Ondersteuning aan studenten met een functiebeperking |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Jet Bussemaker (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Student met handicap voelt zich verloren in het hoger onderwijs»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het rapport van het Centrum Hoger Onderwijs Informatie schetst over studenten met een functiebeperking? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik herken de inhoud van het rapport. Het jaarrapport van het Expertisecentrum handicap + studie, dat gemaakt is door het C.H.O.I., is gebaseerd op oordelen van studenten uit de Nationale Studenten Enquête (NSE) over 2016. Uit deze gegevens blijkt dat de tevredenheid van studenten met een functiebeperking in de afgelopen jaren is toegenomen en dat alle hogescholen en universiteiten in 2016 voldoende scoren op de voorzieningen voor deze studenten. Het doet mij deugd dat bij de studenten de waardering voor deze inspanningen is toegenomen.
Uit het rapport blijkt ook dat er verschil bestaat tussen de mate van tevredenheid op verschillende onderdelen van studeren met een functiebeperking. Gemiddeld is de tevredenheid over het begrip van docenten het hoogst en de tevredenheid over voorlichting het laagst. In de beleidsreactie op de studentenmonitor 2016 zijn deze verschillen ook benoemd en door mijn voorganger zijn maatregelen genomen om dit te verbeteren.2 Zo heeft Handicap + Studie samen met het ISO en de LSVb een infographic «Financieel slim studeren met een beperking» ontwikkeld over voorzieningen op financieel gebied voor studenten met een functiebeperking. Hogescholen en universiteiten zijn nadrukkelijk gevraagd studenten eenduidig en helder te informeren over de mogelijkheid tot ondersteuning uit het profileringsfonds.
Wanneer wordt ingezoomd op specifieke onderdelen, zoals het oordeel over de informatievoorziening en de begeleiding en aanpassingen in het onderwijs, scoren hogescholen en universiteiten gemiddeld voldoende. De mate van tevredenheid hierover is bij studenten in de afgelopen jaren toegenomen. Ik moedig de verbeteringen door de instellingen aan. Ook blijf ik de komende jaren de oordelen van studenten met een functiebeperking monitoren en bezie of de reeds ingezette verbeteringen voldoende resultaat blijven sorteren.
Vindt u het wenselijk dat de ondersteuning voor studenten met een functiebeperking per onderwijsinstelling in het hoger onderwijs verschilt? Zo nee, waarom niet?
In het hoger onderwijs bestaat diversiteit tussen de instellingen en dat biedt de instellingen ruimte eigen beleid te ontwikkelen voor o.a. de studenten met een beperking. Dat is een groot goed want op deze manier is maatwerk mogelijk. Daar waar instellingen lager scoren geldt dat verbeteringen mogelijk en nodig zijn vooral als instellingen op deze onderdelen geen voldoende scoren. Verschillende hogescholen en universiteiten hebben reeds verbeteringen ingezet, op het gebied van voorlichting, intake en begeleiding maar studenten zijn hierover onvoldoende geïnformeerd. Verder zijn instellingen verplicht, met het profileringsfonds, ondersteuning te bieden aan studenten die studievertraging oplopen door bijzondere omstandigheden, zoals het hebben van een functiebeperking. De instelling is zelf verantwoordelijk voor de hoogte en de inrichting van het fonds. De medezeggenschap heeft instemmingsrecht op het laatste punt.
Acht u het wenselijk dat er niet alleen een verschil is tussen onderwijsinstellingen, maar ook tussen gemeenten waar de student woont, waardoor het budget dat studenten met een functiebeperking ter ondersteuning ontvangen per gemeente flink verschilt. Zo ja, waarom?
Studenten met een beperking kunnen bij de gemeente een individuele studietoeslag op grond van artikel 36b Participatiewet aanvragen. De gemeenteraden zijn gehouden in een gemeentelijke verordening nadere invulling aan de individuele studietoeslag te geven, waaronder de hoogte van de studietoeslag. Hiermee hebben de gemeenten de mogelijkheid om het beleid af te stemmen op de lokale omstandigheden en in te passen in het eigen re-integratie en armoedebeleid. Deze decentralisatie brengt – als gevolg van het lokale democratisch proces – met zich mee dat er verschillen kunnen zijn in de ondersteuning die een student uiteindelijk van een gemeente krijgt. Ik ben bereid in gesprek te gaan met VNG, VH, VSNU, Handicap + Studie, ISO en LSVB over de ondersteuning voor studenten met een functiebeperking.
Binnen een hogeschool of universiteit kan de student daarnaast een beroep doen op het profileringsfonds. Hiermee stelt de hogeschool of universiteit extra middelen beschikbaar voor studenten die studievertraging oplopen als gevolg van hun beperking. In het Regeerakkoord is voorzien in een intensivering van het profileringsfonds voor studenten met een functiebeperking. Verder hebben alle hogescholen en universiteiten recent een brief ontvangen met een richtlijn voor uitkeringen uit het profileringsfonds. Met de hogescholen en universiteiten is afgesproken dat zij in het jaarverslag rapporteren over de aard en de omvang van de vergoedingen uit het profileringsfonds.
Bent u bereid om samen met gemeenten, universiteiten en hogescholen te komen tot een uniforme richtlijn over de studietoeslag die studenten met een functiebeperking ontvangen van gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de huidige bepalingen in de wet voor de gemeente en de instellingen voldoende kader bieden voor het uitkeren van een individuele studietoeslag en het verstrekken van middelen uit het profileringsfonds. Zie ook mijn antwoord bij vraag 4.
Bent u nog steeds van mening, zoals u in uw brief van 1 juni 2017 aangaf, dat de ingezette maatregelen ten aanzien van de voorlichting en begeleiding voldoende zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van de oproep van ISO, LSVb en Handicap + Studie om tot een Actieplan Informatievoorziening en Begeleiding voor studenten met een beperking te komen? Bent u bereid om zowel met deze studentenorganisaties als de Vereniging Hogescholen en de VSNU dat actieplan op te stellen? Zo nee, waarom niet?2
Ja, ik heb kennis genomen van de oproep. In het kader van de motie Bruins / Asante vinden op dit moment gesprekken plaats met studentendecanen, studenten en het Expertisecentrum handicap + studie over de motie en hun wens te komen tot een actieplan.5 Ik verwacht medio voorjaar 2018 uw Kamer over de uitwerking van de motie te kunnen informeren.
Bent u bereid om de antwoorden op deze vragen voor de begrotingbehandeling van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar de Kamer toe te sturen?
Ja
Het bericht dat olie- en gasbedrijven het Nederlandse onderwijs beïnvloeden |
|
Peter Kwint (SP), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Jet Bussemaker (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat olie- en gasbedrijven het Nederlandse onderwijs beïnvloeden, aldus het onderzoek van de Correspondent waaruit blijkt dat kinderen worden bestookt met argumenten van de fossiele industrie op school?1
In de kerndoelen en eindtermen wordt beschreven wat leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs ten minste moeten leren. Leraren bepalen daarbij zelf op welke wijze zij de lesstof aanbieden en welke leermiddelen en bronnen zij daarbij gebruiken. Ik heb daarbij geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat leerlingen door olie- en gasbedrijven «worden bestookt» met argumenten «van de fossiele industrie».
Hoe verhoudt dit onderzoek met het daarin genoemde lesmateriaal van onder andere de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) zich tot uw uitspraak dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zich niet herkent in het beeld dat bedrijven scholen gebruiken om draagvlak te verwerven voor hun producten of activiteiten?2 Ontkent het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hiermee niet de feitelijke situatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Allerlei maatschappelijk betrokken partijen maken leermiddelen voor het onderwijs. In alle gevallen is het aan scholen om hier verantwoorde keuzes in te maken. Ik ga er van uit dat de scholen hier op professionele en integere manier invulling aan geven en materialen van derden niet kritiekloos benutten in de les.
In hoeverre kan worden gesteld dat door de hoge werkdruk in het onderwijs leraren uit noodzaak een lespakket van een commercieel bedrijf gebruiken, zodat zij meer tijd over houden voor andere belangrijke werkzaamheden?
Ik heb, behalve de uitspraak die wordt gedaan in De Correspondent door de algemeen directeur van SME advies, geen signaal van de inspectie, scholen of leraren dat dit het geval is.
Vindt u dat lesmateriaal van commerciële bedrijven in de klas in strijd is met het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» waarin staat dat sponsoring niet de objectiviteit, geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het onderwijs, de scholen en betrokkenen in gevaar mag brengen en daarnaast het niet de onderwijsinhoud mag beïnvloeden, er geen impliciete reclame mag voorkomen en er geen sprake mag zijn van onvolledige of subjectieve informatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een van de uitgangspunten van het convenant is dat samenwerking tussen scholen en bedrijven ten goede komt aan het leer- en ontwikkelingsproces van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Voor bedrijven dient hun maatschappelijke betrokkenheid voorop te staan als zij scholen willen sponsoren.
In alle gevallen geldt echter dat scholen en andere onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor het maken van afwegingen over het onderhouden van banden met het bedrijfsleven en over het gebruik van lesmateriaal dat wordt aangeboden vanuit het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties. Zij maken daarmee dus ook zelf een inschatting van eventuele risico’s die hieraan zijn verbonden.
Bent u bereid om een verbod in te stellen op lesmateriaal van commerciële bedrijven en enkel lespakketten toe te staan van Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s)? Zo nee, waarom niet?
Nee. De leermiddelenmarkt is een vrije markt. Scholen en leraren bepalen, vanuit hun autonomie en professionaliteit, zelf welke leermiddelen zij gebruiken.
Hoe de leraar verplicht werd zich bij te scholen |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt de slogan van de Onderwijscoöperatie over het lerarenregister – «Van, voor en door de leraar» – zich tot de petities, waarin leraren oproepen om te stoppen met dit lerarenregister en schrijven dat zij hun bijscholing niet zullen bijhouden, en die bij elkaar ongeveer 38.000 keer getekend zijn? Deelt u de mening dat dit een teken is dat er vrijwel geen draagvlak is onder leraren voor dit lerarenregister?1
De wet is tot stand gekomen op basis van een intensieve samenwerking met de Onderwijscoöperatie, bestaande uit de grootste vertegenwoordigende lerarenorganisaties. In deze samenwerking zijn we gekomen tot een wet die in meerdere opzichten de zeggenschap van de leraar expliciteert en zijn positie versterkt. In de eerste plaats door de verantwoordelijkheid en zeggenschap van de leraar binnen de school te benoemen en af te bakenen. In de tweede plaats door het opstellen van de inhoud van het register volledig bij de beroepsgroep zelf te beleggen. Om de directe zeggenschap van leraren te garanderen, geldt hierbij het principe van «one man one vote».
Het vanuit de overheid samen optrekken met vertegenwoordigende organisaties is een goed gebruik. Ook bij bijvoorbeeld de invoering van de periodieke registratie in het BIG register is deze werkwijze gevolgd. Dat wil niet zeggen dat elke individuele beroepsbeoefenaar hierdoor automatisch voorstander is. Maar het ergens niet mee eens zijn, betekent niet dat het register in de opzet niet van, voor en door de leraar kan zijn. Dat eigenaarschap staat voor ons centraal in de gesprekken die wij over het register met de beroepsgroep voeren. Want wij kunnen ons goed verplaatsen in de zorgen: is de leraar daadwerkelijk eigenaar van zijn eigen professionele ontwikkeling, bepaalt de beroepsgroep daarbij inderdaad zelf wat wel en niet van waarde is, draagt het register bij aan beroepskwaliteit en daarmee aan het geven van zo goed mogelijk onderwijs aan de leerlingen, is de scholingsbehoefte van de leraar uitgangspunt van het register in plaats van het zetten van vinkjes. Om deze ambitie waar te maken is het van belang dat we in de eerste plaats ruimte laten aan de beroepsgroep om zich in dit eigenaarschap te ontwikkelen. Daarnaast vergt dit een fasegewijze aanpak, waarbij beroepsgroep en overheid steeds bekijken wat werkt in de schoolpraktijk van de leraar.
Wat vindt u van de conclusie van de schrijver van het artikel dat dit register nooit «van, voor en door de leraar» kan zijn, ook straks niet?
Die conclusie delen wij niet. Zoals ook het antwoord onder 1 aangeeft moet het eigenaarschap van de beroepsgroep het uitgangspunt zijn van het register. Daarover is ook het Regeerakkoord helder. Leraren weten immers als geen ander wat ervoor nodig is om je goed te blijven ontwikkelen in het beroep van leraar.
Welke conclusies heeft u getrokken uit de enquête in de zomer van 2014, waaruit bleek dat driekwart van de leraren geen verplicht lerarenregister wilde waarin bevoegdheid, bijscholen en een bewijs omtrent gedrag worden bijgehouden?
De enquête waaraan in het artikel van De Correspondent wordt gerefereerd is een enquête van de lerarenorganisaties zelf. De uitkomsten hiervan hebben de inzet bepaald van de OC-lidorganisaties in de gesprekken over de wet die met het departement zijn gevoerd. Dit heeft geleid tot een verbreding van de wet naar de professionele keten waarvan het register het sluitstuk is. Naast beroepskwaliteit is nu ook de zeggenschap en de professionele ruimte van de leraar wettelijk verankerd.
Zijn leraren bewust misleid of het lerarenregister al dan niet verplicht werd door de Onderwijscoöperatie, of was binnen de Onderwijscoöperatie niet iedereen op de hoogte van de strategie, zoals de schrijver van het artikel zich ook afvraagt?
Wij herkennen ons niet in het beeld dat de vraag suggereert. Het gaat hier om een wetgevingstraject waarbij, zoals dat bij wetgeving te doen gebruikelijk is, iedereen de stappen in het proces kan volgen en via internetconsultatie of brieven aan het parlement zijn mening kan laten horen.
Hoe blikt u terug op de werkwijze die u gehanteerd heeft, namelijk het lerarenregister zonder voldoende draagvlak alsnog opleggen aan leraren?2
In het Nationaal Onderwijsakkoord staat onomwonden dat het register vanaf 2017 wettelijk verankerd zal zijn. De betrokken partijen lieten echter ruimte voor een alternatief, namelijk via de weg van het algemeen verbindend verklaren. Het akkoord gaf aan dat 40% van de leraren zich in dat geval vrijwillig moest registreren. Dat is niet gehaald.
Voor een succesvolle werking van het register is het eigenaarschap en draagvlak onder leraren van belang. Tegelijkertijd willen wij ook het belang van leerlingen en hun ouders voorop stellen. Zoals in de memorie van toelichting bij de wet is aangegeven zijn er twee belangrijke aanleidingen voor de wet. Eén daarvan is de constatering dat het bekwaamheidsonderhoud nog niet overal voldoende van de grond komt. Voor de toekomst van de leerling is de kwaliteit van het onderwijs en dus de voortdurende professionele ontwikkeling van alle leraren dermate van belang dat het bekwaamheidsonderhoud niet vrijblijvend kan zijn. Dat laat onverlet dat het de leraren moeten zijn die bepalen wat van waarde is voor hun bekwaamheidsonderhoud.
Hoe verhoudt de passage uit de e-mail van Joost Kentson (voormalig voorzitter van de Onderwijscoöperatie) dat «(a)ls onderdelen van de wet-Plasterk in de registerwet worden opgenomen, zullen dat geen formuleringen zijn die de autonomie van de leraar onevenredig vergroten ten opzichte van de huidige situatie» zich tot de slogan «Van, voor en door de leraar»?
Het nadeel van het weergeven van korte fragmenten uit een langer lopend samenwerkingstraject is dat zaken uit hun verband worden gehaald en daardoor een onjuist beeld oproepen. Dit fragment maakt deel uit van de gezamenlijke zoektocht om enerzijds de positie van de leraar binnen de school en als beroepsgroep als geheel te versterken en om anderzijds te voorkomen dat het beroep van leraar een «closed shop» zou worden. Oftewel: kwaliteitsversterking van het beroep zonder de onderwijsarbeidsmarkt op slot te zetten. De heer Kentson refereert aan formuleringen die het laatste voorkomen.
Erkent u dat de Onderwijscoöperatie gedwongen werd mee te blijven werken aan het lerarenregister, omdat uit het proces stappen consequenties zou hebben voor de subsidie die zij ontvangen? Wat vindt u van deze gang van zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Hierbij geldt hetzelfde principe als bij het antwoord onder 6, zaken moet niet uit hun verband worden gehaald. Van de dwang die u beschrijft is geen sprake. Al in februari 2014 ontstond overeenstemming over de wettelijke verankering van het register.
Hoe kan gesteld worden dat het lerarenregister «van, voor en door de leraar» is, terwijl leraren volgens de Onderwijscoöperatie niet ingezet kunnen en willen worden op beleidsmatige onderdelen binnen de werkprocessen? In hoeverre zijn er leraren benaderd om deel te nemen aan deze werkprocessen?
Het register kan niet worden ontwikkeld zonder de actieve betrokkenheid van leraren. Dat is tot nu toe ook het geval geweest, al is dat in de beeldvorming niet altijd even duidelijk naar voren gekomen. De totstandkoming van het register kent drie pijlers: a) systeemontwikkeling, b) het ontwerp van het inhoudelijke kwaliteitskader door de beroepsgroep en c) implementatie. Vanzelfsprekend is de beroepsgroep aan zet bij het kwaliteitskader. Het register moet immers van, voor en door leraren zijn. Maar ook op de andere pijlers zijn leraren actief. Het gaat daarbij respectievelijk om deelname aan: a) meedenksessies en workshops, gebruikers- en gebruikersacceptatietests en release demo’s, en c) koplopersscholen, peer to peer gesprekken, ambassadeurs, en als redactieraad communicatie.
Wat heeft de invoering van het lerarenregister tot nu toe gekost en hoeveel kosten gaan daar nog bijkomen?
De kostenopbouw van het verplichte register ziet er als volgt uit:
Deelt u de mening dat er pas gesproken kan worden over een register «Van, voor en door de leraar» als er sprake is van draagvlak onder leraren? Zo ja, hoe zou het draagvlak vanaf nu georganiseerd en gemeten moeten worden? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten en stoppen met propageren dat dit lerarenregister «Van, voor en door de leraar» is?
Het draagvlak onder leraren is essentieel voor het welslagen van het register. Dat is precies de reden waarom de wet de positie van de beroepsgroep verstevigt en het Regeerakkoord de centrale rol voor het register bij de leraren zelf legt. Dat draagvlak krijgt in de eerste plaats vorm door de betrokkenheid van leraren zoals is weergegeven in het antwoord onder 8. Daarnaast is inmiddels de Deelnemersvergadering ingericht, als hét platform dat de zeggenschap van alle leraren mogelijk maakt en is de afvaardiging van de Deelnemersvergadering gekozen. De manier waarop de Deelnemersvergadering het eigenaarschap van de eigen beroepskwaliteit oppakt is een belangrijke indicator voor het draagvlak. U kunt daarbij onder meer denken aan de mate van betrokkenheid van leraren om via de Deelnemersvergadering inderdaad hun stem te laten horen. De 24 gekozen leraren van de afvaardiging vormen de voorhoede van de Deelnemersvergadering. Vanuit die voorhoede hebben zij een hele belangrijke rol in het leggen van verbinding tussen het register en de beroepsgroep.
Het nut van onderwijsovereenkomsten in het mbo |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «De waarde van de onderwijsovereenkomst in het mbo»?1
Ja.
Waarom is het middelbaar beroepsonderwijs de enige onderwijssector met de wettelijke verplichting tot een schriftelijke onderwijsovereenkomst tussen de instelling en de student? Vindt u dit gerechtvaardigd? Zo ja, vindt u dat er ook een wettelijke verplichting tot een onderwijsovereenkomst moet komen in het hoger onderwijs?
Bij de totstandkoming van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) vond de regering dat de schriftelijke onderwijsovereenkomst het meest geëigende instrument is om de rechtspositie van deelnemers in het mbo te versterken. Mij bereiken signalen – en ook uit de VU-verkenning blijkt dit – dat de schriftelijke vorm van de onderwijsovereenkomst in het mbo geen toegevoegde waarde heeft. Ik zal onderzoeken of deze conclusie juist is en zo ja, op welke andere wijze de rechtsbetrekking tussen instelling en student kan worden vormgegeven zodat enerzijds de rechtsbescherming en de positie van de student ten opzichte van de instelling in stand blijven maar anderzijds de administratieve lasten voor de instelling niet groter zijn dan nodig gelet op de doelstelling van de wetgever.
Deelt u de mening van de opstellers van het voornoemde rapport dat de onderwijsovereenkomst geen toegevoegde waarde heeft? Zo nee, waarom niet?
Het door mij toegezegde onderzoek zal moeten uitwijzen of de schriftelijke vorm van de onderwijsovereenkomst in het mbo geen toegevoegde waarde heeft. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u van mening dat de administratieve last voor instellingen die de onderwijsovereenkomst met zich mee brengt onevenredig groot is, vooral gezien het gebrek aan toegevoegde waarde van deze overeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Mijn streven is er op gericht om de administratieve lasten voor de instelling niet groter te laten zijn dan nodig gelet op de doelstelling van de wetgever.
Wat is de laatste stand van zaken inzake de uitvoering van de motie-Özdil, waarin wordt verzocht in het door u toegezegde onderzoek naar het nut van onderwijsovereenkomsten ook aanbevelingen te doen voor het versterken van de rechtspositie van studenten?2
De verkenning door de Kenniskring onderwijsrecht beroepsonderwijs van de Vrije Universiteit Amsterdam raakt het door mij toegezegde onderzoek naar het nut van onderwijsovereenkomsten. Om die reden heb ik gewacht met de uitvoering van het door mij toegezegde onderzoek dat ik op dit moment bezig ben aan te besteden.
Heeft het genoemde VU-onderzoek gevolgen voor uw onderzoek naar het nut van de onderwijsovereenkomst? Zo ja, welke?
Ja. De VU-verkenning omschrijft wat de bedoeling was van de wetgever en hoe de werking van de schriftelijke onderwijsovereenkomst in praktijk wordt ervaren. Dit hoeft naar mijn oordeel daarom niet nog eens te worden onderzocht.
Is het mogelijk om de onderwijsovereenkomst af te schaffen en de algemene rechten en plichten van studenten in het mbo in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) op te nemen om via deze weg de rechtspositie van studenten te versterken? Zo nee, waarom niet?
Die vraag is de kern van het door mij toegezegde onderzoek. Zo mogelijk zal ik de uitkomst van het onderzoek voor het einde van het jaar aan u sturen.
Kunt u de antwoorden op deze vragen voor de begrotingsbehandeling van OCW naar de Kamer sturen?
Ja.
Het bericht ‘Aboutaleb laat ‘kindercasino’ ongemoeid’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws van 5 oktober 2017 «Aboutaleb laat «kindercasino» ongemoeid: «Is voor een kind een soort kermis»?
Ja.
Hoe zijn de toegezegde gesprekken met de gemeenten verlopen naar aanleiding van de op 27 juni 2017 gestelde mondelinge vragen, waarbij is toegezegd dat in overleg zal worden getreden met de betrokken gemeenten om te kijken of er sprake is van oneigenlijk gebruik van een voorziening voor kermisspellen?
De kansspelautoriteit heeft in haar lopende overleggen met gemeenten het gebruik van het kermisregime besproken. Er is sprake van oneigenlijk gebruik van het kermisregime als aanbieders permanent kermisautomaten opstellen, zonder dat de gemeente heeft bepaald dat er sprake mag zijn van deze permanente kermisgelegenheid. Gemeenten hebben op grond van de Gemeentewet de bevoegdheid om te bepalen op welke wijze zij een kermisgelegenheid toestaan en of dit al dan niet permanent mag zijn. De Wet op de Kansspelen geeft geen aanvullend kader voor het al dan niet toestaan van (permanente) kermissen. Uit de gesprekken met gemeenten blijkt dat zij hier verschillend invulling aan geven, maar dat zij deze keuze weloverwogen maken. Daar waar nodig vindt kennisdeling plaats tussen de kansspelautoriteit en gemeenten. Er zijn de kansspelautoriteit geen gevallen bekend van amusementscentra die kermisautomaten aanbieden zonder dat zij aan de vereisten voldoen die gelden binnen die gemeenten.
Oneigenlijk gebruik van het kermisregime doet zich ook voor als de exploitant zegt dat hij kermisautomaten heeft opgesteld, terwijl dit in wezen kansspelautomaten zijn, met als doel het strikte kansspelautomatenregime te ontwijken. Hier houdt de kansspelautoriteit toezicht op. Zij heeft het merendeel van de amusementscentra waarin permanent kermisautomaten zijn opgesteld gecontroleerd. Naast een enkel geval van een automaat die onterecht was aangemerkt als kermisautomaat, waartegen passend is opgetreden, constateert de kansspelautoriteit geen moedwillige of structurele omzeiling van het strikte kansspelautomatenregime.
Ik maak hieruit op dat er geen sprake is van oneigenlijk gebruik van het kermisregime.
De huidige regelgeving staat kermisautomaten met een behendigheids- en een kansspelkarakter toe. In de amusementscentra wordt een relatief klein aanbod kermisautomaten met een kansspelkarakter aangetroffen. Toch deel ik, evenals mijn voorganger, de zorg van mevrouw Van Toorenburg over de mogelijke risico’s op kansspelverslaving bij jonge spelers in deze amusementscentra. De kansspelautoriteit heeft tijdens haar controles geconstateerd dat amusementscentra de risico’s van de aangeboden speelautomaten nog onvoldoende classificeren, hierbij rekening houdend met de (jonge) doelgroep waarop zij zich richten. De kansspelautoriteit heeft daarom in het kader van haar toezicht de bezochte amusementscentra verzocht deze risicoanalyse uit te voeren en op basis daarvan de nodige passende maatregelen en voorzieningen te treffen. Deze toezichtactiviteiten lopen nog.
Heeft de Kanspelautoriteit al een advies gegeven over deze arcadehallen specifiek gericht op kinderen? Zo ja, hoe luidt dit advies?
Nee. De kansspelautoriteit heeft haar toezichtactiviteiten bij de amusementscentra nog niet afgerond. Uiteraard zal de kansspelautoriteit mijn departement informeren en/of adviseren, als haar bevindingen hier aanleiding toe geven. Mocht dit zo zijn, dan zal ik uw Kamer daarover informeren.
Het bericht dat een ambtenaar van de gemeente Utrecht statushouders wierf voor zijn eigen taalschool |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de gemeente Utrecht een ambtenaar van de afdeling Werk en Inkomen ontslagen heeft omdat deze actief heeft geworven onder statushouders voor zijn eigen taalschool Maximaal Taal?1
Ja.
Is hier sprake van onaanvaardbare belangenverstrengeling? Komt het vaker voor dat ambtenaren op oneigenlijke wijze geld over de rug van statushouders proberen te verdienen?
De ambtenaar in kwestie was tevens bestuurder van een inburgeringsschool, dit betekent dat er een belang kan zijn geweest bij de contacten die door de ambtenaren gelegd zijn met inburgeraars die naar deze school zijn doorverwezen. Met in het achterhoofd dat het hier om een kwetsbare groep mensen gaat, is dit gedrag, indien dit aan de orde is, onaanvaardbaar.
Er zijn geen andere gevallen van vergelijkbare casuïstiek bekend.
Wat vindt u ervan dat steeds meer statushouders in handen vallen van malafide bureaus voor taalonderwijs? Wat gaat u eraan doen om dit in de toekomst te voorkomen?
Uw woordkeuze en analyse deel ik niet, als er misstanden zijn dan worden die aangepakt. Het gebeurt dat inburgeringscholen opgestart worden met de insteek om geld te verdienen. De lening die bij DUO kan worden aangevraagd heeft een maximum kwartaalbedrag. Dit is juist ingesteld om mensen te beschermen tegen malafide praktijken. Om onderwijs aan te bieden dat gefinancierd wordt middels een DUO lening is het noodzakelijk voor taalscholen dat zij beschikken over het keurmerk inburgering van Blik op Werk. Bij aanvraag van het keurmerk wordt een groot aantal zaken vooraf getoetst. Dit is een procedure die vergelijkbaar is met de werkwijze bij ISO-certificering. Daarnaast vindt er een schoolbezoek plaats nadat het aspirant keurmerk is toegekend. Tijdens dit bezoek wordt de leeromgeving van de cursisten bekeken. Daarnaast wordt nagegaan of de, voor het aspirant keurmerk, getoetste documenten toegepast worden. Tijdens het gesprek wordt de bedrijfsvoering besproken waarin de cursusadministratie een belangrijke rol speelt. Ook na dit eerste bezoek vinden er audits plaats en is er sinds een aantal maanden gestart met toezicht in de klas.
Erkent u dat statushouders een aantrekkelijke prooi zijn voor malafide bureaus vanwege de inrichting van het inburgeringsonderwijs waarbij statushouders € 10.000 kunnen lenen voor hun inburgering?
Zie antwoord vraag 3.
Wil het schorsen van het keurmerk door certificeringsbureau Blik op Werk ook zeggen dat Maximaal Taal geen taalles meer aan statushouders mag geven? Zo nee, wat heeft dit dan voor nut?
Wanneer een taalschool geschorst wordt van het keurmerk, dan is de betreffende dienstverlener verplicht dit te melden aan de cursisten. Aan cursisten moet tevens de mogelijkheid worden geboden om kosteloos het contract op te zeggen. De cursist kan vervolgens bij een andere keurmerkhouder verder met een inburgeringscursus. De cursist mag ervoor kiezen om de cursus toch bij de betreffende school af te ronden. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de cursist kort voor het examen zit. Voor nieuwe inburgeraars geldt wel dat voor deze school geen beroep meer kan worden gedaan op de leenfaciliteit van DUO.
Wat heeft het ondeugdelijke taalonderwijs voor gevolgen voor de inburgering van de betreffende statushouders? Hoe zijn de slagingspercentages van hen ten opzichte van andere statushouders?
Ondeugdelijk taalonderwijs is niet de reden dat Maximaal Taal geschorst is. De oorspronkelijke schorsing is opgelegd omdat er sprake was van ernstige administratieve omissies en klachten van o.a. leraren. Gezien het relatieve korte bestaan van deze taalschool zijn er, voor zover ons bekend, nog geen cursisten opgegaan voor het examen. Er kan dan ook niet worden beoordeeld of de taalschool op dit punt voldoet aan de normen voor slagingspercentages.
Heeft het ondeugdelijke taalonderwijs geleid tot het niet slagen van statushouders, waardoor zij een boete hebben ontvangen of een schuld hebben bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)? Zo ja, bent u bereid hen schadeloos te stellen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe houden certificeringsbureaus zoals Blik op Werk toezicht op de kwaliteit van het taal- of inburgeringsonderwijs? Voeren zij ook controles uit of gaan zij uitsluitend af op klachten die binnenkomen?
Blik op Werk acteert zeker niet alleen op klachten. Zoals ook aangegeven bij vraag 3 wordt bij de aanvraag van het (aspirant) keurmerk een groot aantal zaken vooraf getoetst. Dit is een procedure die vergelijkbaar is met de werkwijze bij ISO-certificering. Daarnaast vindt er een schoolbezoek plaats nadat het aspirant keurmerk is toegekend. Tijdens dit bezoek wordt de leeromgeving van de cursisten bekeken. Ook wordt nagegaan of de voor het aspirant keurmerk getoetste documenten daadwerkelijk worden toegepast. Tijdens het gesprek wordt de bedrijfsvoering besproken waarin de cursusadministratie een belangrijke rol speelt. Het gaat hier om een goede indruk over de organisatie. Om de didactiek te beoordelen vinden er komende jaren bij alle aangesloten taalscholen inspecties plaats. Daarnaast vindt er jaarlijks een tevredenheidsonderzoek plaats onder alle cursisten die de school verlaten hebben of meer dan 75% van hun inburgeringstraject hebben afgerond. Bovendien worden de administratie en behaalde resultaten jaarlijks door de auditor gecontroleerd.
Hoeveel certificeringsbureaus en keurmerken zijn er voor het taal- en inburgeringsonderwijs? Bent u van mening dat zij voldoende doen om de kwaliteit te bewaken?
Blik op Werk is de enige organisatie die de inburgeringsscholen een keurmerk kan toekennen. Het keurmerk is een voorwaarde voor de inzet van de leenfaciliteit bij DUO. Het toezicht dat Blik op Werk houdt op de kwaliteit beslaat meerdere terreinen; er vinden audits plaats, een klanttevredenheidsonderzoek is verplicht en aanvullend vindt er toezicht in de klassen plaats. Ook is er een klachtenlijn waar klachten over taalscholen gemeld kunnen worden. Er is genoeg kennis en kunde beschikbaar bij Blik op Werk voor het bewaken van de kwaliteit. Wanneer er specifieke expertise nodig is zoals bij het toezicht in de klassen, dan wordt dit extern uitgezet.
Bent u inmiddels bereid te erkennen dat de Wet inburgering en het introduceren van marktwerking in de inburgering een misstap is geweest waarvan de samenleving op termijn de wrange vruchten plukt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit kabinet heeft in het regeerakkoord aangekondigd de wijze waarop inburgeringscursussen worden gegeven en de examens worden getoetst te zullen herzien waarbij kwaliteit, effectiviteit en handhaving van belang zijn.
Het bericht ‘Het ging taalschool om het geld' |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het ging taalschool om het geld»?1
Ja.
Waarom duurde het zo lang voordat signalen over slechte lessen en kwalijke praktijken de instanties bereikten en er werd ingegrepen door intrekking van het keurmerk?
Blik op Werk heeft (anonieme) klachten over Maximaal Taal B.V. binnengekregen die dusdanig ernstig waren dat Blik op Werk onmiddellijk actie heeft ondernomen. De taalschool werd verplicht binnen 5 werkdagen hoor/wederhoor te geven. De aantijgingen waren van dien aard dat Blik op Werk binnen 10 werkdagen na het gesprek met deze taalschool over is gegaan tot schorsing van Maximaal taal B.V (3 juli 2017).
De schorsing is vervolgens op 23 oktober verlengd vanwege mogelijke belangenverstrengeling en de klacht van de gemeente Utrecht hierover. Ook speelde mee dat er onvoldoende cursisten waren om een goed beeld te kunnen schetsen wat betreft de waardering van de lessen.
Blik op Werk heeft toezicht in de klas laten uitvoeren waaruit bleek dat de kwaliteit van het gegeven onderwijs voldoende was. Aanvullend is er een tevredenheidsonderzoek uitgevoerd door Panteia, waarvan Blik op Werk op 2 november de resultaten heeft ontvangen. Op grond van het tevredenheidsonderzoek is besloten het keurmerk definitief in te trekken.
Gezien de bovengenoemde ontwikkelingen en de zorgvuldigheid die hierbij moet worden betracht acht ik dit een acceptabele termijn.
Hoe kan het dat de huidige taallessen bij deze taalschool doorgaan, terwijl het keurmerk is opgeschort? Moeten de lessen niet worden opgeschort?
Uit toezicht in de klas blijkt dat bij de vestiging van Maximaal Taal B.V. die nu nog open is de kwaliteit van het onderwijs voldoende is. Het besluit om het keurmerk in eerste instantie op te schorten in plaats van meteen in te trekken is gemaakt, omdat in het geval van intrekking van het keurmerk vooral inburgeraars die vlak voor het examen zitten gedupeerd zouden worden. Deze inburgeraars zouden dan vlak voor afronding van hun cursus een andere school moeten zoeken. Bij intrekking van het keurmerk kunnen de lessen namelijk niet meer via de DUO-lening gefinancierd worden. In het geval van schorsing hebben cursisten wel onmiddellijk de mogelijkheid om kosteloos hun contract te beëindigen en over te stappen naar een andere taalschool.
Nu het keurmerk is ingetrokken zullen cursisten de mogelijkheid krijgen om een andere school/aanbieder te vinden. In hoeverre dit leidt tot een aanpassing van de verplichte termijn die gesteld is aan het behalen van het inburgeringsexamen is ter beoordeling aan DUO.
Is er een goed en laagdrempelig meldpunt voor vluchtelingen die klachten hebben over hun taalschool?
Elke taalschool met het keurmerk van Blik op Werk heeft een klachtenreglement. Als een klacht niet naar tevredenheid wordt afgehandeld kunnen cursisten naar de telefonische klachtenlijn bellen van Blik op Werk. Elke taalschool (keurmerkhouder) moet hierover actief communiceren met de inburgeraars. Daarnaast kan de klachtenlijn ook bereikt worden via email. Inburgeraars kunnen hierbij in hun eigen taal hun klacht indienen: er is een Engels en Arabisch sprekende medewerker. Indien andere talen noodzakelijk zijn wordt een tolk ingezet. Blik op Werk houdt periodiek toezicht op taalaanbieders via audits en sinds kort is er ook sprake van toezicht in de klassen. Het is van groot belang dat klachten worden gemeld, zodat Blik op Werk hier actief op kan handelen. Wanneer de kwaliteit onvoldoende blijkt te zijn of wanneer er bepaalde onrechtmatigheden plaatsvinden, kan Blik op Werk overgaan tot schorsing of intrekking van het keurmerk.
Vindt u het wenselijk dat vluchtelingen op deze manier volledig verantwoordelijk zijn voor het vinden van een goede taalschool?
Er zijn hulpmiddelen voor gemeenten om inburgeraars te ondersteunen bij hun keuze voor een taalschool. Deze mogelijkheden zijn toegelicht in de brief «inburgering» van 11 oktober 2016 (Kamerstuk 32 824, nr. 161). Zo zijn er bijvoorbeeld extra mogelijkheden voor ondersteuning vanuit de gemeenten, zoals de maatschappelijke begeleiding inclusief het participatieverklaringstraject (onderdeel hiervan is de taak om asielgerechtigden te adviseren over de te volgen inburgeringcursus) en de taaleis in de bijstand. Gemeenten kunnen zelf bepalen hoe zij invulling geven aan deze ondersteuning. Daarnaast hebben gemeenten sinds 27 juni 2017 beschikking over relevante gegevens uit het informatiesysteem ISI m.b.t. het participatieverklaringstraject (Stb. 2017, 286) en zijn er op gemeenteniveau periodieke rapportages beschikbaar op de DUO website, om zo een beter zicht op de voortgang van de inburgering in hun gemeente te krijgen. Mijn ambtsvoorganger schreef voor de zomer in de pre-evaluatiebrief al dat gemeenten dit inmiddels goed hebben opgepakt (Kamerstuk 32 824, nr. 199). Dit kabinet heeft in het regeerakkoord aangekondigd een grotere rol voor
gemeenten te zien in de inburgering. Komende tijd wordt u over de uitwerking hiervan nader geïnformeerd.
Bent u bereid te onderzoeken hoe gemeenten meer grip kunnen krijgen op de inburgering van hun inwoners, bijvoorbeeld door hen mee te laten lezen voordat vluchtelingen een contract met een taalschool aangaan?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat taalscholen geld verdienen aan het scholen van vluchtelingen en het kennelijk dusdanig lucratief is om er mee te frauderen?
Het inburgeringsonderwijs is tot dusver gekoppeld aan een vrije markt van vraag en aanbod waarin de kwaliteit wordt gewaarborgd. Inburgeraars kiezen zelf hun traject. Gezien de grote instroom van vluchtelingen een aantal jaar geleden is het niet onlogisch dat het aantal spelers in de markt is toegenomen. Nieuwe taalscholen kunnen het aspirant keurmerk aanvragen bij Blik op Werk en na een jaar als zij voldoen aan de verplichtingen het reguliere keurmerk ontvangen. Veel taalscholen voldoen aan hun verplichtingen. Door middel van jaarlijkse audits en het toezicht in de klas op de kwaliteit van het onderwijs probeert Blik op Werk voldoende garantie te geven. Daarnaast is er ook extern toezicht op de kwaliteit georganiseerd en krijgen alle taalaanbieders voor het eind van 2018 bezoek van toezichthouders. In geval van fraude is het van belang dat mensen dit zo spoedig mogelijk melden bij de daartoe aangewezen instantie zodat actie kan worden ondernomen. Dit kabinet heeft in het regeerakkoord aangekondigd de wijze waarop inburgeringscursussen worden gegeven en de examens worden getoetst te zullen herzien waarbij kwaliteit, effectiviteit en handhaving van belang zijn.
Deelt u de mening dat de huidige marktwerking in de inburgering de oorzaak is voor dit soort ongewenste praktijken?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat dit bericht aanleiding is om het inburgeringssysteem om te vormen tot een publiek stelsel zonder marktwerking waarbij de overheid verantwoordelijkheid neemt voor de inburgering?
Zie antwoord vraag 7.
De grote zorgen van Uneto-VNI over schreeuwende tekorten aan mensen met technische opleidingen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de zorgen van de ondernemingsorganisatie voor de installatiebranche en de technische detailhandel Uneto-VNI over schreeuwende tekorten aan goede vakmensen?1
Wij delen deze zorgen. Al geruime tijd is er sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod van technisch geschoold personeel. Daarom hebben de bewindspersonen van OCW, EZ en SZW in 2013 het Techniekpact ondertekend samen met werkgevers en werknemers. De cijfers in de monitor Techniekpact laten zien dat deze aanpak vruchten begint af te werpen2.
Deelt u de analyse van Uneto-VNI dat techniek steeds dominanter wordt, bijvoorbeeld bij werkgelegenheid in de bouw en de gezondheidszorg?
Wij delen deze analyse. Nieuwe technieken kunnen in de huidige kwalificatiestructuur mbo ook worden opgenomen in het curriculum, onder andere in de keuzedelen.
Hoe verklaart u dat in sommige regio’s juist technische vmbo-opleidingen worden gesloten?
In de afgelopen vijf jaar is er een afname te zien van het aantal vestigingen dat technische profielen aanbiedt. Opvallend is dat in 2016 het aantal is toegenomen, waardoor het aantal vestigingen bijna gelijk is aan het aantal in 2012.
Het is het besluit van schoolbesturen om te stoppen of te starten met een profiel techniek. De keuze om te stoppen kan aan veel zaken liggen. Een afname van het aantal leerlingen, waardoor het relatief steeds duurder wordt om een profiel in de lucht te houden, is daarin een belangrijke factor.
In het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet € 100 miljoen investeert in een dekkend aanbod en versterking van de kwaliteit van het technisch vmbo. Deze investering biedt vmbo-scholen samen met vervolgonderwijs en bedrijfsleven de mogelijkheid om blijvend een adequaat en kwalitatief hoogstaand aanbod van technisch vmbo te realiseren. Daarbij leggen we de focus op de levensvatbaarheid van het technisch beroepsonderwijs in de regio. Daarvoor is samenwerking vereist met het bedrijfsleven en het vervolgonderwijs.
Wat zijn de consequenties ervan dat men in het middelbaar beroepsonderwijs werkt met verouderde apparatuur en verouderde docenten voor de aansluiting van het mbo op de technische beroepen op lange termijn?
Aangenomen dat u met verouderde docenten doelt op docenten met verouderde kennis, delen wij het in de vraag geschetste beeld van het mbo niet. Zeker niet als het om de technische opleidingen gaat. Juist door maatregelen als het Regionaal investeringsfonds mbo hebben veel opleidingen beschikking gekregen over «state of the art»-apparatuur. Hierdoor worden ook docenten uitgedaagd om zich te blijven ontwikkelen. Ook andere maatregelen uit het Techniekpact hebben effect gehad op de professionalisering van technische docenten, zoals de door het Ministerie van OCW gesubsidieerde Toptechniek in Bedrijf netwerken.
Wel hebben wij zorgen over de beschikbaarheid van docenten voor de technische sector. In een brief van het Ministerie van OCW over de onderwijsarbeidsmarkt van 29 november 2016 is uw Kamer over de arbeidsmarktontwikkelingen en (verwachte) toekomstige tekorten in de verschillende onderwijssectoren geïnformeerd.3 In het Plan van aanpak lerarentekort, dat op 24 februari jongstleden naar uw Kamer is verstuurd, wordt een aantal oplossingsrichtingen en acties voorgesteld die ook bijdragen aan het tegengaan van dreigende tekorten aan docenten techniek.4 Specifiek met betrekking tot docenten techniek en het beroepsonderwijs verwachten wij veel van een regionale aanpak waarbij (v)mbo-instellingen, lerarenopleidingen en bedrijfsleven samenwerken om nieuwe doelgroepen te interesseren en te mobiliseren voor het technisch docentschap, om een flexibel en modulair opleidingsaanbod voor deze doelgroepen te ontwikkelen en om de mobiliteit tussen bedrijfsleven en beroepsonderwijs te vergroten (circulaire carrières, hybride docenten). Binnenkort wordt u geïnformeerd over de uitvoering en uitwerking van de acties in dit plan.
Ziet u aanleiding om het aantal plaatsen waar men leraren opleidt tot docenten in technische beroepen, uit te breiden? Zo ja, wat zijn uw plannen hiervoor? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Stigmatiserende lesmethodes |
|
Zihni Özdil (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Leesmethode basisschool maakt Chinezen belachelijk»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de omschrijving van de «-ng» als Chinese letter en de instructie voor het maken van het gebaar waarmee de klank kan worden aangeduid, namelijk het maken van spleetogen met de wijsvingers, als stigmatiserend kan worden aangemerkt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit kan als stigmatiserend worden aangemerkt omdat met dit gebaar een bevolkingsgroep wordt gelijkgesteld aan een stereotiep uiterlijk kenmerk.
Deelt u de mening dat dergelijke stereotype beschrijvingen niet thuishoren in een lesmethode voor het basisonderwijs, omdat door dergelijke teksten vooroordelen en stereotypen ontstaan bij jonge kinderen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik.
Zijn er meer gelijksoortige lesmethodes bij u bekend met dergelijke stereotyperende teksten of opdrachten? Zo ja, bent u voornemens om dit tegen te gaan en hoe gaat u dat doen?
Deze zijn niet bij mij bekend.
Bent u bereid te onderzoeken of er meer gelijksoortige lesmethodes met dergelijke stereotyperende teksten of opdrachten zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan hier een onderzoek naar te starten. Aangezien de verantwoordelijkheid voor de inrichting van het onderwijsproces en de keuze van lesmaterialen is belegd bij het bevoegd gezag van scholen, is het niet aan de overheid om de kwaliteit en inhoud van lesmateriaal te beoordelen. Leerlingen, ouders of leraren die klachten hebben over lesmateriaal kunnen hierover het gesprek aangaan met de school of desbetreffende uitgever. Het is vervolgens aan de school en/of de uitgever om af te wegen welke aanpassingen worden doorgevoerd. Een voorbeeld van dit proces is te vinden in de casus die de vraagstellers aanhalen. Hier werden de lesmethode en instructie na de opmerking van de ouder door de uitgever aangepast.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat er meer bewustwording komt bij uitgeverijen, leerkrachten en onderwijskundigen over stereotypen in lesmethodes? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bent u voornemens te doen om deze bewustwording te stimuleren?
Het is wat mij betreft belangrijk dat uitgeverijen, leerkrachten en onderwijskundigen zich in het algemeen bewust zijn van (het effect van) stereotypen. Het gaat hierbij niet enkel om stereotypen gebaseerd op afkomst, maar ook bijvoorbeeld op basis van gender of seksuele voorkeur. Het is aan scholen en uitgeverijen zelf om deze bewustwording verder te ontwikkelen. De overheid heeft hier geen rol in.
Het niet tijdig beschikbaar zijn van digitale leermiddelen |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat diverse scholen niet in de digitale leermiddelen voor hun leerlingen kunnen voorzien, doordat distribiteur Van Dijk hierin niet heeft voorzien?1
Ik ben hiervan op de hoogte. Alhoewel Van Dijk, als distributeur, voor veel scholen het eerste aanspreekpunt is, worden de verstoringen in de levering van en toegang tot digitale leermiddelen niet door één partij of één systeem veroorzaakt. Naast distributeurs, hebben ook de educatieve uitgevers, leveranciers van digitale leeromgevingen en scholen zelf hun verantwoordelijkheden in het proces.
Kunt u inventariseren hoe groot de problemen zijn? Op welke schaal zijn er problemen? Hoe lossen scholen dit in de tussentijd op? Hebben de problemen soortgelijke oorzaken?
De problemen hebben uiteenlopende oorzaken. Ieder jaar wordt er een grote operatie uitgevoerd om alle leerlingen in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs van de juiste digitale leermiddelen te voorzien. Dit is een complex samenspel tussen distributeurs, de verschillende uitgevers waar scholen zaken mee doen en de leveranciers van digitale leerplatforms. De overheid heeft hierin geen rol. Door wijzigingen in de ict-systemen, processen en werkwijzen, hebben al deze partijen verstoringen en incidenten ervaren. Doordat er dit jaar veel aanpassingen, in korte tijd, tegelijk zijn uitgevoerd, zijn de problemen groter dan in voorgaande jaren. Ook neemt het belang van digitaal leermateriaal voor het onderwijs toe, wat maakt dat de problemen groter zijn voor de gebruikers. De private partijen hebben aangegeven een onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de problematiek. Ik vind het belangrijk dat dit onderzoek er komt, zodat problemen in de toekomst zoveel mogelijk voorkomen worden.
Het aantal problemen is sinds het begin van het schooljaar door het optreden van bovengenoemde partijen fors gedaald. Begin september waren er problemen op naar schatting 80 scholen in het voortgezet onderwijs. Eind deze week zijn er nog iets meer dan 10 scholen waar leerlingen problemen ondervinden in het verkrijgen van toegang tot digitaal lesmateriaal. Ook studenten in het mbo ervaren nog problemen. Elk geval is uiteraard vervelend en er een te veel. Mij is verzekerd dat er hard gewerkt wordt om ook de laatste problemen op te lossen.
Welke stappen kunnen de scholen zetten richting Van Dijk, nu zij de eerste weken van het schooljaar niet over de benodigde digitale leermiddelen beschikken?
Gelet op het feit dat de oorzaken van de verstoringen divers zijn, doen scholen er verstandig aan om voor hun specifieke situatie in overleg te treden met hun leveranciers. Scholen hebben contracten gesloten met hun leveranciers, binnen deze afspraken zullen zij onderling tot een bevredigende oplossing moeten komen voor de gerezen problemen.
Hebben deze problemen te maken met recent aangescherpte privacywetgeving of zijn deze problemen er elk jaar? Kunt u een toelichting geven?
Ieder jaar worden systemen van uitgevers, distributeurs en softwareleveranciers aangepast om betere producten te maken. Zij maken daar onderling afspraken over. Ieder jaar zijn er incidenten. Deze zijn vaak te herleiden tot een specifieke organisatie of een specifiek ict-systeem. Dit jaar stonden een aantal van de wijzigingen in het teken van het vergroten van de bescherming van de privacy van leerlingen. Zo worden er alvast maatregelen genomen om minder persoonsgegevens uit te wisselen. Dat is op zichzelf wenselijk, gelet op de voorgenomen invoering van een pseudoniem voor leerlingen en het feit dat in mei 2018 de Algemene Verordening Gegevensbescherming van toepassing wordt die op onderdelen strengere eisen stelt aan de verwerking van persoonsgegevens.
Gaat het wetsvoorstel pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer bijdragen aan het voorkomen van de problematiek? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, wat is er dan nodig om in de toekomst deze problemen te voorkomen?
Ja, dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat er één betrouwbaar nummer voor elke leerling komt. Scholen kunnen dat nummer vervolgens gebruiken in hun uitwisseling met hun leveranciers. Daarmee wordt een belangrijke aanleiding van de huidige problemen weggenomen, want het is juist het gebrek aan een betrouwbaar nummer dat deze problemen mede veroorzaakt. Uiteraard moet de invoering van het pseudoniem zorgvuldig gebeuren, goed doordacht en grondig getest worden, om de problemen die we dit jaar zien te voorkomen. Er vindt een geleidelijke uitrol plaats. De uitkomsten van eerdergenoemd onderzoek zijn daarbij belangrijk. In het wetsvoorstel pseudonimiseren is ook een evaluatiebepaling opgenomen om de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van de wet binnen vijf jaar te evalueren.
Tegelijkertijd is deze wet niet de oplossing voor alles. Zoals bij het antwoord op vraag 2 al aangegeven, zijn er verschillende oorzaken voor de opgetreden problemen. Het wetsvoorstel pseudonimiseren draagt bij aan het verminderen van de complexiteit in de keten, maar ict-systemen worden voortdurend aangepast. Incidenten zullen er altijd zijn, ook in de toekomst.
Kunt u de marktverhoudingen schetsen waarin distribiteur Van Dijk zich bevindt? Kunt u daarbij aangeven hoe deze zijn ontstaan?
Op de leermiddelenmarkt zijn meerdere partijen actief. Distributeurs, educatieve uitgevers, leveranciers van leeromgevingen en leerlingvolgsystemen en nieuwe (innovatieve) toetreders. De verhoudingen op deze markt zijn de afgelopen jaren nauwelijks veranderd. Drie grote uitgevers en twee distributeurs zijn de dominante spelers op de markt van leermiddelen. Van Dijk heeft circa 70 procent van het marktaandeel op de distributiemarkt in het VO. De grenzen tussen de verschillende rollen in de traditionele leermiddelenketen zijn aan het vervagen vanwege de digitalisering en de wens van scholen tot integratie van diensten. Deze verhoudingen zijn ontstaan door de vraag die schoolbesturen aan de markt stellen (voornamelijk maximale ontzorging) en door fusies en overnames van marktpartijen.
Kunt u aangeven hoe de kosten voor digitale leermiddelen zich hebben ontwikkeld ten opzichte van conventionele leermiddelen, zoals boeken en werkmappen? Hoe verhouden de kosten voor een jaarlijkse licentie voor digitale leermiddelen zich tot het aanschaffen van boeken?
Ik heb geen inzicht in hoe de kosten voor digitale leermiddelen zich hebben ontwikkeld ten opzichte van conventionele leermiddelen. Soms zijn digitale leermiddelen een klein onderdeel van een methode, soms vervangt het de functie van het traditionele werkboek en soms is een methode in zijn geheel digitaal te verkrijgen. Alle partijen bieden gekoppelde producten aan en dit neemt alleen maar verder toe.2 In het algemeen zijn digitale leermiddelen niet goedkoper dan traditionele leermiddelen, maar bieden zij in veel gevallen wel meer functionaliteit.
Uit de evaluatie van de «Wet Gratis Schoolboeken» blijkt ook dat er weinig gegevens zijn over kostprijzen en winst, omdat zowel distributeurs als uitgevers op verschillende binnen- en buitenlandse markten actief zijn en vaak onderdeel zijn van een holding. De kosten per leerling voor leermiddelen (boeken en digitaal samen) lijken sinds de invoering van de «Wet Gratis Schoolboeken» in 2009 wel constant te blijven. Het budget dat binnen de lumpsum voor leermiddelen wordt gegeven (€ 306,00 per leerling) functioneert als richtprijs in de markt, zowel voor de vragers, als de aanbieders.
Hoe verwacht u dat de markt voor digitale leermiddelen en distributie daarvan zich gaat ontwikkelen? Zijn er voldoende mogelijkheden om toe te treden tot deze markt? Welke opties u ziet om innovatie te bevorderen in deze markt?
De beoogde effectieve concurrentie op de leermiddelenmarkt is nog niet gerealiseerd. In de evaluatie van de «Wet Gratis Schoolboeken» werd geconcludeerd dat er voldoende marktwerking is op het niveau van de uitgevers. Door digitalisering neemt het aantal aanbieders van leermateriaal eerder toe dan af. Er zijn amper toetreders in de (fysieke) distributie, omdat de toetredingsdrempels hoog zijn: de kortingspercentages van uitgevers voor de bestaande distributeurs, de schaalvoordelen in een krimpmarkt, de opgedane expertise met fijndistributie en de (juridische) kennis van aanbesteden dragen hieraan bij.3
Ik zie wel goede ontwikkelingen aan de scholenkant. Het is belangrijk dat schoolbesturen daadwerkelijk ander inkoopgedrag laten zien om stappen te zetten naar een meer effectieve leermiddelenmarkt. Er wordt door het funderend onderwijs stevig ingezet op het professionaliseren van de vraagsturing. Het Doorbraakproject Onderwijs en ICT heeft concrete producten opgeleverd die hierbij ondersteunen. Zo kunnen schoolbesturen hulp krijgen bij het doen van een aanbesteding, onder meer door een aanbestedingsadviesraad, zijn er sectorbrede inkoopvoorwaarden en is er recent een nieuwe versie van een programma van eisen voor leermiddelen ontwikkeld dat schoolbesturen kunnen benutten bij hun aanbesteding. Deze eisen beogen de transparantie te vergroten, onnodige toetredingsdrempels weg te nemen en alternatieve kanalen van levering van digitaal materiaal te bevorderen.
Ook zie ik tot mijn tevredenheid dat door een aantal schoolbesturen het initiatief wordt genomen om tot een ict-coöperatie te komen, vergelijkbaar met hoe SURF in het hoger onderwijs functioneert. De ict-ontwikkelingen gaan snel en het is voor scholen lastig om actuele kennis in huis te hebben. Ik zie de coöperatie als een kans om de versnippering in de sector aan te pakken en de vragen vanuit schoolbesturen te bundelen om zo een betere prijs/kwaliteit-verhouding te realiseren.
De verslechterde positie van promovendi |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitkomsten van de Monitor Arbeidsvoorwaarden Promovendi 2016 van het PNN?1
Ja. Vorig jaar hebben de leden Mei Li Vos en Kerstens (PvdA) mij naar aanleiding van de monitor 2015 soortgelijke vragen gesteld.
Herkent u de conclusie van de betreffende monitor, namelijk dat de arbeidsvoorwaarden van promovendi in Nederland zijn verslechterd de afgelopen jaren? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het beeld dat de arbeidsvoorwaarden van promovendi in Nederland zijn verslechterd, herken ik niet. De monitor waaraan u refereert betreft alleen de contractvorm en de aanstellingsduur. Andere arbeidsvoorwaarden worden daarin niet genoemd. De gegevens voor het onderzoek zijn afkomstig uit de vacatureteksten van Academic Transfer. Dit is de belangrijkste en grootste Nederlandse vacaturebank voor posities bij universiteiten, universitair medische centra en andere kennisinstellingen. Onduidelijk is of dit alle vacatures betreft. Ook valt op basis hiervan niets te zeggen over de afspraken die daadwerkelijk tussen een werknemer en een werkgever worden gemaakt.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat, zoals PNN concludeert, het percentage «dubieuze» aanstellingen (meestal contracten korter dan vier jaar, verplicht parttime en/of grote onderwijsbelasting) is toegenomen ten opzichte van 2015, van 10,1% naar 14,2%? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen bieden arbeidsovereenkomsten of aanstellingen aan die in overeenstemming zijn met de wet en de universitaire collectieve arbeidsovereenkomst. Dat kan ook een dienstverband zijn van korter dan vier jaar of van minder dan 1 fte. Er is geen sprake van «dubieuze» contracten.
Uit navraag naar de praktijk is gebleken dat dienstverbanden die kleiner zijn dan 1 fte doorgaans in onderling overleg worden afgesloten tussen werkgever en werknemer. De dienstverbanden van drie jaar zijn over het algemeen een vervolg op een (tweejarige) research master of een masterthesis die de basis biedt voor een verdere promotie. Daarnaast zijn er promovendi die het promotietraject combineren met andere werkzaamheden.
Uit het rapport Promoveren werkt van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen2 blijkt overigens dat naast de gewone promotietrajecten behoefte bestaat aan andere vormen.
Ik ben van mening dat promotieonderzoek plaats moet vinden binnen de overeengekomen duur van het dienstverband. Het kan niet zo zijn dat met promovendi met een dienstverband een promotietraject wordt afgesproken dat alleen gerealiseerd kan worden met een forse tijdsinvestering van promovendi buiten de reguliere arbeidstijden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat, zoals PNN concludeert, ten opzichte van 2015 er geen duidelijke verbetering zichtbaar is in de arbeidsvoorwaarden van promovendi? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de conclusie van PNN niet. Zoals bij vraag twee aangegeven is geen sprake van arbeidsvoorwaarden, maar van contractduur en omvang van het dienstverband. Het aantal promovendi met een vierjarig contract is volgens de PNN ongeveer gelijk gebleven. De overige aantallen schommelen enigszins. Ik vind deze aantallen te klein om daar conclusies aan te verbinden. Ook de vergelijking tussen slechts twee jaar, 2015 en 2016, is te gering om daaruit conclusies te trekken.
Het stelt mij overigens gerust dat net als in 2015 ook in 2016 ongeveer 90% van de vacatureteksten uit Academic Transfer een contract met een duur van vier jaar met een voltijdsdienstverband betreft. Hoewel dit geen 100% is, is dit een stap in de goede richting waarbij ik hoop dat het percentage nog zal toenemen.
Bent u van mening dat de aanbevelingen die het PNN heeft gedaan ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden van promovendi, zouden moeten worden uitgevoerd? Zo nee, kunt u per voorgestelde aanbeveling aangeven waarom niet?2
Ik ben het met het PNN eens dat werving, selectie en vacaturevervulling transparant moeten zijn. Medezeggenschap en het sociaal jaarverslag vervullen hierbij een belangrijke rol en op de sites van DUO en de VSNU zijn cijfers beschikbaar.
De norm moet zijn dat promotietrajecten van promovendi in dienst van een universiteit binnen de reguliere werktijd afgerond kunnen worden. Over het algemeen is dat binnen vier jaar. Ik vind in aanvulling daarop ook maatwerk van belang. Zie daarvoor mijn antwoord bij vraag drie. Dat kan betekenen dat er in wederzijds overleg voor een andere combinatie van contractduur en omvang van het dienstverband wordt gekozen.
Universiteiten zorgen overigens al voor een vermindering van het aantal flexibele dienstverbanden. In de cao 2015–2016 hebben de universiteiten met werknemersorganisaties afgesproken om bij voorkeur te kiezen voor dienstverbanden voor onbepaalde tijd en het percentage tijdelijke dienstverbanden van vier jaar en korter terug te brengen.
In mijn Talentbrief (Kamerstuk 31 288 nr. 569) van 11 januari 2017 aan de Tweede Kamer komt het belang van onderwijs uitgebreid aan de orde. Dit belang werd vaak onderbelicht vanwege de druk die rust op wetenschappelijk onderzoek. Daarom pleit ik in mijn Talentbrief voor volwaardige loopbaanperspectieven voor onderwijs. Ook de universiteiten zijn daar voorstander van. De onderwijstaak van een promovendus kan in dat licht niet ten koste gaan van het promotieonderzoek. Ik heb geen signalen dat daarvan sprake is.
Welke (aanvullende) maatregelen bent u bereid te nemen om de arbeidsomstandigheden van promovendi te verbeteren?
De arbeidsomstandigheden van promovendi worden geregeld in de CAO voor de universiteiten. Ik heb daarop geen rechtstreekse invloed. Wel heb ik in mijn Talentbrief van 11 januari 2017 aan de Tweede Kamer aangegeven dat ik het belangrijk vind dat cao partijen hebben afgesproken om het arbeidsmarktperspectief van onderzoekers met een tijdelijk dienstverband te verbeteren, zowel binnen als buiten de universiteit.
Bent u bereid met het PNN en de Vereniging van Universiteiten (VSNU) in overleg te treden hoe de verslechterde arbeidsomstandigheden verbeterd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven ben ik niet van mening dat sprake is van slechte of verslechterende arbeidsomstandigheden. Ik ben altijd bereid om met betrokkenen van gedachten te wisselen over de loopbaanperspectieven van promovendi.
Het cursussencircus ten aanzien van het lerarenregister |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat de organisatie van het professionaliseringsevent «Leraren maken het verschil!» leraren trachten te lokken met een early bird actie van 10 procent korting of een Google Play Store card ter waarde van 40 euro en een tablet om een toegangskaart van 478 euro te kopen en dat registerleraar.nl dit event heeft gevalideerd? Kunt u leraren advies geven over educatief dan wel pedagogisch verantwoorde apps in de Play Store waar zij dit tegoed het best aan kunnen spenderen?1
U refereert aan de validering van activiteiten voor het vrijwillige lerarenregister. Dit proces wordt verzorgd door een registercommissie die volledig bestaat uit leraren. Deze commissie gebruikt hiervoor door leraren opgestelde criteria. Hetzelfde geldt straks in het verplichte register, ook dan stelt de beroepsgroep zelf de valideringsregels voor professionaliseringsactiviteiten op. Het is aan de overheid en aan de politiek om de beroepsgroep dit vertrouwen te geven. Mij past dan ook geen inhoudelijk oordeel.
Wat vindt u ervan dat registerleraar.nl een cursus heeft gevalideerd voor een studiedag «Into Bounce Leren in beweging», waarbij springen op een minitrampoline centraal staat en reclame gemaakt wordt om na de cursus een minitrampoline van het bedrijf Bellicon aan te schaffen? Kunt u uiteenzetten in welke mate het gebruik maken van een minitrampoline de professionaliteit van de docent bevordert?2
Zie het antwoord onder 1.
Wat vindt u ervan dat kaarten voor congressen en cursussen – gevalideerd door registerleraar.nl – verloot mogen worden, aldus de Onderwijscoöperatie? In hoeverre ondermijnt dit, volgens u, het principe dat leraren een gemotiveerde keuze zouden moeten maken voor een bepaald scholingsaanbod en vindt u dit een wenselijke ontwikkeling?3 4
De wet geeft expliciet aan dat de keuze voor scholingsactiviteiten bij de leraar zelf ligt. Het is aan de leraar om vanuit zijn professionaliteit een afgewogen keuze te maken welke activiteiten hij in het kader van zijn herregistratie onderneemt.
Hoeveel commerciële bedrijven bieden cursussen aan waar leraren registerpunten voor het lerarenregister mee kunnen verdienen? Hoeveel geld, dat is bestemd voor onderwijs, is hier het afgelopen jaar aan besteed?
Ik heb geen inzage in de individuele aanbieders in het register, noch in het budget dat leraren of scholen hieraan hebben besteed. Het is aan de beroepsgroep om een oordeel te vellen over de kwaliteit en relevantie van het aanbod. Of het daarbij om een commerciële of non-profit aanbieder gaat, is bij mijn weten geen selectiecriterium van de beroepsgroep.
Het bericht ‘Studeren vanuit een camper’ |
|
Paul van Meenen (D66), Jessica van Eijs (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Studeren vanuit een camper»?1
Ja.
Erkent u dat de problematiek niet alleen geldt voor internationale studenten, maar ook geldt voor andere studenten in Nederlandse studentensteden?
Er is in veel Nederlandse studentensteden sprake van krapte op de woningmarkt. Er is onvoldoende per direct beschikbare huisvesting om alle groepen woningzoekenden, waaronder internationale en Nederlandse studenten, te kunnen huisvesten.
Kunt u deze problematiek kwantificeren door middel van cijfers per studentenstad te geven over de tekorten aan woonruimte voor (inter)nationale studenten en cijfers van de bouwproductie in deze steden voor de komende vijf jaar?
Er zijn geen exacte aantallen per studentenstad te geven. Wel zijn er in de Landelijke monitor studentenhuisvesting 2016 gegevens beschikbaar over het verschil tussen het huidig aantal uitwonende studenten en het aantal studenten dat in een stad wenst te wonen. Ondanks dat deze cijfers niet gelijk staan aan de vraag en het aanbod in een stad van studentenhuisvesting, geven ze wel een indicatie in hoeverre er sprake is van krapte op de woningmarkt per stad. Zie onderstaande tabel uit de Landelijke monitor studentenhuisvesting 2016.
Tabel 1. Huidig aantel en verschil tussen huidig en gewenst aantal uitwonende voltijdstudenten naar woonstad, collegejaren ’13-’14, ’14-’15 en ’15-’16 (Bron: DUO, CBS en enquête «Wonen als Student 2014, 2015 en 2016»)
Het is moeilijk om toevoegingen aan de woningvoorraad onder te verdelen in een deel regulier en een deel studentenhuisvesting. Wel hebben wij gegevens die uit het actieplan studentenhuisvesting 2003–2010 en het landelijk actieplan studentenhuisvesting 2011–2016 voortkomen.
In het actieplan studentenhuisvesting 2003 -2010 is de ambitie opgenomen van de in Kences deelnemende corporaties om voor 2010 12.000 eenheden studentenhuisvesting aan de bestaande voorraad toe te voegen. De uitvoering hiervan is voortvarend ter hand genomen. Uiteindelijk zijn er door de Kencesleden 16.800 eenheden studentenhuisvesting gerealiseerd en zaten er destijds nog 2.000 extra eenheden in het vat.
Ten aanzien van de doelstelling uit het Landelijk actieplan studentenhuisvesting 2011–2016 van het realiseren van studenteneenheden door studentenhuisvesters (verenigd in Kences) heeft de Minister van BZK u in de voortgangsrapportage van september 2015 (Kamerstuk 33 104, nr. 10) gemeld dat de realisatie van extra eenheden naar verwachting uitkomt op 17.708. Dit is exclusief de 9.142 in voorbereiding zijnde eenheden. Daarnaast bouwden ook private partijen en andere woningbouwcorporaties studentenwoningen. Uit cijfers van 2015 blijkt dat naar verwachting het totaal aantal opgeleverde (10.663) en in aanbouw zijnde (1.921) eenheden van de niet-Kencesleden uitkomt op 12.584.
Tevens vindt u in onderstaande tabel de raming van de woningbouwproductie per stad voor de jaren 2015–2019 en de jaren 2020–2024.
2015–2019
2020–2024
Totaal
Amsterdam
34.065
35.544
69.609
Arnhem
3.934
4.517
8.451
Breda
4.469
4.902
9.371
Delft
2.505
2.710
5.215
Den Haag
12.131
13.667
25.798
Deventer
2.546
1.768
4.314
Ede
1.941
2.530
4.471
Eindhoven
5.989
5.872
11.861
Enschede
2.247
1.990
4.237
Groningen
5.483
5.698
11.181
Leeuwarden
1.788
2.195
3.983
Leiden
3.504
1.796
5.300
Maastricht
1.802
1.079
2.881
Nijmegen
6.470
5.810
12.280
Rotterdam
12.166
18.336
30.502
's-Hertogenbosch
4.238
3.600
7.838
Tilburg
5.778
4.856
10.634
Utrecht
11.104
14.212
25.316
Wageningen
1.250
655
1.905
Zwolle
4.061
3.079
7.140
In hoeverre wordt er verder gekeken dan de stadsgrenzen voor het oplossen van deze problematiek? Zo ja, in hoeverre wordt hier dan ook rekening gehouden met het beschikbare openbaar vervoer? Zo nee, waarom wordt niet verder gekeken dan de stadsgrenzen?
Of er verder wordt gekeken dan de stadsgrenzen verschilt per stad. In Amsterdam wordt er middels de oproep van de Coalitie Kennisstad (een coalitie bestaande uit de hoger onderwijsinstellingen en de studentencorporaties in Amsterdam) aandacht gevraagd voor deze krapte.
Het bericht ‘FNV: doorgeslagen flex in kinderopvang’ |
|
Zihni Özdil (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FNV: doorgeslagen flex in kinderopvang»?1
Ja.
Hoe evalueert u de marktwerking in de kinderopvang? Acht u die geslaagd?
In de beleidsdoorlichting Kinderopvang, die op 23 december 2015 aan u is aangeboden is ondermeer uitgebreid gekeken naar het functioneren van de Nederlandse kinderopvangmarkt (Kamerstuk 30 982, nr. 27). Uit deze evaluatie van de werking van de kinderopvangmarkt blijkt dat de kinderopvangmarkt werkt voor ouders en kinderen, zowel in termen van financiële als van fysieke toegankelijkheid. Daarnaast is de arbeidsparticipatie van moeders in Nederland relatief hoog ten opzichte van de landen om ons heen. Hierin speelt de kinderopvangmarkt vanzelfsprekend een belangrijke rol. In die zin dient de kinderopvangmarkt de maatschappelijke doelen rond kinderopvang dus naar behoren. Wel vind ik het van belang dat er een goede balans bestaat tussen de voordelen van marktwerking, betaalbaarheid, een uitgebreid aanbod voor ouders en kinderen, en het belang van de werknemers in de sector.
Deelt u de conclusie van de FNV dat er sprake is van een «flexverslaving» bij werkgevers in de kinderopvang? Zo nee, waarom niet?
Kinderopvang is een conjunctuurgevoelige sector. Dit komt door het grote effect van werkloosheid op de vraag naar kinderopvang. Als bijvoorbeeld een van de ouders uit een gezin zijn of haar baan verliest, vervalt (na enige tijd) het recht op kinderopvangtoeslag en gaan de kinderen vaak niet meer naar de opvang. Andersom zien we dat als de economie weer aantrekt, de vraag naar kinderopvang heel snel stijgt. Dit hebben we de afgelopen jaren ook gezien. In de crisisjaren is de vraag naar kinderopvang sterk gedaald, terwijl vanaf 2014 de verhogingen van de kinderopvangtoeslag en het herstel van de economie voor een sterke toename in de vraag naar kinderopvang hebben gezorgd. Werkgevers geven aan een flexibele schil nodig te hebben om deze scherpe schommelingen in de vraag op te kunnen vangen.
Met de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) heeft het kabinet beoogd een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt te bereiken en de doorstroom van flexibele naar vaste arbeidsrelaties te bevorderen. Uiteraard dient enige mate van flexibiliteit op de arbeidsmarkt behouden te blijven, maar de tendens om steeds vaker gebruik te maken van flexibele contracten waar het eigenlijk structureel werk betreft, was een belangrijke reden voor invoering van de Wwz. Dit uitgangspunt dient ook leidend te zijn voor werkgevers in de kinderopvang, zodat er voldoende aandacht is voor de wensen van medewerkers in de sector, die behoefte hebben aan duidelijkheid en zekerheid over het te werken aantal uren en hun salaris.
Het is in eerste instantie aan werkgevers en werknemers in de sector om een juiste balans te vinden tussen zekerheid en flexibiliteit. Daarnaast gelden in de kinderopvangsector specifieke wettelijke eisen, zoals het «vaste gezichtencriterium», die de mogelijkheden van werkgevers om medewerkers flexibele contracten te geven beperken. Tot slot is het aannemelijk dat door de groeiende vraag naar personeel de positie van medewerkers in de kinderopvang versterkt zal worden, omdat werkgevers vanwege een krappere arbeidsmarkt zullen moeten concurreren op arbeidsvoorwaarden (en contractvormen).
Deelt u de mening dat er door het kabinetsbeleid van het afgelopen decennium met betrekking tot de kinderopvangtoeslag veel onzekerheid in de sector is ontstaan, waardoor werkgevers huiverig zijn geworden om mensen vaste contracten te geven? Zo nee, waarom niet?
De sector is in het afgelopen decennium hard geraakt door de economische crisis en de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag. Ik begrijp dat dit voor onzekerheid heeft gezorgd bij werkgevers. Ik deel de mening dat het belangrijk is dat de overheid zo veel als mogelijk voorspelbaar is in haar beleid. Ook is sinds 2014 (m.u.v. 2015), de kinderopvangtoeslag steeds verhoogd, wat – naast de aantrekkende economie – heeft bijgedragen aan het herstel van de sector. Dit neemt vanzelfsprekend niet weg dat de werkgever altijd de verantwoordelijkheid draagt voor goed werkgeverschap.
Wat gaat u doen om de sector meer financiële stabiliteit te bieden?
Zoals hierboven genoemd, vind ik het belangrijk dat de overheid zoveel mogelijk voorspelbaar is in haar beleid. Daar hoort ook bij dat de overheid zoveel als mogelijk financiële stabiliteit biedt aan ouders en kinderopvangaanbieders. Ik ben mij er van bewust dat de vraag naar kinderopvang mede afhankelijk is van de hoogte van de kinderopvangtoeslag. Dit kabinet heeft de kinderopvangtoeslag sinds 2014 (m.u.v. 2015) jaarlijks verhoogd. Toekomstige beslissingen over de hoogte van de kinderopvangtoeslag zijn vanzelfsprekend aan een nieuw kabinet.
Kan het omvormen van de kinderopvang tot een publieke voorziening leiden tot meer vaste contracten? Bent u bereid dit verder te onderzoeken?
Wat ik belangrijk vind, is dat kinderopvang zowel financieel als fysiek goed toegankelijk is voor ouders en een goede kwaliteit biedt, zodat ouders in staat worden gesteld met een gerust hart te gaan werken. Gezien de werking van de kinderopvangmarkt (zoals toegelicht in vraag 1), acht ik een vergaande systeemverandering als het omvormen van de kinderopvangsector tot een publieke voorziening niet in het belang van ouders en kinderen en niet in het belang van de stabiliteit in de sector. Op dit moment ben ik niet bereid de effecten ervan verder te onderzoeken, mede omdat een dergelijke afweging aan mijn opvolger is.
Het bericht dat het ROC West-Brabant onwettig lesgeld vraagt |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het ROC West-Brabant meer dan het wettelijke toegestane les- of cursusgeld vraagt aan studenten die «niet financieel aantrekkelijk» zijn voor de instelling, omdat anders een aantal opleidingen niet rendabel zijn en zouden moeten verdwijnen?1
Dit soort situaties vind ik zeer onwenselijk en onaanvaardbaar. Het is van groot belang dat het onderwijs toegankelijk is voor iedereen, ongeacht zijn of haar achtergrond of voorgeschiedenis. Artikel 8.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) verbiedt onderwijsinstellingen om de inschrijving afhankelijk te stellen van een andere dan een bij of krachtens de WEB geregelde geldelijke bijdrage. Dit betekent dat instellingen hun studenten niet kunnen verplichten tot het betalen van een geldbedrag als voorwaarde om te kunnen worden ingeschreven anders dan het wettelijk verschuldigde les- of cursusgeld.
Na contact met de betreffende instelling blijkt dat het gaat om een geïsoleerd incident, waarbij één opleidingsmanager van het Radius College, onderdeel van ROC West-Brabant, verkeerd heeft gehandeld. Door ingrijpen van het bevoegd gezag zijn er geen bedragen gefactureerd.
Op hoeveel instellingen middelbaar beroepsonderwijs (mbo-instellingen) is er sprake van het vragen van meer dan het wettelijk toegestane les- en of cursusgeld aan studenten die langer over hun mbo-opleiding doen of willen stapelen?2
Mij zijn op dit moment geen concrete signalen bekend dat andere mbo-instellingen meer dan het wettelijk toegestane les- en of cursusgeld aan studenten vragen, die reeds langere tijd in het mbo staan ingeschreven of willen stapelen. Om een dergelijke ongewenste situatie te voorkomen zal ik de Inspectie van het Onderwijs verzoeken om hier tijdens het reguliere toezicht extra op te letten. Bovendien zal ik de MBO Raad vragen nog eens bij de mbo-instellingen onder de aandacht te brengen dat het verboden is de inschrijving afhankelijk te stellen van een andere geldelijke bijdrage dan het les- of cursusgeld.
Deelt u de mening dat dit het gevolg is van de manier waarop het mbo wordt bekostigd en dat door dit bekostigingsmodel – de cascadebekostiging – financiële belangen boven het belang van de mogelijkheid tot stapelen van de student komen te staan en daarmee kansenongelijkheid wordt vergroot? Kunt u uw antwoord toelichten?
Die mening deel ik niet. De cascade is een onderdeel geworden van de recente bekostiging en ingevoerd om instellingen te stimuleren studenten met behulp van een adequate intake en een goede loopbaanbegeleiding in de juiste opleiding in te schrijven, op het juiste niveau en met uitzicht op een plek op de arbeidsmarkt. Het is niet gewenst dat studenten onnodig lang hun opleiding moeten volgen, zij ervaren dit als «ophokken». Ook hebben studenten eerder aangeven het mbo-onderwijs als te weinig uitdagend te ervaren. Om die reden is ook de opleidingsduur van een groot aantal opleidingen teruggebracht van vier naar drie jaar. Bij de invoering van de nieuwe bekostiging zijn zorgen uitgesproken over het effect van de (oorspronkelijke) cascade op vierjarige opleidingen en op het stapelen door studenten. Naar aanleiding daarvan heb ik de cascade afgezwakt waardoor het effect minder scherp is geworden. Ik ben van mening dat daarmee een goed evenwicht is gevonden tussen de bekostiging van studenten in korte intensieve opleidingen en de bekostiging van studenten die meer tijd nodig hebben om hun opleiding succesvol af te ronden. Het is aan de instelling om de middelen van hun lumpsum bekostiging zo te verdelen over de opleidingen dat ook studenten die meer tijd nodig hebben, succesvol aan het onderwijs kunnen deelnemen.
Aanvullend hierop heb ik in het kader van gelijke kansen 12 miljoen beschikbaar gesteld voor instellingen die ten opzichte van andere instellingen veel studenten binnenkrijgen zonder diploma of met een diploma op een laag niveau en om die reden meer tijd nodig hebben om hun opleiding af te ronden.
Acht u het wenselijk dat de betreffende studenten de dupe zijn van dit bekostigingsmodel en in feite zorg moeten dragen voor het behoud van enkele opleidingen op het Radius College? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is in strijd met de wet om van studenten een geldelijke bijdrage te vragen omdat ze om welke reden dan ook langer in het mbo verblijven. Dat is ook niet nodig. Zoals in mijn vorige antwoord is gesteld, ontvangen mbo-instellingen bekostiging voor het verzorgen van het beroepsonderwijs. Ik verwacht van de bestuurders van de instellingen dat zij deze middelen op een goede manier verdelen binnen de instelling en daar inzetten waar ze nodig zijn.
Hoe is het mogelijk dat er sprake is van het vragen van meer dan het wettelijke toegestane les- of cursusgeld door het ROC West-Brabant, ondanks dat dit kabinet twaalf miljoen euro heeft vrijgemaakt om mbo-studenten aan te moedigen om een mbo-diploma op hoger niveau te halen? Is het feit dat er extra geld bij moet om stapelen in het mbo te stimuleren volgens u geen teken dat het bekostigingsmodel van het mbo niet deugt en dat dit kabinet er niet in geslaagd is de kansenongelijkheid in het mbo te verkleinen? Kunt uw antwoord toelichten?3
Het is niet toegestaan om meer dan het wettelijk toegestane les- of cursusgeld te vragen aan studenten. Zoals u ook kunt lezen in de toelichting bij de Regeling compensatie langere inschrijvingsduur, die voor de verdeling van deze twaalf miljoen is gemaakt, zijn deze middelen bedoeld voor instellingen die te maken hebben met relatief veel laag opgeleide studenten die (mede) daardoor lang in het mbo verblijven. ROC West Brabant komt overigens niet in aanmerking voor deze regeling omdat zij onder het landelijk gemiddeld vallen en daarom met de reguliere middelen ook deze studenten onderwijs kunnen bieden.
Bent u bereid om uw opvolger mee te geven dat mbo-instellingen voldoende gefinancierd moeten worden, zodat de meest passende opleiding voor een mbo-student op onderwijsinhoudelijke gronden gekozen kan worden in plaats van op basis van financiële argumenten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben uiteraard van mening dat mbo-instellingen voldoende gefinancierd moeten worden om elke student een passende opleiding aan te bieden. Ik vind ook dat mbo-instellingen hiervoor thans voldoende middelen ontvangen en zelf in staat moeten zijn om een goede verdeling over de opleidingen te maken zodat elke student een passende opleiding aangeboden krijgt.
Daarnaast ben ik de mening toegedaan dat instellingen verstandig moeten omgaan met belastinggeld en niet studenten onnodig lang ingeschreven houden of laten stapelen puur vanuit financieel oogpunt. Daar zijn de studenten niet mee gediend. Zij vragen om uitdagend beroepsonderwijs en een opleiding met zicht op werk. Ik vind het wel goed als een instelling een student stimuleert voor een opleiding met arbeidsmarktperspectief te kiezen dan wel de student erop aanspreekt de nodige inzet te plegen om zijn diploma in de daarvoor gestelde tijd te behalen. Maar daar mag door de instelling geen aanvullende financiële vergoeding voor gevraagd worden.
Het onderzoek van RTL nieuws dat ouders hun keuze voor een school zouden laten afhangen van de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van RTL Nieuws naar de vrijwillige ouderbijdrage op middelbare scholen? Zo ja, wat vindt u van de uitkomsten?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het onderzoek van RTL Nieuws. De uitkomsten van het onderzoek van RTL Nieuws sluiten aan bij de resultaten van het onderzoek dat periodiek wordt uitgevoerd om de ontwikkeling van de schoolkosten voor ouders te monitoren.2 Ook uit de schoolkostenmonitor blijkt dat er verschillen bestaan tussen de bedragen die scholen aan ouders vragen voor de vrijwillige ouderbijdrage. De bedragen verschillen per school, maar ook binnen de school verschillen de bedragen per leerjaar en per schoolsoort. Een nieuw element in het onderzoek van RTL Nieuws is het verband tussen de ouderbijdrage en het inkomen van ouders. Op welke manier de hoogte van de ouderbijdrage tot stand is gekomen, doet niets af van het feit dat het om een vrijwillige bijdrage gaat.
Deelt u de mening dat verschillen tussen de vrijwillige ouderbijdrages geen probleem hoeven te zijn zolang scholen duidelijk aan ouders communiceren dat de vrijwillige ouderbijdrage ook echt vrijwillig is en ouders het gesprek kunnen aangaan over de hoogte van het bedrag?
Ja.
Heeft u inzicht in de mate waarin scholen helder communiceren dat de vrijwillige ouderbijdrage vrijwillig is? Hoeveel scholen doen dit niet op de juiste wijze en hoe vaak heeft de Inspectie hier al op moeten ingrijpen? Kunt u dit inzicht aan de Kamer verstrekken? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Bij de beantwoording van vraag 1 verwees ik al naar het periodieke onderzoek dat wordt uitgevoerd om de ontwikkeling van de schoolkosten voor ouders met leerlingen in het vo te monitoren. Hierin wordt ook gemeten in hoeverre ouders geïnformeerd worden over de schoolkosten en hun tevredenheid hierover. Uit deze monitor blijkt dat alle onderzochte scholen ouders informeren over de schoolkosten. Dit gebeurt niet alleen via de schoolgids, maar ook via de websites van de school, de nieuwsbrief, tijdens ouderavonden en via de medezeggenschapsraad.
Ik beschik niet over exacte gegevens hoeveel scholen onvoldoende helder of zelfs onjuist communiceren over de vrijwillige ouderbijdrage. De inspectie heeft de afgelopen vijf jaar 126 signalen over de ouderbijdrage ontvangen. De inspectie heeft deze signalen afgehandeld binnen het reguliere toezicht dat zij op de scholen heeft. In geen van de gevallen heeft dit geleid tot een sanctie. In 2018 is handhaving van de vrijwilligheid van de ouderbijdrage één van de thematische activiteiten bij de inspectie. Dit betekent dat zij hier extra aandacht aan geeft.
Kunt u aangeven of scholen ouders in voldoende mate in staat stellen het gesprek aan te gaan over de hoogte van de bijdrage? Is het in de regel een onderwerp dat wordt besproken in de medezeggenschapsraad? Kunt u dit inzicht aan de Kamer verstrekken? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Scholen hebben een plicht om de medezeggenschap binnen de onderwijsorganisatie goed te regelen. De oudergeleding binnen de medezeggenschapsraad heeft instemmingsrecht op de hoogte en de bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage. Tevens heeft de MR ook de belangrijke taak om er op toe te zien dat de totale kosten voor ouders beheersbaar blijven. De oudergeleding heeft instemmingsrecht op het schoolkostenbeleid. Het wel of niet, geheel of gedeeltelijk, betalen van de ouderbijdrage is een afweging die iedere ouder voor zichzelf kan maken. Ouders kunnen hierover in gesprek gaan met de schoolleiding. Ik heb geen signalen ontvangen dat ouders niet in staat worden gesteld om het gesprek met de school aan te gaan over de schoolkosten.
Is het waar dat de vrijwillige ouderbijdrage niet gebruikt mag worden voor de kerntaken van het onderwijs, maar bedoeld is voor extra activiteiten? In hoeverre houden scholen zich hieraan en hoe houdt de Inspectie daar toezicht op?
Ja. De vrijwillige ouderbijdrage is inderdaad bedoeld voor extra activiteiten als excursies, sportdag, buitenlandreizen of kerstviering. Als de extra activiteiten buiten het voor de leerlingen voorgeschreven onderwijsprogramma vallen, kunnen ouders kiezen of hun kind hier wel of niet aan deelneemt.
De inspectie heeft geen algemene gegevens over hoe scholen zich houden aan de regels die gelden voor de vrijwillige ouderbijdrage. Als de inspectie signalen krijgt dat een school zich niet aan de regels houdt, spreekt zij de school daarop aan.
Het bericht dat er deze zomer meer mensen verdronken zijn dan in voorgaande zomers |
|
Michiel van Nispen (SP), Peter Kwint (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook zo geschrokken van het alarmerende bericht van de Reddingsbrigade Nederland dat er deze zomer bijna twee keer zoveel mensen verdronken zijn in open water dan in andere zomers?1
De reddingsbrigade geeft aan dat er in het jaar 2017 tot nu toe 15 mensen om het leven gekomen zijn bij zwemmen in open water. Ondanks dat uit de cijfers van de verschillende instanties die dit bijhouden blijkt dat dit cijfer echter vergelijkbaar is met andere jaren2, is iedere verdrinking er één te veel.
Wat is uw reactie op de constatering van een woordvoerder van de Reddingsbrigade die aangeeft dat er aanwijzingen zijn dat mensen minder goed kunnen zwemmen? Hoe verklaart u dit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aantal Nederlanders met een A-diploma is onverminderd hoog3. Zo beschikte in 2014 95% van de 11–16 jarigen over een zwemdiploma en 35% beschikte over een C-diploma. Primair zijn ouders verantwoordelijk voor het leren zwemmen van hun kinderen. Daarnaast bieden veel gemeenten mogelijkheden voor schoolzwemmen. De zwemvaardigheid van kinderen en volwassenen heeft uiteraard de onverminderde aandacht van de Zwembranche en van gemeenten.
Wat is uw reactie op de constatering van een woordvoerder van de Reddingsbrigade die aangeeft dat door bezuinigingen scholen minder doen aan schoolzwemmen en mensen adviseert in ieder geval de zwemdiploma’s A, B en C te halen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw analyse over de jaarlijkse berichten over verdrinkingen en een verminderde zwemvaardigheid onder kinderen en volwassenen? Deelt u de mening dat, gelet op de alarmerende signalen over verdrinkingen, het nodig is dat kinderen en volwassenen die niet zwemvaardig genoeg zijn beter zouden moeten leren zwemmen? Welke maatregelen zouden volgens u nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om samen met gemeenten en scholen weer te gaan investeren in schoolzwemmen? Zo nee, waarom niet?
Schoolzwemmen is een verantwoordelijkheid van de gemeenten en van scholen. In de rapportage schoolzwemmen 2016 van het Mulier instituut die ik u heb toegezonden4 geven gemeenten en scholen verschillende meningen over het belang en nut van schoolzwemmen.
Zo komt voor gemeenten de belangrijkste reden om het schoolzwemmen te ondersteunen voort uit traditie. Bij het afschaffen van schoolzwemmen speelt financiering een grote rol.
Ik ondersteun de Zwembranche bij het opstellen van het Plan van aanpak «NL Zwemveilig en Zwemvaardig NL 2020. Dit plan is in afronding en zal voor het Wetgevingsoverleg Sport en Bewegen in november van dit jaar naar u toe gezonden worden. Uiteraard zal met betrokken partijen nog overlegd worden over de uitvoering van het plan.
Het bericht ‘Buitenlandse studenten slapen noodgedwongen in azc's, op campings of in hotels’ |
|
Zihni Özdil (GL), Linda Voortman (GL) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Buitenlandse studenten slapen noodgedwongen in azc's, op campings of in hotels»?1
Ja.
Wat is volgens u de oorzaak van dit probleem?
Hier ligt een drieledige ontwikkeling aan ten grondslag. Ten eerste geldt dat het aantal internationale studenten in de periode 2007–2016 is gestegen van circa 38.000 naar circa 74.000 (peilmoment 1 oktober). Internationale studenten hebben per direct behoefte aan huisvesting en zijn ook weinig flexibel wat betreft de periode waarin zij huren. Ook hebben zij niet de mogelijkheid om van hun ouderlijk huis op en neer te reizen om in hun studiestad een woning te zoeken. Derhalve doen zij ook een naar hun aantal evenredig beroep op de beschikbare voorraad van woningen voor studenten.
Ten tweede is het aantal Nederlandse studenten in het hoger onderwijs in dezelfde periode met een kleine 82.000 toegenomen (van ongeveer 558.000 naar ongeveer 639.000).
Ten derde is ondanks uitbreiding van het aanbod, zoals ook gerapporteerd in de voortgangsrapportages over het actieplan studentenhuisvesting 2003–2010 en het landelijke actieplan 2011–2016, de vraag harder gegroeid. In veel studiesteden is sprake van krapte op de woningmarkt en is er onvoldoende snel beschikbare huisvesting om alle groepen woningzoekenden (waaronder de internationale studenten) per direct te kunnen huisvesten.
Hoe worden internationale studenten voorgelicht over het krijgen van een woning in Nederland?
Internationale studenten worden op verschillende manieren voorgelicht over het krijgen van een woning in Nederland,. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de ontvangende Nederlandse kennisinstelling en via de website van Nuffic: www.studyinholland.nl
Wordt bij campagnes zoals het actieplan «Make it in the Netherlands» rekening gehouden met de huisvesting van internationale studenten?2
In het actieplan «Make it in the Netherlands» (2013–2016) is afgesproken praktische zaken en administratieve procedures zo gemakkelijk mogelijk te maken voor internationale studenten, om eventuele belemmeringen weg te nemen om naar Nederland te komen. Specifiek over huisvesting is in het plan alleen gewezen op het belang van gemende huisvesting van Nederlandse en internationale studenten om daarmee het onderlinge contact en de integratie van internationale studenten te bevorderen.
Wie is in uw ogen de eerst verantwoordelijke voor het zorgen voor voldoende en adequate studentenhuisvesting voor internationale studenten?
Wanneer kennisinstellingen internationale studenten aantrekken dan zijn wij van mening dat de kennisinstelling minimaal de verantwoordelijkheid heeft te zorgen dat de internationale student voldoende geïnformeerd is over hoe hij of zij een kamer in Nederland kan krijgen. Tevens zou een kennisinstelling ten minste moeten signaleren wanneer er groepen van internationale studenten niet op korte termijn binnen de studiestad worden gehuisvest.
De kennisinstellingen zetten zich ook in voor een goede en snelle huisvesting van internationale studenten. Wij verwachten daarbij dat kennisinstellingen afspraken maken met studentenhuisvesters en gemeenten om de huidige en toekomstige instroom van internationale studenten te kunnen accommoderen en dat kennisinstellingen met gemeenten om tafel gaan om te kijken in hoeverre de ambities ten aanzien van buitenlandse studenten opgenomen kunnen worden (of passen in) de gemeentelijke woonvisie en prestatieafspraken.
Uiteraard heeft de student ook zelf de verantwoordelijkheid om tijdig op zoek te gaan naar passende woonruimte.
Op welke manieren stimuleren universiteiten, in samenwerking met de gemeenten, de bouw van studentenwoningen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een beleidsagenda die inspeelt op de huisvestingsproblematiek die ontstaan bij de internationalisering en verengelsing van het onderwijs, die tot een verdubbeling van het aantal internationale studenten sinds 2009 heeft geleid?3
Nee. Zoals in antwoord 4 aangegeven is in het actieplan «Make it in the Netherlands» wel in beperkte mate aandacht geschonken aan huisvesting.
Hoe stimuleert het ministerie voor Wonen en Rijksdienst de bouw van studentenhuisvesting zowel voor binnenlandse – als buitenlandse studenten?
Het is in eerste instantie aan gemeenten om met betrokken partijen te bezien voor welke bouwopgave de gemeente staat. Met de gemeentelijke woonvisie en prestatieafspraken heeft de gemeente een instrument in handen om bijvoorbeeld de bouw van studentenhuisvesting voor zowel de Nederlandse als de internationale student te stimuleren.
Het Ministerie van BZK neemt als partner zitting in het Landelijk Platform Studentenhuisvesting. In dit platform worden met betrokken actoren problemen aangekaart en wordt naar oplossingen gezocht. De partners in het platform hebben oog voor de problematiek van internationale studentenhuisvesting.
Het Ministerie van BZK stimuleert de bouw van zelfstandige studentenwoningen bijvoorbeeld doordat verhuurders gebruik kunnen maken de heffingsvermindering voor nieuwbouw van zelfstandige woningen met een huurprijs tot de eerste aftoppingsgrens. Dit geeft al invulling aan de gevraagde verlichting van de verhuurderheffing in de regio’s waar de schaarste aan woningen het hoogst is. In de verhuurderheffing zijn onzelfstandige studentenwoonruimten reeds vrijgesteld van heffing.
Overigens blijkt uit de meest recente Indicatieve Bestedingsruimte Woningcorporaties (IBW) dat er nog ruimte is voor corporaties die zich met studentenhuisvesting bezighouden om te investeren in nieuwbouw (voor studenten).
Welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat de huisvestingsproblemen op korte termijn worden opgelost?
Wij zijn reeds in gesprek met verschillende kennisinstellingen, Kences, de VH en de VSNU om meer inzicht te krijgen in de specifieke opgave die er ligt voor de huisvesting van internationale studenten en hoe alle partijen hier gezamenlijk iets aan kunnen doen. Daarbij zetten wij in op het bevorderen van de afstemming tussen kennisinstellingen, gemeenten en studentenhuisvesters, met als doel dat alle partijen van elkaars ambities op de hoogte zijn en dat partijen deze ambities kunnen vertalen naar wat er in de praktijk nodig is ten aanzien van huisvesting.
Daarnaast geeft de jaarlijkse landelijke monitor studentenhuisvesting onder meer inzicht in de ontwikkeling van de vraag naar huisvesting voor studenten per stad. Overigens zijn er geen garanties te geven dat dergelijke problemen zich volgend jaar niet meer voordoen.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat volgend jaar dezelfde problemen ontstaan aan het begin van het academisch jaar?
Zie het antwoord op vraag 9.
De verkiezing van de ‘afvaardiging deelnemersvergadering’ van de Onderwijscoöperatie |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Suzanne Dekker (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de ophef die is ontstaan over de verkiezing van de afvaardiging deelnemersvergadering van de Onderwijscoöperatie?1
Ik ben ervan op de hoogte dat er een aantal leraren is dat via Twitter vragen heeft gesteld over de verkiezing van de afvaardiging deelnemersvergadering. Ik ben er ook van op de hoogte dat de Onderwijscoöperatie (hierna: OC) via de website een actueel overzicht van vraag en antwoord publiceert, dat onder meer ingaat op vragen over de verkiezing.
Deelt u de mening dat de verkiezing van de afvaardiging deelnemersvergadering vlekkeloos zou moeten verlopen, zeker omdat deze vergaande bevoegdheden heeft met betrekking tot het wettelijk verplichte lerarenregister?
Die mening deel ik zeker. De deelnemersvergadering is hét platform voor de leraren om als beroepsgroep zelf inhoud te geven aan het register. De deelnemersvergadering geeft daarnaast gestalte aan de directe zeggenschap van leraren over hun beroepsuitoefening en -kwaliteit en is dus zeer van belang.
Deelt u de mening dat in artikel 25B, tweede lid, van de statuten van de Onderwijscoöperatie staat dat de afgevaardigden worden benoemd uit en door de deelnemers, en dat uit de begripsbepaling blijkt dat onder «deelnemer» moet worden verstaan de leraar die is ingeschreven in het lerarenregister?
De statuten van de OC regelen inderdaad de instelling van de deelnemersvergadering. Het proces om dit te organiseren is ook helder verwoord in het eerder genoemde overzicht van vraag en antwoord dat de OC publiceert. Elke leraar die zich voor 1 augustus van dit jaar vrijwillig heeft ingeschreven in het register heeft stemrecht. De statuten van de OC voorzien verder met artikel 31 in een overgangsregeling. De overgangsregeling houdt in dat de eerste afvaardiging zo spoedig mogelijk wordt gekozen uit deze groep, en dat er opnieuw verkiezingen zijn als het verplichte register is ingevoerd. Bij het verplichte register kan straks gebruik worden gemaakt van BRP-gegevens (Basisregistratie Personen), wat het verkiezingsproces vergemakkelijkt.
Kunt u bevestigen dat leraren die een zwemdiploma als bewijsstuk voor hun bevoegdheid hebben ingediend niet in het lerarenregister zijn ingeschreven, maar nu wel een stemcode hebben ontvangen waarmee zij onreglementair konden stemmen voor de verkiezing van de 24 afgevaardigden?
Ik heb op persoonsniveau geen inzage in de inschrijvingen in het vrijwillige register. In mijn brief aan uw Kamer van 11 oktober 2016 (TK 2016D38380) en in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer van 25 november 2016 (Eerste Kamerstuk 34 458, nr. C) heb ik uitgelegd dat de groep van ingeschreven leraren bestaat uit twee categorieën: leraren die alle stappen van het registratieproces hebben doorlopen en degenen die nog in dit proces zitten. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat zij de juiste documenten bij hun inschrijving nog moeten completeren. Beide categorieën leraren hebben op grond van het verkiezingsreglement stemrecht. De overweging die hieraan ten grondslag ligt, namelijk zoveel mogelijk leraren in staat stellen om te kunnen stemmen, steun ik van harte. Het eigenaarschap van en vertrouwen in de beroepsgroep is immers het uitgangspunt van het register. Daarbij mag de samenleving er tegelijkertijd op rekenen dat de onderwijsprofessionals hier integer mee omgaan.
Kunt u tevens bevestigen dat aanbieders van cursussen waarmee leraren registerpunten kunnen behalen stemcodes hebben ontvangen waarmee zij konden stemmen voor de verkiezing van de 24 afgevaardigden?
Nee. Alleen diegenen die zich voor 1 augustus 2017 als leraar hebben aangemeld in het vrijwillige register kunnen stemmen. Overigens kunnen leraren ook aanbieder zijn.
Kunt u aangeven hoeveel leraren thans zijn ingeschreven in het lerarenregister en daarmee statutair over stemrecht zouden beschikken voor de verkiezing van de 24 afgevaardigden? Kunt u tevens aangeven hoeveel personen uiteindelijk een stemcode hebben ontvangen die statutair niet over dit stemrecht beschikken?
Er hebben zich ruim 83.000 mensen als leraar ingeschrevenen in het vrijwillige lerarenregister. Dit is de groep die statutair over stemrecht beschikt. Ik heb geen informatie dat er stemcodes zijn verstrekt aan personen buiten deze groep.
Welke acties gaat u ondernemen om een ordentelijke verkiezing van de afvaardiging deelnemersvergadering te realiseren?
Ik heb geen reden om te twijfelen aan het proces. Het bouwen aan een sterke beroepsgroep kost tijd en inspanning, die ruimte moeten we de beroepsgroep gunnen. Bovendien is het eigenaarschap van de beroepsgroep leidend, en zie ik geen directe rol voor OCW bij de verkiezing.
De bezetting van een islamitische middelbare school en een moskee |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Twee keer het dak op binnen 48 uur: wat is Het Identitair Verzet»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat het Identitair Verzet de nieuwe islamitische middelbare school in Amsterdam-West heeft bezet?
Het is ten zeerste af te keuren dat leden van Identitair Verzet op het dak van het Cornelius Haga Lyceum protesteerden en door hun optreden de openbare orde in gevaar brachten. Dat is de reden waarom de personen door de politie zijn aangehouden.
Deelt u de mening dat de haat jegens de islam, moslims, moskeeën en islamitische scholen toegenomen is? Zo ja, wat voor maatregelen neemt u om deze haat een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Het is lastig om kwantitatieve uitspraken te doen over de omvang van haat. Enerzijds blijkt uit de discriminatiecijfers dat er in 2016 minder discriminatie-ervaringen zijn gemeld dan in 2015. Anderzijds kan niet zondermeer gesteld worden dat dit betekent dat discriminatie van moslims afneemt in Nederland. Het kabinet staat voor een samenleving met gelijke kansen voor iedereen. In een dergelijke samenleving is geen plaats voor discriminatie vanwege iemands geloof of afkomst. Daarom richt het kabinet zich met het Nationaal Actieprogramma tegen discriminatie op bestrijding van alle vormen van discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie. In het kader hiervan worden bijvoorbeeld maatregelen getroffen die discriminatie op de arbeidsmarkt tegengaan. Het kabinet heeft eveneens ingezet op het verhogen van de meldingsbereidheid en de lokale samenwerking.
Een deel van de Nederlandse moskeeën heeft de afgelopen jaren te maken gehad met vijandigheid in de vorm van discriminatoire en gewelddadige acties. Uit de Monitor Moslimdiscriminatie van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat het aantal vijandige incidenten gericht tegen moskeeën in de periode 2013–2014 relatief hoog was (55 in totaal, bij 39 moskeeën) in vergelijking met voorgaande jaren. Mede daarom heeft het kabinet, in overleg met vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschappen, politie en gemeenten de «Handreiking Veilige Moskee»
Vindt u dat de toenemende dreiging en risico die islamitische gebouwen lopen aanleiding bieden voor een grotere financiële bijdrage vanuit de rijksoverheid om moskeeën en islamitische scholen te beveiligen? Zo ja, bent u van plan budget vrij te maken voor de bescherming van moskeeën en islamitische scholen? Zo nee, waarom niet, aangezien in oktober 2014 terecht budget vrijgemaakt is ter beveiliging van Joodse gebouwen?
Zoals gemeld in mijn beantwoording op uw vragen van 22 juni 20172 is het dreigingsbeeld leidend voor het nemen van beveiligingsmaatregelen bij religieuze instellingen. Daarbij blijf ik in gesprek met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap aangaande de veiligheid van islamitische instellen. Dit wordt bevestigd door de motie. De veiligheid rondom islamitische instellingen wordt op zowel het lokale als het nationale niveau gemonitord. U kunt er van op aan dat als dreiging en risico daartoe aanleiding geven, er beveiligingsmaatregelen worden genomen.
Onlangs heeft de NCTV een financiële bijdrage verstrekt aan de lokale aanpak ter verbetering van de veiligheid van moskeeën in Rotterdam. De bijdrage is bedoeld om kennis en expertise te ontwikkelen die landelijk deelbaar is.
Begrijpt u dat de acties van de anti-islambetogers voor afschuw, angst en onrust bij moslims hebben gezorgd? Zo ja, wat kunt u eraan doen de moslimgemeenschap gerust te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat deze acties voor onrust en angst zorgen. Zeker bij de direct betrokkenen zoals het moskeebestuur en de bezoekers van de moskee en middelbare school. Ik begrijp ook dat dit ook bij niet-direct betrokkenen voor afschuw, angst en onrust kan zorgen. Het kabinet veroordeelt de acties scherp. De gemeente en politie kunnen de bezoekers van de moskee en middelbare school en de lokale islamitische gemeenschappen duidelijk maken dat zij de situatie en de gevolgen daarvan serieus nemen en de benodigde acties ondernemen. Ook kunnen de gemeente en politie de moskee en middelbare school wijzen op de mogelijkheid om aangifte te doen.
Zijn er behalve de genoemde school bij u nog andere recente gevallen bekend waarin islamitische scholen doelwit zijn geworden van geweld? Zo ja, waar vond dit plaats en hoe is in deze gevallen gereageerd door de politie en het openbaar ministerie? Kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen van deze gevallen?
Op dit moment wordt er in één vergelijkbare zaak onderzoek gedaan door politie en OM. Zoals bekend doe ik u geen mededelingen over lopende onderzoeken. Derhalve kan ik aan uw Kamer hierover ook niet rapporteren.
Deelt u de mening dat de anti-islambetogers Geert Wilders als inspiratiebron nemen om islamitische scholen en moskeeën te bezetten? Zo nee, waarom niet?
De personen die betrokken waren bij de bezetting van de school en de moskee zijn aangehouden. Het onderzoek loopt. Ik ben niet op de hoogte van inspiratiebronnen voor de acties.
Deelt u de mening dat geldboetes de bezetters van de moskee en islamitische school niet zullen weerhouden om te stoppen met hun activiteiten? Zo ja, wat gaat u voor aanvullende acties ondernemen? Zo nee, kunt u de garantie geven dat deze mensen niet opnieuw een dergelijke actie zullen uitvoeren?
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde. Indien door de politie wordt geconstateerd dat bij acties strafbare feiten worden gepleegd, zal de politie, onder leiding van het Openbaar Ministerie, bezien of strafrechtelijk onderzoek en vervolging dient te worden ingesteld. Eventuele op te leggen straffen worden binnen het strafrecht bepaald.
In hoeverre druisen de acties van het Identitair Verzet, waarbij er opgeroepen wordt tot geweld, in tegen onze Grondwet en het burgerlijk recht?
Het Openbaar Ministerie onderzoekt momenteel of met de acties van Identitair Verzet sprake is van strafbare feiten, waaronder het oproepen tot gewelddadig optreden.
Deelt u de mening van Isbo, de koepelorganisatie van islamitische schoolbesturen, dat de gemeente heeft bijgedragen aan een klimaat van polarisatie en hiermee dit soort acties in de hand werkt? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Islamitische scholen zijn in Amsterdam welkom, mits deze voldoen aan de wettelijke eisen voor kwaliteit en burgerschap in het onderwijs. Het is aan het college van B en W van Amsterdam en de Inspectie om dit te (doen) toetsen.
Kunt u aan de Kamer een overzicht doen toekomen van de financiers van het Identitair Verzet? Zo ja, wanneer zal dit met de Kamer gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen aanleiding om onderzoek te doen naar de geldstromen van Identitair Verzet.
Deelt u de mening dat acties die duiden op geweld en intimidatie door het Identitair Verzet aanleiding geven deze organisatie te verbieden? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Identitair Verzet is te kenschetsen als een radicaal activistische groepering, die vaker protestacties op islamitische locaties en (in aanbouw zijnde) asielzoekerscentra heeft uitgevoerd, maar niet in verband te brengen is met gewelddadige acties. De grond voor een verbod op deze groepering is daarom niet aanwezig. Dit neemt niet weg dat acties van Indentair Verzet, zoals de actie bij de school en bij de moskee, door betrokkenen als intimiderend kunnen worden ervaren.
Bent u bereid te reflecteren op het eigen handelen, gelet op het feit dat de Staatssecretaris van Onderwijs buiten de wet om de komst van de school heeft tegengehouden, er 24 rechtszaken zijn gevoerd die de staat uiteindelijk heeft verloren en de Staatssecretaris tijdens een uitzending van Nieuwsuur2 het schoolbestuur betichtte van terrorisme? Zo nee, waarom niet?
De regels voor het stichten van een school zijn helder. Op basis van elke erkende richting (geloofs- of levensovertuiging) kan een school gesticht worden als sprake is van voldoende potentieel. Van de overheid mag verwacht worden dat ze er zorg voor draagt dat deze voldoet aan de wettelijke eisen voor kwaliteit en burgerschap in het onderwijs. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat deze school van start mocht gaan. De zorg blijft echter bestaan of dit bestuur geloofwaardig invulling zal geven aan onder meer de wettelijke burgerschapstaak. De uitspraak van de Staatssecretaris in Nieuwsuur zag op die burgerschapstaak. Hij gaf daarmee aan dat een school een veilige plaats dient te zijn die leerlingen voorbereidt op een pluriforme samenleving.
Kan het optreden van de Staatssecretaris ertoe hebben geleid dat er een klimaat gecreëerd is waardoor bepaalde types worden aangemoedigd om te demonstreren zoals het Identitair Verzet dit heeft gedaan?
Nee. Ik vind dit ook een verwerpelijke suggestie. Een school dient een plek te zijn waar jongeren elkaar ontmoeten en waar burgerschap wordt voorgeleefd. Er blijft zorg of deze school daar voldoende invulling aan zal geven.
Bent u, en in het bijzonder de Staatssecretaris, bereid medeverantwoordelijkheid te erkennen voor het klimaat dat is geschapen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid initiatief te nemen om de betrekkingen tussen het schoolbestuur, de gemeente, de inspectie en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het belang van kinderen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Nee. Gemeente en inspectie hebben ieder hun eigen rol. De inspectie voert haar – onafhankelijke – toezicht uit zoals vastgelegd in de Wet op het onderwijstoezicht.
Contact met een moskee en middelbare school naar aanleiding van dit soort gebeurtenissen is in beginsel een taak van de lokale overheid. De gemeente Amsterdam heeft regelmatig en goed contact met het schoolbestuur, zowel vanuit de centrale stad, het stadsdeel, als de politie. Die contacten waren er al voorafgaand aan de gebeurtenissen en zijn na de gebeurtenissen voortgezet. De gemeente Venlo heeft zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau contacten met de moskee.
Heeft u contact opgenomen met de vertegenwoordigers van de desbetreffende moskee en middelbare school die slachtoffer zijn geweest van deze bezetting? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Zie antwoord vraag 16.
Is de Minister-President bereid zijn afschuw uit te spreken over de acties van het Identitair Verzet en vervolgens een oproep te doen, waarin de regering garant staat voor de veiligheid van moslims en islamitische scholen? Zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 2 keur ik acties zoals die van Identitair ten zeerste af. De woorden in mijn brief aan de Tweede Kamer van 27 juni 20174 wil ik nogmaals onderstrepen. Geweld tegen en bedreiging en intimidatie van moslims en islamitische gebedshuizen is onacceptabel. Iedere dreiging tegen een gebedshuis of goedkeuring daarvan, ongeacht van welke geloofsovertuiging, zorgt ervoor dat mensen worden geraakt in de uitoefening van hun geloofsbeleving en zich onveilig voelen.