Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Het zerotolerancebeleid zoals we dat bij Defensie kennen ten aanzien van drugs is niet onverkort van toepassing op aspirant-militairen. Wel wordt sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling.
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Er is sprake van een beoordeling op een algeheel beeld van een sollicitant, waarbij specifiek ten aanzien van drugs de frequentie, recentheid, context van drugsgebruik, het soort drugs en de leeftijd worden meegenomen bij de afweging. Daarnaast is de reden van het gebruik en het eventuele disfunctionele gedrag als gevolg hiervan ook van belang. Dit geldt zowel voor de psychologische selectie als de medische keuring. In dit laatste geval wordt vooral gekeken naar middelenafhankelijkheid, -misbruik en functioneren.
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Uit een eerdere inventarisatie is gebleken dat in de afgelopen vijf jaar jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag is verleend onder toepassing van het drugsbeleid. Omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van ontslagen wegens drugsgebruik, kan ik met u op dit moment geen gegevens delen van langer geleden.
Over cijfers van het aantal sollicitanten dat is afgewezen vanwege drugsgebruik beschik ik niet, aangezien niet wordt geregistreerd dat een sollicitant specifiek op basis van drugsgebruik wordt afgewezen. Bij de psychologische selectie valt drugsgebruik onder diverse beoordelingspunten, bijvoorbeeld discipline en psychische belastbaarheid of morele verantwoordelijkheid en algemene stabiliteit. Bij de medische keuring kan middelenafhankelijkheid of verslaving betrekking hebben op meerdere bijzondere functie-eisen van de militair, waaronder emotionele piekbelasting en waakzaam kunnen zijn.
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Het gezamenlijk kabinetsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel, mede gezien de taakstelling. Defensie hecht aan het huidige zerotolerancebeleid, omdat de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen vooropstaan. In een cultuur waarin het onderling vertrouwen in elkaars capaciteiten en waakzaamheid voorop staat, is het essentieel dat het belang hiervan niet alleen wordt uitgesproken, maar ook wordt gehandhaafd. Het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen wordt niet getolereerd. Het drugsbeleid bij Defensie heeft daarmee een zekere afschrikwekkende functie, die met voorgaande redenen wordt gerechtvaardigd.
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 april 2026 op vragen van het lid Van den Brink (CDA) (2026Z02311) schreef, hanteert Defensie in de kern een zerotolerancebeleid op het gebied van drugs. Het gebruik of bezit van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd en hierop volgt in de regel ontslag. De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd, zonder relatie tot de dienst. In dat geval kan worden volstaan met een waarschuwing.
Ik realiseer me dat een ontslag voor de betrokken militair en diens naasten grote persoonlijke gevolgen kan hebben. Daarom vind ik het belangrijk dat in die gevallen waarin de onverkorte toepassing van het beleid tot onevenredige uitkomsten voor de militair leidt, er de ruimte is om met inachtneming van de specifieke omstandigheden tot een afgewogen besluit te komen waarin het organisatiebelang en het persoonlijk belang op een zorgvuldige manier tegen elkaar zijn afgewogen.
Defensie onderzoekt of en op welke wijze die ruimte kan worden vormgegeven zonder dat dit een negatieve weerslag heeft op de helderheid en houdbaarheid van het onderliggende drugsbeleid. Het in een dergelijk geval kunnen bieden van een tweede kans heeft als secundair effect dat de uitstroom wordt beperkt. Daarnaast is er een Defensiebreed programma ontwikkeld gericht op bewustwording, voorlichting en preventie van alcohol- en drugsgebruik, hetgeen in de loop van dit jaar stapsgewijs binnen de organisatie wordt uitgerold.
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
De risico’s van alcohol- en drugsgebruik zijn niet altijd direct vergelijkbaar en hangen sterk af van de context en specifieke situatie. Zo geldt tijdens uitzendingen en missies in principe een strikt alcoholverbod, waarbij alleen de Commandant der Strijdkrachten op basis van het type missie kan besluiten tot een uitzondering. Defensie erkent dat alcoholgebruik net als drugsgebruik schadelijke effecten kan hebben op inzetbaarheid, veiligheid en groepsdynamiek. Daarom is er blijvende aandacht voor bewustwording, voorlichting en preventie van alcoholgebruik. Dit beleid wordt momenteel verder versterkt door gerichte campagnes en interventies, gericht op het voorkomen van risicovol gedrag en het bevorderen van verantwoord gebruik binnen de organisatie. Hiermee streeft Defensie ernaar een veilige, professionele en goed functionerende krijgsmacht te waarborgen.
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Binnen Defensie wordt drankgebruik niet compleet geaccepteerd. Zie ook vraag 8.
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Het risico dat militairen de organisatie verlaten door een streng drugsbeleid is reëel, vooral in een periode waarin Defensie kampt met personeelstekorten. Het zerotolerancebeleid is echter primair gericht op het waarborgen van veiligheid, inzetbaarheid en discipline binnen de krijgsmacht. Defensie weegt deze uitgangspunten zorgvuldig af tegen de personele uitdagingen. Tegelijkertijd wordt actief geïnvesteerd in werving, behoud en preventie, onder andere door bewustwordingscampagnes en ondersteuning van militairen bij verantwoord gedrag. Op deze manier probeert Defensie het verlies van ervaren personeel zoveel mogelijk te beperken, terwijl het sanctieregime gehandhaafd blijft om de operationele gereedheid en het vertrouwen binnen de organisatie te beschermen.
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Ja, hier zijn we ons van bewust. Ik ga er evenwel vanuit dat sollicitanten naar waarheid verklaren tijdens de sollicitatieprocedure.
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Zoals eerder aangegeven worden sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling. Het roken van een enkele joint in het verleden is op zichzelf geen reden om een sollicitant af te wijzen. Tijdens het selectieproces maken wij op basis van de beschikbare informatie en verschillende selectiecriteria een inschatting van de geschiktheid van een kandidaat. Zie ook beantwoording bij vragen 1, 2 en 3.
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
De reden om binnen Defensie een zerotolerancebeleid voor drugs te hanteren is omdat een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht een scherp drugsbeleid vereist, gezien de negatieve effecten van drugs op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede vanwege de lange periode waarin de werkzame stoffen in het lichaam actief blijven. Daarnaast kan gezamenlijk drugsgebruik leiden tot een groepsbinding die is gebaseerd op negatieve gronden, wat een extra reden vormt om actief op te treden tegen drugs binnen de krijgsmacht. Tot slot zijn er aantoonbare verbanden tussen drugshandel en andere vormen van criminaliteit en wordt het aanzien van het militaire ambt ernstig geschaad wanneer militairen zich op enigerlei wijze inlaten met drugs.
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
Zoals ik eerder heb benadrukt, hecht Defensie aan het huidige zerotolerance beleid, vanwege het grote belang dat wordt gehecht aan de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de discussie over drugsgebruik niet alleen draait om sanctionering, maar ook aspecten als preventiebeleid en het gebruik van alcohol omvat. Daarom is het van belang om het beleid periodiek op compleetheid en effectiviteit te bezien. Momenteel vindt een dergelijk onderzoek plaats, waarbij relevante stakeholders actief worden betrokken.
Het bericht dat Qatar de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) zou hebben omgekocht |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Wall Street Journal waarin ernstige beschuldigingen tegen Karim Khan, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC), als ook de regering van Qatar besproken worden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een getuigenverklaring en audio-opnames waarin wordt gesuggereerd dat Qatar steun en bescherming zou hebben aangeboden aan Khan, in relatie tot de uitgevaardigde arrestatiebevelen tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant?
Zoals het betreffende artikel van de Wall Street Journal ook stelt, kunnen de gemaakte beschuldigingen tegen Qatar en aanklager Khan niet zonder nader onderzoek bevestigd worden. Voor wat betreft de relatie met de arrestatiebevelen wijst het kabinet erop dat de arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof (ISH) niet worden uitgevaardigd door de aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel.
Beschikt het kabinet over eigen informatie die deze berichtgeving bevestigt of ontkracht? Zo nee, ziet u aanleiding om deze signalen via diplomatieke of internationale kanalen te (laten) verifiëren?
Het kabinet beschikt niet over eigen informatie die de in de berichtgeving genoemde beschuldigingen bevestigt of ontkracht. Het kabinet neemt kennis van het door Qatar afgegeven statement2, waarin de beschuldigingen categorisch worden ontkend en als ongegrond worden bestempeld. Gelet op de ernst van de aantijgingen en het belang van de onafhankelijkheid en integriteit van het Internationaal Strafhof, blijft het kabinet de berichtgeving nauwlettend volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Welke gevolgen kan de recente berichtgeving, in samenhang met eerdere onthullingen door The Guardian2, hebben voor de geloofwaardigheid en het functioneren van het ICC in het algemeen en voor de positie van de hoofdaanklager in het bijzonder? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
De ambtsdragers van het Hof dienen te worden gehouden aan de hoogste standaarden. Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome.
Het kabinet stelt voorop dat de ambtsdragers van internationale hoven en tribunalen hun mandaat ongehinderd moeten kunnen uitvoeren, zonder enige vorm van bedreiging, intimidatie of beïnvloeding. Het is van belang dat alle 125 verdragspartijen bij het Statuut van Rome de ambtsdragers van het Hof ten volle beschermen en het werk van het ISH in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven faciliteren. Als gastland heeft Nederland daarbij specifieke verplichtingen onder het Zetelverdrag, onder andere voor wat betreft de fysieke veiligheid. Daarnaast dienen alle staten de onafhankelijkheid van de organen van het ISH te respecteren en zich te onthouden van inmenging in de strafvorderlijke beslissingen van het Hof.
Hoe wordt binnen het ICC gewaarborgd dat de plaatsvervangende aanklagers onafhankelijk opereren en niet vatbaar zijn voor externe beïnvloeding vanuit Qatar en elders? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Het toepasselijke juridische kader – dat onder andere bestaat uit het Statuut van Rome, de Rules of Procedure and Evidence, relevante administratieve besluiten van het Hof en resoluties van de Vergadering van verdragspartijen – voorziet in gedragscodes voor gekozen ambtsdragers en in de mogelijkheid van disciplinaire en strafrechtelijke procedures. In dit kader kan het interne toezichthoudende orgaan – het Independent Oversight Mechanism (IOM) – onderzoek doen naar vermeend wangedrag van gekozen ambtsdragers en werknemers van het ISH. Dit kan leiden tot disciplinaire maatregelen, en in het geval van ernstig wangedrag en/of ernstig plichtsverzuim, tot ontzetting uit het ambt.
Daarnaast heeft het ISH rechtsmacht over enkele misdrijven gericht tegen de rechtspleging, waaronder «het hinderen, intimideren of door middel van omkoping beïnvloeden van een beambte van het Hof teneinde deze te dwingen of over te halen zijn bediening niet of onjuist te vervullen» en het «als beambte van het Hof in samenhang met zijn bediening vragen om steekpenningen of het aannemen daarvan» (zie artikel 70 van het Statuut van Rome). Het toepasselijke juridische kader voorziet ten aanzien van deze procedures niet in een bijzondere rol voor het gastland van het Hof. Het Strafhof kan alle verdragspartijen, waaronder ook Nederland, verzoeken om ondersteuning bij onderzoeken in geval van eventuele misdrijven tegen de rechtspleging.
Nederland heeft als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag om de organen van het Hof te faciliteren bij het onafhankelijk uitvoeren van hun mandaat. Nederland heeft doorlopend contact met het ISH, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Indien nodig op grond van actuele dreigingsinformatie, treft Nederland de nodige veiligheidsmaatregelen.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
Caroline van der Plas (BBB), André Flach (SGP) |
|
Pieter Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
De weigering van een gerichte aanpak van sektes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Twentse burgemeesters zich teleurgesteld voelen over het uitblijven van een gerichte aanpak van sektes?1
Ja.
Welke concrete vragen, signalen en hulpvragen hebben deze burgemeesters bij u neergelegd en waarom hebben deze niet geleid tot aanvullende maatregelen?
Deze burgemeesters hebben een oproep gedaan om specifieke wetgeving tegen sektarisch misbruik te ontwikkelen en een landelijk meldpunt in te stellen met mandaat voor opvolging en procesregie. In mijn reactie aan de burgemeesters heb ik toegelicht wat er in juridische zin mogelijk is, zie het antwoord op vraag 6, en welke maatregelen er worden en zijn genomen, zoals de strafbaarstelling van psychisch geweld. Ook heb ik toegelicht dat er beter ingespeeld kan worden op de behoeften van slachtoffers en hun naasten die te maken hebben met misstanden in gesloten groepen. Om die reden is in juli 2025 in het kader van een pilot met financiering van het Ministerie van Justitie en Veiligheid het Hulppunt Onder Controle (HOC) geopend door expertise- en behandelcentrum Fier. Hiermee is er één herkenbaar punt voor hulp en doorverwijzing aan slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen.
Hoeveel meldingen en signalen van mogelijke sektarische misstanden zijn de afgelopen vijf jaar landelijk geregistreerd? Is er sprake van een stijgende trend?
Het begrip «sektes» kent geen duidelijke, breed gedragen, definitie. Mede als gevolg hiervan kunnen er geen eenduidige cijfers uit de politiesystemen worden gehaald. De cijfers van het aantal hulpvragen bij het Hulppunt Onder Controle (HOC) van Fier bieden enigszins inzicht in de omvang van sektarische misstanden. HOC biedt sinds juli 2025 online hulpverlening voor slachtoffers die in een dwingende groep zitten of hebben gezeten, en voor hun naasten die zich zorgen maken. In de eerste drie kwartalen na livegang (t/m maart 2026) heeft het hulppunt zo’n 480 gesprekken gevoerd met ruim 200 unieke chatters. Daarbij hebben ruim 50 van deze chatters meer dan één gesprek gevoerd. In de 480 gesprekken zijn door chatters meer dan 60 verschillende (unieke) groeperingen genoemd. Dit aantal zal daadwerkelijk hoger liggen, omdat niet alle slachtoffers bij het HOC terechtkomen en de meeste chatters niet aangeven met welke groepering zij te maken hebben of hebben gehad.
Deelt u de zorgen van deze burgemeesters dat gemeenten onvoldoende handelingsperspectief hebben bij vermoedens van psychische dwang, manipulatie en uitbuiting binnen sektes?
Nee, die zorgen deel ik niet. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), dat mede door het Ministerie van Justitie en Veiligheid gefinancierd wordt, heeft veel kennis en ervaring om (problematiek binnen) gesloten netwerken in kaart te brengen en ondersteunt ook burgemeesters, gemeenten en ketenpartners bij het vormgeven van de regierol. Daarbij kan tevens worden aangesloten op bestaande (regionale) structuren, waaronder zorg- en veiligheidshuizen en Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s) waar de problematiek binnen gesloten netwerken de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit raakt. Deze overlegstructuren hebben met de inwerkingtreding van de Wet gegevensdeling door samenwerkingsverbanden (Wgs) op 1 januari 2025 de mogelijkheid om informatie uit te wisselen tussen de deelnemende partners en tussen regio’s. Gemeenten beschikken daarnaast over een aantal algemene instrumenten waarmee tegen bepaalde overtredingen kan worden opgetreden, zoals bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom bij het overtredingen van bijvoorbeeld de APV of bouwvoorschriften.
Bent u zich ervan bewust dat er bredere maatschappelijke onrust bestaat over dit fenomeen en het ervaren gebrek aan beleid en aanpak? Hoe weegt u deze signalen?
Ik ben me goed bewust van de onrust die sekten teweeg kunnen brengen en het hierover afgegeven signaal door de Twentse burgemeesters. Hoewel het een complex onderwerp is, is de verwachting dat de strafbaarstelling van psychisch geweld en het hulppunt een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van de problematiek.
In hoeverre biedt het huidige juridische kader voldoende mogelijkheden om tegen dit soort praktijken op te treden? Hoe vaak is daar succesvol gebruik van gemaakt?
De overheid kan optreden wanneer (personen binnen) gesloten groeperingen de grenzen van de wet overschrijden, bijvoorbeeld door zich schuldig te maken aan strafbare feiten zoals dwang, misleiding, lichamelijk, psychisch en/of seksueel geweld of financieel misbruik. In dergelijke gevallen biedt het strafrecht de mogelijkheid om op te treden en slachtoffers te beschermen. De beoogde afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld kan hieraan bijdragen, zoals in het antwoord op vraag 7 is toegelicht.
Naast strafrechtelijke mogelijkheden beschikt Nederland over een aanvullend wettelijk instrumentarium om verenigingen te verbieden en te ontbinden. Dit is geregeld in artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek. In de voortgangsbrief Slachtofferbeleid die voor de zomer naar de Kamer wordt gestuurd, wordt nogmaals bezien wat er wel en niet mogelijk is met betrekking tot de motie van de leden Van Nispen (SP) en Michon-Derkzen (VVD) om te onderzoeken hoe mensen beter beschermd kunnen worden tegen sektes.2
Voor het begrip «sekte» bestaat echter geen eenduidige en objectieve definitie. Er worden in de strafrechtketen geen cijfers over bijgehouden.
In hoeverre is het wetsvoorstel inzake strafbaarstelling van psychisch geweld mede bedoeld om misstanden binnen sektes aan te pakken?
Op 10 juli 2025 is, samen met de brief over de voortgang van de prioriteiten uit het plan van aanpak «Stop femicide!», een beschrijving van de contouren van de strafbaarstelling van psychisch geweld naar de Tweede Kamer gestuurd.3 Hierin is het voornemen aangekondigd om een zelfstandige strafbaarstelling van dwingende controle te introduceren. Deze strafbaarstelling is niet beperkt tot gevallen waarin een bepaalde relatie bestaat tussen de dader en het slachtoffer (bijvoorbeeld partnerschap). Dit betekent dat ook als binnen een gesloten groep sprake is van dwingende controle, dit strafbaar kan zijn op grond van de nieuwe strafbaarstelling.
Wanneer wordt dit wetsvoorstel aan de Kamer aangeboden?
Het streven is om het wetvoorstel voor de zomer van 2026 in consultatie te geven.
Welke zorg en ondersteuning wordt momenteel aan slachtoffers van sektes geboden? Acht u deze voldoende, mede gelet op de signalen van gemeenten en ervaringsdeskundigen?
Fier is in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 1 juni 2024 gestart met een 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten. Met het Hulppunt Onder Controle (HOC), waar slachtoffers en hun naasten sinds 1 juli 2025 terechtkunnen voor online hulpverlening, is er een herkenbare plek waar signalen van onveiligheid en dwingende controle binnen (gesloten) groeperingen samenkomen en waar kennis en expertise voorhanden is om informatie te verstrekken en hulpverlening te bieden gerelateerd aan problematiek binnen dwingende (gesloten) groeperingen. Het hulppunt van Fier investeert in onderzoek en het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Verworven kennis en bestaande kennis uit de praktijk vormt de basis voor het hulppunt en de gerichte, onderbouwde inzet van hulpprofessionals die betrokken zijn bij de online hulpverlening.
Het hulppunt is erop gericht dat slachtoffers in verschillende fases bij het hulppunt terecht kunnen – als zij al recent of langer geleden bij de groepering weg zijn, maar ook als zij twijfelen over (de veiligheid binnen) hun groepering en nog steeds bij een groep betrokken zijn. Ook naasten van (potentiële) slachtoffers kunnen met hun zorgen terecht bij het hulppunt. Op de website van het HOC kunnen gebruikers informatie vinden over mogelijke kenmerken van dwingende groeperingen, ervaringen van andere slachtoffers en hoe en waarvoor mensen hulp kunnen krijgen. Via de website kunnen gebruikers ook veilig, vertrouwelijk en kosteloos chatten met Fier, waar ze van hulpverleners een luisterend oor, advies en professionele hulp ontvangen. Chatgebruikers kunnen een account aanmaken, zodat ze op hun eigen gewenste moment meerdere keren terug kunnen komen voor hulp. De chat staat in verbinding met hulpverleningspartners en (opsporings)instanties, zodat er mogelijk verbinding kan worden gemaakt met offline ondersteuning indien zij dat wensen.
Sinds de start van het HOC is er met ruim 200 hulpvragers contact geweest, wat erop duidt dat er in ieder geval slachtoffers en naasten zijn die het hulppunt weten te vinden. In juni en september 2026 houdt Fier een online campagne om de naamsbekendheid van het HOC te vergroten en geïnteresseerden en (potentiële) hulpvragers door te leiden naar de website waardoor meer mensen geïnformeerd raken over de hulp die het hulppunt biedt en eventueel een chat kunnen opstarten. In het najaar van 2026 wordt de evaluatie van de pilot bij Fier opgeleverd. Als de pilot succesvol blijkt te zijn, is het streven om de hulp- en kennisfunctie van het hulppunt duurzaam in te richten.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van de oproep van deze burgemeesters en eerdere verzoeken vanuit de Kamer, aanvullend onderzoek te doen naar de aard en omvang van sektarische problematiek in Nederland, de effectiviteit van huidige instrumenten en de vraag welke aanvullende maatregelen nodig zijn?
Gelet op de hiervoor toegelichte maatregelen die zijn en worden getroffen zie ik op dit moment geen noodzaak om nader onderzoek te doen.
De Dag van de Geleidehond. |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dag van de geleidehond? Zo ja, deelt u de mening dat meer bekendheid voor hulphonden, zowel voor geleidehonden als andere hulphonden die helpen met bijvoorbeeld PTSS, belangrijk is?
Ja, ik ben bekend met de Dag van de geleidehond. Mooi dat op deze dag de bekendheid voor hulphonden aandacht krijgt. Helaas ben ik ook bekend met de signalen dat mensen met een hulphond op openbare plekken geweigerd worden. Uit onderzoek van de Nederlandse Assistentiehonden Branchevereniging (2025) blijkt dat 44% van de hulphondengebruikers wel eens toegang tot een openbare plek is geweigerd.1 Ook uit recent onderzoek van de Oogvereniging blijkt dat één op de drie geleidehondengebruikers het afgelopen jaar wel eens is geweigerd of een oplossing kreeg aangeboden die niet werkbaar was tot het verkrijgen van toegang tot de locatie.2
In welke mate herkent u de signalen dat mensen met een hulphond op openbare plekken regelmatig geweerd worden, terwijl toegang wettelijk verplicht is?
Zie antwoord vraag 1.
In welke mate herkent u de signalen dat er sprake is van nep-hulphonden, waarbij honden voor veel geld verkocht worden die niet in staat zijn om hun baasje te helpen op de benodigde manier?
Ook dit signaal herken ik. De hulphondensector heeft mij op dit probleem geattendeerd.
Denkt u dat een kwaliteitskeurmerk en een daaraan verbonden hulpdierenpaspoort voor deze beide problemen een oplossing kan zijn? Zo ja, op welke manier kan dat vormgegeven worden? Zo nee, waarom niet?
Een kwaliteitskeurmerk met een conformiteitenbeoordeling kan inderdaad een oplossing zijn voor deze problemen. Daarover ben ik met de sector in gesprek. Met een conformiteitsbeoordeling kan worden beoordeeld of een product, dienst, persoon, ontwerp of een systeem voldoet aan bepaalde vooraf gestelde eisen. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door een onafhankelijke organisatie en is daarmee een kwaliteitskeurmerk voor hulphondenscholen. Daarmee wordt het onderscheid tussen gekwalificeerde scholen met goed opgeleide hulphonden en niet gekwalificeerde scholen met «nephulphonden» duidelijk. Dit kan eenvoudig
gecontroleerd worden aan de hand van een lijst van scholen die voldoen aan het keurmerk. De normen die onderdeel uitmaken van de beoordeling worden gebaseerd op een Europees normalisatietraject voor hulphonden. Het is nog niet exact bekend wanneer dit normalisatietraject gereed is. Daarom is een startdatum van een lancering van een dergelijk keurmerk nog niet bekend.
Naast een keurmerk is herkenbaarheid van hulphonden die zijn getraind door een gekeurde school van belang. In de gesprekken met de sector over het conformiteitenstelsel bespreek ik ook wat de mogelijkheden zijn voor een uniform uiterlijk kenmerk ter identificatie van hulphonden die voldoen aan het kwaliteitskeurmerk. Een volgende stap is om samen met de sector en met MKB-Nederland in gesprek te gaan over hoe bedrijven en organisatie hierover geïnformeerd kunnen worden, zodat weigeringen voorkomen worden. De exacte termijn van deze actie is nog onbekend, omdat dit ook samenhangt met de implementatie van het nieuwe certificeringsstelsel.
Het dierenpaspoort is niet het instrument om te bewijzen dat er sprake is van een hulphond die voldoet aan het keurmerk. Het paspoort is een verplichting op grond van EU Verordening 2016/429 (Diergezondheidsverordening) en het Besluit houders van dieren. Dit paspoort is verplicht voor alle honden die op of na 1 november 2021 zijn geboren. Het paspoort zorgt, naast de verplichte chip, voor de identificatie van de hond en heeft als doel om publieke gezondheidseisen te borgen. Het paspoort is dus niet bedoeld voor doeleinden als een kwaliteitskeurmerk.
Bent u ermee bekend dat de gemiddelde wachttijd voor een hulphond inmiddels is opgelopen tot anderhalf tot twee jaar? Deelt u de mening dat deze wachttijd drastisch omlaag zou moeten?
Daar ben ik mee bekend. Ik deel ook uw opvatting dat de wachtlijsten omlaag moeten.
Ziet u mogelijkheden om met een voorlichtingscampagne over de hulphond meer mensen te enthousiasmeren om een geleidehond op te leiden?
Hulphonden worden doorgaans opgeleid door of met behulp van een hondenschool. In mijn gesprekken met de sector zal ik nagaan welke problemen er concreet zijn en of ik hen in contact kan brengen met relevante partijen die kunnen helpen met het oplossen van de desbetreffende problemen.
In welke mate herkent u de signalen dat er onduidelijkheid bestaat voor mensen met een visuele beperking of zij een hulphond vergoed kunnen krijgen bij de zorgverzekeraar of de gemeente?
Ik ben bekend met deze signalen. Voor mensen met een visuele beperking is de route in principe helder: de blindengeleidehond valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en wordt vergoed via de zorgverzekeraar. Toch kan er in de praktijk verwarring ontstaan. Sommige andere typen hulphonden kunnen in het kader van de beleidsvrijheid van de Wet maatschappelijke ondersteuning door de gemeente worden vergoed; dat onderscheid is voor mensen niet altijd inzichtelijk, wat kan leiden tot onduidelijkheid over welke route voor hen van toepassing is. Ik ga met gebruikers en de sector in gesprek om te kijken waar de onduidelijkheden zitten betreft het aanvragen van vergoeding van een geleidehond en om te kijken wat voor oplossingen er mogelijk zijn.
Bent u bereid om in gesprek gaan met zorgverzekeraar en gemeenten om ervoor te zorgen dat de regels over vergoeding van hulphonden duidelijker uitgelegd worden?
De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Ja.
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
In de afgelopen drie jaar zijn in totaal 25181 zaken afgedaan via (super)snelrecht. Het gaat hierbij om vermogensdelicten, misdrijven tegen openbare orde en gezag, geweldsdelicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, wapenmisdrijven, overige misdrijven uit het Wetboek van strafrecht en misdrijven uit andere wetten.
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
De inhoud van de boodschap van demonstranten speelt geen rol bij de wijze van afdoening van strafbare feiten. (Super)snelrecht is een versnelde wijze van afdoen waarbij de verdachte al binnen enkele dagen voor de rechter verschijnt. Deze vorm van afdoeding wordt gebruikt voor eenvoudige zaken (als bedoeld in art 368 Wetboek van Strafvordering) waarbij het bewijs snel beschikbaar moet zijn. Daarnaast moet het dossier voldoende duidelijk, eenvoudig én compleet te zijn. Alhoewel de verdachte niet hoeft in te stemmen met de toepassing van (super)snelrecht, moeten de rechten van de verdachte in voldoende mate worden gewaarborgd. Voor de toepassing van (super)snelrecht moet dus aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Daarom kan het voorkomen dat bij sommige voorvallen (super)snelrecht wél en bij andere (vergelijkbare) voorvallen (super)snelrecht niet kan worden toegepast. Zelfs komt het voor dat ten aanzien van verdachten die allen betrokken zijn bij hetzelfde voorval, voor de ene verdachte (super)snelrecht wél mogelijk is en voor de andere niet.
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, is de toepassing van (super)snelrecht afhankelijk van de omstandigheden. Het OM en de rechter behandelen personen die strafbare feiten plegen niet verschillend op basis van het onderwerp van de demonstratie.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Ja.
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API-systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestedende diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens het Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025.3 Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 (motie 5) van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.
Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.
Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».
Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.
De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Bente Becker (VVD), Etkin Armut (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Iedere vrouw en ieder meisje heeft recht op veiligheid en gezondheid. Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige schending van de mensenrechten en geen enkele vrouw of meisje zou hier slachtoffer van mogen worden. Uit het onderzoek van Pharos2 blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
De registratie van signalen of meldingen vindt plaats bij diverse organisaties. Zo kan de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) signalen van VGV of het risico daarop registreren. De nieuw ontwikkelde richtlijnmodule voor de JGZ kan professionals daarbij ondersteunen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op de afronding en implementatie van deze module. Daarnaast kunnen adviesvragen en/of meldingen van VGV worden gedaan en geregistreerd bij Veilig Thuis. Iedere professional die vermoedens heeft van (risico op) VGV moet hiervan een melding doen bij Veilig Thuis. Bekend is dat (zorg)professionals die in Nederland een slachtoffer zien van VGV, niet altijd een melding doen bij Veilig Thuis omdat dit de mogelijke ondersteuning van en hulp voor het slachtoffer in de weg staat, bijvoorbeeld door (verwachte) aantasting van de vertrouwensband tussen de professional en het slachtoffer als de professional melding doet. Registraties geven dan ook niet een totaalbeeld van de omvang van de problematiek weer. Het is echter belangrijk dat er altijd een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Het onderzoek van Pharos laat zien dat het aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV 2.606 (2023) is. Dit aantal is gedaald ten opzichte van 2018 (4.190). De daling van het risico hangt volgens de onderzoekers samen met factoren zoals veranderende normen en opvattingen onder de tweede generatie, veranderingen in normen en opvattingen na migratie en verfijning in het rekenmodel van het onderzoek. Dit duidt erop dat bewustwording en preventie effect hebben. Verder zijn er geen signalen van meisjes die na migratie naar Nederland slachtoffer zijn geworden van VGV (bijvoorbeeld tijdens verblijf in het land van herkomst). Met preventieve maatregelen, zoals voorlichting door de JGZ of de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, wordt ingezet op het wegnemen van dit risico.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken levert consulaire bijstand aan Nederlandse slachtoffers in het buitenland. Er zijn enkele gevallen in 2024 (2) en in 2025 (1) bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend waarbij sprake was van achterlating in het buitenland in combinatie met (een vermoeden van) VGV, waarbij hulp werd geboden aan het slachtoffer om terug te keren naar Nederland.
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
De zomerperiode kan potentieel een verhoogd risico met zich meebrengen voor slachtofferschap van VGV. Het kabinet zet diverse preventieve maatregelen in om dit slachtofferschap (het gehele jaar door) te voorkomen. Zo werkt het kabinet in overleg met Schiphol aan een campagne op de luchthaven gericht op potentiële slachtoffers van VGV, huwelijksdwang, achterlating en mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde risico’s. De afgelopen maanden is samen met veldorganisaties gekeken naar de opvolging door de Koninklijke Marechaussee, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en zorg (via Veilig Thuis). Op dit moment wordt de campagne verder uitgewerkt. De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Daarnaast worden er voor de schoolvakanties, waaronder de zomervakantie, nieuwsbrieven verstuurd naar onderwijsprofessionals om hen te attenderen op het risico, signalen en de meldroute in geval van signalen van VGV, huwelijksdwang of achterlating. De JGZ kan ouders die willen afreizen naar het land van herkomst de verklaring tegen meisjesbesnijdenis meegeven. In deze verklaring staan de risico’s en consequenties van VGV vermeld en is opgenomen dat VGV in Nederland als vorm van mishandeling strafbaar is. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen.
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Middels deze primaire preventie wordt beoogd om de grondoorzaken van gendergerelateerd geweld – waaronder VGV – weg te nemen. Ook binnen de inburgeringstrajecten wordt aan preventie gewerkt, door voorlichting over onder andere het recht op zelfbeschikking en het feit dat VGV in Nederland verboden is en informatie over waar men terecht kan voor hulp of advies.
De JGZ voert gesprekken met ouders over de risico’s en gevolgen van VGV. In dit gesprek kan de JGZ voorlichting geven, ook over de Nederlandse wetgeving en de verklaring tegen meisjesbesnijdenis overhandigen. Bij concrete vermoedens of dreiging van VGV wordt gehandeld conform de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarbij Veilig Thuis wordt ingeschakeld.
Op dit moment is het al mogelijk om voor minderjarige meisjes als sprake is van een hoog risico en acuut gevaar op VGV het uitreizen te voorkomen via de rechter door middel van een (spoed)kinderbeschermingsmaatregel, al dan niet in combinatie met een schriftelijke aanwijzing die het reizen met de minderjarige verbiedt. Daarnaast kunnen er in voorkomende gevallen contact- en gebiedsverboden worden opgelegd om het (potentiële) slachtoffer te beschermen.
Verder hebben de grenswachters een belangrijke radarfunctie ter voorkoming dat meisjes en/of vrouwen uitreizen naar het buitenland en daar slachtoffer worden van VGV. Momenteel wordt een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon ontwikkeld die grenswachters snel toegang geeft tot de indicatoren van (onder meer) VGV. Verder wordt in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens gewerkt aan een uitbreiding van de gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling. Dit inzicht kan bijdragen aan het onderkennen van de indicatoren van onder andere VGV.
Verder is in het coalitieakkoord de mogelijkheid voor een uitreisverbod bij onder meer het risico op VGV opgenomen. In de beleidsverkenning naar preventieve beschermingsbevelen die op dit moment wordt uitgevoerd, wordt dit meegenomen. De Minister van Justitie en Veiligheid verwacht de opbrengst van deze verkenning begin 2027 met uw Kamer te kunnen delen.
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
In het kader van preventie van VGV wordt ingezet op bewustwording en normverandering binnen (gesloten) gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen en worden door professionals (bijvoorbeeld in de JGZ) gesprekken gevoerd met ouders over de risico’s en consequenties van VGV voor de gezondheid van hun kinderen. Verder is de verklaring tegen meisjesbesnijdenis een middel dat preventief kan werken. Deze verklaring wordt uitgereikt aan ouders die van plan zijn af te reizen naar het land van herkomst. In de verklaring is onder andere opgenomen welke consequenties VGV heeft en dat dit strafbaar is in Nederland. De verklaring is beschikbaar in acht talen. Verder draagt Nederland bij aan projecten die VGV tegengaan in landen van herkomst, bijvoorbeeld in Afrika.
Zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 4 wordt in het recente onderzoek van Pharos gewezen op het kleinere aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV dan in 2018. De onderzoekers wijzen erop dat het verminderde risico op VGV voor de tweede generatie migranten onder andere het gevolg is van de verandering van normen en opvattingen in landen waar VGV voorkomt. Dit hangt onder meer samen met migratie en invloeden van onderwijs, wetgeving en preventie. Dit kan er op wijzen dat inspanningen gericht op bewustwording en preventie effect hebben.
Het strafrecht biedt een duidelijke norm en maakt opsporing, vervolging en bestraffing juridisch mogelijk. Dat neemt niet weg dat slechts heel weinig zaken een weg vinden naar de politie of het Openbaar Ministerie. Er zijn tot op heden geen veroordelingen bekend. Dit komt onder meer omdat er geen aangifte wordt gedaan. Het strafrecht is een belangrijk onderdeel binnen een integrale aanpak, en draagt met name bij aan normstelling, maar is op zichzelf onvoldoende voor een effectieve aanpak van VGV.
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Het is belangrijk dat professionals de signalen van VGV vroegtijdig herkennen. Dit geldt ook voor zorgprofessionals. Voortdurende inzet op deskundigheidsbevordering blijft daarmee van belang. Er zijn diverse trainingen en e-learnings beschikbaar voor professionals. Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen is door Pharos opleidingsmateriaal ontwikkeld dat kan worden gebruikt in de opleidingen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op verdere doorontwikkeling en verspreiding van dit opleidingsmateriaal.
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie zet in op het versterken van de primaire preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen, waaronder VGV. Primaire preventie richt zich op het bevorderen van gendergelijkheid, het respecteren van wensen en grenzen, en het tegengaan van schadelijke opvattingen en stereotypen om daarmee gender weg te nemen als oorzaak van het ontstaan en voortduren van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen. Een onderdeel is een op te richten mannenalliantie gericht op het versterken van de rol van mannen in het tegengaan van gendergerelateerd geweld. En er wordt toegewerkt naar de uitvoering van primaire preventiemaatregelen op gemeentelijk niveau om te zorgen voor een landelijk dekkende aanpak. Verder wordt door het kabinet op dit moment gewerkt aan een campagne op Schiphol, zoals in vraag 5 benoemd en worden de mogelijkheden voor preventieve beschermingsbevelen verder onderzocht.
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
De subsidies aan organisaties die gemeenschapsgerichte aanpakken vormgeven en sleutelpersonen inzetten, zoals de alliantie Verandering van binnenuit 2.0 en de subsidies aan Movisie en FSAN, lopen tot eind 2027. Bij het opstellen van het nieuwe Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zal worden bezien hoe deze aanpak wordt vervolgd.
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
De beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen (en het uitreisverbod) wordt momenteel uitgevoerd. Uw Kamer wordt hier begin 2027 nader over geïnformeerd.
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
VGV is een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling en valt onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Professionals die onder de meldcode vallen zijn verplicht de stappen van de meldcode te doorlopen. Bij signalen of vermoedens van VGV is het de professionele norm dat er altijd contact wordt gezocht met Veilig Thuis.
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Jan Struijs (50PLUS), Tijs van den Brink (CDA), Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Ik vind de signalen die naar voren komen in de uitzending van Zembla zorgelijk en neem deze serieus. Het inzetten van rolmodellen, waaronder streamers en influencers, voor online kansspelreclame is sinds de inwerkingtreding van het rolmodellenverbod per 30 juni 2022 niet toegestaan. Dit verbod is destijds ingevoerd om met name jongeren en jongvolwassenen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen en negatieve beïnvloeding door rolmodellen in dat kader. Jongeren zijn bijzonder kwetsbaar voor beïnvloeding, omdat de impulscontrole op die leeftijd nog onvoldoende is ontwikkeld.
Het beeld dat uit de uitzending naar voren komt, laat zien dat er in de praktijk constructies zijn gebruikt die op gespannen voet staan met de bedoeling van de regelgeving. Dat vind ik kwalijk, des te meer als deze constructies gebruikt worden om jongeren te bereiken.
De Kansspelautoriteit (Ksa) is belast met het toezicht op de naleving van de reclameregels voor kansspelen en heeft aangegeven dat zij, mede op basis van ontvangen signalen, haar handhaving op dit punt heeft geïntensiveerd.
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Ik kom niet tot één van beide geschetste conclusies. Het rolmodellenverbod is zowel in de tekst van de regelgeving als in de toelichting daarop duidelijk van toepassing op influencers en daarmee op streamers.
In de uitzending van Zembla wordt weergegeven dat in de praktijk constructies zijn toegepast waarbij is getracht de reikwijdte van het verbod te beperken. Naar aanleiding van signalen hierover heeft de Ksa haar toezicht en handhaving op deze constructies gericht en verduidelijkt dat dergelijke constructies in strijd zijn met de regels. Zoals ook in de Zembla-uitzending genoemd wordt, hebben de aangesproken vergunninghouders hun overeenkomsten met deze streamers en hun platforms beëindigd. Om eventuele verdere onduidelijkheid, onder andere op dit punt, weg te nemen, heeft de Ksa in februari van dit jaar het rolmodellenverbod verder verduidelijkt.2
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
De Ksa houdt doorlopend toezicht op de naleving van het rolmodellenverbod en aanverwante reclamebeperkingen. Daarbij verricht de Ksa risicogestuurd onderzoek naar mogelijke overtredingen, onder meer op basis van signalen, meldingen en eigen monitoring. De Ksa rapporteert hierover periodiek in onder meer haar jaarverslagen en toezichtcommunicatie. Exacte cijfers worden daar niet bij genoemd. Wel blijkt uit het jaarverslag 2025 dat de Ksa ook in dat jaar nog een aantal overtredingen van het rolmodellenverbod heeft geconstateerd. De Ksa geeft aan daartegen te hebben opgetreden en hierover actief te hebben gecommuniceerd, mede om toekomstige overtredingen te voorkomen. Daarnaast zijn waarschuwingen gegeven bij overtredingen van het verbod op sportsponsoring, waarna de betreffende reclame-uitingen zijn beëindigd. Er zijn geen grote overtredingen geconstateerd na invoering van het verbod op sportsponsoring per 1 juli 2025. De kleinere overtredingen, zoals het verkopen van merchandise met het logo van een kansspelaanbieder, zijn gestaakt nadat de desbetreffende aanbieders hierop zijn aangesproken.
De Ksa maakt gebruik van zowel formele als informele toezichtinterventies. Uit het jaarverslag blijkt dat in 2025 nadrukkelijker is ingezet op informele interventies, met name op het terrein van reclame, om overtredingen snel te beëindigen en aanbieders duidelijkheid te geven over de geldende normen.
In algemene zin blijkt uit de meest recente monitoringsrapportages van de Ksa dat de zichtbaarheid van kansspelreclame sinds de invoering van de aangescherpte regels is afgenomen, ook in de online omgeving. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat reclame via sociale media een belangrijk aandachtspunt blijft. De Ksa heeft aangegeven haar toezicht daarop verder te intensiveren.
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Ja, het uitgangspunt van het rolmodellenverbod is bescherming van mensen tegen risico’s van gokken, in het bijzonder kwetsbare groepen zoals jongeren.
In de beleidsregels en de toezichtspraktijk heeft de Ksa verduidelijkt dat influencers die via affiliatie reclame maken ook onder het rolmodellenverbod vallen. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor alle werving- en reclameboodschappen waar zij direct of indirect voor betalen. Deze werving en reclame moet telkens aan de wet- en regelgeving voldoen.
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Ja, die zorg deel ik. Juist reclame via influencers, livestreams en content die informerend van aard lijkt te zijn, kan voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren en jongvolwassenen, minder herkenbaar zijn als reclame.
De Ksa monitort actief het gebruik van rolmodellen, zoals influencers en streamers, bij zowel legale als illegale gokaanbieders. Daaronder vallen ook uitingen op sociale mediaplatforms, livestreamingsdiensten en andere online kanalen waar jongeren en jongvolwassenen vaak actief zijn. Hiervoor gebruikt de Ksa verschillende monitoringsinstrumenten. Daarnaast heeft de Ksa een doorlopend proces om signalen over de inzet van rolmodellen voor gokreclame direct op te pakken. Dan gaat het bijvoorbeeld om signalen van consumenten, maatschappelijke organisaties en andere toezichthouders. De Ksa geeft daarbij prioriteit aan interventies gericht op het aanpakken van illegale gokreclame met bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare groepen.
Tegelijkertijd is toezicht op online content complex, omdat er sprake is van veel uitingen die, als het gaat om illegaal aanbod, snel worden aangepast of verwijderd. Daarom houdt de Ksa risicogestuurd toezicht waarbij met de capaciteit en middelen die voorhanden zijn een inschatting wordt gemaakt van het risico van bepaalde signalen. Ik kijk bij de voorziene wetswijziging voor online gokken ook naar uitvoeringsaspecten in monitoring, toezicht en handhaving op het gebied van reclame.
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Wanneer sprake is van reclame, moeten deze uitingen als zodanig herkenbaar zijn en voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor vergelijkingssites, affiliates en andere. De vergunde aanbieders van kansspelen zijn ervoor verantwoordelijk dat in de overeenkomsten met reclamepartijen deze regels worden nageleefd.
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
In lijn met het coalitieakkoord werk ik aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Bij de vormgeving daarvan kijk ik nadrukkelijk naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag.
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Ja, ik ben bekend met deze oproep. Voor zover bij mij bekend betreft de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland een volledig reclameverbod voor online gokken, zoals ook geuit in een eerdere brief aan de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid.3
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 werk ik, in lijn met het coalitieakkoord en de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland, aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Daarbij vind ik het van belang dat het verbod uitvoerbaar en handhaafbaar is, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag. Eenduidigheid in regelgeving kan daaraan bijdragen. Ik geef nu prioriteit aan wijzigingen in wet- en regelgeving voor kansspelen op afstand in verband met de zorgelijke ontwikkelingen aldaar. Nadat het wetgevingstraject rond kansspelen op afstand is afgerond, buig ik mij over de eventuele resterende vraagstukken met betrekking tot het landgebonden aanbod.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
De positie van Arameeërs in Syrië |
|
Maes van Lanschot (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie die onlangs door de Aramese Beweging voor Mensenrechten (ABM) is overhandigd aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging over de verslechterende positie van Aramese christenen in Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe binnen het Nederlandse en Europese Syriëbeleid rekening wordt gehouden met de positie van kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs, en waar deze volgens u explicieter kan worden verankerd in beleidskaders?
De bescherming van alle kwetsbare gemeenschappen in Syrië, waaronder Arameeërs, is een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Europese Syriëbeleid. De bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen, die in lijn hiermee is, is verankerd in het Nederlandse buitenlandbeleid.2 Gezien het belang dat het kabinet hieraan hecht is in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 van 24 april j.l. ook nadrukkelijk aandacht besteed aan het bevorderen van mensenrechten, de positie van minderheden, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.3
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief van 20 maart jl. dringt het kabinet – zowel bilateraal als in EU-verband – in de contacten met de Syrische overgangsautoriteiten consequent aan op een inclusieve politieke transitie en de bescherming van alle gemeenschappen.4 In het meest recente telefoongesprek met de Syrische Minister van Buitenlandse Zaken Shaibani heb ik het belang van het beschermen van minderheden in Syrië ook expliciet benoemd. Voortgang op dit terrein blijft een belangrijk uitgangspunt voor bredere Nederlandse en Europese steun, zoals ten behoeve van de wederopbouw van Syrië.
Nederland en de EU steunen ook projecten om de rechten van gemeenschappen te beschermen en straffeloosheid voor plegers van mensenrechtenschendingen in Syrië tegen te gaan. Hiertoe behoort onder andere de steun aan de VN-bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de Independent International Commission of Inquiry, het Bureau van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Damascus en maatschappelijke organisaties in Syrië. In EU-verband zet het kabinet zich tevens in voor gerichte sancties tegen plegers van mensenrechtenschendingen of sektarisch geweld.
Om deze inzet vorm te geven, vinden structureel gesprekken plaats met Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Het gesprek met de ABM, waarbij de petitie overhandigd is aan de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging, is hier een voorbeeld van.
Kunt u reflecteren op de huidige constitutionele ontwikkelingen in Syrië, waarbij onder meer via Presidentieel Decreet No. 13 erkenning is gegeven aan de Koerdische identiteit en taal?
Het kabinet heeft kennis genomen van de erkenning van de Koerdische identiteit en taal als belangrijke stap in het streven naar een inclusieve politieke transitie. Het is van belang dat de rechten van alle Syriërs hun weerslag vinden in de nieuwe Grondwet die Syrië opstelt.
Kunt u tevens aangeven of en in hoeverre het kabinet van oordeel is dat ook andere inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs – met een aantoonbare aanwezigheid van ongeveer 3.000 jaar – in aanmerking zouden moeten komen voor vergelijkbare erkenning? Hoe beoordeelt u in dat licht het belang van gelijke behandeling van verschillende inheemse bevolkingsgroepen in Syrië?
Het kabinet merkt op dat meerdere bevolkingsgroepen in Syrië, waaronder de Aramese gemeenschap, een langdurige en diepgewortelde aanwezigheid in de regio kennen. Het kabinet acht het van belang dat bij de verdere constitutionele ontwikkelingen in Syrië oog bestaat voor de geschiedenis, culturele identiteit en taal van alle gemeenschappen.
Het kabinet benadrukt daarom dat het proces van grondwetsvorming in Syrië inclusief dient te zijn en moet leiden tot waarborgen voor gelijke behandeling en bescherming van alle etnische en religieuze gemeenschappen. In dat licht beziet het kabinet erkenning van specifieke groepen niet als een op zichzelf staand doel, maar als onderdeel van een breder proces waarin de rechten van alle Syriërs, ongeacht afkomst of religie, op gelijke wijze worden verankerd en gerespecteerd.
Bent u bereid om zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in te zetten voor inclusie en erkenning van inheemse bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, in de Syrische constitutionele en politieke processen? Zo ja, hoe geeft u hier concreet invulling aan?
Het kabinet zet zich in voor de inclusie van alle gemeenschappen in Syrië, zowel bilateraal als in EU-verband. In aanvulling op de diplomatieke en politieke inspanningen die reeds worden gepleegd zal worden bezien op welke wijze de Syrische constitutionele en politieke processen in EU-verband verder ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft in dit kader, conform de motie van de leden Stoffer en Ceder, bij de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. opgeroepen tot verankering van het recht op geloofsvrijheid in de nieuwe Syrische Grondwet.5
Kunt u aangeven in hoeverre volgens u Nederlandse en Europese humanitaire en wederopbouwmiddelen voor Syrië – mede via internationale organisaties zoals de Verenigde Naties – effectief kwetsbare minderheidsgemeenschappen bereiken?
De humanitaire partners waar Nederland en de EU mee samenwerken leveren steun op basis van de grootste noden en ten behoeve van de meest kwetsbare groepen. Hierbij ligt de focus niet op één specifieke doelgroep, maar richten organisaties zich op alle mensen in nood.
Zo zijn er naar aanleiding van de ontwikkelingen in Noordoost-Syrië in de eerste twee maanden van dit jaar meer dan 185,000 mensen uit 110 verschillende gemeenschappen bereikt met hulp, volgens het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA).
Bij de inzet van wederopbouwmiddelen is inclusiviteit ook een belangrijke voorwaarde. De besteding van EU en Nederlandse middelen is hiertoe onderworpen aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid en Nederlandse en EU-middelen effectief de meest kwetsbare gemeenschappen bereiken.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bepaalde bevolkingsgroepen, waaronder de Arameeërs, sinds het begin van het conflict in 2011 structureel in beperkte mate van dergelijke steun hebben kunnen profiteren?
Helaas zijn er in Syrië, net als in veel andere landen, niet voldoende middelen om in alle noden te voorzien. Partners moeten hierdoor prioriteren in de ondersteuning die zij bieden. Uit gesprekken met partnerorganisaties heeft het kabinet echter geen indicatie ontvangen dat bepaalde gemeenschappen structureel en bewust in mindere mate worden bereikt met hulp. Het kabinet is en blijft hiertoe in nauw contact met partners in Syrië.
Hoe betrekt u het behoud van ernstig bedreigde talen, zoals het Aramees – dat gedurende circa twee millennia de voornaamste taal van Syrië was – in de Nederlandse en Europese inzet op het behoud van cultureel erfgoed, het waarborgen van culturele diversiteit in Syrië en het bevorderen van duurzame stabiliteit?
Syrië is geen prioriteitsland binnen het kader van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) voor de periode 2025–2028. Dit betekent dat er geen tot weinig mogelijkheden zijn om bilateraal programmering op te zetten.
Het kabinet onderschrijft wel het belang van het behoud van cultureel en immaterieel erfgoed in Syrië. De inzet hiertoe verloopt ongeoormerkt via multilaterale kanalen zoals UNESCO en Europese programma’s. Daarbij gaat het om projecten voor documentatie, erfgoedbescherming, onderwijs en overdracht van culturele tradities.
Tussen 2014 en 2020 heeft de EU middels het Erasmus+ programma geïnvesteerd in twee projecten om de Aramese taal veilig te stellen voor de toekomst. Bij deze projecten was onder andere het Sint Ephrem Klooster in Nederland betrokken. Het project heeft geresulteerd in een online omgeving waar Aramees geleerd kan worden en een tekstboek dat beschikbaar is in zes talen.6
Momenteel ondersteunt de European Research Council voor 1.5 miljoen euro een vijfjarig onderzoeksproject naar het ontstaan en de historische verspreiding van het Aramees in het Midden-Oosten, waarbij kennis van Assyrisch, Aramaisch en historische sociolinguïstiek bijeen wordt gebracht.7
UNESCO spant zich daarnaast in voor de bredere bescherming van erfgoed in Syrië.
Op welke wijze kan Nederland, al dan niet via UNESCO of Europese programma’s, bijdragen aan de bescherming en revitalisering van het Aramees als bedreigd immaterieel erfgoed in Syrië?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten hoe Nederland momenteel maatschappelijke organisaties van minderheden in Syrië ondersteunt? In hoeverre ziet u hierbij mogelijkheden om – juist waar dergelijke civiele structuren nog ontbreken – gerichte ondersteuning te bieden voor de opbouw van inclusieve maatschappelijke organisaties, ter versterking van diversiteit, burgerparticipatie en sociale cohesie?
Het kabinet ondersteunt via het decentrale Mensenrechtenfonds en het nieuwe subsidiebeleidskader Focus (2026–2030) maatschappelijke organisaties in Syrië die zich inzetten voor diversiteit, inclusie en sociale cohesie. Hiertoe behoren organisaties die zich inzetten voor de bescherming van mensenrechten, waaronder op het gebied van vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze gemeenschappen. Ook in EU-verband wordt het Syrische middenveld ondersteunt, bijvoorbeeld via de «Day of Dialogue» die afgelopen november in Damascus is georganiseerd met 500 deelnemers. Het kabinet zal zich blijven inspannen om maatschappelijke dialoog in Syrië te ondersteunen ter versterking van verzoening, sociale cohesie en burgerparticipatie.
Hoe kan volgens u de kennis en betrokkenheid van de Aramese diaspora in Nederland structureler worden benut bij beleid en programma’s gericht op Syrië?
Het kabinet heeft op zowel ambtelijk als politiek niveau structureel contact met vertegenwoordigers van Syrische gemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. De petitie en aanvullende informatie die de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ontvangen heeft van de ABM zullen hierin worden meegewogen.
Welke mogelijkheden ziet u om gerichte steun aan kwetsbare inheemse minderheden in Syrië te versterken, met bijzondere aandacht voor erfgoedbescherming, taalbehoud en maatschappelijke opbouw? Bent u bereid de Kamer hierover concreet te informeren?
Zoals toegelicht ondersteunen Nederland en de EU de rechten van gemeenschappen in Syrië zowel politiek als financieel. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten binnen lopende programma’s.
Bent u bereid te verkennen hoe Nederlandse expertise op het gebied van waterbeheer, landbouw, voedselzekerheid en innovatieve sectoren, zoals digitalisering en kunstmatige intelligentie, kan worden ingezet bij de wederopbouw van Syrië?
Ja. Het kabinet is in EU-verband in gesprek met de Syrische overgangsautoriteiten over de Syrische wederopbouwprioriteiten, en zal hiertoe afwegen waar vanuit Nederlandse expertise aan de wederopbouw in Syrië kan worden bijgedragen.
Bent u daarbij bereid te verkennen hoe ook kwetsbare minderheden, waaronder de Arameeërs met hun historisch brede aanwezigheid en lokale netwerken, een constructieve rol kunnen vervullen bij de implementatie en verspreiding van deze kennis en ondersteuning?
Het kabinet zal oog houden voor de inclusie van gemeenschappen in de wederopbouw van Syrië en op welke wijze gemeenschappen een constructieve rol kunnen vervullen in de wederopbouwopgave.
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Kanker is een ingrijpende en nare ziekte. Het is belangrijk dat ex-kankerpatiënten niet onnodig lang met deze nare periode uit hun leven worden geconfronteerd. Zij moeten die periode kunnen afsluiten, ook bij het aangaan van een verzekering. Daarom heeft het Ministerie van Financiën in 2021 de schone-lei regeling geïntroduceerd, zodat ex-kankerpatiënten na verloop van tijd geen last meer hebben van hun medische verleden bij het aanvragen van verzekeringen. Het ministerie zet zich er hiermee voor in dat zoveel mogelijk ex-kankerpatiënten toegang krijgen tot overlijdensrisicoverzekeringen en dat hun ziektegeschiedenis ook de voorwaarden van die verzekering zo kort mogelijk beïnvloedt.
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Er vindt momenteel overleg plaats tussen artsen en onderzoekers, patiëntorganisaties en verzekeraars. De betrokken partijen zijn de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK), Integraal Kankercentrum Nederland, Nederlands Kankerinstituut/Erasmus MC/Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis, het AYA Zorgnetwerk, Stichting Jongeren en Kanker en het Verbond van Verzekeraars. Zij bekijken gezamenlijk of nieuw onderzoek aanleiding geeft tot wijziging van de termijnen uit de schone-lei-regeling. Mijn ministerie wordt op de hoogte gehouden van hun overleg en monitort de voortgang.
Indien uit de gesprekken blijkt dat de schone-lei-regeling moet worden aangepast, dan zal ik daar het initiatief toe nemen.
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Op basis van de schone-lei-regeling is het mogelijk om voor specifieke vormen van kanker een kortere termijn dan de standaard tien jaar te hanteren waarna de ex-kankerpatiënt zijn of haar doorgemaakte kanker niet hoeft te vermelden. De exacte duur van die termijnen volgt uit afspraken tussen representatieve organisaties van patiënten (NFK) en verzekeraars (Verbond van Verzekeraars). Het wijzigen daarvan gaat niet via herziening van de wettelijke regeling maar door aanpassen van de afspraken tussen deze partijen zelf. Zij hanteren daarbij als uitgangspunt dat een herziening plaatsvindt eens in de drie jaar, of zoveel sneller als de nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven.
Zodra deze partijen overeenstemming bereiken over eventuele wijzigingen dan kan daar praktische uitvoering aan worden gegeven binnen zes tot negen maanden. Deze tijd is nodig processen en beleid van verzekeraars hierop aan te laten passen.
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Er zijn onder de schone-lei-regeling verschillende type kanker aangewezen waarvoor een kortere termijn dan tien jaar geldt, waaronder ook huid-, schildklier- en zaadbalkanker. De vraag is nu of op basis van nieuw wetenschappelijk onderzoek de lengte van die termijnen voor deze kankersoorten mogelijk moet worden aangepast en of nieuwe kankersoorten kunnen worden toegevoegd. Deze typen kanker komen dus zeker aan bod in de gesprekken tussen de verschillende experts.
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Het is voor ex-kankerpatiënten van groot belang om weer toegang te krijgen tot betaalbare verzekeringen. Op die manier kunnen zij hun ziekteperiode volledig achter zich laten. Juist dat is de reden dat het Ministerie van Financiën de schone-lei-regeling heeft geïntroduceerd. Voor het goed functioneren van het stelsel van verzekeringen, is het echter ook nodig dat verzekeraars een inschatting maken van de waarschijnlijkheid dat schade optreedt en zij als gevolg daarvan een uitbetaling moeten doen. Wanneer zij bepaalde feiten of omstandigheden niet kunnen meewegen in hun acceptatieproces dan hebben zij een minder compleet beeld van de risico’s die zijzelf lopen en zijn dus minder goed in staat om een gezonde en stabiele financiële positie te waarborgen, die nodig is om zoveel mogelijk Nederlanders een goede verzekering te kunnen bieden.
Solidariteit is een belangrijke pijler van het verzekeringsstelsel. Daarbij is het uitgangspunt dat iedereen vooraf een relatief gelijk risico heeft. Als er sprake is van hogere risico’s is het in het verzekeringsstelsel gebruikelijk dat daar hogere premies tegenover staan.
De schone-lei-regeling borgt dat ook ex-kankerpatiënten kunnen rekenen op de solidariteit van het verzekeringsstelsel, op het moment dat voor hen geen hoger risico meer geldt. Op basis van de schone-lei-regeling is het definitief verboden voor verzekeraars om na een bepaalde periode de doorgemaakte kanker in hun risicobeoordeling te betrekken. Dat is een belangrijke mijlpaal in de zekerheid voor deze ex-kankerpatiënten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Op dit moment kunnen ex-kankerpatiënten onder meer informatie inwinnen via de website van kanker.nl3, de website van NFK4 en de website van het Verbond van Verzekeraars5. Hier kunnen zij bijvoorbeeld een checklist invullen om te bepalen of het in hun situatie nodig is om te melden dat zij kanker hadden.
De NFK en het Verbond van Verzekeraars hebben beide te kennen gegeven dat zij bereid zijn om, waar mogelijk samen, te kijken of er mogelijkheden zijn om de bekendheid van de regeling vergroten.
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Ja, daar ben ik het mee eens. Bij het afsluiten van een verzekering waar een medische keuring voor nodig is, wordt van de verzekeringsnemer gevraagd om een gezondheidsverklaring in te vullen. Dit gebeurt via een standaardmodel gezondheidsverklaring waarin ook wordt genoemd dat een doorgemaakte kanker niet in alle gevallen gemeld hoeft te worden. In de standaardtoelichting worden daarbij zowel de algemene termijnen van tien en vijf jaar als de verkorte termijnen per type kanker uit de schone-lei-regeling weergegeven.
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ex-kankerpatiënten zouden hierbij gebaat zijn. Het Verbond van Verzekeraars gaat hierover de komende tijd in gesprek met haar leden om te kijken of dit mogelijk is. Het doel is om te bezien in hoeverre verzekerden geholpen kunnen worden die bij afsluiting van hun verzekering nog niet onder de regeling vielen.
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat het voor ex-kankerpatiënten frustrerend is dat zij met hun ziekteverleden worden geconfronteerd indien een overlijdensrisicoverzekering moet worden afgesloten. Doel van de schone-lei-regeling is om dit tot een minimum te beperken. Ex-kankerpatiënten kunnen gelukkig bij een deel van de hypotheekverstrekkers terecht zonder een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Ik zie op dit moment daarom onvoldoende aanleiding om dergelijke nieuwe regels te introduceren.
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Ja.
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, dit klopt. Het recht op toegang tot overheidsinformatie en het kunnen doen van een Woo-verzoek is belangrijk voor de werking van onze democratie. Vanzelfsprekend is het onacceptabel dat dit belangrijke recht uit de Woo wordt misbruikt. Misbruik maken van de Woo leidt tot verspilling van publieke middelen en levert het overheidsorganisaties een hoop extra werk op. Misbruik ondermijnt een goede werking van het openbaarheidsstelsel, bijvoorbeeld omdat dit ten koste gaat van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken.
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Transparantie van overheidshandelen en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn belangrijke waarborgen in onze democratische rechtsstaat. Misbruik van het recht om Woo-verzoeken te doen, is dan ook onacceptabel. Deze casus laat zien dat misbruik van de Woo mogelijk is.
Om misbruik tegen te gaan, bevat de Woo een antimisbruikbepaling. Van deze bepaling kunnen overheidsorganisaties gebruik maken als een Woo-verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Op dit moment heb ik geen signalen dat misbruik van de Woo op grote schaal voorkomt. Wel is het voor bestuursorganen soms lastig om te bepalen wanneer zij gebruik kunnen maken van de antimisbruikbepaling. Daarom hebben we een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen hierbij helpt.2 Daarnaast wordt dit jaar de Woo geëvalueerd, waarbij ook wordt gekeken naar de werking van de antimisbruikbepaling. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie kunnen we kijken of extra maatregelen nodig zijn om misbruik te voorkomen en te bestrijden.
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken.3 In dit onderzoek is niet specifiek gekeken naar bulkverzoeken, maar wel naar zogenaamde «zeer complexe» verzoeken,4 waar ook de hier bedoelde bulkverzoeken onder kunnen vallen. Op landelijk niveau vergen de 10% meest complexe Woo-verzoeken circa 30% van de totale tijd die wordt besteed aan de afhandeling van Woo-verzoeken. De gemiddelde tijdsbesteding voor zeer complexe Woo-verzoeken bedraagt 113 uren voor kleine gemeenten, 128 uren voor middelgrote gemeenten en 159 uren voor grote gemeenten. Dit betreffen uitdrukkelijk niet allemaal verzoeken waarmee misbruik wordt gemaakt van de Woo. In de wetsevaluatie wordt nader gekeken naar de effecten van de Woo in de praktijk en de werking van de antimisbruikbepaling. De uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten worden in de wetsevaluatie meegenomen.
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
Zoals eerder genoemd, heeft de Woo een antimisbruikbepaling (artikel 4.6) waarmee bestuursorganen een middel hebben om Woo-verzoeken die een ander doel hebben dan het verkrijgen van informatie niet in behandeling te nemen. Hier heeft de gemeente Utrecht in deze casus ook een beroep op gedaan.
Of de antimisbruikbepaling wordt ingezet, is een afweging die het bestuursorgaan zelf moet maken op basis van de relevante feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Er is dus geen standaardformule die altijd kan worden toegepast als er een vermoeden van een oneigenlijk of misbruikverzoek is. Zoals hiervoor al benoemd, is vanuit mijn ministerie – in samenwerking met een overheidsbrede werkgroep – een handreiking opgesteld met handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Zo kan met behulp van indicatoren uit de wet, jurisprudentie en de praktijk worden bepaald of in een casus toepassing van de antimisbruikbepaling passend is.
De handreiking is net gepubliceerd en moet zijn effect in de praktijk dus nog krijgen. Uiteraard herzien we zo nodig de handreiking op basis van signalen uit de praktijk en nieuwe jurisprudentie. Eventuele aanvullingen van het instrumentarium kunnen volgen naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo.
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Een goed werkend openbaarheidsstelsel is van groot belang. Binnen dit stelsel moeten zowel het recht op overheidsinformatie als mogelijkheden voor bestuursorganen om met misbruik van dit recht om te gaan, geborgd zijn. Het is daarom belangrijk om hier ook in het onderzoek van de wetsevaluatie grondig en objectief naar te laten kijken.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
Tijdens de wetsevaluatie van de Woo worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht. Hieronder vallen dus ook de doeltreffendheid van de antimisbruikbepaling en misbruik van de Woo in de praktijk. De onderzoekers zal worden gevraagd om aanbevelingen te doen voor verbetering van de uitvoering en uitvoerbaarheid van de wet.
In tussentijd zetten we al stappen om tot een betere uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te komen. Zo hebben we zeer recent een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen helpt bij het omgaan met misbruik van de Woo.5 Aan de handreiking hebben ook verschillende gemeenten meegewerkt. Ook is er een openbare internetconsultatie gedaan waarin iedereen op de concepthandreiking kon reageren. Vanuit de praktijk bleek vooral behoefte aan een handreiking met praktische handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. De handreiking is dan ook een praktisch product geworden dat helpt om misbruik van de Woo te herkennen en te bestrijden.
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Ik vind het niet noodzakelijk, en gezien de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht onwenselijk, om over deze kwestie in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Holland ook aangegeven deze kwestie hoog op te nemen en gemeld dat de betreffende rechter geen zaken meer behandelt totdat duidelijk is of het handelen gevolgen moet hebben (en zo ja, in welke vorm).6 De concrete acties die ik vanuit BZK onderneem, zoals de handreiking en het onderzoek in het kader van de wetsevaluatie, heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Ervaringen ingezetenencriterium»?1
Ja.
Hoe kan het dat ondanks het i-criterium, welke sinds 1 januari 2013 deel uitmaakt van de Opiumwet en gemeentes verplicht dit in het lokale beleid op te nemen, er nog steeds gemeentes zijn die deze plicht verzaken?
Op 1 januari 2013 werd het landelijk ingezetenencriterium (i-criterium) ingevoerd door opneming daarvan in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie (OM).
Het lokale bestuur stelt het lokale coffeeshopbeleid vast en voert daarop de regie. Burgemeesters zijn niet verplicht het landelijk i-criterium over te nemen in hun beleid en erop te handhaven, maar veel gemeenten hebben dit wel gedaan. Indien dit wordt opgenomen in het lokale beleid, kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Daarnaast kan het OM strafrechtelijk handhaven bij overtreding van dit criterium. Een verplichting daartoe bestaat niet: op grond van het opportuniteitsbeginsel komt het OM beleidsvrijheid toe om te bepalen welke zaak wordt opgepakt en welke niet.
De lokale driehoek (burgemeester, OM en politie) vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de handhaving. De gedachte hierbij is dat de uitvoering van het beleid lokaal maatwerk dient te zijn, zodat er aansluiting is met de dagelijkse praktijk in de betreffende gemeente. Afstemming over lokaal maatwerk vindt tevens plaats in de lokale driehoek. In afstemming met het OM en politie, en in lijn met het lokale coffeeshop- en/of veiligheidsbeleid, beslist de burgemeester dus over het wel of niet opnemen van het i-criterium in het lokale beleid en de prioriteit die hieraan al dan niet moet worden gegeven.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat gemeentes die het i-criterium wel in hun lokale beleid hebben opgenomen dit niet handhaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Nee, ik vind dat niet onacceptabel of een vorm van ondermijning van de rechtsstaat. De prioritering van de handhaving op het i-criterium wordt bepaald binnen de lokale driehoek. Deze partijen hebben immers het beste zicht op de veiligheid in de gemeente en welke inzet daarvoor nodig is. Het blijkt bovendien dat handhaving van het criterium in de ene gemeente een heel ander effect kan hebben dan in de andere gemeente. Handhaving van het criterium kan bijvoorbeeld ook voor meer overlast zorgen. Om die reden vind ik het passend, en zeker geen vorm van ondermijning, dat de afweging of het I-criterium wordt gehandhaafd op lokaal niveau wordt bezien.
Is het gedogen van eerdergenoemd gedrag door gemeentes geen vorm van ondermijning van de rechtsstaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Als de overheid zich al niet houdt aan wet- en regelgeving, wat verwacht u dan van de burger? Is dit geen fout voorbeeld?
Nee, ik vind dit geen verkeerd voorbeeld. Er is immers geen sprake van overtreding van de wet- en regelgeving door de overheid, maar juist van een fijnmazige afweging wanneer wel of niet wordt gehandhaafd op deze specifieke regel. Daarmee wordt recht gedaan aan de uiteenlopende effecten die handhaving van dit criterium in de concrete, lokale praktijk kan hebben.
Wekt het niet uitvoeren en handhaven van het i-criterium het wiettoerisme, met de bijbehorende overlast, niet in de hand?
Zoals blijkt uit het onderzoek van Breuer&Intraval wordt in 25 gemeenten (24%) het i-criterium met lage prioriteit gehandhaafd.2 Het is niet onderzocht of het beperkt of niet handhaven op het i-criterium leidt tot meer drugstoerisme en/of overlast. Uit het onderzoek blijkt wel dat deze gemeenten geen actief toezicht houden, omdat (problematisch) drugstoerisme juist ontbreekt. Handhaving vindt in deze gemeenten meestal plaats bij signalen van overlast.
Het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang, scholen springen bij»?1
Ja.
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Kinderen die heftige dingen hebben meegemaakt kunnen getraumatiseerd zijn. Het is inderdaad zo dat de impact van een trauma zowel korte- als lange termijn gevolgen kan hebben. Het is belangrijk dat kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang toegang hebben tot zorg als dat nodig is.
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink, vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Het rapport van Lenferink heeft geleid tot een keerpunt in de wijze waarop kinderen in de vrouwenopvang worden benaderd. Waar zij voorheen veelal werden beschouwd als meekomende gezinsleden van hun moeder, maakt Lenferink inzichtelijk dat kinderen zelfstandige slachtoffers zijn van huiselijk geweld, met eigen rechten en een eigen hulpvraag. Op basis van het rapport is in 2019 het normenkader «Kinderen in de opvang» opgesteld. Dit normenkader is later opgegaan in het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» en gaat over alle cliënten in de vrouwenopvang, dus ook kinderen. Dit normenkader omschrijft de standaarden waar de opvanginstelling aan moet voldoen om het «Keurmerk Veiligheid in de Vrouwenopvang» te mogen voeren.
De veiligheid van kinderen wordt op basis van het normenkader niet langer uitsluitend indirect benaderd via de ouder, maar expliciet en systematisch beoordeeld. Hulpverleners brengen per kind de risico’s in kaart en treffen maatregelen om zowel de veiligheid te waarborgen.
De inzet is dat kinderen doorgaans een eigen hulpverleningsplan en begeleiding ontvangen die aansluit bij hun specifieke behoeften. Deze ontwikkeling heeft geleid tot een meer systematische en doelgerichte inzet van hulp, wat bijdraagt aan het herstel en welzijn van kinderen. Kanttekening hierbij is dat, waar het nieuwsbericht ook aan refereert, in de praktijk deze hulpverlening voor kinderen niet altijd tijdig op gang komt.
Het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» vervult in deze ontwikkeling een cruciale rol. Het rapport van Lenferink beschrijft de noodzakelijke veranderingen en het normenkader heeft deze inzichten vertaald naar concrete, toetsbare normen voor de praktijk.
Dit laat onverlet dat in de praktijk de hulpverlening voor kinderen niet altijd goed op gang komt. Dit vind ik niet wenselijk. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen om de samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat knelpunten in de intergemeentelijke samenwerking worden voorkomen en de hulpverlening aan kinderen waar nodig goed op gang komt. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten als richting opvangorganisaties?
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet verplicht om veilige opvang te bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het keurmerk is een middel om veiligheid te concretiseren. Het normenkader is niet wettelijk afdwingbaar. Wel kunnen gemeenten bij de inkoop aan de opvanginstelling de eis stellen om het normenkader te hanteren. Het normenkader kan daarmee leiden tot een kwaliteitsverbetering. Maar gemeenten zijn vrij om hierin andere keuzes te maken.
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en aanspraak kunnen maken op zorg?
Kinderen die in Nederland verblijven kunnen aanspraak maken op jeugdhulp als zij dat nodig hebben. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Dat geldt ook voor kinderen die verblijven in de vrouwenopvang of in de maatschappelijke opvang. Juist voor deze kwetsbare groep kinderen is het belangrijk dat passende jeugdhulp wordt ingezet. Mede naar aanleiding van de motie Van den Hil (Kamerstuk 29 325, nr. 185) heb ik met verschillende partijen waaronder VNG, Valente en Jeugdzorg Nederland onderzocht waar de knelpunten zitten. Gebleken is dat knelpunten zich voordoen op de intergemeentelijke samenwerking. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen om deze samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat deze kinderen passende hulp ontvangen. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg ook daadwerkelijk krijgen?
Het klopt dat een deel van deze kinderen jeugdzorg nodig heeft. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Zoals ik in antwoord op vraag 5 heb aangegeven, doen zich soms knelpunten in de intergemeentelijke samenwerking voor. Ik ben met de VNG in gesprek om dit te verbeteren.
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding, en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor beschikbaar is?
Passende zorg voor kinderen binnen de vrouwenopvang en maatschappelijk opvang valt binnen het kader van de Jeugdwet. In de Jeugdwet is geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en inkoop van jeugdzorg. Gemeenten krijgen hiervoor middelen uit het Gemeentefonds. Deze generieke manier van financieren via het gemeentefonds betekent inderdaad dat hiervoor geen structureel budget per kind te identificeren is. Wat nodig is varieert ook per kind.
Binnen het onderwijs hebben scholen een zorgplicht voor alle kinderen en zorgt het samenwerkingsverband passend onderwijs er, samen met de aangesloten schoolbesturen, voor dat er voor alle kinderen en jongeren zo passend mogelijk onderwijs en ondersteuning is. Ook voor kinderen in de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Naast deze (extra) onderwijsondersteuning, is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp. Daarnaast kunnen ook brugfunctionarissen3, de jeugdgezondheidszorg en professionals van lokale teams kinderen (en ouders) ondersteunen. Het is daarom van belang dat onderwijs en gemeenten goede afspraken maken over de samenhangende inzet van onderwijsondersteuning en jeugdhulp.
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen, zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
De financiering van jeugdzorg is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten krijgen hiervoor middelen van de Rijksoverheid via het Gemeentefonds.
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging of uitstel van noodzakelijke zorg?
Het klopt dat het naar elkaar wijzen van gemeenten kan leiden tot vertraging of uitstel van de noodzakelijk zorg. Ik vind dit niet wenselijk. Op dit moment wordt in samenwerking met de VNG gekeken op welke wijze de intergemeentelijke samenwerking verbeterd kan worden. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg via motie Synhaeve c.s.?3
Ik heb recentelijk geen signalen ontvangen dat slachtoffers van huiselijk geweld zorg mijden uit angst dat ouders of partners via de zorgverzekeraar hun gegevens kunnen achterhalen. Naar aanleiding van de motie heeft overleg plaatsgevonden met Valente en Zorgverzekeraars Nederland om de bestaande regelingen voor gegevensafscherming van kwetsbare personen in kaart te brengen. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die ik voornemens ben voor het zomerreces te versturen.