Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een concreet plan1 lag om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden, maar dat deze operatie uiteindelijk niet is doorgegaan? Zo ja, waarom is hiervan afgezien?
Klopt de bewering2 dat voormalig Minister Brekelmans niet heeft ingestemd met een operatie om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid? Zo ja, welke rol hebben deze zorgen gespeeld bij de besluitvorming? Zo nee, wat is volgens u de feitelijke gang van zaken geweest?
Klopt het dat het besluit om de operatie niet uit te voeren heeft geleid tot aanzienlijke onvrede, discussie of consternatie binnen de betrokken organisaties? Zo ja, waar zag deze op? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat van bewindspersonen mag worden verwacht dat zij het algemeen belang en de veiligheid van de samenleving vooropstellen, ook wanneer besluiten mogelijk gevolgen hebben voor hun eigen veiligheid of beveiliging, en dat persoonlijke veiligheidszorgen nooit een reden mogen zijn om af te zien van de aanhouding van een van de meest gezochte criminelen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
De continuïteit van huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u net als de indiener signalen ontvangen dat de continuïteit van de huisartsenzorg op de Friese Waddeneilanden onder druk staat doordat er geen structurele vergoeding bestaat voor de beschikbaarheid tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW)?
VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en ben ervan op de hoogte dat er uitdagingen zijn bij het organiseren van de huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenduren op de (Friese) Waddeneilanden. Het is bekend dat praktijkhouders zelf aangeven dat de vergoeding voor (bereikbaarheid tijdens) ANW-diensten hier een van de oorzaken van is.
Het is de inzet van het kabinet dat de continuïteit en kwaliteit van huisartsenzorg overal in Nederland, en dus ook op de (Friese) Waddeneilanden, gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de preferente zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de situatie op de Friese Waddeneilanden wezenlijk verschilt van die op het vasteland, omdat patiënten niet eenvoudig kunnen uitwijken naar een huisartsenpost, spoedeisende hulp of andere vormen van vervolgzorg? Zo nee, waarom niet?
Ja, zowel partijen uit de regio als de NZa en LHV geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de Kamerleden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Bent u ermee bekend dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden naast reguliere huisartsenzorg vaak ook taken verrichten op het gebied van spoedzorg, radiologie, traumatologie, apotheekzorg en op sommige eilanden zelfs verloskunde?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Friese Waddeneilanden tijdens ANW-diensten uitsluitend worden vergoed voor daadwerkelijk geleverde consulten en verrichtingen, terwijl zij gedurende die gehele periode beschikbaar en inzetbaar moeten zijn voor spoedzorg?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland en dat hiervoor ook een andere wijze van bekostigen geldt. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Deelt u de zorg dat het ontbreken van een vergoeding voor beschikbaarheid en bereikbaarheid het voeren van een huisartsenpraktijk op de Friese Waddeneilanden minder aantrekkelijk maakt en daarmee een risico vormt voor de continuïteit van zorg voor zowel inwoners als bezoekers van de eilanden? Zo nee, waarom niet?
Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor wel van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat verzekeraars passende en doelmatige financiering kunnen organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en de preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Acht u het op de langere termijn houdbaar dat een zeer beperkte groep huisartsen verantwoordelijk is voor een groot aantal ANW-diensten per jaar, terwijl de werkdruk hoog is en het door de gebrekkige financiering van deze diensten steeds moeilijker wordt om waarnemers en huisartsen in dienstverband te vinden en te behouden?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5, zet het kabinet in op continuïteit van huisartsenzorg in elke regio en is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, te komen tot een structurele oplossing waarbij de bijzondere omstandigheden van de Friese Waddeneilanden worden meegewogen en ook de beschikbaarheid van huisartsenzorg tijdens ANW-diensten passend wordt bekostigd?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. De bekostigingssystematiek biedt preferente zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is mij bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Bent u bereid hierover op korte termijn in gesprek te gaan met de betrokken huisartsenpraktijken, de Nederlandse Zorgautoriteit en de zorgverzekeraar, en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het is, zoals in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 aangegeven, aan partijen zelf om vanuit hun rollen en verantwoordelijkheden de hen toegereikte instrumenten in te zetten om de continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden te borgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Eerstelijnszorg?
Ja.
Mogelijke corruptie via Nederlandse brievenbusfirma’s bij Albanees resort van schoonzoon Trump |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het corruptieonderzoek naar het Albanese resort dat leidt naar Nederlandse brievenbusfirma’s?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving hierover in de media.
Deelt u de analyse dat de combinatie van grootschalige buitenlandse investeringen, zwakke institutionele controle en complexe Nederlandse eigendomsstructuren een enorm risico vormt voor de democratische controle?
Het kabinet onderschrijft in algemene zin het belang van transparantie over eigendomsstructuren en geldstromen en van adequate waarborgen tegen witwassen en corruptie. Complexe eigendomsstructuren zijn op zichzelf niet ongebruikelijk of onrechtmatig, maar kunnen het moeilijker maken om inzicht te verkrijgen in de uiteindelijke begunstigden («UBO’s») en geldstromen. Hiertegen heeft Nederland maatregelen genomen. Zo zijn juridische entiteiten verplicht hun UBO's te registreren in het UBO-register. Daarnaast hebben financiële instellingen en specifieke beroepsgroepen, waaronder trustkantoren, een poortwachtersfunctie en zijn zij verplicht cliëntonderzoek uit te voeren. Dit cliëntonderzoek houdt onder meer in dat de poortwachter de UBO verifieert en inzicht verkrijgt in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur. Het kabinet zet zich zowel nationaal als internationaal in voor verdere versterking van de transparantie van eigendomsstructuren en uiteindelijk belanghebbenden. Dit gebeurt onder meer via de implementatie van het Europese antiwitwaspakket2, waarin regels over onder meer cliëntenonderzoek en UBO-transparantie verder worden geharmoniseerd.
Deelt u de analyse dat Nederland als leverancier van brievenbusfirma’s een belangrijke spil vormt bij het wegsluizen van buitenlands geld?
Trustkantoren zijn gereguleerd via de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) en hebben een poortwachtersfunctie om integriteitsrisico’s, waaronder witwasrisico’s, te beheersen. Trustkantoren mogen uitsluitend met een door De Nederlandsche Bank (DNB) verleende vergunning trustdiensten aanbieden en staan onder doorlopend toezicht van DNB. Op 1 januari 2019 is de Wtt 2018 in werking getreden met als doelstelling een betere beheersing van integriteitsrisico's in de trustsector ten opzichte van de voorloper van de Wtt 2018.3 Dit doel was mede ingegeven door maatschappelijke zorgen naar aanleiding van onder andere de Panama Papers, de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies en de toezichtspraktijk van DNB.4 De Wtt 2018 bevat, naast een vergunningsregime voor het verlenen van trustdiensten, eisen aan een integere en beheerste bedrijfsvoering en het verrichten van cliëntenonderzoek, en voorziet in toezicht- en handhavingsbevoegdheden voor DNB.
Het kabinet markeert dat om aan integriteitsrisico’s die aan trustdienstverlening verbonden kunnen zijn de Wtt 2018 sinds de inwerkingtreding meerdere malen is gewijzigd, waardoor de verplichtingen voor trustkantoren en het toezicht op de sector aanzienlijk zijn aangescherpt. Zo is voor trustkantoren een algeheel verbod op het geven van belastingadvies5 en het optreden als doorstroomvennootschap6 ingevoerd om het faciliteren van ongewenste fiscale constructies voor belastingontwijking tegen te gaan. Nederland heeft daarnaast de afgelopen jaren ook op fiscaal gebied veel maatregelen genomen tegen belastingontwijking via doorstroomstructuren, zowel internationaal als nationaal.7 Daarnaast is de Wtt 2018 in 2022 gewijzigd om sanctierisico’s beter te mitigeren, waarbij het verboden is om trustdiensten te verlenen aan cliënten in de Russische Federatie of Belarus. Het verbod om trustdiensten te verlenen is vervolgens uitgebreid tot cliënten, doelvennootschappen en uiteindelijk belanghebbenden die zijn gevestigd in een derde-hoogrisicoland of een land dat voorkomt op de Europese lijst van niet-coöperatieve belastingjurisdicties.8 Voorts zijn maatregelen getroffen om ontwijking van de vergunningplicht tegen te gaan en de handhaving daarvan te versterken. Daartoe is onder meer de definitie van een specifieke trustdienst verduidelijkt en is de boete voor het omzeilen van trustdienstverlening, bijvoorbeeld via «opknippen» van bepaalde diensten, verhoogd. Binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC)9 wordt daarnaast een project uitgevoerd naar illegale trustdienstverlening en is een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.10 Er wordt daarnaast ook gehandhaafd. Zo heeft DNB recent bij tien bedrijven onderzoek gedaan naar het illegaal opknippen van trustdiensten en is bij drie bedrijven een overtreding vastgesteld. Bij vier bedrijven loopt het onderzoek nog, waarbij DNB handhavingsmaatregelen niet uitsluit.11
In de eerste helft van 2026 is de Wtt 2018 geëvalueerd door een extern onderzoeksbureau.12 Uit de evaluatie blijkt dat de Wtt 2018 en de daaropvolgende aanscherpingen hebben bijgedragen aan de versterking van de integriteit van de vergunninghoudende trustsector. De wetgeving is daarmee doeltreffend gebleken in het beperken van de risico's op witwassen, terrorismefinanciering en misbruik van trustdienstverlening binnen de gereguleerde sector. De onderzoekers doen geen aanbevelingen om de Wtt 2018 inhoudelijk aan te passen. Uit de evaluatie blijkt verder dat de (fiscale) maatregelen Nederland de afgelopen jaren minder aantrekkelijk hebben gemaakt als vestigingsland voor doorstroomstructuren. Dit blijkt onder meer uit een recente publicatie van DNB, waaruit volgt dat zowel het aantal financiële holdings van multinationals als het aantal trustkantoren in ongeveer tien jaar tijd bijna is gehalveerd.13 Ook blijkt de effectiviteit van de invoering van de bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden uit de afname van inkomensstromen vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.14
Voor partijen die bedrijven alleen een vestigings- of correspondentieadres ter beschikking stellen met eventueel wat kleine secretariaatswerkzaamheden (in de volksmond brievenbusfirma’s genoemd), geldt dat zij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten naleven. Deze adresverleners worden ook wel aangemerkt als domicilieverleners en staan als poortwachters onder toezicht van de Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI). Tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Europese antiwitwaspakket heeft Nederland zich ingezet voor de invoering van een registratieplicht voor domicilieverleners.15 Dat is nu ook onderdeel geworden van dit pakket, dat Nederland momenteel implementeert. Bij de implementatie van het pakket is het kabinet daarnaast voornemens om gebruik te maken van een lidstaatoptie, zodat domicilieverleners en bredere trustdienstverleners zogenoemd verscherpt cliëntenonderzoek moeten toepassen vanwege de inherente risico’s die met deze dienstverlening gepaard gaat. Hierbij zal de noodzaak voor deze verscherpte maatregelen enige tijd na inwerkingtreding geëvalueerd worden.16 De verwachting is dat het wetsvoorstel voor de implementatie van het anti-witwaspakket voor het eind van het kalenderjaar bij uw Kamer wordt ingediend.
Klopt het dat aandeelhouders zich niet bekend hoeven te maken omdat ze minder dan 25% van het project bezitten? Hoeveel beleidsvrijheid heeft Nederland om dit aan te scherpen? Bent u bereid om dit aan te scherpen?
Een aandeelhouder met 25% of meer van de aandelen of stemrechten is uiteindelijke begunstigde («UBO») van de juridische entiteit. Dat betekent niet dat personen met minder dan 25% van de aandelen of stemrechten géén UBO zijn. Wanneer een persoon op een andere manier zeggenschap heeft over een onderneming kan die persoon ook als UBO worden aangemerkt. Hierbij kan worden gedacht aan statutaire bepalingen, een benoemingsrecht of informele afspraken. Wanneer een persoon voldoet aan de eisen om als UBO te worden aangewezen, moet diegene worden ingeschreven in het UBO-register. Deze regels gelden nu al en worden aangescherpt door de nieuwe Europese antiwitwaswetgeving. In lijn met de kabinetsinzet om administratieve lasten te verminderen is ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de lidstaatoptie om in geval van hoog risico-situaties het percentage om als UBO te worden aangemerkt te verlagen naar 15%. Het toezicht op de naleving van de UBO-regelgeving vindt risicogebaseerd plaats, zodat onnodige regeldruk wordt voorkomen in situaties met een laag risico.
Bent u bereid om proactief mee te werken aan het Albanese anticorruptie onderzoek en te zorgen dat bekend wordt wie alle aandeelhouders zijn in deze constructies?
De Minister van Justitie en Veiligheid kan geen uitspraken doen over lopende (buitenlandse) strafrechtelijke onderzoeken en mogelijke samenwerking en evenmin over entiteiten en aandeelhouders. Nederland en Albanië onderhouden een goede rechtshulprelatie. In het kader daarvan werken politie en het openbaar ministerie (OM) samen met de Albanese anti-corruptiestructuur SPAK in de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit en corruptie. Eventuele rechtshulpverzoeken die in deze samenwerking worden gedaan, worden beoordeeld en verwerkt door de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met het OM.
Kunt u een overzicht geven van de betrokken entiteiten met een Nederlandse link en aangeven onder welke wetgeving zij vallen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat de sector en de zelfregulering op dit moment voldoende functioneert in het algemeen belang? Welke maatregelen heeft u de afgelopen jaren genomen om de trustsector strenger te reguleren? Zijn de beoogde doelen bereikt?
Zie antwoord vraag 3.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De huisartsenzorg op de Waddeneilanden |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdagingen en problemen rondom de organisatie van de huisartsenzorg op de Waddeneilanden?
Ja, VWS heeft navraag gedaan bij betrokken partijen en wij zijn op de hoogte van deze uitdagingen.
Deelt u de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg ook op de Waddeneilanden gewaarborgd moet blijven worden, ook op de lange termijn?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de continuïteit en kwaliteit van zorg niet alleen op de (Friese) Waddeneilanden, maar overal in Nederland gewaarborgd moet blijven, ook op de lange termijn. In lijn met afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zet het kabinet erop in dat huisartsen, regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars in elke regio afspraken maken over continuïteit van huisartsenzorg. Uitkomst van deze afspraken kan zijn dat de zorgverzekeraar naast de reguliere vergoeding van huisartsenzorg ook gericht financieel maatwerk biedt in een bepaalde regio of situatie. De bekostiging biedt hier ruimte voor.
Deelt u de opvatting dat de geïsoleerde ligging en de variabele bevolkingsopbouw van de (Friese) Waddeneilanden ervoor zorgt dat huisartsenzorg daar wezenlijk verschilt van huisartsenzorg op het vasteland? En dat dit zich onder andere uit in het leveren van meer en andere zorg dan huisartsen op het vasteland (onder andere verloskunde, passantenzorg, SEH, apotheekzorg en verplaatste tweedelijnszorg zoals traumatologie) en het dragen van meer verantwoordelijkheid?
Ja, zowel partijen uit de regio als landelijke partijen geven aan dat huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden breed worden ingezet, breder dan de gemiddelde huisarts in Nederland. Vanwege de door de leden genoemde factoren vraagt huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden om maatwerk.
Hoe beoordeelt u het feit dat huisartsen op de Waddeneilanden tot wel 6.136 ANW-uren per jaar draaien, tegenover circa 200 uur op het vasteland, maar daar naar rato minder voor vergoed krijgen?
Het klopt dat de ANW-huisartsenzorg op de (Friese) Waddeneilanden anders is georganiseerd dan op de meeste plekken op het vasteland. In de meeste regio’s wordt de ANW-zorg verzorgd via een Huisartsendienstenstructuur (HDS), waarin huisartsen gezamenlijk de avond-, nacht- en weekendzorg organiseren vanuit een of meer huisartsenposten. Op de (Friese) Waddeneilanden ontbreekt deze structuur en zijn geen huisartsenposten gevestigd. Daardoor blijft de individuele praktijkhouder verantwoordelijk voor de continuïteit van spoedzorg voor de ingeschreven patiënten, ook tijdens ANW-uren. Deze verantwoordelijkheid geldt dus voor het aantal uren dat in deze vraag genoemd is.
Die verantwoordelijkheid kan in de praktijk een aanzienlijk beroep doen op de betreffende huisartsen. Tegelijkertijd betekent dit niet noodzakelijk dat de praktijkhouder al deze uren zelf beschikbaar of bereikbaar moet zijn, omdat de zorg ook kan worden georganiseerd met waarnemers of collega-huisartsen. Ook verschilt de aard en omvang van de zorgvraag van die op een gemiddelde huisartsenpost op het vasteland.
Het klopt ook dat de vergoeding verschilt voor ANW-uren binnen en buiten een HDS. In het geval van ANW-zorg die buiten een HDS wordt georganiseerd, zoals op de (Friese) Waddeneilanden, gelden door de NZa vastgestelde prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS.
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de tarieven voor ANW-diensten op het vasteland in 2023 heeft verhoogd, maar voor huisartsen op de Wadden die zelf de ANW-diensten moeten doen dit niet is gebeurd? En dat een huisartsenpost zijn tarieven mag aanpassen aan stijgende kosten, maar dat dat niet mag voor huisartsen op de Wadden omdat die buiten de huisartsenpost (HAP) werken?
Sinds 1 januari 2023 is het maximum uurtarief voor de spoedeisende huisartsenzorg in de ANW-uren door de NZa is aangepast. Deze tariefsverhoging en -differentiatie per 1 januari 2023 vloeit voort uit afspraken die het kabinet met huisartsenpartijen heeft gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en zijn gekoppeld aan aansluiting bij een huisartsenpost. Het betreft de tarieven die de NZa vaststelt voor ANW-zorg binnen een HDS. Doel was om huisartsen de ruimte te geven om binnen een HDS de diensten onderling beter te verdelen tussen praktijkhouders en waarnemend huisartsen en daarmee de werkdruk te verlagen.
Huisartsen op de (Friese) Waddeneilanden zijn niet aangesloten bij een HDS en vallen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4 buiten de reikwijdte van de betreffende tarieven. De ANW-zorg voor deze huisartsen wordt gereguleerd via prestaties en tarieven voor ANW-verrichtingen buiten de HDS. Daarnaast biedt de bekostiging ruimte om maatwerkafspraken te maken tussen zorgverzekeraars en huisartsenpraktijken, bijvoorbeeld als de continuïteit van huisartsenzorg nu of in de toekomst in de knel dreigt te komen.
Bent u bekend met het «Actieplan werkdruk in de ANW» van de LHV, VPH, InEen en NHG en het feit dat dit actieplan aansluiting bij een huisartsenpost expliciet niet verplicht stelt wanneer de dienststructuur lokaal wordt geregeld, en dat huisartsen op de Wadden hier dus aan voldoen?
Ja, het kabinet is bekend met het ANW-actieplan. Het plan beoogt een eerlijkere verdeling van diensten onder alle huisartsen en richt zich daarbij primair op ANW-zorg die via HDS’en is georganiseerd.
Hoe legt u uit dat de NZa de aangepaste ANW-tarieven toch niet uitkeert aan huisartsen op de Wadden, terwijl zij precies doen wat het actieplan toestaat?
De gedifferentieerde ANW-prestaties en tarieven gelden alleen voor huisartsen die aangesloten zijn bij de HDS-structuur. Huisartsenpraktijken op de Wadden kunnen hier dus geen gebruik van maken, omdat de ANW-zorg in hun situatie wordt bekostigd via prestaties en tarieven voor ANW-zorg buiten een HDS. Wel is er – zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 – de mogelijkheid voor huisartsen om met de preferente zorgverzekeraar tot passende maatwerkafspraken te komen.
De preferente zorgverzekeraar heeft mij aangegeven dat er in dit geval ook maatwerkafspraken zijn gemaakt. Ik heb van betrokken partijen begrepen dat dit nog niet naar tevredenheid is van de betreffende huisartsen.
Bent u bereid de NZa te vragen de aangepaste ANW-tarieven alsnog toe te passen op huisartsen die de diensten lokaal regelen, zoals op de Waddeneilanden?
De aangepaste ANW-tarieven hebben alleen betrekking op ANW zorg die via HDS’en wordt georganiseerd. Dat gaat het kabinet niet aanpassen. Deze systematiek past niet bij huisartsenpraktijken die zelf de ANW-zorg organiseren. Zoals afgesproken in het AZWA, is het aan huisartsen en zorgverzekeraars om samen tot plannen te komen voor continuïteit van huisartsenzorg in een regio. Bij uitstek op de (Friese) Waddeneilanden vraagt dat om maatwerk. De afspraak in het AZWA is dan ook dat zorgverzekeraars financieel maatwerk bieden in regio’s waar de toegankelijkheid van huisartsenzorg nu of in de toekomst in gevaar dreigt te komen. In algemene zin is het daarvoor van belang dat huisartsen transparant zijn over de financiële knelpunten waarvoor zij maatwerk behoeven, zodat de preferente verzekeraar passende en doelmatige financiering kan organiseren. De bekostigingssystematiek biedt zorgverzekeraars de ruimte om het benodigde maatwerk te bieden en zij hebben mij aangegeven dat dat in dit geval ook gebeurt. Het is dit kabinet bekend dat dat nog niet tot tevredenheid van alle betrokken partijen is, maar het is in principe aan partijen zelf om daar uit te komen. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Deelt u de zorgen van eilandbewoners en -artsen dat aansluiting bij Dokterswacht Friesland kan leiden tot meer onnodige doorverwijzingen naar duurdere zorg op het vasteland, met hogere kosten en extra belasting voor patiënten tot gevolg?
Ik heb inderdaad begrepen dat verschillende partijen aansluiting bij Dokterswacht Friesland geen passende oplossing vinden. Een van de zorgen van partijen is dat dit leidt tot een minder efficiënte organisatie van zorg, onder meer vanwege de extra reisbewegingen die artsen en patiënten in dat geval moeten maken. Het is niet aan het kabinet om hier een oordeel te vellen over de weging van voor- en nadelen van aansluiting bij Dokterswacht Friesland. Het kabinet verwacht van huisartsen, de regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars dat zij met elkaar blijven zoeken naar een oplossing die passend en toekomstbestendig is. De NZa houdt hierbij toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraar.
Hoe beoordeelt u het feit dat geen van de drie onderzochte oplossingsrichtingen, aansluiting bij Dokterswacht Friesland, een eigen huisartsenpost en aanpassing van de ANW-vergoeding, tot een passende oplossing heeft geleid? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Het kabinet zet met afspraken uit het AZWA en het regeerakkoord in op toegankelijke huisartsenzorg voor iedere inwoner, ook op de (Friese) Waddeneilanden. Daarbij past dat partijen in deze bijzondere regio samen zoeken naar oplossingen voor dit vraagstuk. Het is positief dat partijen verschillende opties hebben verkend, maar jammer dat deze verkenning tot op heden nog niet heeft geleid tot een richting die voor alle betrokkenen acceptabel is. Het kabinet verwacht van partijen dat zij elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid met elkaar blijven werken aan continuïteit van huisartsenzorg op de (Friese) Wadden.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asielzoeker is dure zorgklant; Kosten zijn in vijf jaar tijd ruimschoots verdubbeld: «waarschijnlijk inhaalslag te maken»»?1
Ja
Klopt het dat de medische kosten voor asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
Het klopt dat de kosten voor de medische zorg aan asielzoekers en statushouders op COA-locaties zijn gestegen van € 105 miljoen in 2020 naar € 268 miljoen in 2024. In het bedrag voor 2024 zijn de kosten voor tbc-screening en de publieke gezondheidszorg nog niet meegenomen. Voor 2024 komt het totaal bedrag daarmee uit op € 294 miljoen. Tegelijkertijd is de bezetting bij het COA gestegen van 27.302 in 2020 naar 68.868 in 2024. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen in 2020 daarmee uit op € 3.850 en voor 2024 op € 4.275. De stijging van de kosten voor de medische zorg is in belangrijke mate te verklaren door de stijging van het aantal asielzoekers. Daarnaast zijn ook de kosten voor de medische zorg in Nederland in zijn algemeenheid gestegen. Dat heeft ook effect op de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers omdat daarvoor wordt gerekend met dezelfde tarieven en gebruik wordt gemaakt van dezelfde instellingen.
Hoe legt u aan Nederlanders die een beroep moeten doen op zorg uit dat zij te maken krijgen met een enorme stapeling van zorgkosten door de bezuinigingen van dit kabinet terwijl asielzoekers geen eigen risico en geen eigen bijdrage hoeven te betalen? Bent u bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren zodat er geen zorgkosten meer gemaakt worden voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Asielzoekers die inkomen uit werk of vermogen hebben, betalen een eigen bijdrage voor de kosten van de opvang. Hierin is ook een bijdrage voor de kosten van de zorg opgenomen. Zoals al vaker aangegeven is er geen juridische ruimte voor een asielstop. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Wat wordt er voor asielzoekers nu aan zorg vergoed zonder dat zij eraan hoeven mee te betalen?
De kosten die vergoed worden aan asielzoekers staan beschreven in de ziektekostenregeling asielzoekers (Regeling Medische zorg Asielzoekers: RMA). De vergoeding is vergelijkbaar met de basiszorg onder de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast hebben volwassen asielzoekers beperkte toegang tot de mondzorg (alleen bestrijding van ernstige pijn en kauwklachten). Voor de minderjarigen geldt de vergoeding van mondzorg gelijk aan de Zvw-basiszorg.
De eerste twee maanden na aankomst in de opvang hebben volwassen asielzoekers recht op de medisch noodzakelijke zorg. Welke zorg noodzakelijk is wordt bepaald door de huisarts.
Daarnaast komen asielzoekers in aanmerking voor publieke gezondheidszorg, waaronder de verplichte tbc-screening voor asielzoekers uit hoog risicolanden, het Rijksvaccinatieprogramma en de bestrijding van de infectieziekten.
In de onderstaande tabel is de uitgave binnen de ziektekostenregeling gespecificeerd. De declaratie en betaling van de zorgkosten vinden niet in zijn geheel in het zelfde jaar plaats als wanneer de behandeling heeft plaatsgevonden. De opgenomen bedragen in onderstaand overzicht betreffen kosten die betaald zijn tot en met november 2025.
Buitenland
13.119
26.176
13.322
76.362
62.979
Farmacie – apotheken
2.130.268
6.060.115
8.297.496
10.756.781
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
7.205.739
2.064.482
1.726.541
2.894.452
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
14.409.791
14.957.262
11.397.963
23.050.552
28.847.203
Huisarts (passant)
654.365
744.468
754.180
1.440.200
1.843.291
Hulpmiddelen
1.065.781
1.197.312
1.566.155
2.380.786
2.585.163
Jeugdhulp
92.952
0
0
0
0
Kraamzorg
921.901
711.574
860.892
1.071.433
1.618.532
M&I verrichtingen1
60.676
73.613
70.062
76.999
93.145
Maatschappelijk Werk
193.781
180.045
150.995
158.332
232.854
Medisch specialistische zorg
29.746.589
26.143.373
35.243.267
46.833.177
70.093.771
Mondzorg
6.365.733
8.324.994
9.491.862
14.163.041
18.476.208
Overig2
564.949
122.523
164.140
534.496
768.987
Paramedisch
652.712
713.922
859.254
1.448.913
1.756.086
Verloskunde
1.403.295
1.110.346
1.536.234
1.856.410
2.040.338
Vervoer
3.737.973
4.088.331
4.561.059
7.054.812
12.016.514
Wijkverpleging
1.752.814
1.858.921
1.971.289
3.025.306
4.720.258
WLZ
1.749.884
3.131.790
3.400.798
5.410.990
4.583.515
WMO
1.604.174
827.288
859.062
4.551.130
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
179.132
337.123
333.679
667.125
980.558
Bezetting
27.302
29.400
43.420
55.600
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
In de post huisartsen (passanten) in bovenstaande tabel zijn niet de kosten opgenomen voor de huisartsenzorg via GZA. De kosten voor huisartsenzorg door GZA, als ook voor GGD-GHOR, uitvoeringskosten van de tbc-screening en de inzet van tolken voor de zorg zijn herleidbaar naar de uitvoerende partij en bevatten daarmee concurrentiegevoelige gegevens. Deze kosten kunnen daarmee niet separaat openbaar worden gemaakt. Ook de kosten voor de tbc-screening en de publieke gezondheidszorg zijn in bovenstaande tabel niet opgenomen.
De totale bedrag voor medische kosten de jaren 2020 tot en met 2024 bedragen:
2020: € 105.109.000
2021: € 122.697.000
2022: € 169.796.000
2023: € 239.017.000
2024: € 294.460.000
Kunt u de zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders uitsplitsen naar huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg, tandheelkundige zorg, geneesmiddelen en tolkdiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom weigert het COA inzicht te geven in de verschillende onderdelen van deze zorguitgaven?
Voor het organiseren van de medische zorg voor asielzoekers is het COA verplicht de verschillende onderdelen (curatieve zorg, publieke gezondheidszorg, jeugdgezondheidszorg) aan te besteden. Vanwege contractuele afspraken kan en mag het COA niet alle gegevens delen, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten. Het COA geeft inzicht in de uitgaven binnen de ziektekostenregeling, zie het antwoord op vraag 5. De financiële jaarverslagen zijn openbaar.
Klopt het dat de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker circa € 3.900 per jaar bedragen? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders in dezelfde leeftijdscategorie?
Als de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg niet worden meegerekend dan komen de gemiddelde zorgkosten per asielzoeker voor 2024 inderdaad neer op ongeveer € 3.900 per persoon. Inclusief de kosten voor de tbc-screening en publieke gezondheidszorg komen de kosten op ongeveer € 4.275 per persoon.
De vergelijking met de gemiddelde zorgkosten van Nederlanders is lastig te maken vanwege verschillen in berekeningen, definities en de samenstelling van de populatie (zoals leeftijdsopbouw). Een enigszins vergelijkbaar zorgpakket komt uit op circa € 5.4002 aan zorgkosten per Nederlander3.
Hoeveel is in 2024 en 2025 uitgegeven aan tolkdiensten binnen de zorg voor asielzoekers en statushouders?
De kosten van tolken die door de zorgverleners zijn ingezet zijn niet openbaar, omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten.
Hoeveel asielzoekers en statushouders maakten in 2024 gebruik van geestelijke gezondheidszorg en wat waren hiervan de totale kosten?
Voor de totale GGZ-kosten zie het antwoord bij vraag 4 en 5. Het COA heeft geen inzage in de aantallen van asielzoekers die GGZ-zorg ontvangen.
Welke gevolgen hebben de stijgende zorguitgaven voor asielzoekers en statushouders voor de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg?
In 2024 verbleven ongeveer 70.000 personen in de asielopvang en bedroegen de totale kosten circa € 300 miljoen. Ten opzichte van 18 miljoen inwoners en € 120 miljard aan zorgkosten in Nederland is het zorggebruik onder asielzoekers beperkt (circa 0,25% van de zorgkosten). De invloed van het zorggebruik door asielzoekers en de stijging van de zorgkosten hebben derhalve een gering effect op de capaciteit en toegankelijkheid van de Nederlandse gezondheidszorg.
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Ja
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
De bekostiging van de medische zorg voor asielzoekers en vergunninghouders in de opvang verloopt via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ik herken dat de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers over de afgelopen jaren zijn gestegen. Deze stijging is in belangrijke mate verklaarbaar door de stijging van het aantal personen dat door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt opgevangen en de stijging van de kosten voor medische zorg in zijn algemeenheid. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
De totale zorgkosten voor respectievelijk de jaren 2025 en 2024 bedragen, conform de jaarrekening van het COA, € 358 miljoen en € 294 miljoen. Dit is inclusief de kosten voor tbc-onderzoek en de publieke gezondheidszorg. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen daarmee uit op respectievelijk € 4.775 voor 2025 en € 4.275 voor 2024. De totale medische kosten zijn gebaseerd op de daadwerkelijk gedeclareerde kosten onder de ziektekostenregeling2. Voor 2025 geldt dat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening door het COA ongeveer 75 procent (€ 172.718.552) van de kosten was gedeclareerd. Voor de nog niet gedeclareerde maar te verwachten kosten is een voorziening opgenomen. Ten aanzien van de exacte zorgkosten voor 2025 en daarmee de gemiddelde kosten per asielzoeker geldt derhalve nog een mate van onzekerheid.
Buitenland
36.859
62.979
Farmacie – apotheken
14.013.865
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
3.867.765
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
38.073.259
28.847.203
Huisarts (passant)
1.999.111
1.843.291
Hulpmiddelen
3.132.946
2.585.163
Kraamzorg
1.627.759
1.618.532
M&I verrichtingen1
93.145
Maatschappelijk Werk
127.545
232.854
Medisch specialistische zorg
57.928.727
70.093.771
Mondzorg
23.019.534
18.476.208
Overig2
922.538
768.987
Paramedisch
2.402.591
1.756.086
Verloskunde
1.671.846
2.040.338
Verslavingszorg
1.168.270
Vervoer
10.052.328
12.016.514
Wijkverpleging
6.147.770
4.720.258
WLZ
3.913.687
4.583.515
WMO
1.486.729
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
1.125.422
980.558
Tbc-onderzoek
2.495.000
2.375.000
Publieke gezondheidszorg
30.945.000
23.692.000
Overige zorgkosten
94.204.598
88.171.820
Bezetting
74.982
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Daar waar mogelijk heeft het COA de informatie over de kosten voor de medische zorg gedeeld en is deze openbaar in het jaarverslag van het COA. Voor de uitvoering van de medische zorg aan asielzoekers moeten, op basis van aanbestedingen, contractafspraken gemaakt met de verschillende contractpartners. Een deel van deze gegevens kan en mag op basis van de gemaakte afspraken niet worden gedeeld omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kosten voor de huisartsenzorg door GZA, GGD-GHOR, tolkdiensten, uitvoeringskosten voor de tbc-screening. In het overzicht zijn deze opgenomen als overige zorgkosten.
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van misbruik of fraude met de RMA. Vanzelfsprekend moeten voorzieningen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende toezicht hierop is zodat fraude of misbruik kan worden tegengegaan. Binnen het COA is ook ten aanzien van de uitgaven aan de medische zorg aan asielzoekers deze controle ingericht. Mochten er vermoedens zijn dat er sprake is van misbruik dan wordt hier door het COA, samen met de uitvoeringspartners ook op ingegrepen en maatregelen getroffen.
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
De stijging van de zorgkosten wordt verklaard door de toename van het aantal bewoners van het COA en de toename van de kosten in de zorg in zijn algemeenheid door onder andere gestegen personeelskosten of invoering van een diagnose-behandelcombinatie in de publieke zorg en niet door fraude.
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Voor de medische zorg die door het COA wordt vergoed komen enkel personen in aanmerking die staan ingeschreven bij het COA. Hier wordt ook op gecontroleerd. Zorgkosten die worden gemaakt door personen die niet (meer) staan ingeschreven bij het COA worden niet door het COA vergoed. De kosten voor de medische zorg aan asielzoekers komen ten laste van de begroting Ministerie van JenV.
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
De medische zorg voor asielzoekers volgt het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Er wordt ook gebruik gemaakt van dezelfde zorginstellingen als die er zijn voor andere inwoners van Nederland. Hierbij worden dezelfde tarieven gehanteerd die in de reguliere zorg gelden. Aanpassingen daarin die gericht zijn op het verlagen van de kosten voor medische zorg worden ook gevolgd.
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
De eigen bijdrage in de opvang kan niet één-op-één worden vergeleken met de vaste lasten van een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen.
Bij een netto maandinkomen van € 2.000 betaalt een alleenstaande bewoner van de opvang een eigen bijdrage van € 563,49 per maand. Een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen heeft doorgaans recht op toeslagen, zoals huurtoeslag en/of zorgtoeslag, waardoor de netto woon- en zorglasten lager uitvallen dan de bruto lasten. Hoewel de totale netto uitgaven aan wonen, voeding en zorg doorgaans hoger liggen dan de eigen bijdrage in de opvang, is een directe vergelijking slechts beperkt mogelijk. De eigen bijdrage betreft een inkomensafhankelijke bijdrage aan een collectieve, tijdelijke opvangvoorziening. Deze opvangvoorziening gaat gepaard met een strenger rechten- en plichtenpakket, beperkte keuzevrijheid ten aanzien van de woonlocatie, de inrichting van het dagelijks leven en de afname van voorzieningen. De lasten waar een zelfstandig wonende persoon mee te maken heeft gaan daarentegen gepaard met rechten en zekerheden die de opvang naar haar aard niet biedt: huurbescherming, een eigen woonruimte, meer zeggenschap over de woon- en leefsituatie, de mogelijkheid een duurzaam zelfstandig huishouden op te bouwen en – in geval van een koopwoning – vermogensopbouw. Hierdoor laat de vergelijking zich ook niet reduceren tot een eenvoudige beoordeling in termen van «gunstiger» of «ongunstiger»
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Zie antwoord vraag 9.
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de bestaande Regeling eigen bijdrage asielzoekers (Reba) moeten asielzoekers die werken reeds een eigen bijdrage betalen voor de asielopvang. Deze eigen bijdrage staat los van het moment waarop asielzoekers mogen gaan werken maar hangt af van het feit of de asielzoeker vermogen of inkomen heeft. De implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact staat hier los van. Wel zal doordat asielzoekers eerder kunnen werken ook eerder bijgedragen kunnen worden aan de kosten voor de opvang.
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Ja, dit zijn herkenbare knelpunten voor ondernemers.
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Ja, ik ga opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zet mij samen met de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid in om knelpunten voor ondernemers structureel aan te pakken. De komende tijd zullen we intensief gaan samenwerken met werkgeversorganisaties, waaronder FME, om regeldruk gericht te verminderen – niet alleen in aantallen, maar met focus op impact. Uw Kamer wordt hier verder over geïnformeerd in een Kamerbrief over de bredere vereenvoudingsaanpak die dit jaar wordt verstuurd.
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Het kabinet heeft zichzelf het ambitieuze doel gesteld om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor concrete reductiedoelstellingen, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid, die vóór 1 oktober zullen worden vastgesteld. Met de installatie van het nieuwe kabinet is de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de vereenvoudigingsopgave overgegaan naar de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, en daarmee ook voor de coördinatie van deze jaarlijkse doelstelling. Uw Kamer wordt hier verder over geïnformeerd in een Kamerbrief over de bredere vereenvoudigingsaanpak die dit jaar wordt verstuurd.
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Nee. Hierover loopt nog overleg met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. U wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
Op 29 januari jl. heeft het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) advies uitgebracht over een regeldruksignaal ten aanzien van de bijschrijfplicht voor dagleidinggevenden in de horeca dat ATR heeft ontvangen van MKB-Nederland. Op 10 april jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat het kabinet het advies zorgvuldig bekijkt en werkt aan een reactie.3 Recent heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat de Minister van JenV, samen met gemeenten verkent, of de bijschrijfplicht voor dagleidinggevenden lokaal kan worden georganiseerd.
Zodra deze verkenning is afgerond zal het kabinet u zo spoedig mogelijk (uiterlijk voor oktober 2026) een beleidsreactie op het ATR-advies doen toekomen.
De verhoogde kans op extreem hoog water voor de Nederlandse kust |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek en berichtgeving inzake de verhoogde kans op extreem hoog water voor de Nederlandse kust?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat als gevolg van de klimaatverandering het risico op extreem hoge waterstanden is toegenomen?
Het onderzoek geeft aan dat de frequentie van hoge waterstanden voor de Nederlandse kust viermaal hoger is dan in 1900. Dit onderzoek is een analyse van bestaande data. Diezelfde data worden gebruikt in onze modellen en analyses voor belastingen van waterkeringen en actualisaties daarvan. Daarbij gaat het in het onderzoek en het artikel om events met een kans van voorkomen van eens in de honderd jaar. De Nederlandse kust is bestand tegen veel extremere events. De uitkomsten van dit onderzoek leiden daarom niet tot een (extra) dreiging voor onze waterkeringen langs de kust.
Vindt u het ook zorgelijk dat, terwijl de verwachting is dat de gevolgen van de klimaatverandering de komende decennia alleen maar groter zullen worden, extreem hoge waterstanden nu al zoveel vaker voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Langs de Noordzeekust zijn wij goed voorbereid op de waterstanden en golfbelastingen die kunnen volgen uit stormomstandigheden. Periodiek worden de databases voor hydraulische belasting van de waterkeringen geactualiseerd. Dat gebeurt op basis van voortschrijdend inzicht, waaronder de actuele wind- en waterstandstatistieken en de meest recente KNMI-klimaatscenario’s.
Wat doet u om de risico’s, dat de kans op extreem hoog water nog verder en sneller toe zal nemen, te beperken?
Het Rijk zorgt er samen met de waterschappen voor dat de kustverdediging op orde is. Dat wordt onder meer gedaan door instandhouding en voorbereiding van vernieuwing van de stormvloedkeringen en door uitvoering van de kustlijnzorg zodat de zandige Noordzeekust kan meegroeien met de zeespiegelstijgingen. Daarnaast vindt monitoring plaats en wordt ervoor gezorgd dat kennis en instrumenten beschikbaar zijn om tijdig te kunnen anticiperen op klimaatverandering. Een voorbeeld hiervan is het Kennisprogramma Zeespiegelstijging dat de afgelopen jaren gelopen heeft: de Kamer heeft op 19 juni jl. een brief ontvangen over de stand van dit Kennisprogramma (Kamerstukken 36 800 J, nr. 28).
Welke consequenties hebben deze nieuwe berekeningen voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)?
Zoals bij antwoord 3 aangegeven, worden alle nieuwe inzichten die invloed hebben op de kans op mogelijke waterstanden periodiek verwerkt in een database met zgn. hydraulische belastingen op de waterkeringen. Keringbeheerders beoordelen met behulp van die hydraulische belastingen of de verwachte overstromingskans van de keringen voldoet aan de normen die daarvoor gelden. Dat leidt dan tot een geactualiseerd beeld in de huidige beoordelingsronde van waterkeringen die loopt tot 2035. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Heeft u goed in beeld waar langs de Europees-Nederlandse kust de meest risicovolle plekken in de zeewering zijn? Wat zijn de geplande versterkingsopgaven?
De meest risicovolle plekken zijn de plekken waar de kust niet zelf kan meegroeien met de zeespiegelstijging, zoals bij kustplaatsen. Deze zwakke schakels zijn in de periode 2007–2016 versterkt. De waterschappen beoordelen als keringbeheerders iedere 12 jaar of de waterkering langs de kust blijft voldoen aan de waterveiligheidsnormen. Momenteel voldoet vrijwel de hele Noordzeekust al aan de strenge waterveiligheidsnormen. Waar voorzien wordt dat deze niet meer voldoen, worden deze keringen aangepakt in het kader van het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De HWBP-programmering wordt jaarlijks bij de begroting en in het Deltaprogramma gepubliceerd. Met deze systematiek werken we voortdurend aan het op tijd versterken van de keringen (dijken, duinen, dammen) en daarmee aan het op orde houden van de waterveiligheid, ook aan de kust.
Heeft u goed in beeld waar langs de kust in Caribisch Nederland de meest risicovolle plekken in de zeewering zijn? Wat zijn de geplande versterkingsopgaven?
Ja. Voor de eilanden is voor de kustgebieden via risicoprofielen in beeld gebracht waar ze het meest kwetsbaar zijn voor overstromingen vanuit zee. Voor Bonaire gaat het met name om laaggelegen kustdelen, waaronder delen van Kralendijk, die bij zeespiegelstijging, stormopzet en kusterosie kwetsbaar kunnen zijn.
Voor Saba en Sint Eustatius ligt de opgave vooral bij kust- en haveninfrastructuur en erosiegevoelige locaties.
De verdere prioritering en uitwerking van maatregelen vindt plaats via de eilandelijke klimaatplannen en het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het aankomende commissiedebat Water d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
In Duitsland werkt de vergoedingsprocedure anders dan in Nederland. In Nederland wordt een duur geneesmiddel eerst beoordeeld en daarna wel of niet toegelaten tot het basispakket. In Duitsland wordt een geneesmiddel eerst toegelaten en wordt pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling gestart. In de beantwoording van vraag 10 ga ik hier nader op in.
De Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) maakt in haar analyse niet duidelijk of het om alle of om bepaalde indicaties van een geneesmiddel zou gaan. Een geneesmiddel kan bijvoorbeeld al onderdeel zijn van het basispakket voor een bepaalde aandoening, terwijl het voor een nieuwe indicatie nog in de geneesmiddelensluis verblijft. Zonder inzicht in de betreffende indicaties kan daardoor ten onrechte de indruk ontstaan dat een geneesmiddel helemaal niet beschikbaar is voor Nederlandse patiënten.
Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) heeft naar de desbetreffende geneesmiddelen gekeken en voor de meest aannemelijke indicatie bekeken waarom het geneesmiddel voor die indicatie niet is opgenomen in het basispakket.
Daaruit blijkt dat:
In totaal lopen of liepen er prijsonderhandelingen voor 12 geneesmiddelen, de 7 en 5 geneesmiddelen zoals genoemd bij de laatste twee bullets hierboven. Voor 6 middelen lopen deze nog. Voor de 6 andere middelen heeft dit niet geleid tot een overeenkomst tussen overheid en leverancier, waarbij voor 4 van deze middelen geldt dat er gelijkwaardige behandelalternatieven beschikbaar zijn. Wanneer er geen overeenkomst bereikt wordt tussen overheid en leverancier blijft een geneesmiddel in de sluis. Bij dergelijke gevallen informeert het kabinet de Kamer hierover.3
Cijfers over de doorlooptijden tussen marktautorisatie en vergoeding in een lidstaat, zoals de WAIT-monitor van de Europese branchevertegenwoordiger EFPIA, zijn ook om andere redenen vaak vertekenend. Zo kan er tussen een vergoedingsbeslissing op nationaal niveau en daadwerkelijke toepassing in de klinische praktijk nog tijd zitten, waardoor de WAIT-monitor als vergelijkend instrument beperkt van waarde is.
Het kabinet deelt niet de conclusie dat Nederland slecht(er) scoort. Zoals de hierboven genoemde cijfers duidelijk maken, is het beleid er niet op gericht om zoveel mogelijk geneesmiddelen te vergoeden, maar om zoveel mogelijk gezondheidswinst te realiseren voor de gehele bevolking met de collectieve financiële middelen. Het absolute aantal geneesmiddelen, of indicaties, dat in Nederland wordt vergoed, zegt dus niet zoveel.
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Het kabinet moedigt innovatie van nieuwe geneesmiddelen aan en dat hierbij wordt samengewerkt met Nederlandse ziekenhuizen is een mooie ontwikkeling. Maar dat samen is gewerkt met Nederlandse ziekenhuizen maakt niet dat een dergelijk geneesmiddel daardoor ook automatisch tegen elke prijs en totale uitgaven vergoed moet worden. In Nederland gelden de pakketcriteria en het Zorginstituut toetst bij sluisgeneesmiddelen of extramurale geneesmiddelen of een geneesmiddel in het basispakket opgenomen zou moeten worden. De pakketcriteria zijn effectiviteit, kosteneffectiviteit, noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid.
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Het kabinet begrijpt de frustratie van patiënten en hun gezinnen wanneer een geneesmiddel in Nederland niet wordt vergoed en in bepaalde andere Europese landen wel. Met name wanneer de geneesmiddelen aangetoonde meerwaarde hebben ten opzichte van de standaardbehandeling, maar vanwege de prijs niet worden vergoed, is dat lastig om uit te leggen aan hen die mogelijk baat bij de behandeling zouden hebben.
In Nederland hebben we een zorgbudget dat niet onbeperkt is en niet zomaar kan worden verhoogd. Dit maakt dat er keuzes gemaakt worden. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren met beschikbare collectieve middelen. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst worden behaald. Op deze manier houdt het kabinet rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers.
Dat een geneesmiddel een handelsvergunning heeft gekregen en aangeboden mag worden op de markt, maakt niet dat deze automatisch aan de pakketcriteria voldoet. Het Zorginstituut bekijkt of het geneesmiddel effectief is en daarmee voldoet aan de SWP, wat inhoudt of het geneesmiddel een therapeutische meerwaarde of gelijke waarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling in Nederland. Het uitgangspunt is namelijk dat niet moet worden betaald voor een geneesmiddel dat bijvoorbeeld ernstigere bijwerkingen heeft dan de standaardbehandeling en daardoor per saldo niet meer gezondheidswinst oplevert. Wanneer een geneesmiddel aantoonbare meerwaarde heeft ten opzichte van de standaardbehandeling, is het kabinet bereid om hier veel voor te betalen. Dit moet echter wel in verhouding staan met de gezondheidswinst. Het Zorginstituut adviseert hierover. Het kabinet doet in de prijsonderhandelingen haar uiterste best om met de desbetreffende leverancier een prijs overeen te komen die daar recht aan doet, maar dit lukt niet altijd. Dit betekent in sommige gevallen helaas dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse patiënten hebben recht op de toegang tot behandelingen die toegelaten zijn in het basispakket en daardoor worden vergoed. Wanneer geneesmiddelen aangetoond effectief zijn (voldoen aan SWP) kunnen deze vergoed worden, maar wel enkel als ook aan de andere pakketcriteria wordt voldaan, waar ook een prijs bij hoort die in verhouding staat met de gezondheidswinst die het geneesmiddel oplevert (criterium kosteneffectiviteit).
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat Nederlandse patiënten zich genoodzaakt voelen om voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen uit te wijken naar het buitenland, maar is van mening dat dit niet afdoet aan de solidariteit van het huidige stelsel en het pakketbeheer. Ik verwijs voor een toelichting naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het kabinet vindt het niet uit te leggen aan alle huidige en toekomstige patiënten, die ook premiebetalers zijn, om een duur middel met een beperkte of zeer onzekere kosteneffectiviteit zonder meer te vergoeden en ook niet om uitzonderingen te maken die de juridische houdbaarheid van het hele stelsel aantasten. Dan riskeren we juist die solidariteit.
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Doorlooptijden zijn een onvermijdbaar gevolg van het Nederlandse systeem waarbij er eerst zekerheid moet zijn over effectiviteit en maatschappelijk aanvaardbare prijs, voordat een duur geneesmiddel wordt vergoed. Deze uitgangspunten zijn geen papieren of bureaucratische werkelijkheid, want een besluit om bijvoorbeeld een middel te vergoeden dat niet voldoet aan effectiviteit of een prijs te accepteren die ver af staat van wat een kosteneffectieve prijs zou zijn, zal uiteindelijk andere patiënten en premiebetalers schaden. Gesteld voor een dilemma als deze, is het de verantwoordelijkheid van het kabinet om besluiten te nemen in het belang van alle patiënten en burgers. Het kabinet erkent tegelijkertijd dat lange wachttijden een probleem kunnen zijn dat raakt aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen voor individuele patiënten. Zij zet zich daarom hard in om onnodige wachttijden voor deze patiënten te verminderen.
Ook binnen het traject «Toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen» (TSG) is hier aandacht voor. Hierin is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. Verder doet het kabinet haar uiterste best om in prijsonderhandelingen met de leverancier zo snel mogelijk tot een aanvaardbare prijs te komen.
Er zijn echter ook gevallen waarin de wachttijd langer is vanwege het uitblijven van het indienen van een dossier bij het Zorginstituut door de leverancier. Dan kan het Zorginstituut het geneesmiddel niet beoordelen en kan het tot die tijd niet vergoed worden. De wachttijd blijft ondertussen oplopen. Voor dergelijke geneesmiddelen is de leverancier aan zet om zo spoedig mogelijk een dossier in te dienen.
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet is niet van mening dat er sprake is van een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen in Nederland.
Zie hiervoor een toelichting bij het antwoord op vraag 2.
Dat wachttijden de toegang tot geneesmiddelen vertragen vindt het kabinet wel onwenselijk. Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 7, zet het kabinet zich hiervoor in, ook binnen het TSG-traject.
Daarnaast hebben in veel gevallen de leveranciers ook invloed op de wachttijden.
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Het kabinet erkent dat de uitgaven aan dure geneesmiddelen op dit moment niet problematisch zijn. Het wijst daarbij wel op het volgende. Ten eerste is deze situatie het gevolg van het beleid dat mede is gericht op kostenbeheersing.4 Dat beleid is overigens niet veranderd. Wat wel veranderd is zijn de steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, én het grote aantal innovatieve middelen dat in ontwikkeling is.5 Zonder voortzetting van het huidige beleid, zou dat een groot budgettair risico betekenen en kunnen leiden tot het verdringen van andere zorg die op het geheel genomen meer gezondheidswinst oplevert.
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
De prijsonderhandeling gelijktijdig laten verlopen met de beoordeling door het Zorginstituut is niet mogelijk. Er is dan nog geen advies op grond waarvan de prijsonderhandeling kan worden gestart.
Het kabinet acht de optie om een geneesmiddel eerst toe te laten en pas daarna de beoordeling en prijsonderhandeling te starten, zoals in Duitsland, niet wenselijk om de volgende redenen:
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
In het TSG wordt erop ingezet om processen waar mogelijk te versnellen en te stroomlijnen, zodat patiënten zo snel als dat mogelijk is toegang krijgen. Ook wordt in het TSG op structurele basis afgestemd met zorgpartijen en de farmaceutische industrie, en wordt in een informatiemanagementsysteem transparant waar het geneesmiddel zich in het proces van pakkettoelating bevindt. Het uitgangspunt van het TSG is zoals gezegd «snel als het kan en uitgebreid als het moet». Dat betekent dat geneesmiddelen met beperkte pakketrisico’s snel kunnen instromen en geneesmiddelen met risico’s uitgebreider beoordeeld worden. Net als nu worden in het TSG de risico’s gewogen voor opname in het basispakket.
Een inschatting van het effect op de doorlooptijden neemt het Zorginstituut mee in de impactanalyse.
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Het Zorginstituut adviseert het kabinet als onafhankelijk pakketbeheerder over de uitvoering van het TSG. Een impactanalyse maakt hier onderdeel van uit. Daarin brengt het Zorginstituut bijvoorbeeld in kaart hoe geneesmiddelen op dit moment door het systeem lopen en hoe dit in het TSG zal verlopen. Alle relevante partijen zijn betrokken en worden geconsulteerd in de uitwerking. Partijen kunnen op basis van de impactanalyse bijvoorbeeld de gevolgen voor investeringen die zij doen afleiden. Op basis van de uitvoeringstoets en de impactanalyse maakt het kabinet een zorgvuldige afweging voor de besluitvorming over de invoering van het TSG.
Het bericht ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op’ |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op»?1
De tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Zo kan Rijkswaterstaat op dit moment de benodigde vernieuwingsprojecten alleen nog starten door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Ook is gemeld dat voor exploitatie en onderhoud Rijkswaterstaat nu al scherpe keuzes moet maken en werkzaamheden in tijd naar achteren moet schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van. Eerder dit jaar heeft Rijkswaterstaat ook groot onderhoud op de A12 stopgezet en het werk naar achteren geschoven. Het gaat om niet acuut noodzakelijk onderhoud. De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. Dit jaar net als vorig jaar is en wordt er veel groot onderhoud gepleegd aan de wegen in Noord Nederland. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Kunt u toelichten waarom juist deze wegen in Noord-Nederland zijn geschrapt van de lijst voor groot onderhoud?
Er is geen sprake van het definitief schrappen van groot onderhoud van deze wegen. Wel is gekozen voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding en het herprioriteren van de planning. Het betreft preventieve onderhoudswerkzaamheden die gepland stonden voor 2027 en 2028, waaronder werkzaamheden in:
Is het toeval dat dit uitstel van onderhoud terechtkomt bij wegen in één regio, of is Noord-Nederland om strategische redenen van de lijst gehaald?
De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in het bredere afweegkader. Door te herprioriteren willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde krijgen. Zo werken we aan een stevig fundament voor de bereikbaarheid en de economie van ons land, waar we daarna op verder kunnen bouwen. Dit is in lijn met het Coalitieakkoord en de lijn om de prioritaire inspanning te richten op de instandhouding van de infrastructuur.
Welke afwegingen zijn er gemaakt om het groot onderhoud in het Noorden uit te stellen?
Zie het antwoord bij de vragen 1 en 3.
Is bij deze keuze rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio? Is rekening gehouden met de verkeersveiligheid? En met alternatieve routes?
Bij de keuze voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is uiteraard rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio, de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van alternatieve routes. Zoals in antwoord 1 aangegeven gaat het om niet acuut noodzakelijk onderhoud. Daar waar de veiligheid en bereikbaarheid in het geding is neemt Rijkswaterstaat de noodzakelijke maatregelen.
Wat zijn de langetermijnmeerkosten van het uit- of afstellen van onderhoud aan wegen?
Het uitstellen van onderhoud kan leiden tot hogere kosten op de langere termijn. Naarmate de staat van de infrastructuur verder verslechtert, kunnen zwaardere en daarmee kostbaardere onderhouds- of vervangingsmaatregelen noodzakelijk worden. De omvang van deze eventuele meerkosten verschilt per project en is niet eenvoudig te kwantificeren. De omvang van het uitgesteld onderhoud is de afgelopen jaar gestegen naar € 2.525 mln (stand jaarverantwoording 2025) waarvan 1.133 mln voor het hoofdwegennet.
Tegelijkertijd maakt de huidige budgettaire situatie het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en te faseren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom aan een herprioritering van onderhouds- en vervangingsopgaven binnen de beschikbare financiële kaders.
Bij deze afweging wordt steeds gezocht naar een balans tussen de gevolgen op korte en lange termijn, de risico’s voor de infrastructuur en het borgen van een veilig, beschikbaar en betrouwbaar netwerk. De staat van de infrastructuur wordt daarbij continu gemonitord, zodat waar nodig tijdig aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor het a.s. commissiedebat Strategische bereikbaarheid?
Ja.
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
Het bericht 'Taliban grijpen gewelddadig in bij protest voor vrouwenrechten Afghanistan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Taliban gewelddadig heeft ingegrepen bij een protest voor vrouwenrechten in Afghanistan?1
Het kabinet veroordeelt het gewelddadig ingrijpen door de Taliban bij een protest voor vrouwenrechten. Het gebruik van geweld tegen vreedzame demonstranten en de willekeurige arrestaties van vrouwen in Herat is niet te verdedigen. De Taliban dienen mensenrechten, die universeel, ondeelbaar en voor iedereen gelijk zijn, te respecteren.
Hoe bent u van plan deze gewelddadige acties te veroordelen en op te volgen?
Het kabinet veroordeelt deze acties van de de facto autoriteiten. Nederland heeft zich aangesloten bij de verklaring van de EU waarin het belang van internationale mensenrechtenverplichtingen wordt benadrukt en heeft de de facto autoriteiten opgeroepen het geweld tegen demonstranten te stoppen2. Nederland blijft zich uitspreken tegen mensenrechtenschendingen door de de facto autoriteiten in Afghanistan, zowel in EU- als in VN-verband. Ook in de minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten brengt Nederland de grote zorgen over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan op.
Wat gaat Nederland extra doen om Afghaanse vrouwen te beschermen en te ondersteunen tegen geweld en onderdrukking vanuit de Taliban?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan het steunen van de Afghaanse bevolking, met name vrouwen en meisjes. Dat doet Nederland via onder andere humanitaire hulp, steun aan VN organisaties en steun aan lokale mensenrechteninitiatieven. Nederland werkt altijd vanuit de «voor vrouwen, door vrouwen»-benadering, waarbij er in alle programmering speciale aandacht voor vrouwen en meisjes is.
Ook heeft Nederland op 25 september 2024 – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Door Afghanistan aansprakelijk te stellen, zet Nederland zich samen met de bovengenoemde staten in om naleving van de internationale verplichtingen van Afghanistan onder het Vrouwenverdrag af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten hun rechten op grond van het Vrouwenverdrag kunnen uitoefenen. In het bijzonder moet het recht op onderwijs, gezondheidszorg en deelname aan het openbare leven voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gewaarborgd.
Bent u bereid om lokale vrouwenorganisaties extra te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nederland ondersteunt verschillende lokale organisaties die zich richten op de bevordering van de rechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Vanwege de toenemende restrictieve regels van de de facto autoriteiten blijf deze steun noodzakelijk.
Gaat u, danwel in samenspraak met hulporganisaties danwel in Europees of VN verband, ervoor zorgen dat bewijs wordt verzameld en veiliggesteld zodat misdaden tegen vrouwen worden gedocumenteerd en beschikbaar zijn voor vervolging van daders? Zo ja, welke stappen bent u bereid te nemen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich in 2025 in EU-verband in de VN-Mensenrechtenraad hard gemaakt voor accountability en het tegengaan van straffeloosheid van ernstige mensenrechtenschendingen door de Taliban en van internationale misdrijven in Afghanistan, wat heeft geresulteerd in de oprichting van een onafhankelijk onderzoeksmechanisme voor Afghanistan. Dit mechanisme zal op termijn bijdragen aan het verzamelen en analyseren van bewijsmateriaal van internationale misdrijven en ernstige schendingen van internationaal recht in Afghanistan, ten behoeve van (inter)nationale procedures.
Deelt u de oproep van The Human Rights Watch om onmiddellijke alle arrestanten vrij te laten en de gewonden medische zorg te bieden? Zo ja, hoe gaat u de druk op de Taliban opvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 veroordeelt het kabinet de willekeurige arrestaties van vreedzame demonstranten. Nederland zal hier ook zijn zorgen over blijven uitspreken, zowel in EU- als in VN-verband.
Hoe hebben deze berichten invloed op mogelijke onderhandelingen met de Taliban over het al dan niet terugsturen van Afghaanse vrouwen die in Nederland verblijven? Deelt u de mening dat het terugsturen van Afghaanse vrouwen naar de Taliban niet kan?
Het kabinet steunt het initiatief van de Europese Commissie om op technisch niveau verkennende gesprekken te voeren met de de facto autoriteiten over terugkeer.
Het terugkeerbeleid is een nationale aangelegenheid en valt onder het Ministerie van Asiel en Migratie. De beginselen van non-refoulement en de verplichtingen onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat bindende vereisten die onder alle omstandigheden door Nederland zullen worden nageleefd. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Het kabinet neemt deze waarschuwingen serieus en werkt momenteel aan de geïntegreerde nationale aanpak datacentra die in het najaar verschijnt. Hoewel datacenters en AI belangrijk zijn voor ons toekomstig (economisch) verdienvermogen en onze digitale strategische autonomie, legt hun enorme elektriciteitsvraag druk op het Nederlandse energiesysteem. Bij nieuwe en uitbreidende datacenters bestaan nu al knelpunten bij netaansluitingen. Ook wordt door de opkomst van datacenters een forse en structurele groei in de elektriciteitsvraag verwacht, die sneller kan gaan dan de beschikbare uitbouw van hernieuwbare bronnen en het elektriciteitsnet.
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, hernieuwbare energie, fysieke ruimte en de transportcapaciteit op het elektriciteitsnet zijn schaars. Het feit dat een datacenter groene stroom inkoopt, maakt de faciliteit in de context van onze totale energietransitie niet automatisch volledig duurzaam.
Datacenters kenmerken zich door een continu elektriciteitsverbruik. Omdat de productie van hernieuwbare bronnen zoals wind en zon weersafhankelijk is, betekent dit dat er op de momenten dat er onvoldoende hernieuwbare stroom beschikbaar is, er conventionele centrales moeten bijspringen. Daarnaast kan er sprake zijn van een verdringingseffect. De verwachte groei in de elektriciteitsvraag van datacenters en AI is meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE). Deze actualisatie wordt met Prinsjesdag gepresenteerd.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat datacenters een belangrijke schakel vormen in onze digitale infrastructuur en ons dagelijks leven. Investeren in voldoende datacentercapaciteit voor de ontwikkeling is een randvoorwaarde voor de brede welvaart, ons innovatieklimaat en het veiligstellen van ons toekomstig verdienvermogen. Hoewel de verdere groei van datacenters hiermee niet volledig duurzaam is, zoekt het kabinet vanuit deze economische en strategische belangen nadrukkelijk naar manieren om deze faciliteiten wel mogelijk in ons systeem in te passen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent de zware belasting van het stroomnet en de grote uitdagingen in de klimaattransitie. Er is een uitdaging voor de inpassing van de inflexibele stroomvraag van AI-gigafabrieken en de beschikbare transportcapaciteit op het elektriciteitsnet. Het aanpakken van de huidige netcongestieproblematiek heeft prioriteit voor dit kabinet. Tegelijkertijd ontwikkelt kunstmatige intelligentie (AI) zich in hoog tempo en vormt het een steeds belangrijkere motor voor innovatie, economische groei en het versterken van het Europese concurrentievermogen. Om zelfstandig AI-modellen te kunnen trainen en toepassen en zo de afhankelijkheden van derde landen te verminderen, is de realisatie van soevereine rekeninfrastructuur in Europa en Nederland noodzakelijk.
Grootschalige AI-rekenfaciliteiten vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. De daadwerkelijke impact van een AI-gigafabriek is sterk afhankelijk van onder meer het ontwerp, de schaal en de locatie.
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
De instructieregel voor hyperscale datacentra geldt voor alle datacentra die voldoen aan de criteria voor omvang (bebouwd oppervlak van meer dan 10 hectare) en vermogen (elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer).3 Er wordt momenteel gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, als onderdeel waarvan onder meer mogelijkheden voor een aanscherping van deze criteria worden verkend.4 Ik verwacht uw Kamer in het najaar te informeren over deze geïntegreerde aanpak.
De overheid ziet een rol voor zichzelf om binnen de geldende kaders de juiste randvoorwaarden te creëren voor het ontwikkelen van AI-infrastructuur, met oog voor de ruimtelijke en energetische inpasbaarheid. Het doel hiervan is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk van de grond te krijgen, wat van belang is voor het kunnen trainen en toepassen van AI-modellen.
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Zoals toegelicht onder het antwoord op vraag 6 verzoekt de motie-Grinwis tot een aanscherping van de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters. De uitwerking van deze motie wordt meegenomen in een bredere, nationale geïntegreerde aanpak voor datacenters, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie efficiëntie, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet, zoals verwoord in de kamerbrief van 31 maart.6 Deze factoren zijn ook meegewogen in de instructieregel voor hyperscale datacentra, benoemd in de beantwoording van vraag 6. Voor AI-gigafabrieken en andere grootschalige datacenters die binnen de kaders van de instructieregel ontwikkeld mogen worden geldt dat vergunningverlening in beginsel aan relevante regionale autoriteiten is.
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich via diverse kaders actief in om de impact van datacenters op klimaat, water en ruimte te minimaliseren:
Het kabinet is niet voornemens om daarnaast een afzonderlijke, nationale m.e.r.-plicht specifiek voor datacenters te introduceren:
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, geldt voor iedereen in Nederland, ook in de asielopvang. Tegen bedreiging en intimidatie van asielzoekers vanwege hun (bekering tot het) (christelijke) geloof moet daarom krachtig worden opgetreden. Uitgangspunt is dat iedere asielzoeker, ongeacht geloofsovertuiging, zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie.
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Het klopt dat er op het azc Vlissingen sprake was van spanningen tussen bewoners waarbij religie een rol speelde. Zonder op de individuele casus in te gaan, kan ik in zijn algemeenheid aangeven dat wanneer op een locatie sprake is van onderlinge spanningen of een incident, het COA een feitenonderzoek doet en in gesprek gaat met de betrokken bewoners.
Bij signalen van onveiligheid zoekt het COA met bewoners naar een passende oplossing. Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder de COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. Op 2 juli jl. heeft het WODC de Incidentenmonitor over 2019–2025 gepubliceerd.3 Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. In hoeverre de incidenten religieus van aard zijn, wordt echter niet systematisch geregistreerd.
N.a.v. de aangenomen motie van de leden Ceder en Van Dijk4 werkt mijn ministerie op dit moment in samenspraak met de strafrechtketen uit hoe religieus gemotiveerd geweld op COA-locaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Ik verwacht na de zomer uw Kamer te informeren hoe dit vorm krijgt.
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. Als opvangorganisatie heeft COA de bevoegdheid om maatregelen conform het Maatregelenbeleid COA op te leggen wanneer sprake is van overlast of overtreding van de huisregels, zoals discriminatie, intimidatie of geweld.
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Op basis van de tot nu toe bekende signalen, die incidenteel van aard zijn, herkent het COA zich niet in het beeld dat op locaties sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie. Dat neemt niet weg dat op sommige locaties door incidenten die hebben plaatsgevonden, ook in relatie tot religie, het veiligheidsgevoel van bewoners onder druk kan staan. In aanvulling op de geldende kaders zoals toegelicht in antwoord 5, heeft COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. De signalen worden de komende tijd gerichter gemonitord om te bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Ja, wanneer een asielzoeker vanwege zijn geloofsovertuiging wordt lastiggevallen, is dat een onwenselijke aantasting van de godsdienstvrijheid. Dat sluit niet uit dat daarbij sprake is van een complexer spanningsveld.
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Mijn ministerie heeft recent een gesprek gevoerd met Stichting Gave om zo vanuit het maatschappelijk middenveld geïnformeerd te worden over signalen en aandachtspunten. Zoals benoemd in antwoord op vraag 6, heeft het COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. COA is alert op dergelijke signalen. De komende tijd wordt in samenspraak tussen departement en COA bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Elke bewoner van het COA wordt geïnformeerd over de huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat discriminatie, intimidatie en geweld niet is toegestaan. Uitgangspunt is dat het COA conform het maatregelenbeleid normerend optreedt jegens bewoners die zich niet aan de huisregels houden, waaronder discriminatie, intimidatie en geweld. Wanneer daarbij sprake is van een strafbaar feit, wordt melding of aangifte bij de politie gedaan door COA en/of worden bewoners gestimuleerd melding of aangifte te doen.
De normering vanuit het COA als opvang- en begeleidingsinstantie wordt in de praktijk soms bemoeilijkt, wanneer bijvoorbeeld medewerkers geen getuige zijn van een incident en betrokken bewoners naderhand een verschillend feitenrelaas aanvoeren. Bovendien kan negatief gedrag tegen kwetsbare doelgroepen in de opvang, waar ook christelijke asielzoekers toe behoren, soms heel subtiel plaatsvinden. Daarom blijft het doen van aangifte en/of melding door bewoners en COA van belang, om met de sterke arm ook langs de strafrechtelijke band gedrag te normeren.
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Uitgangspunt is dat een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, duidelijk moet merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Dit is in veel gevallen wel afhankelijk van het doen van aangifte. Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties.
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Het maatregelenbeleid bij het COA voor de HTL geeft thans al de ruimte om bij agressie en geweld tegen medewerkers, medebewoners en/ of derden met een (zeer) grote impact, zoals intimidatie op grond van iemands geloofsovertuiging, een HTL-maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel door het COA laat onverlet dat het bij dergelijke gedragingen primair van belang blijft dat strafrechtelijke opvolging plaatsvindt. Het COA gaat immers niet over vervolging en toepassing van het strafrecht. Ik zal voorts in samenspraak met COA bezien of de mogelijkheden die het staande kader dus reeds biedt, in de praktijk ook optimaal worden benut.
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
In eerdere berichtgeving5 is hierover reeds bekend gemaakt dat de politie in en rond de locatie meerdere meldingen van bedreiging en incidenten heeft onderzocht. Ik kan verder niet ingaan op dit individuele geval, maar hecht eraan nogmaals te benadrukken dat kwetsbare bewoners, minderjarigen in het bijzonder, recht hebben op een veilige opvang en dat het COA daarom bij signalen van intimidatie conform het Maatregelenbeleid optreedt.
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Het COA heeft een Klachtenregeling voor bewoners en derden. Bewoners van het COA worden hierover bij binnenkomst geïnformeerd. Iedere bewoner kan een klacht over zijn bejegening bij het COA indienen. Hiervoor zijn klachtenformulieren beschikbaar bij de infobalie op iedere locatie. Conform de Klachtenregeling wordt de klacht behandeld en beoordeeld door de locatiemanager, die zelf niet bij de klacht betrokken is. De afstand tot klager en beklaagde en de professionaliteit van de locatiemanager zorgen ervoor dat de klacht zorgvuldig en zonder vooringenomenheid behandeld wordt. Desgewenst kan de klacht ook door Juridische Zaken van het COA worden behandeld en beoordeeld. Na de beslissing op de klacht kan vervolgens de Nationale ombudsman om een oordeel worden verzocht.
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, ik acht het onaanvaardbaar dat personen die gevlucht zijn uit vrees voor vervolging vanwege hun religieuze overtuiging, in Nederland opnieuw geïntimideerd of bedreigd worden. Inzet van dit kabinet is om daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en af te wijzen voor een verblijfsvergunning. In dat verband wordt nu met de vreemdelingenketen uitgewerkt hoe de vrijheidsbeperkende maatregel effectiever kan worden ingezet. Om ook verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen, blijft COA in den brede het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Mijn departement staat reeds in contact met COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties. In de aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers is bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare doelgroepen, waaronder bekeerlingen. Vanzelfsprekend zetten wij dit overleg voort.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Ja, uw vragen geprobeerd zoveel als mogelijk aldus te beantwoorden.
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Het bericht ‘Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de positie van aanklager Karim Khan onhoudbaar is en zal Nederland, als één van de beslissende staten, daarom ook voor zijn ontslag stemmen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld moet worden dat de beschuldigingen aan het adres van de Aanklager van het Internationaal Strafhof (ISH) zeer verontrustend zijn. De Aanklager moet aan de hoogste standaarden worden gehouden. Het oordeel van het dagelijkse bestuursorgaan van de Vergadering van verdragspartijen – het zogenaamde Bureau, waar 21 van de 125 verdragspartijen zitting in hebben2 – dat er sprake is geweest van «ernstig wangedrag» en «ernstig plichtsverzuim» roept ernstige vragen op voor wat betreft de houdbaarheid van de positie van de Aanklager.
De vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop het Bureau zijn beslissing heeft gebaseerd zullen zorgvuldig worden bestudeerd door Nederland en in overleg met andere verdragspartijen zal worden bezien welke conclusies hier aan moeten worden verbonden. Uw Kamer zal per brief worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet tijdens de Speciale Zitting van de Vergadering van verdragspartijen die in het kader van deze procedure zal worden gehouden op 24 juli 2026 in New York.
Zal Nederland het arrestatiebevel gericht tegen leden van de Israëlische regering handhaven, gelet op het feit dat dit mogelijk door valse intenties tot stand is gekomen? Zo ja, waarom?
Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome. Dit betekent dat de arrestatiebevelen van het ISH niet worden uitgevaardigd door de Aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De Aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel. Aan de hand van de door de rechters uitgevaardigde arrestatiebevelen kan het ISH landen verzoeken om aanhouding en overlevering.
Voor Nederland geldt dat – conform de verplichtingen onder het Statuut van Rome – elk verzoek om aanhouding en overlevering dat Nederland ontvangt van het ISH direct in behandeling wordt genomen, zoals ook is opgenomen in de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.
Hoe beoordeelt Nederland deze (seksuele) wanpraktijken bij het Internationaal Strafhof en welke consequenties voor de geloofwaardigheid van het Hof heeft dit?
Zie het antwoord op vraag 2. Nederland staat als gastland en verdragspartij achter het ISH en de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. De geloofwaardigheid van het Hof staat niet ter discussie. Het kabinet acht het van groot belang dat de procedures van het ISH voor het onderzoeken en beoordelen van aantijgingen van wangedrag tegen individuele ambtsdragers van het Hof worden gevolgd.
Welke consequenties verbindt Nederland aan de geloofwaardigheid en de bindende kracht van het Internationaal Strafhof, gezien het feit dat vergaande beslissingen klaarblijkelijk op arbitraire gronden genomen worden?
Het kabinet herkent niet het beeld dat het ISH vergaande beslissingen op arbitraire gronden neemt. Zie ook de antwoorden op de vragen 3 en 4.
Welke stappen kan Nederland, en zult u specifiek als Minister, ondernemen tegen deze ambtsbekleder die waarschijnlijk strafbare feiten heeft gepleegd op Nederlandse bodem?
Zie het antwoord op vraag 2. De Vergadering van verdragspartijen zal zich tijdens de speciale zitting buigen over de beslissing van het Bureau en de onderliggende rapporten om te bezien welke conclusies hier aan verbonden moeten worden. Nederland zal hier als een van de 125 verdragspartijen aan deelnemen en na beoordeling van de onderliggende informatie naar behoren handelen.
Voor wat betreft eventuele mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging voor vermeende feiten die zijn gepleegd op Nederlands grondgebied dient te worden opgemerkt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bezien of het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Welke consequenties zal Nederland eraan verbinden indien het merendeel van de leden niet voor ontslag stemt en daarmee de bindende en overtuigende kracht van het Internationaal Strafhof diskwalificeert?
Daar kan het kabinet niet op vooruitlopen. Eerst zullen de beslissing van het Bureau en de vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop die beslissing is gebaseerd zorgvuldig moeten worden bestudeerd en zal met andere verdragspartijen moeten worden bezien welke conclusies daaraan moeten worden verbonden.