Het bericht 'Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: ‘Einde aan de Oslo-akkoorden’' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: «Einde aan de Oslo-akkoorden»»?1
Ja.
Bent u het eens met de constatering in het artikel dat met de besluiten van het Israëlische kabinet «een einde [is gekomen] aan de Oslo-akkoorden»? Zo nee, waarom niet?
Een van de besluiten ontneemt de Palestijnse Autoriteit bepaalde bevoegdheden op het gebied van toezicht en handhaving in Gebieden A en B. Dit is niet in overeenstemming met de Oslo-akkoorden, waarin is vastgelegd dat Israël geen zeggenschap heeft over burgerzaken in die gebieden. Ook zetten de plannen de fragiele situatie op de Westelijke Jordaanoever verder onder druk, juist op het moment dat alle inspanningen gericht moeten zijn op het laten slagen van het vredesplan en het werken naar een tweestatenoplossing. Het is dan ook zaak dat de besluiten niet in uitvoering worden gebracht.
Veroordeelt u, in navolging van onder andere het Verenigd Koninkrijk, de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft deze besluiten van het Israëlische veiligheidskabinet veroordeeld en zich hier publiekelijk over uitgesproken op politiek niveau en onder andere ook op 17 februari jl. in New York in een breed gezelschap van 80 VN-landen.
Heeft u uw Israëlische ambtsgenoot aangesproken op de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
In een publieke verklaring heeft Nederland Israël opgeroepen deze besluiten niet te implementeren. Daarnaast is deze boodschap bilateraal meermaals op politiek en hoog ambtelijk niveau aan Israël overgebracht, waaronder in mijn gesprek met Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 25 februari jl.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan de blijvende ondermijning van het perspectief op een Palestijnse Staat door het Israëlische kabinet? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden als onrechtmatig. Daar spreekt Nederland zich consequent en nadrukkelijk over uit, en ondersteunt dit standpunt met beleid. Zo ontmoedigt de Nederlandse overheid economische relaties met bedrijven in illegale nederzettingen, en beperkt het kabinet de samenwerking met Israël tot binnen de grenzen van 1967. Daarnaast heeft het kabinet reeds verschillende acties ondernomen naar aanleiding van unilaterale stappen van Israël die een tweestatenoplossing ondermijnen. Zo heeft het kabinet o.a. naar aanleiding van de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever het initiatief genomen tot de evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Ook heeft het kabinet, o.a. na het besluit tot uitbreiding van nederzettingen in E1-gebied in augustus 2025, besloten nationale maatregelen voor te bereiden om producten uit onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden te weren. Daarnaast heeft Nederland Israëlische Ministers Smotrich en Ben Gvir tot persona non grata verklaard n.a.v. uitspraken over annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet blijft met relevante partners bespreken welke inzet, waaronder in EU-verband, effectief kan zijn. Zie ook antwoord op vraag 6.
Heeft u reeds opvolging gegeven aan de aangenomen motie-Piri (Kamerstuk 23 432, nr. 620) over het opnieuw agenderen van de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord? Zo ja, kunt u toelichten hoe? Zo nee, bent u bereid dit spoedig te doen?
Met het vredesplan van president Trump is de inzet van Nederland en de EU erop gericht om dit plan te laten slagen. Dat betekent niet dat de voorgestelde EU-maatregelen, zoals het gedeeltelijk opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, van tafel zijn. Naast de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever heeft Nederland o.a. ook grote zorgen over de humanitaire situatie in Gaza. Deze zorgen heeft Nederland ook bilateraal overgebracht bij Israel en Nederland heeft in de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. overgebracht dat, indien de situatie niet verbetert, het nodig kan zijn om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie van Justitie?1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf. Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details van deze zaak te worden geconfronteerd.
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid, hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid kan blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid, en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf, is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6 en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Het bericht 'Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt twintig jaar cel in Hongkong' |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving dat de Hongkongse autoriteiten democratie-activist Jimmy Lai hebben veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, hetgeen, gelet op zijn leeftijd, in de praktijk kan neerkomen op een feitelijk levenslange straf?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een veroordeling op basis van het vermeende «collusion with foreign forces» geen grond heeft in de werkelijkheid en in belangrijke mate lijkt te zijn gericht op het neutraliseren van de pro-democratische oppositie in Hongkong? Zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze arbitraire veroordeling aan te kaarten bij uw Chinese ambtgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat uitvoering van de Nationale Veiligheidswet een negatief effect heeft op het democratisch proces en de rechtsstaat in Hongkong. De rechtszaak tegen Jimmy Lai maakt onderdeel uit van een bredere campagne van beperking van vrijheid van meningsuiting in Hongkong.
Onze serieuze zorgen over de veroordeling van de heer Lai en de hoge opgelegde strafmaat zijn in diplomatieke contacten overgebracht aan de Chinese autoriteiten. Daarbij is gewezen op het feit dat dit vonnis haaks staat op de verantwoordelijkheden die de Hongkongse autoriteiten hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bent u bereid om in contacten met Chinese ambtgenoten het lot van Jimmy Lai en dat van de honderden andere politieke gevangenen in Hongkong structureel en expliciet aan de orde te blijven stellen? Zo ja, bent u bereid om in publieke (online) verslaglegging of via sociale media te refereren aan de inhoud van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Hongkong wordt op verschillende niveaus in gesprekken met Chinese gesprekspartners opgebracht, zowel bilateraal en in EU-verband als in multilaterale fora. Als het mogelijk is om de inhoud van deze gesprekken te delen, dan zal ik dat doen, maar daarbij merk ik op dat veel van deze gesprekken een vertrouwelijk, diplomatiek karakter hebben. Publieke verslaglegging daarvan, al dan niet via sociale media, is niet altijd mogelijk, omdat het de vertrouwelijkheid kan schaden en niet bijdraagt aan een openhartige uitwisseling van standpunten.
Bent u bereid om verontwaardiging over deze arbitraire veroordeling publiek kenbaar te maken door nationaal of in multilateraal verband een veroordelend statement uit te brengen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland samen met EU -en gelijkgestemde landen verschillende keren zorgen uitgesproken over de voortgaande beperkingen van de persvrijheid in Hongkong en de onderdrukking van lokale media, waaronder de gedwongen sluiting van de krant Apple Daily en de arrestatie van eigenaar Jimmy Lai. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf via sociale media een verklaring af op de dag dat de strafmaat bekend werd gemaakt. Daarin betreurde EDEO de hoge strafmaat, kwalificeerde de Dienst de rechtszaak tegen hem als politiek gemotiveerd en riep hij op tot vrijlating van de heer Lai. Nederland heeft deze verklaring ondersteund.
Welke concrete acties onderneemt Nederland momenteel om de persvrijheid in China en de regio te beschermen en te bevorderen, en welke ruimte ziet u om deze inzet verder te versterken of op te schalen?
Vrijheid van meningsuiting online en offline is een van de prioriteiten binnen ons Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daardoor wereldwijd in voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van persvrijheid. Dit doen we concreet, ook met betrekking tot China en Azië, door onze steun te verlenen aan cross-regionale verklaringen en coalities, zoals de Media Freedom Coalition (MFC) en de Freedom Online Coalition (FOC). Daarnaast investeert Nederland 20 miljoen euro in de veiligheid van journalisten en mediawerkers via het centrale Mensenrechtenfondskader via het Safety for Voices programma (2023–2027). Vanuit het gedelegeerde Mensenrechtenfonds worden via ambassades projecten en evenementen georganiseerd ter bevordering van persvrijheid en veiligheid voor journalisten. Nederland blijft doorlopend samen met partners kijken hoe deze inzet, ook in China en Azië, nog meer effect kan sorteren. Vanwege de veiligheid van partners ter plekke kan het kabinet niet in detail treden over welke organisaties Nederland exact steunt.
Acht u deze veroordeling van invloed op het investeringsklimaat en de rechtszekerheid in Hongkong, en wordt dit betrokken bij het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van China en Hongkong?
Het kabinet is van mening dat handhaving van de rechtsstaat en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, belangrijke factoren vormen voor een aantrekkelijk investeringsklimaat. Bedrijven nemen dergelijke factoren in overweging bij het uitvoeren van hun investeringsplannen. De veroordeling van Jimmy Lai kan in die zin van invloed zijn op het vertrouwen in het investeringsklimaat in Hongkong. Nederland en de Europese Unie benadrukken in gesprekken met de autoriteiten van China en Hongkong de cruciale rol die rechtszekerheid speelt bij het aantrekken van investeringen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de NS ICT uitbesteedt aan een Amerikaanse leverancier |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS besteedt ict deels uit aan Amerikaanse leverancier»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke ICT-processen van de NS precies worden uitbesteed?2 Zijn dit (onderdelen van) kritieke processen met gevolgen voor de continuïteit van de NS indien ze langer dan één dag uitvallen?
De aanbesteding betreft een aantal verschillende systemen. Het gaat om:
Uitval van deze systemen heeft niet direct gevolgen voor het rijden van treinen. Wel kan de uitval gevolgen hebben voor andere aspecten van de dienstverlening, wat uiteindelijk tot hinder voor reizigers kan leiden. Het is overigens goed om te beseffen dat bovenstaande functies die onderdeel zijn van de uitbesteding, nu ook al zijn ondergebracht bij derde partijen.
Klopt het dat er ook (onderdelen van) beveiligingssystemen worden uitbesteed aan een Amerikaans bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de digitale autonomie van de Nederlandse (spoor)infrastructuur?
Zie voor een opsomming van de betreffende systemen het antwoord op vraag 2.
Het Security Operations Center wordt door NS zelf verzorgd, op dit moment in samenwerking met een Nederlands IT-bedrijf. In deze aanbesteding heeft NS de cyberrisico’s in kaart gebracht en in lijn daarmee passende eisen gesteld en een passend risicomanagementsysteem gekozen.
Deelt u de opvatting van de NS dat de uitbestede processen niet missiekritisch zijn?3 Kunt u schetsen welke gevolgen het heeft voor de dienstverlening van de NS indien deze systemen wél uitvallen? Kunt u uitsluiten dat de uitvoering van de dienstverlening van NS (het laten rijden van treinen op het hoofdrailnet) in gevaar zou kunnen komen wanneer de betreffende systemen uitvallen? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, deelt u dan de zorgen over deze uitbesteding?
Zie ook het antwoorden op vragen 2 en 3. Uitval van deze systemen heeft geen of beperkte directe gevolgen voor het rijden van treinen. Wel kan de uitval gevolgen hebben voor andere aspecten van de dienstverlening. De daadwerkelijke impact hangt af van de aard en de duur van de onderbreking en het specifieke onderdeel van de dienstverlening dat geraakt wordt.
Hierbij dient te worden benadrukt dat de grootste bedreiging voor de continuïteit van de (digitale) dienstverlening externe kwaadwillenden zijn. Hiertoe is het van belang dat de digitale diensten die worden afgenomen voldoen aan het vereiste beveiligingsniveau. De gekozen dienstverlener voldoet hieraan.
Kan de Amerikaanse overheid, via wet- en regelgeving zoals de CLOUD Act, Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333, toegang krijgen tot gevoelige gegevens over de Nederlandse spoorinfrastructuur? Kunt u dit met een ja of nee beantwoorden en dit met concrete verwijzing naar relevante juridische bronnen toelichten?
Diverse landen kennen inderdaad wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking van dienstverleners bij gegevensverzoeken van veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act, Executive Order 12333, en FISA sectie 702 in de VS. Voor EO12333 is geen medewerking van de leverancier vereist. Dergelijke wet- en regelgeving kan in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens. Op basis van dergelijke regelgeving kan een onder Amerikaanse zeggenschap vallende organisatie de opdracht krijgen gegevens te verstrekken aan de Amerikaanse overheid. Zie verder het antwoord op vragen 2 en 3.
Biedt de groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse ICT-bedrijven de mogelijkheid voor de Verenigde Staten om druk uit te oefenen op Nederland, bijvoorbeeld door de continuïteit van de dienstverlening van de NS in gevaar te brengen?
In deze NS-casus ziet het kabinet geen aanleiding om aan te nemen dat door de inkoop van deze ICT-diensten de continuïteit van de dienstverlening in gevaar wordt gebracht of dat het gebruik van deze specifieke digitale dienst gebruikt zal worden om druk uit te oefenen op Nederland. Nederland en Europa zijn voor cruciale digitale infrastructuur sterk afhankelijk geworden van een klein aantal niet-Europese spelers. Dat maakt ons kwetsbaar in een wereld waarin technologie steeds vaker als geopolitiek machtsmiddel wordt ingezet. Dit levert efficiëntie en toegang tot belangrijke functionaliteiten op, maar legt ook een kwetsbaarheid bloot ten aanzien van afhankelijkheid en digitale autonomie. Daarom is in algemene zin de inzet van het kabinet er op gericht om risicovolle strategische afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Deelt u de mening dat de NS digitale autonomie zou moeten betrachten en af zou moeten zien van deze aanbesteding bij een Amerikaans bedrijf? Welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom voldeed KPN niet meer als aangewezen ICT-leverancier voor deze diensten? Was het strikt noodzakelijk om de ICT uit te besteden, en zo ja, waarom aan een niet-Europees bedrijf?
NS dient zicht te houden aan de Aanbestedingswet. Het eerdere contract met KPN liep af en kende ook geen verlengingsmogelijkheden meer. NS is dan verplicht de opdracht via een Europese Aanbestedingsprocedure in de markt te zetten. Daarbij stelt NS zeer uitgebreide eisen en criteria op het gebied van prijs, kwaliteit, beschikbaarheid (zo min mogelijk storingen) en cyberveiligheid. De Nederlandse dochter van een Amerikaanse onderneming kwam als beste uit de bus.
Past de keuze van de NS om haar ICT uit te besteden aan een Amerikaans bedrijf binnen de ambitie van het kabinet om meer digitaal onafhankelijk te worden? Welke rol heeft de Staat als enig aandeelhouder hierin?
De gunning is een uitkomst van het verplichte Europese aanbestedingsproces. Het kabinet heeft als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Als aandeelhouder van NS staat de Minister van Financiën op dit onderwerp meer op afstand: operationele zaken zoals de wijze van aanbesteden zijn primair de verantwoordelijkheid van het bestuur van de deelnemingen.
Hoe kijkt u aan tegen de keuze van de NS om, tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke situatie en nadat de Rijksoverheid herhaaldelijk het belang van digitale autonomie benadrukte, alsnog ICT uit te besteden aan een niet-Europees bedrijf?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 6, 8 en 9.
Acht u de lange doorlooptijd van het contract, namelijk zes tot twaalf jaar, geschikt gezien de onzekerheid van de geopolitieke relatie met de Verenigde Staten?
Een dergelijke doorlooptijd is niet ongewoon gezien de implementatietijd en -kosten van een dergelijke migratie.
Klopt het dat er geen nationale richtlijnen bestaan om Amerikaanse partijen te weren? Staat dit wel voorzien in het nieuwe cloudbeleid dat nog steeds in ontwikkeling is?
Het klopt dat er geen nationale richtlijnen zijn om Amerikaanse partijen te weren en de inzet van het kabinet is daar ook niet op gericht. Het Rijksbreed cloudbeleid is niet van toepassing op staatsdeelnemingen, en is landenneutraal opgesteld.
Het kabinet heeft wel als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Is in deze aanbesteding voldaan aan de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), waarin staat dat er strenge eisen gesteld moeten worden aan digitale autonomie en soevereiniteit?
Het kabinet heeft besloten dat de departementen, hun diensten en agentschappen, en de politie vanaf 1 januari 2026 de ABRO gaan toepassen bij contracten met bedrijven als daarbij risico’s voor de nationale veiligheid aanwezig zijn. De NS is geen onderdeel van deze organisaties. Voor de implementatie hiervan hebben deze inkopende organisaties tot eind 2027 de tijd gekregen. Daarover is uw Kamer geïnformeerd (TK 2025/2026 26 643, nr. 1438). Als een inkopende organisatie, voordat zij besluit de ABRO toe te gaan passen, al een aanbestedingsproject in gang heeft gezet, is uitgangspunt dat deze aanbesteding niet alsnog onder de ABRO kan worden gebracht.
In bedoelde Kamerbrief is ook gemeld dat voorbereidingen worden getroffen om deze beveiligingseisen ook te laten toepassen door andere inkopende organisaties. Dat gaat om onder meer Zelfstandige Bestuursorganen, provincies, gemeenten, waterschappen en vitale sectoren. Momenteel wordt binnen het rijksbrede programma «Veilig inkopen» onderzocht welke risico’s deze organisaties lopen voor de nationale veiligheid. Het staat nog niet vast welke specifieke organisaties in dit onderzoek worden meegenomen. Voor deze inkopende organisaties worden de benodigde juridische instrumenten, financiën en organisatorische afspraken voorbereid. In het 3e kwartaal van 2026 wordt de Tweede Kamer over de stand van zaken van het programma «Veilig inkopen» geïnformeerd.
De ABRO maakt onderdeel uit van een keten. De inkopende organisatie deelt bij aanvang van een aanbesteding mee dat de ABRO wordt toegepast. Als bij een inkoop de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied (ADV) wordt gevolgd, dan biedt dat de mogelijkheid om alleen bedrijven uit de Europese Economische Ruimte én bedrijven uit nader te bepalen landen toe te laten als inschrijver op zo’n inkoop.
De ABRO ziet niet direct op digitale soevereiniteit en biedt geen directe mogelijkheden om ongewenste overnames te voorkomen of bepaalde aanbieders op voorhand uit te sluiten in een aanbesteding. Het Nationaal Bureau Industrieveiligheid (NBIV) controleert het bedrijf dat als winnaar uit zo’n aanbesteding komt of het aan de ABRO-eisen voldoet. Daarbij dient onder meer inzicht te worden gegeven in de organisatiestructuur van en de zeggenschap over een bedrijf. Als de risico’s voor de nationale veiligheid niet kunnen worden beperkt, geeft NBIV geen ABRO-verklaring af en kan in beginsel geen contract worden afgesloten.
Bij een contract waarop de ABRO is toegepast, is de contractspartij verplicht om NBIV tijdig te informeren bij potentiële overnames of wisselingen in significante invloed. Het biedt opdrachtgever en NBIV daarmee de mogelijkheid om de risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Indien die risico’s niet kunnen worden beperkt, kan de ABRO-verklaring worden ingetrokken en kan de inkopende organisatie het contract ontbinden.
Is het mogelijk om via het Cloud Sovereignty Framework van de EU wél voorkeur te geven aan Europese partijen bij ICT-aanbestedingen? Waarom is daar in dit geval geen gebruik van gemaakt?
Het Cloud Sovereignty Framework van de EU is niet van toepassing op deze tender en bestond nog niet ten tijde van het uitzetten van de onderhavige aanbesteding. Het is op basis van de aanbestedingsregels niet toegestaan om gedurende de aanbestedingsprocedure aanvullende eisen (zoals het EU Cloud Sovereignty Framework) toe te voegen.
Het Cloud Sovereignty Framework van de EU biedt kwalitatieve scoringseisen voor aanbestedende partijen en heeft als doel om een level playing field te bieden aan clouddienstverleners, en tevens om de sector richting Europese standaarden en waarden te drijven. Het Cloud Sovereignty Framework is dus niet gericht op het uitsluiten van partijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden, nog voordat er onomkeerbare stappen worden gezet?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen hun deuren moeten sluiten. Dit is zeer ingrijpend en buitengewoon vervelend voor de betrokken kinderen en hun ouders of verzorgers, die dagelijks afhankelijk zijn van intensieve en gespecialiseerde zorg. Ook voor de medewerkers, die zich met grote betrokkenheid inzetten voor deze kwetsbare groep, brengt dit veel onzekerheid met zich mee.
Juist bij deze vorm van zorg is continuïteit van groot belang. Wanneer die onder druk komt te staan, leidt dat begrijpelijkerwijs tot zorgen. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen zorgvuldig handelen, ouders en medewerkers goed informeren en alles op alles zetten om passende oplossingen te vinden, waarbij het belang van het kind steeds vooropstaat.
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Ik begrijp dat ouders en hun kinderen in onzekerheid verkeren over waar hun kind zorg kan krijgen. Ik hecht daarom grote waarde aan het belang van continuïteit van zorg, en begrijp dat de huidige situatie veel vraagt van kinderen, hun ouders en medewerkers van Villa ExpertCare.
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting2. De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»3. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Uit de openbare jaarverantwoordingen van Villa ExpertCare valt op te maken dat in 2022 en 2024 een negatief resultaat is behaald en in 2023 een positief resultaat. De jaarverantwoording over 2025 is nog niet gepubliceerd.
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
In februari 2026 is overleg geweest tussen de Branchevereniging integrale kindzorg (Binkz), zorgverzekeraars en de NZa. Mogelijk kan één van de zeven andere leden van Binkz die 24-uurs kindzorg leveren een oplossing bieden. Maar het hoeft niet altijd intramuraal te zijn. Er wordt voor ieder kind gekeken wat passend is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Op dit moment is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
Het bericht ‘Studenten uit Gaza die beurs was beloofd kunnen toch nog niet door met hun studie in Wageningen’ |
|
Annette Raijer (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Moes , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Wageningen University & Research de juridische procedure van twee in Gaza geboren studenten faciliteert door de proceskosten te vergoeden en kunt u aangeven uit welke middelen deze kosten worden betaald? Zo nee, waarom niet?1
Ik ben bekend met het bericht.
De Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) geeft een instelling ruimte om voorzieningen te treffen voor de financiële ondersteuning van een internationale student die aan de instelling is ingeschreven. Instellingen gaan zelf over de invulling die zij hieraan geven. De Wageningen Universiteit (WUR) verstrekt jaarlijks twee beurzen aan studenten uit conflictgebieden. De WUR heeft mij laten weten dat deze beurzen worden bekostigd uit een fonds dat hiervoor door de instelling is ingericht. Uit hetzelfde fonds worden nu de proceskosten betaald. De WUR geeft aan dat de middelen voor dit fonds uit de inkomsten uit instellingscollegegeld van niet EER-studenten worden gehaald. Het betreft dus geen middelen die vanuit de Rijksoverheid aan de WUR worden verstrekt. Wel is het zo dat instellingscollegegeld wordt geïnd op basis van WHW waarmee deze middelen als publiek zijn aan te merken.
Hogescholen en universiteiten hebben bestedingsvrijheid voor deze middelen, maar zijn hierbij gebonden aan dezelfde kaders die de WHW aan de besteding van de overheidsbijdrage stelt. Het is aan de WUR om te zorgen dat zij hun middelen binnen de kaders van de wet besteden. Zij rapporteren over hun bestedingen in hun jaarverslag.
Kunt u uitsluiten dat voor deze rechtszaak publiek bekostigde onderwijs- en onderzoeksbudgetten van de universiteit worden ingezet en, zo nee, acht u het wenselijk dat universiteitsgeld wordt gebruikt voor juridische procedures tegen de Staat?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek en niet op het voeren of financieren van rechtszaken om buitenlandse en consulaire besluitvorming af te dwingen?
Ik deel met u dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek. Ik heb geen reden om aan te nemen dat universiteiten van deze doelstellingen afwijken.
Kunt u aangeven of en op welke wijze de betreffende studenten vooraf zijn gescreend op veiligheidsrisico’s, waaronder mogelijke banden met extremistische of terroristische organisaties zoals Hamas?
Deze studenten hebben de reguliere procedure doorlopen. Voorafgaand aan de afgifte van een verblijfsvergunning voor studie voert de IND een openbare orde-check uit in nationale en internationale justitiële en politiesystemen, waaronder het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Aanvragers moeten een antecedentenverklaring invullen en ondertekenen. Deze omvat ook lopende zaken, niet-onherroepelijke veroordelingen en buitenlandse antecedenten. De referent (in dit geval de WUR) ziet hierop toe. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot afwijzing.
Als blijkt dat de betrokkene een gevaar voor de openbare orde en/of nationale veiligheid vormt, zal de aanvraag worden geweigerd.
Bent u bereid vast te leggen dat universiteiten geen financiële, juridische of bestuurlijke verplichtingen mogen aangaan richting personen uit conflictgebieden zolang niet vaststaat dat dit noodzakelijk, veilig en volledig getoetst is en dat dit niet leidt tot precedentwerking?
Het staat buitenlandse studenten vrij om een studie aan Nederlandse universiteiten te volgen als zij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Het in mijn vorige antwoord benoemde reguliere proces is hier een onderdeel van voor studenten die niet uit de EER of uit Zwitserland komen. Deze processen zijn in dit geval doorlopen en hiermee zijn de studenten wat mij betreft afdoende getoetst.
Ik zie op dit moment geen reden om de bestaande processen en regelgeving op dit gebied te wijzigen.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
De ‘pijplijnactie’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Naar welke «pijplijnactie» verwees u in dit debatfragment1? Wordt er verwezen naar het opblazen van de Nordstream? Of betreft het een incident met een andere pijplijn? Zo ja, welke pijplijn?
Het debat ging over het verschil tussen een signalering in het Schengen Informatiesysteem (SIS) en persoonsgerichte sancties. Het voorbeeld werd gebruikt om dit verschil nader te illustreren en te wijzen op de mogelijkheid dat EU-lidstaten in uitzonderingsgevallen toegang kunnen verlenen aan personen signalering in het SIS.
Er werd niet verwezen naar Nord Stream. Het incident betrof een drone-aanval van het Oekraïense leger op een oliepompstation in Rusland, dat gebruikt werd om Russische troepen in de agressieoorlog tegen Oekraïne te bevoorraden. Ten gevolge van deze aanval kwam de olietoevoer via de Droezjba-pijplijn van Rusland naar Hongarije in de zomer van 2025 tijdelijk stil te liggen. Dit betrof overigens geen heimelijke actie: de Oekraïense strijdkrachten en de betrokkene zelf hebben deze oorlogshandeling publiekelijk bekend gemaakt
Maakte Nederland (al dan niet indirect) gebruik van de getroffen pijplijn? Indien dat niet het geval is, waarom was het kabinet dan geïnteresseerd in een gesprek hierover met deze officier?
Nederland maakt geen gebruik van de Droezjba -pijplijn. Overigens houdt de aanval die in de zomer van 2025 plaatsvond geen verband met huidige onderbreking van leveranties via deze pijplijn, die is veroorzaakt door een Russische aanval in januari jl. op een pompstation op Oekraïens grondgebied.
De betreffende persoon was in Nederland vanwege zijn specifieke expertise op het gebied van onbemenste systemen met een militaire toepassing. Nederland steunt Oekraïne via de Ukraine Defence Contact Group, in het bijzonder binnen de Drone Capability Coalition Steering Group. Om die steun doelgericht en effectief vorm te geven, is directe expertise over het gebruik en de effecten van dergelijke onbemenste systemen noodzakelijk.
In welk land wordt «de Oekraïense officier» verdacht van betrokkenheid bij de pijplijnactie? Kunt u meer informatie geven over deze verdenking?
Hongarije heeft de persoon in kwestie in het SIS geplaatst. Het is aan Hongarije om te communiceren over de aard en stand van eventuele strafrechtelijke verdenkingen. Nederland kan niet ingaan op de inhoud van verdenkingen die ten grondslag liggen aan een door een andere lidstaat geplaatste SIS-signalering.
Door welk ander Europees land was deze Oekraïense officier op de lijst van het Schengeninformatiesysteem (SIS) geplaatst?
Hongarije heeft de persoon in kwestie in het SIS geplaatst.
Waarom is er een uitzondering gemaakt en is aan deze officier toch toegang verleend tot Nederland?
De regels die grondslag liggen aan het Schengengebied voorzien in de mogelijkheid dat een lidstaat, na een eigen belangenafweging, in uitzonderingsgevallen toegang kan verlenen aan een persoon die door een andere lidstaat is gesignaleerd in het SIS.
In dit geval is na zorgvuldige toetsing geconcludeerd dat een beperkte, gecontroleerde toegang voor een specifiek doel gerechtvaardigd was. De betrokkene beschikt over specifieke expertise op het gebied van onbemenste systemen, die relevant is voor de effectieve invulling van de steun via de Drone Capability Coalition binnen de Ukraine Defence Contact Group. Deze expertise draagt bij aan de Nederlandse kennis op het gebied van onbemenste systemen, een belangrijke prioriteit in het versterken van de defensiegereedheid van Nederland.
Hoe is Nederland in contact gekomen met deze Oekraïense officier? Heeft deze officier Nederlandse instanties zelf benaderd? Zo ja, welke instanties en waarom deed hij dat? Of kwam het initiatief voor dit gesprek vanuit het kabinet? Zo ja, waarom? Wat was de reden, de aanleiding?
Binnen de Drone Capability Coalition zijn het de co-leads, het Verenigd Koninkrijk en Letland, die verantwoordelijk zijn voor de uitnodigingen voor de overleggen van de Drone Capability Coalition. De betreffende persoon is door het Verenigd Koninkrijk en Letland uitgenodigd voor een overleg in Nederland vanwege zijn expertise op het gebied van onbemenste systemen.
In het kader van de internationale veiligheids- en defensiesamenwerking onderhoudt Nederland via onder meer de Ukraine Defence Contact Group op verschillende niveaus contacten met Oekraïense strijdkrachten. Over de verdere totstandkoming van het contact kan ik in het openbaar geen nadere uitspraken doen, mede gelet op de vertrouwelijkheid van de internationale samenwerking en de veiligheid van betrokkenen.
Kan de Kamer het gespreksverslag ontvangen van het gesprek met deze Oekraïense officier? Zo nee, waarom niet?
Gesprekken in het kader van de Drone Capability Coalition (DCC) zijn onderdeel van het diplomatieke verkeer en betreffen veiligheidsonderwerpen die zich niet lenen voor openbaarmaking.
Kan de Kamer het gespreksverslag van het gesprek met deze Oekraïense officier in vertrouwen ter inzage aangeboden krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het delen van vertrouwelijke gesprekken in het kader van de Drone Capability Coalition schaadt de betrekkingen met de andere landen die onderdeel zijn van de Drone Capability Coalition. Dit belang wordt door het kabinet zwaarder gewogen dan het delen van deze informatie.
In welke hoedanigheid werd deze officier toegang tot Nederland verleend, als privépersoon of als luitenant-kolonel van het Oekraïense leger?
De betrokkene is bij het verlenen van toegang aan Nederland beoordeeld in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de Oekraïense autoriteiten met specifieke kennis en ervaring op het gebied van de rol van onbemenste systemen in moderne oorlogsvoering. In het kader van de toegangstoets is gekeken naar de functie, de context en het doel van het bezoek.
Is er, naast deze Oekraïense luitenant-kolonel, door het kabinet met nog meer mensen gesproken over deze «pijplijnactie»? Zo ja, met wie?
Nederland onderhoudt, in het kader van de oorlog in Oekraïne en de bredere Europese veiligheid, regelmatig contact met verschillende Oekraïense en andere internationale gesprekspartners. Over concrete personen of inhoud van gesprekken kan ik in het openbaar geen uitspraken doen.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.
Het bericht ‘Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Abortusarts kliniek in Enschede mist hartslag bij embryo, baby uiteindelijk alsnog geboren»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Is het gebruikelijk dat een abortusarts alleen een uitwendige echo doet voordat een abortus wordt uitgevoerd? Welke richtlijnen zijn er bij een zwangerschap van minder dan twaalf weken?
Ja. Abortusartsen maken meestal eerst een uitwendige (abdominale) echo. Als dit geen goed beeld geeft, bijvoorbeeld omdat het om een zeer vroege zwangerschap gaat, kan het nodig zijn om een inwendige (transvaginale) echo te maken.2
Wat is de wetenschappelijke consensus over de kans op aangeboren afwijkingen als een kindje na een mislukte abortus alsnog wordt geboren? Zijn alle abortusartsen van de meest recente inzichten op de hoogte?
Bij een mislukte medicamenteuze zwangerschapsafbreking is er een aantoonbaar verhoogd risico op aangeboren afwijkingen. Blootstelling aan misoprostol tijdens het eerste trimester vermeerdert namelijk de kans op het syndroom van Möbius, amnionstrengsyndroom, cerebrale en craniale afwijkingen en artrogrypose.3
Het is niet duidelijk welk effect een mislukte curettage (zonder voorbehandeling met misoprostol) heeft op de foetus. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft in deze casus geconcludeerd dat er geen degelijke wetenschappelijke onderbouwing was voor het ernstig afraden van het uitdragen van de zwangerschap.4
Abortusartsen zijn op de hoogte van de (beperkte) risico’s van abortusbehandelingen en blijven op verschillende manieren geïnformeerd over de meest recente inzichten, bijvoorbeeld via congressen en vakliteratuur. Het verhoogde risico op aangeboren afwijkingen na blootstelling aan misoprostol is in meerdere wetenschappelijke studies, zowel oudere als recentere, beschreven.5
Welke ruimte wordt er aan de vrouw gelaten om anders dan het medisch advies toch te kiezen voor een zeer vroege abortus die het risico heeft om niet te slagen, en daarna het risico dat de nog levende foetus zich ontwikkelt met aangeboren afwijkingen?
De vrouw beslist altijd samen met haar arts welke behandeling het meest geschikt is, nadat zij is geïnformeerd over de voor- en nadelen en risico’s. De kans op een doorgaande zwangerschap na een abortus is klein. Bij ongeveer 1% van de vrouwen leidt een abortusbehandeling niet tot een beëindiging van de zwangerschap.6 Na een abortus wordt aanbevolen om een zwangerschapstest te doen. Wanneer een doorgaande zwangerschap wordt geconstateerd, bestaat in vrijwel alle gevallen nog steeds de wens om deze af te breken. Er wordt dan een (extra) curettage verricht.
Welke richtlijnen over advisering en informatie aan de vrouw zijn er voor de abortusarts als een vrouw in de kliniek aangeeft toch niet te willen kiezen voor een abortus? Op welke manier moet de arts zich ervan verzekeren dat de vrouw «in vrijwilligheid, na zorgvuldige overweging en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren leven en van de gevolgen voor haarzelf en de haren» haar keuze maakt, zoals in artikel 5 Wet afbreking zwangerschap (Waz) staat?
De beroepsrichtlijn voor abortusartsen over keuzebegeleiding bevat uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming.7 De richtlijn bevat bijvoorbeeld aanbevelingen over hoe artsen twijfel kunnen herkennen en welke vragen zij het beste kunnen stellen bij (een vermoeden van) twijfel. Ook bevat de richtlijn adviezen over het bespreken van alternatieven voor abortus, zoals adoptie, pleegzorg of zelf opvoeden. De richtlijn bevat tevens aanbevelingen voor het toetsen van de vrijwilligheid, bijvoorbeeld de aanbeveling om elke vrouw minimaal één keer alleen te spreken zonder (ex)partner, familie of naasten. Abortusartsen en verpleegkundigen zijn getraind, deskundig en ervaren in het voeren van besluitvormingsgesprekken. Mocht er enige twijfel of aarzeling bemerkt worden, verbaal of non-verbaal, dan wordt dit benoemd en besproken.
Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben, is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.8
Welke richtlijnen zijn er over het delen van informatie aan derden voor een abortuskliniek?
Artsen mogen geen informatie over een patiënt aan derden verstrekken, tenzij het gaat om informatieverstrekking aan personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van dezelfde behandelingsovereenkomst met een patiënt.9 Aan die personen mag de arts wel zonder toestemming informatie verstrekken als dit noodzakelijk is voor de werkzaamheden binnen de behandelingsovereenkomst. Zo mag een arts informatie over de patiënt delen met personen in het behandelteam, bijvoorbeeld verpleegkundigen. Ook mogen artsen advies vragen aan collega’s en in dit kader informatie over patiënten met elkaar delen.
Klopt het dat artikel 296 Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5 Waz geen bepaling bevatten die een onzorgvuldig uitgevoerde abortus strafbaar stelt, zoals wel het geval is bij euthanasie, namelijk in artikel 1f van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)? Waarom niet?
Euthanasie is strafbaar op grond van artikel 293 Sr (levensbeëindiging op verzoek) en 294 Sr (hulp bij zelfdoding). Alleen voor artsen is een uitzondering gemaakt. In artikel 293 Sr staat dat een arts niet strafbaar is als die zich houdt aan de zes zorgvuldigheidseisen uit de Wtl en diens handelen meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer. De medisch zorgvuldige uitvoering van euthanasie is één van die zes zorgvuldigheidseisen (artikel 2 lid 1 onder f Wtl).
Op grond van artikel 296 Sr is het strafbaar om iemands zwangerschap af te breken. Net als bij euthanasie is een uitzondering gemaakt voor artsen.10 Anders dan artikel 293 Sr kent artikel 296 Sr echter géén directe verwijzing naar zorgvuldigheidseisen. De strafbaarstelling van abortus verschilt in die zin dus van die van euthanasie.
Zorgvuldige uitvoering van abortuszorg wordt (juridisch) op andere manieren geborgd. Op abortuszorg is, in tegenstelling tot op euthanasie, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) van toepassing. Daarin is de algemene plicht opgenomen om goede zorg te verlenen. De Wafz en het Besluit afbreking zwangerschap (Bafz) bevatten daarnaast specifieke waarborgen voor zorgvuldige abortuszorg. Bijvoorbeeld zorgvuldigheidseisen die ertoe strekken dat vrouwen verantwoorde voorlichting krijgen en dat er voldoende nazorg is. Artikel 16 van het Bafz schrijft voor dat een abortuskliniek ervoor moet zorgen dat «medische en verpleegkundige hulpverlening aan de vrouw gewaarborgd is voor de duur van haar verblijf in de kliniek». De beroepsgroep van abortusartsen is verantwoordelijk voor medisch-inhoudelijke richtlijnen en voor visitaties aan klinieken, de IGJ ziet toe op de kwaliteit van abortuszorg, en het medisch tuchtrecht biedt mogelijkheden om artsen aan te spreken op onzorgvuldig medisch handelen.
Op bovengenoemde manieren wordt (medisch) zorgvuldige abortuszorg gewaarborgd. Het juridisch kader functioneert goed, zo blijkt ook uit de laatste evaluatie van de Wafz. Ik zie daarom geen aanleiding om te onderzoeken wat de meerwaarde is van een aanvullende zorgvuldigheidseis in de Wafz.
Vanzelfsprekend blijf ik het functioneren van de Wafz en het Bafz nauwlettend volgen, bijvoorbeeld middels de volgende wetsevaluatie die in 2027 start.
Bent u bereid te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn om een dergelijke zorgvuldigheidseis aan de Waz toe te voegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u reden naar aanleiding van de uitspraak van het medisch tuchtcollege om bestaande medische richtlijnen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan beroepsgroepen van artsen om hun professionele richtlijnen vorm te geven. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen kunnen zij naar eigen inzicht gebruikmaken van actuele wetenschappelijke kennis, ontwikkelingen in de medische praktijk en eventuele signalen uit tuchtrechtelijke procedures. Het is van groot belang dat artsen hierin onafhankelijk te werk kunnen gaan. Als bewindspersoon past het mij niet om me te mengen in de inhoudelijke invulling van medische richtlijnen, daarom zal ik geen stappen zetten om de medische richtlijn aan te scherpen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
De rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column van Marianne Zwagerman in De Telegraaf waarin stevige kritiek wordt geuit op de recente rechterlijke uitspraak over klimaatbeleid en de rolopvatting van rechters?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat rechters in klimaat- en stikstofzaken de grenzen van hun constitutionele rol overschrijden en daarmee feitelijk op de stoel van de wetgever gaan zitten?
Ik zie dat anders. Binnen onze democratische rechtsstaat toetst de rechter handelingen en beslissingen aan het geldende recht, aan formele wetten die door de wetgever zijn opgesteld en aan algemeen verbindende bepalingen in internationale verdragen. In sommige zaken zal de rechter om tot een beslissing te kunnen komen rechtsregels (nader) moeten concretiseren, aanvullen of verfijnen voordat hij deze kan toepassen. De rechter kan en mag hierbij aan rechtsvorming doen. Rechters leggen rekenschap af door hun uitspraak duidelijk te motiveren. Een duidelijke motivering van de uitspraak is extra belangrijk naarmate een uitspraak meer in de belangstelling van de samenleving staat en/of de maatschappelijke gevolgen groot kunnen zijn. Een heldere en goed toegelichte motivering op basis van welke overwegingen de rechter tot zijn uitspraak is gekomen, is zeker in dit soort zaken van groot belang om de samenleving en ook de wetgever inzicht te geven in de gemaakte afwegingen.
Deelt u de opvatting dat het toepassen en interpreteren van mensenrechtenverdragen door rechters grote beleidsmatige gevolgen kan hebben zonder directe democratische legitimatie? Zo ja, hoe wordt die spanning volgens u voldoende ondervangen?
Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet. Artikel 91, eerste lid van de Grondwet (Gw) bepaalt dat het Koninkrijk pas aan verdragen gebonden mag worden na voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. Verdragen mogen dus niet worden gesloten zonder goedkeuring van de Eerste en Tweede Kamer. Daardoor zijn rechtstreeks doorwerkende verdragsbepalingen democratisch gelegitimeerd. Vervolgens is de verplichting tot naleving van internationaal recht vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Het is daarom de taak van de rechter om normen uit de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen toe te passen. Als in een zaak een nationale wet in strijd blijkt te zijn met zo'n rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt in dat specifieke geval, conform artikel 94 Gw, de nationale wet buiten toepassing gelaten.
Acht u het wenselijk dat rechters zich in het openbaar, bijvoorbeeld via sociale media, uitspreken over politieke of activistische standpunten die direct raken aan zaken waarover zij (recent of mogelijk toekomstig) rechtspreken?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel eigen grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak2 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Er staat bijvoorbeeld in dat uitingen van rechters eerlijk, correct en respectvol dienen te zijn en dat in de communicatie het onderscheid tussen privépersoon en rechter bewaakt moet worden. Dit geldt ook voor uitingen op sociale media. Ook is er de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties.3 Daarin staat dat de opdracht van de rechter om onpartijdig te oordelen, met zich brengt dat hij zich van zijn persoonlijke opvattingen – met inbegrip van sympathieën en antipathieën – bewust is en blijk geeft daar bij zijn professionele oordeel afstand van te nemen. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode.4 De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Deze normen zijn gebaseerd op vijf kernwaarden: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, integriteit, deskundigheid en professionaliteit. Deze code is bedoeld om aan anderen te laten zien welk gedrag zij van rechters mogen verwachten. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Welke gedragsregels gelden momenteel voor rechters met betrekking tot publieke uitingen en maatschappelijke betrokkenheid en acht u deze regels toereikend om de schijn van partijdigheid te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt binnen de rechterlijke organisatie beoordeeld of een rechter zich behoort te verschonen wanneer diens publieke uitingen raken aan de inhoud van een voorliggende zaak?
De rechter is verplicht om uitspraak te doen over een concrete zaak die binnen zijn bevoegdheid valt en hem via de juiste procedure is voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft de wettelijke mogelijkheid te verzoeken zich te mogen onttrekken aan een bepaalde zaak als zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden door feiten of omstandigheden (artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 8:19 van de Algemene wet bestuursrecht). Uit de wet volgt dat het aan de rechter is om zich te verschonen. De rechter maakt dus zelf de afweging of hij zich dient te verschonen. De Leidraad kan daarbij houvast bieden. Elk gerecht heeft een protocol dat het proces van de formele verschoningsprocedure bevat.5
In hoeverre vindt u dat de huidige benoemings- en toezichtstructuur van de rechterlijke macht voldoende waarborgen biedt tegen bevooroordeeldheid of activisme binnen de rechtspraak?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd. Zo is in de Grondwet verankerd dat eenieder recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter (artikel 17, eerste lid Gw). Verder is een belangrijke waarborg dat grondwettelijk is vastgelegd dat rechters voor het leven benoemd worden (artikel 117, eerste lid, Gw). Bovendien is van belang dat aan het rechterlijk ambt wettelijke opleidingsvereisten en beroepskwalificaties zijn verbonden. Rechters worden benoemd op basis van inhoudelijke kwalificaties, en niet bijvoorbeeld op politieke gronden. Verder is (grond)wettelijk gewaarborgd dat rechters in uiterste gevallen, en alleen onder strikte voorwaarden, onderworpen kunnen worden aan disciplinaire maatregelen.
Naast de in het antwoord op vraag 6 genoemde verschoningsprocedure is er bovendien nog de wrakingsprocedure. Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt. Dit verzoek wordt voorgelegd aan drie andere rechters, een zogenoemde «wrakingskamer». De wrakingskamer beoordeelt het wrakingsverzoek en beslist of de behandeling van de zaak door een andere rechter moet wordt overgenomen. Als het verzoek wordt afgewezen zal de rechter die de zaak behandelde de behandeling voortzetten. Daarnaast is het mogelijk om een klacht in te dienen over de manier waarop rechters zich hebben gedragen. De klacht moet gaan over bejegening. Er kan niet geklaagd worden over de uitspraak van de rechter of over beslissingen van de rechter tijdens en over de procedure. Ieder gerecht heeft een klachtenprocedure. Ook is het mogelijk een klacht in te dienen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die een vordering bij de Hoge Raad kan instellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging van de rechter (artikel 13a tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn, tot slot, in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling.6
Deelt u de analyse dat het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak onder druk kan komen te staan wanneer rechterlijke uitspraken worden ervaren als politiek of moreel gemotiveerd in plaats van strikt juridisch?
Ik deel de analyse in zoverre dat ik zie dat rechterlijke uitspraken met bredere maatschappelijke gevolgen soms tot een discussie en debat leiden. Maar ik deel de analyse niet dat het vertrouwen in de rechtspraak onder druk komt te staan als gevolg van deze discussie. Discussie over de verhoudingen in de trias politica hoort bij een vitale democratische rechtsstaat. Dat mag soms zelfs een beetje schuren, zolang de discussie constructief en met respect voor de onafhankelijke positie van de rechter gevoerd wordt. Discussie over de rol van de rechter is niet nieuw en het vertrouwen dat mensen hebben in de rechters is onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport van de Venetië Commissie 2023 en uit het Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie 2024. Dit beeld wordt bevestigd in het continue onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, met de constatering in het bericht van oktober 2024 dat het vertrouwen van de Nederlandse burger in de rechtspraak stabiel is op 76%. De in de antwoorden op vragen 4,5,6 en 7 opgesomde waarborgen zijn gericht op behouden van het vertrouwen in de Rechtspraak.
Bent u bereid te onderzoeken of meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen kan bijdragen aan het versterken van dat vertrouwen, zonder de onafhankelijkheid van de rechtspraak aan te tasten?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het vertrouwen dat mensen hebben in de rechtspraak onverminderd hoog. Ik zie dan ook geen aanleiding voor onderzoek naar meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen.
Kunt u uiteenzetten waar volgens u de grens ligt tussen legitieme rechtsvinding door de rechter en het feitelijk creëren van nieuw beleid via jurisprudentie?
Zie het antwoord op vraag 2 over de constitutionele rol en de rechtsvormende taak van de rechter. In aanvulling op dit antwoord geef ik graag mee dat een rechter die oordeelt over een zaak die aan hem wordt voorgelegd dit doet op basis van de toepasselijke wet- en regelgeving rekening houdend met de concrete feiten en omstandigheden in dat specifieke geval. Daarom is het lastig deze vraag in zijn algemeenheid te beantwoorden en om op voorhand aan te geven waar de grens zou liggen. Rechtsvorming door de rechter kan zich alleen voordoen in een specifieke zaak die aan de rechter wordt voorgelegd. Van algemene beleidsvorming is bij rechtsvinding door de rechter geen sprake. Dat neemt niet weg dat een rechterlijk oordeel in een concrete zaak wel bredere maatschappelijke gevolgen kan hebben. Het is aan de wetgever hier desgewenst op te reageren.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht 'Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls' |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls» en de daarin aangehaalde uitkomsten van onderzoek van ING, waaruit zou blijken dat bijna 80% van de jongvolwassenen (18–34 jaar) maandelijks een impulsaankoop doet en dat een op de drie van hen hierdoor wel eens in financiële problemen is gekomen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zorgelijk is als impulsaankopen, mede door achteraf betalen, kunnen bijdragen aan structurele geldnood, zeker bij jongvolwassenen met een kleine financiële buffer, en dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor bescherming van jongeren, zodat problematische schulden kunnen worden voorkomen en we financiële weerbaarheid kunnen versterken?
Ja. Het is zorgelijk wanneer impulsaankopen bijdragen aan financiële problemen, zeker bij jongvolwassenen met een beperkte financiële buffer. Achteraf betalen kan dit effect versterken omdat het de drempel voor aankopen verlaagt en het bewustzijn van de werkelijke financiële impact vermindert. Ik vind het daarom belangrijk dat consumenten adequaat worden beschermd en dat zij in staat worden gesteld om weloverwogen keuzes te maken.
Met de komst van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de daaruit volgende implementatiewet wordt hiervoor een belangrijke basis gelegd. Voor het eerst valt achteraf betalen volledig onder het wettelijke consumentenkredietkader, waardoor aanbieders verplicht zijn om zorgvuldig te toetsen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt en om consumenten beter te informeren over de voorwaarden en risico’s. Daarnaast legt de CCDII regels vast over reclame, toezicht, raadpleging van het kredietregister en maximale vergoedingen, bijvoorbeeld bij te late betalingen en maatregelen bij (dreigende) betalingsproblemen, waardoor consumenten beter beschermd zijn tegen overkreditering. Dit is een essentiële stap om problematische schulden te voorkomen en de financiële weerbaarheid van consumenten te versterken.
Tegelijkertijd is achteraf betalen onderdeel van een breder fenomeen, waarbij beïnvloeding via sociale media tot impulsaankopen kan leiden. Dit kan zorgen voor financiële problemen bij kwetsbare groepen zoals jongeren. Daarom blijft het belangrijk om naast wettelijke bescherming ook aandacht te hebben voor bewustwording en educatie, zodat jongeren leren omgaan met financiële keuzes in een samenleving waarin online aankopen steeds makkelijker en sneller worden gedaan. Om die bewustwording te vergroten zet het kabinet in op verschillende initiatieven. Zo dient de «Week van het geld» als belangrijke aanjager voor het stimuleren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren en is er aandacht voor thema’s als financiële verleidingen en achteraf betalen. Het hele jaar door worden scholen ondersteund via de website geldlessen.nl met onderwijsmateriaal over omgaan met geld. Tevens is er vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in verschillende tijdvakken subsidie beschikbaar gesteld voor onderwijsinstellingen van het middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs en primair onderwijs om structureel aandacht te geven aan financiële educatie. Daarnaast is met de «Betaal Later Kater» campagneronde specifiek aandacht besteed aan risico’s van achteraf betalen en zijn er concrete tips gegeven aan jongeren hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan.
Bent u het ermee eens dat er een koopstopregister moet komen, zoals bepleit door de deskundigen, waarin jongeren uit zelfbescherming zich kunnen afmelden voor achteraf betalen, en bent u bereid te verkennen hoe (en door wie) een landelijk werkende zelfuitsluitingsoptie voor BNPL kan worden ingericht?
Binnen de sector zijn reeds initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting van achteraf betalen mogelijk te maken. Zo beschikt de BNPL-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden Preventie Register», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting, zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener.2 BNPL-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebben aangegeven positief te staan tegenover deelname aan dit register en zijn hierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt daarnaast reeds over een eigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-app kunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten «Betaal binnen 30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaal nu» mogelijk blijft.3 Tegen deze achtergrond ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om zelf een landelijk koopstopregister voor BNPL te ontwikkelen.
Bent u bereid hiervoor ook inspiratie op te doen bij het Crux-register, dat voor online gokken een effectieve zelfuitsluitingsoptie biedt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om strengere transparantie-eisen te stellen aan aanbieders van achteraf betalen over voorwaarden en risico’s (zoals betaaltermijnen, aanmanings- en incassokosten) en om te voorkomen dat deze informatie wordt «weggestopt», zoals in het artikel wordt gesignaleerd?
Met de CCDII worden strengere eisen gesteld aan de informatieverstrekking aan consumenten. Aanbieders moeten tijdig, duidelijk en begrijpelijk informeren over onder meer betaaltermijnen, kosten, gevolgen van te late betaling en eventuele incassomaatregelen. Ook volgen uit de implementatie van de CCDII regels die de vergoedingen maximeren die aanbieders bij consumenten in rekening mogen brengen, inclusief maximale kosten bij te late betaling.
Daarnaast gaan regels gelden voor verantwoorde reclame en worden aanbieders onder toezicht geplaatst van de AFM. De AFM kan handhavend optreden wanneer aanbieders niet voldoen aan de wettelijke transparantie- en zorgplichtvereisten.
Kunt u aangeven hoe het inmiddels staat met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over onderzoeken of inkomensondersteunende regelingen van de overheid op een vast moment in de maand kunnen worden uitbetaald, zodat mensen daar hun vaste lasten beter op aan kunnen sluiten en zo een beter financieel overzicht krijgen?2
Het nieuwe kabinet heeft in het coalitieakkoord de ambitie opgenomen om alle regelingen van de overheid op een vast moment in de maand uit te betalen en dat te laten aansluiten op één vaste betaaldag voor de maandlasten. Momenteel is het Ministerie van SZW bezig met een onderzoek naar de praktische uitvoerbaarheid van het harmoniseren van betaalmomenten. Dit onderzoek richt zich zowel op de inkomstenkant als de uitgavenkant van mensen die inkomensondersteunende regelingen ontvangen. De onderzoeksvragen waar het onderzoek op ingaat zien op de mogelijkheden tot samenbrengen van betaalmomenten van inkomensondersteunende regelingen en incassomomenten van vaste lasten. Daarbij is aandacht voor de gevolgen voor burgers, publieke dienstverleners, private organisaties en systeemrisico’s. Het onderzoek is bijna afgerond en zal voor de zomer met een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden voor het inbouwen van een «nadenkmoment» bij achteraf betalen?
Het idee van een «nadenkmoment» sluit aan bij het bredere uitgangspunt dat consumenten een weloverwogen beslissing moeten kunnen nemen bij het aangaan van krediet. Met de implementatie van de CCDII worden aanbieders verplicht om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst adequate informatie te verstrekken en een kredietwaardigheidstoets uit te voeren.
In hoeverre aanvullende gedragsinterventies, zoals een verplicht nadenkmoment, effectief en proportioneel zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
Bent u bereid nogmaals uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om achteraf betalen in fysieke winkels te verbieden, ook in relatie tot de per november 2026 in werking te treden Herziene richtlijn consumentenkrediet (Consumer Credit Directive II; CCDII) voor consumentenbescherming bij achteraf betaaldiensten?
De CCDII reguleert achterafbetaaldiensten volledig en maakt geen onderscheid tussen online en fysieke aanbiedingsvormen. Een nationaal verbod op BNPL in fysieke winkels, terwijl online BNPL wel toegestaan blijft, is daarom naar verwachting juridisch niet verenigbaar met het maximumharmonisatiekarakter van de richtlijn.
Kunt u aangeven hoe ver de kredietcheck reikt die aanbieders van achteraf betalen moeten doen na het in werking treden van de CCDII per november 2026, en of dit inderdaad voldoende is om jongeren te beschermen tegen aankopen waar zij onvoldoende middelen voor hebben, of dat er aanvullende bescherming nodig is?
De CCDII verplicht aanbieders tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets voordat een krediet wordt verstrekt. Dit houdt in dat zij, op basis van toereikende informatie over de financiële situatie van de consument, moeten beoordelen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt. Ook worden regels ingevoerd voor raadplegen van en registratie bij het BKR, zodat kredietverplichtingen inzichtelijk zijn en overkreditering kan worden tegengegaan.
Daarnaast bevat de CCDII bepalingen ten aanzien van vroegsignalering van schulden. Zo worden aanbieders verplicht om consumenten op tijd door te verwijzen naar schuldadviesdiensten en dienen zij passende respijtmaatregelen te treffen bij betalingsproblemen. Ook worden kosten voor invordering gemaximeerd en wordt het aanbieden van BNPL aan minderjarigen verboden.
Met dit samenhangende pakket aan maatregelen biedt de CCDII een stevig en toekomstbestendig kader voor consumentenbescherming. Of aanvullende maatregelen nodig zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
De sterke stijging van gemeentelijke lasten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Rijkaart , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeentelijke lasten stijgen bijna drie keer zo hard als inflatie: vooral automobilisten en huiseigenaren de klos»?1
Ja
Erkent u dat een stijging van gemeentelijke heffingen met 6,5 procent, bijna drie keer de geraamde inflatie van 2,4 procent volgens De Nederlandsche Bank, voor veel huishoudens onbetaalbaar begint te worden?
De inflatie (consumentenprijsindex, CPI) wordt bepaald op basis van een pakket aan goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland. Ook stijgingen van de gemeentelijke heffingen worden in het inflatiecijfer meegenomen. De inflatie is nadrukkelijk een gemiddelde. Afhankelijk van het pakket aan goederen en diensten dat een huishouden gemiddeld aanschaft kan de inflatie die specifieke huishoudens ervaren afwijken van dit gemiddelde.
Het kabinet staat bij aanvang en bij het opstellen van de begroting in augustus stil bij de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen mensen zoals geraamd door het Centraal Planbureau. Over het algemeen is het effect van de gemeentelijke lasten op de koopkrachtontwikkeling beperkt.
Hoe rechtvaardigt u dat gemeentelijke lasten sinds 2016 met ruim 68 procent zijn gestegen, terwijl lonen en koopkracht deze ontwikkeling niet hebben bijgehouden?
Ik begrijp de zorgen die er zijn over de stijging van de gemeentelijke lasten.
Echter, het is van uit staatsrechtelijk perspectief niet gepast om als bewindspersoon te treden in een discussie over de lokale lasten in een specifieke gemeente. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen.
Met ingang van 2020 is een benchmark lokale woonlasten geïntroduceerd. Door de benchmark kan de ontwikkeling van de lokale woonlasten beter vergeleken worden, waardoor de gemeenteraadsleden over meer informatie beschikken om afgewogen beslissingen te nemen over de ontwikkeling van de lokale woonlasten (in relatie tot de lokale opgaven).
Deelt u de conclusie dat huiseigenaren en automobilisten structureel worden gebruikt als melkkoe om gemeentelijke begrotingen sluitend te krijgen?
Het is niet aan mij om hierover een oordeel uit te spreken. Gemeenten hebben binnen de grenzen van de wet- en regelgeving een eigen vrijheid op het gebied van lokale belastingen. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen.
Ten aanzien van de financiële positie van gemeenten geldt dat deze positie de afgelopen periode inderdaad aandacht heeft gevraagd. In bredere zin gaat het om een balans tussen de taken en middelen die gemeenten hebben, als ook de bevoegdheden en uitvoeringskracht om die taken uit te voeren en de risico’s die zij daarbij lopen. Op diverse terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt, wij bewaken dat deze afspraken nagekomen worden. Zo is het afgelopen jaar door het toenmalige kabinet en de VNG tot gezamenlijke afspraken gekomen over de jeugdzorg op grond van het rapport Van Ark. De VNG heeft in haar reactie op de opvolging van het rapport Van Ark aangegeven, dat er op dit moment een financieel werkbare situatie voor gemeenten is ontstaan.2 Bij de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025–2027 cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Daarnaast is er bij de Miljoenennota 2026 een bedrag van 728 miljoen euro aan het Gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden aanvullende maatregelen door het Rijk samen met gemeenten uitgewerkt.
Hoe beoordeelt u de forse stijging van parkeerheffingen, met name in grote steden als Amsterdam en Rotterdam, waar automobilisten steeds vaker geen betaalbaar alternatief meer hebben?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
In hoeverre erkent u dat het uitbreiden van betaald parkeren primair een inkomstenmaatregel is geworden en niet langer een instrument voor verkeers- of leefbaarheidsbeleid?
De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de openbare ruimte en voor een goede bewegwijzering naar (openbare) parkeerlocaties. In (stedelijke) gebieden met structureel hoge parkeerdruk zet de gemeente vaak betaald parkeren en vergunninguitgifte in om de druk te kunnen reguleren (SDP, 2019)3. Alhoewel de maatregel Autoparkeerbeleid niet direct als hindermaatregel genomen wordt, kan goed beleid voor autoparkeren wel bijdragen aan de bereikbaarheid van binnensteden, het verhogen van de kwaliteit van de openbare ruimte en het milieu.4
Zoals bij vraag 4 aangegeven, de politieke weging van voor- en nadelen vindt plaats in de gemeenteraad. Het is aan de betreffende gemeenteraad zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Welke concrete verantwoordelijkheid neemt het kabinet voor het feit dat gemeentelijke lasten structureel sneller stijgen dan de inflatie?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Bent u bereid om landelijke maxima of inflatiekoppelingen in te voeren voor gemeentelijke heffingen zoals de onroerende zaakbelasting (OZB) en parkeerbelastingen? Zo nee, waarom niet? En wat bent u bereid dan wel te doen om deze onrechtvaardige stijging van lasten te stoppen?
Nee, zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Welke bescherming biedt het kabinet op dit moment aan huishoudens die door stapeling van gemeentelijke lasten in financiële problemen komen?
Landelijk bestaan er verschillende maatregelen om armoede en (problematische) schulden te verhelpen of voorkomen. Gemeenten voeren daarnaast ook hun eigen armoedebeleid, dit verschilt per gemeente.
Ernstige privacyschendingen door het UWV bij fraudebestrijding |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het UWV jarenlang onrechtmatig pasfoto’s van burgers heeft opgevraagd bij gemeenten ten behoeve van fraudebestrijding, zoals onder andere omschreven in het artikel van EenVandaag?1
Ja, dat ben ik.
Erkent u dat het opvragen en gebruiken van pasfoto’s uit paspoort- en ID-administraties door het UWV in strijd is met de Paspoortwet?
Nee. Ik erken wel dat het opvragen en gebruiken van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs bij gemeenten een vergaand middel is. UWV heeft de bevoegdheid tot het opvragen en gebruiken van een kopie van foto’s op een identiteitsbewijs op basis van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Proportionaliteit en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals zorgvuldigheid staan bij het uitoefenen van deze bevoegdheid voorop.
UWV verstrekt jaarlijks meer dan één miljoen uitkeringen. Misbruik komt voor en dat pakt UWV aan. Controle en toezicht op de rechtmatigheid zijn hiervoor belangrijke onderdelen van het takenpakket van UWV. Per jaar ontvangt UWV ongeveer 6.000 signalen van mogelijke regelovertreding. Medewerkers beoordelen of deze signalen moeten worden onderzocht. UWV doet circa 2.000 toezichtonderzoeken op jaarbasis. Bij een klein aantal hiervan, ongeveer 100 per jaar, moet er een kopie van een foto op een identiteitsbewijs worden opgevraagd. Het gaat op jaarbasis om circa 5% van het totaal aantal toezichtonderzoeken. Dat is nodig als tijdens het onderzoek blijkt dat het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet. UWV zet hiervoor eerst lichte middelen in: mogelijk kan het op het internet worden gevonden. Als de lichte middelen niet een (betrouwbaar) resultaat opleveren, dan kan een zwaarder middel worden ingezet zoals het opvragen van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs. Dit gebeurt alleen bij een concreet vermoeden van misbruik, waarbij het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet, en dat niet op een minder ingrijpende manier kan worden onderzocht. Dit vergaande middel zet UWV dan ook beperkt in.
Hoe beoordeelt u het feit dat het UWV intern erkent dat deze werkwijze «strikt genomen niet rechtmatig» is, maar medewerkers desondanks expliciet opdraagt hiermee door te gaan?
In het verleden is een document met een persoonlijke opvatting van een medewerker beschikbaar geweest voor andere medewerkers van UWV. De inhoud hiervan bevat niet het juridische standpunt of de werkwijze van UWV. De tekst is inmiddels verwijderd en de geldende werkinstructies, waaronder over het waarnemen, brengt UWV regelmatig onder de aandacht van de UWV-medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Deelt u de mening dat hier sprake is van bewust en structureel overtreden van privacywetgeving door een overheidsinstantie die juist het goede voorbeeld zou moeten geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat overheidsinstanties zorgvuldig en terughoudend moeten omgaan met persoonsgegevens. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun privacy wordt gerespecteerd door de overheid. Ook UWV handelt binnen dit kader. In de situatie die in het artikel wordt geschetst, gaat het om toezichtonderzoek waarbij het mogelijk is voor UWV om een kopie van een foto op een identiteitsbewijs op te vragen bij de gemeente voor identificatie van een uitkeringsgerechtigde waartegen concrete vermoedens van misbruik zijn. UWV maakt beperkt gebruik van deze bevoegdheid en pas nadat andere minder inbreukmakende middelen zijn ingezet. Het opvragen van kopieën van identiteitsbewijzen bij gemeenten is proportioneel en toegestaan op grond van artikel 54 van de Wet SUWI. Er is hier dus geen sprake van het bewust en structureel overtreden van wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat het UWV pasfoto’s gebruikt voor het observeren en volgen van uitkeringsgerechtigden, inclusief het vastleggen van kleding, uiterlijk en loopgedrag?
Ik begrijp dat het waarnemen van uitkeringsgerechtigden een vergaand middel is en vragen oproept over privacy en proportionaliteit. Het uitgangspunt is vertrouwen in mensen. Dit middel zet UWV daarom beperkt in. Toch zijn er ook mensen en organisaties die zich doelbewust niet aan de regels houden. Het is een taak van UWV om deze situaties te onderkennen en er gepast op te reageren.
Bij concrete vermoedens van misbruik moet UWV onderzoek doen. In sommige gevallen kunnen kleding of loopgedrag daarbij relevant zijn in een toezichtonderzoek. Zo is er een casus geweest waarbij iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, omdat diegene slecht ter been was. Na een tip startte UWV een onderzoek en bij de waarneming die daar op volgde, bleek deze persoon een halve marathon te lopen. Dan is het inderdaad relevant om de situatie en uitkeringsgerechtigde te beschrijven en vast te leggen. Daarbij moet een toezichtmedewerker wel zorgvuldig vaststellen dat hij de juiste persoon waarneemt, zoals beschreven in antwoord op vraag 2. Toezichtmedewerkers hebben verschillende manieren om misbruik te onderzoeken. Daarbij worden altijd eerst de minst ingrijpende onderzoeksmethoden ingezet.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het UWV dat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) boven de Paspoortwet zou staan, terwijl meerdere privacy-experts dit nadrukkelijk tegenspreken?
Wat betreft de Paspoortwet en de Wet SUWI het volgende. De Paspoortwet en de daarbij behorende lagere regelgeving regelen specifieke zaken in verband met identiteitsbewijzen, zoals de uitgifte en inname van identiteitsbewijzen, en de bescherming van de daarbij gebruikte gegevens. Gemeenten vervullen een belangrijke rol in de uitvoering van de Paspoortwet. In artikel 73 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is specifiek ten aanzien van de gegevens in de reisdocumentenadministratie aangegeven aan wie gemeenten deze gegevens mogen verstrekken. In de Wet SUWI zijn regels en bevoegdheden van onder andere UWV vastgelegd in het kader van de wettelijke taken die UWV uitvoert. Daarbij horen ook toezicht op en handhaving van de regels betreffende uitkeringen. In dat kader heeft UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI de bevoegdheid om gegevens en inlichtingen bij onder andere de colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. De bevoegdheid van UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI ziet derhalve op veel meer situaties dan alleen het opvragen van gegevens uit reisdocumenten bij gemeenten. De gegevens die UWV opvraagt moeten uiteraard noodzakelijk zijn voor de taak van UWV en het gebruik van de bevoegdheid moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding (proportionaliteit). Mogelijk is verwarring ontstaan doordat in artikel 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 UWV niet staat vermeld als instantie aan wie gemeenten gegevens uit reisdocumenten mogen verstrekken. Dit doet niet af aan de bevoegdheid die UWV heeft op grond van artikel 54 van de Wet SUWI.
Hoe verklaart u dat gemeenten als Amsterdam en Rotterdam jaarlijks meerdere pasfoto’s verstrekken aan het UWV, terwijl andere gemeenten verzoeken weigeren vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag?
Ik begrijp dat verschillen in handelwijze tussen gemeenten vragen oproepen. Zoals hiervoor toegelicht, geeft artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet SUWI aan UWV de bevoegdheid om in het kader van de toezichttaak kopieën van een foto op een identiteitsbewijs bij colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. Dat in de praktijk verschillend wordt gehandeld door gemeenten, doet niet af aan de wettelijke grondslag waarop UWV handelt, maar beperkt wel de onderzoeksmogelijkheden van UWV. Dit was mij niet eerder bekend en daarom ga ik hierover in gesprek met de betrokken partijen om te komen tot een eenduidige toepassing.
Heeft het UWV de Autoriteit Persoonsgegevens actief geïnformeerd over deze werkwijze, en zo nee, waarom niet?
UWV handelt binnen het wettelijk kader van de Wet SUWI en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UWV rapporteert daarom niet proactief aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Welke maatregelen neemt u om per direct te stoppen met deze praktijk en om te voorkomen dat het UWV in de toekomst opnieuw wettelijke grenzen overschrijdt bij fraudebestrijding?
UWV houdt toezicht conform de wettelijke kaders. Ik vind het van belang dat de geldende werkwijze helder is vastgelegd en eenduidig wordt toegepast. UWV brengt de geldende werkinstructies daarom regelmatig onder de aandacht van medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze handelwijze, zowel bestuurlijk als richting het UWV-management?
UWV maakt in deze gevallen een zorgvuldige belangenafweging tussen privacy en het onderzoeken van mogelijk misbruik. Ik zie dan ook geen reden om hieraan consequenties te verbinden.
Het bericht 'Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp' |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp» van 29 januari jongstleden, waarin wordt beschreven dat het omstreden gasproject in Mozambique weer van start gaat en Nederland betrokken blijft via de exporteurspolis aan Van Oord?1
Ja.
Waarom acht u het verstandig om de exporteurspolis te laten doorlopen en een Nederlands bedrijf met publieke dekking van de Nederlandse belastingbetaler door te laten gaan met werkzaamheden aan dit project?
Zoals uiteengezet in mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025 is er voor de exporteurspolis geen sprake van een nieuw wegingsmoment.2 Volgend uit Nederlands verzekeringsrecht kan de Staat deze polis alleen pauzeren of beëindigen wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Hoe ziet u toe op de naleving van internationale regelgeving en richtlijnen van de werkzaamheden van Van Oord?
Van Oord rapporteert sinds begin 2021 middels reguliere monitoringsrapportages over hun werkzaamheden aan ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB). Er is afgesproken dat zij dit blijven doen. Op deze manier monitort ADSB of de werkzaamheden van Van Oord in lijn zijn met internationale standaarden.
Herinnert u zich het onderzoek van Clingendael dat u met de Kamer heeft gedeeld waarin een beeld wordt geschetst van structurele mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de regio, begaan bij de bescherming van dit gasproject?2
Ja.
Waarom blijft u werkzaamheden aan dit gasproject via een exporteurspolis dekken terwijl onderzoek – nota bene in uw opdracht – heeft geconcludeerd dat de bescherming van het project gepaard ging met structurele mensenrechtenschendingen? Hoe rijmt dit met wat u op 1 september 2025 aan de Kamer schreef: «In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen exportkredietverzekering verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s»?3
Besluitvorming over het verstrekken van een ekv vindt plaats voorafgaand aan polis afgifte. Dan wordt getoetst of het project in lijn is met het Nederlandse beleid voor de ekv. Projecten met onacceptabele risico’s zullen niet in verzekering worden genomen. Na afgifte van de polis kan deze alleen worden ingetrokken wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door de verzekerde partij, in dit geval Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Welke, bijvoorbeeld juridische, risico’s ziet u hier voor de Nederlandse overheid die deze werkzaamheden dekt en op die manier nog altijd betrokken is bij dit project?
De Staat loopt een financieel risico dat is gelijk aan het maximale verzekerde schadebedrag onder de exporteurspolis. Verder is de Staat onder Nederlands verzekeringsrecht gehouden aan het nakomen van zijn verplichtingen als verzekeraar onder de exporteurspolis. Indien dit niet gebeurt kan dit juridische consequenties met zich meebrengen.
Kunt u precies uiteenzetten wat het verschil is tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en waarom de financieringspolis wel is stopgezet, maar Nederland de exporteurspolis niet stop wil of kan zetten?
De exporteurspolis dekt het risico dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden. De financieringspolis voor Standard Chartered Bank dekt het risico dat de lening die verstrekt wordt aan het project niet wordt terugbetaald. Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het verschil tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en het daaruit volgende handelingsperspectief voor de Staat verwijs ik naar mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025.5
Hoe is het stopzetten van de financieringspolis gebeurd? Kunt u bevestigen dat de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB, samen met de Britse exportkredietverzekeraar, de deelname aan het project niet opnieuw had bevestigd en dat TotalEnergies daarom heeft besloten zonder Nederlandse en Britse financiering verder te gaan met het project?
TotalEnergies (Total) heeft ADSB op 24 november 2025 via een zogeheten cancellation noticelaten weten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering van het project. Het besluit van Total heeft de Nederlandse besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis doorkruist. Over het besluitvormingsproces in het Verenigd Koninkrijk kan ik geen uitspraken doen.
Waarom heeft u niet eerder deze financieringspolis uit eigen beweging stop gezet? Waarom heeft u dit niet gedaan na verschijnen van het onderzoek van Clingendael op 7 november 2025? Waarom heeft u dit niet gedaan na één van de sinds 2021 toenemende waarschuwingssignalen die u bereikten over geweld, klimaat- en milieuschade? Was dit een kwestie van niet kunnen of niet willen?
Het kabinet heeft altijd aangegeven vast te houden aan een gedegen besluitvormingsproces waarin alle risico’s zorgvuldig worden gewogen.6 Hiertoe achtte ik het noodzakelijk om over een zo volledig mogelijk beeld te beschikken. Juist vanwege zorgwekkende signalen over de veiligheidssituatie heb ik in december 2024 besloten om aanvullend onafhankelijk advies in te winnen.7 De onderzoekers van Clingendael en Pangea Risk hebben hun adviesrapporten op 7 november 2025 opgeleverd. Met deze adviesrapporten had het kabinet, samen met de adviezen van ADSB en hun onafhankelijke consultants en de input vanuit lokale stakeholders en de Nederlandse ambassade in Maputo, voldoende informatie om tot besluitvorming over te gaan. Tot besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis is het echter niet gekomen vanwege het besluit van Total.
Welke stappen heeft u wél ondernomen na verschijning van het Clingendael-onderzoek op 7 november 2025?
Zoals in voorgaand antwoord toegelicht was er pas na 7 november 2025 voldoende informatie om te starten met de voorbereiding van de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis. Doordat het besluit van Total de Nederlandse besluitvorming doorkruiste zijn door het kabinet, naast het openbaar maken van de eerder genoemde adviesrapporten, geen besluiten genomen over de ekv-polissen voor onderhavig project.
Aangezien Nederland tot voor kort medefinancier was van het project, welke verantwoordelijk vloeit hieruit voort? Heeft Nederland volgens u een verantwoordelijkheid – zo niet juridisch, danwel moreel en politiek – bij het zorgen voor rechtvaardigheid voor slachtoffers en nabestaanden van het geweld? Bent u voornemens medewerking te verlenen aan de verschillende strafprocedures die lopen, onder andere in de vorm van toegang tot alle relevante documentatie? Neemt Nederland die verantwoordelijkheid ook op andere wijzen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich bij alle projecten waarbij het via een ekv-polis is betrokken in voor naleving van internationale standaarden. Indien er tijdens de uitvoering van het project sprake is van misstanden dan zal Nederland altijd de invloed die het heeft maximaal inzetten om verbetering voor betrokken partijen te realiseren. Nu Nederland niet langer betrokken is bij de financiering van het project kan het via die weg geen invloed meer uitoefenen. Het kabinet heeft wel het adviesrapport van Clingendael gedeeld met de autoriteiten in Mozambique zodat zij deze kunnen gebruiken voor hun eigen onderzoeken. Tevens heeft de Nederlandse ambassade in Maputo bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie van Mozambique) het belang onderstreept dat Nederland aan deze onderzoeken hecht en dat de voortgang ervan nauwlettend zal worden gevolgd.
Hoe beoordeelt u de huidige contractuele clausules die moeten waarborgen dat opdrachtnemers voldoen aan IMVO-richtlijnen en internationale mensenrechtenstandaarden? Deelt u onze analyse dat de nog steeds uitstaande exporteurspolis voor Van Oord laat zien dat deze verplichtingen mogelijk onvoldoende stevig zijn verankerd in de contracten die Atradius DSB afsluit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze bepalingen te versterken en herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Elke exporteur ondertekent bij het indienen van een verzekeringsaanvraag een inspanningsverplichting voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. ADSB controleert in hun milieu- en sociale beoordeling of het beleid van exporteurs daarvoor voldoende is. Voor hoog risicoprojecten wordt deze naleving door de exporteur ook tijdens de uitvoering van het project of de levering van het kapitaalgoed gecontroleerd. Indien de verzekerde partij zich niet houdt aan gemaakte afspraken dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering. Deze situatie is voor onderhavige exporteurspolis niet aan de orde omdat ik geen reden heb om aan te nemen dat Van Oord zich niet aan internationale standaarden heeft gehouden. Ik zie dan ook geen aanleiding om de bestaande procedures aan te passen.
Kunt u beschrijven op welke manier u en Atradius DSB afgelopen maanden contact hebben gehad met TotalEnergies?
Sinds ADSB betrokken is bij het project is er regelmatig contact geweest tussen ADSB en Total voor de beoordeling van de financiële, milieu- en sociale, compliance en veiligheidsrisico’s van het project. Dit is conform de reguliere werkwijze van ADSB en ging door middel van gesprekken en site-visits. ADSB heeft na de beslissing van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering geen contact meer gehad met Total over de financiering van het project.
De Nederlandse ambassade in Maputo heeft op verschillende momenten contact gehad met de leiding van Total in Mozambique, onder andere over mensenrechten. Op laagambtelijk niveau is er contact geweest tussen de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken en Total over het project en om contact tussen de onderzoekers van Pangea Risk en Clingendael tot stand te laten komen. De onderzoekers hebben hun bevindingen aan vertegenwoordigers van Total toegelicht. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën op verzoek van Total op vier momenten in 2025 op hoogambtelijk niveau contact gehad met vertegenwoordigers van het bedrijf. Tijdens deze gesprekken is het ministerie gevraagd naar het Nederlandse besluitvormingsproces en het werk van de eerder genoemde onderzoekers. Tot slot heb ik zelf op initiatief van Total op 1 december 2025 telefonisch gesproken met de President Exploration and Production, waarbij ik heb aangegeven de adviezen van Clingendael en Pangea openbaar te zullen maken. De betreffende rapporten zijn dezelfde dag naar de Tweede Kamer gestuurd.
Op welke manier brengt TotalEnergies verslag uit van het project richting Atradius DSB? Welke informatie over het project wordt met u gedeeld en hoe ziet deze verslaglegging eruit?
Met het beëindigen van de financieringspolis zijn ook de rapportageverplichtingen van Total richting ADSB vervallen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert Van Oord nog wel reguliere monitoringsrapportages aan over hun eigen werkzaamheden binnen het project.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers dat dit vernederend is.
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken. Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze zich onprettig of onveilig voelen.
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak. Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan op de locatie Budel aan te verbeteren.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef. Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie. Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.