Een gelijk Europees speelveld voor de Nederlandse havens |
|
Ed Groot (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Frans Weekers (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Concurrentiepositie haven Rotterdam in het geding door winstbelasting»?1
Ja.
Heeft u de Europese Commissie verzocht om openbaarmaking van de resultaten van het onderzoek dat op verzoek van het Europees Parlement is verricht naar de concurrentieverhoudingen tussen de havens in de Europese Unie (EU)? Zo nee, wanneer gaat u dit alsnog doen?
Nee. Het onderzoek is verricht in de vorm van een vragenlijst waarmee aan alle lidstaten om informatie over de financiering van haveninfrastructuur en havendiensten, alsmede directe belastingen, zoals de vennootschapsbelasting, is gevraagd. Het onderzoek is uitgevoerd door het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie en vond zijn oorzaak in een verzoek daartoe vanuit het Europese Parlement. De reactietermijn sloot op 1 oktober 2013. Wij hebben geen inzicht in de voortgang van de verwerking van de resultaten en de analyse daarvan. Vanuit het Europees Parlement is recent gevraagd naar de stand van zaken en de openbaarmaking van de resultaten (schriftelijke vragen door het lid Wortmann van het Europees Parlement aan de Europese Commissie). Wij wachten vooralsnog dat antwoord af.
Deelt u de mening dat het onderzoek naar de concurrentieverhoudingen tussen de havens in de EU dient te worden betrokken bij de onderhandelingen over de Europese havenverordening? Zo nee, waarom niet?
Zeker. Hierbij betrekken wij ook het onderzoek dat in opdracht van mij door de Erasmus Universiteit Rotterdam/RHV en Ecorys is uitgevoerd naar de concurrentieverhoudingen tussen de havens in Duitsland, Engeland, Frankrijk, Vlaanderen en Nederland. Het rapport van dit onderzoek is onlangs, met een reactie van het kabinet, aan u toegezonden. Kortheidshalve verwijzen wij daarnaar.
Is het waar dat de havens in de ons omringende landen feitelijk nauwelijks winstbelasting betalen en er de facto dus sprake is van een gelijk fiscaal speelveld?
Zie antwoord op vraag 7.
Heeft u overleg gehad met de Europese Commissie over de uitzonderingspositie voor vennootschapsbelasting van de Nederlandse havens in relatie tot de fiscale positie van de havens in de buurlanden?
Zie antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat het niet aanvaardbaar is dat de Nederlandse havens – die in vergelijking met de havens in ons omringende landen door oneigenlijke overheidssteun al op achterstand staan – nog verder op achterstand worden gezet door invoering van vennootschapsbelasting?
Zie antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om van de invoering van vennootschapsbelasting voor de Nederlandse havenbedrijven af te zien dan wel deze tenminste uit te stellen tot het onderzoeksrapport naar de concurrentieverhoudingen tussen de havens in de EU openbaar is gemaakt en er op EU-niveau afspraken zijn gemaakt die ook worden gehandhaafd met betrekking tot overheidssteun aan havens?
Bij een goede vergelijking van de concurrentieverhoudingen tussen havens in de Europese Unie spelen als vanzelfsprekend niet alleen fiscale wet- en regelgeving een rol. Het Nederlandse streven is gericht op een Europees level playing field voor zeehavenbeheerders en havendienstverleners (loodsen, slepen, afmeren, terminaldiensten, inname afvalstoffen en bunkeren) op alle relevante beleidsterreinen: externe veiligheid, arbeidsveiligheid, beveiliging tegen misdaad, milieuzorg en natuurbehoud, alsmede financiering en belastingheffing. De Nederlandse zeehavens moeten per saldo op voet van gelijkheid kunnen concurreren. Zij moeten hun natuurlijke voordelen ook ten volle kunnen benutten.
Vandaar dat het kabinet met instemming heeft vastgesteld dat de Europese Commissie op verzoek van het Europese Parlement het eerdergenoemde (brede) onderzoek uitvoert. U vraagt nu concreet naar de wijze waarop in de Europese Unie wordt omgegaan met de heffing van directe belastingen, zoals de vennootschapsbelasting in het geval van havenbeheerders. Algemene uitspraken over die fiscale behandeling in de Europese Unie met 28 lidstaten kunnen echter niet worden gedaan. De situatie is daarvoor te complex en te divers. Desalniettemin bestaat het beeld dat havenbeheerders in de ons omringende landen veelal niet of nauwelijks winstbelasting betalen. Dit kan onder andere worden veroorzaakt door de wetsystematiek van de onderhavige lidstaat, de rechtspersoonlijkheid van de havenbeheerder, de omstandigheid dat geen winst wordt behaald en de soorten activiteiten die door de diverse havenbeheerders worden uitgevoerd.
De staatssecretaris van Financiën is tijdens een algemeen overleg in de Tweede Kamer op 25 juni 20132 ingegaan op de internationale concurrentiepositie van Havenbedrijf Rotterdam NV (HbR). Destijds is al aangegeven dat er op fiscaal gebied geen gelijk speelveld lijkt te ontstaan wanneer HbR volledig belast gaat worden als dit bij zeehavens elders in Europa niet het geval is. Daarbij is opgemerkt dat als wij een level playing field binnen Nederland nastreven, dat ook voor Europa zal hebben te gelden. Het kabinet heeft dit vervolgens bij de Commissie naar voren gebracht. Om die reden vindt op ambtelijk niveau informeel overleg plaats tussen het ministerie van Financiën en de betrokken dienst van de Europese Commissie over de invulling van het in (ambtelijke) voorbereiding zijnde wetsvoorstel met betrekking tot de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen, waarbij ook de positie van havens aan de orde komt.
Op dit moment is de uiteindelijke vormgeving van de in voorbereiding zijnde modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen nog niet duidelijk. Het kabinet wil desalniettemin van de gelegenheid gebruik maken om een zeer grove schets te geven van de hoofdlijnen waaraan nu wordt gedacht. De afgelopen maanden is mede op basis van de bevindingen uit de inventarisatie begonnen met het opstellen van een conceptwetsvoorstel. Hierbij is zo veel als mogelijk rekening gehouden met de signalen die tijdens de inventariserende gesprekken zijn afgegeven. Zo hebben belanghebbenden bijna unaniem bezwaar gemaakt tegen het verplicht op afstand plaatsen in een privaatrechtelijke rechtsvorm van te belasten activiteiten dat noodzakelijk is bij de indirecte ondernemingsvariant. Zij zien met name op tegen de aansturingsaspecten en corporate governance aspecten die het gebruik van privaatrechtelijke rechtspersonen met zich meebrengt. Daarnaast hebben zij bezwaar tegen de kosten die gepaard gaan met het oprichten en in stand houden van privaatrechtelijke rechtspersonen. Uit de inventarisatiegesprekken kan worden afgeleid dat belanghebbenden de administratieve lasten die gepaard gaan met een rechtsvormneutrale uitwerking van de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen, niet op vinden wegen tegen de bezwaren die zij hebben tegen het gebruik van privaatrechtelijke rechtspersonen. Om hieraan tegemoet te komen bestaat het voornemen om voor de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen uit te gaan van een vormgeving waarbij concurrerende overheidsondernemingen belastingplichtig worden, ongeacht de rechtsvorm waarin ze worden gedreven, waarbij een vrijstelling wordt geboden voor overheidstaken. Deze gewijzigde uitwerking biedt belanghebbenden meer keuzevrijheid met betrekking tot de wijze waarop zij hun organisatie willen vormgeven. Deze gewijzigde uitwerking heeft geen gevolgen voor de omvang van de groep overheidsondernemingen die vennootschapsbelastingplichtig worden. Over de vrijstelling voor overheidstaken en verschillende andere aspecten die met een rechtsvormneutrale benadering gepaard gaan, is het kabinet met de Europese Commissie in gesprek. Daarbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om Nederlandse zeehavenbeheerders bij wijze van overgangsrecht onder de werkingssfeer van het thans bestaande vennootschapsbelastingregime voor overheidsondernemingen te houden, totdat sprake is van een gelijk Europees speelveld voor havens op het gebied van belastingheffing naar de winst. Daarna zou ook voor de havens het gemoderniseerde reguliere systeem gaan gelden.
Het kabinet heeft het streven om op Prinsjesdag 2014 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen. De gesprekken met de Europese Commissie moeten derhalve voor die tijd tot helderheid hebben geleid. Vervolgens zal het kabinet een afweging maken over de uiteindelijke vormgeving. Het kabinet weegt bij de vormgeving de belangen van de havens zwaar zonder daarbij in zijn algemeenheid afbreuk te willen doen aan het streven naar een gelijk speelveld in Nederland. Het spreekt voor zich dat het kabinet een wetsvoorstel hoopt in te dienen dat op een zo groot mogelijk draagvlak kan rekenen.
Het niet benutten van mogelijkheden ter ondersteuning van bedrijven die de EU biedt |
|
Marit Maij (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving inzake de geringe belangstelling van Nederland voor de mogelijkheden voor staatssteun, die veel ruimer zijn dan de Nederlandse overheid veronderstelt?1
Ja.
Klopt het dat er veel mogelijk is op het gebied van staatssteun, zoals de EU-topambtenaar Gert Jan Koopman stelt, zolang de overheidssteun de markt maar niet ontwricht?
De staatssteun die een lidstaat wil geven, moet passen binnen de beleidsdoelstellingen en beleidswensen van de Europese Commissie. De Europese staatssteunkaders beogen de interne markt zo goed mogelijk te laten functioneren en andere Europese beleidsdoelstellingen dichterbij te brengen. Voorbeelden van dit laatste zijn meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling of in duurzame energieopwekking.
Klopt het dat de EU kan adviseren over het vormgeven van steunmaatregelen, zodat ze binnen de EU-regels vallen?
Het klopt dat de EU kan adviseren over het vormgeven van steunmaatregelen. Deze advisering vindt vertrouwelijk plaats tussen de diensten van de Europese Commissie en ambtelijke vertegenwoordigers van de relevante vakdepartementen of medeoverheden. Nederland maakt gebruik van deze advisering. Zo nodig vindt overleg op politiek niveau plaats.
Zo is bijvoorbeeld bij het verstrekken van staatssteun ten behoeve van Nedcar nauw overleg gevoerd met de diensten van de Europese Commissie over de mogelijkheden van staatssteun en de inrichting daarvan. Een ander voorbeeld is het overleg dat met diverse diensten van de Europese Commissie is gevoerd over de financiële inzet van de rijksoverheid en de provincie om de nieuwe onderzoeksreactor Pallas in Petten te realiseren. Tenslotte kan ook gewezen worden op de intensieve ambtelijke en politieke contacten die met de diensten van de Europese Commissie hebben plaatsgevonden bij grote staatssteundossiers zoals de woningbouwcorporaties en de financiële sector.
De advisering van de Europese Commissie over het vormgeven van steunmaatregelen vindt vertrouwelijk plaats. Ik heb dan ook geen informatie over de mate waarin en de wijze waarop andere lidstaten hiervan gebruikmaken.
Het signaal van de heer G.J. Koopman over de Nederlandse inzet in staatssteundossiers vat ik op als een oproep om het beter te doen.
Daarom heb ik mijn medewerkers reeds opdracht gegeven de banden met de relevante diensten van de Europese Commissie verder aan te halen op het gebied van staatssteun. Binnen het Rijk zal mijn ministerie ook meer expertise en ondersteuning ter beschikking stellen aan andere ministeries en de coördinatie van de Nederlandse inzet op het gebied van staatssteun verder versterken. Een meer proactieve inzet richting de Europese Commissie is daar onderdeel van, evenals een versterkte inzet op het waarborgen van een gelijk speelveld met andere lidstaten.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties biedt ondersteuning aan medeoverheden, waarbij ook voorlichting wordt gegeven over de mogelijkheden die het Europese staatssteunbeleid biedt.
Klopt het dat Oost-Europese landen, Frankrijk en Groot-Brittannië hier wel gebruik van maken? Kunt u met voorbeelden aangeven in welke gevallen deze landen dat doen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom worden deze mogelijkheden niet benut? Wat gaat u hier aan doen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat rijke Grieken sinds het uitbreken van de crisis 54 miljard euro hebben gestald op rekeningen in het buitenland |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitlatingen van het hoofd van de Griekse fiscale politie, dat rijke Grieken 54 miljard euro hebben weggesluisd naar het buitenland zonder belasting te betalen?1
Ja
Wat vindt u ervan dat rijke Griekse burgers hun belastingplicht verzaken en de ellende doorschuiven naar de Nederlandse belastingbetaler?
Het is belangrijk dat belastingfraude en -ontduiking in Griekenland tegen wordt gegaan en dat Griekenland aan de internationale verplichtingen kan voldoen.
Wat vindt u ervan dat het sinds het uitlekken in 2009, nog steeds niet opschiet met de afwikkeling van de «lijst Lagarde», waar de namen op staan van 1.700 Griekse belastingontduikers?
Ik deel de brede zorg van de Tweede Kamer over het belang van de voortgang van het onderzoek naar de Lagarde-lijst. Ik heb deze zorg herhaaldelijk overgebracht aan mijn Griekse gesprekspartners, en zal dit ook blijven doen. Tegelijkertijd ligt het antwoord op deze problematiek in de grondige herziening van het belastingsysteem omdat hier geen sprake is van een op zichzelf staand incident. Onderdeel daarvan is de effectieve strafrechtelijke vervolging van mogelijke belastingontduiking door Griekse ingezetenen.
Wat is de status van het bericht van eind 2012, dat de moeder van voormalig Grieks premier Papandreou, 550 miljoen euro zou hebben gestald op een Zwitserse bankrekening?
Hoe gaat u voorkomen dat de Grieken nog langer de rekening doorschuiven naar Nederland en andere eurolanden?
Er moet stevige druk blijven bestaan op de Griekse autoriteiten om belastingontduiking en -fraude tegen te gaan. Griekenland zal bij elke voortgangsmissie van de Trojka moeten laten zien dat zij de afgesproken hervormingen heeft geïmplementeerd. Ik zal hier bij het verschijnen van de eerstvolgende voortgangsrapportage nader op ingaan.
Het bericht dat België meer EU-burgers uitzet |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «België zet meer EU-burgers uit»?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Kunt u naar aanleiding van dit bericht aangeven van hoeveel EU-onderdanen in 2013 het verblijfsrecht is ingetrokken wegens het niet voldoen aan het inkomensvereiste of wegens openbare orde problemen? Hoeveel personen hiervan zijn aantoonbaar (gedwongen) uit Nederland vertrokken?
In 2013 is van 650 EU-burgers het rechtmatig verblijf beëindigd.2
Uit de geautomatiseerde systemen van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) blijkt dat van 360 EU-burgers het rechtmatig verblijf is beëindigd vanwege openbare orde feiten en vervolgens tot ongewenstverklaring is overgegaan.
De IND ontvangt meldingen over het verstrekken van bijstandsuitkeringen aan EU-burgers van Gemeentelijke Sociale Diensten (GSD). Die meldingen verlopen niet geautomatiseerd. Zodra de IND een melding over het verstrekken van een bijstandsuitkering van een GSD ontvangt, onderzoekt de IND of sprake is van een onredelijk beroep op de bijstand. Uit handmatige registratie van de IND hiervan blijkt dat in 2013 het verblijf van 60 EU-burgers is beëindigd wegens een onredelijk beroep op de bijstand.
Belangrijk om hierbij te vermelden is dat conform de richtlijn vrij verkeer3, waar het gaat om werknemers, de ontvangen bijstand pas na zes maanden als onredelijk kan worden beschouwd. Dat komt doordat de status van werknemer tenminste zes maanden behouden blijft waardoor in die periode bijstand geen gevolgen heeft voor het verblijfsrecht.4
Voorts is in 2013 van 70 EU-burgers het rechtmatig verblijf beëindigd vanwege het veroorzaken van overlast en het niet voldoen aan een of meerdere voorwaarden voor verblijf van de richtlijn vrij verkeer.
Van 170 EU-burgers is het rechtmatig verblijf beëindigd vanwege het niet voldoen aan een of meerdere voorwaarden voor verblijf van de richtlijn vrij verkeer.
In 2013 zijn 360 EU-burgers aantoonbaar uit Nederland vertrokken, 340 daarvan zijn gedwongen vertrokken.5 Dit zijn niet allemaal dezelfde EU-burgers van wie de IND in 2013 het rechtmatig verblijf heeft beëindigd. Dat komt doordat tussen de beslissing om het rechtmatig verblijf van een EU-burger te beëindigen en het onherroepelijk worden van die beslissing een tijdsverloop zit. Bovendien houden niet alle beslissingen stand in bezwaar en beroep. Pas na het onherroepelijk worden van de beslissing kan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) het vertrekproces starten.
Kunt u aangeven welke nationaliteiten de betreffende EU-onderdanen hebben en de gronden op basis waarvan het verblijfsrecht is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De top vijf nationaliteiten van EU-burgers van wie het rechtmatig verblijf is beëindigd vanwege openbare orde feiten is als volgt: Roemenië, Polen, Spanje, Litouwen, Bulgarije.
De top vijf nationaliteiten van EU-burgers van wie het rechtmatig verblijf is beëindigd vanwege een onevenredig beroep op de bijstand is als volgt: Bulgarije Polen, Roemenië, Verenigd Koninkrijk, Portugal.
Hoe verklaart u het gegeven dat België in 2012 van 2507 EU-burgers het verblijfsrecht heeft ingetrokken, terwijl dat in Nederland in slechts 590 zaken is gebeurd?
Doordat gegevens over het verlenen van bijstandsuitkeringen in België centraal worden bijgehouden en die gegevens, voorzover het EU-burgers betreft, geautomatiseerd aan de federale Dienst Vreemdelingenzaken worden verstrekt, heeft men in België een geautomatiseerd gegevensbestand van de EU-burgers die minstens drie maanden een bijstandsuitkering ontvangen. Zo kan de Dienst Vreemdelingenzaken bij de gehele populatie EU-burgers die minstens drie maanden een bijstandsuitkering ontvangen, nagaan of er sprake is van een onredelijk beroep op de bijstand. Dit leidt in de praktijk tot meer verblijfsbeëindigingen dan in Nederland.
Nederland kent een andere werkwijze. De IND ontvangt meldingen over het verstrekken van bijstandsuitkeringen aan EU-burgers afzonderlijk per GSD. Die meldingen verlopen niet geautomatiseerd. Zodra de IND een melding over het verstrekken van een bijstandsuitkering van een GSD ontvangt, onderzoekt de IND of sprake is van een onredelijk beroep op de bijstand. Of het verschil in aantallen verblijfsbeëindigingen van EU-burgers die een onredelijk beroep op de bijstand doen tussen België en Nederland valt te verklaren door de verschillende werkwijzen valt niet met zekerheid te zeggen.
Met de Kamer ben ik overigens van mening dat zo veel mogelijk moet worden voorkomen dat EU-burgers een onredelijk beroep op het sociale bijstandstelsel doen. Daarom is de IND samen met de gemeenten Rotterdam en Vaals in oktober 2013 een pilot gestart waarbij voorafgaand aan een eventuele toekenning van een bijstandsaanvraag van een EU-burger, in specifieke gevallen eerst door de gemeente bij de IND wordt nagegaan of de bijstandsaanvraag gevolgen heeft voor het rechtmatig verblijf van de aanvrager. Met specifieke gevallen wordt bedoeld situaties waarin de gemeente eraan twijfelt of het verblijfsrecht van de bijstandsgerechtigde EU-burger in stand kan blijven nu er een beroep op de bijstand is gedaan. Deze werkwijze zal zo mogelijk dit jaar nog wettelijk worden verankerd en vervolgens landelijk worden toegepast.
Bent u bereid om in navolging van België het aantal uitzettingen van EU-burgers ten opzichte van 2012 op korte termijn minimaal te verviervoudigen en bij iedere EU-onderdaan te bekijken of aan het inkomensvereiste en het openbare orde vereiste wordt voldaan? Zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie in de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Fritsma en Van Vliet van 26 februari 2013 reeds heeft aangegeven, is in 2012 gestart met een aangescherpt beleid ten aanzien van EU-burgers die niet voldoende middelen hebben, om te voorkomen dat zij een beroep doen op het sociale bijstandsstelsel.6 Het gaat hierbij zowel om overlastgevende EU-burgers als om EU-burgers die een onredelijk beroep op de bijstand doen. Het aanpakken van EU-burgers die een onredelijk beroep op de bijstand doen, overlast veroorzaken of openbare orde feiten plegen, was en is een prioriteit van dit kabinet. De inspanningen ten aanzien van die groepen EU-burgers hebben geresulteerd in 650 verblijfsbeëindigingen in 2013 en, zoals ik bij antwoord twee heb aangegeven, kan dat aantal nog oplopen. Het huidige beleid werpt zijn vruchten af en wordt daarom voortgezet.
Het Europese initiatief voor het opstellen van nieuwe duurzame energiedoelstellingen voor 2030 |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Staat het kabinet nog altijd achter de ambitie uit het regeerakkoord1, dat Nederland voortrekker dient te zijn in de internationale samenwerking op het gebied van duurzaam energiegebruik?
Ja.
Heeft het kabinet kennisgenomen van de brief2, uitgevaardigd op 23 december jl., waarin acht EU-ministers pleiten voor een duidelijke Europese doelstelling op het gebied van duurzame energie in 2030?
Ja.
Hoe verhoudt deze brief zich tot de Europese Green Growth Group3, waarvan Nederland deel uit maakt?
Nederland heeft in de Green Growth Group conform de kabinetsreactie op het Europese Groenboek gepleit voor een CO2-reductiedoel van ten minste 40% ten opzichte van 1990. Binnen de Green Growth Group is over een dergelijk reductiedoel een redelijke mate van consensus ontstaan. In een brief van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Italië, Duitsland en Nederland van 10 januari 2014 is dit ook schriftelijk aan de Commissie overgebracht.
Dat ligt anders bij de formulering van aparte doelen voor energiebesparing en hernieuwbare energie. Het Verenigd Koninkrijk is tegen aparte doelen naast het CO2-reductiedoel, terwijl Duitsland daar juist voorstander van is.
In de kabinetsreactie op het Europese Groenboek heeft Nederland destijds geen expliciete houding ten aanzien van een hernieuwbare doelstelling ingenomen om die reden zal NL niet zijn gevraagd om de brief van 23 december jl. waarnaar in vraag 2 verwezen wordt mede te ondertekenen.
Het kabinet zal uw Kamer op korte termijn een reactie geven op het Europese Witboek, dat op 22 januari jl. is verschenen.
Heeft Nederland deelgenomen aan het opstellen van deze brief? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Betekent de Nederlandse afwezigheid bij het opstellen van deze brief dat het kabinet het Europese initiatief voor harde doelstellingen in 2030 niet steunt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de Europese samenwerking op het gebied van duurzame energie uw volle aandacht heeft, zodat in het vervolg Nederland een centrale speler blijft in de Europese overlegstructuur naar een duurzame toekomst?
Ja. Overleg op Europees niveau zal steeds belangrijker worden om de Europese vraag en het aanbod van met name elektriciteit in een steeds verder integrerende elektriciteitsmarkt in goede banen te leiden waardoor de algehele voorzieningszekerheid kan worden geborgd.
Het bericht dat de Nederlandse economie tuimelt naar 30e plaats |
|
Geert Wilders (PVV), Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse economie tuimelt naar de 30e plaats»?1
Ja. Daarbij moet worden aangetekend dat de titel een vastgesteld feit suggereert, waarvan uiteraard geen sprake is. In het rapport zelf staat al dat de daling misleidend is en wordt verklaard doordat de opkomende economieën sterk groeien.
Onderschrijft u de conclusie van het bericht dat Nederland beter af zou zijn zonder de euro? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Er zijn belangrijke economische voordelen van een muntunie. Een muntunie ondersteunt de interne markt die van groot belang is voor Nederland als open economie. Zo is er met de euro geen onzekerheid over de wisselkoers t.o.v. onze belangrijkste handelspartners. Studies over de exacte gevolgen van invoering van de euro worden gekenmerkt door een hoge mate van onzekerheid. Het is dan ook onmogelijk te weten wat de situatie zonder de euro zou zijn geweest, maar zeker is dat onder de euro wisselkoersfluctuaties tot het verleden behoren. Zie ook de kabinetsreactie op een eerder onderzoek uitgevoerd door Lombard Street Research2. Mijn ambtsvoorganger heeft in 2011 een overzicht naar uw Kamer gestuurd met een lijst onderzoeken waaruit de schadelijke gevolgen van het verlaten van de euro worden besproken3.
Het Cebr geeft aan dat de sterke daling van Nederland op de ranglijst van grootste economieën slechts relatief en daarmee misleidend is. De daling komt grotendeels doordat opkomende economieën die voorheen een BBP niveau dichtbij dat van Nederland hadden sterk groeien, bijvoorbeeld in Azië. Dit kan gepaard gaan met een positief welvaartseffect voor Nederland door het handelskanaal met de opkomende economieën. Ook spelen demografische ontwikkelingen in ons eigen land een rol. Dit zijn effecten waar de euro geen invloed op heeft.
Onderschrijft u de algemenere conclusie dat lagere belastingen leiden tot meer economische groei? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft het kabinet de belastingen in Nederland dan zo sterk verhoogd?
In de begrotingsafspraken van oktober jongsleden heeft het kabinet ruimte gevonden om de lasten voor huishoudens in 2014 flink te verlagen. Het kabinet staat echter ook voor de taak om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Als dat niet gebeurt, kunnen de rentelasten oplopen en moeten in de toekomst de belastingen stijgen. Ook dat is niet goed voor de economie. Bij het op orde brengen van de overheidsfinanciën kiest dit kabinet ervoor om dat voor het merendeel via lagere uitgaven te doen. Met waar mogelijk maatregelen die de economie zo min mogelijk verstoren, zoals bijvoorbeeld het vrijmaken van beklemd vermogen met de maatregelen fiscale stimulering vrijval stamrechten en het tijdelijk lagere tarief in box 2. Het kabinet maakt bij de maatregelen aan de uitgavenkant haar eigen keuzes.
Bent u bereid op te houden met het uitvoeren van het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Arbeid (PvdA) door het alsmaar verhogen van de belastingen? Bent bereid deze belastingen alsnog met miljarden te verlagen en het daarvoor benodigde geld weg te halen bij ontwikkelingshulp, onze contributie aan de Europese Unie, uitkeringen aan kansloze immigranten, de publieke omroep en andere linkse hobby’s? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Nederland direct de eurozone (en de Europese Unie) dient te verlaten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht “Europese accountantsregels wijken af van de Nederlandse wet” |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Europese accountantsregels wijken af van de Nederlandse wet»?1
Ja
Op 17 december 2013 sloten het Europees Parlement en de Europese Raad een akkoord over nieuwe wetgeving voor accountants. Wat is de exacte inhoud van het akkoord c.q. welke afspraken zijn er precies gemaakt? Welke ruimte laat de verordening voor lidstaten om zelf aanvullende eisen te stellen?
De voorstellen van de Europese Commissie voor de hervorming van de accountantsmarkt omvatten een nieuwe verordening en een herziening van Richtlijn 2006/43/EG2. Afgelopen december hebben de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie een akkoord bereikt over de teksten van de verordening en de herziene richtlijn in het kader van de zogenaamde triloog onderhandelingen. De formele besluitvorming voor definitieve vaststelling van deze regelgeving in het Europees Parlement en de Raad moet nog plaatsvinden. Tijdens de onderhandelingen over de voorstellen ging vooral veel aandacht uit naar de bepalingen over een verplichte kantoorroulatie, de scheiding van controle en advies en de mogelijke rol van de European Securities and Markets Authority(ESMA) bij het toezicht op de accountancysector. De genoemde aspecten zijn neergelegd in de verordening die uiteindelijk rechtstreeks van toepassing zal zijn in de nationale rechtsorde. Hieronder schetsen we de belangrijkste afspraken die hierover in het kader van het akkoord zijn gemaakt.
Wat betreft de verplichte kantoorroulatie houdt het afgelopen december bereikte akkoord in dat organisaties van openbaar belang (OOB’s) de wettelijke controleopdracht maximaal tien jaar door dezelfde accountantsorganisatie mogen laten uitvoeren. Daarbij biedt het akkoord lidstaten de mogelijkheid om te bepalen dat deze maximale duur van de initiële opdracht voor de wettelijke controle mag worden verlengd tot maximaal twintig jaar in het geval er na het verlopen van de initiële duur van de opdracht een aanbesteding van de wettelijke controleopdracht plaatsvindt. Wanneer er sprake is van een zogenaamde joint audit door twee of meer accountants(organisaties) kan een lidstaat bepalen dat de maximale duur van de initiële opdracht mag worden verlengd tot maximaal vierentwintig jaar. De feitelijke verlenging van de maximale duur van de initiële controleopdracht vindt volgens het akkoord overigens onder bepaalde voorwaarden plaats.
Na afloop van de toepasselijke maximale roulatietermijn geldt voor de betreffende accountantsorganisatie een afkoelingsperiode van vier jaar gedurende welke de betreffende wettelijke controle niet mag worden uitgevoerd bij dezelfde controlecliënt. Voor het overige is in het akkoord neergelegd dat na het verstrijken van de toepasselijke maximale roulatietermijnen een OOB bij wijze van uitzondering bij de bevoegde autoriteit het verzoek mag indienen om een verlenging van de opdracht met nog eens maximaal twee jaar toe te staan.
Wat betreft de scheiding van advies en controle bevat het akkoord een uitgebreide «zwarte» lijst met diensten die niet in combinatie met de wettelijke controle bij dezelfde controlecliënt mogen worden verricht als die controlecliënt een OOB betreft. Het verbod op het verlenen van de op deze lijst genoemde diensten geldt vanaf het begin van de periode waarop de wettelijke controle ziet tot aan het afgeven van de accountantsverklaring. Daarnaast geldt het verbod ook gedurende het financiële jaar dat voorafgaat aan de hiervoor bedoelde periode met betrekking tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van de interne beheersings- of risicobeheerprocedures die verband houden met de opstelling en/of controle van financiële informatie of financiële informatietechnologiesystemen. Verder mogen niet verboden aan de controle gerelateerde diensten worden verricht tot een maximumplafond van zeventig procent van de gemiddelde kosten die in de voorafgaande drie opeenvolgende jaren voor de wettelijke controle in rekening werden gebracht bij de gecontroleerde entiteit en, waar van toepassing, bij haar moederonderneming, de door haar gecontroleerde ondernemingen en voor de geconsolideerde jaarrekening van de betreffende groep van ondernemingen. In nationale of Europese wetgeving verplicht gestelde aan de controle gerelateerde diensten zijn uitgesloten van het genoemde maximumplafond. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de waarmerking van staten ten behoeve van de toezichthouder zoals bedoeld in de Pensioenwet en de Wet op het financieel toezicht.
Wat betreft de mogelijke rol van ESMA was Nederland samen met vier andere lidstatenvoorstander van het bij ESMA beleggen van de samenwerking tussen de nationale toezichthouders op het terrein van audit. Op aandringen van een grote meerderheid van lidstaten is evenwel gekozen voor het opzetten van een nieuw comité, de Committee of European Auditing Oversight Bodies(CEAOB). ESMA mag wel iemand aanwijzen als lid van de CEAOB. Dit lid wordt tevens voorzitter van een subgroep waarvan de bedoeling is dat de CEAOB deze in het leven roept met het oog op internationale samenwerking tussen de lidstaten en derde landen. Daarnaast is een review clauseopgenomen op grond waarvan het opereren van de CEAOB over enkele jaren wordt heroverwogen.
De teksten van de verordening en de herziening van Richtlijn 2006/43/EG3 waarover een akkoord is bereikt bevatten nog de nodige mogelijkheden voor lidstaten om zelf aanvullende eisen te stellen. Zo is wat betreft de verplichte kantoorroulatie in de verordening voor lidstaten de mogelijkheid neergelegd om de maximale duur van de initiële opdracht voor de wettelijke controle op minder dan tien jaar vast te stellen. Wat betreft de scheiding van controle en advies biedt de verordening lidstaten de mogelijkheid om naast de diensten genoemd op de zwarte lijst ook andere diensten te verbieden die een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van degene die de controle uitvoert. Daarnaast wordt lidstaten de mogelijkheid geboden om onder bepaalde voorwaarden enkele op de zwarte lijst genoemde verboden diensten wel toe te staan.
Hoe wijken de Nederlandse regels af van de nu in afgesproken EU-regels? In hoeverre zijn de Nederlandse regels strenger dan de EU-regels?
Uit het in de Wet op het accountantsberoep opgenomen door uw Kamer aangenomen amendement Van Vliet vloeit voort dat met ingang van 1 januari 2016 OOB’s verplicht worden elke acht jaar van accountantsorganisatie te wisselen4. In de Nederlandse wet is neergelegd dat na een periode van acht aaneengesloten jaren een afkoelingsperiode van twee jaar geldt gedurende welke de betreffende wettelijke controle niet mag worden uitgevoerd door dezelfde accountantsorganisatie. De tekst van de Europese verordening waarover een akkoord is bereikt biedt voldoende ruimte om de maximale roulatieperiode van acht jaar in Nederland aan te houden. Wel wijkt de in de Nederlandse wet neergelegde afkoelingsperiode van twee jaar af van de in de verordening neergelegde afkoelingsperiode van vier jaar. Op dit punt behoeft de Nederlandse wetgeving aanpassing om niet in strijd te komen met de Europese regels.
In het in de Wet op het accountantsberoep opgenomen door uw Kamer aangenomen amendement Plasterk c.s. is de regel dat een accountantsorganisatie die wettelijke controles verricht bij een OOB, naast de in de toelichting bij het amendement genoemde controlediensten geen andere werkzaamheden voor die organisatie verricht5. Dit uitgangspunt is in zekere mate strenger dan het in de tekst van de Europese verordening neergelegde principe van een zwarte lijst met diensten die in ieder geval niet naast de wettelijke controle mogen worden verricht. Tegelijkertijd biedt het akkoord lidstaten de mogelijkheid om naast de diensten genoemd op de zwarte lijst ook andere diensten te verbieden die een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van degene die de controle uitvoert. Hierbij is als enige voorwaarde gesteld dat lidstaten de Europese Commissie van voorkomende aanvullingen op de hoogte stellen. De tekst van de verordening waarover een akkoord is bereikt biedt aldus ook voldoende ruimte om de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies te handhaven. Tegelijkertijd moet wel rekening worden gehouden met een tweetal uit het akkoord voortvloeiende extra eisen. Zo mag een accountantsorganisatie die de wettelijke controle uitvoert gedurende het financiële jaar dat voorafgaat aan de periode waarop de wettelijk controle betrekking heeft bij dezelfde OOB geen diensten verrichten met betrekking tot het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van de interne beheersings- of risicobeheerprocedures die verband houden met de opstelling en/of controle van financiële informatie of financiële informatietechnologiesystemen. Verder mogen niet verboden aan de controle gerelateerde diensten worden verricht tot een maximumplafond van zeventig procent van de gemiddelde kosten die in de voorafgaande drie opeenvolgende jaren voor de wettelijke controle in rekening werden gebracht.
Welke nadelen ondervindt de accountantsbranche van de niet gelijkluidende regels in Nederland en Europa? Hoeveel administratieve lasten brengt dit met zich mee?
In het afgelopen december bereikte akkoord over de Europese voorstellen zijn in ieder geval de kaders vastgelegd waarbinnen in alle lidstaten de verplichte kantoorroulatie en de scheiding van controle en advies van toepassing gaan zijn. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat lidstaten binnen deze kaders nog de nodige mogelijkheden hebben om aanvullende eisen te stellen. Op dit moment is nog niet bekend in hoeverre de diverse lidstaten van deze optionele bepalingen gebruik gaan maken. Wel staat op basis van het akkoord vast dat in alle lidstaten de duur van de initiële opdracht voor de wettelijke controle bij een OOB maximaal tien jaar kan zijn en dat na afloop van die termijn in principe een aanbesteding van de controleopdracht moet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een joint audit. Ook zal op basis van het akkoord in alle lidstaten het uitgangspunt zijn dat in ieder geval de diensten genoemd op de in het akkoord opgenomen zwarte lijst niet in combinatie met de wettelijke controle bij een OOB mogen worden verricht.
De diverse in het akkoord opgenomen maatregelen (zoals de verplichte aanbesteding en kantoorroulatie) zullen in alle Europese lidstaten extra kosten met zich meebrengen. Deze extra kosten zullen volgens de Europese Commissie worden gecompenseerd door de positieve effecten, zoals een grotere onafhankelijkheid van accountants die de kwaliteit van de controle ten goede moet komen6. Daar komt bij dat in Nederland de door het amendement Plasterk c.s. geïntroduceerde scheiding van controle en advies al sinds 1 januari 2013 van toepassing is en dat Nederlandse OOB’s vooruitlopend op de feitelijke invoering van de verplichte kantoorroulatie per 1 januari 2016 al de nodige aanbestedingen van de wettelijke controles hebben uitgevoerd of nog uitvoeren7. In die zin zijn de uit het akkoord voortvloeiende maatregelen in Nederland al voor een groot deel geïmplementeerd. Hiermee zouden ondernemingen in Nederland mogelijk een voorsprong kunnen hebben op ondernemingen in andere lidstaten waar betreffende maatregelen op dit moment nog niet van kracht zijn.
Vastgesteld kan worden dat in ieder geval de in de Nederlandse wetgeving opgenomen maximale roulatieperiode van acht jaar en de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies passen binnen het afgelopen december bereikte akkoord. Nu nog niet bekend is in hoeverre de diverse lidstaten invulling gaan geven aan de in het akkoord opgenomen optionele bevoegdheden, kan moeilijk wordt ingeschat welke nadelen de accountantsbranche ondervindt van niet gelijkluidende regels in Nederland en de rest van Europa.
Bent u bereid om de evaluatie van de voorstellen van verplichte roulatie en scheiding van advies en control in 2015 naar voren te halen gelet op alle ontwikkelingen in Europa en de praktijk van dit moment in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De in de Wet op het accountantsberoep door het amendement Plasterk c.s. geïntroduceerde scheiding van controle en advies is al sinds 1 januari 2013 van toepassing. Tijdens het debat met de Eerste Kamer over de Wet op het accountantsberoep op 27 november 2012 heb ik de intentie uitgesproken om de verplichte roulatie echt op 1 januari 2016 van kracht te laten worden. In dit verband heb ik aangegeven een halfjaar van tevoren in een brief aan de Kamer te rapporteren over de stand van zaken in Brussel en de voortgang op weg naar 1 januari 2016 in Nederland8. Zodra de Europese regels definitief vaststaan, zullen we nationale regelgeving moeten vaststellen om deze te implementeren. In dat kader moet hoe dan ook worden bezien in hoeverre de nationale regelgeving aanpassing behoeft om in ieder geval niet in strijd te komen met de Europese regelgeving. Op basis van het afgelopen december gesloten akkoord tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie kan in ieder geval worden vastgesteld dat de in de Nederlandse wetgeving opgenomen maximale roulatieperiode van acht jaar en de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies passen binnen de Europese regels. Om definitief te worden zullen de Europese regels in ieder geval nog officieel door het Europees Parlement en door de Raad moeten worden aangenomen. Met het oog op de aanstaande verkiezingen voor het Europees Parlement is de verwachting dat dit binnen nu en een paar maanden gaat plaatsvinden.
Deelt u de mening dat de Nederlandse wetgeving in lijn gebracht moet worden met de Europese wetgeving om te zorgen voor eerlijke concurrentiepositie en een gelijk speelveld in de Europese Unie? Is het kabinet voornemens om de Nederlandse regels aan te passen aan de Europese verordening wanneer deze in werking treed? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op eerder gestelde vragen door uw Kamer heb ik aangegeven, dat wanneer er strijdigheid zou ontstaan tussen de Nederlandse en de Europese regelgeving we de betreffende wetgeving uiteraard zullen moeten aanpassen9. Op dat moment kan ook worden overwogen in hoeverre aanpassingen nodig zijn met het oog op een eerlijke concurrentiepositie en een gelijk speelveld in de Europese Unie. Zodra de Europese verordening en de herziening van Richtlijn 2006/43/EG10 definitief zijn vastgesteld, zullen we zeker moeten stellen dat onze nationale regelgeving hiermee in overeenstemming is en waar nodig de nationale wetgeving hierop moeten aanpassen. Op basis van het afgelopen december gesloten akkoord tussen de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie kan in ieder geval worden vastgesteld dat de in de Nederlandse wetgeving opgenomen maximale roulatieperiode van acht jaar en de in de Nederlandse wetgeving neergelegde scheiding van controle en advies passen binnen de nieuwe Europese regels. Op andere punten zal onze wetgeving in ieder geval wel aanpassing behoeven, bijvoorbeeld waar het gaat om de in het antwoord op vraag 3 genoemde afwijkende afkoelingsperiode.
Het bericht extra ammoniakeisen dreigen vanuit Brussel |
|
Remco Dijkstra (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «LTO: extra ammoniakeisen dreigen vanuit Brussel»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe de plannen van de Europese Commissie eruit gaan zien voor de verlaging van de nationale emissieplafonds voor ammoniak en fijnstof? Kunt u aangeven hoe deze plannen in verhouding staan tot de (strengere) Nederlandse regels op het gebied van ammoniak en fijnstof?
De Europese Commissie heeft voorgesteld om het plafond voor ammoniak ten opzichte van de gerealiseerde emissie in 2005 te verlagen met 13% in de periode van 2020 tot 2029. Vanaf 2030 wordt voorgesteld dit plafond te verlagen met 25% ten opzichte van 2005.
Voor fijn stof (PM2,5) wordt een emissiereductie voorgesteld van 37% in de periode van 2020 tot 2029 en 38% vanaf 2030 ten opzichte van de emissie in 2005.
Het artikel in de Boerderij betreft een nieuw Commissievoorstel.
De Nederlandse inzet voor die onderhandelingen zal mede op basis van een kostenbatenanalyse, die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op dit moment op verzoek van de Staatssecretaris voor Milieu en Infrastructuur uitvoert, worden bepaald, alsook naar aanleiding van gesprekken met het bedrijfsleven.
Voorlopige berekeningen van PBL wijzen voor beide stoffen uit dat de aangescherpte doelen volgens de prognoses gehaald kunnen worden met reeds vaststaand beleid. De maatregelen die in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) worden respectievelijk zijn voorzien, zijn daarbij meegenomen.
Klopt het dat een verdere verlaging van de plafonds een direct effect heeft op de intensieve veehouderij? Kunt u aangeven wat het effect van de voornemens van de Europese Commissie is voor de intensieve veehouderij in Nederland?
Een verlaging van de plafonds van ammoniak en fijn stof heeft bij de huidige voorstellen van de Europese Commissie geen direct effect op de intensieve veehouderij. De voorgestelde plafonds kunnen volgens de prognoses met huidige beleid, waaronder het beleid voor de PAS en het NSL worden gehaald.
Kunt u aangeven of u ook voornemens bent om extra nationale regelgeving op te stellen ten aanzien van luchtvervuiling ten aanzien van de intensieve veehouderij? Zo ja, bent u bereid deze voornemens op te schorten zolang niet duidelijk is hoe de regels uit Brussel eruit gaan zien?
Er zijn aanscherpingen in voorbereiding van nationale regelgeving op het gebied van stallen (ammoniak en fijn stof) en mestaanwending. De aanscherping van de eisen voor ammoniakemissie uit stallen en bij mestaanwending in het kader van de PAS zijn nodig om de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden te verlagen. De invoering van eisen voor de emissie van fijn stof (PM10) uit stallen heeft tot doel de achtergrondconcentraties zodanig te verlagen dat kan worden voldaan aan de reeds geldende luchtkwaliteitseisen voor PM10 en daarmee tevens aan de luchtkwaliteitseisen die in 2015 voor PM2,5 gaan gelden. Deze maatregelen zullen naar verwachting voldoende zijn om te voldoen aan de door de Europese Commissie voorgestelde doelen voor emissiereductie. Ik wil deze maatregelen niet opschorten omdat er dan problemen ontstaan met de implementatie van de PAS en ten aanzien van het voldoen aan de reeds gemaakt afspraken in het kader van de Europese luchtkwaliteitsrichtlijn.
Kunt u aangeven of u tijdens de Landbouwraad zich achter de oproep van Duitsland, Denemarken en Luxemburg heeft geschaard om meer duidelijkheid te geven over de mogelijke gevolgen voor de landbouw van de plannen de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven wat is er besloten om de gevolgen voor de landbouw in kaart te brengen?
Zoals ik u heb gemeld in mijn brief van 19 december 2013 (Kamerstuk II 21 501-32, nr. 761), heeft een groot aantal lidstaten het verzoek van Duitsland ondersteund. Ik heb uw Kamer aangegeven dit ook te kunnen steunen. De voorzitter concludeerde dat regelmatig informatie zal worden verschaft aan de Landbouw- en Visserijraad met betrekking tot de stand van zaken van de onderhandeling over de herziening van de richtlijn. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is eerstverantwoordelijk voor dit dossier.
Deelt u de mening dat indien de plannen van de Europese Commissie doorgang vinden dat Nederland erkenning moet krijgen voor de koploperspositie die is bereikt door de ammoniakemissie met 67 procent te reduceren terwijl in Europa de reductie gemiddeld 28 procent was en Nederlandse veehouders veel meer moeten hebben investeren in verlaging van de emissie dan boeren elders in Europa?
Bij de voorstellen is het primaire uitgangspunt van de Europese Commissie de impact op mens en milieu geweest van de diverse luchtverontreinigende stoffen. Bekeken is op welke wijze de emissies in Europa op de meest kosteneffectieve manier kunnen worden verminderd. Daarbij heeft de Commissie rekening gehouden met hetgeen de lidstaten in het verleden hebben bereikt. De emissiereductie voor ammoniak voor de Europese Unie als geheel ligt op 27%. Nederland zit daar met 25% net onder. Nog relevanter is het om Nederland te vergelijken met belangrijke landbouwlanden om ons heen. Het voorstel bevat voor Denemarken een reductie van 37% in 2030 en voor Duitsland zelfs 39%.
Het artikel ‘Asscher ziet wel iets in boud plan Cameron’ |
|
Steven van Weyenberg (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het plan van de Britse premier Cameron om vrij verkeer van personen voor nieuwe EU-toetreders niet te laten gelden totdat zij een bepaald economisch niveau hebben bereikt? Klopt het dat dit plan door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid «potentieel interessant» is genoemd? Wat is het kabinetsstandpunt op dit onderwerp?1
Het voorstel van Premier Cameron om een koppeling te leggen tussen het openstellen van de grenzen voor werknemers uit nieuw toetredende landen en het economisch niveau van die landen is, naar de mening van het kabinet, een potentieel interessante bijdrage aan de discussie over hoe het draagvlak voor het vrij verkeer van werknemers kan worden versterkt. De ervaringen van de afgelopen jaren met arbeidsmigranten uit de nieuwe lidstaten laten immers zien dat het vrij verkeer van werknemers ook schaduwkanten heeft. Werknemers uit lidstaten met een lager welvaartsniveau zijn eerder bereid genoegen te nemen met slechtere arbeidsvoorwaarden dan waar ze recht op hebben. Dit maakt hen vatbaar voor uitbuiting door werkgevers. Deze ervaringen zullen een rol spelen in de onderhandelingen met nieuwe kandidaat-lidstaten.
Om ook op korte termijn het draagvlak voor het vrij verkeer van werknemers te versterken, vraagt het kabinet in EU-verband aandacht voor deze schaduwkanten van het vrij verkeer van werknemers. De prioriteit hierbij ligt bij de aanpak van oneerlijke concurrentie door middel van schijnconstructies. De Handhavingsrichtlijn, waarover de lidstaten op 9 december een akkoord hebben bereikt, levert hieraan een belangrijke bijdrage.
Welke implicaties zou dit voorstel hebben voor het vrij verkeer van Nederlanders naar de nieuwe toetreders? Zouden de belemmeringen voor het vrij verkeer wederkerig zijn?
Of de mogelijkheid tot wederkerigheid ook in de toetredingsverdragen met nieuwe toetreders wordt opgenomen, hangt af van de onderhandelingen met deze landen, hetgeen voorlopig nog niet aan de orde is.
Vindt u ook dat dit voorstel op z’n minst op gespannen voet staat met één van de belangrijkste pijlers van de Europese Unie, namelijk het vrij verkeer van personen?
Zolang het uitgangspunt een volledig vrij verkeer van werknemers is, net als nu het geval is, is er geen sprake van spanning met het vrij verkeer van personen. Zoals ook blijkt uit de meest recente toetredingen, kan in toetredingsonderhandelingen een overgangsperiode worden afgesproken waarin nog beperkingen gelden op het vrij verkeer.
De wijze waarop Bulgarije omgaat met asielzoekers |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Bulgarije een wetsvoorstel aanhangig is gemaakt teneinde asielzoekers standaard bij binnenkomst in detentie te plaatsen?1
Ter implementatie van de EU-Kwalificatierichtlijn (nr. 2011/95) en de EU-Opvangrichtlijn (nr. 2013/33) heeft de Bulgaarse regering een voorstel van wet tot wijziging van de Bulgaarse Asiel- en Vluchtelingenwet ter overweging aangeboden aan het Bulgaarse parlement. Naar verwachting worden de voorgestelde wijzigingen deze week behandeld door de mensenrechtencommissie van het Bulgaarse parlement. Door enkele ngo’s is de kritiek geuit dat het wetsvoorstel geen correcte uitvoering geeft aan de EU-richtlijnen.
Ik ben van mening dat de Nederlandse regering terughoudendheid past bij het uiten van standpunten over aanhangige wetsvoorstellen in andere EU-lidstaten. Het is aan het Bulgaarse parlement om deze wetsvoorstellen te beoordelen en goed te keuren of te amenderen volgens de nationale processen. Bovendien is het in de eerste plaats niet aan de Nederlandse regering, maar is het aan de Europese Commissie om te controleren of de EU-richtlijnen op correcte wijze in de nationale wet- en regelgeving van de individuele lidstaten zijn geïmplementeerd. Via de gebruikelijke weg en procedure zal de Bulgaarse regering, na aanname van het wetsvoorstel door het parlement, het wetsvoorstel notificeren bij de Europese Commissie, zodat deze haar controlerende taak kan uitvoeren.
Klopt dit bericht? Wat beoogt deze wet en wanneer treedt deze wet naar verwachting in werking in Bulgarije?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt deze wet zich tot de huidige wijze waarop in Bulgarije asielzoekers worden opgevangen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt deze wet zich tot Europese verdragen en richtlijnen, zoals de Opvangrichtlijn, waaraan alle lidstaten gebonden zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Bulgarije wordt beschuldigd van het verstrekken van gegevens over Syrische asielzoekers aan de Syrische ambassade?2
Desgevraagd heeft het Bulgaarse ministerie mij, via de Nederlandse ambassade in Bulgarije, geïnformeerd dat het hier ging om vreemdelingen die geen asielprocedure hadden lopen en vrijwillig wilden terugkeren naar het land van herkomst en die van documenten moesten worden voorzien.
Welke signalen heeft u dat Bulgarije zich hieraan schuldig maakt?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat beide bovenstaande ontwikkelingen in Bulgarije zorgwekkend zijn en dat Bulgarije hier in de JBZ Raad over moet worden aangesproken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit laatste op de komende JBZ Raad aan de orde te stellen?
In mijn antwoord op uw vragen 2 tot met 4 heb ik u aangegeven dat terughoudendheid past bij het interveniëren in het wetgevingsproces in een andere EU-lidstaat.
Op welke wijze kan Nederland op verantwoorde wijze waarborgen dat asielzoekers in het kader van de Dublin-verordening nog aan Bulgarije kunnen worden overgedragen, zonder dat strijd kan ontstaan met artikel 3 van het Europees Verdag voor de Rechten van de Mens? Bent u bereid in dit verband de algemene signalen serieus te nemen en de belangen van individuele asielzoekers voorop te stellen?
Duidelijk is dat door de sterk toegenomen asielinstroom het asielstelsel en de opvangvoorzieningen in Bulgarije onder bijzondere druk zijn komen te staan. Op 14 oktober van dit jaar heeft de Bulgaarse regering het EASO gevraagd om technische en operationele ondersteuning bij het verbeteren van het asiel- en opvangsysteem. Het EASO heeft positief op dit verzoek gereageerd en de afspraak is gemaakt dat de EASO asielondersteuningteams tot september 2014 in Bulgarije aanwezig zullen zijn. Het kabinet is bereid een substantiële bijdrage te leveren aan deze asielondersteuningteams. Daarenboven heeft het kabinet een substantiële financiële bijdrage geleverd voor opvang van Syrische vluchtelingen in Bulgarije. Ook de UNHCR heeft laten weten de Bulgaarse regering ondersteuning te gaan bieden bij het behandelen en de opvang van asielzoekers. Deze ontwikkelingen laten onverlet dat de situatie in Bulgarije zorgelijk blijft en nauwlettend zal worden gevolgd, ook in het kader van de overdrachten die op grond van de EU-Dublinverordening kunnen plaatsvinden.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg over de JBZ Raad op 4 december 2013?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Geen hoger loon voor EU-functionarissen' |
|
Mark Verheijen (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «geen hoger loon voor EU-functionarissen»?1
Ja.
Deelt u de tevredenheid over de uitspraak van het Europese Hof van Justitie?
Ja, de uitspraak van het Hof past in het standpunt dat Nederland ten aanzien van deze kwestie heeft ingenomen. Het Hof erkent de Nederlandse lijn dat de Europese Commissie in het salarisvoorstel voor 2011 rekening had moeten houden met de plotselinge verslechterde economische omstandigheden in de EU en dat het aan de Raad is om te beoordelen of er van dergelijke uitzonderlijk omstandigheden sprake is. Nederland heeft aan de zijde van de Raad actief op dit punt in deze Hofzaak geïntervenieerd.
Kunt u ons informeren over de mogelijkheden van de Europese Commissie op dit moment en kunt u aangeven of de Commissie overweegt om middels een verlaging van de pensioenpremies voor EU-werknemers alsnog de salarissen te laten stijgen?
Het is op dit moment niet bekend wat de Europese Commissie naar aanleiding van deze uitspraak zal doen.
Op grond van het EU-ambtenarenstatuut doet de Europese Commissie jaarlijks een voorstel voor aanpassing van de pensioenpremies om het pensioenstelsel in balans te houden. Voor 2013 heeft de Commissie een verlaging voorgesteld van 10,6% naar 10,3% van het basissalaris. Over dit voorstel heeft de Raad nog geen besluit genomen. Het kabinet is kritisch over de voorgestelde premieverlaging. In 2012 stelde de Commissie ook een verlaging voor. Nederland heeft daar niet mee ingestemd.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot het Europees ambtenarenstatuut?
De onderhandelingen over de herziening van het EU-ambtenarenstatuut zijn in juli afgerond. Hoewel er sprake is van enige versobering van de pensioenen, toelagen en salarissen (twee jaar nullijn), schiet het totaalpakket volgens het kabinet te kort. Ondanks de steeds stevige inzet van het kabinet op dit dossier, staat de hervorming van het EU-ambtenarenstatuut in schril contrast met hervormingen in lidstaten zelf.
Nederland en vier andere lidstaten hebben daarom tegen het nieuwe Statuut gestemd en daarbij in een stemverklaring hun ongenoegen uitgesproken over het tegenvallende resultaat. Andere lidstaten vonden het compromis wel aanvaardbaar, evenals het Europees Parlement dat met een ruime meerderheid heeft ingestemd met de uitkomst van de onderhandelingen.
Blijft de inzet van de Europese Raad ongewijzigd indien de Europese Commissie met een afgezwakt voorstel komt?
Het standpunt van het kabinet ten aanzien van de salarissen en pensioenen van EU-ambtenaren is niet gewijzigd.
Het bericht ‘Nieuw EU-land Kroatië meteen in overtreding’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuw EU-land Kroatië meteen in overtreding»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Kroatië als kersvers lid van de Europese Unie nu al totaal niet kan voldoen aan Europese begrotingsregels?
Kroatië neemt dit jaar voor het eerst deel aan het Europees Semester, waarin budgettair en economisch beleid in Europese lidstaten gecoördineerd wordt. Het is aan de Europese Commissie om te beoordelen of Kroatië in dit kader aan de begrotingsregels voldoet en om voor te stellen Kroatië in een buitensporig tekortprocedure te plaatsen. Op basis van dit voorstel zal de Raad een besluit nemen. Zestien andere lidstaten, waaronder Nederland, vallen reeds onder de buitensporig tekortprocedure.
Vindt u het uit te leggen dat dit kabinet onlangs heeft ingestemd met de Kroatische toetreding, wetende dat het zou uitdraaien op een economische ramp?
Kroatië heeft aan de EU-eisen in het toetredingstraject voldaan, zie ook de kabinetsappreciatie van het derde monitoringrapport die de Kamer op 4 april jl. is toegegaan2. Overigens heeft ook het parlement ingestemd met de Kroatische toetreding: de regering heeft de Akte van Ratificatie eerst na bespreking van het derde monitoringsrapport met uw Kamer gedeponeerd.
Bent u bereid in Brussel te bepleiten dat Kroatië de EU per direct verlaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Conflictmineralen |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving1 over het werkbezoek van het GroenLinks lid van het Europees Parlement aan het pilot project «Conflict-Free Tin Initiative» van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Philips en Tatasteel? 2
Ja.
Deelt u de zorgen over het verloop van dit sympathieke project rondom de certificering van tin?
Kritiek op het initiatief neem ik serieus, maar de zorgen deel ik niet. Wetgeving om de handel in conflictmineralen tegen te gaan is in de VS reeds aangenomen: Dodd-Frank 1502 verbiedt handel in mineralen uit het Grote Meren gebied in Afrika zonder traceerbaarheid. Het effect is volgens de Group of Experts van de VN, dat de handel in mineralen voor 90% is gestopt. Het onbedoelde neveneffect is dat mijnen die niet bijdroegen aan conflict, ook niet meer konden produceren/ exporteren. Grootschalige werkloosheid is het gevolg. Deze kan op zich weer een bron van nieuw conflict vormen.
Vanaf het begin van het project was duidelijk dat er tegenslag verwacht kon worden. De oostelijke DRC is een gebied dat gerekend mag worden tot het gebied met de moeilijkste operationele omstandigheden wereldwijd. Onder leiding van BZ is een aantal bedrijven, waaronder Philips en Tata Steel, juist dáár begonnen aan een pilot project dat beoogt door tracering van tin uit geselecteerde mijnen de conflictdimensie van de lokale mineralenhandel te elimineren en de negatieve impact van de Dodd-Frank wetgeving, hoofdstuk 1502, te mitigeren.
De huidige uitdaging van de deelnemers aan dit project, waaraan naast genoemde bedrijven o.m. ook Hewlett Packard, Apple, Friesland Campina, Blackberry, Intel, Motorola Solutions, Nokia en Fairphone deelnemen, betreft de plotselinge verhoging van de provinciale belastingen, waardoor de productie van de Kalimbimijn in Nyabibwe recent flink is teruggelopen. De handel is door de belastingverhoging niet langer lucratief omdat niet meer tegen marktconforme prijzen kan worden geproduceerd. Daardoor zijn inkomsten van de mijnwerkers ook teruggelopen.
Het bezoek van het Groenlinks lid van het Europarlement werd geflankeerd door een diplomatieke interventie door de Nederlandse Ambassade op hoofdstedelijk niveau in combinatie met een bezoek van de Speciaal Gezant Natuurlijke Hulpbronnen aan het productiegebied en de gouverneur. Verbazing over de plotselinge en buitenproportionele verhogingen van de belastingen is uitgesproken, de negatieve gevolgen voor de productie in de mijnen is onder de aandacht gebracht en verzocht is de belastingverhoging terug te draaien. De bal ligt nu aan Congolese zijde.
Bent u voornemens om de controle op dit proefproject te intensiveren om zo te helpen bij het welslagen van het project?
Er is sprake van een goed functionerend project met dito (interne) controlemechanismen. De zakjes met tinerts worden tussen de win- en exportlocatie diverse malen geopend om de ertsen te mengen en op het gewenste kwaliteitsniveau te brengen. Nummers van labels zijn uniek en worden via een satellietverbinding opgeslagen in een database in Londen (International Tin Research Institute – ITRI). In de database worden het gewicht en kwaliteit bijgehouden; als de waarden verschillen dan wordt dit onderzocht om uit te sluiten dat mineralen van elders illegaal worden bijgemengd. Zakjes waar een label aan ontbreekt, worden niet opgenomen in de export.
Incidenten worden via de NGO PACT aan ITRI gerapporteerd, onderzocht en onder de aandacht van de DRC autoriteiten gebracht. Daartoe werken burgers (o.a. mijnwerkers, lokaal bedrijfsleven, lokale NGO’s), internationale NGO’s (PACT, Global Witness, Transparency International, Enough) en overheden (Duitsland, de VS, Nederland en DRC) effectief samen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken ondersteunt de NGO PACT met een financiële bijdrage voor drie jaar, om de operationele controle in het veld uit te voeren.
Ik ben van mening dat het project binnen de geschetste operationele context afdoende waarborgen in zich draagt om het project te doen slagen. Daarbij kan worden opgemerkt dat met het recent arriveren van CFTI-tin bij Tata Steel in IJmuiden en bij Philips Lighting in Mexico, het operationeel concept van dit proefproject zich feitelijk al heeft bewezen. De volgende stappen zijn het verder verbreden van de afnemersgroep, het vergroten van de productie (in de provincie Manema zijn inmiddels mijnen geopend), het diversifiëren van het aanbod aan betrouwbare opkopers, handelaren en exporteurs. Deze stappen zijn nodig om het conflictvrije tin tegen wereldmarktprijzen te kunnen gaan produceren en de productie ook in andere opzichten duurzamer te maken.
Deelt u de mening dat, hoewel vrijwillige initiatieven door bedrijven gewaardeerd moeten worden, de aanpak van de handel in conflictmineralen het meest effectief gestopt kan worden met Europese wetgeving op dit gebied?
Het kabinet zet zich in voor het agenderen van de conflictmineralenkwestie in Europees en OESO-verband. Minister Timmermans stuurde samen met zijn collega’s Westerwelle (DUI) en Bonino (It) recent een brief aan de EU Hoge Vertegenwoordiger, Catherine Ashton, waarin gepleit wordt voor een preventieve aanpak op het vlak van «Global Issues», waaronder grondstoffenvoorzieningszekerheid en conflictmineralen. U treft deze brief in de bijlage aan3.
Ten behoeve van het Europese debat over verantwoord ketenbeheer en conflictmineralen wordt mede op aandringen van Nederland een Europese inventarisatie uitgevoerd van initiatieven van de lidstaten zoals het Nederlandse Conflict Vrij Tin Initiatief. Deze inventarisatie loopt momenteel en zal voeding geven aan het debat over verdere stappen.
Ik ben van mening dat complementair aan wetgeving in de VS, ketenspecifieke steun- en aanmoedigingsmaatregelen die zijn toegesneden op de lokale context, momenteel concreet meer bijdragen. Aanvullende generieke wetgevende maatregelen in de EU zullen op hun merites moeten worden beoordeeld, met name het effect voor de bevolking van wingebieden. Aanvullende wetgeving kan ook het risico verhogen dat bedrijven, die op zichzelf welwillend staan tegenover actieve verbetering van misstanden, wegtrekken uit conflictgebieden vanwege aansprakelijkheidsrisico’s in hun land van herkomst.
Bent u bereid om u in te zetten voor Europese wetgeving in de Europese Raad?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat Europese wetgeving over conflictmineralen een supply chaindue dilligence verplichting voor bedrijven moet bevatten?
De OESO Due Diligence Guidance voor verantwoord ketenbeheer met betrekking tot mineralen uit conflictgebieden wordt momenteel actief opgepakt door vele bedrijven die zelf bij de ontwikkeling van de richtlijnen betrokken waren. De kracht hiervan is dat bedrijven context-specifiek kunnen handelen. Er ligt nog geen Europees wetsvoorstel. Ik zal -wanneer aan de orde- zo’n voorstel toetsen op proportionaliteit en op effectiviteit omdat ik zeker wil zijn dat dit meerwaarde heeft voor de verbetering van het ketenbeheer.
De uitspraak van Eurocommissaris Kroes over Verhofstadt als kandidaat-voorzitter van de Europese Commissie |
|
Barry Madlener (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van Eurocommissaris Neelie Kroes dat de VVD de eurofiel de heer Guy Verhofstadt zal steunen als kandidaat-voorzitter van de Europese Commissie?1
De regering zal een beslissing nemen over welke kandidaat voorzitter van de Europese Commissie te steunen wanneer de kandidaten hiervoor bekend zijn. Dit is nu nog niet aan de orde.
Steunt de Nederlandse regering een mogelijke kandidatuur van de heer Verhofstadt voor het voorzitterschap van de Europese Commissie? Zo ja, bent u helemaal van lotje getikt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke liberaal heeft naar de mening van de Nederlandse regering als het gaat om de EU het meest gelijk: Verheijen, Kroes, Bolkestein of Verhofstadt of weet u het zelf inmiddels ook niet meer?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat succes met de campagne wordt gewenst?
Zie antwoord vraag 1.
De toelating van gentechgewassen in de Europese Unie |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland op 21 oktober jl. bij het Comité van beroep voor de toelating van import van de genetisch gemanipuleerde mais binnen de Europese Unie heeft gestemd?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd om de Kamer te informeren over de aanvragen voor toelatingen voor gentechgewassen die er momenteel bij de EU liggen, en dat u deze toezegging deed voordat dit Comité van beroep speelde?
De stemming in het Ambtelijk comité waaraan u refereert betrof de import van maïs MON 87460. Nederland heeft destijds (voordat de motie Klaver was aangenomen) voorgestemd gebaseerd op de positieve opinie van de European Food Safety Authority (EFSA) en het advies van de Commissie genetische modificatie (COGEM) en het Nederlands Instituut voor voedselveiligheid (RIKILT) over de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling. Nederland heeft bij stemming in het Comité van Beroep dezelfde positie ingenomen als bij stemming in het Ambtelijk comité.
Kunt u uitleggen waarom de Kamer nog niet is geïnformeerd over de aanvragen voor nieuwe gentechgewassen, terwijl Nederland wel vóór de toelating van een dergelijk gewas heeft gestemd? Waarom is het standpunt van de Nederlandse regering over deze toelating niet eerst voorgelegd aan de Kamer?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u voor toelating voor de import van een nieuw gentechgewas gestemd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de conclusie van ruim 90 wetenschappers, die zich verenigd hebben in The European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility, dat de veiligheid van genetisch gemanipuleerde gewassen niet is bewezen en dat er bij sommige gewassen reden is voor ongerustheid?2 Deelt u de zorgen van deze wetenschappers over de mogelijk negatieve invloed van gentechgewassen op de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet en op grond van welke onafhankelijke en langlopende onderzoeken komt u tot die conclusie?
De in de EU toegelaten genetisch gemodificeerde gewassen zijn uitvoerig en zorgvuldig beoordeeld op de veiligheid voor mens, dier en milieu door de EFSA. Elk ggo-dossier wordt beoordeeld door verschillende werkgroepen onder het EFSA-panel, waarin EFSA Panelleden zitting hebben, maar ook ad hoc werkgroepleden, alvorens een conceptopinie wordt opgesteld die door het EFSA GMO Panel wordt besproken. In totaal zijn er daarmee veel onafhankelijke onderzoekers betrokken bij een EFSA opinie.
Op nationaal niveau adviseren COGEM en RIKILT over deze risicobeoordeling.
Ik heb alle vertrouwen in deze risicobeoordeling. Daarom deel ik de zorgen van het ENSSER niet. Ook de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO)3geeft aan dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten voor genetisch gemodificeerde gewassen die op basis van een risicobeoordeling zijn toegelaten op de markt en reeds worden geconsumeerd.
Erkent u dat de claim dat genetisch gemanipuleerde gewassen veilig zijn, misleidend is? Zo nee, waarom niet en op grond van welke onafhankelijke en langlopende onderzoeken komt u tot die conclusie?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er volgende week weer gestemd gaat worden in de EU over de toelating van een gentechgewas, namelijk gentechmais 1507 van Pioneer Hi-Bred? Zo ja, kunt u bevestigen dat deze stemming waarschijnlijk grote gevolgen zal hebben voor andere aanvragen voor toelating van gentechgewassen in de EU, omdat er dan waarschijnlijk over veel meer aanvragen gestemd zal moeten worden? Zo nee, hoe zit het dan?3
Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs een uitspraak gedaan over een zaak die Pioneer Hi-Bred heeft aangespannen tegen de Europese Commissie. De Europese Commissie is hierbij veroordeeld voor het nalaten van het ter stemming brengen van een voorstel over de toelating van de genetische gemodificeerde maïs 1507 voor teelt in een Raad van ministers. Het is niet bekend welke gevolgen deze uitspraak van het EU Hof heeft voor andere teeltdossiers van genetisch gemodificeerde gewassen die op stemming wachten. De Europese Commissie heeft het ontwerpbesluit voor een toelating voor teelt van de genetische gemodificeerde maïs 1507 van Pioneer Hi-Bred en Mycogen Seeds op 12 november 2013 uitgebracht. Zoals aangegeven in mijn brief van 16 januari jl. heb ik in het COREPER van 17 januari een parlementair voorbehoud gemaakt en de Raad opgeroepen om voor 12 februari een bespreking in een Raad te organiseren zodat aldaar een besluit kan worden genomen. Op 23 januari is bekend geworden dat het voorstel voor toelating besproken zal worden tijdens de Raad voor Algemene Zaken van 11 februari. Zoals aangegeven in de eerder genoemde brief van 16 januari zal ik u zo spoedig mogelijk informeren over de kabinetsaanpak inzake Europese markttoelatingen van genetisch gemodificeerde organismen waaronder de (gg-) maïslijn 1507. Totdat ik deze kabinetsaanpak met u besproken heb, zal ik een parlementair voorbehoud aantekenen bij stemmingen over dit gewas.
Bent u bereid om tegen de toelating van deze gentechmais te stemmen? Zo niet, waarom niet en bent u dan in ieder geval bereid u van stemming te onthouden zolang u uw standpunt over dit gentechgewas niet heeft kunnen afstemmen met de Kamer?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘EU aid lost in Palestine’ |
|
Mark Verheijen (VVD), Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «£ 1.95bn EU aid lost in Palestine» van de Sunday Times?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het rapport van de Europese Rekenkamer, waarin wordt gesteld dat er ruim een miljard euro aan Europese hulpgelden is verdwenen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever ten gevolge van corruptie en mismanagement?
Ik ben niet op de hoogte van de inhoud van het rapport aangezien het nog niet is vrijgegeven. Naar verwachting worden de bevindingen op korte termijn gepresenteerd.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken absoluut onaanvaardbaar is en dat de autoriteiten in de Palestijnse gebieden zich moeten verantwoorden en dat de gelden moeten worden teruggevorderd? Zo nee, waarom niet?
Onder verwijzing naar eerdere vragen over mismanagement van EU-ontwikkelingsgeld in Congo (waarbij één miljard euro verspild zou zijn), is er volgens u sprake van een patroon van slechte besteding en/of verspilling van belastinggeld via Europese ontwikkelingssamenwerking? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat alle Europese financiële steun aan de Palestijnse gebieden per direct geblokkeerd moet worden zolang deze kwestie niet is opgelost en de hulpgelden niet zijn verantwoord? Zo nee, waarom niet?
Kunt u op Europees niveau vragen om een doorlichting van het gehele programma van EU-ontwikkelingsgeld om te achterhalen waar geld verspild is en waar dat aan heeft gelegen? Zo nee, waarom niet?
Nationale koppen ten aanzien van Europese regelgeving op het gebied van landbouw, natuur en visserij |
|
Bart de Liefde (VVD), Rudmer Heerema (VVD), André Bosman (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog uw toezegging tijdens de behandeling van de begroting Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2013 om voor het zomerreces 2013 een overzicht te sturen van Europese wet- en regelgeving die strenger is geïnterpreteerd door de Nederlandse overheid voor landbouwers, tuinders en vissers? Zo ja, kunt u toelichten waarom het niet gelukt is dit overzicht voor het zomerreces naar de Kamer te sturen?
Over de toezegging heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd op 26 juni 2013. (Kamerstukken II 2012–2013, 21 501-32, nr. 722). Daarbij heb ik verwezen naar het brede onderzoek naar de nationale implementatie van Europese regelgeving naar aanleiding van de motie Van der Burg (Kamerstukken II, 2007/08, 29 515, nr. 2013), dat de minister van Economische Zaken na de zomer naar uw Kamer zou sturen. Uw Kamer heeft dit onderzoek ontvangen op 12 september 2013 (Kamerstukken II 2012/2013, 29 362, nr. 224, bijlage 249702).
Herinnert u zich nog uw toezegging in het schriftelijk overleg inzake de Landbouw- en Visserijraad, vastgesteld op 15 juli 2013, om voor de begrotingsbehandeling een overzicht naar de Kamer te sturen van alle Europese richtlijnen op het gebied van landbouw, natuur en visserij en de Nederlandse implementatie daarvan, specifiek de «nationale koppen» ten aanzien van deze Europese regels? Zo ja, kunt u bevestigen of het lukt om dit overzicht ruim op tijd voor de begrotingsbehandeling Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2014 naar de Kamer te sturen?
In de bijlage1 bij deze brief is per beleidsterrein of wetgevingscomplex beschreven wat het Europeesrechtelijke en nationaal wettelijke kader is en van welke nationale koppen hierbij op hoofdlijnen sprake is. Als nationale koppen zijn beschouwd die regels die zijn gesteld op onderwerpen die in EU-regelgeving zijn vervat en die stringenter zijn dan de betreffende EU-regelgeving. Geïnventariseerd is vigerende regelgeving. Nieuwe of in voorbereiding zijnde maatregelen zijn niet betrokken in deze inventarisatie. Het algemene uitgangspunt bij de nationale uitvoering en implementatie van Europese regels blijft dat deze lastenluw, dat wil zeggen met zo min mogelijk lasten voor het bedrijfsleven, geschiedt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn hiervan af te wijken.
Kunt u in het overzicht ingaan op de gevolgen van «nationale koppen» ten aanzien van Europese regels op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid, plantgezondheid, gewasbeschermingsmiddelen, natuur, milieu, implementatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Gemeenschappelijk Visserijbeleid et cetera voor de administratieve lasten en nalevingskosten voor overheden, bedrijfsleven en burgers, en kunt in het overzicht ook aangeven wat de gevolgen van de «nationale koppen» zijn voor de economische ontwikkeling van bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Regeldruk effecten worden bij het in kaart brengen uitgesplitst naar eenmalige dan wel structurele administratieve lasten en eenmalige dan wel structurele nalevingskosten. Daarnaast wordt per regeling aangegeven of de regeldruk effecten hun oorsprong hebben in internationale verplichtingen, of het gaat om de nationale implementatie van internationale verplichtingen, of dat het wetgeving betreft van nationale oorsprong. Sinds dit kabinet wordt tevens aangegeven of voor de minst belastende instrumentalisering van beleid is gekozen. Onder dit reeds brede palet van categorieën is niet voorzien in een nog fijnmazigere uitsplitsing, naar het bedrag dat binnen de categorieën aan te merken is als regeldruk ten gevolge van een nationale kop.
Ten algemene geldt dat de economische ontwikkeling gebaat is bij het verminderen regeldruk, dus ook bij het daar waar mogelijk schrappen van nationale koppen. Minder regeldruk leidt in beginsel immers tot een potentieel lagere kostprijs en een versnelling van (vergunning)procedures, waardoor economische capaciteiten beter kunnen worden benut.
Kunt u voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2014 ook een overzicht sturen van alle regels die zijn verminderd, vereenvoudigd of geschrapt voor de landbouwers, tuinders en vissers in het kader van de afspraken uit het regeerakkoord om per 2017 een structurele verlaging van de regeldruk te hebben van 2,5 miljard euro en de minder meetbare, maar zeer merkbare regeldruk te verminderen in tenminste vijftien regeldichte sectoren, zoals agri & food? Zo nee, waarom niet?
Over de voortgang ten aanzien van de ambitie om de regeldruk per 2017 met 2,5 miljard euro te verminderen wordt uw Kamer twee maal per jaar geïnformeerd. Zoals gesteld in de Kamerbrief «Verzamelbrief regeldruk» van de minister van Economische Zaken (Kamerstuk 29 362 nr. 224, d.d. 12 september 2013), is gestart met een maatwerkaanpak regeldruk op enkele regeldichte domeinen, waaronder het agro & food domein. Over de maatwerkaanpak in het agro & food domein is in consulterende zin reeds gesproken met een aantal sectororganisaties. De verwachting is dat vóór het eind van dit jaar de uitvraag bij de sectororganisaties zal starten, waarna deze organisaties de mogelijkheid krijgen om knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen bij hun respectievelijke achterbannen te inventariseren. Deze zullen gezamenlijk met het bedrijfsleven worden geanalyseerd. Daarna zal uw Kamer hierover worden gerapporteerd.
Hieronder is aangegeven op welke wijze de regeldruk voor bedrijven op het gebied van landbouw, natuur en visserij zich naar huidige inzichten zal ontwikkelen. Het is een overzicht waarin zowel toenames als afnames van regeldruk zijn opgenomen. Geregistreerd zijn maatregelen met een regeldruk effect groter dan 100.000 euro. Het weergegeven regeldrukeffect is de som van structurele administratieve lasten en structurele nalevingskosten. Tegenover de toename van de regeldruk in 2014 staat dat sinds de start van dit kabinet tot eind 2013 een reductie zal worden behaald van 5,0 miljoen euro2.
De uitkomst van de discussie met uw Kamer over het mogelijk afschaffen van het dierrechtenstelsel in 2015 bepaalt of hiermee al dan niet een lastendrukvermindering kan worden gerealiseerd.
1
Meststelsel (stelsel van verantwoorde mestafzet)
1,0
2
PAS (Programmatische Aanpak Stikstof)
-1,7
3
Wetsvoorstel natuurbescherming
-0,5
4
Afschaffen bedrijfsregister agrarische bedrijven
-5,2
5
Vleesketen
-2,0
6
I&R paard
4,0
7
Besluit gezelschapsdieren (regels voor houden van dieren)
2,0
8
Diergeneesmiddelen (reglementering toediening door houders)
9,9
9
SGGV-casus Gewasbescherming
-2,6
10
Ontmantelen pbo’s
p.m.
Deelt u de opvatting dat met de toenemende regeldruk voor landbouwers, tuinbouwers en vissers het steeds moeilijker wordt om te ondernemen en hun koppositie als tweede voedselexporteur in de wereld vast te houden en dat hierdoor de goede naam van de Nederlandse land- en tuinbouw en visserijsector in het gedrang komt? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 101 in de »Antwoorden schriftelijke vragen begroting Economische Zaken 2013, Deel Landbouw en Natuur»(Kamerstukken II 2012/13, 33 750-XIII, nr. 9), waarin wordt aangegeven dat een van de speerpunten van het kabinet is het inzetten op een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en een excellent ondernemersklimaat. Ondernemers moeten de ruimte krijgen om te ondernemen, te groeien en te vernieuwen, zowel om de huidige crisis het hoofd te bieden als om voorbereid te zijn op de economische ontwikkelingen van de toekomst. Een van de instrumenten hiervoor is het aanpakken van de door ondernemers ervaren regeldruk, zoals ik dit via de maatwerkaanpak wil vormgeven. Tegelijkertijd moet niet uit het oog worden verloren dat voor de degelijke exportpositie van Nederland regelgeving nuttig en noodzakelijk is.
Deelt u de opvatting dat de toenemende regeldruk voor de land- en tuinbouw en visserij ook deels wordt veroorzaakt doordat enkele organisaties, zoals Wakker Dier, een negatief en ongecontroleerd beeld neerzetten van de sectoren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 101 in de »Antwoorden schriftelijke vragen begroting Economische Zaken 2013, Deel Landbouw en Natuur» (Kamerstukken II 2012/13, 33 750-XIII, nr. 9). Daarnaast wil ik opmerken dat nieuwe wet- en regelgeving tot stand komt volgens de daarvoor geldende regels en procedures. Een onderdeel van deze regels en procedures is de behandeling van nieuwe wet- en regelgeving in uw Kamer, waarbij de effecten op regeldruk kunnen worden betrokken bij het debat.
Het bericht ‘Aankoop EU voor niets’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klop het bericht «Aankoop EU voor niets»?1
Uit het aangehaalde Telegraafbericht wordt niet duidelijk op welke locatie-aankoop wordt gedoeld. De Rijksgebouwendienst heeft geen locatie aangekocht ten behoeve van een Europees Openbaar Ministerie. Als wordt gedoeld op de aankoop van het pand Jan Willem Frisolaan 13 te Den Haag dan verwijs ik naar de antwoorden die de Minister voor Wonen en Rijksdienst, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu, uw Kamer hierover eerder deed toekomen.2
Waarom worden er miljoenen uitgegeven aan een Europees Openbaar Ministerie, terwijl de onderhandelingen daarover nog bezig zijn en het dus officieel nog niet eens duidelijk is of deze organisatie ooit het levenslicht zal zien?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Nederland in het algemeen en Den Haag in het bijzonder al meer dan genoeg internationale organisaties huisvesten, namelijk meer dan 30? Deelt u voorts de mening dat de kosten die hierbij komen kijken in tijden van crisis niet aan de hardwerkende belastingbetaler zijn uit te leggen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid voert al ruim twee decennia een actief wervingsbeleid om internationale organisaties in Nederland te vestigen. Als zetelstaat van deze organisaties kan Nederland zich profileren als internationaal georiënteerd land met Den Haag als internationale stad van vrede en recht. Daarnaast is de aanwezigheid van deze organisaties en hun werknemers en families voor Nederland van economisch belang. Het kabinet ziet dan ook geen reden om dit beleid te herzien.
Bent u bereid deze verspilde miljoenen terug te halen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid deze verspilde miljoenen uit eigen zak terug te betalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Verdwenen EU-gelden in Congo |
|
Ingrid de Caluwé (VVD), Mark Verheijen (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «€ 1bn of EU aid to Congo wasted, auditors say»?1
Ja.
Deelt u de bevindingen van het rapport van de Europese Rekenkamer?
In het rapport van de Europese Rekenkamer wordt een aantal ernstige tekortkomingen geconstateerd2. Hoewel de EU steun aan de DRC is ingebed in een deugdelijke samenwerkingsstrategie, de EU zich richt op de belangrijkste noden op het gebied van bestuur en een aantal resultaten is behaald, is de voortgang langzaam, ongelijk en, overall, beperkt, aldus de Rekenkamer. Minder dan de helft van de programma’s en projecten heeft het merendeel van de verwachte resultaten gerealiseerd, of gaat dit naar verwachting doen. Dat de behaalde resultaten duurzaam zullen zijn, is niet waarschijnlijk. De EU heeft bekende risico’s – de Rekenkamer noemt: gebrek aan politieke wil, donor-gedreven dynamiek en gebrek aan absorptiecapaciteit – onvoldoende in ogenschouw genomen bij het ontwerp van programma’s, waardoor doelstellingen vaak te ambitieus zijn. Van conditionaliteit gaat slechts een zwakke prikkel uit en de beleidsdialoog tussen de EU en de autoriteiten van de DRC is niet ten volle benut, noch is deze afdoende afgestemd met lidstaten op alle terreinen. De Rekenkamer concludeert dan ook dat de EU, als belangrijke ontwikkelingspartner van de DRC, de effectiviteit van haar hulp significant moet opschroeven. Dat kan de EU doen door realistischer te programmeren aan de ene kant en meer te eisen van de Congolese autoriteiten aan de andere kant – waarbij de inzet van conditionaliteit niet moet worden geschuwd. In het rapport staat niet dat de EU «corruptie over het hoofd zou hebben gezien».
Nederland onderkent de moeilijke omstandigheden in de DRC. Ook in een moeilijke omgeving dienen mensen hier en daar erop toe te zien dat de effectiviteit van steun en de rechtmatigheid van uitgaven voorop staan. Het kabinet is het eens met de aanbevelingen die de Rekenkamer doet om de effectiviteit van steun te vergroten en zal er, nu de programmering van het Elfde Europees Ontwikkelingsfonds (EOF11) van start gaat, bij Commissaris Piebalgs op aandringen dat de EU gevolg geeft aan deze aanbevelingen. Het kabinet ziet deze als ondersteuning van zijn beleid, zoals uiteengezet in de kabinetsvisie op Europees ontwikkelingsbeleid en in de kabinetsreactie op de recente evaluatie van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) van het Europees ontwikkelingsbeleid3. Zeker waar het gaat om vragen over en toepassen van conditionaliteit – óók, of beter gezegd, juist, in moeilijke omstandigheden – treffen de uitspraken van de Europese Rekenkamer doel: de EU moet de voorwaarden die zij hanteert geloofwaardiger inzetten en beter afdwingen en haar beleidsdialoog met de Congolese autoriteiten tot een politieke dialoog opwaarderen: dat is in het belang van de bevolking van de DRC en in het belang van de eigen geloofwaardigheid.
Deelt u de mening dat het met name schokkend is dat de Europese Commissie corruptie over het hoofd zag, zeker daar de EU er prat op gaat dat er strenge voorwaarden aan hulp verbonden worden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw mening over de reactie van Eurocommissaris Piebalgs, die aangeeft dat sommige projecten zich nog in een pril stadium bevinden en dat de resultaten moeten worden beoordeeld, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden en serieuze obstakels in het land? Deelt u de mening dat dit soort moeilijke omstandigheden onderdeel moeten uitmaken van een voorafgaande inschatting van een project en haar doelstellingen?
Dat de omstandigheden in de DRC buitengewoon weerbarstig zijn en dat er sprake is van serieuze obstakels voor ontwikkeling en voor ontwikkelingssamenwerking is evident: de DRC is één van de meest fragiele staten ter wereld. Toen ik er begin 2013 zelf was, werd mij dat ook weer duidelijk4. Vanzelfsprekend moeten deze moeilijke omstandigheden worden meegewogen in een risicoanalyse die zijn weerslag heeft op het ontwerp van programma’s en projecten, zodat de normen die de EU hanteert voor effectiviteit van uitgaven in deze programma’s voldoende geborgd zijn.
Tegelijkertijd is het kabinet het in zijn algemeenheid met Commissaris Piebalgs eens dat moeilijke omstandigheden niet op voorhand de verlening van steun moeten uitsluiten: er zijn immers ook risico’s verbonden aan niets doen, die mogelijk tot hogere kosten – en nog meer menselijk leed – leiden. In fragiele staten – waar we weten dat de meest basale structuren soms ontbreken – moet die afweging nadrukkelijk worden gemaakt. Nederland heeft ingestemd met de Europese steun aan de DRC omdat het kabinet de Congolese bevolking niet aan haar lot wenst over te laten – en ook vanuit de overweging dat de EU als één van de belangrijkste partners daar een groter verschil kan maken dan afzonderlijke lidstaten.
Daarnaast zijn de ontwikkelingen in de DRC de afgelopen jaren minder positief dan na de vredesakkoorden van 2007 werd verwacht. De politieke wil om tot hervormingen te komen is laag gebleken, waardoor programma’s werden vertraagd. Nederland is voorstander van meer politieke druk op de DRC om overeengekomen doelen te bereiken. Het aantreden van Speciale Gezant van de Secretaris Generaal van de VN Robinson – met wie ik en marge van de AVVN onlangs persoonlijk sprak over de situatie in het Grote Merengebied – biedt hiertoe een nieuwe gelegenheid.
Kunt u inschatten welk percentage van de EU-hulpgelden afkomstig was uit de jaarlijkse Nederlandse bijdrage hieraan?
Het rapport van de Europese Rekenkamer heeft betrekking op steun die grotendeels vanuit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) wordt gefinancierd. Sommige projecten komen daarnaast uit Categorie IV van de EU-begroting (zoals activiteiten gefinancierd vanuit het Mensenrechteninstrument). Tussen 2003 en 2011 heeft DRC ongeveer 1,9 miljard euro ontvangen uit deze fondsen. De Nederlandse bijdrage aan het EOF en aan de EU-begroting bedroeg in de periode 2008–2013 respectievelijk 4,85 procent en circa 5 procent.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Voorzitter van de Europese Raad, Van Rompuy, over rapporten afkomstig van de Europese Rekenkamer?
Wat betreft de uitspraken van Van Rompuy wil het kabinet juist het belang van de werkzaamheden van de Europese Rekenkamer als onafhankelijke waakhond over de rechtmatige en doelmatige besteding van EU-begrotingsmiddelen en het EOF onderstrepen. De EU zou zich meer rekenschap mogen geven van het feit dat negatieve evaluaties het draagvlak voor Europese ontwikkelingssamenwerking ondermijnen.
Hoe gaat u ervoor waken dat dezelfde fouten als in Congo niet ook worden gemaakt in andere fragiele staten, waarvoor de EU een ambitieuze, speciale aanpak voor wederopbouw heeft opgezet waar lidstaten een gecoördineerde bijdrage aan leveren, bijvoorbeeld voor Mali, waar Nederland flink aan bijdraagt?
Nederland dringt aan op een conflict sensitieve benadering door de EU, die begint met een risicoanalyse, zodat de doelstellingen, programma-opzet en verantwoordingseisen inclusief financiële controles hierop kunnen worden afgestemd. De EU volgt deze benadering steeds meer.
Tijdens de internationale bijeenkomst over de effectiviteit van hulp in Busan in 2011 is een nieuwe aanpak (New Deal) overeengekomen voor hulpverlening aan fragiele staten, waar de noden hoog zijn en de omstandigheden moeilijk. Donoren, ontwikkelingspartners en internationale organisaties zoeken met de New Deal een uitweg uit fragiliteit die gebaseerd is op de systemen en structuren van het land, die duidelijk capaciteitsopbouw vergen – maar waar tegelijkertijd verscherpt risicobeheer wordt gevoerd – door donoren gezamenlijk waar dat kan. Nederland en de EU hebben zich aan deze New Deal gecommitteerd en onderschrijven hiermee de noodzaak van interventies in landen en gebieden waar omstandigheden moeilijk zijn. Oog houden voor en het beheren en beheersen van risico’s maakt onlosmakelijk deel uit van deze aanpak.
In het specifieke geval van Mali heeft Nederland bij Commissaris Piebalgs geïnsisteerd op het benoemen van heldere politieke indicatoren bij het verlenen van steun in de vorm van een State Building Contract. De Nederlandse inzet heeft tot een aantal aanpassingen van deze aard geleid. Het kabinet ziet nauw toe op de verdere uitvoering ervan. Ook ter plaatse spant de Nederlandse vertegenwoordiging zich in de effectiviteit van steun te vergroten, onder andere door het belang van gezamenlijke programmering tussen EU en lidstaten te benadrukken.
Deelt u de mening dat het feit dat het ontbreken van resultaten bij Europese ontwikkelingshulp, ondanks het uitgeven van grote sommen geld, aanleiding geeft tot een grondige heroverweging van de wijze waarop dit geld besteed wordt en een debat over op welk niveau ontwikkelingshulp het beste plaats kan vinden?
De bevindingen van de Europese Rekenkamer wijzen zeker op grote dilemma’s in de hulpverlening aan fragiele staten die aanleiding geven tot een debat. Dat debat voert het kabinet met Commissaris Piebalgs en in de Raad. De EU moet bij de programmering van EOF11-fondsen – samen met lidstaten – nadrukkelijk bezien hoe steun op een meer realistische en doelmatige leest kan worden geschoeid en hoe de risico’s van steun aan overheden in fragiele staten kunnen worden verminderd – de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer indachtig. Dat het bestuur en de rechtsstaat in dit soort landen moeten worden versterkt, leidt echter geen twijfel: het zijn basisvoorwaarden om aan fragiliteit te ontkomen. Overigens zet het kabinet bij de programmering van fondsen onder EOF11 sterk in op verbeterde resultaatmeting conform de aanbevelingen van de recente evaluatie van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) van het Europees ontwikkelingsbeleid5.
Het bericht 'Kritiek op peperdure EU-campagne' |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kritiek op peperdure EU-campagne»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het verspillen van 6,6 miljoen euro belastinggeld aan deze EU-propagandacampagne?
De informatiecampagne van het EP is erop gericht Europese burgers bewust te maken van de verkiezingen en uit te leggen waarom hun stem van belang is. Het kabinet hecht er belang aan dat burgers worden geïnformeerd over hun stemrecht in de Europese verkiezingen en worden aangemoedigd om van dit stemrecht gebruik te maken, zeker in het licht van de lage opkomst van de laatste EP-verkiezingen in 2009 van 43% in de EU (36,75% in NL).
Het Europees Parlement heeft kort na de Europese verkiezingen van 2009 onderzoek gedaan naar de redenen waarom kiezers wel of niet hebben gestemd. In deze analyse zijn de redenen die genoemd werden om niet te stemmen vooral gerelateerd aan politiek in het algemeen, in mindere mate direct gerelateerd aan de EU en van persoonlijke aard. Uit een later diepte-onderzoek van 2012 komt naar voren dat de grootste (EU gerelateerde) barrière om te gaan stemmen een gebrek aan kennis en informatie over de kandidaten en het Europees Parlement was. Deze onderzoeken kunt u terugvinden op de volgende website:http://www.europarl.europa.eu/aboutparliament/en/00191b53ff/Eurobarometer.html?tab=2012_6 .
Verbaast het u dat sinds het bestaan van de verkiezingen voor het Europese schijnparlement, de opkomst steevast is gedaald? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de Europese Unie zich totaal belachelijk maakt door volgend jaar in totaal 41,5 miljoen euro uit te trekken voor zelfpromotie waar geen hond op zit te wachten?
Het kabinet is voorstander van een sobere en efficiënte EU-begroting en neemt zoals bekend een kritische houding aan over de hoogte van de administratieve uitgaven van de Europese instellingen.
Communicatie en voorlichting maken niettemin integraal deel uit van het werk van de Europese instellingen. Het is aan het Europees Parlement zelf om prioriteiten vast te stellen binnen het aan het EP toegewezen budget.
Wat gaat het kabinet doen om deze waanzin en verspilling per direct te stoppen?
Zie antwoord vraag 4.