Het uit de vaart nemen van een marineschip door een ernstig tekort aan personeel. |
|
Kati Piri (PvdA), Salima Belhaj (D66), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de oorzaken zijn van het feit dat het tekort aan technisch personeel zo is opgelopen dat een schip tegen de kant gelegd moet worden?1
Het tijdelijk uit de vaart halen van Zr. Ms. Johan de Wit (JWIT) en Zr. Ms. Van Speijk (VSPK) wordt door twee oorzaken ingegeven. Enerzijds is het tekort aan technisch personeel de afgelopen jaren flink toegenomen. Initiatieven om technisch personeel te behouden en te werven, zoals intensieve wervingscampagnes, alternatieve instroommogelijkheden (bijvoorbeeld herintreders), bindingspremies en maatwerk, hebben nog niet tot het gewenste effect geleid. Anderzijds wordt met het tijdelijk uit de vaart halen van de JWIT en de VSPK de gereedheid en inzetbaarheid van andere varende eenheden verbeterd. Het ondersteunt het opnieuw in de vaart brengen van Zr. Ms. Tromp (TRMP) en de zojuist in de vaart gebrachte Zr. Ms. Amstel (AMST). Naast het bemannen van de TRMP en AMST worden met het personeel van JWIT en VSPK ook tekorten aangevuld bij andere varende eenheden, zodat deze schepen robuuster bemand worden. Daar waar er schepen opnieuw in de vaart komen, moeten er doorgaans ook schepen uit de vaart voor onderhoud. Dit is een gebruikelijke gang van zaken die regelmatig voorkomt en ook in dit geval wordt toegepast. Het tijdelijk uit de vaart halen van de JWIT en VSPK was al voorzien en is nu eerder dan gepland uitgevoerd.
Hoe beoordeelt u in dat kader de kritiek van de Inspecteur Generaal der Krijgsmacht (IGK) in de jaarrapportage over 2020 (pagina 17) dat «personeel onnodig is uitgestroomd omdat het belang van doorstroom voor eenieder te sterk werd aangezet»?
Defensie wil meer doen om goed opgeleid, ervaren en gemotiveerd personeel te behouden, onder andere door meer individueel maatwerk toe te passen. Dit mede, omdat uit de Personeelsrapportage 2020 (Kamerstuk 35 570 X, nr. 90 d.d. 19 mei 2021) blijkt dat gebrek aan loopbaanperspectieven een belangrijke vertrekreden is. Dit komt overeen met de kritiek van de IGK. In het nieuwe HR-model Defensie dat nu wordt ontwikkeld, worden specialistische loopbanen en individueel maatwerk beter gefaciliteerd. Vooruitlopend op het nieuwe HR-model is in overleg met de sociale partners in het arbeidsvoorwaardenakkoord 2018–2020 overeengekomen dat alle onderofficieren en officieren die een FPS fase 2-contract hebben, bij voldoende functioneren een vaste aanstelling krijgen. Maar dat is niet voldoende. Op 28 mei jl. heb ik de Kamer een brief gestuurd over de HR-transitie (Kamerstuk 35 570 X, nr. 91 d.d. 28 mei 2021). Deze brief is geheel gewijd aan de maatregelen die Defensie neemt om het personeelstekort tegen te gaan. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief.
Hoe beoordeelt u in dat kader de constatering van de IGK in de jaarrapportage dat het merendeel van de technici een loopbaan binnen het eigen specialisme ambieert, «ook al zou dat in sommige gevallen tijdelijk bij een ander defensieonderdeel zijn en tot een tragere carrièregang kunnen leiden»?
Defensie onderkent deze behoefte bij haar personeel. Met de komst van het nieuwe HR-model worden de mogelijkheden op dit gebied uitgebreid met onder meer nieuwe aanstellings- en contractvormen. Met het nieuwe HR-model kunnen specialistische loopbaanpaden beter worden ingericht.
Hoe beoordeelt u in dat kader het advies van de IGK in de jaarrapportage om «meer ruimte te bieden voor het volgen van een loopbaan in een eigen specialisme»?
Dit advies sluit aan bij de uitgangspunten van het geplande HR-model, waarin de aanstellingsvorm van militair specifieke functies een plaats krijgt. Hierbij kunnen bijzondere (afwijkende) eisen op het punt van medische geschiktheid zijn gesteld voor een specifieke functie of functiegroep.
Daarbij kunnen er op basis van het belang van zowel de organisatie als de individuele medewerker specifieke afspraken worden gemaakt over een loopbaan binnen een bepaald specialisme waar de functie-eisen niet zijn bijgesteld. Dit vindt nu al plaats. Ter illustratie: binnen het cyberdomein worden militairen aangesteld die wel voldoen aan de standaard keuringseisen, maar is er ook ruimte voor bijgestelde keuringseisen; met beide groepen – militairen met bijgestelde keuringseisen en militairen die voldoen aan de standaard keuringseisen – worden er loopbaanafspraken gemaakt.
Een ander voorbeeld is de «horizontale instroom» van de aircontroller en duiker bij CZSK. Dit betreft instroom gericht op een bepaalde functiegebied waar sprake is van schaarste (in dit geval duiker/aircontroller). Met verkorte specifieke opleidingen zijn deze militairen «smal» opgeleid en alleen inzetbaar als duiker/aircontroller en (nog) niet breed inzetbaar op basis van doorstroom vanuit de initiële opleidingen, kaderopleidingen en militaire ervaringseisen. De functie-eisen zijn kortom hier niet bijgesteld, maar er worden wel specifieke afspraken gemaakt over de mogelijke loopbaan.
Daarnaast is recent de opdracht gegeven door de CDS aan de defensieonderdelen om een langere functieduur voor militairen te stimuleren.
Er bestaat ook al een lijst met 85 functiegroepen die voor 6 of 7 jaar kunnen worden toegewezen. Recent is deze lijst uitgebreid met een groot aantal functies, zoals onderofficier beeldanalyse, onderofficier cyber warefare en onderofficier avionica techniek. Deze wijziging is na overleg met en instemming van de centrales van overheidspersoneel tot stand gekomen. Op dit moment ligt nog een voorstel van Defensie bij de centrales om functies in het veiligheidsdomein toe te voegen aan deze lijst. Het gaat bijvoorbeeld om functies in het domein vervoer gevaarlijke stoffen. Na hervatting van het overleg met de centrales, wat nu als gevolg van arbeidsvoorwaardenonderhandelingen opgeschort is, hoopt Defensie spoedig instemming te verkrijgen op dit voorstel.
Welke stappen hebt u de afgelopen jaren gezet om te komen tot specialistische loopbaanpaden?
Er zijn al verschillende specialistische loopbaanpaden ontwikkeld. Bijvoorbeeld binnen het cyber- en ICT-domein. Dit is ook meegenomen in de proeftuinen waarin elementen van het geplande HR-model worden getest. Bij de Koninklijke Landmacht heeft dit geleid tot een nieuw loopbaanpad binnen het wapen van de Genie. Opgemerkt wordt dat bij de ontwikkeling van deze loopbaanpaden bonden ook betrokken zijn; onder meer over de afwijking van functieduur en bevordering op basis van anciënniteit is instemming van de bonden benodigd.
Wat staat de totstandkoming en daadwerkelijke implementatie van deze specialistische loopbaanpaden in de weg?
Het invoeren van specialistische loopbaanpaden is zeer gewenst en maakt daarom deel uit van de voorgenomen HR-transitie. Voordat deze daadwerkelijk kunnen worden ingevoerd moet overeenstemming met de bonden worden bereikt over de rechtspositionele effecten die voortvloeien uit het voornemen om specialistische loopbaanpaden in te voeren, zoals bijvoorbeeld afspraken over functieduur.
Kunt u concreet beschrijven welke plannen u hebt om deze loopbaanpaden mogelijk te maken?
Het mogelijk maken van specialistische loopbaanpaden is één van de redenen waarom een nieuw HR-model Defensie wordt ingevoerd. Zoals eerder benoemd, heeft u onlangs een Kamerbrief (Kamerstuk 35 570 X, nr. 91 d.d. 28 mei 2021) over de HR-transitie ontvangen, waarin dit nader wordt toegelicht en waarin concrete plannen zijn opgenomen.
In hoeverre is dit afhankelijk van een nieuw personeelsmodel?
Het nieuwe HR-model biedt meer mogelijkheden voor specialistische loopbaanpaden, onder meer omdat in dit model de rechtspositie gaat voorzien in nieuwe en meer flexibele aanstellings- en contractvormen, waaronder de aanstelling als «militair specifieke functies». Daarnaast stelt het nieuwe HR-model bij in-, door- en uitstroom de individuele talenten en competenties van medewerkers centraal aan de hand van strategisch talentmanagement. Ook dat is een karakteristiek van het nieuwe HR-model dat, veel beter dan het huidige Flexibel Personeelssysteem, specialistische loopbaanpaden mogelijk moet maken (zie: Kamerstuk 35 570 X, nr. 91 d.d. 28 mei 2021).
Zo ja, wat is dan uw inzet om te komen tot deze specialistische loopbaanpaden binnen een nieuw personeelsmodel?
Het mogelijk maken van specialistische loopbaanpaden is één van de redenen waarom een nieuw HR-model Defensie wordt ingevoerd.
Is het uw inzet om bij specialistische loopbaanpaden het ook makkelijker te maken om te wisselen tussen defensieonderdelen?
Ja. In het nieuwe HR-model is het makkelijker om te kunnen wisselen van baan binnen, maar ook buiten Defensie. Dat geldt voor alle medewerkers van Defensie, dus ook voor medewerkers die een specialistisch loopbaanpad volgen. Ook de uitwisseling tussen militaire en burgeraanstellingen binnen en buiten Defensie wordt in het nieuwe HR-model eenvoudiger.
Is het uw inzet om bij specialistische loopbaanpaden het mogelijk te maken dat iemand binnen één specialisme werkzaam blijft, als iemand daarvoor kiest en accepteert dat tot mogelijk op enig moment tot een tragere carrièregang zal lijden?
Ja. Wel bepaalt de organisatie aan welke specialistische loopbaanpaden behoefte is.
Welke voorstellen brengt u in bij gesprekken over specialistische loopbaanpaden binnen het nieuwe personeelsmodel om ervoor te zorgen dat mensen ook hier voldoende perspectief op opleidingen, promoties en salarisverhogingen hebben?
Het nieuwe HR-model bevat HR-beleid en -regelgeving dat beoogt het carrièreperspectief van de medewerkers van Defensie, ook van medewerkers met een specialistisch loopbaanpad, te vergroten. In de Kamerbrief over de HR-transitie (Kamerstuk 35 570 X, nr. 91 d.d. 28 mei 2021) wordt op dit punt meer duiding gegeven.
Wordt er bij Defensie nog steeds gesproken over «nevenloopbanen» als iemand zich na een operationele opleiding en functie wil bekwamen in bijvoorbeeld ICT of cyber?
ICT en cyber, maar ook data (science), zijn volwaardige functiegebieden. De functieprofielen op deze gebieden zijn daarnaast essentieel om een informatiegestuurde organisatie te worden. In het kader van informatiegestuurd optreden zullen bovengenoemde gebieden ook in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van alle functies bij Defensie. In het kader van «Defensie Duurzaam Digitaal» waarover onlangs een Kamerbrief is uitgekomen (Kamerstuk 31 125, nr. 118 d.d. 27 mei 2021) heeft Defensie onderzocht welke profielen en competenties Defensie in de toekomst hiervoor denkt nodig te hebben en op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze behoefte. Bij- en omscholing van bestaand personeel is hier nadrukkelijk onderdeel van.
Is het uw streven om dergelijke vakgebieden bij het optuigen van specialistische loopbaanpaden ook een volwaardig loopbaantraject te laten zijn?
Ja.
Is het personeelsmodel en de manier waarop er met loopbaanpaden en doorstroom bij Defensie wordt omgegaan niet te rigide, als dit mede bijdraagt aan tekorten die ervoor zorgen dat een marineschip uit de vaart genomen moet worden?
Het huidige Flexibel Personeelssysteem (FPS) is zeker te rigide. Daarom juist wordt er een nieuw HR-model ingevoerd.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Discussie in kringen van officieren over de prioriteiten van de bestedingen van Defensie. |
|
Jasper van Dijk |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
Hebt u kennis genomen van de opvattingen van hoge officieren (b.d.) dat zij twijfelen over de juiste wijze van besteding van de Defensiebegroting?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de uitspraak van luitenant-generaal b.d. Van Loon dat de aanschaf van negen extra F-35’s contraproductief is en dat de kosten van deze toestellen «niet in balans zijn met kosten elders in de krijgsmacht»? Kunt u dat toelichten?
Het kabinetsbesluit (Kamerstuk 26 488, nr. 452) d.d. 8 oktober 2019, tot aanschaf van de additionele negen F-35 jachtvliegtuigen bovenop de reeds bestelde 37 toestellen, als vervanger van de meer dan dertig jaar oude F-16, is noodzakelijk om onze grondwettelijke taken uit te voeren in de context van het dreigingsbeeld dat ook in onze Defensievisie 2035 geschetst is. De F-35 ondersteunt daarbij de andere krijgsmachtdelen in hun taken, verantwoordelijkheden, bescherming en informatiepositie.
Met de negen additionele F-35 vliegtuigen die voortkomen uit de gelden die beschikbaar zijn gesteld voor het Nationaal Plan wordt de basis gelegd voor een derde F-35 squadron. De aanschaf van negen F-35 vliegtuigen draagt bij aan de versterking van de Nederlandse krijgsmacht, zodat Defensie nog beter in staat is de grondwettelijke taken uit te voeren. De huidige inzetdoelstelling betreft 24 uur per dag, zeven dagen per week het Nederlandse luchtruim bewaken en tegelijkertijd met vier toestellen eenmalig of langdurig één missie uitvoeren. Door negen additionele vliegtuigen inclusief personeel aan het vliegtuigenbestand toe te voegen gaat de personeelsbelasting voor een langdurige missie substantieel omlaag. Tevens wordt het aantal inzeturen verdeeld over een groter aantal vliegtuigen waardoor de vliegurenbelasting per vliegtuig als gevolg van inzet lager wordt. Dit heeft een positief effect op het voortzettingsvermogen van de F-35. Ook verbeteren we de inzetbaarheid, zodat we indien nodig sneller aanwezig kunnen zijn bij (potentiele) conflicten. Net als voor de andere wapensystemen binnen Defensie moet het project verwerving F-35 binnen de vastgestelde financiële kaders worden uitgevoerd.
Wat is uw appreciatie van het voorstel om in internationaal verband een of twee vliegvelden met F-35’s te delen en «dan kijken we eens of we dat niet samen veel slimmer kunnen»? Wat zou het in de praktijk betekenen om F-35’s te poolen met bijvoorbeeld Duitsland (als zij tot aanschaf overgaan) en België? Hebt u berekeningen gemaakt van de kostenvoordelen van deze vorm van samenwerking? Zo ja, hoe zien deze er uit?
De NAVO stelt aan haar lidstaten de eis voldoende militaire middelen, waaronder jachtvliegtuigen, paraat te hebben om indien noodzakelijk gezamenlijk het NAVO-grondgebied te verdedigen. Nederland heeft zich in internationaal verband sterk gemaakt voor poolvorming van o.a. strategische transport- en tankervliegtuigen in NAVO-verband, maar dat is bij de inzet van jachtvliegtuigen niet aan de orde. Bij de inzet voor de verdediging van Nederlands- en NAVO-grondgebied is echter gelijktijdige gegarandeerde beschikbaarheid van voldoende middelen van belang.
Het principe van poolvorming wordt juist breed toegepast binnen het internationale F-35 programma op het gebied van motoren, opleidingen, reservedelen, onderhoud en ontwikkeling. Dit sluit aan bij het in de vraagstelling genoemde pleidooi om slimmer en doelmatiger samen te werken met onze partners. Daarnaast werkt Nederland samen met België (en Luxemburg) in het kader van de Quick Reaction Alert in elkaars luchtruim waar ieder land mensen en middelen inbrengt voor de collectieve bescherming binnen dit NAVO-verband. Nederland streeft naar optimale samenwerking met de F-35 gebruikers waar dat dat mogelijk is.
Wat is uw oordeel op de visie van oud-militair Piepers dat commandanten van diverse krijgsmachtonderdelen zich weliswaar zorgen maken over de krijgsmacht, maar dat zij zelf ook onderdeel van het probleem zijn? Acht u het mogelijk een andere wijze van organiseren en dus financieren van de krijgsmacht mogelijk te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Defensievisie (Kamerstuknummer 34 919, nr. 71) schetst dit uitvoerig, zowel in de dreigings- en probleemanalyse als in de eigenschappen en inrichtingsprincipes die Defensie heeft vastgesteld. De commandanten van de operationele commando’s hebben een belangrijke rol in de geschetste oplossingen om ook toekomstige dreigingen het hoofd te kunnen bieden. We organiseren ons dus inderdaad anders, langs de uitgezette lijn van de Defensievisie. Van «meer van hetzelfde» is nadrukkelijk geen sprake.
Wat in de Defensievisie ook duidelijk wordt gemaakt, is dat de bekende domeinen niet aan dreiging verliezen nu cyber aan aandacht wint. Het is dus én-én. Tegenstanders kijken naar waar de zwakke plekken liggen en kiezen op basis daarvan hun strategie. Dat betekent dat we daar in onze strategie, beleid, uitvoering én financiering rekening mee moeten houden: het zou zeer onverstandig zijn om ons slechts op één dreiging, taak of kwaliteit te richten wanneer die nieuw opkomt, zoals cyber. Overigens is in de Defensievisie een inrichtingsprincipe over specialisatie opgenomen (inrichtingsprincipe 9: Inzetten op verdere specialisatie binnen NAVO en EU, pagina 37 Defensievisie), dat inzet op het meer en beter gebruik maken van de unieke meerwaarde van onszelf en onze partners en bondgenoten om gezamenlijk meer effecten te bereiken en de kwaliteit van ons optreden te verhogen.
Deelt u de opvatting dat de conclusies en aanbevelingen van de rapport Uit het vizier van de Algemene Rekenkamer de kritiek van Pieper en Van Loon urgentie geven?2 Zo nee, waarom niet? Wat zijn uw conclusies in het licht van deze ontwikkelingen?
Het rapport van de Algemene Rekenkamer laat zien dat de bezuinigingen een (te) zware wissel op Defensie hebben getrokken. De sporen zijn nog steeds zichtbaar. Door de bezuinigingen bij het afschaffen van wapensystemen zijn capaciteiten, kennis en kunde verloren gegaan terwijl ook de IT, logistiek en het vastgoed negatieve effecten ondervonden. Ik onderschrijf deze observaties. De standpunten van de heren Piepers en Van Loon sluiten hier ook op aan.
Het rapport van de Rekenkamer benadrukt dat zorgvuldigheid geboden is bij het maken van keuzes over capaciteiten, omdat dit grote effecten kan hebben voor de organisatie en daarmee voor eenheden binnen de organisatie. Ik zou de kritiek van de heren Piepers en Van Loon dan ook in dat licht willen zetten – er zijn geen snelle of makkelijke oplossingen voor de problematiek van Defensie. Dat is een belangrijke reden waarom ik de lange lijnen voor de organisatie heb uitgewerkt in de Defensievisie 2035. In de Defensievisie benadruk ik ook het belang van langjarige politieke duidelijkheid, waarbij beleid en budget met elkaar in balans zijn om een transitie te realiseren en realistische doelen te kunnen stellen. In mijn reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer heb ik dit belang van een stabiele begroting opnieuw benadrukt. Een stap hierin was het instellen van het Defensiematerieelbegrotingsfonds in de afgelopen kabinetsperiode.
Defensie heeft de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet met de extra investeringen van het huidige kabinet, maar we zijn er nog lang niet. De Defensievisie 2035 laat zien wat er nodig is om ook in de toekomst een antwoord te bieden op de dreigingen en problemen. De keuzes die gemaakt kunnen worden zijn echter aan een volgend kabinet.
Bent u in het licht van deze ontwikkelingen, bijvoorbeeld, bereid de negen extra F-35’s af te zeggen teneinde de financiële tegenvaller op te vangen? Zo nee, hoe denkt u dan de hoge kosten van de F-35 te verwerken?
De additionele F-35 toestellen leveren een belangrijke bijdrage aan de noodzakelijke versterking van de Nederlandse krijgsmacht, zodat Defensie beter in staat is de grondwettelijke taken uit te voeren.
In de jaarlijkse voortgangsrapportage project Verwerving F-35 van 2020 heeft de Staatssecretaris van Defensie uw Kamer geïnformeerd dat de exploitatiekostenramingen voor de komende begrotingsperiode van vijf jaar binnen het beschikbare budget passen. In de éénentwintigste voortgangsrapportage is aan uw Kamer gerapporteerd dat het gemiddelde geraamde exploitatietekort per jaar over de hele levensduur aanzienlijk is gedaald. De ramingen worden in de volgende voortgangsrapportage, die uiterlijk op Prinsjesdag aan uw Kamer wordt aangeboden, onder begeleiding van TNO geactualiseerd.
De kostenramingen over de gehele levensduur kennen nog wel de nodige onzekerheden en komen op basis van de huidige uitgangspunten uit boven het beschikbare budget. De komende jaren ontstaat er ook meer duidelijkheid over en ervaring met de exploitatiekosten van de door Nederland in gebruik genomen F-35 jachtvliegtuigen. Als sprake blijft van een tekort op de langere termijn dan zullen de kosten binnen de Defensiebegroting moeten worden ingepast. Omdat het gaat om ramingen op de langere termijn met daarbij nog de nodige onzekerheden, treft Defensie daarvoor nu nog geen maatregelen. Nederland pleit op het hoogste internationale bestuurlijke niveau binnen het programma voor een betaalbaar jachtvliegvliegtuig voor de gehele levensduur van het toestel.
Kunt u aangeven wat het schema is van alle bestelde F-35-toestellen die in Nederland aankomen om in gebruik te worden genomen door de luchtmacht?
De levering van de 46 toestellen verloopt volgens planning, zoals vermeld in de eenentwintigste voortgangsrapportage project Verwerving F-35 (Kamerstuk 26 488, nr. 461) d.d. 15 september 2020. Daarom is er geen aanleiding te veronderstellen dat de F-16 later dan gepland zal uitfaseren. Op dit moment heeft Nederland in totaal zeventien toestellen in gebruik waarvan negen in Nederland staan.
Wat zijn de vorderingen van het Block 4-toestel? In welk jaar verwacht u de komst van deze toestellen?
Het block-4 ontwikkelprogramma maakt onderdeel uit van de Follow-on Modernization (FoM) waarmee het F-35 toestel wordt doorontwikkeld, zoals gerapporteerd in de éénentwintigste voortgangsrapportage. In 2018 is de methodiek van Continuous Capability Development and Delivery ingevoerd, waarmee jaarlijks software-upgrades worden uitgegeven, waar noodzakelijk gecombineerd met hardware-updates. De eerste software-upgrades van de FoM zijn inmiddels uitgegeven en ook voor de Nederlandse vloot ingevoerd. Over de voortgang van het block-4 ontwikkelprogramma, voor zover relevant voor de verwerving van de Nederlandse F-35 jachtvliegtuigen, wordt uw Kamer in de voortgangsrapportage van dit jaar geïnformeerd.
Wat betekent deze (oplopende) vertraging voor de extra kosten van het verlengde gebruik van de F-16?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel 'Defensie zet mes in munitiebudget: tijd van ’pang pang’ roepen terug' |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Derk Boswijk (CDA), Chris Stoffer (SGP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Defensie zet mes in munitiebudget: tijd van «pang pang» roepen terug»?1
Ja.
Klopt het dat er in een reductie van het munitiebudget van 140 miljoen euro in 2021 naar 80 miljoen euro in 2023 is voorzien?
De gemiddelde kosten voor conventionele munitie voor opleiding en training (niet zijnde de voorraad kapitale munitie2) bedragen jaarlijks circa € 140 miljoen, waarvan circa een kwart wordt gebruikt voor vaste kosten voor bijvoorbeeld instandhouding en keuringen (typeclassificatie en levensduurverlengend onderzoek). Conventionele munitiesoorten, waaronder springmiddelen, klein kalibermunitie en vuursteunmunitie voor opleiden en training inclusief vaste kosten, worden gefinancierd vanuit het exploitatiebudget. Om het verbruik van conventionele munitie voor opleiding en training aan te vullen, is echter jaarlijks € 80 miljoen beschikbaar.
Eerder heb ik u gemeld dat de mismatch tussen beschikbaar budget en de behoefte aan munitie voor opleiding en training onder andere wordt veroorzaakt doordat de munitieprijzen harder stijgen dan voorzien (Kamerstuk 35 570 X, nr. 12 van 15 oktober 2020). De stijging van de prijzen wordt deels gecompenseerd middels de jaarlijkse toevoeging van de prijsbijstelling. De stijging van de munitieprijzen is onder andere een gevolg van de groeiende Defensie-investeringen door landen om ons heen, waarmee de vraag naar munitie en daarmee de prijs van munitie stijgt. Verder wordt deze mismatch veroorzaakt doordat er meer munitie voor opleiding en training moet worden vervangen dan in voorgaande jaren. De historische voorraden munitie, waar we voor opleiding en training tot nu toe uit konden putten, nemen namelijk af. Als gevolg van strikte toepassing van de veiligheidsnormen, wordt minder munitie na levensduurverlengend onderzoek vrijgegeven voor verbruik. Deze afgekeurde munitie moet worden afgevoerd en worden aangevuld.
Dit alles tezamen leidt tot een mismatch van structureel € 60 miljoen voor conventionele munitie voor opleiding en training. Dit bedrag is onderdeel van het in de Defensievisie 2035 opgenomen aanvullende structurele bedrag in de categorie Moderne bedrijfsvoering (Kamerstuk 34 919, nr. 71 van 15 oktober 2020).
Voor de jaren 2020 en 2021 is ervoor gekozen om het budget voor munitie
incidenteel met € 40 miljoen te verhogen. Voor 2022 is het voornemen dat eveneens te doen, onder voorbehoud van goedkeuring van uw Kamer met de eerste suppletoire begroting waarvan dit voornemen deel zal uitmaken. Hierdoor wordt de mismatch tijdelijk beperkt. Tegelijkertijd zoekt Defensie een structurele oplossing voor deze mismatch.
Om het verbruik in overeenstemming te brengen met het budget, richt Defensie zich in een eerste stap op het verminderen van het verbruik van duurdere munitiesoorten van de grotere wapensystemen ter hoogte van minstens € 20 miljoen, waarbij nog steeds de vereiste mate van geoefendheid kan worden behaald. Daarbij onderzoekt Defensie bijvoorbeeld de mogelijkheden om meer gebruik te maken van simulatie in een digitale omgeving. Verder bekijkt Defensie of minder dure trainingsmunitie kan worden gebruikt, die uiteraard wel aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet, zoals het gebruik van goedkopere granaten met een kleiner bereik voor de training van artilleriewaarnemers.
Om de volledige mismatch structureel op te lossen, worden afhankelijk van de ruimte op de Defensiebegroting, verdere stappen bezien.
Wat zijn de gevolgen voor de gereedheid en geoefendheid van de krijgsmacht als het munitiebudget wordt teruggeschroefd per 2023?
Zoals hierboven vermeld richt Defensie zich in een eerste stap op het verminderen van het verbruik van duurdere munitiesoorten van de grotere wapensystemen, waarbij nog steeds de vereiste mate van geoefendheid kan worden behaald.
Binnen de bestaande kaders en het beschikbare budget moeten echter defensiebreed voortdurend keuzes worden gemaakt (Kamerstukken 31 125 nr. 114 en 34 919 nr. 55). Met het huidige defensiebudget en alle opgaven, niet alleen op gebied van munitievoorraden, maar ook op het gebied van bijvoorbeeld IT en vastgoed, valt niet uit te sluiten dat keuzes moeten worden gemaakt, die gevolgen kunnen hebben voor de geoefendheid en gereedheid van eenheden en daarmee voor missies en operaties. Om de geoefendheid van de individuele militair te blijven garanderen, is en blijft hierbij het uitgangspunt dat er geen aanpassingen worden gedaan aan het verbruik van munitie, zoals klein kaliber oefenmunitie, voor de basisvaardigheden van de individuele militair.
Indien het knelpunt niet structureel wordt opgelost, zal op termijn de inzetvoorraad munitie moeten worden gebruikt om de munitie voor opleiding en training aan te vullen. Inzetvoorraden zijn nodig om deel te nemen aan missies of voor het beschikbaar stellen van eenheden in het kader van de eerste hoofdtaak. In de Kamerbrief «Aanvulling munitievoorraden fase 2» heb ik u aangegeven dat Defensie de inzetvoorraden munitie voor de tweede hoofdtaak en de voorraad kapitale munitie voor opleiding en training, niet voor een specifieke hoofdtaak, weer op niveau brengt (Kamerstuk 27 830, nr. 265). Hoewel dit een significante eerste stap is, wordt als vervolg beschouwd wat nodig is om te voldoen aan een inzet in het kader van de eerste hoofdtaak, inclusief kapitale en conventionele munitie voor opleiding en training. In de Defensievisie 2035 is inzichtelijk gemaakt welke stappen Defensie zou kunnen zetten om de (munitie-)voorraden voor de eerste hoofdtaak aan te vullen en zijn deze stappen op hoofdlijnen financieel gekwantificeerd, inclusief de tweede en derde orde effecten, zoals extra opslagcapaciteit voor munitie (Kamerstuk 34 919, nr. 71 van 15 oktober 2020). Met de eventuele groei naar inzetvoorraden voor de eerste hoofdtaak, inclusief tweede en derde orde effecten, zou circa € 4 tot € 6 miljard voor de planperiode van 15 jaar gemoeid zijn, waarvan ongeveer de helft voor de inzetvoorraad munitie. Het is aan een volgend kabinet om hierover een besluit te nemen.
Welke gevolgen zou dit hebben voor de mogelijkheden om deel te nemen aan missies of voor het beschikbaar stellen van eenheden voor de Navo in het kader van de eerste hoofdtaak, zoals de Nato Response Force?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom lukt het niet om voldoende trainingen in simulatoren uit te voeren?
Defensie heeft nog niet voldoende gebruik kunnen en hoeven maken van de mogelijkheden van trainingen met simulatie in een digitale omgeving, dat dit heeft geleid tot een lager verbruik van, munitiesoorten. Dit heeft twee oorzaken:
Allereerst waren er in de afgelopen jaren, ondanks het exploitatietekort, voldoende munitievoorraden beschikbaar voor opleiding en training. Zoals vermeld nemen de historische voorraden munitie, waar we voor opleiding en training tot nu toe uit konden putten, echter af. Dit vergroot de mismatch tussen beschikbaar budget en de behoefte aan munitie voor opleiding en training, want er moet meer munitie voor opleiding en training worden vervangen dan in voorgaande jaren. Het gebruik van meer simulatie in een digitale omgeving van grotere en duurdere wapensystemen leidt mogelijk tot een lager verbruik van duurdere munitiesoorten.
Verder zijn, met het gebruik van modernere wapensystemen, de mogelijkheden voor training met simulatie toegenomen. Het gebruik van simulatie is dan ook een standaard onderdeel in het behoeftestellingsproces van grote wapensystemen, maar vraagt ook om aanzienlijke investeringen, niet alleen in simulatiefaciliteiten, maar ook in structurele personele capaciteit en wordt daarom nog niet altijd en volledig benut. Mogelijk leiden extra investeringen in simulatiemiddelen ertoe dat de uitgaven voor verbruik van echte munitie voor opleiding en training dalen.
Om de kosten van het munitieverbruik voor opleiding en training in lijn te brengen met het beschikbare budget onderzoekt Defensie daarom bijvoorbeeld de mogelijkheden om vanaf 2022 meer gebruik te maken van simulatie in een digitale omgeving, inclusief financiële consequenties. Deze financiële consequenties moeten uiteindelijk opwegen tegen het structureel lager verbruik van munitiesoorten ter hoogte van € 20 miljoen.
Welke stappen worden er gezet om dit gebrek aan simulatiemogelijkheden op te lossen, en per wanneer zijn er verbeteringen te verwachten?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Stop procedure voor de radar in Herwijnen' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennis genomen van de berichtgeving «Brief naar Den Haag: Stop procedure voor de radar in Herwijnen»?1
Ja.
Klopt het dat het college van B&W van de gemeente West-Betuwe een brief aan u gestuurd heeft met het verzoek om concreet aan te geven dat u stopt met de RCR-procedure, gericht op plaatsing van de SMART L-radar in Herwijnen?
Ja.
Klopt het dat deze brief een reactie is op de onrust die eind vorige maand ontstond na een uitzending van het NPO Radio 1 Journaal, waarin een medewerker van Defensie suggereerde dat de radar mogelijk toch in Herwijnen geplaatst gaat worden?
Op 1 april 2021 heb ik een brief ontvangen van de gemeente West Betuwe waarin wordt verzocht om de RCR-procedure voor het militaire radarstation te stoppen en te zoeken naar een andere locatie. In deze brief wordt onder andere gesproken over de uitzending op NPO Radio 1 van 26 maart jl.
Klopt het dat er vanuit Defensie het volgende gesteld is in het Radio 1 Journaal: «Dat «het zou kunnen» dat hij (de radar) er niet komt,«maar het zou ook kunnen dat hij er wel komt.»»?2
Ja.
Hoe verhouden zich deze uitspraken tot de bewering van de wethouder Ruimtelijke Ordening van West-Betuwe dat de gemeente een brief gekregen heeft van het Ministerie van Defensie waarin gesteld wordt dat de RCR-procedure echt wordt gestopt?
In mijn brief4 aan de gemeente West Betuwe van 3 maart 2021 (ref. BS2021004628, bijlage 1) en de Kamerbrief van 3 maart 2021 (Kamerstuk 27 830, nr. 336) geef ik aan dat ik de intentie heb om uitvoering te geven aan de motie Van Helvert c.s. (Kamerstuk 27 830, nr. 332). Tegelijkertijd vereist de zorgvuldigheid dat ik meer zicht heb op de gevolgen van het stoppen van de RCR-procedure, zodat duidelijk is hoe op andere wijze invulling zou kunnen worden gegeven aan de bewaking van het Nederlandse luchtruim. Het is de verantwoordelijkheid van Defensie en het kabinet om een afweging te maken tussen de motie, het nationaal veiligheidsbelang van de bewaking van het luchtruim en een zorgvuldige inpassing in de omgeving. Mijn standpunt hieromtrent is onveranderd.
Het streven was om u in april/mei 2021 nader te informeren. De onderzoeken in het kader van de motie Belhaj (Kamerstuk 35 570 X, nr. 29) en van Helvert c.s. (Kamerstuk 35 570 X, nr. 24) spelen hierin een grote rol. Deze onderzoeken zijn namelijk bouwstenen voor het bepalen hoe en waar op een andere wijze kan worden voorzien in de luchtruimbewaking. Een zorgvuldige uitvoering van de benodigde analyses neemt echter meer tijd in beslag dan verwacht. Hieronder licht ik dat toe.
Het onderzoek in het kader van de motie Belhaj (Kamerstuk 35 570 X, nr. 29) bestaat uit drie stappen. Het proces en de voortgang is als volgt:
Het kan zijn dat deze validatie impact heeft op stap 2. Om deze reden is stap 2 nog niet afgerond. Als blijkt dat de waardes van de berekeningen en de metingen teveel uiteenlopen, zal TNO kritisch kijken naar de berekeningen uit stap 2 en deze, indien nodig, aanscherpen. Daarna wordt het rapport afgerond. Zodra het definitieve rapport beschikbaar komt zal ik dit per brief met uw Kamer en de gemeente West Betuwe delen en zal het rapport worden gepubliceerd op de website www.defensie.nl/radarstations.
Vooruitlopend op het definitieve rapport naar aanleiding van de motie Belhaj, zijn we, omwille van de gewenste snelheid, al gestart met het onderzoek naar alternatieve locaties naar aanleiding van de motie Van Helvert c.s. (Kamerstuk 35 570 X, nr. 24). Het onderzoek naar alternatieve locaties bestaat uit zeven stappen. De afronding van de eerste twee stappen leidt tot de vaststelling van het zoekgebied, in de stappen daarna volgt de doorrekening en beoordeling van potentiele locaties. Het proces en de voortgang is als volgt:
De (deel)uitkomsten van stap 1 en stap 2 en het definitieve rapport zullen op de website www.defensie.nl/radarstations worden gepubliceerd. Het definitieve rapport van het onderzoek naar alternatieve locaties zal ik per brief delen met uw Kamer en de gemeente West Betuwe en beschikbaar stellen op de website www.defensie.nl/radarstations.
Daarnaast beziet Defensie of er plausibele alternatieve mogelijkheden binnen afzienbare tijd beschikbaar zijn om te kunnen voorzien in de benodigde radardekking ten behoeve van luchtruimbewaking. Hierbij wordt ook gekeken naar mogelijkheden buiten het zoekgebied, zoals gedefinieerd in het onderzoek naar alternatieve locaties. Tevens wordt momenteel gewerkt aan de uitwerking van de juridische en de bestuurlijke consequenties van het stoppen van een RCR-procedure.
De samenhang en volgordelijkheid tussen de trajecten en de beschikbare capaciteit bij de verscheidene partijen spelen een belangrijke rol in een langere doorlooptijd. Naar verwachting zullen alle inzichten van bovenstaande trajecten in de zomer 2021 beschikbaar komen.
Ik begrijp dat spoedige duidelijkheid gewenst is. Dat is ook in het belang van Defensie. De verwachting is dat ik de Kamer en de gemeente West Betuwe na de zomer 2021 over alle uitkomsten kan informeren. Tot die tijd worden er geen onomkeerbare stappen gezet.
Waarom laat Defensie kennelijk de mogelijkheid open dat de radar toch in Herwijnen wordt geplaatst, in strijd met de uitdrukkelijke uitspraak van een ruime Kamermeerderheid om te stoppen met de RCR-procedure, en op zoek te gaan naar een andere locatie dan Herwijnen?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom wordt op de website van Defensie nog steeds gesteld dat er geen betere, snel beschikbare locaties zijn dan Herwijnen en dat vertraging en de risico’s die daarbij horen «niet te accepteren» zijn, dat daarvoor het beschermen van het Nederlandse luchtruim té belangrijk is en dat Defensie «daarom bij haar keuze voor Herwijnen blijft»?3
Ja, inmiddels is de website www.defensie.nl/radarstations aangevuld met informatie en toelichting over de intentie om uitvoering te geven aan de motie (zoals beschreven in Kamerstuk 33 570 X, nr. 77) en de lopende onderzoeken om een afweging maken tussen de motie, het nationaal veiligheidsbelang en een zorgvuldige inpassing in de omgeving. Op basis van de op dit moment beschikbare onderzoeken is de locatie in Herwijnen vooralsnog de beste locatie. Het lopende onderzoek naar alternatieve locaties kan mogelijk leiden tot een ander inzicht. Ik kan niet vooruit lopen op de uitkomsten van een lopend onderzoek. Zie aanvullend het antwoord op de vragen 5, 6 en 8.
Hoe verhoudt zich dit tot uw reactie op de motie Van Helvert c.s.4, waarin u aangeeft dat u de «intentie» heeft om deze uit te voeren? Bent u bereid zo snel mogelijk de RCR-procedure stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de website van Defensie, die nota bene ook bedoeld is voor publieksinformatie, aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Hebt u begrip voor de – opnieuw door Defensie veroorzaakte – ontstane onrust in Herwijnen? Wat gaat u doen om deze weg te nemen? Herkent u zich in de burgemeester van West-Betuwe die stelt dat dit tot enorme opluchting in de gemeente West-Betuwe zal leiden, met name bij inwoners van Herwijnen en direct omwonenden van de projectlocatie aan de Broekgraaf?
Ik betreur het als er onduidelijkheid is ontstaan en ik begrijp dat er snel duidelijkheid gewenst is. Het standpunt zoals geformuleerd in de Kamerbrief van 3 maart 2021 (Kamerstuk 27 830, nr. 336) is onveranderd. Het zorgvuldig uitvoeren van deze analyses kost tijd, daarvoor vraag ik begrip. Het is mijn streven om hier na de zomer 2021 meer duidelijkheid over alle onderzoeken te kunnen bieden aan de Kamer en de gemeente West Betuwe. Over de ontwikkelingen blijft Defensie graag in gesprek met de gemeente West Betuwe. Tot die tijd worden er geen onomkeerbare stappen gezet.
De verplichte vaccinatie voor militairen |
|
Wybren van Haga (FVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een lijst bestaat waarop verplichte vaccinaties voor militairen zijn vastgelegd? Zo ja, klopt het dat de vaccins tegen COVID-19 onderdeel zijn van de betreffende lijst van verplichte vaccinaties voor militairen?
Aan het militair personeel kan de Minister onder bepaalde omstandigheden vanwege het waarborgen van de inzet van de krijgsmacht een vaccinatie verplichting opleggen. Dit is geregeld in de Wet Immunisatie Militairen (WIM). Alvorens deze verplichting op te leggen, vragen wij hiertoe op grond van artikel 3 van de WIM altijd eerst advies aan de Commissie Deskundigen Immunisatie Militairen (CDIM). Voor vaccinatie tegen COVID-19 is advies ingewonnen en dit is overgenomen, namelijk deze vaccinatie voorlopig niet verplichtend op te leggen aan alle militairen, maar dat vaccinatie van uit te zenden militairen onder omstandigheden dermate belangrijk kan zijn dat dit verplicht moet kunnen worden opgelegd. Daarom is, na bespreking met de Centrales van Overheidspersoneel, gekozen voor een zelfstandige (tijdelijke) regeling voor vaccinatie tegen COVID-19 en niet voor opname in de Regeling Immunisatie Militairen 2002 (RIM2002).
In de RIM2002 staat een overzicht van ziektes waartegen alle militairen verplicht gevaccineerd moeten zijn en een lijst met ziektes waartegen zij onder bepaalde voorwaarden verplicht kunnen worden zich te laten vaccineren. Deze regeling is onderdeel van de rechtspositie van de militair en wordt regulier toegepast. De Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 biedt de Minister van Defensie de mogelijkheid om militairen te verplichten zich te laten vaccineren tegen COVID-19, indien zij voor de vervulling van de dienst buiten Nederland verblijven en waarbij niet-gevaccineerde militairen een significant gezondheidsrisico lopen wanneer zij ziek zouden worden door COVID-19 en dit een verhoogd risico oplevert voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. Immers, de operationeel geneeskundige keten in het inzetgebied is niet ingericht op COVID-19 zorg. Daarnaast is de zorg in het gastland kwalitatief en kwantitatief meestal niet ingericht op extra COVID-19 patiënten. Bovendien is de medische repartiering uit een inzetgebied in het geval van een COVID-19 besmetting zeer bewerkelijk.
Klopt het dat wanneer militairen een COVID-19 vaccinatie weigeren, zij niet op uitzending mogen gaan en dus dienstongeschikt kunnen worden verklaard, wat kan leiden tot ontslag?
Zie gecombineerd antwoord bij vraag 5.
Bent u op de hoogte van de onrust binnen Defensie betreffende de directe of indirecte verplichting tot het nemen van een COVID-19 vaccin?
Ik sluit niet uit dat na aankondiging van de tijdelijke regeling er kritische vragen over COVID-19 vaccinatie zijn gesteld. In zowel de communicatie door commandanten als op het Defensie intranet wordt hier aandacht aan besteed.
Kunt u de onrust bij militairen wegnemen door te bevestigen dat er op dit moment geen sprake is van een verplichte vaccinatie tegen COVID-19, en hier in de toekomst ook geen sprake van zal zijn? Zo nee, waarom niet?
De Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 biedt de Minister van Defensie de mogelijkheid om militairen te verplichten zich te laten vaccineren tegen COVID-19, indien zij voor de vervulling van de dienst buiten Nederland verblijven en waarbij niet-gevaccineerde militairen een significant gezondheidsrisico lopen wanneer zij ziek zouden worden door COVID-19 en dit een verhoogd risico oplevert voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. Er zijn op dit moment tien missies waarvoor de Minister van Defensie heeft besloten dat de militairen verplicht tegen COVID-19 gevaccineerd moeten zijn. Het is niet uit te sluiten dat hier nog andere inzet van militairen in het buitenland aan wordt toegevoegd.
Kunt u bevestigen dat er eveneens geen sprake zal zijn van een indirecte vaccinatieplicht voor militairen, bijvoorbeeld door militairen niet op uitzending te laten gaan wanneer zij besluiten geen COVID-19 vaccin te nemen? Zo nee, waarom niet?
Een besluit om op basis van de Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 een verplichting op te leggen is met waarborgen omkleed. Per dienstverrichting in het buitenland wordt een afzonderlijk besluit genomen, op basis van deskundig advies. Een militair die een beroep doet op gewetensbezwaren tegen immunisatie op gronden ontleend aan godsdienst, levensbeschouwing of zedelijke overtuiging, óf als de gezondheidstoestand daartoe aanleiding geeft, kan een met redenen omkleed verzoekschrift tot het verkrijgen van vrijstelling indienen (WIM art. 5 en 6). Vaccinatie blijft dan achterwege totdat definitief op het verzoekschrift is beslist. Wanneer een militair een opgelegde plicht tot vaccinatie weigert, zal de verantwoordelijk militair arts in principe een niet-inzetbaarheidsadvies afgeven. Een dergelijk niet-inzetbaarheidsadvies leidt niet tot dienstongeschiktheid en ontslag, maar wel tot uitzendongeschiktheid voor die specifieke inzet in het buitenland.
Bent u op de hoogte van de onrust binnen Defensie betreffende de mogelijke bijwerkingen van de COVID-19 vaccins? Zo ja, wat gaat u doen om deze onrust weg te nemen?
Defensie informeert haar personeel en volgt de richtlijnen en aanwijzingen van het RIVM. Op het Defensie intranet zijn pagina’s ingericht met antwoorden op de meest gestelde vragen. Wanneer militairen andere vragen hebben over de COVID-19 vaccins kunnen zij deze altijd voorleggen aan de gezondheidscentra binnen Defensie. Overigens kan de militair op grond van artikel 5 of 6 van de Wet immunisatie militairen een verzoek tot vrijstelling van een verplichting tot vaccinatie indienen.
Bent het ermee eens dat, zolang er sprake is van onzekerheid over de werkzaamheid en de langetermijngevolgen van de vaccins tegen COVID-19, het onethisch zou zijn om militairen de verplichting tot vaccinatie op te leggen, indien zij op uitzending willen gaan?
Op basis van medische en operationele adviezen wordt telkens een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het grondrecht van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam en de mogelijkheid die de Wet Immunisatie Militairen en de daarvan afgeleide regelingen bieden om vaccinaties voor militairen te verplichten. De Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 biedt de Minister van Defensie de mogelijkheid om militairen te verplichten zich te laten vaccineren tegen COVID-19, indien zij voor de vervulling van de dienst buiten Nederland verblijven en waarbij niet-gevaccineerde militairen een significant gezondheidsrisico lopen wanneer zij ziek zouden worden door COVID-19 en dit een verhoogd risico oplevert voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. Immers, de operationeel geneeskundige keten in het inzetgebied is niet ingericht op COVID-19 zorg. Daarnaast is de zorg in het gastland kwalitatief en kwantitatief meestal niet ingericht op extra COVID-19 patiënten. Bovendien is de medische repartiering uit een inzetgebied in het geval van een COVID-19 besmetting zeer bewerkelijk. Met een verplichting tot vaccinatie neemt Defensie haar verantwoordelijkheid dergelijke risico’s te mitigeren, waarmee de inzetbaarheid van individuele militair en zijn of haar team én de uitvoering van de missie zoveel als mogelijk worden geborgd.
De toezegging van een Nederlands initiatief tot beheersing van nieuwe technologische wapens |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, in vervolg op de kabinetsbrief van 28 oktober 2020, bevestigen wat de ambitie van het kabinet is om uitvoering te geven van de motie-Koopmans c.s. van 24 april 2019, waarin de regering wordt opgeroepen «om met gelijkgezinde landen praktisch en realistisch aanjager te zijn van een zo breed gedragen en verstrekkend mogelijk verdrag of andere bindende internationale regelgeving ter beheersing van de productie, plaatsing, verspreiding en inzet van nieuwe potentiele massavernietigingswapens»?1
Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer over de potentiele veiligheidsrisico’s en dreigingen van nieuwe technologieën. Mede op basis van de motie Koopmans is Nederland zich hiervoor de afgelopen kabinetsperiode gaan inzetten, zoals weergegeven in een drietal Kamerbrieven. Deze inzet sluit aan bij de Nederlandse ambitie en traditie van het tegengaan van de proliferatie van massavernietigingswapens en het bevorderen van de internationale rechtsorde. Nederland heeft de ambitie om een voortrekkersrol te spelen in internationale discussies over de uitdagingen die nieuwe technologieën opleveren met als doel om tot afspraken te komen over het inperken van risico’s en versterking van de internationale rechtsorde op dit punt.
Nieuwe technologieën bieden kansen, maar stellen ons ook voor uitdagingen. Zij veranderen manieren van oorlogvoering, maar worden vaak in de civiele markt ontwikkeld en hebben veelal een «dual-use» karakter, waardoor de toegang tot deze technologieën laagdrempelig is en controle door de overheid complex is. Nieuwe technologische wapens vereisen nieuwe vormen van wapenbeheersing maar ook aanpassing van strategie van oorlogvoering en collectieve verdediging.
Vanuit een wapenbeheersingsperspectief blijft de toepassing en naleving van het internationaal (humanitair) recht uitgangspunt, maar mogelijk zijn nieuwe maatregelen nodig om een verantwoorde ontwikkeling, productie, verspreiding en gebruik van nieuwe technologieën te garanderen. Maatregelen kunnen variëren van (inter)nationale richtlijnen voor R&D, productieverboden zoals bij kernwapens en chemische wapens, exportcontrole en bescherming van kennisoverdracht, tot (internationale) afspraken over verantwoord gebruik, en, uiteindelijk, verdediging tegen de inzet van nieuwe technologieën. Samenwerking met de private sector en kennisinstellingen, alsook met de NAVO en VN-partners is hierbij van belang. Per technologie is een andere aanpak nodig, die ook nog eens contextafhankelijk is. Er is geen «one size fits all».
NL zal zich blijven inzetten voor (her)committering aan de internationale wapenbeheersingsarchitectuur, waaronder exportcontroleregimes en ontwapeningsverdragen, met daarbij bijzondere aandacht voor nieuwe technologieën. Daarnaast zetten we in op het behoud van onze technologische «edge» en op de verdediging tegen nieuwe technologische ontwikkelingen bij tegenstanders en de inzet van nieuwe technologieën door kwaadwillenden (zowel statelijke als niet-statelijke actoren). Nederland maakt zich hiervoor sterk zowel in NAVO, EU en VN-verband. De komende maanden zal het Kabinet inventariseren waar kansen en mogelijkheden liggen voor extra inspanningen en focussen op waar een Nederlands initiatief het verschil kan maken.
Deelt u de overtuiging dat regelgeving niet alleen moet zien op «wat wij offensief mogen doen» maar vooral ook op «hoe wij voorkomen dat anderen iets tegen ons doen»?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete stappen zijn ondernomen sinds 28 oktober 2020?
Het Kabinet heeft sinds de laatste Kamerbrief van oktober 2020 het volgende ondernomen:
NL heeft samen met DUI in zowel EU- als NAVO-verband de discussie aangezwengeld over het verantwoord militair gebruik van nieuwe technologieën. NL ziet erop toe dat het onderwerp «verantwoord gebruik van nieuwe technologieën» en verdediging tegen gebruik ervan door terroristen en vijandelijke staten ook wordt meegenomen in de herziening van het NAVO strategisch concept en in het EU strategisch kompas:
Op het gebied van biosecurity werkt het Kabinet aan manieren om de Biological Weapons Convention te versterken, via de bevordering van vertrouwenwekkende maatregelen en het investeren in capaciteitsopbouw in de armste lidstaten van het BWC. Maar ook kan worden gedacht aan het nemen van andere maatregelen die moeten voorkomen dat private actoren te gemakkelijk (zonder adequaat toezicht) toegang krijgen tot gevoelige kennis of gegevens waarmee zij bijvoorbeeld een virus zouden kunnen produceren. Het Kabinet zal dit verder verkennen.
Het Kabinet besteed eveneens aandacht aan het onderwerp geïntegreerde lucht- en raketverdediging, waaronder nieuwe technologieën vallen zoals hypersone wapens en robotica, waaronder dronezwermen. Deze wapens hebben potentieel een grote impact op de strategische stabiliteit en vragen om nieuwe vormen van (nucleaire) risico-reductie, een onderwerp waar NL zich eveneens in NAVO en VN-verband hard voor maakt (financiering van projecten; agendering via NPDI; indiening UK-NL paper in NAVO verband).
Welke concrete initiatieven zullen dit jaar worden ondernomen?
In navolging van een amendement Koopmans op de begroting van 2021 heeft het Kabinet capaciteit vrijgemaakt om een extra inspanning te leveren op het onderwerp van nieuwe technologieën en wapenbeheersing. Deze capaciteit stelt ons in staat te identificeren waar lacunes en mogelijkheden zitten ten aanzien van het adresseren van de meest risicovolle nieuwe technologieën (zie hierboven) en daarop een of meerdere initiatieven te ontplooien.
Het Kabinet is voornemens in 2021 een internationale conferentie te organiseren over het verantwoord gebruik van nieuwe technologieën en daarbij een initiatief te lanceren om te komen tot wapenbeheersing (waarbij wordt gekeken naar het gehele spectrum, waaronder ontwerp, productie, export en gebruik), met betrekking tot een of enkele van bovengenoemde technologieën, bijvoorbeeld dronezwermen en robotica.
De komende maanden zullen worden gebruikt om – mogelijk in een serie internationale workshops – bovenstaande sporen verder uit te werken en in overleg met partners te bepalen welk soort internationaal initiatief (denk aan een consultatieve proeve van internationale regulering) op middellange termijn het meest bij kan dragen aan de Nederlandse en internationale veiligheid.
Wat doet u daarbij specifiek ten aanzien van drones, dronezwermen en (andere) robotica?
Zie antwoord vraag 4.
Het tekort aan gepantserde voertuigen bij de Koninklijke Marechaussee |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tekort aan gepantserde wagens marechaussee»?1
Ja.
Kunt u de achtergrond en oorzaken schetsen van het tekort aan gepantserde voertuigen bij de Koninklijke Marechaussee (KMar)?
Er is nu geen tekort aan gepantserde voertuigen bij de Koninklijke Marechaussee, wel is langer dan gepland gebruik gemaakt van oudere voertuigen. De achtergrond en oorzaken van problemen met de levering van voertuigen door een Franse leverancier zijn vermeld in een Kamerbrief (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2951, 7 juni 2019). Nadat tevergeefs geprobeerd is deze voertuigen te laten repareren door de Franse leverancier zijn er nieuwe voertuigen besteld bij een andere leverancier en op 4 maart 2021 uitgeleverd aan de eenheden.
Hoe lang bestaat deze situatie al en hoe lang zal deze situatie nog voortduren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe komt het dat de nieuw aangeschafte Toyota Land Cruisers niet aan de wensen en eisen blijken te voldoen en welke partijen zijn hier primair voor verantwoordelijk en aansprakelijk?
Bij de door de Franse leverancier geleverde voertuigen zijn in 2019 problemen vastgesteld met onder meer de stuurinrichting, het brandstofsysteem en het remsysteem. Deze problemen tasten de wegveiligheid en de gebruiksveiligheid aan. In oktober 2019 is de leverancier op al deze punten in gebreke gesteld. Dit heeft uiteindelijk niet geleid tot voor Defensie aanvaardbare oplossingen. Inmiddels is de Landsadvocaat verzocht om rechtsmaatregelen voor te bereiden.
Hoeveel extra geld gaat deze tegenvaller Defensie kosten?
De inspanningen van Defensie zijn er op gericht om deze kosten tot het minimum te beperken en maximaal te verhalen op de in gebreke gestelde leverancier. Het resultaat is voor een belangrijk deel afhankelijk van de uitkomst van de juridische procedure tegen de leverancier. Het is daarmee nu nog niet duidelijk hoeveel geld deze tegenvaller Defensie eventueel gaat kosten.
Wat is het effect van deze problematiek op de inzetbaarheid van de Hoog Risico Beveiligingspelotons (HRB), die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van onder meer de Tweede Kamer, luchthaven Schiphol, en het Joodse Cheider in Amsterdam?
De HRB is tot op heden in staat geweest om haar taken uit te voeren. Er is nu geen tekort aan gepantserde voertuigen bij de Koninklijke Marechaussee. De nieuwe voertuigen zijn op 4 maart 2021 uitgeleverd aan de eenheden. In de tussenliggende periode is er voor het grootste deel gebruik gemaakt van oudere gepantserde voertuigen met hetzelfde beschermingsniveau binnen de eigen organisatie van de Koninklijke Marechaussee.
Hoe wordt voorkomen dat deze situatie een onverantwoord hoge afbreuk doet aan de beveiliging van risicovolle objecten?
Zie antwoord vraag 6.
Welke maatregelen zijn of worden genomen om dit probleem op korte en op lange termijn op te lossen?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u garanderen dat de KMar, in het bijzonder de HRB’s, hun werk volwaardig, effectief en veilig kunnen blijven doen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke (andere) bevindingen van het Interventieteam Defensie kunnen een risico vormen voor de operationele inzetbaarheid van krijgsmachtdelen en/of voor de nationale en internationale veiligheid?2
Bij het interventieteam kunnen militairen en burgerpersoneel terecht met hun zorgen, vragen en problemen, als deze bijvoorbeeld lang blijven steken in complexe processen. Het interventieteam Defensie richt zich met name op de persoonlijke uitrusting van militairen, de werkplek en legering. Het gaat daarbij vaak om maatwerk. De resultaten worden intern en extern gepubliceerd, maar zijn niet bedoeld om een overzicht van de inzetbaarheid van de krijgsmacht te geven. Defensie geeft met de inzetbaarheidsrapportage inzicht in de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. De vertrouwelijke bijlagen bij de inzetbaarheidsrapportage gaan in op de risico’s en beperkingen in de inzetbaarheid. Daarbij worden zaken als het aanhoudende beroep op Defensie, knelpunten in militaire personele vulling, schaarse (gevechts-)ondersteuning en lage materiële gereedheid meegenomen waar van toepassing.
Kunt u aangeven hoe deze risico’s gemitigeerd worden?
Zie antwoord vraag 10.
Eventuele registratie homoseksualiteit bij Defensie |
|
Vera Bergkamp (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Is er bij Defensie altijd een prettige en veilige werkomgeving voor LHBTI’ers en hoe wordt deze door deze groep zelf ervaren? In hoeverre is er sprake van discriminatie en/of gepest worden?1
Voordat inhoudelijk op deze vragen wordt ingegaan, hecht ik er belang aan te melden dat het belangrijk is dat iedereen in Nederland altijd en overal zichtbaar zichzelf moet kunnen zijn. Zo ook bij Defensie. Voor racisme, discriminatie en uitsluiting is géén ruimte. Defensie wil een organisatie zijn waarin iedereen gelijkwaardig en met respect wordt behandeld, ongeacht huidskleur, seksuele voorkeur, geslacht, leeftijd en religie.
Het streven van Defensie om diversiteit binnen de organisatie verder te vergroten en een inclusieve organisatie te zijn, heeft o.a. in 2018 geleid tot het opstellen en uitvoeren van een beleidsplan Diversiteit en Inclusiviteit (D&I). Hierover bent u op 11 oktober 2018 geïnformeerd (Kamerbrief 35 000 X, nr. 12). U wordt tweemaal per jaar op de hoogte gehouden van de vorderingen op het gebied van D&I middels de personeelsrapportage. Een diverse en inclusieve organisatie betekent dat eenieder zich welkom en gewaardeerd voelt en dat men elkaar kan en durft aan te spreken op gedrag. Echter, net als in de rest van de samenleving komt uitsluiting en discriminatie helaas soms ook binnen Defensie voor. Dit gedrag wordt niet getolereerd en hiertegen wordt streng opgetreden.
De rapporten van het Sociaal Cultureel Planbureau over de beleving en waardering van diversiteit en inclusiviteit d.d. 13 januari 2017 en het rapport van de commissie Giebels d.d. 15 oktober 2018 over de sociale veiligheid binnen Defensie lieten zien dat er nog werk aan de winkel is. Daarom dat het plan van aanpak sociale veiligheid, uitgewerkt naar aanleiding van het rapport van de commissie Giebels, is opgesteld samen met de Defensie onderdelen. De implementatie hiervan loopt op dit moment. Daarnaast ben ik blij met de verschillende netwerken binnen de organisatie, waaronder de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht (SHK). Deze netwerkorganisaties geven gevraagd en ongevraagd advies over onderwerpen zoals discriminatie en pesten.
Bent u bekend met het bericht dat in Groot-Brittannië militairen, die vanwege hun seksuele gerichtheid uit de krijgsmacht zijn gezet, nu hun medailles terug krijgen?2
Ja
In hoeverre zijn er ook in Nederland militairen uit de krijgsmacht gezet of geweerd vanwege hun seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken?
Tot 1974 kon iemand met een homoseksuele gerichtheid worden geweerd, doordat in het Militair Keuringsreglement een homoseksuele gerichtheid als een vorm van «abnormaal gerichte seksualiteit» werd gezien en daarmee als een ziekte werd aangemerkt. In die gevallen werd de beoordeling S5 afgegeven bij de keuring voor de dienstplicht. Hiermee werd iemand in feite afgekeurd.
Na 1974 stond Nederland homoseksuele mannen wel toe binnen de Krijgsmacht. Nederland was daarmee één van de eerste landen wereldwijd die hierin op juridisch gronden voorzag. Vanaf dit moment zijn er vooralsnog geen gevallen naar voren gekomen waarin militairen uit de Krijgsmacht zijn gezet of geweerd op grond van seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken. Dit geldt voor zowel dienstplichtige als beroepsmilitairen. Er loopt op dit moment vanuit het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) een verkennend onderzoek naar de positie van homoseksuelen in de Krijgsmacht in de periode 1974–1987. Hoewel dit onderzoek nog niet is voltooid zijn ook hierin dergelijke situaties vooralsnog niet naar voren gekomen.
Nadat in 1974 homoseksuele mannen werden toegelaten binnen de Krijgsmacht kon iemand die gekeurd werd voor de dienstplicht zelf aangeven bij de keuring of hij op basis van zijn seksuele gerichtheid problemen zou verwachten bij het vervullen van de dienstplicht. Ook kon de keuringsarts een inschatting maken of iemand opgewassen was tegen de destijds bestaande harde defensiecultuur. Als één van deze zaken het geval was, kon iemand buitengewoon dienstplichtig worden verklaard met de beoordeling S3. Hierdoor werd hij niet opgeroepen voor werkelijke dienst. In de terugkoppeling naar de gekeurde personen werd alleen aangegeven of iemand geschikt, ongeschikt of tijdelijk ongeschikt was. De aantekening S3/S5 werd niet bekend gesteld naar de gekeurde personen. De scores van de keuring en redenen hiervoor waren alleen voor intern gebruik Defensie en werden na 6 maanden vernietigd.
Als er mensen uit de krijgsmacht zijn gezet, hebben zij hierbij dan ook hun medailles en of rang moeten inleveren? Zo ja, bent u bereid om deze personen eerherstel aan te bieden?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre klopt het dat in Nederland een zogenaamde «S5 aantekening» werd afgegeven als een persoon bij de keuring voor de dienstplicht aangaf LHBTI te zijn?3
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer is men gestopt met het afgeven van deze aantekening of op andere wijze registreren van de seksuele gerichtheid, genderidentiteit, genderexpressie of geslachtskenmerken van militairen?
Vanaf 1974 werd homoseksuele mannen toegestaan hun dienstplicht te vervullen. De afkeuring, op basis van de beoordeling S5, werd vanaf 1974 dus niet langer om deze reden afgegeven. Registratie van seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie vindt binnen Defensie niet plaats en heeft ook niet plaatsgevonden.
Op welke wijze is deze «S5 aantekening» geregistreerd en zijn deze registraties bewaard en gedeeld met andere overheidsinstanties?
De S5 registratie maakte deel uit van het keuringsrapport van de dienstplichtkeuring. De rapporten van alle jongemannen die zijn afgewezen zijn vernietigd conform de geldende regelgeving. De standaardprocedure was dat alleen degenen die in dienst kwamen een personeelsdossier opbouwden. Deze dossiers zijn alleen voor intern gebruik.
Zo ja, houden deze registraties op enige wijze verband met de zogenaamde «homolijsten» die door gemeenten werden bijgehouden en waar momenteel een onderzoek naar wordt uitgevoerd?4
Van een S5 registratie was alleen sprake bij de keuring voor de dienstplicht en niet bij andere functies. Er is geen verband met de manier waarop gemeenten of andere overheden lijsten bijhielden.
Op dit moment wordt onderzocht hoe de overheid omging met homoseksualiteit vanuit haar rol als werkgever. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door het Verwey Jonker Instituut in opdracht van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hierbij is Defensie niet meegenomen. De oplevering hiervan wordt op 31 maart aanstaande verwacht.
Op welke wijze had deze «S5 aantekening» gevolgen voor de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor andere functies bij Defensie, de overheid in het algemeen of overige werkgevers?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid nader te onderzoeken welke gevolgen de «S5 aantekening» heeft gehad voor mensen van de LHBTI-gemeenschap in de krijgsmacht of bij het Ministerie van Defensie, en dit zo mogelijk te betrekken bij het onderzoek naar de «homolijsten» waarnaar gerefereerd wordt in vraag 8?
Ik ben altijd bereid te kijken naar individuele gevallen, echter er blijkt vooralsnog geen aanleiding te zijn om hier grootschalig onderzoek naar te doen. Ik kijk echter uit naar de resultaten van het onderzoek van het NIMH en het Verwey Jonker Instituut en zal die, indien van toepassing, zeker betrekken bij het D&I-beleid van Defensie.
Bent u bereid de mogelijkheden tot eerherstel in dat onderzoek mee te nemen?
Zie antwoord vraag 10.
Nederlandse militairen die als migrant geregistreerd zijn |
|
Ronald van Raak |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Is het waar dat Nederlandse militairen die in het buitenland gestationeerd zijn of waren, geregistreerd staan als «immigrant»? Zo ja, hoe is dit mogelijk en om hoeveel militairen gaat dit?
Voor iedere inwoner van Nederland geldt dat bij vertrek naar het buitenland, als langer dan acht maanden binnen twaalf maanden buiten Nederland verbleven gaat worden, er bij de woongemeente aangifte moet worden gedaan van vertrek uit Nederland1. De persoon die naar het buitenland vertrekt, blijft geregistreerd staan in de BRP, maar niet meer als inwoner van een gemeente, maar als niet-ingezetene. Bij terugkeer naar Nederland moet men zich dan weer melden bij de woongemeente voor inschrijving als ingezetene (de aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet BRP). In BRP-systeemtermen wordt dan «groep 14 Immigratie» ingevuld. Dit geldt inderdaad voor militairen, maar ook bijvoorbeeld voor studenten die een jaar in het buitenland gaan studeren of werknemers die voor hun werkgever tijdelijk in het buitenland werken. In de BRP is geen informatie beschikbaar over waarom iemand naar het buitenland vertrekt of waarom iemand in het buitenland was, dus ook niet over het aantal militairen waar dit voor geldt.
Is er een aanpassing mogelijk in de basisregistratie personen zodat deze mensen niet meer als immigrant geregistreerd staan, omdat zij nooit daadwerkelijk zijn geëmigreerd?
In de BRP-systemen wordt de term «immigratie» gebruikt voor zowel vestiging vanuit het buitenland als voor remigratie en hervestiging. Op basis van gegevens uit de BRP kan echter wel onderscheid worden gemaakt tussen personen die naar Nederland geëmigreerd zijn vanuit het buitenland en personen die in Nederland geboren zijn, tijdelijk in het buitenland verbleven en weer zijn teruggekeerd. Dat onderscheid blijkt bijvoorbeeld uit de datum van eerste inschrijving in de BRP, en het al dan niet ontleend zijn van de persoonsgegevens aan een Nederlandse geboorteakte. Er is dus wel onderscheid tussen immigranten en inwoners die slechts tijdelijk in het buitenland waren. Echter, ik ben me er van bewust dat het gebruik van de term «immigratie» voor mensen die tijdelijk uit Nederland vertrokken waren een vreemde indruk wekt en dat men hecht aan duidelijkheid over het onderscheid.
Daarover kreeg ik ook meldingen via de Nationale ombudsman (onderdeel Veteranen Ombudsman). Het gebruik van de term «immigratie» in het BRP-systeem leidt er toe dat Nederlanders die terug zijn gekeerd na tijdelijk verblijf uit het buitenland, bij inzage van hun persoonslijst uit de BRP (via mijnoverheid.nl of bij de gemeente) de term «immigratie» zien staan. Dat men als «immigrant» staat genoteerd wordt door sommige militairen die in het buitenland geplaatst zijn geweest als onjuist ervaren. Bij vraag 4 ga ik in op mogelijke aanpassingen om het onderscheid zichtbaar te maken.
is het waar dat deze mensen of hun gezinsleden, die in dienst van de Nederlandse overheid zijn uitgezonden, hiervan gevolgen ondervinden zoals het opbouwen van minder AOW-rechten? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
Uitvoeringsinstanties en andere overheidsorganen zijn op grond van de Wet BRP in beginsel verplicht om gebruik te maken van gegevens uit de BRP. Er zijn echter uitzonderingen opgenomen op dat uitgangspunt. Eén van de uitzonderingen is dat mag worden afgeweken van de gegevens in de BRP indien een goede vervulling van de taak dat vereist. Daarmee is in de wet gewaarborgd dat het bestuursorgaan, belast met de uitvoering van sectorale regelgeving, invulling kan geven aan zijn eigen verantwoordelijkheid om ten aanzien van de individuele burger te beslissen over het toekennen van een voorziening of het opleggen van een verplichting. Het is van belang dat bestuursorganen deze verantwoordelijkheid nemen en in voorkomende gevallen zelf onderzoek doen naar de concrete situatie, voordat op basis van gegevens uit de BRP jegens betrokkene een beslissing wordt genomen.
Bij zelfstandige vestiging in het buitenland langer dan 12 maanden2 worden Defensiemedewerkers geïnformeerd (mondeling en met een brochure) dat men zich moet laten uitschrijven als inwoner uit de BRP en dat men contact moet opnemen met overheidsorganisaties om aan te geven dat er sprake is van uitzending en niet van emigratie, zodat die rekening daarmee kunnen houden.
Het gebruik van de term «Immigrant» bij de registratie bij terugkeer na verblijf in het buitenland in plaats van bijvoorbeeld de term «hervestiging» heeft geen gevolgen voor rechten en plichten. Zoals bij vraag 2 toegelicht kan onderscheid gemaakt worden tussen immigratie, remigratie en hervestiging.
Bent u het eens dat het voor militairen als erg vervelend kan worden ervaren dat zij worden geregistreerd als immigrant, terwijl zij in dienst van de Nederlandse overheid zijn uitgezonden? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
Ja, daar ben ik het mee eens.
In het kader van de Ontwikkelagenda BRP werk ik aan verbeteringen en vernieuwingen in het BRP-stelsel. Een van de onderwerpen is «Meerdere adressen registreren». Dat punt is geagendeerd om te onderzoeken of en hoe een tweede adres opgenomen zou kunnen worden in de BRP en hoe dit kan bijdragen aan het oplossen van knelpunten voor de burger en verbetering van zicht op verblijf van personen door de overheid. Een van de daarbij genoemde knelpunten is tijdelijk verblijf in het buitenland vanwege werkzaamheden. Ik zal deze casus in het onderzoek betrekken. Uiteraard zal ik daarbij de bijzondere omstandigheden van militairen meenemen (zo zal een adres registreren niet altijd wenselijk zijn).
Daarnaast wil ik laten onderzoeken hoe bij het tonen van de gegevens op mijnoverheid.nl wel het onderscheid zichtbaar kan worden tussen «immigratie» en «hervestiging», en hoe beter over het onderscheid gecommuniceerd kan worden bij uitleg over de registratie.
In de eerstvolgende voortgangsbrief over de BRP zal ik over de stand van zaken van de verbeteringen rapporteren.
De gewijzigde vliegroute van straaljagers boven Vliehors |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «vraag of juridische procedure succesvol is»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de juridische procedure die organisaties in Texel hebben aangespannen tegen het besluit om de vliegroute van straaljagers boven militair oefengebied Vliehors te wijzigen?
Ik ben op de hoogte van een juridische procedure van organisaties op Texel (waaronder de gemeente Texel) tegen een op 11 november 2020 genomen beschikking van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Op 3 maart 2021 heeft de rechtbank Noord Holland de zaak behandeld. Een uitspraak wordt binnen een termijn van zes weken verwacht.
Deze beschikking betreft het verlenen van de omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting en de voorgenomen uitvoering van werkzaamheden voor de schietrange De Vliehors en de daaraan gerelateerde wijziging van het vliegcircuit.
De aanleiding voor deze wijziging is een incident met een jachtvliegtuig in 2013 waarbij de controletoren onbedoeld is geraakt tijdens schietoefeningen. Na onderzoek naar dit incident is onder meer aanbevolen om de controletoren en de locatie van de schietdoelen (strafing targets) verder uit elkaar te plaatsen om de veiligheid voor het personeel in de controletoren te verbeteren.
De volgende zaken gaan als gevolg daarvan veranderen:
Op welke wijze is de gemeente Texel door het Ministerie van Defensie betrokken bij het besluit om de vliegroute van straaljagers boven Vliehors te wijzigen?
Omdat de schietrange De Vliehors zich op het grondgebied van de gemeente Vlieland bevindt is de gemeente Texel niet betrokken bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Wel is de aanvraag op de gebruikelijke manier ter inzage gelegd. De gemeente Texel heeft geen zienswijze ingediend op het ontwerpbesluit. Inmiddels heeft Defensie contact gezocht met de gemeente Texel om uitleg te geven over de aanpassingen.
Is bij het besluit om de vliegroute boven Vliehors te wijzigen, rekening gehouden met de geluidsoverlast in de noordkop van Texel? Zo nee, waarom is hier geen rekening mee gehouden? Zo ja, hoe heeft deze afweging plaatsgevonden?
Uit berekeningen van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) blijkt dat het omkeren van de vliegrichting binnen het reguliere vliegcircuit van de schietrange De Vliehors zal leiden tot een lichte geluidstoename op de drie referentiepunten op de noordkop van Texel. Het geluid blijft echter ook op die punten ruim binnen de vergunning.
Klopt het dat een juridische procedure tegen dit besluit van Defensie over de vliegroute afhankelijk is van de Crisis- en Herstelwet? Zo ja waarom?
Nee, de Crisis- en herstelwet kent enkele bepalingen waarmee voor specifieke categorieën van projecten de bestuursrechtelijke procedures worden versneld in de beroepsfase. Voor dit project zijn deze bepalingen niet van toepassing. Dat betekent dat de juridische procedure op de reguliere wijze plaatsvindt.
Klopt het dat de gemeente Texel geen beroep in kan stellen bij de bestuursrechter tegen het besluit van Defensie om de vliegroute boven Vliehors te wijzigen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het staat de gemeente Texel vrij om beroep in te stellen. De gemeente heeft echter tijdens de terinzagelegging geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren gebracht. Het niet indienen van een zienswijze heeft in beginsel tot gevolg dat de gemeente niet-ontvankelijk is in het beroep, maar het is aan de rechter om daarover te oordelen.
Klopt het dat de wijziging van de vliegroute boven Vliehors voortkomt uit een plan om het Waddengebied aan te wijzen als militair oefengebied voor de NAVO?
Nee, de wijziging vindt plaats vanuit veiligheidsoverwegingen naar aanleiding van een incident uit 2013. Zie hierover ook het antwoord op vraag 2.
Zijn er vanuit het Ministerie van Defensie gesprekken gevoerd over het aanwijzen van het Waddengebied als militair oefengebied voor de NAVO?
Nee, het hogere luchtruim boven het Waddengebied maakt reeds deel uit van een militair oefengebied, ook voor bondgenootschappelijk gebruik.
Deelt u de mening dat er gekozen moet worden voor een alternatieve vliegroute om geluidsoverlast te voorkomen?
Om de veiligheid van het personeel in de controletoren te verbeteren is gekozen voor deze aanpassing van het vliegcircuit en de daarbij behorende verplaatsing van de oefendoelen. Bij de afweging is zorgvuldig gekeken naar de gevolgen van de wijziging op de geluidssituatie. De geluidsbelasting van de nieuwe situatie valt ruim binnen de vergunde norm.
Bent u bereid om te kiezen voor de alternatieve vliegroute via de kustlijn van de Noordzee, die door Texel is voorgesteld? Zo nee, waarom niet?
Nee, achter de oefendoelen bevindt zich een onveilige zone, doordat munitie verder kan reiken dan het doel zelf.
Bij de door Texel voorgestelde vliegroute komt deze onveilige zone buiten het vergunde gebied van de schietrange De Vliehors in het voor publiek toegankelijk deel van het eiland te liggen.
Daarnaast wordt met dit voorstel de afstand tussen de controletoren en de locatie van de oefendoelen niet vergroot en daarmee de veiligheid niet verbeterd.
Eerdere antwoorden over burgerdoden in Uruzgan |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (VVD) |
|
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over een artikel in dagblad Trouw waarin een veteraan onthult mogelijk verantwoordelijk te zijn voor burgerdoden in Uruzgan, Afghanistan, medio 2007?1
Ja.
Kunt u, aangezien u deze zaak uiterst serieus neemt, een uitputtend overzicht geven van al uw handelingen naar aanleiding van het verhaal van de veteraan?
Naar aanleiding van het gemelde incident, zijn direct de interne rapportages bezien die op punten gelijkenissen vertonen met de wapeninzet die in het artikel is beschreven. Ook is contact opgenomen met het Openbaar Ministerie. Op basis van de informatie uit het artikel alleen, kon echter geen wapeninzet uit het voorjaar van 2007 in Afghanistan een-op-een worden gekoppeld aan het artikel in Trouw. Na overleg met het OM is daarom door het Ministerie van Defensie contact opgenomen met de veteraan om meer informatie over het gemelde voorval te verkrijgen. Dit gesprek vond plaats op 24 december 2020. Op basis van aanvullende informatie die uit het gesprek naar voren is gekomen, is er een interne rapportage gevonden die overeenkomsten heeft met het gemelde voorval van de veteraan. Deze rapportage is in januari 2021 verstrekt aan het OM.
Zoals aan uw Kamer is gemeld, is het OM op 23 december 2020 een feitenonderzoek gestart (Kamerstuk 27 925, nr. 763). Om te voorkomen dat een eventueel eigen onderzoek van het Ministerie van Defensie het onderzoek van het OM belemmert, kies ik er voor om de afronding van dit feitenonderzoek af te wachten, voordat ik een besluit neem om een eigen onderzoek te starten. Zodra ik een besluit heb genomen, zal ik u daarover uiteraard informeren conform de nieuwe procedure.2 Het is en blijft overigens aan het OM zelf om nader te communiceren over (de uitkomst van) het feitenonderzoek.
Hoe verklaart u dat het door de veteraan gemelde incident, in ieder geval vooralsnog, niet terug te vinden is in de archieven? Wat zegt dit over de volledigheid van deze archieven?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel rapportages heeft u in de archieven aangetroffen in de periode waarin u heeft gezocht? Kunnen deze met de Kamer gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
Na het gesprek met de veteraan is een interne rapportage gevonden die overeenkomsten heeft met het gemelde voorval. Deze rapportage is aan het OM verstrekt ten behoeve van het onderzoek. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, kies ik er voor om de afronding van het feitenonderzoek van het OM af te wachten, ook wat betreft verstrekking van rapportages aan uw Kamer.
Kunt u aangeven of elk gebruik van geweld in Afghanistan ook inhoudelijk, dus niet enkel protocollair, door de Koninklijke Marechaussee dan wel het openbaar ministerie is onderzocht? Welke procedures golden hier?
De procedure ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op de rechtmatigheid van het geweldgebruik is vastgelegd in de aanwijzing van het College van procureurs-generaal inzake de handelwijze bij geweldsaanwending door militairen (Stc. 2006, nr. 233, p. 11). Ieder geweldgebruik wordt door een daartoe aangewezen commandant schriftelijk gerapporteerd middels een After Action Report (AAR). Dit rapport maakt deel uit van de operationele informatievoorziening aan de Commandant der Strijdkrachten en dient onder meer als basis voor de juridische verantwoording van het geweldgebruik. De rapporterende commandant is verantwoordelijk voor een juist en volledig schriftelijk feitenrapport van elke geweldsaanwending die heeft plaatsgevonden. Het AAR bevat als vast onderdeel een beoordeling van de commandant over de rechtmatigheid van het geweldgebruik. Indien de commandant van oordeel is dat een hem of haar ter kennis gekomen gedraging onder de gegeven omstandigheden een strafbaar feit betreft, zoals bedoeld in artikel 78 Wet militair tuchtrecht (Wmt), is hij (daarnaast) wettelijk verplicht hiervan aangifte te doen. Elk AAR wordt tevens ter beschikking gesteld aan de Koninklijke Marechaussee (KMar), die in het uitzendgebied wettelijk is belast met de uitvoering van de militaire politietaak. De KMar stelt over dezelfde geweldsaanwending een rapport op en stuurt dat samen met het rapport van de commandant door naar het Openbaar Ministerie in Arnhem. Dit stelt het Openbaar Ministerie in staat om in een vroegtijdig stadium te bepalen of er behoefte bestaat aan aanvullende informatie dan wel of de informatie in het rapport aanleiding geeft om een nader feitenonderzoek of opsporingsonderzoek in te stellen.
Kunt u in detail toelichten waarom u staande houdt dat in de periode van 2006 tot 2010 in Uruzgan geweld nooit onrechtmatig is toegepast? Is elke inzet van geweld, ongeacht de aard ervan, steevast ook inhoudelijk onderzocht op rechtmatigheid? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het geweldgebruik in Afghanistan heeft het Openbaar Ministerie in de feitelijke toedracht van een geweldsaanwending of in de ernst van de gevolgen van een geweldsaanwending een beperkt aantal keer aanleiding gezien om een feitenonderzoek uit te voeren. Ik verwijs u in dit verband naar de Kamerbrief van 29 april 2011 (Eerste Kamer 2010–2011, 31 487 (R1862), H, p. 5). Er was in die gevallen nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit, maar wel behoefte aan meer gedetailleerde informatie om een goed beeld te verkrijgen van de relevante feiten en omstandigheden rondom de geweldsaanwending. Deze onderzoeken hebben niet alsnog geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Zoals tevens in voornoemde Kamerbrief staat vermeld, is in één geval, na aangifte door de commandant, een strafrechtelijk onderzoek naar geweldstoepassing in Afghanistan uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is de zaak destijds geseponeerd. Het blijft echter altijd mogelijk dat zich in een later stadium nieuwe informatie over een wapeninzet aandient, die aanleiding geeft tot een hernieuwde toets van de rechtmatigheid.
Zo bleek bij de inventarisatie naar Nederlandse betrokkenheid bij de geconstateerde misstanden onder Australische speciale eenheden dat er bij het OM momenteel nog één feitenonderzoek loopt uit de Uruzgan-periode. Het betreft hier de wapeninzet van twee Nederlandse gevechtshelikopters ter ondersteuning van Australische speciale eenheden op 11 juni 2009. In 2018 had het OM gemeld dat er geen onderzoek meer liep naar deze inzet. Op grond van nieuwe informatie heeft het OM echter besloten om een aanvullend feitenonderzoek in te stellen, dat momenteel nog niet is afgerond.
Ik maak hierbij meteen van de gelegenheid gebruik om u te informeren over de stand van zaken van de inventarisatie naar Nederlandse betrokkenheid bij de geconstateerde misstanden onder Australische speciale eenheden, waar uw Kamer eerder over is geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nrs. 1111 en 1112). Uit de inventarisatie zijn geen aanwijzingen van betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de misstanden van de Australische speciale eenheden naar voren gekomen. In welke mate Nederlandse militairen geluiden hebben bereikt van de Australische misstanden is niet uit de inventarisatie op te maken.
De melding door een Nederlandse militair over Australische misstanden, waar uw Kamer ook eerder over is geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nrs. 1111 en 1112), wordt nog onderzocht.
Kunt u nu wel antwoord geven op vraag 6 t/m 10 in de eerdere vragensessie over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Het is op dit moment niet mogelijk om deze vragen te beantwoorden. Het OM voert momenteel een onderzoek uit en heeft met het Ministerie van Defensie afgesproken dat Defensie geen getuigen en/of potentiele verdachten spreekt en dat Defensie informatie aan het OM verstrekt die van belang is voor het onderzoek. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Kunt u, bij benadering, aangeven bij hoeveel incidenten in Uruzgan inhoudelijk onderzoek is gedaan naar de rechtmatigheid? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Is de andere veteraan, die getuige is geweest van het door de veteraan in Trouw onthulde incident en het grotendeels heeft bevestigd, inmiddels gehoord? Zo nee, waarom niet? Zijn andere getuigen van het incident inmiddels gehoord? Zo nee, waarom niet?
De getuigen zijn door de KMar onder gezag en aansturing van het OM gehoord. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van het feitenonderzoek dat het Openbaar Ministerie inmiddels is gestart?
Het feitenonderzoek wordt onder leiding van het Openbaar Ministerie door de Koninklijke Marechaussee uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
Waarom kunt u niet preciezer aangeven hoeveel burgerdoden er zijn gevallen (mede) door optreden van Nederland in de periode 2006–2010 in Uruzgan?
Kunt u alsnog een volledige lijst van incidentmeldingen met (mogelijke) burgerdoden vrijgeven zoals eerder, in 2009, deels al eens is gedaan?2 Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie zal een zoekslag maken naar incidentmeldingen over (het vermoeden van) burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet van de periode september 2009 tot het einde van de inzet in Uruzgan in 2010. Als uit deze zoekslag aanvullende meldingen over het vermoeden van burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet naar voren komen, wordt de vrijgegeven lijst uit 2009 aangevuld en met de Kamer gedeeld.
Werden de slachtoffers van het Nederlandse optreden in Uruzgan op systematische wijze bijgehouden? Zo ja, hoe gebeurde dit? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie hield geen systematische registratie bij van het aantal slachtoffers ten gevolge van Nederlands optreden, omdat dit vanwege de situatie ter plekke niet doenlijk was.
Zijn steevast «battle damage assessments» uitgevoerd na inzet van geweld? Is het waar dat een TigerShark drone (of wellicht een ander vliegtuig) beschikbaar was voor «battle damage assessments»? Is die drone gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn rapporten van de vluchten gemaakt? Hoeveel rapporten zijn opgesteld?
Zie antwoord 11 voor de vraag over BDA’s. De Tigershark was geen inzetmiddel van Nederlandse eenheden in het missiegebied, maar stond ter beschikking van een coalitiepartner. Naast de beperkte beschikbaarheid van de Tigershark, heeft dit systeem een beperkte actieradius, waardoor deze op veel operaties niet kon worden ingezet. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Overlast door nieuwe SMART-L radar in Wier |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving1 dat de nieuwe Smart-L radar van Defensie in Wier ’s nachts te veel geluid maakt?
Defensie heeft kennis genomen van het bericht.
Klopt het dat Defensie op een online voorlichtingsbijeenkomst heeft meegedeeld dat de radar om die reden tussen elf uur ’s avonds en zeven uur ’s ochtends uit staat?
Ja.
Klopt het dat deze bijeenkomst belegd is, omdat er de laatste tijd uit de omgeving veel vragen en klachten van omwonenden komen over de nieuwe radar, zoals: niet meer kunnen slapen met de ramen open, storingen in elektronische apparatuur, lampen in woningen die flikkeren, de televisie die stoort, alsmede wifi-storingen?
Eind november 2020 ontving Defensie van zowel de gemeente Waadhoeke als enkele individuele inwoners uit de omgeving berichten over de radar. In deze berichten werd gevraagd naar meer informatie over de radar en het geluid dat de radar produceert. Naast de beantwoording van de individuele inwoners heeft Defensie in overleg met de gemeente Waadhoeke besloten om op 20 januari 2021 een digitale informatiebijeenkomst te organiseren.
Zal de problematiek van de te hoge geluidsbelasting volledig worden opgelost voordat de radar operationeel wordt? Of blijft er sprake van te hoge geluidsbelasting ’s nachts?
Te allen tijde moet Defensie voldoen aan de geldende geluidsnormen, zoals opgenomen in de omgevingsvergunning, ook ‘s nachts. Defensie zal in overleg met de fabrikant Thales passende maatregelen nemen om zeker te stellen dat de radar zal voldoen. Op dit moment wordt nader onderzocht wat de oorzaak kan zijn van de geluidsoverlast en wat passende maatregelen kunnen zijn.
In hoeverre is het vanuit de nationale veiligheid en effectieve luchtruimbewaking een oplossing om de radar ’s nachts uit te zetten? Klopt het dat er vanuit Defensie beweerd is dat er in dat geval sprake is van «verminderde bescherming, maar dat er ook andere manieren zijn om het luchtruim in de gaten te houden»?
Zie het antwoord op vraag 5 van Kamerlid Fritsma (PVV) d.d. 22 januari 2021 en vraag 4 en 7 van Kamerlid Kerstens (PvdA) d.d. 25 januari 2021.
Wat gaat u bovendien doen aan andere klachten van omwonenden dan geluidsklachten?
Het is erg vervelend dat de omgeving overmatig overlast ervaart van de radar. Daarom wil Defensie graag in contact komen met de mensen die klachten ervaren zodat naar een oplossing kan worden gezocht voor de specifieke klachten. Defensie zal samen met Thales vanaf 25 februari een maand lang testen uitvoeren en in Wier aanwezig zijn om zoveel mogelijk met de bewoners te inventariseren welke effecten de radar heeft en om die op te lossen. De omwonenden ontvangen hierover een bewonersbrief met nadere informatie.
Bewoners kunnen daarnaast altijd informatie vinden op de website www.defensie.nl/radarstations waar actuele ontwikkelingen staan vermeld. Samen met de gemeente Waadhoeke stemt Defensie af hoe de bewoners, naast de website, zo goed mogelijk kunnen worden geïnformeerd over de vervolgstappen in het project.
Het is voor inwoners tevens mogelijk om hun vragen en zorgen met Defensie te delen via het reactieformulier op de website van https://www.defensie.nl/onderwerpen/radarstations/contact. Defensie zal dan contact opnemen met de indiener.
Is de (geluids)overlast voor omwonenden en het overschrijden van geluidslimieten ’s nachts meegenomen in de vergunningsaanvraag voor de radar in Wier? Zijn alle benodigde vergunningen verkregen? Zo nee, welke niet en waarom niet?
Voor de radar in Wier waren de benodigde vergunningen verkregen, waaronder de vergunning die voorziet in de geluidsnormen die overdag, ’s avonds en ’s nachts gelden. Een vergunning wordt door het bevoegd gezag (ILT) pas verleend als door de aanvrager aannemelijk is gemaakt dat aan de geluidsnormen voldaan kan worden. Ten behoeve van de vergunning heeft Defensie TNO verzocht om een geluidsrapportages op te stellen. In de vergunningsaanvraag zijn geluidsrapportages van TNO bijgevoegd. Op basis van de vergunningsaanvraag, incl. de geluidstoets, heeft ILT de vergunning verleend op 5 februari 2020 (kenmerk 2019/0758).
In hoeverre kan bovengenoemde problematiek ook optreden in Herwijnen, waar Defensie eveneens een SMART-L radar voornemens was te plaatsen? Zijn alle benodigde vergunningen verkregen om de radar daar te kunnen plaatsen? Zo nee, welke niet en waarom niet?
Tegen de tijd dat de tweede radar – ongeacht de locatie – gerealiseerd zou kunnen worden, is de geluidsproblematiek in Wier naar verwachting verholpen. Voor de beide radars zullen ten minste dezelfde geluidsmaatregelen worden toegepast. Indien blijkt dat er aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn voor de tweede radar, zullen deze worden uitgevoerd.
Nadat de geluid-beperkende maatregelen in Wier zijn genomen, wordt in Wier een controlemeting uitgevoerd om zeker te stellen dat de radar voldoet aan de normen. Deze geluidsmetingen dienen als onderbouwing voor de vergunningsaanvraag voor de tweede radar, ongeacht de locatie. De vergunning voor de tweede radar is nog niet verleend.
Herinnert u zich de motie Van Helvert c.s2 die de regering verzoekt een andere locatie te zoeken voor de radar in plaats van Herwijnen?
Ja.
Waarom heeft u de Kamer nog niet geïnformeerd over de wijze waarop u de motie gaat uitvoeren? Bent u bereid dit alsnog zo snel mogelijk te doen?
In de Kamerbrief Uitvoering moties met betrekking tot de SMART-L radar te Herwijnen van 2 februari 2020 (Kamerstuk 35 570 X, nrs. 24 en 29) ben ik hierop ingegaan.
Erkent u dat uw «radiostilte», in combinatie met de klachten over de radar in Wier opnieuw tot onrust en onzekerheid bij de inwoners van Herwijnen kan leiden?
We kunnen ons voorstellen dat er vragen ontstaan. Defensie streeft er naar zo spoedig mogelijk te reageren. Gezien de complexiteit van het project vraagt de beantwoording mogelijk meer tijd dan belanghebbenden zouden wensen. Dit komt bijvoorbeeld, omdat nader onderzoek noodzakelijk is om de vragen te kunnen beantwoorden. Hiervoor vraagt Defensie om begrip. Op de website www.defensie.nl/radarstations is informatie over het project te vinden. Bewoners en andere belanghebbenden hebben hier ook de mogelijkheid om aanvullende vragen te stellen.
Het bericht ‘Nederlandse militair gewond bij schietoefening op kamp in Afghanistan’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse militair gewond bij schietoefening op kamp in Afghanistan»?1
Ja.
Wat is er precies tijdens de oefening gebeurd en hoe heeft dit ongeluk kunnen plaatsvinden?
De Koninklijke Marechaussee voert momenteel een onderzoek uit naar het incident. De exacte oorzaken, omstandigheden en bijzonderheden zijn nog niet duidelijk, omdat het onderzoek nog niet is afgerond.
Had het ongeluk voorkomen kunnen worden? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe maakt de militair het nu? Heeft hij blijvend letsel opgelopen? Is hij teruggevlogen naar Nederland of was dit niet nodig?
De betrokken militair heeft in Afghanistan medische behandeling aan zijn verwonding ondergaan. Na deze behandeling is hij teruggevlogen naar Nederland. Momenteel gaat het naar omstandigheden goed met hem.
Hoeveel incidenten, waarbij een militair tijdens een oefening gewond is geraakt, hebben er de afgelopen jaren plaatsgevonden? Is er sprake van vergelijkbare situaties? Zo ja, hoe zijn deze situaties vergelijkbaar? Ligt dit bijvoorbeeld aan protocollen of materieel?
In de periode tussen 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020 zijn ongeveer 1.300 meldingen gedaan van incidenten en ongevallen tijdens oefeningen, waarbij er sprake is geweest van letsel.
De exacte oorzaken, omstandigheden en bijzonderheden van het recente incident zijn nog niet duidelijk, omdat de Koninklijke Marechaussee het onderzoek nog niet heeft afgerond. Het is daarom nog niet bekend of er sprake is van een situatie die zich eerder heeft voorgedaan.
Zijn, na eerdere ongelukken die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden, lessen geleerd en verbeteringsprojecten opgestart? Zo ja, welke?
De bijzonderheden omtrent het incident van 21 januari jl. zijn momenteel nog niet bekend. Vanwege het feit dat het hierbij om een incident gaat dat verband houdt met het gebruik van wapens, worden hieronder de ontwikkelingen op dit gebied geschetst.
Naar aanleiding van eerdere incidenten met wapens heeft Defensie eind 2020 een stuurgroep voor het schieten met klein kaliber wapens ingesteld. Deze stuurgroep heeft defensiebreed beleid opgesteld voor het gebruik van schietbanen, wapens en munitie. Dit beleid is gericht op het creëren van een veilige omgeving voor personeel dat schietopleidingen en -trainingen volgt. Inmiddels hanteren alle defensieonderdelen dit beleid. In het laatste kwartaal van 2021 is een evaluatie van de werkbaarheid en uitvoerbaarheid ervan voorzien.
Momenteel worden defensiebrede opleidingen ingevoerd voor personeel dat bevoegd is om zelf schietopleidingen en -trainingen te verzorgen. In de tweede helft van 2021 is de oprichting voorzien van een defensiebreed kenniscentrum op het gebied van schieten met klein kaliber wapens. Dit centrum bundelt de kennis die binnen Defensie over dit onderwerp aanwezig is en maakt deze toegankelijk voor gebruikers.
Lopen er op dit moment nog verbeteringstrajecten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer verzekeren dat er bij alle trainingen die Defensie uitvoert met goed materiaal wordt gewerkt en de veiligheidsprotocollen in orde zijn? Zo nee, bij welke trainingsmodules is dit niet het geval?
Defensie zorgt bij trainingen en oefeningen voor goed materiaal. We zien toe op het gebruik binnen de daarvoor geldende protocollen en richtlijnen en evalueren dit in de praktijk. Daar waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
Het ’s nachts uitschakelen van de SMART-L-radar in Wier. |
|
Sadet Karabulut |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
Op welke afstand staat de radar in Wier van de bebouwde kom?1
De bebouwde kom van Wier ligt op ruim 600 meter van de nieuwe radartoren.
Wat waren de doorslaggevende argumenten om de radar ’s nachts uit te zetten?
De doorslaggevende argumenten om de radar in Wier gedurende de testfase tijdelijk ’s nachts stil te zetten zijn dat de radar alleen ’s nachts de geluidsnormen overschrijdt en het niet noodzakelijk is om gedurende de gehele testperiode 24 uur per dag te testen. Daarnaast is de verwachting dat het slechts een tijdelijk probleem is en dat dit kan worden opgelost.
Klopt het dat de klachten in Wier overeenkomen met de klachten van de bevolking van Herwijnen met de radarstraling van de KNMI-radar en de radarstraling van het scheepsverkeer? Zo nee, wat is het verschil?
De bewoners in Wier maken melding van verstoringen op televisies, Wi-Fi signalen en (buiten)lampen en het geluid dat de SMART-L radar produceert. Vanuit beide regio’s komen vragen over radarstraling en gezondheid, waarbij in Herwijnen specifiek ook de koppeling met de KNMI-radar en radars van scheepsverkeer aan de orde is.
Deelt u de opvatting dat afzien van de bouw van SMART-L-radar in Herwijnen gepast is en dat de bewaking van het luchtruim met andere middelen kan worden opgelost? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Kamerbrief (Kamerstuk 27 830, nr. 139) van 29 oktober 2014 en de antwoorden op vragen naar aanleiding van onder andere het alternatieve locaties onderzoek van 20 april 2020 (Kamerstuk 31 936, nr. 739) is toegelicht dat er ten minste twee radars noodzakelijk zijn voor structurele luchtruimbewaking onder verantwoordelijkheid van Nederland. Het opvangen van de weggevallen radardekking met tijdelijke en beperkte alternatieven is geen structurele borging van luchtruimbewaking.
Kunt u aangeven wat de vorderingen zijn bij het zoeken van een andere locatie voor de zuidelijke radar dan Herwijnen?
Zoals bekend is er door het Rijksvastgoedbedrijf een alternatieve locaties onderzoek verricht dat op 6 februari 2020 (Kamerstuk 31 936, nr. 718) met uw Kamer is gedeeld.
Daarnaast is in de Kamerbrief Uitvoering moties met betrekking tot de SMART-L radar te Herwijnen (Kamerstuk 35 570 X, nrs. 24 en 29) aangegeven dat een nieuw onderzoek naar alternatieve locaties wordt gestart, waarbij, om tot een nieuw zoekgebied te komen, ook de hoogte van de radar zal worden meegenomen.
De-rubricering bilaterale verdragen van Nederland en de VS over plaatsing van kernwapens in Nederland. |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie van een negentiental documenten door het National Security Archive over de bilaterale betrekkingen over atoomwapenpolitiek tussen Nederland en de Verenigde Staten?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u deze documenten niet zelf wenste te openbaren?
Wat is de politieke relevantie van deze geheimhouding nu belangrijke kerndocumenten bevestigen wat algemeen bekend werd verondersteld, namelijk dat Nederland gedetailleerde afspraken over Amerikaanse kernwapens in ons land heeft gemaakt?
Zijn er behalve deze negentien documenten nog meer documenten die u naar aanleiding van deze publicatie inmiddels bereid bent te publiceren dan wel te de-rubriceren? Zo ja, wanneer? Indien nee, waarom niet?
Waarom hebt u in dat licht wel een aantal documenten vrijgegeven op 15 juli 2020 en was u niet bereid documenten die over hetzelfde onderwerp gaan en in dezelfde periode speelden niet openbaar te maken? Kunt u uw antwoorden toelichten?2
Op grond van overwegingen van staatsveiligheid kunnen geen mededelingen worden gedaan over geheime verdragen tussen Nederland en andere landen. Geheimhouding van verdragen is aan de orde, wanneer verdragen door openbaarmaking hun reden van bestaan verliezen. In hoeverre het noodzakelijk is het geheime karakter van een verdrag in stand te houden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verdrag komt in aanmerking voor derubricering wanneer openbaarmaking van een verdrag niet langer de reden van het bestaan van dat verdrag aantast. Instemming van de andere verdragspartij(en) met openbaarmaking is een voorwaarde.
De vrijgave van documenten op 15 juli 2020 betreft de publicatie van de Technische en de Veiligheidsbijlage bij de Overeenkomst tussen Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, tot samenwerking inzake atoomgegevens (Parijs, 18 juni 1964) en het Protocol tot wijziging van de Veiligheidsbijlage bij de Overeenkomst (Brussel, 2 juni 1998). Uit onderzoek was gebleken dat de NAVO de twee bijlagen reeds gederubriceerd had, waarmee ook het Protocol openbaar gemaakt kon worden. In de brief aan uw Kamer dd. 15 juli 2020 [Kamerstuk 34 958, nr. 9] heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd in het eigen departement en ook bij de andere verantwoordelijke departementen periodiek de mogelijkheid tot derubricering van vertrouwelijke en geheime verdragen onder de aandacht te blijven brengen.
Deelt u de opvatting dat naar aanleiding van de langdurige strijd van onderzoekers die uiteindelijk leidde tot publicatie op 15 januari 2021 er geen reden is verdere de-rubricering tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de memoranda van Overeenstemming (MoU’s) over kernwapens die deel uit maken van het op 2 juli 2018 afgesloten bilaterale raamverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten vrij te geven? Zo nee, waarom niet?3
Middels het raamverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten wordt voorzien in standaardbepalingen voor toekomstige bilaterale MoU’s voor defensiesamenwerking. Op grond van overwegingen van staatsveiligheid en/of bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over eventuele separate bilaterale of multilaterale overeenkomsten die verband houden met de kernwapentaak van Nederland in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging.
Hoe verhouden deze geheime bilaterale afspraken zich tot het transparantiebeleid dat Nederland en de NAVO hebben vastgesteld met betrekking tot kernwapens in Nederland?
Het kabinet heeft de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat het, net als de Kamer, voorstander is van transparantie. In gesprekken met bondgenoten heeft het kabinet ook regelmatig gepleit voor (meer) transparantie, maar kreeg daar geen steun voor. Nederland is gebonden aan verdragsrechtelijke geheimhouding ten aanzien van bondgenootschappelijke afspraken. Daar liggen veiligheidsoverwegingen aan ten grondslag.
Deelt u de opvatting dat het in het licht van de ratificatie van het VN-Verdrag tot afschaffing van kernwapens een logische tussenstap op weg naar ratificatie is om deze verdragen openbaar te maken? Zo ja, kunt u deze bij de antwoorden op deze vragen voegen? Zo nee, wanneer verwacht u het wel te kunnen openbaren?
Nederland heeft deelgenomen aan de onderhandelingen over het verdrag voor het verbod van kernwapens (TPNW), maar heeft het verdrag niet ondertekend. Hierover is uw Kamer onder meer geïnformeerd middels de Kamerbrief van 14 juli 2017 [Kamerstuk 33 783 nr. 26]. De inwerkingtreding van het verdrag of resultaten van een recente peiling zijn voor het kabinet geen aanleiding de positie ten aanzien van het TPNW te veranderen.
Is het draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor u relevant om tot ondertekening van het VN-Verdrag over te gaan? Deelt u de opvatting dat u veel draagvlak heeft om het Verdrag te tekenen, omdat een grote meerderheid van de bevolking zo’n stap steunt? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord vraag 9.
De MQ-9 Reaper drones en over vergunningen voor vliegbasis Leeuwarden. |
|
Eva van Esch (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Meer drones, meer oorlog» van Lauren Gould en Isa Zoetbrood van 27 december 2020?1 Kunt u een uitgebreide reactie geven op dit artikel?
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Het project MALE UAV, de MQ-9 Reaper, heeft als primaire focus het verder versterken van de inlichtingencapaciteit van Defensie. Deze behoefte, waarover uw Kamer is geïnformeerd met de A-brief (Kamerstuk 30 806, nr. 10) d.d. 14 december 2011, is tot op de dag van vandaag relevant en onveranderd. Zoals in de A-brief werd gesteld, zijn voor militair optreden actuele, gedetailleerde en gevalideerde inlichtingen nodig. Informatievergaring vanuit de lucht of de ruimte biedt de mogelijkheid een groot gebied te bekijken en vervolgens belangrijke objecten meer in detail te onderzoeken. De noodzaak tijdens operaties met grote precisie op te treden en nevenschade zoveel mogelijk te voorkomen, maakt informatievergaring vanuit de lucht belangrijk.
De capaciteit van de MQ-9 stelt Nederland ook in staat om – binnen de coalitie waarin Nederland op dat moment opereert – aan dit proces een hoogwaardige bijdrage te leveren. Deze investering kan tevens worden bezien in het licht van de motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 27 925, nr. 718) d.d. 14 mei 2020 over investeren in verbeterde samenwerking op informatie- en inlichtingenvlak met bondgenoten en in gedegen eigenstandige inlichtingenvergaring.
Op dit moment is het bewapenen van de MQ-9 nog niet opgenomen in de defensieplannen. Tegelijkertijd heeft uw Kamer met de motie van het lid Bosman c.s. (Kamerstuk 35 300 X, nr. 23) d.d. 7 november 2019 het kabinet verzocht de Kamer te informeren of de behoeftestelling aangepast dient te worden om de MQ-9 te bewapenen.
Zoals ik uw Kamer in mijn reactie (Kamerstuk 30 806, nr. 52) d.d. 21 januari 2020 op de voorgenoemde motie van lid-Bosman c.s. antwoordde, onderkent Defensie de operationele voordelen van het bewapenen van de MQ-9. Zo vergroot de combinatie van het langdurig kunnen inzetten van waarnemings- en aanvalsmiddelen op hetzelfde platform de snelheid en flexibiliteit van handelen van de krijgsmacht. Tegelijkertijd levert dit een krachtige capaciteit op het gebied van het beschermen van eigen of coalitietroepen. Daarbij is het van belang te vermelden dat wapeninzet vanaf een MQ-9 technisch gezien niet anders is dan van enig ander aanvalsplatform. Een MQ-9 is geen autonoom wapensysteem en in alle gevallen beslist gekwalificeerd personeel om tot inzet van het wapen over te gaan binnen de relevante wet- en regelgeving.
Daarbij wordt gehandeld conform de geldende rules of engagement en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht, waaronder de eisen van proportionaliteit en onderscheid tussen militaire doelwitten enerzijds en burgers en burgerobjecten anderzijds.
De verschillende doorgroeimogelijkheden worden samen met de andere defensiebehoeften integraal afgewogen binnen het beschikbare budget. Als dit leidt tot een behoeftestelling voor de bewapening van de MQ-9, dan wordt u daarover geïnformeerd conform de afspraken met uw Kamer aangaande het Defensie materieelproces.
Erkent u dat moderne drone-technologie de illusie creëert van een nauwkeurige langeafstandsoorlog, maar feitelijk gepaard gaat met veel burgerlijk leed?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de zin «met technologie alleen zullen wij deze oorlog niet winnen, maar het zal ons wellicht verleiden tot een volgende»? Bent u bereid in dit licht, conform de oproep van de schrijvers van het artikel, de optie om de MQ-9 Reaper te bewapenen te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kent u het artikel «Defensie vraagt nieuwe vergunningen aan voor vliegbasis Leeuwarden» van 19 oktober 2020?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat er voor de militaire vliegbasis in Leeuwarden inmiddels een natuurvergunning en een omgevingsvergunning is aangevraagd?
Ja.
Kunt u aangeven of stikstofuitstoot en geluidsproductie door vliegbasis Leeuwarden, waaronder van de in de toekomst in te zetten MQ-9 Reaper drones, onderdeel uitmaken van de ontwerpvergunningen? Zo nee, waarom niet?3
De vergunningsaanvragen zijn in behandeling bij het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de Wnb-aanvraag is rekening gehouden met de inzet van de MQ-9 Reaper. In de aangevraagde omgevingsvergunning voor de vliegbasis is dit nog niet gedaan. Dit omdat hiervoor meer aspecten moeten worden beschouwd dan stikstofdepositie en geluidsproductie. Als er voldoende zekerheid en duidelijkheid is over deze overige aspecten met betrekking tot de MQ-9 Reaper zal worden bezien of en hoe aanvullende toestemmingen worden aangevraagd.
Zal de informatie over stikstofuitstoot en geluidsproductie bij de terinzagelegging van de ontwerpvergunning voor de burger compleet raadpleegbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Het bevoegd gezag, LNV voor de Wnb-vergunning en IL&T voor de omgevings-vergunning, bepaalt welke informatie openbaar wordt gemaakt bij de terinzagelegging van de ontwerpvergunning. Hierbij geldt dat Defensie aangeeft hoe omgegaan dient te worden met door haar aangeleverde geclassificeerde informatie.
Als Defensie bij de vergunningsaanvraag stelt dat delen van de geleverde informatie geclassificeerd zijn, dan wordt door het bevoegd gezag in de beschikking een motivering opgenomen en worden die delen niet ter inzage gelegd. Zo is een deel van de gegevens over grondgebonden geluid (proefdraaien, installaties op de vliegbasis) en vlieggerelateerd geluid voor wat betreft prestatieprofielen geclassificeerd.
Van het niet-geclassificeerde vlieggerelateerd geluid worden jaarlijks openbare geluidbelastingrapportages via de Commissie Overleg en Voorlichting Milieu Leeuwarden verspreid en op de defensiewebsite gepubliceerd. Daarbij wordt informatie gedeeld via het geluidsmeetnet, ook bereikbaar via de defensiewebsite. Prestatieprofielen van militaire vliegtuigen zijn om operationele redenen niet openbaar (Artikel 34 Besluit Militaire Luchtvaart). Geclassificeerde gegevens worden indien nodig door Defensie beschikbaar gesteld aan het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) die deze verwerkt in scenario’s en geluidsmodellen. De uitkomsten van deze modellen zijn niet geclassificeerd en worden gebruikt in de ontwerpvergunningen ter onderbouwing. Indien het bevoegd gezag voor vergunningverlening geclassificeerde gegevens moet beoordelen kunnen deze op aanvraag door gescreende toezichthouders van LNV en IL&T ingezien worden.
Kunt u toezeggen dat alle onderzoeken in relatie tot de ontwerpvergunningaanvraag onverkort en integraal door de burger inzichtelijk en raadpleegbaar zullen zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat Defensie geen gestructureerde informatie over het geluid rondom vliegbasis Leeuwarden wil delen? Zo ja, hoe worden de geluidsrapporten, nodig voor het komen tot de ontwerpvergunningen, dan opgemaakt? Zo nee, hoe zit dit dan?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de stikstofuitstoot van vliegbasis Leeuwarden mogelijk een verslechterend effect heeft op de Natura 2000-gebieden de Waddenzee, de Alde Feanen en de Groote Wielen?
Nee, voor de onderbouwing van de Wnb-vergunningaanvraag heeft Defensie de stikstofdepositie onderzocht en zijn niet-geclassificeerde rapporten aangeleverd aan het bevoegd gezag. Hieruit blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in deze Natura 2000-gebieden.
Kunt u bevestigen dat vliegbasis Leeuwarden alleen een natuurvergunning kan krijgen wanneer vastligt dat en hoe deze natuurgebieden (op een andere manier) in een gunstige staat van instandhouding gebracht zullen worden? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen?
De Wet natuurbescherming vereist niet dat voor de verlening van een natuurvergunning de betrokken Natura 2000-gebieden in een gunstige staat van instandhouding zullen worden gebracht. Een natuurvergunning kan worden verleend indien blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet aantast, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Op grond van objectieve gegevens moet kunnen worden uitgesloten dat het plan of project significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. In de niet-geclassificeerde rapporten die deel uitmaken van de vergunningaanvraag wordt geconcludeerd dat er geen significante gevolgen zijn voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden.
Het is de Minister van LNV, op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, die bevoegd is tot het verlenen van een vergunning. Het is dan ook aan de Minister van LNV om te beoordelen of een natuurvergunning verleend kan worden.
Kunt u toezeggen dat omwonenden actief door Defensie geïnformeerd worden over de plannen op vliegbasis Leeuwarden via bijvoorbeeld nieuwsbrieven en informatiebijeenkomsten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Ja. Dat gebeurt nu al en hierbij zoeken we continue naar mogelijkheden om dit te verbeteren. Met regelmaat informeert de vliegbasis omwonenden over nieuwe ontwikkelingen zoals bijzondere oefeningen via nieuwsberichten op defensie.nl, via social media en via de verspreiding van persberichten die op gemeentelijke websites worden gepubliceerd. Ook zijn omwonenden uitgenodigd om zich met een email naar vliegbasisleeuwarden@gmail.com aan te melden voor een maandelijkse digitale burenmailing. In vergaderingen van de Commissie Overleg en Voorlichting Milieu (COVM) worden zulke ontwikkelingen aangekondigd en toegelicht. Waar nodig worden ook informatiebijeenkomsten georganiseerd, bijvoorbeeld voorafgaand en tijdens grote internationale vliegoefeningen zoals Frisian Flag.
De disfunctionerende nieuwe radar te Wier. |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Nieuwe radar in Wier maakt ’s-nachts te veel geluid»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat Defensie een radar heeft geïnstalleerd die de omgeving veel meer belast dan werd verwacht en daardoor ook niet (volledig) kan worden ingezet?
De SMART-L radar vervangt de oude Medium Power Radar (MPR). Gedurende de ontwikkeling van de SMART-L radar zijn bij de fabrikant Thales te Hengelo geluidsmetingen uitgevoerd om te toetsen of de radar voldoet aan de geluidsnormen voor de omgevingsvergunning. De geluidsnormen zijn gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (VROM, 1998). Op basis van deze metingen was de conclusie dat de SMART-L radar in Wier zou voldoen aan de grenswaarden in de vergunning en is de vergunning ook verleend door het bevoegd gezag (ILT).
In het notaoverleg van 11 juni 2020, het wetgevingsoverleg d.d. 30 november 2020 en de antwoorden op diverse vragen (Kamerstuk 31 936, nr. 739 van 20 april 2020; Kamerstuk 31 936, nr. 806 van 17 november 2020) is toegelicht dat gedurende de testfase ook op de definitieve locatie metingen zouden worden gedaan. Dit is gebruikelijk voor de operationele ingebruikname van nieuwe apparatuur.
Het is niet ongebruikelijk dat bij de realisatie van nieuw materieel nog technische tekortkomingen aan het licht komen. In de testperiode, als onderdeel van de realisatiefase, worden deze technische tekortkomingen waar mogelijk en nodig in overleg met de fabrikant opgelost, of er worden passende aanvullende maatregelen getroffen.
De testperiode kent verschillende fasen waarbij verschillende aspecten worden getoetst. Sommige testen worden bij de fabrikant uitgevoerd, andere testen moeten op locatie worden gedaan. Dit is juist om te zien of de radar – ook op locatie – aan alle normen en eisen voldoet voordat de radar daadwerkelijk in gebruik wordt genomen.
Tegen de verwachting in is uit de testen op locatie gebleken dat het geluid van de radar niet binnen de geldende geluidsnormering voor de nachtelijke uren valt. Overdag en ‘s avonds overschrijdt de radar de geldende geluidsnormen niet. Momenteel wordt onderzocht welke maatregelen kunnen worden genomen om de geluidsbelasting van de radar te verlagen.
Wat is hier misgegaan en hoe kan het dat dergelijke gebreken in materieel pas in een zeer laat stadium aan het licht komen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe en binnen welke termijn worden de problemen opgelost, zodat omwonenden geen overlast meer ervaren (die nu varieert van geluidsoverlast tot elektrische storingen)?
De oorzaak van de geluidsoverlast is nog onbekend. De afgelopen weken zijn diverse metingen en analyses uitgevoerd om de oorzaak van de geluidsoverlast te onderzoeken. Op grond van de nadere analyse daarvan bepalen we mogelijke oplossingen. Dit proces loopt nog enkele weken.
Defensie gaat samen met Thales vanaf 25 februari een maand lang testen uitvoeren om onder andere de geluidsoverlast en verstoring op elektrische apparatuur te onderzoeken. Defensie en Thales zijn dan ook in Wier aanwezig om zoveel mogelijk met de bewoners te inventariseren welke mogelijke effecten de radar heeft op elektrische apparaten in de buurt en om die op te lossen. De omwonenden ontvangen hierover een bewonersbrief met nadere informatie.
Dit proces wordt met de hoogste prioriteit uitgevoerd. Over de voortgang en worden de bewoners op de hoogte gehouden. Samen met Thales werkt Defensie aan het oplossen van het probleem, echter het is nu nog niet duidelijk wanneer welke oplossingen gerealiseerd zijn.
Klopt het dat er door de problemen met de radar sprake is van «verminderde bewaking van het luchtruim»?
Het uitzetten van de radar ’s nachts heeft geen ongeplande consequenties. De nieuwe radar in Wier bevindt zich op dit moment nog in de testfase. De radar gaat pas een bijdrage leveren aan het bewaken van het luchtruim zodra de testfase is voltooid. Deze testfase neemt conform planning nog enkele weken in beslag.
Vanaf de sloop van de radar in Wier is er sprake van verminderde (radar)dekking. Een periode van verminderde dekking is daarmee voor de locatie Wier onvermijdelijk, maar voorzien. Dit komt, omdat de nieuwe radar op vrijwel dezelfde locatie als de oude radar is gebouwd en de aanwezigheid van de oude radar(toren) verstorend werkt op de nieuwe radar(toren), en vice versa. De sloop van de oude radar is daarom noodzakelijk om de nieuwe radar te kunnen testen en daarna in gebruik te nemen.
Om deze transitieperiode zo kort als mogelijk te houden is de sloop van de oude radar pas gestart nadat de nieuwe radar was geplaatst. Gedurende deze transitie maakt Defensie gebruik van de oude radar in Nieuw Milligen in combinatie met radarbeelden van NAVO-bondgenoten, waardoor het verlies aan radardekking gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Tezamen is dit echter onvoldoende om aan de NAVO-eisen omtrent luchtruimbewaking te voldoen. Dit is daarmee geen oplossing voor de lange termijn.
Realiseert u zich dat het doordrukken van een nieuwe radar in Herwijnen met als argument dat het belangrijk is om een goede luchtbewaking te hebben zeer ongepast is, nu blijkt dat die luchtbewaking juist door eigen falen van Defensie onder druk staat?
De radar bevindt zich in de geplande testfase die erop is gericht om tekortkomingen te constateren en op te lossen voordat de radar operationeel in gebruik wordt genomen. De recente inzichten uit de testfase van de radar in Wier omtrent geluid zijn onderdeel van de balans tussen het opleveren van een operationele capaciteit en een juiste inpassing in de leefomgeving. Dit doet niets af aan het feit dat de radar zo spoedig als mogelijk vervangen en ingepast moet worden en vervolgens in gebruik moet worden genomen. Met de radar vervult Defensie haar NAVO-verantwoordelijkheid in het bewaken van het Nederlandse luchtruim en het luchtruim boven de Noordzee.
Erkent u dat deze nieuwe blunder voor Defensie zeer beschamend is, temeer daar we bijvoorbeeld ook al geconfronteerd worden met JSF- vliegtuigen die niet kunnen vliegen tijdens onweer? Zo nee, waarom niet?
Nee. Bij de ontwikkeling van modern materieel, zoals een radar, is het gebruikelijk dat dit materieel wordt getest voordat het in gebruik wordt genomen. Dit gebeurt in de fabriek bij de fabrikant en later ook bij de inbedrijfstelling op locatie. In de testperiode wordt het materiaal verder verfijnd, zodat deze optimaal aansluit bij de operationele eisen en ook op de beste wijze wordt ingepast in de leefomgeving. In een testperiode kunnen (technische) aandachtspunten naar voren komen die verdere uitwerking behoeven en indien nodig tot aanpassingen leiden.
Bent u bereid deze vragen voor het notaoverleg Materieel Defensie van 3 februari 2021 te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De periode tussen het aanleveren van de schriftelijke vragen op 22 januari 2021 en het notaoverleg van 3 februari 2021 was te kort om de vragen zorgvuldig te beantwoorden.
Het bericht 'Nieuwe radar in Wier maakt 's nachts te veel geluid' |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nieuwe radar in Wier maakt’s nachts te veel geluid»?1
Ja.
Waarom was het niet eerder bekend dat de nieuwe radar de omgeving meer zou belasten dan de oude radar? Is er vooraf geen onderzoek gedaan of niet laten doen naar de geluidsbelasting van de nieuwe radar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de resultaten van dat onderzoek?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 3 van het Kamerlid Fritsma (PVV) d.d. 22 januari 2021.
Klopt het dat er eerder geen voorlichtingsavonden voor omwonenden hebben plaatsgevonden? Zo ja, waarom niet?
In Wier is de oude MPR vervangen door de nieuwe SMART-L radar. Het betreft een bouwproject dat past binnen het vigerende bestemmingsplan. Mede om deze reden was er voor de realisatie van de SMART-L radar destijds geen aanleiding om voorlichtingsavonden voor inwoners te organiseren. Wel is er met de gemeente Waadhoeke, waar Wier onder valt, gesproken over de vervanging van de bestaande radar.
Voor dit bouwproject is een omgevingsvergunning aangevraagd bij het bevoegd gezag, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). ILT heeft de aanvraag ter advies gestuurd aan gemeente Waadhoeke. De gemeente heeft vervolgens ingestemd met het verlenen van de aangevraagde vergunning. De aanvraag en de ontwerpbeschikking zijn ter inzage gelegd en gepubliceerd in de Staatscourant en in het lokale blad de «Bildtse post» om bewoners van de gemeente Waadhoeke te attenderen op deze aanvraag. Op de omgevingsvergunning zijn geen zienswijzen ingediend, waarna deze is verleend.
Destijds waren bij Defensie geen vragen van mensen uit de gemeente Waadhoeke bekend. Er was dan ook geen aanleiding om een voorlichtingsbijeenkomst te organiseren. Eind november 2020 bleek dat mensen in de omgeving van de radar in Wier vragen hadden over de nieuwe SMART-L radar. Defensie heeft in samenspraak met gemeente Waadhoeke daarom een digitale bijeenkomst georganiseerd op 20 januari 2021.
Op welke andere manieren wordt – door het nu ’s nachts uitzetten van de radar – het luchtruim in de gaten gehouden?
Het uitzetten van de radar ’s nachts heeft geen ongeplande consequenties. De nieuwe radar in Wier bevindt zich op dit moment nog in de testfase. De radar gaat pas een bijdrage leveren aan het bewaken van het luchtruim zodra de testfase is voltooid. Deze testfase neemt conform planning nog enkele weken in beslag.
Vanaf de sloop van de radar in Wier is er sprake van verminderde (radar)dekking. Een periode van verminderde dekking is daarmee voor de locatie Wier onvermijdelijk, maar voorzien. Dit komt, omdat de nieuwe radar op vrijwel dezelfde locatie als de oude radar is gebouwd en de aanwezigheid van de oude radar(toren) verstorend werkt op de nieuwe radar(toren), en vice versa. De sloop van de oude radar is daarom noodzakelijk om de nieuwe radar te kunnen testen en daarna in gebruik te nemen.
Om deze transitieperiode zo kort als mogelijk te houden is de sloop van de oude radar pas gestart nadat de nieuwe radar was geplaatst. Gedurende deze transitie maakt Defensie gebruik van de oude radar in Nieuw Milligen in combinatie met radarbeelden van NAVO-bondgenoten, waardoor het verlies aan radardekking gedeeltelijk wordt gecompenseerd. Tezamen is dit echter onvoldoende om aan de NAVO-eisen omtrent luchtruimbewaking te voldoen. Dit is daarmee geen oplossing voor de lange termijn.
De nieuwe radar is na de eerste fase van testen, als onderdeel van de site acceptance test (SAT), op 8 december 2020 aan Defensie overgedragen. Sinds de overdracht worden operationele testen uitgevoerd om de radar gereed te maken voor operationeel gebruik. Deze testfase neemt ongeveer vier maanden in beslag. De planning is dat de radar begin april operationeel in gebruik wordt genomen.
Op welke termijn verwacht u dat de problemen met de radar verholpen zullen zijn?
Zie het antwoord op vraag 4 van het Kamerlid Fritsma (PVV) d.d. 22 januari 2021.
Waarover wordt overleg gevoerd met Thales? Welke afspraken worden er gemaakt met Thales?
Met de fabrikant Thales wordt intensief samengewerkt om de oorzaak van de geluidsproblematiek en de verstoringen van de WiFi/TV-signalen en (buiten)lampen te onderzoeken. Aan de hand van de uitkomsten worden gezamenlijk oplossingen uitgewerkt en de noodzakelijke maatregelen genomen.
Waarom is ervoor gekozen de oude radar te verwijderen, terwijl de nieuwe radar nog in de testfase zit en niet operationeel is? Hoe verhoudt dit zich met het uitgangspunt dat voor bescherming van ons land de radar 7 dagen per week en 24 uur per dag moet draaien? Hoe lang was de geplande testfase?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de gevolgen van de ervaringen van de radar in Wier voor de (te verwachten) geluidsoverlast van de radar te Herwijnen alsook voor de besluitvorming daaromtrent?
Elke (omgevings)situatie is verschillend. Dat betekent dat er per locatie bekeken moet worden hoe de radar het beste kan worden ingepast in de omgeving. Wel zullen de ervaringen in Wier bijdragen aan de inpassing van de tweede radar, ongeacht de locatie. Omdat de oorzaak van het geluidsprobleem nog niet is vastgesteld, is nog onbekend wat de eventuele gevolgen zijn voor de beide radars. Eventuele geluidsbeperkende maatregelen zullen op beide radars worden doorgevoerd.
De berichtgeving ‘Ombudsman: vergoeding voor invalide veteranen moet sneller’ |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving «Ombudsman: vergoeding voor invalide veteranen moet sneller»?1
De Veteranenombudsman heeft een degelijk onderzoek uitgevoerd en daarbij alle partijen die een rol hebben in het proces van de afhandeling van letselschadeclaims betrokken. Op 3 september 2020 heeft hij een rondetafelconferentie georganiseerd waarvoor ook vertegenwoordigers van Defensie waren uitgenodigd. Ik heb met veel belangstelling kennis genomen van het rapport en ik ben blij met de suggesties voor verbetering van de zorg voor veteranen en voor het verkorten van de doorlooptijden van schadeprocedures. Zoals gebruikelijk krijgt de Veteranenombudsman binnen drie maanden een inhoudelijke reactie.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van de veteranenombudsman naar de duur van de schadeprocedures na klachten van tientallen veteranen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting van de veteranenombudsman dat in totaal honderden veteranen te maken hebben met een te trage afhandeling van aanvragen voor militair invaliditeitspensioen en aanvullende schadevergoeding, hetgeen tot veel stress en onzekerheid bij veteranen leidt, alsmede «schrijnende en onverteerbare situaties»?
Ik herken de klacht dat veteranen het in het algemeen lang vinden duren voordat hun letselschade is afgewikkeld. Ik realiseer mij ook dat een lang proces tot spanning en onzekerheid kan leiden bij veteranen. Toch komt het slechts incidenteel voor dat de afhandelingsduur van een letselschadeclaim leidt tot een klacht of bemiddelingsverzoek bij de Veteranenombudsman. In een groot deel van de zaken is sprake van goed contact tussen veteranen en hun belangenbehartigers enerzijds en de letselschadejuristen van Defensie anderzijds en worden claims in goed overleg afgehandeld.
Deelt u de opvatting van de veteranenombudsman dat een veteraan die invalide raakt binnen twee jaar schadevergoeding moet krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Defensie een aanvraag voor een schadevergoeding voortaan binnen twee jaar afhandelt? 5. Wat vindt u van de mogelijke oplossingen die in het rapport van de veteranenombudsman genoemd staan, zoals:
Het vergoeden van letselschade is een essentieel onderdeel van het veteranenzorgsysteem en betreft een vorm van erkenning en waardering voor veteranen. Defensie streeft altijd naar een snelle en volledige afwikkeling van de claims. De zorgvuldige afwikkeling van een claim is echter een complex proces, dat ook bij een voortvarende aanpak de nodige tijd in beslag neemt. Ik ben mij ervan bewust dat de afhandelingsduur als te lang wordt ervaren. Naast dat Defensie al bezig is met verbeteringen van het proces en een evaluatie van de Regeling Volledige Schadevergoeding uit laat voeren door de Audit Dienst Rijk, ben ik blij met het rapport van het onderzoek dat de Veteranenombudsman heeft gedaan. Defensie streeft er naar – samen met betrokken partijen – de schadevergoeding binnen twee jaar af te handelen.
Bent u bereid over te gaan tot digitalisering van medische dossiers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, binnen welke termijn? Kunnen tot die tijd artsen niet met elkaar bellen over reeds gedane keuringen?
Ik sta positief tegenover de aanbevelingen die de Veteranenombudsman noemt. Zoals ik u heb gemeld in de Veteranennota 2019 – 2020 (Kamerstuk 30 139, nr. 234) werkt Defensie aan de herziening van het uitkeringen en voorzieningenstelsel voor veteranen. In de beoogde herziening zijn ook deze elementen terug te vinden zoals het beperken van het aantal medische keuringen, een centrale rol voor de zorgcoördinator in het hele proces en goede ondersteuning van het proces door een verbeterde bedrijfsvoering en informatievoorziening.
Is de pilot met drie advocatenkantoren wel genoeg? Kan niet direct bij alle zaken toenadering gezocht worden door Defensie, om de verharding in de juridische procedures te doorbreken?
Ik sta positief tegenover digitalisering van medische dossiers. Het digitaliseren van de bestaande medische dossiers is evenwel tijdrovend, kostbaar en levert beperkte tijdswinst op. Daarbij is de complicatie dat sprake is van meerdere partijen (Defensie, ABP, UWV) die op dit moment elk hun eigen systeem kennen, al dan niet digitaal. Ik ga de aanbeveling van de Veteranenombudsman grondig bezien op de mogelijkheden die daadwerkelijk bijdragen aan tijdswinst in het proces.
De collegiale afstemming tussen (keurings-)artsen vindt momenteel al plaats. Maar waar het gaat om keuringen door verzekeringsartsen is zorgvuldigheid en nauwkeurigheid geboden, waardoor mondelinge afstemming niet altijd mogelijk is.
Herkent u zich in de kritiek van de veteranenombudsman dat tempo nogal eens ontbreekt bij de omgang van Defensie met veteranen? Waarom moet er al jaren worden gewacht op de toegezegde verbeteringen van het militair (invaliditeits-)pensioen, de klachtenafhandeling en de regeling voor militairen met PTSS? Waarom ontbreekt het kennelijk vaak aan een goede uitvoering? Wat bent u bereid hieraan te doen en binnen welke termijn?
De drie advocatenkantoren waarmee de pilot loopt, zijn de juridisch belangenbehartigers van het overgrote deel (tussen de 75 en 80 procent) van de veteranen die een claim bij Defensie hebben lopen. Het is een proef om te kijken wat werkt om daarna de afspraken te bestendigen. Om die reden is het aantal partijen in eerste aanleg beperkt tot deze drie hoofdpartijen.
Naast dit proefproject streeft Defensie er in alle zaken naar om pro-actiever, duidelijker en transparanter op te treden richting de veteranen en hun belangenbehartigers. Dat is er juist op gericht om verharding te voorkomen of te doorbreken. Het doel hiervan is om in alle zaken de doorlooptijden te verkorten en om het schaderegelingsproces beter te laten aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel van de veteraan.
Bent u bereid het rapport van de veteranenombudsman en uw reactie daarop naar de Kamer te sturen?
Ik herken me in de kritiek van de Veteranenombudsman waar het gaat om de wachttijden voor medische keuringen en in de afhandelingsduur van schadeclaims. In de veteranennota 2019 -2020 heb ik daarover gerapporteerd. Ik herken me niet in de opmerking dat het vaak ontbreekt aan een goede uitvoering. Er wordt bij voortduring gewerkt aan verbeteringen van de zorg voor veteranen. Voor wat betreft de afhandeling van verzoeken om een schadevergoeding is de capaciteit hiervoor sinds 2015 bijna verdubbeld en ondersteunt de Landsadvocaat waar nodig. Verder is onlangs het Nederlands Veteraneninstituut tot stand gekomen als resultaat van de samenvoeging van zes veteranenorganisaties. Doordat expertise van de keten van zorg nu in een centrale organisatie is ondergebracht, kan beter afgestemd, geïntegreerd en meer doelgerichte zorg worden geleverd. Een centrale organisatie maakt het overzichtelijk voor de veteranen. Het Veteranenloket blijft bestaan en is effectiever en flexibeler ingericht (Kamerstuk 30 139 nr. 240 van 13 januari jl.). En zoals hierboven aangegeven, werkt Defensie aan de herziening van het uitkeringen en voorzieningenstelsel voor veteranen.
Het verzoek voor inzet van het Defensiepersoneel ter ondersteuning van het zorgpersoneel |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
Welke verzoeken heeft Defensie, al dan niet via de veiligheidsregio’s, ontvangen voor inzet van militairen ter ondersteuning van het zorgpersoneel?1 2
Defensie heeft gedurende de gehele COVID-19 crisis meerdere verzoeken ontvangen voor Militaire Steunverlening in het Openbaar Belang (MSOB). Deze steunverzoeken zijn volgens de formele procedure bij Defensie terechtgekomen. De verzoeken voor ondersteuning van zorgpersoneel komen van ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen en zorghotels.
Aangezien ondersteuning door Defensie last resort is, wordt eerst gekeken of de andere mogelijkheden door de zorgaanbieder reeds zijn benut. Als blijkt dat deze mogelijkheden onvoldoende opleveren, kan via de GGD/Veiligheidsregio een verzoek worden gedaan voor steunverlening bij het Landelijk Operationeel Coordinatie Centrum (LOCC). Deze verzoeken worden gezamenlijk besproken door Defensie, GGD/GHOR en VWS. Als geconstateerd wordt dat het verzoek aan bovengenoemde de gestelde voorwaarden voldoet, kijkt Defensie over welke mogelijkheden zij in praktische zin beschikt om te ondersteunen. Defensie zal contact met de zorgaanbieders opnemen en fysiek een «fact finding» bezoek brengen aan de verzoekende instelling om optimale steun te kunnen realiseren. Daarna wordt de wijze van inzet bepaald.
Defensie ontvangt dagelijks verzoeken voor ondersteuning van defensiepersoneel aan het zorgpersoneel. Het genoemde driehoeksoverleg vindt dan ook zeer frequent plaats.
Er zijn sinds de tweede COVID-19 golf zijn intrede deed (oktober 2020) in het totaal 25 verzoeken gehonoreerd, zowel grootschalig (bijv. 1.000 medewerkers van Defensie paraat voor test- en vaccinatiestraten) als kleinschalig (bijv. 1 planner voor het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding).
Welke verzoeken zijn gehonoreerd dan wel afgewezen?
Defensie moet zekerstellen dat de lopende missies in het buitenland worden uitgevoerd en terdege worden voorbereid, tevens zal Defensie voorbereid moeten zijn op de andere belangrijke taken die van haar worden verwacht. In evenwicht met deze taken zal Defensie het gevraagde personeel inzetten met de juiste prioriteit in de bestrijding van de pandemie.
In de brief 29 282, nr. 426 van 5 januari jl. heeft mijn collega, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uw Kamer uitgebreid geïnformeerd welke afwegingen gemaakt worden bij het beoordelen van ondersteuningsverzoeken van verpleeghuizen instellingen die thuiszorg leveren en zorghotels.
Gelet op de gelimiteerde capaciteit, zijn er twee belangrijke opties waarin defensiepersoneel kan worden ingezet. Allereerst kan ondersteuning van de verpleeghuizen plaatsvinden om de druk op de continuïteit van de zorg te verminderen. Tevens kan ondersteuning van de keten (bijvoorbeeld een zorghotel) plaatsvinden om stagnatie van de doorstroom van patiënten vanuit het ziekenhuis te voorkomen. Daarmee wordt ook de zorg in de ziekenhuizen ondersteund. Het is van belang om te benoemen dat er eerder afspraken zijn gemaakt over de extra inzet van Defensiepersoneel voor COVID19-ziekenhuiszorg. Deze vindt geconcentreerd plaats in het UMC Utrecht. Defensie ondersteunt het UMC Utrecht sinds 22 oktober 2020 met maximaal 160 medisch geschoolde medewerkers (en vanaf 20 januari 2021 met maximaal 100 medische geschoolde medewerkers).
Uitgangspunt is dat eerst regionaal wordt gezocht naar samenwerking tussen zorgaanbieders. Daarna kunnen zorgaanbieders een aanvraag doen voor verzorgend en ondersteunend personeel van andere instanties zoals Extra Handen voor de Zorg en het Rode Kruis. Het opgerichte expertiseteam Zorgcontinuïteit van GGD/GHOR Nederland ondersteunt de regio hierbij. Als laatste biedt Defensie een mogelijkheid tot gerichte en tijdelijke ondersteuning, altijd afgewogen ten opzichte van de reguliere inzet in de eerste en tweede hoofdtaken van Defensie.
Op meerdere locaties biedt Defensie inmiddels ondersteuning. Een actueel beeld van de ondersteuning door Defensie in het kader van de COVID-19 crisis vindt u op Defensie.nl.
Welk afwegingen worden gemaakt voor het beoordelen van hulpverzoeken ter bestrijding van de pandemie in Nederland? Welke prioriteit krijgt deze taak, ten opzichte van de inzet van militairen voor de lopende missies in het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Is het mogelijk meer militairen vrij te maken voor ondersteuning van het zorgpersoneel, aangezien het zorgpersoneel in ziekenhuizen op hun tandvlees loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Defensie heeft naast de taken ten behoeve van ondersteuning in nationale crisisoperaties, ook verplichtingen, zoals reguliere inzet in Nederland, beschermen van het gemeenschappelijke grondgebied en bijdragen aan het handhaven van de internationale rechtsorde. Militair personeel dient naast deze inzet ook gereedgesteld te worden om deze taken uit te kunnen voeren.
Met inachtneming van al deze taken en de voorbereiding daarop, wordt iedere ondersteuningsvraag specifiek beoordeeld en levert Defensie de maximale ondersteuning voor het zorgpersoneel.
Op welke manier is de motie-Marijnissen over inzet van o.a. Defensie ter ondersteuning van het zorgpersoneel uitgevoerd?3
Naast de grote inzet waarmee Defensie het zorgpersoneel bovenregionaal in het Universitair Medisch Centrum Utrecht ondersteunt, heeft Defensie in meerdere zorginstellingen militair personeel tewerkgesteld om het zorgpersoneel te ontlasten en te ondersteunen. Tevens staan er 1.000 medewerkers van Defensie paraat voor de verdere ondersteuning van de zorg op een breed terrein: planning, coördinatie, testen, vaccineren en logistiek.
Ook hier verwijs ik naar het actuele beeld op Defensie.nl.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Ja.