het onacceptabel als een podium wordt geboden aan predikers die onverdraagzaamheid in Nederland propageren. Verspreiding van gewelddadig, extremistische propaganda wordt actief bestreden. Voor het signaleren en aanpakken van problematische (salafistische) gedragingen is een alerte houding en reactie van alle partijen vereist, zeker ook van de gemeenschappen zelf. Instellingen hebben zelf een belangrijke rol om te zorgen dat er geen sprekers optreden die zich schuldig maken aan discriminatie, haatzaaien en oproepen tot geweld. Verder is het vooral aan het lokale bestuur om invulling te geven aan de aanpak van extremistische predikers op basis van de driesporenaanpak, zoals onder meer geschetst in de brief aan de Kamer van 25 februari 2016 over de concretisering van de aanpak van salafisme. Door confronterende gesprekken maken lokale overheden en gemeenschappen wederzijds inzichtelijk welke gedragingen en uitingen problematisch zijn en waarom.
Als er ernstige vermoedens bestaan dat iemand activiteiten ontplooit die strafbaar, in strijd met de democratische rechtsorde, de nationale veiligheid of de openbare orde zijn, kan dit leiden tot onderzoek van daartoe bevoegde instanties.
Indien sprake is van visumplichtige predikers die oproepen tot haat en/of geweld wordt in de huidige procedure beoordeeld of er mogelijke risico’s voor de openbare orde en de nationale veiligheid zijn, waardoor een visum kan worden geweigerd of ingetrokken.
Niet-visumplichtige predikers die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie worden beoordeeld op basis van de boodschap die zij tijdens hun verblijf in Nederland uitdragen. Wanneer een prediker tijdens de bijeenkomst uitlatingen doet die strafbaar zijn, kan de politie ter plaatse optreden en de spreker onmiddellijk het woord ontnemen. Het Openbaar Ministerie kan vervolgens besluiten om strafvervolging in te zetten.
Wat doet u eraan om te bezien of en te voorkomen dat in preken haat wordt gezaaid, wordt aangezet tot geweld of wordt opgeroepen de democratie omver te werpen? Welke mogelijkheden ziet u om hierop in te grijpen?
Zie antwoord vraag 2.
Constaterende dat in het artikel staat dat in Denemarken maatregelen worden getroffen ten aanzien van haatpredikers, zoals het opstellen van een lijst met haatpredikers, een inreisverbod voor buitenlandse haatpredikers en het plaatsen van Europese haatpredikers op een «watchlist», kunt u aangeven waarom het tot nu toe onmogelijk lijkt ditzelfde in ons land ten uitvoer te brengen? Kunt u anders op zijn minst inzetten op het delen van dergelijke lijsten in Europees verband?
Momenteel werkt Denemarken aan maatregelen gericht tegen extremistische predikers die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie. Aangezien de wetsvoorstellen nog geformuleerd moeten worden, is het te vroeg om te beoordelen of de Deense werkwijze ook toepasbaar is in Nederland. Nederland volgt de ontwikkelingen in Denemarken nauwgezet en op expertniveau vindt contact plaats.
In het kader van het weigeren van visumplichtige predikers die oproepen tot haat of geweld, wordt gewerkt met een zogenaamde alerteringslijst. Nederland draagt actief bij aan de signalering van extremistische predikers uit derde landen onder artikel 24 van het Schengen Informatiesysteem (SIS-II) waardoor de alertering in Europees verband wordt gedeeld. Onlangs is onder Nederlands EU-Voorzitterschap de Europese Roadmap voor informatie-uitwisseling aangenomen waarmee onder meer een beter gebruik van het SIS door lidstaten wordt ingezet. Signalering van extremistische predikers in het SIS betekent overigens niet dat visumaanvragen per definitie worden geweigerd. Iedere casus wordt op zijn eigen merites beoordeeld.
Bent u bereid de werkwijze van Denemarken ook te betrekken bij de uitvoering van de motie Tellegen c.s.?2
Zie antwoord vraag 4.
Het verstrekken van viskweeksubsidies die concurreren met bestaande economische activiteiten en het manipuleren van een LEI-rapport |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de bijgevoegde documenten uit het Wob-verzoek?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat in een e-mail d.d. 26-2-2010 uw ministerie letterlijk aan het Landbouw Economisch Instituut (LEI) dicteert hoe bepaalde cruciale alinea’s van het «onafhankelijke» LEI-rapport moeten gaan luiden? Is hier sprake van WC eend-wetenschap?
Het genoemde document betreft een interne e-mailwisseling tussen medewerkers van het ministerie en dus niet een e-mail van een medewerker van het ministerie aan het LEI. Het is overigens niet ongebruikelijk dat concept-rapporten worden voorgelegd aan het Ministerie van Economische Zaken (EZ) als opdrachtgever. Hierbij wordt vooral gekeken of de onderzoeksvraag helder en duidelijk is beantwoord en niet voor meerdere interpretaties vatbaar is.
In dat kader kunnen verhelderende vragen worden gesteld en opmerkingen worden gemaakt die leiden tot een duidelijkere formulering. Het is aan het onderzoeksinstituut om eventuele opmerkingen al dan niet over te nemen.
Inmiddels heb ik vernomen dat het LEI naar aanleiding van deze vragen van uw Kamer een intern onderzoek heeft ingesteld naar de onafhankelijkheid van dit rapport. De resultaten daarvan zijn door het college van bestuur van de stichting Wageningen University & Research (WUR, voorheen de stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek) voorgelegd aan een hiervoor ingestelde onafhankelijke Commissie Wetenschappelijke Integriteit. Ik heb daarover contact gehad met de WUR die, gelet op de vertrouwelijkheid bij lopende integriteitsonderzoeken, waarover landelijk afspraken zijn gemaakt in het belang van onderzoekers en andere betrokkenen, geen verdere mededelingen kan doen over het onderzoek. Ik wacht de uitkomsten van dat onderzoek af.
Wat zegt het gemak waarmee dit gebeurt u over het respect dat er bij uw ministerie is voor de onafhankelijkheid van de wetenschap?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u dat de schaapachtige wijze waarop het LEI de formuleringen van haar onderzoek laat aanpassen een onafhankelijk wetenschappelijk instituut niet waardig is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw mening over het manipuleren van de uitkomsten van het LEI-onderzoek teneinde de rechtszaak te beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 2.
Was de oorspronkelijke intentie van de subsidieregeling dat de gesubsidieerde bedrijfsactiviteiten niet mogen concurreren met bestaande bedrijfsactiviteiten?
Ik verwijs u voor de beantwoording naar de brief inzake subsidie ontwikkeling aquacultuur, die op 27 oktober 2014 aan uw Kamer is verzonden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 812). Onlangs was er wederom een rechtszaak bij de rechtbank Oost-Brabant tegen de Staat aangespannen, waarbij de eiser eist dat de Staat schuld erkent voor het benadelen van de eiser en zijn onderneming als gevolg van een subsidie aan een ander bedrijf. De rechtbank van Oost-Brabant heeft op 18 mei 2016 de eis afgewezen. Tegen deze uitspraak is eiser in hoger beroep gegaan.
Vindt u dat in dit geval sprake was van subsidie voor activiteiten die concurreren met bestaande bedrijfsactiviteiten? Zo nee, hoe verklaart u dat uw ministerie schrijft (d.d. 23 april 2010): «In het geval van Z <naam subsidie ontvanger> was er echter wel degelijk sprake van een (behoorlijke) restwaarde waardoor ze inderdaad een voordeel hebben ten opzichte van anderen in de sector»?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Ik verwijs u ook naar de eerdere beantwoording van vraag 2 en vraag 10 van de vragen inzake het bericht «Krijgt vermeende subsidiefraude in vissector toch een strafrechtelijke staartje» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 977).
Hoe verklaart u de bereidheid om subsidievoorwaarden aan te passen teneinde de subsidieaanvraag «tailormade» voor een specifiek bedrijf te maken (interne memo d.d. 21 september 2009)? Hoe vaak gebeurt het dat subsidievoorwaarden worden aangepast om aan een specifiek iemand subsidie te kunnen verstrekken?
Er is geen sprake van aanpassen van subsidievoorwaarden voor specifieke bedrijven of personen.
Bij het openstellen van nieuwe subsidieregelingen wordt zoveel mogelijk kennis en ervaring opgedaan van voorgaande openstellingen. De interne memo uit 2009 was, voor zover ik die kan beoordelen, bedoeld om te leren van ervaringen uit voorgaande openstellingen en die mee te nemen bij nieuwe openstellingen. EZ heeft overigens geen enkel belang bij het aanpassen van subsidievoorwaarden om specifiek aan één ondernemer subsidie te kunnen verlenen.
Wat is uw mening over het feit dat vanuit uw ministerie wordt voorgesteld de subsidievoorwaarden (zoals beschreven in de bijlage, artikel 4:40 lid 3: «Geen subsidie wordt verstrekt voor een project dat ... bijdraagt aan een vergroting van de productie van forel, paling, meerval») aan te passen teneinde de Claresse (een soort meerval) te kunnen subsidiëren?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Uiteindelijk zijn de voorwaarden niet aangepast, maar is wel kort hierna € 345.045,- subsidie gegeven voor het in de markt zetten van de Claresse; wat was het maatschappelijk nut hiervan? Waarom is subsidie gegeven voor promotie van de Claresse en onderzoek daartoe? Is onderzocht of bestaande bedrijven hiervan nadeel zouden ondervinden? Is het promoten van een merknaam (Claresse) in overeenstemming met de subsidievoorwaarden?
Dit betreft een subsidie uit het Europees Visserij Fonds (EVF) programmaperiode 2007–2013. Bij het EVF zijn er subsidieregelingen opengesteld die passen onder het communautair visserijbeleid. Deze openstellingen worden gepubliceerd en zijn voor iedere ondernemer toegankelijk. De aanvragen voor subsidie worden inhoudelijk beoordeeld door een beoordelingscommissie.
Bij de inhoudelijke beoordeling is juist door deze commissie aangegeven dat de subsidie niet aangewend mag worden voor promotie van de merknaam Claresse. Bij de vaststelling van de subsidie is er ook gekeken of er sprake was van promotie van de merknaam Claresse. Dit blijkt niet het geval te zijn.
Onderschrijft u de woorden van uw ministerie in de e-mail d.d. 21 september 2009: «De Claresse blijft een meerval»?
Zie ook mijn antwoord op vraag 8. In 2009 was er nog onduidelijkheid of Claresse een meervalsoort is. Overigens is er in de rechterlijke uitspraken in latere jaren steeds van uitgegaan dat Claresse een meervalsoort is. Dit is voor EZ geen punt van discussie meer.
Uw ministerie schrijft (e-mail d.d. 23 april 2010) dat zij de subsidie niet terug wil vorderen «omdat dit te veel heibel geeft»; is dit een gebruikelijke redenatie om al dan niet terug te vorderen? Onderschrijft u dat dit geen valide argument is om al dan niet terug te vorderen? Zo ja, gaat u alsnog terugvorderen? Zo nee, geldt de redenatie dat er niet teruggevorderd wordt als het te veel heibel geeft ook voor andere ministeries, zoals bijvoorbeeld bij strafkortingen op de bijstand voor fraude of fouten bij uitkeringen?
Voor de redenen waarom er niet is teruggevorderd verwijs ik u naar de eerdere beantwoording van vraag 2 en vraag 6 van de vragen inzake het bericht «Krijgt vermeende subsidiefraude in vissector toch een strafrechtelijke staartje» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 977).
In hoeverre is het aanpassen van subsidievoorwaarden ten bate van een specifiek persoon en het manipuleren van onderzoeksuitkomsten van het LEI conform interne gedragscodes op het ministerie? Zijn dit veelvoorkomende praktijken?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en vraag 8.
Driezorg in Zwolle en de Wet normering topinkomens |
|
Carla Dik-Faber (CU), Carola Schouten (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het jaarverslag 2015 van Driezorg in Zwolle?
Ja.
Klopt het dat de directeur bij beëindiging van zijn contract vanwege een «verschil van mening» met de raad van toezicht ruim € 426.000 meekrijgt?
In het jaarverslag van Driezorg over 2015 staat aangegeven dat de oud-directeur een ontslagvergoeding meekrijgt van 426.113 euro wegens beëindiging van het dienstverband.
Hoe verhoudt dit zich tot de Wet normering topinkomens?
Dit bedrag is boven de grens die wordt gehanteerd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Voor uitkeringen in verband met de beëindiging van het dienstverband geldt dat deze tot vier jaar na inwerkingtreding van de WNT (2013) moeten worden gerespecteerd. Na 2016 geldt dat een uitkering in verband met de beëindiging van het dienstverband niet meer mag bedragen dan € 75.000.
Bent u bereid het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) hiernaar onderzoek te laten doen?
De afspraken in het kader van het beëindigen van het dienstverband stammen van voor de inwerkingtreding van de WNT. Ook heeft de accountant gecontroleerd op naleving van de WNT en daarbij geen onrechtmatigheden geconstateerd. Desondanks zal het CIBG een onderzoek uitvoeren om zeker te stellen dat er geen sprake is van overtredingen.
Klopt het dat Driezorg in financieel zwaar weer zit? Hoe beoordeelt u in dit licht de vergoeding aan de directeur?
Het jaarverslag van Driezorg spreekt over een moeilijk jaar 2010. De WNT is niet voor niets ingevoerd. Exorbitante vergoedingen zijn hiermee aan banden gelegd.
Deelt u de mening dat deze beloningen in de zorgsector exorbitant zijn en niet getolereerd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Toezichthouders in de zorg die hun vergoeding verhogen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Vindt u het ook moreel verwerpelijk dat toezichthouders in de zorg hun eigen vergoeding royaal verhogen, soms wel met 60%?1
Op grond van de Wet normering topinkomens (WNT) is de bezoldiging van voorzitters en leden van toezichthoudende organen in de publieke en semipublieke sector genormeerd. Oorspronkelijk was de bezoldiging genormeerd op respectievelijk 7,5% en 5% van de voor de instelling geldende norm, overeenkomstig een ingeschatte tijdsbesteding van drie, respectievelijk twee dagdelen per maand. In 2013 bleek de daadwerkelijke tijdsbesteding circa het dubbele te zijn. Daarnaast heeft in 2013 de Commissie Behoorlijk Bestuur in het rapport «Een lastig gesprek» de toenemende verantwoordelijkheden en verwachtingen van de toezichthoudende organen in de publieke en semipublieke sector benadrukt._ Bij de verlaging van de bezoldigingsmaxima is om deze redenen de bezoldigingsnorm voor voorzitters en leden van toezichthoudende organen verhoogd naar respectievelijk 15% en 10% van de (verlaagde) norm overeenkomstig de werkelijke tijdsbesteding._ Eventuele verhogingen van de bezoldiging moeten ook in het kader van deze verruiming van de rollen, verantwoordelijkheden en tijdsbesteding worden gezien. Bezoldigingen die de bezoldigingsmaxima te boven gaan zullen, met inachtneming van het overgangsrecht, teruggebracht moeten worden naar de norm.
Heeft u een overzicht hoeveel zorgpremie en geld voor onderwijs of geld opgebracht door huurders éxtra naar toezichthouders gaat? Zo nee, kunt u dit (laten) maken?
Met de WNT wordt gestreefd naar een verantwoord bezoldigingsniveau in de publieke en semipublieke sector. Een verantwoorde bezoldiging moet worden gezien in het licht van de in de sector toepasselijke norm en de tijdsbesteding van de functionaris aan zijn/haar werk. De WNT heeft geen bekostigings- of bezuinigingsdoelstelling als zodanig. Om deze reden houd ik niet bij, noch ben ik voornemens bij te houden, hoeveel publiek geld er aan bezoldigingen van topfunctionarissen wordt uitgegeven.
Heeft u voorzien dat de toezichthouders na de door u toegestane verruiming, per direct zo fors hun vergoeding zouden verhogen? Vindt u dit gepast?
Zie antwoord vraag 1.
De 24/7 opening van Holland Casino in Rotterdam |
|
Gert-Jan Segers (CU), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ingrijpen tegen komst 24/7-casino Rotterdam»?1
Ja.
Wat vindt u van de komst van het eerste 24-uurscasino van Holland Casino in Rotterdam? Mogen in de toekomst van u meer casino’s 24 uur, zeven dagen per week, open zijn?
De wet en -regelgeving omtrent kansspelen regelt niets met betrekking tot de tijden waarop een speelcasino open mag zijn. De keuze hierover is aan het lokale gezag gelaten. Ik zie ook geen reden waarom de openingstijden niet aan het lokale gezag gelaten kunnen worden.
Hoe verhoudt een 24-uurscasino zich tot de wettelijke verantwoordelijkheid van Holland Casino om gokverslaving tegen te gaan?
Elke vergunninghouder op grond van de Wet op de kansspelen heeft een wettelijk verankerde zorgplicht (artikel 4a Wok). Dit houdt in dat de vergunninghouder de speler voldoende moet informeren over de risico’s van de deelname aan casinospelen, problematisch speelgedrag zo snel mogelijk moet signaleren, de speler tijdig en adequaat feedback op het speelgedrag moet geven en maatregelen moet nemen om de speler zijn speelgedrag te laten matigen indien daar aanleiding toe is. Ook moet de aanbieder de speler op mogelijkheden voor hulpverlening wijzen. Deze zorgplicht is onverkort van toepassing, ongeacht het tijdstip waarop kansspelen worden aangeboden.
Kunt u bevestigen dat Jellinek Verslavingszorg en de Stichting Anonieme Gokkers Omgeving Gokkers (AGOG) Holland Casino eerder opriepen om dit plan af te blazen, vanwege de gokverslavingsrisico’s van een 24-uurs openstelling? Waarom heeft Holland Casino dit plan toch doorgedrukt? Steunt u de oproep vanuit de verslavingszorg? Zo nee, waarom niet?
Uit het aangehaalde artikel blijkt dat Jellinek Verslavingszorg en de Stichting Anonieme Gokkers Omgeving Gokkers (AGOG) Holland Casino hebben opgeroepen om dit plan af te blazen. Ik heb hier geen contact over gehad met genoemde partijen. Ik heb ook geen inzicht in de motivering van Holland Casino om de openstelling ondanks de oproepen toch te verruimen. Ik ben van mening dat kansspelverslavingsrisico’s zo veel mogelijk voorkomen moeten worden, maar ik zie geen reden waarom een 24-uurs openstelling vanuit de beleidsdoelen van het kansspelbeleid een principieel bezwaar is. De houders van vergunningen op grond van de Wet op de kansspelen zijn verplicht maatregelen en voorzieningen te treffen die nodig zijn om verslaving aan de door hen georganiseerde spelen zoveel mogelijk te voorkomen. Het is aan de vergunninghouder om aan de Kansspelautoriteit aan te tonen dat deze voldoet aan zijn zorgplicht.
Klopt het dat burgemeester Aboutaleb geen enkele zeggenschap heeft over het openen van een 24-uurscasino, zoals hij aan de raad van Rotterdam heeft geschreven? Zo ja, vindt u ook dat burgemeesters en raadsleden meer zeggenschap zouden moeten hebben over het openen van een 24-uurscasino in hun stad of dorp? Zo ja, hoe gaat u dat regelen? Zo nee, waarom niet?
Rotterdam is, na gemeenteraadsbesluit daartoe, in 1985 aangewezen als vestigingsplaats voor een speelcasino. De vestigingsplaatsen zijn thans opgenomen in de Beschikking Casinospelen. In de aangewezen gemeenten mag Holland Casino als enige vergunninghouder casinospelen aanbieden conform de vereisten die hier bij of krachtens de Wet op de kansspelen aan worden gesteld. Daarin zijn geen nadere regels gesteld aan de openingstijden van een speelcasino. De openingstijden zijn een lokale aangelegenheid die bijvoorbeeld per APV en drank- en horecawetvergunning geregeld kunnen worden. Uit de antwoorden van het College van burgemeester en Wethouders aan de Rotterdamse gemeenteraad maak ik op dat Rotterdam in dit licht een weloverwogen keuze maakt voor een 24-uurs economie.
Wanneer bent u over het voornemen tot de proef met 24-uursopenstelling geïnformeerd? Bent u bereid het bestuur van Holland Casino een aanwijzing te geven om deze proef in te trekken?2
Holland Casino heeft mij niet geïnformeerd over een proef met een 24-uursopenstelling en hoeft dat ook niet te doen. Op grond van de Beschikking Casinospelen, waar u naar verwijst, dient Holland Casino de Kansspelautoriteit te informeren over proefopstellingen ten aanzien van het uitbreiden van het aanbod aan spelsoorten. Aanpassing (verruiming) van de openingstijden is echter geen uitbreiding van het aanbod in de zin van de Beschikking Casinospelen. Desgevraagd heeft de Kansspelautoriteit aan mij aangegeven niet tevoren geïnformeerd te zijn. De Kansspelautoriteit kan geen aanwijzing geven ten aanzien van de proef met betrekking tot de openingstijden.
Indien deze plannen doorgaan, bent u bereid een nulmeting uit te laten voeren om vast te kunnen stellen of de verruimde openingstijden van invloed zijn op gokverslaving?
Momenteel wordt een bredere nulmeting uitgevoerd ten behoeve van de monitoring en evaluatie van de effecten van de voorgestelde regulering van kansspelen op afstand.3 Deze nulmeting meet ook de actuele stand van zaken rondom de prevalentie van kansspelverslaving op de speelcasinomarkt. De resultaten van de nulmeting worden in de komende maanden verwacht. Drie jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand wordt een nieuwe meting rondom de prevalentie van kansspelverslaving verricht. Daarnaast voert de Kansspelautoriteit jaarlijks een marktscan uit. Op basis van deze scans en de resultaten van de metingen kunnen de ontwikkelingen rondom kansspelverslaving nader geduid worden. Ik verwacht dat de bestaande metingen volstaan.
Bent u bereid het in de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel omtrent de modernisering van het speelcasinoregime zodanig aan te passen dat wettelijk of via lagere regelgeving niet wordt toegestaan dat in een casino 24/7 gespeeld kan worden?
Het speelcasinoregime is erop gericht de vraag naar kansspelen van het illegale aanbod te kanaliseren naar het legale aanbod. Het vergunde speelcasino aanbod is omgeven met waarborgen om kansspelverslaving tegen te gaan, consumentenbescherming te waarborgen en fraude en andere criminaliteit tegen te gaan. Indien blijkt dat er op niet-reguliere tijdstippen een vraag naar kansspelen is, zie ik liever dat aan die behoefte voldaan wordt door gereguleerd aanbod dan dat consumenten illegaal aanbod op zoeken. Op dit moment zie ik geen aanleiding een dergelijke beperking voor te stellen.
Hoe beoordeelt u de opsplitsing van het pand in Rotterdam (twee gedeelten, één voor speeltafels en één voor gokautomaten) in het licht van de opvatting van dit kabinet over de ongewenste scheiding hiervan binnen een casino? («Een speelcasino dat geen tafelspelen aanbiedt, kan dan ook niet worden aangemerkt als een speelcasino, maar lijkt daarentegen veel meer op een speelautomatenhal. Omdat de vraag naar tafelspelen moet kunnen worden toegeleid naar legaal aanbod (de kanalisatiegedachte), zijn vergunninghouders verplicht om tafelspelen in hun speel-casino aan te bieden»).3
Het aanbieden van tafelspelen vind ik een wezenskenmerk van een compleet spelaanbod in een speelcasino. Tegelijk dient het handelen van Holland Casino beoordeeld te worden vanuit de thans geldende wet- en regelgeving ten aanzien van het aanbieden van kansspelen. Het oordeel of Holland Casino met een dergelijke opsplitsingvoldoende navolging geeft aan de bij of krachtens de Wet op de kansspelen gestelde vereisten is aan de Kansspelautoriteit.
Het faillissement van zorgorganisatie Diafaan |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het faillissement van zorgorganisatie Diafaan die 900 werknemers in dienst heeft, en zorg biedt aan 1.800 cliënten?1
Het faillissement van Diafaan is voor alle betrokkenen een hele nare situatie, met name voor de medewerkers en de cliënten. Net zoals bij het faillissement van TSN Thuiszorg, staan voor mij twee zaken voorop. De eerste is de continuïteit van goede zorg en ondersteuning aan mensen die dat nodig hebben en het tweede is het behoud van werk met fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. Over beide zaken laat ik mij op de hoogte houden door de curator van Diafaan (zie ook mijn antwoorden op de vragen 4 t/m 7).
Voor wat betreft de oorzaak van het faillissement van Diafaan, geldt het volgende. De curator heeft mij laten weten dat de toenmalige bestuurder van Diafaan in het surseanceverzoek heeft opgenomen dat de organisatie kampte met overcapaciteit in intramurale huisvesting, waardoor de vaste lasten te hoog waren. Tegelijkertijd was er volgens de bestuurder sprake van een liquiditeitstekort en onvoldoende reserves om tekorten te kunnen opvangen. De curator onderzoekt momenteel of dit de (enige) aanleiding was voor het faillissement.
Wat is precies de reden waarom Diafaan failliet gaat? Is de reactie van Diafaan, die aangeeft onvoldoende in staat te zijn geweest om te reageren op veranderingen in de financiering van vastgoed en de zorg, waar?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u – net als bij TSN Thuiszorg – betrokken bij de afwikkeling van het faillissement van Diafaan? Zet u zich er bijvoorbeeld voor in dat personeel zijn arbeidsvoorwaarden behoudt, koppels van zorgverleners en cliënten bij elkaar blijven, en iedereen zijn of haar zorg behoudt? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat bij het overnameproces koppels van thuiszorgmedewerkers en cliënten verbroken worden door belangen van zorgaanbieders en gemeenten?
De curator heeft mij laten weten dat de betrokken gemeenten hebben besloten de activiteiten van Diafaan op het terrein van huishoudelijke hulp onder te brengen bij de overige door hen gecontracteerde aanbieders. De cliënten konden zelf, desgewenst in overleg met hun hulp, kiezen naar welke van deze gecontracteerde aanbieders zij overstapten. De betrokken gemeenten hebben mij laten weten dat er geen koppels van cliënten en hulpen verbroken zijn als gevolg van belangen van zorgaanbieders en gemeenten. Bij de curator zijn dergelijke voorbeelden niet bekend.
Klopt het dat zorgaanbieders verlaging van salaris (loondump) en arbeidsvoorwaarden voorstellen bij overname van thuiszorgmedewerkers? Gaat u hiertegen optreden? Zo neen, waarom niet?2
De curator heeft mij laten weten dat het overnameproces inmiddels is afgerond. De continuïteit van zorg en ondersteuning is niet in gevaar gekomen. De curator geeft aan dat niet alle medewerkers van Diafaan één op één over zijn gegaan naar de partijen die Diafaan hebben overgenomen (er zijn nog geen definitieve aantallen bekend). Hij geeft aan dat hem daarbij gevallen bekend zijn van medewerkers die er uitdrukkelijk voor hebben gekozen elders te gaan werken dan bij één van deze partijen. Er zijn ook medewerkers waarvoor geldt dat zij er qua salaris en arbeidsvoorwaarden op achteruit zijn gegaan na het faillissement. Ik betreur dat voor deze medewerkers. Ik ben geen partij in de salarisonderhandelingen tussen werknemers en werkgevers.
Hoe verloopt de overname van de instellingszorg van Diafaan? Gaat personeel één op één over, met behoud van arbeidsvoorwaarden en salaris? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u de Kamer informatie toen toekomen hoe het overnameproces precies is geregeld voor cliënten die gecombineerde zorg krijgen van persoonlijke verzorging en huishoudelijke verzorging? Wat betekent dit precies voor het personeel, en het behouden van koppels met zorgverleners? Kunt u uw antwoord toelichten?
Diafaan leverde zowel intramurale zorg vanuit de Wlz, als extramurale zorg vanuit de Zvw en ondersteuning vanuit de Wmo. De failliete organisatie is overgenomen door drie organisaties (Liemerije, Sensire en Pleyade) die de Wlz- en de Zvw-zorg van Diafaan voortzetten. Voor de huishoudelijke hulp geldt dat dit wordt overgenomen door vijf partijen die door de betrokken gemeenten al gecontracteerd waren. Voor cliënten die eerder via Diafaan zowel persoonlijke verzorging als huishoudelijk hulp ontvingen, geldt dat zij nu mogelijk zorg/ondersteuning ontvangen vanuit meerdere organisaties. Zie verder mijn antwoorden op vraag 4 en 5/6.
Bent u voornemens in de algemene maatregel van bestuur die u naar de Kamer gaat sturen op te nemen dat loondump strikt verboden wordt, en arbeidsvoorwaarden altijd behouden blijven als er sprake is van faillissementen, of als een zorgorganisatie besluit te stoppen met het bieden van zorg? Zo neen, waarom niet?
Momenteel wordt door mij een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wmo 2015 voorbereid. Deze maatregel heeft tot doel dat gemeenten maatschappelijke ondersteuning inkopen op basis van inhoud en kwaliteit en concurrentie op arbeidsvoorwaarden wordt tegen gegaan. De met de FNV en CNV en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) overeengekomen uitgangspunten voor de langdurige zorg en ondersteuning vormen het kader voor de algemene maatregel van bestuur. In het kader van de voorhangprocedure wordt het voorstel voor de algemene maatregel van bestuur op korte termijn door mij aan uw Kamer toegezonden.
Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat Diafaan al jarenlang verlies leed, maar ondertussen wel tonnen euro's uitbetaalde aan zijn bestuurders? Vindt u dit gerechtvaardigd nu de banen van 900 mensen, en de zorg aan 1.800 cliënten op het spel staat? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Over hoogte van beloningen en ontslagvergoedingen zijn regels vastgelegd in de Wet Normering Topinkomens (WNT). Dat neemt niet weg dat de onzekerheid voor medewerkers als gevolg van het faillissement zeer te betreuren is. Het is heel goed dat de continuïteit van zorg en ondersteuning aan cliënten niet in gevaar is gekomen, mede dankzij de inspanningen van de medewerkers van Diafaan en de curator.
Erkent u dat het van belang is dat er onderzoek wordt gedaan of bestuurders van Diafaan bestuurlijk en juridisch juist gehandeld hebben in de periode voor het faillissement? Zo ja, bent u bereid te bewerkstelligen dat er een onderzoek naar wanbeheer en wanbeleid bij de Ondernemingskamer wordt aangevraagd? Zo neen, waarom niet?
De curator doet momenteel onderzoek naar de oorzaak van het faillissement van Diafaan en kijkt daarbinnen (zoals gebruikelijk is) ook naar het handelen van de bestuurders. Na afronding van dat onderzoek is het aan de curator om te besluiten of de resultaten hem aanleiding geven tot vervolgstappen.
Alfahulpen in de thuiszorg |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de eerder gestelde vragen over «Minder uren, meer zelf doen en meer alfahulpen»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de reactie van de gemeente Oude IJsselstreek op de door u gegeven antwoorden? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Ja, ik heb kennis genomen van de persverklaring die de gemeente Oude IJsselstreek als reactie op eerder genoemde Kamervragen heeft gepubliceerd. 2 De gemeente heeft mij geïnformeerd dat zij naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de rechtbank Midden-Nederland heeft besloten een pas op de plaats te maken met de plannen voor de algemene voorziening en in het licht van deze rechterlijke uitspraken en het voorgenomen wetsvoorstel eerst alternatieven zal onderzoeken. Dit vind ik een verstandig besluit.
Wat vindt u van de opmerking van de gemeente Oude IJsselstreek dat men «nog moet zien of de (door u) aangekondigde wetgeving er ooit komt»? Is het niet zo dat de afspraken van 4 december 2015 over onder meer het verbieden van alfahulpen ook gemaakt zijn door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die daarbij ook de gemeente Oude IJsselstreek vertegenwoordigde?
Ik heb de gemeente geconsulteerd en dit blijkt een onjuist citaat. De gemeente heeft in dit kader geschreven: «Van Rijn heeft aangekondigd een conceptversie van de nieuwe wetgeving ter consultatie voor te zullen leggen aan betrokken partijen. Dit heeft nog niet plaatsgevonden.» Op het moment van deze uitspraak was het concept wetsvoorstel nog niet ter consultatie aan de gemeenten voorgelegd. Inmiddels zijn de gemeenten geconsulteerd en heeft de gemeente Oude IJsselstreek zowel in haar persverklaring als in contact met het ministerie aangegeven dat zij zich bij een wetswijziging aan de wet zal houden en haar voorziening inricht binnen de wettelijke kaders.
Wat vindt u van de opvatting van de gemeente Oude IJsselstreek dat het niet haar taak is informatie te verschaffen over de arbeidsrechtelijke aspecten van het fenomeen alfahulp? Bent u van mening dat gemeenten zich, in het kader van de voorbeeldfunctie van de overheid, terdege rekenschap dienen te geven van bedoelde aspecten en daarover ook hun burgers (als die bijvoorbeeld moeten kiezen voor het al dan niet gebruikmaken van alfahulp) moeten informeren?
Ja, dat ben ik van mening. De gemeente Oude IJsselstreek geeft aan mij aan dit ook te doen.
Heeft u kennisgenomen van de bewering van de gemeente Oude IJsselstreek dat alfahulpen zich voor een laag bedrag prima zouden kunnen verzekeren voor zulke zaken als ziekte en werkloosheid? Bent u bereid een overzicht te verschaffen van de mogelijk- en onmogelijkheden om als alfahulp via verzekeringen of anderszins recht te kunnen doen gelden op alle arbeidsvoorwaarden die men zou hebben als sprake zou zijn van een dienstverband onder de op werknemers in de thuiszorg van toepassing zijnde cao, de daarmee gepaard gaande kosten en het vervolgens voor de alfahulpen in kwestie resterende netto inkomen? Wat vindt u een fatsoenlijk netto inkomen per uur voor een thuiszorgmedewerker na aftrek van de hiervoor genoemde kosten?
De gemeente heeft mij geïnformeerd dat zij raadsvragen heeft beantwoord over de mogelijkheden voor een alfahulp om zich vrijwillig te verzekeren voor langdurige ziekte en werkloosheid.
Ik kan u informeren dat dienstverleners aan huis die werken op basis van de Regeling dienstverlening aan huis zich vrijwillig kunnen verzekeren tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Dienstverleners aan huis kunnen alleen een WW-verzekering afsluiten in combinatie met een Ziektewetverzekering. Het dagloon van de verzekering voor de WW moet gelijk zijn aan dat van de Ziektewetverzekering. De premie van de Ziektewetverzekering en de premie van de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WIA-verzekering) kunnen worden afgetrokken van de aangifte inkomstenbelasting.
De Regeling dienstverlening aan huis is bedoeld voor particulieren die een dienstverlener willen inhuren voor huishoudelijk werk in en om het huis voor minder dan vier dagen per week. De particulier moet zorg dragen voor een veilige en gezonde werkplek, minimaal het wettelijk minimumloon en 8% vakantiegeld betalen, betaalt de dienstverlener door bij vakantie en betaalt de dienstverlener door bij ziekte voor een periode van maximaal zes weken.
De arbeidsvoorwaarden voor thuiszorgmedewerkers in dienst bij thuiszorginstellingen die huishoudelijke hulp verlenen zijn door werkgevers en werknemers vastgelegd in de cao Verpleging, Verzorging en Thuiszorg. Voor medewerkers die werken op basis van de Regeling dienstverlening aan huis is geen algemeen verbindend verklaarde cao van toepassing. De arbeidsvoorwaarden komen in dat geval tot stand in overleg tussen de pgb-houder en de alfahulp, met als ondergrens het wettelijk minimumloon.
Molukse gevangenen |
|
Harry van Bommel |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u het bericht «Geen familiecontact is zwaarste straf» over Molukse gevangenen die ver van hun familie zijn opgesloten?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Kunt u bevestigen dat de in het artikel genoemde gevangenen zijn opgesloten omdat zij in 2007 een Molukse krijgsdans opvoerden waarbij de vlag van de RMS (Republiek der Zuid-Molukken) werd ontvouwd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
De genoemde gevangenen zijn in juni 2007 opgepakt omdat zij tijdens culturele festiviteiten in het stadion van Ambon de RMS vlag toonden en de traditionele dans «Cakalele» uitvoerden in het bijzijn van de toenmalige Indonesische president Yudhoyono. Nederland beschouwt het tonen van een dergelijke vlag als een uiting van de vrijheid van meningsuiting.
Beschouwt u de gevangenen als gewetensgevangenen die onterecht veroordeeld zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat de gevangenen kort na de arrestatie gemarteld werden en bovendien ondervoed en verwaarloosd zijn, zoals een onderzoeker van Human Rights Watch stelde na een bezoek eerder dit jaar? Zo nee, welke informatie heeft u dan over de toestand van de gevangenen?
De berichten over een slechte behandeling en gezondheidsproblemen van de gevangenen zijn door Nederland bij diverse gelegenheden onder de aandacht gebracht van de Indonesische autoriteiten. Direct na het nieuws van de arrestaties heeft de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken aandacht gevraagd voor de gevangenen en grote zorgen geuit bij zijn Indonesische counterpart over de hoge straffen die hen waren opgelegd. Na de zorgelijke berichten over de slechte behandeling van de gevangenen is door de Nederlandse ambassade in Jakarta navraag gedaan bij de Indonesische autoriteiten en het lot van de gevangenen nogmaals onder de aandacht gebracht. Uit de ingewonnen informatie kon niet met zekerheid worden afgeleid dat de arrestanten zijn gemarteld. Nederland heeft en marge van de VN-Mensenrechtenraad in 2008 in Genève de Indonesische autoriteiten verzocht de nationale wetgeving in lijn te brengen met de vigerende internationaalrechtelijke verplichtingen. Nederland zal aandacht blijven vragen voor de situatie van de gevangenen.
Dringt Nederland aan op goede medische zorg voor deze en andere gevangenen in Indonesië? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger op eerdere vragen over Molukse gevangenen dat het kabinet de plaatsing van Molukse gevangenen dichter bij huis met de Indonesische regering zal opnemen, en dat dit ook in EU-verband zal worden opgepakt?2
Ja.
Kunt u aangeven hoe u zich sinds uw aantreden heeft ingespannen om Indonesië ertoe te bewegen dat gevangenen in de buurt van familieleden worden opgesloten zodat bezoek mogelijk wordt?
De verblijfplaats van de Molukse gevangenen is op verschillende niveaus en meerdere malen ter sprake gebracht. Sinds mijn aantreden is de situatie van de gevangenen aan de orde gesteld tijdens hoogambtelijke politieke consultaties in 2015. In maart 2016 heb ik met coördinerend Minister van Politieke en Veiligheidszaken Luhut Panjaitan gesproken over mensenrechten en de situatie met betrekking tot de Molukken en Papua. Tijdens het recente bezoek van president Widodo aan Nederland is de mensenrechtensituatie op de Molukken en de vrijheid van meningsuiting zowel door mijzelf als door Minister-President Rutte opgebracht. Ook tijdens de laatste EU-Indonesië Mensenrechtendialoog in november 2014 is aandacht gevraagd voor detentieomstandigheden in Indonesische gevangenissen. Nederland heeft in EU verband verzocht de detentieomstandigheden en de plaatsing van de Molukse gevangenen dichterbij huis ook aan de orde te stellen tijdens de EU-Indonesië Mensenrechtendialoog op 28 juni dit jaar.
Het bericht dat er eieren worden gegooid naar een conducteur en dat dit wordt gefilmd |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met onderstaand filmpje?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit gedrag totaal onacceptabel is en zwaar dient te worden bestraft? Zo nee, waarom niet?
Daders van agressie en geweld tegen werknemers in een publieke functie moeten hard worden aangepakt. Daarom hebben politie en Openbaar Ministerie (OM) in 2010 met elkaar afspraken gemaakt over de opsporing en vervolging van agressie en geweldsdelicten – de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) – om een eenduidige, effectieve en snelle afhandeling te bewerkstelligen. Voorbeelden van de ELA zijn prioritaire afhandeling van de aangifte, eenduidige registratie, zo veel mogelijk toepassen van lik-op-stuk en een hogere strafeis van het OM in zaken die betrekking hebben op agressie en geweld tegen werknemers in een publieke functie.
Op welke wijze gaat u de dader, die goed herkenbaar in beeld is, aanpakken?
Op dinsdag 31 mei omstreeks 17.05 uur meldde een getuige zich direct na het voorval bij een NS-medewerker. Deze getuige herkende de vermoedelijke dader. Kort daarna verschenen er op internet beelden van het voorval. Deze beelden zijn door de verdachte zelf online gezet. Op donderdag 2 juni heeft de 18-jarige verdachte zichzelf gemeld bij de politie. De verdachte is vervolgens aangehouden en verhoord. Op dit moment is het onderzoek nog niet afgesloten. Ik kan dan ook verder niet inhoudelijk reageren op de zaak.
Kunt u aangeven of dergelijke acties vaker gebeuren bij NS-personeel en welke straf een dader dan krijgt?
Bij de NS zijn geen vergelijkbare incidenten bekend.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Openbaar Vervoer van 28 juni 2016?
Ja.
Het feit dat Holland Casino op straat klanten werft en gratis speelgeld weggeeft |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Holland Casino gaat de straat op»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de genoemde activatiecampagne van Holland Casino onder de wervings- en reclame-activiteiten, zoals bedoeld in de Wet op de Kansspelen dan wel het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen, valt? Zo ja, welke bepalingen van die wet of dat besluit betreft het in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
De actie van Holland Casino valt onder de gedragscode promotionele kansspelen.2 Promotionele kansspelen mogen uitsluitend ter promotie van een product, dienst of organisatie dienen en mogen niet als een zelfstandige activiteit worden aangeboden. Voor het organiseren van promotionele kansspelen kan geen vergunning worden verleend op grond van de Wet op de kansspelen. Indien echter wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in de gedragscode promotionele kansspelen, is het toegestaan promotionele kansspelen te organiseren. Organisatoren van promotionele kansspelen hebben op grond van de gedragscode promotionele kansspelen niet dezelfde informatieplicht als vergunninghouders op basis van artikel 5 van de Wet op de kansspelen hebben.
De gedragscode laat ook ruimte voor vergunninghouders om promotionele kansspelen te organiseren. Indien een vergunninghouder een promotioneel kansspel organiseert, waarbij een eigen product als prijs fungeert, dient de vergunninghouder ook aan alle voorwaarden van de gedragscode te voldoen. Onderdeel van die voorwaarden is onder andere een maximering van de prijzen of premies en het aantal trekkingen, voorschriften ten aanzien van bescherming van minderjarigen, het voorkomen van misleiding en de verplichting in het voorzien in een klachtenregeling en algemene spelvoorwaarde. Op het moment dat niet wordt voldaan aan de gedragscode overtreedt de aanbieder de Wet op de kansspelen. De Kansspelautoriteit houdt hier toezicht op.
Hoe verhoudt deze activatiecampagne van Holland Casino zich tot de Wet op de Kansspelen en het bovengenoemde besluit?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt bij deze campagne invulling gegeven aan de informatieplicht dat in artikel 5 van de Wet op de Kansspelen wordt omschreven, zoals het aangeven van risico’s van onmatige deelneming aan kansspelen en wat de statistische kans is op het winnen van een prijs?
Zie antwoord vraag 2.
Is het bieden van een kans op gratis speelgeld bij Holland Casino en het bieden van een kans om 20.000 euro te winnen niet al een kansspel op zich? Zo ja, heeft Holland Casino daarvoor een vergunning? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Mag Holland Casino buiten de eigen vestigingen op straat kansspelen aanbieden?
Het promotionele kansspel mag alleen aangeboden worden door een vergunninghouder als bepaalde voorwaarden in de vergunning of bijvoorbeeld een specifieke reclamecode dit niet verbieden. In de Beschikking Casinospelen zijn hierover geen beperkingen opgelegd aan Holland Casino.3 Indien promotionele kansspelen worden georganiseerd op straat, dient de organisator daarvan zich te houden aan de vereisten die de betreffende gemeente daaraan stelt, bijvoorbeeld het in bezit zijn van een standplaatsvergunning.
Welke middelen staan u of de Kansspelautoriteit ter beschikking om deze activatiecampagne van Holland Casino te toetsen aan de genoemde wet en besluit en welke middelen staan ter beschikking om eventueel in te grijpen? Is er sprake van het inzetten van een van deze middelen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Op het moment dat niet wordt voldaan aan het gestelde in de gedragscode overtreedt de aanbieder van een promotioneel kansspel de Wet op de kansspelen. De Kansspelautoriteit kan ter vaststelling van een overtreding alle toezichtinstrumenten inzetten die de Algemene wet bestuursrecht en de Wet op de kansspelen haar verschaft. De Kansspelautoriteit houdt toezicht op de activiteiten van Holland Casino, dus ook op de promotieactiviteiten die Holland Casino ontplooid. Indien blijkt dat Holland Casino met dit promotionele kansspel de gedragscode overtreedt, dan kan de Kansspelautoriteit besluiten handhavingsinstrumenten in te zetten. De gedragscode promotionele kansspelen zal binnenkort worden geëvalueerd. VNO-NCW en de Kansspelautoriteit zullen hierbij betrokken worden. De wijze waarop vergunninghouders promotionele kansspelen organiseren zal ik bij die evaluatie betrekken.
Deelt u de mening dat deze activatiecampagne van Holland Casino strijdig is met uw beleid ten aanzien van het voorkomen van bovenmatig gokgedrag? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Wervings- en reclameactiviteiten leiden (potentiële) spelers naar het vergunde aanbod. Alleen bij het vergunde aanbod genieten zij het hoge niveau van bescherming dat de regering met het kansspelbeleid voorstaat. Het aanbieden van promotionele kansspelen door een vergunninghouder kan een middel zijn om spelers naar het vergunde aanbod te leiden.
Het bericht ‘Cyber security van apparatuur in ziekenhuizen kwetsbaar’ |
|
Pia Dijkstra (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cyber security van apparatuur in ziekenhuizen kwetsbaar»?1
Ja
In hoeverre zijn er bij u besmettingsgevallen met malware bij Nederlandse ziekenhuizen bekend?
Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn geen concrete meldingen van cyber incidenten bekend. Bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) zijn er in het afgelopen jaar twee vrijwillige meldingen van malware besmettingen geweest. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen van de leden Pia Dijkstra en Kees Verhoeven (d.d. 11 mei 2016) betreffen deze meldingen aanvallen op kantoorautomatisering en zijn er bij het NCSC geen signalen bekend dat deze aanvallen hebben geresulteerd in grootschalige uitval of verstoring.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen, waarin u zei dat «het de eigen verantwoordelijkheid van ziekenhuizen is om de informatiebeveiliging op orde te hebben»? Kunnen ziekenhuizen de expertise van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) inroepen om hun informatiebeveiliging op orde te krijgen? Zo nee, waarom niet?2
Ja
In eerdere beantwoording is aangegeven dat informatiebeveiliging een eigen verantwoordelijkheid van de zorginstelling is, ongeacht de mate van ondersteuning die het NCSC een partij biedt. In de EU richtlijn inzake Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIB) wordt de zorgsector overigens wel aangewezen als sector waarbinnen moet worden bepaald welke specifieke organisaties aanbieders van essentiële diensten zijn en in verband hiermee onder bepaling van de richtlijn komen te vallen. Over de implementatie van de NIB-richtlijn en verdere acties wordt de Tweede Kamer door de Minister van Veiligheid en Justitie geïnformeerd.
Er is sprake van een omvangrijk aantal activiteiten op het gebied van cybersecurity in de zorg, die met betrokkenheid van het NCSC, worden ontplooid. Allereerst heeft het NCSC in samenwerking met de sector een Information Sharing and Analysis Centre (ISAC) voor de zorg opgezet. Een ISAC is een publiek-privaat sectoraal samenwerkingsverband, waarbinnen op tactisch niveau deelnemers van verschillende ziekenhuizen onderling informatie en ervaringen uitwisselen over cybersecurity en kwetsbaarheden in de sector («situational awareness»).
Daarnaast wordt gewerkt aan de inrichting van een Computer Emergency Response Team (CERT) voor de zorg (Z-CERT). Tot slot publiceert het NCSC openbare kennisproducten (o.a. het Cybersecurity Beeld Nederland (CSBN) en Factsheets) die zorginstellingen kunnen gebruiken bij het verbeteren van hun informatiebeveiliging.
Binnenkort verschijnt ook de tweede druk van het «Convenant Veilige toepassing van medische technologie». Het convenant is een veldnorm voor de instellingen voor medisch-specialistische zorg en biedt handvatten voor de totale levenscyclus van een medisch hulpmiddel. Daarin wordt het aspect «cybersecurity» aangemerkt als onderdeel van de risicoanalyse.
Bent u bereid onderzoek te doen onder Nederlandse ziekenhuizen en andere zorginstellingen, naar het voldoen van apparatuur aan de privacyregelgeving, het gebruikmaken van versleutelde verbindingen bij op het netwerk aangesloten apparaten en beleid rondom het dichten van kwetsbaarheden in software van medische apparatuur?
Informatiebeveiliging is een eigen verantwoordelijkheid van een zorginstelling. De NEN 7510 (en NEN 7512) – waar de ziekenhuizen nu al aan moeten voldoen – geven allerlei technische en organisatorische normen hoe informatiebeveiliging en privacy kan worden bereikt. Deze normen zijn zowel gericht op het voorkómen van incidenten als op het voorbereid zijn wanneer ze optreden. Ziekenhuizen zullen zelf moeten nagaan of nieuwe apparatuur voldoet aan de beveiligingseisen die in deze normen zijn gesteld. Ziekenhuizen kunnen hun informatiebeveiligingsbeleid en de beveiligingsmaatregelen ook periodiek laten auditen.
Informatiebeveiliging van medische hulpmiddelen, waaronder medische apparatuur, maakt deel uit van het ontwikkel (design) proces. In de essentiële eisen die de huidige Europese Medische Hulpmiddelen Richtlijn voorschrijft staat dit weliswaar nog niet expliciet zo genoemd, maar in de tekst van de aankomende verordening wel. Onder Nederlands Voorzitterschap is op 15 juni jl. over deze verordening politiek akkoord bereikt.
De IGZ ziet toe op de naleving van relevante wet- en regelgeving op het gebied van informatiebeveiliging in de zorg, voor zover die raakt aan kwaliteit en veiligheid van zorg. Het genoemde convenant bij het antwoord op vraag 3 valt hier ook onder.
In het Algemeen Overleg van woensdag 29 juni heb ik de TK geïnformeerd over mijn aangekondigde onderzoek, een quickscan, dat ik uitvoer naar de praktijk rond de privacybescherming en omgang met informatiebeveiliging in de ziekenhuizen en GGZ-instellingen. Hierin zal ik onder meer kijken naar de omgang met medische gegevens, de vindbaar- en toegankelijkheid daarvan en voor wie, hoe groot de rol is die privacy en informatiebeveiliging speelt in de eigen dienstverlening en bij uitbesteding van bijvoorbeeld het digitaliseren van patiëntendossiers, of er in de instelling specifiek mensen zijn die verantwoordelijk zijn voor de informatiebeveiliging en hoe deze verantwoordelijkheid is belegd in de Raad van Bestuur en of er geoefend wordt in de organisatie met informatiebeveiligingsincidenten (bijvoorbeeld een hack).
Deelt u de mening dat de maatschappelijke acceptatie van medische innovaties afhangt van het vertrouwen dat patiënten hebben in de (cyber)veiligheid van het apparaat en de veilige omgang met gegenereerde (persoons)gegevens? Zo ja, op welke manier draagt u daaraan bij? Zo nee, waarom niet?
Veiligheid van medische hulpmiddelen is een belangrijke voorwaarde voor het gebruik. Medische hulpmiddelen dienen, voordat zij tot de markt worden toegelaten, beoordeeld te worden om te bepalen of zij geproduceerd zijn conform de essentiële eisen van de Europese Medische Hulpmiddelen Richtlijn. Cyberveiligheid vormt een groeiend onderdeel van deze beoordeling, gezien de toegenomen verbondenheid van medische apparatuur met de lokale zorginformatiesystemen en de data die deze apparaten verzamelen en verwerken. Er wordt veelal gewerkt volgens de privacy en security by design principes3, waarbij de apparaten niet zonder reden verbonden zijn met openbare netwerken en data niet zonder reden beschikbaar wordt gesteld aan anderen. De beoordeling en certificering van medische hulpmiddelen gebeurt aan de hand van internationale normen, waarin privacy en cyberveiligheid ook meegenomen worden.
Er is een groeiend bewustzijn rondom de risico’s van de steeds meer verbonden medische apparaten. Tevens wordt gewerkt aan het vergroten van het risicobewustzijn bij zorgverleners en instellingen op het gebied van cyberveiligheid en privacy. Zo heeft de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) een Netwerk Informatiebeveiliging waar kennis en ervaring wordt uitgewisseld, is er een 4-daagse cursus informatieveiligheid ontwikkeld en wordt dit jaar voor het zesde jaar een bewustwordingsweek georganiseerd waar zorgverleners in ziekenhuizen worden gewezen op de risico’s van cyberveiligheid en privacy, en de maatregelen die zij daartegen kunnen nemen. Voor meer informatie daarover verwijs ik u naar http://www.zorgzekeren.nl/. Ik steun dit initiatief van harte.
Bent u bereid, gezien het belang van medische innovaties voor de kwaliteit van de zorg, om een landelijke aanpak te organiseren om de cyber veiligheid van ziekenhuizen en andere zorginstellingen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De eerder genoemde Z-CERT is een landelijk georganiseerde aanpak om cyberveiligheid in de ziekenhuizen te verhogen. De ISAC, heeft eveneens als doel om de cyberveiligheid door de uitwisseling van kennis en informatie te verhogen en is reeds landelijk georganiseerd.
Daarnaast zal ik, zoals eerder ook al in antwoorden op Kamervragen heb aangegeven, met de leden van het Informatieberaad (ondermeer de zorgkoepels, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Zorgverzekeraars Nederland) bespreken of het noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen om extra waarborgen te realiseren en «privacy en security by design4» te stimuleren.
Tot slot verwijs ik naar het aangekondigde onderzoek, een quickscan, rond de privacybescherming en omgang met informatiebeveiliging binnen de ziekenhuizen en GGZ-instellingen, waarover ik u voor eind van dit jaar informeer. Ik zal aan de hand van de bevindingen bezien wat nog extra nodig is.
De inzet van drugshonden in scholen |
|
Joyce Vermue (PvdA), Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «School schoonvegen met drugshonden»?1
Ja.
Wat is uw mening over het plan van de gemeente Steenwijkerland om het drugsprobleem (uit een GGD onderzoek blijkt dat het drugsgebruik van meerdere jongeren van 13 tot 16 jaar in deze gemeente fors is) aan te pakken door controles op hangplekken, politieonderzoek en het inzetten van drugshonden in schoolgebouwen?
De uitvoering van drugspreventie is een zaak van de gemeente, die immers het beste zicht heeft op aard en omvang van het lokale drugsgebruik. Ik zie het als mijn taak er voor te zorgen dat modellen voor goede drugspreventie beschikbaar zijn, zoals via de Handreiking Gezonde gemeente van het Centrum gezond Leven (CGL) van het RIVM, de Leidraad Alcohol en Drugs bij Evenementen van het Trimbos-instituut, en de diverse voorlichtingsprogramma’s voor scholen. Een gemeente bepaalt uiteindelijk zelf welke instrumenten zij wil inzetten.
Deelt u de mening dat de inzet van drugshonden op scholen in beginsel ongewenst is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat een school eerst met goede voorlichting, een duidelijk schoolreglement met heldere regels en sancties over drugsgebruik en -bezit op school, betrokkenheid van ouders e.d. moet proberen drugsproblemen te voorkomen. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij hun veiligheidsbeleid vormgeven. De aanwezigheid van politie en drugshonden kan enerzijds een signaal zijn aan leerlingen dat drugs niet worden geduld en daardoor een preventieve werking hebben. Anderzijds kan deze vorm van opsporing een tegenstrijdig effect hebben op het veiligheidsklimaat van scholen en tot verkeerde beeldvorming en onveiligheidsgevoelens bij leerlingen leiden. E.e.a. is sterk afhankelijk van de specifieke problematiek van een school en de manier waarop het instrument wordt gemotiveerd en ingezet.
Volgens informatie van de gemeente Steenwijkerland is de inzet van drugshonden ook daar onderdeel van een bredere aanpak, die bestaat uit preventie op scholen voor leerlingen, ouders en leraren, opsporing, controle en handhaving. (http://www.steenwijkerland.nl/Over_Steenwijkerland/Nieuws/Actualiteiten/Actualiteiten_mei_2016/Gezamenlijke_aanpak_tegen_drugsgebruik_door_jongeren).
Op hoeveel scholen wordt er gewerkt met controles met drugshonden en wat is de aanleiding van deze controles? Is er sprake van een toename van de inzet van drugshonden op scholen? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waar blijkt dit uit?
Er bestaat geen registratie van of onderzoek naar de inzet van drugshonden op scholen. Ik weet dus niet op hoeveel scholen dit gebeurt, noch of er sprake is van een toe- of afname.
Mogen scholen particuliere bedrijven inzetten voor controles met drugshonden? Zo ja, onder welke voorwaarden? Gelden daarbij bijvoorbeeld de eisen van noodzaak en gerechtvaardigd belang zoals bij cameratoezicht op scholen zodat de privacy van leerlingen en personeel wordt gewaarborgd?
Ja dat mag. Scholen zijn sinds 1 januari 2006 verplicht een (school)veiligheidsplan op te stellen. Hierin beschrijft een school hoe zij de fysieke en sociale veiligheid in en om het schoolgebouw waarborgt. De controle op drugs is in wezen vergelijkbaar met controle op wapens. Daarvoor heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie in 2015, in samenwerking met het Ministerie van OCW, het OM, de politie en scholen, een checklist voor scholen opgesteld. Deze checklist geeft een aantal randvoorwaarden voor een goed veiligheidsbeleid, waaronder controles op school. Het gaat dan onder meer om het opstellen van regels over (wapen)bezit, het opnemen van het veiligheidsplan in de schoolgids, het aanstellen van een persoon binnen de school die verantwoordelijk is voor (sociale) veiligheid, het aanstellen van een persoon binnen de politie als aanspreekpunt voor de school, afspraken met gemeente en OM, en facultatief het opstellen van een veiligheidsconvenant met lokale partners. Tot slot is instemming van de medezeggenschapsraad vereist voor de vaststelling of wijziging van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de vertegenwoordigers van docenten en onderwijs ondersteunend personeel.
Overigens moet een school het beleid met betrekking tot de veiligheid in de schoolgids opnemen, waardoor het bijvoorbeeld mogelijk is een leerling te vragen zijn of haar kluisje te openen in het geval van vermoed drugsbezit.
De inzet van particuliere opsporingsbedrijven is toegestaan, als dit onderdeel uitmaakt van het veiligheidsplan waar de medezeggenschapsraad mee heeft ingestemd. Uiteraard moet er bovendien aan de geldende wet- en regelgeving zoals de Wet persoonbescherming voldaan worden, hoewel in dit geval geen opnames of beelden worden gemaakt zoals bij cameratoezicht.
Deelt u de mening dat jongeren preventief goed moeten worden voorgelicht over drugs en dat deze voorlichting meer dient te omvatten dan het benoemen van de risico’s van drugs en de jongeren wijzen op het feit dat drugs verboden is? Zo ja, hoe wordt er momenteel zorg gedragen voor een goeie voorlichting die mede inspeelt op de drugsproblemen die gemeenten zoals Steenwijkerland hebben? Zo nee, waarom niet?
Ik ben er voorstander van dat alle jongeren op de middelbare school goede voorlichting krijgen over drugs. Daarom heeft het Trimbos-instituut voor het voortgezet onderwijs een voorlichtingsprogramma ontwikkeld (De Gezonde School en Genotmiddelen), dat onlangs helmaal is aangepast aan de laatste wetenschappelijke inzichten. Het programma wordt op zo’n 75% van de middelbare scholen gebruikt. Ook voor het MBO-onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) zijn voorlichtingsmodules ontwikkeld. Tot slot start komend studiejaar een voorlichtingsaanbod voor HBO-scholen en universiteiten.
Onlangs heb ik in een brief aan alle gemeenten toegelicht welke instrumenten er allemaal beschikbaar zijn voor drugspreventie op lokaal niveau: van voorlichtingsprogramma’s op scholen tot filmpjes ter ondersteuning van ouders in het gesprek over drugs, een model voor een ouderavond op school e.d. Gemeenten kunnen daarin hun eigen keuze maken, naar gelang hun lokale behoefte.
Het artikel ‘BCT-fabrikanten verwachten update deze maand uit te rollen’ |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «BCT-fabrikanten verwachten update deze maand uit te rollen» (Boordcomputer Taxi, BCT)?1
Ja.
Klopt het dat de update van de BCT pas deze maand (juni) klaar is? Waarom heeft dit zo lang geduurd?
Ja. Dat wil zeggen, één leverancier van de BCT is zeker in juni klaar. Dit is de leverancier met het grootste marktaandeel (ruim 60%). De overige twee leveranciers lopen mogelijk uit en zijn dan in juli klaar. Voor wijzigingen in de programmatuur moet opnieuw een typegoedkeuring worden verleend. De ontwikkeling van de software daarvoor vereist testen, het doorvoeren van wijzigingen en hertesten. De vooraf ingeschatte benodigde tijd was te kort.
Wat betekent dit voor de evaluatie van de BCT? Kunt u in het antwoord ook de uitvoering van de motie van de leden Visser en Hoogland betrekken over duidelijkheid over de Boordcomputer?2
In mijn brief van 20 oktober 2015 (Kamerstuk 31 521 nr. 95) ben ik ingegaan op de evaluatie van de BCT en de motie van de leden Vissier en Hoogland. Ten opzichte van die brief is de periode van uitrol van de software update gewijzigd. Voor een belangrijk deel zal die uitrol niet vóór maar ná 1 juli 2016 plaats vinden. Voor de evaluatie van de BCT en handhaving heeft dat geen gevolgen. Beiden starten ongewijzigd op 1 juli 2016.
Voor de start van de evaluatie is het niet noodzakelijk dat alle BCT’s zijn voorzien van een update om de eerste effecten te kunnen optekenen. Ik verwacht mijn conclusies naar aanleiding van de evaluatie in het eerste kwartaal van 2017 met uw Kamer te delen. Aanvullend heb ik in de planning een vervolgevaluatie opgenomen. Deze vervolgevaluatie start begin 2018, dus na een volledig jaar (2017) waarin ervaring is opgedaan met de BCT.
Voor de start van de handhaving is het ook niet noodzakelijk dat alle BCT’s zijn voorzien van een update. De handhaving zal zich richten op aanwezigheid van de BCT, een plicht die voor de hele taxisector geldt vanaf 1 februari 2015, en het gebruik en de bediening van BCT’s ongeacht of die zijn voorzien van de verplichte software update. Als het de taxiondernemer valt te verwijten als BCT ’s niet zijn voorzien van de verplichte software update terwijl die beschikbaar is, kan de ILT ook handhavend optreden. Vanaf 1 oktober 2016 gaat de ILT volledig handhaven, ook op de data uit de BCT (arbeids- en rusttijden, ritregistratie etc.).Hiervoor moet de BCT voorzien zijn van de software update.
Bovenstaande handhavingaanpak is vooraf met een vertegenwoordiging vanuit de sector besproken. Alle taxiondernemers zijn daarna per brief op 26 mei 2016 door de ILT geïnformeerd.
Wat betekent dit voor de taxiondernemers? Acht u de periode van minder dan een maand voldoende voor de taxiondernemers om de updates uit te voeren? Waarom wel/niet?
Voor de taxiondernemers betekent het dat een groot deel niet vóór 1 juli 2016 de BCT’s zullen kunnen voorzien van een software update. Voor een volledige uitrol van de software update wordt een periode van minimaal twee maanden noodzakelijk geacht. Belangrijk is dat zodra de software update beschikbaar is, de taxiondernemers maatregelen nemen om er voor zorg te dragen dat de software update tijdig wordt geïnstalleerd.
Hoe gaat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) beoordelen wat een opzettelijke en wat een onopzettelijke fout is?
Vanaf 1 juli 2016 gaat de ILT de handhaving BCT weer opstarten. In de overgangsperiode tot 1 oktober 2016 controleert de ILT alleen op aanwezigheid en gebruik en bediening van de BCT’s ongeacht of die zijn voorzien van de verplichte software update. In deze periode kunnen alle partijen ervaring opdoen met en wennen aan het apparaat. Vanaf 1 oktober gaat de ILT weer volledig handhaven, ook op de data uit de BCT (arbeids- en rusttijden, ritregistratie etc.).
Omdat het gebruik van de BCT voor iedereen wennen is, legt de ILT in de overgangsperiode geen boetes op als een ondernemer/chauffeur onopzettelijk fouten maakt in de bediening van het apparaat. ILT-inspecteurs mogen op grond van hun kennis van en ervaring in het werkveld in staat worden geacht deze inschatting te kunnen maken. Bedient iemand de knoppen op de BCT opzettelijk verkeerd om bijvoorbeeld overtredingen in de arbeids- en rusttijden te verbergen, dan beschouwt de ILT dit als fraude. In dat geval kan de ILT een boete opleggen.
Wat betreft de handhaving ten aanzien van de juiste update zal de ILT de eventuele verwijtbaarheid van de ondernemer bij de beoordeling betrekken. In de overgangsperiode kan de ILT handhavend optreden als in de taxi geen geactiveerde BCT aanwezig is met de meest recente en beschikbare software-update. Als dit de ondernemer te verwijten is, kan hij een boete krijgen en een verbod op het verrichten van taxivervoer.
Ik ben geen voorstander van verder uitstel van de handhaving. Het lijkt mij goed om nu in ieder geval volgens planning te starten met de overgangsperiode, waarin alle partijen kunnen wennen aan (het gebruik van) de BCT en de nieuwe situatie.
Vindt u ook dat, wanneer de update pas in juni klaar is, het onrechtvaardig zou zijn als de ILT al per 1 juli aanstaande (gedeeltelijk) gaat handhaven op de aanwezigheid van een functionerende BCT? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de handhaving in zijn geheel uitgesteld worden tot 1 oktober 2016? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
De bezettingsnorm voor zorg aan ernstig zieke baby's op de afdeling neonatologie |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van gespecialiseerde verpleegkundigen over de personeelsbezetting op de afdeling neonatologie?1
Ik heb kennis genomen van het door u meegestuurde bericht van een verpleegkundige. Ik kan uit dit bericht niet afleiden of dit breder leeft onder verpleegkundigen.
Welke bezettingsnormen gelden er overdag, 's avonds en 's nachts voor gespecialiseerde verpleegkundigen die op de afdeling neonatologie voor ernstig zieke baby's zorgen? Op welke wijze zijn deze bezettingsnormen tot stand gekomen, en van wanneer dateert deze norm?
De veldnormen zijn als volgt: De normen voor personele bezetting op een «level 3»2 intensive care neonatologie zijn vastgelegd in het Gezondheidsraad rapport «Intensive care rond de geboorte» (april 2000). Daarbij is uitgegaan van de norm van 2 verpleegkundigen op 3 patiënten (verpleegkundige/patiënt ratio 1:1.5). Voor de HC (high care) zorg wordt in het rapport van de Gezondheidsraad uitgegaan van een 1:3 ratio. Dit zijn gemiddelde ratio’s die sterk kunnen wisselen aan de hand van de zorgzwaarte van de patiënten en het tijdstip op de dag. Over het algemeen is meer personeel aanwezig overdag dan ’s nachts omdat gedurende de daguren meer zorgactiviteiten plaatsvinden (bijvoorbeeld extra onderzoeken). Daarnaast is er vaak sprake van piekdrukte binnen de neonatale zorg. Het is aan de sector om hier invulling aan te geven.
Wat is uw inhoudelijke oordeel over deze bezettingsnormen? Zijn er naar uw mening altijd voldoende gespecialiseerde verpleegkundigen aanwezig om voor een relatief groot aantal ernstig zieke baby's te zorgen, ook bij accumulatie van medische problemen?
Ik ga er vanuit dat de normen een goede richtsnoer vormen voor het inplannen van de capaciteit op een neonatologie afdeling. Er zal ongetwijfeld variatie bestaan in de personele bezetting tussen de verschillende ziekenhuizen en deze zal ook niet altijd constant zijn. Als er, om wat voor reden dan ook, op enig moment te weinig personeel beschikbaar is om de kwaliteit en veiligheid van zorg te garanderen betekent dit dat neonatale bedden (tijdelijk) gesloten zullen moeten worden.
Welke taken van de gespecialiseerde verpleegkundige op de afdeling neonatologie kunnen bij drukte overgenomen worden door andere zorgverleners? Welke zorgverleners zijn dat, en waaruit blijkt dat zij voldoende bekwaam zijn voor deze taakherschikking?
Binnen de «level 3» neonatale zorg gaat het om zeer specifieke en gespecialiseerde taken die niet goed overdraagbaar zijn naar andere zorgverleners. Binnen de «level 2» zorg kan ondersteuning door gekwalificeerde kinderverpleegkundigen geleverd worden. In sommige ziekenhuizen wordt gewerkt met zogenaamde zorgassistenten. Deze ondersteunen verpleegkundigen op zaal met onder andere het ondersteunen van de kinderen bij de verzorging als ouders niet aanwezig zijn. Zij dragen zorg voor de voedingen en ondersteunen en informeren moeders bij het kolven van moedermelk. Verder brengen ze bloedmonsters naar het lab en helpen met het schoonhouden van de couveuses en de omgeving daarom heen. Deze zorgassistenten krijgen een interne opleiding en dragen een ander uniform zodat het voor ouders duidelijk is dat het geen verpleegkundigen zijn.
In hoeverre vindt u het verdedigbaar dat gespecialiseerde verpleegkundigen op de afdeling neonatologie overdag voor minimaal 3 à 4 ernstig zieke baby's zorgen, en bijvoorbeeld crècheleid(st)ers per 2018 overdag voor 3 kerngezonde baby's zorgen? Wat vindt u van deze verhouding? Wat vindt u ervan dat gespecialiseerde verpleegkundigen op de afdeling neonatologie 's nachts voor minimaal 6 à 7 ernstig zieke baby's zorgen?
Ik ben dit bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) nagegaan. Voor alle niveaus van neonatale zorg lijkt een ratio van 1:6 of 1:7 ongewenst. Een oordeel over een ratio van 1 op 3 à 4 zieke pasgeboren kinderen kan alleen worden gegeven als ook de mate van ziek zijn en de complexiteit van zorg daarin kan worden meegenomen. Deze informatie ontbreekt. Uitgaande van zieke en instabiele pasgeborenen is een ratio van 1:3 of 1:4 te krap. Een vergelijking met een crèche is niet aan de orde aangezien het in een crèche om een heel andere vorm van verzorging gaat.
Hoe kan het dat er voor een gezonde baby op de crèche (gelukkig) uitstekende extra begeleiding geregeld is, maar deze zorg en begeleiding voor ernstig zieke baby's in het ziekenhuis in verhouding sterk achterblijven?
Ik kan de stelling dat de zorg en begeleiding voor ernstig zieke baby’s in het ziekenhuis sterk achterblijft, niet onderschrijven. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg zijn geen andere signalen bekend over onvoldoende bezetting op een afdeling neonatologie met risico’s voor kwaliteit en veiligheid van zorg tot gevolg.
Wat gaat u doen om de intensiteit van zorg die gespecialiseerde verpleegkundigen met de huidige bezettingsnorm aan ernstig zieke baby's kunnen leveren verantwoord te houden, dan wel te intensiveren? Hoe garandeert u dat ernstig zieke baby's altijd voldoende en goede zorg krijgen? Hoe ziet u hierop toe?
Het is niet aan het Ministerie van VWS maar aan het betreffende ziekenhuis of afdeling zelf om binnen het kader van geldende wet- en regelgeving een zorgaanbod te organiseren met voldoende gekwalificeerd personeel dat in hoeveelheid en verhouding staat tot de beddencapaciteit. Het is ook een verantwoordelijkheid van het ziekenhuis om een goed opleidingsbeleid te voeren. VWS heeft het Fonds Ziekenhuis Opleidingen in het leven geroepen om ziekenhuizen daarbij behulpzaam te zijn. De inspectie ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorg, dus óók van de neonatologie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zal ingrijpen als zij van mening is dat de kwaliteit van zorg onvoldoende is, of dat de veldnorm wordt overschreden. Mochten er signalen zijn dat dit aan de orde is, dan is het melden daarvan bij het Landelijk Meldpunt Zorg de weg om de IGZ daarvan op de hoogte te stellen.
Gezinshuizen in Gouda |
|
Loes Ypma (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe plek nodig voor uit huis geplaatste kinderen» in AD Groene hart van 30 mei 2016?1 Bent u daarnaast bekend met het bericht van een van de betrokken gezinshuisouders2, dat al na één dag 6.000 keer is gedeeld?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op het voornemen van Horizon Jeugdzorg om te stoppen met de woonvorm «Projectgezinnen» en de gevolgen hiervan voor de zorg continuïteit voor deze kwetsbare groep kinderen?
Ik heb kennis genomen van het voornemen van Horizon Jeugdzorg en Onderwijs om te stoppen met de woonvorm «projectgezinnen». Kennelijk is voor Horizon de combinatie van kwaliteit en kosten van de projectgezinnen onvoldoende duurzaam in de toekomst.
Horizon heeft in haar voorgenomen besluit aan de projectouders aangegeven dat er met hen wordt gezocht naar passende hulp voor de kinderen. Bij voorkeur wordt er een oplossing gevonden waarbij de huidige hulpverleners en de kinderen die zij opvangen bij elkaar kunnen blijven.
Deelt u de mening dat het wegvallen van de projectgezinnen haaks staat op het oogmerk van de Jeugdwet om kinderen juist in een gezinssituatie op te vangen?3
De Jeugdwet heeft inderdaad het oogmerk om kinderen zoveel mogelijk is een gezinssituatie op te vangen, indien zij niet meer thuis kunnen wonen. Projectgezinnen zijn niet de enige vorm waarin kinderen in een gezinssetting kunnen verblijven. Alternatieve vormen van hulp in gezinnen of in gezinsvormen, zijn gezinshuizen en pleegzorg.
Hoe ziet u het voornemen van Horizon Jeugdzorg in het licht van de sterke toenemende behoefte aan pleeggezinnen4, temeer omdat het hier gaat om kinderen die niet tot hun recht komen in een pleeggezin of een jeugdinstelling?
Ik zie niet een direct verband tussen het voorgenomen besluit van Horizon en de toename in behoefte aan pleeggezinnen. Pleeggezinnen zijn voor het ene kind passend, voor het andere niet. Horizon zal, samen met gemeenten, een passende oplossing vinden voor de kinderen die het hier betreft.
Deelt u de mening dat hulpverlening in een gezinsvervangende situatie iets anders is dan het alternatief binnen Horizon Jeugdzorg; het begeleiden van acht jongeren onder begeleiding van één hulpverlener in een locatie op het terrein van de zorgaanbieder?
Er is uiteraard verschil in residentiële opvang en opvang in een gezinssituatie. Residentiële opvang is één van de alternatieven wat betreft hulp aan een kind. Zoals eerder gezegd: voor ieder kind wordt passende hulp gezocht.
Deelt u de mening dat overplaatsing voor deze kinderen grote gevolgen heeft, dat langdurige relaties worden verbroken en dit ingaat tegen hun behoefte aan stabiliteit en een veilige plek?
Deelt u de mening dat de zorg die aan kinderen in gezinshuizen wordt gegeven een duidelijk ander zorgaanbod is dan die in de reguliere pleegzorg? Is de Staatssecretaris tevens van mening dat aan deze kinderen, die een complexe hulpvraag hebben, in een regulier pleeggezin onvoldoende professionele hulp kan worden geboden?
Ik deel de mening dat de hulp aan kinderen in een gezinshuis anders is dan het zorgaanbod in een pleeggezin, wat veelal met de complexiteit van de hulpvraag te maken heeft. Het voornaamste verschil zit hem in de professionele hulp van de gezinshuisouders versus de vrijwillige hulp van pleegouders. Ik ken de individuele specifieke casuïstiek van de kinderen die in de projectgezinnen worden opgevangen niet. Horizon zal per kind en per projectgezin passende overwegingen maken.
Bent u bereid in gesprek te treden met de gemeente Gouda, alsook met andere gemeenten waar soortgelijke problemen spelen, en de bestuurders van Horizon Jeugdzorg, om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om deze vorm van jeugdhulp te behouden?
Het voorgenomen besluit van Horizon om te stoppen met projectgezinnen is onderdeel van een bredere exercitie waarin Horizon haar totale jeugdhulpaanbod tegen het licht houdt. Horizon geeft aan dat dit niet alleen ten doel heeft om een afdeling af te stoten, maar ook om te komen tot nieuwe zorgvormen die beter aansluiten bij de huidige praktijk.
Horizon is bekend met de mogelijkheid dat de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) ondersteuning kan bieden bij het ombouwen van het jeugdhulpaanbod zodat het aanbod inhoudelijk aansluit bij de passende zorg voor de kinderen en de wensen van gemeenten. Verder heb ik Horizon op de mogelijkheid gewezen dat de TAJ kan bemiddelen tussen gemeenten en jeugdhulporganisaties indien er sprake is van een impasse bij de inkoop van de jeugdhulp. Zelf zie ik geen aanleiding om in gesprek te gaan met de gemeente Gouda of andere betreffende gemeenten.
Kunt u in samenspraak met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) inventariseren of dit een probleem betreft wat breder speelt?
Ik heb hierover contact opgenomen met de VNG. De VNG is bereid om samen met VWS te inventariseren of dit probleem breder speelt.
De voortgang van het openbaren van nieuwe categorieën overheidsinformatie |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging in uw brief van 15 december 2015 om begin 2016 het onderzoek over het openbaar stellen van nieuwe categorieën overheidsinformatie, begeleid van een kabinetsappreciatie, naar de Kamer te sturen?1
Ja.
Kunt u nader specificeren wanneer de Kamer dit onderzoek, inclusief een kabinetsappreciatie, kan verwachten, gelet op het feit dat het begrip «begin 2016» weliswaar geen vastomlijnde definitie kent, maar het in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijk is om de maand juni onder dit begrip te scharen?
Het rapport «Steen voor steen de rivier over» van Andersson Elffers Felix (AEF) en de kabinetsreactie op dat rapport, verzend ik voor het zomerreces aan de Tweede Kamer. In dit rapport geeft AEF de bevindingen weer van het onderzoek naar het openbaar maken van nieuwe categorieën overheidsinformatie.
Kunt u specificeren wat u in uw brief van 15 december 2015 bedoelt met de opmerking dat «de pilots actieve openbaarheid in het kader van de moties Voortman en Oosenbrug, en de pilot open spending op lokaal niveau, opgeschaald worden»? Op welke manier komt deze lokale «opschaling» tot uitdrukking?
De ministeries van Buitenlandse Zaken, Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben zich op 1 oktober 2015 aangesloten bij de pilot die gericht is op het openbaar maken van onderzoeksrapporten. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap startten hier al eerder mee. In het najaar informeer ik de Kamer nader over de uitkomsten uit deze pilots. Bij een positieve uitkomst worden kaders ontwikkeld voor zowel het actief openbaar maken van rapporten als een rijksbrede implementatie van de ontwikkelde aanpak.
Hoewel het geen expliciete doelstelling is van deze pilots, die ook als actiepunt 4 opgenomen zijn in het actieplan 2016–2017 «Open overheid in actie», staat het andere bestuursorganen vrij om van deze kaders gebruik te maken. Het netwerk dat door het actieplan is ontstaan biedt overigens goede mogelijkheden voor kennisdeling, zodat ook andere bestuursorganen hiermee aan de slag kunnen gaan.
In de pilot «open spending», oftewel «Open over geld: open spending detaildata» (actiepunt 5 van het actieplan) werken onder andere gemeenten, provincies en de Open State Foundation niet alleen aan de kwaliteit van de data maar ook aan de verbreding van de pilot. Het is de bedoeling dat steeds meer decentrale overheden zich hierbij aansluiten. Ik merk daarbij op dat in de afgelopen periode enkele nieuwe gemeenten en provincies geïnteresseerd zijn geraakt in open spending detaildata. Hun data zal later dit jaar gepubliceerd worden op de website www.openspending.nl.
Legale wietteelt als positieve mensenrechtenverplichting |
|
Nine Kooiman , Vera Bergkamp (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat internationaal recht ruimte biedt voor legale wietteelt?1 Wat is daarop uw reactie?
Ik ben bekend met het onderzoek van onderzoekers Van Kempen en Fedorova. Aan dit onderzoek liggen door gemeenten aangedragen argumenten voor het gereguleerd toestaan van cannabisteelt en -handel ten grondslag. De onderzoekers concluderen dat er «in weerwil van de VN-drugsverdragen volgens het internationaal recht ruimte voor staten kan zijn om cannabisteelt en -handel ten behoeve van de recreatieve gebruikersmarkt gereguleerd te realiseren».
Los van de vraag of ik het eens ben met deze conclusie2 wil ik ingaan op de door de onderzoekers genoemde vijf voorwaarden waaraan naar hun oordeel moet worden voldaan, wil deze «op positieve mensenrechten gebaseerde ruimte» daadwerkelijk bestaan.
Allereerst moet volgens de onderzoekers een mensenrechtelijk relevant belang worden gediend. In het onderzoek worden de door de gemeenten aangedragen argumenten pro-regulering aangehaald, die de genoemde positieve mensenrechten zouden bevorderen. De onderzoekers stellen vervolgens dat niet alle door gemeenten aangedragen argumenten direct relevant zijn vanuit positieve mensenrechtenverplichtingen. Dit geldt onder meer voor de argumenten dat door regulering de georganiseerde criminaliteit zal verminderen en het corrumperen van de bovenwereld (ondermijning) zal worden tegengegaan.
Een tweede voorwaarde is het aannemelijk maken van effectievere mensenrechtenbescherming. Zo zal, aldus de onderzoekers, daadwerkelijk aannemelijk moeten worden gemaakt dat regulering een effectievere bescherming biedt van het recht op gezondheid dan niet-regulering. Dit dient volgens hen te gebeuren door middel van oprechte analyses, redeneringen en afwegingen die overtuigend zijn en die dus zo veel mogelijk worden onderbouwd met relevante beschikbare wetenschappelijke en andere gegevens. Over dergelijke analyses beschik ik niet. Onderzoekers volgen met betrekking tot het recht op leven, fysieke en psychische integriteit en privéleven een soortgelijke redenering. Ook voor deze rechten beschik ik niet over de door hen bedoelde analyses.
Bovendien geldt voor de door de gemeente aangedragen argumenten die ten grondslag liggen aan dit onderzoek, dat ze in onderhavig onderzoek evenmin aan een dergelijke analyse zijn onderworpen3.
De derde voorwaarde van de onderzoekers is draagvlak en nationaal democratische besluitvorming. Hierbij geven zij aan dat het in beginsel voor lagere overheden niet mogelijk is om de nationale overheid tot regulering te dwingen indien die nationale overheid dit weigert.
De Tweede Kamer heeft zich de afgelopen jaren bij herhaling in meerderheid tegen diversie ideeën over regulering van de wietteelt uitgesproken. Recentelijk bleek opnieuw uit de aangenomen motie Oskam (Kamerstuk 29 911, nr. 104) dat een meerderheid van de Tweede Kamer tegen dergelijke experimenten is.
Als vierde voorwaarde noemen de onderzoekers het voorkomen van nadeel voor het buitenland.Met andere woorden dat bij het gereguleerd toelaten van cannabisteelt en -handel voor de recreatieve gebruikersmarkt de bescherming van die andere landen niet minder mag zijn dan bij hantering van een prohibitief beleid dat volkomen in overeenstemming met de drugsverdragen is. De onderzoekers pleiten in dit verband voor een gesloten systeem van gereguleerde teelt, handel en misschien ook gebruik én een adequate bestrijding van de illegale teelt, handel en uitvoer van cannabis. Een dergelijk gesloten systeem zal geen makkelijk opgave zijn en een forse handhavingsinspanning vergen. Daar waar het nu complex is om de import en export van wiet te handhaven zal dat in een gereguleerd gesloten systeem niet minder ingewikkeld zijn.
Als vijfde en laatste voorwaarde noemen de onderzoekers een adequaat beleid ter ontmoediging, beperking en risicobewustwording van recreatief cannabisgebruik. Zij wijzen daarbij op een fors aantal verplichtingen die op een staat rust die regulering toestaat. Zoals bekend ligt aan de VN-drugsverdragen de gedachte ten grondslag dat de daarin opgenomen verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid. Nederland voert in het verlengde daarvan een ontmoedigingsbeleid, met speciale aandacht voor jongeren. Van regulering van wietteelt zal een tegengesteld signaal uitgaan waardoor ontmoediging kan worden bemoeilijkt.
Het voorstaande overziend kan ik stellen dat de mogelijkheid om invulling te geven aan de door de onderzoekers gestelde voorwaarden onzeker is of dat deze ronduit niet vervuld worden. Dat wil zeggen dat van een «op positieve mensenrechten gebaseerde ruimte» dus geen sprake kan zijn noch van het eventueel prevaleren boven de drugsverdragen.
Bent u het eens met de conclusie van het onderzoek «Internationaal recht en cannabis II», dat regulering voor recreatief gebruik onder omstandigheden als een positieve verplichting tot bescherming van de mensenrechten geldt? Zo nee, kunt u van elk van de afzonderlijke mensenrechten (recht op gezondheid, recht op privéleven en het verbod op onmenselijke behandeling) apart aangeven waarom deze volgens u geen positieve verplichting oplevert tot regulering van legale wietteelt?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de stelling in de brede heroverweging uit 20102 dat 160 miljoen euro bespaard zou kunnen worden als politie en justitie zich niet meer met softdrugs criminaliteit zou hoeven bezig te houden? Hoeveel zou er anno 2016 op politie en justitie bespaard kunnen worden als zij zich niet meer met softdrugs criminaliteit hoeven bezig te houden?
In de beantwoording van Kamervragen is eerder over de brede heroverweging in 2010 aangeven dat het een onjuiste veronderstelling is dat het reguleren van softdrugs zal leiden tot lagere handhavingslasten.5 Ook bij regulering zal er stevig gehandhaafd moeten worden op de illegale teelt. Daar komt dan nog bij, dat op het gereguleerde deel van de teelt veel toezicht en handhaving nodig zal zijn. Een scenario waarin politie en justitie zich niet of nauwelijks meer met softdrugscriminaliteit hoeven bezig te houden acht ik ook in de voorzienbare toekomst niet realistisch, onder meer omdat een groot deel van de teelt voor de export is bedoeld.6
Wat is uw reactie op de stelling uit diezelfde brede heroverweging dat 260 miljoen euro extra inkomsten gegenereerd zou kunnen worden door belastingheffing over legale wietteelt?
De mogelijkheden voor belastingheffing op gereguleerde wietteelt zijn voor een groot deel afhankelijk van de precieze inrichting van een systeem voor dergelijke teelt en de juridische inbedding daarvan. Zoals eerder vermeld in antwoord op Kamervragen is een btw-heffing over de levering en invoer van producten die in de EU onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod vallen, niet mogelijk7. Dit volgt uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Cannabis valt onder deze categorie producten. Ook een accijns zou Nederland niet zelfstandig kunnen invoeren. Gezien deze beperkingen, het feit dat het financiële aspect geen leidend principe is in ons drugsbeleid en het standpunt van het huidige kabinet geen regulering voorstaat, acht ik het niet opportuun te speculeren over mogelijke opbrengsten van belastingheffing.
Hoeveel zou er anno 2016 aan extra inkomsten via belastingheffing over legale wietteelt gegenereerd kunnen worden? Hoeveel geld loopt de Staat in totaal mis door het niet reguleren van de softdrugsteelt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op het beleidsalternatief «softdrugsteelt reguleren» uit het rapport van de taskforce beleidsalternatieven?3 Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verschillende onderdelen uit de onderbouwing: inconsistentie van het huidige beleid, leidt tot illegale praktijken, grote criminele markt en overlast voor lokale overheden, de capaciteit van politie en OM schiet tekort, het strafrechtelijk aanpakken treft niet de kopstukken, politie en OM kunnen zich bij regulering richten op de illegale hennepteelt en gezondheidsrisico’s worden beperkt?
Mijn ministerie heeft de taskforce beleidsalternatieven de opdracht gegeven om te komen tot beleidsalternatieven die bijdragen aan verbetering van de effectiviteit en efficiency van Veiligheid en Justitie in het licht van de ontwikkelingen en de opgaven waar het ministerie voor staat. Het rapport waar u over spreekt is hiervan het resultaat. De beleidsvoorstellen en aanbevelingen, waaronder «softdrugs reguleren», zijn voorstellen van de taskforce en geen kabinetsstandpunt.
Ik ondersteun van harte dat er door een taskforce goed wordt nagedacht over de toekomst en welke mogelijke beleidswijzigingen daarbij horen. Het vigerende kabinetsstandpunt betreffende regulering van de cannabisteelt is bij u bekend.
Klopt het dat in 2010 de Adviescommissie Drugsbeleid (2009) mogelijkheden voor regulering zag indien het internationaal recht daartoe geen belemmering vormde en er strakke maatregelen ter beperking van de toegang tot coffeeshops genomen worden en dat ook het beleidsalternatief «softdrugsteelt reguleren» uit het rapport van de taskforce beleidsalternatieven stelt dat regulering uitvoerbaar is als het internationaal recht geen belemmering vormt en het beleid wordt aangepast? Wat is daarop uw reactie? Is het bovenstaande, mede gelet op de uitkomsten van het onderzoek «Internationaal recht en cannabis II», reden voor u een koerswijziging in uw beleid door te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar gaat dat concreet uit blijken?
Nog afgezien van de vraag of ik het met de conclusie van het onderzoek «Internationaal recht en cannabis II» eens ben, wordt -zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 1- aan de in het onderzoek gestelde voorwaarden niet voldaan. Specifiek memoreer ik daarbij nogmaals het feit dat een meerderheid van de Tweede Kamer zich tegen regulering heeft uitgesproken. Dit is laatstelijk bevestigd bij stemming over de motie Oskam die de regering oproept geen enkele ruimte te bieden voor gereguleerde wietteelt (Kamerstuk 29 911, nr. 104). Daarnaast blijft het kabinet van mening dat regulering de problemen met criminaliteit en overlast rond illegale hennepteelt niet zal oplossen, zoals al eerder aangeven. Derhalve zie ik geen reden voor een koerswijziging.
Kunt u deze schriftelijke vragen vóór het Algemeen overleg coffeeshopbeleid voorzien op 15 juni 2016 beantwoorden?
Ja.