Statushouders die worden geschoold om voor de klas te staan |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het programma Wereldburgers voor de Klas in Leiden, waarin statushouders met een buitenlandse onderwijsachtergrond versneld richting een functie in het Nederlandse onderwijs worden begeleid?1
Ja.
Welke concrete, onafhankelijke en toetsbare criteria hanteert u om te bepalen dat onderwijsbevoegdheden uit landen met fundamenteel andere onderwijssystemen, didactiek en waardenkaders gelijkwaardig zouden zijn aan Nederlandse lerarenopleidingen en wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer deze aannames ten koste gaan van onderwijskwaliteit en leerlingontwikkeling?
Als een persoon met een buitenlandse onderwijsbevoegdheid les wil geven in Nederland moet deze een erkenning van de buitenlandse onderwijsbevoegdheid aanvragen. Er zijn verschillende voorwaarden die gesteld worden aan de erkenning van een buitenlandse bevoegdheid. Hierbij moet onder andere de aanvrager een lerarenopleiding hebben gevolgd, moet dat diploma een lesbevoegdheid geven in land van diplomering, moet het diploma eenzelfde lesbevoegdheid geven als de aangevraagde lesbevoegdheid, moet de gevolgde opleiding gericht zijn op de aangevraagde bevoegdheid en moet de opleiding minstens hetzelfde niveau zijn als het Nederlandse niveau van hoger onderwijs.
De erkenning van beroepskwalificaties (diploma’s) voor Nederlandse onderwijsberoepen op basis van diploma’s behaald in de EU en buiten de EU gebeurt door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO beoordeelt de diploma’s/kwalificaties voor het verkrijgen van een onderwijsbevoegdheid. De Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs (NUFFIC) adviseert DUO in de beoordelingsprocedure van het buitenlandse diploma ten opzichte van Nederlandse diploma’s. De NUFFIC is het nationale expertisecentrum voor onderwijsvergelijking en voert waardering van de diploma’s uit.
Waarom ontbreekt een expliciete, afdwingbare eis dat deelnemers aan dit programma volledig voldoen aan Nederlandse kernwaarden waaronder gelijkwaardigheid van man en vrouw, vrijheid van meningsuiting en strikte scheiding van religie en onderwijs en waarom accepteert u daarmee een bewust risico voor de neutraliteit van het openbaar onderwijs?
Scholen hebben de wettelijke opdracht om actief burgerschap bij te brengen en sociale cohesie te bevorderen. Binnen deze wettelijke opdracht hebben scholen de verantwoordelijkheid om bevoegde en bekwame onderwijzers aan te nemen die de Nederlandse kernwaarden bijbrengen aan leerlingen. De inspectie houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke eis.
Hoe verklaart u dat programma’s als Wereldburgers voor de Klas, uitgevoerd door onder meer Stichting Wereldburger en DZB Leiden, onder de vlag van «lerarentekort» functioneren als integratie- en participatietrajecten, zonder overtuigend en openbaar bewijs dat zij leiden tot structurele kwaliteitsverbetering in het onderwijs?
Het doel van programma’s als Wereldburgers voor de Klas is om bevoegde leraren die in het land van herkomst werkzaam waren in het onderwijs voor te bereiden op een (onderwijsgevende) functie in het Nederlands onderwijs of ter voorbereiding op een lerarenopleiding. Veel van de deelnemers hebben al een in Nederland erkende lesbevoegdheid en een sterke gedrevenheid om het beroep opnieuw uit te oefenen. Het programma draagt bij aan de instroom van leraren en daarmee aan het tegengaan van het lerarentekort en aan de kwaliteit van het onderwijs. Het stimuleren van dergelijke programma’s is een onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort, waarbij mensen met een onderwijsachtergrond uit het buitenland gefaseerd worden voorbereid op inzet in het Nederlandse onderwijs.
De inzet op taalontwikkeling, praktijkervaring en begeleiding is gericht op het borgen van onderwijskwaliteit en continuïteit. Op dit moment zien we positieve effecten op instroom, inzetbaarheid en behoud van personeel. Daarmee worden deze programma’s beschouwd als een aanvullend instrument binnen het overkoepelende lerarenbeleid en niet als vervanging van reguliere lerarenopleidingen.
Waarom blijft u vasthouden aan het inzetten van statushouders in het onderwijs als beleidsinstrument, terwijl dit geen structurele oplossing biedt voor het lerarentekort, falend beleid maskeert en ouders en leerlingen opzadelt met kwaliteitsverlies, communicatieproblemen, instabiliteit in de klas en onzekerheid over normen en neutraliteit in het onderwijs?
Zoals in het vorige antwoord aangegeven zien we positieve effecten op instroom, inzetbaarheid en behoud van personeel met dank aan dit soort programma’s. De inzet van statushouders en/of Oekraïense ontheemden is onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort. In het jaar 2025 hebben scholen 237 aanvragen ingediend om statushouders en Oekraïense ontheemden met potentie om voor de klas te staan te begeleiden naar een functie in het Nederlands onderwijs. Inzet vindt plaats binnen bestaande kwaliteits- en bevoegdheidseisen, met aandacht voor taalvaardigheid en begeleiding, en is bedoeld om verantwoord om te gaan met schaarste in het onderwijs. Daarnaast is er een breed scala aan maatregelen vanuit dit kabinet om het lerarentekort aan te pakken.
Welke stappen zet u om per direct te stoppen met het faciliteren van onderwijsprogramma’s die statushouders richting structurele arbeid en langdurig verblijf leiden en hoe gaat u borgen dat het onderwijs niet langer wordt ingezet als verlengstuk van migratiebeleid maar zich weer richt op kwaliteit, veiligheid en Nederlandse belangen?
Er wordt ingezet op goed onderwijs voor alle leerlingen, met voldoende en goed opgeleide leraren. De aanpak van het lerarentekort vraagt dat we alle geschikte en bevoegde kandidaten benutten die aan de geldende kwaliteitseisen voldoen. Onderwijsprogramma’s worden ingezet vanuit onderwijskundige en arbeidsmarktmatige overwegingen en niet als migratiebeleid. Kwaliteit, veiligheid en professionaliteit in de klas staan daarbij altijd voorop.
Het plotseling stopzetten van programma DuurzaamDoor |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u ertoe besloten om het succesvolle programma DuurzaamDoor plotseling stop te zetten na 15 jaar (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 12?
Er is geen sprake van plotseling stopzetten van het programma. De derde programmaperiode DuurzaamDoor (2020–2024) liep af in 2024.
Aan mijn besluit over hoe verder te gaan ging een brede consultatie vooraf. Na een eerste tussenevaluatie door TwynstraGudde, heeft begin 2024 Royal Haskoning DHV, op verzoek van de stuurgroep DuurzaamDoor, een onderzoek uitgevoerd bij stakeholders en het programmateam bij RVO. Er zijn interviews gehouden en er is een brede bijeenkomst georganiseerd. Kernvraag die centraal stond was of en hoe verder gegaan moest worden met DuurzaamDoor.
De stuurgroep adviseerde na deze verkenning om het programma voort te zetten. Zij gaf daarbij aan dat de werkende principes van het programma (lerende netwerkaanpak, multi stakeholder-benadering, verbinden van meerdere schaalniveaus, integraal werken aan duurzaamheidsopgaven en de mens centraal) ook de basis zouden moeten vormen voor een toekomstig programma. Op onderdelen stelde de stuurgroep aanpassingen voor. Onder meer ging het daarbij om meer aandacht voor het doorvertalen en agenderen van lokaal en regionaal gesignaleerde knelpunten naar het ministerie.
Op 2 juli 2024 trad het kabinet Schoof aan, met een nieuwe focus en agenda. Dat maakte dat de besluitvorming over het eventuele vervolg van DuurzaamDoor vertraging opliep. Daarom is in goed overleg met RVO en de Stuurgroep DuurzaamDoor besloten de lopende programmaperiode 2021–2024 met een jaar te verlengen. Daarmee konden ook de resultaten van de onafhankelijke eindevaluatie van het programma door TwynstraGudde worden afgewacht en konden deze worden betrokken bij de besluitvorming.
Begin 2025 werd deze eindevaluatie opgeleverd. Conclusie daaruit was dat het programma goed had gewerkt en een aantal unieke kenmerken en werkwijzen had ontwikkeld. Een van de aanbevelingen was om in de toekomst meer aansluiting te zoeken bij grotere systeemspelers en beleidsprogramma’s. Respondenten gaven ook aan dat een vervolgprogramma meer impact kon hebben als het belang van sociale en maatschappelijke innovaties beter voor het voetlicht zou worden gebracht, in een samenleving die vooral gericht is op technische innovaties.
Gegeven de grootte van de opgaven van LVVN op het terrein van voedsel, natuur en landelijk gebied en de noodzaak te investeren in innovatie zoals vermeld in het regeerprogramma, was er daarnaast aanleiding de beschikbare middelen en de opgebouwde expertise bij DuurzaamDoor in het vervolgprogramma te richten op deze opgaven. Om deze redenen heb ik in oktober 2025 besloten de bestaande middelen voor DuurzaamDoor op de begroting van LVVN in te zetten voor de Aanpak sociale innovatie. Met de aanpak zullen succesvolle elementen en de ervaring van het programma DuurzaamDoor worden behouden.
Overigens was DuurzaamDoor, net als de Aanpak sociale innovatie, een programma dat zijn oorsprong vond in eerdere programma’s. Hierbij gaat het onder meer om de NME Onderwijs Impuls (1992–1996), de extra impuls Natuur en Milieu Educatie (1996–1999), het programma Leren voor Duurzaamheid (2000–2003) en Leren Voor Duurzame Ontwikkeling (2004–2007 en 2008–2012).
Op basis van welke ambtelijke adviezen heeft u hiertoe besloten? Waren er ook ambtelijke adviezen die hiertegen adviseerden?
Conform het mij gegeven eenduidige ambtelijke advies, heb ik ervoor gekozen om na het aflopen van het programma DuurzaamDoor in 2025 door te gaan met een Aanpak sociale innovatie zoals hiervoor geschetst en daarvoor de via het programma Duurzaam Door bij RVO opgebouwde kennis en ervaring te benutten.
Op welke datum is binnen het ministerie hierover geïnformeerd? Op welke datum zijn het programmamanagement, de stuurgroep en andere medewerkers hiervan op de hoogte gesteld?
Vanaf begin 2024 is er nauw overleg geweest met het programmamanagement, het programmateam en de stuurgroep DuurzaamDoor. Met de aanbevelingen uit de brede consultatie, de nieuwe inzichten en koers van het kabinet en de eindevaluatie is gezamenlijk gewerkt aan de nieuwe aanpak sociale innovatie.
Hoe is er op uw besluit door deze betrokkenen bij DuurzaamDoor gereageerd?
De Aanpak sociale innovatie is in nauwe samenwerking met het programmateam bij RVO vormgegeven. De in DuurzaamDoor opgebouwde kennis en ervaring wordt benut in deze aanpak. Daarmee is er steun voor deze aanpak.
Hoeveel werknemers waren er betrokken bij DuurzaamDoor? Hoeveel van die medewerkers werden deels bekostigd door het geld van DuurzaamDoor?
Het programma DuurzaamDoor is uitgevoerd door RVO. In de laatste programmaperiode waren er bij RVO zeven medewerkers betrokken.
Kunt u bevestigen dat met het beëindigen van DuurzaamDoor ook de participatietafels die onder het programma vielen (Energietransitie, Natuurinclusief bouwen, Veranderkracht en Voedseltransitie) tot een einde zijn gekomen?
Alle participatietafels die in het programma DuurzaamDoor zijn geïnitieerd, zijn afgerond, of op andere plekken doorgezet of overgedragen.
De participatietafel Energie gaat door en is vanaf 2026 tijdelijk ondergebracht bij RVO. Het nog vorm te geven Nationaal Programma Energie Systeem (NPES) is de beoogde landingsplek voor de participatietafel Energie. Het project Opgroeiruimte, voor gemeenten en bewonersinitiatieven, is opgenomen in de academie van de landelijke koepel van energiegemeenschappen: energie samen.
De participatietafel Natuurinclusief bouwen is nu een van de domeinen van het Collectief Natuurinclusief en gaat daarin door. Ook is dit thema en dit netwerk geborgd in het netwerk KAN (Klimaat Adaptief Bouwen) en in het Groeifondsprogramma Werklandschappen van de toekomst.
De participatietafel Voedseltransitie heeft in 2025 haar laatste project («beter dan super») afgerond en is beëindigd. De kennis uit de tafel en tafelmethode is geborgd in kennisproducten en in de bestaande netwerken, zoals de Transitiecoalitie Voedsel, het Kennisplatform Stadslandbouw Nederland en de Community of Practice Voedselraden.
De instrumenten vanuit het ontwikkeltraject Veranderkracht zijn input voor de instrumentenkoffer van de Aanpak sociale innovatie.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van de waardevolle initiatieven, waarvan DuurzaamDoor aan de wieg heeft gestaan (Duurzame Dinsdag, de onderwijs coöperatie Leren voor Morgen, de Green Protein Alliance en het netwerk Klimaatadaptief bouwen met de Natuur (KAN)), zoals aangegeven in uw brief, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Kunt u aangeven of het voortbestaan van andere initiatieven mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke initiatieven zijn dat?
Het programma DuurzaamDoor heeft gewerkt als een initiator en heeft impulsen gegeven aan nieuwe ontwikkelingen of netwerken. Hierbij is altijd het doel geweest om te zorgen dat netwerken en activiteiten na een incidentele ondersteuning zelf verder zouden kunnen. Duurzame Dinsdag, het KAN netwerk en de Green Protein Alliance zijn overgenomen door andere organisaties.
De Coöperatie Leren voor Morgen, die bestaat uit leden die zich inzetten voor duurzaamheid in het onderwijs, blijft financiële ondersteuning ontvangen van LVVN, voor de periode 2026–2029.
Kunt u vertellen of het voortbestaan van projecten, waaronder het Kennisplatform Collectieve Kracht, waarvan DuurzaamDoor (mede)financierder was, mogelijk in gevaar komt wegens het stoppen van DuurzaamDoor? Welke andere projecten werden door DuurzaamDoor (mede)gefinancierd?
Het Kennisplatform Collectieve Kracht heeft in de laatste programmaperiode van DuurzaamDoor twee subsidies ontvangen voor opstart van het kennisplatform en ontwikkeling van labs. Vervolgens heeft Collectieve Kracht een succesvolle aanvraag voor subsidie gedaan bij NWO. Collectieve Kracht wordt momenteel door de betrokkenen bij de Aanpak sociale innovatie betrokken bij participatievraagstukken die te maken hebben met een vitaal platteland.
Andere projecten waaraan DuurzaamDoor financieel heeft bijgedragen zijn bijvoorbeeld de al genoemde initiatieven bij vraag 7 en de vereniging GDO (gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling, met haar netwerk van lokale Natuur- en Duurzaamheidscentra). Er zijn bij mijn weten geen projecten die in gevaar zijn door het stoppen van DuurzaamDoor.
Beaamt u de stelling van TwynstraGudde in het evaluatierapport «Eindevaluatie DuurzaamDoor 2021–2024» dat het programma DuurzaamDoor een gewenste aanpak is van een benodigd antwoord op structurele problemen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke transities, en beantwoordt aan wetenschappelijk onderzoek opgesteld door Grin, Rotmans en Schot, «Transitions to Sustainable Development. New Directions in the Study of Long Term Transformative Change»? Zo ja, waarom stopt u dan het programma voortijdig? Zo nee, op grond waarvan?1
Het programma DuurzaamDoor is niet voortijdig gestopt, maar de huidige programma-periode liep af. Met de keuze voor een aanpak die zich richt op de hoofdopgaven van LVVN en bijdraagt aan het bredere innovatie-instrumentarium van het ministerie gaat de aanpak van DuurzaamDoor niet verloren. De werkende elementen, zoals een multi-stakeholder aanpak, ruimte voor ontdekken/experimenteren, het initiëren van lerende netwerken, een bottom-up aanpak, maatschappelijke participatie en een veilige leer- en ontwikkelsetting, worden voortgezet.
Deelt u de conclusie uit het evaluatierapport van TwynstraGudde dat DuurzaamDoor een waardevolle bijdrage levert aan duurzaamheidstransities? Zo ja, waarom heeft zij desondanks besloten het programma te beëindigen?
Een groot deel van de ervaring en netwerken gaat verder in de nieuwe Aanpak sociale innovatie als onderdeel van de bredere LVVN-aanpak op innovatie. De waarde van DuurzaamDoor blijft hiermee benut voor duurzaamheidsopgaven, maar wordt ook breder benut.
Zie ook het antwoord bij vraag 9.
Kunt u aangeven waarom, terwijl op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat dat DuurzaamDoor is gestart om duurzaamheidsvraagstukken aan te pakken, uw nieuwe project Aanpak Sociale Innovatie (in tegenstelling tot DuurzaamDoor) geen focus meer heeft op duurzaamheid en duurzaamheidstransitie, maar veel abstracter op maatschappelijke opgaven binnen het Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)-domein (voedsel, natuur en landelijk gebied)?2
Ik vind het belangrijk de beschikbare middelen en mensen in te zetten op de hoofdopgaven van LVVN en daarmee op meer opgaven dan duurzaamheid. Investeren in sociale innovatie is ook voor andere thema’s zoals gebiedsprocessen of natuurherstel van belang.
Welke aanleiding heeft u om te denken dat een programma gericht op duurzaamheidstransitie niet meer relevant is in tijden van klimaatverandering, energietransitie en strategische autonomie?
Ik kies ervoor de beschikbare middelen en opgebouwde expertise in te zetten voor de maatschappelijke opgaven op het terrein van natuur, platteland en een volhoudbaar voedselsysteem. Duurzaamheid is een integraal onderdeel van het beleid ten aanzien van deze opgaven. De aanpak sociale innovatie draagt zo ook bij aan brede maatschappelijke vraagstukken, zoals klimaatverandering, voedsel van dichtbij of natuurherstel.
Op welke wijze denkt u het gat te kunnen opvullen dat DuurzaamDoor achterlaat in de Nederlandse doorvertaling van internationale frameworks en verdragen op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid? Denkt u anders over de in het evaluatierapport van TwynstraGudde beschreven centrale rol van DuurzaamDoor hierin?
LVVN blijft zich inzetten in internationale netwerken op het gebied van leren en innoveren voor duurzaamheid. Dit verandert niet. Ook de doorvertaling van die internationale afspraken zal blijven plaatsvinden via de Aanpak sociale innovatie en ook via bestaande (onderwijs)netwerken en de interdepartementale werkgroep Duurzame School.
Klopt het dat eerder de intentie was, zoals in de begroting voor 2025 vermeld stond, het programma door te laten lopen tot tenminste 2029 (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2 (tabel 59, blz. 143))? Waarom waren er tot aan 2029 anders middelen begroot voor DuurzaamDoor?
Het bedrag in de begroting 2025 met het label DuurzaamDoor is deels bestemd voor het programma DuurzaamDoor en deels voor het programma Jong Leren Eten. Het is vaker zo dat begrotingsreeksen langer in de begroting staan dan de duur van een programma(periode). Met deze middelen kan zo een volgend programma worden gefinancierd.
Het besluit over een opvolging van het programma DuurzaamDoor was op het moment van aanbieden van de begroting 2025 nog niet genomen. Inzet was toen al wel om de betreffende middelen te gebruiken voor een programma over leren en ontwikkelen, met een multi-stakeholder aanpak en met focus op initiatieven uit de maatschappij. Vandaar dat de meerjarige reeks erin bleef staan.
Het budget wordt nu ingezet onder de titel Aanpak sociale innovatie.
Klopt het dat u heeft besloten om DuurzaamDoor te stoppen ver voor de begrootte «einddatum van de Subsidie (regeling)», die in 2027 was gesteld?
Dit is onjuist. Er is geen subsidieregeling DuurzaamDoor. De hier genoemde einddatum subsidie(regeling) heeft betrekking op de subsidieregeling voor Jong Leren Eten makelaars. Deze staat in de begroting op een gezamenlijke post met het programma DuurzaamDoor.
In hoeverre zijn het managementteam, de stuurgroep en samenwerkingspartners meegenomen in de tijd voor het besluit dat DuurzaamDoor tot een einde zou komen?
Voor deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en 4.
Op welke wijze is rekening gehouden met de meerjarige samenwerkingen en langlopende leertrajecten die binnen DuurzaamDoor liepen en wat betekent het stopzetten van het programma voor de continuïteit en betrouwbaarheid van de overheid als samenwerkingspartner?
Het dossier heeft altijd uit opeenvolgende programmaperiodes van vier jaar bestaan, sinds 2013 met de naam «DuurzaamDoor». Ook samenwerkingsverbanden en langlopende leertrajecten zijn voor deze periode aangegaan, met een begin en een einde.
Erkent u de bijdrage van DuurzaamDoor, gezien het feit dat in het Biodiversiteitsplan Europees Nederland staat dat het programma DuurzaamDoor een ondersteuning en professionalisering faciliteert van het grote en fijnmazige netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie? Welke reden ziet u in dit licht om te stoppen met DuurzaamDoor? Op welke manier denkt u het gat dat DuurzaamDoor achterlaat op te kunnen vangen?
De aandacht voor natuur- en duurzaamheidseducatie vanuit het Ministerie van LVVN eindigt niet met het stoppen van het programma DuurzaamDoor. Via de inzet in de interdepartementale werkgroep Duurzame School en via onze samenwerking met de vereniging GDO (Gemeenten voor Duurzame Ontwikkeling) zullen we ook in de periode 2026–2029 bijdragen aan de ondersteuning en professionalisering van het netwerk van lokale en regionale centra voor natuur- en duurzaamheidseducatie. Daarbij gebruiken we ook de input vanuit de internationale gremia.
Is de aanname juist dat de begrote middelen voor DuurzaamDoor vanaf 2026 beschikbaar komen voor uw nieuwe project over sociale innovatie, zoals lijkt te worden gesteld (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 2)?
Ja, dat klopt.
Kunt u aangeven welke lessen, trajecten en projecten, uit 15 jaar DuurzaamDoor expliciet worden meegenomen in de nieuwe Aanpak Sociale Innovatie en waar dit alles is vastgelegd?
De werkwijze, manieren van samenwerken, netwerken en kennis die binnen het programma DuurzaamDoor zijn ontwikkeld, vormen de basis voor de Aanpak sociale innovatie.
Inzet is om in de nieuwe aanpak de werkmethodes die zijn ontwikkeld toegankelijk te houden. Op dit moment gebeurt dat nog via de archiefpagina van DuurzaamDoor3. Het team bij RVO dat aan de aanpak werkt bestaat uit adviseurs met ervaring, die hun weg weten binnen de bestaande netwerken. Het merendeel van de adviseurs komt uit het programmateam van DuurzaamDoor.
Is er een maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van het stoppen van DuurzaamDoor? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen?
Er is geen maatschappelijke kosten-baten analyse gemaakt over het programma DuurzaamDoor.
Bent u bereid het volledige besluitvormingsdossier rondom het stopzetten van DuurzaamDoor, inclusief interne nota’s, adviezen en besluitstukken, met de Kamer te delen?
Met bovenstaande antwoorden heb ik gepoogd u voldoende inzicht te verschaffen.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag, voor haar aftreden, beantwoorden?
Dat heb ik gedaan.
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Ja, het kabinet is bekend met dit rapport gepubliceerd door het Britse Department for Environment, Food & Rural Affairs van 20 januari 2026.4 De conclusies in de analyse komen in hoofdlijnen overeen met de conclusies over klimaatverandering in de trendanalyse nationale veiligheid 20245 en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022.6 Kijkende naar de risico’s van ecosysteemdegradatie op de veiligheidscontext zijn een aantal van de key judgements uit het Britse rapport minder relevant voor specifiek Nederland, gezien de Nederlandse landbouw en voedselproductie. Omdat Nederland het overgrote deel exporteert, zijn de afhankelijkheden zoals genoemd door het Verenigd Koninkrijk een minder groot risico op onze veiligheid.
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
Ja, het kabinet herkent deze analyse. Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn een mondiaal probleem en hebben, naast effecten op onze leefomgeving en gezondheid, een groeiende impact op onze welvaart en veiligheid. Het streven naar onafhankelijkheid en veiligheid vraagt om investeringen in schone en betaalbare energie van Europese bodem, economisch leiderschap, groene marktcreatie en verduurzaming van de brede economie, met name strategische industrie en banen.
In de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 beschrijft het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) dat klimaat- en natuurrampen een brede impact hebben en dat vrijwel alle nationale veiligheidsbelangen kunnen worden geraakt. De gevolgen voor de nationale veiligheid die worden benoemd zijn: 1) klimaatverandering als trend met directe negatieve impact op de nationale veiligheid door directe gevolgen als frequentere en ernstigere weersextremen, zeespiegelstijging en een toename aan overstromingen, natuurbranden en infectieziekten. Daarnaast benoemt de trendanalyse 2) klimaatverandering als threat multiplier. Hiermee wordt bedoeld dat naast de genoemde directe effecten er ook internationale cascade-effecten zijn die het Koninkrijk indirect raken, bijvoorbeeld door geopolitieke spanningen, het al dan niet begaanbaar zijn/worden van (nieuwe) vaarroutes en het onder druk staan van voedselzekerheid en toenemende migratie.
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Het Rijk ziet de gevolgen van klimaatverandering al lange tijd als een veiligheidsrisico.
Zo is in de in 2023 gepubliceerde Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023–2029) de actielijn «intensiveren klimaatmitigatie en -adaptatie» opgenomen. In deze actielijn staan de prioriteiten om de nationale veiligheidsrisico’s van klimaatverandering tegen te gaan.7 Ook de EU identificeerde in 2023 de noodzaak om de impact van klimaatverandering en ecosysteem degradatie op veiligheid en weerbaarheid beter te definiëren en implementeren in de mededeling «Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid: aanpak van de gevolgen van klimaatverandering en aantasting van het milieu voor vrede, veiligheid en defensie».8
In relatie tot afstemming met Europese partners wisselt het Ministerie van Defensie onder meer informatie uit over klimaatverandering en veiligheid via het Climate and Defence Network, geleid door de Europese Dienst voor Extern Optreden.9 Naast Europese lidstaten zijn ook de NAVO en andere landen, zoals Canada, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, en de VS hierin vertegenwoordigd. Tijdens bijeenkomsten wordt gesproken over de nationale strategieën, opgesteld om de krijgsmachten voor te bereiden op klimaatverandering en de implementatie er van.
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Om trends en ontwikkelingen in dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen, waaronder Klimaatverandering, maakt Nederland gebruik van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid die in 2022 met uw Kamer is gedeeld.10 Deze analyse wordt eens in de drie jaar in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd. Om zicht te houden op tussentijdse ontwikkelingen is in 2024 voor het eerst ook een trendanalyse uitgevoerd.11 Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar.
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Zie het antwoord op vraag 4. Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar en zal dan met uw Kamer worden gedeeld.
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5. Tevens zal het kabinet u voor de zomer informeren over hoe het voornemens is uitvoering te geven aan motie van het lid Klos12 over het organiseren van een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid in 2026. Het kabinet is voornemens om daarmee ook reageren op het verzoek van het lid Dassen om een Commissiebrief13 over de mogelijkheden die Nederland heeft om te zorgen dat we eenzelfde dreigingsanalyse kunnen maken als de Britten hebben gedaan.
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Ja, de Nederlandse Krijgsmacht, de AIVD en MIVD zijn zich bewust van de risico's die klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen.
Het Ministerie van Defensie stelde reeds intern de Defensiestrategie voor Klimaatverandering en Veiligheid op, waarin klimaatverandering als threat multiplier wordt onderkend: klimaatverandering in combinatie met andere factoren (demografisch, economisch, politiek, sociaal, religieus) kan tot meer instabiliteit, conflicten en migratie leiden. Deze Strategie zal dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
In de strategie definieert het Ministerie van Defensie vier sporen om zich voor te bereiden op de effecten van klimaatverandering op vrede en veiligheid:
Verder staat een aantal onderzoeken gepland naar de impact van klimaatrisico’s op Defensie, bijvoorbeeld op kritieke infrastructuur en datacenters. Eveneens wordt het effect van klimaatverandering meegenomen in the Future of War Conference, een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en de University of Oxford en in wargames.
Met de meest recente Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid14 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de focus van Defensie op het gebied van duurzaamheidbeleid primair ligt op het versterken van energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen.
De AIVD en MIVD zijn beide onderdeel van de vaste kern van het Analistennetwerk Nationale Veiligheid en daarmee medeopstellers van producten zoals de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 en de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Verder kunnen de AIVD en MIVD geen uitspraken doen over de modus operandi en onderzoeksgebieden.
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Veiligheidsrisico’s worden op verschillende niveaus meegenomen in het beleid. Zoals ook genoemd in de beantwoording van vraag 2, worden met de implementatie van de Wwke kritieke entiteiten geacht een risicobeoordeling te maken van mogelijke door mens en natuur veroorzaakte dreigingsrisico’s en op basis daarvan weerbaarheid verhogende maatregelen te nemen. Risico’s voortkomend uit klimaat (verandering) en natuurrampen maken hier onderdeel van uit.
Ook in de nieuwe analyse van de klimaatimpacts en -risico’s die binnenkort door het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) zal worden gepubliceerd, wordt expliciet aandacht besteed aan het onderwerp veiligheid. Deze analyse ligt mede ten grondslag aan de herziene Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) die het kabinet in 2026 zal presenteren. Dit is een Rijksbrede aanpak om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
De verspreiding en ontwikkeling van infectieziekten in Nederland maar ook vanuit het buitenland wordt gevolgd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM verzamelt en analyseert gegevens over trends in infectieziekten en kijkt hierbij niet alleen naar ontwikkelingen in mensen maar ook in dieren en de leefomgeving. Het RIVM heeft ook de infectieziekterisico’s van klimaatverandering voor Nederland in kaart gebracht.15
Daarnaast wordt op Europees niveau aandacht besteed aan nieuwe gezondheidsbedreigingen op het vlak van infectieziekten en antimicrobiële resistentie (AMR) die zich door klimaatverandering kunnen voordoen. Zo monitort het Europees centrum voor ziektepreventie- en bestrijding (ECDC) de ontwikkeling rondom dichterbij komende ziekteverwekkers die via muggen of teken, de zogeheten vectoren, overdraagbaar zijn.
In 2022 is bovendien een pakket wet- en regelgeving aangenomen op EU-niveau, waaronder de EU-verordening ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen (EU/2022/2371). Deze verordening regelt de coördinatie, samenwerking en afstemming op EU-niveau bij de voorbereiding op en bestrijding van onder meer infectieziekten, AMR, chemische en biologische alsook natuur- en klimaatgerelateerde bedreigingen. Op basis van de verordening worden onder meer additionele eisen gesteld aan nationale surveillance en monitoring van potentiële infectieziekten, worden periodieke externe evaluaties voorzien van de staat van paraatheid van lidstaten met betrekking tot zogenaamde «all hazards»-bedreigingen. Ook zijn Europese referentielaboratoria opgezet, waarbij het RIVM is aangewezen als EU-referentielab voor aandoeningen die onder andere via muggen en teken worden overgedragen.
Het Nederlandse zorgsysteem bereidt zich hier op verschillende manieren op voor. Hoewel sommige (tropische) ziekten nu niet of nauwelijks in Nederland worden overgebracht, behandelen ziekenhuizen en huisartsen wel al zo nu en dan patiënten die in het buitenland besmet zijn geraakt en ziek worden in Nederland. Er zijn voor veel ziekten daardoor al richtlijnen en voorzieningen beschikbaar.
Ook voor de publieke gezondheid geldt dat er al richtlijnen beschikbaar zijn voor veel ziekten. Het is belangrijk dat RIVM en GGD’en de ontwikkeling van infectieziekten (kunnen) blijven monitoren om veranderingen en ontwikkelingen tijdig op te kunnen sporen. De richtlijnen kunnen daar dan op worden aangepast. Naar aanleiding van de evaluatie van Covid-19 zijn plannen gemaakt om de voorbereiding op pandemieën te versterken. Het vorige kabinet heeft een bezuiniging uitgevoerd op deze plannen voor pandemische paraatheid. Het kabinet verdiept zich op dit moment in de consequenties van de bezuiniging op pandemische paraatheid en de mogelijkheden die er zijn.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Het kabinet erkent dat er een wezenlijk risico is dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ecosysteemineenstorting kan leiden tot lagere opbrengsten in de landbouw in Nederland, in de EU en wereldwijd. Dat als gevolg daarvan voedselprijzen kunnen stijgen, is helder. Minder helder en voorspelbaar is wanneer, hoe vaak en voor welke producten dit zal optreden en met welke precieze gevolgen voor de prijs van voedsel. Uiteenlopende maatregelen moeten ervoor zorgen dat deze risico’s kleiner worden en de voedselvoorziening weerbaar is tegen deze verstoringen. Het kabinet zet in op het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen en voedsel wordt onderdeel van de vitale infrastructuur in Nederland, waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen, inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. Het kabinet zet zich in voor nationale, Europese en internationale maatregelen om de emissies van broeikasgassen te verminderen en biodiversiteitsverlies tegen te gaan. Inzet op natuurbeleid, bijvoorbeeld door effectief begeren en waar nodig uitbreiden en verbinden van natuurgebieden, het beperken van drukfactoren op de natuur en het uitbreiden en versterken van agrarisch natuurbeheer moeten bijdragen aan het tegengaan van biodiversiteitsverlies in Nederland.
Het kabinet wil de voedselzekerheid op lange termijn borgen door een transitie naar een houdbaar, geavanceerd en klimaatadaptief voedselsysteem met voldoende aandacht voor verdienvermogen van ondernemers. Jaarlijks monitort het PBL de sectorale emissies via de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), terwijl het CBS de opbrengsten vastlegt in de Landbouwtelling. Internationaal biedt de FAO Food Outlook inzicht in mondiale trends, zoals voedselprijzen en ketenefficiëntie. Nederland handhaaft zijn positie als efficiënte producent door in te zetten op verduurzaming en klimaatadaptatie van de landbouw, hergebruik van afvalstromen en innovaties zoals precisielandbouw. Daarnaast zet het kabinet in op biotechnologische innovatie voor verduurzaming van de landbouw. Het kabinet zet zich in Europees verband in op het toestaan van Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) zodat de plantenveredelingssector in staat is sneller weerbare rassen te ontwikkelen. Voor duurzame voedselproductie op de lange termijn kijkt het kabinet ook naar technologieën als kweekvlees en precisiefermetatie. Deze verduurzaming en aanpassing aan klimaatgevolgen zoals weersextremen en verzilting wordt onder meer ondersteund door Europese samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het kabinet zet zich voor het GLB in op een toekomstgerichte, innovatieve landbouw en visserij en een gezonde natuur, met blijvende aandacht voor toekomstperspectief, verdienvermogen, voedselzekerheid en innovatie binnen de draagkracht van de aarde.16 Met de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet in samenhang aan het oplossen van de vergunningenproblematiek, het realiseren van natuurverbetering en het bieden van perspectief voor de agrarische sector. Hiermee werkt het kabinet aan een toekomstbestendige en robuuste agrarische sector, en draagt het daarmee bij aan voedselzekerheid.
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Ja, die conclusie deelt het kabinet. Onze economie is inherent verweven met de staat van de natuur. Zoals het recente wetenschappelijke rapport over de link tussen bedrijven en biodiversiteit van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) aantoont, zijn alle bedrijven afhankelijk van biodiversiteit.17 Het verlies aan biodiversiteit vermindert het vermogen van ecosystemen om essentiële ecosysteemdiensten zoals bestuiving en waterzuivering te leveren en vormt daarmee een materieel risico voor bedrijven, financiële instellingen als ook de macro-economische stabiliteit en brede welvaart.
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbaarheid van cruciale wereldwijde ecosysteem diensten. Het ineenstorten van ecosystemen brengt veiligheidsrisico’s voor de mondiale stabiliteit, voedselzekerheid en klimaatbeheersing met zich mee, wat ook gevolgen heeft voor Nederland. Wetenschappelijke rapporten van onder meer het IPBES en Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarschuwen dat bij aanhoudende opwarming en biodiversiteitsverlies zogenaamde kantelpunten (tipping points) bereikt kunnen worden.
Hoewel er geen gedetailleerde inventarisatie is gemaakt van de specifieke noodmatregelen die onmiddellijk genomen moeten worden, is het van cruciaal belang dat er op internationaal, Europees en nationaal niveau dringende stappen worden gezet. Het kabinet zal dit aanjagen en er op aansturen dat waar nodig aanvullende stappen worden gezet. Internationaal richt het kabinet zich op de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. Europees moeten de doelstellingen van de Europese Klimaatwet, Europese Green Deal en de Natuurherstelwet worden uitgevoerd.
Nationaal richt het kabinet zich op concrete maatregelen om de weerbaarheid van Nederland te versterken. Voor Nederland als deltaland is het van belang om onder andere slim om te gaan met water, rivieren meer ruimte te geven om overstromingen te voorkomen, en nature-based solutions op te schalen, zoals het herstellen van wetlands, het aanleggen van groene bufferzones en het bevorderen van natuurlijke waterberging. Tegelijkertijd werkt Nederland aan het reduceren van milieuschadelijke subsidies, het stimuleren van bedrijven en financiële instellingen om meer rekening te houden met hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit, en het implementeren van klimaatadaptatiemaatregelen, inclusief specifieke programma’s voor Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen, waaronder een concreet uitvoeringsprogramma om de drukfactoren op koraal en mangroven in de Caribische delen van Nederland te verminderen en herstel te bespoedigen. Het verminderen van deze drukfactoren geeft de biodiversiteit meer weerbaarheid tegen de effecten van klimaatverandering. Daarnaast wordt gewerkt aan eilandelijke klimaatplannen en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
Daarnaast is het kabinet volop aan de slag met de nationale opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven op onder andere water en klimaat, via de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, zoals ook aangegeven door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in de brief Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof van 27 maart jl.18
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Nederland blijft een actieve pleitbezorger voor ambitieuze internationale afspraken met heldere rapportageverplichtingen op gebied van biodiversiteit en klimaat, alsook voor de implementatie van deze afspraken. Ook investeert Nederland in zijn diplomatieke contacten en ondersteunen we landen met de implementatie van hun klimaat- en biodiversiteitdoelen. Nederland benut zijn positie als kennispartner om bruggen te slaan tussen het mondiale Noorden en Zuiden. We ondersteunen ontwikkelingslanden niet alleen financieel, maar ook met technische innovaties op het gebied van bijvoorbeeld klimaatadaptatie.
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Het goed informeren van iedereen in Nederland is inderdaad van belang om tijdig, gezamenlijk en individueel, de juiste voorbereidingen en maatregelen te treffen, zodat we in ons land ook op langere termijn goed kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering, zoals weersextremen en verzilting. Met het oog hierop wordt momenteel de nieuwe NAS’26 ontwikkeld. Naar verwachting wordt deze in het najaar van 2026 opgeleverd. Het kabinet zal in de aankomende Nationale klimaatadaptatiestrategie een aanpak presenteren voor een klimaatweerbare samenleving. Zie de beantwoording van vraag 8 voor meer informatie over de NAS.
Veel van de investeringen ten behoeve van de reductie van broeikasgasemissies komen vanuit het Rijk. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is om de samenleving te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de klimaatopgave. Dit is onder meer gedaan middels het Burgerberaad Klimaat.19
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Vanwege uitvoerige interdepartementale afstemming is dit helaas niet binnen de termijn gelukt.
Kunstsubsidies |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid van museale collecties?
Ik ben bekend met de inzet op het gebied van diversiteit en inclusie door musea die subsidie van het Ministerie van OCW ontvangen. Deze instellingen rapporteren aan het ministerie over de uitgevoerde activiteiten en de voor de collectie verworven objecten in het jaarverslag. Hierin wordt ook een reflectie op de inzet in het kader van de Code Diversiteit & Inclusie opgenomen. Ook andere musea nemen vaak een reflectie over diversiteit en inclusie op in het jaarverslag, zo ook het Stedelijk Museum Amsterdam. Deze jaarverslagen worden doorgaans online gepubliceerd.
Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte) uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst of seksuele geaardheid?
In Nederland geldt artikel 1 van de Grondwet, dat het gelijkheidsbeginsel verankert, en is discriminatie verboden. Op basis van wettelijke kaders mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan.
Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht u deze perceptie wenselijk?
Culturele organisaties die voor de periode 2025–2028 subsidie in het kader van de Culturele basisinfrastructuur aanvroegen werd gevraagd de Code Diversiteit & Inclusie (net als de Governance Code Cultuur en de Fair Practice Code) te onderschrijven. Daarbij is gemeld dat het aan instellingen zelf is om te bepalen welke doelstellingen zij hebben om de code (al dan niet verder) te implementeren en hoe zij die doelstellingen willen bereiken. Het culturele veld is op verschillende manieren geïnformeerd over de periode 2025–2028. Onder andere door middel van de website cultuursubsidie.nl, de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028 en uiteraard door het publiceren van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028. De omgang met en status van de codes is hierbij geduid. Overigens is de code door de sector zelf en op eigen initiatief opgesteld en uitgewerkt.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat «diversiteit en inclusie» een formeel beoordelingscriterium is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?
Zoals gezegd onder vraag 3 is aan instellingen voor de periode 2025–2028 van de Culturele basisinfrastructuur gevraagd de codes te onderschrijven en uit te leggen hoe zij deze toepassen. Het Mondriaan Fonds vroeg instellingen ook om de codes te onderschrijven. Zowel voor de subsidies die door de Raad voor Cultuur als het Mondriaan Fonds zijn beoordeeld geldt dat organisaties vrij zijn in de keuzes die zij maken in het vertalen van de principes uit de Code Diversiteit & Inclusie naar een eigen visie, doelen en bijpassende acties.
De Raad voor Cultuur heeft subsidieaanvragen beoordeeld aan de hand van de volgende set beoordelingscriteria: de artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit, maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling. Hierbij heeft de Raad voor Cultuur onder twee beoordelingscriteria specifiek naar de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie gekeken, namelijk onder «maatschappelijke betekenis» (voor wat betreft de aspecten «Programma», «Partners» en «Personeel») en «toegankelijkheid» (voor wat betreft het aspect «Publiek»). Voor het Mondriaan Fonds geldt dat diversiteit en inclusie geen inhoudelijk beoordelingscriterium is bij de subsidies die worden toegekend aan musea. De manier waarop musea invulling geven aan het toepassen van de code Diversiteit & Inclusie wordt niet beoordeeld en heeft geen invloed op het al dan niet toekennen van de subsidie. Alleen voor de meerjarenregeling Programma’s Kunstpodia is naar het totale beleid dat kunstpodia op de drie geldende codes hebben gekeken, als een van de beoordelingscriteria. Dit omdat binnen deze regeling subsidie wordt toegekend voor de exploitatie en programma van de instelling als geheel en niet alleen voor een los project.
Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren of drempelcriteria)?
Voor de periode 2025–2028 heeft de Raad voor Cultuur de aanvragen van instellingen beoordeeld aan de hand van vijf samenhangende beoordelingscriteria. Onder twee beoordelingscriteria is specifiek naar de toepassing van de code Diversiteit & Inclusie gekeken. Het criterium «toegankelijkheid» werd onder andere beoordeeld aan de hand van landelijke spreiding, digitale beschikbaarheid van het aanbod en een goed prijsbeleid. Daarbij is o.a. het aspect «Publiek» van de code meegewogen. Als onderdeel van het criterium «maatschappelijke betekenis» werd beoordeeld in hoeverre de artistieke of inhoudelijke activiteiten van de instelling bijdragen aan maatschappelijke vraagstukken of aan andere maatschappelijke sectoren en in hoeverre de instelling regionaal of lokaal geworteld is. Ten aanzien van de Code Diversiteit & Inclusie is binnen dit criterium meegewogen hoe instellingen deze code naleven met betrekking tot de aspecten «Programma» en «Partners» (voor zover betrekking hebbend op de artistieke of inhoudelijke activiteiten) uit deze code. Ook het aspect «Personeel» uit de Code Diversiteit & Inclusie is in het kader van dit criterium meegewogen.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan aanvragen die deze wel bevatten?
Nee. Zoals bij vraag 4 aangegeven heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar het toepassen van de Code Diversiteit & Inclusie één onderdeel van was.
Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?
De beoordelingsrichtlijnen zijn vastgelegd in de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028 en toegelicht in de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028. De Raad voor Cultuur heeft de richtlijnen verder uitgewerkt in het Beoordelingskader BIS 2025–2028 en toegepast zoals gerapporteerd in het Advies Culturele basisinfrastructuur 2025–2028.
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen, geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?
Zoals bij vraag 5 beantwoord heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit één onderdeel van was. Naast dit criterium is gekeken naar de maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling. De beoordeling sluit hiermee aan op de doelstellingen van het cultuurbeleid zoals die zijn vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?
Nee. Musea die op grond van de Erfgoedwet zijn belast met zorg voor de Rijkscollectie, ontvangen van het Ministerie van OCW subsidie voor het beheer van de collectie en het organiseren van publieksactiviteiten. Deze subsidie wordt ambtshalve – zonder advies van de Raad voor Cultuur – verstrekt op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiering museale instellingen. In deze regeling is, in lijn met de regeling van de Culturele basisinfrastructuur, als voorwaarde gesteld dat de instelling in zijn activiteitenplan voor de periode 2025–2028 de Code Diversiteit & Inclusie onderschrijft.
Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van kunstenaars?
Ik vind het van belang dat de collecties van musea voor zover mogelijk een afspiegeling zijn van Nederland, nu en in het verleden. Het is aan het museum om te besluiten welke objecten worden verworven. Musea kunnen daarbij besluiten om werken van bepaalde kunstenaars of genres te verwerven, omdat deze werken nu nog niet vertegenwoordigd zijn in de collectie. Dit gebeurt veelal op basis van een collectieplan, waarin het museum artistiek inhoudelijke en/of maatschappelijke aandachtsgebieden en lacunes in de collectie identificeert.
Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars, zoals afkomst of gender?
Ik ben niet bekend met kwantitatieve doelen bij het aankoopbeleid van musea. Het is aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie.
Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?
Zoals bij vraag 9 beantwoord, is het aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie. Vanuit het ministerie worden er geen quota gehanteerd.
Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?
Zowel de beoordelingskaders als de toegelichte adviezen van de Raad voor Cultuur en de beoordelingskaders van de rijkscultuurfondsen zijn openbaar. Deze documenten maken duidelijk op welke manier de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie is meegenomen bij de beoordeling van subsidieaanvragen.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. De beoordelingsprocessen van de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen bevatten gezien de mix aan beoordelingscriteria voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat de sector in de periode 2025–2028 ruimte geeft aan verschillende stemmen.
Hoe ziet u uw rol als Minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector, zowel inhoudelijk als institutioneel?
De Wet op het specifiek cultuurbeleid bevat meerdere doelen. Eén van de doelen is om cultuuruitingen sociaal en geografisch te spreiden. Een ander doel is om de verscheidenheid van culturele uitingen in stand te houden. Het toepassen van de door de sector opgestelde Code Diversiteit & Inclusie draagt wat mij betreft bij aan het realiseren van de verschillende doelen van het cultuurbeleid. Ik vind het belangrijk dat mijn beleid bijdraagt aan het vergroten van de sociale en geografische spreiding, zodat er ruimte is voor meerstemmigheid en zoveel mogelijk mensen van cultuur kunnen genieten.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde cultuursector?
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. Zoals bij vraag 12 beantwoord bevat het beoordelingsproces door de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen voldoende waarborgen om ervoor te zorgen dat de artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de sector behouden blijven.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Ja.
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
In de brief van de stichting PiLP van 10 december 2025 uiten maatschappelijke organisaties hun zorgen over de verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu ten aanzien van de bouw van drie datacentrumtorens aan de Plimsollweg in Amsterdam. Zij geven aan dat de ontwikkeling in Amsterdam een groot beslag legt op het elektriciteitsnet, waardoor andere bedrijven en woningbouw niet kunnen aansluiten. Het project loopt sinds 2019 en daardoor wordt Amsterdam, volgens de organisaties, geconfronteerd met een speculatieve ontwikkeling, terwijl er landelijk beperkingen gelden voor hyperscale datacentra en lokaal al jaren een moratorium bestaat op alle datacentra. Naar mening van de organisaties zou het in een goed functionerende democratie mogelijk moeten zijn om eerder genomen besluiten te heroverwegen.
Het kabinet deelt net als de gemeente de zorgen van de maatschappelijke organisaties over de belasting van het stroomnet. Netcongestie speelt helaas op veel plaatsen in Nederland. Het is van belang om te benoemen dat de gemeenteraad van Amsterdam in beginsel verantwoordelijk is voor de ruimtelijke keuzes voor de inrichting van haar grondgebied, binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Als het gaat om de ruimtelijke keuzes door de gemeente Amsterdam past het Rijk terughoudendheid bij de beoordeling van de besluitvorming door de gemeente. Dat geldt ook voor vergunningverlening door de provincie. De verantwoording over de decentrale besluitvorming gebeurt immers primair door de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten aan respectievelijk de gemeenteraad en provinciale staten. In dat kader kan ook de heroverweging van dit type besluiten aan de orde komen, waarbij dan ook aspecten als rechtszekerheid en nadeelcompensatie aan de orde kunnen komen.
In het geval van het datacentrum aan de Plimsolweg heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied, namens de gemeente, op basis van een toets aan het toenmalige bestemmingsplan op basis van een aanvraag in 2019 een omgevingsvergunning voor de bouw en ingebruikname verleend. De verlening van deze vergunning heeft plaatsgevonden voordat de regels van het Rijk ten aanzien van hyperscale datacentra van toepassing waren. Later heeft de provincie, op basis van aanvragen in 2021 en 2022, in 2025 vergunningen voor onder meer milieuactiviteiten verleend.
Het is verder relevant om te melden dat er bij deze ontwikkeling geen sprake is van een hyperscale datacentrum, volgens de definitie in de regels van het Rijk. De omvang van dit datacentrum bedraagt immers minder dan 10 hectare bebouwd vloeroppervlak, terwijl de regels van het Rijk van toepassing zijn op datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
De omgevingsvergunningen zijn door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verleend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland. Op basis van informatie van de Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kan ik aangeven dat de volgende vergunningen, inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten, verleend zijn:
Op 6 november 2020 heeft de omgevingsdienst namens burgemeester en wethouders van Amsterdam een bouwvergunning verleend (aangevraagd op 3 december 2019) voor het bouwen van drie torens in afwijking van de toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Op 15 juli 2025 heeft de Omgevingsdienst, namens gedeputeerde staten van Noord-Holland, een omgevingsvergunning vanwege een wijziging in de gevel voor een beoordeling vanuit welstand voor zonnepanelen en twee waterbuffertanks (aangevraagd op 1 december 2021). Deze verginning is definitief, maar nog niet onherroepelijk
De provincie Noord-Holland heeft op 15 juli 2025 drie milieuvergunningen (voor elke toren één) verleend en toestemming gegeven voor afwijking van het geluidverdeelplan (aangevraagd op 11 april 2022). Tegen de vergunning loopt nog een beroepsprocedure.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft in zijn vergadering van 12 juli 2019 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van Amsterdam met betrekking tot datacentra. Het voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van één jaar en heeft tot doel om vooruitlopend op een gemeentelijk beleid voor datacenters de bestaande situatie met betrekking tot datacenters «on hold» te zetten4.
De Minister van VRO heeft op 16 februari 2022 voor heel Nederland (uitgezonderd twee locaties) een voorbereidingsbesluit onder de Wro genomen waarmee verboden werd om gronden en bouwwerken zodanig te wijzigen dat een hyperscale datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer gebouwd of in gebruik genomen kon worden5. Dit voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van negen maanden.
Op 16 november 2022 heeft de Minister een tweede voorbereidingsbesluit voor de duur van negen maanden genomen6 en op 16 augustus 2023 een derde voorbereidingsbesluit7.
Op 1 januari 2024 is ook het Besluit van 20 december houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met een instructieregel voor hyperscale datacentra in werking getreden8.
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft het Rijk op 16 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waarna gestart is met een wetgevingstraject voor instructieregels voor hyperscale datacentra (AmvB). Het ontwerpbesluit is gedurende het wetgevingstraject op verschillende momenten gepubliceerd en op 1 januari 2024 in werking getreden. Met het voorbereidingsbesluit is beoogd de bouw en ingebruikname van nieuwe hyperscale datacentra (meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en een aansluitvermogen van 70 MW of meer) tegen te houden (buiten de twee eerder genoemde uitzonderingsgebieden).
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Ja, in voorkomende gevallen is het gebruikelijk dat het bevoegd gezag (in dit geval B en W van Amsterdam en GS van Noord Holland) bij besluitvorming rekening houden met voorgenomen eigen beleid of verwacht beleid- en wetgeving van andere bestuursorganen.
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Nee, zoals in de eerdere antwoorden aangegeven is de eerste vergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van dit datacentrum aangevraagd op 3 december 2019 en verleend op 6 november 2020, waarbij onder meer getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan. Het Rijk heeft op 16 februari 2022 via een voorbereidingsbesluit een landelijk verbod bekend gemaakt en aangegeven dat er landelijk beleid en regelgeving werd opgesteld om de bouw van nieuwe hyperscale datacentra tegen te gaan. Daarbij heeft het Rijk ook aangegeven wat onder een hyperscale datacentra in de zin van het Rijksbeleid en de regelgeving werd verstaan.
Het was voor de Omgevingsdienst, namens het bevoegd gezag, niet mogelijk om bij de vergunningverlening het landelijke verbod mee te wegen, omdat de vergunning aangevraagd en verleend is ruim voordat het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra van kracht werd. Daarbij is, wegens een bebouwd vloeroppervlak van minder dan 10 hectare, het landelijke verbod überhaupt niet van toepassing is op het initiatief aan de Plimsolweg.
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
De maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter ligt bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zij zijn bevoegd gezag geweest voor de plannen en de vergunningverlening. Uit informatie van de provincie Noord-Holland blijkt dat het gaat om een aansluitvermogen van 33 MW per toren, dus 99 MW in totaal. Bij het beoordelen van de aanvragen voor de drie torens is door de provincie gekeken naar de vestigingsvoorwaarden van de provincie. Zo is na overleg met de aanvrager afgezien van het gebruik van grondwater en is er voor gezorgd dat het datacentrum zijn warmte af kan staan aan een te bouwen warmtegebouw aan de overkant van de straat. Omdat het Rijk hierbij verder niet betrokken is geweest, ben ik niet op de hoogte van verdere inhoudelijke specificaties. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Het datacenter heeft een vermogen van 99 Megawatt. Stel dit datacenter vraagt volcontinu elektriciteit, dan leidt dat tot een elektriciteitsvraag van circa 0,87 TWh per jaar. In de nieuwste windparken op zee staan windturbines van 11 MW per stuk. Een 11 MW turbine levert met 3.700 vollasturen circa 0,041 TWh per jaar. Om de jaarvraag te dekken zijn in theorie dan 21,2 (dus 22) turbines nodig.
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Ja. Het datacenter heeft een ruimtelijke impact en vraagt beschikbare transportcapaciteit, dus het zal altijd impact hebben op andere ontwikkelingen. Het is daarbij relevant om aan te geven dat het hier gaat om een historisch project met een energiecontract dat al veel eerder is vastgesteld. In dit geval heeft het datacenter al transportcapaciteit gecontracteerd voordat congestie werd afgekondigd en een wachtrij is ingesteld. Daarmee kan het dus geen afstand doen van de rechten voor andere doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Ik begrijp de zorgen die er bestaan over deze ontwikkeling. Het betreft echter een ontwikkeling die al lang speelt en die bovendien niet valt onder de regels van het Rijk over hyperscale datacentra. Om die reden heeft de maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter gelegen bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Zoals eerder aangegeven heeft de besluitvorming over dit datacentrum gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Het Rijk is hierbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik begrepen dat het project is getoetst aan de vestigingsvoorwaarden voor datacenters van de provincie9.
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Die impact is inderdaad meegewogen in de besluitvorming rondom de instructieregel «hyperscale datacentra». Sterker nog: de impact op ruimte en energie is de reden geweest om de instructieregel op te stellen (vanwege nationale belangen).
Zoals in de toelichting op de AMvB staat opgenomen is de ruimte in Nederland is schaars en wordt Nederland geconfronteerd met grote opgaven die allemaal gepaard gaan met ruimtelijke claims. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, landbouw en de woningbouwopgave. In Nederland is, vanwege het ruimtebeslag, de landschappelijke impact, het hoge energiegebruik en de belasting van de landelijke energie-infrastructuur, maar beperkt ruimte voor de bouw en ingebruikname van hyperscale datacentra en daarom is destijds de instructieregel opgesteld.
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
Hierover is geen expliciet besluit genomen. Het is niet openbaar wanneer het energiecontract is afgesloten met dit project. Het afsluiten van overeenkomsten tussen netbeheerders en afnemers vindt plaats tussen deze partijen onderling, op basis van de energiewet, zonder dat daar een overheidsbesluit aan te pas komt.
Gezien de bouwvergunning in 2019 is aangevraagd gaan wij ervan uit dat de contracten voor energie en transportcapaciteit toen ook zijn afgesloten. In die periode golden nog geen voorrangsregels voortransportcapaciteit: pas in april 2024 is er door de ACM een maatschappelijk prioriteringskader opgenomen in de Netcode elektriciteit, voor het verdelen van transportcapaciteit in tijden van netcongestie10. In de huidige situatie krijgt een transportverzoek voor woningbouw prioriteit, en aansluitingen voor commerciële datacenters niet.
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Investeren in robuuste en duurzame datacenters en digitale infrastructuur is essentieel om Nederland én Europa ook in de toekomst concurrerend te houden en onze digitale open strategische autonomie te waarborgen. Het kabinet herkent daarom niet dat datacenters «verspilling van schaarse energie en ruimte» zijn. Daarbij erkent het kabinet wel dat er een discrepantie bestaat tussen de vraag uit de sector en dat wat in termen van ruimte en energieverbruik realiseerbaar is. Daarom is er regulering vanuit het Rijk op dit thema, onder andere via de eerder genoemde instructieregel hyperscale datacentra.
Voor het rechtvaardig verdelen van capaciteit op het stroomnet is er het prioriteringskader van de ACM, dat bepaalt welke sectoren voorrang krijgen bij het verkrijgen van nieuwe transportcapaciteit. Datacenters zijn niet opgenomen in dit kader en nieuwe aanvragen van datacenters krijgen dus ook geen voorrang, tenzij dat nodig is voor een vitale voorziening zoals een ziekenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat de elektriciteitsvraag van nieuwe datacenters ten koste gaat van woningbouw en andere maatschappelijke prioritaire sectoren.
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Er bestaat geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij de Nederlandse autoriteiten melding te maken over de doeleinden waarvoor ze gebruik (zullen) maken van servercapaciteit die ze afnemen in een datacentrum, of over het type data dat ze in dit datacentrum van plan zijn te verwerken of op te slaan. Er is geen informatie bij het kabinet beschikbaar over de doeleinden waarvoor Microsoft de servercapaciteit in dit te ontwikkelen datacentrum zal gaan gebruiken. In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen.
In algemene zin kan gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor het functioneren van de digitale infrastructuur en belangrijk is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.11 De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-)dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van clouddiensten.
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
Allereerst kan gesteld worden dat het betreffende datacentrum nog niet is ontwikkeld, en dus ook nog niet in gebruik is genomen. Daarnaast is er op dit moment geen informatie bekend over de data die Microsoft van plan is in dit datacentrum op te slaan. Zoals in het antwoord op vraag 15 is vermeld, bestaat er geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij Nederlandse autoriteiten melding te maken van de doeleinden waarvoor zij gebruik maken van een datacentrum of het type data dat ze in een datacentrum verwerken of opslaan.
Wat betreft de casus die u aanhaalt uit september 2025; hierin heeft Microsoft kenbaar gemaakt dat de betreffende dienstverlening aan het Israëlische Ministerie van Defensie is gestopt en uitgeschakeld omdat dergelijk gebruik in strijd zou zijn met de algemene voorwaarden van Microsoft.13 Daarmee is het op dit moment niet aannemelijk dat het te ontwikkelen datacentrum voor die doeleinden zal worden ingezet.
In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen. Deze autoriteiten zijn onafhankelijk en maken daarbij hun eigen afwegingen.
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, kan in algemene zin gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.
De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-) dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van onder meer clouddiensten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
In het vragenuur van 27 januari 2026 heeft de vorige Minister van VRO aangegeven dat het onderwerp «strategische autonomie» op het vlak van digitalisering onderdeel is van de portefeuille van de toenmalige Staatssecretaris van BZK. Om die reden is zij hier in het vragenuur niet verder op ingegaan.
Een nadere reflectie op de verwachte impact van de ontwikkeling van het datacentrum op strategische autonomie is reeds gegeven in de beantwoording van vragen 15 en 17.
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
De ontwikkeling van een nieuw datacentrum door een Britse datacentrumontwikkelaar is op zichzelf geen project dat onze strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt. De aankondiging dat Microsoft de beschikbare capaciteit in het datacentrum in z’n geheel afneemt, maakt dat in dit datacentrum – net als in diverse andere datacentra in Nederland waar Microsoft servercapaciteit afneemt – mogelijk data uit clouddiensten van Microsoft wordt opgeslagen en verwerkt.
Indien een organisatie gebruik maakt van een Amerikaanse clouddienstverlener, zoals Microsoft, bestaat het risico dat Amerikaanse autoriteiten onder de CLOUD Act een verzoek indienen voor het delen van gegevens. Dit risico dient door (overheids)organisaties meegenomen te worden in de risicoanalyse. Conform het Rijksbreed cloudbeleid 2022 dienen organisaties die onder het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vallen bij het risico op dreiging van statelijke actoren, voortijdig dreigings- en beveiligingsadvies in te winnen bij de AIVD c.q. de MIVD.
Onverminderd het bovenstaande is het van groot belang dat er meer mogelijkheden komen voor soevereine c.q. digitaal autonome cloudoplossingen. In dat verband wordt onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onder meer gewerkt aan (een verkenning naar) een soevereine overheidscloud. Ook het versterken van de Nederlandse en Europese concurrentiepositie van de cloudmarkt is een belangrijke inzet. Over deze inzet is uw Kamer middels een Kamerbrief geïnformeerd.14
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Nee, zoals eerder aangegeven hebben de afwegingen en de besluitvorming over deze ontwikkeling gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam en is het Rijk daarbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik vernomen dat de vergunning reeds is gepubliceerd en daarmee voldoet het aan de wet- en regelgeving. Er zijn naar mijn weten geen mogelijkheden om de vergunning aan te passen of te herroepen, tenzij er nieuwe (milieu)wetgeving van toepassing is.
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Nee, vanuit ruimtelijk perspectief wordt in de regelgeving van het Rijk onder een hyperscale datacentrum verstaan: het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Zoals ook in de toelichting bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen regels te stellen voor de vestiging van een datacentrum dat aan de criteria van meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en 70 MW of meer voldoet. Kleinere datacentra (met een oppervlakte van minder dan 10 hectare) of datacentra die slechts aan één criterium voldoen vallen niet onder de regels van het Rijk. Wel kunnen gemeenten, provincies en waterschappen in hun verordening of omgevingsplan regels stellen door dit type datacentra. Vanuit andere invalshoeken die relevant zijn vanuit het oogpunt van digitale autonomie, zoals het effect op de nationale veiligheid en verdienvermogen, is er op dit moment geen reden voor overheidsingrijpen.
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Uit contact met de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam heb ik vernomen dat zij in gesprek gaan met deze maatschappelijke organisaties. Ik zie geen reden om zelf met hen in gesprek te gaan.
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Dat klopt op basis van de informatie die ik over deze zaak heb gekregen. De regels van het Rijk verbieden alleen de bouw en ingebruikname van nieuwe datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en met een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer. Omdat het betreffende datacentrum in Amsterdam een bebouwd vloeroppervlak heeft van 2,2 hectare, valt deze niet onder de Rijksregels. Ik begrijp de zorgen die er lokaal bestaan over het ruimtebeslag en het energieverbruik dan dit datacentrum. Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs16 gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen.
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Nee, zoals de vorige Minister van VRO heeft aangegeven in het vragenuur is het opsplitsen van het datacentrum in drie gebouwen niet relevant voor de vraag of deze ontwikkeling past binnen de Rijksregels. Het totale bebouwde vloeroppervlak van de drie torens samen bedraagt 2,2 hectare. Dat is dus minder dan de 10 hectare die als grenswaarde is gebruikt bij de Rijksregels ten aanzien van hyperscale datacentra.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen. Hierover zal uw Kamer op een later moment worden geïnformeerd.
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 deelt het kabinet de zorgen over de belasting van het stroomnet. Om die reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat het aanpakken van de netcongestieproblemen onze hoogste prioriteit heeft. Zoals verder aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de realisatie van dit datacentrum verder passend binnen de regels zoals het Rijk die heeft gesteld. Ik zie om die reden geen aanvullende lessen om te trekken uit de gang van zaken.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Wegens de hoeveelheid vragen en de benodigde afstemming tussen de verschillende bewindspersonen en met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is het niet gelukt om de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het bericht dat de overheid informatie achterhoudt voor de toeslagenouders |
|
Elmar Vlottes (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toeslagenouders opnieuw slachtoffer: overheid houdt informatie voor hen achter en overtreedt zo de wet»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de werkwijze van de Dienst Toeslagen om doelbewust informatie niet te verstrekken, terwijl de ouders daar in voorkomende gevallen wél recht op hadden?
Gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire willen terecht weten wat er is gebeurd en waarom hen dit is overkomen. Daarom betreur ik het zeer dat er door de publiciteit over de memo zorgen zijn ontstaan bij ouders over het verstrekken van stukken die hen hierin inzicht kunnen geven. Graag wil ik die zorgen wegnemen door voorop te stellen dat mijn lijn altijd is geweest en zal blijven dat ouders alle op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Er is dus nooit sprake geweest van het bewust achterhouden van stukken. We houden ons aan de wet, we zijn maximaal transparant en we leveren wat nodig is.
Het doel van de Hersteloperatie Toeslagen is om ouders financieel en emotioneel herstel te bieden. En de eerste stappen te zetten om het vertrouwen in de overheid te herstellen.
Bij de start van de hersteloperatie was het idee om alle beschikbare stukken uit de systemen met de ouders te delen, het zogenaamde persoonlijke dossier. Dit was te tijdrovend en zorgde voor grote opstoppingen. Vanaf eind 2023 is daarom gestart met de verstrekking van ouderdossiers. De Commissie van Dam heeft in januari 2025 geadviseerd om te stoppen met het verstrekken van het persoonlijk dossier. Het ouderdossier is een gerichte set aan stukken met standaard 35 punten waarvan ook het oordeel over O/GS-ja of O/GS-nee deel uitmaakt. Dit dossier bevat alle op de zaak betrekking hebbende stukken en wordt, waar nodig, op verzoek van de ouder of gemachtigde aangevuld met aanvullend relevante documenten. De werkwijze is en wordt afgestemd met ouders en advocaten, zodat het dossier aansluit bij hun behoeften.
In de memo waaraan u refereert wordt ingegaan op het verstrekken van onderliggende stukken aan ouders die willen weten of er in hun dossier sprake is van een Opzet Grove Schuld (O/GS) kwalificatie.
Deze memo is als discussiestuk in verschillende team overleggen van de Uitvoeringsorganisatie herstel toeslagen (UHT) besproken, waarbij andere juridische inzichten naar voren kwamen. De memo was dus nog niet voldragen en vergde nog nadere uitwerking. Memo heeft niet geleid tot besluitvorming, ook niet binnen UHT.
Hoe beoordeelt u de uitspraak: «inzet is altijd geweest te voldoen aan wettelijke verplichtingen». Met de inhoud van het memo waaruit blijkt dat doelbewust de strijdigheid met de wet wordt aanvaard én ook wordt erkend dat de werkwijze niet houdbaar is in beroep? Bent u het ermee eens dat deze uitspraak haaks staat op de inhoud van het memo?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u inzichtelijk om welke dossiers het gaat en wat de gevolgen zijn en zijn geweest van het achterhouden van informatie voor de ouders? Wat gaat u eraan doen om deze ouders alsnog inzage te geven in het volledige dossier?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het een grove schande is om doelbewust informatie achter te houden en de toeslagenouders daarmee nog verder te duperen? Zo nee, hoe denkt u het vertrouwen van de toeslagenouders nog te herstellen als zij keer op keer geconfronteerd worden met wantrouwen en tegenwerking?
Zie antwoord vraag 2.
De gezamenlijke verklaring van 11 landen inzake UNRWA van 28 januari. |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gezamenlijke verklaring van 28 januari j.l. van de Ministers van Buitenlandse Zaken van België, Canada, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Ierland, Japan, Noorwegen, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk waarin zij krachtig de sloop door de Israëlische autoriteiten van het hoofdkwartier van het UNRWA veroordelen?
Ja.
Is Nederland benaderd voor deze gezamenlijke verklaring? Zo ja, waarom is besloten hier niet onder te staan?
Nederland is, samen met een brede groep landen, benaderd om de gezamenlijke verklaring zoals opgesteld door Frankrijk en het VK te medeondertekenen. Gelet op het besluit van het kabinet om de sloop nationaal te veroordelen (zie Kamerbrief 26 150, nr. 242 van 26 januari jl.) was de positie van Nederland duidelijk. Ook heeft de Adviescommissie van UNRWA, waar Nederland lid van is, op 26 januari de sloop veroordeeld en Israël gewezen op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen.1
Overweegt u deze verklaring alsnog te steunen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de verklaring is reeds gepubliceerd. Zoals bekend heeft Nederland de sloop al veroordeeld.
Heeft u, afgezien van in uw brief aan de Kamer van 26 januari, publiekelijk de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor stevig veroordeeld? Zo ja, via welke kanalen? Zo nee, waarom niet?
De adviescommissie van UNRWA heeft op 26 januari eveneens een veroordeling gepubliceerd. Nederland heeft deze als lid van de adviescommissie gesteund.
Heeft u na 20 januari hierover gecommuniceerd met de Israëlische autoriteiten? Wat is gecommuniceerd?
In contacten met de Israëlische overheid is de sloop van het UNRWA gebouw direct opgebracht waarbij is benadrukt dat dit VN-terrein betreft, met verwijzing naar de onschendbaarheid van deze gebouwen en terreinen.
Herinnert u zich de aangenomen motie Kröger c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 37) die de regering vraagt om stevig steun uit te spreken voor het werk en het mandaat van UNRWA en stelt dat Nederland pal moet staan voor VN- en hulporganisaties nu deze worden gecriminaliseerd? Vindt u dat u in lijn met deze motie handelt? Zo ja, hoe?
Het kabinet is bekend met de aangenomen motie en heeft bij de appreciatie aangegeven dat Nederland UNRWA steunt en dit zal blijven doen conform het amendement Stoffer/Eerdmans (Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 50). We wegen bij het al dan niet doen van publieke uitspraken altijd zorgvuldig af waar dat wel helpt en waar niet. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook meermaals het belang van volledige implementatie van het Colonna rapport over neutraliteit, waaronder dat van het lesmateriaal, en integriteit binnen UNRWA benoemd. Daarnaast sprak het kabinet eerder zorgen uit over de afhankelijkheid van UNRWA voor het leveren van humanitaire hulp in Gaza, vandaar dat Nederland blijft inzetten op diversificatie van die hulp.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Gecorrigeerde temperatuurreeksen van het KNMI |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Klimaatcritici krijgen gelijk van KNMI: 7 extra hittegolven sinds 1900»1 en «KNMI publiceert verbeterde homogene temperatuurreeksen»?2
Ja.
Hoe reageert u op de correctie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat er tussen 1900 en 1950 niet zeven, maar veertien hittegolven zijn geweest – oftewel twee keer zoveel?
Het is een goede zaak dat het KNMI verbeterde homogene temperatuurreeksen heeft gepubliceerd3. Het is van belang accurate informatie te hebben en nieuwe inzichten hierin voortdurend mee te nemen. Deze nieuwe reeksen leveren voor de belangrijkste klimaatcijfers geen ander resultaat dan de eerder gepubliceerde reeksen. Sinds 1901 is de gemiddelde jaartemperatuur met ongeveer 2 graden gestegen.
Vooral op losse warme zomerdagen zijn er wel verschillen in de reeksen. Dit heeft ook invloed op het aantal getelde hittegolven. Deze tellingen zijn heel gevoelig voor kleine veranderingen en daarmee veel meer onzeker. Het aanpassen van de maximumtemperatuur op slechts één dag van 29,9 graden naar 30,0 graden of andersom, kan uitmaken of er een hittegolf wordt geteld.
In de ruwe metingen van De Bilt zijn sinds 1901 in totaal 46 hittegolven geteld. In de eerste homogene temperatuurreeksen uit 2016 waren dat er 32. In de verbeterde homogene temperatuurreeksen zijn het er 39. Ruim 40 procent van alle hittegolven is opgetreden na het jaar 2000. Daarmee is de klimaattrend hetzelfde: er komen tegenwoordig veel meer hittegolven voor.
Wat vindt u ervan dat klimaatcritici, zoals in dit geval stichting Clintel, jarenlang zijn weggezet als «klimaatontkenners», terwijl hun inhoudelijke kritiek nu juist correct blijkt te zijn?
Het KNMI heeft kennisgenomen van kritische publicaties in de wetenschappelijke literatuur (bijv. Dijkstra et al., 2022) op de eerste homogenisatie. De kritiek richtte zich op methodologische keuzes en de gevoeligheid van de uitkomsten daarvoor. Onderbouwde kritiekpunten en aanbevelingen zijn nauwgezet bestudeerd. In meerdere gevallen zijn deze geaccepteerd en overgenomen bij de ontwikkeling van een verbeterde, robuustere methodologie. Dat heeft daarmee mede geleid tot het resultaat van de verbeterde homogene temperatuurreeksen. De nieuwe uitkomsten sluiten meer aan bij de verwachtingen van critici, zoals Clintel, over het aantal hittegolven voor 1950. Ook de nieuwe temperatuurreeksen laten duidelijke en consistente klimaattrends zien. De homogenisatie zegt niets over de oorzaken van klimaatverandering, zoals menselijk invloed, die door klimaatsceptici wordt betwijfeld, afwezen of ontkend.
Hoe kan het dat het KNMI nu pas de temperatuurreeksen corrigeert, terwijl de discussie over het aantal hittegolven al vanaf 2016 loopt? Heeft het KNMI werkelijk tien jaar nodig gehad om dit te onderzoeken?
Het KNMI voert doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen en mogelijkheden om deze beter vergelijkbaar te maken met moderne metingen. Hierover zijn in de periode 2016–2026 wetenschappelijke publicaties verschenen in o.a. 2019, 2022, 2023 en 2026. Dit heeft uiteindelijk in samenhang geleid tot de verbeterde homogene temperatuurreeksen.
Is het mogelijk dat er meer fouten of onnauwkeurigheden in historische temperatuurreeksen zitten? Bent u ertoe bereid dit te (laten) onderzoeken?
Het vergelijkbaar maken van historische metingen met moderne metingen brengt altijd enige onzekerheid met zich mee. In het wetenschappelijk rapport dat het KNMI dit jaar heeft uitgebracht zijn deze onzekerheden inzichtelijk gemaakt. Het valt niet uit te sluiten dat toekomstig onderzoek ertoe leidt dat het vergelijkbaar maken van temperatuurreeksen nog nader verfijnd kan worden. Het KNMI voert zelf doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen, het kabinet ziet geen reden om dit verder te laten onderzoeken.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle genomen of voorgenomen klimaatmaatregelen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de oude, incorrecte temperatuurreeksen – en deze maatregelen vervolgens direct intrekken?
Het kabinet ziet geen aanleiding om een dergelijk overzicht van klimaatmaatregelen te maken omdat zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven de onderbouwing van die maatregelen niet door de correctie van de temperatuurreeksen verandert.
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Het conceptakkoord met Tata Steel en de vraagtekens bij de daadwerkelijke klimaatwinst van de miljarden staatssubsidie |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin experts grote vraagtekens plaatsen bij de klimaatwinst van de twee miljard euro subsidie aan Tata Steel, en hoe beoordeelt u deze kritiek?1
Ik ben bekend met de nieuwsberichten. De kritiek in de berichtgeving ziet niet op de verduurzaming en de vermindering van de CO2-emissies die ontstaan door de staalproductie van Tata Steel Nederland (TSN) zelf (zogenaamde scope 1 emissies), maar op de indirecte emissies die als gevolg van het Groen Staal Plan elders zouden kunnen ontstaan bij de inkoop van energie (scope 2) of de indirecte emissies in de keten (scope 3).
De maatwerkaanpak van het kabinet heeft als doel om een forse uitstootvermindering te realiseren in het productieproces van een bedrijf zelf, zo ook bij TSN. De huidige plannen van TSN leiden naar verwachting tot een vermindering van de CO2-uitstoot met 5,4 tot 7,2 megaton per jaar. Dat is ongeveer 5% van de totale Nederlandse uitstoot. Daarnaast zorgen de plannen voor een forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio. Een maatwerkafspraak is de beste manier om zo snel mogelijk te komen tot vermindering van CO2-uitstoot, verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio en de staalindustrie te behouden. Een belangrijke overweging hierbij is dat TSN zonder maatwerkafspraak deze investeringen in verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving niet zal doen in de komende jaren en/of de staalproductie op termijn verplaatst naar het buitenland. Het gevolg hiervan is dat de gezondheidsproblematiek blijft voortbestaan, het klimaat niet verbetert of juist verslechtert vanwege de verplaatsing van de uitstoot en een bedrijf verdwijnt dat belangrijk is voor de economie en strategische autonomie van Nederland en Europa.
Het kabinet reageert in het vervolg van deze beantwoording op de specifieke kritiek over de impact op indirecte emissies en het beleid wat het kabinet daar separaat op voert.
Deelt u de zorg van experts dat de deal weliswaar tot minder CO2-uitstoot binnen Nederland leidt, maar dat een deel van die uitstoot wordt verplaatst naar het buitenland? Kunt u dit toelichten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 richt het kabinet zich met de maatwerkafspraak op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan de directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland. Als onderdeel van de vergroening van de Nederlandse productie kunnen elders extra activiteiten zoals de productie van LNG plaatsvinden die broeikasgassen uitstoten. Het gebruik van aardgas is echter een tussenstap in de verduurzamingsplannen van TSN: op termijn zal deze vervangen worden door groen gas of groene waterstof. Dat laat onverlet dat het kabinet zich ook inzet om de emissies elders op de wereld te beperken als gevolg van de winning en het transport van gas. Hiervoor werken we in EU-verband onder andere aan een monitoringsysteem waardoor meer zicht komt en beleid kan worden gevoerd op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
Kunt u de berekeningen delen die aantonen hoeveel CO2-reductie de subsidiëring van Tata Steel daadwerkelijk wereldwijd oplevert, rekening houdend met uitstoot die buiten Nederland plaatsvindt?
Bij de Kamerbrief2 over de ondertekening van de Joint Letter of Intent (JLoI) heeft het kabinet ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd3. Het gaat hier om de directe CO2-reductie van TSN zelf. De mogelijke gevolgen voor scope 2 en scope 3-emissies zijn geen doel op zich bij de JLoI en de uiteindelijke maatwerkafspraak, maar worden waar mogelijk meegenomen.
Herkent u de analyse dat de overstap van kolen naar aardgas problematisch is vanwege de verwachte toename van Amerikaans schaliegas op de Europese markt, waarbij veel methaan weglekt dat 25 keer zo sterk is als CO2? Hoe weegt u dit mee in uw beoordeling van de klimaatwinst?
De impact van aardgas op de CO2-uitstoot en leefomgeving is aanzienlijk beter dan van kolen. De emissies van het primaire staalproductieproces van TSN (scope 1 en 2) nemen daarom al zeer sterk af bij een overgang van het huidige kolen-gebaseerde proces naar de tussenfase van het DRP-EAF proces op aardgas. Daarnaast geldt dat ook bij de winning van kolen voor staalproductie significante methaanemissies kunnen ontstaan. Deze emissies zijn afhankelijk per specifieke kolenmijn. De tussenfase met aardgas leidt dus al tot een significante vermindering van de CO2-uitstoot ten opzichte van de bestaande situatie.
Aardgas wordt verhandeld op de groothandelsmarkt. Het aardgas dat hier wordt verhandeld is afkomstig van verschillende bronnen: aardgas dat in Nederland is geproduceerd, aardgas dat is geïmporteerd via pijpleidingen (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk of België) of aardgas dat is geïmporteerd in de vorm van LNG, bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten. Het valt dus niet op voorhand te zeggen of TSN aardgas zal verkrijgen uit het buitenland en zo ja, ook niet uit welk specifiek land.
Het doel is om uiteindelijk over te stappen op groene waterstof of groen gas. Ondertussen werken alle EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening. Deze verordening heeft als doel om de methaanuitstoot in de fossiele sector beter te monitoren en uiteindelijk te reduceren. Dit geldt ook voor ruwe olie, aardgas (incl. LNG) en steenkool die in de EU op de markt worden gebracht. De Europese Commissie streeft ernaar om uiterlijk in juni 2030 maximale methaanintensiteitswaarden vast te stellen voor ruwe olie, aardgas en steenkool die in de EU in de handel worden gebracht. Aardgas dat door TSN ingekocht zal gaan worden, zal aan deze strengere eisen uit de verordening moeten voldoen.
Waarom worden er geen eisen gesteld aan de herkomst van het gas dat Tata Steel zal gebruiken? Bent u bereid alsnog dergelijke eisen op te nemen in de definitieve afspraken om te voorkomen dat wordt overgestapt op zeer vervuilend schaliegas?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kan het kabinet vanwege de aard van de gasmarkt geen eisen stellen aan de herkomst van het aardgas dat TSN inkoopt. Een eventueel besluit op het instellen van beperkingen met betrekking tot de herkomst van aardgas kan alleen in internationaal verband en generiek plaatsvinden. De aardgasmarkt betreft een internationale groothandelsmarkt. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4 streeft de Europese Commissie naar de implementatie van maximale methaanintensiteitswaarden voor onder andere schaliegas.
Deelt u de mening van methaanexpert Thomas Röckmann dat het niet verstandig is om twee miljard belastinggeld te investeren zonder goed te monitoren hoe groot de methaanlekkages zijn bij het gas dat Tata gebruikt? Zo ja, hoe gaat u deze monitoring waarborgen?
Het kabinet acht de maatwerkafspraken met TSN noodzakelijk om de impact op de leefomgeving en de gezondheid van de omwonenden op kortst mogelijke termijn terug te dringen en om tot een grote(re) reductie van de Nederlandse CO2-uitstoot te komen. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) en de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep) geven in hun advies over de JLoI aan dat de steun zeer kosteneffectief is, ook en in vergelijking met steunmaatregelen voor andere Europese staalproducenten. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2 is de maatwerkaanpak primair gericht op het verminderen van scope 1-emissies. Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2 en 4 is monitoring van scope 2 en scope 3-emissies complex. Deze emissies treden op bij (internationale) ketenpartners en zijn het resultaat van handel op de wereldmarkt. Het beperken van deze emissies dient via generiek beleid plaats te vinden. Het kabinet werkt in Europees verband samen om hier stappen in te zetten.
Hoe beoordeelt u de realistische haalbaarheid van de geplande overstap naar groen gas rond 2035, gezien de huidige markt voor groen gas lang niet groot genoeg is en Tata 1,5 keer zoveel nodig heeft als wat er nu in heel Nederland beschikbaar is?
De Europese en wereldwijde groen gas markt is volop in ontwikkeling. De Nederlandse overheid draagt actief bij aan deze ontwikkeling met beleid gericht op het stimuleren van de groen gas markt, zowel aan de afname kant middels de bijmengverplichting voor ETS2 sectoren als aan de productiekant met de SDE++ en de DEI+. Ook grote industriële afnemers, zoals TSN, dragen bij aan de opschaling van de markt doordat zij lange-termijn afnamezekerheid kunnen bieden aan producenten van groen gas. Ook de AMVI, samen met de Expertgroep, stelt in haar advies4 dat de vraag vanuit TSN de ontwikkeling van groene markten, zoals voor groen gas, een impuls kan geven. Externe adviseur Common Futures schat het potentieel voor groen gasproductie in de EU op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN te voldoen. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI.5
Welke garanties zijn er dat Tata Steel bij tekorten en hoge prijzen op de groengas-markt niet langer afhankelijk blijft van aardgas dan gepland? Hoe worden deze garanties contractueel vastgelegd?
De grootste CO2-reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof of groen gas. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Als er in de gehele periode geen groene waterstof of groen gas wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als waterstof of groen gas wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Deelt u de analyse van hoogleraar Vollebergh dat het gebruik van gas op lange termijn niet houdbaar is en het verstandiger zou zijn om direct te investeren in elektrificatie in plaats van eerst miljarden te investeren in een tussenfase met gas?
Het kabinet deelt deze analyse niet. Zoals ook aangegeven in eerdere beantwoording6 van Kamervragen kent het project een tussenfase met aardgas en CCS op weg naar een groen productieproces op basis van groene waterstof of groen gas. Deze tussenfase is nodig omdat groene energiebronnen naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar en betaalbaar zijn op korte termijn. Uit het advies van de AMVI volgt ook dat de inzet van CCS zeer kosteneffectief is.
Daarbij moet worden opgemerkt dat in ook in de tussenfase op aardgas een belangrijk deel van het nieuwe productieproces al geëlektrificeerd is; het smelt- en staalmaak-proces gebeurt immers door middel van een Electric Arc Furnace (EAF, elektrische vlamboogoven). De Direct Reduction Plant (DRP) die TSN voornemens is te bouwen heeft een reducerend gas nodig om van ijzererts direct gereduceerd ijzer te maken. In de tussenfase gebruikt TSN hier aardgas voor. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven zal TSN op termijn waterstof of groen gas gebruiken via elektrolyse.
De nieuwe productieroute van TSN draagt ook bij aan de elektrificatie van de industrie. De Electric Arc Furnace (EAF) wordt elektrisch aangedreven en ook de groene waterstof die TSN op termijn zal gaan inzetten in de Direct Reduction Plant (DRP) kan op basis van groene elektriciteit worden geproduceerd. De technologie om staal direct volledig elektrisch te kunnen produceren vanuit ijzererts is op dit moment niet commercieel toepasbaar. Het is onduidelijk of en wanneer TSN deze technologie wel economisch kan toepassen op de door TSN gewenste schaalgrootte. Het kabinet kiest er niet voor om de onzekere ontwikkeling van deze technologieën af te wachten. Er is op dit moment immers geen concreet zicht op een termijn waarin deze technologie economisch volwassen is. Het kabinet wil met een maatwerkafspraak juist zorgen dat er zo snel mogelijk een verbetering van de gezondheid van omwonenden komt.
Kunt u uiteenzetten waarom bij dit soort afspraken alleen wordt gekeken naar uitstoot op Nederlandse bodem en niet naar de wereldwijde klimaatimpact, terwijl CO2 niet bij landsgrenzen ophoudt?
De internationale en Europese afspraken op klimaatbeleid en het verminderen van de CO2-uitstoot zijn ingericht langs de lijnen van de verantwoordelijkheid voor de nationale uitstoot. Daarnaast heeft het kabinet bij het vaststellen van klimaatbeleid oog voor de internationale klimaatimpact van maatregelen. Zo werkt het kabinet in samenwerking met andere EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening en aan een monitoringssysteem voor het verkrijgen van inzicht op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
De maatwerkafspraken zijn gericht op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland en waar relevant de impact op de leefomgeving te verminderen. Zoals ook aangegeven bij de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 zijn de bedrijfsemissies stuurbaar via een maatwerkafspraak. Deze aanpak is in lijn met internationale afspraken die voor het eerst gesloten werden via het VN-Klimaatverdrag uit 1992 en het Kyotoprotocol en onder meer via latere verdragen verder zijn ingevuld.
Het kabinet beoogt met de maatwerkaanpak om de industrie te verduurzamen en in Nederland te behouden. De vraag naar staal zal immers blijven bestaan. Als er geen maatwerkafspraak komt, en het bedrijf zou besluiten om de productie naar het buitenland te verplaatsen, heeft dit tot gevolg dat staal vanuit het buitenland geïmporteerd zal worden. Daarmee vergroten we onze importafhankelijkheid. Daarbij is de staalproductie is in het buitenland niet schoner of duurzamer, waarmee de verplaatsing van de productie een negatief effect zou hebben op het klimaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt binnen de geldende termijn van drie weken. De Kamer is hier eerder over geïnformeerd7.
Overlast rond islamitische school Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het structurele en escalerende intimiderende gedrag van moslimjongeren van het islamitische Cornelius Haga Lyceum in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer? Wat vindt u hiervan?1
De situatie is mij bekend. Ik vind het heel vervelend dat de wijkbewoners rondom het Cornelius Haga Lyceum zoveel overlast ervaren van de school. Leerlingen horen zich te gedragen, niet alleen binnen de muren van hun school, maar ook daarbuiten. En net zoals alle leerlingen en leraren in ons land zich iedere dag weer veilig moeten voelen op hun school, moet dat ook gelden voor de omwonenden in hun eigen leefomgeving.
De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde, de veiligheid en het bieden van passende onderwijshuisvesting ligt bij de gemeente. Hierin is geen rol weggelegd voor mijn ministerie. Wel is er op ambtelijk niveau nauw contact met de gemeente Amsterdam. De gemeente heeft eerder al de nodige maatregelen getroffen om de overlast te beteugelen.2 Zo wordt er extra gesurveilleerd rondom de school (zowel door de politie als door straatcoaches), is jongerenwerk binnen en buiten de school aanwezig om met jongeren in gesprek te gaan en wordt ook de schoolleiding betrokken bij het optreden tegen de groep overlastgevende jongeren. Deze maatregelen worden gecontinueerd. Mijn beeld is dat de gemeente en haar samenwerkingspartners alles op alles zetten om de overlast te beperken.
Deelt u de mening dat de situatie waarbij omwonenden dagelijks worden geconfronteerd met vernielingen, bedreigingen, grove scheldpartijen, het doelbewust blokkeren van toegang tot woningen door groepen moslimjongeren en het systematisch onveilig maken van de openbare ruimte in Nederland totaal onacceptabel is en niet in Nederland thuishoort? Zo ja, wat gaat u hieraan doen, zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat hier sprake is van normverwerping en groepsintimidatie door aanhangers van een islamitische cultuur die ons structureel ondermijnt?
De berichten in de media doen vermoeden dat hier sprake is van grensoverschrijdend gedrag en groepsintimidatie door middelbare scholieren. Dit ondermijnt het gevoel van veiligheid dat de wijkbewoners ervaren. Dat vind ik zeer onwenselijk.
Deelt u onze mening dat de islam niet bij Nederland hoort? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland geldt vrijheid van godsdienst.
Bent u bereid alle islamitische scholen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb de intentie noch de bevoegdheid om zonder wettelijke grondslag willekeurige groepen scholen te sluiten.
Bent u bereid om eindelijk hard in te grijpen door de daders hard te straffen en waar mogelijk te denaturaliseren en uit ons land te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er sprake is van strafbare feiten, is het aan de rechter om hierover te oordelen. Ik ben niet bevoegd om dergelijke strafmaatregelen te treffen.
Deelt u de diepe zorgen van de buurtbewoners dat het Cornelius Haga Lyceum en zijn leerlingen inmiddels bezig lijken met het «oprichten van een eigen islamitische staat» binnen de Amsterdamse wijk Bos en Lommer en bent u bereid te erkennen dat de aanhoudende intimidatie, de grove scheldpartijen en de systematische onveiligheid het directe gevolg zijn van een barbaarse ideologie gestoeld op de leer van Mohammed die gericht is op onze onderwerping en vernedering en bovendien de Westerse en Nederlandse normen en waarden en het gezag structureel verwerpt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen van de buurtbewoners over de overlast die zij ervaren. Mijn departement staat in contact met de gemeente Amsterdam en zal de situatie blijven volgen.
De milieueffectrapportage van Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat in het Heracless plan in de MER uitgegaan is van een productievolume van 6,8 megaton (Mton) vloeibaar staal per jaar (deel B, p.9), terwijl in de Joint Letter of Intent (JLOI) wordt uitgegaan van een maximum productiecapaciteit van 5,83 Mton per jaar (AMVI advies, p.8)?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven verschillen de JLoI en het MER in scope en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald. Juridische waarborgen over de maximale productievolumes worden de komende periode verder uitgewerkt.
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Welke afspraak gaat u maken met Tata Steel over de hoeveelheid vloeibaar staal die in de toekomst geproduceerd zal worden?
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na de transitie gelijk blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie Hoogoven 6 te vervangen door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Waarom zou een vergunning worden aangevraagd, met de MER als basis, die meer productie aanneemt dan is afgesproken in de JLOI?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Het is voor het kabinet van belang dat de beoogde doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de gezondheid en leefomgeving worden behaald. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 13 van de gestelde vragen4 die eveneens op 28 januari jl. zijn ingediend, kunnen de maximale emissies en het minimale schrootgebruik bindend worden verlaagd, respectievelijk verhoogd, met de maatwerkafspraak.
Als een vergunning aangevraagd wordt op basis van deze MER, welke juridische borging heeft u dan dat het productievolume beperkt zal worden tot 5,83 Mton/jaar? Welke instantie zal hierop handhaven?
De huidige vergunning van Tata Steel kent een maximaal productievolume van 8 miljoen ton staal. De invulling van toezicht en handhaving hierop is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland. Als het bedrijf ervoor kiest om in de vergunningaanvraag een ander plafond op te nemen, zal dit vervolgens ook aldus worden gehandhaafd. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Kan de gereduceerde productiecapaciteit van vloeibaar staal na de maatwerkafspraken in IJmuiden worden gecompenseerd door import van slabs van andere staalfabrieken? Wat is dan het effect van de wereldwijde CO2-uitstoot?
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. TSN geeft hierover aan dat de DRP-EAF qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk wordt op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft daarbij de ambitie om slabs, een halffabricaat voor staalproductie, in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden. Per saldo leidt de vervanging door de DRP-EAF tot een aanzienlijke CO2-reductie, die uiteindelijk optelt tot de totale CO2-reductie zoals vastgelegd in de JLoI.
Wat vindt u van «de ambitie van Tata Steel om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen» (deel B, p.9)? Hoe verhoudt zich dit met de JLOI waarin subsidie wordt gegeven voor CO2-reductie die voor 19% wordt behaald door het terugschroeven van de productiecapaciteit? Hoe garandeert u precies dat deze CO2-reductie permanent is?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief toe waarom de waarden in het MER en in de JLoI kunnen verschillen. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Er is geen sprake van dat TSN een subsidie ontvangt voor een lagere productiecapaciteit. TSN dient de vermindering van emissies te realiseren door verduurzaming.
Wat vindt u ervan dat zelfs in het meest gunstige geval «De DRI-fabriek kan ongeveer 80% aan waterstof gebruiken voor de reductie, verder aan te vullen met aardgas» (deel B, p.43), en er dus altijd nog 20% aardgas zal worden gebruikt? Hoe strookt dit met de ambitie van Nederland om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
In algemene zin geldt echter dat in het staalproductieproces koolstof nodig is, als grondstof, om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. De DRP is ontworpen om op 80% waterstof te kunnen draaien. Het ontwerp beperkt de inzet van hogere waterstofpercentages niet, maar de mogelijkheden moeten nog getest worden. Het is in theorie mogelijk om 100% waterstof in te zetten in het staalproductieproces.
Nederland heeft inderdaad de ambitie om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen. Om deze reden wil het kabinet ook dat TSN klimaatneutraal groen gas of waterstof gaat gebruiken als duurzame koolstofbron ter vervanging van aardgas.
Wat vindt u ervan dat Tata Steel in de MER aangeeft dat «Met Heracless gaat het aandeel schroot omhoog naar circa 28%», of 27% als de WSA-definitie wordt gebruikt (deel B, p.48), terwijl in de JLOI wordt afgesproken dat het aandeel schroot naar 30% gaat in 2030 (artikel 3.3.a)?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. De JLoI bevat streefdoelen en inspanningsverplichtingen. In de maatwerkafspraak worden de doelen als resultaatsverplichting vastgelegd.
Welke juridische borging heeft dit kabinet om te zorgen dat het aandeel schroot daadwerkelijk tot tenminste 30% wordt verhoogd, als de vergunningsaanvraag gebaseerd wordt op de MER waarin 27% is aangegeven?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De waarborgen die zien op het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak, worden de komende tijd verder uitgewerkt in de juridische documentatie voor een maatwerkafspraak.
Hoe stroken deze berekeningen met elkaar:
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel. Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald. Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Wat vindt u ervan dat ook de commissie MER (p.32)1 signaleert dat onduidelijk is hoe de CO2 emissiereductie is opgebouwd in de MER en hoe deze rijmt met de afspraken in de JLOI?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel. Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Wie is verantwoordelijk voor het vergelijken van de afspraken in de JLOI en de vergunningaanvraag (inclusief MER)? Hoe is dit tot nu toe gebeurd en wat wordt er gedaan met discrepanties tussen de twee documenten?
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen.
De beoordeling van het MER gebeurt in het kader van het traject van een vergunningaanvraag door de respectievelijke bevoegde gezagen: de Provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied voor milieuvergunningen en Rijkswaterstaat voor lozingen op rijkswateren. De Ministeries van EZK en IenW en de provincie Noord-Holland werken, sinds de start van de gesprekken over een eventuele maatwerkafspraak, nauw samen.
Hoe komt het dat volgens de MER de inzet van waterstof een extra CO2-reductie oplevert van ongeveer 1,1 miljoen ton ten opzichte van het gebruik van uitsluitend aardgas (deel E, p.6), terwijl volgens de JLOI de inzet van waterstof in plaats van biomethaan (chemisch identiek aan aardgas) leidt tot een extra uitstoot van 0,1 miljoen ton CO2 per jaar (AMVI, p.8)?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven kunnen de scopes en uitgangspunten en daarmee de cijfers in de JLoI en het MER verschillen. De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De grafiek van het AMVI-rapport over de JLoI, waaraan de vraag refereert, gaat uit van een situatie waarin eerst CCS toegepast wordt, en vervolgens aardgas vervangen wordt door klimaatneutraal groen gas. Na de vervanging van aardgas door groen gas wordt de CO2 die ontstaat door het gebruik van groen gas in de reactor van de DRP afgevangen en opgeslagen door middel van CCS, wat negatieve emissies oplevert. In een vervolgstap wordt een gedeelte van het groen gas vervangen door waterstof.
Aangezien er door het gebruik van deze waterstof geen CO2 ontstaat, ontstaat er minder CO2 in de DRP en daardoor wordt ook minder CO2 afgevangen. Doordat er minder negatieve emissies zijn wordt de totale CO2-reductie kleiner. Dit verklaart de toename van circa 0,1 miljoen ton CO2 zoals te zien in de grafiek op p. 8 van het AMVI rapport.
Hoe strookt de opmerking «Een GER maakt echter geen onderdeel uit van het MER of van de besluitvormingsprocedures voor Heracless» (deel D, p.3) met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid (waaronder het advies om een gezondheidseffectrapportage op te stellen) een harde voorwaarde moeten zijn voor maatwerkafspraken?
Het verzoek om een Gezondheidseffectrapportage (GER) op te stellen volgt uit advies6 van de Expertgroep Gezondheid. De aangenomen motie-Gabriëls cs. (Kamerstuk 28 089, nr. 286) heeft het kabinet verzocht om deze GER uit te voeren. Het kabinet voert deze motie uit en laat een GER uitvoeren. Zoals ook toegelicht in de aanbiedingsbrief vormen het MER en de JLoI afzonderlijke processen. Het MER wordt door het bevoegd gezag gebruikt voor het besluitvormingsproces van de vergunningverlening voor Heracless-Groen Staal. Het kabinet onderzoekt of, waar mogelijk, bevindingen uit de GER meegenomen kunnen worden in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
De aangenomen motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Het kabinet heeft deze motie uitgevoerd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle door de Expertgroep voorgestelde stoffen (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen.
Aangezien de Staatssecretaris heeft gezegd dat er een gezondheidseffectrapportage (GER) zou kunnen worden opgesteld als de MER er is en de Kamer zo’n GER eist voordat afspraken worden gemaakt, wanneer wordt het gezondheidseffectrapportage naar de Kamer gestuurd?
Er wordt momenteel een GER-TSN opgesteld door een werkgroep samengesteld met experts van het RIVM, de GGD Kennemerland, en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult. Deze werkgroep heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van een definitieve MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag, omdat de data dan volledig gevalideerd zijn. Zoals eerder gemeld is deze definitieve versie van het MER nog niet beschikbaar. De exacte duur van de verdere uitvoering is niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Waarom bestaat er een discrepantie tussen het waterverbruik zoals beschreven in deel B (p.32: zeewater, brak oppervlaktewater, zout grondwater, zoet water in het referentiescenario respectievelijk 25%, 69%, 1%, 4%) en deel C (64%, 13%, 6%, 17%) van de MER? Kunt u in een tabel weergeven in absolute getallen en percentages hoeveel water jaarlijks wordt gebruikt per type?
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen. Voor lozingen op rijkswateren is Rijkswaterstaat namens de Minister van IenW het bevoegde gezag. Ook hier geldt dat Rijkswaterstaat zich op dit moment over de aanvragen en het MER buigt. De geldende wet- en regelgeving wordt hier toegepast. De beoordeling loopt nog. Daarom kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Wat vindt u ervan dat Tata aangeeft dat de immissies van Kwik en Cadmium volgens de MER dalen (deel C, p.193), terwijl de emissies van diezelfde stoffen stijgen (detailstudie luchtkwaliteit, p.39 vs p.48), en dat dit zou zijn omdat de emissies gebaseerd zijn op garantiewaarden die «vertegenwoordigen doorgaans een bovengrens van de emissies die in de praktijk gehaald worden» (deel C, p.192)? Welke onderbouwing is er voor de daling in immissies, aangezien de detailstudie luchtkwaliteit alleen ingaat op de stijgende emissies?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Wat maakt u van de opmerking over EU ETS dat «Dit systeem dwingt bedrijven zo om hun CO2-uitstoot stap voor stap terug te brengen tot nul in 2057» (deel A, p.6)? Is het niet zo dat bedrijven onder EU Emissions Trading System (EU ETS) in 2040 al geen nieuwe rechten meer krijgen?
Het EU ETS systeem zorgt er inderdaad voor dat de rechtenuitgaves aflopen in 2040. Het is echter mogelijk om rechten op te sparen en mee te nemen in de jaren daarna. Er kunnen in 2040 en kort daarna dus nog rechten in omloop zijn. Daarbij is er de mogelijkheid tot extra emissieruimte door compensatie via negatieve emissies, wat bij TSN een mogelijkheid is door de combinatie van CCS en groen gas.
Hoe plaatst u de opmerking over de kooksgasfabriek 2 dat «Eventuele ontmanteling valt buiten beschouwing van dit MER» (deel B, p. 83)? Welke afspraken gaat u maken in de JLOI over ontmanteling van de Kooks- en Gasfabrieken 2 (KGF2) en Hoogoven 7?
In de JLoI is afgesproken dat Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7 vervangen worden door de DRP-EAF. In de maatwerkafspraak worden nadere afspraken over de sluiting gemaakt. Het is vervolgens aan TSN om bij de uitvoer van de maatwerkafspraak de ontmanteling te regelen conform de wet- en regelgeving.
Welke juridische borging heeft de Minister dat de ernstig verouderde, gifitige en lekkende kooksgasfabriek 2 ook echt definitief dicht zal gaan? Hoe kunt u garanderen dat hier niet, zoals bijvoorbeeld bij gaswinnnig in Groningen is gebeurd, steeds weer productie zal plaatsvinden omdat het op dat moment nodig wordt geacht?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 19 worden in de maatwerkafspraak nadere afspraken gemaakt over de sluiting van Kooksgasfabriek 2. De invulling van toezicht en handhaving is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland.
Wat vindt u van de intentie van Tata Steel om toegenomen stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van de nieuwe fabrieken intern te salderen, omdat «de extra stikstofuitstoot van Heracless wordt gecompenseerd door vermindering van stikstof op andere plekken binnen het bedrijf» (deel E, p.56)? Hoe strookt dit met de uitspraak van de Raad van State dat intern salderen niet meer onvergund mogelijk is (graag een juridische onderbouwing)? Hoe kan Tata Steel hierop rekenen zonder dat de vergunningen uit «mandje 3» zijn aangevraagd voor de ingebruikname van nieuwe fabrieken?
Het is aan het bedrijf zelf om de benodigde vergunningen aan te vragen en hierbij keuzes te maken. Het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland, beoordeelt vervolgens of de projectactiviteiten uit te voeren zijn binnen de wet- en regelgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt aan de hand van de aanvraag van TSN of een natuurvergunning nodig is en zo ja, of deze verleend kan worden.
Wat vindt u ervan dat «De opgeslagen hoeveelheden ertsen, kolen en andere stoffen veranderen niet significant.» (deel B, p.108)? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze opslagen significant te reduceren, vooral waar de opslag niet overdekt wordt, gezien de gigantische hoeveelheid verwaaiing van deze grondstoffen (100 miljoen kilo per jaar volgens deel B p.31)? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies) is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN hanteert de term verwaaiing voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Wat vindt u ervan dat de productie van kolengestookte Hoogoven 6 als gevolg van Heracless zou stijgen met 12% van 2,5 naar 2,8 Mton per jaar (deel B, p.109)?
Het cokes/kolengebruik van Hoogoven 6 gaat juist relatief omlaag door de inzet van meer schroot. Het verschil in volumes ontstaat doordat het MER uitgaat van hogere productievolumes ten opzichte van de JLoI. Zie ook de toelichting in de aanbiedingsbrief. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden gerealiseerd. De komende tijd worden de afspraken over het borgen van het behalen van deze doelen verder uitgewerkt.
Wat vindt u ervan dat van de 12 stoffen waarvoor nu een doel is afgesproken of in onderhandeling is in de JLOI (arseen, benzeen, benzo[a]pyreen, cadmium, chroom, chroom VI, dioxines, kwik, lood, mangaan, nikkel, vanadium), er maximaal 3 gehaald kunnen worden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond (lood, vanadium, mangaan)? Hoe strookt dit met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat het overnemen van alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid een harde voorwaarde moet zijn voor maatwerkafspraken?
Het kabinet heeft in reactie op motie Thijssen en in de beantwoording van vraag 14 hoe zij de motie handen en voeten heeft gegeven7. Zoals in die beantwoording staat opgenomen, wordt hier ook op ingegaan in de Kamerbrief over de JLoI8.
De motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief over de JLoI, is dit gebeurd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle, door de Expertgroep voorgestelde stoffen, (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen. Een exacte berekening van de kosten van het opvolgen van alle adviezen is niet mogelijk, omdat de maatregelen die nodig zijn om de doelen te behalen niet altijd helder zijn en dus geen volledige inschatting gemaakt kan worden van de benodigde kosten.
Zoals ook uit de beantwoording van vraag 7 en 8 naar voren komt, is voor het volledig behalen van hun adviezen volgens de Expertgroep, naast de beoogde vervanging van KGF 2 en HO7 met een DRP-EAF onder andere ook sluiting van KGF 1, HO6 en de Sinterfabriek nodig.
Waarom stelt u een onafhankelijke Expertgroep in als u vervolgens driekwart van de adviezen die zij geven in de wind slaat?
Het kabinet heeft bij de Kamerbrief9 over de ondertekening van de JLoI (en in eerdere reacties op adviezen van de Expertgroep) uitgebreid toegelicht welke adviezen wel, niet of deels zijn overgenomen en waarom. Bij het vaststellen van het onderhandelingsmandaat voor de maatwerkafspraak zijn veel verschillende belangen gewogen. Het werk en de adviezen van de Expertgroep zijn daarbij erg belangrijk geweest. Het gezondheidsbelang kan mede daardoor goed meegewogen worden bij het toewerken naar een definitieve afspraak. De Expertgroep heeft samen met de AMVI advies gegeven op de concept-JLoI. Dit gecombineerde advies was, alle relevante omstandigheden afwegende, positief met enkele aandachtspunten voor bij de verdere uitwerking in het vervolg.
Kunt u bevestigen dat u voor de stoffen waar nog geen afspraken over zijn gemaakt (Thallium, VOS, Polychloorbifenylen) zult inzetten op het behalen van de doelwaarden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid?
Zie het antwoord op vraag 25.
Wat vindt u ervan dat de Commissie voor de milieueffectrapportage constateert dat in het door Tata Steel ingediende MER «belangrijke cijfers en verklaringen» over processen en de impact op het milieu en de leefomgeving ontbreken?
27naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft advies uitgebracht aan het bevoegd gezag. Op 6 maart 2026 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Bent u het met de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage eens dat voor omwonenden het glashelder moet zijn of, en welke gezondheidswinst er precies is? Zo ja, hoe gaat u dat dan waarborgen dat er onafhankelijk in kaart wordt gebracht wat de gezondheidswinst is, voordat er eventueel afspraken worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?2
Ja het kabinet hecht waarde aan een onafhankelijk onderzoek. Daarom heeft het kabinet ook opdracht gegeven voor de GER-TSN.
Wat vindt u van het feit dat de chief financial officer van Tata Steel Ltd. (TSL) (Indiase moedermaatschappij van Tata Steel IJmuiden) in een investor call onlangs sprak over veranderingen in beleid die zij als voorwaarden hebben gesteld aan de subsidie, waaronder nettarieven, elektriciteitskosten en een verbod op kolen3? Waarom zegt u in eerdere beantwoording dat «De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden»4 als zij letterlijk zeggen dat ze veranderingen in beleid als voorwaarde hebben gesteld? Welke beleidsveranderingen vraagt TSL precies en wat is uw reactie op elk daarvan?
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda, zo ook in het coalitieakkoord. Dit generieke beleidsvraagstuk zal dan ook in de volle breedte bezien worden, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
Het bericht 'Jongeren maken (onbewust) reclame voor illegale goksite op TikTok' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS waaruit blijkt dat jongeren via TikTok, soms onbewust, reclame maken voor illegale goksites?1
Ja.
Deelt u de mening dat het inzetten van jongeren, mogelijk minderjarigen, voor de promotie van illegale goksites een ernstige schending vormt van de bescherming van minderjarigen en ingaat tegen de doelstellingen van de Wet kansspelen op afstand?
Ja. Het kansspelbeleid is gericht op het beschermen van mensen tegen kansspelgerelateerde schade, het tegengaan van kansspelgerelateerde criminaliteit en het verhinderen van deelname aan illegaal spel en bestrijding van illegaal aanbod. Minderjarigen zijn een bijzonder kwetsbare groep en hun betrokkenheid bij de promotie van illegale kansspelen vind ik problematisch. Temeer omdat het hier lijkt te gaan om minderjarigen die onbewust reclame maken.
Kunt u aangeven in welke mate de Kansspelautoriteit signalen ontvangt over illegale gokreclame via sociale-mediaplatforms als TikTok, en hoe vaak hier in 2024 en 2025 daadwerkelijk handhavend tegen is opgetreden? Hoeveel illegale online gokwebsites zijn offline gehaald door de Kansspelautoriteit?
De Ksa ontvangt voortdurend meldingen over illegale reclames op sociale mediaplatforms, waaronder TikTok, via onder meer het eigen meldportaal. Het aantal meldingen van illegaal aanbod op sociale media is in 2025 is toegenomen ten opzichte van 2024. De Ksa spoort ook zelf illegale reclames op. Bij geconstateerde overtredingen meldt de Ksa dit altijd bij TikTok en andere sociale mediabedrijven. In 2025 ging het om 452 meldingen tegenover 49 in 2024. In 2025 werd in 257 gevallen content verwijderd. In 2024 gebeurde dit 27 keer. Wanneer de Ksa herhaaldelijk meldingen ontvangt over een pagina die al bij TikTok is gerapporteerd, wordt een informatiebrief verzonden. Bij een volgende overtreding wordt sanctionerend opgetreden.
De Ksa is niet bevoegd om zelf illegale websites offline te halen. Zoals vermeld in mijn antwoord op uw vragen van 12 januari j.l., doet de Ksa wel meldingen bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN), die domeinnamen kan ontkoppelen als een website Nederlandse wet- en regelgeving overtreedt.2 Voor websites met een andere extensie dan.nl is het moeilijker om effectief op te treden.
Welke concrete handhavingsmaatregelen zijn door de Kansspelautoriteit ingezet tegen illegale gokaanbieders die via TikTok opereren, en waarom blijken deze praktijken desondanks nog steeds plaats te vinden?
Handhavingsmaatregelen die de Ksa inzet tegen illegale gokaanbieders die zich op de Nederlandse markt richten via sociale mediaplatforms zoals TikTok, betreffen onder andere bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom. In 2025 heeft de Ksa vier boetes opgelegd wegens illegaal aanbod en negen lasten onder dwangsom. Daarnaast publiceert de Ksa sanctiebesluiten om consumenten te waarschuwen en een preventieve werking richting andere aanbieders te creëren. Ook worden influencers aangesproken met waarschuwingsbrieven en lasten onder dwangsom om zo de verspreiding van gokreclame op platforms zoals TikTok te beperken.
Ondanks deze maatregelen blijven illegale gokreclames op sociale media voorkomen, omdat aanbieders en accounts snel wisselen en vaak via tussenpersonen of influencers opereren. In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar specifiek richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.3
Ik werk in afstemming met de Ksa aan aanvullende instrumenten en verbetering van bestaande instrumenten om illegale aanbieders aan te pakken en de infrastructuur die deze aanbieders gebruiken te frustreren. Zo onderzoek ik hoe het illegale aanbod ontoegankelijk kan worden gemaakt voor mensen in Nederland. Het doel is om dit snel en efficiënt te maken, zodat de Ksa veelwebsites in een korte tijd aan kan pakken.Hiermee geef ik ook invulling aan de doelstelling van het coalitieakkoord om illegale goksites harder aan te pakken.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de via TikTok verspreide gokreclame sprake is van minderjarigen, en hoe wordt vastgesteld of illegale gokcontent jongeren daadwerkelijk bereikt of door hen wordt verspreid?
Het is niet bekend in welke mate minderjarigen voorkomen in gokreclames die via TikTok verspreid worden. De inzet van de Ksa is er niet op gericht om het bereik en de verspreiding van illegale reclame uitputtend te monitoren. De inzet is gericht op het voorkomen dat reclame voor illegaal aanbod wordt verspreid.
In hoeverre acht u sociale-mediaplatforms als TikTok zelf verantwoordelijk voor het actief opsporen en verwijderen van content die illegale gokreclame bevat, in het bijzonder wanneer deze zichtbaar is voor jongeren?
In de Wet op de kansspelen (Wok) is een verbod opgenomen voor het bevorderen van illegaal aanbod, daar middelen toe te verschaffen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben.4 Sociale mediaplatforms moeten ervoor zorgen dat zij geen illegale kansspelen bevorderen. Zowel de Ksa als ik verwachten dan ook van TikTok en andere sociale mediabedrijven een proactieve aanpak om illegaal online content te weren. De Ksa staat in contact met sociale mediaplatforms, onder andere via de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, om illegale kansspelen en gerelateerde reclame op deze platforms proactief aan te pakken.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de overheid, de Kansspelautoriteit en sociale-mediaplatforms over het tegengaan van illegale gokreclame, en hoe wordt gecontroleerd of platforms deze afspraken daadwerkelijk naleven?
Zoals aangegeven in antwoord op vragen van het lid Bikker (CU) van 14 oktober 2025, verplicht de Digitale dienstenverordening (DSA) online platforms om effectieve meldkanalen voor illegale content in te richten en kortdaad te reageren op meldingen van deze kanalen.5 Bij meerdere platforms heeft de Ksa al effectieve meldkanalen, waarbij werkafspraken zijn gemaakt over meldingen van illegaal kansspelaanbod. De Ksa houdt toezicht op de uitkomsten van de meldingen die zij doet en treedt als nodig handhavend op wanneer zij op grond van de Wok een overtreding vaststelt.
Kunt u aangeven welke maatregelen u in samenspraak met de Kansspelautoriteit gaat nemen tegen sociale-mediaplatforms die structureel onvoldoende optreden tegen illegale gokreclame, en of deze middelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden toegepast?
De Ksa treedt handhavend op wanneer sociale mediaplatforms de Wok overtreden. Zo kan de Ksa een bindende aanwijzing geven om bijvoorbeeld bepaalde inhoud offline te halen. Daarnaast heeft de Ksa met partners uit de voorgenoemde Alliantie afgesproken gezamenlijk advertenties voor illegaal aanbod te melden bij sociale mediaplatforms en zoekmachines. De ervaring leert namelijk dat gezamenlijk en op grotere schaal melden beter werkt dan individueel. Op internationaal niveau zoekt de Ksa samenwerking met andere toezichthouders om zo gezamenlijk op te treden. Ook ik vraag hier in Europese en bilaterale overleggen aandacht voor. Zoals in de brief van 14 februari 2025 is aangegeven, verken ik hoe op internationaal niveau een vuist gemaakt kan worden tegen illegaal aanbod en kijk ik hoe dit onderwerp op de Europese agenda gezet kan worden.6
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat legale gokaanbieders aan strenge reclamebeperkingen zijn gebonden, terwijl illegale aanbieders via sociale media jongeren kunnen blijven bereiken, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de websites van deze aanbieders direct offline worden gehaald?
Ik deel deze mening. Strenge en duidelijke regels voor vergunde aanbieders zijn noodzakelijk om kwetsbare groepen te beschermen. Illegale aanbieders ontduiken deze kaders. Daarom zet ik in op zowel de aanpak van illegaal aanbod als op het tegengaan van normalisatie, zodat jongeren überhaupt niet online willen gaan gokken. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, zijn de mogelijkheden om illegalewebsites uit de lucht te halen momenteel beperkt effectief. Voor een toelichting op de inzet om illegale aanbieders aan te pakken en het illegale aanbod ontoegankelijk te maken voor mensen in Nederland, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Ja.
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Op Bullenbaai bevindt zich een (commerciële) olieterminal in beheer bij Curaçao Refinery Utilities (CRU). Een deel van de recente transporten en opslag bevat olie afkomstig uit Venezuela. Daarmee kan je echter niet stellen dat Curaçao een belangrijke rol speelt in de internationale oliehandel.
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
De Rotterdamse haven is per definitie een belangrijke doorvoerhaven van mondiale olieproducten. Het kan echter niet eenduidig worden vastgesteld dat Rotterdam specifiek het belangrijkste doorvoerpunt voor Venezolaanse olie in Europa is, dit is eerder een indirect gevolg van de algemene marktpositie van Rotterdam dan een specifiek, aantoonbaar patroon voor Venezolaanse olie. Er is geen beschikking over cijfers hoeveel Venezolaanse olie in welke havens wordt verwerkt.
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Het is bekend dat het schip MT Regina onder valse vlag olie heeft gelost op Curaçao. Het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) bepaalt dat een Staat een schip het recht verleent om zijn vlag te voeren. Het varen onder valse vlag betekent dat het schip een vlag voert waartoe het niet gerechtigd is. Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Met het varen onder valse vlag zijn internationale zeevaartregels overtreden.
Het schip MT Regina is op basis van een havenstaatcontrole aangehouden op Curaçao vanwege het niet voldoen aan internationale maritieme verdragen, onder meer het voeren van een valse vlag van Oost-Timor en het aan boord hebben van valse certificaten. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Curaçao is gehouden aan de sanctiewetgeving van de Europese Unie (EU-sancties). Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Het voeren van een valse vlag valt niet onder EU-sancties. Er is geen sprake van overtreding van sancties bij het aanmeren van schepen in de havens van Curaçao.
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Het is correct dat Oost-Timor recent de IMO-leden geïnformeerd heeft over onjuist en frauduleus gebruik van haar (niet bestaande) internationale vlagregister. Overigens heeft het Koninkrijk ook IMO-leden geïnformeerd ten aanzien van vals gevlagde schepen in de (niet bestaande) internationale vlagregisters van Sint Maarten en Aruba.
Ja. Via de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de landen binnen het Koninkrijk nauw samen op maritiem gebied en wordt zoveel mogelijk informatie uitgewisseld. Curaçao heeft, via het Koninkrijk, directe toegang tot de actuele IMO documentatie. Zo zijn de landen van het Koninkrijk overeengekomen dat elk autonoom land eigenstandig bijhoudt welke informatie voor hen van belang is.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaartregels houden. Deze regels zijn essentieel om de veiligheid op zee en bescherming van het mariene milieu mondiaal op gelijke wijze te borgen.
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het desbetreffende land. Hoewel het in eerste aanleg contrair lijkt, kan het wenselijk zijn dat schepen met vermeende afwijkingen (zoals een valse vlag) juist wel aanmeren in een van de havens van het Koninkrijk. Dit omdat schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole en daarmee feitelijk vast te stellen is of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Dat is recent gebeurd met de MT Regina op Curaçao.
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
In artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut3) staat opgesomd welke onderwerpen kwalificeren als aangelegenheden van het Koninkrijk. Indien uit het Statuut niet volgt dat iets een Koninkrijksaangelegenheid is, betreft het in beginsel een landsaangelegenheid, en gaan de autonome landen er zelf over.
Toezicht op en handhaving van sancties binnen de jurisdictie van individuele landen zijn aangelegenheden waar de autonome landen zelf over gaan. Curaçao heeft dit uitgewerkt in de Sanctielandsverordening. Voor Nederland geldt de Sanctiewet 19774. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch staan de betreffende schepen op een EU-sanctielijst.
De toepassing van EU-sancties binnen het Koninkrijk valt onder «buitenlandse betrekkingen» en aldus is er sprake van een Koninkrijksaangelegenheid. De bepalingen in dit kader zijn neergelegd in de Rijkssanctiewet5, die hiermee het overkoepelende juridische kader binnen het Koninkrijk vormt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend binnen het Koninkrijk op het gebied van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving daarvan.
De betreffende olietransporten vallen qua veiligheids- en milieueisen voor zeeschepen onder de internationale zeevaartverdragen van IMO. Het Koninkrijk is als geheel verdragspartij bij IMO. Havenstaatverplichtingen, zoals milieuaspecten en de (controle van) lading, zijn een autonome verantwoordelijkheid van de landen van het Koninkrijk.
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
De Kustwacht Caribisch Gebied (hierna: Kustwacht) is een maritieme rechtshandhavingsorganisatie, bestaande uit de Landen Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Nederland. De vier landen bepalen gezamenlijk het beleid van de Kustwacht, dat operationeel valt onder beheer van Defensie. De Kustwacht zorgt voor de veiligheid op de wateren rond Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland (BES). De Kustwacht voert opsporings-, toezichthoudende- en dienstverlenende taken uit op basis van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet6) en het justitiële beleidsplan Kustwacht. De Rijkswet geeft o.a. aan dat de Kustwacht belast is met het toezicht op scheepvaart, waaronder het verkeer en de uitrusting van schepen. Het justitiële beleidsplan 2022–2025 (met doorloop naar 20267) voor de Kustwacht richt zich op handhaving van illegale activiteiten om te voorkomen dat de effecten van de illegale activiteiten in lokale milieus terecht komen. De Kustwacht opereert onder lokaal gezag in de wateren waarin zij jurisdictie en bevoegdheden heeft ten aanzien van haar taakstelling.
Met referte naar het antwoord op vraag 7 is het Koninkrijk alleen dan betrokken als er sprake is van de zogenoemde Koninkrijksaangelegenheden. Handhaving van de verplichtingen in het kader van internationale zeevaartregelgeving betreft een autonome aangelegenheid van de landen zelf, en vindt derhalve plaats op nationaal niveau en onder nationaal gezag.
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat er geen Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie. Wanneer er sprake is van (mogelijke) overtreding van EU-sancties of andere regels waar Curaçao aan gehouden is, dan is het aan de autoriteiten van Curaçao (waaronder bijvoorbeeld de Curaçao Ports Authority en de Harbor and Safety Inspection van de Maritieme Autoriteit Curaçao) om hierop te acteren. In het geval dat daar signalen van zijn wordt daar serieus opvolging aan gegeven door daarvoor bevoegde autoriteiten. Waar nodig wordt daarbij het politieke niveau geïnformeerd en zo nodig betrokken.
Het is van belang te benoemen dat er frequent contact en veelvuldige afstemming is tussen de Caribische (ei)landen en Nederland, tussen diverse diensten en departementen en elk op hun eigen vakgebied.
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
De Curaçaose maritieme autoriteiten hebben een autonome verantwoordelijkheid voor het toelatingsbeleid en dienen daarbij het EU-sanctiebeleid na te leven. De concrete uitvoering wordt gecoördineerd via Buitenlandse Zaken en de Dienst Buitenlandse Betrekkingen van de Caribische Landen. Russisch gevlagde schepen en door de EU gesanctioneerde schepen, entiteiten en personen dienen te worden geweerd uit havens en sluizen in het Koninkrijk. Zoals eerder aangegeven is de EU en/of het Koninkrijk niet gehouden aan de Amerikaanse sanctielijst.
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Nadere details over eigenaarschap, hoeveelheden en commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld.
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is het onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaart regels houden. Daarom is hier, middels havenstaatcontrole, op gehandhaafd en is het betreffende schip aangehouden. Zoals eerder aangegeven zijn er op dit moment geen EU-sancties ten aanzien van Venezolaanse olie.
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Het klopt dat de Venezolaanse olie tot de meest broeikas-intensieve olie ter wereld behoort. Dat exploratie van die voorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven zou opgebruiken, komt uit een analyse van de koolstofboekhoud consultant Climate Partner in opdracht van The Guardian. Het is duidelijk dat een groot deel van de huidige fossiele voorraden, waaronder olie, niet kan worden gebruikt als we de wereldwijde opwarming van de aarde tegen het einde van deze eeuw willen beperken tot 1,5 graden.
Het is echter niet aan de Nederlandse regering om te bepalen wie welke olie nog zou mogen oppompen. Het kabinet zet met name in op internationale afspraken over vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de afbouw van fossiele subsidies en vermindering van de vraag naar olie door de ontwikkeling van niet-fossiele energie- en grondstoffen, efficiencyverbetering en recycling van koolstof.
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
In het Klimaatplan 2025–2035 wordt reeds onderkend dat de energietransitie niet alleen noodzakelijk is voor het klimaat en onze gezondheid, maar ook voor onze energieonafhankelijkheid, onder meer via vermindering van de importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Het kabinet werkt daarnaast aan een kamerbrief over verantwoorde afbouw van fossiel, die overzicht geeft over de verantwoorde afbouw van de verschillende fossiele energiedragers in Nederland en de vraagstukken die hierbij komen kijken. Met deze brief geeft het kabinet ook opvolging aan de motie van de leden De Groot en Grinwis over de gevolgen van de afspraken in COP28 over «weg bewegen van fossiel» en de motie van het lid Kröger c.s. over het afbouwen van fossiele brandstoffen als hoge prioriteit.8
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Er is op verschillende niveaus intensief contact met de autoriteiten op Curaçao. Dat geldt overigens (op maritiem gebied) ook voor de andere landen en openbare lichamen in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt De beantwoording heeft meer tijd gevraagd, mede door de kabinetswissel en samenvoeging met antwoorden op andere Kamervragen. Ik verwijs hiervoor ook naar de uitstelbrief verzonden aan de Kamer door collega van den Burg9.
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Ja. Daarnaast heeft het kabinet afgelopen jaar op diverse andere momenten vragen ontvangen.
Omwille van consistentie is bij de beantwoording waar relevant gebruik gemaakt van bovenstaande informatie.
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Handhaving na constatering van overtredingen is aan het bevoegd gezag. Een mogelijkheid is dat die handhaving, na het doorlopen van de wettelijk voorgeschreven procedures, leidt tot (al dan niet vervroegde) gedwongen sluiting13. De Omgevingsdienst beoordeelt momenteel of Tata Steel voldoet aan de aanzegging om binnen 12 maanden de overtredingen te beëindigen en aan de regels te voldoen. Voor deze beoordeling voert de Omgevingsdienst momenteel inspecties uit bij de KGF2. Op basis van de uitkomsten zal worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Volgens de huidige plannen dient het bedrijf uiterlijk in 2045 klimaatneutraal te opereren. Als onderdeel daarvan moeten ook KGF1 en Hoogoven 6 sluiten. Dit laat overigens onverlet dat alle bestaande installaties, waaronder de KGF1, aan de wettelijke normen moeten voldoen en dat het bevoegd gezag hierop toeziet (en waar nodig handhavend zal optreden).
Het kabinet onderzoekt in aanvulling hierop ook de mogelijkheden voor beleid of wetgeving voor een verbod op grootschalig gebruik van fossiele kolen, conform de aangenomen motie-Rooderkerk over het publiekrechtelijk borgen dat het industrieel gebruik van k.
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Het is binnen de maatwerkaanpak gebruikelijk dat de AMVI advies geeft op modellen en aannames die nog niet definitief zijn. De AMVI heeft volwaardig advies kunnen geven op basis van deze conceptstukken. De AMVI geeft advies op de conceptversie van de JLoI. Het advies van de AMVI ziet juist op de conceptversie omdat de plannen in die fase nog aangepast kunnen worden naar aanleiding van deze adviezen. De AMVI geeft onafhankelijk advies op de gebruikte modellen.
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Op financieel gebied wordt de staat geadviseerd door KPMG. Zij toetsen de financiële modellen en onderliggende aannames van TSN. KPMG zal ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Behalve door de financieel experts van de staat en van KPMG wordt de beoogde steun aan TSN ook getoetst door de Europese Commissie, onder andere op proportionaliteit.
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
De Roadmap+ betreft een vrijwillig pakket van maatregelen van TSN om de uitstoot van onder meer stof, zware metalen, geur, geluid en PAK’s te verminderen en is op dit moment al in uitvoering. De Roadmap+ wordt dus, onafhankelijk van een eventuele maatwerkafspraak, zelfstandig uitgevoerd door het bedrijf. Met het vastleggen van de resultaten van de Roadmap+ in de JLoI zijn de uitvoering en de resultaten van de maatregelen in het kader van Roadmap+ geborgd, zie ook artikel 5 lid 2 van de JLoI:
De uitvoering van de Roadmap+ van TSN vindt plaats zonder financiële maatwerksteun. De resultaten van de uitvoering ervan zijn opgenomen in de in artikel 3 van de JLoI vermelde doelstellingen. Dit verzekert dat de verwachte resultaten van Roadmap+ worden gerealiseerd. TSN is voornemens alle hiervoor benodigde resterende handelingen uit te voeren als Roadmap+-handelingen.
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
De AMVI en de Expertgroep hebben conform het proces van de AMVI bij de maatwerkaanpak advies gegeven op de concept-JLoI. Dit advies heeft grotendeels een plek gekregen in de definitieve JLoI en wordt deels meegenomen in het vervolgtraject richting een maatwerkafspraak. Het advies is van belangrijke waarde om het gezondheidsbelang mee te wegen.
In het tweeminutendebat Leefomgeving en Externe Veiligheid op 18 december 2025 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat toegelicht waarom het kabinet geen advies over de definitieve JLoI vraagt aan de AMVI en/of de Expertgroep. Bij het vaststellen van de maatwerkaanpak is vastgelegd dat de AMVI adviseert over de concept JLoI. In het geval van het traject met TSN is de Expertgroep, bij uitzondering en op verzoek van de AMVI, aangesloten bij het opstellen van dit advies. Een tijdens het tweeminutendebat ingediende motie14 met daarin het verzoek om de AMVI en/of de Expertgroep om advies te vragen over de definitieve JLoI heeft geen meerderheid gehaald in de Tweede Kamer.
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
De Expertgroep heeft geen advies gegeven over de definitieve JLoI. Zie ook het antwoord op vraag 7. De Expertgroep heeft op 19 maart jl. op uitnodiging van de Kamerleden een gesprek met hen gevoerd over de gezondheidseffecten van de JLoI. Voorafgaand aan dit gesprek met de Kamer heeft de Expertgroep een position paper15 gepubliceerd.
De Expertgroep bevestigt dat sommige adviezen wel en andere adviezen (nog) niet zijn overgenomen in de JLoI.
In het gesprek met de Kamer gaf de Expertgroep daarom aan dat het «glas halfvol is» en dat de maatwerkafspraak zekerheden en concrete en afdwingbare afspraken moet bevatten. De Expertgroep benadrukte ook dat het kabinet door moet gaan met de maatwerkafspraken en dat de adviezen niet moeten leiden tot verdere vertraging van de verbetering van de gezondheid van omwonenden. Het kabinet werkt nu aan de maatwerkafspraak, waarin de doelen uit de JLoI uiteindelijk in de maatwerkafspraak omgezet worden in geborgde en concrete resultaatverplichtingen.
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en besproken in het tweeminutendebat Leefomgeving en Externe Veiligheid op 18 december 2025 worden de AMVI en de Expertgroep niet gevraagd om advies te geven op de definitieve JLoI.
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
De formulering van de vraag bevat een onjuiste weergave van de destijds gestelde vraag en de antwoorden op verschillende vragen. De eerdere beantwoording waarnaar wordt verwezen, ging, aangezien de gestelde vraag daar op zag, over het convenant uit 1992 met betrekking op de gehele sector basismetaal in Nederland, niet alleen over TSN. De uitstoot van de gehele sector is hoger dan die van een specifiek bedrijf.
Alle cijfers in die tabel hebben betrekking op de gehele sector basismetaal. De emissieniveaus in 1985 en de doelstellingen voor 2010 zijn overgenomen uit het door de vragenstellers aangehaalde convenant uit 1992. De cijfers met betrekking tot de emissieniveaus in 2010 en 2024 zijn ten tijde van de beantwoording van de eerdere vragen overgenomen uit de openbare emissieregistratiegegevens. Deze zijn openbaar toegankelijk via www.emissieregistratie.nl/data.
Op deze website wordt ook uitgelegd17 hoe de gegevens worden verzameld en openbaar beschikbaar worden gemaakt. Ten tijde van de beantwoording van de eerdere vragen (in november 2025) ging het om voorlopige cijfers; deze zijn inmiddels geactualiseerd.
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
De (beoordeling van de) daadwerkelijke stikstofuitstoot na het treffen van de maatregel is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland. In de uiteindelijke maatwerkafspraak worden bovenwettelijke milieudoelen vastgesteld. Deze doelen moeten voldoende ambitie bevatten, maar ook haalbaar zijn voor het bedrijf. De uiteindelijke NOx-doelstelling is onderdeel van de lopende onderhandelingen met het bedrijf.
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
In reactie23 op de motie-Zalinyan/Kostić heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de doelstelling is gebaseerd op een reductie ten opzichte van historische emissieniveaus (referentiejaar 2019). Aangezien er sindsdien al effectieve reductiemaatregelen zijn getroffen, is de inzet bij de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak dat, waar relevant en haalbaar, ambitieuzere reductiedoelstellingen worden vastgelegd dan in de JLoI (zie artikelen 6.12 lid b en 11.12 van de JLoI). Het kabinet kon zich dus goed vinden in het verzoek van de motie en daarom heeft deze ook «oordeel Kamer» als appreciatie gekregen.
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
De JLoI en het MER kunnen verschillen in scope en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd om de doelen van vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te behalen. Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Daarbij geldt dat de integrale beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt; de provincie Noord-Holland. Dit proces loopt nog. Het kabinet kan en wil om die reden niet ingaan op de inhoud van het MER, dat is en blijft aan de provincie Noord-Holland.
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende resultaatsafspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties, conform de in de JLoI geformuleerde beoogde doelstellingen.
Het niet behalen van doelstellingen uit het convenant zegt wat het kabinet betreft op zichzelf niets over de betrouwbaarheid van afspraken en/of bedrijven. Het betreffende convenant vermeldt expliciet dat het gaat om inspanningsverplichtingen, ook voor onderdelen «waarvan het woordgebruik op een resultaatsverbintenis zou kunnen duiden» (artikel 3.3). Dit convenant bood dus, net als het wettelijk kader, geen grond om het behalen van de in de JLoI geformuleerde reductiedoelen af te dwingen.
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
De Ministeries van EZK en IenW treden veelvuldig in overleg met (vertegenwoordigers van) omwonenden. Het kabinet neemt de zorgen en belangen van de omwonenden zeer serieus. Het kabinet zet daarom het traject van de maatwerkafspraak voort om tot bindende resultaatsverplichtingen te komen. Gezien de ervaringen is het begrijpelijk dat de omwonenden kritisch staan tegenover beloften vanuit het bedrijf en eerst willen zien, voordat zij geloven. Het is aan het bedrijf om het vertrouwen van deze omwonenden terug te winnen. De maatwerkaanpak is er in tegenstelling tot eerdere plannen juist op gericht om als voorwaarde van financiële steun afdwingbare doelen te stellen. De omwonenden hebben onder andere aangegeven dat zij willen dat de afspraken en doelen juridisch geborgd worden. Voor het kabinet heeft het behalen van de maatschappelijke doelen ook de hoogste prioriteit en betrekt deze geuite zorgen van omwonenden bij de maatwerkafspraak door afspraken te maken over de borging van de afspraken.
Daarbij wekt het vertrouwen te zien dat het bedrijf op dit moment ook op andere plaatsen al concreet grote investeringen doet in verduurzaming. Zo investeert Tata Steel in de verduurzaming van andere projecten zoals het transitieproject naar EAF-staalproductie in het Verenigd Koninkrijk (Port Talbot) en de bouw van een elektrische smeltoven in India. Die stappen dragen bij aan het vertrouwen dat ook de industriële verduurzaming van TSN daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
In algemene zin is het antwoord op het laatste deel van de vraag dat een bindende maatwerkafspraak een ander soort afspraak is dan het milieuconvenant uit 1992 omdat de maatwerkafspraak resultaatsverplichtingen bevat. De afspraken in dat convenant waren expliciet geen resultaatverplichtingen (zie ook het antwoord op vraag 17 en de eerdere beantwoording). Daarnaast is de scope verschillend, omdat de uiteindelijke maatwerkafspraak ziet op nieuwe projecten van het bedrijf. In de tussentijd zijn daarnaast veel verschillende ontwikkelingen geweest.
Verder wordt gevraagd om een uitgebreide historische reconstructie. Het convenant liep van 1992 tot en met 2010; daarmee wordt gevraagd om stappen en besluiten te reconstrueren die 15 tot ruim 30 jaar achter ons liggen. Er is hiervoor op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar. De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende afspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties.
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Zie het antwoord op vraag 17 en 20.
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Convenanten dienen doorgaans om maatschappelijke doelen te realiseren zonder dat dit gepaard gaat met extra regeldruk. Ondertekenaars van dit specifieke convenant hebben zich in dit geval tot een inspanning verplicht. Daarnaast zijn Europese en nationale wettelijke normen tussen 1992 en 2010 (en uiteraard ook daarna) stapsgewijs strenger geworden en is de luchtkwaliteit in Nederland sinds 1992 mede daardoor aanzienlijk verbeterd.
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Het kabinet kan niet oordelen over wat in 1992, met de kennis van toen, wel of niet de beste zet was voor de bewoording van het convenant. In algemene zin geldt wel dat kabinet nu juist kiest voor een andere aanpak, waarbij privaatrechtelijke bindende afspraken worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 20.
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
De metaaltafel is een initiatief vanuit de Metaal Recycling Federatie en vanuit de metaalsector zelf. Het kabinet volgt de opzet van deze tafel en de ontwikkelingen die hier eventueel uit volgen met interesse, maar is niet betrokken of organisator en kan zelf dus geen partijen uitnodigen om deel te nemen.
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies) is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN heeft aan het kabinet laten weten dat zij de term verwaaiing hanteert voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
De Expertgroep heeft advies gegeven op de concept-JLoI. De JLoI is naar aanleiding van het gecombineerde advies van de AMVI en de Expertgroep verder aangescherpt. Zo zijn onder andere additionele stoffen opgenomen in de JLoI op advies van de Expertgroep (zie Artikel 3.2.vi).
De JLoI bevat beoogde reductiedoelstellingen voor de uitstoot van een reeks stoffen waarvan zowel het RIVM als de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft aanbevolen dat met name die emissies gereduceerd zouden moeten worden om de impact op de gezondheid van omwonenden te verminderen35. Het gaat om reducties die voor sommige stoffen oplopen tot 68%; dat is in de ogen van het kabinet «flink».
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
De pauzeknop die op 23 juli 2025 is ingedrukt36 geldt nog steeds. Sinds die tijd zijn toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD/ELO-slak op land in lagen dikker dan 0,5 m of op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is, niet toegestaan. Deze noodregeling heeft een looptijd van één jaar en kan met maximaal een half jaar worden verlengd.
De Europese Commissie (EC) heeft aanvullende vragen gesteld naar aanleiding van het verzoek om goedkeuring van deze regeling dat Nederland heeft ingediend in lijn met artikel 129 REACH. Deze vragen zijn inmiddels beantwoord en de termijn van 60 dagen waarbinnen de EC een besluit zal nemen, loopt uiterlijk 3 april aanstaande af. Als er een besluit van de EC bekend is, zal de Kamer hierover en over de gevolgen daarvan worden geïnformeerd.
Voor waterwerken door het Rijk in de Ooster- en de Westerschelde geldt de bestuurlijke toezegging dat daar tot 23 juli 2026 geen staalslak voor zal worden gebruikt. In de eerdergenoemde brief van 18 december 2025 staat aangegeven dat er op 15 december in Middelburg een constructief gesprek is gevoerd over de zorgen en behoeften vanuit Zeeland met de gedeputeerde van de provincie Zeeland, vertegenwoordigers van de Zeeuwse gemeenten en van de visserijsector en de natuur- en milieubeweging. Dit gesprek wordt het komende half jaar voortgezet.
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van diverse onderzoeksrapporten en incidenten is per 23 juli 2025 op de pauzeknop gedrukt voor toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD/ELO-staalslak, op of in de landbodem van meer dan 0,5 meter dik of op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is; denk hierbij aan inhalatie of oog-, hand-, mondcontact met toegepaste staalslak. Hiertoe is een noodregeling vastgesteld waarin op grond van het voorzorgsbeginsel ook een vergunningplicht is geïntroduceerd voor de overige toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak in of op de landbodem.
Met de regeling geldt voor een groot deel van de toepassingen een verbod of een restrictie in de vorm van een vergunningplicht. Alleen voor toepassingen van vormgegeven bouwstoffen met daarin staalslak als één van de grondstoffen, voor niet-vormgegeven bouwstoffen met minder dan 20 massaprocent staalslak en staalslak toepassingen in groot oppervlaktewater gelden geen restricties. Daarmee zijn voor de risicovolle toepassingen al aanvullende maatregelen getroffen. Voor de overige toepassingen geeft de regelgeving voldoende handvatten om deze verantwoord toe te passen en daarop toe te zien.
Zoals ook in de Kamerbrief van 13 maart jl.37 is beschreven, staat het bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt het afwijken en aanvullen van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten onder voorwaarden mogelijk. Het bevoegd gezag mag onder voorwaarden afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald38.
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Het staat bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt het afwijken en aanvullen van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten onder voorwaarden mogelijk. Het bevoegd gezag mag onder voorwaarden afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald39.
In de Kamerbrief40 van 22 september 2025 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangekondigd naar de toekomst toe te willen kunnen staan voor een systeem waarin secundaire bouwstoffen, zoals staalslak, verantwoord kunnen worden toegepast en er geen onaanvaardbare milieu- en gezondheidsschade wordt veroorzaakt: een beleidskader secundaire bouwstoffen. Onderdeel hiervan is ook de vraag wat centraal en decentraal opgepakt wordt. Deze afweging zal in nauw overleg met de medeoverheden worden gemaakt.
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Het kabinet heeft deze vraag eerder beantwoord41 en aangegeven welke aannames Tata Steel heeft gedaan in haar businesscase ten aanzien van wet- en regelgeving en beleid met betrekking tot staalslakken en welke invloed een permanent verbod zou kunnen hebben op de businesscase en op de JLoI.
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
De Aanvullende Post (AP) is een apart begrotingshoofdstuk van het Ministerie van Financiën. Het is als het ware een aparte begroting met middelen die geoormerkt zijn voor bepaalde doeleinden.
De middelen voor de maatwerkafspraak met TSN zijn deels gereserveerd in het Klimaat- en energiefonds en deels op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting. Hierover is eerder het volgende aangegeven42: Binnen het Klimaat- en energiefonds is € 934 miljoen gereserveerd voor de maatwerkafspraak met TSN. Daarnaast zijn in het voorjaar van 2023 deze middelen aangevuld vanuit de SDE-middelen die aanvankelijk gereserveerd waren voor hogere openstellingsrondes in 2024 en 2025. Deze middelen zijn daarna overgeheveld naar de Aanvullende Post (AP). In afwachting van uitzicht op een overeenkomst met TSN, en om de onderhandelingspositie van de staat in de tussentijd te borgen, is van deze middelen in voorjaar 2024 een reservering op de AP gemaakt van € 1,142 miljard voor TSN. In totaal is daarmee € 2,076 miljard gereserveerd voor de maatwerkafspraak met TSN. Vanwege prudentie is een kleine marge aangehouden bovenop de € 2 miljard uit de JLoI, dit kan onder andere benodigd zijn voor uitvoerings- en implementatiekosten.
Uiteindelijk zullen de middelen die gereserveerd zijn op de AP naar de KGG-begroting worden overgeboekt.
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Om de onderhandelingspositie van de staat tijdens de lopende onderhandelingen met het bedrijf te beschermen is ervoor gekozen om het beschikbare budget voor de maatwerkafspraak met TSN niet zichtbaar op de begroting te reserveren. De onderhandelingen over het steunbedrag vanuit de staat voor deze maatwerkafspraak waren immers nog niet afgerond. Door de hiervoor beschikbare middelen op de begroting zichtbaar te maken zou de staat weggeven hoeveel steun zij maximaal kon geven.
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Zie het antwoord op vraag 32.
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Het kabinet kan deze vraag niet beantwoorden. Het is aan het bedrijf zelf om een eigen afweging te maken om wel of geen 403-verklaring af te geven. Het is dus aan Tata Steel Limited om hierover eventueel een verklaring voor te geven.
Als de onderliggende vraag ziet op de verantwoordelijkheid van TSL voor dit project, is het goed om aan te geven dat TSL ook partij is bij de JLoI en dat TSL dus ook de verplichting is aangegaan om de afspraken, zoals opgenomen in de JLoI, na te komen. Het is voor het kabinet uiteraard van belang om de waarborgen rondom de subsidie zo sterk mogelijk te maken. Dat is ook een reden om niet alleen een afspraak met TSN te maken, maar ook met de aandeelhouder TSL. In de JLoI staan de eerste contouren van de waarborgen opgenomen, dit moet verder uitgewerkt worden in de maatwerkafspraak. Ter illustratie, zie artikel 7 in de JLoI waarin onder andere is afgesproken dat TSL de totale investering (2,3–4 miljard euro) die nodig is om het project te bouwen, dient te regelen. Daarmee is een waarborg ingebouwd voor het geval TSN (een deel van) de investering niet kan opbrengen of regelen. Ook als de benodigde externe financiering niet op tijd rond zou zijn, dient TSL dit tekort te overbruggen (zie artikel 7.1.2. sub d van de JLoI). Daarnaast zal de subsidie voorlopig en in tranches worden verstrekt en is in de JLoI afgesproken dat de staat zekerheden zal krijgen voor de subsidie (zie artikel 7.1.1. sub g van de JLoI). Dit wordt de komende tijd verder uitwerkt. Goed om hierbij op te merken dat ten aanzien van de zekerheden in de JLoI al is afgesproken dat de investering van de onderneming altijd achtergesteld zal zijn aan de subsidie van de staat.
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Zoals ook in het antwoord hierboven omschreven, is het voor het kabinet van groot belang om goede waarborgen te regelen voor de subsidie. In de JLoI zijn de contouren hiervoor geschetst en komt het principe duidelijk naar voren dat TSL verantwoordelijk is en kan worden gehouden voor de investering die nodig is aan de zijde van het bedrijf. Dit wordt nader uitgewerkt in de maatwerkovereenkomst, maar de kaders zoals afgesproken in de JLoI zijn daarbij leidend. Dit staat los van een meer algemene garantstelling die een moeder voor een dochterbedrijf kan afgeven. Ter verdere achtergrond, in beginsel is een garantstelling door TSL enkel relevant als TSN niet in staat zou zijn om te voldoen aan haar (financiële) verplichtingen uit de eventuele maatwerkafspraak. Allereerst is en wordt er voorafgaand aan het ondertekenen van de eventuele maatwerkafspraak een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd en gemitigeerd.
Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches, na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Ook andere manieren van borgen, zoals een clawback mechanisme om overcompensatie te voorkomen, worden momenteel verder uitgewerkt. Zoals in de beantwoording op vraag 34 ook is aangegeven, de staat zal daarnaast zekerheden krijgen voor de subsidie, dit is al afgesproken in de JLoI en wordt uitgewerkt in een maatwerkovereenkomst.
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of groen gas. TSN zal hiervoor tenders in de markt zetten en over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op hernieuwbare energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda, zo ook in het coalitieakkoord. Het kabinet heeft aandacht voor dit generieke beleidsvraagstuk, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Dat de geraamde dioxine-uitstoot na realisatie van het Groen Staal-plan stijgt, is niet per definitie onverantwoord. Tegelijkertijd worden dioxines meegenomen als te duiden stof ten behoeve van de berekening van gezondheidsrisico's in de GER-TSN. De Kamer is hierover reeds geïnformeerd in het methodisch kader voor de GER-TSN (referentie 2025D16206).
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit na de transitie gelijk blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Het klopt niet dat de productiecapaciteit van Hoogoven 6 wordt verhoogd. TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie HO6 te vervangen door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Ja, zoals eerder aan de Kamer gemeld48, is ook duidelijk dat de door de jaren heen gemeten luchtkwaliteit in de leefomgeving niet is veranderd door de hogere gerapporteerde emissie in 2024. In de IJmond staat een vast luchtmeetnet waarmee de luchtkwaliteit in de leefomgeving (de immissie) wordt gemeten. De immissie betreft de concentratie op leefniveau in de lucht die wij inademen en is daarmee relevant voor de mate waarin de leefomgeving gezond is. Uit de immissiemetingen blijkt dat in 2024 op alle meetlocaties wordt voldaan aan de wettelijke EU-grenswaarden voor de luchtkwaliteit.
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Het kabinet kan dit niet bevestigen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van eerdere Kamervragen49 is de rapportage van een hogere uitstoot door meerdere oorzaken mogelijk50, 51.
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Deze vraag is eerder gesteld52 en beantwoord. Het doel van een maatwerkafspraak is om de afspraken juridisch te borgen en zorgen dat deze afspraken ook uitvoerbaar en controleerbaar zijn. Het kabinet benut de expertise van de OD NZKG bij de totstandkoming van een eventuele maatwerkafspraak.
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
De OD NZKG heeft jarenlange ervaring met het bedrijf. Het kabinet benut de expertise van de OD NZKG bij de ontwikkeling van de maatwerkafspraken.
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichter bij de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn. Zo kunnen metingen meer bijdragen aan gezondheidsbescherming. Het is in het belang van de zware industrie, omwonenden en het bevoegd gezag dat metingen door bedrijven betrouwbaar en controleerbaar zijn, dat ze de informatie opleveren die nodig is en dat over de kwaliteit geen discussie hoeft plaats te vinden.
Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordt gestart met een aantal praktijkgerichte en risicogestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële locaties. De resultaten van de pilot landen in een advies over het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen.
De Kamer is over dit alles reeds geïnformeerd in de brief53 over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden.
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Zie het antwoord op vraag 45. Verder is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, bovenop de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft. Hoe dit artikel zijn beslag krijgt in de uiteindelijke maatwerkafspraken is onderwerp van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
Ja.
Het bericht dat er een humanitaire crisis dreigt in Kobani |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de mogelijke humanitaire ramp die zich voltrekt in Kobani, nu deze stad is omsingeld door het Syrische leger en overspoeld is met gevluchte mensen?1
De situatie in Noordoost-Syrië, inclusief in en rond Kobani, is de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest. Door de gevechten tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit ernstig beperkt geweest. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie welke verantwoordelijkheid voor de geschetste problemen in en rondom Kobani draagt.
Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties en partnerorganisaties Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Het kabinet beschikt niet over indicaties dat er nu sprake zou zijn van een totale blokkade van Kobani. Volgens de VN zijn er de afgelopen weken twee VN-konvooien met 52 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Ook is elektriciteit in het gebied sinds 9 februari hersteld, volgens het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC). Basisvoorzieningen zijn echter nog steeds ernstig ontregeld, geëxplodeerde mijnen beperken bewegingsvrijheid en distributie, en goederen en brandstof komen slechts beperkt binnen via commerciële routes.
Het is van groot belang dat de hulp verder wordt opgeschaald en brede toegang tot de getroffen gebieden wordt verleend, aangezien de beperkte humanitaire middelen, toegang en volatiele situatie er voor zorgen dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom via de EU en rechtstreeks bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor alle hulporganisaties. Ook het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) staat hierover in contact met de Syrische overgangsautoriteiten.
Bent u bekend met de signalen dat de Koerden zijn afgesloten van eten, elektriciteit en water in Kobani? Zo ja, hoe wilt u een escalatie hiervan voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u onderschrijven dat de problemen in Kobani veroorzaakt zijn en worden door het regeringsleger of zijn er andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap hier niet van mag wegkijken? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld in het antwoord op voorgaande vragen is er ruime internationale aandacht voor het conflict in Syrië, en meer in het bijzonder de situatie in het noordoosten. Ook het kabinet kijkt niet weg van de humanitaire situatie in noordoost-Syrie, waaronder Kobani, maar staat in nauw contact met humanitaire partners ter plekke. Steun aan deze organisaties om hun werk te blijven verrichten zal worden voortgezet.
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij altijd ondubbelzinnig veroordeeld en Nederland zet zich daarbij internationaal actief in voor berechting van geweldplegers. Zie ook de beantwoording op vragen 7 en 8.
Het kabinet maakt zich verder binnen de EU hard voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en nemen waar nodig passende en proportionele maatregelen.
Veroordeelt u het geweld en de oorlogsmisdaden die plaatsvinden in Syrië sinds de nieuwe regering aan de macht is?2 Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet keurt elke vorm van geweld tegen burgers in Syrië af en onderstreept, ook in EU-verband, dat consequenties dienen te worden verbonden aan schendingen van het internationaal recht. Het kabinet brengt dit consequent op zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als multilateraal via de diverse EU- en VN-mechanismen.
Voor een beoordeling of er sprake is van een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier bent u van plan om de druk op te voeren richting de Syrische regering om te zorgen voor directe toegang tot humanitaire hulp, en de blokkade en mensenrechtenschendingen tegen te gaan?
Het kabinet spreekt in directe contacten en via de VN en EU de Syrische overgangsregering consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het bieden van volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor hulporganisaties en het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syriërs, ongeacht religie of etnische achtergrond.
Hoe wordt op dit moment in kaart gebracht welke oorlogsmisdaden er worden gepleegd en op welke manier deze vervolgd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld Amnesty International aangeeft?3
Het kabinet acht zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek door de Syrische overgangsautoriteiten naar vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen van essentieel belang. Het kabinet dringt hier consequent op aan, zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als in multilateraal verband.
Daarnaast spelen VN-instanties – zoals de VN-Bewijzenbank IIIM, de Commission of Inquiry en het OHCHR Veldkantoor in Damascus – een belangrijk rol in het onderzoek en documenteren van mensenrechtenschendingen in Syrië. Het kabinet steunt IIIM en het OHCHR landenkantoor in Damascus zowel politiek als financieel met respectievelijk € 1 miljoen en € 2,5 miljoen. Ook zet Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad actief in voor de verlening van het mandaat van de Commission of Inquiry voor Syrië, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen wordt voortgezet.
Tot slot dragen verschillende internationale organisaties en het Syrisch maatschappelijk middenveld ook bij aan het in kaart brengen van de vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen. Nederland steunt Impunity Watch en het International Center for Transitional Justice in hun inspanningen om samen te werken met de Syrische transitieregering en hun expertise in te zetten ten behoeve van het tegengaan van straffeloosheid (waaronder documentatie van mensenrechtenschendingen).
Op welke manier gaat u onderzoek ondersteunen dat de feiten op een rij zet, zodat vervolging van oorlogsmisdadigers mogelijk wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 7.
De militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale blokkade van de stad Kobani?1
Het kabinet is bekend met berichtgeving over de recente gevechten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in noordoost-Syrië en ook met de meldingen over beperkingen van toegang tot de stad Kobani. Door de gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit beperkt geweest.
Op 30 januari jl. tekenden de Syrische overgangsregering en de SDF een overeenkomst, waarin onder andere een permanent staakt-het-vuren is vastgelegd. Het kabinet verwelkomt deze ontwikkeling en stelt vast dat de situatie in noordoost-Syrië sindsdien relatief stabiel is.
Specifiek ten aanzien van Kobani beschikt het kabinet niet over indicaties dat er nu sprake is van een totale blokkade. Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties, internationale- en lokale- ngo’s Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Volgens de VN zijn op 25 januari en 2 februari jl. respectievelijk 24 en 23 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Het is wel van belang dat de hulp verder wordt opgeschaald; de beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt het uithongeren van burgers en het collectief straffen van de burgerbevolking. Het opzettelijk onthouden van essentiële goederen kan, afhankelijk van de context een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht vormen.
Het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door deze voorzieningen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève, is een oorlogsmisdrijf.
Voor een beoordeling of er sprake is van schending van het humanitair oorlogsrecht óf een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie (EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag één, stelt het kabinet op dit moment niet vast dat sprake is van een volledige blokkade. De beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er echter voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Het kabinet heeft de recente ontwikkelingen tussen de Syrische overgangsregering en de SDF nauwgezet en met zorg gevolgd. Duidelijk is dat de twee partijen, na het tekenen van de overeenkomst van 10 maart 2025 waarin een inclusieve en duurzame integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat is overeengekomen, het niet eens konden worden over de praktische implementatie van deze overeenkomst op een aantal punten. Sinds die tijd is regelmatig sprake geweest van vijandelijkheden tussen de twee partijen. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie hierbij welke verantwoordelijkheid draagt. Uit berichtgeving komt het beeld naar voren dat sprake is van schendingen van het internationaal recht door beide partijen, waarvan ernst en schaal vooralsnog onduidelijk blijven, afgezien van niet geverifieerde berichten over individuele gevallen.
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat sprake is van een reëel risico op systematisch of grootschalig geweld gericht op de Koerdische bevolking. In de eerste plaats omdat ook bij de recente gevechten in Aleppo en andere delen van noordoost Syrië hier geen sprake van is geweest. Anderzijds omdat van een gewapend conflict op dit moment geen sprake is en, sinds de overeenkomst van 30 januari jl., de eerste stappen worden gezet naar een duurzame en vreedzame oplossing en integratie van het noordoosten in de Syrische staat. Onderdeel hiervan is dat beide partijen zich hebben teruggetrokken van militaire posities en alleen sprake is van beperkte aanwezigheid van politie- en veiligheidsdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Syrische overgangsregering in steden als Hasakeh en Qamishli.
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen van diplomatieke druk?
In algemene zin is bekend dat de Syrische overgangsregering en Turkse autoriteiten nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten de twee landen in augustus 2025 een defensieovereenkomst, gericht op onder meer training en capaciteitsopbouw. Het kabinet heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië later die maand. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië kan het kabinet in dit kader niet bevestigen.
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen, voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Het kabinet is zich bewust van de achtergrond van verschillende groepen en individuen die actief zijn in Syrië en van zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen, zoals bijvoorbeeld begaan in maart 2025 in Latakia en in juli 2025 in Sweida. Ten aanzien van het geweld in Latakia hebben zowel het nationale, Syrische onderzoeks-comité als de Commission of Inquiry (CoI) vastgesteld dat sprake is geweest van mensenrechtenschendingen door zowel groeperingen gelinkt aan voormalig president Assad, als van zijde van het leger van de Syrische overgangsautoriteiten en daaraan gelieerde gewapende groeperingen. Het nationale onderzoeks-comité heeft hierbij 563 verdachten vastgesteld. Sinds november lopen de eerste rechtszaken naar aanleiding van de bevindingen. De onderzoeken van een nationaal onderzoek comité en de CoI naar de gewelddadigheden in Sweida lopen op dit moment nog. Het kabinet volgt de ontwikkelingen ten aanzien van de onderzoeksuitkomsten en de opvolging van de aanbevelingen daaruit nauwgezet.
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van 9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden bij te staan?
Het kabinet erkent de belangrijke rol die de SDF heeft gespeeld in de strijd tegen IS en bij het beveiligen van detentiefaciliteiten. Deze inzet heeft bijgedragen aan de internationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een stabiel en veilig Syrië, waarin de rechten van alle Syrische gemeenschappen, waaronder die van de Koerden, geborgd zijn. Eveneens ondersteunt het kabinet de inclusieve, politieke transitie en integratie van de SDF en de SDF-gebieden in de Syrische staat, waartoe de SDF zich op 10 maart 2025 – en opnieuw op 30 januari jl. – heeft gecommitteerd.
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd? Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Het is bekend dat er individuen uit kampen en detentiefaciliteiten zijn ontsnapt waarin zich aan IS-gelieerde personen bevinden en dat een deel van hen inmiddels ook opnieuw opgepakt is. Gezien de onoverzichtelijke situatie in noordoost-Syrië en de grote hoeveelheid aan tegenstrijdige berichten kan er geen zekerheid gegeven worden over exacte aantallen.
Met alle betrokken nationale en internationale partners houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. In het bijzonder gaat het om de situatie in de opvangkampen en detentiecentra en welke gevolgen de recente gebeurtenissen kunnen hebben voor de nationale veiligheid. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen te treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat duurzame vrede in Syrië alleen mogelijk is via een inclusieve politieke transitie waarin de rechten, veiligheid en vertegenwoordiging van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd.
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Nederland zet zich wereldwijd in voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer via het FOCUS-instrument en steun aan maatschappelijke organisaties. Deze inzet geldt ook voor Syrië, waarbij specifiek aandacht is voor de positie van vrouwen in conflict- en postconflictsituaties.
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
De mate waarin de Syrische overgangsautoriteiten hun beloften blijken na te komen ten aanzien van een inclusieve politieke transitie en borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, vormen een belangrijk onderdeel in de eventuele normalisatie van relaties.
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het Syrische regime voldoende worden nageleefd?
In EU-verband onderstreept het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder2, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat voorwaarden voor steun streng nageleefd moeten worden. Bij de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. heeft het kabinet dit punt wederom uitgedragen.3 Ook blijft het essentieel dat financiële EU-steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen, iets waar het kabinet consequent voor pleit, ook ten aanzien van programmering in Syrië.
Op dit moment ziet het kabinet de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda presenteren die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president al-Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zal worden.
Op basis hiervan concludeert het kabinet op dit moment dat de Syrische overgangsregering de vastgestelde voorwaarden ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen voldoende naleeft. Tegelijkertijd blijft het kabinet het handelen van de Syrische overgangsregering nauwgezet monitoren, ook in het kader van EU-steun. Het gaat dan ook om belangrijke eerste stappen. Het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan ook nauwgezet gevolgd.
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?2
Het kabinet heeft in bilaterale en multilaterale contacten consequent aangedrongen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdrijven en bescherming van alle Syrische gemeenschappen. Daarnaast ondersteunt Nederland actief VN-mechanismen die zich hierop richten, waaronder het OHCHR-landenkantoor in Damascus, de Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM). Ook zet Nederland zich gericht in op de bescherming van religieuze minderheden, waaronder in Syrië. via het beleidskader FOCUS binnen het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» (2026–2031)
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten, waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?3 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet maakt bij financiering afwegingen op basis van effectiviteit, complementariteit en aansluiting bij bestaande internationale mechanismen. Nederland levert reeds een substantiële bijdrage aan VN- en andere internationale onderzoeksmechanismen. Momenteel worden mogelijkheden verkend om de inzet verder te versterken, waarbij de focus ligt op het voortzetten en verdiepen van bestaande, langdurige partnerschappen, in het bijzonder met de VN-bewijzenbank IIIM, en niet op het aangaan van nieuwe partnerschappen met Ngo’s. Gezien de beperkte financiële ruimte is er, naast de lopende steun aan mensenrechtenorganisaties, op dit moment geen ruimte voor aanvullende Nederlandse financiële steun aan het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding het besluit te herzien.
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Het is aan de Verenigde Staten om hun buitenlands beleid vorm te geven. Het kabinet onderstreept het belang van internationale betrokkenheid bij stabiliteit in noordoost-Syrië en blijft hierover in gesprek met partners.
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Het ministerie onderhoudt doorlopend contact met Syrische gemeenschappen en diaspora in Nederland, waaronder vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap. Het kabinet blijft bereid deze zorgen aan te horen en mee te nemen in beleidsvorming.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.