Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
Het bericht dat groente- en fruittelers in de knel komen door aangescherpte regels rond het T-rijbewijs voor buitenlandse werknemers |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat groente- en fruittelers in de knel komen door aangescherpte regels rond het T-rijbewijs voor buitenlandse werknemers?1
Ja.
Klopt het dat buitenlandse werknemers met een geldig T-rijbewijs uit bijvoorbeeld Polen of Roemenië niet langer met landbouwvoertuigen de openbare weg op mogen in Nederland?
T-rijbewijzen uit Polen of Roemenië zijn nooit geldig geweest in Nederland. Waarschijnlijk doelt het artikel op het aflopen van de tienjarige overgangsperiode die in 2015 was ingegaan bij de invoering van het T-rijbewijs in Nederland. In deze overgangsperiode was het nog tijdelijk toegestaan om met een ouder B-rijbewijs uit de EU – afgegeven voor 1 juli 2015 – landbouwvoertuigen te besturen. Voor 1 juli 2015 was er geen rijbewijs vereist voor het besturen van een landbouwvoertuig.
Deelt u de zorg dat deze regels leiden tot personeelstekorten tijdens cruciale zaai- en oogstperiodes, met directe gevolgen voor de voedselproductie?
Er loopt overleg met landbouworganisaties waarin gezamenlijk wordt gekeken naar de omvang van dit probleem. Het is in de eerste plaats aan de landbouwsector om binnen de kaders van de regelgeving te zorgen voor voldoende gekwalificeerd personeel. De tienjarige invoeringsperiode die hierboven is genoemd was juist bedoeld om de effecten van de invoering van het T-rijbewijs voor bedrijven en burgers te verzachten, zodat die zich goed konden voorbereiden op de nieuwe situatie. Vanuit het belang voor de verkeersveiligheid is er in 2015 voor gekozen dat na deze overgangsperiode, dus vanaf 1 juli 2025, het niet meer toegestaan is om met een Nederlands of buitenlands B-rijbewijs in Nederland een landbouwvoertuig te besturen. Een landbouwvoertuig dat met rijbewijscategorie T kan worden bestuurd kan namelijk een heel zwaar voertuig zijn met een of meerdere zwaarbeladen aanhangers.
Wetende dat door Europese regelgeving buitenlandse werknemers pas een Nederlands T-rijbewijs kunnen halen na minimaal 185 dagen verblijf in Nederland, acht u dit een realistische oplossing voor seizoensarbeid?
Het is correct dat het T-rijbewijs pas na 185 dagen verblijf in Nederland kan worden bijgeschreven. Dit heeft te maken met de aansluiting bij de EU-rijbewijsregels die bepalen dat een rijbewijs pas mag worden afgegeven als iemand een duurzame binding met Nederland heeft. De rijopleiding en het examentraject bij het CBR kunnen al eerder worden gestart.
Daarnaast kan er vermeld worden dat er bij de invoering van het T-rijbewijs in 2015 is bepaald dat het C-rijbewijs (voor vrachtwagens) gelijkwaardig is aan het T-rijbewijs. Dit kan ook een buitenlands C-rijbewijs zijn, dat de betrokken seizoenarbeiders in het land waar ze woonachtig zijn kunnen behalen. Ook is hier nog relevant dat de rijbewijsplicht niet geldt buiten de openbare weg, zoals op akkers, in boomgaarden en in kassen.
Hoe weegt u het argument van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en de RDW dat erkenning te complex en kostbaar zou zijn, tegen de praktische problemen en economische schade voor de landbouwsector?
Het CBR en de RDW hebben als betrokken uitvoeringsorganisaties een goed zicht op de (on)mogelijkheden en de risico’s van het erkennen van T-rijbewijzen uit andere EU-landen. Er is inmiddels ervaring opgedaan met de erkenning van Duitse en Belgische T-rijbewijzen, die per 1 juli 2025 van kracht is geworden. Deze ervaring heeft geleerd dat dit kostbare en langdurige trajecten zijn. Daar komt bij dat in het geval van België en Duitsland de exameneisen dicht bij de Nederlandse eisen lagen, de informatie hierover goed te vinden was en de taalverschillen overkomelijk waren. Voor landen als Polen, Bulgarije en Roemenië is dit mogelijk anders. Bovendien was voor België en Duitsland het frequente grensverkeer van landbouwvoertuigen een belangrijke economische onderbouwing om dit instrument in te zetten. Bij de andere EU-landen speelt dit niet.
Hoe verhoudt de keuze om buitenlandse werknemers met een T-rijbewijs te weren van Nederlandse wegen zich met de realiteit van een Europese interne markt?
Er is geen sprake van het «weren» van buitenlandse werknemers. Er is in Europa bewust voor gekozen om geen Europees T-rijbewijs in te voeren en het aan lidstaten zelf te laten om een nationaal T-rijbewijs in te voeren. Dat is de achtergrond van de vele verschillen tussen de EU-landen op dit vlak. Het uitgangspunt bij de invoering van het T-rijbewijs in 2015 in Nederland was dat iedere bestuurder van een landbouwvoertuig heeft aangetoond aan een minimale set rijvaardigheidseisen en theoriekennis te voldoen. Dit zijn nationale eisen die Nederland vanuit de verkeersveiligheid stelt. Het versoepelen van de rijbewijsplicht voor buitenlandse werknemers zou juist in Nederland woonachtige werknemers, die wel een T-rijbewijs moeten halen, benadelen als zij actief willen zijn op deze arbeidsmarkt.
Kan u uitleggen waarom deze beslissing hier wel noodzakelijk wordt geacht en in buurlanden niet?
Het is onduidelijk welke regels er precies voor buitenlandse werknemers gelden in de buurlanden, maar in ieder geval is tijdens het erkenningentraject met België duidelijk geworden dat België helemaal geen rijbewijs eist voor niet-ingezetenen die een landbouwvoertuig besturen. In Nederland is daar in onze wetgeving rond het T-rijbewijs – die aansluit bij de algemene regels voor de rijbewijsplicht – niet voor gekozen. Een dergelijke vrijstelling staat ook op gespannen voet met het Nederlandse beleid ten aanzien van de verkeersveiligheid. Het instrument van de erkenning, waarbij de buitenlandse eisen voor het T-rijbewijs worden onderzocht aan de hand van de exameneisen, is de enige weg die volgens de wetgeving openstaat.
Bent u bereid om op korte termijn te komen met een tijdelijke ontheffing of overgangsregeling voor arbeidsmigranten, bijvoorbeeld gekoppeld aan seizoenswerk of een aanvullende cursus, zoals voorgesteld in het artikel?
Zie het antwoord op vraag 7. Zoals in antwoord 3 gemeld vindt er overleg plaats met de landbouworganisaties over de omvang van het probleem. Eventuele aanvullende maatregelen worden daarbij beoordeeld aan de hand van de mogelijkheden in de wetgeving rond het T-rijbewijs, een verantwoorde en proportionele besteding van middelen, een gelijk speelveld voor alle bedrijven en bestuurders van landbouwvoertuigen in Nederland en het bestaan van geschikte alternatieven voor buitenlandse werknemers, zoals genoemd bij vraag 4. Deze afweging vindt uiteraard plaats tegen het hoofddoel van de rijbewijsregels: het waarborgen van de verkeersveiligheid. Er vielen in de periode 2014–2023 in Nederland gemiddeld 13 doden per jaar bij ongevallen waarbij landbouwvoertuigen waren betrokken. In bijna 90% van de gevallen betrof dit de tegenpartij van het landbouwvoertuig (bron: SWOV-factsheet landbouwverkeer).
Erkent u dat dit wederom een voorbeeld is van nationale koppen op Europese regels die de Nederlandse landbouw onnodig op achterstand zetten, en bent u bereid deze praktijk te beëindigen?
Er bestaan geen Europese regels voor T-rijbewijzen. De bevoegdheid op dit gebied ligt geheel bij de lidstaten. Er is dus geen sprake van een nationale kop.
De toezegging inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen over in Nederland veroordeelde Pakistanen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw gedane toezegging tijdens het debat over de regeringsverklaring van 25 februari 2026, dat u de Kamer zou informeren over of én welke stappen Nederland heeft gezet om de gerechtelijke vonnissen, waaronder die zijn opgenomen onder ECLI:NL:RBDHA:2023:13579, ECLI:NL:RBDHA:2024:14348 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14347, waarin een aantal Pakistanen zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven gericht tegen ondergetekende waaronder het uitvaardigen van fatwa’s door imams om mij te vermoorden, ten uitvoer te leggen én of de desbetreffende veroordeelden aan Nederland uitgeleverd te krijgen?
Wij kunnen bevestigen dat de Minister-President bij het debat over de regeringsverklaring op 25 februari jl. heeft toegezegd zich ertoe te zullen inspannen om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.
Kunt u de Kamer op korte termijn op de hoogte stellen van alle concrete stappen de regering sinds voornoemde vonnissen heeft genomen om de onherroepelijk veroordeelde Pakistanen hun straf te laten uitzitten respectievelijk aan Nederland te laten uitleveren? Welke stappen heeft de regering inmiddels genomen om de veroordelingen effectief ten uitvoer te leggen? Welke stappen bent u nog voornemens te nemen?
Nederland heeft Pakistan eind 2024 formeel verzocht om de uitlevering van diverse in Nederland veroordeelde personen. Het is aan Pakistan om op de uitleveringsverzoeken te reageren. We kunnen uw Kamer verzekeren dat Nederland de uitleveringsverzoeken met grote regelmaat op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij de Pakistaanse autoriteiten.
Over welke inspanningen precies zijn gepleegd, doen wij gezien de vertrouwelijke aard van het diplomatieke verkeer met buitenlandse autoriteiten, geen verdere uitspraken. Dit kan de internationale strafrechtelijke samenwerking met andere landen en het land in kwestie, zowel in het algemeen als met betrekking tot deze specifieke zaken, belemmeren.
Bij brief van 2 september 2024 is geschetst welke inspanningen worden geleverd in geval van rechtshulp- en uitleveringsverzoeken.1 Daarnaast wordt ingegaan op de diplomatieke inzet van het kabinet indien landen niet meewerken aan de opsporing, vervolging of berechting van personen die verdacht worden van, of veroordeeld zijn voor, het bedreigen van politieke ambtsdragers.
Nederland zal niet schuwen om te blijven aandringen op uitvoering. Het belang dat Nederland aan deze verzoeken hecht wordt duidelijk overgebracht en er kan aan de zijde van Pakistan geen misverstand bestaan over de noodzaak van een adequate opvolging van de Nederlandse verzoeken.
Deelt u nog steeds de mening dat het onaanvaardbaar is als personen, waaronder imams, die zijn veroordeeld door een Nederlandse rechtbank vanwege het uitbrengen van een of meerdere fatwa’s waarin moslims wordt opgeroepen mij te vermoorden, hun straf niet hoeven uit te zitten omdat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken?
We zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Het kabinet spant zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen. Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus veelvuldig en nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Welke politieke en diplomatieke stappen bent u bereid te nemen tegen Pakistan als dat land blijft weigeren mee te werken aan het effectueren van het vonnis van de Nederlandse rechtbank? Bent u bereid sancties te overwegen? Zo ja welke, zo neen waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Minister Vijlbrief: ‘Korter wachtgeld voor politici kunnen we over nadenken’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw uitspraak dat er gekeken moet worden naar een kortere wachtgeldperiode voor Ministers?1
Ja.
Deelt u de mening dat het oneerlijk is wanneer het kabinet niet tornt aan de eigen wachtgeldregeling, maar wel tornt aan de Werkloosheidswet (WW-)duur?
Zoals ik heb aangegeven valt er iets voor te zeggen om in het proces rondom de Werkloosheidswet (WW) ook te kijken naar de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (Appa, zoals de uitkeringsregeling bij ontslag voor politieke ambtsdragers formeel heet) en dat ik de reacties begrijp.
De Appa valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK). De rechtsposities van politieke ambtsdragers en werknemers zijn op wezenlijke onderdelen verschillend. Dat heeft te maken met de zogenaamde vertrouwensregel, op basis waarvan politieke ambtsdragers op elk moment moeten kunnen aftreden. Een eventuele aanpassing van de Appa conform de WW is dan ook geen automatisme. Ik ga hierover graag in gesprek binnen het kabinet.
Bent u hierover in gesprek getreden binnen het kabinet? Zo ja, welke stappen heeft u genomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven ben ik voornemens hierover het gesprek aan te gaan.
Welke opvolging gaat u verder geven aan deze uitspraak?
Ik ga hierover in gesprek binnen het kabinet.
Welke stappen vanuit het kabinet kan de Kamer verwachten om de wachtgeldregeling te verkorten?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 naar voren heb gebracht, is een eventuele aanpassing van de Appa geen automatisme. Er zijn wezenlijke verschillen tussen WW en Appa. Ik heb aangegeven dat er iets voor te zeggen is om in het proces rondom de WW ook te kijken naar de Appa, maar dan nog moeten beide regelingen in hun geheel worden beoordeeld. Zoals aangegeven ben ik voornemens om hierover het gesprek aan te gaan.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Flitsbezoek minister Yesilgöz aan marinefregat Evertsen kostte 92.997 euro' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van RTL Nieuws waarin staat dat het bezoek aan de Evertsen bijna een ton heeft gekost?1
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen om mijn steun en waardering te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Hoe verantwoordt u deze uitgave terwijl dit kabinet tegelijkertijd bezuinigt op zorg en sociale zekerheid en er geen geld beschikbaar is om mensen te helpen de energierekening te betalen?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Dat geldt uiteraard ook bij het maken van reizen. Reiskosten zijn altijd een factor die wordt meegewogen bij de planning van reizen en het kiezen van reisopties. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als dit, waarbij de betrokken militairen plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernst-inzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie.
Wat hebben deze uitgave en dit bezoek anders opgeleverd dan een filmpje voor Defensie?
Onze vrijheid en veiligheid zijn niet vrijblijvend. Onze militairen weten dat als geen ander en zetten zich hier dagelijks voor in, met alle risico’s die daarmee gemoeid gaan. Ik vond het essentieel de bemanning van Zr. Ms. Evertsen een hart onder de riem te steken voor het belangrijke werk dat zij op zich nemen tijdens deze missie.
Deelt u de mening dat er andere keuzes met dit geld gemaakt hadden kunnen worden waar mensen in Nederland wel wat aan zouden hebben gehad?
Zie het antwoord op vraag 2.
Vindt u het maken van filmpjes de beste besteding van uw tijd?
Het werk van onze militairen zichtbaar en transparant maken is een belangrijk onderdeel van het communicatiebeleid van Defensie, waar ik als Minister van Defensie een belangrijke rol in heb te spelen. Dat communicatiebeleid is er op gericht inzicht te bieden in het werk van Defensie. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van kanalen en middelen die goed aansluiten bij onze doelgroepen, zoals video’s. Het troepenbezoek, met als doel samen met de verantwoordelijk commandanten persoonlijk de steun en waardering van het kabinet en de Kamer aan de bemanning over te brengen, is een uitstekende gelegenheid om het belangrijke werk van onze mensen onder de aandacht te brengen. Tot slot is deze communicatie van belang om het draagvlak in de samenleving voor onze activiteiten te behouden en verder te vergroten.
Deelt u de mening dat dit soort keuzes niet bijdragen aan het vertrouwen in de politiek? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Ik ben van mening dat het cruciaal was om als Minister van Defensie, samen met de verantwoordelijk commandanten, zo snel mogelijk af te reizen om dank en steun uit te spreken richting de bemanning van Zr. Ms. Evertsen. Een bezoek brengen aan een lopende missie is, zowel in Nederland als in internationale context, een gangbare manier om dank en steun uit te spreken en daarmee een belangrijk onderdeel van mijn werk als Minister.
Bent u bekend met het bericht «Huisartsenpost Rotterdam verheerlijkt bombardement op Israëlische burgers: «Het is jullie tijd om te bloeden»»?1
Ja. Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een huisartsenpraktijk met een groot videoscherm op de gevel bombardementen op Israëlische burgers verheerlijkt? Zo ja, hoe gaat u daar tegen op treden? Zo nee, waarom niet?
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Diverse instanties hebben een rol in opsporings- of toezichtsonderzoek. Allereerst is er een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is. Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Tot slot is ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Bent u van mening dat deze arts zich hiermee aan de gedragscode voor artsen houdt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties heeft dit?
De gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.3 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk.
Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden maakt daarvan deel uit.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Meer genitale verminking door migratie: Nederlandse cijfers vrouwenbesnijdenis stijgen’ |
|
Bente Becker (VVD), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke concrete stappen zijn er sinds het WODC-rapport «over grenzen» gezet om slachtoffers van genitale verminking beter in beleid te krijgen én beter te beschermen?1
Wat is de stand van zaken van het toegezegde voorstel voor een beschermingsmaatregel in de vorm van een uitreisverbod bij een verdenking van genitale verminking? Wanneer wordt een voorstel hiertoe naar de Kamer gestuurd?
Hoe verklaart u dat sinds het strafbaar stellen van vrouwenbesnijdenis in Nederland er nog nooit een strafzaak heeft plaatsgevonden? Welke maatregelen neemt u om de opsporing en strafrechtelijke aanpak van genitale verminking te versterken?
Hoe beoordeelt u de signalen dat slachtoffers moeilijk hulp kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat zij de taal niet kennen of in een asielzoekerscentrum verblijven? Welke maatregelen neemt u om op korte termijn de toegang tot zorg voor deze groep te verbeteren?
Welke stappen zet u om de kennis in het onderwijs en bij zorgverleners, met name bij huisartsen, te vergroten? Hoe wordt daarbij ook de handelingsverlegenheid binnen deze groep wordt weggenomen?
Kunt u de Kamer periodiek blijven informeren over de voortgang van de aanpak van genitale verminking?
Wat is de voortgang van de verbeterinitiatieven die zijn genomen voor en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) om de indicatoren voor het onderkennen van een risico op vrouwelijke genitale verminking?
Heeft u de mogelijkheden met Schiphol geïnventariseerd om samen op te trekken in campagnes tegen vrouwelijke genitale verminking?
Hoe staat het met de verkenning vanuit SZW, VWS, JenV, OCW en AenM met partijen in het veld zoals toegezegd in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Becker op 22 mei 2025?
Bent u bereid te kijken of en hoe het aanbevelen van genitale verminking strafbaar kan worden gesteld, dan wel beter kan worden vervolgd onder het huidige strafrecht?
De nieuwe Archiefwet die naar verluidt met het huidige stelsel niet uitvoerbaar is |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de zinvolheid van het streven om de Archiefwet 1995 te actualiseren staat of valt met de uitvoerbaarheid ervan?
Ja. Het feit dat de huidige Archiefwet 1995 steeds minder goed uitvoerbaar wordt, is één van de belangrijkste redenen voor de modernisering. Waar de huidige Archiefwet 1995 nog gebaseerd is op de oude werkelijkheid van een papieren archief, biedt het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. betere kaders voor goed digitaal informatiebeheer en digitale archivering. Dit is nodig om overheidsinformatie duurzaam digitaal te beheren vanaf creatie. De vormgeving van de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving maakt het daarbij gemakkelijker om de wet- en regelgeving aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er bij de nieuwe Archiefwet sprake is van een fundamentele mismatch tussen wet, digitale werkelijkheid en bestuurlijke keuzes, die deze onuitvoerbaar maakt?1
Ik deel deze constatering niet. Het artikel waarnaar verwezen wordt, richt zich met name op waardering en selectie van overheidsinformatie. Het stelt dat het huidige selectiestelsel is gebaseerd op procesmatige lijsten en handmatige beoordeling, ontwikkeld in een papieren tijdperk, terwijl deze werkwijze in een digitale omgeving niet vol te houden is, omdat informatieproductie daarin continu en grootschalig is. De waardering en selectie van overheidsinformatie is echter bij uitstek een onderwerp waarvoor met de Archiefwet 20.. en het daarmee gepaard gaande beleid een andere koers wordt ingezet.2 De Archiefwet 20.. staat vereenvoudiging van categorieën bij de waardering van documenten expliciet toe, en biedt daarmee ruimte voor waardering volgens andere methodieken dan de klassieke procesmatige waardering. De Archiefwet 20.. biedt daarmee onder andere ruimte voor de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit 20.. de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Het uitgangspunt blijft hierbij wel dat vernietiging van overheidsdocumenten alleen kan op basis van een geldig selectiebesluit. Dit verzekert dat de keuze hoelang documenten worden bewaard bewust én verantwoord wordt genomen.
Hoe houdt uw nieuwe Archiefwet ermee rekening dat de hoeveelheid overheidsinformatie explosief groeit, met e-mails, chatberichten, samenwerkingsdossiers en datasets, maar tegelijkertijd de informatie beter moet worden beheerd dan ooit tevoren, met de naar tien jaar verkorte overbrengingstermijn van de nieuwe Archiefwet, de hogere eisen van digitale duurzaamheid, de Wet open overheid (Woo), die om snelle vindbaarheid vraagt en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die verplicht tot tijdige vernietiging?
De nieuwe Archiefwet draagt bij aan een oplossing voor het probleem van de groei van vastgelegde informatie door een helder juridisch kader te bieden voor het beheer van documenten door overheidsorganen, het vastleggen van bewaartermijnen, en voor de openbaarheid van documenten na overbrenging naar een archiefdienst. Ook de verkorting van de overbrengingstermijn helpt daarbij. Goed beheer van documenten is een voorwaarde om aan de Wet open overheid te kunnen voldoen. In de nieuwe Archiefwet wordt benadrukt dat beheer van digitale documenten voortdurende zorg vereist. Hierbij mogen overheidsorganen op basis van een risicobenadering keuzes maken in de benodigde beheermaatregelen voor verschillende documenten die zij beheren.
Tegelijkertijd is het van belang dat documenten tijdig worden gewaardeerd en op tijd worden vernietigd als dat moet, op basis van een geldend selectiebesluit. Door de Archiefwet aldus juist toe te passen, kan ook worden voldaan aan de eisen van de AVG.
Hoe verklaart u de achterstanden, versnipperde opslag en gebrekkige metadata, die leiden tot vertraging bij Woo-verzoeken en persoonsgegevens die soms langer bewaard blijven dan toegestaan?
Er zijn diverse factoren die de achterstanden in de informatiehuishouding hebben veroorzaakt. De hoeveelheid en diversiteit van digitale informatie is de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Er is in het verleden onvoldoende tijd, geld en aandacht geweest voor het in huis hebben van specialistische kennis en het informatiebewustzijn van medewerkers. De sturing was onvoldoende, het informatie- en applicatielandschap is complex en er zijn diverse aanscherpingen geweest op het gebied van privacy en beveiliging.
Het rijksbrede programma Open Overheid werkt sinds 2021 aan de verbetering van de informatiehuishouding en het voldoen aan de wettelijke eisen voor openbaarmaking (Wet open overheid). Sinds 2021 wordt jaarlijks de groei in volwassenheid van de informatiehuishouding gemeten. Op een schaal van 1 tot 4, met de ambitie om in 2026 rijksbreed minimaal niveau 3 te bereiken, laat de meest recente meting over 2025 zien dat een gemiddeld niveau van 2,6 is bereikt.
De verbeteroperatie is langdurig en verloopt stapsgewijs, met grote aandacht voor de structurele borging van verbeteringen in het stelsel. De verbeteroperatie is gericht op meer menskracht, betere kennis, verbetering van werkprocessen, adequate ICT-systemen en versterkte sturing.
Departementen en hun organisaties hebben zich in het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding 2026–20303 ertoe verplicht om, indien dit nog niet het geval is, minimaal volwassenheidsniveau 3 te realiseren. De voortgang wordt gevolgd via metingen die openbaar worden gemaakt via een rijksbreed dashboard.
Hoe beoordeelt u de afhankelijkheid van buitenlandse technologie, bij opslag en verwerking van overheidsinformatie in cloudomgevingen van internationale aanbieders, mede in het licht van de Amerikaanse CLOUD Act?
Met de modernisering van de Archiefwet worden ook het Archiefbesluit (een algemene maatregel van bestuur) en de Archiefregeling (een ministeriële regeling) vernieuwd. In deze lagere regelgeving, die onderdelen van het wetsvoorstel uitwerkt, worden onder andere nadere eisen gesteld aan duurzame toegankelijkheid, bestandsformaten en metadata. De concept-Archiefregeling 20.. bevat, mede vanwege recente ontwikkelingen rond digitale autonomie, een bepaling op grond waarvan de opslag en verwerking van documenten moet plaatsvinden binnen het grondgebied van de Europese Unie, in landen binnen de Europese Economische Ruimte, of binnen landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, tenzij het verantwoordelijk overheidsorgaan vanwege zijn taak op grond van internationale verdragen hiervan moet afwijken. In een tijd waarin archieven bijna uitsluitend analoog waren, reproductietechnieken zich beperkten tot microfiche en -film lag het voor de hand archieven dichtbij te bewaren en was een dergelijke bepaling niet nodig. Door de digitalisering is dit veranderd.
De concept-Archiefregeling 20.. geeft hiermee richting en biedt nadrukkelijk ook de ruimte voor overheden om een strikter beleid te voeren. Daarnaast werkt het Ministerie van BZK momenteel aan een herziening van het cloudbeleid waarin de vereisten verder worden aangescherpt voor de rijksoverheid.
Wat betreft de Verenigde Staten gebruikt de Nederlandse overheid het EU-US Data Privacy Framework (DPF) (sinds 10 juli 2023) als wettelijke basis voor het veilig doorgeven van persoonsgegevens naar gecertificeerde Amerikaanse organisaties. Voor een nadere toelichting op doorgifte op basis van het EU-US Data Privacy Framework verwijs ik gaarne naar de Kamerbrief d.d. 17 maart 2025 van de Staatssecretaris van BZK.4
Vormen standaardisatie, uniforme metadata en vergaande automatisering bij informatiebeheer geen voorwaarde voor een realistische naleving van de nieuwe Archiefwet?
Ja. Wat betreft standaardisatie en gebruik van uniforme metadata is om die reden in het wetsvoorstel de bevoegdheid opgenomen voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om normen vast te stellen die de eenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten bevorderen. Deze normen zijn een aanvulling op de nadere regels in het concept-Archiefbesluit en de concept-Archiefregeling. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd aan de rijksarchivaris. De vaststelling van deze normen gebeurt in overeenstemming met de Minister van BZK5, en ook de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed wordt hierbij betrokken. Daarnaast ontwikkelen CIO-Rijk en het Nationaal Archief instructies en handreikingen. De normen, instructies en handreikingen komen tot stand met de benodigde expertise en bieden richting aan de uitvoering van de Archiefwet.
Wat betreft de automatisering van het informatiebeheer geldt het uitgangspunt dat overheidsorganen zelf verantwoordelijk zijn voor het goed beheren van hun documenten. Hierbij wordt steeds meer geautomatiseerd om de uitdagingen in het digitale informatiebeheer het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door te werken aan automatische emailclassificatie. Hetzelfde geldt voor archiefdiensten die bijvoorbeeld werken aan het automatiseren van het maken van indexen die fungeren als toegang op overgebracht archief die het handmatig en tijdsintensief inventariseren en schrijven van deze indexen kan vervangen.6
Bent u bereid om informatiebeheer onderdeel te maken van digitale systemen zelf, met vereenvoudigde categorieën, verplichte standaarden en automatische toepassing van bewaartermijnen en tegelijkertijd expliciete keuzes maken over digitale soevereiniteit en de mate van afhankelijkheid van externe infrastructuur voor de meest kritieke informatie? Zo ja, hoe gaat u dit gestalte geven? Zo nee, waarom niet?
Deels. Zoals ik eerder bij antwoord 6 aangaf zijn overheidsorganen zelf verantwoordelijk voor het goed beheren van hun documenten. De eisen uit de nieuwe Archiefwet verplichten overheidsorganisaties echter wel om informatiebeheer onderdeel te maken van hun digitale systemen. De toezichthouders zien vervolgens toe op naleving. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed werkt momenteel aan een herziening van haar sanctiebeleid om onder andere de op basis van de nieuwe Archiefwet te introduceren bestuurlijke boete daarin op te nemen. Ook introduceert de nieuwe Archiefwet een verplichting om incidenten te melden bij de Inspectie.
Ik ondersteun de uitvoering van de Archiefwet door de vernieuwingen wat betreft waardering en selectie een speerpunt te maken bij de implementatie van de nieuwe Archiefwet. Zo is de nieuwe Archiefwet beter toegerust op waardering volgens de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Voor de vragen over digitale soevereiniteit verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Tot slot hecht ik er aan te benadrukken dat met het invoeren van het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. niet alle problemen in de informatiehuishouding bij de overheid zullen zijn opgelost. Dat vraagt langdurige inzet zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 uiteengezet heb en zoals ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht.7 De nieuwe Archiefwet is daarbij wel een significante stap in de goede richting die op korte termijn gezet kan worden.
De kosten van het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat u gebruik heeft gemaakt van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor uw bezoek aan de Zr. Ms. Evertsen?1
Ja, er is gebruik gemaakt van een gecharterd vliegtuig.
Wanneer is het besluit genomen om dit bezoek op de betreffende datum te laten plaatsvinden?
In de dagen in aanloop naar dit bezoek is dit besluit genomen.
Is bij de planning van dit bezoek meegewogen terughoudend te zijn in verband met de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart?
De aanvang van de inzet van Zr. Ms. Evertsen en haar bemanning is leidend geweest bij de planning van dit bezoek.
Is overwogen het bezoek op een ander moment te plannen, zodat gebruik kon worden gemaakt van de Gulfstream, het regeringsvliegtuig of een lijnvlucht? Zo nee, waarom niet?
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Was er sprake van een operationele noodzaak die verhinderde dat het bezoek naar een datum werd verplaatst waarop het regeringsvliegtuig, de Gulfstream of een lijnvlucht beschikbaar was?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die, vanuit een oefening, naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen om mijn waardering en steun te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Waarom moest het bezoek binnen één dag plaatsvinden? Was het mogelijk geweest om het bezoek te spreiden of te combineren, waardoor gebruik van een lijnvlucht wel tot de mogelijkheden zou hebben behoord?
Bezoeken aan troepen worden kort gehouden om de inzet niet nodeloos te verstoren.
Kunt u de samenstelling van de delegatie nader specificeren en motiveren?
Onderdeel van de delegatie waren ikzelf als Minister, de commandant van het Commando Zeestrijdkrachten, de commandant van het Joint Force Command, twee adjudanten, een woordvoerder en een cameraman (en noodzakelijke beveiliging).
Heeft de prijs per persoon (€ 10.333) voor deze privévlucht een rol gespeeld bij het vaststellen van de omvang en samenstelling van de delegatie? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, op basis van welke criteria is de delegatie vastgesteld?
Nee. De delegatie is samengesteld zoals dat gebruikelijk is, waarbij gekeken wordt naar wie vanuit zijn/haar functie een toegevoegde waarde heeft bij het bezoek. Op basis daarvan wordt er bij de planning van reizen uiteraard rekening gehouden met de noodzakelijk omvang van de delegatie en de daarmee gemoeide kosten.
Zijn er eerder vergelijkbaar hoge kosten gemaakt voor het vervoer van een bewindspersoon naar uitgezonden Nederlandse militairen?
Een dergelijk bezoek en het incidenteel moeten aanwenden van een privétoestel is niet uniek voor bewindspersonen met een portefeuille die ook betrekking heeft op zaken buiten de landsgrenzen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het maken van vergelijkingen tussen verschillende reizen complex is, zeker waar het reizen naar inzetgebieden betreft die gekenmerkt worden door specifieke operationele en veiligheidsomstandigheden.
Deelt u de opvatting dat bij dienstreizen met publieke middelen altijd de meest doelmatige en soberste reismogelijkheid gekozen moet worden? Voldoet het gebruik van een privévlucht ter waarde van € 92.997 voor een eendaags bezoek van enkele uren volgens u aan deze criteria?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als dit, waarbij de betrokken militairen plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernstinzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe bent u ambtelijk geadviseerd over onder andere de timing en de kosten van dit bezoek?
Zoals gebruikelijk is bij het plannen van reizen ben ik ambtelijk geadviseerd over mogelijkheden, waarbij de timing een van de aspecten is. Over de kosten ben ik vooraf niet geïnformeerd. Daar is een afweging gehanteerd passend bij een departement dat genoodzaakt is veel internationale reizen te maken.
Heeft u achteraf spijt van uw besluit om met een privévlucht ter waarde van € 92.997 af te reizen naar Cyprus?
Nee, ik heb geen spijt van het besluit om met een ingehuurde vlucht te vliegen. Zoals gezegd deel ik de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Tegelijkertijd vind ik dat dit bezoek cruciaal was om waardering en steun aan onze militairen over te brengen. Daar sta ik voor.
Kunt u al deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór maandag 30 maart?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht dat de trans-Atlantische slavenhandel door de VN bestempeld is als "de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid" ooit |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het absurde bericht dat de Verenigde Naties (VN) de trans-Atlantische slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit heeft bestempeld?1
Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Vindt u het ook krankzinnig dat er kennelijk landen zijn die VN-resoluties misbruiken om misdaden tegen de menselijkheid te rangschikken om politieke redenen en geld?
Het kabinet ziet zowel het belang van blijvende aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, als het historische onrecht en de doorwerking daarvan tot op de dag van vandaag. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Heeft u de initiatiefnemer van de VN-resolutie gevraagd waarom de grootschalige islamitische slavenhandel kennelijk veel minder erg was dan de trans-Atlantische?
Het kabinet is van mening dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar en door wie ook dan ook, ernstige misdrijven zijn. De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. In de onderhandelingen heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Wanneer gaat u deze waanzin, waarmee gruwelijke misdaden tegen de menselijkheid zoals de Holocaust in feite naar beneden worden getrapt, publiekelijk en ferm veroordelen?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt, alsook het standpunt met betrekking tot het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en eventuele juridische implicaties daarvan, ook kenbaar gemaakt in het kader van deze resolutie.
Wat gaat u doen om te verhinderen dat het slavernijverleden als verdienmodel binnen alle organisaties en afdelingen van de VN blijft doorwoekeren als een ernstige ziekte?
Aandacht voor het slavernijverleden is een kwestie van erkenning en maatschappelijke rechtvaardigheid. Het kabinet zet zich binnen de VN in voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Waarom heeft Nederland niet gewoon glashelder TEGEN deze absurde VN-resolutie gestemd?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de mening dat de VN zich beter bezig kan houden met bestrijding van de hedendaags bestaande slavernij waarbij in het bijzonder voor de Afrikaanse Unie een rol weggelegd kan zijn?2
Het kabinet acht de bestrijding van hedendaagse vormen van slavernij, zoals mensenhandel en uitbuiting, van groot belang. Nederland zet zich hier zowel nationaal als internationaal voor in, onder meer binnen de VN en in samenwerking met regionale organisaties zoals de Afrikaanse Unie.
Een privéjet voor Minister Yesilgöz van bijna 93.000 euro voor een ééndaags bezoek |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat voor een eendaags werkbezoek een privéjet is ingehuurd voor 92.997 euro?1
Ja.
Welke concrete noodzaak rechtvaardigde deze uitzonderlijk dure keuze? Welke alternatieven zijn onderzocht en wie heeft hiervoor toestemming gegeven?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen met de verantwoordelijk commandanten om mijn waardering te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Klopt het dat dit allemaal «volgens de regels» is gegaan, en zo ja, beseft u hoe totaal wereldvreemd dit overkomt op Nederlanders die hun energierekening en boodschappen nauwelijks nog kunnen betalen?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Dat geldt uiteraard ook bij het maken van reizen. Reiskosten zijn altijd een factor die wordt meegewogen bij de planning van reizen en het kiezen van reisopties. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als deze. Dit gaat om militairen die dezelfde Nederlanders veilig houden, die plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernst-inzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie.
Deelt u de mening dat deze bijna 93.000 euro beter besteed had kunnen worden aan de inzetbaarheid en ondersteuning van onze militairen, in plaats van aan een duur pr-moment voor de Minister?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»1?
Ja.
Deelt u de opvatting dat bij grootschalige woningbouwlocaties voorzieningen zoals onderwijs en zorg vanaf de start onderdeel moeten zijn van de gebiedsontwikkeling, juist met het oog op de verwachte groei van het aantal inwoners?
Ja. Het is aan gemeenten en schoolbesturen om te zorgen dat basisvoorzieningen zoals onderwijs vanaf de start onderdeel zijn van gebiedsontwikkelingen.
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van de openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit zijn regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel grootschalige woningbouwgebieden voorzieningen zoals basisscholen onder druk staan of dreigen te verdwijnen, doordat zij in de opstartfase nog niet voldoen aan geldende normen voor leerlingaantallen?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel basisscholen zijn opgeheven omdat ze te klein waren en specifiek in grootschalige woningbouwgebieden stonden. De reden voor een schoolsluiting kan verschillen. Soms heeft dit te maken met het stoppen van bekostiging door de rijksoverheid vanwege een te laag leerlingenaantal, maar een schoolbestuur kan ook zelf besluiten een school te sluiten. Dit kan ook als de school niet onder de opheffingsnorm zit. Schoolsluitingen worden, vanaf 1997, door DUO in een openbaar toegankelijk bestand geregistreerd.2
Hoe beoordeelt u het feit dat gebiedsontwikkeling niet (altijd) een lineair bouwproces kent en dat de verwachte groei van inwoners waaronder kinderen dus ook met sprongen gaat en dat dit dus nadelig kan uitwerken voor de bezettingsgraad van een school?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit de evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. Daarom verkent de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel kan worden gecreëerd.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Door middel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Hoe beoordeelt u het spanningsveld dat ontstaat wanneer enerzijds wordt ingezet op versnelde woningbouw en gebiedsontwikkeling, terwijl anderzijds de bekostigingssystematiek voor voorzieningen zoals scholen onvoldoende ruimte biedt om de aanloopfase van zulke gebieden te overbruggen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten waarom in de Binckhorst de bestaande basisschool moet sluiten vanwege leerlingenaantallen, terwijl op basis van verwachte inwonersgroei binnen enkele jaren juist weer een nieuwe school nodig is?
Deze bassischool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien.4 De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Ziet u mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk in groeigebieden, bijvoorbeeld via tijdelijke ontheffingen, aangepaste leerlingennormen of andere vormen van overbruggingsbekostiging?
Zoals in antwoord op vraag 4 en 5 is beschreven wordt de mogelijkheid verkend voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
Welke instrumenten heeft het Rijk verder om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, te borgen dat voorzieningen zoals onderwijs en zorg gelijktijdig met woningbouw worden gerealiseerd?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit zijn regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouw. Conform coalitieakkoord werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. In de Taskforce Versnellen Woningbouw ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouwontwikkelingen.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te voorkomen dat nieuwe woonwijken in de eerste jaren onvoldoende toegang hebben tot essentiële voorzieningen?
Nee. Het ministerie financiert middels de huidige stimuleringsregelingen geen voorzieningen, m.u.v. de eerder genoemde regeling gebiedsbudget. Middels deze regeling wordt openbare ruimte (parken en pleinen) binnen nationaal grootschalige woningbouwlocaties gesubsidieerd. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit verder mijn aandacht.
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Het bericht dat een Nederlands schip wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat een Nederlands schip deze week wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël?1
Kunt u bevestigen of dit Nederlandse schip wapens of onderdelen daarvoor heeft afgeleverd in Israël, en zo ja, welk type goederen, met welke eindgebruiker? Zo niet, bent u bereid dat te verifiëren bij Hartel, de Nederlandse eigenaar van dat schip?
Zijn afgelopen jaren vaker Nederlandse schepen gebruikt voor levering van wapens of onderdelen daarvoor in Israël? Zo ja, hoe vaak? Als dit niet bekend is, waarom is hier geen kennis over?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse bedrijven geen transporten mogen faciliteren wanneer die een duidelijk risico vormen op inzet bij schendingen van het internationaal humanitair recht?
In hoeverre heeft het kabinet vooraf kennis gehad van dit transport, en welke mogelijkheden heeft het kabinet om dergelijke transporten te voorkomen of tegen te houden, wanneer een schip onder Nederlandse vlag vaart? Zijn deze mogelijkheden in dit geval benut?
Is de afgelopen jaren ooit opgetreden tegen een Nederlands schip dat wapens of onderdelen daarvoor levert in Israël?
Hoe verhoudt deze casus zich tot de verplichtingen van Nederland onder het Genocideverdrag, in het bijzonder de verplichting om genocide te voorkomen?
Deelt u de opvatting dat ook indirecte betrokkenheid, zoals transport of logistieke ondersteuning, kan bijdragen aan schendingen van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Is voor dit transport sprake van een vergunningplicht, bijvoorbeeld voor een export- of doorvoervergunning, of een vergunning strategische diensten? Zo ja, is die ook aangevraagd en verleend, en op basis van welke criteria? Zo niet, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat via de haven van Rotterdam een schip wapens of onderdelen naar Israël zou hebben vervoerd? Klopt dit, wat was de exacte lading, en welke afweging is gemaakt om dit transport via de Rotterdamse haven toe te staan?2
In hoeverre kan de Nederlandse overheid vooraf controleren of via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag wapens of militaire goederen worden vervoerd naar conflictgebieden waar oorlogsmisdaden worden gepleegd?
Welke rol en verantwoordelijkheid heeft de haven van Rotterdam in het controleren of faciliteren van transporten met mogelijk militaire lading richting Israël?
Welke instrumenten hebben havenautoriteiten en gemeenten momenteel om dergelijke transporten te stoppen, en acht u deze voldoende?
Is het kabinet van mening dat lokale overheden en havenautoriteiten voldoende instrumenten hebben om transporten met mogelijk risicovolle lading te weigeren of te stoppen? Zo ja, welke zijn dat concreet?
Hoe wordt uitgesloten dat Nederlandse schepen of via Nederlandse havens militair materieel dat ingezet kan worden in Gaza naar Israël vervoerd wordt?
Is het kabinet bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken om te voorkomen dat via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag transporten plaatsvinden die bij kunnen dragen aan oorlogsmisdaden?
Hoe gaat er worden opgetreden tegen schepen en rederijen die via Nederlandse havens wapens of militaire goederen naar Israël vervoeren, gezien de risico’s op betrokkenheid bij schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza en Libanon?
Het bericht dat instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid»?1
Ja.
Kunt u aangeven bij hoeveel zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog gesloten zijn, aangezien de inspectie ziet dat veel zorgaanbieders werken aan een opendeurenbeleid maar bij een groot deel van de zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog altijd gesloten? Kunt u dit uitsplitsen per sector en daarbij aangeven wat daarvoor de hoofd beweegredenen zijn?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd opendeurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wet zorg en dwang (Wzd).
Op welke manieren bent u van plan om in te zetten op kwaliteit van leven voor mensen met dementie?
Ik zet met de Nationale Dementiestrategie (NDS) in op meer onderzoek naar dementie, een dementievriendelijke samenleving en goede zorg en ondersteuning voor mensen met dementie. Deze strategie is onlangs geactualiseerd en in januari 2026 met uw Kamer gedeeld.2
Op welke manieren gaat u inzetten op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie? En hoe faciliteert u daarin de zorgaanbieders, zorgprofessionals en familie?
Het belangrijkste instrument waarmee ingezet kan worden op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie is de Wzd zelf. Het uitgangspunt van de Wzd is «nee, tenzij». Dat betekent dat cliënten niet beperkt worden in hun vrijheid, tenzij dat echt niet anders kan. En in dat geval alleen als dat gebeurt met inachtneming van de eisen die de Wzd stelt.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023)3 afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»4 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025. Daarnaast heeft Vilans naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken samen met veldpartijen de folder «Leven in vrijheid voor cliënten en hun naasten of vertegenwoordigers» uitgebracht.5 In de folder wordt in duidelijke taal uitgelegd wat de Wzd is en welke stappen zorgorganisaties moeten doorlopen bij het inzetten van gedwongen zorg aan cliënten.
Binnen de Wzd-programma’s van Vilans zijn talrijke kennisproducten en -sessies ontwikkeld en aangeboden aan het veld. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over de Wzd en het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans.6
Tot slot kent de Wzd om de cliënt en zijn naasten te ondersteunen de functie cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Iedere cliënt die te maken krijgt met gedwongen zorg heeft recht op ondersteuning van een CVP.
Deelt u de mening dat dit niet alleen iets van aanbieders, professionals en familie is maar van de samenleving als geheel? Hoe zet u daar op in?
Eén van de lijnen van de Nationale Dementiestrategie is de Dementievriendelijke samenleving. Binnen dit thema werken we aan bewustwording van de samenleving over dementie en zorgen we voor inclusiviteit. We werken aan meer begrip uit de omgeving voor mensen met dementie en hun naasten. We stimuleren betere toegankelijkheid van sportclubs en verenigingen voor mensen met dementie.
Daarnaast heeft Vilans in het kader van het programma «Open de deuren» een «Dossier passende vrijheid» ontwikkeld. Dit dossier bestaat uit meerdere bouwstenen. Eén van deze bouwstenen is «Gebouw en omgeving». Het dossier geeft zorgaanbieders handvatten hoe zij zowel intern als extern een dementievriendelijke omgeving creëren.
Deelt u de zorg van de instellingen dat dementerende bewoners door het opendeurbeleid in gevaarlijke situaties terechtkomen of niet meer terugkeren? Zo ja, wat gaat u doen om hen hierin te begeleiden? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp deze zorg. Het artikel geeft de emotie goed weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt.
Juist daarom is de individuele afweging noodzakelijk. Als gevaarlijke situaties voorstelbaar zijn bij een cliënt, kan de zorgaanbieder de afweging maken dat deze cliënt niet alleen naar buiten gaat, maar kan de zorgaanbieder andere opties verkennen, zoals onder begeleiding van een zorgverlener de afdeling af en/of naar buiten.
Begrijpt u dat ook familieleden van bewoners vaak enorm worstelen met de afweging tussen vrijheid en veiligheid dat zij grote machteloosheid ervaren als het gaat om de fysieke bescherming van hun dementerende geliefden? Zo nee, waarom niet? Hoe neemt u hen mee in het opendeurenbeleid?
Het is mij bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en dat zij soms ook in situaties terechtkomen waarin zij dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we, ook van familieleden, dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Daarom is het belangrijk dat zorgprofessionals in overleg met de naasten van een cliënt en zo mogelijk de cliënt zelf een goede afweging maken.
Onderdeel van deze individuele afweging is de inschatting van de zorgverlener welke risico’s er zijn voor de cliënt en hoe dat afgewogen kan worden tegenover de verbeterde kwaliteit van leven voor de cliënt.
Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking7 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Bent u het eens met de verzorgenden dat personeelstekort de tijd beperkt voor maatwerk en begrijpt u dat tegelijkertijd de sterke verantwoordelijk voor de bewoners en het verantwoording afleggen aan familie grote druk op hen legt? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat begrijp ik. Dat neemt niet weg dat, in geval van gedwongen zorg, altijd een individuele afweging gemaakt moet worden.
Hebt u er in tegenstelling tot de inspectie wel begrip voor dat fysieke aanpassingen geld kosten en wegens bezuinigingen niet altijd mogelijk zijn? Zo ja, op welke manier komt u hen hierin tegemoet? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad mogelijk dat fysieke aanpassingen kosten met zich brengen. In de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt via de normatieve huisvestingscomponent geld beschikbaar gesteld voor behoud van het vastgoed. Daar horen ook aanpassingen bij die zijn ingegeven door wijzigingen in de wijze van zorgverlening.
Hoe bevordert u het delen van kennis en ervaringen binnen de verschillende sectoren met het opendeurenbeleid?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid op korte termijn met de Beroepsvereniging V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden en andere betrokkenen in gesprek te gaan, de knelpunten in de wet, problemen waar zij tegen aan lopen en eventueel door hen voorgestelde oplossingen in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, en sterker nog: dat doe ik al. Vanuit het Ministerie van VWS vindt er regelmatig overleg plaats op verschillende niveaus en in wisselende samenstellingen met beroepsverenigingen en dus ook de V&VN. Uw Kamer is en wordt daar op regelmatige basis over geïnformeerd. In de toelichting van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wzd (Evaluatiewet Wvggz en Wzd) dat momenteel wordt voorbereid, zal ook ingegaan worden op de inbreng van beroepsverenigingen.
Het bericht dat de Hongaarse Minister van Buitenlandse zaken toegeeft dat hij tijdens belangrijke EU-meetings belt met de Russische Minister van Buitenlandse zaken |
|
Felix Klos (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Hongaarse Minister tijdens lopende Europese Unie (EU)-bijeenkomsten contact onderhoudt met de Russische Minister?
Ja, ik ben bekend met berichtgeving in verschillende media over het contact dat de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó lijkt te onderhouden met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken tijdens en rondom officiële EU overleggen.
Hoe kwalificeert u dit gedrag, in het licht van het feit dat Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne en de EU juist inzet op maximale eensgezindheid en vertrouwelijkheid?
Het kabinet is niet naïef over de mogelijkheid dat de huidige regering van Hongarije informatie deelt met de Russische Federatie. Mocht het inderdaad gaan om vertrouwelijke informatie, dan schaadt dat de Unie en ondermijnt dat het vertrouwen tussen EU-lidstaten.
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een ernstige ondermijning van het onderlinge vertrouwen binnen de EU, en mogelijk zelfs van het lekken van vertrouwelijke informatie naar een vijandige mogendheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op de vorige vraag, is het kabinet van mening dat directe uitwisseling tussen de huidige regering van Hongarije en de Russische Federatie van mogelijk vertrouwelijke informatie de Unie schaadt en het vertrouwen tussen lidstaten ondermijnt. Deze zorgen heeft Nederland ook uitgesproken via de geëigende kanalen.
Heeft deze ontwikkeling ertoe geleid dat Nederland zelf terughoudender is geworden in het delen van informatie, standpunten of strategieën binnen EU-verband, uit vrees dat deze indirect bij Rusland terecht kunnen komen? Zo ja, op welke wijze?
Effectieve en eensgezinde besluitvorming in de EU vergt dat lidstaten informatie en standpunten met elkaar delen. Dit zal Nederland blijven doen zonder naïef te zijn, en conform de geldende regels over geheimhouding binnen de Raad.
Deelt u de opvatting dat het delen van informatie met Rusland over besloten EU-bijeenkomsten in strijd is met artikel 4.3 van het Verdrag van de Europese Unie over «loyale samenwerking»?
Mocht er inderdaad sprake zijn geweest van het delen van vertrouwelijke informatie, zou dat een schending van de geheimhoudingsplicht opleveren, zoals onder andere neergelegd in artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad, Artikel 11, Reglement van Orde van de Europese Raad en artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU). Het is dan aannemelijk dat er eveneens sprake is van een schending van het beginsel van loyale samenwerking in de zin van artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. Als lidstaten het Unierecht schenden en daarvoor voldoende bewijs bestaat, kan de Commissie handhavend optreden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Acht u het wenselijk en noodzakelijk om op korte termijn binnen de EU opheldering en consequenties te eisen richting Hongarije? Bent u bereid hierin het voortouw te nemen?
De Commissie heeft haar zorgen over deze kwestie uitgesproken.1 De voorzitter van de Commissie zal dit verder bespreken op het niveau van de regeringsleiders. Ook is in de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is daarbij gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad en artikel 339 VWEU, en het beginsel van loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (schending van fundamentele waarden)? Zo nee, waarom niet?
Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door de huidige regering van Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie, dan zou de Commissie een inbreukprocedure onder artikel 258 VWEU kunnen starten wegens niet nakoming van EU-rechtelijke verplichtingen.
Met de artikel 7-procedure kan actie worden ondernomen als een EU-lidstaat de fundamentele waarden (incl. rechtsstaat) uit art. 2 van het EU-verdrag schendt of als er een duidelijk gevaar bestaat dat deze EU-waarden zullen worden geschonden. In 2018 startte het Europees Parlement al een artikel 7-procedure tegen Hongarije. Die richt zich op de zorgen over onder meer de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie en belangenverstrengeling, ruimte voor het maatschappelijk middenveld, gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Zorgen over het delen van vertrouwelijke informatie valt hier niet onder. Een (duidelijk gevaar op) schending van de waarden van artikel 2 van het EU-Verdrag kan vanwege de ontstane zorgen nu nog niet worden aangenomen. Het starten van een nieuwe procedure onder artikel 7 ligt daarmee dan ook niet in de rede.
Het kabinet acht het evenmin opportuun een statenklachtprocedure conform artikel 259 VWEU in te zetten. Dit is binnen het Unierecht een ultimum remedium om geschillen over de naleving van het Unierecht op te lossen en bedoeld voor die gevallen waarin de Commissie niet optreedt of een lidstaat het niet eens is met de handelwijze of beoordeling van de Commissie. Daar is in dit geval geen sprake van.
Alleen als de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat het financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie serieus dreigen aan te tasten, kan het financiële instrumentarium worden ingezet, zoals eind 2022 is gebeurd tegen Hongarije. Het kabinet heeft er voortdurend voor gepleit dat de Commissie snel en effectief optreedt om terugval van Hongarije op rechtsstatelijk vlak te voorkomen en aan te pakken, en daarbij gebruik maakt van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiële instrumentarium.
Het kabinet blijft zich waar mogelijk inzetten, maar ziet juridische procedures niet als oplossing voor de korte termijn voor een EU-lidstaat die de EU actief ondermijnt. Politieke en diplomatieke druk is kansrijker.
Op 12 april jl. vonden in Hongarije verkiezingen plaats. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering en hoopt op een positieve koers van Hongarije binnen de EU. Magyar heeft ook aangegeven de rechtsstaat te gaan hervormen. Het is duidelijk dat er hervormingen moeten plaatsvinden voordat EU fondsen kunnen worden vrijgegeven. Het kabinet zal zich daarvoor inzetten en deze boodschap ook bij de Commissie afgeven. Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) (inbreukprocedure tussen lidstaten) in reactie op de contacten met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om zo snel mogelijk in kaart te brengen welke Europese financiële steun richting Hongarije nog stopgezet kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke concrete sancties of maatregelen zijn er nog meer mogelijk wanneer een lidstaat vertrouwelijke EU-informatie deelt met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de analyse dat het Hongaarse optreden past in een breder patroon waarin Viktor Orbán het EU-besluitvormingsproces frustreert en ondermijnt, onder meer via het inzetten van veto’s?
Zoals vastgelegd in het regeerakkoord ziet het kabinet Hongarije als een voorbeeld van een land dat de EU actief ondermijnt, en het frustreren van besluitvorming valt binnen dit patroon. Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie schaadt ook dat het onderlinge vertrouwen binnen de Unie.
Het kabinet pleit – samen met gelijkgezinde landen en binnen de kaders van het EU verdrag – actief voor betere besluitvorming binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). In lijn met motie-Klos2 zet het kabinet zich in voor het afschaffen van het vetorecht en voor de invoering van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming (QMV) binnen het GBVB, zolang dit de nationale bevoegdheid om wel of niet aan militaire missies bij te dragen, respecteert. Het is mogelijk om QMV besluitvorming binnen het GBVB uit te breiden middels zogenaamde passerelle-clausules. Daar is echter unanimiteit voor nodig en tot nu toe bestaat hiervoor onvoldoende draagvlak onder lidstaten. Ook zet het kabinet zich in voor het gebruik van QMV voor GBVB-besluiten waar het EU-verdrag deze mogelijkheid nu reeds biedt. Zo blijft Nederland voorstander van het gebruik van QMV voor het aanpassen van de listings van sanctieregimes.
Bent u bereid om onmiddellijk op pad te gaan en steun te verzamelen voor hervorming van de EU-besluitvorming op het terrein van buitenlands beleid, in het bijzonder het afschaffen van het vetorecht, juist om misbruik zoals in dit geval tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u toezeggen dat u zich vanaf nu in iedere Raad zal uitspreken tegen de aanwezigheid van Hongarije op het moment dat vertrouwelijke informatie besproken wordt, en zo nodig zal verzoeken om de vergadering te staken tot Hongarije niet meer aanwezig is?
Zoals geantwoord op vraag 6, heeft de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, RvO van de Raad en artikel 339 VWEU en loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU-instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd. Zoals gesteld in beantwoording van vraag 5 kan de Commissie handhavend optreden als lidstaten het Unierecht schenden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen. Daarnaast kijkt het kabinet uit naar een nieuwe afvaardiging van Hongarije naar de verschillende Raadsformaties als gevolg van de verkiezingsuitslag van 12 april jl.
Bent u bereid manieren te onderzoeken om Hongaarse toegang tot vertrouwelijke EU-documenten te ontzeggen zolang niet kan worden vastgesteld dat deze informatie niet wordt doorgespeeld aan Rusland?
Zie antwoord vraag 13.