De verkoop van nazipropaganda via internet |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nazi-spullen zijn gewoon te koop bij webshop AliExpres»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Is de verkoop van nazipropaganda in Nederland verboden? Zo ja, op grond van welke wettelijke bepaling? Zo nee, waarom niet?
In artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is onder meer en voor zover hier van belang strafbaar gesteld het anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving verspreiden of ter verspreiding in voorraad hebben van voorwerpen waarin een discriminerende uiting is vervat. Het verkopen van nazivoorwerpen kan onder de strafbaarheid zoals bedoeld in dit artikel vallen. Of het verkopen van de voorwerpen daadwerkelijk strafbaar is, dient van geval tot geval te worden beoordeeld, met inachtneming van de vaste jurisprudentie.
Indien uitlatingen in het openbaar gedaan worden, bijvoorbeeld door het plaatsen van afbeeldingen van de te verkopen voorwerpen op internet, kan er daarnaast sprake zijn van strafbaarheid op grond van bijvoorbeeld artikel 137c Sr (groepsbelediging), artikel 137d Sr (aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden), opruiing (artikel 131 Sr) of een ander uitingsdelict. Hierbij geldt eveneens dat van geval tot geval beoordeeld dient te worden, met inachtneming van de vaste jurisprudentie, of van strafbaarheid sprake van is.
Wat is de stand van de jurisprudentie ten aanzien van het verkopen van nazipropaganda, onder andere wat betreft artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht?
De verkoop van nazipropaganda is niet per definitie verboden; veel is afhankelijk van de context waarin dit gebeurt. Dit blijkt ook uit de jurisprudentie. De voorwerpen dienen volgens de Hoge Raad niet alleen op zichzelf te worden bezien, maar ook in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van mogelijke associaties die zij wekken.2 De bijzondere omstandigheden van een concreet geval kunnen overigens ook leiden tot het oordeel dat er geen dwingende behoefte is tot veroordeling voor het in voorraad hebben van voorwerpen met (bijvoorbeeld) een antisemitisch karakter.3 Het ging in dat arrest om de verkoop van een oorspronkelijk exemplaar van «Mein Kampf» in een antiquariaat. In een arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2012 kwam de beoordeling van verschillende nazidolken aan de orde.4
Deelt u de mening dat door de verkoop van dergelijke posters antisemitisme, (groeps)belediging of haatzaaien bevorderd worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de verkoop van antisemitisch getinte posters om redenen anders dan educatie of cultureel-historische motieven ongewenst en discriminatoir. Ik deel de mening dat van de verspreiding van dit soort voorwerpen voor andere doeleinden dan hiervoor genoemd een verkeerde invloed kan uitgaan. Dat geldt des te meer als zij in extreemrechtse kring circuleren, aangezien aangenomen mag worden dat zij dan bedoeld zijn om de eigen denkbeelden te bevestigen of te versterken. In voorkomende gevallen zal het Openbaar Ministerie bij de verspreiding van dergelijk materiaal conform de aanwijzing discriminatie5 optreden.
Deelt u de mening dat, gezien het bestaande antisemitisme en de opkomst van extreemrechtse bewegingen waaronder alt-right, van de verspreiding van dit soort spullen een volkomen verkeerde invloed kan uitgaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Nieuwbouw bij De Boerderij in Reek van de baan, GGZ verplaatst autismezorg naar Huize Padua 'Dit is een ramp voor de bewoners’ |
|
Maarten Hijink , Henk van Gerven (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nieuwbouw bij De Boerderij in Reek van de baan, GGZ verplaatst autismezorg naar Huize Padua «Dit is een ramp voor de bewoners»»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik heb het bericht gelezen. Het raakt natuurlijk ook mij dat de bewoners van de boerderij moeten verhuizen, zeker als dit een groep van kwetsbare mensen betreft.
Begrijpt u dat deze plannen van GGZ Oost-Brabant voor grote ongerustheid zorgen bij de bewoners en andere betrokkenen?
Ik begrijp heel goed dat dit onrust geeft. De bewoners wonen al enige tijd in een vertrouwde omgeving en een verhuizing heeft impact op het leven van deze bewoners.
Realiseert u zich dat sommige van de bewoners van De Boerderij daar al 40 jaar wonen en dat zij daar geïntegreerd zijn? Welke gevolgen zal een dergelijke verhuizing voor hen hebben volgens u? Vindt u die gevolgen acceptabel?
Ik realiseer me dat dit grote invloed heeft op het leven van deze bewoners. Er is contact opgenomen met de zorginstelling. De zorginstelling geeft aan dat de keuze die zij maakt, een weloverwogen beslissing is, waarbij ook nagedacht is over de eventuele gevolgen voor de bewoners. De zorginstelling geeft aan dat de verhuizing niet op korte termijn plaatsvindt, maar ergens in de komende jaren. In de tussenliggende periode gaat de zorginstelling samen met bewoners en hun omgeving in gesprek over welk passend alternatief zorgaanbod wenselijk en mogelijk is.
Deelt u de mening dat De Boerderij juist een goed voorbeeld van participatie van mensen met autisme is? Zo ja, hoe wilt u deze zorg behouden? Zo nee, waarom niet?
Ik stimuleer initiatieven zoals De Boerderij en ben van mening dat iedereen recht heeft op passende zorg. Bij een besluit als dit zal de zorginstelling goed moeten afwegen of een verhuizing inderdaad noodzakelijk is. Als daartoe wordt besloten is de zorginstelling ervoor verantwoordelijk een goed alternatief te bieden, waar mensen hun leven zo goed mogelijk kunnen leiden.
Vindt u het acceptabel dat de bewoners van De Boerderij moeten verhuizen naar Huize Padua, met alle gevolgen van dien, puur en alleen vanwege vastgoedoverwegingen?
De zorginstelling is ervoor verantwoordelijk dat haar gebouwen en woningen voldoen aan de huidige eisen voor wat betreft de kwaliteit en veiligheid van zorg. Eén van de redenen op grond waarvan de zorginstelling uiteindelijk heeft besloten uit te wijken naar een andere woonomgeving is de verouderde staat van de Boerderij. De zorginstelling heeft mij gemeld dat daarbij ook de mogelijkheid van nieuwbouw bij de Boerderij is gewogen. Indien een zorginstelling besluit dat boven genoemde verantwoordelijkheid met zich meebrengt dat een andere woonomgeving gezocht moet worden, kan ik daarin niet interveniëren. Ik vind het belangrijk dat in een dergelijk geval er alles aan gedaan wordt bewoners op een zorgvuldige manier een passend alternatief te bieden. In dat kader heeft de zorginstelling gemeld dat ze samen met bewoners en hun omgeving in gesprek gaat over welk passend alternatief zorgaanbod er wenselijk en mogelijk is.
Op welke wijze zijn de bewoners, hun familie, de medewerkers van De Boerderij in Reek en de gemeente betrokken bij het besluit van GGZ Oost-Brabant?
Ik begrijp dat de zorginstelling zich inspant om samen met cliënten, hun familie en naasten te komen tot een toekomstgericht, passend zorgaanbod. Daar waar het alternatief voor de cliënt niet passend is, wordt gekeken naar andere mogelijkheden. De zorginstelling heeft laten weten dat zij de cliënten hierin zal ondersteunen en faciliteren.
Waarom is de GGZ Oost-Brabant niet ingegaan op de door de gemeente voorgestelde alternatieve locaties?
De zorginstelling heeft gemeld dat zij alle alternatieve locaties bekeken heeft. Nieuwbouw op het terrein van de Boerderij in Reek is hierbij ook gewogen. Dit blijkt geen reëel alternatief, onder andere vanwege al ingediende bezwaarprocedures daartegen. De door de gemeente voorgestelde alternatieven zijn volgens de zorginstelling niet passend voor deze bewoners.
Is er momenteel zicht op een doorstart van De Boerderij? Zo nee, bent u bereid u in te zetten voor een doorstart van De Boerderij?
De zorginstelling meldt dat verhuizen op korte termijn nog niet aan de orde is. Uiteindelijk zal verhuizing gaan plaats vinden. Vanuit dat perspectief is er geen zicht op zoals u dat noemt «een doorstart». Tijdens de periode dat de bewoners in de Boerderij verblijven, zal de huidige zorg ongewijzigd blijven bestaan en worden voortgezet. Zoals gemeld bij het antwoord op vraag 5 kan ik in een dergelijk besluit niet interveniëren.
Het bericht dat buitenlanders parkeerboetes ontlopen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat fout parkeren door buitenlanders niet minder erg is dan fout parkeren door Nederlanders? Waarom komen sommige buitenlanders dan weg met het niet betalen van boetes?1
Ja, die mening deel ik. Voor bezoekers uit het buitenland gelden dezelfde regels als voor mensen die in Nederland wonen. Dat geldt zowel voor de verplichting om op de daarvoor bestemde plekken te parkeren als voor het betalen van parkeerbelasting.
Waarom verschuilen landen als Duitsland en Polen zich achter Europese regels om geen gegevens van hun inwoners door te geven? Waarom zou een dergelijke boete moeten worden gezien als een soort belasting?
Op Europees niveau is de Richtlijn Cross Border Enforcement (CBE) vastgesteld om kentekengegevens uit te wisselen tussen de lidstaten voor het kunnen opleggen van verkeersboetes. Het gaat dan om boetes voor overtredingen waarbij de verkeersveiligheid in gevaar komt. Voorbeelden hiervan zijn snelheidsovertredingen en roodlichtnegatie. Dankzij deze afspraken kan Nederland jaarlijks in circa één miljoen zaken handhaven en boetes naar inwoners van Europese lidstaten sturen, waaronder Duitsland en Polen.2 De parkeerboetes waarover in de aangehaalde mediaberichtgeving wordt gesproken zijn echter geen boetes, maar gemeentelijke naheffingsaanslagen voor niet betaalde parkeerbelasting. Uitwisseling van kentekengegevens ten behoeve van deze naheffingsaanslagen dienen niet de verkeersveiligheid en mogen daarom niet op grond van de genoemde CBE Richtlijn worden uitgewisseld.
Voor parkeerbelasting gold tot voor kort dat voertuigen uit Duitsland, waarvoor geen parkeerbelasting werd betaald, een naheffingsaanslag van de desbetreffende gemeente kregen opgestuurd. Dat was mogelijk, omdat het Duitse Kraftfahrt-Bundesamt (KBA) de adresgegevens verstrekte die bij het betreffende kenteken hoorde. Op enig moment is Duitsland echter tot de constatering gekomen, dat naheffingsaanslagen parkeerbelasting fiscale feiten zijn en dat de juridische grondslag voor uitwisseling van kentekengegevens ten behoeve van handhaving op deze fiscale feiten ontbreekt. Duitsland is daarom gestopt met het verstrekken van de gegevens ten behoeve van naheffingsaanslagen. Ik zal samen met mijn ambtsgenoot van BZK met mijn Duitse collega’s in overleg treden om te bezien, hoe we deze uitwisseling weer kunnen hervatten. In de tussentijd is het overigens niet zo, dat bezoekers «ermee wegkomen» als ze geen parkeerbelasting betalen: het staat gemeenten vrij om andere handhavingsinstrumenten in te zetten om niet betaalde parkeerbelasting alsnog te innen. Hierbij valt te denken aan het plaatsen van een wielklem.
Bent u bereid automobilisten uit landen die weigeren om gegevens te delen standaard een wielklem te geven en de extra kosten door te berekenen, tot het moment dat deze landen wel gegevens gaan delen?
Handhaving van de regels voor parkeerbelasting is een bevoegdheid van de gemeenten, waar de parkeerbelasting wordt geheven. Zoals bij antwoord 1 aangegeven staat het gemeenten vrij van de bevoegdheid gebruik te maken om een wielklem te plaatsen of op andere wijze invulling te geven aan handhaving van het parkeerbeleid.
Het faillissement van Huize de Berg |
|
Maarten Hijink , Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het ontstaan van het faillissement van Huize de Berg in Heerlen?1
Ik heb bij de IGJ, NZa en de Blueprint Group navraag gedaan over de situatie bij Huize de Berg. Zij melden mij het volgende:
Huize de Berg is een kloostercomplex waar ongeveer vijftig zusters van de Kleine Zusters van de Heilige Joseph wonen. Tot 2018 was het klooster eigendom van de congregatie, die ook eigen personeel in dienst had. De congregatie heeft het complex in 2018 verkocht aan de Blueprint Group en huurt het sindsdien van hen. De medewerkers die in dienst waren van de congregatie zijn toen overgegaan naar Allerlei Gastvrij (een dochter-bv van de Blueprint Group, tevens bekend onder de naam Hospitality & Service Nederland BV).
Allerlei Gastvrij levert facilitaire dienstverlening aan de zusters in het klooster, zoals maaltijden en schoonmaak. Een deel van de zusters (ongeveer twintig) ontvangt ook zorg via een Volledig Pakket Thuis. Deze zorg werd en wordt geleverd door zorginstelling Bergweide.
Het faillissement heeft betrekking op Allerlei Gastvrij. Zoals hierboven beschreven leverde Allerlei Gastvrij geen zorg, maar dienstverlening in Huize de Berg. De zusters nemen deze dienstverlening nu af bij een andere partij. Het faillissement heeft geen invloed op Bergweide, dat nog steeds de zorg aan de zusters in Huize de Berg levert.
De curator heeft op basis van de Faillissementswet de taak om onderzoek te doen naar de oorzaken van het faillissement. Ik kan vanuit mijn positie geen oordeel vellen over dit specifieke geval.
Vindt u het acceptabel dat Huize de Berg over de rug van zusters en personeelsleden is doorverkocht aan een commerciële partij die vervolgens een faillissement heeft aangevraagd en het personeel heeft ontslagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat de medewerkers van Huize de Berg niet onder de zorg-cao vallen, maar onder de cao van de horeca? Kunt u dit laten uitzoeken? Zo nee, waarom niet?
De medewerkers van Allerlei Gastvrij verlenen geen zorg maar dienstverlening. De medewerkers van Bergweide, die de zorg verlenen aan de zusters in Huize de Berg, vallen onder de cao VVT.
Gaat u ervoor zorgen dat personeel hun gemiste salaris en vakantiegeld krijgen uitbetaald? Zo nee, waarom niet?
Bij een faillissement hebben werknemers -als zij aan de voorwaarden voldoen- recht op een uitkering op grond van hoofdstuk 4 van de WW. De werknemer kan bij een faillissement een beroep doen op de loongarantieregeling waarbij UWV salarisaanspraken overneemt (op basis WW). Het gaat om het loon over maximaal dertien weken voorafgaande aan het ontslag, vakantiegeld en vakantiedagen tot maximaal een jaar terug en het loon over de opzegtermijn tot maximaal zes weken. Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt het personeel dat zorg levert (werkzaam bij Bergweide) niet geraakt door het faillissement.
Is het waar dat Blueprint Group voornemens is een doorstart te maken met Huize de Berg in een zuster-bv? Wilt u dit laten uitzoeken? Zo nee, waarom niet?
Blueprint Group heeft mij laten weten niet voornemens te zijn om een doorstart te maken in een zuster-bv.
Kunt u een overzicht verstrekken van de bv's die zorgconsortium Blueprint Group herbergt? Zo nee, waarom niet?
Concernrelaties, voor zover het bv’s betreft met 100% aandeelhouderschap, zijn voor iedereen die daar inzicht in wil hebben, openbaar beschikbaar via het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Een overzicht van aan de Blueprint Group gerelateerde rechtspersonen heb ik bijgevoegd (zie bijlage)2.
Het tegengaan van het gebruik van lachgas |
|
Carla Dik-Faber (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat steeds meer festivals en gemeenten klaar zijn met lachgas en de verkoop en het gebruik van lachgas verbieden?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Wat is uw reactie op het feit dat steeds meer festivals en gemeenten het recreatief gebruik van lachgas als schadelijk voor de gezondheid beschouwen en dat er op steeds meer plekken lachgaspatronen worden gevonden met de bijbehorende impact op het milieu, waardoor steeds meer festivals en gemeenten het gebruik van lachgas niet meer tolereren?
Gemeenten ervaren overlast en dat is voor hen reden om bijvoorbeeld bij festivals het gebruik te verbieden. Dat doen zij om overlast – bijvoorbeeld door het wegwerpen van lachgaspatronen en overlast door gebruikers van lachgas – tegen te gaan.
Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid vanuit het oogpunt van volksgezondheid om beleid te voeren gericht op het voorkomen dan wel beperken van het oneigenlijke gebruik van lachgas. Het gebruik van lachgas is hoog onder jongeren. Uit onderzoek blijkt dat het vaak beperkt blijft tot experimenteren en het gebruik van lachgas tot relatief weinig gezondheidsschade leidt. Het oneigenlijk gebruik van een product is echter nooit zonder risico. Zeker in combinatie met andere middelen, zoals alcohol. Bij excessief gebruik kan er wel degelijk gezondheidsschade optreden. Ik blijf daarom inzetten op voorlichting over de risico’s van het gebruik van lachgas. Ik heb daarnaast het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd een nieuwe risicobeoordeling te doen naar de risico’s voor de gezondheid van lachgasgebruik. In mijn brief over het drugspreventiebeleid van 25 april jl. heb ik u ook aangegeven dat ik in gesprek wil gaan met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en gemeenten om te bezien of er meer mogelijkheden nodig zijn om de verkoop van lachgas en het gebruik te verminderen (Kamerstuk 24 077, nr. 426).
Kunt u aangeven hoeveel gemeenten inmiddels zijn overgegaan tot een gebruiksverbod binnen de eigen gemeentegrenzen?
Ik beschik niet over dergelijke gegevens.
Hoe kijkt u nu naar de afspraken die u vorig jaar hebt gemaakt met verkopers over vrijwillige beperkende maatregelen rondom de verkoop van lachgaspatronen? Bent u de mening dat met name jongeren nog veel te makkelijk zonder beperkingen lachgaspatronen kunnen kopen? Wat is uw reactie op de oproep van gemeenten om met landelijk beleid te komen, nu de afspraken met de verkopers van lachgas onvoldoende succes lijken te hebben?
Vorig jaar heb ik u geïnformeerd over de vrijwillige beperkende maatregelen die zijn genomen. Ik vind het goed dat brancheorganisaties en winkelketens zelf maatregelen nemen en zo hun maatschappelijke verantwoordelijkheid invulling geven. Tegelijkertijd betekent dat niet dat de verkoop van lachgas – hetzij in patronen, hetzij in grotere gasflessen – gestopt is, te meer daar het hier gaat om een legaal product. Ik heb u al aangegeven dat ik in gesprek wil gaan met de VNG en gemeenten om te bezien of er meer mogelijkheden nodig zijn om de verkoop van lachgas voor oneigenlijk gebruik en het gebruik te verminderen (Kamerstuk 24 077, nr. 426). Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek wanneer dat heeft plaatsgevonden.
Bent u ervan op de hoogte dat bedrijven lachgas puur voor recreatief gebruik verkopen, waaronder ook tweeliterflessen lachgas?2 Deelt u de mening dat dit een gevaarlijke ontwikkeling is die indruist tegen afspraken die met de branche zijn gemaakt?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u al gesproken met VNG en de gemeenten om te bezien of er meer maatregelen nodig zijn om de verkoop van lachgas en het gebruik te verminderen? Zo nee, wanneer vindt dit gesprek plaats? Kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de stand van zaken rond de herbeoordeling door het Trimbos-instituut van de schadelijkheid van lachgasgebruik? Wanneer verwacht u deze herbeoordeling naar de Kamer te sturen? Bent u bereid hierbij specifiek te laten kijken naar de schadelijkheid voor jongeren tot 18 jaar?
Het Trimbos-instituut doet onderzoek onder risicogroepen jongeren om er achter te komen in welke mate het gebruik van lachgas onder bepaalde groepen jongeren voorkomt. Ik verwacht dit onderzoek in het derde kwartaal van 2020 naar uw Kamer te sturen.
Het CAM doet een risicobeoordeling van lachgas. Het CAM beoordeelt de risico’s van het gebruik van lachgas voor de gezondheid. Ik heb het CAM gevraagd de beoordeling in september op te leveren zodat deze beschikbaar zou zijn voor het AO dat gepland staat in oktober. Het CAM heeft mij laten weten meer tijd nodig te hebben voor een zorgvuldige risicobeoordeling. Ik streef er naar uw Kamer eind november over de uitkomsten van risicobeoordeling te informeren. De groep 18 minners zal ook onderdeel uitmaken van deze risicobeoordeling.
De uitkomsten van de risicobeoordeling van het CAM vormen het uitgangspunt bij de bepaling of landelijke maatregelen noodzakelijk zijn. In de hiervoor genoemde brief over de uitkomsten van de risicobeoordeling zal ik ook ingaan op de vervolgaanpak van oneigenlijk lachgasgebruik.
Hoe verhoudt zich de nieuwe risicobeoordeling van lachgas door het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Nieuwe Drugs (CAM) tot de herbeoordeling door het Trimbos-instituut? Kunt u toelichten wat het CAM precies onderzoekt in het kader van de nieuwe risicobeoordeling van lachgas?
Zie antwoord vraag 7.
Welke informatie hebt u nog meer nodig naast de herbeoordeling door het Trimbos-instituut en de nieuwe risicobeoordeling door het CAM om te bepalen of landelijke maatregelen inderdaad onvermijdelijk zijn?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer denkt u de Kamer meer te kunnen melden over uw vervolgaanpak van oneigenlijk lachgasgebruik?
Zie antwoord vraag 7.
Kent u het bericht «Opnieuw examens per post verdwenen. Voor vierde keer raak in één week»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat er opnieuw examenwerk van examenkandidaten bij de postverwerking is verdwenen?
Scholen zijn op basis van het Eindexamenbesluit vo (artikel 41, tweede lid) zelf verantwoordelijk voor de verzending van het werk aan de tweede corrector. In de examenprotocollen van de VO-raad is opgenomen dat scholen het werk aangetekend verzenden. Hiermee wordt goed geborgd dat er een bevestiging is van zowel verzending als ontvangst en kan het werk worden getraceerd. Er zijn geen aanwijzingen dat de betreffende scholen zich niet aan de geldende regels of protocollen hiervoor hebben gehouden. Scholen mogen er op vertrouwen dat na het afgeven van de examens aan de verzenddienst er zorgvuldig met de post wordt omgegaan.
Hoe beoordeelt u of verzending van examenwerk per aangetekende post nog betrouwbaar is nu dit voor de vierde maal is misgegaan in één week?
In de regel is verzending van het examenwerk per aangetekende post betrouwbaar. Het kan in uitzonderlijke gevallen voor komen dat hierbij iets mis gaat en ieder jaar zijn er enkele van deze gevallen. Navraag bij de Inspectie van het Onderwijs hierover wijst uit dat er dit jaar zes gevallen bekend zijn. Bij drie van die gevallen ging het om eenzelfde busje van PostNL, dat gebruikt werd om werk tussen deze drie scholen te verzenden (voor tweede correctie). In totaal betrof het in vier van de zes gevallen diefstal en tweemaal is er sprake van vermissing van de poststukken. Bij één van deze twee scholen waar er sprake was van vermissing van de poststukken zijn de examens inmiddels terecht.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is ten opzichte van examenkandidaten als telkens sommigen voortaan examens moeten overdoen ten gevolge van zulke fouten in de postverwerking?
Voor leerlingen is het uiteraard zeer vervelend als zij reeds gemaakte examens moeten overdoen als gevolg van het zoekraken van het gemaakte werk. Het is voor de borging van de kwaliteit van diploma’s wel erg belangrijk dat er een volledige eerste en tweede correctie van de examens plaatsvindt. Dit is uiteindelijk ook in het belang van de leerling.
Wat voor alternatieven ziet u als PostNL niet in staat mocht blijken de verzending van aangetekende post voortaan vlekkeloos te laten verlopen? Kan het werk scannen en mailen voor de tweede correctie zo’n alternatief vormen?
Over het algemeen verloopt het verzenden van examenwerk zonder problemen. Scholen kunnen er voor kiezen het werk voor verzending te kopiëren. Dit kan uitkomst bieden voor het alsnog of opnieuw uitvoeren van een volledige correctie in het geval dat werk verdwijnt. Als het gemaakte werk verdwijnt nadat de tweede correctie is verricht en de eerste en tweede corrector de score aantoonbaar hebben vastgesteld, hoeft het examen niet opnieuw gemaakt te worden. Het is echter wel belangrijk dat het originele leerlingenwerk fysiek aan de tweede corrector wordt verzonden. Bij het verzenden van kopieën of bij het scannen en mailen van het werk is er een groter risico op fraude, bijvoorbeeld door digitale manipulatie van het gemaakte werk. Scannen en mailen is daarnaast kwetsbaar voor hacking en storingen van ICT-systemen.
Het bericht ‘Inspectie: Lentis-kliniek voldoet niet aan voorwaarden voor goede zorg’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Inspectie: Lentis-kliniek voldoet niet aan voorwaarden voor goede zorg»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat feitelijk het personeelstekort in de zorg en ook bij de zorgaanbieder in kwestie (Lentis) (mede) leidt tot «ernstige risico’s ... voor de continuïteit en de veiligheid van zorg»?
Uiteraard is het zorgelijk als door een personeelstekort risico’s zouden ontstaan voor de kwaliteit van zorg. Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor goede en veilige zorg en moeten maatregelen nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van zorg in het geding komt (zie ook mijn antwoord op vraag 4).
Het is dus goed dat Lentis bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aan de bel heeft getrokken naar aanleiding van de zorgen die er waren als gevolg van onder meer – maar niet uitsluitend – een tekort aan personeel. Voor de IGJ vormde dit aanleiding hierop te interveniëren in de vorm van nader onderzoek van de situatie. Ik vertrouw erop dat het verbeterplan dat is opgesteld door de zorgaanbieder snel leidt tot het verminderen van de zorgen en eventuele risico’s. De IGJ zal hier op toezien.
Hoe garandeert u dat bedoeld personeelstekort niet tot «ernstige ongelukken» gaat leiden? In hoeverre bent u, en zijn uw collega-bewindspersonen, daarop aanspreekbaar?
Zoals eerder aangegeven in mijn brief van 6 maart 2019 over de mediaberichten omtrent personeelstekorten in de ggz2 is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het leveren van goede en veilige zorg. De zorgaanbieder moet daarom – vooraf – maatregelen nemen om te voorkomen dat de kwaliteit van zorg in het geding dreigt te komen als gevolg van bijvoorbeeld personeelstekorten. De IGJ kijkt in haar reguliere toezicht wat instellingen preventief doen door bij (ggz-) instellingen te toetsen of hun beleid op het gebied van kwaliteit, veiligheid en personele inzet op orde is.
Wanneer de kwaliteit en veiligheid niet geborgd zijn, moet de zorgaanbieder maatregelen nemen.
Samen met de ministers van VWS en MZS zet ik breed in op de beschikbaarheid van voldoende, goed toegerust en tevreden personeel via het programma Werken in de Zorg. De partijen in de ggz hebben in het hoofdlijnenakkoord ggz bevestigd zich te committeren aan de doelstellingen en ambities van het actieprogramma inclusief aan de uitwerking ervan in regionale actieplannen.
VWS ondersteunt de beschikbaarheid van voldoende personeel door het, gebaseerd op de ramingen van het Capaciteitsorgaan, bekostigen van opleidingsplaatsen voor ggz-beroepen.
Met haar arbeidsmarktagenda zet GGZ Nederland in op investeringen in strategische personeelsplanning, aantrekkelijk werkgeverschap en behoud van personeel.
Op welk moment trekt u dan wel trekt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in individuele gevallen de conclusie dat een zorgaanbieder als gevolg van dat personeelstekort niet meer in staat is goede en veilige zorg te verlenen en dus bijvoorbeeld sluiting aan de orde is?
De IGJ houdt toezicht op risico’s die betrekking hebben op de kwaliteit en veiligheid van zorg en jeugdhulp. De IGJ ziet dat er in verschillende sectoren zorgaanbieders zijn die moeite hebben om voldoende, gekwalificeerde, medewerkers te vinden.
Personeelstekort kan een risico zijn voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. De IGJ ziet dan ook dat de krapte op de arbeidsmarkt zorgaanbieders soms voor uitdagingen stelt. Zo kiezen sommige zorginstellingen voor het (tijdelijk) sluiten van afdelingen.
Voor de IGJ staat de kwaliteit van de zorg en de veiligheid van patiënten voorop. De IGJ vindt het daarom belangrijk dat dergelijke maatregelen tijdig, maar niet overhaast worden getroffen. De IGJ heeft in de komende periode meer aandacht voor personeelstekorten in haar reguliere toezicht, zie onder andere ook mijn brief van 6 maart 20193.
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van de zorg. Indien de IGJ signalen krijgt dat het niet goed gaat dan toetst zij of er risico's zijn voor de kwaliteit en veiligheid. Als een van deze zaken in gevaar is, spreekt de IGJ de bestuurder en zo nodig de interne toezichthouder hierop aan. In de praktijk blijkt het onvoldoende acteren van een zorginstelling op een vooraanstaand personeelstekort vaak slechts één onderdeel van bredere problematiek dat ingrijpen van de IGJ nodig maakt.
Kunt u garanderen dat in geval van sluiting de zorg voor cliënten en patiënten tijdig kan worden overgedragen aan andere zorgaanbieders, die immers veelal zelf ook met personeelstekorten kampen?
Zie mijn antwoord op vraag 3. De zorgaanbieder is en blijft ook bij personeelstekorten verantwoordelijk voor kwaliteit van de geleverde zorg. Zo kan een bestuurder ook kiezen om minder cliënten op te nemen als er te weinig gekwalificeerde medewerkers beschikbaar zijn. De zorgaanbieder is tevens verantwoordelijk voor een zorgvuldige en veilige overdracht, in samenspraak met de zorgverzekeraar en/of zorgkantoor. De IGJ houdt hier toezicht op.
Zijn u gevallen bekend dat die overdracht niet (tijdig) heeft kunnen plaatsvinden?
In verreweg de meeste gevallen nemen partijen hun verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige en tijdige overdracht. Bij personeelstekorten gaat het meestal niet om acute situaties, maar is er voor de zorgaanbieder vaak tijd om een plan te maken en hier tijdig op te acteren. Het kan echter voorkomen dat zorgaanbieders te laat (h)erkennen dat bepaalde zorg niet meer veilig geleverd kan worden. Als de IGJ constateert dat het leveren van veilige en goede zorg in het geding is, zal zij ingrijpen. Bijvoorbeeld door de zorgorganisatie te verplichten tot een patiëntenstop of tot overdracht van de patiënten. In de praktijk is tot nu, in samenwerking met zorgverzekeraar/zorgkantoor, altijd een oplossing gevonden voor de overdracht van patiënten.
Heeft u inzicht in hoeveel gevallen de Inspectie tot vergelijkbare conclusies als in dit geval komt («het personeelstekort leidt mede tot ernstige risico’s voor de continuïteit en de veiligheid van zorg») als ook of hier een toename in te zien is? Zo ja, in welke mate?
Zie ook mijn antwoord op vraag 4. De IGJ heeft in haar toezicht op zorgaanbieders specifieke aandacht voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerd personeel, afgestemd op de aanwezige cliënten en actuele zorgvragen. De IGJ ziet daarbij dat risico’s door personeelstekort in een instelling meestal niet op zichzelf staan, maar vaak onderdeel zijn van bredere problemen bij een zorgaanbieder die tot risico’s leiden voor de patiëntveiligheid en de continuïteit van zorg.
Specifiek voor de ggz kijkt de IGJ dus ook nadrukkelijk naar voldoende beschikbaarheid van deskundige medewerkers. Zoals ik ook in mijn brief van 6 maart 20194 heb laten weten, inventariseert de IGJ dit jaar per afgesloten melding van een calamiteit binnen de ggz of personeelstekorten een rol hebben gespeeld in de verblijfssituatie van de patiënt ten tijde van de calamiteit. Hiermee ontstaat over 2019 een representatief beeld van het aantal bij de IGJ gemelde calamiteiten waarbij personeelstekorten als één van de factoren hebben meegespeeld. Ik verwacht de resultaten van deze inventarisatie begin 2020, en ik zal deze zo spoedig mogelijk met uw Kamer delen. De IGJ zal de resultaten openbaar maken op haar website.
In het reguliere risico gestuurde toezicht van de IGJ binnen de ggz is altijd aandacht voor de beschikbaarheid van voldoende medewerkers. De rapporten die uitkomen naar aanleiding van deze bezoeken met eventueel gevraagde verbetermaatregelen worden standaard openbaar gemaakt.
Bent u bereid, indien u het hiervoor gevraagde inzicht niet heeft, daar nader onderzoek naar te laten plaatsvinden?
Ja, de IGJ zal dit jaar per afgesloten melding van een calamiteit in de ggz inventariseren of personeelstekorten een rol hebben gespeeld in de verblijfssituatie van de patiënt ten tijde van de calamiteit. Ik verwacht de resultaten van deze inventarisatie begin 2020, en ik zal deze zo spoedig mogelijk met uw Kamer delen.
Hoge parkeertarieven bij ziekenhuizen |
|
Simon Geleijnse (50PLUS), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen van 23 april 2019 over het bericht «Patiënt ziek van parkeerkosten»?1
Ja.
Kunt u aangeven of er ziekenhuizen zijn die winst maken op de inkomsten van hun parkeergelegenheid? Zo ja, hoeveel winst maken die ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Ik houd geen overzicht bij van de opbrengsten van parkeertarieven bij ziekenhuizen en of ziekenhuizen daar geld aan overhouden. Ik heb hierin geen rol. Parkeerbeleid is de verantwoordelijkheid van ziekenhuizen en gemeenten.
Kunt u ook een overzicht geven van de opbrengsten van de parkeergelegenheden van ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u er kijk op of ziekenhuizen patiënten en bezoekers goed en actief informeren over de mogelijkheden die er zijn om bij veelvuldig gebruik en langdurig verblijf de parkeerkosten te beperken? Zo nee, bent u bereid te laten onderzoeken of dit gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet in detail bekend of, en op welke wijze, elk ziekenhuis patiënten (actief) informeert over de mogelijkheden om parkeerkosten te beperken. Ik ben niet voornemens hiertoe een uitgebreid onderzoek in te stellen. Ik ga ervan uit dat de diverse maatschappelijke signalen, de Kamervragen en het bestuurlijk aan de orde stellen van parkeertarieven door VWS ertoe leiden dat de ziekenhuizen de patiënten en bezoekers goed en actief informeren, voor zover zij dit niet al doen.
Kunt u aangeven of het feit dat ziekenhuizen en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ambtelijk zijn gewezen op de terugkerende vragen over parkeertarieven iets heeft opgeleverd?
Zoals ik heb aangegeven bij de antwoorden van 23 april 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2709) is het onderwerp aan de orde gesteld in het bestuurlijk overleg MSZ. Ziekenhuizen zijn in het bestuurlijk overleg opgeroepen transparant te zijn over parkeertarieven en de mogelijkheden voor patiënten en bezoekers om de kosten ervan te beperken. Hierbij is relevant dat de NVZ reeds een bericht heeft geplaatst met een reactie op de berichten over parkeertarieven2.
Kunt u aangeven wanneer u de Kamer nader informeert over de uitkomsten van het contact met de koepels?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of de zorgverzekeraars van plan zijn actie te ondernemen om parkeerkosten te gaan beperken?
Ik heb de vragen en signalen over parkeertarieven bij ziekenhuizen onder de aandacht gebracht bij zorgverzekeraars. Het is aan de individuele zorgverzekeraars om hier eventueel iets mee te doen. Ik heb hierin verder geen rol. Parkeerbeleid is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van ziekenhuizen en gemeenten.
Het bericht 'Politie jaagt nabestaanden onnodig op kosten na een overlijden: Bedragen lopen op tot zeshonderd euro'. |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie jaagt nabestaanden onnodig op kosten na een overlijden: Bedragen lopen op tot zeshonderd euro»?1
Ja.
Bent u bekend met de antwoorden (ontvangen op 12 december 2017) van de Minister van Medische Zorg en Sport op Kamervragen van mijzelf en het lid Van den Berg van 7 november 2017? Kunt u de vragen die ik u bij deze gelegenheid stel in samenhang beantwoorden met de antwoorden van 12 december 2017?2
Ja.
Klopt het dat vervoer van een stoffelijk overschot door de politie naar een mortuarium is aanbesteed aan externe partijen? Zo ja, kunt u aangeven welke partijen dat zijn? Zijn daar landelijke of regionale afspraken over gemaakt? Indien dit proces niet is aanbesteed, hoe heeft de politie vervoer van een stoffelijk overschot naar een mortuarium dan geregeld?
Ja. In 2017 voerde de politie een Europese aanbesteding uit voor het vervoer van stoffelijke overschotten van de vindplaats naar een (politie)mortuarium, en vanaf een (politie)mortuarium naar een locatie voor radiologie of het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en vice versa. Deze aanbesteding resulteerde in 22 raamovereenkomsten met regionale vervoerders.
Heeft de aanbesteding enkel betrekking op het vervoer van een stoffelijk overschot in het geval van niet-natuurlijk overlijden? Klopt het dat dit soms pas in het mortuarium kan worden vastgesteld? In hoeverre valt, vanaf het moment dat in het mortuarium een natuurlijk overlijden wordt vastgesteld, het verdere transport van een stoffelijk overschot onder de aanbesteding?
De Wet op de lijkbezorging bevat geen afspraken over de kostenverdeling tussen de politie, gemeentes en nabestaanden na het aantreffen van een stoffelijk overschot. Daarom hebben deskundigen een schema voor kostenverdeling opgesteld, dat door de Vereniging Nederlandse Gemeenten is vastgesteld.3 De aanbesteding heeft enkel betrekking op het vervoer van een stoffelijk overschot in het geval van niet-natuurlijk overlijden, omdat alleen in deze gevallen de vervoers- en mortuariumkosten op grond van het voorgenoemde schema voor rekening van de politie komen.
In de praktijk brengen de gecontracteerde vervoerders ook in sommige gevallen van natuurlijk overlijden het stoffelijke overschot over naar een (politie)mortuarium. Dit gebeurt als de gemeentelijke lijkschouwer heeft vastgesteld dat er sprake is van natuurlijk overlijden, maar de nabestaanden niet (direct) beschikbaar zijn. De politie is in dit geval zaakwaarnemer en geeft gecontracteerde vervoerders opdracht tot het overbrengen van het stoffelijk overschot naar een (politie)mortuarium. Een stoffelijk overschot kan immers niet onbeheerd worden achtergelaten in de openbare ruimte. Om doelmatigheidsreden maakt de politie gebruik van gecontracteerde vervoerders. De vervoerskosten naar het (politie)mortuarium worden in dit geval gedragen door de gemeente waarin het stoffelijk overschot is aangetroffen. Vanaf het moment dat overdracht vanuit het (politie)mortuarium mogelijk is, worden de mortuariumkosten doorbelast aan de nabestaanden, of, als die er niet zijn, aan de gemeente.
Het klopt dat de doodsoorzaak in sommige gevallen pas in een mortuarium kan worden vastgesteld. De gemeentelijk lijkschouwer bepaalt wanneer een stoffelijk overschot in een mortuarium moet worden geschouwd. De vervoerskosten naar het (politie)mortuarium worden in dit geval gedragen door de gemeente. Indien in het (politie)mortuarium wordt vastgesteld dat er sprake is van natuurlijk overlijden, worden de mortuariumkosten die zijn gemaakt vanaf het moment dat overdracht vanuit het (politie)mortuarium mogelijk was doorbelast aan de nabestaanden.
Klopt het dat indien na vervoer naar een mortuarium een natuurlijk overlijden is vastgesteld, de nabestaanden geconfronteerd kunnen worden met hoge kosten die met het vervoer van het stoffelijk overschot gemoeid zijn? Houdt de politie daar rekening mee bij de keuze om het stoffelijk overschot al dan niet te vervoeren naar een mortuarium?
Niet de politie, maar de gemeentelijk lijkschouwer bepaalt of het noodzakelijk is om een stoffelijk overschot in een (politie)mortuarium te schouwen om uit te sluiten dat er sprake is van een niet-natuurlijke doodsoorzaak. Indien het stoffelijk overschot niet ter plaatste kan worden geschouwd, wordt er in de praktijk gebruik gemaakt van de vervoerders die door de politie zijn gecontracteerd en wordt het stoffelijk overschot in een politiemortuarium geschouwd. De (hulp)officier van justitie moet toestemming geven voor het vervoer van een stoffelijk overschot naar een (politie)mortuarium.
Ook als ter plaatse een natuurlijke dood is vastgesteld, maar de nabestaanden niet (direct) bereikbaar zijn, geeft de politie als zaakwaarnemer een gecontracteerde vervoerder opdracht tot het overbrengen van het stoffelijk overschot naar een (politie)mortuarium.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, draagt de gemeente de kosten voor het vervoer naar het (politie)mortuarium als de gemeentelijk lijkschouwer heeft bepaald dat het stoffelijk overschot niet ter plaatse kan worden geschouwd. Ook in het geval dat nabestaanden niet (direct) beschikbaar zijn bij een ter plaatse vastgestelde natuurlijke dood, worden de vervoerskosten naar het (politie)mortuarium gedragen door de gemeente. In de twee voorgenoemde gevallen worden markconforme mortuariumkosten doorbelast aan de nabestaanden vanaf het moment dat overdracht vanuit het (politie)mortuarium mogelijk is. Ik begrijp dat de nabestaanden dit in sommige gevallen als vervelend kunnen ervaren.
Wat zijn de mogelijkheden om bij een volgende aanbesteding ook kosten voor vervoer van het stoffelijk overschot in het geval van een bij nader inzien vastgesteld natuurlijk overlijden mee te kunnen nemen? Zijn er mogelijkheden om via zo’n hernieuwde aanbesteding de kosten voor nabestaanden zo beperkt mogelijk te houden?
De volgende aanbesteding is voorzien in 2025. Net als de huidige aanbesteding zal de volgende aanbesteding worden gebaseerd op het dan geldende systeem voor de kostenverdeling tussen de politie, gemeentes en nabestaanden bij het vervoer van overledenen.
Het bericht 'Betoging Pegida in Eindhoven opnieuw verboden' |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Betoging Pegida in Eindhoven opnieuw verboden»?1
Ja.
Sinds wanneer bepalen gewelddadige moslims wie er mag protesteren in Nederland?
Het in goede banen leiden van demonstraties is een bevoegdheid van het lokale gezag (de burgemeester). Op de burgemeester rust een positieve verplichting om noodzakelijke en passende maatregelen te nemen – bijvoorbeeld politiebescherming – om een vreedzame betoging te beschermen tegen «vijandelijke elementen» of tegenbetogingen. Belangen van anderen dan de demonstranten, zoals die van inwoners en omstanders, mogen op zichzelf niet leiden tot het beperken van een demonstratie. Daarbij geldt dat het verbieden of beëindigen van een (vreedzame) demonstratie een uiterst middel is en uitsluitend aan de orde is als dat noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie mag nooit een reden zijn voor beperkende maatregelen, ook niet als deze door sommigen als hinderlijk, aanstootgevend of choquerend wordt ervaren. Het strafrecht stelt wel grenzen aan gedragingen van demonstranten, bijvoorbeeld wanneer er discriminerende uitlatingen worden gedaan of geweld wordt gebruikt.
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 13 juli 2018 (Kamerstuk 34 324, nr. 3) heb uiteengezet, staan burgemeesters soms, met name bij risicovolle demonstraties waar de verantwoordelijkheid van burgemeesters voor het borgen van het belang van de openbare orde en veiligheid en het beschermen van burgers die niet demonstreren sterk wordt gevoeld, voor ingewikkelde beslissingen. Die beslissingen vragen om maatwerk en om inschattingen van de plaatselijke openbare orde. Dat kan er in uitzonderlijke omstandigheden toe leiden dat een demonstratie niet kan plaatsvinden op de plaats waar de demonstranten dat willen of in het uiterste geval helemaal niet kan plaatsvinden, ondanks het uitgangspunt dat het demonstratierecht zoveel mogelijk moet worden beschermd en dat dreigen met tegenreacties niet mag lonen. Ik wil er hier nog op wijzen dat burgemeesters dergelijke beslissingen – zeker in situaties die zich kenmerken door grote polarisatie – niet lichtvaardig nemen, en ik vind het onacceptabel hoe de betrokken bestuurders in deze kwestie worden geïntimideerd en bedreigd.
Er vinden per jaar duizenden demonstraties in Nederland plaats. Gemeenten weten daar doorgaans goed mee om te gaan. Zoals ik in mijn hiervoor genoemde brief van 13 juli 2018 (Kamerstukken II 2017/18, 34 324, nr. 3) heb aangegeven, is het zeker geen algemeen gebruik om demonstraties te beperken of te verbieden. Het betreft uiteindelijk maatwerk en een inschatting van de burgemeester als het lokale gezag, die nauw samenhangt met zijn kennis van de plaatselijke situatie en de openbare orde. De burgemeester legt over zijn beslissing verantwoording af aan de gemeenteraad en eventueel aan de rechter. Het is niet aan mij om daar in te treden.
Over het demonstratierecht zijn inmiddels de nodige handvatten voor gemeenten verschenen. Zo heb ik eind vorig jaar aan alle gemeenten de handreiking demonstratierecht «Demonstreren bijkans heilig» toegezonden, opgesteld door de gemeente Amsterdam in samenwerking met de politie en het Openbaar Ministerie. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld ook gebruik maken van het meest recente rapport van de Nationale ombudsman over dit onderwerp, «Demonstreren, een schurend grondrecht».
Gelet op het vorengaande zie ik geen reden om alle burgemeesters een brief te sturen over het toepasselijke wettelijke kader voor demonstraties.
Bent u bereid alle burgemeesters een brief te sturen om ze eraan te herinneren dat in Nederland onze eigen wetten gelden, en niet de sharia? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe de sterke zekerheidsrechtelijke positie van banken alternatieve financiers belemmert |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Waarom banken bij faillissementen altijd aan het langste eind trekken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat alternatieve kredietverleners een belangrijke rol kunnen vervullen in de financiering van ondernemers en dat een gelijk speelveld voor alternatieve kredietverleners en banken in beginsel het uitgangspunt zou moeten zijn?
Zoals ook benadrukt in de agenda Financiële Sector, hecht dit kabinet aan voldoende diversiteit in de financiële sector. Van belang is dat MKB bedrijven een voldoende divers financieringslandschap ter beschikking staat, dat voorziet in hun legitieme kredietbehoeften. Het kabinet zet onder meer in op de kapitaalmarktunie, die hieraan zal bijdragen.
Vormt de huidige financieringspraktijk waarbij banken veelvuldig gebruikmaken van de bankhypotheek, het bankpandrecht en de verzamelpandakte, in uw optiek een belemmering voor alternatieve kredietverleners, die in ruil voor kredietverschaffing ook zekerheid behoeven? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmering wettelijk zou kunnen worden tegengegaan?
De vragen 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke beantwoording. Om te beoordelen of het wenselijk is beleidsvoornemens op dit terrein te ontwikkelen, in welke richting dan ook, is het noodzakelijk om een onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de Nederlandse financieringspraktijk nu werkt. Wij zijn bereid om een opdracht tot een onderzoek daarnaar te geven, waarbij tevens, mede gelet op de op 18 juni door Uw Kamer aangenomen motie,2 de zekerheidsstelling bij MKB-financiering aan de orde zal komen. Ik zal Uw Kamer mededelen hoe de onderzoeksopdracht luidt en aan wie een dergelijke opdracht zal worden verstrekt, en Uw Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van het onderzoek.
Hoe kunnen alternatieve kredietverleners volgens u nog voldoende zekerheid voor kredietverstrekking verkrijgen, als potentiële kredietnemers reeds – overeenkomstig de huidige praktijk – pand- en hypotheekrechten op al hun bestaande en toekomstige activa hebben moeten vestigen ten behoeve van een bank?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de positie van alternatieve kredietverleners meegenomen binnen het wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht, meer in het bijzonder bij uw overweging of de positie van banken en andere crediteuren in faillissement aan herijking toe is?
In het kader van het laatste wetsvoorstel van het programma herijking faillissementsrecht is met vertegenwoordigers uit de faillissementspraktijk gesproken over voorstellen om de effectiviteit en de doelmatigheid van de afwikkeling van een faillissement te bevorderen.3 Er wordt onder meer bezien of de positie van zekerheidsgerechtigde schuldeisers herijkt moet worden. U zult binnenkort in de voortgangsbrief van het programma herijking faillissementsrecht door de Minister voor Rechtsbescherming worden geïnformeerd over de laatste stand van zaken.
Kunt u voorts aangeven of u nog voornemens bent het wetsvoorstel Wet opheffing verpandingsverboden in te dienen, nu de consultatieperiode van dit wetsvoorstel al ruim een half jaar gesloten is? Zo ja, wanneer bent u voornemens om dit voorstel in te dienen?
Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de verwerking van de reacties die tijdens de consultatie en de daarop volgende expertmeeting van 23 mei jl. op het voorontwerp naar voren zijn gebracht. Het streven is om het wetsvoorstel aan te bieden aan de Afdeling advisering van de Raad van State kort na het zomerreces.
Kunt u uiteenzetten in welke Europese landen een verpandingsverbod wel respectievelijk niet is toegestaan, en welke redenen daaraan steeds ten grondslag liggen?
Op deze termijn bleek een uitputtend rechtsvergelijkend overzicht zonder uitvoerig onderzoek niet haalbaar. Wel is navraag gedaan bij andere Europese lidstaten naar de situatie in hun land. Dit levert het volgende beeld op. In verschillende lidstaten zijn beperkingen gesteld aan de mogelijkheid onoverdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen overeen te komen. Dit geldt in ieder geval voor Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk. Als reden hiervoor wordt met name gegeven dat ondernemingen door dergelijke bedingen worden beperkt in hun financieringsmogelijkheden.
In o.a. Bulgarije, Malta en Spanje zijn dergelijke bedingen, op grond van de contractvrijheid, wel onbeperkt toelaatbaar. Dit geldt ook voor Tsjechië, maar wetgeving om hier voor bepaalde vorderingen verandering in te brengen, wordt overwogen.
Het feit dat onoverdraagbaarheids- en niet-verpandingsbedingen inmiddels in meerdere lidstaten aan banden zijn gelegd of wetgeving daartoe wordt overwogen, is een extra reden om ook in Nederland wetgeving op dit punt te entameren. Voorkomen moet worden dat Nederlandse bedrijven minder financieringsmogelijkheden ten dienste staan dan bedrijven in de ons omringende landen.
Het bericht ‘Een ongeluk waar je niets van leert’ |
|
Salima Belhaj (D66), Jan Paternotte (D66), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC artikel «Een ongeval waar je niets van leert» van 15 mei 2019?1
Ja.
Bent u bekend met het ongeval dat op 27 januari 2018 heeft plaatsgevonden bij een training van de Kustwacht?
Ja. Hierbij wordt de nuance aangebracht dat het ongeval niet is gebeurd tijdens een training van, of in opdracht van, de Kustwacht. Het ongeval is gebeurd tijdens een interne bedrijfsoefening van het bedrijf TMI in samenwerking met Noordzee Helikopter Vlaanderen B.V. (NHV) ter gereedstelling voor Kustwachttaken.
Wat is uw reactie op het niet melden van het benoemde incident en de onduidelijkheid wat betreft het toezicht?
De Staatssecretaris van SZW is verantwoordelijk voor het toezicht op de Arbeidsomstandighedenwet. Op basis van deze wet moet de werkgever arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel of ziekenhuisopname melden bij de toezichthouder. Het Ministerie van SZW heeft door middel van een ministeriële regeling een aantal toezichthouders aangewezen, waaronder ambtenaren van de Inspectie SZW (ISZW) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die namens de Staatssecretaris van SZW toezicht houden op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
Het toezicht op naleving van de arbeidsomstandigheden bij de Kustwacht is geregeld in de «Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving». In deze regeling wordt ook een aantal ambtenaren van andere ministeries dan SZW aangewezen als toezichthouder, bijvoorbeeld van de politie en ILT. De Staatssecretaris van SZW is verantwoordelijk voor de uitvoering van de toezichthoudende taken door deze aangewezen ambtenaren. In het hiernavolgende worden deze ambtenaren, afhankelijk van waar zij formeel tewerkgesteld zijn, aangeduid als «aangewezen ILT-toezichthouders» en «aangewezen ISZW-toezichthouders».
In dit specifieke geval heeft niet de werkgever, maar de werknemer het ongeval gemeld bij de aangewezen ILT-toezichthouders en aangewezen ISZW-toezichthouders. De werkgever is verantwoordelijk voor haar werknemers en verplicht om een ongeval waarbij haar werknemers betrokken zijn te melden bij de betreffende instantie(s). Dit is ten onrechte niet gebeurd. Er wordt door ISZW een onderzoek hiernaar ingesteld.
Kunt u nader uitleg geven over wie momenteel toezicht houdt met betrekking tot arbeidsongevallen bij de Kustwacht, en wie momenteel de eindverantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van het Defensiepersoneel op zee?
Zie ook antwoord 3.
Bij de Kustwacht werkt onder andere defensiepersoneel. Voor dit defensiepersoneel berust de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid bij de Minister van Defensie, dus ook de verantwoordelijkheid voor defensiepersoneel op zee.
Is het arbeidsongeval gemeld bij de Inspectie SZW? Zo ja, wat is er met de melding gedaan? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het ongeval is door de betreffende werknemer gemeld bij de aangewezen ILT-toezichthouders en de aangewezen ISZW-toezichthouders. Deze toezichthouders hebben hierover onderling en met de desbetreffende werknemer contact gehad. Er is, in goed overleg met de vlieg-verpleegkundige, afgezien van nader onderzoek omdat de toedracht van het ongeval voldoende bekend was. Wel zal ISZW een onderzoek starten naar het niet-melden van ongevallen door de werkgever.
De ISZW heeft in 2018 ruim 4.300 ongevalsmeldingen ontvangen (bron: Inspectie SZW jaarverslag 2018). Niet al deze meldingen leiden tot een ongevalsonderzoek. Er moeten keuzes gemaakt worden en daarbij onder andere meegewogen of er nieuwe inzichten worden verwacht (lessen), of dat er vermoedens zijn van overtredingen.
Houdt de Inspectie SZW toezicht op bedrijven uit het buitenland die binnen Nederland werkzaamheden uitvoeren?
Ja. De ISZW is toezichthouder op het terrein van het Ministerie van SZW. Dit toezicht is gericht op de naleving van de wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden, de arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen en het sociale zekerheidstelsel in Nederland. Het maakt daarbij geen verschil of de binnen Nederland uitgevoerde werkzaamheden uitgevoerd worden door een bedrijf uit het buitenland of dat het een Nederlands bedrijf betreft.
Houdt de Inspectie SZW ook toezicht op arbeidsomstandigheden op het water of in de lucht?
De ISZW houdt in beginsel geen actief toezicht op de arbeidsomstandigheden in de luchtvaart, zeescheepvaart en binnenvaart. Wanneer een inspecteur van de ILT tijdens een inspectie aan boord gaat van een zeeschip of een vliegtuig en bijzondere arbeidsomstandigheden signaleert, wordt dit aan de ISZW gemeld.
Wat zijn de internationale afspraken op het gebied van arbeidsomstandigheden op het water of in de lucht? Wie houdt er toezicht en hoe wordt bepaald welk land toezicht houdt?
Wat betreft het toezicht op arbeidsomstandigheden zijn er, naast nationale afspraken, geen aanvullend gemaakte internationale afspraken.
Wel zijn er verschillende ILO-verdragen door de lidstaten geratificeerd waarin gezonde en veilige arbeidsomstandigheden worden gewaarborgd. Zo geldt op het water onder andere het Maritiem Arbeidsverdrag, waarin het minimum niveau van arbeidsomstandigheden in de zeescheepvaart is bepaald.
Hoe wordt bepaald welke toezichthouder verantwoordelijk is voor de werkomstandigheden als het om werkzaamheden gaat die deels te land, ter zee en in de lucht plaatsvinden?
De aangewezen ILT-toezichthouders en aangewezen ISZW-toezichthouders werken in het licht van de Arbeidsomstandighedenwet samen om gezond en veilig werk in Nederland te bevorderen. In de aanwijzingsregeling «toezichthoudende ambtenaren en ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken op grond van SZW wetgeving» is opgenomen voor welk domein de toezichthouders zijn aangewezen. In het geval dat er sprake is van toezicht op de Arbeidsomstandighedenwet, worden de werkzaamheden zo nodig op elkaar afgestemd. Deze toezichthouders zijn allen jegens de staatsecretaris van SZW verantwoordelijk voor de wijze waarop zij invulling geven aan hun toezichthoudende bevoegdheden.
Kunt u garanderen dat dit ongeval wordt bestudeerd door één van de toezichthouders?
Zowel de aangewezen ILT-toezichthouders en aangewezen ISZW-toezichthouders zijn in 2019 op de hoogte gesteld van het ongeval door de betreffende werknemer zelf. Er heeft een gesprek plaatsgevonden met de flight-nurse. In goed overleg met de vlieg-verpleegkundige is afgezien van nader onderzoek omdat de toedracht van het ongeval voldoende bekend was.
Kunt u nader uitleg geven over het verschil van mening tussen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de inspectie SZW over wie de eindverantwoordelijkheid draagt voor het melden van eventuele ongevallen in de Noordzee?
De werkgever is verantwoordelijk voor het melden van ongevallen. Dat kan bij zowel de aangewezen ILT-toezichthouders als bij de aangewezen ISZW-toezichthouders. Indien nodig worden meldingen in overleg met elkaar behandeld. Er is ons geen verschil van mening hierover bekend.
Op basis van welke wetgeving wordt toezicht gehouden op zogenoemde «state flights», zoals SAR taak en politievluchten? De basic regulation van de European Union Aviation Safety Agency (EASA) is immers niet van toepassing op de SAR-taak. Hoe borgt u dan de vliegveiligheid voor dergelijke «state flights»?
De luchtvaartuigen die gebruikt worden voor search and rescue (SAR)-taken en politievluchten worden inderdaad uitgezonderd van de basic regulationsvan EASA.
Indien militaire luchtvaartuigen gebruikt worden voor zogenoemde «state flights» (waaronder SAR-taken) zijn de Militaire Luchtvaart Eisen van toepassing.
Indien «state flights» worden uitgevoerd met civiel geregistreerde luchtvaartuigen, dan betekent dit dat op deze luchtvaartuigen de EASA-normen van overeenkomstige toepassing zijn (Besluit luchtvaartuigen 2008).
De SAR-vluchten worden door het Belgische bedrijf NHV uitgevoerd met Belgisch civiel geregistreerde helikopters. De verantwoordelijkheid voor het toezicht op de luchtwaardigheid van deze helikopters ligt bij de Belgische luchtvaartautoriteit.
Om een civiel luchtvaartuig te mogen besturen heeft de piloot niet alleen een civiel brevet nodig, maar ook een type rating voor het betreffende luchtvaartuig. Om het brevet met de type rating in stand te kunnen houden moet er een jaarlijkse prof check met goed gevolg worden uitgevoerd. De in EU-regelgeving vastgelegde EASA-normen zijn hier op van toepassing en de desbetreffende luchtvaartautoriteit is daarvoor de aangewezen toezichthouder. Zodoende wordt de veiligheid geborgd.
Welke vlieg- en rusttijden zijn van toepassing op de SAR-vluchten? Klopt het dat dit niet de Europese wetgeving rondom vlieg en rusttijden (EU-FTL) is?
De EU-FTL is inderdaad niet van toepassing. De SAR-vluchten worden door het Belgische bedrijf NHV uitgevoerd met Belgisch civiel geregistreerde helikopters. Het Belgische normenstelsel ten aanzien van werk- en rusttijden in de luchtvaart is hier van toepassing.
Kunt u nader uitleg geven wie over welk land en welke instantie momenteel de eindverantwoordelijkheid draagt met betrekking tot het toezicht op ongevallen in de luchtvaart die plaatsvinden bij NHV onder toezicht van Defensie?
Zie ook antwoord 3.
Noordzee Helikopters Nederland (NHN), de contracthouder, laat de SAR-vluchten uitvoeren door NHV. NHV is een Belgische maatschappij waar vanuit Nederland geen luchtvaarttoezicht op wordt gehouden.
Klopt het dat de Minister van Defensie, en niet Rijkswaterstaat, momenteel belast is met het aanbestedingsprocedure van de SAR-taak? Wat is daarvan de reden en wanneer loopt het huidige SAR contract af?
Ja. In de Raad voor de Kustwacht is besloten dat Defensie het volgende SAR-contract afsluit. Defensie heeft ruime ervaring en expertise met het verwerven van vliegend materieel waarbij zij zich regelmatig laat adviseren door het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR). Het huidige SAR-contract loopt op 1 juli 2020 af met een optie om het contract tweemaal een jaar te verlengen. Begin mei heeft I&W besloten om aan RWS de opdracht te verstrekken het contract te verlengen tot 1 juli 2022, omdat het aanbestedingstraject inclusief levering niet binnen een jaar zal zijn afgerond.
Kunt u nader uitleg geven over hoe het mogelijk is dat Noordzee Helikopters Vlaanderen (NHV), het bedrijf dat verantwoordelijk is voor de veiligheid van het Nederlands kustwachtpersoneel, niet voldeed aan alle eisen die opgesteld waren door Rijkswaterstaat? Kunt u nader verklaren waarom de Minister van Infrastructuur en Milieu toentertijd verklaarde dat deze helikopters wel aan deze eisen voldeden?
In de kamerbrief «Onafhankelijk onderzoek SAR-helikopters en voortgang geschillencommissie t.b.v. conflicten op zee» (Kamerstuk 31 409 nr. 109) is aangegeven dat de reddingshelikopters met uitrusting en personeel voldoen aan het programma van eisen. Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de betreffende kamerbrief.
Herinnert u zich dat uit onderzoek van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) uit 2016, dat in opdracht van het ministerie Infrastructuur en Waterstaat is uitgevoerd, bleek dat er minimaal vier technische tekortkomingen zijn geconstateerd, en dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid constateerde dat de SAR tekort schoot en niet op elke basis een medisch team klaar heeft staan? Zijn deze tekortkomingen aantoonbaar verholpen? Wie houdt daar onafhankelijk toezicht op?
Zoals in de kamerbrief «Onafhankelijk onderzoek SAR helikopters en voortgang geschillencommissie t.b.v. conflicten op zee» (Kamerstuk 31 409 nr. 109) en de kamerbrief «Kustwacht in Nederland» (Kamerstuk 30 940 nr. 25) is verwoord heeft het NLR geconstateerd dat over het algemeen wordt voldaan aan het programma van eisen maar dat bij drie punten gedeeltelijke tekortkomingen zijn geconstateerd: de automatische piloot, de enkele flowmeter en de brancard. Na een aanpassing aan de genoemde systemen en middelen zijn de tekortkomingen weggenomen.
Rijkswaterstaat (RWS) laat, als contracthouder voor de SAR-helikopters, jaarlijks een onafhankelijke audit uitvoeren door het NLR, waarin wordt onderzocht of de contractant voldoet aan de contracteisen.
De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft geconstateerd dat niet op elke basis een medisch team klaar staat. De primaire helikopter in Den Helder beschikt over een ambulanceverpleegkundige. Als inzet van een ambulanceverpleegkundige nodig is, wordt deze helikopter ingezet. De procedure hiervoor is aangescherpt.
Kunt u aangeven of er inmiddels duidelijke maatregelen zijn genomen door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat om te zorgen dat bedrijven zoals NHV verplicht worden alle bedrijfsongevallen te melden bij instanties zoals het SZW en de ILT? Zo ja, wat zijn deze concrete maatregelen dan geweest? Zo nee, waarom dan niet en wanneer gaat dit wel gebeuren?
De Staatssecretaris van SZW is verantwoordelijk voor het toezicht op de Arbeidsomstandighedenwet. Op basis van deze wet is de werkgever verplicht ernstige arbeidsongevallen direct te melden aan de toezichthouder. In dit geval kon dat zowel bij aangewezen ILT-toezichthouders en aangewezen ISZW-toezichthouders. Binnen de Raad voor de Kustwacht zal extra aandacht worden gevraagd voor het tijdig en juist melden van ongevallen en het door de partijen die de Kustwacht vormen samen leren van en het voorkomen van dit soort ongevallen.
Kunt u nader verklaren wat de concrete stappen zijn die door het u zijn genomen sinds de uitkomst van het rapport door de Onderzoeksraad voor Veiligheid in juli 2016 met betrekking tot de tekortkoming van de medische hulp op de Noordzee om de veiligheid van ons Kustwachtpersoneel te kunnen garanderen?
Het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid van juli 2016 ging niet over de veiligheid van het Kustwachtpersoneel, maar over de medische hulpverlening op de Noordzee aan personen in nood. Er zijn verschillende acties ingezet in reactie op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Medische Zorg en de directeur Kustwacht. De Tweede Kamer is hierover op 15 december 2016 geïnformeerd (Kamerstuk 30 490, nr. 28). Op 13 december 2018 is uw Kamer vervolgens geïnformeerd over de laatste stand van zaken met betrekking tot de concrete stappen die door alle betrokkenen zijn gezet naar aanleiding van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad (Kamerstuk 29 668, nr. 50).
Kunt u, zonder dat hierbij de integriteit van NHV hierbij in twijfel wordt getrokken, bevestigen dat NHV inmiddels de veiligheid van ons Defensiepersoneel op zee kan garanderen en dat er inmiddels duidelijk bewijs is dat zij aan alle gestelde veiligheidseisen voldoen? Zo ja, kunt u dit dan nader toelichten met informatie met betrekking tot de meest recente controle van het voldoen aan deze eisen. Zo nee, kunt u dan nader verklaren waarom er niet met spoed wordt gezocht naar een nieuw bedrijf dat wel aan deze eisen kan voldoen?
Defensiepersoneel is niet betrokken bij het uitvoeren van SAR-operaties met NHV-helikopters. Defensie doet wel een beroep op de Kustwacht in het geval defensiepersoneel uit zee moet worden gered.
Zoals bij vraag 17 aangegeven voldoet de contractant aan het programma van eisen waarmee een kwalitatief goede SAR dienstverlening is gewaarborgd. Om dit gedurende de looptijd van het contract te borgen laat RWS, als contracthouder voor de SAR-helikopters, jaarlijks een onafhankelijke audit uitvoeren door het NLR, waarin wordt onderzocht of de contractant voldoet aan de contracteisen.
Kunt u nader uitleg geven over de redenering achter uw besluit om de luchtvaartinspectie «vliegtechnisch» toezicht te laten houden op de SAR-activiteit en Rijkswaterstaat «operationeel» toezicht te laten houden, terwijl dit in de praktijk alleen maar voor verwarring blijkt te zorgen?
Zie het antwoord op vraag 12.
RWS laat als contracthouder voor de SAR-helikopters jaarlijks een onafhankelijke audit uitvoeren door het NLR, waarin wordt onderzocht of de contractant voldoet aan de contracteisen. In het contract zijn eisen opgenomen voor vliegtechnisch toezicht. Hierop is voor de inwerkingtreding van het contract een audit uitgevoerd door ILT.
Ons is geen verwarring bekend over de verschillende vormen van toezicht door de afzonderlijke instanties.
Kunt u bevestigen dat er tot op heden daadwerkelijk maar één ongeval heeft plaatsgevonden bij NHV onder toezicht van Defensie en dat er sinds dit ongeval geen andere ongevallen meer hebben plaatsgevonden vanwege een het niet voldoen aan de eisen zoals opgesteld door Rijkswaterstaat?
Bij Defensie, ISZW en de aangewezen ILT-toezichthouders zijn er geen andere arbeidsongevallen bij NHV gemeld of bekend.
Deelt u de mening dat de tekortkomingen door NHV, Rijkswaterstaat, het ILT en de Inspectie SWZ onacceptabel zijn en dat deze tekortkomingen de veiligheid van ons Kustwachtpersoneel momenteel niet voldoende kunnen garanderen?
Wij betreuren het onderhavige ongeval bij een SAR-training. Wij delen niet uw mening dat er (onacceptabele) tekortkomingen zijn door RWS, ILT, ISZW of NHV en dat daardoor de veiligheid van het kustwachtpersoneel onvoldoende gegarandeerd is. Het is primair de verantwoordelijkheid van de werkgever om voor de veiligheid van zijn personeel te zorgen. De toezichthouders zien er op toe dat dit gebeurt.
Mogen wij ervanuit gaan dat de uitvoerder van de (toekomstige) SAR taak bij aanvang van het nieuwe aanbestedingscontract wel aantoonbaar en in de praktijk voldoet aan de gestelde minimale vereisten? Zo ja, hoe wordt dat geborgd?
NHV voldoet aan de gestelde vereisten. Defensie heeft ook ten aanzien van het programma van eisen voor het toekomstige contract onverminderd gesteld dat aan alle gestelde vereisten moet worden voldaan.
Net zoals nu bij de uitvoering van de SAR-taak wordt voldaan aan de gestelde vereisten zal dat ook bij nieuwe aanbestedingen worden geborgd. De aanbesteding voor de nieuwe SAR-helikopter wordt uitgevoerd door Defensie door een projectgroep waarin alle relevante kennis aanwezig is. Daarnaast is onafhankelijke deskundigheid aangetrokken door inhuur van het NLR. Bovendien worden, voor zover nodig, overige onafhankelijke deskundigen geraadpleegd (bijv. over medische zaken).
Kunt u nader toelichten onder welke voorwaarden de Kustwacht helikopterreddingen heeft uitbesteed en welke veiligheidseisen en standaarden hieraan ten grondslag lagen?
Wij verwijzen u voor het antwoord naar de Kamerbrief aanbesteding van de SAR-helikopters Kustwacht (Kamerstuk 30 490, nr. 25) onder «regelgeving en programma van eisen» en «aanbesteding».
Kunt u de vragen apart beantwoorden?
Ja.
Nederlandse verzekeraars die meer kunnen doen om medicijnen betaalbaar te maken |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Taming Big Pharma»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat toegang tot betaalbare medicijnen onderdeel uitmaken van het universele recht op gezondheid?
Ja, toegang tot medicijnen is een onderdeel van het universele recht op gezondheid volgens zowel de United Nations High Commissioner for Human Rights (OHCHR) als de World Health Organisation (WHO).
Deelt u de mening dat institutionele beleggers invloed kunnen uitoefenen op farmaceutische bedrijven en op deze manier kunnen bijdragen aan het betaalbaar maken van medicijnen en eerlijke belastingbetaling door farmaceuten?
Institutionele beleggers, waaronder verzekeraars, zijn verantwoordelijk voor hun eigen beleggingsbeleid en bepalen zelf in welke bedrijven belegd wordt. Het kabinet verwacht van institutionele beleggers echter wel dat zij daarbij invulling geven aan hun responsibility to respect onder de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) en dat zij zich houden aan de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen). Daarnaast zijn er binnen het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)-convenant Verzekeringssector afspraken gemaakt met de overheid, de verzekeringssector (via Verbond van Verzekeraars en Zorgverzekeraars Nederland), vakbond FNV en niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) over de naleving van de OESO-richtlijnen en UNGP’s en over de gezamenlijke inzet om IMVO-risico’s aan te pakken en te voorkomen. Gezondheid (waaronder toegang tot medicijnen) is een van de thema’s waar convenantspartijen gezamenlijk zoeken naar mogelijkheden voor structurele verbeteringen.
Volgens de OESO-richtlijnen wordt van institutionele beleggers verwacht dat zij hun invloed aanwenden bij bedrijven waarin zij investeren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door algemene aandeelhoudersvergaderingen bij te wonen en via spreektijd en stemrecht hun opvattingen over MVO-thema’s, zoals het naleven van de belastingwetten en -regelgeving, uit te dragen. Ook kunnen zij informatie opvragen bij en contact leggen met de bedrijven waarin ze investeren om hun verwachtingen duidelijk te maken.
Dit is tevens wat de Access to Medicine Foundation, met steun vanuit de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beoogt met zijn Investeerdersverklaring. Inmiddels hebben 90 investeerders, die gezamenlijk activa van meer dan USD 12 biljoen beheren, de Investeerdersverklaring ondertekend. Hiermee zeggen zij toe de resultaten uit de Index te gebruiken bij zowel hun investeringsbeslissingen, als in hun engagement met bedrijven (als ze eenmaal in deze bedrijven hebben belegd). Het kabinet moedigt Nederlandse verzekeraars die dit nog niet hebben gedaan, aan de Investeerdersverklaring te ondertekenen en opvolging te geven aan de daarbij behorende verplichtingen.
Wat vindt u ervan dat Nederlandse verzekeraars als Aegon en Allianz in 2019 tezamen voor maar liefst 11 miljard euro hebben belegd in farmaceutische bedrijven zonder hen aan te sporen hoge medicijnprijzen terug te dringen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 6 zijn verzekeraars zelf verantwoordelijk voor hun beleggingsbeleid. Dit geldt ook voor de twee Nederlandse verzekeraars Aegon en Allianz. Aegon en Allianz zijn beiden lid van het Verbond van Verzekeraars, een van de IMVO-convenantspartijen. Daarnaast heeft Aegon N.V. bij de ondertekening van het IMVO-convenant Verzekeringssector een intentieverklaring ondertekend. Hierin verklaart Aegon N.V. de geest en de doelstellingen van het IMVO-convenant te ondersteunen en te trachten daarbij zoveel mogelijk in lijn met de doelstellingen en afspraken te handelen. De verzekeraar heeft verklaard open te staan voor inzet, samenwerking en kennisdeling bij de uitvoering van het IMVO-convenant. Binnen het IMVO-convenant wordt gekeken hoe investeerders hun invloed kunnen gebruiken.
Daarnaast moedigt het kabinet Nederlandse verzekeraars, waaronder Aegon N.V. en Allianz N.V. aan om de Investeerdersverklaring van de Access to Medicine Foundation te ondertekenen. Aegon heeft in een reactie aangegeven dat het een engagement programma voert met farmaceutische bedrijven, waarbij het de dialoog aangaat met deze bedrijven en onder andere excessieve prijsverhogingen voor medicijnen, frauduleuze accountingpraktijken en de promotie van patiëntenprogramma’s voor mensen met lage inkomens bespreekt. Ook heeft Aegon aangegeven dat de Access to Medicine Index nog niet meegenomen wordt in het screeningsproces, maar dat het dit wel aan het onderzoeken is.
Wat vindt u ervan dat vijf van de negen onderzochte verzekeraars geen concrete actie ondernemen tegen oneerlijke belastingbetaling door farmaceuten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 6 zijn verzekeraars zelf verantwoordelijk voor hun beleggingsbeleid. Farmaceutische bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor hun belastingafdracht. Het kabinet moedigt verzekeraars aan om, conform de afspraken binnen het IMVO-convenant, farmaceutische bedrijven aan te spreken, wanneer uit de IMVO-risicoanalyse die deel uitmaakt van de gepaste zorgvuldigheid naar voren komt dat zij niet handelen volgens hoofdstuk XI uit de OESO-richtlijnen. Dit hoofdstuk ziet op de verantwoordelijkheid van bedrijven met betrekking tot belastingafdrachten.
Vindt u ook dat de druk van verzekeraars op farmaceuten om betaalbare medicijnen te maken en eerlijk belasting te betalen omhoog moet? Zo ja, bent u bereid om er bij Nederlandse verzekeraars op aan te dringen om de investeerdersverklaring van Access to Medicine Index te tekenen en druk uit te oefenen op de farmaceutische bedrijven waarin zij investeren? Kunt u een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat Nederlandse investeerders transparant zijn over hun investeringen? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te nemen die transparantie bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het wenselijk dat Nederlandse investeerders transparant zijn over hun investeringen. De afspraken in het IMVO-convenant Verzekeringssector zien toe op de invulling van het beleggingsbeleid en het toepassen van gepaste zorgvuldigheid conform OESO-richtlijnen en de UNGP’s. Transparantie is een belangrijk onderdeel van het IMVO-convenant Verzekeringssector. Zo werkt de overheid, in samenwerking met NGO’s en verzekeraars, aan het opstellen van ESG-themakaders die handvatten bieden voor verzekeraars om hun due diligence uit te voeren. Transparantie is hier een onderdeel van. De hogergenoemde Access to Medicine Index is eveneens bedoeld om transparantie over de activiteiten van farmaceuten te bevorderen. Ik zie momenteel dan ook geen aanleiding tot het nemen van extra maatregelen.
Het bericht dat gemeenten de stekker uit sociaal werkbedrijf Soweco trekken |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gemeenten trekken stekker uit sociaal werkbedrijf Soweco»?1
Ja.
Wat is uw inhoudelijke reactie op het bericht?
Het is aan gemeenten, die de eigenaren zijn van de sociale ontwikkelbedrijven, waaronder Soweco, om te bepalen welke rol deze bedrijven in de toekomst kunnen spelen. Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij de wijze waarop zij het aan de slag helpen van mensen met een arbeidsbeperking organiseren. Er bestaat niet één model om succesvol te kunnen zijn. Soms zijn keuzes gericht op een verbetering van de bedrijfsvoering en daarmee op het verbeteren van de financiële prestaties, waarbij het gewenste ondersteuningsaanbod beschikbaar blijft. Uiteraard zijn de omstandigheden waaronder de mensen hun werk kunnen verrichten het belangrijkst. Het is belangrijk dat gemeenten daar ook aandacht voor hebben.
Meer in het algemeen constateer ik dat sociale ontwikkelbedrijven veel kennis en expertise hebben die goed bruikbaar is om onder andere nieuwe beschut werkplekken te organiseren, of om mensen uit de brede doelgroep van de Participatiewet toe te leiden naar een plek bij een reguliere werkgever.
Wat vindt u ervan dat een goed functionerend en goed presterend sociaal werkbedrijf moet sluiten doordat subsidies vanuit het Rijk teruglopen?
Ik heb geen oordeel over het functioneren van individuele sociale werkbedrijven, het is aan de gemeenteraad om het college van burgemeester en Wethouders te controleren op de afspraken die worden gemaakt met deze sw-bedrijven.
Kunt u garanderen dat de 1.150 mensen die bij Soweco werkten een passende arbeidsplek wordt geboden? Welke termijn acht u daarvoor redelijk? Indien deze garantie niet kan worden geboden, bent u bereid om in te grijpen om dit alsnog te garanderen?
De mensen die werkzaam zijn bij Soweco NV zijn in dienst bij de Gemeenschappelijke Regeling Soweco. Uit de berichtgeving van het bestuur van de Gemeenschappelijke regeling maak ik op dat alle medewerkers een baangarantie krijgen als wordt besloten tot een andere organisatorische invulling van de uitvoering van de Participatiewet.
Kunt u zich indenken dat mensen hechten aan het sociale werkbedrijf waar zij werken? Bent u van mening dat werkenden bij sociale werkbedrijven als Soweco gebaat zijn bij stabiliteit? Wat vindt u ervan dat zij zo onverwacht, een maand na de vreugdevolle viering van het vijftigjarig bestaan van het sociale werkbedrijf, hun werkplek kwijtraken?
Ik kan mij goed voorstellen dat mensen hechten aan een bepaalde werkplek, zeker als het mensen betreft met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Mensen zijn gebaat bij stabiliteit en krijgen ook een baangarantie van de betrokken gemeenten.
Zie ook mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
Vreest u ook dat de kennis, ervaring en het netwerk van Soweco met de sluiting verloren gaan? Betekent dit grote verlies niet dat deze mensen mogelijk op minder efficiënte en bovendien prettige en effectieve wijze aan een fijne arbeidsplek geholpen worden?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat mensen met een arbeidsbeperking zeker moeten kunnen zijn van een fijne en veilige werkomgeving? Wat vindt u ervan dat sociaal werkbedrijf Soweco gesloten wordt zonder dat een goed alternatief voorhanden lijkt?
Ik deel uw mening dat mensen met een beperking zoveel mogelijk in een geschikte en veilige werkomgeving moeten kunnen werken. Zie voor de overige vragen mijn eerdere antwoorden.
Hoe beziet u de recente trend dat er meer sociale werkbedrijven worden gesloten? Hoe verhoudt dit zich met de belofte de kennis en kunde van sociale werkvoorziening (SW)-bedrijven in stand te houden? Wat gaat u doen om het sluiten van sociale werkbedrijven tegen te gaan?
Ik constateer dat er gemeenten zijn die ervoor kiezen om een andere uitvoeringsorganisatie in te richten. Daarmee worden bestaande bedrijven omgevormd tot toekomstbestendige organisaties, waarin veelal dezelfde mensen werkzaam zijn als in de bestaande organisaties.
Het betekent overigens niet dat er geen gebruik gemaakt wordt van de infrastructuur van de sociale werkbedrijven. Uit de sectorinformatie van Cedris (2017) blijkt dat een groot aantal sw-bedrijven zich heeft ontwikkeld tot een integrale gemeentelijke uitvoeringsorganisatie van de Participatiewet, terwijl andere bedrijven zich hebben ontwikkeld tot een arbeidsontwikkel- en bemiddelingsbedrijf op afstand van de gemeente. Ik stuur uw Kamer binnenkort een brief waarin ik in algemene zin op deze vraag inga.
De Rapportage vreemdelingenketen 2018 |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een feitenrelaas aan de Kamer toesturen over de totstandkoming van de Rapportage vreemdelingenketen 2018? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten waarom, nadat bleek dat ernstige misdrijven onder het kopje «overig» waren gezet, het Ministerie van Justitie en Veiligheid in eerste instantie aangaf dat de politie de incidentencijfers had samengesteld? Hoe reflecteert u achteraf op deze communicatie?1
Waarom werd besloten de politie en het openbaar ministerie (OM) een spreekverbod op te leggen? In samenspraak met wie werd dit besproken en besloten? Vindt u dit achteraf een verstandige beslissing geweest?2
Welke afwegingen zijn er gemaakt bij de totstandkoming van de gekozen wijze van rapporteren? Kunt u elke afweging afzonderlijk benoemen en toelichten? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre was er ruimte voor een tegengeluid in de discussie over de wijze van rapporteren en hoe werd hiermee omgegaan? Op basis van welke argumenten is uiteindelijk besloten, ondanks de gemaakte bezwaren, toch de rapportage in haar huidige vorm naar de Kamer te sturen?
Wat is er tijdens het besluit over de wijze van rapporteren verstaan onder «volledige openheid»?3
Hoe verhoudt uw definitie van «volledige openheid» zich tot de verhouding tussen een duizendtal geregistreerde incidenten onder het kopje «overig» en het gemiddelde van 418 geregistreerde incidenten per andere categorie?
Hoe en op basis waarvan is de beslissing tot stand gekomen om categorieën als moord, doodslag, aanranding en verkrachting onder «overig» te plaatsen? Hoe verhoudt uw antwoord zich tot uw definitie van «volledige openheid» en ook de verhouding zoals in de vorige vraag omschreven?
Hoe verklaart u dat er ondanks dat er geconstateerd werd dat de manier van rapporteren vragen en opmerkingen zou opleveren, toch niet besloten de wijze van rapporteren te wijzigen?
Hoe verhouden de uitspraken van de Minister-President en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat «er geen aanwijzing is dat het bewust is gebeurd» zich tot het doel «volledige openheid en transparantie»? Hoe verhouden deze uitspraken zich tot de signalering van de tekortkomingen? Hoe verhouden die uitspraken zich tot het uiteindelijke resultaat?
Deelt u de mening dat als vanaf begin af aan duidelijk was gemaakt wat er achter de politieregistraties schuil gaat, het beeld over de cijfers van criminele asielzoekers een stuk genuanceerder zou zijn geweest?4
Ik onderschrijf dat het belangrijk is dat registraties van gebeurtenissen met betrekking tot asielzoekers die als mogelijke verdachte van een strafbaar feit worden beschouwd, worden voorzien van een goede toelichting om eventuele onduidelijkheden over de interpretatie ervan te voorkómen. Voor een uitvoeriger uiteenzetting hierover verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 1 juli 2019.
Deelt u voorts de mening dat de nuances achter politieregistraties op het Ministerie van Justitie en Veiligheid bekend mogen worden verondersteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is er dan niet voor gekozen de cijfers en de toelichting transparant op te nemen in de Rapportage Vreemdelingenketen 2018?
Ik onderschrijf dat het belangrijk is dat registraties van gebeurtenissen met betrekking tot asielzoekers die als mogelijke verdachte van een strafbaar feit worden beschouwd, worden voorzien van een goede toelichting om eventuele onduidelijkheden over de interpretatie ervan te voorkómen. Ik wijs er hierbij op dat de interpretatie van registraties complexer wordt indien gegevens over meerdere ketens heen (in dit geval de migratieketen en de strafrechtsketen) worden gecombineerd in één samengestelde analyse. Voor een uitvoeriger uiteenzetting hierover verwijs ik naar mijn brief van 1 juli 2019.
Hoe beoordeelt u de waarde van politieregistraties, zonder nadere toelichting, voor het geven van een accuraat beeld van strafbare feiten waarbij asielzoekers betrokken zijn geweest? Deelt u de mening dat het beter is bij deze cijfers ook te betrekken hoe registraties strafrechtelijk zijn afgedaan en welke ruis erin kan zitten?
Bij brief van 1 juli 2019 heb ik de Kamer geïnformeerd over de nadere duiding die politie en OM hebben verricht op de registraties van gebeurtenissen van asielzoekers die als mogelijke verdachte van een misdrijf worden beschouwd. Ik ben daarbij ook ingegaan op de totstandkoming van dit soort registraties en de kanttekeningen die geplaatst kunnen worden bij de interpretatie ervan. Ik benadruk daarbij dat het uitvoeren van een dergelijke nadere analyse slechts mogelijk is via een zeer arbeidsintensieve handmatige zoekslag die ten koste gaat van de reguliere operationele taken van de analisten van politie en OM.
Deelt u de mening dat de wijze waarop nu is omgegaan met de registraties niet bijdraagt aan het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen? Wat gaat u doen teneinde dit in de toekomst te verbeteren?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 1 juli 2019 vind ik openheid en transparantie essentieel voor het maatschappelijk draagvlak voor het asielbeleid. Mede daarom vind ik het van groot belang dat incidenten rond asielzoekers zo duidelijk mogelijk in beeld worden gebracht en dat uw Kamer daarover adequaat wordt geïnformeerd. Dit is voor mijn ambtsvoorganger juist ook de reden geweest voor een verbreding van het incidentenoverzicht. Het incidentenoverzicht zoals opgenomen in de RVK 2018 geeft voor het eerst – naast de registraties op en rond COA-locaties – een landelijk beeld van de geregistreerde incidenten, waarbij asielzoekers als verdachte bij de politie in de systemen voorkomen of als verdachte bij het OM instromen. De ontstane onduidelijkheid rondom deze nieuwe opzet van het incidentenoverzicht is voor mij wel aanleiding geweest opdracht te geven te bezien hoe de gewenste verbetering van de informatievoorziening aan uw Kamer kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening dat de nuance tussen een registratie als verdachte en een strafrechtelijke veroordeling essentieel is binnen onze rechtsstaat? Bent u bereid in de toekomst te waken dat deze nuance wel duidelijk wordt gemaakt?
Ik onderschrijf dat er een essentieel verschil is tussen een registratie als verdachte en een strafrechtelijke veroordeling. Zonder vooruit te lopen op hoe de informatievoorziening aan uw Kamer op dit punt vorm gegeven zal worden, zeg ik in algemene zin toe dat bij de presentatie van cijfers deze nuance zal worden benoemd.
Wordt deze casus geëvalueerd op het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en door wie?
In combinatie met antwoorden op vragen 1 t/m 10.
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 1 juli 2019 vindt op dit moment een evaluatie plaats van het proces van voorbereiding en besluitvorming dat heeft geleid tot incidentenoverzicht in de Rapportage Vreemdelingenketen 2018. Nadat deze evaluatie is afgerond zal ik uw Kamer informeren.
Welke lering trekt u uit deze kwestie?
Zie antwoord vraag 16.
In hoeverre heeft u het idee dat het programma JenV Verandert daadwerkelijk een succesvolle verandering in uw ministerie teweeg brengt en waaruit blijkt dat? Welke verbeterpunten ziet u? Hoe verhoudt uw antwoord zich tot deze kwestie?
In 2016 startte het ministerie met een ambitieus veranderprogramma dat ertoe moet leiden dat JenV een betrouwbare partner is en blijft in een veranderende samenleving. De afgelopen jaren is hier duidelijk voortgang mee geboekt. Voor een uitvoerige beschrijving daarvan verwijs ik naar de voortgangsrapportage over de verandering die als bijlage is gevoegd bij het jaarverslag van het Ministerie van JenV over 20185. Dat betekent niet dat we er al zijn, het blijft noodzakelijk om vol te blijven inzetten op openheid, transparantie en betrouwbaarheid van JenV en op de zes hoofddoelstellingen die daaruit voortvloeien:
Het ministerie informeert en communiceert meer, proactief en transparant, zodat politiek en samenleving vroegtijdig weten wat er speelt op het terrein van justitie en veiligheid;
Het ministerie is een continue lerende organisatie, zodat waar mogelijk verbeteringen in het werk worden aangebracht;
Het ministerie investeert in mensen en gedrag, zodat professionals ruimte kunnen nemen en aangesproken worden op resultaat;
Het ministerie heeft een lange termijn visie en strategie, zodat er een leidraad is op basis waarvan keuzes worden gemaakt;
Het ministerie zorgt voor regie en een sterk intern netwerk, zodat complexe maatschappelijke vraagstukken worden aangepakt over bestaande organisatieonderdelen en structuren heen;
Het ministerie werkt in nauwe verbinding met «buiten», zodat maatschappelijk resultaat wordt vergroot en snel kan worden ingespeeld op nieuwe maatschappelijke vragen
Ik heb er vertrouwen in dat dit continue verbeterproces zijn vruchten zal afwerpen.
Wat doet u teneinde ervoor te zorgen dat het programma JenV Verandert succesvol wordt uitgevoerd en de cultuur van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt verbeterd?
Zie antwoord vraag 18.
De VOG als verdienmodel |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sollicitant kan niet zelf vog aanvragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het verdienmodel van bedrijven dat het financieel dagblad beschrijft?
Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kan alleen aangevraagd worden door de sollicitant zelf. De werkgever of organisatie geeft bij Justis aan op welke gebieden de sollicitant moet worden gescreend. Er zijn bedrijven die werkgevers en organisaties behulpzaam kunnen zijn in dit proces en daarvoor een verdienmodel hanteren waarbij een hoger bedrag wordt gevraagd dan het digitale VOG-tarief van € 33,85 van Justis. Deze services kunnen de administratieve lasten voor werkgevers en organisaties verkleinen. Ik vind het niet bezwaarlijk dat deze diensten bestaan, maar wil er wel op wijzen dat het digitaal en direct aanvragen van een VOG bij Justis goedkoper is. Ik zal bekijken of de communicatie hieromtrent voldoende duidelijk is.
Waarom is het mogelijk dat bedrijven, anders dan de toekomstig werkgever van de sollicitant, een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kunnen aanvragen?
Bedrijven kunnen geen VOG Natuurlijke Personen aanvragen, alleen de sollicitant kan dit doen. Zie verder mijn antwoord op vraag 2.
Ziet u aanleiding het aanvraagproces aan te scherpen naar aanleiding van dit artikel? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ik streef ernaar om VOG-aanvragen op een zo doelmatig mogelijke wijze af te laten wikkelen. Justis heeft daarom voortdurend aandacht voor het optimaliseren van het werkproces. Zo wordt momenteel al onderzocht of de administratieve lasten voor de werkgever kunnen worden beperkt en op welke manier het invullen van VOG-aanvraagformulieren makkelijker en sneller kan. Het aanvragen van een VOG blijft desondanks altijd gepaard gaan met enige administratieve last.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Stop verplichte zoekperiode voor bijstand' |
|
Jasper van Dijk |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Stop verplichte zoekperiode voor bijstand»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Onderschrijft u de uitkomsten van het onderzoek van de Vrije Universiteit (VU) dat de zoekperiode voor jongeren met problemen een barrière vormt in de hulpverlening?
Van groot belang is dat de meeste jongeren gelukkig zelf hun weg te vinden naar school of werk, zeker nu de arbeidsmarkt goed is. Maar we zien ook dat dit voor een deel van de jongeren helaas niet geldt. Vaak zitten deze jongeren in een kwetsbare positie en lopen ze ook vast op andere leefgebieden, zoals wonen, gezondheid en financiën. Ik vind het belangrijk dat jongeren waar nodig adequate ondersteuning kunnen krijgen en niet tussen wal en schip belanden. Ik zie veel professionaliteit bij gemeenten om deze ondersteuning te bieden, ook als die vanuit verschillende domeinen nodig is. Dit neemt niet weg dat ik het signaal herken dat de zoekperiode onbedoeld tot gevolg kan hebben dat juist kwetsbare jongeren uit beeld raken en onvoldoende geholpen worden.
Gemeenten hebben verschillende, en steeds meer, manieren om jongeren in beeld te brengen en te houden. Zo kunnen gemeenten de situatie van een jongere in beeld brengen zodra de jongere zich meldt. Gemeenten mogen – zoals al eerder is gecommuniceerd, waaronder laatstelijk in het Gemeentenieuws van SZW 2018-22 – tijdens de vier weken zoekperiode arbeidsondersteuning bieden als de omstandigheden daar aanleiding toe geven.
Om te voorkomen dat jongeren uit beeld raken, wordt door gemeenten veel geïnvesteerd in de samenwerking met scholen. De Inspectie SZW concludeert op basis van een representatief onderzoek onder gemeenten en vso- en pro-scholen dat gemeenten schoolverlaters met een arbeidsbeperking afkomstig van de vso- en pro-scholen goed in beeld hebben. Bij de meeste gemeenten is er sprake van een warme overdracht van deze schoolverlaters van school naar gemeente.
Daarnaast heeft, in opdracht van het Rijk en op verzoek van gemeenten, het Inlichtingenbureau de tool «jongeren in beeld» ontwikkeld. Hiermee kan een gemeente maandelijks een rapportage ontvangen met gegevens van jongeren van 23 tot 27 jaar, zonder startkwalificatie, zonder onderwijsinschrijving, zonder werk en zonder uitkering. Vervolgens kan de gemeente deze jongeren begeleiding aanbieden bij het vinden van een baan waarbij werken en leren wordt gecombineerd. Tevens hebben gemeenten de mogelijkheid om samen te werken met informele organisaties, jongerenwerkers en andere sleutelfiguren in de wijk. Dergelijke organisaties en personen hebben een niet-professionele en niet-formele band met de jongeren. Juist hierdoor kunnen zij jongeren bereiken – en waar nodig op weg helpen – op een manier waarop de overheid of professionele organisaties dat vaak niet kunnen. Zij kunnen jongeren helpen bij het vinden van de juiste ondersteuning en het formuleren van de hulpvraag. Dat vraagt van gemeenten dat zij samenwerken met deze partners. In opdracht van het Ministerie van SZW is hierover een handreiking ontwikkeld voor gemeenten.
We blijven bezien hoe gegevensverzameling kan bijdragen aan passende ondersteuning van jongeren. Waarbij we uiteraard de behoefte aan inzicht steeds dienen af te wegen tegen het beoogde doel, met inachtneming van de regelgeving en het belang van privacy.
Herkent u de geluiden van hulpverleners en gemeenten dat de verplichte zoekperiode belemmerend werkt en problemen van jongeren verergert?
Zie antwoord vraag 2.
Onderkent u het risico dat probleemjongeren uit beeld verdwijnen door de verplichte zoekperiode? Onderschrijft u dat het onwenselijk is dat deze jongeren uit beeld verdwijnen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar mogelijkheden om jongeren met een arbeidsbeperking een uitzondering te geven op de verplichte zoekperiode?
In mijn brief van 27 december 20183 inzake het onderwerp «Simpel Switchen in de Participatieketen» heb ik aangegeven te onderzoeken of jongeren (tot 27 jaar) met een arbeidsbeperking uitgezonderd moeten worden van de vier weken zoekperiode die in de Participatiewet geldt. In mijn brief van 23 mei 20194 over de stand van zaken uitwerking «Breed Offensief» ben ik ingegaan op de mogelijkheid hiertoe. In dit kader heb ik de Kamer gemeld dat ik specifiek voor de jongeren die behoren tot de doelgroepen «loonkostensubsidie» en «medisch urenbeperkten», een uitzondering wil maken op de thans geldende vierwekenzoektermijn. Het voorstel hiervoor heb ik opgenomen in het conceptwetsvoorstel uitvoeren Breed Offensief dat ik voor uitvoeringstoets en internetconsultatie heb voorgelegd. De afbakening sluit aan bij het voorstel voor de vrijlating van arbeidsinkomen die specifiek voor deze groep in het wetsvoorstel is opgenomen. Na beoordeling van de uitgebrachte adviezen, behandeling in de MR en advisering door de Raad van State verwacht ik het wetsvoorstel uitvoeren Breed Offensief in de tweede helft van 2019 bij uw Kamer te kunnen indienen. Ik ga hierover graag met uw Kamer in debat.
Bent u bereid om ook voor andere jongeren met problemen een uitzondering of ontheffingsmogelijkheid te creëren?
Zie antwoord vraag 5.
De oprichting van een nieuwe motorclub vanuit de gevangenis |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nieuwe club vanuit bajes»?1
Ja.
Is het waar dat de in het bericht genoemde persoon vanuit detentie een nieuwe motorclub onder de naam de MC Hardliners heeft opgericht? Zo ja, hoe heeft de genoemde persoon die club kunnen oprichten? Welke handelingen of formaliteiten zijn daarvoor verricht? Wat is de juridische status van die club? Zo nee, wat is er niet waar?
De te verrichten formaliteiten zijn afhankelijk van de rechtsvorm. Voor de oprichting van bijvoorbeeld rechtspersonen zijn notariële akten vereist, terwijl bijvoorbeeld voor een vereniging een mondeling akkoord voldoende is. Waar het gaat om criminele motorclubs, de zogeheten «Outlaw Motorcycle Gangs» (OMG’s), zijn dit vaak informele verenigingen. Het is mij niet bekend dat er binnen de penitentiaire inrichting rechtshandelingen zijn gesignaleerd die de gedetineerde heeft verricht voor het oprichten van de motorclub. Uit navraag op 26 juni 2019 bij het handelsregister blijkt dat in het handelsregister in ieder geval geen inschrijving is gedaan onder de naam «Hardliners».
Over welke communicatiemiddelen beschikt of beschikte de genoemde persoon in detentie? Waren daarbij ook ongeoorloofde middelen en wat betrof het dan?
Een gedetineerde kan telefoneren via het DJI-systeem «Telefonie Voor Justitiabelen». Een gedetineerde kan voorts via het reguliere DJI-systeem Emate e-mails ontvangen, maar niet beantwoorden of verzenden. Verder kan de gedetineerde brieven schrijven en post ontvangen. Bij deze gedetineerde zijn herhaaldelijk celinspecties uitgevoerd. Bij deze inspecties is geen verboden communicatiemiddel of andere contrabande aangetroffen. Er is wel via de telefoon ongeoorloofd mediacontact geweest. Voor dit mediacontact had deze gedetineerde geen toestemming gevraagd of gekregen. In verband daarmee heeft de directeur de gedetineerde passend bestraft.
Is het toegestaan dat iemand vanuit detentie een nieuwe motorclub opricht? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het een gedetineerde toegestaan om een organisatie op te richten, zolang binnen de wettelijke kaders wordt gehandeld. Het uitgangspunt is dat gedetineerden enkel aan beperkingen mogen worden onderworpen indien dit voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting noodzakelijk is. Uiteraard is het niet toegestaan dat deze club strafbare feiten pleegt of dat met deze club een verboden organisatie wordt voortgezet.
Deelt u de mening dat een gedetineerde niet in staat zou moeten zijn om vanuit detentie een motorclub op te richten? Zo ja, hoe heeft het dan toch kunnen gebeuren en hoe gaat dit voortaan worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Uit welk politieonderzoek zou blijken dat het aantal motorclubs de laatste twee jaar gestegen is? Kunt u de desbetreffende cijfers aan de Kamer doen toekomen?
Het Landelijk Strategisch Overleg integrale aanpak OMG’s (LSO) stelt jaarlijks namens en samen met de daarin samenwerkende overheidsorganisaties een voortgangsrapportage over de «OMG-aanpak» op. De voortgangsrapportage over het jaar 2017 heb ik reeds aan de Kamer toegezonden. Hierin staat dat er begin 2017 ruim 1940 leden van OMG’s in beeld waren en dat dit een jaar later 1980 leden zijn geworden. Momenteel rondt het LSO de Voortgangsrapportage over 2018 af. Deze zal ik, wanneer ik hem ontvangen heb, aan de Kamer toezenden.
De noodzaak van de oeververbinding Krimpenerwaard |
|
Roy van Aalst (PVV) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kies voor oeververbinding Krimpenerwaard» van 27 mei 2019, waarin wordt opgeroepen om Zuid-Hollandse gemeenten met een extra oeververbinding beter bereikbaar te maken?1
Ja.
Deelt u de mening dat een extra oeververbinding zeer gewenst is om zo het drukke verkeer op de Van Brienenoordbrug te verminderen?
In het gebied is sprake van verschillende knelpunten en opgaven. De A16 Van Brienenoordcorridor is een NMCA-knelpunt. Ook is sprake van NMCA-knelpunten met betrekking tot het binnenstedelijk OV (metro en tram). Voorts is sprake van een forse woningbouwopgave. Tenslotte is het streven om de leefbaarheid te vergroten en de bereikbaarheid van banen te verbeteren («kansen voor mensen»).
In het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018 is geconstateerd dat een oostelijke oeververbinding (zowel oost als oost-oost) het NMCA-knelpunt A16 Van Brienenoordcorridor verlicht. Er is afgesproken om de MIRT-Verkenning te starten en medio 2019 de Startbeslissing te nemen, op basis van een eenduidige bestuurlijke voorkeur van de opdracht gevende partijen voor de locatie van de oeververbinding (oost dan wel oost-oost). Ook is afgesproken om tot medio 2019 verder te werken aan het invullen van het pakket van maatregelen voor de wegenknelpunten (Van Brienenoord- en Algeracorridor).
Een nieuwe oeververbinding is dus gewenst is om de A16 Van Brienenoordcorridor te ontlasten. Het oplossend vermogen zal afhangen van de invulling van het gehele pakket van maatregelen (Voorkeursbeslissing). Dit betreft vooral het aantal rijstroken op de nieuwe oeververbinding en aanvullende maatregelen voor het verder ontlasten van de A16 Van Brienenoordcorridor.
Bent u bereid om gehoor te geven aan deze wens en stappen te ondernemen die leiden tot de realisatie van deze nieuwe oeververbinding?
De nieuwe oeververbinding betreft regionale/lokale infrastructuur. De keuze voor een nieuwe oeververbinding in Rotterdam (oost, lokale infrastructuur) dan wel bij Ridderkerk-Krimpen (oost-oost, provinciale/regionale infrastructuur) is daarom aan de regio. Dat is ook zo afgesproken in het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018.
Welke middelen denkt u nog nodig te hebben voor de realisatie van deze nieuwe oeververbinding?
In het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018 is afgesproken, dat partijen (gemeente Rotterdam, Metropoolregio Rotterdam, Provincie Zuid-Holland en Ministerie van IenW) op basis van de resultaten van de MIRT-Verkenning afspraken zullen maken over de bekostiging van het Voorkeursalternatief.
De bekostiging vanuit IenW zal plaatsvinden op basis van de dan geldende spelregels van het Infrastructuurfonds of het Mobiliteitsfonds en op basis van het doelbereik van Voorkeursalternatief ten aanzien van de projectdoelstellingen. Ik heb EUR 200 mln. gereserveerd voor het aanpakken van het NMCA-knelpunt A16 Van Brienenoordcorridor in het wegenbudget Infrastructuurfonds. Ik zal op grond van de effecten van de nieuwe oeververbinding op dit NMCA-knelpunt bepalen welke bijdrage passend is.
Op dit moment voert Rijkswaterstaat de verkeersstudie A16 Van Brienenoordcorridor uit. In dit kader wordt gekeken naar aanvullende maatregelen ter ontlasting van de A16, zoals afgesproken in het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018. Maatregelen die passen binnen de MIRT-Verkenning oeververbinding regio Rotterdam kunnen nader worden uitgewerkt in het kader van de
MIRT-Verkenning. Over eventuele maatregelen ter ontlasting van de A16, die niet binnen de MIRT-Verkenning passen (bijvoorbeeld maatregelen op het HWN op trajecten buiten het studiegebied van de MIRT-Verkenning), zal separaat besluitvorming plaatsvinden.
De motivering van automatisch genomen besluiten |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «motivering van automatisch genomen besluiten» van Matthijs van Kempen?1
Ja, ik heb van het artikel kennisgenomen.
Wat vindt u van de bevindingen van Van Kempen dat de algoritmes die u in uw brief2 aanhaalt vaak helemaal geen één-op-één vertalingen zijn van wetgeving en beleidsregels, maar dat regelanalisten een ordening aanbrengen en andere ontwerpkeuzes maken die van invloed zijn op de uitkomst van een besluitvormingstraject? Deelt u het standpunt van Van Kempen dat de ordening die een regelanalist in beslisregels maakt, een «gemaakte keuze» is die conform de verscherpte motiveringseisen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gepubliceerd dient te worden? Zo nee, waarom niet? Hoe valt uw zienswijze dat algoritmen veelal een één-op-één vertaling van de regels in wet- en regelgeving zijn te rijmen met het standpunt van de Afdeling advisering van de Raad van State dat «regels in natuurlijke taal lang niet altijd één-op-één kunnen worden vertaald in een algoritme»?3
In mijn brief4 heb ik erop gewezen dat algoritmes in de vorm van eenvoudige beslisbomen door de overheid al enige tientallen jaren worden gebruikt en dat het hierbij veelal om simpele algoritmes lijkt te gaan die een één-op-één vertaling vormen van wetgeving en beleidsregels, die gepubliceerd zijn. Daarbij kan het gaan om algoritmes die de Belastingdienst gebruikt in haar digitale aangifteprogramma’s voor bijvoorbeeld de inkomstenbelasting of de Dienst Justis bij het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.5 Dat het veelal om dergelijke simpele algoritmes lijkt te gaan, is geen vastgesteld feit, maar een veronderstelling. Voor zover het algoritmes betreft die geen één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels zijn, maar nadere keuzes en aannames bevatten die van invloed zijn op (deels) geautomatiseerde besluitvorming, deel ik het standpunt van Van Kempen dat het om keuzes gaat die conform de verscherpte motiveringseisen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State «volledig, tijdig en adequaat» ter beschikking moeten worden gesteld. Daar zal elke individuele overheidsorganisatie rekening mee moeten houden.
Als het echter om algoritmes gaat die een één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen en ordening door een regelanalist daaraan niets toevoegt, zou openbaarmaking van de beslisregels van het algoritme, zoals ik ook in mijn brief heb verwoord, weinig tot niets aan de gewenste transparantie toevoegen. Het besluit kan dan worden gemotiveerd met een verwijzing naar de desbetreffende wetgeving en beleidsregels, zoals gebeurt bij een snelheidsboete met vermelding van de gemeten snelheid en een verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit de verkeerswetgeving en beleidsregels waaruit de snelheidsboete en de hoogte daarvan één op één voortvloeien. Openbaarmaking van de beslisregels die het CJIB in het volautomatische proces rond de oplegging van snelheidsboetes hanteert, zou hieraan weinig toevoegen.
Deelt u de mening dat het van belang is voor de informatiepositie van burgers dat zij weet kunnen hebben van de verbanden tussen beslisregels onderling en tussen beslisregels en gegevens en uitkomsten, omdat dan duidelijk wordt welke gegevens in een beslisregel zijn gebruikt en tot welke uitkomst dit heeft geleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik, voor zover het om algoritmes gaat waarbij nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen.
Op welke wijze is uw standpunt dat openbaarmaking van beslisregels niets toevoegen aan transparantie in lijn met de bevindingen van de afdeling Advisering van de Raad van State dat het voor burgers van belang is om na te gaan welke beslisregels zijn toegepast en of beslisregels ook werkelijk doen waarvoor ze bedoeld zijn? Wat staat aan onmiddellijke openbaarmaking van beslisregels in de weg, zoals door Van Kempen beschreven, in geheel automatisch genomen besluiten met een individuele burger als belanghebbende?
Uit de antwoorden op de voorgaande vragen blijkt dat ik openbaarmaking van beslisregels niets aan transparantie vind toevoegen, als deze een één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen. Openbaarmaking is wel op haar plaats, als nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen. Ik acht dat standpunt in lijn met de bevindingen van de afdeling Advisering van de Raad van State dat het voor burgers van belang is om na te gaan welke beslisregels zijn toegepast. Dat belang is echter afwezig, als burgers de beslissing al uit wetgeving of beleidsregels kunnen afleiden. Dat beslisregels ook werkelijk doen waarvoor ze bedoeld zijn, is vooral een kwestie die controle vergt, bijvoorbeeld door auditing.
Aan onmiddellijke openbaarmaking van beslisregels die één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen, staat in de weg dat dit onnodig uitvoeringslasten meebrengt. Het besluit is dan immers direct uit die wetgeving en eventueel beleidsregels af te leiden, zodat de motivering van het besluit daarop kan worden gebaseerd.
Deelt u de mening dat het beter motiveren van (deels) geautomatiseerde besluitvorming kansen biedt om herzieningen, bezwaar en beroep effectiever te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, vooral met het oog op beslisregels waarbij nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Bescherming persoonsgegevens op 13 juni 2019?
Ja.