Het conceptakkoord met Tata Steel en de vraagtekens bij de daadwerkelijke klimaatwinst van de miljarden staatssubsidie |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin experts grote vraagtekens plaatsen bij de klimaatwinst van de twee miljard euro subsidie aan Tata Steel, en hoe beoordeelt u deze kritiek?1
Ik ben bekend met de nieuwsberichten. De kritiek in de berichtgeving ziet niet op de verduurzaming en de vermindering van de CO2-emissies die ontstaan door de staalproductie van Tata Steel Nederland (TSN) zelf (zogenaamde scope 1 emissies), maar op de indirecte emissies die als gevolg van het Groen Staal Plan elders zouden kunnen ontstaan bij de inkoop van energie (scope 2) of de indirecte emissies in de keten (scope 3).
De maatwerkaanpak van het kabinet heeft als doel om een forse uitstootvermindering te realiseren in het productieproces van een bedrijf zelf, zo ook bij TSN. De huidige plannen van TSN leiden naar verwachting tot een vermindering van de CO2-uitstoot met 5,4 tot 7,2 megaton per jaar. Dat is ongeveer 5% van de totale Nederlandse uitstoot. Daarnaast zorgen de plannen voor een forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio. Een maatwerkafspraak is de beste manier om zo snel mogelijk te komen tot vermindering van CO2-uitstoot, verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio en de staalindustrie te behouden. Een belangrijke overweging hierbij is dat TSN zonder maatwerkafspraak deze investeringen in verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving niet zal doen in de komende jaren en/of de staalproductie op termijn verplaatst naar het buitenland. Het gevolg hiervan is dat de gezondheidsproblematiek blijft voortbestaan, het klimaat niet verbetert of juist verslechtert vanwege de verplaatsing van de uitstoot en een bedrijf verdwijnt dat belangrijk is voor de economie en strategische autonomie van Nederland en Europa.
Het kabinet reageert in het vervolg van deze beantwoording op de specifieke kritiek over de impact op indirecte emissies en het beleid wat het kabinet daar separaat op voert.
Deelt u de zorg van experts dat de deal weliswaar tot minder CO2-uitstoot binnen Nederland leidt, maar dat een deel van die uitstoot wordt verplaatst naar het buitenland? Kunt u dit toelichten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 richt het kabinet zich met de maatwerkafspraak op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan de directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland. Als onderdeel van de vergroening van de Nederlandse productie kunnen elders extra activiteiten zoals de productie van LNG plaatsvinden die broeikasgassen uitstoten. Het gebruik van aardgas is echter een tussenstap in de verduurzamingsplannen van TSN: op termijn zal deze vervangen worden door groen gas of groene waterstof. Dat laat onverlet dat het kabinet zich ook inzet om de emissies elders op de wereld te beperken als gevolg van de winning en het transport van gas. Hiervoor werken we in EU-verband onder andere aan een monitoringsysteem waardoor meer zicht komt en beleid kan worden gevoerd op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
Kunt u de berekeningen delen die aantonen hoeveel CO2-reductie de subsidiëring van Tata Steel daadwerkelijk wereldwijd oplevert, rekening houdend met uitstoot die buiten Nederland plaatsvindt?
Bij de Kamerbrief2 over de ondertekening van de Joint Letter of Intent (JLoI) heeft het kabinet ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd3. Het gaat hier om de directe CO2-reductie van TSN zelf. De mogelijke gevolgen voor scope 2 en scope 3-emissies zijn geen doel op zich bij de JLoI en de uiteindelijke maatwerkafspraak, maar worden waar mogelijk meegenomen.
Herkent u de analyse dat de overstap van kolen naar aardgas problematisch is vanwege de verwachte toename van Amerikaans schaliegas op de Europese markt, waarbij veel methaan weglekt dat 25 keer zo sterk is als CO2? Hoe weegt u dit mee in uw beoordeling van de klimaatwinst?
De impact van aardgas op de CO2-uitstoot en leefomgeving is aanzienlijk beter dan van kolen. De emissies van het primaire staalproductieproces van TSN (scope 1 en 2) nemen daarom al zeer sterk af bij een overgang van het huidige kolen-gebaseerde proces naar de tussenfase van het DRP-EAF proces op aardgas. Daarnaast geldt dat ook bij de winning van kolen voor staalproductie significante methaanemissies kunnen ontstaan. Deze emissies zijn afhankelijk per specifieke kolenmijn. De tussenfase met aardgas leidt dus al tot een significante vermindering van de CO2-uitstoot ten opzichte van de bestaande situatie.
Aardgas wordt verhandeld op de groothandelsmarkt. Het aardgas dat hier wordt verhandeld is afkomstig van verschillende bronnen: aardgas dat in Nederland is geproduceerd, aardgas dat is geïmporteerd via pijpleidingen (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk of België) of aardgas dat is geïmporteerd in de vorm van LNG, bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten. Het valt dus niet op voorhand te zeggen of TSN aardgas zal verkrijgen uit het buitenland en zo ja, ook niet uit welk specifiek land.
Het doel is om uiteindelijk over te stappen op groene waterstof of groen gas. Ondertussen werken alle EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening. Deze verordening heeft als doel om de methaanuitstoot in de fossiele sector beter te monitoren en uiteindelijk te reduceren. Dit geldt ook voor ruwe olie, aardgas (incl. LNG) en steenkool die in de EU op de markt worden gebracht. De Europese Commissie streeft ernaar om uiterlijk in juni 2030 maximale methaanintensiteitswaarden vast te stellen voor ruwe olie, aardgas en steenkool die in de EU in de handel worden gebracht. Aardgas dat door TSN ingekocht zal gaan worden, zal aan deze strengere eisen uit de verordening moeten voldoen.
Waarom worden er geen eisen gesteld aan de herkomst van het gas dat Tata Steel zal gebruiken? Bent u bereid alsnog dergelijke eisen op te nemen in de definitieve afspraken om te voorkomen dat wordt overgestapt op zeer vervuilend schaliegas?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kan het kabinet vanwege de aard van de gasmarkt geen eisen stellen aan de herkomst van het aardgas dat TSN inkoopt. Een eventueel besluit op het instellen van beperkingen met betrekking tot de herkomst van aardgas kan alleen in internationaal verband en generiek plaatsvinden. De aardgasmarkt betreft een internationale groothandelsmarkt. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4 streeft de Europese Commissie naar de implementatie van maximale methaanintensiteitswaarden voor onder andere schaliegas.
Deelt u de mening van methaanexpert Thomas Röckmann dat het niet verstandig is om twee miljard belastinggeld te investeren zonder goed te monitoren hoe groot de methaanlekkages zijn bij het gas dat Tata gebruikt? Zo ja, hoe gaat u deze monitoring waarborgen?
Het kabinet acht de maatwerkafspraken met TSN noodzakelijk om de impact op de leefomgeving en de gezondheid van de omwonenden op kortst mogelijke termijn terug te dringen en om tot een grote(re) reductie van de Nederlandse CO2-uitstoot te komen. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) en de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep) geven in hun advies over de JLoI aan dat de steun zeer kosteneffectief is, ook en in vergelijking met steunmaatregelen voor andere Europese staalproducenten. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2 is de maatwerkaanpak primair gericht op het verminderen van scope 1-emissies. Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2 en 4 is monitoring van scope 2 en scope 3-emissies complex. Deze emissies treden op bij (internationale) ketenpartners en zijn het resultaat van handel op de wereldmarkt. Het beperken van deze emissies dient via generiek beleid plaats te vinden. Het kabinet werkt in Europees verband samen om hier stappen in te zetten.
Hoe beoordeelt u de realistische haalbaarheid van de geplande overstap naar groen gas rond 2035, gezien de huidige markt voor groen gas lang niet groot genoeg is en Tata 1,5 keer zoveel nodig heeft als wat er nu in heel Nederland beschikbaar is?
De Europese en wereldwijde groen gas markt is volop in ontwikkeling. De Nederlandse overheid draagt actief bij aan deze ontwikkeling met beleid gericht op het stimuleren van de groen gas markt, zowel aan de afname kant middels de bijmengverplichting voor ETS2 sectoren als aan de productiekant met de SDE++ en de DEI+. Ook grote industriële afnemers, zoals TSN, dragen bij aan de opschaling van de markt doordat zij lange-termijn afnamezekerheid kunnen bieden aan producenten van groen gas. Ook de AMVI, samen met de Expertgroep, stelt in haar advies4 dat de vraag vanuit TSN de ontwikkeling van groene markten, zoals voor groen gas, een impuls kan geven. Externe adviseur Common Futures schat het potentieel voor groen gasproductie in de EU op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN te voldoen. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI.5
Welke garanties zijn er dat Tata Steel bij tekorten en hoge prijzen op de groengas-markt niet langer afhankelijk blijft van aardgas dan gepland? Hoe worden deze garanties contractueel vastgelegd?
De grootste CO2-reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof of groen gas. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Als er in de gehele periode geen groene waterstof of groen gas wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als waterstof of groen gas wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Deelt u de analyse van hoogleraar Vollebergh dat het gebruik van gas op lange termijn niet houdbaar is en het verstandiger zou zijn om direct te investeren in elektrificatie in plaats van eerst miljarden te investeren in een tussenfase met gas?
Het kabinet deelt deze analyse niet. Zoals ook aangegeven in eerdere beantwoording6 van Kamervragen kent het project een tussenfase met aardgas en CCS op weg naar een groen productieproces op basis van groene waterstof of groen gas. Deze tussenfase is nodig omdat groene energiebronnen naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar en betaalbaar zijn op korte termijn. Uit het advies van de AMVI volgt ook dat de inzet van CCS zeer kosteneffectief is.
Daarbij moet worden opgemerkt dat in ook in de tussenfase op aardgas een belangrijk deel van het nieuwe productieproces al geëlektrificeerd is; het smelt- en staalmaak-proces gebeurt immers door middel van een Electric Arc Furnace (EAF, elektrische vlamboogoven). De Direct Reduction Plant (DRP) die TSN voornemens is te bouwen heeft een reducerend gas nodig om van ijzererts direct gereduceerd ijzer te maken. In de tussenfase gebruikt TSN hier aardgas voor. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven zal TSN op termijn waterstof of groen gas gebruiken via elektrolyse.
De nieuwe productieroute van TSN draagt ook bij aan de elektrificatie van de industrie. De Electric Arc Furnace (EAF) wordt elektrisch aangedreven en ook de groene waterstof die TSN op termijn zal gaan inzetten in de Direct Reduction Plant (DRP) kan op basis van groene elektriciteit worden geproduceerd. De technologie om staal direct volledig elektrisch te kunnen produceren vanuit ijzererts is op dit moment niet commercieel toepasbaar. Het is onduidelijk of en wanneer TSN deze technologie wel economisch kan toepassen op de door TSN gewenste schaalgrootte. Het kabinet kiest er niet voor om de onzekere ontwikkeling van deze technologieën af te wachten. Er is op dit moment immers geen concreet zicht op een termijn waarin deze technologie economisch volwassen is. Het kabinet wil met een maatwerkafspraak juist zorgen dat er zo snel mogelijk een verbetering van de gezondheid van omwonenden komt.
Kunt u uiteenzetten waarom bij dit soort afspraken alleen wordt gekeken naar uitstoot op Nederlandse bodem en niet naar de wereldwijde klimaatimpact, terwijl CO2 niet bij landsgrenzen ophoudt?
De internationale en Europese afspraken op klimaatbeleid en het verminderen van de CO2-uitstoot zijn ingericht langs de lijnen van de verantwoordelijkheid voor de nationale uitstoot. Daarnaast heeft het kabinet bij het vaststellen van klimaatbeleid oog voor de internationale klimaatimpact van maatregelen. Zo werkt het kabinet in samenwerking met andere EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening en aan een monitoringssysteem voor het verkrijgen van inzicht op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
De maatwerkafspraken zijn gericht op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland en waar relevant de impact op de leefomgeving te verminderen. Zoals ook aangegeven bij de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 zijn de bedrijfsemissies stuurbaar via een maatwerkafspraak. Deze aanpak is in lijn met internationale afspraken die voor het eerst gesloten werden via het VN-Klimaatverdrag uit 1992 en het Kyotoprotocol en onder meer via latere verdragen verder zijn ingevuld.
Het kabinet beoogt met de maatwerkaanpak om de industrie te verduurzamen en in Nederland te behouden. De vraag naar staal zal immers blijven bestaan. Als er geen maatwerkafspraak komt, en het bedrijf zou besluiten om de productie naar het buitenland te verplaatsen, heeft dit tot gevolg dat staal vanuit het buitenland geïmporteerd zal worden. Daarmee vergroten we onze importafhankelijkheid. Daarbij is de staalproductie is in het buitenland niet schoner of duurzamer, waarmee de verplaatsing van de productie een negatief effect zou hebben op het klimaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt binnen de geldende termijn van drie weken. De Kamer is hier eerder over geïnformeerd7.
Het bericht dat er een humanitaire crisis dreigt in Kobani |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de mogelijke humanitaire ramp die zich voltrekt in Kobani, nu deze stad is omsingeld door het Syrische leger en overspoeld is met gevluchte mensen?1
De situatie in Noordoost-Syrië, inclusief in en rond Kobani, is de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest. Door de gevechten tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit ernstig beperkt geweest. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie welke verantwoordelijkheid voor de geschetste problemen in en rondom Kobani draagt.
Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties en partnerorganisaties Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Het kabinet beschikt niet over indicaties dat er nu sprake zou zijn van een totale blokkade van Kobani. Volgens de VN zijn er de afgelopen weken twee VN-konvooien met 52 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Ook is elektriciteit in het gebied sinds 9 februari hersteld, volgens het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC). Basisvoorzieningen zijn echter nog steeds ernstig ontregeld, geëxplodeerde mijnen beperken bewegingsvrijheid en distributie, en goederen en brandstof komen slechts beperkt binnen via commerciële routes.
Het is van groot belang dat de hulp verder wordt opgeschaald en brede toegang tot de getroffen gebieden wordt verleend, aangezien de beperkte humanitaire middelen, toegang en volatiele situatie er voor zorgen dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom via de EU en rechtstreeks bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor alle hulporganisaties. Ook het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) staat hierover in contact met de Syrische overgangsautoriteiten.
Bent u bekend met de signalen dat de Koerden zijn afgesloten van eten, elektriciteit en water in Kobani? Zo ja, hoe wilt u een escalatie hiervan voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u onderschrijven dat de problemen in Kobani veroorzaakt zijn en worden door het regeringsleger of zijn er andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap hier niet van mag wegkijken? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld in het antwoord op voorgaande vragen is er ruime internationale aandacht voor het conflict in Syrië, en meer in het bijzonder de situatie in het noordoosten. Ook het kabinet kijkt niet weg van de humanitaire situatie in noordoost-Syrie, waaronder Kobani, maar staat in nauw contact met humanitaire partners ter plekke. Steun aan deze organisaties om hun werk te blijven verrichten zal worden voortgezet.
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij altijd ondubbelzinnig veroordeeld en Nederland zet zich daarbij internationaal actief in voor berechting van geweldplegers. Zie ook de beantwoording op vragen 7 en 8.
Het kabinet maakt zich verder binnen de EU hard voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en nemen waar nodig passende en proportionele maatregelen.
Veroordeelt u het geweld en de oorlogsmisdaden die plaatsvinden in Syrië sinds de nieuwe regering aan de macht is?2 Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet keurt elke vorm van geweld tegen burgers in Syrië af en onderstreept, ook in EU-verband, dat consequenties dienen te worden verbonden aan schendingen van het internationaal recht. Het kabinet brengt dit consequent op zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als multilateraal via de diverse EU- en VN-mechanismen.
Voor een beoordeling of er sprake is van een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier bent u van plan om de druk op te voeren richting de Syrische regering om te zorgen voor directe toegang tot humanitaire hulp, en de blokkade en mensenrechtenschendingen tegen te gaan?
Het kabinet spreekt in directe contacten en via de VN en EU de Syrische overgangsregering consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het bieden van volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor hulporganisaties en het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syriërs, ongeacht religie of etnische achtergrond.
Hoe wordt op dit moment in kaart gebracht welke oorlogsmisdaden er worden gepleegd en op welke manier deze vervolgd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld Amnesty International aangeeft?3
Het kabinet acht zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek door de Syrische overgangsautoriteiten naar vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen van essentieel belang. Het kabinet dringt hier consequent op aan, zowel in bilaterale contacten met de Syrische overgangsautoriteiten, als in multilateraal verband.
Daarnaast spelen VN-instanties – zoals de VN-Bewijzenbank IIIM, de Commission of Inquiry en het OHCHR Veldkantoor in Damascus – een belangrijk rol in het onderzoek en documenteren van mensenrechtenschendingen in Syrië. Het kabinet steunt IIIM en het OHCHR landenkantoor in Damascus zowel politiek als financieel met respectievelijk € 1 miljoen en € 2,5 miljoen. Ook zet Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad actief in voor de verlening van het mandaat van de Commission of Inquiry voor Syrië, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen wordt voortgezet.
Tot slot dragen verschillende internationale organisaties en het Syrisch maatschappelijk middenveld ook bij aan het in kaart brengen van de vermeende oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen. Nederland steunt Impunity Watch en het International Center for Transitional Justice in hun inspanningen om samen te werken met de Syrische transitieregering en hun expertise in te zetten ten behoeve van het tegengaan van straffeloosheid (waaronder documentatie van mensenrechtenschendingen).
Op welke manier gaat u onderzoek ondersteunen dat de feiten op een rij zet, zodat vervolging van oorlogsmisdadigers mogelijk wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Jongeren maken (onbewust) reclame voor illegale goksite op TikTok' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS waaruit blijkt dat jongeren via TikTok, soms onbewust, reclame maken voor illegale goksites?1
Ja.
Deelt u de mening dat het inzetten van jongeren, mogelijk minderjarigen, voor de promotie van illegale goksites een ernstige schending vormt van de bescherming van minderjarigen en ingaat tegen de doelstellingen van de Wet kansspelen op afstand?
Ja. Het kansspelbeleid is gericht op het beschermen van mensen tegen kansspelgerelateerde schade, het tegengaan van kansspelgerelateerde criminaliteit en het verhinderen van deelname aan illegaal spel en bestrijding van illegaal aanbod. Minderjarigen zijn een bijzonder kwetsbare groep en hun betrokkenheid bij de promotie van illegale kansspelen vind ik problematisch. Temeer omdat het hier lijkt te gaan om minderjarigen die onbewust reclame maken.
Kunt u aangeven in welke mate de Kansspelautoriteit signalen ontvangt over illegale gokreclame via sociale-mediaplatforms als TikTok, en hoe vaak hier in 2024 en 2025 daadwerkelijk handhavend tegen is opgetreden? Hoeveel illegale online gokwebsites zijn offline gehaald door de Kansspelautoriteit?
De Ksa ontvangt voortdurend meldingen over illegale reclames op sociale mediaplatforms, waaronder TikTok, via onder meer het eigen meldportaal. Het aantal meldingen van illegaal aanbod op sociale media is in 2025 is toegenomen ten opzichte van 2024. De Ksa spoort ook zelf illegale reclames op. Bij geconstateerde overtredingen meldt de Ksa dit altijd bij TikTok en andere sociale mediabedrijven. In 2025 ging het om 452 meldingen tegenover 49 in 2024. In 2025 werd in 257 gevallen content verwijderd. In 2024 gebeurde dit 27 keer. Wanneer de Ksa herhaaldelijk meldingen ontvangt over een pagina die al bij TikTok is gerapporteerd, wordt een informatiebrief verzonden. Bij een volgende overtreding wordt sanctionerend opgetreden.
De Ksa is niet bevoegd om zelf illegale websites offline te halen. Zoals vermeld in mijn antwoord op uw vragen van 12 januari j.l., doet de Ksa wel meldingen bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN), die domeinnamen kan ontkoppelen als een website Nederlandse wet- en regelgeving overtreedt.2 Voor websites met een andere extensie dan.nl is het moeilijker om effectief op te treden.
Welke concrete handhavingsmaatregelen zijn door de Kansspelautoriteit ingezet tegen illegale gokaanbieders die via TikTok opereren, en waarom blijken deze praktijken desondanks nog steeds plaats te vinden?
Handhavingsmaatregelen die de Ksa inzet tegen illegale gokaanbieders die zich op de Nederlandse markt richten via sociale mediaplatforms zoals TikTok, betreffen onder andere bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom. In 2025 heeft de Ksa vier boetes opgelegd wegens illegaal aanbod en negen lasten onder dwangsom. Daarnaast publiceert de Ksa sanctiebesluiten om consumenten te waarschuwen en een preventieve werking richting andere aanbieders te creëren. Ook worden influencers aangesproken met waarschuwingsbrieven en lasten onder dwangsom om zo de verspreiding van gokreclame op platforms zoals TikTok te beperken.
Ondanks deze maatregelen blijven illegale gokreclames op sociale media voorkomen, omdat aanbieders en accounts snel wisselen en vaak via tussenpersonen of influencers opereren. In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar specifiek richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.3
Ik werk in afstemming met de Ksa aan aanvullende instrumenten en verbetering van bestaande instrumenten om illegale aanbieders aan te pakken en de infrastructuur die deze aanbieders gebruiken te frustreren. Zo onderzoek ik hoe het illegale aanbod ontoegankelijk kan worden gemaakt voor mensen in Nederland. Het doel is om dit snel en efficiënt te maken, zodat de Ksa veelwebsites in een korte tijd aan kan pakken.Hiermee geef ik ook invulling aan de doelstelling van het coalitieakkoord om illegale goksites harder aan te pakken.
Kunt u aangeven in hoeverre bij de via TikTok verspreide gokreclame sprake is van minderjarigen, en hoe wordt vastgesteld of illegale gokcontent jongeren daadwerkelijk bereikt of door hen wordt verspreid?
Het is niet bekend in welke mate minderjarigen voorkomen in gokreclames die via TikTok verspreid worden. De inzet van de Ksa is er niet op gericht om het bereik en de verspreiding van illegale reclame uitputtend te monitoren. De inzet is gericht op het voorkomen dat reclame voor illegaal aanbod wordt verspreid.
In hoeverre acht u sociale-mediaplatforms als TikTok zelf verantwoordelijk voor het actief opsporen en verwijderen van content die illegale gokreclame bevat, in het bijzonder wanneer deze zichtbaar is voor jongeren?
In de Wet op de kansspelen (Wok) is een verbod opgenomen voor het bevorderen van illegaal aanbod, daar middelen toe te verschaffen of daartoe voor openbaarmaking of verspreiding bestemde stukken in voorraad te hebben.4 Sociale mediaplatforms moeten ervoor zorgen dat zij geen illegale kansspelen bevorderen. Zowel de Ksa als ik verwachten dan ook van TikTok en andere sociale mediabedrijven een proactieve aanpak om illegaal online content te weren. De Ksa staat in contact met sociale mediaplatforms, onder andere via de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, om illegale kansspelen en gerelateerde reclame op deze platforms proactief aan te pakken.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de overheid, de Kansspelautoriteit en sociale-mediaplatforms over het tegengaan van illegale gokreclame, en hoe wordt gecontroleerd of platforms deze afspraken daadwerkelijk naleven?
Zoals aangegeven in antwoord op vragen van het lid Bikker (CU) van 14 oktober 2025, verplicht de Digitale dienstenverordening (DSA) online platforms om effectieve meldkanalen voor illegale content in te richten en kortdaad te reageren op meldingen van deze kanalen.5 Bij meerdere platforms heeft de Ksa al effectieve meldkanalen, waarbij werkafspraken zijn gemaakt over meldingen van illegaal kansspelaanbod. De Ksa houdt toezicht op de uitkomsten van de meldingen die zij doet en treedt als nodig handhavend op wanneer zij op grond van de Wok een overtreding vaststelt.
Kunt u aangeven welke maatregelen u in samenspraak met de Kansspelautoriteit gaat nemen tegen sociale-mediaplatforms die structureel onvoldoende optreden tegen illegale gokreclame, en of deze middelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden toegepast?
De Ksa treedt handhavend op wanneer sociale mediaplatforms de Wok overtreden. Zo kan de Ksa een bindende aanwijzing geven om bijvoorbeeld bepaalde inhoud offline te halen. Daarnaast heeft de Ksa met partners uit de voorgenoemde Alliantie afgesproken gezamenlijk advertenties voor illegaal aanbod te melden bij sociale mediaplatforms en zoekmachines. De ervaring leert namelijk dat gezamenlijk en op grotere schaal melden beter werkt dan individueel. Op internationaal niveau zoekt de Ksa samenwerking met andere toezichthouders om zo gezamenlijk op te treden. Ook ik vraag hier in Europese en bilaterale overleggen aandacht voor. Zoals in de brief van 14 februari 2025 is aangegeven, verken ik hoe op internationaal niveau een vuist gemaakt kan worden tegen illegaal aanbod en kijk ik hoe dit onderwerp op de Europese agenda gezet kan worden.6
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat legale gokaanbieders aan strenge reclamebeperkingen zijn gebonden, terwijl illegale aanbieders via sociale media jongeren kunnen blijven bereiken, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de websites van deze aanbieders direct offline worden gehaald?
Ik deel deze mening. Strenge en duidelijke regels voor vergunde aanbieders zijn noodzakelijk om kwetsbare groepen te beschermen. Illegale aanbieders ontduiken deze kaders. Daarom zet ik in op zowel de aanpak van illegaal aanbod als op het tegengaan van normalisatie, zodat jongeren überhaupt niet online willen gaan gokken. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, zijn de mogelijkheden om illegalewebsites uit de lucht te halen momenteel beperkt effectief. Voor een toelichting op de inzet om illegale aanbieders aan te pakken en het illegale aanbod ontoegankelijk te maken voor mensen in Nederland, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Ja.
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Op Bullenbaai bevindt zich een (commerciële) olieterminal in beheer bij Curaçao Refinery Utilities (CRU). Een deel van de recente transporten en opslag bevat olie afkomstig uit Venezuela. Daarmee kan je echter niet stellen dat Curaçao een belangrijke rol speelt in de internationale oliehandel.
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
De Rotterdamse haven is per definitie een belangrijke doorvoerhaven van mondiale olieproducten. Het kan echter niet eenduidig worden vastgesteld dat Rotterdam specifiek het belangrijkste doorvoerpunt voor Venezolaanse olie in Europa is, dit is eerder een indirect gevolg van de algemene marktpositie van Rotterdam dan een specifiek, aantoonbaar patroon voor Venezolaanse olie. Er is geen beschikking over cijfers hoeveel Venezolaanse olie in welke havens wordt verwerkt.
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Het is bekend dat het schip MT Regina onder valse vlag olie heeft gelost op Curaçao. Het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) bepaalt dat een Staat een schip het recht verleent om zijn vlag te voeren. Het varen onder valse vlag betekent dat het schip een vlag voert waartoe het niet gerechtigd is. Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Met het varen onder valse vlag zijn internationale zeevaartregels overtreden.
Het schip MT Regina is op basis van een havenstaatcontrole aangehouden op Curaçao vanwege het niet voldoen aan internationale maritieme verdragen, onder meer het voeren van een valse vlag van Oost-Timor en het aan boord hebben van valse certificaten. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Curaçao is gehouden aan de sanctiewetgeving van de Europese Unie (EU-sancties). Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Het voeren van een valse vlag valt niet onder EU-sancties. Er is geen sprake van overtreding van sancties bij het aanmeren van schepen in de havens van Curaçao.
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Het is correct dat Oost-Timor recent de IMO-leden geïnformeerd heeft over onjuist en frauduleus gebruik van haar (niet bestaande) internationale vlagregister. Overigens heeft het Koninkrijk ook IMO-leden geïnformeerd ten aanzien van vals gevlagde schepen in de (niet bestaande) internationale vlagregisters van Sint Maarten en Aruba.
Ja. Via de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de landen binnen het Koninkrijk nauw samen op maritiem gebied en wordt zoveel mogelijk informatie uitgewisseld. Curaçao heeft, via het Koninkrijk, directe toegang tot de actuele IMO documentatie. Zo zijn de landen van het Koninkrijk overeengekomen dat elk autonoom land eigenstandig bijhoudt welke informatie voor hen van belang is.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaartregels houden. Deze regels zijn essentieel om de veiligheid op zee en bescherming van het mariene milieu mondiaal op gelijke wijze te borgen.
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het desbetreffende land. Hoewel het in eerste aanleg contrair lijkt, kan het wenselijk zijn dat schepen met vermeende afwijkingen (zoals een valse vlag) juist wel aanmeren in een van de havens van het Koninkrijk. Dit omdat schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole en daarmee feitelijk vast te stellen is of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Dat is recent gebeurd met de MT Regina op Curaçao.
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
In artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut3) staat opgesomd welke onderwerpen kwalificeren als aangelegenheden van het Koninkrijk. Indien uit het Statuut niet volgt dat iets een Koninkrijksaangelegenheid is, betreft het in beginsel een landsaangelegenheid, en gaan de autonome landen er zelf over.
Toezicht op en handhaving van sancties binnen de jurisdictie van individuele landen zijn aangelegenheden waar de autonome landen zelf over gaan. Curaçao heeft dit uitgewerkt in de Sanctielandsverordening. Voor Nederland geldt de Sanctiewet 19774. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch staan de betreffende schepen op een EU-sanctielijst.
De toepassing van EU-sancties binnen het Koninkrijk valt onder «buitenlandse betrekkingen» en aldus is er sprake van een Koninkrijksaangelegenheid. De bepalingen in dit kader zijn neergelegd in de Rijkssanctiewet5, die hiermee het overkoepelende juridische kader binnen het Koninkrijk vormt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend binnen het Koninkrijk op het gebied van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving daarvan.
De betreffende olietransporten vallen qua veiligheids- en milieueisen voor zeeschepen onder de internationale zeevaartverdragen van IMO. Het Koninkrijk is als geheel verdragspartij bij IMO. Havenstaatverplichtingen, zoals milieuaspecten en de (controle van) lading, zijn een autonome verantwoordelijkheid van de landen van het Koninkrijk.
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
De Kustwacht Caribisch Gebied (hierna: Kustwacht) is een maritieme rechtshandhavingsorganisatie, bestaande uit de Landen Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Nederland. De vier landen bepalen gezamenlijk het beleid van de Kustwacht, dat operationeel valt onder beheer van Defensie. De Kustwacht zorgt voor de veiligheid op de wateren rond Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland (BES). De Kustwacht voert opsporings-, toezichthoudende- en dienstverlenende taken uit op basis van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet6) en het justitiële beleidsplan Kustwacht. De Rijkswet geeft o.a. aan dat de Kustwacht belast is met het toezicht op scheepvaart, waaronder het verkeer en de uitrusting van schepen. Het justitiële beleidsplan 2022–2025 (met doorloop naar 20267) voor de Kustwacht richt zich op handhaving van illegale activiteiten om te voorkomen dat de effecten van de illegale activiteiten in lokale milieus terecht komen. De Kustwacht opereert onder lokaal gezag in de wateren waarin zij jurisdictie en bevoegdheden heeft ten aanzien van haar taakstelling.
Met referte naar het antwoord op vraag 7 is het Koninkrijk alleen dan betrokken als er sprake is van de zogenoemde Koninkrijksaangelegenheden. Handhaving van de verplichtingen in het kader van internationale zeevaartregelgeving betreft een autonome aangelegenheid van de landen zelf, en vindt derhalve plaats op nationaal niveau en onder nationaal gezag.
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat er geen Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie. Wanneer er sprake is van (mogelijke) overtreding van EU-sancties of andere regels waar Curaçao aan gehouden is, dan is het aan de autoriteiten van Curaçao (waaronder bijvoorbeeld de Curaçao Ports Authority en de Harbor and Safety Inspection van de Maritieme Autoriteit Curaçao) om hierop te acteren. In het geval dat daar signalen van zijn wordt daar serieus opvolging aan gegeven door daarvoor bevoegde autoriteiten. Waar nodig wordt daarbij het politieke niveau geïnformeerd en zo nodig betrokken.
Het is van belang te benoemen dat er frequent contact en veelvuldige afstemming is tussen de Caribische (ei)landen en Nederland, tussen diverse diensten en departementen en elk op hun eigen vakgebied.
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
De Curaçaose maritieme autoriteiten hebben een autonome verantwoordelijkheid voor het toelatingsbeleid en dienen daarbij het EU-sanctiebeleid na te leven. De concrete uitvoering wordt gecoördineerd via Buitenlandse Zaken en de Dienst Buitenlandse Betrekkingen van de Caribische Landen. Russisch gevlagde schepen en door de EU gesanctioneerde schepen, entiteiten en personen dienen te worden geweerd uit havens en sluizen in het Koninkrijk. Zoals eerder aangegeven is de EU en/of het Koninkrijk niet gehouden aan de Amerikaanse sanctielijst.
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Nadere details over eigenaarschap, hoeveelheden en commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld.
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is het onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaart regels houden. Daarom is hier, middels havenstaatcontrole, op gehandhaafd en is het betreffende schip aangehouden. Zoals eerder aangegeven zijn er op dit moment geen EU-sancties ten aanzien van Venezolaanse olie.
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Het klopt dat de Venezolaanse olie tot de meest broeikas-intensieve olie ter wereld behoort. Dat exploratie van die voorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven zou opgebruiken, komt uit een analyse van de koolstofboekhoud consultant Climate Partner in opdracht van The Guardian. Het is duidelijk dat een groot deel van de huidige fossiele voorraden, waaronder olie, niet kan worden gebruikt als we de wereldwijde opwarming van de aarde tegen het einde van deze eeuw willen beperken tot 1,5 graden.
Het is echter niet aan de Nederlandse regering om te bepalen wie welke olie nog zou mogen oppompen. Het kabinet zet met name in op internationale afspraken over vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de afbouw van fossiele subsidies en vermindering van de vraag naar olie door de ontwikkeling van niet-fossiele energie- en grondstoffen, efficiencyverbetering en recycling van koolstof.
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
In het Klimaatplan 2025–2035 wordt reeds onderkend dat de energietransitie niet alleen noodzakelijk is voor het klimaat en onze gezondheid, maar ook voor onze energieonafhankelijkheid, onder meer via vermindering van de importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Het kabinet werkt daarnaast aan een kamerbrief over verantwoorde afbouw van fossiel, die overzicht geeft over de verantwoorde afbouw van de verschillende fossiele energiedragers in Nederland en de vraagstukken die hierbij komen kijken. Met deze brief geeft het kabinet ook opvolging aan de motie van de leden De Groot en Grinwis over de gevolgen van de afspraken in COP28 over «weg bewegen van fossiel» en de motie van het lid Kröger c.s. over het afbouwen van fossiele brandstoffen als hoge prioriteit.8
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Er is op verschillende niveaus intensief contact met de autoriteiten op Curaçao. Dat geldt overigens (op maritiem gebied) ook voor de andere landen en openbare lichamen in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt De beantwoording heeft meer tijd gevraagd, mede door de kabinetswissel en samenvoeging met antwoorden op andere Kamervragen. Ik verwijs hiervoor ook naar de uitstelbrief verzonden aan de Kamer door collega van den Burg9.
Wijdverbreid antisemitisme in klaslokalen |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UNESCO waarschuwt dat driekwart van de leraren in de Europese Unie antisemitisme in het klaslokaal waarneemt?1
Ja.
Deelt u de zorg dat antisemitisme, ook in het onderwijs, zichtbaar toeneemt? Wat is uw reactie op de bevindingen uit het UNESCO-rapport? Welke bevindingen geven u de meeste zorg en zijn er zaken die u nader onderzocht en uitgediept zou willen hebben, en zo ja, hoe kunt u dit bevorderen?
Het UNESCO-rapport, maar ook andere publicaties, incidenten en gebeurtenissen van de afgelopen tijd laten zien dat antisemitisme wereldwijd de kop opsteekt. Ook in Nederland blijkt uit discriminatie- en meldingscijfers dat het aantal meldingen van antisemitische incidenten toeneemt. Zo registreerde de politie in 2024 meer gevallen van antisemitisme dan in de jaren daarvoor. Dat is zorgwekkend, zeker gezien het aantal gevallen waarbij sprake was van geweld of bedreiging.
Ten aanzien van het onderwijs is er verschil tussen de cijfers van het UNESCO-rapport en een aantal Nederlandse onderzoeken, die de afgelopen jaren in Nederland is uitgevoerd. Zo wordt in het UNESCO-rapport gesproken over 61% van de leraren die te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en/of -verdraaiing. Uit de docentenpeiling die in 2025 in opdracht van het Ministerie van OCW is uitgevoerd, kwam naar voren dat 14% van de Nederlandse vo-leraren te maken heeft gehad met Holocaustontkenning en 38% met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing.2
Ondanks het feit dat wij vinden dat in Nederland deze percentages onacceptabel hoog zijn, liggen deze percentages wel lager in vergelijking met de Europese percentages in het UNESCO-rapport. Het Ministerie van OCW wil met de onderzoekers in gesprek om inzicht te krijgen in de oorzaak van de verschillen. Ook is het ministerie benieuwd naar onderliggende data, die mogelijk nog meer specifieke informatie over de Nederlandse context weergeven. Mocht uit deze gesprekken het inzicht volgen dat de Nederlandse aanpak op antisemitismebestrijding en/of Holocausteducatie verbeterd kan worden, dan zal het kabinet hiermee aan de slag gaan. In onze Nederlandse samenleving is antisemitisme onaanvaardbaar en goede Holocausteducatie cruciaal. De contacten met UNESCO lopen al.
Heeft u concreet inzicht in de mate waarin Nederlandse leraren antisemitisme, intimidatie of vijandigheid jegens Joodse leerlingen ervaren in het primair en voortgezet onderwijs? Zo ja, kunt u deze inzichten delen en daarbij aangeven uit welke bronnen Jodenhaat met name wordt gevoed? Zo nee, hoe gaat u dit alsnog structureel in kaart brengen? Welke rol speelt de veiligheidsmonitor daarbij en welke rol kan het UNESCO-rapport vervullen bij de verdere ontwikkeling ervan?
Het UNESCO-rapport geeft aan dat antisemitisme regelmatig en op verschillende manieren voorkomt op Europese scholen. Ook in Nederland blijkt uit signalen vanuit de Joodse gemeenschap, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), bredere samenleving, de media, en organisaties als het CIDI, dat Joodse leerlingen zich gepest, geïntimideerd en/of bedreigd voelen vanwege hun identiteit. Daar maakt het kabinet zich ernstig zorgen over. Daarom is ook in 2024 de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 ontwikkeld om gezamenlijk een vuist te maken en antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden.
Tegelijkertijd worden bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) weinig antisemitische incidenten op scholen gemeld. Het is cruciaal dat schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en/of leerlingen zelf melding doen wanneer zij een antisemitisch incident ervaren. Het kabinet blijft eenieder hiertoe oproepen, zodat we hier tijdig en passend op kunnen acteren.
In het UNESCO-rapport wordt aangegeven dat scholen het lastig vinden om bij een incident te bepalen of het wel of geen antisemitisme is. Dat signaal herkent het Ministerie van OCW; ook Nederlandse schoolleiders en leraren hebben daar moeite mee. Daarom is in 2024 de handreiking «omgaan met antisemitische incidenten» ontwikkeld, die scholen helpt met het herkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.3 Het Ministerie van OCW blijft deze handreiking verspreiden en bijstellen wanneer nodig.
Daarnaast moet met het Wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs beter landelijk zicht komen op de veiligheid op scholen, waaronder cijfers ten aanzien van discriminatie. Uw Kamer is in juli 2025 geïnformeerd over de voortgang van de wettelijke verankering en herziening van de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs (LVM).4 Momenteel loopt een verkenning naar de noodzaak, haalbaarheid en wenselijkheid om de veiligheid van een aantal bepaalde specifieke (kwetsbare) groepen in de LVM apart in beeld te brengen en daarvoor extra gegevens uit te vragen. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
In hoeverre worden concrete uitingen van antisemitisme in het onderwijs momenteel gemonitord en geregistreerd door scholen en schoolbesturen? Acht u deze monitoring toereikend, mede gelet op de bevindingen van UNESCO?
Iedere school is wettelijk verplicht om jaarlijks te monitoren hoe het staat met de veiligheidsbeleving, het welbevinden en de aantasting van de veiligheid onder de leerlingen. Scholen hebben met de resultaten van deze monitor dus op jaarbasis actuele informatie over de sociale veiligheid op school. De inspectie ontvangt de resultaten van de monitor en betrekt dit in haar toezicht.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt deze zorgplicht verder versterkt. Zo moeten scholen in het funderend onderwijs onder meer beter zicht krijgen op de veiligheid op hun school door in de jaarlijkse monitor leerlingen te bevragen op ervaringen met discriminatie. Ook komt er een verplichte registratie voor veiligheidsincidenten (o.a. bij stelstelmatige discriminatie) en worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid te evalueren. De regering vertrouwt erop dat de maatregelen in het wetsvoorstel een stevige basis bieden voor het verkrijgen van zicht op antisemitische incidenten en het voeren van beleid daartegen.
Welke concrete handvatten, richtlijnen of ondersteuning ontvangen scholen en leraren momenteel om antisemitisme in de klas te herkennen, bespreekbaar te maken en effectief tegen te gaan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanwezigheid van hakenkruizen in scholen? Acht u deze ondersteuning toereikend gelet op bevindingen van UNESCO en bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de sectororganisaties?
Zoals ook bij vraag 3 aangegeven, is vanuit het Ministerie van OCW de handreiking «Omgaan met antisemitische incidenten op scholen» ontwikkeld.
In deze handreiking wordt beschreven wat antisemitisme is, hoe antisemitisme herkend kan worden, en staan handelingsopties bij antisemitische incidenten op school beschreven. Bij deze handelingsopties staan suggesties voor preventieve maatregelen en schoolbrede afspraken, adviezen over hoe om te gaan met antisemitische uitingen in de klas, is een lijst opgenomen met plekken en organisaties waar docenten terecht kunnen voor ondersteuning en advies, en wordt een overzicht geboden van plekken waar meldingen van antisemitische incidenten gedaan kunnen worden. In de handreiking is bewust gewerkt met concrete voorbeelden, zodat leraren de ondersteuning direct kunnen toepassen op situaties in de praktijk. Deze voorbeelden komen overeen met de praktijksituaties die in het UNESCO-rapport genoemd worden.
Daarnaast ondersteunt Stichting School & Veiligheid (SSV) scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat op school met informatie, handreikingen en e-learnings. Zo biedt de e-learning «Dialoog onder druk» handvatten aan leraren bij het voeren van moeilijke gesprekken in tijden van spanningen en polarisatie. Ook kunnen scholen contact opnemen met het adviespunt van SSV voor individueel advies.
Het Ministerie van OCW heeft periodiek contact met de sectorraden over antisemitisme en bredere vormen van discriminatie en racisme. De sectorraden hebben goed zicht op het onderwijsveld en halen belangrijke input over ondersteuningsbehoeften op. Ook helpen de sectorraden om beleidsacties, zoals de CJP-projectsubsidie voor extra activiteiten Holocausteducatie, goed te laten landen in het onderwijsveld. Het Ministerie van OCW en de sectorraden zullen op korte termijn de cijfers uit dit UNESCO-rapport bespreken.
Welke rol speelt Holocausteducatie binnen het Nederlandse curriculum bij het bestrijden van antisemitisme, het doorgeven van historisch besef aan nieuwe generaties en de positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap? Bent u bereid met uitgevers in gesprek te gaan over de lessen die uit de UNESCO-rapporten getrokken kunnen worden als het gaat om de rol van lesmateriaal?
Onderwijs over de Holocaust en over de opkomst en verspreiding van monotheïstische godsdiensten, waaronder het Jodendom, is verankerd in zowel het huidige als het herziene curriculum van het primair en voortgezet onderwijs (po: kerndoel 27 po; vo: kerndoel 26, leergebied Mens en Tijd).
Het kabinet beschouwt Holocausteducatie als een essentieel onderdeel van de bredere maatschappelijke aanpak van antisemitisme. Daarom is door de Ministeries van OCW, SZW en VWS, in gezamenlijkheid met de NCAB, het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie opgesteld. In december 2025 is de voortgangsrapportage van dit plan naar uw Kamer gestuurd.5 Onderdeel van dit plan is de landelijke campagne «Leer over de Holocaust»; een initiatief van de NCAB, dat zich richt op bewustwording en kennisoverdracht onder de gehele Nederlandse bevolking. In januari 2026 is deze campagne voor de derde keer van start gegaan. Daarnaast hecht het kabinet groot belang aan positieve aandacht voor de Joodse gemeenschap en voor Joods leven in Nederland, omdat dit bijdraagt aan het tegengaan van antisemitisme. Hiervoor zijn middelen beschikbaar gesteld via de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme.
Het kabinet onderhoudt bovendien, onder meer via de Ministeries van OCW en JenV, actief contact met UNESCO. In oktober 2025 heeft UNESCO bij OCW een workshop verzorgd over het tegengaan van antisemitisme, waaraan ook beleidsmedewerkers van andere departementen en de NCAB hebben deelgenomen.
Ten aanzien van lesmateriaal is het voor de overheid gepast om in het licht van artikel 23 van de Grondwet terughoudend te zijn en niet teveel te mengen in de totstandkoming van lesmateriaal. Dat is aan leermiddelenmakers en scholen zelf. Het kabinet vindt het UNESCO-rapport en het onderwerp echter zó belangrijk, dat zij de constateringen en aanbevelingen bij leermiddelenmakers onder de aandacht zal brengen.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot de bevindingen en aanbevelingen van UNESCO en de Europese Commissie inzake antisemitisme in het onderwijs?
Het tegengaan van antisemitisme in het onderwijs is onderdeel van structureel beleid via (1) de verankering van kennis over de Holocaust en het Jodendom in het onderwijscurriculum; (2) het stimuleren van respect voor elkaar en elkaars culturen vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht; (3) zorgplicht voor de sociale veiligheid van alle leerlingen. Door de maatschappelijke ontwikkelingen is dit structurele beleid de afgelopen twee jaar geïntensiveerd. Veel aspecten die UNESCO en de Europese Commissie aanbevelen zijn dan ook al door het Nederlandse kabinet in gang gezet. Dat is positief.
Zo is een van de UNESCO-aanbevelingen om voor docenten een handboek te realiseren met daarin strategieën over hoe te reageren bij uitingen van antisemitisme in de klas. Dit sluit nauw aan bij de eerder genoemde handreiking, die in Nederland al sinds mei 2024 in het onderwijsveld verspreid wordt. Ook de aanbeveling om een online cursus in te richten die leraren moet helpen om moeilijke onderwerpen te behandelen in de klas, sluit aan bij het al lopende beleid van het Ministerie van OCW. Al voor opleving van het Israëlisch-Palestijns conflict kreeg het Ministerie van OCW signalen van het onderwijsveld dat er behoefte is aan ondersteuning bij het voeren van lastige gesprekken over maatschappelijk gevoelige thema’s. Ook in de docentenpeiling Holocausteducatie (2025) kwam naar voren dat de grootste ondersteuningsbehoefte van leraren blijkt niet zozeer te liggen bij de inhoud van Holocausteducatie zelf, maar bij het omgaan met bredere maatschappelijke spanningen die tijdens lessen kunnen ontstaan. Nederlandse leraren zijn op zoek naar handvatten, training en ondersteuning om deze gesprekken over bredere maatschappelijke kwesties op een open, veilige en feitelijke manier te voeren. Daarom is het Ministerie van OCW al in 2023 gestart om hiervoor een ondersteuningsaanbod voor leraren te realiseren, dat continu doorontwikkeld wordt. Een voorbeeld hiervan is de subsidie «Schurende gesprekken», die aangeboden wordt via het Expertisepunt Burgerschap.6
Bij het tegengaan van antisemitisme is het onderwijs dus van onschatbare waarde. Maar de onderwijssector alleen is niet voldoende. Daarom is de gezamenlijke uitvoering (over sectoren en departementen heen) van de Strategie Bestrijding Antisemitisme ook zo belangrijk, zodat we antisemitisme gericht in de gehele maatschappij kunnen bestrijden.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de EU en internationaal om antisemitisme tegen te gaan? Kunt u concreet aangeven welke initiatieven Nederland ondersteunt of bevordert? Met welke EU-lidstaten zou u op dit vlak een aanjagende rol kunnen vervullen zodat het Joodse leven in de EU niet wegsterft, maar haar historische plek kan behouden?
Nederland zet zich binnen de EU en internationaal in voor een effectieve en praktijkgerichte aanpak van antisemitisme. De NCAB speelt hierin een belangrijke rol en staat in nauw contact met buitenlandse coördinatoren ter bestrijding van antisemitisme. Zo organiseerde de NCAB op 18-19 november 2025 in Den Haag een internationale conferentie voor openbaar aanklagers met deelname van 33 Europese landen, gericht op de versterking van de strafrechtelijke aanpak, waaronder vervolgbaarheid, online bewijs en grensoverschrijdende samenwerking.
Daarnaast heeft Nederland samen met Oostenrijk en Frankrijk een aanjagende rol vervuld door het inbrengen van een gezamenlijke EU non-paper om te voorkomen dat EU-middelen indirect bijdragen aan antisemitisme of ondermijning van Europese waarden. Deze inzet richt zich op contractuele voorwaarden bij EU-subsidies, aanvullende controles en audits, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en draagt bij aan het behoud en de versterking van Joods leven in Europa.
Verder erkent het kabinet dat online antisemitisme een aanjagende factor is voor offline incidenten. Daarom is binnen het netwerk van Special Envoys and Coordinators on Combating Antisemitism (SECCA) een werkgroep opgericht met focus op internationale kennisdeling, gezamenlijke acties en overleg met grote online platforms. De NCAB zit deze werkgroep voor.
Met deze inzet draagt Nederland eraan bij dat antisemitisme binnen de EU en internationaal krachtig wordt bestreden en dat de veiligheid, zichtbaarheid en continuïteit van Joods leven in Europa worden versterkt.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit rapport te bezien of aanvullende (internationale of nationale) maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Momenteel is het kabinet bezig met de actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme. In dat proces zullen de bevindingen van het UNESCO-rapport nog nader bekeken worden om te bepalen of aanvullende nationale of internationale maatregelen nodig zijn om de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren te waarborgen. Daarbij werkt Nederland nauw samen met UNESCO en andere internationale partners, onder meer om kennis te delen, goede praktijken uit te wisselen en antisemitisme in het onderwijs effectief tegen te gaan.
Tegelijkertijd benadrukt het kabinet graag dat zij – ook voor publicatie van het UNESCO-rapport – al scherp aandacht had voor de veiligheid en het welzijn van Joodse leerlingen en leraren. Het kabinet spant zich ten volle in om antisemitisme in onze Nederlandse samenleving te bestrijden en daarbij de fysieke en sociale veiligheid van Joodse leerlingen en leraren te bewaken. Zo kunnen Joodse organisaties en instellingen, waaronder scholen, aanspraak maken op het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen voor aanpassingen aan gebouwen en inzet van beveiligers. In de aankomende Kamerbrief omtrent de actualisatie van de kabinetsbrede strategie wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de (actualisatie) van deze veiligheidsmaatregelen.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm, bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg. Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen), om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte) valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast. In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm, met voldoende waarborgen is omkleed.
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet. De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit), en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk, proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing. In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling als in een ambulante setting worden ingezet.
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke eisen.
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet toegestaan.
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet. De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V niet bekend.
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is, en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen. Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder op deze wet- en regelgeving.
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen en cliënten te waarborgen.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Ja. Daarnaast heeft het kabinet afgelopen jaar op diverse andere momenten vragen ontvangen.
Omwille van consistentie is bij de beantwoording waar relevant gebruik gemaakt van bovenstaande informatie.
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Handhaving na constatering van overtredingen is aan het bevoegd gezag. Een mogelijkheid is dat die handhaving, na het doorlopen van de wettelijk voorgeschreven procedures, leidt tot (al dan niet vervroegde) gedwongen sluiting13. De Omgevingsdienst beoordeelt momenteel of Tata Steel voldoet aan de aanzegging om binnen 12 maanden de overtredingen te beëindigen en aan de regels te voldoen. Voor deze beoordeling voert de Omgevingsdienst momenteel inspecties uit bij de KGF2. Op basis van de uitkomsten zal worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Volgens de huidige plannen dient het bedrijf uiterlijk in 2045 klimaatneutraal te opereren. Als onderdeel daarvan moeten ook KGF1 en Hoogoven 6 sluiten. Dit laat overigens onverlet dat alle bestaande installaties, waaronder de KGF1, aan de wettelijke normen moeten voldoen en dat het bevoegd gezag hierop toeziet (en waar nodig handhavend zal optreden).
Het kabinet onderzoekt in aanvulling hierop ook de mogelijkheden voor beleid of wetgeving voor een verbod op grootschalig gebruik van fossiele kolen, conform de aangenomen motie-Rooderkerk over het publiekrechtelijk borgen dat het industrieel gebruik van k.
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Het is binnen de maatwerkaanpak gebruikelijk dat de AMVI advies geeft op modellen en aannames die nog niet definitief zijn. De AMVI heeft volwaardig advies kunnen geven op basis van deze conceptstukken. De AMVI geeft advies op de conceptversie van de JLoI. Het advies van de AMVI ziet juist op de conceptversie omdat de plannen in die fase nog aangepast kunnen worden naar aanleiding van deze adviezen. De AMVI geeft onafhankelijk advies op de gebruikte modellen.
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Op financieel gebied wordt de staat geadviseerd door KPMG. Zij toetsen de financiële modellen en onderliggende aannames van TSN. KPMG zal ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Behalve door de financieel experts van de staat en van KPMG wordt de beoogde steun aan TSN ook getoetst door de Europese Commissie, onder andere op proportionaliteit.
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
De Roadmap+ betreft een vrijwillig pakket van maatregelen van TSN om de uitstoot van onder meer stof, zware metalen, geur, geluid en PAK’s te verminderen en is op dit moment al in uitvoering. De Roadmap+ wordt dus, onafhankelijk van een eventuele maatwerkafspraak, zelfstandig uitgevoerd door het bedrijf. Met het vastleggen van de resultaten van de Roadmap+ in de JLoI zijn de uitvoering en de resultaten van de maatregelen in het kader van Roadmap+ geborgd, zie ook artikel 5 lid 2 van de JLoI:
De uitvoering van de Roadmap+ van TSN vindt plaats zonder financiële maatwerksteun. De resultaten van de uitvoering ervan zijn opgenomen in de in artikel 3 van de JLoI vermelde doelstellingen. Dit verzekert dat de verwachte resultaten van Roadmap+ worden gerealiseerd. TSN is voornemens alle hiervoor benodigde resterende handelingen uit te voeren als Roadmap+-handelingen.
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
De AMVI en de Expertgroep hebben conform het proces van de AMVI bij de maatwerkaanpak advies gegeven op de concept-JLoI. Dit advies heeft grotendeels een plek gekregen in de definitieve JLoI en wordt deels meegenomen in het vervolgtraject richting een maatwerkafspraak. Het advies is van belangrijke waarde om het gezondheidsbelang mee te wegen.
In het tweeminutendebat Leefomgeving en Externe Veiligheid op 18 december 2025 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat toegelicht waarom het kabinet geen advies over de definitieve JLoI vraagt aan de AMVI en/of de Expertgroep. Bij het vaststellen van de maatwerkaanpak is vastgelegd dat de AMVI adviseert over de concept JLoI. In het geval van het traject met TSN is de Expertgroep, bij uitzondering en op verzoek van de AMVI, aangesloten bij het opstellen van dit advies. Een tijdens het tweeminutendebat ingediende motie14 met daarin het verzoek om de AMVI en/of de Expertgroep om advies te vragen over de definitieve JLoI heeft geen meerderheid gehaald in de Tweede Kamer.
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
De Expertgroep heeft geen advies gegeven over de definitieve JLoI. Zie ook het antwoord op vraag 7. De Expertgroep heeft op 19 maart jl. op uitnodiging van de Kamerleden een gesprek met hen gevoerd over de gezondheidseffecten van de JLoI. Voorafgaand aan dit gesprek met de Kamer heeft de Expertgroep een position paper15 gepubliceerd.
De Expertgroep bevestigt dat sommige adviezen wel en andere adviezen (nog) niet zijn overgenomen in de JLoI.
In het gesprek met de Kamer gaf de Expertgroep daarom aan dat het «glas halfvol is» en dat de maatwerkafspraak zekerheden en concrete en afdwingbare afspraken moet bevatten. De Expertgroep benadrukte ook dat het kabinet door moet gaan met de maatwerkafspraken en dat de adviezen niet moeten leiden tot verdere vertraging van de verbetering van de gezondheid van omwonenden. Het kabinet werkt nu aan de maatwerkafspraak, waarin de doelen uit de JLoI uiteindelijk in de maatwerkafspraak omgezet worden in geborgde en concrete resultaatverplichtingen.
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en besproken in het tweeminutendebat Leefomgeving en Externe Veiligheid op 18 december 2025 worden de AMVI en de Expertgroep niet gevraagd om advies te geven op de definitieve JLoI.
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
De formulering van de vraag bevat een onjuiste weergave van de destijds gestelde vraag en de antwoorden op verschillende vragen. De eerdere beantwoording waarnaar wordt verwezen, ging, aangezien de gestelde vraag daar op zag, over het convenant uit 1992 met betrekking op de gehele sector basismetaal in Nederland, niet alleen over TSN. De uitstoot van de gehele sector is hoger dan die van een specifiek bedrijf.
Alle cijfers in die tabel hebben betrekking op de gehele sector basismetaal. De emissieniveaus in 1985 en de doelstellingen voor 2010 zijn overgenomen uit het door de vragenstellers aangehaalde convenant uit 1992. De cijfers met betrekking tot de emissieniveaus in 2010 en 2024 zijn ten tijde van de beantwoording van de eerdere vragen overgenomen uit de openbare emissieregistratiegegevens. Deze zijn openbaar toegankelijk via www.emissieregistratie.nl/data.
Op deze website wordt ook uitgelegd17 hoe de gegevens worden verzameld en openbaar beschikbaar worden gemaakt. Ten tijde van de beantwoording van de eerdere vragen (in november 2025) ging het om voorlopige cijfers; deze zijn inmiddels geactualiseerd.
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
De (beoordeling van de) daadwerkelijke stikstofuitstoot na het treffen van de maatregel is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland. In de uiteindelijke maatwerkafspraak worden bovenwettelijke milieudoelen vastgesteld. Deze doelen moeten voldoende ambitie bevatten, maar ook haalbaar zijn voor het bedrijf. De uiteindelijke NOx-doelstelling is onderdeel van de lopende onderhandelingen met het bedrijf.
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
In reactie23 op de motie-Zalinyan/Kostić heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de doelstelling is gebaseerd op een reductie ten opzichte van historische emissieniveaus (referentiejaar 2019). Aangezien er sindsdien al effectieve reductiemaatregelen zijn getroffen, is de inzet bij de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak dat, waar relevant en haalbaar, ambitieuzere reductiedoelstellingen worden vastgelegd dan in de JLoI (zie artikelen 6.12 lid b en 11.12 van de JLoI). Het kabinet kon zich dus goed vinden in het verzoek van de motie en daarom heeft deze ook «oordeel Kamer» als appreciatie gekregen.
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
De JLoI en het MER kunnen verschillen in scope en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd om de doelen van vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te behalen. Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Daarbij geldt dat de integrale beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt; de provincie Noord-Holland. Dit proces loopt nog. Het kabinet kan en wil om die reden niet ingaan op de inhoud van het MER, dat is en blijft aan de provincie Noord-Holland.
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende resultaatsafspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties, conform de in de JLoI geformuleerde beoogde doelstellingen.
Het niet behalen van doelstellingen uit het convenant zegt wat het kabinet betreft op zichzelf niets over de betrouwbaarheid van afspraken en/of bedrijven. Het betreffende convenant vermeldt expliciet dat het gaat om inspanningsverplichtingen, ook voor onderdelen «waarvan het woordgebruik op een resultaatsverbintenis zou kunnen duiden» (artikel 3.3). Dit convenant bood dus, net als het wettelijk kader, geen grond om het behalen van de in de JLoI geformuleerde reductiedoelen af te dwingen.
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
De Ministeries van EZK en IenW treden veelvuldig in overleg met (vertegenwoordigers van) omwonenden. Het kabinet neemt de zorgen en belangen van de omwonenden zeer serieus. Het kabinet zet daarom het traject van de maatwerkafspraak voort om tot bindende resultaatsverplichtingen te komen. Gezien de ervaringen is het begrijpelijk dat de omwonenden kritisch staan tegenover beloften vanuit het bedrijf en eerst willen zien, voordat zij geloven. Het is aan het bedrijf om het vertrouwen van deze omwonenden terug te winnen. De maatwerkaanpak is er in tegenstelling tot eerdere plannen juist op gericht om als voorwaarde van financiële steun afdwingbare doelen te stellen. De omwonenden hebben onder andere aangegeven dat zij willen dat de afspraken en doelen juridisch geborgd worden. Voor het kabinet heeft het behalen van de maatschappelijke doelen ook de hoogste prioriteit en betrekt deze geuite zorgen van omwonenden bij de maatwerkafspraak door afspraken te maken over de borging van de afspraken.
Daarbij wekt het vertrouwen te zien dat het bedrijf op dit moment ook op andere plaatsen al concreet grote investeringen doet in verduurzaming. Zo investeert Tata Steel in de verduurzaming van andere projecten zoals het transitieproject naar EAF-staalproductie in het Verenigd Koninkrijk (Port Talbot) en de bouw van een elektrische smeltoven in India. Die stappen dragen bij aan het vertrouwen dat ook de industriële verduurzaming van TSN daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
In algemene zin is het antwoord op het laatste deel van de vraag dat een bindende maatwerkafspraak een ander soort afspraak is dan het milieuconvenant uit 1992 omdat de maatwerkafspraak resultaatsverplichtingen bevat. De afspraken in dat convenant waren expliciet geen resultaatverplichtingen (zie ook het antwoord op vraag 17 en de eerdere beantwoording). Daarnaast is de scope verschillend, omdat de uiteindelijke maatwerkafspraak ziet op nieuwe projecten van het bedrijf. In de tussentijd zijn daarnaast veel verschillende ontwikkelingen geweest.
Verder wordt gevraagd om een uitgebreide historische reconstructie. Het convenant liep van 1992 tot en met 2010; daarmee wordt gevraagd om stappen en besluiten te reconstrueren die 15 tot ruim 30 jaar achter ons liggen. Er is hiervoor op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar. De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende afspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties.
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Zie het antwoord op vraag 17 en 20.
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Convenanten dienen doorgaans om maatschappelijke doelen te realiseren zonder dat dit gepaard gaat met extra regeldruk. Ondertekenaars van dit specifieke convenant hebben zich in dit geval tot een inspanning verplicht. Daarnaast zijn Europese en nationale wettelijke normen tussen 1992 en 2010 (en uiteraard ook daarna) stapsgewijs strenger geworden en is de luchtkwaliteit in Nederland sinds 1992 mede daardoor aanzienlijk verbeterd.
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Het kabinet kan niet oordelen over wat in 1992, met de kennis van toen, wel of niet de beste zet was voor de bewoording van het convenant. In algemene zin geldt wel dat kabinet nu juist kiest voor een andere aanpak, waarbij privaatrechtelijke bindende afspraken worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 20.
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
De metaaltafel is een initiatief vanuit de Metaal Recycling Federatie en vanuit de metaalsector zelf. Het kabinet volgt de opzet van deze tafel en de ontwikkelingen die hier eventueel uit volgen met interesse, maar is niet betrokken of organisator en kan zelf dus geen partijen uitnodigen om deel te nemen.
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies) is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN heeft aan het kabinet laten weten dat zij de term verwaaiing hanteert voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
De Expertgroep heeft advies gegeven op de concept-JLoI. De JLoI is naar aanleiding van het gecombineerde advies van de AMVI en de Expertgroep verder aangescherpt. Zo zijn onder andere additionele stoffen opgenomen in de JLoI op advies van de Expertgroep (zie Artikel 3.2.vi).
De JLoI bevat beoogde reductiedoelstellingen voor de uitstoot van een reeks stoffen waarvan zowel het RIVM als de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft aanbevolen dat met name die emissies gereduceerd zouden moeten worden om de impact op de gezondheid van omwonenden te verminderen35. Het gaat om reducties die voor sommige stoffen oplopen tot 68%; dat is in de ogen van het kabinet «flink».
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
De pauzeknop die op 23 juli 2025 is ingedrukt36 geldt nog steeds. Sinds die tijd zijn toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD/ELO-slak op land in lagen dikker dan 0,5 m of op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is, niet toegestaan. Deze noodregeling heeft een looptijd van één jaar en kan met maximaal een half jaar worden verlengd.
De Europese Commissie (EC) heeft aanvullende vragen gesteld naar aanleiding van het verzoek om goedkeuring van deze regeling dat Nederland heeft ingediend in lijn met artikel 129 REACH. Deze vragen zijn inmiddels beantwoord en de termijn van 60 dagen waarbinnen de EC een besluit zal nemen, loopt uiterlijk 3 april aanstaande af. Als er een besluit van de EC bekend is, zal de Kamer hierover en over de gevolgen daarvan worden geïnformeerd.
Voor waterwerken door het Rijk in de Ooster- en de Westerschelde geldt de bestuurlijke toezegging dat daar tot 23 juli 2026 geen staalslak voor zal worden gebruikt. In de eerdergenoemde brief van 18 december 2025 staat aangegeven dat er op 15 december in Middelburg een constructief gesprek is gevoerd over de zorgen en behoeften vanuit Zeeland met de gedeputeerde van de provincie Zeeland, vertegenwoordigers van de Zeeuwse gemeenten en van de visserijsector en de natuur- en milieubeweging. Dit gesprek wordt het komende half jaar voortgezet.
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van diverse onderzoeksrapporten en incidenten is per 23 juli 2025 op de pauzeknop gedrukt voor toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD/ELO-staalslak, op of in de landbodem van meer dan 0,5 meter dik of op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is; denk hierbij aan inhalatie of oog-, hand-, mondcontact met toegepaste staalslak. Hiertoe is een noodregeling vastgesteld waarin op grond van het voorzorgsbeginsel ook een vergunningplicht is geïntroduceerd voor de overige toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak in of op de landbodem.
Met de regeling geldt voor een groot deel van de toepassingen een verbod of een restrictie in de vorm van een vergunningplicht. Alleen voor toepassingen van vormgegeven bouwstoffen met daarin staalslak als één van de grondstoffen, voor niet-vormgegeven bouwstoffen met minder dan 20 massaprocent staalslak en staalslak toepassingen in groot oppervlaktewater gelden geen restricties. Daarmee zijn voor de risicovolle toepassingen al aanvullende maatregelen getroffen. Voor de overige toepassingen geeft de regelgeving voldoende handvatten om deze verantwoord toe te passen en daarop toe te zien.
Zoals ook in de Kamerbrief van 13 maart jl.37 is beschreven, staat het bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt het afwijken en aanvullen van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten onder voorwaarden mogelijk. Het bevoegd gezag mag onder voorwaarden afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald38.
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Het staat bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt het afwijken en aanvullen van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten onder voorwaarden mogelijk. Het bevoegd gezag mag onder voorwaarden afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald39.
In de Kamerbrief40 van 22 september 2025 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangekondigd naar de toekomst toe te willen kunnen staan voor een systeem waarin secundaire bouwstoffen, zoals staalslak, verantwoord kunnen worden toegepast en er geen onaanvaardbare milieu- en gezondheidsschade wordt veroorzaakt: een beleidskader secundaire bouwstoffen. Onderdeel hiervan is ook de vraag wat centraal en decentraal opgepakt wordt. Deze afweging zal in nauw overleg met de medeoverheden worden gemaakt.
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Het kabinet heeft deze vraag eerder beantwoord41 en aangegeven welke aannames Tata Steel heeft gedaan in haar businesscase ten aanzien van wet- en regelgeving en beleid met betrekking tot staalslakken en welke invloed een permanent verbod zou kunnen hebben op de businesscase en op de JLoI.
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
De Aanvullende Post (AP) is een apart begrotingshoofdstuk van het Ministerie van Financiën. Het is als het ware een aparte begroting met middelen die geoormerkt zijn voor bepaalde doeleinden.
De middelen voor de maatwerkafspraak met TSN zijn deels gereserveerd in het Klimaat- en energiefonds en deels op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting. Hierover is eerder het volgende aangegeven42: Binnen het Klimaat- en energiefonds is € 934 miljoen gereserveerd voor de maatwerkafspraak met TSN. Daarnaast zijn in het voorjaar van 2023 deze middelen aangevuld vanuit de SDE-middelen die aanvankelijk gereserveerd waren voor hogere openstellingsrondes in 2024 en 2025. Deze middelen zijn daarna overgeheveld naar de Aanvullende Post (AP). In afwachting van uitzicht op een overeenkomst met TSN, en om de onderhandelingspositie van de staat in de tussentijd te borgen, is van deze middelen in voorjaar 2024 een reservering op de AP gemaakt van € 1,142 miljard voor TSN. In totaal is daarmee € 2,076 miljard gereserveerd voor de maatwerkafspraak met TSN. Vanwege prudentie is een kleine marge aangehouden bovenop de € 2 miljard uit de JLoI, dit kan onder andere benodigd zijn voor uitvoerings- en implementatiekosten.
Uiteindelijk zullen de middelen die gereserveerd zijn op de AP naar de KGG-begroting worden overgeboekt.
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Om de onderhandelingspositie van de staat tijdens de lopende onderhandelingen met het bedrijf te beschermen is ervoor gekozen om het beschikbare budget voor de maatwerkafspraak met TSN niet zichtbaar op de begroting te reserveren. De onderhandelingen over het steunbedrag vanuit de staat voor deze maatwerkafspraak waren immers nog niet afgerond. Door de hiervoor beschikbare middelen op de begroting zichtbaar te maken zou de staat weggeven hoeveel steun zij maximaal kon geven.
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Zie het antwoord op vraag 32.
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Het kabinet kan deze vraag niet beantwoorden. Het is aan het bedrijf zelf om een eigen afweging te maken om wel of geen 403-verklaring af te geven. Het is dus aan Tata Steel Limited om hierover eventueel een verklaring voor te geven.
Als de onderliggende vraag ziet op de verantwoordelijkheid van TSL voor dit project, is het goed om aan te geven dat TSL ook partij is bij de JLoI en dat TSL dus ook de verplichting is aangegaan om de afspraken, zoals opgenomen in de JLoI, na te komen. Het is voor het kabinet uiteraard van belang om de waarborgen rondom de subsidie zo sterk mogelijk te maken. Dat is ook een reden om niet alleen een afspraak met TSN te maken, maar ook met de aandeelhouder TSL. In de JLoI staan de eerste contouren van de waarborgen opgenomen, dit moet verder uitgewerkt worden in de maatwerkafspraak. Ter illustratie, zie artikel 7 in de JLoI waarin onder andere is afgesproken dat TSL de totale investering (2,3–4 miljard euro) die nodig is om het project te bouwen, dient te regelen. Daarmee is een waarborg ingebouwd voor het geval TSN (een deel van) de investering niet kan opbrengen of regelen. Ook als de benodigde externe financiering niet op tijd rond zou zijn, dient TSL dit tekort te overbruggen (zie artikel 7.1.2. sub d van de JLoI). Daarnaast zal de subsidie voorlopig en in tranches worden verstrekt en is in de JLoI afgesproken dat de staat zekerheden zal krijgen voor de subsidie (zie artikel 7.1.1. sub g van de JLoI). Dit wordt de komende tijd verder uitwerkt. Goed om hierbij op te merken dat ten aanzien van de zekerheden in de JLoI al is afgesproken dat de investering van de onderneming altijd achtergesteld zal zijn aan de subsidie van de staat.
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Zoals ook in het antwoord hierboven omschreven, is het voor het kabinet van groot belang om goede waarborgen te regelen voor de subsidie. In de JLoI zijn de contouren hiervoor geschetst en komt het principe duidelijk naar voren dat TSL verantwoordelijk is en kan worden gehouden voor de investering die nodig is aan de zijde van het bedrijf. Dit wordt nader uitgewerkt in de maatwerkovereenkomst, maar de kaders zoals afgesproken in de JLoI zijn daarbij leidend. Dit staat los van een meer algemene garantstelling die een moeder voor een dochterbedrijf kan afgeven. Ter verdere achtergrond, in beginsel is een garantstelling door TSL enkel relevant als TSN niet in staat zou zijn om te voldoen aan haar (financiële) verplichtingen uit de eventuele maatwerkafspraak. Allereerst is en wordt er voorafgaand aan het ondertekenen van de eventuele maatwerkafspraak een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd en gemitigeerd.
Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches, na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Ook andere manieren van borgen, zoals een clawback mechanisme om overcompensatie te voorkomen, worden momenteel verder uitgewerkt. Zoals in de beantwoording op vraag 34 ook is aangegeven, de staat zal daarnaast zekerheden krijgen voor de subsidie, dit is al afgesproken in de JLoI en wordt uitgewerkt in een maatwerkovereenkomst.
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of groen gas. TSN zal hiervoor tenders in de markt zetten en over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op hernieuwbare energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda, zo ook in het coalitieakkoord. Het kabinet heeft aandacht voor dit generieke beleidsvraagstuk, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Dat de geraamde dioxine-uitstoot na realisatie van het Groen Staal-plan stijgt, is niet per definitie onverantwoord. Tegelijkertijd worden dioxines meegenomen als te duiden stof ten behoeve van de berekening van gezondheidsrisico's in de GER-TSN. De Kamer is hierover reeds geïnformeerd in het methodisch kader voor de GER-TSN (referentie 2025D16206).
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit na de transitie gelijk blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Het klopt niet dat de productiecapaciteit van Hoogoven 6 wordt verhoogd. TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie HO6 te vervangen door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Ja, zoals eerder aan de Kamer gemeld48, is ook duidelijk dat de door de jaren heen gemeten luchtkwaliteit in de leefomgeving niet is veranderd door de hogere gerapporteerde emissie in 2024. In de IJmond staat een vast luchtmeetnet waarmee de luchtkwaliteit in de leefomgeving (de immissie) wordt gemeten. De immissie betreft de concentratie op leefniveau in de lucht die wij inademen en is daarmee relevant voor de mate waarin de leefomgeving gezond is. Uit de immissiemetingen blijkt dat in 2024 op alle meetlocaties wordt voldaan aan de wettelijke EU-grenswaarden voor de luchtkwaliteit.
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Het kabinet kan dit niet bevestigen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van eerdere Kamervragen49 is de rapportage van een hogere uitstoot door meerdere oorzaken mogelijk50, 51.
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Deze vraag is eerder gesteld52 en beantwoord. Het doel van een maatwerkafspraak is om de afspraken juridisch te borgen en zorgen dat deze afspraken ook uitvoerbaar en controleerbaar zijn. Het kabinet benut de expertise van de OD NZKG bij de totstandkoming van een eventuele maatwerkafspraak.
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
De OD NZKG heeft jarenlange ervaring met het bedrijf. Het kabinet benut de expertise van de OD NZKG bij de ontwikkeling van de maatwerkafspraken.
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichter bij de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn. Zo kunnen metingen meer bijdragen aan gezondheidsbescherming. Het is in het belang van de zware industrie, omwonenden en het bevoegd gezag dat metingen door bedrijven betrouwbaar en controleerbaar zijn, dat ze de informatie opleveren die nodig is en dat over de kwaliteit geen discussie hoeft plaats te vinden.
Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordt gestart met een aantal praktijkgerichte en risicogestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële locaties. De resultaten van de pilot landen in een advies over het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen.
De Kamer is over dit alles reeds geïnformeerd in de brief53 over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden.
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Zie het antwoord op vraag 45. Verder is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, bovenop de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft. Hoe dit artikel zijn beslag krijgt in de uiteindelijke maatwerkafspraken is onderwerp van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
Ja.
De milieueffectrapportage van Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat in het Heracless plan in de MER uitgegaan is van een productievolume van 6,8 megaton (Mton) vloeibaar staal per jaar (deel B, p.9), terwijl in de Joint Letter of Intent (JLOI) wordt uitgegaan van een maximum productiecapaciteit van 5,83 Mton per jaar (AMVI advies, p.8)?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven verschillen de JLoI en het MER in scope en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald. Juridische waarborgen over de maximale productievolumes worden de komende periode verder uitgewerkt.
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Welke afspraak gaat u maken met Tata Steel over de hoeveelheid vloeibaar staal die in de toekomst geproduceerd zal worden?
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na de transitie gelijk blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie Hoogoven 6 te vervangen door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Waarom zou een vergunning worden aangevraagd, met de MER als basis, die meer productie aanneemt dan is afgesproken in de JLOI?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Het is voor het kabinet van belang dat de beoogde doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de gezondheid en leefomgeving worden behaald. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 13 van de gestelde vragen4 die eveneens op 28 januari jl. zijn ingediend, kunnen de maximale emissies en het minimale schrootgebruik bindend worden verlaagd, respectievelijk verhoogd, met de maatwerkafspraak.
Als een vergunning aangevraagd wordt op basis van deze MER, welke juridische borging heeft u dan dat het productievolume beperkt zal worden tot 5,83 Mton/jaar? Welke instantie zal hierop handhaven?
De huidige vergunning van Tata Steel kent een maximaal productievolume van 8 miljoen ton staal. De invulling van toezicht en handhaving hierop is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland. Als het bedrijf ervoor kiest om in de vergunningaanvraag een ander plafond op te nemen, zal dit vervolgens ook aldus worden gehandhaafd. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Kan de gereduceerde productiecapaciteit van vloeibaar staal na de maatwerkafspraken in IJmuiden worden gecompenseerd door import van slabs van andere staalfabrieken? Wat is dan het effect van de wereldwijde CO2-uitstoot?
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. TSN geeft hierover aan dat de DRP-EAF qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk wordt op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft daarbij de ambitie om slabs, een halffabricaat voor staalproductie, in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden. Per saldo leidt de vervanging door de DRP-EAF tot een aanzienlijke CO2-reductie, die uiteindelijk optelt tot de totale CO2-reductie zoals vastgelegd in de JLoI.
Wat vindt u van «de ambitie van Tata Steel om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen» (deel B, p.9)? Hoe verhoudt zich dit met de JLOI waarin subsidie wordt gegeven voor CO2-reductie die voor 19% wordt behaald door het terugschroeven van de productiecapaciteit? Hoe garandeert u precies dat deze CO2-reductie permanent is?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief toe waarom de waarden in het MER en in de JLoI kunnen verschillen. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Er is geen sprake van dat TSN een subsidie ontvangt voor een lagere productiecapaciteit. TSN dient de vermindering van emissies te realiseren door verduurzaming.
Wat vindt u ervan dat zelfs in het meest gunstige geval «De DRI-fabriek kan ongeveer 80% aan waterstof gebruiken voor de reductie, verder aan te vullen met aardgas» (deel B, p.43), en er dus altijd nog 20% aardgas zal worden gebruikt? Hoe strookt dit met de ambitie van Nederland om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
In algemene zin geldt echter dat in het staalproductieproces koolstof nodig is, als grondstof, om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. De DRP is ontworpen om op 80% waterstof te kunnen draaien. Het ontwerp beperkt de inzet van hogere waterstofpercentages niet, maar de mogelijkheden moeten nog getest worden. Het is in theorie mogelijk om 100% waterstof in te zetten in het staalproductieproces.
Nederland heeft inderdaad de ambitie om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen. Om deze reden wil het kabinet ook dat TSN klimaatneutraal groen gas of waterstof gaat gebruiken als duurzame koolstofbron ter vervanging van aardgas.
Wat vindt u ervan dat Tata Steel in de MER aangeeft dat «Met Heracless gaat het aandeel schroot omhoog naar circa 28%», of 27% als de WSA-definitie wordt gebruikt (deel B, p.48), terwijl in de JLOI wordt afgesproken dat het aandeel schroot naar 30% gaat in 2030 (artikel 3.3.a)?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. De JLoI bevat streefdoelen en inspanningsverplichtingen. In de maatwerkafspraak worden de doelen als resultaatsverplichting vastgelegd.
Welke juridische borging heeft dit kabinet om te zorgen dat het aandeel schroot daadwerkelijk tot tenminste 30% wordt verhoogd, als de vergunningsaanvraag gebaseerd wordt op de MER waarin 27% is aangegeven?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De waarborgen die zien op het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak, worden de komende tijd verder uitgewerkt in de juridische documentatie voor een maatwerkafspraak.
Hoe stroken deze berekeningen met elkaar:
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel. Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald. Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Wat vindt u ervan dat ook de commissie MER (p.32)1 signaleert dat onduidelijk is hoe de CO2 emissiereductie is opgebouwd in de MER en hoe deze rijmt met de afspraken in de JLOI?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel. Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Wie is verantwoordelijk voor het vergelijken van de afspraken in de JLOI en de vergunningaanvraag (inclusief MER)? Hoe is dit tot nu toe gebeurd en wat wordt er gedaan met discrepanties tussen de twee documenten?
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen.
De beoordeling van het MER gebeurt in het kader van het traject van een vergunningaanvraag door de respectievelijke bevoegde gezagen: de Provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied voor milieuvergunningen en Rijkswaterstaat voor lozingen op rijkswateren. De Ministeries van EZK en IenW en de provincie Noord-Holland werken, sinds de start van de gesprekken over een eventuele maatwerkafspraak, nauw samen.
Hoe komt het dat volgens de MER de inzet van waterstof een extra CO2-reductie oplevert van ongeveer 1,1 miljoen ton ten opzichte van het gebruik van uitsluitend aardgas (deel E, p.6), terwijl volgens de JLOI de inzet van waterstof in plaats van biomethaan (chemisch identiek aan aardgas) leidt tot een extra uitstoot van 0,1 miljoen ton CO2 per jaar (AMVI, p.8)?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven kunnen de scopes en uitgangspunten en daarmee de cijfers in de JLoI en het MER verschillen. De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De grafiek van het AMVI-rapport over de JLoI, waaraan de vraag refereert, gaat uit van een situatie waarin eerst CCS toegepast wordt, en vervolgens aardgas vervangen wordt door klimaatneutraal groen gas. Na de vervanging van aardgas door groen gas wordt de CO2 die ontstaat door het gebruik van groen gas in de reactor van de DRP afgevangen en opgeslagen door middel van CCS, wat negatieve emissies oplevert. In een vervolgstap wordt een gedeelte van het groen gas vervangen door waterstof.
Aangezien er door het gebruik van deze waterstof geen CO2 ontstaat, ontstaat er minder CO2 in de DRP en daardoor wordt ook minder CO2 afgevangen. Doordat er minder negatieve emissies zijn wordt de totale CO2-reductie kleiner. Dit verklaart de toename van circa 0,1 miljoen ton CO2 zoals te zien in de grafiek op p. 8 van het AMVI rapport.
Hoe strookt de opmerking «Een GER maakt echter geen onderdeel uit van het MER of van de besluitvormingsprocedures voor Heracless» (deel D, p.3) met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid (waaronder het advies om een gezondheidseffectrapportage op te stellen) een harde voorwaarde moeten zijn voor maatwerkafspraken?
Het verzoek om een Gezondheidseffectrapportage (GER) op te stellen volgt uit advies6 van de Expertgroep Gezondheid. De aangenomen motie-Gabriëls cs. (Kamerstuk 28 089, nr. 286) heeft het kabinet verzocht om deze GER uit te voeren. Het kabinet voert deze motie uit en laat een GER uitvoeren. Zoals ook toegelicht in de aanbiedingsbrief vormen het MER en de JLoI afzonderlijke processen. Het MER wordt door het bevoegd gezag gebruikt voor het besluitvormingsproces van de vergunningverlening voor Heracless-Groen Staal. Het kabinet onderzoekt of, waar mogelijk, bevindingen uit de GER meegenomen kunnen worden in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
De aangenomen motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Het kabinet heeft deze motie uitgevoerd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle door de Expertgroep voorgestelde stoffen (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen.
Aangezien de Staatssecretaris heeft gezegd dat er een gezondheidseffectrapportage (GER) zou kunnen worden opgesteld als de MER er is en de Kamer zo’n GER eist voordat afspraken worden gemaakt, wanneer wordt het gezondheidseffectrapportage naar de Kamer gestuurd?
Er wordt momenteel een GER-TSN opgesteld door een werkgroep samengesteld met experts van het RIVM, de GGD Kennemerland, en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult. Deze werkgroep heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van een definitieve MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag, omdat de data dan volledig gevalideerd zijn. Zoals eerder gemeld is deze definitieve versie van het MER nog niet beschikbaar. De exacte duur van de verdere uitvoering is niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Waarom bestaat er een discrepantie tussen het waterverbruik zoals beschreven in deel B (p.32: zeewater, brak oppervlaktewater, zout grondwater, zoet water in het referentiescenario respectievelijk 25%, 69%, 1%, 4%) en deel C (64%, 13%, 6%, 17%) van de MER? Kunt u in een tabel weergeven in absolute getallen en percentages hoeveel water jaarlijks wordt gebruikt per type?
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen. Voor lozingen op rijkswateren is Rijkswaterstaat namens de Minister van IenW het bevoegde gezag. Ook hier geldt dat Rijkswaterstaat zich op dit moment over de aanvragen en het MER buigt. De geldende wet- en regelgeving wordt hier toegepast. De beoordeling loopt nog. Daarom kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Wat vindt u ervan dat Tata aangeeft dat de immissies van Kwik en Cadmium volgens de MER dalen (deel C, p.193), terwijl de emissies van diezelfde stoffen stijgen (detailstudie luchtkwaliteit, p.39 vs p.48), en dat dit zou zijn omdat de emissies gebaseerd zijn op garantiewaarden die «vertegenwoordigen doorgaans een bovengrens van de emissies die in de praktijk gehaald worden» (deel C, p.192)? Welke onderbouwing is er voor de daling in immissies, aangezien de detailstudie luchtkwaliteit alleen ingaat op de stijgende emissies?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Wat maakt u van de opmerking over EU ETS dat «Dit systeem dwingt bedrijven zo om hun CO2-uitstoot stap voor stap terug te brengen tot nul in 2057» (deel A, p.6)? Is het niet zo dat bedrijven onder EU Emissions Trading System (EU ETS) in 2040 al geen nieuwe rechten meer krijgen?
Het EU ETS systeem zorgt er inderdaad voor dat de rechtenuitgaves aflopen in 2040. Het is echter mogelijk om rechten op te sparen en mee te nemen in de jaren daarna. Er kunnen in 2040 en kort daarna dus nog rechten in omloop zijn. Daarbij is er de mogelijkheid tot extra emissieruimte door compensatie via negatieve emissies, wat bij TSN een mogelijkheid is door de combinatie van CCS en groen gas.
Hoe plaatst u de opmerking over de kooksgasfabriek 2 dat «Eventuele ontmanteling valt buiten beschouwing van dit MER» (deel B, p. 83)? Welke afspraken gaat u maken in de JLOI over ontmanteling van de Kooks- en Gasfabrieken 2 (KGF2) en Hoogoven 7?
In de JLoI is afgesproken dat Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7 vervangen worden door de DRP-EAF. In de maatwerkafspraak worden nadere afspraken over de sluiting gemaakt. Het is vervolgens aan TSN om bij de uitvoer van de maatwerkafspraak de ontmanteling te regelen conform de wet- en regelgeving.
Welke juridische borging heeft de Minister dat de ernstig verouderde, gifitige en lekkende kooksgasfabriek 2 ook echt definitief dicht zal gaan? Hoe kunt u garanderen dat hier niet, zoals bijvoorbeeld bij gaswinnnig in Groningen is gebeurd, steeds weer productie zal plaatsvinden omdat het op dat moment nodig wordt geacht?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 19 worden in de maatwerkafspraak nadere afspraken gemaakt over de sluiting van Kooksgasfabriek 2. De invulling van toezicht en handhaving is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland.
Wat vindt u van de intentie van Tata Steel om toegenomen stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van de nieuwe fabrieken intern te salderen, omdat «de extra stikstofuitstoot van Heracless wordt gecompenseerd door vermindering van stikstof op andere plekken binnen het bedrijf» (deel E, p.56)? Hoe strookt dit met de uitspraak van de Raad van State dat intern salderen niet meer onvergund mogelijk is (graag een juridische onderbouwing)? Hoe kan Tata Steel hierop rekenen zonder dat de vergunningen uit «mandje 3» zijn aangevraagd voor de ingebruikname van nieuwe fabrieken?
Het is aan het bedrijf zelf om de benodigde vergunningen aan te vragen en hierbij keuzes te maken. Het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland, beoordeelt vervolgens of de projectactiviteiten uit te voeren zijn binnen de wet- en regelgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt aan de hand van de aanvraag van TSN of een natuurvergunning nodig is en zo ja, of deze verleend kan worden.
Wat vindt u ervan dat «De opgeslagen hoeveelheden ertsen, kolen en andere stoffen veranderen niet significant.» (deel B, p.108)? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze opslagen significant te reduceren, vooral waar de opslag niet overdekt wordt, gezien de gigantische hoeveelheid verwaaiing van deze grondstoffen (100 miljoen kilo per jaar volgens deel B p.31)? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies) is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN hanteert de term verwaaiing voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Wat vindt u ervan dat de productie van kolengestookte Hoogoven 6 als gevolg van Heracless zou stijgen met 12% van 2,5 naar 2,8 Mton per jaar (deel B, p.109)?
Het cokes/kolengebruik van Hoogoven 6 gaat juist relatief omlaag door de inzet van meer schroot. Het verschil in volumes ontstaat doordat het MER uitgaat van hogere productievolumes ten opzichte van de JLoI. Zie ook de toelichting in de aanbiedingsbrief. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden gerealiseerd. De komende tijd worden de afspraken over het borgen van het behalen van deze doelen verder uitgewerkt.
Wat vindt u ervan dat van de 12 stoffen waarvoor nu een doel is afgesproken of in onderhandeling is in de JLOI (arseen, benzeen, benzo[a]pyreen, cadmium, chroom, chroom VI, dioxines, kwik, lood, mangaan, nikkel, vanadium), er maximaal 3 gehaald kunnen worden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond (lood, vanadium, mangaan)? Hoe strookt dit met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat het overnemen van alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid een harde voorwaarde moet zijn voor maatwerkafspraken?
Het kabinet heeft in reactie op motie Thijssen en in de beantwoording van vraag 14 hoe zij de motie handen en voeten heeft gegeven7. Zoals in die beantwoording staat opgenomen, wordt hier ook op ingegaan in de Kamerbrief over de JLoI8.
De motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief over de JLoI, is dit gebeurd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle, door de Expertgroep voorgestelde stoffen, (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen. Een exacte berekening van de kosten van het opvolgen van alle adviezen is niet mogelijk, omdat de maatregelen die nodig zijn om de doelen te behalen niet altijd helder zijn en dus geen volledige inschatting gemaakt kan worden van de benodigde kosten.
Zoals ook uit de beantwoording van vraag 7 en 8 naar voren komt, is voor het volledig behalen van hun adviezen volgens de Expertgroep, naast de beoogde vervanging van KGF 2 en HO7 met een DRP-EAF onder andere ook sluiting van KGF 1, HO6 en de Sinterfabriek nodig.
Waarom stelt u een onafhankelijke Expertgroep in als u vervolgens driekwart van de adviezen die zij geven in de wind slaat?
Het kabinet heeft bij de Kamerbrief9 over de ondertekening van de JLoI (en in eerdere reacties op adviezen van de Expertgroep) uitgebreid toegelicht welke adviezen wel, niet of deels zijn overgenomen en waarom. Bij het vaststellen van het onderhandelingsmandaat voor de maatwerkafspraak zijn veel verschillende belangen gewogen. Het werk en de adviezen van de Expertgroep zijn daarbij erg belangrijk geweest. Het gezondheidsbelang kan mede daardoor goed meegewogen worden bij het toewerken naar een definitieve afspraak. De Expertgroep heeft samen met de AMVI advies gegeven op de concept-JLoI. Dit gecombineerde advies was, alle relevante omstandigheden afwegende, positief met enkele aandachtspunten voor bij de verdere uitwerking in het vervolg.
Kunt u bevestigen dat u voor de stoffen waar nog geen afspraken over zijn gemaakt (Thallium, VOS, Polychloorbifenylen) zult inzetten op het behalen van de doelwaarden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid?
Zie het antwoord op vraag 25.
Wat vindt u ervan dat de Commissie voor de milieueffectrapportage constateert dat in het door Tata Steel ingediende MER «belangrijke cijfers en verklaringen» over processen en de impact op het milieu en de leefomgeving ontbreken?
27naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft advies uitgebracht aan het bevoegd gezag. Op 6 maart 2026 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Bent u het met de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage eens dat voor omwonenden het glashelder moet zijn of, en welke gezondheidswinst er precies is? Zo ja, hoe gaat u dat dan waarborgen dat er onafhankelijk in kaart wordt gebracht wat de gezondheidswinst is, voordat er eventueel afspraken worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?2
Ja het kabinet hecht waarde aan een onafhankelijk onderzoek. Daarom heeft het kabinet ook opdracht gegeven voor de GER-TSN.
Wat vindt u van het feit dat de chief financial officer van Tata Steel Ltd. (TSL) (Indiase moedermaatschappij van Tata Steel IJmuiden) in een investor call onlangs sprak over veranderingen in beleid die zij als voorwaarden hebben gesteld aan de subsidie, waaronder nettarieven, elektriciteitskosten en een verbod op kolen3? Waarom zegt u in eerdere beantwoording dat «De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden»4 als zij letterlijk zeggen dat ze veranderingen in beleid als voorwaarde hebben gesteld? Welke beleidsveranderingen vraagt TSL precies en wat is uw reactie op elk daarvan?
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda, zo ook in het coalitieakkoord. Dit generieke beleidsvraagstuk zal dan ook in de volle breedte bezien worden, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
De militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden |
|
Derk Boswijk (CDA), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale blokkade van de stad Kobani?1
Het kabinet is bekend met berichtgeving over de recente gevechten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in noordoost-Syrië en ook met de meldingen over beperkingen van toegang tot de stad Kobani. Door de gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500 mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water, voedsel en elektriciteit beperkt geweest.
Op 30 januari jl. tekenden de Syrische overgangsregering en de SDF een overeenkomst, waarin onder andere een permanent staakt-het-vuren is vastgelegd. Het kabinet verwelkomt deze ontwikkeling en stelt vast dat de situatie in noordoost-Syrië sindsdien relatief stabiel is.
Specifiek ten aanzien van Kobani beschikt het kabinet niet over indicaties dat er nu sprake is van een totale blokkade. Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien van VN-organisaties, internationale- en lokale- ngo’s Kobani, Qamishli en Al-Hasakah via drie humanitaire corridors. Volgens de VN zijn op 25 januari en 2 februari jl. respectievelijk 24 en 23 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Het is wel van belang dat de hulp verder wordt opgeschaald; de beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt het uithongeren van burgers en het collectief straffen van de burgerbevolking. Het opzettelijk onthouden van essentiële goederen kan, afhankelijk van de context een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht vormen.
Het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door deze voorzieningen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève, is een oorlogsmisdrijf.
Voor een beoordeling of er sprake is van schending van het humanitair oorlogsrecht óf een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden, zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie (EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag één, stelt het kabinet op dit moment niet vast dat sprake is van een volledige blokkade. De beperkte humanitaire middelen en volatiele situatie zorgen er echter voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen worden. Het kabinet pleit daarom bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Het kabinet heeft de recente ontwikkelingen tussen de Syrische overgangsregering en de SDF nauwgezet en met zorg gevolgd. Duidelijk is dat de twee partijen, na het tekenen van de overeenkomst van 10 maart 2025 waarin een inclusieve en duurzame integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat is overeengekomen, het niet eens konden worden over de praktische implementatie van deze overeenkomst op een aantal punten. Sinds die tijd is regelmatig sprake geweest van vijandelijkheden tussen de twee partijen. Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie hierbij welke verantwoordelijkheid draagt. Uit berichtgeving komt het beeld naar voren dat sprake is van schendingen van het internationaal recht door beide partijen, waarvan ernst en schaal vooralsnog onduidelijk blijven, afgezien van niet geverifieerde berichten over individuele gevallen.
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat sprake is van een reëel risico op systematisch of grootschalig geweld gericht op de Koerdische bevolking. In de eerste plaats omdat ook bij de recente gevechten in Aleppo en andere delen van noordoost Syrië hier geen sprake van is geweest. Anderzijds omdat van een gewapend conflict op dit moment geen sprake is en, sinds de overeenkomst van 30 januari jl., de eerste stappen worden gezet naar een duurzame en vreedzame oplossing en integratie van het noordoosten in de Syrische staat. Onderdeel hiervan is dat beide partijen zich hebben teruggetrokken van militaire posities en alleen sprake is van beperkte aanwezigheid van politie- en veiligheidsdiensten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Syrische overgangsregering in steden als Hasakeh en Qamishli.
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen van diplomatieke druk?
In algemene zin is bekend dat de Syrische overgangsregering en Turkse autoriteiten nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten de twee landen in augustus 2025 een defensieovereenkomst, gericht op onder meer training en capaciteitsopbouw. Het kabinet heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië later die maand. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië kan het kabinet in dit kader niet bevestigen.
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen, voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Het kabinet is zich bewust van de achtergrond van verschillende groepen en individuen die actief zijn in Syrië en van zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen, zoals bijvoorbeeld begaan in maart 2025 in Latakia en in juli 2025 in Sweida. Ten aanzien van het geweld in Latakia hebben zowel het nationale, Syrische onderzoeks-comité als de Commission of Inquiry (CoI) vastgesteld dat sprake is geweest van mensenrechtenschendingen door zowel groeperingen gelinkt aan voormalig president Assad, als van zijde van het leger van de Syrische overgangsautoriteiten en daaraan gelieerde gewapende groeperingen. Het nationale onderzoeks-comité heeft hierbij 563 verdachten vastgesteld. Sinds november lopen de eerste rechtszaken naar aanleiding van de bevindingen. De onderzoeken van een nationaal onderzoek comité en de CoI naar de gewelddadigheden in Sweida lopen op dit moment nog. Het kabinet volgt de ontwikkelingen ten aanzien van de onderzoeksuitkomsten en de opvolging van de aanbevelingen daaruit nauwgezet.
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van 9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden bij te staan?
Het kabinet erkent de belangrijke rol die de SDF heeft gespeeld in de strijd tegen IS en bij het beveiligen van detentiefaciliteiten. Deze inzet heeft bijgedragen aan de internationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een stabiel en veilig Syrië, waarin de rechten van alle Syrische gemeenschappen, waaronder die van de Koerden, geborgd zijn. Eveneens ondersteunt het kabinet de inclusieve, politieke transitie en integratie van de SDF en de SDF-gebieden in de Syrische staat, waartoe de SDF zich op 10 maart 2025 – en opnieuw op 30 januari jl. – heeft gecommitteerd.
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd? Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Het is bekend dat er individuen uit kampen en detentiefaciliteiten zijn ontsnapt waarin zich aan IS-gelieerde personen bevinden en dat een deel van hen inmiddels ook opnieuw opgepakt is. Gezien de onoverzichtelijke situatie in noordoost-Syrië en de grote hoeveelheid aan tegenstrijdige berichten kan er geen zekerheid gegeven worden over exacte aantallen.
Met alle betrokken nationale en internationale partners houdt het kabinet de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. In het bijzonder gaat het om de situatie in de opvangkampen en detentiecentra en welke gevolgen de recente gebeurtenissen kunnen hebben voor de nationale veiligheid. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen te treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat duurzame vrede in Syrië alleen mogelijk is via een inclusieve politieke transitie waarin de rechten, veiligheid en vertegenwoordiging van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd.
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Nederland zet zich wereldwijd in voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer via het FOCUS-instrument en steun aan maatschappelijke organisaties. Deze inzet geldt ook voor Syrië, waarbij specifiek aandacht is voor de positie van vrouwen in conflict- en postconflictsituaties.
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
De mate waarin de Syrische overgangsautoriteiten hun beloften blijken na te komen ten aanzien van een inclusieve politieke transitie en borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, vormen een belangrijk onderdeel in de eventuele normalisatie van relaties.
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het Syrische regime voldoende worden nageleefd?
In EU-verband onderstreept het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder2, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat voorwaarden voor steun streng nageleefd moeten worden. Bij de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. heeft het kabinet dit punt wederom uitgedragen.3 Ook blijft het essentieel dat financiële EU-steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen, iets waar het kabinet consequent voor pleit, ook ten aanzien van programmering in Syrië.
Op dit moment ziet het kabinet de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda presenteren die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president al-Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zal worden.
Op basis hiervan concludeert het kabinet op dit moment dat de Syrische overgangsregering de vastgestelde voorwaarden ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen voldoende naleeft. Tegelijkertijd blijft het kabinet het handelen van de Syrische overgangsregering nauwgezet monitoren, ook in het kader van EU-steun. Het gaat dan ook om belangrijke eerste stappen. Het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan ook nauwgezet gevolgd.
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?2
Het kabinet heeft in bilaterale en multilaterale contacten consequent aangedrongen op onafhankelijke monitoring, berechting van misdrijven en bescherming van alle Syrische gemeenschappen. Daarnaast ondersteunt Nederland actief VN-mechanismen die zich hierop richten, waaronder het OHCHR-landenkantoor in Damascus, de Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM). Ook zet Nederland zich gericht in op de bescherming van religieuze minderheden, waaronder in Syrië. via het beleidskader FOCUS binnen het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» (2026–2031)
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten, waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?3 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet maakt bij financiering afwegingen op basis van effectiviteit, complementariteit en aansluiting bij bestaande internationale mechanismen. Nederland levert reeds een substantiële bijdrage aan VN- en andere internationale onderzoeksmechanismen. Momenteel worden mogelijkheden verkend om de inzet verder te versterken, waarbij de focus ligt op het voortzetten en verdiepen van bestaande, langdurige partnerschappen, in het bijzonder met de VN-bewijzenbank IIIM, en niet op het aangaan van nieuwe partnerschappen met Ngo’s. Gezien de beperkte financiële ruimte is er, naast de lopende steun aan mensenrechtenorganisaties, op dit moment geen ruimte voor aanvullende Nederlandse financiële steun aan het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding het besluit te herzien.
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Het is aan de Verenigde Staten om hun buitenlands beleid vorm te geven. Het kabinet onderstreept het belang van internationale betrokkenheid bij stabiliteit in noordoost-Syrië en blijft hierover in gesprek met partners.
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Het ministerie onderhoudt doorlopend contact met Syrische gemeenschappen en diaspora in Nederland, waaronder vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap. Het kabinet blijft bereid deze zorgen aan te horen en mee te nemen in beleidsvorming.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht in de Linda 'Nicole (45) is door Long Covid al vier jaar niet thuis geweest: ik zie mijn kinderen een keer per week’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de ervaringen van mensen zoals Nicole (45), van wie het leven op zijn kop staat door post-covid of PAIS?1
De situatie van patiënten met ernstige post-COVID, of andere PAIS, gaat het kabinet zeer aan het hart. Het vraagt enorm veel van patiënten en hun naasten om al jaren met deze aandoening te moeten leven en hun frustratie is voorstelbaar. Hoewel veel geïnvesteerd wordt in onderzoek in binnen- en buitenland, zijn er helaas nog geen sluitende diagnoses te stellen en effectieve behandelingen voorhanden die ervoor zorgen dat PAIS-patiënten weer herstellen. En het is begrijpelijk dat iedere dag extra er een te veel is. Toch hoopt het kabinet van harte dat al dat onderzoek eraan bijdraagt dat we de komende jaren steeds meer leren, en we steeds een stapje dichter komen bij de juiste behandeling en daarmee het perspectief dat deze patiënten zo hard nodig hebben.
Krijgen mensen met complexe Long Covid-problematiek voldoende ondersteuning /begeleiding om de juiste zorg te vinden?
Sinds 2020 begeleidt de patiënten-nazorgorganisatie C-support post-COVID patiënten bij het vinden van de juiste zorg en ondersteuning, en adviseert zij over het omgaan met klachten op medisch, sociaal en psychologisch gebied. Daarnaast is het belangrijk dat de kennis over post-COVID wordt vergroot bij professionals van zorg- en welzijnsorganisaties, zodat patiënten beter herkend en erkend worden. Vanaf 2027, na de transitie naar een structureel kennis- en informatiecentrum, ligt de focus van C-support op het borgen van de opgebouwde kennis en het scholen en informeren van zorg- en welzijnsprofessionals, evenals het informeren van patiënten zelf.
Deze transitie moet eraan bijdragen dat zorgverleners en andere betrokken professionals, zoals huisartsen, in heel Nederland postinfectieuze aandoeningen tijdig kunnen herkennen. Dit wordt ondersteund door de kennisdisseminatie vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het onderzoek binnen het ZonMw-onderzoeksprogramma, de post-COVID expertisecentra en de herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 door de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Zo weten zorgverleners hoe zij patiënten het beste kunnen adviseren en begeleiden naar passende zorg.
Kunt u een update geven van de stand van zaken van biomedisch en klinisch onderzoek met financiering via ZonMw naar post-covid?
Binnen het Post-COVID onderzoeksprogramma van ZonMw lopen op dit moment 30 onderzoeksprojecten. Het programma, met een totaalbudget van ruim € 40 miljoen, is gestart in 2023 en loopt tot en met 2028. De financiering voor de volledige looptijd is gealloceerd. De meeste onderzoeken zijn inmiddels van start gegaan, en in de loop van 2026 en 2027 worden de eerste resultaten van de meeste projecten verwacht.
De lopende post-COVID onderzoeksprojecten die door ZonMw zijn gefinancierd binnen het post-COVID programma richten zich op drie hoofdthema’s, namelijk ziektemechanismen, diagnostiek en behandeling. Voor een actueel overzicht van de laatste resultaten en de stand van zaken van alle lopende onderzoeken binnen het programma verwijs ik u naar de website van ZonMw.2
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het Post-Covid Netwerk Nederland en hun werkzaamheden en financiering?
Het door ZonMw gefinancierde post-COVID Netwerk Nederland (PCNN) is geïntroduceerd in 2024 met een initiële looptijd tot 2026. Zoals toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20253 is binnen het ZonMw onderzoeksprogramma € 2,3 miljoen extra beschikbaar gesteld met een looptijd tot en met 2028 voor het verlengen en bestendigen van PCNN. Daarbij is het doel dat deze middelen worden ingezet om de belangrijkste onderdelen van deze kennis- en onderzoeksinfrastructuur toekomstbestendig te maken, zodat PCNN ook op de langere termijn kan blijven voortbestaan.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van stichting C-support en hun werkzaamheden en financiering?
Q-support en C-support hebben de afgelopen jaren met subsidie van VWS belangrijke nazorg geboden aan patiënten met QVS en post-COVID, in een periode waarin de erkenning en herkenning van de ziekte in de reguliere zorg en het welzijnsdomein nog onvoldoende was. Deze subsidies zijn altijd tijdelijk bedoeld geweest. In het transitiejaar 2026 gaan Q-support en C-support meer inzetten op het borgen van de opgebouwde kennis en het scholen en informeren van zorg- en welzijnsprofessionals, en zullen ze hun individuele nazorgactiviteiten afbouwen. Zij ontvangen in 2026 ongeveer € 10 miljoen voor deze werkzaamheden.
Vanaf 2027 wordt gewerkt met een waakvlamconstructie in de vorm van een kennis- en informatiecentrum. Hiermee wordt de door Q-support en C-support opgebouwde kennis geborgd en beschikbaar gesteld voor patiënten en zorg- en welzijnsprofessionals, waaronder huisartsen, en wordt geborgd dat grootschalige nazorg snel beschikbaar kan komen, mochten we nogmaals een grote uitbraak van een infectieziekte hebben. Vanaf 2027 is ongeveer € 2 miljoen gereserveerd voor deze activiteiten.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de post-covid expertisecentra en hun werkzaamheden en financiering?
De post-COVID expertisecentra ontvangen in 2025 en 2026 middelen vanuit het amendement Bushoff c.s.4 en worden bekostigd via de beleidsregel innovatie van de NZa. Op basis van de evaluatie van deze beleidsregel wordt bezien hoe de zorg voor post-COVID patiënten na 2026 structureel kan worden ingebed in de reguliere bekostiging.
Een deel van de zorg in de expertisecentra betreft experimentele behandelingen en geneesmiddelen. Voor opname in het basispakket is het noodzakelijk dat deze zorg aantoonbaar veilig, werkzaam en effectief is. De adviescommissie Veelbelovende Zorg (Advezo) van het Zorginstituut Nederland heeft geconcludeerd dat de huidige onderzoeksopzet van de expertisecentra hiervoor onvoldoende is. Dit betekent dat op basis van dit onderzoek eind 2026 niet kan worden vastgesteld of de onderzochte geneesmiddelen in het basispakket kunnen instromen.
Dit is een tegenvaller, maar past bij het ontwikkelen van nieuwe zorg buiten de gebaande paden. Desalniettemin wordt in deze periode veel geleerd over de zorg voor post-COVID patiënten en de organisatie daarvan, wat kan bijdragen aan ander lopend (inter)nationaal onderzoek. De expertisecentra hebben dan ook besloten de zorg aan post-COVID patiënten in 2026 voort te zetten.
Het kabinet onderstreept dat de zorg voor post-COVID patiënten moet doorgaan. Alle betrokken partijen delen het doel dat alle post-COVID patiënten uiteindelijk toegang hebben tot passende zorg.
Is bekend hoeveel mensen met ernstige post-covidproblematiek langdurig zorg en ondersteuning nodig hebben, zoals zorg met verblijf? Zo nee, wilt u dit inzichtelijk maken?
Hoeveel mensen met ernstige post-covidproblematiek voor langere periode zorg en ondersteuning nodig hebben, al dan niet met verblijf, is niet bekend. Deze patiënten zijn ernstig ziek en komen zelden naar de praktijk of het ziekenhuis en ontbreken daardoor in registraties.
Hoeveel plaatsen voor langdurige zorg met verblijf voor (jongere) mensen zijn er beschikbaar in Nederland en is dit voldoende? Kunnen mensen met post-covid hier ook gebruik van maken?
Er is een verscheidenheid aan verblijf voor jongere mensen in de jeugdzorg en de Wet Langdurige Zorg (Wlz). Momenteel zijn er ca. 25.000 personen jonger dan 35 jaar opgenomen in een Wlz-instelling. De jongeren zonder verstandelijke beperking met post-covid hebben een sterk verschillende zorgbehoefte en zijn hier niet op hun plaats.
Welke mogelijkheden ziet u om plekken waar zorg met verblijf wordt aangeboden, zoals revalidatiecentra, logeerhuizen en hospices, te ondersteunen om mensen met post-covid beter te kunnen helpen?
Het is het kabinet niet bekend of revalidatie-instellingen revalidatieprogramma’s met verblijf aanbieden specifiek voor post-COVID patiënten. Er zijn gemeentelijke voorzieningen die patiënten met post-COVID ondersteuning kunnen bieden. Logeeropvang is bijvoorbeeld als maatschappelijke voorziening voor volwassenen beschikbaar binnen de Wmo en voor jeugdigen via de Jeugdwet. Deze tijdelijke vorm van opvang wordt ingezet om mantelzorgers te ontlasten. Het valt onder respijtzorg, is vaak voor weekenden/vakanties, en aan te vragen bij de gemeente. Ook PAIS patiënten kunnen deze soorten van logeervoorzieningen aanvragen.
Een plek in een hospice is voor mensen waarvan de verwachting is dat ze binnen 3 maanden komen te overlijden.
Klopt het dat post-covid-expertisecentra door middel van een lotingsysteem mensen behandelen? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel mensen hierdoor wel en niet geholpen kunnen worden?
Doel van de expertisecentra is zoveel mogelijk kennis te verzamelen voor alle patiënten met post-COVID. Door medisch specialisten, medisch ethici en patiëntenorganisaties is daarom in goed overleg besloten om geen onderscheid te maken tussen ernstige en niet-ernstige patiënten. Dit zou bovendien ingewikkeld zijn, omdat dit patiënt specifiek is.
Om iedereen een gelijke kans te geven, worden behandelplekken via loting toegewezen aan patiënten op een aanmeldlijst per regio. Het aanwijzen van een behandelplek gaat vervolgens op basis van postcodegebied; dus zo dicht mogelijk bij huis. Kinderen gaan daarbij alleen naar Amsterdam en naar Utrecht, volwassenen naar alle deelnemende UMC’s.
Zo ja, waarom is er voor een lotingssysteem gekozen? Waarom is er niet gekozen om de meest kwetsbare mensen eerst te behandelen?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht 'Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Omwonenden mogen wel degelijk weten welk gif er wordt gespoten» en van de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:130) (ECLI:NL:RBNNE:2026:129)?1
Ja, ik heb kennis genomen van de recente uitspraken.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak grote gevolgen heeft voor de verhouding tussen omwonenden, agrariërs en de overheid?
De kern van de uitspraken is dat de Minister van LVVN op grond van artikel 67, eerste lid, van de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (1107/2009) bevoegd en gehouden is om een professionele gebruiker te verzoeken informatie te verstrekken uit hun registers over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien een derde partij een verzoek tot inzage heeft ingediend. Derde partijen zijn in ieder geval drinkwaterindustrie, detailhandelaren en omwonenden. De uitspraken zorgen ervoor dat professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (m.n. telers) vaker informatie zullen moeten verstrekken over dat gebruik aan partijen buiten de overheid.
Bent u voornemens om uitvoering te geven aan deze rechterlijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voornemens om hoger beroep in te gaan stellen. Dit zal een pro-forma beroep zijn om de opties open te houden voor mijn ambtsopvolger om een keuze te maken aan de hand van een nader onderzoek naar de uitspraken en deze niet bij voorbaat te beperken. Een van de overwegingen daarbij is dat de uitleg van een Europese Verordening is voorbehouden aan het Europese Hof van de EU, dit ook met het oog op een gelijk speelveld tussen lidstaten.
Daarnaast ben ik voornemens om een voorlopige voorziening te vragen. Daarmee wordt voorkomen dat de opdracht van de rechtbank om alsnog te beslissen moet worden uitgevoerd, voordat op het hoger beroep is beslist.
Ik heb reeds een aantal verzoeken om toegang tot spuitgegevens ontvangen. Ik ga deze verzoeken, en de mogelijke verzoeken die nog volgen, aanhouden tot er juridische duidelijkheid is. De indieners van deze verzoeken stel ik hiervan op de hoogte.
Bent u voornemens om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u het recht wat omwonenden op basis van deze uitspraak hebben om inzicht te krijgen in spuitgegevens praktisch en zorgvuldig vormgeven?
Er zullen hier twee sporen uitgewerkt moeten worden. Een juridisch spoor voor de korte termijn en een beleidsmatig spoor voor de lange termijn. De precieze uitwerking voor de korte termijn ben ik nu aan het vormgeven. Het spoor voor de lange termijn laat ik over aan mijn ambtsopvolger.
Ik kan me goed kan voorstellen dat we uiteindelijk toegaan naar een ander systeem, dat veel meer inzicht geeft in de individuele toepassing door bedrijven. Zo’n systeem zou vergelijkbaar van opzet kunnen zijn zoals in de diergeneeskunde, waar het al heel gebruikelijk is dat toegepaste middelen worden verantwoord en geregistreerd.
Hoe voorkomt u dat individuele boeren worden geconfronteerd met een opeenstapeling van verzoeken en discussies met afzonderlijke omwonenden over hun dagelijkse bedrijfsvoering?
Mijn beleid is altijd gericht op het «goed nabuurschap». Hierbij stimuleren we professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen om in gesprek te gaan met hun omgeving. Goede gesprekken tussen buren zullen de frequentie van dit soort formele verzoeken via mijn ministerie tot een minimum beperken. Ook verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze kan volgens u transparantie worden ingevuld, zonder dat dit leidt tot onwerkbare situaties voor agrariërs of tot een verdere verharding van de relatie tussen boer en omgeving?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is volgens u de verwachte impact van deze uitspraak op de agrarische sector, in het bijzonder voor telers die werken met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat het vrijgeven van spuitgegevens aan leken kan leiden tot onbegrip, onrust of onterechte conclusies over de veiligheid van middelen die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten?
Het is van belang om deze gegevens in de juiste context te plaatsen. De professionele gebruiker kan dit het beste zelf doen, zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 6. Hoe dit gewaarborgd kan worden in het geval dat er verzoeken bij mijn ministerie ingediend worden, wordt onderdeel van het proces dat voor de lange termijn vormgegeven wordt zoals vermeld in het antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de informatie die op verzoek van omwonenden wordt verstrekt begrijpelijk, duidbaar en is voorzien van context, zodat deze niet leidt tot misinterpretatie of onrust?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid om samen met de sector, toezichthouders en gezondheidsinstanties te verkennen hoe deze informatie op een gestandaardiseerde en toegankelijke manier kan worden ontsloten?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Hoe borgt u dat de bescherming van de gezondheid van omwonenden hand in hand gaat met rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en vertrouwen voor boeren?
Dit zal onderdeel uitmaken van het spoor voor de lange termijn zoals benoemd in het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Dit heb ik gedaan.
Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Bruijn , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Ik ben bekend met het artikel. Het is bekend dat het voor coffeeshops soms moeilijk is om deel te nemen aan het betalingsverkeer via pin en dat zij soms hiervoor worden afgewezen door betaaldienstverleners. Maar de betalingsverkeerketen bestaat uit meerdere partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
De afgelopen periode heb ik mij ervoor hard gemaakt om de toegang tot het betalingsverkeer voor ondernemers te verbeteren.2 In de casus uit het artikel gaat het om het opzeggen van bestaande pincontracten tussen coffeeshops en de betaaldienstverlener CCV. Het gaat niet om een bankrelatie. Volgens het artikel beëindigt CCV deze contracten omdat het aanbieden van pinbetalingen aan coffeeshops als te risicovol wordt aangemerkt. Ik heb geen signalen dat dit samenhangt met bijvoorbeeld een rechtsvormwijziging.
Het blijkt niet dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft. Op grond van de Wwft moeten poortwachters, waaronder betaaldienstverleners en banken, op individuele basis cliëntenonderzoek doen en een risicobeoordeling maken. Indien zij een witwasrisico constateren dan dienen zij mitigerende maatregelen te nemen. Hierbij mag er geen sprake zijn van categorale uitsluiting. Bepaalde sectoren mogen niet bij voorbaat worden uitgesloten vanwege een hoger risico. Dat betekent dat ook bonafide coffeeshops toegang moeten hebben tot het betalingsverkeer.
CCV stelt dat dit besluit een eigen afweging is. Het is bekend dat internationale bedrijven zoals Visa en Mastercard, via wier netwerken de pinbetalingen lopen, eigen voorwaarden stellen aan het gebruik van hun netwerken. Deze voorwaarden kunnen doorwerken in de wijze waarop betaaldienstverleners hun dienstverlening en risicobeleid inrichten.
Van de Betaalvereniging Nederland begrijp ik dat ondernemers in deze specifieke sector nog steeds keuzevrijheid ten aanzien van aanbieders van pincontracten hebben en dat het daarmee nog steeds mogelijk is om pinbetalingen aan te bieden. Ik ga desalniettemin in gesprek met Mastercard en Visa om duidelijkheid te krijgen over het probleem en kijken naar een oplossing.
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Coffeeshops hebben de afgelopen jaren problemen gehad om deel te (blijven) nemen aan het betalingsverkeer. Dit heeft verschillende oorzaken. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet zo te zijn dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft, waar bij eerdere signalen sprake van was. De oorzaak lijkt te liggen in de eigen voorwaarden van internationale ondernemingen in het betalingsverkeer. Met die ondernemingen ga ik in gesprek over hun beleid.
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Het is niet in lijn met de doelstellingen van de Wwft dat een sector categoraal wordt uitgesloten. Ondernemers moeten toegang hebben tot het betalingsverkeer. Ik vind het niet wenselijk als bepaalde ondernemers en hun klanten uitsluitend afhankelijk zijn van contante betalingen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Contant geld is een belangrijke terugvaloptie in het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het bekend dat een sterke afhankelijkheid van contante betalingen gepaard gaat met hogere veiligheidsrisico’s voor ondernemers. Het is niet wenselijk dat coffeeshops, of andere ondernemingen, worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken doordat toegang tot digitaal betalingsverkeer ontbreekt.
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
In de Europese Unie gelden in beginsel dezelfde regels voor betaaldienstverleners. Dit maakt dat het toezicht op betaaldienstverleners door Europese toezichthouders in de regel vergelijkbaar is. Ook de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) krijgen structureel informatie uit andere EU-lidstaten ten behoeve van het opsporen en beoordelen van grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Ook DNB kan informatie uitwisselen met andere EU-toezichthouders op betaaldienstverleners.
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Betaaldienstverleners die actief zijn op de Nederlandse markt, waaronder CCV, vallen onder het Europese en nationale toezichtskader voor het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het zo dat onderdelen van de betaalketen, met name de kaartnetwerken, internationaal zijn georganiseerd. Dit betekent dat Nederlandse ondernemers in de praktijk te maken kunnen krijgen met voorwaarden en besluiten die niet uitsluitend onder Nederlands recht vallen. Ik vind het belangrijk dat de betaalketen weerbaar blijft en daarom zet ik mij in voor het borgen van de vitale betaalinfrastructuur in Nederland. Daarbij kijken we ook kritisch naar afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners en kijken we naar de verdere ontwikkeling van Europese betaaloplossingen die kunnen bijdragen aan een robuuster en diverser betalingsverkeer.
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Er vindt regelmatig overleg plaats met DNB over dit onderwerp. Zo is er het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waar DNB en het ministerie regelmatig in gesprek gaan met aanbieders en afnemers van betaaldiensten over het categoraal beëindigen of beperken van klantrelaties. Hierin worden ook actuele ontwikkelingen met betrekking tot een inclusief betalingsverkeer besproken.
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Het is wenselijk dat het Experiment Gesloten Coffeeshopketen wordt voortgezet. Daarin ligt ook een rol voor het betalingsverkeer. Indien deze ontwikkeling zich voortzet en meerdere coffeeshophouders raakt, kan dat effect hebben op het verloop van het experiment. Tot dusver zijn er geen signalen van deelnemende coffeeshophouders over (problemen als gevolg van) financiële uitsluitingen door banken of betaaldienstverleners en lijkt het in de casuïstiek te gaan om partijen die buiten het experiment vallen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Ik ga in gesprek met Visa en Mastercard om deze casus te bespreken. Hierin zal ik ook de geldende juridische kaders toelichten en vragen om een proportionele, risico gebaseerde beoordeling. Het is belangrijk om te benadrukken dat het wietexperiment een expliciete en wettelijke basis heeft in de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Daarnaast volgt het gedoogbeleid voor coffeeshops uit een aanwijzing van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verkopen van cannabis onder strenge voorwaarden – zoals geen verkoop aan minderjarigen, geen harddrugs, het voorkomen van overlast en het hanteren van beperkte hoeveelheden – wordt gedoogd. Zolang coffeeshops binnen die kaders opereren, vindt geen strafrechtelijke handhaving plaats. Het is om die reden ook onwenselijk als coffeeshops worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet langer mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
De vragen zijn met de nodige spoed beantwoord.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bruijn , Tieman |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Ja.
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Volgens Capital Value zijn in 2025, met een bedrag van 5,3 miljard euro, de investeringen in nieuwbouw huurwoningen tot een recordhoogte gestegen. Dit getal bevat zowel investeringen van corporaties als marktpartijen. Het aandeel internationale investeringen in nieuwbouw van het investeringsvolume in huurwoningen door beleggers is volgens Capital Value echter sterk gedaald van bijna 32% in 2022 naar 1% in 20252. Vrijwel alle investeringen in huurwoningen zijn van institutionele beleggers en corporaties. Onduidelijk is hoe groot precies de rol van institutionele beleggers is in de woningmarkt van andere Europese landen.
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Uit de meest recente Woningmarktverkenning van ABF blijkt dat er in de periode 2025–2039 in totaal circa 1,2 miljoen woningen moeten worden toegevoegd3. Een deel hiervan zal gefinancierd worden door particuliere kopers, een deel door corporaties en een deel door (buitenlandse) private investeerders. De totale investeringsopgave tussen 2025 en 2039 – huur en koop tezamen – schat het kabinet op 300 tot 350 miljard euro.
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Investeerders hebben volgens Capital Value in 2023 en 2024 respectievelijk 5.300 en 6.000 nieuwbouwhuurwoningen gekocht. Het aandeel geïnvesteerd volume van internationale investeerders in deze jaren is respectievelijk 13% en 3%.4 Het aandeel internationale investeerders in nieuwbouw neemt sinds een aantal jaar af. In 2021 en 2022 bedroeg het aandeel nog respectievelijk 27% en 32%, om vervolgens te dalen naar 13% in 2023 en 3% in 2024. Desalniettemin zijn de totale investeringen in nieuwe huurwoningen uiteindelijk verdubbeld ten opzichte van 2023 en 2024.
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vorige vragen zijn in 2025 nagenoeg alle investeringen in nieuwbouw huurwoningen van binnenlandse institutionele investeerders en corporaties. Capital Value geeft aan dat particuliere investeerders en buitenlandse institutionele investeerders nagenoeg afwezig zijn in de nieuwbouw. In het artikel wordt gesteld dat Nederlandse pensioenfondsen al meer dan hun redelijke aandeel in Nederlandse woningen hebben belegd. In gesprekken met verschillende pensioenfondsen wordt aangegeven dat zij in veel gevallen tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
In het Coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer vanzelfsprekend over de voortgang van deze taskforce informeren.
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Het vorige kabinet heeft het tarief in de overdrachtsbelasting al naar 8% verlaagd. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Daarnaast is ter opvolging van de Woontop 2024 in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VRO) en het Ministerie van Financiën vorig jaar onderzoek verricht door onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek naar de staat van het investeringsklimaat voor middenhuurwoningen. Een kabinetsreactie op dit onderzoek volgt in Q2.
Tot slot is het ook van belang om in contact te blijven met buitenlandse investeerders om te begrijpen wat de knelpunten zijn, om hen te informeren over ons beleid en om de kansen voor investeringen in de woningbouw uit te lichten. Met dit doel is een afvaardiging van BZK aanwezig op de Expo real in München. Daarnaast werken we als lid van Holland Metropole samen met de verschillende grote steden en marktpartijen om investeringskansen in de Nederlandse woningbouw uit te dragen richting buitenlandse investeerders.
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Het kabinet kan zich voorstellen dat hier wordt gedoeld op de wijziging van het fbi-regime. Het fbi-regime beoogt collectief beleggen te faciliteren door het voorkomen van extra belastingheffing op het niveau van de beleggingsinstelling ten opzichte van rechtstreeks beleggen. Met dit doel is de fbi subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, maar wordt de winst belast tegen een tarief van 0%. Het uitgekeerde dividend naar de participanten in de fbi wordt in beginsel belast met dividendbelasting, met dien verstande dat de dividendbelasting in beginsel een voorheffing is op de inkomsten- of vennootschapsbelasting op het niveau van de aandeelhouder en ook verschillende tegemoetkomingen kent.5 Zo kan in voorkomende gevallen bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op een vrijstelling of (gedeeltelijke) teruggaaf op basis van de wet of een belastingverdrag. Met ingang van 1 januari 2025 is het fbi-regime gewijzigd (de zogenoemde vastgoedmaatregel). De vastgoedmaatregel beoogt de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed zo vorm te geven dat weer belasting kan worden geheven. Voordat deze wijziging van het fbi-regime was ingevoerd, was er sprake van twee heffingslekken, waarbij Nederland in een aantal grensoverschrijdende gevallen het heffingsrecht over Nederlands vastgoed niet kon effectueren.6
Als gevolg van de wijziging van het fbi-regime is het niet langer mogelijk voor een fbi om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een lichaam dat direct in Nederlands vastgoed belegt, is met ingang van 1 januari 2025 in beginsel regulier vennootschapsbelastingplichtig.7 Anders gezegd: in de oude situaties betaalden sommige buitenlandse beleggers in beginsel dus geen belasting in Nederland over winsten uit Nederlands vastgoed, terwijl dit niet conform de bedoeling van de wet is. Met deze maatregel zijn buitenlandse investeerders in Nederlands vastgoed belastingplichtig voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Zodat buitenlandse investeerders (net als Nederlandse investeerders) ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Pensioenfondsen zijn in de regel subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is voor het fiscaal neutraal beleggen in vastgoed voor pensioenfondsen het participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt als alternatief genoemd voor het beleggen in een fbi. Een transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Omdat als gevolg van die transparantie vennootschapsbelasting wordt geheven op het niveau van de participanten, kunnen pensioenfondsen hun subjectieve vrijstelling blijven effectueren.8
Daarnaast merkt het kabinet op dat de Belastingdienst voornemens is te kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven.9 Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Een aanpassing die verder gaat dan een modernisering binnen het huidige wettelijke kader zou ertoe kunnen leiden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.10
De subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor pensioenfondsen is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, dat ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.11 Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen ook in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb12 zijn in onderdeel 3.1.1. cumulatieve criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Het toetsen daarvan kan voor buitenlandse pensioenfondsen bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen. In gesprek met het Ministerie van VRO meldt de sector dat het ontbreken van zekerheid over de vrijstelling in de Vpb tot afstel van investeringen leidt.
De voorwaarden vereisen onder andere dat het pensioenlichaam moet voldoen aan de werkzaamhedeneis13 en de winstbestemmingseis14 zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Voor de pensioenregeling wordt onder andere als voorwaarde gesteld dat er sprake is van een verplichte deelname voor werknemers en een verplichte verzekering, dat de pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat er – behoudens een kleine uitzondering – een afkoopverbod geldt. Dit onderdeel uit het beleidsbesluit bevat daarnaast een tweetal specifieke goedkeuringen ten aanzien van de begunstigden van de pensioenregeling en het afkoopverbod.
De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn eveneens relevant voor buitenlandse pensioenfondsen die via een belang in Nederlandse vennootschappen inkomen genereren, zoals inkomen uit het beleggen in aandelen of vastgoed. Buitenlandse pensioenfondsen ontvangen dividenden uit deze Nederlandse vennootschappen. Ten aanzien van een buitenlands pensioenfonds mag onder voorwaarden inhouding van dividendbelasting achterwege blijven of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting. Hierbij geldt onder meer als voorwaarde dat het buitenlandse pensioenfonds in Nederland een beroep zou kunnen doen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er ook situaties bestaan waarin een belastingverdrag voorziet in een teruggaaf van dividendbelasting voor pensioenfondsen (bijvoorbeeld in de belastingverdragen met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Voor een in deze landen gevestigd pensioenfonds, dat voldoet aan de voorwaarden die het belastingverdrag stelt, bestaat reeds op die grond een recht op teruggaaf van dividendbelasting.
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.15 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. De gemiddelde doorlooptijd van de toegewezen verzoeken bedraagt ruim een jaar.
Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken, de doorlooptijd en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Ondanks deze wijziging in het fbi-regime kunnen buitenlandse pensioenfondsen nog altijd fiscaal aantrekkelijk in Nederlands vastgoed investeren zolang wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in het antwoord op vraag 9. Zij genieten dan dezelfde vrijstelling voor de vennootschapsbelasting (en de dividendbelasting) als binnenlandse pensioenfondsen.
Zoals gezegd, is het fbi-regime aangepast met als doel de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed evenwichtiger te maken, zodat buitenlandse investeerders die gebruik maakten van de heffingslekken met ingang van 1 januari 2025 ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.16 Hiervoor wordt ook naar de beantwoording van vraag 8 verwezen. De wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 geldt voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers. Door deze wijziging, ook wel de vastgoedmaatregel, is het een fbi niet langer toegestaan om direct te beleggen in Nederlands vastgoed. Daardoor kunnen pensioenfondsen niet langer fiscaal neutraal (onbelast) beleggen door te beleggen in een fbi. Het blijft voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers mogelijk om (fiscaal neutraal) te participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt, zoals uit de beantwoording van vraag 9 volgt. Een dergelijk transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In beginsel is de achterliggende participant wel vennootschapsbelastingplichtig, tenzij deze een beroep kan doen op een vrijstelling. Het kabinet erkent dat het gevolg van het dichten van voorgaande heffingslekken ertoe leidt dat partijen die voorheen middels een fbi in vastgoed investeerden maar niet voor de pensioenfondsvrijstelling kwalificeren, daardoor met ingang van 1 januari 2025 ook regulier vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden. Hierdoor ontstaat voor die partijen een hogere belastingdruk dan voorheen het geval was. Vanuit de sector wordt dan ook aangegeven dat de vastgoedmaatregelen ervoor hebben gezorgd dat het minder aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerders om te investeren in Nederlandse huurwoningen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in het verleden buitenlandse vastgoedbeleggers vooral betrokken waren bij commercieel vastgoed en slechts voor 2 procent van de investeringen via vastgoed-fbi’s bij investeringen in woningen betrokken waren.17
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.18 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit en het voortbestaan van heffingslekken, dan wel niet snel genoeg dichten van de heffingslekken. Ook leiden deze alternatieven ertoe dat de geraamde budgettaire opbrengst lager uitvalt. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.19 De woningbouwopgave in Nederland is groot: dat betekent dat we alle partijen nodig hebben die investeren, zowel buitenlandse en binnenlandse private investeringen als publieke investeringen.
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Nee, die opvatting deelt het kabinet niet. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.20 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.21
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Recent zijn vooral maatregelen genomen die het fiscale klimaat verbeteren en het juist aantrekkelijker maken om te investeren in Nederlandse woningbouw, zie hiervoor de beantwoording op vraag 6. Daarvoor zijn enkele maatregelen genomen die het minder aantrekkelijk hebben gemaakt om te investeren. Per 1 januari 2023 is de overdrachtsbelasting voor woningen die niet door de koper als hoofdverblijf worden verhoogd naar 10,4%. Het vorige kabinet heeft dit percentage verlaagd naar 8% en het huidige kabinet is voornemens dit verder te verlagen naar 7%. In vergelijking met andere Europese landen is in Nederland de overdrachtsbelasting relatief hoog. Sinds 2023 geldt daarnaast dat vastgoed in box 3 wordt belast met behulp van een forfait. Dit zorgt voor een lastenverzwaring voor investeerders in vastgoed in box 3. In het nieuwe box 3-stelsel, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028, wordt het werkelijke rendement belast. Bovendien geldt dan een vermogenswinstbelasting en hoeft daardoor pas op moment van vervreemding over de vermogenswinst belasting te worden afgedragen. Ook wordt het mogelijk om kosten af te trekken. Investeerders geven aan goed met het nieuwe stelsel uit de voeten te kunnen.
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
De earningsstrippingmaatregel betreft een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Door de earningsstrippingmaatregel kunnen financieringskosten (tijdelijk) hoger worden, waardoor het rendement op investeringen lager wordt.22 Belastingplichtigen, waaronder investeerders in woningbouw, wegen dit mee bij hun investeringsbeslissing. Echter, bij investeringsbeslissingen in woningbouw zijn ook andere factoren relevant.23 Het kabinet is niet bekend met recent kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat de earningsstrippingmaatregel een dempend effect heeft op investeringen in de woningbouw.
In 2021 is, mede naar aanleiding van de door de Kamer unaniem aangenomen motie Dik-Ronnes24 de overdrachtsbelasting gedifferentieerd. Het doel van deze differentiatie was om met name starters een betere positie te verschaffen ten opzichte van beleggers. Het algemene tarief is per 1 januari 2023 verhoogd van 8% naar 10,4% en recent, mede naar aanleiding van de evaluatie Wet differentiatie overdrachtsbelasting25, weer verlaagd naar 8% voor alleen woningen. Dit omdat uit deze evaluatie bleek dat de differentiatie en verhoging van het algemene ovb-tarief, samen met andere macro-economische ontwikkelingen (zoals de rentestand) en wijzigingen in het woon- en fiscaal beleid negatieve neveneffecten heeft gehad. Zo concluderen de onderzoekers dat de differentiatie van overdrachtsbelasting – tezamen met andere factoren – waarschijnlijk heeft geleid tot een langzamere groei van de huurwoningvoorraad. Ook wordt door de onderzoekers een neerwaarts effect op het rendement bij gebiedsontwikkeling, waaronder nieuwbouw, genoemd. Het huidige kabinet is voornemens het tarief verder te verlagen naar 7%, wat het investeringsklimaat positief beïnvloedt.
Het nieuwe tarief van 8% geldt sinds 1 januari 2026 voor alle verkrijgingen van woningen, met uitzondering van gevallen waarin het bestaande verlaagde tarief van 2% of een vrijstelling, zoals de startersvrijstelling, van toepassing is. Het doel van deze maatregel was om het aanbod van huurwoningen te vergroten door investeringen in woningen in de private, midden- en vrije huur te stimuleren. Daarnaast beoogde de maatregel de bouw van meer (private) huurwoningen te stimuleren door de uiteindelijke belastingdruk bij verkoop te verlagen. De verlaging is begin dit jaar van kracht geworden. Dit is te kort geleden om de impact op investeringen in huurwoningen te bepalen. Wel geldt dat het tarief van 8% een van de hoogste in de EU is.26 Voor nieuwbouw geldt in beginsel de samenloopvrijstelling waardoor geen overdrachtsbelasting geheven wordt (zie ook vraag 16).
In het recent verschenen rapport Investeringsklimaat Middenhuur27 concludeert SEO dat een verlaging van de overdrachtsbelasting een zeer beperkt positief effect heeft op het aantal aan- en verkopen in de bestaande voorraad. De omvang van het effect op de woningbouw is niet onderzocht door SEO. SEO wijst er op dat de hoogte van de overdrachtsbelasting invloed heeft op het rendement en de balanswaarde van beleggers en daarmee op de financieringscapaciteit en de bredere businesscase van nieuwbouw.
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Ja. Italië hanteert verlaagde btw-tarieven en -vrijstellingen bij woningbouw, de details en voorwaarden van de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen zijn mij niet bekend. In het algemeen geldt dat de verkoop van nieuwe woningen met btw belast is. Lidstaten hebben daarnaast de mogelijkheid om in te vullen onder welke voorwaarden een woning als nieuw kwalificeert. Daardoor kan de btw-behandeling bij de verkoop van nieuwe woningen per lidstaat verschillen, afhankelijk van nationale keuzes binnen de kaders van de Europese btw-richtlijn.28
In Nederland geldt dat bij de levering van woningen binnen twee jaar na de eerste ingebruikname het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is. Bij de levering van woningen die langer dan twee jaar in gebruik zijn is geen btw verschuldigd maar overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van dubbele heffing geldt bij btw-belaste leveringen de samenloopvrijstelling, waardoor in beginsel geen overdrachtsbelasting wordt geheven als er btw verschuldigd is.
De effecten van een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociale huurwoningen is onderzocht in het IBO-rapport Op grond kun je bouwen. Rapport Op grond kun je bouwen Een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociaal beleid verstrekte huisvesting kent omvangrijke juridische, uitvoerings- en budgettaire risico’s. Een verlaging heeft alleen direct effect wanneer sprake is van een rechtstreekse, btw-belaste levering van een nieuwe woning door de bouwer aan de koper. Bij andere constructies, zoals eigenbouw of de aankoop van een woning via een aandelentransactie, kan een verlaagd tarief doorgaans slechts worden toegepast op de prestaties van onderaannemers, waardoor het uiteindelijke effect op de woningprijs beperkt is. Op de lange termijn is een positief effect op woningprijzen ook afhankelijk van de mate waarin het btw-voordeel doorwerkt in de grondprijzen. Omdat de effecten van een btw-verlaging onzeker zijn, zou het nodig zijn economisch onderzoek te doen naar de impact, wat dit zou betekenen voor de nieuwbouw van sociale huurwoning en de effecten van een dergelijke maatregel.
De bestaande verlaagde btw-tarieven zijn recent geëvalueerd door Dialogic en Significant Public.29 Uit deze evaluatie volgt dat een btw-verlaging slechts in beperkte mate doeltreffend is en over het algemeen geen doelmatig instrument vormt. Ondernemers zijn niet verplicht om een btw-verlaging door te berekenen, waardoor onzeker is of een btw-verlaging daadwerkelijk wordt verrekend in lagere prijzen. Daarnaast kent de bouw van sociale huurwoningen een vrij hoge mate van inelasticiteit, waardoor het risico bestaat dat het voordeel neerslaat bij de grondeigenaar via hogere grondprijzen, terwijl de woningproductie slechts beperkt toeneemt.
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Mij bereiken inderdaad signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huur en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Investeerders geven al langere tijd aan dat langjarig en stabiel overheidsbeleid essentieel is voor een goed investeringsklimaat. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet zich in om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Voor een toelichting naar de plannen van het kabinet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
In het SEO-rapport is geconcludeerd dat de doelmatigheid van een REIT-regime beperkt is. Het Kabinet neemt verschillende maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, zie ook het antwoord op vraag 6. Uitwerking van het REIT-regime is op dit moment geen onderdeel van het kabinetsbeleid.
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er aanhoudend agressie en geweld wordt gepleegd tegen verschillende minderheden in Syrië. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het aanhoudende geweld tegen minderheden zoals de Alawieten en de Koerden in Syrië door de regering?1
Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen in Syrië zijn zeer ernstig. Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet. Geweld tegen burgers wordt daarbij door het kabinet altijd ondubbelzinnig veroordeeld.
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International dat ingaat op de structurele ontvoering van Alawitische vrouwen en meisjes? Zo ja, gaat u mee in de oproep van Amnesty om het Syrische regime op te roepen onafhankelijk onderzoek te doen naar deze misstanden en te luisteren naar meldingen?2 Zo nee, waarom niet?
Dergelijke berichten over ontvoeringen van Alawitische vrouwen en meisjes zijn bij het kabinet bekend en zijn zeer verontrustend. In alle contacten, zowel bilateraal als in EU-verband, onderstreept het kabinet het belang van het borgen van de rechten en veiligheid van álle Syrische gemeenschappen. Ook zet het kabinet zich, eveneens in EU-verband, in voor het bevorderen van de mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid in Syrië. Hiertoe dragen wij bij aan het monitoren, documenteren en onderzoeken van mogelijke mensenrechtenschendingen, onder meer via het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism. Duidelijkheid ten aanzien van deze berichten over ontvoeringen kan op verschillende manieren worden bereikt, waaronder via deze bestaande mechanismen.
Is er naar aanleiding van de demonstratie in Den Haag door Druzen in juli jongstleden, contact gelegd tussen de Syrische diaspora, en specifiek de etnische minderheden, en het ministerie?3 Zo ja, wat is daaruit voortgekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat doorlopend in contact met alle Syrische gemeenschappen en diaspora, waaronder de Druzische. In recente contacten, waaronder op 5 februari met de Minister-President, hebben diverse vertegenwoordigers van deze gemeenschappen hun zorgen geuit en vragen gesteld over het beleid van het kabinet. In deze gesprekken werden deze zorgen erkend en is dezerzijds het kabinetsbeleid gedeeld ten aanzien van de bescherming van (religieuze) gemeenschappen in Syrië, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief van d.d. 19 september jl.
Wat is uw reactie op de berichten dat de Syrische troepen mogelijk tracht IS-gevangenen te bevrijden, gezien de banden tussen de gevangenen en Ahmad Al-Sharaa?4 Hoe zorgt u ervoor dat dit geen effect heeft op het de veiligheid van zowel de Nederlandse als de internationale en Syrische veiligheid?
Het kabinet is bekend met dergelijke berichtgeving, maar heeft op dit moment geen indicaties dat sprake is van doelgerichte vrijlatingen van IS-gevangenen door het Syrische leger.
Ten aanzien van de veiligheid geldt dat het kabinet, met alle betrokken nationale- en internationale partners, de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houdt, specifiek ten aanzien van de IS-gevangenen.
Hoe draagt u bij aan de bescherming van minderheden in Syrië? Ligt hier al een diplomatiek plan op klaar en zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet draagt op verschillende manieren bij aan de bescherming van de diverse gemeenschappen in Syrië, waaronder via bilaterale en multilaterale contacten, door onze bijdragen aan stabilisatie, door het ondersteunen van mechanismen die mensenrechtenschendingen monitoren en onderzoeken, en door gerichte inzet van sancties middels de EU.
Binnen het nieuwe FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen gereserveerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd. Dit instrument richt zich onder meer op Syrië en heeft als doel religieuze minderheden te beschermen en lokale maatschappelijke organisaties te ondersteunen.
Voor meer over het kabinetsbeleid ten aanzien van de bescherming van Syrische minderheden verwijs ik u graag door naar de eerder genoemde Kamerbrief van 19 september jl.
Wordt er overwogen om in EU-verband maatregelen tegen de ex-HTS groepen te nemen, zoals Reuters aangeeft dat wel gebeurd is bij andere terroristische groepen?5
Op Nederlands initiatief zijn sancties ingesteld tegen groepen en individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan sektarisch geweld. Mocht geverifieerde berichtgeving of onderzoek hiertoe aanleiding geven, dan kan het kabinet zich, via de EU, opnieuw hard maken voor het instellen van aanvullende gerichte sancties.
Deelt u de mening dat hier sprake is van schending van het internationaal recht en mogelijke etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De recente gebeurtenissen in noordoost-Syrië zijn met grote zorg door het kabinet gevolgd. Berichten over geweld en mensenrechtenschendingen zijn zeer ernstig.
Ten aanzien van het grootschalige geweld in Latakia van maart 2025 en in Sweida van juli 2025 acht het kabinet van groot belang dat de verantwoordelijken voor sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen ter verantwoording worden geroepen. Het kabinet verwelkomt in dit kader de publicatie van het rapport van de VN Commission of Inquiry van 14 augustus 2025 en acht het van belang dat de aanbevelingen worden opgevolgd en de daders gestraft. Het kabinet blijft dit proces nauwlettend volgen en wacht in dit kader het rapport van de VN Commission of Inquiry ten aanzien van de gewelddadigheden in Sweida af.
Welke maatregelen tegen het regime bent u bereid te nemen, zowel in nationaal als internationaal verband, om het aanhoudende geweld te stoppen? Ligt er een escalatieladder klaar die de Syrische bevolking en humanitaire organisaties ontziet? Zo ja, kan deze worden toegelicht? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, juist omdat economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid, iets waar álle Syrische gemeenschappen bij gebaat zijn. Tegelijkertijd heeft het kabinet zich binnen de EU hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken te treffen en de bredere Syrische bevolking of economie zodoende te ontzien. Het kabinet en de EU blijven de situatie in Syrië nauwlettend volgen en zal – waar nodig – passende en proportionele maatregelen nemen.
Op welke manier gaat u, samen met de internationale gemeenschap, ervoor zorgen dat het staakt-het-vuren standhoudt, nu we zien dat het bestand al meerdere keren geschonden is?
Op 30 januari jl. zijn de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) tot een overeenkomst gekomen, onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren en integratie van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat. De betrokken partijen zijn sindsdien begonnen met de praktische implementatie van deze overeenkomst, waarbij sprake lijkt van een relatief rustige en gestabiliseerde situatie in het noordoosten. Het kabinet verwelkomt de overeenkomst van 30 januari en heeft, samen met landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk consequent opgeroepen tot een duurzame oplossing en het belang van dialoog om die te bereiken.
Het artikel 'Ouders die schreeuwen of duwen: leraren geconfronteerd met onaanvaardbaar gedrag' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente bericht van RTL Nieuws over grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat zeker 300 basisscholen de afgelopen vijf jaar te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?
Het is onacceptabel dat sommige ouders grensoverschrijdend gedrag vertonen richting onderwijspersoneel. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid en de school hoort een veilige plek te zijn voor medewerkers. Scholen hebben daarnaast een taak om te investeren in een goede relatie tussen school en ouders.
Bovenal roep ik ouders op om respectvol met onderwijspersoneel om te gaan. Het is volkomen begrijpelijk dat je als ouder soms zorgen hebt, en die moet je te allen tijde kunnen bespreken met de school. Maar dat is nooit een reden voor grensoverschrijdend gedrag. Bij ernstige incidenten kan de school ouders de toegang tot de school ontzeggen en overgaan tot aangifte.
Is er structureel onderzoek gedaan naar de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders richting docenten? Of wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gebruikt de Landelijke Veiligheidsmonitor2 om de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te meten en zicht te hebben op de (sociale) veiligheid op scholen. Momenteel wordt gewerkt aan de herziening en wettelijke verankering van de Landelijke Veiligheidsmonitor. Het wetsvoorstel wordt in het eerste kwartaal van dit jaar aan uw Kamer aan geboden. De eerstvolgende editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor wordt naar verwachting in het schooljaar 2027–2028 uitgevoerd.
Uit de laatste editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor blijkt dat er in de periode 2021–2022 een lichte toename in het aantal geweldsincidenten onder leerlingen en personeel was, waarbij verbaal geweld het vaakst voorkwam. Hierbij geeft 17% van personeel primair onderwijs (po) en 28% personeel voortgezet onderwijs (vo) aan eenmaal per maand soms of vaker geconfronteerd te worden met een incident. Dit percentage was bij zowel po- als vo-personeel zes procentpunt gestegen ten opzichte van 2020–2021.3
Bovendien is bekend dat bij zowel po- als vo-personeel, als zij slachtoffer worden van grensoverschrijdend gedrag, de dader van het incident in iets minder dan twintig procent van de gevallen een familielid van een leerling was. Er was een significante stijging van het aantal vo-docenten dat gepest werd door familieleden van leerlingen zichtbaar: van 10 procent in 2021 naar 23 procent in 2022. In het po waren geen significante verschillen hierin te zien.4
Herkent u het beeld dat het gedrag van ouders zorgt voor minder werkplezier en een toename van de werkdruk voor docenten?
In 2023 is onderzoek gedaan naar de vertrekredenen van leraren in het po, vo en mbo. Ongewenst gedrag van ouders werd niet genoemd als reden om te stoppen met het werken in het onderwijs.5
Is u bekend of dit gedrag een van de redenen is dat docenten stoppen met werken in het onderwijs? Zo ja, hoe groot is deze groep docenten die vanwege grensoverschrijdend gedrag van ouders stopt?
Zie antwoord vraag 4.
Is de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders meer zichtbaar in het primair onderwijs of in het voortgezet onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 3.
Is bekend of docenten zich voldoende gesteund voelen door schoolbesturen en schoolleiders in situaties van grensoverschrijdend gedrag door ouders? Welke ruimte ziet u om docenten te ondersteunen bij het omgaan met agressief of grensoverschrijdend gedrag van ouders?
Schoolbesturen en schoolleiders moeten achter hun medewerkers gaan staan als er grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt. Daarnaast roept het kabinet scholen altijd op om aangifte te doen als er een vermoeden is van een strafbaar feit. Hierbij ondersteunt het ministerie de PO-Raad en de VO-raad met een projectsubsidie om te investeren in de relatie tussen ouders en school. Daarnaast is Stichting School & Veiligheid er om scholen te ondersteunen bij het bevorderen van een sociaal veilig schoolklimaat.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden de eisen aan het veiligheidsbeleid van scholen versterkt. Daarmee wordt onder meer geregeld dat er interne en externe vertrouwenspersonen op scholen komen, veiligheidsincidenten worden geregistreerd en dat er een jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheidsbeleid moet plaatsvinden. Ook moeten scholen een veiligheidscoördinator aanstellen die het veiligheidsbeleid coördineert. Hiermee wordt gezorgd voor beter zicht op de veiligheid, betere ondersteuning en begeleiding en goede evaluatie.
De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is opgeschoven naar 1 augustus 2027. De eerder beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 is niet langer haalbaar. Het moment van plenaire behandeling, in combinatie met de tijd die scholen nodig hebben om de wet zorgvuldig te implementeren en de onderlinge samenhang tussen de verschillende maatregelen, maakt dat een implementatie op z’n vroegst per 1 augustus 2027 mogelijk is. Het schooljaar 2026–2027 benutten we daarom om scholen goed voor te bereiden op de komst van de wet. Ik roep scholen dan ook op om niet te wachten met het aan de slag gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel.
Is bekend hoeveel scholen een protocol hebben opgesteld gericht op het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders? Hoe beoordeelt u het feit dat scholen protocollen voor de omgang met dit gedrag hebben?
Het opstellen van zulke protocollen zou eigenlijk niet nodig hoeven zijn, maar het kan desondanks goed zijn om met elkaar regels af te spreken om zo te weten wat je van elkaar verwacht. Dit helpt de relatie tussen ouders en leraren. In 2022 gaf ongeveer 90% van de schoolleiders aan dat de school een veiligheidsplan had. Personeelsleden die aangaven dat er expliciete gedragsregels voor personeel zijn, gaven onder andere aan dat omgang met ouders/verzorgers van leerlingen (po: 65%, vo: 64%) een onderwerp is waarover gedragsregels zijn opgesteld.6
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Ja.
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
In januari hebben er gevechten plaatsgevonden in Noordoost-Syrië tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF). In deze regio bevinden zich ook de opvangkampen en detentiecentra waar aan ISIS-gelieerde personen zich bevinden. Het is inmiddels bekend dat aan ISIS-gelieerde personen zijn ontsnapt; een deel zou in de tussentijd ook weer zijn aangehouden door de veiligheidsdiensten van de Syrische overgangsregering, met ondersteuning vanuit de Verenigde Staten. Het is nog niet bevestigd of hier personen met een Nederlandse link onderdeel van uitmaken. Sinds 30 januari geldt een permanent staakt-het-vuren tussen de Syrische overgangsregering en de SDF. Op dit moment zijn er geen indicaties dat vrouwelijke uitreizigers met een Nederlandse link en hun kinderen, die in de kampen verbleven, zich op dit moment buiten de door de Syrische overgangsregering beveiligde kampen bevinden.
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
De situatie in Syrië is erg veranderlijk en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dit maakt snelle informatievoorziening en een accuraat beeld van de ontwikkelingen in Syrië moeilijk. Desalniettemin staan de betrokken nationale en internationale partners goed met elkaar in contact en houden zij de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om een zo compleet mogelijk beeld te vormen. Dit is de afgelopen tijd gebeurd. Zo is uw Kamer op 19 februari jl. geïnformeerd over de aanwezigheid van mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link in Irak.2 Voor de meest recente en openbare aantallen uitreizigers, verwijs ik uw Kamer het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.3
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Dat is inderdaad een scenario waarmee rekening wordt gehouden. Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Het openbaar ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers waar mogelijk ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de regio moet plaatsvinden. Conform dit standpunt is er intensief contact tussen onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Iraakse autoriteiten om hierover – binnen de (internationale) wettelijke vereisten – afspraken te maken. Er zijn op dit moment geen voornemens om uitreizigers met een Nederlandse link terug te halen. Indien sprake is van verzoeken tot repatriëring zal het kabinet in iedere casus alle omstandigheden en factoren wegen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de nationale veiligheid. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers, ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers, een grotere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun veelal grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Dit maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van besluitvorming over repatriëring. Deze afwegingen hebben er tot op heden toe geleid dat, in het kader van strafzaken tegen vrouwelijke uitreizigers, alleen vrouwelijke uitreizigers en hun kinderen zijn gerepatrieerd.
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Ja, dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat mensen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie hun recht op het Nederlanderschap hebben verspeeld. Om die reden is het Nederlanderschap, daar waar mogelijk, van hen afgenomen en zijn zij ongewenst verklaard. Het kabinet zet hier ook in de toekomst onverminderd op in.
Op grond van artikel 14, lid 4 RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken bij personen die ouder zijn dan 18 jaar, die zich nog in het buitenland bevinden en als uit hun gedragingen is gebleken dat zij zich – na 11 maart 2017 – hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een dreiging vormt voor de nationale veiligheid. In deze gevallen wordt de betreffende persoon tevens ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet en gesignaleerd in SIS III, waardoor legale terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.4
Ten aanzien van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit geldt dat op verschillende momenten alle dossiers van onderkende uitreizigers zijn doorlopen om te bezien of het Nederlanderschap ingetrokken kon worden op grond van artikel 14, lid 4 RWN. Bij de personen waar dit mogelijk is gebleken is het Nederlanderschap ingetrokken. Gevallen die eerder niet in aanmerking kwamen voor intrekking, kunnen in de toekomst mogelijk wel hiervoor in aanmerking komen als nieuwe informatie beschikbaar komt waarmee aan de juridische voorwaarden wordt voldaan. De betrokken organisaties blijven alert op eventuele nieuwe informatie waardoor intrekking alsnog tot de mogelijkheden kan behoren. Dit heeft in 2024 alsnog geleid tot een intrekking van het Nederlanderschap.5
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.