Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , van Bruggen |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD), Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
Het bericht 'Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: ‘Je houdt je hart vast’' |
|
Erwin Prickaertz (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Productiekrimp in bijna driekwart van de Nederlandse industrie: «Je houdt je hart vast»»?1
Ja.
Hoeveel van deze krimp komt door hoge energieprijzen en klimaatbeleid? Kunt u dat concreet per sector inzichtelijk maken?
Er zijn verschillende factoren die het productieniveau van de Nederlandse industrie beïnvloeden, waaronder energieprijzen, internationale concurrentie en de conjunctuur. Door dit complexe samenspel van factoren en het verschil in energie- en CO2-intensiteit tussen sectoren is het niet mogelijk om het afzonderlijke effect van hoge energieprijzen en klimaatbeleid op de industrie en haar verschillende subsectoren exact inzichtelijk te maken.
Het kabinet heeft sinds 2019 wel jaarlijks een speelveldtoets laten uitvoeren om inzicht te geven in de effecten van het Nederlandse energie- en klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie. De speelveldtoets biedt zo wel enig inzicht in belangrijke factoren waar vervolgens het beleid op kan worden aangepast. Eerdere toetsen concludeerden bijvoorbeeld dat bepaalde nationale beleidsmaatregelen kunnen leiden tot CO2-weglekrisico’s, doordat deze hogere kosten met zich meebrengen ten opzichte van andere (Europese) landen. Mede daarom is ervoor gekozen om de CO2-heffing af te schaffen.
Hoe beoordeelt u het risico dat verdere productie uit Nederland verdwijnt richting landen met lagere kosten en minder regelgeving, en dat hetzelfde gebeurt met investeringen?
Het verplaatsen van industriële productie naar een ander land met lagere kosten is voor bedrijven soms noodzakelijk om concurrerend te blijven op de wereldmarkt. Nederland is een geavanceerde economie met hoge lonen. Daardoor kunnen we niet in elke internationaal opererende markt concurrerend zijn.
Tegelijkertijd is bekend dat het Nederlands concurrentievermogen op onderdelen onder druk staat. Het Wennink rapport «De route naar toekomstige welvaart»2 benadrukte dit in december nog. Ik werk dan ook aan een versterking hiervan. Zo werkt het kabinet onder andere aan het verminderen van regeldruk met een aanpak om per jaar 500 regels te vereenvoudigen of te schrappen.
Daarnaast neem ik de urgentie en aanbevelingen uit het Wennink rapport om het concurrentievermogen te versterken zeer serieus. Daarom kiest dit kabinet expliciet voor economische groei, en nemen we de inzet op 1,5% structurele economische groei over in het kabinetsbeleid en het versterken van randvoorwaarden. Dat is een kabinetsbrede opgave, en het kabinet is bereid om hiervoor de noodzakelijke keuzes te maken. Met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat maken we snel stappen om een hoogproductieve economie met sterke randvoorwaarden mogelijk te maken. De prioriteiten hierbij liggen op het voeren van strategisch industriebeleid, het verbeteren van de economische randvoorwaarden en het versterken van de Nederlandse (durf)kapitaalmarkt.
Specifiek ten aanzien van de energieprijzen en het klimaatbeleid werkt het kabinet aan het verbeteren van een gelijk speelveld voor de energie-intensieve industrie. Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035 significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC-ETS.
Daarnaast onderneemt het kabinet actie op de gestegen energieprijzen vanwege de situatie in het Midden-Oosten, zoals gecommuniceerd in de kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok» van 20 april. Gegeven de huidige ontwikkelingen die zich materialiseren in de economie, neemt het kabinet een aantal maatregelen die burgers en bedrijven een steun in de rug geven, de weerbaarheid op lange termijn vergroten en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland verminderen. Deze maatregelen zijn tijdig, tijdelijk en toegepast op de knelpunten die zijn ontstaan door de schok in het energieaanbod en de economische gevolgen daarvan. Daarnaast schaalt het kabinet op naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie om goed voorbereid te zijn op ernstigere verstoringen in het aanbod van energie. Met dit pakket erkent het kabinet de ernst van de situatie en blijft het kabinet voorbereid op scenario’s waarin de situatie verder verslechtert en die om een andere mate en manier van overheidsingrijpen vragen.
Deelt u de zorgen over de huidige krimp in de industrie? Welke concrete maatregelen neemt u om deze ontwikkeling te keren en verdere de-industrialisatie van Nederland te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u, gelet op de huidige geopolitieke en economische ontwikkelingen, aanleiding om in te grijpen in de energiekosten voor de industrie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
Het artikel 'Leger VS: blokkade Straat van Hormuz begint maandag om 16:00' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Rob Jetten (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het Amerikaanse leger de Straat van Hormuz gaat blokkeren vanaf 16:00 vandaag?1
Het kabinet pleit ervoor dat de Straat van Hormuz zo spoedig mogelijk open gaat en blijft voor internationale scheepsvaart. De maritieme blokkade door de VS is niet gericht op het blokkeren van alle internationale scheepvaart, maar op het tegenhouden van Iraanse schepen en schepen die Iraanse havens aandoen om te voorkomen dat Iran profiteert van diens blokkade van de Straat van Hormuz voor overige scheepvaart. Met de maritieme blokkade poogt de Verenigde Staten om druk uit te oefenen om via die weg de Iraanse blokkade op te heffen. Het kabinet is niet betrokken bij de maritieme blokkade die de VS heeft ingesteld als onderdeel van het gewapend conflict met Iran.
Bent u van plan om druk te zetten op de Amerikaanse regering om af te zien van een blokkade of, als de blokkade is gestart, deze op te heffen in dezelfde lijn als met de blokkade door Iran?
Zie antwoord vraag 1.
Is de Minister-President van plan om de blokkade te bespreken tijdens zijn bezoek aan het Witte Huis? Zo ja, wat wordt de inzet en welke maatregelen worden besproken als de inzet niet wordt gehaald?
In de verschillende gesprekken tijdens het bezoek aan Washington is de situatie in de Straat van Hormuz besproken. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken, kan ik hier niet verder over uitweiden.
Welke gevolgen heeft dit voor Nederlandse schepen of voor Nederlanders die zich nog in de Straat van Hormuz bevinden of daar doorgang zoeken?
Nederlandse schepen worden niet aanvullend geraakt door de maritieme blokkade, omdat het niet gaat om Iraanse schepen of schepen die Iraanse havens aandoen.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De vertraging en mogelijke versobering van de verbreding van de A27 tussen Houten en Hooipolder |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dreigt de kaasschaaf voor de A27? Regio vreest nieuwe knelpunten en stilvallen van woningbouw»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Klopt het dat, door oplopende kosten, delen van het project A27 Houten–Hooipolder zijn uitgesteld, versoberd of heroverwogen? Zo ja, welke onderdelen betreft dit precies?
In de MIRT-brief najaar 2024 is gemeld dat het programma A27 Houten-Hooipolder te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. In de MIRT-brief van voorjaar 20252 is aangegeven dat – als gevolg van deze oplopende kosten – keuzes gemaakt moeten worden. Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder wordt er prioriteit gegeven aan het uitvoeren van de werkzaamheden die onvermijdelijk zijn; het gaat om de vervanging van de Merwedebruggen en de Hagesteinsebruggen (beide einde levensduur).
Programmaonderdelen die gericht zijn op de doorstroming, worden gefaseerd in de tijd waarbij de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (beperken van flessenhalzen) als eerste worden uitgevoerd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de wegverbreding tussen Everdingen en Gorinchem en de aanleg van Merwedebrug Oost.
Werkzaamheden die reeds gestart zijn, worden doorgezet (knooppunt Hooipolder en aansluiting Groote Haar). Dit betekent echter ook dat andere onderdelen van het programma op een later moment worden uitgevoerd. Concreet gaat het hier om de capaciteitsuitbreiding van de Houtensebrug3 en de vervanging van de Keizersveerbruggen en aansluitende infrastructuur.
Inmiddels is de ontwerpfase van de Merwedebrug West en van de Hagesteinsebruggen afgerond. Daarmee is er meer inzicht gekomen in de planning van het programma. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031 en de Hagesteinsebruggen naar verwachting in 2034. Per separate brief (11 mei 20264) is de Kamer nader geïnformeerd over de over de laatste ontwikkelingen bij het programma A27 Houten-Hooipolder (inclusief planning en financiën).
Kunt u aangeven wat op dit moment de actuele kostenraming van het project A27 Houten–Hooipolder is, hoe deze zich verhoudt tot eerdere ramingen en welke oorzaken ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen?
Het beschikbare budget bedraagt in het MIRT 2026 € 2.998 mln. Om de onvermijdelijke onderdelen en de onderdelen met de grootste bijdrage aan de doorstroming (zie antwoord 2) uit te kunnen voeren bedraagt de aanvullende dekking circa € 1.850–1.970 mln.5.
Oorzaken die ten grondslag liggen aan de kostenstijgingen betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdende inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal).
Gezien de grote omvang van dit aanvullende bedrag zijn er verschillende scenario’s (bijvoorbeeld een geheel nieuw ontwerp of de renovatie van de bestaande Merwedebrug) onderzocht en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Geen van deze opties leverde echter de beoogde kostenbesparing op zonder fors in te boeten op het beoogde resultaat. Dat resultaat moet worden bereikt gegeven het feit dat het traject één van de belangrijkste noord-zuid verbindingen van Nederland vormt. Het betreft een grote noodzakelijke vernieuwingsopgave van vitale infrastructuur (o.a. verouderde Merwedebrug en Hagesteinsebrug). Ook is er sprake van acute infrastructurele knelpunten op het tracé, die verder toenemen als gevolg van de groeiende mobiliteit.
Welke scenario’s voor fasering, versobering of bezuiniging worden momenteel onderzocht? Kunt u per scenario aangeven wat de gevolgen zijn voor capaciteit, doorstroming, verkeersveiligheid, leefbaarheid en uitvoeringstermijn?
Zie beantwoording vraag 2 en 3. Uitgangspunt blijft om het hele Tracébesluit uit te voeren en de meest urgente onderdelen als eerste op te pakken.
Deelt u de zorg dat het uitstellen van de vervanging of aanpassing van onderdelen zoals de Keizersveerbrug, de Houtensebrug en knooppunt Gorinchem ertoe kan leiden dat nieuwe of blijvende knelpunten ontstaan op het traject A27? Zo nee, waarom niet?
Bij de prioritering is de afweging zodanig gemaakt dat de kans op knelpunten zo klein mogelijk is, zie beantwoording vraag 2. Daarbij blijft het belangrijk dat het gehele programma (Tracébesluit) uiteindelijk wordt uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in het bijzonder de betekenis van de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem voor de doorstroming op de A27, gelet op het feit dat dit traject behoort tot de grootste fileknelpunten van Nederland?
Binnen het programma A27 Houten-Hooipolder is de Merwedebrug met gedeeltelijke aanpak van knooppunt Gorinchem de grootste flessenhals. Bovendien heeft de Merwedebrug einde technische levensduur bereikt en is vervanging op korte termijn noodzakelijk. Dat is de reden dat dit onderdeel van het programma met prioriteit wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat een gedeeltelijke aanpak van de A27, waarbij cruciale flessenhalzen onvoldoende worden meegenomen, het risico vergroot dat publiek geld wordt geïnvesteerd zonder dat de beoogde filevermindering daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Uiteindelijk wordt het hele Tracébesluit uitgevoerd, maar wordt de uitvoering langer over de tijd verspreid. De belangrijkste flessenhalzen worden hierbij als eerste aangepakt. Zie ook vraag 5.
Kunt u aangeven wat de verwachte effecten zijn van de huidige onzekerheid rond de A27 op de filedruk bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindsituatie indien onderdelen worden geschrapt of uitgesteld?
Voor de doorstroming is de Merwedebrug de grootste flessenhals op de A27 tussen Houten en Hooipolder. De bestaande Merwedebrug heeft einde levensduur bereikt. Naast de bestaande Merwedebrug zal de nieuwe Merwedebrug West worden gebouwd. De Merwedebrug West is naar verwachting gereed in 2031. Tijdelijk zal deze brug gebruikt worden in twee richtingen. Na de sloop van de bestaande brug zal de Merwedebrug Oost (capaciteitsuitbreiding) worden gebouwd. De precieze planning van de Merwedebrug Oost is nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de vervanging van de objecten Steenenhoek en Palenweg die momenteel nader wordt uitgewerkt. De vermindering van de filedruk is hiermee afhankelijk van het moment van openstellen van Merwedebrug Oost. Bij een latere opstelling van Merwedebrug West zal het bestaande knelpunt erger worden als gevolg van autonome groei (langdurigere spitsperiode). Het positieve effect van de verbreding van Gorinchem-Everdingen zal pas bij openstelling van Merwedebrug Oost zijn bereikt. Daarnaast zal er een risico zijn van terugslag van de file op de A27 over knooppunt Gorinchem.
De filedruk tijdens de uitvoering van m.n. het gedeelte Everdingen-Gorinchem zal fors zijn, hiervoor zijn de nodige nacht-, weekend- en zomerafsluitingen gepland (link planning werkzaamheden).
Welke gevolgen verwacht u van verdere vertraging of versobering voor de bereikbaarheid van Gorinchem en de omliggende regio, zowel voor bewoners als voor goederenvervoer, hulpdiensten en regionale economie?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal er langer sprake zijn van hinder door de files op het traject met gevolgen voor de bereikbaarheid.
Erkent u dat de aanhoudende onzekerheid over de A27 negatieve gevolgen kan hebben voor woningbouw, bedrijventerreinen en andere ruimtelijke ontwikkelingen in de regio, juist op een plek waar bereikbaarheid een essentiële randvoorwaarde is? Zo ja, hoe weegt u dat mee?
De Tweede Kamer is op 11 mei 2026 geïnformeerd over de stand van zaken van het programma A27 Houten-Hooipolder. Met deze brief wordt duidelijkheid gegeven over de planning van realisatie van dit programma. De inzet is en blijft om uiteindelijk het gehele Tracébesluit te realiseren. Zie tevens de beantwoording vraag 2 voor de onderdelen die prioriteit krijgen.
Kunt u concreet aangeven welke woningbouw- en economische ontwikkelingen langs het traject A27 Houten–Hooipolder geraakt kunnen worden door uitstel of versobering van het project?
De A27 Houten-Hooipolder is vooral een belangrijke verbindingsroute tussen het noorden en zuiden van Nederland en als ontsluiting van het rivierengebied. Deze vertraging heeft vooral hiervoor gevolgen.
Welke gevolgen heeft de huidige onzekerheid voor de ontwikkeling van openbaarvervoermaatregelen in de corridor, waaronder de snelle busverbinding tussen Breda, Gorinchem en Utrecht en de aanleg van overstappunten?
Als gevolg van de gefaseerde uitvoering zal de OV-verbinding tussen Breda en Utrecht langer hinder ondervinden van de files op het traject. Hierbij blijft het uitgangspunt dat tijdens de werkzaamheden de weg en vaarweg zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor verkeer.
Hoe beoordeelt u de toename van sluipverkeer op gemeentelijke en provinciale wegen als gevolg van aanhoudende congestie op de A27? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Helaas zal de regio als gevolg van de gefaseerde uitvoering op diverse plekken langer last blijven houden van het sluipverkeer bij hinder op de A27. In het programmabudget zijn middelen gereserveerd voor een beperkte passende hinderaanpak; deze worden al sinds de start van het programma ingezet en de hinderaanpak blijft van toepassing nu uitvoering van het programma langer duurt. Rijkswaterstaat voert landelijk verkeersmanagement uit in afstemming met de regio. Doel van Rijkswaterstaat hierbij is om automobilisten op de snelweg te houden en sluipverkeer te voorkomen.
In hoeverre zijn de betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden, waaronder Slimme Aanpak A27, betrokken bij de keuzes die nu worden gemaakt over planning, budget en scope?
Met de leden van de Bestuurlijke Advies Groep (BAG) (betrokken gemeenten, provincies, waterschappen en samenwerkingsverbanden) is na het faseringsbesluit van mei 2025 afgesproken om de effecten van het faseringsbesluit inzichtelijk te maken. Ook is aan de leden van de BAG gevraagd proactief mee te denken over mogelijke beheersmaatregelen en meekoppelkansen. Hiervoor zijn werkateliers gepland. Het is de ambitie om rond de zomer concrete voorstellen te bespreken in de BAG en hierover vervolgens afspraken te maken.
Bent u bereid op korte termijn met de regio in overleg te treden over een integrale oplossing voor het gehele traject, inclusief de knelpunten bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem? Zo ja, op welke termijn?
Voor de belangrijkste werkzaamheden binnen het programma A27 Houten-Hooipolder (o.a. Merwedebrug West en Hagesteinsebruggen) is de Tweede Kamer per brief is geïnformeerd over de stand van zaken. Direct hierna worden de regionale bestuurders geïnformeerd over de stand van zaken. Duidelijkheid over de aanpak van de werkzaamheden voor de langere termijn (o.a. Houtensebrug en Keizersveerbruggen) is afhankelijk van nieuwe besluitvorming binnen het Mobiliteitsfonds. Vanuit het programma is regelmatig contact met de regio over de voortgang van het programma, maar na de zomer zal ik ook zelf hierover in gesprek gaan met de regio.
Kunt u de Kamer vóór de komende begrotingsbehandeling of een ander eerstvolgend relevant debat een geactualiseerde planning sturen, inclusief duidelijkheid over budget, scope, fasering en oplevermomenten van de verschillende deelprojecten?
De Tweede Kamer is op 11 mei per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Over de voortgang van het programma wordt de Tweede Kamer op de reguliere momenten geïnformeerd.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat het project zodanig wordt versoberd dat hardnekkige fileknelpunten, waaronder bij de Merwedebrug en knooppunt Gorinchem, in stand blijven?
Met het afronden van de ontwerpfase en het definitief opdragen van de Merwedebrug West wordt een grote stap gezet in het programma A27 Houten-Hooipolder. De Merwedebrug vormt namelijk het grootste knelpunt tussen Houten en Hooipolder.
Het besluit om het werk aan de Merwedebrug West op te dragen (gunnen), kan niet langer uitgesteld worden om het afgesproken traject met de aannemerscombinatie binnen de gemaakte afspraken af te ronden. Uitstel van het besluit leidt tot vertraging van de start van de uitvoering en verandering van de voorwaarden waaronder het werk zou kunnen worden uitgevoerd. Dit zou leiden tot hogere kosten, een langere duur en grotere risico’s. Op 23 juni 2026 vindt het Commissiedebat Strategische keuzes bereikbaarheid plaats, waarin het afweegproces voor de brede prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds met de Tweede Kamer besproken wordt. De begrotingsregels schrijven voor dat meerkosten van dekking worden voorzien. De meerkosten voor de Merwedebruggen worden voor nu gedekt uit de Ring Utrecht, het besluit voor de definitieve dekking loopt mee in dit afweegproces. Er dient geprioriteerd te worden over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen. Zie hiervoor de brief die ik samen met de Staatssecretaris naar de Tweede Kamer heb gestuurd (Kamerbrief 36800-A-39, d.d. 16 maart 2026).
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van het project, de kostenontwikkeling en de bestuurlijke afstemming met de regio?
De Tweede Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de MIRT-projecten via Kamerbrieven die voorafgaand aan de commissiedebatten MIRT aan de Tweede Kamer worden gestuurd.
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht.
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Bij de invulling van de open normen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) speelt de medisch-professionele normering een belangrijke rol. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of de geldende medisch-professionele normering aanpassing behoeft.
De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden zoals neergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018) van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) wordt momenteel herzien. Gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), heeft de NVvP een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het kabinet ziet het essay «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» als onderdeel van de discussie in de beroepsgroep over de aanpassing van de medisch-professionele normering. Het is niet aan het kabinet om hier inhoudelijk op te reageren. Het kabinet wacht de uitkomsten van de richtlijnherziening met belangstelling af.
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende aangenomen motie en de reactie van het vorige kabinet hierop, zoals verwoord in de brief aan de Kamer van 9 oktober 2025.3 Het essay vormt voor het kabinet geen aanleiding om het oordeel over een dergelijk noodventiel te heroverwegen.
In het essay wordt niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren en een ingrijpen op de professionele autonomie van de arts. In plaats daarvan wordt de «nu niet»-benadering geadviseerd als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar). Hierbij dient individueel bepaald te worden hoe lang de «nu-niet»-benadering wordt gehanteerd.4
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende motie, die destijds is verworpen. De motie Boomsma c.s. verzocht de regering om met de beroepsgroep tot een moratorium te komen van drie jaar op euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden, totdat meer duidelijkheid is over de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie bij deze groep. De toenmalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport heeft deze motie destijds ontraden en benoemd als zeer onwenselijk en niet nodig. Het kabinet onderschrijft deze appreciatie nog steeds. Een moratorium is onwenselijk omdat het een open gesprek over de doodswens van mensen tot 30 jaar in de weg staat, terwijl juist door een open gesprek over de doodswens weer perspectief op het leven kan ontstaan. Ook is een moratorium niet in lijn met het wettelijk stelsel aangezien het aan de uitvoerend arts is om te bepalen of hij een euthanasieverzoek inwilligt. Een moratorium is ook niet nodig, omdat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsingspraktijk van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) en het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) blijkt dat de Wtl goed functioneert en dat er in Nederland sprake is van een zorgvuldige euthanasiepraktijk. Bij euthanasieverzoeken op basis van psychisch lijden is bovendien extra behoedzaamheid vereist. Hierover is consensus binnen de beroepsgroep en dit staat ook in de huidige NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis. In deze richtlijn wordt verder geadviseerd grotere terughoudendheid te betrachten naarmate de patiënt jonger is.
Een moratorium zou een (tijdelijke) stop op euthanasie betekenen bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden. Dat is niet waar in het essay voor wordt gepleit. In de door de auteurs voorgestelde «nu niet»-benadering wordt namelijk niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren. Gedurende de «nu niet»-fase dient de doodswens verder expliciet als reële optie bespreekbaar te blijven, en er moet ook openlijk over de dood zelf gesproken kunnen worden. De auteurs geven aan dat de uitkomst van zo’n voortdurende en zorgvuldig gevoerde dialoog uiteindelijk kan zijn dat behandelaren, samen met de jongere en diens naastbetrokkenen, tot het moreel beladen inzicht komen dat euthanasie daadwerkelijk het ultimum remedium vormt. Zij adviseren in dit geval om een moreel beraad te organiseren om nog eens systematisch en met aandacht voor de normatieve dimensie te reflecteren op de situatie, en gezamenlijk te komen tot een zorgvuldig onderbouwd besluit om al dan niet een euthanasietraject te starten.
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Wetenschappelijk is niet aangetoond dat terughoudendheid bij het inwilligen van een euthanasieverzoek verband houdt met suïcide. Suïcide is (bijna) altijd het gevolg van een stapeling van factoren en (complexe) problematiek. De manier waarop hulpverleners reageren op een geuite doodswens kan één van die factoren zijn, maar dat hoeft niet. Op dit moment wordt door 113 Zelfmoordpreventie en Expertisecentrum Euthanasie het SUNSET-onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt onder andere onderzocht hoe suïcidaliteit en euthanasiewensen met elkaar samenhangen, hoe door hulpverleners op een doodswens wordt gereageerd, en of/hoe dit invloed heeft op de doodswens. De eerste resultaten van het SUNSET-onderzoek worden in 2027 verwacht. Er zijn meerdere bewezen effectieve strategieën die een hulpverlener in de spreekkamer kan toepassen wanneer iemand een doodswens uit, waaronder het gesprek over de doodswens aangaan, aandachtig luisteren, aandacht houden voor hoop, en het betrekken van naasten. Dit alles kan worden gedaan met een basishouding van grote terughoudendheid met betrekking tot het inwilligen van een euthanasieverzoek.
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Uit het essay volgt volgens het kabinet inderdaad niet dat de «nu niet»-benadering betekent dat psychiaters niets hoeven te doen. Het essay beoogt juist praktische handvatten aan te reiken voor psychiaters hoe zij kunnen handelen bij een euthanasieverzoek van een jongere op grond van psychisch lijden. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven, adviseren de auteurs van het essay de «nu niet»-benadering als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar) waarbij euthanasie als optie bespreekbaar blijft.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Het kabinet onderschrijft dat het belangrijk is dat jongeren en hun naasten altijd goede zorg en begeleiding krijgen, die aansluiten bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet herkent de elementen die de auteurs aanhalen en het belang van een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen.
De opgave op het gebied van mentale gezondheid en ggz vraagt om meer samenhang en meer samenwerking. Het kabinet zet daarbij in op preventie, (laagdrempelige) ondersteuning en passende zorg. Zowel het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) als het IBO mentale gezondheid en ggz6 hebben daar aandacht voor.
Aanvullend richt de «Versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz»7 zich op aanvullende acties die binnen het bestaande stelsel snel(ler) uit te voeren zijn. Een onderdeel hiervan is het (beter) bespreekbaar maken van mentale gezondheid onder jongeren door onder meer (waar mogelijk) opvolging te geven aan de aanbevelingen vanuit het rapport van Praatpower, dat eind vorig jaar is opgeleverd. Langs de lijn van Praatpower gingen ruim 3.000 jongeren en jongvolwassenen in gesprek over wat hen helpt om mentaal gezond op te groeien en te blijven. Het rapport biedt diverse aanbevelingen voor verschillende doelgroepen en thema’s. Zo bevat het rapport ook aanbevelingen rondom het thema prestatiedruk. Op dit moment onderzoekt het kabinet of en hoe we de aanbevelingen op kunnen pakken en/of breder kunnen verspreiden. De inzet vanuit de Versterkingsagenda richt zich daarnaast op het ondersteunen van gemeenten bij het opzetten en toegankelijker maken van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren, betere ondersteuning van mensen die op een wachtlijst staan met bestaande initiatieven voor wachttijdondersteuning en verbetering van de continuïteit van zorg voor jeugdigen door initiatieven die sturen op een soepele overgang van jeugdhulp naar volwassen ggz zonder onderbreking.
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 11 maart 2026, vindt er momenteel een herziening plaats van specifieke modules van de NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis, te weten de modules 4.1 – Second opinion door onafhankelijke psychiater, 5.1 – Beoordeling door onafhankelijk consulent en 7 – Specifieke patiëntgroepen levensbeëindiging. Bij deze laatste module wordt specifiek ingegaan op jongeren. Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, heeft de NVvP, gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt, naast de gebruikelijke input voor het modulaire onderhoud, benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het streven is de herziening van module 7 eind 2026 af te ronden en begin 2027 te autoriseren/goed te keuren.8
Bij de samenstelling van de werkgroep die de richtlijnherziening begeleidt is er expliciet rekening mee gehouden dat de verschillende standpunten in het veld vertegenwoordigd worden. De herziene richtlijn vertegenwoordigt daarmee straks de huidige medische inzichten en is daarmee geen weergave van een minderheidsstandpunt.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het aankomende bezoek van de minister-president en het koninklijk paar aan Donald Trump |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de analyse van onder andere Amnesty International dat het dreigen met het laten sterven van een hele beschaving, wat Donald Trump heeft gedaan, gelijk staat aan het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden? Zo nee, welke argumenten heeft u om deze analyse te verwerpen?1
Heeft u gezien dat het The Hague Centre for Strategic Studies heeft opgeroepen om naar aanleiding van de uitlatingen van Trump over Iran uw bezoek en dat van het Koningspaar aan het Witte Huis te annuleren? Wat vindt u daarvan?
Welk signaal denkt u dat uitgaat van een bezoek van de Koning en Koningin aan een autoritaire president die het internationaal recht overschrijdt, de positie van Poetin tegenover Oekraïne heeft versterkt, zich laat meeslepen in de illegale oorlog van Netanyahu tegen Iran, die Israël aan wapens tegen de Palestijnse bevolking helpt, die Venezuela illegaal is binnengevallen, die heeft gedreigd met het innemen van Groenland en Cuba en dreigt met het vernietigen van «een hele beschaving»?
Ziet u het risico dat het bezoek wordt gezien als een vorm van politieke legitimatie of steun aan Trump? Zo nee, waarom niet?
Ziet u het risico dat andere landen Nederland zien als blijvende bondgenoot van de VS in het schenden van het internationaal recht, en dat dat nadelige consequenties kan hebben voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welk signaal denkt u dat er vanuit gaat als de Koning en Koningin op de foto gaan met Donald Trump? Ziet u het risico dat de Koning en Koningin door de Trump-regering kunnen worden misbruikt om het imago van Trump op te poetsen, nadat hij na de illegale oorlog tegen Iran in binnen- en buitenland zeer veel kritiek heeft gekregen?
Ziet u nog andere risico’s van uw bezoek en dat van de Koning en Koningin aan Trump?
Heeft u in uw overweging om al dan niet te gaan meegenomen dat de Koning als staatshoofd alle Nederlanders vertegenwoordigt, en dat het van groot belang is dat de Koning bij officiële bezoeken de waarden uitstraalt die Nederland internationaal wil uitdragen, zoals democratie, rechtsstaat, inclusiviteit, internationaal recht en respect voor mensenrechten? Zo ja, op welke manier is het bezoek van het Koninklijk paar aan Trump in lijn met deze waarden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om naar aanleiding van het dreigen met grootschalige oorlogsmisdaden door de Amerikaanse president het bezoek aan Trump te annuleren? Zo nee, bent u dan tenminste bereid het bezoek van het Koninklijk paar te annuleren, zodat u alleen gaat?
Indien u uw bezoek toch doorzet, kunt u de inzet van de regering bij dit bezoek met de Kamer delen?
Kunt u een verslag van de gesprekken van de regering met Trump met de Kamer delen?
Hoeveel Iraanse en Libanese burgers zijn er zover bekend door de VS en Israël gedood?
Erkent u dat de illegale oorlog van de VS en Israël de hele wereld raakt, met name de armste bevolking?
Heeft u, met de kennis van nu, nog steeds begrip voor de volgens het internationaal recht illegale aanval van de VS en Israël? Bent u bereid de aanval alsnog te veroordelen?
Bent u bereid om tijdens uw bezoek bij Trump aan te dringen op een einde aan deze illegale oorlog, het stoppen van het geweld in Libanon en het stoppen van de aanhoudende genocide op de Palestijnen en tegen Trump te zeggen dat Nederland verwacht dat de VS zich houden aan het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit ook publiekelijk klip en klaar uit te dragen, zodat duidelijk wordt dat Nederland weer staat voor het internationaal recht?
Kunt u de vragen 9 en 10 beantwoorden voor het aanstaande bezoek op maandag 13 april?